VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over huiswerk (GA 294)

.

In een aantal pedagogische voordrachten heeft Steiner het ook over huiswerk.
Zoals met zoveel onderwerpen: ook al zijn de gezichtspunten zo’n 100 jaar geleden uitgesproken, voor vandaag de dag bevatten ze nog altijd wezenlijke inhoud.

GA 294

Blz. 142  vert.   145    Het gaat hier over niet-Nederlandse talen*

Voordracht 10, Stuttgart 1 september 1919

Wenn man den Kindern in der Klasse etwas vorliest und sie die Bücher vor sich haben und mitlesen, so ist das nichts als aus dem Kindesleben ausgestrichene Zeit. Das ist das Allerschlimmste, was man tun kann. Das Richtige ist, daß der Lehrer dasjenige, was er vor­bringen will, erzählend vorbringt, oder selbst wenn er ein Lesestück wörtlich vorbringt, oder ein Gedicht rezitiert, es persönlich ohne Buch selber gedächtnismäßig vorbringt, und daß die Schüler dabei nichts anderes tun als zuhören, daß sie also nicht mitlesen; und daß dann wo­möglich dasjenige reproduziert werde, was angehört worden ist, ohne daß es vorher gelesen worden ist. Das ist für den fremdsprachigen Un­terricht von Bedeutung. Für den Unterricht in derMuttersprache ist das nicht so sehr zu berücksichtigen. Aber bei der fremden Sprache ist sehr zu berücksichtigen, daß hörend verstanden wird und nicht lesend, daß sprechend etwas zum Verstehen gebracht wird. Wenn dann die Zeit zu Ende ist, wo man so etwas getrieben hat, kann man die Kinder das Buch nehmen lassen und sie hinterher lesen lassen. Oder man kann, wenn man damit die Kinder nicht malträtiert, ihnen einfach als Haus-aufgabe geben, aus ihrem Buche zu lesen, was man mündlich vorge­nommen hat während der Schulzeit. Die Hausaufgabe sollte sich auch in fremden Sprachen vornehmlich darauf beschränken, das Lesen zu betreiben. Also was geschrieben werden soll, das sollte eigentlich in der Schule selbst geleistet werden. In den fremden Sprachen sollten mög­lichst wenig Hausaufgaben gegeben werden, erst auf den späteren Stufen, also nach dem 12. Jahre; aber auch dann nur über so etwas, was im Leben wirklich vorkommt: Briefe schreiben, Geschäftsmitteilungen machen und dergleichen. Also das, was im Leben wirklich vorkommt.

Lezen we in de klas iets voor en hebben de leerlingen de boeken ook voor zich om mee te lezen, dan is dat enkel uit het kinderleven weggestreepte tijd. Dat is het allerergste wat we kunnen doen. De juiste wijze is dat de leraar vertellend aandraagt wat hij wil overbrengen, en dat hij zelfs wanneer hij een tekst letterlijk presenteert of een gedicht voordraagt, dat uit het hoofd doet, zonder hulp van een boek, en dat de leerlingen daarbij alleen maar luisteren, dus niet meelezen. En als het kan, laat u ze dan herhalen wat ze gehoord hebben, zonder dat ze het eerst gelezen hebben. Dat is belangrijk voor het onderwijs in de vreemde talen. Voor het moedertaalonderwijs geldt dat minder. Maar bij de vreemde talen is het van groot belang dat de leerlingen iets luisterend begrijpen en niet lezend, dat de stof mondeling wordt overgebracht. Wanneer u daaraan genoeg tijd hebt besteed, kunt u de leerlingen het boek laten pakken en de tekst laten nalezen. Of als u de kinderen daarmee niet te zwaar belast, kunt u gewoon als huiswerk opgeven dat ze in het boek nalezen wat er mondeling in de les is behandeld. Het huiswerk moet ook bij de vreemde talen voornamelijk beperkt blijven tot lezen. Wat opgeschreven moet worden, moet dus eigenlijk op school worden gedaan. Voor de vreemde talen moet zo min mogelijk huiswerk worden opgegeven – dat komt pas in de hogere klassen, na het twaalfde jaar. Maar ook dan alleen aangaande dingen die in de praktijk voorkomen: brieven schrijven, zakelijke mededelingen doen en dergelijke meer. Dingen dus die werkelijk in het gewone leven voorkomen.

Im Unterricht schulmäßig in einer fremden Sprache Aufsätze machen lassen, die nicht an das Leben anknüpfen, das ist eigentlich in einem höheren Sinne ein Unfug. Man sollte stehenbleiben bei dem Brief­mäßigen, Geschäftsmitteilungsmäßigem und Ähnlichem. Man könnte höchstens so weit gehen, daß man die Erzählung pflegt. Die Erzählung über Geschehenes, Erlebtes, soll man ja viel mehr als den sogenannten freien Aufsatz in der Volksschule pflegen. Der freie Aufsatz gehört eigentlich noch nicht in die Volksschulzeit. Aber die erzählende Dar­stellung des Geschehenen, des Gehörten, das gehört schon in die Volks­schule, denn das muß das Kind aufnehmen, weil es sonst nicht in der richtigen Weise sozial an der Menschenkultur teilnehmen kann. Auf diesem Gebiet beobachten unsere gegenwärtigen Kulturmenschen in der Regel auch nur die halbe Welt, nicht die ganze.

Op school in een vreemde taal opstellen laten schrijven die niet bij het gewone leven aansluiten, dat is in feite niet helemaal, maar toch in hoge mate onzinnig. Het zou moeten blijven bij brieven, zakelijke dingen en dergelijke. Wat op zijn hoogst in aanmerking komt is het verhalend beschrijven. Aan het vertellen, het verhalen over gebeurtenissen of belevenissen zou tot het veertiende jaar toch veel aandacht moeten worden besteed, in plaats van aan het zogenaamde vrije opstel. Het vrije opstel is vóór het vijftiende jaar eigenlijk nog niet op zijn plaats, wel het verhalend weergeven van gebeurtenissen of van iets wat het kind gehoord heeft. Want dat moet het kind kunnen, omdat het anders in sociale zin niet goed aan de menselijke cultuur deel kan nemen. Ook op dit gebied zien onze ontwikkelde tijdgenoten in de regel maar de halve wereld, niet de hele.
GA 294/142
Vertaald/145

*‘vreemde’ is m.i. een woord dat we i.v.m. andere talen niet zouden moeten gebruiken. Er is in wezen niets ‘vreemds’ aan deze talen – zijn alleen anders dan de onze. Wellicht is het goed dat kinderen ‘anders-zijn’ niet associëren met ‘vreemd = raar’.

Niet-Nederlandse talenalle artikelen

Rudolf Steiner over huiswerk: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2633-2466

.

.

.

VRIJESCHOOL – (Kring)spelen (2)

.

Kringspelletjes worden voornamelijk in de kleuterklas gespeeld. Ook in de 1e klas vinden veel kinderen het nog erg fijn, vooral als het ‘nieuwe’ zijn, d.w.z. die ze in de kleuterklas nooit hebben gedaan.

(Dus als 1e-klasleerkracht even verifiëren bij de kleuterjuf/meester.)

DE ZEVENSPRONG

Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven,
Heb je wel gehoord van de zevensprong?
Ze zeggen dat ik niet dansen kan,
ik kan dansen als een edelman
dat is een
dat is twee
dat is drie
dat is vier
dat is vijf
dat is zes
dat is ze-e-ven.

Muziek

Alle kinderen vormen een kring met de handen vast en huppelen al zingend linksom, tot: Dat is één! – Bij die woorden plaatsen zij, even stilstaand en met het gezicht naar het midden van de kring gekeerd, de rechter voet een pas naar voren.

Daarna huppelen ze weer in de kring, nu rechtsom, eerste hup op linkervoet. Bij: Dat is één! Dat is twee! – worden een pasje rechts en een aansluitend pasje links naar voren gemaakt. Daarna weer linksom huppelen.

Zo worden steeds het lied en de figuren herhaald, waarna het nieuwe figuur wordt bijgevoegd.

Bij: Dat is drie! – wordt de rechterknie aan de grond gebracht.
Bij: Dat is vier! — wordt de linkerknie óók aan de grond gebracht, en liggen allen dus even geknield met de handen vast.

Je moet opletten, dat je even tijd neemt voor het opstaan daarna.

Bij: Dat is vijf! — wordt de rechterhand even losgelaten en de rechter elleboog op de grond gezet.
Bij: Dat is zes! -wordt ook de linker elleboog op de grond gezet.
Bij: Dat is zeven! – wordt met het voorhoofd de grond aangeraakt, terwijl je de handen op het hoofd houdt.
In deze houding (van een nog ongeboren kind) blijf je nu liggen, terwijl allen het laatste couplet zingen, waarbij nu, te beginnen met: Dat is één! – eerst het hoofd wordt opgeheven, dan de linker elleboog opgetild, en zo voort, alle houdingen in volgorde terugnemend, die je eerst had aangenomen.

Variatie: bij de regels:
Ze zeggen dat ik niet dansen kan, ik kan dansen als een edelman! –

blijft ieder op z’n plaats, de jongens met de armen voor de borst gekruist, de meisjes met de handen op de heupen, en dansen de wiegelpas. Of de meisjes gaan daarbij tegenover de jongen aan haar linkerkant staan. Deze snelle overgangen tussen de figuren zijn echter te moeilijk voor jonge kinderen.

Er is ook geprobeerd een verklaring te vinden voor dit spel:

Deze dans beeldt uit, in het zich beurtelings inrollen en ontrollen, de eeuwige afwisseling van involutie en evolutie, incarnatie en excarnatie, concretie en abstractie, verstoffelijking en vergeestelijking, het middelpuntvliedende en het middelpuntzoekende stadium, of hoe je het maar in analogieën wil aanduiden. Het is de grote pulserende beweging van het Al, van schepping en verlossing, leven en sterven, waarin wij allen opgenomen zijn en meewerken. Als zinnebeeld een van de mooiste heilige dansen, die ons uit de oudheid zijn overgeleverd!
(Melly Uyldert)

Meer over ‘De zevensprong

Meer kringspelletjes bij: peuters en kleuters: alle artikelen

.

Spel: alle artikelen

.

2632-2465

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Taalspelletjes (6)

.

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.
Woorden waarvan ze de betekenis niet kennen, moeten uiteraard geleerd worden.

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.

Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’.

Welk woord wordt gezocht Er is ook een variant: zoekwoord

.

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

BE…TE                                …GEL                        B…D

…ER                                   S…GEL                       K…TEN

B…OE                                 …OR                        …DE

In de rode kolom ontbreken de letters: AMB  [beambte, amber, bamboe]
In de tweede: TEN  [tengel, stengel, tenor]
In de derde: AAR  [baard, kaarten, aarde]

De delen AMB  TEN   AAR vormen het gezochte woord: AMBTENAAR

===

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

MAD…                                           K…                                     …STOOT

K…R                                               ...SJA                                 B…

…CHTIG                                         …KETIK                           BAN…

Oplossing:

In de eerste kolom ontbreken de letters AME (madame, kamer, amechtig)
In de tweede:: RIK (krik, riksja, brik)
In de derde: AAN (aanstoot, baan, banaan)

Samen vormen AME  RIK  AAN het gezochte woord AMERIKAAN

===

WELK WOORD?

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.
De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

…O                                                         M…TOON                            …R

H…AIN                                                 D…R                                     BA…

HER…                                                 …OGLIJK                              S…CHT

Oplossing:

In de 1e kolom ontbreken de letters AUT (auto  hautain  heraut)
In de 2e: ONO (monotoon  donor  onooglijk)
In de 3e: MIE (mier  bamie   smiecht)
De schrijfwijze bamie is niet gangbaar, maar komt voor)

Het gezochte woord is AUT ONO MIE  AUTONOMIE

===

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

…GTOP                                             VL…                                  …ENIEUR

SLOE…                                              R…EI                                   BEV…

ONT…EN                                           …TIJD                                  DR…END

Oplossing: 

In de eerste kolom ontbreken de letters BER (bergtop, sloeber, ontberen)
In de tweede:: OER (vloer, roerei, oertijd) 
In de derde: ING (ingenieur, beving, dringend)

Samen vormen BER  OER  ING get gezochte woord BEROERING

===

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

ESEM                                                   BEZ…                               ERFS…

SJA…ON                                               BLO…TUK                      S…

…KHAK                                                  G…                                    S…GOED

Oplossing:

In de rode kolom ontbreken de letters BLO  (bloesem, sjabloon, blokhak)
In de blauwe: EMS (bezems, bloemstuk, gems)
In de groene: TUK (erfstuk, stuk, stukgoed) 

Samen vormen BLOE  EMS  TUK  het woord BLOEMSTUK

===

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

…MAN                                                  ZO…                        …STIG

…RIN                                                   …RIE                       GEV…

TA…                                                    DOM…IK                 B…KOK   

Oplossing:

In de eerste kolom ontbreken de letters BOE (boeman, boerin, taboe)
In de tweede: MER (zomer, merrie, dommerik)
In de derde: ANG (angstig, gevang, bangkok)

Samen vormen BOE MER ANG het woord BOEMERANG

===

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

…AAL                                                    …ER                                      BL…

LOM…                                                  …PEL                                    AUT…JE

…SER                                                   LIK…OT                               …MOED

Oplossing:

In de rode kolom ontbreken de letters BOK (bokaal, lombok, bokser)
In de blauwe: KEP  (keper, keppel, likkepot)
In de groene: OOT  (bloot, autootje, ootmoed)

Samen vormen BOK  KEP  OOT het woord BOKKEPOOT

===

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

TANT                                                          …LIE                                    … SIN

BA…                                                              …PEZE                              KALE…

…SUL                                                         MA…S                                …TA

Oplossing:

In de rode kolom ontbreken de letters CON (contant, bacon, consul)
In de blauwe: TRA (tralie, trapeze, matras)
In de groene: BAS (bassin, kalebas, basta)

Samen vormen de ontbrekende letters  CON  TRA  BAS  het woord CONTRABAS

====

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

…TJE                                                   BRE…S                                  P…ZEN

KRU…                                                  …FOUT                                  ROM…

IJS…T                                                 UITS…                                    W…IG

Oplossing:

In de rode kolom ontbreken de letters: KAS (kastje, krukas, ijskast)
In de blauwe: TEL (bretels, telfout, uitstel)
In de groene: EIN (peinzen, romein, weinig)

Samen vormen KAS TEL EIN het woord KASTELEIN

===

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

RA…                                        AN…CE                      …SJE

VERNE…                                  …SENS                      F…S

DE…T                                     KA…..                           BAND…

Oplossing:

In de rode kolom ontbreken de letters MEN: ramen, vernemen, dement
In de blauwe: NON: annonce, nonsens, kanon
In de groene: IET: ietsje, fiets, bandiet

Samen vormen MEN  NON  IET het woord MENNONIET

===

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

 …ERN                                       AL…A                                       A…NT  

BAD…E                                     BENZ…                                    E…R

…ULE                                       RU…                                         FLA…US

Oplossing:

In de rode kolom ontbreken de letters:  MOD  (modern, badmode, module)
In de blauwe: INE (alinea,  benzine, ruïne)
In de groene: TTE (attent, etter, flatteus)

Samen vormen MOD  INE en TTE  het woord MODINETTE

===

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

A…BE                                          MOE…                                   …AAR

…DER                                      …TER                                        VAD…

DOOD…                                  D…SIG                                      DE…N

Oplossing:

In de rode kolom ontbreken de letters MOE  (amoebe, moeder, doodmoe)
In de blauwe: RAS (moeras, raster, drassig)
In de groene: SIG (sigaar, vadsig, design)

Samen vormen MOE  RAS  SIG  het woord MOERASSIG

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

…NIK                                           …SSUM                      …FJE

DE…                                            STR…P                        LE…

KI…O                                           DR…UT                       KA…F

 

In de rode kolom ontbreken de letters MON: monnik, demon, kimono.
In de blauwe: OPO: opossum, stropop, dropout.
In de groene: LIE: liefje, lelie; kalief.

Samen vormen MON  OPO  LIE het woord MONOPOLIE

===

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

MAR…                                                 REF…                                  …END

…IEF                                                   EIV…                                   BI…AN

E…IE                                                  ST…EN                               OVERW…

Oplossing:
in de rode kolom ontbreken de letters: MOT (marmot, motief, emotie);
in de blauwe: ORM (reform, eivorm, stormen);
in de groene: ERK  (werkend, bierkan, overwerk)

Samen vormen MOT ORM en ERK het woord MOTORMERK

===

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

SCH…BEL                                                VL…                                   PA…

K…BELEN                                                BL…TJE                           …IEL

CAN…IS                                                    …MOED                          …OR 

Oplossing:

In de rode kolom ontbreken de letters NAB  (schnabbel, kabbelen, canabis)
In de blauwe: OOT (vloot, blootje, ootmoed)
In de groene: SEN (Pasen, seniel, senor)

Samen vormen NAB  OOT  SEN het woord NABOOTSEN

===

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

…AL                                           EM…E                                WA…RK

BE…EN                                      M…EF                                  …KEN

HEN…                                       ER…SCH                             …RIG

Oplossing:

in de rode kolom ontbreken de letters: NEP (nepal, benepen, hennep)
in de blauwe: OTI (emotie, motief, erotisch);
in de groene: SME  (wasmerk, smeken, smerig))

Samen vormen NEP  OTI  ISME het woord NEPOTISME

===

 

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

...ADE                                      SP…ZIE                 NA…

 

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

…NARK                                            AA…S                                      …ADE

GE..N                                               BIJE…S                                   RE…EN

ERE…RD                                       O…AR                                       BEHA…

Oplossing:

in de rode kolom ontbreken de letters: WOO (woonark, gewoon, erewoord)
in de blauwe: NWA (aanwas ,bijenwas, onwaar)
in de groene: GEN  (genade, regenen, behagen)

Samen vormen WOO  NWA  GEN het woord WOONWAGEN

===

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

…SMAN                                                   KI…LEN                                 KEU…

…EKAR                                                   BO…                                        …NIS

GE…DE                                                   …NTJE                                    BE…DE

in de rode kolom ontbreken de letters: ZEG (zegsman, zegekar, gezegde)
in de blauwe: ETE (kietelen, boete, etentje
in de groene: KEN (keuken, kennis, bekende)

Samen vormen ZEG  ETE  KEN  het woord ZEGETEKEN

===

Welk woord wordt gezocht?

De beginletter is aangegeven met een punt. Verder mag je elke richting op, maar je mag niet tweemaal over dezelfde letter:

Oplossing:

ENTHOUSIASME

===

Welk woord wordt gezocht?

De beginletter is aangegeven met een punt. Verder mag je elke richting op, maar je mag niet tweemaal over dezelfde letter:

Oplossing:

FLUITSIGNAAL

===

Welk woord staat hier?

De beginletter is aangegeven met een punt. Verder mag je elke richting op, maar je mag niet tweemaal over dezelfde letter:

Oplossing:   

FUNCTIONARIS

===

De beginletter is aangegeven met een punt. Verder mag je elke richting op, maar je mag niet tweemaal over dezelfde letter:

Oplossing:

Functioneren

===

Welk woord wordt gezocht?

De beginletter is aangegeven met een punt. Verder mag je elke richting op, maar je mag niet tweemaal over dezelfde letter:

Oplossing:

MEESTERSCHAP

===

Welk woord wordt gezocht?

De beginletter is aangegeven met een punt. Verder mag je elke richting op, maar je mag niet tweemaal over dezelfde letter:

.

Oplossing:  

OFFERVAARDIG

===

Welk woord wordt gezocht?

De beginletter is aangegeven met een punt. Verder mag je elke richting op, maar je mag niet tweemaal over dezelfde letter:

Start bij de letter met de punt (O) en volg de letters na elkaar: je mag niet meer over een letter heen die je al gehad hebt!

Oplossing:  

OPENBAARHEID

===

Welk woord wordt gezocht?

De beginletter is aangegeven met een punt. Verder mag je elke richting op, maar je mag niet tweemaal over dezelfde letter:

Oplossing:

POPULARITEIT

===

Welk woord wordt gezocht?

De beginletter is aangegeven met een punt. Verder mag je elke richting op, maar je mag niet tweemaal over dezelfde letter:

Oplossing: RECLASSERING

===

Welk woord wordt gezocht?

De beginletter is aangegeven met een punt. Verder mag je elke richting op, maar je mag niet tweemaal over dezelfde letter:

Oplossing:     RECHTSGEVOEL

===

Welk woord wordt gezocht?

De beginletter is aangegeven met een punt. Verder mag je elke richting op, maar je mag niet tweemaal over dezelfde letter:

Oplossing:  SOLIDARITEIT

Welk woord wordt gezocht?

De beginletter is aangegeven met een punt. Verder mag je elke richting op, maar je mag niet tweemaal over dezelfde letter:

.

Oplossing:   SPECTACULAIR

===

Welk woord wordt gezocht?

De beginletter is aangegeven met een punt. Verder mag je elke richting op, maar je mag niet tweemaal over dezelfde letter:

Oplossing: SPORTBERICHT

===

Welk woord wordt gezocht?

De beginletter is aangegeven met een punt. Verder mag je elke richting op, maar je mag niet tweemaal over dezelfde letter:

Oplossing:   verlofganger

===

De paardensprong. Net als bij schaken maakt de beginletter – hier (de linker) A – sprongen en de letters waar hij neerkomt vormen in volgorde een woord. Welk?

Oplossing:

AQUADUCT

===

De paardensprong. Net als bij schaken maakt de beginletter – hier (boven-midden) B– sprongen en de letters waar hij neerkomt vormen in volgorde een woord. Welk?

Oplossing:

BABYFOON

===

De paardensprong. Net als bij schaken maakt de beginletter – hier (midden links)  C– sprongen en de letters waar hij neerkomt vormen in volgorde een woord. Welk?

Oplossing: Spring vanaf de C naar L U B H U I S =   CLUBHUIS

===

De paardensprong. Net als bij schaken maakt de beginletter – hier (onder links)  D– sprongen en de letters waar hij neerkomt vormen in volgorde een woord. Welk?

Oplossing:

DEURPOST

====

De paardensprong.

Net als bij schaken maakt de beginletter – hier (midden rechts   E – sprongen en de letters waar hij neerkomt vormen in volgorde een woord. Welk?

Oplossing:

EENDENEI

===

De paardensprong.

Net als bij schaken maakt de beginletter – hier (midden rechts   F – sprongen en de letters waar hij neerkomt vormen in volgorde een woord. Welk?

Oplossing:

FIETSBEL

0-0-0

Kun je met de paardensprong de letters tot een woord maken?
Begin met de G, midden onder

Oplossing:

GOUDSTUK

0-0-0

De paardensprong. Net als bij schaken maakt de beginletter – hier (beneden rechts) H– sprongen en de letters waar hij neerkomt vormen in volgorde een woord. Welk?

Oplossing:

HOUTDUIF

0-0-0

De paardensprong. Net als bij schaken maat de beginletter – hier midden onder sprongen en de letters waar hij neerkomt vormen in volgorde een woord. Welk?

Oplossing: iedereen

0-0-0

De paardensprong. Net als bij schaken maakt de beginletter – hier midden onder K – sprongen en de letters waar hij neerkomt vormen in volgorde een woord. Welk?

Oplossing:

KOETSIER

===

De paardensprong. Net als bij schaken maakt de beginletter – hier boven rechts S – sprongen en de letters waar hij neerkomt vormen in volgorde een woord. Welk?

Oplossing:

SCHILDER

===

De paardensprong. Net als bij schaken maakt de beginletter – hier Z – sprongen en de letters waar hij neerkomt vormen in volgorde een woord. Welk?

Oplossing

ZANGERES

===

welk woord staat hier?

Oplossing:

E  IN  D  PUNT =  EINDPUNT

 

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

2518
2631-2464

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kunstzinnig onderwijs

.

kunstzinnig onderwijs

In talloze pedagogische voordrachten stelt Rudolf Steiner de eis aan het onderwijs, dat het kunstzinnig moet zijn.

Nu hebben de meeste mensen wel een soort opvatting over ‘kunstzinnig’. 
Dat het met ‘kunst’ te maken heeft, bijv. 
En omdat schilderen, boetseren en muziek zich op kunstzinnig vlak afspelen en omdat er op de vrijeschool veel aandacht is voor deze vakken, wordt het vrijeschoolonderwijs vanuit deze invalshoek bestempeld als ‘kunstzinnig’. Je moet er dan ook de euritmie toe rekenen die als danskunst bekend is.

En het is zeker zo, dat dit aspect van het vrijeschoolonderwijs een kunstzinnig aspect genoemd mag worden.
En in die zin gebruikt Steiner ook het begrip ‘kunstzinnig’:

Daher ist der künstlerische Unterricht, sowohl in den bildenden Künsten wie in den musikalischen Künsten, von Anfang an in der Schule zu pflegen. Nicht das Abstrakte darf da herrschen, sondern es muß das Künstlerische herrschen, und aus dem Künstlerischen muß das Kind hineingeführt werden in das Begreifen der Welt.

We moeten het kunstzinnige on­derwijs – zowel in de beeldende als in de muzikale kunsten – van meet af aan in de school verzorgen. Het abstracte mag er niet heer en meester zijn, maar het kunstzinnige moet er heersen. En vanuit het kunstzinnige moet het kind gebracht worden tot het begrijpen van de wereld.
GA 310/72
Vertaald/75

Anderen leggen weer meer de nadruk op het feit dat er zoveel aandacht is voor de verzorging van de omgeving: duidelijk waarneembaar in de kleuterklassen, maar ook in de basisschool waar in iedere klas wel een jaartafel staat  of een mooie tekening op het bord
Dat er dus veel aandacht is voor het ‘esthetische’ en dat wordt ook wel gezien als ‘kunstzinnig’.

Wanneer je dus over kunstzinnig onderwijs spreekt, mogen deze twee kwaliteiten zeker genoemd worden.

Maar toch is dat niet wat Steiner onder kunstzinnig onderwijs verstond.

Hij maakte eens deze vergelijking:

Denn erziehen und unterrichten kann der Mensch ebenso nur dann, wenn er dasjenige, was er zu bilden hat, was er zu gestalten hat, versteht, wie der Maler nur malen kann, wenn er die Natur, das Wesen der Farbe kennt, der Bildhauer nur arbeiten kann, wenn er das Wesen seines Stoffes kennt, und so weiter. Was für die übrigen Künste gilt, die mit äußeren Stoffen arbeiten, wie sollte es nicht gelten für diejenige Kunst, die an dem edelsten Stoffe arbeitet, der überhaupt nur dem Menschen vorgelegt werden kann, an dem Menschenwesen, seinem Werden und seiner Entwicklung selbst?

Want opvoeden en onderwijzen kan de mens alleen maar, als hij wat hij moet vormen, moet vormgeven, net zo begrijpt als de schilder die slechts kan schilderen, wanneer hij de natuur, het wezen van de kleur kent; en de beeldhouwer alleen maar kan werken, als hij de aard van het materiaal kent enz. Wat voor de andere kunsten geldt die met zichtbare materialen werken: zou dat niet gelden voor de kunst die met het meest edele materiaal werkt dat de mens überhaupt maar in handen kan krijgen, met het wezen mens, zijn wording en zijn ontwikkeling?
GA 308/9
Vertaald/21

Ja, wie der Maler oder der andere Künstler die Technik lernen muß zu seiner Kunst, so ist es notwendig für den Erzieher, für den Lehrer, daß er sich aneignet eine, und zwar jetzt im ideellsten Sinne gemeinte Technik des Erziehens. Wie der Maler beobachten muß in seiner Art – nicht wie der Laie – die Formen, wie er beobachten muß die Farben und ihre Zusammenstimmungen oder ihre Dissonanzen, und wie er aus der Beobachtung heraus dasjenige gewinnen muß, was dann in die Handhabung der Farben, in die Handhabung des Stiftes hineingeht, wie er sich aneignen muß etwas, was durch seinen ganzen Menschen wirkt, und was beruht auf der Möglichkeit, daß er richtig beobachten kann, so muß der Erzieher, muß der Lehrer dasjenige verwerten können, das die Beobachtung dessen ergibt, was spirituell im Menschen arbeitet und was seinen ganzen Lebenslauf zu einer organischen Einheit macht. Denn das Erziehen kann nicht eine Wissenschaft sein, das Erziehen muß eine Kunst sein. Bei der Kunst muß man sich aneignen: erstens die besondere Beobachtungsgabe; zweitens muß man sich aneignen die Handhabung desjenigen, was man in fortwährender Beobachtung, in fortwährendem Kampfe mit dem Stoffe zu tun hat. So ist die spirituelle Wissenschaft, wie sie hier gemeint ist, die anthroposophische Geisteswissenschaft, dasjenige, was die Grundlage abgeben kann für eine wirkliche, wahrhaftige Erziehungskunst.

En ja, zoals de schilder of de andere kunstenaar de techniek moet leren die bij zijn kunst hoort, zo is het voor de opvoeder, voor de leerkracht nodig, dat deze zich en dat in de meest ideële zin opgevat, een techniek voor het opvoeden eigen maakt. Hoe de schilder op zijn manier vormen moet waarnemen – niet zoals een leek – hoe hij het samengaan van kleuren of hoe deze vloeken, moet waarnemen en hoe hij vanuit zijn waarnemingen moet halen hoe hij dan met de kleuren omgaat, hoe hij zijn potlood hanteert, hoe hij zich iets eigen moet maken wat helemaal door hem heen gaat en wat berust op de mogelijkheid die hij heeft om exact waar te nemen, zo moet de opvoeder, moet de leraar kunnen gebruiken wat hij waarneemt van het spirituele dat in de mens werkzaam is, wat berust op de mogelijkheid dat hij goed kan waarnemen en dat de hele levensloop van de mens tot een organische eenheid maakt. Want opvoeding kan geen wetenschap zijn, opvoeden moet een kunst zijn. Bij de kunst moet je je eigen maken: ten eerste een bijzondere opmerkingsgave; ten tweede dat je kan uitvoeren wat je moet doen wanneer je je materiaal steeds waarneemt en daarmee steeds in een soort worsteling verwikkeld bent. En op deze manier is de spirituele wetenschap, zoals die hier wordt bedoeld, de antroposofische geesteswetenschap hetgeen dat de basis kan vormen voor een echte, waarachtige opvoedkunst.
GA 218/227
Niet vertaald

.
Benadering van het kind

Het kunstzinnige zit dus vooral in: hoe benader je het kind; hoe zie je het kind. En omdat het ook om opvoeding gaat – niet slechts om aanleren – hoe benader je de ontwikkeling van het kind: wat doe je voor die ontwikkeling en net zo belangrijk: wat laat je na! En hoe doe je dat dan voor die ontwikkeling.

Dat betekent allereerst dat je die ontwikkeling moet kennen.

Dat is geen afwijkend standpunt, immers, wie de reguliere lerarenopleiding volgt, dient ook ontwikkelingspsychologie te bestuderen.
Voor Steiner is dit echter hét vertrekpunt. 

Dat komt in de titels van door hem gehouden pedagogische voordrachten* veelvuldig terug:

Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
Menschenkunde und Unterrichtsgestaltung
Menskunde en inrichting van het onderwijs
Erziehung und Unterricht aus Menschenerkenntnis
Opvoeding en onderwijs vanuit menskunde – een deel heet
Meditativ erarbeitete Menschenkunde
Meditatief verwerkte menskunde
Die gesunde Entwicklung des Leiblich-Physischen als Grundlage der freien Entfaltung des Seelisch-Geistigen
De gezonde ontwikkeling van het levend-fysieke als basis voor de vrije ontplooiing van ziel en geest
Der pädagogische Wert der Menschenerkenntnis und der Kulturwelt der Pädagogik
De pedagogische waarde van de menskunde en de cultuurwereld van de pedagogie
Die Kunst des Erziehens aus dem Erfassen der Menschenwesenheit
De kunst van het opvoeden vanuit het begrijpen van het wezen mens

En Steiners visie op de ontwikkeling van de mens gaat verder dan de huidige reguliere, omdat de laatste niet kan werken met begrippen als ziel en geest.

Vandaar:

Es genügt nicht, den Unterricht einzurichten nach dem gewöhnlichen Menschenverkehr, sondern man muß diesen Unterricht aus der Erfassung des inneren Menschen heraus gestalten.

Men kan er niet mee volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar men moet dit onderwijs vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.
GA 293/75
vertaald/75

Man muß im werdenden Menschen das Zusammenwirken von Leib und Seele und Geist beobachten können.

(  ) Men moet in de wordende mens de samenwerking van lichaam, ziel en geest kunnen waarnemen.
GA 293/177
vertaald/172

Die Men­schennatur selber muß uns lehren, was wir in jedem einzelnen Lebensjahr des Kindes mit dem Kinde erzieherisch und unterrich­tend zu vollbringen haben.

De mensennatuur zelf moet ons leren wat we in ieder afzonderlijk levensjaar van het kind met het kind opvoedend en onderwijzend moeten volbrengen.
GA297/73
Op deze blog vertaald/73

Ook deze uitspraak raakt aan de kern van het ‘kunstzinnige’:

(  )  die Erziehung: was sie leisten soll: mit den Ent­wicklungskräften des Menschen zu wirken und nicht gegen sie zu wirken

(  ) Opvoeding: wat zij tot stand moet brengen is mét de ontwikkelingskrachten van de mens te werken en niet die tegen te werken.
GA 297/172
Op deze blog vertaald/172

Het gaat erom dat we – zie boven de uitspraak over de kunstenaar – zoeken naar hoe we die ontwikkelingskrachten kunnen dienen.

Er zijn nog veel uitspraken van Steiner die alle in de richting gaan die ik hierboven heb aangegeven. Rudolf Steiner: wegwijzers

Een paar voorbeelden om e.e.a. te verduidelijken:

De eersteklassers moeten leren schrijven. Houd ik geen rekening met hun ontwikkelingsniveau dan leer ik zo goed en zo kwaad als het gaat hen de letters aan in de sfeer van kennisoverdracht: de kinderen moeten leren!
Als ik hun ontwikkeling serieus neem, weet ik dat ze veel behoefte hebben aan beweging, aan fantasie. Ik neem ze mee, in verhaalvorm, naar een beeld dat een paar dagen centraal staat, bijv. de zes zwanen uit een sprookje van Grimm. Die zwanen worden getekend, geschilderd – ook dit hoort bij een van de kunstzinnige aspecten – zelf beelden ze de zwaan uit. Ze spreken spraakoefeningetjes met de letter z; het zwanenbeeld wordt langzaam ‘uitgekleed’ tot de letter Z(zzzz) – de zwanenletter. Ten slotte wordt de letter als Z(zzz) gekend en herkend. Als voorbereiding op het schrijven worden er veel vormtekenoefeningen gedaan: niet alleen op papier, maar ook in de zandbak. Dan wordt de letter geschreven zoals dat de rest van de schooltijd gebeurt.
Pas veel later – als ze al kunnen lezen – leren ze de letter als de abstracte ‘zet’.
De ontwikkeling van het kind geeft aan: behoefte aan beweging en fantasie. Het pedagogisch-didactische antwoord is: beweging en fantasie. 
Die weg, dat streven, noemt Steiner ‘kunstzinnig onderwijs’. 

Voor de zesdeklasser is beweging en fantasie niet meer de eerste ontwikkelingsbehoefte; veel meer het (over)denken, het beschouwen.
Voor het kennen hoort denken samen te gaan met waarnemen. Dus als het vak natuurkunde aan de beurt is, zal de leerkracht het kind gelegenheid geven natuurkundige processen waar te nemen, die worden door het kind beschreven, ze worden getekend, overdacht en dan pas worden conclusies getrokken.
Je ziet a.h.w. een metamorfose van de beweging naar ‘uit eigener (mentale) beweging; de fantasie wordt ‘exacte’ fantasie. Zelf tekenen, illustreren accentueert het andere kunstzinnige aspect.
Langzaam rijpt dan in het kind het oordeel dat later weer in de natuurkundige formule de te reproduceren kennis is.

Ontwikkeling verstoord, geremd enz.

De menskundige inzichten van Steiner bevatten ook een reeks aanwijzingen voor kinderen die in hun ontwikkeling met problemen hebben te maken.
Op deze blog is dit gedetailleerd uitgewerkt.

Rode draad

Als een rode draad loopt door het vrijeschoolonderwijs het wekken, het wakker maken van (ontwikkelings)krachten, deze verzorgen waarbij de leerstof ontwikkelingsstof is en pas in tweede instantie te reproduceren kennisstof. 

De oproep die Steiner zo’n 100 jaar geleden deed, is nog even actueel als toen en zal dat blijven zolang de leerkracht zich zelf ook als in ontwikkeling zijnde, ervaart.

Eine Pädagogik braucht eine richtige Menschenerkenntnis, die auch lebendig wird in dem ganzen Menschen, die in unser Empfinden, die aber auch in den Willen geht. Es ist nötig, dass wir eine solche Menschenerkenntnis ausbilden.

Een pedagogie heeft een echte menskunde nodig, die ook gaat leven in de héle mens, die tot in ons gevoel, maar ook tot in onze wil komt. Zó’n menskun­de moeten we ontwikkelen.
GA 302/113
Vertaald/113

*Ik heb de titels letterlijk vertaald. De in het Nederlands vertaalde voordrachten hebben vaak een andere vertaling. Zie: Rudolf Steiner over pedagogie(k)

Kunstzinnig onderwijs

Rudolf Steiner: Algemene menskunde’

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

2630-2463

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over rekenen – GA 310

.

ga 310

Der pädagogische Wert der Menschenerkenntnis und der
Kulturwert der Pädagogik

Menskunde, pedagogie en kultuur

Blz. 151  vert. 158

Voordracht 8, Arnhem 24 juli 1924

Das Zusammenschauen des Körperlichen und des Geistig-Seelischen
durch die vollkommene Menschenerkenntnis

Het waarnemen van het lichamelijke en het psychisch-geestelijke als eenheid door inzicht in de totale mens.

So handelt es sich darum, daß man jedes Mittel ergreifen wird, um ins Bild, in die Anschauung zu kommen. Das ist auch notwendig, weil man dadurch lernt, in die Wirklichkeit hineinzukommen und dadurch wiederum lernt, alles wirklichkeitsgemäß zu gestalten. Denn es ist eigentlich eine Willkür, wenn ich vor dem Kinde 3 Bohnen hinlege, dann wiederum 3 Bohnen, nochmals 3 oder jetzt auch 4, und dann daran die Addition lehre: 3 + 3 +  = 10. Das ist ziemlich willkürlich. Aber eine ganz andere Sache ist es, wenn ich ein Häufchen Bohnen habe, von dem ich zunächst noch gar nicht weiß, wieviel es sind. So sind ja die Dinge in der Welt vorhanden. Jetzt teile ich das Häufchen. Das versteht das Kind sofort. Das eine Teil gebe ich dem einen Kinde,

Het gaat erom dat je ieder middel aangrijpt om in het beeld, in de aanschouwelijkheid te komen. Dat is nodig, want daardoor leer je de werkelijkheid kennen en alles naar de werkelijkheid vorm te geven. Het is immers heel willekeurig als ik voor het kind drie bonen neerleg, vervolgens weer drie bonen, nog eens drie, of nu vier bonen, en hem daarna de optelsom leer: 3 + 3 + 4 = 10. Dat is tamelijk willekeurig. Heel anders is het wanneer ik een hoopje bonen heb, waarvan ik eerst nog helemaal niet weet hoeveel het er zijn. Zo zijn immers de dingen in de wereld aanwezig. Nu deel ik het hoopje. Dat begrijpt het kind meteen. Het ene deel geef ik aan het ene kind,

Blz. 152 

das andere einem andern, das dritte einem dritten. Ich teile also den Haufen auf, bringe dem Kinde bei, wieviel der Haufen als solcher um­faßt, die Summe zuerst, dann die Teile hinterher. Zählen kann ich das Kind lassen, weil das hintereinander geschieht, 1, 2, 3 und so weiter bis 12. Jetzt habe ich also die Bohnen aufgeteilt in 4, weitere 4 und noch­mals 4; das wird leicht in das Kind eingehen, wenn die Summe zuerst da ist, die Addenden nachher. Das ist wirklichkeitsgemäß. Das andere ist abstrakt, da faßt man zusammen, da ist man intellektualistisch. -So steht man auch mehr in der Wirklichkeit drinnen, wenn man das Kind dazu bringt, daß es die Frage beantworten muß: Wenn ich 12 Äpfel habe, jemand nimmt sie, geht auf einen Weg, verliert eine Anzahl und bringt nur 7 zurück; wieviel hat er da verloren? 5. Man geht dabei vom Minuend durch den Rest zum Subtrahend; man zieht nicht ab, sondern geht von dem Rest, also von dem, was durch den wirklichen Vorgang bleibt, zu dem, was da abgezogen ist.
So strebt man überall nicht in die Abstraktheit, sondern in die Wirk­lichkeit hinein, knüpft an das Leben an, sucht an das Leben heranzu­kommen. Das ist das, was das Kind auch wiederum lebendig macht, während es zumeist gerade beim Rechenunterricht im ganzen tot bleibt. Die Kinder bleiben ziemlich tot, und das hat ja die Notwendigkeit der Rechenmaschine ergeben. Daß die Rechenmaschine entstanden ist, be­weist schon, daß der Rechenunterricht schwer anschaulich zu machen ist. Aber man muß ihn nicht nur anschaulich machen, sondern dem Leben ablesen.

het andere aan een ander, het derde aan een derde. Ik verdeel het hoopje dus, ik breng het kind bij, hoeveel het hoopje als zodanig omvat, eerst de som, dan achteraf de delen. Tellen kan ik het kind laten doen, want dat gebeurt achter elkaar, 1, 2, 3 enzovoort tot 12. Nu heb ik de bonen dus verdeeld in 4, nog eens 4 en nog eens 4; het zal gemakkelijk bij het kind binnenkomen wanneer eerst de som er is en daarna pas de delen. Dat is geheel naar de werkelijkheid. Het andere is abstrakt, dan pakt men dingen samen, dan is men intellektualistisch bezig.
Zo ben je ook meer met de werkelijkheid bezig wanneer je het kind antwoord laat geven op de vraag: ik heb twaalf appels, iemand neemt ze mee, verliest er onderweg een aantal en brengt er maar zeven mee terug; hoeveel heeft hij er dan verloren? Vijf. Daarbij ga je van het aftrekgetal via de rest naar de aftrekker; je trekt niet af, maar vanuit de rest, dus van wat door de werkelijke gebeurtenis overblijft, ga je naar wat er wordt afgetrokken.
Zo streven we steeds naar de werkelijkheid, niet naar abstraktie. We sluiten aan bij het leven, we proberen dichtbij het leven te komen. Dat maakt het kind ook wederom levendig, terwijl hij meestal juist bij het rekenonderwijs totaal levenloos blijft. De kinderen blijven tamelijk levenloos; dat heeft geresulteerd in het feit dat er rekenmachines moesten komen. Dat de rekenmachine is ontstaan, bewijst al dat het rekenonderwijs moeilijk aanschouwelijk te maken is. je moet het echter niet alleen aanschouwelijk maken, maar van het leven aflezen.
GA 310/151-151
Vertaald/157-158

.

Rudolf Steiner over rekenenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Rekenenalle artikelen

Rekenwerkboek ‘Rekenen in beweging

.

2629-2462

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 12 – alle artikelen

.

voordracht 12
de bladzijden verwijzen naar de vertaling van 1993

Een kleine uitleg over de indeling in paragrafen:
Het eerste cijfer verwijst altijd naar de voordrachtenvolgorde in de uitgave. [12-
Het tweede cijfer is het onderwerp van de beschouwing, aangegeven met het bladzijnummer en een korte inhoudsomschrijving. [12-1]
Het derde cijfer [12-1-1] geeft een uitbreiding aan van de inhoud van [12-1]
Wanneer je de gang door de voordracht wil volgen, hoef je de uitbreidingen niet per se te lezen. De volgorde door de voordracht is dus de reeks [12-1] [12-2] [12-3] enz.
Als kleur: rood.

[12-1Blz. 173-174
De mens in samenhang met de minerale, plantaardige en dierlijke wereld; wisselwerking tussen mens en fysiek omringende wereld; over het hoofd: evolutionair gezien, evenwicht t.o.v. dieren; impulsen vanuit het hoofd: plastische impulsen; 

[12-2] Blz. 174-176
Verbondenheid met de wereld; de neiging van het hoofd naar het dierlijke; ‘dierenhoofden’ in de cultuur: Egypte, fabel, Marten Toonder; terughouding bij Bolk; Portmann; relatie dierenwereld-gedachten.

[12-2-1/2] Blz. 176   Migraine
Wolfgang Streit over: migraine; hoe het beleefd wordt; hoe kan het komen; drieledige mens; tegentelling hoofd-stofwisseling; hoofd te veel buikkarakter; hoe het evenwicht te herstellen; medicamenten, therapie.

[12-3] Blz. 176-177
De romp en de samenhang met de plantenwereld; mens-plant als tegenstelling; de omkering hoofd-romp-ledematen in wortel-blad-bloem/vrucht; in- en uitademing: zuurstof-koolzuur; koolstof; koolstof in de mens als plantenvorm: het negatief daarvan in de plantenwereld; 

[12-4] Blz. 181 -184
De ledematen en de samenhang met de wereld van de mineralen; mechanische bewegingen; krachten; plaats van Ik hierbij; in ons gaan de ledematen mineraalvorming tegen.

[12-4-1] Blz. 182/183
I.v.m. 12-4: door mineralisering ontstane ziekten; Minerale geneesmiddelen
E.Cloos over: mens is niet alleen natuur, maar staat er ook tegenover/buiten; met oog hierop moeten geneesmiddelen aangepast worden; de rol van het Ik; warmte; voorbeelden: ijzer; potentiëren; ontstaan metalen; mineralen in planten;

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2628-2461

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 12 (12-2)

.

Enkele gedachten bij blz. 174-176  in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Verbinding mens en wereld

Vanuit verschillende invalshoeken heeft Steiner geprobeerd de verbondenheid van de mens met de wereld te verduidelijken.
Een van de bekendste is ‘de vierledige mens’ waarbij een duidelijke samenhang van de mens met de wereld om hem heen aan het licht komt: het fysieke lichaam als deel van de fysieke wereld; het etherlijf dat hij gemeenschappelijk heeft met het plantenrijk en het astraallijf dat hij gemeenschappelijk heeft met dierenrijk.

Al in de 1e voordracht van de ‘Algemene menskunde’ [1-7] komt bijv. een ‘drievoudige verbinding’ van de mens met de wereld aan de orde.
Zie bijv. ookAntroposofie, een inspiratie

Hoe verbonden we zijn, komt in deze tijd (2021) pijnlijk duidelijk aan het licht, waarin het gedrag van bepaalde delen van de mensheid de ‘van nature verbondenheid’ zodanig blijkt te kunnen verstoren dat het leven ‘in deze verbondenheid’ onmogelijk wordt.

Nog maar enkele weken na Pasen (opstandingsfeest!) zegt Steiner in weekspreuk 4:

‘Ik voel het wezen van mijn wezen:
zo spreekt ontwarend voelen
dat in door zon verlichte wereld
met stromen licht tezamen vloeit;
het wil het denken
voor helderheid zijn warmte schenken
en mens en wereld tot eenheid hecht verbinden.’

Voor mij is het zo dat dit ‘ontwarend voelen’ het aftasten is van de inhoud van de antroposofie, in het bijzonder deze ‘Algemene menskunde’; hier voel ik inderdaad hoe het ‘mee’denken met Steiners gezichtspunten, licht en warmte kan brengen die in dit bijzondere geval ertoe leiden kan dat je als mens die ‘hechte’ verbondenheid (weer) begint te beleven – om ernaar te handelen.

Wie zich verdiept in wat Steiner over bijv. de dierkunde zegt, ziet daar ook hoe hij de kinderen ‘in eenheid hecht verbinden’ wil met de dierenwereld. En dan hoop je als klassenleerkracht dat de manier waarop jij de kinderen met deze dierenwereld vertrouwd maakt, in hen zoveel ‘hechte verbondenheid’ en eerbied ontwikkelt, dat ze daarnaar handelen in hun (latere) leven. [Rudolf Steiner over dierkunde]

Wat hij in deze voordracht zegt over de relatie mens-dier is beslist geen lesstof, maar een verruiming van onze blik op die relatie. 

Verder over het hoofd

We moeten, denk ik, niet uit het oog verliezen, dat Steiner voor mensen sprak van wie de meesten al veel meer van hem hadden gehoord; daardoor in zekere zin vertrouwd(er) waren met bepaalde geesteswetenschappelijke inhoud, meer dan wij – wanneer wij voor het eerst ons in de Algemene Menskunde verdiepen zonder die achtergrond te hebben,
Wat er nu verder volgt, kan zeker wonderlijk overkomen, zoals dat met meer uitspraken van Steiner is.
Hoe vinden we – we staan open en zijn van goede wil om te begrijpen – een bepaalde ingang tot wat hij nu gaat aanvoeren.
Dat is niet eenvoudig: wat moeten we met het gegeven dat ‘het hoofd, van ons een wolf zou willen maken. Of een draak, of een lam.’

Blz. 174   vert. 174

Sie müssen sich schon bequemen zu der Anschauung, daß der Kopf fortwährend im geheimen etwas anderes aus Ihnen machen will, als Sie sind. Da gibt es Augenblicke, in denen Sie der Kopf so gestalten möchte, daß Sie aussehen wie ein Wolf. Da gibt es Augenblicke, in denen Sie der Kopf so gestalten möchte, daß Sie aussehen wie ein Lamm, dann wiederum, daß Sie aussehen wie ein Wurm; zum Wurm, zum Drachen möchte er Sie machen. All die Gestaltungen, die eigentlich Ihr Haupt mit Ihnen vor- hat, die finden Sie ausgebreitet draußen in der Natur in den verschiedenen Tierformen. Schauen Sie das Tierreich an, so können Sie sich sagen: Das bin ich selbst, nur erweist mir mein Rumpfsystem und mein Gliedmaßensystem die Gefälligkeit, fortwährend, indem vom Kopf ausgeht zum Beispiel die Wolfsgestalt, diese Woifsgestalt umzuwandeln zur Menschenform. Sie überwinden den sich fortwährend das Animalische. Sie bemächtigen sich seiner so, daß Sie es in sich nicht ganz zum Dasein kommen lassen, sondern es metamorpbosieren, umgestalten. 

U moet proberen vertrouwd te raken met de gedachte dat het hoofd voortdurend in het geheim iets anders van u wil maken dan u bent. Er zijn momenten dat het hoofd u het uiterlijk van een wolf zou willen geven. Dan zijn er momenten dat het hoofd u het uiterlijk van een lam zou willen geven of van een draak. Ja, werkelijk, een draak zou het van u willen maken. Alle vormen die het hoofd met u voorheeft, vindt u in de natuur om u heen in de verschillende vormen der dieren. Van het dierenrijk kunt u zeggen: dat ben ik zelf; alleen zijn mijn romp en ledematen zo vriendelijk om elke diervorm die het hoofd voor ogen staat – bijvoorbeeld de vorm van de wolf- voortdurend te metamorfoseren tot de menselijke vorm. U overwint voortdurend het dierlijke in uzelf. U maakt zich daarvan zo meester, dat u het niet tot volle ontplooiing laat komen in u, maar het metamorfoseert, omvormt.

Nu kun je dit ‘gek’ vinden, zelfs ‘absurd’, maar wanneer die eerste gevoelens enigszins tot rust zijn gekomen, kan er ineens de gedachte bij je opkomen dat je weleens afbeeldingen van mensen met een dierenkop hebt gezien. In hoeverre die afbeeldingen beelden zijn van werkelijkheden of dat hier ook een bepaalde symboliek is toegepast, het feit blijft dat er kennelijk aanleiding voor bestond een mensengestalte weer te geven met een dierenkop.

Een artistieke impressie van Chnoem, die uit klei een mens vormt op zijn pottenbakkersschijf. Volgens beschrijvingen maakte Chnoem twee beeldjes: het ene vertegenwoordigde de ka (de ziel), het andere het lichaam. Samen vormden die twee beeldjes de pasgeborene.

Er wordt geprobeerd te duiden waarom de Egyptenaren dit deden:

‘Er zijn tientallen goden met ieder eigen herkenningspunten zoals symbolen of een bepaalde kroon, maar vaak ook een dier. Het dierenrijk diende vaak als inspiratie. De oude Egyptenaren geloofden dat de goden die normaal onzichtbaar en ongrijpbaar waren, zich in dierengedaanten konden manifesteren om zich aan de mensheid te tonen. De dieren waren dan de verschijningsvorm van de ziel (de ba) van de goden.

Vanuit een andere invalshoek is geconstateerd dat de mens en het dier ‘de ziel’ gemeenschappelijk hebben, zoals ook het fysieke lichaam en het etherlijf.
Bij het dier treden voor het eerst be-levingen op, die we bij de plant nog niet zien: daar is alleen leven.
Mensen en dieren hebben hun gevoelens die ze naar buiten brengen, uiten.
Het is interessant om vast te stellen dat mensen aan hun medemensen soms gevoelens toedichten die ze een dierennaam geven, vooral als het negatieve van dat gedrag hen raakt.
Je kan je ‘schaapachtig’ gedragen; dat is iets anders dan met ‘leeuwenmoed’ de wereld tegemoet treden; slim en sluw gedrag maakt ons tot ‘een vos’.

Al in de Romeinse tijd ontstond de uitdrukking: ‘homo homini lupus‘, vaak vertaald met ‘de ene mens is voor de andere een wolf’.

Dat inspireerde tot allerlei voorstellingen waarbij het voor de hand ligt dat dan het mensenhoofd een wolvenkop is geworden.

En dan kennen we de fabels waarin de menselijke eigenschappen verbonden worden met bepaalde dieren. 

Striptekenaars die bepaalde eigenschappen van de mens aan de kaak willen stellen, gebruiken daarvoor vaak een dier dat nu juist die eigenschap heeft.

Daarin was Marten Toonder een meester: in zijn Tom Poesverhalen komen we ze veelvuldig tegen: de trouwe, goedmoedige lobbes, de hond als bediende Joost

 

; de bijterige en waakzame hond Bulle! Bas, de politiecommissaris; de geslepen vos Joris Goedbloed, een meesteroplichter, en vele meer.

Daar hebben de figuren dan min of meer wél de dierenkop gekregen die wij – als we Steiner verder volgen – ook zouden krijgen, als romp en ledematen dat niet zouden verhinderen.

Es ist also der Mensch durch sein Kopfsystem mit der tierischen Umwelt in einer Beziehung, aber so, daß er in seinem leiblichen Schaffen über diese tierische Umwelt fortwährend hinausgeht. Was bleibt denn da eigentlich in Ihnen? Sie können einen Menschen anschauen. Stellen Sie sich den Menschen vor. Sie können die interessante Betrachtung anstellen, daß Sie sagen: Da ist der Mensch. Oben hat er seinen Kopf. Da bewegt sich eigentlich ein Wolf, aber es wird kein Wolf; er wird gleich durch den Rumpf und die Gliedmaßen aufgelöst. Da bewegt sich eigentlich ein Lamm; es wird durch den Rumpf und die Gliedmaßen aufgelöst.

De mens hangt dus wat zijn hoofdsysteem betreft samen met de dierenwereld, maar wel zo dat hij fysiek voortdurend uitstijgt boven deze dierenwereld om hem heen. Want wat blijft er eigenlijk in u over? U kunt naar een mens kijken of u een mens voorstellen. U kunt hem beschouwen en zeggen: dat is de mens. Boven zit zijn hoofd. Daarin beweegt zich eigenlijk een wolf, maar het wordt geen wolf: de wolf wordt dadelijk weer teniet gedaan door de romp en de ledematen. Dan beweegt er zich eigenlijk een lam en ook dit wordt teniet gedaan door romp en ledematen.

‘Je laat het niet tot volle ontplooiing komen’.

M.a.w. zou je ook kunnen zeggen: je houdt het terug.

En wat betreft menswording t.o.v. het dier speelt het principe van de ‘terughouding’ een wezenlijke rol. Letterlijk: het maakt het wezen uit.

Voor Louis Bolk was de idee van deze terughouding een sleutelbegrip tot het begrijpen van het verschil tussen mens en dier.
Bolk zegt in ‘Het vraagstuk van het ontstaan van de mens’ hierover: ‘Er is geen zoogdier dat zich in een dusdanig langzaam tempo ontwikkelt als de mens; er is geen tweede, dat pas zoo lang na zijn geboorte volwassen wordt. Kunt u mij een ander zoogdier noemen dat, als het volwassen is, over zoo’n lange bloeitijd beschikt? Bovendien wordt deze langzaame ontplooiing ten slotte gevolgd door een phase van ouder worden, die zich zoo langzaam voltrekt als bij geen enkel zoogdier bekend is. Waar is het dier dat, nadat zijn voortplantingsfunctie afgelopen is, nog zoo lang lichamelijk gezond verder blijft leven?’

( ) Op zekere dag kreeg Bolk een chimpansee-foetus van ongeveer zeven maanden toegestuurd. De moeder was door een ongeval om het leven gekomen. Wat Bolk zag, was een wezentje dat met een kaal lichaam en alleen haar op het hoofd, met een voorhoofd en een kin precies op een menselijke foetus leek. Hij zag in gedachten dit mensachtige diertje later uitgegroeid als chimpansee met z’n behaarde lijf, z’n hellende voorhoofd en z’n sterk naar voren dringende snoet en was diep getroffen door het intense verschil.

Zijn eerste verdere gedachte was: volgens de biogenetische grondwet zou de mens, die na de aap op aarde verschijnt, vóór zijn geboorte een apenstadium moeten doormaken. Hier zien we dat het omgekeerde het geval is! De aap maakt vóór z’n geboorte een mensenstadium door. Later verwijdert de aap zich snel van dit stadium. De mens ontwikkelt zich echter niet zo veel verder, hij blijft ten opzichte van de aap achter, hij is vertraagd in z’n ontwikkeling, geretardeerd. Vandaar de uitdrukking: retardatietheorie. De ontwikkeling van de aap is versneld, hij is propulsief. Hij snelt zo te zeggen naar de aarde toe.

Dit komt er echter op neer dat de mens weliswaar later op aarde verschijnt dan de aap, doch in wezen ouder is! De aap is een aftwijging van de zich langzamer ontwikkelende mens. Hij was eerst mensachtig en werd dier. Het was voor Bolk haast vanzelfsprekend dit onmiddellijk als een oerbeginsel te herkennen, dat aan het ontstaan van het hele dierenrijk ten grondslag ligt. Daarmee was hij echter genoodzaakt de hele evolutie in een totaal nieuw licht te gaan zien.
Zie volledige artikel

Ook de bioloog Portmann [4] stelde vast dat de dieren in hun ontwikkeling veel sneller gaan en dat de mens daarbij achterblijft.

‘De mens ontwikkelt zich in vergelijking met het dier slechts langzaam. Er gaan jaren voorbij, voor hij zijn uiteindelijke gedaante heeft bereikt, en deze ontwikkelingsgang wordt gemarkeerd door tal van gebeurtenissen die sterk afwijken van de gebeurtenissen in de ontwikkeling van het dier.

Sinds de dagen van Darwin hebben de biologen steeds weer opnieuw de aandacht gevestigd op de punten van overeenkomst tussen de dierlijke en de menselijke ontwikkeling. Er werd zelfs een ‘biogenetische hoofdwet’ opgesteld, die behelsde dat de mens in zijn embryonale ontwikkeling achtereenvolgens alle stadia zou doorlopen die het menselijk geslacht in zijn evolutie achter zich heeft liggen. Het ligt voor de hand dat een dergelijke zienswijze eenzijdig de nadruk legt op de overeenkomst tussen mens en dier. Velen hebben zich dan ook lange jaren blind gestaard op de biologische aspecten van de menselijke ontwikkeling. Hierbij zagen ze het specifiek menselijke, dat reeds vroeg in deze ontwikkelingsgang zo duidelijk aan de dag treedt, volledig over het hoofd.’

Steiner vervolgt zijn beschouwingen:

Fortwährend bewegen sich da übersinnlich die tierischen Formen im Menschen und werden aufgelöst. Was wäre es denn, wenn es einen übersinnlichen Photographen gäbe, der diesen Prozeß festhielte, der also diesen ganzen Prozeß auf die Photographenplatte oder auf fortwährend wechselnde Photographenplatten brächte? Was würde man denn da auf der Photographenplatte sehen?

Voortdurend bewegen zich bovenzinnelijk allerlei dieren in de mens die dan weer oplossen. Stel je voor dat er een bovenzinnelijke fotograaf was die dit proces vast zou leggen, die dit hele proces fotografeerde. Wat zouden we dan zien?

En het antwoord is zowel verrassend als onbegrijpelijk:

Die Gedanken des Menschen würden wir sehen. Diese Gedanken des Menschen sind nämlich das Überinnnliche Korrelat desjenigen, was sinnlich nicht zum Ausdruck kommt. Sinnlich kommt nicht zum Ausdruck diese fortwährende Metamorphose aus dem Tierischen, vom Kopfe nach unten strömend, aber übersinnlich wirkt sie im Menschen als der Gcdankenprozeß. Als ein übersinnlich realer Prozeß ist das durchaus vorhanden. Ihr Kopf ist nicht nur der Faulenzer auf den Schultern, sondern er ist derjenige, der Sie eigentlich gerne in dcr Terheit erhalten möchte. Er gibt Ihnen die Formen des ganzen Tierreiches, er möchte gerne, daß fortwährend Tierreiche entstehen. Aber Sie lassen es durch Ihren Rumpf und die Gliedmaßen nicht dazu kommen, daß durch Sie ein ganzes Tierreich im Laufe Ihres Lebens entsteht, sondern Sie verwandeln dieses Tierreich in Ihre Gedanken. So stehen wir zum Tierreich in Beziehung. Wir lassen ühersinnlich dieses Tierreich in uns entstehen und lassen es dann nicht zur sinnlichen Wirklichkeit kommen, sondern halten es im Übersinnlichen zurück. Rumpf und Gliedmaßen lassen diese entstehenden Tiere in ihr Gebiet nicht herein. 

De gedachten van de mens. De gedachten van de mens zijn namelijk het bovenzinnelijk correlaat van dat wat niet zintuiglijk waarneembaar wordt. Deze metamorfose van het dierlijke, die als een stroom is van het hoofd uit naar beneden, wordt niet zintuiglijk waarneembaar, maar bovenzintuiglijk werkt ze als het gedachteproces. Er is daar dus wel degelijk een werkelijk, bovenzinnelijk proces aanwezig. Uw hoofd is niet alleen die luiwammes op uw schouders, maar ook degene die u eigenlijk graag in de dierenwereld wil houden. Hij geeft u de vormen van het hele dierenrijk, hij wil graag dat er voortdurend dierenrijken ontstaan. Maar uw romp en ledematen laten het niet zo ver komen dat door u een hele dierenwereld zou ontstaan in uw leven. U metamorfoseert deze dieren tot uw gedachten. Dit is onze relatie tot de dierenwereld. We laten de dierenwereld bovenzintuiglijk in ons ontstaan en laten die dan niet zintuiglijk tot verschijning komen, maar houden die terug in de bovenzintuiglijke wereld. Romp en ledematen laten deze dieren niet in hun gebied toe.

In GA 311 wordt dit nog iets duidelijker uiteengezet tegen de achtergronden van het te geven dierkundeonderwijs.

Belangrijk voor het beter kunnen inleven in wat hierboven aangedragen werd, is naast wat op de blz. 48 t/m 52 staat, het volgende:

Blz. 52:

So hat man einmal in früheren Zeiten die Geschichte des Tierreiches auch gelehrt. Das war eine gute, gesunde Erkenntnis. Sie ist verlorengegangen, aber eigentlich erst verhältnismäßig spät. Zum Beispiel hat man im achtzehnten Jahrhundert noch ganz gut gewußt, wenn dasjenige, was der Mensch in der Nase hat, den Riechnerv, wenn der genügend groß ist, nach hinten sich fortsetzt, so wird ein Hund daraus. Wenn aber der Riechnerv verkümmert, und wir nur ein Stückchen vom Riechnerv haben, und das andere Stückchen sich um­metamorphosiert, so entsteht unser Nerv für das intellektuelle Leben.
Wenn Sie den Hund anschauen, wenn er so riecht, so hat er von der Nase nach hinten die Fortsetzung seines Riechnervs. Er riecht die Eigentümlichkeit der Dinge; er stellt sie nicht vor, er riecht alles. Er hat nicht einen Willen und eine Vorstellung, sondern er hat einen Willen und einen Geruch für alle Dinge. Einen wunderbaren Ge­ruch! Die Welt ist für den Hund nicht uninteressanter als für den Menschen. Der Mensch kann sich alles vorstellen. Der Hund kann alles riechen. Wir haben ein paar, nicht wahr, sympathische und anti­pathische Gerüche; aber der Hund hat vielerlei Gerüche. Denken Sie nur einmal, wie der Hund im Geruchssinn spezialisiert. Polizei­hunde gibt es in der neueren Zeit. Man führt sie an den Ort, wo einer war, der etwas stibitzt hat. Der Hund faßt sogleich die Spur des Menschen auf, geht ihr nach und findet ihn. Das alles beruht darauf, daß es wirklich eine ungeheure Differenzierung, eine reiche Welt

Zo leerde men dus in vroeger tijd de zaak met dieren ook aan. Dat was een goede, gezonde kennis. Die is verloren gegaan, maar eigenlijk pas betrekkelijk laat. Men wist bijv. in de 18e eeuw nog heel goed, dat dat wat de mens in de neus heeft, de reukzenuw, wanneer die maar groot genoeg is, naar achter zich voortzet, dat dat dan een hond wordt. Wanneer de reukzenuw verkommert en we maar een stukje van de reukzenuw hebben en het andere stukje metamorfoseert, dan ontstaat onze zenuw voor het intellectuele leven. Wanneer u naar de hond kijkt wanneer deze ruikt, dan heeft hij vanuit de neus naar achteren toe de voortzetting van de reukzenuw. Hij ruikt het karakteristieke van de dingen; hij stelt zich niet voor, hij ruikt alles. Hij heeft geen wil en geen voorstelling, maar hij heeft wil en reuk voor alle dingen. Een wonderbaarlijke reuk. De wereld is voor de hond niet oninteressanter dan voor de mens. De mens kan zich alles voorstellen. De hond kan alles ruiken, niet waar, wij hebben een paar sympathieke en antipathieke geuren, maar de hond heeft een heleboel geuren. Denkt u er eens aan hoe de hond in zijn reukzintuig gespecialiseerd is. De laatste tijd zijn er politiehonden.** Men brengt ze op een plaats waar iemand was die iets gepikt heeft. De hond pakt meteen het spoor van de mens op, volgt het en vindt hem. Dat berust op het feit dat er werkelijk een ongekende differentiatie, een rijke wereld

blz. 53

der Gerüche gibt für den Hund. Davon ist der Träger der nach rückwärts in den Kopf, in den Schädel hin eingehende Riechnerv.
Wenn wir den Riechnerv durch die Nase des Hundes zeichnen, müssen wir ihn nach rückwärts zeichnen (es wird gezeichnet). Beim Menschen ist nur ein Stückchen geblieben da unten, das andere ist umgebildet und steht hier unter unserer Stirn. Es ist ein metamor­phosierter, ein transformierter Riechnerv. Mit dem bilden wir unsere Vorstellungen. Deshalb können wir nicht so riechen, wie der Hund, aber wir können vorstellen. Wir tragen den riechenden Hund in uns, nur umgebildet. 

aan geuren voor de hond bestaat. Daarvan is de drager de ruikzenuw die naar achter in de kop, in de schedel loopt.
Wanneer we de reukzenuw door de neus van de hond tekenen, moeten wij deze naar achteren tekenen. Bij de mens is slechts een stukje overgebleven, daar onder;  het andere is omgevormd  en ligt hier onder ons voorhoofd. Het is een gemetamorfoseerde, een veranderde reukzenuw. Daarmee vormen wij onze voorstellingen. Daarom kunnen we niet zo ruiken als de hond, maar wij kunnen voorstellen. Wij dragen de ruikende hond  n ons mee, alleen omgevormd. 

Ook al is de metamorfose heel moeilijk te begrijpen, we hebben hier wél een bepaalde hulp bij het verschijnsel dat ‘iets’ teruggehouden wordt en omgevormd tot wat met het denken samenhangt: het vormen van voorstellingen. 

In GA 348, vertaald, behandelt Steiner dit op een eenvoudigere manier in voordracht 6.  

Misschien heeft bovenstaande wat meer licht geworpen op:

Blz. 174  vert. 175

Sie verwandeln dieses Tierreich in Ihre Gedanken. So stehen wir zum Tierreich in Beziehung. Wir lassen ühersinnlich dieses Tierreich in uns entstehen und lassen es dann nicht zur sinnlichen Wirklichkeit kommen, sondern halten es im Übersinnlichen zurück. Rumpf und Gliedmaßen lassen diese entstehenden Tiere in ihr Gebiet nicht herein.

U metamorfoseert deze dieren tot uw gedachten. Dit is onze relatie tot de dierenwereld. We laten de dierenwereld bovenzintuiglijk in ons ontstaan en laten die dan niet zintuiglijk tot verschijning komen, maar houden die terug in de bovenzintuiglijke wereld. Romp en ledematen laten deze dieren niet in hun gebied toe. 

Dan eindigt dit stukje met – opnieuw – een moeilijk te vatten gezichtspunt:

Wenn der Kopf zu sehr die Neigung hat, etwas von diesem Tierischen zu erzeugen, dann sträubt sich der übrige Organismus, das aufzunehmen, und dann muß der Kopf zur Migräne greifen, um es wiederum auszurotten, und zu ähnlichen Dingen, die sich im Kopfe abspielen.

Wanneer het hoofd te zeer de neiging vertoont iets van dit dierlijke te laten ontstaan, dan verzet zich de rest van het organisme ertegen dit in zich op te nemen en dan moet het hoofd naar migraine en dergelijke middelen grijpen om dit dierlijke weer te vernietigen.
GA 293/173-175
Vertaald/174-176

Nu ligt uiteraard ‘migraine’ op het gebied van de geneeskunst.
In GA 312, voordracht 5
Vertaald en als PDF-bestand gratis te downloaden

en GA 27, hoofdstuk 19
Vertaald  idem

behandelt Steiner dit onderwerp uitvoeriger.

Een artikel over ‘migraine

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] Portmann ‘Het beeld van de mens
.

Algemene menskunde: voordracht 12 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

,

 

2627-2461

.

.

.

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Michaël (54)

.


.
Tim van Tongeren, 29 september 2021
.

Van Michaël naar Theodore en Joris in 1300 jaar
.

Vandaag vieren we het feest van de aartsengel Michaël die op aarde
verpersoonlijkt wordt door ridder Joris. Ondanks het feit dat het Michaëlsfeest zelden nog buiten de antroposofische gemeenschap wordt gevierd zijn we als sofen in goed gezelschap wanneer we naar de geschiedenis kijken.

Sint-Joris (George) van Cappadocië (soms ook van Lydda genoemd) zou geboren zijn in AD 270 in Lod in het huidige Israël en liet het leven op 23 april 303 in Nicomedia, het huidige Izmir in Turkije. Joris is de beschermheilige van vele landen en gebieden waaronder Engeland, Georgië, Catalonië en Moskou. Zijn naamdag wordt gevierd op 23 april. Het is twijfelachtig of Sint-Joris ooit echt heeft bestaan en weinig informatie is bekend over zijn leven. Bronnen uit de 5de en 6de eeuw geven tegenstrijdige informatie over zijn martelaarschap, maar het algemene beeld is dat Joris een Romeinse legerofficier was, geboren in Cappadocië (Zuid-Turkije) uit Griekse ouders. Dit spreekt dus de eerdergenoemde geboorteplaats tegen.

Als de feestdag van Joris op 23 april is, hoe komen we dan aan 29 september voor ons Michaëlsfeest? Dit komt omdat de legende van de draak pas veel later aan Joris is toegeschreven dan vaak gedacht. De allereerste tekstuele vermelding van Joris en de draak stamt uit de 11de eeuw en de eerste icoon die mogelijk Sint-Joris en de draak verbeeldt is gedateerd in de 10de eeuw.
Toen het Christendom nog jong was in onze streken werd het temmen van de draak, een verpersoonlijking van Lucifer, toegeschreven aan de aartsengel Michaël. Een engel overlijdt echter niet en heeft ook geen verjaardag, dus 29 september moet niet worden gezien als een van deze traditionele ijkpunten. Op 30 september, ergens in de vijfde eeuw, werd er in Rome een kerk gewijd aan aartsengel Michaël. Enige tijd eerder was hij op de plaats van de kerk in persoon verschenen. Uit bronnen blijkt dat op het Concilie van Mainz in AD 813 is besloten dat 30 september de feestdag zou worden ter ere van Sint-Michaël en alle engelen. Deze datum zou verband houden met het gebeuren in Rome zo’n 400 jaar eerder. Omdat feestdagen traditioneel op de vooravond al begonnen is de viering uiteindelijk op 29 september beland.
Ik kwam erop om dit stukje te schrijven toen ik tijdens mijn werk gisteren toevallig (of niet?) stuitte op een bewerkte carneool afkomstig uit een vroegmiddeleeuws graf in Nederland (zie foto).
Carneool met uitsnede van een strijder te paard die een slang verslaat. Afkomstig uit een Romeinse soldatenring en hergebruikt in een Merovingisch sieraad. (Rijksmuseum van Oudheden – Leiden).
.
Op de steen is een afbeelding te zien van een ruiter die een draak verslaat. Hoewel het graf gedateerd kan worden in de 5de of 6de eeuw is de steen van Romeinse makelij. Dergelijke stenen, met allerlei soorten afbeeldingen, zijn afkomstig uit soldatenringen en werden regelmatig hergebruikt in sieraden in de Merovingische periode (ca. AD 400-750). Het zou weleens de oudste afbeelding van Sint-Joris en de draak in Nederland kunnen zijn! Als we goed kijken zien we echter dat de draak meer op een slang lijkt en als we onze blik verruimen zien we ook dat dit soort iconografie in de Romeinse tijd veel voorkwam, lang voordat Joris aan de draak werd gelinkt in de 10de of 11de eeuw.
Het beeld van de draak, als de verpersoonlijking van Lucifer, is waarschijnlijk ontstaan uit de iconografie van de slang in het Paradijs die aanleiding gaf tot de zondeval. Vroege afbeeldingen van de draak, zoals op de carneool, zijn daarom meer slangachtig. De eerste aanleiding tot de transformatie van slang naar draak in de toen nog kerkelijke legende over Michaël en Lucifer zou uit het Romeinse leger afkomstig kunnen zijn. In de laat-Romeinse tijd, rond het einde van de 2e eeuw, ontstond er een traditie onder cavalerie-legioenen om ten strijde te trekken met een vaandel in de vorm van een draak.
Replica van een drakenvaandel dat werd gebruikt door de Romeinse cavalerie vanaf de late 2e eeuw.
Dit vaandel was gemaakt in 3D met een metalen kop en een kleurrijke staart. Dit vaandel, dat vliegerachtig was, heeft in Duitsland geleid tot de naamgeving ‘Drache’ aan een vlieger. De tegenstanders van de Romeinen waren dus letterlijk ruiters die een draak versloegen.

De iconografie van de strijdende ruiter is natuurlijk een klassieker en gaat terug op de Romeinse en Griekse traditie van het afbeelden van de Thracische ruiter of held, met name op de Balkan en in Klein-Azië. Deze heldenruiters waren onderdeel van volksgeloof, mythes en verhalen. Tezamen met de iconografie van de slang kwam zo’n heldenruiter bijvoorbeeld ook op de carneool terecht. Op een reliëf uit de tweede eeuw zien we een heldenruiter die de slang aanvalt in de appelboom (zie foto).

Afbeelding van een Thracische ruiter die een slang in een appelboom bevecht. Dit brengt de iconografie van de ruiter-strijder en de slang-draak samen. (2e eeuw).
Een duidelijke link tussen de slang uit Genesis en de heldenruitercult.
In de vroege periode van het christendom werden deze heldenruiters gekerstend en zo ontstonden steeds meer de ons bekende heiligen te paard. Een van de oudst bekende afbeeldingen van een heilige te paard is een icoon van Sint-Theodore welke gevonden is in Vinica in Noord-Macedonië en stamt uit de 6de of 7de eeuw. Het vernoemen waard is het feit dat Theodore hierop staat afgebeeld met een Romeins drakenvaandel in de hand. Een ander icoon uit dezelfde stad laat een afbeelding zien van Sint-Christoffel en – waarschijnlijk – Sint-Joris. Beide heiligen vertrappen hier slangen met menselijke gezichten en richten speren op hen.
Een icoon met Sint-Theodore (links) en Sint-Joris (rechts). Opvallend is dat Sint-Theodore de draak verslaat terwijl Joris het opneemt tegen een mens (Sinaï – Egypte, 10e eeuw).
Dichterbij huis, in Maastricht, werd in de Karolingische tijd (ca. AD 750 – 990) een Romeinse ruiter afgebeeld die een slang vertrapt. Hij wordt geflankeerd door twee heiligen met speren en zwaarden. Deze afbeelding stond op de sokkel van een rijkversierd kruis dat tot de 18e eeuw in de crypte van de Sint-Servatiusbasiliek werd bewaard. Het stuk is verloren gegaan, maar een tekening ervan bevindt zich in de Bibliothèque Nationale de France in Parijs.
Iconen uit de tiende eeuw in grotkerken in Cappadocië laten verschillende heiligenruiters zien die slangen en meerkoppige serpenten verslaan. Een steeds terugkerende ruiterheilige hierbij is Sint-Theodore. Een icoon, in zeer slechte staat, laat naast Theodore een ruiterheilige zien die soms wordt geïdentificeerd als Joris. Beide heiligen vallen hier een serpent aan die veel weg heeft van een draak.
Muurschildering van Sint Theodore en Sint Joris die samen een slang verslaan. (Grotkerk in Cappadocië – Turkije, 11de eeuw).
Mogelijk gaat het hier om de oudst bekende afbeelding van ‘onze’ Sint- Joris en de draak. In een kerk in de buurt van Kolchida op het Griekse vasteland is een tiende-eeuws icoon aanwezig van drie bereden heiligen die een draak aanvallen. In dit geval gaat het waarschijnlijk om de heiligen Demetrius, Theodore en Joris. Het is opvallend dat het in bijna alle gevallen gaat om meerdere heiligenruiters die samen optrekken tegen het kwaad. Dit idee van broederschap, afkomstig van Castor en Pollux, zonen van Zeus, past goed binnen het beeld van de groepsziel die in deze tijd nog prominenter was.
Sint-Christoffel en -waarschijnlijk – Joris die samen een slang verslaan. De broederschap die nodig is om het kwaad te overwinnen in beeld. (Vinica – Noord-Macedonië, 11de eeuw)
In een elfde-eeuwse tekst uit Georgië wordt Joris voor het eerst genoemd als drakentemmer. Bovendien komen er geen andere heiligenruiters aan te pas. In de 11de en 12de eeuw verspreidt zich dan ook voor het eerst de huidige bekende legende over Joris en de draak en het redden van de prinses. De overgang van Theodore naar Joris gaat geleidelijk. In een kapel in Palermo op Sicilië is bijvoorbeeld nog een twaalfde-eeuwse afbeelding bekend van Theodore te paard die de draak verslaat. De originele legende speelde zich in eerste instantie af in Cappadocië maar verplaatste zich in latere versies uit de 13de eeuw naar Libië. In z’n oude vorm staat het verhaal wel bekend als de ‘Gouden Legende’. Waarschijnlijk via deze route komt het verhaal uiteindelijk in Noordwest-Europa terecht en raakt in de late middeleeuwen mateloos populair.
Ridder Joris verslaat de draak en redt de prinses. Een afbeelding uit het manuscript ‘Legenda Aurea’. (Parijs, AD 1383).
Ondanks, of dankzij, Joris zijn we de aartsengel Michaël gelukkig niet vergeten. Tijdens ons geliefde Michaëlsfeest wekken we niet alleen hem maar ook een prachtig stukje geschiedenis en volksgeloof tot leven. 
Sint-Joris verslaat de draak. (Icoon uit Rusland, 15de eeuw).
Fijne Michaëlstijd!
.
(Publicatie met toestemming van de auteur)
.

Michaël– alle artikelen

Verhaal van Sint-Joris

VRIJESCHOOL in beeldMichaël

.

2626-2460

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – Sterrenkunde (1-1/12)

.

eridanus

Deze rivier aan de sterrenhemel die bij de ster Rigel onder de linker voet van Orion ontspringt, werd door alle beschaafde volkeren vereerd. 
De Oude Egyptenaren zagen in hem een beeld van de Nijl die door heel hun land stroomt en voor hun leven zorgt. In Orion vereerden ze hun grote god Osiris, de rechter over de doden. Zijn onmiddellijke verbinding met de rivier Eridanus verklaarden ze zo, dat hij op deze hemelse stroom met zijn dodenschip neerwaarts voer. 
De Oude Grieken namen het beeld van de stroom over, maar ze verbonden het met een zonnemythe en met de mooie legende van Phaeton die ons door Ovidius in zijn  ‘Metamorfosen’ overgeleverd is. 
Phaeton was de zoon van Helios, de zonnegod en de menner van de zonnewagen. Zijn moeder Klymene, een dochter van de wereldstroom Okeanos en Thetis, de godin van de zee, trouwde met koning Merops van Ethiopië. Phaeton groeide als zoon van de koning op. Zijn moeder had hem echter over zijn echte vader verteld en op een dag schiep hij tegenover een vriend op over zijn afstamming. ‘Jij dwaas’, wierp deze tegen, ‘jij gelooft alles van je moeder en je schept trots op over een vader die bedacht is.’ 
Dat raakte Phaeton zeer diep. Hij haastte zich naar zijn moeder, die hem alleen maar kon bevestigen wat ze had gezegd en zij stuurde hem naar zijn vader Helios. Vol vreugde spoedde de jongeman zich door zijn land Ethiopië en India naar de plaats waar zijn vader iedere dag aan de morgenhemel opklom.
Hij vond zijn vader Helios, maar door zijn licht verblind, moest hij op verre afstand blijven staan. Zijn vader bevestigde hem wat zijn moeder verteld had. ‘Ik ontken het niet’, sprak hij, ‘jij bent mijn waardige zoon. Opdat je verder niet meer twijfelen zal, vraag een gift. Wat je ook vraagt, je zal het krijgen.’
Toen vroeg Phaeton of hij een dag lang de zonnewagen zou mogen mennen. Zijn vader trachtte tevergeefs deze wens uit zijn hoofd te praten, maar hij moest zich aan zijn belofte houden. Hij somde alle gevaren voor hem op, maar dat schrok de moedige jongeling niet af. Diep bedroefd leidde Helios zijn zoon naar de zonnewagen die uit louter goud en zilver en edelstenen bestaat. Met een heilige zalf smeerde hij zijn gelaat in, zette de stralenkroon op zijn hoofd en gaf hem de laatste waarschuwingen: ‘Vermijd hier de Zuidpool en aan de noordelijke hemel het sterrenbeeld van de Berin. Je zal duidelijk de sporen van de wielen zien; dat is je weg! En opdat hemel en aarde dezelfde warmte blijven krijgen, daal niet met de wagen, maar rijd ook niet naar het bovenste luchtruim! Als je te hoog vliegt, zal je de hemelse woningen in brand zetten, of te laag, de aarde. De zekerste weg is die van het midden!’

Terwijl hij deze woorden nog sprak, werd Eos, het morgenrood, al licht. Nog een keer probeerde Helios zijn zoon van dit gevaarlijke avontuur af te houden. Maar vrolijk te moede besteeg deze het hemelse gespan en nam de lichte teugels in zijn handen. Vol vreugde vulden de vier paarden van Helios de lucht met hun vlammengehinnik en de tocht begon. 
Voor Phaeton breidde zich nu de grenzeloze ruimte uit. Toen hij de landen onder zich zag die zich daar lager en lager voor hem uitstrekten, werd hij duizelig. Door een plotselinge schrik beefden zijn knieën en door het overmatige licht werd het hem donker voor de ogen. Wat moest hij nu doen? Er lag al een reusachtig stuk hemel achter hem, meer nog vóór hem. Dan eens blikte hij naar voren, naar het westen en dan keek hij weer om naar het oosten.
Radeloos staat hij nu op de wagen alsof hij betoverd is. Hij laat de teugels niet vieren, maar houdt ze slap. Bevend ziet hij zo van dichtbij de verbazingwekkende wonderen waarmee de hemel bezaaid is. Vanaf zijn verheven plaats ziet hij ze allemaal: de beelden van de reusachtige dieren. Hij ziet de schorpioen die de poten in een dubbele boog kromt en hem met de reusachtige stekel bedreigt. 
Dan is hij zo bang dat de teugels doelloos uit zijn handen glijden. Die raken de rug van de paarden. Als ze dat merken, gaan ze ervandoor, want niemand leidt hen nu. Ze razen voort in een richting waarin hun wildheid hen drijft. Nu eens gaat het stijl omhoog, dan weer de diepte in, naar de aarde. De aarde vat vlam. Ze barst en wordt dor. De rivieren drogen op, hele steden gaan in vlammen op en Phaeton ziet vol schrik hoe de aarde om hem heen in brand staat.
In haar nood riep de aarde tot Zeus: ‘Wanneer de zeeën vergaan en de aarde verbrandt, worden wij in de oeroude chaos geworpen. Pak van de vlammen af wat er voor ons nog overblijft en red het wereldal!’
Toen donderde Zeus krachtig. Vol geweld haalde hij met zijn rechterhand uit en slingerde plotseling zijn bliksem naar de wagenmenner. Phaeton sloeg ondersteboven en stortte als een vallende ster uit de hemel. De grote rivier Eridanus nam hem in zich op en waste zijn berookte aangezicht. De Najaden begroeven zijn lichaam en plaatsten een steen erbij met het opschrift: ‘Phaeton rust hier, hij die de wagen van zijn vader mende. Hij bleef er geen meester over, maar groots was wat hij durfde!

Zo                                                                     z                                                                   zw
dec.   1. 24°°u                                              jan.   1. 22°°u                            feb  1   20°°u 
         15. 23°°u                                                      15. 21°°u                                  15  19°°u

Je vindt de rivier Eridanus het makkelijkst wanneer je van de linkervoet van Orion uitgaat die zogezegd op de bron staat. In december moet je in het zuidoosten, in januari n het zuiden en in februari in het zuidwesten zoeken.

De namen van de sterren betekenen

Achernar (Arabisch) = einde van de rivier
Zaurak (Arabisch) = boot

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2625-2459

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over rekenen – GA 309

.

ga 309

 Anthroposophische Pädagogik und ihre Voraussetzungen

Uitgangspunten van de vrijeschool

Blz. 63  vert. 63

Voordracht 4, Bern 16 april 1924

Und so hat man nötig, überall darauf zu sehen, daß das Kind nicht in vereinseitigt gewordenen Intellekt hineingetrieben werde. Das tut man aber, wenn man die Vorgänge des Lebens so an das Kind heranbringt, daß sie eben durchintellektualisiert sind. Das, was ich eben jetzt sage, kann sich auf alles beziehen, was dem Kinde beigebracht werden soll zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife. Vor allen Dingen handelt es sich zum Beispiel darum, daß wir auch im Rechnen darauf ausgehen, nicht zu intellektualisieren, sondern daß wir auch im Rechnen ausgehen von dem, was eben zunächst die Wirklichkeit ist. Sehen Sie, wenn vor mir liegen 10 Bohnen: die liegen vor mir; die sind die Wirklichkeit, die ich daher in mir sichtbare Gruppen teilen kann.

En zo is het nodig er overal op te letten dat het kind niet in het eenzijdig geworden intellect gedrukt wordt. Dat doet men echter wel, wanneer men, hoe het leven zich ontwikkelt, zo aan het kind bijbrengt dat dit vol intellectualisme zit. Wat ik nu zeg, kan betrekking hebben op alles wat het kind bijgebracht moet worden tussen de tandenwisseling en de puberteit. Boven al gaat het erom dat we bijv. met rekenen [5] erop letten niet te intellectualiseren, maar dat we in het rekenen uitgaan van wat nu eenmaal  de realiteit is. Kijk, wanneer ik 10 bonen voor me heb liggen, liggen ze voor me; die liggen er echt; ik kan ze zichtbaar in groepjes verdelen.

GA 309 blz. 63

Wenn ich sage: 3 + 3 + 4 Bohnen sind 10 Bohnen, dann setze ich von vorneherein das Gedachte an die Stelle der Wirklichkeit. Gehe ich aber davon aus, daß ich sage: In Wirklichkeit liegen vor mir 10 Bohnen; die kann ich bei ihrer Lage so einteilen, daß ich hier 3 habe, hier wieder­um 3, daß ich dann 4 dazufügen muß – gehe ich aus von der Summe, die wirklich daliegt, und zu den einzelnen Addenden hin, dann stehe ich in der Wirklichkeit, dann gehe ich von dem aus, was in Wirklichkeit immer da ist, von dem Ganzen, und ich gehe zu den Teilen über. Bringe ich dein Kinde das Addieren so bei, daß ich von der Summe ausgehe und in der verschiedensten Weise die Summe einteile – ich kann auch anders verteilen; ich kann die Bohnen auseinanderwerfen und anders gruppieren, ich kann herausbekommen: 10 = 2 + 2 + 3 + 3-, so habe ich dasjenige, was als Wirklichkeit konstant bleibt, in der ver­schiedensten Weise zerteilt. Man sieht daraus, daß man es in der ver­schiedensten Weise zerteilen kann, daß das Realere die unveränderliche Summe ist. Sie sehen, daß auch das, was durch wirkliche Menschenerkenntnis einem klar wird: daß das Kind nicht eingehen will in die­sem Lebensalter auf ein Abstraktes – und die Addenden sind etwas Abstraktes – sondern auf das Konkrete, daß das bedingt, daß man das Rechnen umgekehrt lehrt, als es gewöhnlich gelehrt wird; daß man von der Summe ausgeht beim Addieren und davon dann zu den Addenden übergeht, und sogar bemerklich macht, wie eine Summe in verschiedener

Wanneer ik zeg: 3 + 3 + 4 bonen zijn 10 bonen, zet ik meteen een gedachte op de plaats van de werkelijkheid. Ga ik er echter vanuit te zeggen: in werkelijkheid liggen er 10 bonen voor mij; die kan ik zoals ze liggen, zo verdelen dat ik er hier 3 heb, hier weer drie, dat ik er dan 4 bij moet leggen – dan ga ik uit van het totaal dat er werkelijk ligt en dan vandaaruit naar de optelgetallen: dan bevind ik mij in de realiteit, dan ga ik daadwerkelijk uit van wat er in werkelijkheid steeds is: van het geheel en ik ga over tot de delen. Wanneer ik het kind het optellen zo aanleer dat ik van het geheel uitga en op de meest uiteenlopende manier dit geheel verdeel – ik kan het ook anders verdelen; ik kan de bonen uit elkaar leggen en anders groeperen, ik kan doen: 10 = 2 + 2 + 3 + 3 =, dan heb ik hetgeen in werkelijkheid constant blijft, op de meest verschillende manieren verdeeld. Daaraan zie je dat je op de meest verschillende manieren kan verdelen; wat reëler is, is de niet te veranderen totaliteit. Je ziet, wat door menskunde duidelijk wordt: dat het kind op deze leeftijd niet wil meegaan in iets abstracts – en de optelgetallen zijn iets abstracts – maar op iets concreets en dat brengt met zich mee dat je het rekenen op een tegenovergestelde manier aanleert als tegenwoordig; dat je uitgaat van de totaliteit bij het optellen en vandaar naar de optelgetallen en dan erop wijst hoe een totaliteit op de

Blz. 64  vert. 64

Art verteilt werden kann. Dadurch, daß man dies tut, be­kommt man eine viel mehr der Wirklichkeit angepaßte Anschauung des Kindes als bei der gewöhnlich üblichen Methode.
Und so ist es eigentlich auch bei den anderen Rechnungsarten. Es wird ungemein Regsameres in dem Kinde hervorgerufen, wenn man sagt: Wieviel mußt du von 5 wegnehmen, damit du noch 2 hast? – als wenn man ihm sagt: Nimm 3 von 5 weg. – Und dieses: Wieviel mußt du von 5 wegnehmen, damit du noch 2 hast? – paßt sich auch viel mehr dem Leben an. Im Leben wird man es gerade damit zu tun haben. Und so handelt es sich wirklich darum, daß man schon in der Didaktik für diese Lebensepoche Wirklichkeitssinn entfaltet.

meest verschillende manieren verdeeld kan worden. Door het zo te doen, ontwikkelt het kind een waarnemen dat veel meer aan de realiteit is aangepast dan bij de gangbare methoden.
En dat is ook het geval bij de andere rekenvormen. Je stimuleert het kind op een bijzondere manier, wanneer je zegt: hoeveel moet je er van de 5 afdoen om 2 over te houden – dan wanneer je zegt: haal 3 van de 5 af.- En dit: hoeveel moet je er van de 5 afhalen, zodat je 2 overhoudt? – past veel meer bij het leven. Daar krijg je in het leven mee te maken. [6]  En het gaat er echt om, dat je ook al in je didactische aanpak in deze leeftijdsfase zin voor de realiteit ontplooit.
GA 309/63-64
Op deze blog vertaald/63-64

[5] Rekenen: over het “uitgaan van het geheel’: in 1e klas – alle artikelen  met name ‘temperament en rekenen’

[6] hoe waar dit is, ervaart bijna iedereen, elke maand, wanneer je naar je inkomen kijkt en daarvan wat over wil houden. Wat kan/moet/mag ik van mijn inkomen uitgeven, wil ik dit (spaar)bedrag overhouden!
Waarop de bekende grap berust: ‘Aan het eind van mijn salaris heb ik altijd nog een stukje maand over.’

Rekenwerkboek ‘Rekenen in beweging

Rudolf Steiner over rekenenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Rekenenalle artikelen

.

2624-2458

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vormtekenen – vlechtvormen

.

WANNEER DEED HET TEKENEN VAN VLECHTVORMEN ZIJN INTREDE IN DE VRIJESCHOOL?
.

Het vak ‘vormtekenen’ is bij uitstek een vrijeschoolvak.
In verschillende pedagogische voordrachten bracht Steiner zijn gezichtspunten over deze vorm van tekenen naar voren. Deze zijn hier te vinden: Rudolf Steiner over vormtekenen.

Nergens echter worden de vlechtvormen genoemd.

Anno 2021 worden deze in veel scholen in binnen- en buitenland vanaf klas 4 geoefend.
Een vraag zou dus kunnen luiden: ‘Hoe zijn ze in de vrijescholen terecht gekomen.
Bij mijn weten is er – ruwweg – tot aan de jaren 1970 geen melding van gemaakt in pedagogische tijdschriften, zoals in Nederland ‘Vrije Opvoedkunst’ of in Duitsland ‘Erziehungskunst’.

In 1979 publiceert Joop v.d. Heuvel in Vrije Opvoedkunst een artikel met vlechtvormillustraties die overduidelijk uit het boek van Kutzli stammen; v.d. Heuvel geeft bij de vormen voor de 4e klas aan: ‘vlechtvormen uit de Longobardische of Keltische cultuur’.

In het boekZeichnen ist Sehen lernen(1968) van Clausen/Riedel komen ze niet voor.
InFormenzeichnen(1983 geeft de auteur  H.R.Niederhäuser enkele voorbeelden en verwijst naar Kutzli)
In het boek
Formenzeichnen (1985 Menschenkunde und Erziehung 47) staan 2 vlechtvormen om iets van symmetrie te laten zien, niet als illustratie van vlechtvormen.

Mijn eerste herinnering aan ‘vlechtvormen op de vrijeschool’ stamt uit de tijd dat ik op de Haagse vrijeschool werkte.
Het was Oscar Klinkenberg die er in een pedagogische vergadering over vertelde en enthousiast gezichtspunten aandroeg die o.a. mij inspireerden om in mijn 4e klas – die ik toen nog niet had – ze ook te gaan doen.
Oscar wees toen ook op het boek van Rudolf Kutzli ‘Langobardische Kunst’, dat in 1974 verscheen.

Als Kutzli de inspirator is geweest van Klinkenberg, en deze degene die het vormtekenen in de vrijescholen introduceerde, kunnen we dus geen vlechtvormen vóór 1974 in de school aantreffen. 

In ieder geval draag ik het vlechtvormteken in de jaren 1980 zelf uit, m.n. in applicatiecursussen, o.a. in Zwolle en een jaar of tien in de jaarlijkse ‘Zutphencursus’.

Dat zou me nooit gelukt zijn zonder de methode die Kutzli n.a.v. zijn boek ontwerpt om zelf met deze vlechtvormen te oefenen.

Hij noemt zijn methode: ‘Entfaltung schöpferischer Kräfte durch lebendiges Formenzeichnen’.  – Ein Übungsweg in 12 Folgen-
Het 1e deel verschijnt in 1981; een 13e , een ‘Ergänzungsheft’ in 1987.
Later verschijnen deze 13 in 2 delen. En weer later in 1 boek, zie link.

Vormtekenen: alle artikelen

2623-2457

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over rekenen – GA 307

.

GA 307

Gegenwärtiges Geisteslebenund Erziehung

Opvoeding en moderne kultuur

Voordracht 10, Ilkley 14 augustus 1923

Blz. 175  vert. 225

Wenn wir nun dem Kinde zum Beispiel etwas beibringen aus Rechnen oder Geometrie oder aus denjenigen Gebieten, die ich gestern angeführt habe als zeichnendes Malen, malendes Zeichnen, als Übergangzum Schreiben, so wird durch diesen Unterricht der physische Leib und der Ätherleib beeinflußt. Und wenn wir dem Äther- oder Bildekräfteleib das beibringen, was ich gestern hier skizziert habe, wenn wir ihm etwas beibringen von Rechnen oder Geometrie, so behält er das auch während des Schlafes, so schwingt er auch während des Schlafes fort.

Wanneer we nu het kind bijvoorbeeld iets bijbrengen van rekenen of geometrie, of uit die gebieden die ik gisteren aangehaald heb als tekenend schilderen, schilderend tekenen, als overgang naar het schrijven, dan wordt door dit onderwijs het fysieke lichaam en etherlichaam beïnvloed. En als we het ether- of vormkrachtenlichaam datgene bijbrengen wat ik gisteren hier geschetst heb, als we het iets bijbrengen van rekenen of geometrie, dan houdt het kind dat vast ook tijdens de slaap, dan vibreert het ook tijdens de slaap verder.

Blz. 176   vert. 226

Diejenigen Dinge nun, die ich gestern angeführt habe als Pflanzen- kunde, als dasjenige, was zum Schreiben und Lesen führt, das spricht alles zum physischen Leib und zum Ätherleib. Wir werden noch über den geschichtlichen Unterricht uns zu verständigen haben. Wir haben schon über den tierkundlichen und menschenkundlichen Unterricht Richtlinien gegeben; der spricht zu dem, was aus physischem Leib und Ätherleib herausgeht während des Schlafes. Rechnen, Geometrie spricht zu beiden; das ist das Merkwürdige. Und daher ist wirklich in bezug auf den Unterricht und die Erziehung Rechnen sowohl wie Geometrie, man möchte sagen, wie ein Chamäleon; sie passen sich durch ihre eigene Wesenheit dem Gesamtmenschen an. Und während man bei Pflanzenkunde, Tierkunde, Rücksicht darauf nehmen muß, daß sie in einer gewissen Ausgestaltung, so wie ich das gestern charakterisiert habe, in ein ganz bestimmtes Lebensalter hineinfallen, hat man bei Rechnen und Geometrie darauf zu sehen, daß sie durch das ganze kindliche Lebensalter hindurch getrieben werden, aber entsprechend geändert werden, je nachdem das Lebensalter seine charakteristischen Eigenschaften verändert.
Insbesondere aber hat man darauf zu sehen, daß – ja, es muß das schon gesagt werden – der Äther- oder Bildekräfteleib etwas ist, was mit sich auch fertig wird, auch auskommt, wenn es allein gelassen wird von unserem Ich und unserem astralischen Leib. Der Äther- oder Bildekräfteleib hat durch seine eigene innere Schwingungskraft immer die Tendenz, das was wir ihm beibringen, von selbst zu vervollkommnen,

Die dingen nu, die ik gisteren aangevoerd heb als plantkunde, als dat wat tot schrijven en lezen voert, dat spreekt allemaal tot het fysieke lichaam en tot het etherlichaam. We zullen nog moeten komen te spreken over het geschiedenisonderwijs. We hebben al over het dier- en menskundeonderwijs richtlijnen gegeven; dat spreekt tot datgene wat uit het fysieke lichaam en etherlichaam gaat tijdens de slaap. Rekenen, geometrie spreekt tot beide; dat is het merkwaardige. En daarom is met betrekking tot het onderwijs en de opvoeding zowel rekenen als geometrie, je zou willen zeggen, net als een kameleon; ze passen zich door hun eigen wezen aan de totale mens aan. En terwijl je bij plantkunde, dierkunde er rekening mee moet houden dat die in een bepaalde gestalte, zoals ik dat gisteren heb gekarakteriseerd, in een zeer bepaalde leeftijd vallen, moet je bij rekenen en geometrie erop letten dat die gedurende de hele kindertijd heen worden beoefend, maar adequaat worden veranderd, al naar gelang de leeftijd zijn karakteristieke eigenschappen verandert. In het bijzonder echter moet je erop toezien dat – ja, dat moet wel gezegd worden — het ether- of vormkrachtenlichaam iets is wat met zichzelf ook klaarkomt, zich ook redt als het alleen gelaten wordt door ons Ik en ons astrale lichaam. Het ether- of vormkrachtenlichaam heeft door zijn eigen innerlijke vibratiekracht steeds de tendens om dat wat we hem bijbrengen, vanzelf te vervolmaken, verder te ontwikkelen.

Blz. 177  vert. 226-227

weiterzubilden. In bezug auf astralischen Leib und Ich sind wir dumm. Wir machen dasjenige, was wir in dieser Beziehung als Mensch beigebracht bekommen, unvollkommner. Und so ist es tatsächlich wahr, daß übersinnlich unser Bildekräfteleib vom Einschlafen bis zum Aufwachen dasjenige, was wir ihm als Rechnen beigebracht haben, fortrechnet. Wir sind gar nicht in unserem physischen und Ätherleib drinnen, wenn wir schlafen; aber die rechnen fort, die zeichnen über- sinnlich ihre Geometriefiguren fort, vervollkommnen sie. Und wenn wir das wissen und den ganzen Unterricht daraufhin anlegen, so bekommen wir durch einen richtig gearteten Unterricht eine ungeheure Lebendigkeit im ganzen Weben und Wesen des Menschen zustande. Wir müssen nur in entsprechender Weise diesem Äther- oder Bildekräfteleib Gelegenheit geben, die Dinge, die wir ihm beibringen, weiter zu vervollkommnen.
Dazu ist es nötig, daß wir zum Beispiel in der Geometrie nicht mit jenen Abstraktionen, mit jenen intellektualistischen Gestaltungen beginnen, mit denen man gewöhnlich sich denkt, daß die Geometrie an- fangen müsse; sondern es ist nötig, daß man mit einer nicht äußerlich gearteten, sondern innerlich gearteten Anschauung beginne, daß man in dem Kinde zum Beispiel einen starken Sinn für Symmetrie erwecke.

Wat het astrale lichaam en het Ik betreft zijn we dom. We maken dat wat we in dit opzicht als mens bijgebracht krijgen onvolmaakter. En zo is het feitelijk waar dat ons vormkrachtenlichaam van het inslapen tot het wakker worden dat wat we hem als rekenen bijgebracht hebben, bovenzinnelijk doorgaat met rekenen. We zitten helemaal niet in ons fysieke en etherlichaam wanneer we slapen; maar die gaan door met rekenen, die tekenen bovenzinnelijk verder aan hun geometrische figuren, vervolmaken ze. En als we dat weten en het hele onderwijs daarop inrichten, dan krijgen we door een juist geaard onderwijs een geweldige levendigheid in het hele weven en leven van de mens. We moeten alleen op passende wijze dit ether- of vormkrachtenlichaam gelegenheid geven de dingen die we hem bijbrengen, verder te vervolmaken. Daartoe is het nodig dat we bijvoorbeeld in de geometrie niet met die abstracties, met die intellectualistische vormgeving beginnen waarvan normaal gedacht wordt dat de geometrie daarmee moet beginnen; nee, het is nodig dat je met een niet uiterlijk geaarde, maar innerlijk geaarde zienswijze begint, dat je in het kind bijvoorbeeld een sterk gevoel voor symmetrie oproept.
GA 307/177
Vertaald/226

Blz. 181/182  vert. 231-232

Man muß dasjenige, was hier in bezug auf das Anschaulich-Räumliche gesagt worden ist, nun auch ausdehnen können auf das Rechnerische. Da handelt es sich namentlich darum, daß alles dasjenige, was in äußerlicher Weise das Rechnen und schon das Zählen an das Kind heranbringt, eigentlich die menschliche Organisation ertötet. Alles dasjenige, was vom Einzelnen ausgeht, Stück an Stück reiht, das ertötet die menschliche Organisation. Dasjenige, was vom Ganzen ausgeht zu den Gliedern, zuerst die Vorstellung des Ganzen hervorruft, dann die der Teile, das belebt die menschliche Organisation. Das ist etwas, was schon beim Zählenlernen in Betracht kommt. Wir lernen die Zahlen in der Regel dadurch, daß wir uns an das ganz Äußerliche, im physisch-sinnlichen Leben Vorsichgehende halten.
Wir lernen zählen, indem wir eins haben; das nennen wir die Einheit. Dann fügen wir dazu zwei, drei, vier, und so geht es fort, wir legen Erbse zu Erbse, und es ist gar keine Vorstellung, keine Idee da, warum das eine zum anderen gelegt wird, was daraus eigentlich wird. Man lernt zählen, indem an die Willkür des Nebeneinanderlegens appelliert wird. Ich weiß wohl, daß in vielfacher Weise diese Willkür variiert wird, allein dasjenige, um was es sich handelt, wird heute noch im allergeringsten Maße irgendwo berücksichtigt: daß von einem Ganzen ausgegangen wird und zu den Teilen, Gliedern, fortgeschritten werde. Die Einheit ist dasjenige, was zunächst vorgestellt werden soll auch vom Kinde als ein Ganzes. Irgend etwas, was es auch ist, ist eine Einheit. Nun, wenn man genötigt ist, die Sache durch Zeichnen zu vergegenwärtigen, muß man eine Linie hinzeichnen; man kann auch einen Apfel benützen, um dasselbe zu machen, was ich jetzt mit der Linie machen werde. Da ist eins, und nun geht man von dem Ganzen zu den Teilen, zu den Gliedern, und jetzt hat man aus eins eine Zwei gemacht.

Je moet dat wat hier met betrekking op het aanschouwelijk-ruimtelijke is gezegd, nu ook kunnen uitbreiden naar het rekenkundige. Daar gaat het met name erom dat alles wat op uiterlijke wijze het kind vertrouwd maakt met het rekenen en ook het tellen, eigenlijk de menselijke organisatie doodt. Alles wat van eenheden uitgaat, stuk aan stuk rijgt, dat doodt de menselijke organisatie. Datgene wat van het geheel uitgaat naar de delen, eerst de voorstelling van het geheel oproept, vervolgens die van de delen, dat brengt leven in de menselijke organisatie. Dat is iets wat al bij het leren tellen in aanmerking komt. We leren de getallen doorgaans doordat we ons vasthouden aan het geheel uiterlijke, zich in het fysiek-zintuiglijke leven afspelende leven.
We leren tellen doordat we één hebben; die noemen we de eenheid. Dan voegen we daar twee, drie, vier enzovoort aan toe, we leggen erwt bij erwt, en er is helemaal geen voorstelling, geen idee waarom de ene bij de andere gelegd wordt, wat daar eigenlijk uit ontstaat. Je leert tellen doordat aan de willekeur van het naast elkaar leggen wordt geappelleerd. Ik weet wel dat deze willekeur op velerlei wijzen wordt gevarieerd, alleen met datgene waar het om gaat, wordt tegenwoordig nog maar in de allergeringste mate rekening gehouden: dat van een geheel uitgegaan wordt en naar de delen, onderdelen verdergegaan wordt. De eenheid is wat als eerste voorgesteld moet worden ook door het kind als een geheel. Alles wat er ook maar is, is een eenheid. Welnu, als je genoodzaakt bent om de zaak door te tekenen te laten zien, moet je een lijn uittekenen; je kunt ook een appel gebruiken om hetzelfde te doen wat ik nu met de lijn zal doen. Daar is één en nu ga je van het geheel naar de delen, en nu heb je uit één een twee gemaakt.

Die Einheit ist geblieben. Die Einheit ist in zwei geteilt worden. Man hat die Einheit «entzwei» geteilt, dadurch ist die Zwei entstanden. Nun geht man weiter, es entsteht durch weitere Gliederung die Drei. Die Einheit bleibt immer als das Umfassende bestehen; und so schreitet man weiter durch die Vier, Fünf, und man kann zugleich durch andere Mittel eine Vorstellung hervorrufen, wie weit man die Dinge zusammenhalten kann, die auf die Zahlen sich beziehen. Man wird dabei die Entdeckung machen, daß eigentlich der Mensch in bezug auf das Anschauliche der Zahl beschränkt ist.

De eenheid is blijven bestaan. De eenheid is in tweeën gedeeld. Je hebt de eenheid in tweeën gedeeld, daardoor is de twee ontstaan. Nu ga je verder, er ontstaat door verdere deling de drie. De eenheid blijft steeds als het allesomvattende bestaan; en zo ga je verder door met vier, vijf, en je kunt tegelijk met andere middelen een voorstelling oproepen hoe ver je de dingen bijeen kunt houden die op de getallen betrekking hebben. Je zult daarbij ontdekken dat de mens eigenlijk met betrekking tot het aanschouwelijke van het getal beperkt is.

Blz. 183  vert. 232-233

Bei gewissen Völkern der modernen Zivilisation umfaßt man eigentlich nur den überschaulichen Zahlbegriff bis zehn; hier in England, kann man im Geld bis zwölf rechnen. Das ist aber auch etwas, was schon das höchste in dem Überschaulichen darstellt. Dann fängt man ja eigentlich wieder an, dann zählt man eigentlich die Zahlen; man zählt zuerst die Dinge bis zehn, aber dann fängt man an, die Zehn zu zählen: zweimal zehn = zwanzig, dreimal zehn = dreißig. Man bezieht sich da schon gar nicht mehr auf die Dinge, sondern man geht dazu über, die Zahl selbst auf das Rechnen anzuwenden, weil durch den Elementarbegriff schon die Dinge selbst als ein Anschauliches verlangt werden. Und wenn gar das moderne Anschauen so stolz darauf ist, daß wir es in bezug auf das Zählen so weit gebracht haben, während die wilden Völker auf ihre zehn Finger angewiesen sind, so ist es mit dem Stolz gar nicht so weit her, sondern wir zählen bis zehn, weil wir die Glieder spüren, die Gliederung der Hände die darinnen liegt, daß wir symmetrisch die Hände empfinden, die zehn Finger. Dieses Empfinden ist demgemäß auch herausgeholt, ist erlebt, und man muß in dem Kinde den Übergang hervorrufen von dem Ganzen, der Einheit in die Teile als Zahl. Dann wird man leicht jenen anderen Übergang zum Zählen finden können, indem man eines an das andere legt.

Bij bepaalde volkeren van de moderne civilisatie wordt eigenlijk alleen het overzichtelijke getalsbegrip tot tien omvat; hier in Engeland kan men in het geld tot twaalf rekenen. Maar dat is ook iets wat wel het hoogste vertegenwoordigt dat je kunt overzien. Dan begin je toch eigenlijk weer opnieuw, dan tel je eigenlijk de getallen; je telt eerste de dingen tot tien, maar dan begin je de tien te tellen: tweemaal tien = twintig, driemaal tien = dertig. Je refereert daar al helemaal niet meer aan de dingen, maar je gaat ertoe over het getal zelf op het rekenen toe te passen, terwijl het elementaire begrijpen de dingen zelf wel als iets aanschouwelijks wil zien. En ook al is het moderne onderzoek zo trots erop dat we het met betrekking tot het tellen zo ver gebracht hebben, terwijl de onbeschaafde volkeren op hun tien vingers aangewezen zijn, toch heeft die trots helemaal niet zo veel te betekenen; integendeel, wij tellen tot tien omdat we de delen voelen, de geleding van de handen, die erin gelegen is dat we de handen, de tien vingers als symmetrisch ervaren. Deze ervaring is daarmee overeenkomend ook er uitgehaald, is beleefd, en je moet in het kind de overgang te voorschijn roepen van het geheel, de eenheid naar de delen als getal. Dan zul je gemakkelijk die andere overgang naar het tellen kunnen vinden doordat je het ene naast het andere legt.

Man kann ja dann übergehen zu eins, zwei, drei und so weiter. Also das rein additive Zählen, das ist dasjenige, was erst in zweiter Linie kommen darf; denn das ist eine Tätigkeit, die lediglich hier im physischen Raume eine Bedeutung hat, während das Gliedern der Einheit eine solche innere Bedeutung hat, daß es wiederum fortschwingt im ätherischen Leib, auch wenn der Mensch nicht dabei ist. Darauf kommt es an, daß man diese Dinge weiß.
Ebenso handelt es sich darum, daß, wenn wir das Zählen auf diese Weise überwunden haben, wir nun nicht leblos mechanisch zum Addieren übergehen, wo wir dann Addend zu Addend reihen. Das Lebendige kommt in die Sache hinein, wenn wir nicht von den Teilen der Addition ausgehen, sondern von der Summe; wenn wir also eine Anzahl von Dingen, sagen wir, eine Anzahl von Kugeln hinwerfen – nun, im Zählen sind wir so weit, daß wir sagen können, das sind vierzehn Kugeln. Jetzt gliedere ich dieses, indem ich den Begriff des Teiles

Je kunt vervolgens overgaan naar één, twee, drie enzovoort. Dus het zuiver additieve tellen, dat is iets wat pas in tweede instantie mag komen. Want dat is een activiteit die enkel en alleen hier in de fysieke ruimte betekenis heeft, terwijl het onderverdelen van de eenheid een zodanige innerlijke betekenis heeft dat die weer in het etherlichaam verder vibreert, ook wanneer de mens daar niet bij is. Het komt erop aan dat je deze dingen weet.
Net zo gaat het erom dat, wanneer we het tellen op deze wijze overwonnen hebben, we nu niet levenloos mechanisch tot adderen, tot optellen overgaan, waar we dan het op te tellen getal aan getal, addendum aan addendum rijgen. Het levendige komt in de zaak binnen als we niet van de delen van de optelling uitgaan, maar van de som. Als we dus een aantal dingen, laten we zeggen, een aantal bolletjes neergooien — welnu, in het tellen zijn we zo ver dat we kunnen zeggen dat het veertien bolletjes zijn. Nu verdeel ik dit onder, doordat ik het begrip van het gedeelte

Blz. 184  vert. 233-234

fortsetze. Ich habe hier fünf, hier vier, hier wiederum fünf; so daß ich die Summe auseinandergeworfen habe in fünf, vier, fünf. Ich gehe also über von der Summe zu den Addenden, von detn Ganzen zu den Teilen, und versuche beim Kinde so vorzugehen, daß ich immer die Summe gewissermaßen hinstelle und das Kind darauf kommen lasse, wie sich die Summe gliedern kann in die einzelnen Addenden.
Also ist es außerordentlich wichtig, daß man, wie man beim Fahren die Pferde nicht beim Schwanze aufzäumt, sondern beim Kopfe, ebenso seelisch mit dem Rechnen vorgehe; daß man tatsächlich von der Summe, die eigentlich in allem immer gegeben ist, von dem Ganzen ausgeht: das ist das Reale. Vierzehn Äpfel, die sind das Reale – nicht die Addenden sind das Reale; die verteilen sich nach den Lebensverhältnissen in der verschiedensten Weise. So daß man also ausgeht von dem, was immer das Ganze ist, und übergeht zu den Teilen. Dann wird man den Weg wiederum zurückfinden zu dem gewöhnlichen Addieren.Aber man hat eben, wenn man so vorgeht, wenn man vom ganz Lebendigen übergeht zum Teilen, erreicht, daß dasjenige, was zugrunde liegt dem Rechnen, der Bildekräfteleib, der eben lebendige Anregung haben will zum Bilden, in Schwingungen versetzt wird, die er dann vervollkommnend fortsetzt, ohne daß wir dann mit unserem störenden astralischen Leib und der Ich-Organisation dabei zu sein brauchen.
Ebenso wird der Unterricht in einer ganz besonderen Weise belebt, wenn man die anderen Rechnungsarten vom Kopf, wo sie heute vielfach stehen, wiederum auf die Beine stellt; wenn man zum Beispiel

voortzet. Ik heb hier vijf, hier vier, hier weer vijf; zodat ik het totaal uiteen gegooid heb in vijf, vier, vijf. Ik ga dus over van het totaal naar de addenda, van het geheel naar de delen. En ik probeer bij het kind zo te werk te gaan dat ik steeds het geheel, de som in zekere zin neerzet en het kind erop laten komen hoe de som zich kan delen in de afzonderlijke addenda.

Dus is het buitengewoon belangrijk dat je, zoals je de paarden bij het rijden niet bij de staart maar bij het hoofd optuigt, zielsmatig precies zo met het rekenen te werk gaat; dat je daadwerkelijk van de som, die eigenlijk in alles steeds is gegeven, van bet geheel uitgaat: dat is het reële. Veertien appels, dat is het reële – niet de addenda zijn het reële; die verdelen zich naar de levensomstandigheden op de meest uiteenlopende wijze. Je gaat dus uit van dat wat altijd het geheel is, en je gaat over naar de delen. Dan zul je de weg weer terugvinden naar het normale optellen. Maar je hebt, als je zo te werk gaat, als je van het heel levendige overgaat naar het delen, bereikt dat datgene wat ten grondslag ligt aan het rekenen, het vormkrachtenlichaam, dat nu eenmaal een levendige stimulering wil krijgen om te vormen, in vibraties wordt omgezet, die het vervolgens vervolmakend voortzet zonder dat we dan met ons storende astrale lichaam en Ik-organisatie daarbij hoeven te zijn.
Net zo wordt het onderwijs op een heel bijzondere manier beleefd wanneer je de andere rekensoorten van het hoofd, waar die tegenwoordig vaak staan, weer op de voeten zet. Als je bijvoorbeeld er

Blz. 185  vert. 235

darauf hinarbeitet, das Kind dazu zu bringen, daß es sagt: Wenn man sieben hat, wieviel muß man wegnehmen, damit man drei bekommt? – nicht: Was bekommt man, wenn man von sieben vier wegnimmt? -, sondern umgekehrt: Wenn man sieben hat – das ist das Reale – und was man bekommen will, ist wiederum das Reale. Wieviel muß man von sieben wegnehmen, damit man drei bekommt? – Mit dieser Form des Denkens steht man im Leben zunächst drinnen, während man mit der anderen Form in der Abstraktion drinnen steht. So daß man, wenn man in dieser Art verfährt, dann sehr leicht zu dem anderen zurückkehren kann.
In derselben Weise soll man beim Multiplizieren, beim Dividieren vorgehen, nicht fragen: Was entsteht, wenn man zehn in zwei teilt? -, sondern: Wie muß man zehn teilen, damit man fünf bekommt? – Man hat ja das Reale als Gegebenes, und im Leben soll dasjenige herauskommen, was dann eine Bedeutung hat. Zwei Kinder sind da, unter denen sollen zehn Äpfel geteilt werden, jedes soll fünf bekommen: das sind die Realitäten.

naartoe werkt het kind ertoe te brengen om te zeggen: als je zeven hebt, hoeveel moet ik dan weghalen om drie te krijgen? – niet: wat krijg je als je van de zeven vier weghaalt maar omgekeerd: als je zeven hebt -dat is het reële – en wat je wilt krijgen is weer het reële. Hoeveel moet je van zeven wegnemen opdat je drie krijgt? – Met deze vorm van denken sta je in eerste instantie in het leven, terwijl je met de andere vorm in de abstractie staat. Zodat je, als je op deze wijze te werk gaat, dan heel gemakkelijk naar het andere kunt terugkeren
Op dezelfde manier moet je bij het vermenigvuldigen, bij het delen te werk gaan, niet vragen: wat ontstaat er als je tien door twee deelt? —, maar: hoe moet je tien delen opdat je vijf krijgt? – Je hebt immers het reële als gegeven en in het leven moet datgene naar voren komen wat betekenis heeft. Er zijn twee kinderen onder wie tien appels verdeeld moeten worden, ieder zal er vijf krijgen: dat zijn de realiteiten.

Was man dazu tun muß, das ist das Abstrakte, das in die Mitte hineinkommt. So sind die Dinge immer unmittelbar dem Leben angepaßt. Gelingt einem dieses, dann ergibt sich, daß wir dasjenige, was wir heute in additiver Weise, in rein äußerlich nebeneinanderfügender Weise vielfach vornehmen und wodurch wir ertötend wirken, gerade im rechnenden Unterricht als Belebendes haben. Und darauf ist zu sehen gerade bei diesem Unterricht, daß wir wirklich auch das Unterbewußte des Menschen, das heißt dasjenige berücksichtigen, was in den Schlaf hineinwirkt und was auch sonst unterbewußt wirkt, wenn der Mensch wach ist. Denn der Mensch denkt ja nicht immer an alles, sondern er denkt an einen kleinen Teil desjenigen, was er seelisch erlebt hat; das andere arbeitet aber immer fort. Gönnen wir es dem Kinde, daß in gesunder Weise sein physischer und sein Ätherleib fortarbeiten. Das können wir aber nur, wenn wir wirklich Spannung, Interesse, Leben hineinbringen gerade in den Rechnungs- und Geometrieunterricht.

Wat je daarvoor moet doen, dat is het abstracte dat in het midden binnenkomt. Zo zijn de dingen steeds rechtstreeks aangepast aan het leven.
Lukt je dit, dan ontstaat er dat we datgene wat we tegenwoordig op additieve wijze, op zuiver uiterlijk naast elkaar schikkende wijze vaak aanpakken en waardoor wij dodend werkzaam zijn, juist in het rekenonderwijs als iets levengevends hebben. En we moeten juist bij dit onderwijs erop letten dat we werkelijk ook met het onderbewuste van de mens, dat wil zeggen met datgene rekening houden wat in de slaap naar binnen werkzaam is, en wat ook anders onderbewust werkt wanneer de mens wakker is. Want de mens denkt immers niet altijd aan alles, maar hij denkt aan een klein deel van wat hij zielsmatig heeft; dat andere werkt echter altijd door. We gunnen ’t het kind dat op een gezonde manier zijn fysieke en zijn etherlichaam verder werken. Dat kunnen we echter alleen als we echt spanning, interesse, leven binnenbrengen juist in het reken- en meetkundeonderwijs.

Blz. 187  vert. 238

Zu dem ganzen Menschen gehört eben nicht bloß das Bewußte, sondern auch das jeweilig Unbewußte. Und in bezug auf alle diese Dinge muß eben gesagt werden: Der Unterricht und die Erziehung haben nicht nur an den ganzen Menschen zu appellieren, sondern auch an die Teile, an die Glieder des Menschen. – Aber dann ist es auch notwendig, vom Ganzen auszugehen, das Ganze zunächst zu ergreifen und dann die Teile, während man sich sonst um den ganzen Menschen gar nicht kümmert, wenn man im Zählen eins zum anderen legt, wenn man im Zählen Addend zu Addend gibt. An den ganzen Menschen richtet man sich, wenn man die Einheit ins Auge faßt und von da zu den Zahlen übergeht, wenn man die Summe, den Minuenden ins Auge faßt, den Quotienten, das Produkt, und von da zu den Gliedern übergeht.

Bij de hele mens hoort nu eenmaal niet alleen het bewuste, maar ook het huidige onbewuste. En in verband met al deze dingen moet nu juist gezegd worden: het onderwijs en de opvoeding moeten niet alleen aan de gehele mens appelleren, maar ook aan de delen, aan de geledingen van de mens. — Dan is het echter ook nodig om van het geheel uit te gaan, het geheel eerst aan te vatten en dan de delen, terwijl je je anders helemaal niet bekommert om de totale mens als je bij het tellen het ene bij het andere legt, als je bij het tellen addendum bij addendum geeft. Op de totale mens richt je je als je de eenheid bekijkt en vandaar naar de getallen overgaat, als je de som, het aftrektal bekijkt, het quotiënt, het product, en vandaar naar de delen overgaat.
GA 307/181-187
Vertaald/231-238

Blz. 212  vert. 272  

Voordracht 12, Ilkley 16 augustus 1923

Auch der rechnerische Unterricht ist durchaus zur Ausbildung des Gedächtnisses zu benützen. Es ist das so, daß wir immer beginnen sollen im Rechnen mit dem künstlerischen Verstehen der Dinge, wie es in diesen Tagen gezeigt worden ist.
Aber wenn wir wirklich dafür gesorgt haben, daß das Einfachere, sagen wir, die Zahlen bis zehn oder meinetwillen bis zwanzig in ihrer Handhabung bei den Rechnungsoperationen durchschaut worden sind,
dann brauchen wir nicht davor zurückzuschrecken, das übrige gedächtnismäßig an das Kind herankommen zu lassen.

Ook het rekenonderwijs is zeker te gebruiken om het geheugen te vormen.
Het is zo dat we bij het rekenen altijd moeten beginnen met het kunstzinnig begrijpen van de dingen, zoals het deze dagen is aangegeven.
Maar als we er werkelijk voor hebben gezorgd dat het eenvoudigere, laten we zeggen de getallen tot tien, of voor mijn part tot twintig, in hun gebruik bij de rekenoperaties worden doorzien, dan hoeven we er niet voor terug te schrikken het overige materiaal geheugenmatig op het kind af te laten komen. En we moeten het kind net zo weinig met geheugenmateriaal als met te ver doorgedreven aanschouwelijk materiaal overbelasten. Want begrippen die te ver in het gecompliceerde worden gedreven, die belasten het geheugen. We moeten dus juist wat de ontwikkeling van het geheugen betreft zorgvuldig kijken naar hoe je dat bij het individuele kind doet.
GA 307/212
Vertaald
/272

.

Rekenwerkboek ‘Rekenen in beweging

Rudolf Steiner over rekenenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Rekenenalle artikelen

.

2622-2456

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-1/28)

.

WEEGSCHAAL

In de tijd van de Oude Grieken hoorden de sterren die tegenwoordig bij het sterrenbeeld Weegschaal horen, nog bij het sterrenbeeld van de Schorpioen en vormden daarvan de scharen. Daarom bestaan er geen Griekse legenden over deze hemelweegschaal.
We komen een beetje dichter bij het geheim van de hemelweegschaal, wanneer we naar oude sterrenkaarten uit de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling ontdekken, dat toentertijd het sterrenbeeld niet alleen een weegschaal was, maar dat deze weegschaal door een gevleugeld engelwezen of door een jongeling, de weegschaalman’ vastgehouden werd. 

Vermoedelijk vinden dergelijke afbeeldingen hun oorsprong nog verder terug tot in de Egyptische tijd waarin de hemelweegschaal in samenhang met de zon en met een godheid werd beschouwd. In de zgn. ‘dodenboeken’ die de Oude Egyptenaren hun gestorvenen meegaven, wordt met beelden en woorden verhelderd welke betekenis de weegschaal had.
Het was de weegschaal van de gerechtigheid, een grote kosmische weegschaal die het evenwicht tussen het leven nu en het hiernamaals, tussen de zichtbare en de onzichtbare wereld vertegenwoordigde.
Wanneer een gestorvene van de zichtbare naar de onzichtbare wereld overging, werd hij voor de god Anubis gebracht, de hemelse rechtspraak. Zijn hart kwam – beeldend – op de linker schaal van de onpartijdige weegschaal van de gerechtigheid te liggen, op de rechter schaal lag een veer, het teken van de Maät, de godin van waarheid en rechtvaardigheid. Dan woog Anubis het hart van de overledene, zoals te zien is op een afbeelding uit de tijd rond 1300 voor Chr,

Alleen als het hart van de gestorvene het onderzoek kon doorstaan, kwam hij in de ruimte van de waarheid en de gerechtigheid en daar begon voor hem een hogere vorm van bestaan.

In de middeleeuwen ontstonden beelden waarop de aartsengel Michaël de weegschaal in de hand houdt en daarmee de zielen van de mensen weegt. Deze tekening ios een versimpeling van een schilderijbeeld van Rogier van der Weyden (1399 – 1464)

In een Hebreeuwse legende ‘De wereldweegschaal’ staat ‘En ik zag hoe de vorst van de engelen Michaël, een geweldige weegschaal vasthield, zo diep, wel van de hemel tot de aarde en zo breed, wel van het noorden naar het zuiden. En ik zei: ‘Heer, wat houdt de aartsengel Michaël daar vast?’ En hij zei tot mij: ‘In deze schaal komen alle deugden en goede werken van de rechtvaardige mensen te liggen, die dan bij de hemelse god gebracht worden.’

Of het engelwezen dat op de oude sterrenkaarten de weegschaal vasthoudt, de aartsengel Michaël is? 
Het beeld kan ons wel helpen vertrouwd te raken met het sterrenbeeld van de Weegschaal.

Zo                                                                    z                                                        zw
mei   1   1°°u*                                          juni   1. 23°°u*                              juli  1  21°°u*
15  24°°u*                                                 15 22°°u*                                  15  20 °°u*
*zomertijd

Namen van de sterren

Kiffa Australis (Arabisch/Latijn) = zuidelijke weegschaal
Kiffa Borealis (Arabisch/Latijn) = noordelijke weegschaal

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2621-2455

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – vertellen

.

DE SCHEPPING IN HET OUDE TESTAMENT
.

Als vertelstof voor de 3e klas raadde Steiner de verhalen uit het Oude Testament aan.
O.a. in het blad ‘Vrije Opvoedkunst‘ is in verschillende artikelen* over het waarom hiervan gesproken.

Jakob Streit vertelde de verhalen zodanig na dat deze voor de leerkracht dé bron vormen om deze vertelstof op beeldende manier aan de kinderen te vertellen – uit het hoofd: deze worden niet voorgelezen!

Rudolf Steiner besteedde in 1910 een voordrachtenreeks aan de ‘zeven scheppingsdagen’ waarbij hij de Hebreeuwse woorden uit Genesis 1 verklaart vanuit zijn antroposofische visie.

Als persoonlijke noot voeg ik hier graag toe dat ik na het lezen van zijn uiteenzettingen met nóg meer eerbied de scheppingsdagen aan de kinderen heb kunnen vertellen.
Uiteraard spreek je met de kinderen niet over Steiners gezichtspunten: antroposofie hoort geen lesinhoud te zijn.
Maar het kan je zeer verrijken om zijn uitleg wél te bestuderen.

Ik vond het altijd heel mooi om met de kinderen de woorden in de Bijbel in het Hebreeuws met ze te reciteren.
Alleen, hoe spreek je ze uit.

Daarbij kan onderstaande inhoud helpen:

Ook mooi om een stukje tekst op het bord te schrijven – en als je met de kinderen een ‘Scheppingsboek’ maakt, kan het daar natuurlijk bij. Je moet wel van rechts naar links schrijven!

De tekst als geheel:

Gen. 1:1

Gen. 1;2

Gen. 1:3

Gen. 1:4

Gen.1:5

De diverse Bijbelvertalingen geven hun eigen versie van deze eerste scheppingsdag. 

*Artikelen in Vrije Opvoedkunst:
De verhalen uit het Oude Testament
Over het Oude Testament
Het Oude Testament als oerbeeld van de geschiedenis

.

2620-2454

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-1-1/23)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Hier worden zijn uitspraken daarover uit andere voordrachten weergegeven.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar 

in de voordrachtenreeks:

Menschliches Seelenleben und Geistesstreben

GA 212

Blz. 111

Voordracht 6, Dornach 26 mei 1922

Ich habe vor vielen Jahren schon darauf aufmerksam gemacht, daß bis etwa zum kindiichen Zahnwechsel hin der Mensch sich vorzugsweise als ein nachahmendes Wesen verhält. Alles was in seiner Umgebung geschieht, wird gewissermaßen instinktiv, stark miterlebt, so wie im späteren Lebensalter nur in den Sinnesorganen, aber ohne daß der Mensch es weiß, miterlebt wird, was in der Außenwelt geschieht. Wir haben in der Tat zum Beispiel in unserem Auge einen Vorgang, der in einer gewissen Weise nachahmt, was äußerlich geschieht, so wie in einer photographischen Kamera nachgeahmt wird, was sich vor dieser Kamera befindet. Der Mensch erlebt dann das, was sich da in seinem Auge nachahmt, und bekommt dadurch seine Kenntnis von der Außenwelt. Ebenso ist es mit den anderen Sinnen. Daß dieses Nach­ahmungsprinzip gewissermaßen auf die Peripherie der menschlichen Wesenheit beschränkt ist, das findet erst im späteren Lebensalter statt. Im kindlichen Alter bis zum Zahnwechsel nimmt, wenn auch in einem geringeren Grade, doch der ganze Leib an dieser Nachahmung teil. Es ist der ganze Leib in einer gewissen Beziehung in einem solchen Verhältnis zur Außenwelt wie sonst die Sinne. Der Mensch ist vor­zugsweise ein nachahmendes Wesen. Er richtet sich innerlich so, wie das Äußere auf ihn innerlich wirkt, wenn er es von außen nachahmt. Daher ist es so wichtig, daß wir in der Umgebung des Kindes in diesem Lebensalter bis in die Gedanken und Gefühlsformungen hinein nichts geschehen lassen, was nicht von dem Kinde aufgenommen und angeeignet werden kann.

Ik heb er vele jaren geleden al op gewezen* dat de mens zich ongeveer tot aan de tandenwisseling vooral als een nabootsend wezen gedraagt. Alles wat er in zijn omgeving gebeurt, wordt a.h.w. instinctief, sterk meebeleefd, zoals dat in het latere leven alleen in de zintuigorganen gebeurt, maar zonder dat de mens het beseft, als hij meebeleeft wat er buiten hem gebeurt.
We hebben inderdaad in ons oog een proces dat in zekere zin nabootst wat uiterlijk gebeurt, zoals bij een fototoestel waarin nagebootst wordt wat zich voor de lens bevindt. De mens beleeft dan wat er in zijn oog nagebootst w0rdt en krijgt daardoor weet van de buitenwereld. Zo is het ook met de andere zintuigen. Dat dit principe van nabootsing in zekere zin beperkt is tot de periferie van de mens, komt pas op latere leeftijd. In de kinderleeftijd tot aan de tandenwisseling neemt, ook al is dat op kleinere schaal, toch het hele lichaam aan deze nabootsing deel. Het hele lichaam heeft op een bepaalde manier een bepaalde verhouding tot de buitenwereld, zoals anders de zintuigen. De mens is in de eerste plaats een nabootsend wezen. Hij richt zich innerlijk op hoe het uiterlijke op zijn innerlijk inwerkt, wanneer hij dat van buitenaf nabootst. Daarom is het zo belangrijk dat wij in de omgeving van het kind in deze leeftijdsfase tot in onze gedachten en gevoelens toe niets laten ontstaan wat niet door het kind opgenomen en eigen gemaakt moet worden. 
*GA 34  [9-1-1-1/3]
GA 212/111
Niet vertaald

Een voorbeeld uit het echte leven:

‘Ik wilde het niet, maar ik was wel als mijn vader’

Jan (56) uit Breda mishandelde zijn ex wel dertig keer. Een van mijn kinderen heb ik al twaalf jaar niet meer gezien. Mijn dochter kan me niet ver­geven.

Dat doet zeer, maar ik snap het ook. Ik haat mijn vader ook nog steeds om wat hij deed.
Nu klinkt het vast alsof ik een excuus zoek voor mijn fouten, maar feit is dat ik als kind ben opgevoed met het idee dat het de normaalste zaak van de wereld is dat vaders losse handjes hebben. Die van mij sloeg mijn moeder regelmatig. Dan hoorde ik zijn boze stem als ik in bed lag, of ik was er gewoon bij. Hij kon ontplof­fen om niks en reageerde dat op mijn moeder af. Een keer heeft hij haar zelfs van de trap geduwd. Mijn moeder praatte er nooit over. Tot haar dood is ze bij die lulhannes gebleven.
Mijn zussen en mij sloeg hij niet, maar hij kleineerde ons wel. Schold ons uit na een onvoldoende op school. Kon om niks enorm uitvallen. Zodra het kon, twee we­ken na mijn achttiende verjaardag, ben ik het huis uitgegaan. Ik ben gevlucht eigen­lijk.
Ik heb er flink op los geleefd. Steeds weer een ander vriendinnetje, veel uit­gaan, drank, drugs, alles. Tot ik haar tegenkwam. Ik was 31 en op slag ver­liefd. Al snel gingen we samenwonen.
Zij gaf me het warme gezinsgevoel dat ik thuis nooit had gehad. Ik genoot ervan thuis te komen na een werkdag. Het was ge­zellig, we hadden het fijn. We kregen twee dochters. De jongste huilde veel. Ik kon daar niet tegen en voor ik het wist, reageerde ik dat af op mijn vrouw. Op een avond verloor ik mijn zelfbeheersing en trok ik haar aan haar haren door de woonkamer.

Spijt dat ik had. En toch bleef het niet bij die ene keer. Ik denk dat ik haar wel dertig keer geslagen heb in een paar jaar tijd. Soms had ze blauwe plekken, een keer een dikke wang. Dan schaamde ik me diep, maar het lukte me niet om het geweld te stoppen. Het gebeurde elke keer weer. En steeds nam ik me voor: dit was de laatste keer. Ik ben zo niet. Niet zoals hem. Ik wilde niet dat ik ook zo was, maar ik was het wel.

Op een dag kwam ik thuis van het werk en was ze weg. Samen met de kinderen. De sleu­tel lag op tafel. Dat is nu vijftien jaar geleden. Ik heb gehuild, ik heb haar gesmeekt, maar ik had te veel kapotgemaakt. Ze wilde me niet meer.

Dat vind ik erg, maar het doet me vooral verdriet dat ik in de ogen van mijn jongste dochter net zo’n klootzak ben als mijn vader. Ik hoop dat ze me ooit nog een tweede kans wil geven. Dat ze ziet dat ik mijn leven gebe­terd heb. Met mijn oudste dochter heb ik ge­lukkig wel contact.

Ik ben in therapie geweest en ben in gaan zien dat ik niet alleen dader was, maar ook slachtoffer van mijn verleden. Wie als kind geweld mee­maakt, heeft grote kans later ook zo te handelen.

Dat maakt dat ik milder naar mezelf kan kijken, maar toch schaam ik me nog.

Maar een handjevol mensen weet van mijn ver­leden. Maar op het werk of op het schoolplein zal ik het niet snel vertellen. Je hebt toch meteen een stempel.

Ja, ik ben opnieuw getrouwd en heb een zoontje met mijn tweede vrouw. Ik heb ze al­lebei nog nooit met één vinger aangeraakt en dat gaat ook niet gebeuren.

Het helpt me om als ervaringsdeskundige te werken met mannen die nu in zo’n zelfde si­tuatie zitten. Ik oordeel nooit, maar ik zeg ze wel de waarheid.

Want geweld maakt meer kapot dan je lief is.’

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Rudolf Steiner over nabootsing: alle artikelen

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2619-2453

.

.

.