VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-1/36)

.

tweelingen

.

Castor en Pollux waren tweelingbroers. Pollux heette eigenlijk Polydeukes; de Romeinen noemden hem voor het eerst Pollux. Deze naam draagt het sterrenbeeld nu nog en wij noemen hem ook zo.
De geboorte van de broers is door een wolk van geheimzinnigheid omgeven. Want Pollux ws een zoon van de vader der goden, Zeus. Daarom was hij onsterfelijk, Castor was de zoon van koning Tyndareos van Lakedemonië (Laconië). De vrouw van Tyndareos, Leda, schonk tegelijkertijd het leven aan beide zonen.
Castor en Pollux groeiden aan het hof van de koning als onafscheidelijke broers op. Beiden waren ze dapper en heldhaftig en bij alle lichaamsoefeningen waren ze zeer vaardig. Castor vooral bij het berijden en temmen van paarden, Pollux bij het worstelen. Beiden namen ze deel aan de tocht van de Argonauten, toen Jason met de vijftig beste helden van Griekenland met het schip Argo naar Kolchis voer om het Gulden Vlies naar Griekenland terug te halen. (Ram, schip Argo)
Omdat de helden wisten dat de tweelingbroers beschermd werden door Zeus, noemden men ze de dioscuren, dat betekent: de zonen van Zeus of van god.

De tweelingen verrichtten vele daden waardoor ze bekend en beroemd werden. Het ongeluk kwam naderbij toen ze verliefd werden op twee zusters, Phöbe en Ilaira. Hun vader, een priester van de god Apollo, gaf zijn dochters gaarne als vrouw aan de zonen van de koning. Maar bij de bruiloft in het paleis bleek tot ontzetting van iedereen, dat hij zijn dochters vroeger al eens beloofd had aan vrienden van de tweeling, aan Idas en Lynceus. Dus moesten de vrienden om hun bruid strijden en het onheil nam zo zijn loop.

Castor en Pollux verstopten zich in een holle boom. Lynceus, die met zijn scherpe ogen ook door boomstammen heen kon kijken, ontdekte ze echter. Zijn broer Idas wierp een speer door de stam en trof de nietsvermoedende Castor midden in zijn hart. Zonder een woord zakte hij in de armen van zijn broer in elkaar.
Toen kwam Pollux vol woede uit zijn verstopplaats te voorschijn en zocht de laffe speerwerper. Die werd door grote schrik overmand, net als zijn broer, toen ze Pollux in zijn razende woede aanschouwden en ze vluchtten weg. Maar Pollux haalde hen in en hij stak de wegvluchtende Lynceus van achter neer. Idas werd door een bliksemflits van Zeus terneergeslagen.

Vol treurnis stond Pollux bij de lichamen van de ontzielde vrienden, Zijn goddelijke toorn was over, nu zag hij slechts het gruwelijke noodlot. Met lood in zijn schoenen ging hij de weg terug. Toen hij naast zijn dode broer knielde, voelde het of hijzelf dood was. Er kwamen geen tranen en zijn gedachten waren nergens. De hemel, de aarde en zijn eigen hart, alles voelde leeg.

Pas ’s morgens, toen de duisternis van de nacht weer veranderde in licht, kwam hij weer tot zichzelf. Maar dat gaf weer opnieuw die pijn. Sterven wilde hij en het licht van de wereld verlaten om de ziel van zijn broer in de Hades te zoeken.
Toen dacht hij aan zijn vader en hij sprak: ‘Grote Zeus, machtige heerser, ze zeggen dat u mijn vader bent. Die ik moeder noemde, beloofde mij een eeuwig leven, net zo als de zalige goden in de hemel. Maar dat geldt voor mij nu niet meer. Hoe zou ik kunnen leven nu mijn broeder dood is. Wij zijn één. Wat moet ik zonder mijn broer tussen de schare goden. Ik zou wegkwijnen en ziek worden, bleek als mijn broer.
Daarom, wanneer u het kan, bevrijd Castor van de dood en schenk hem ook het eeuwig leven. Wanneer u er niet toe in staat bent, neem dan ook mijn goddelijk wezen, dat ik net als een mens, zoals hij, sterven kan en bij hem kan blijven.’
De hemelse Zeus die deze woorden van zijn geliefde zoon vernam, werd door medelijden gegrepen. Want nooit tevoren had een broer zo’n diep verdriet gevoeld voor de andere. Maar hij kon zijn zoon niet de onsterfelijkheid afnemen, maar ook niet laten sterven. En toen liet hij hem door Hermes in een droom een boodschap geven dat hij afwisselend met zijn broer een dag in de hemel en een dag in het rijk van de schaduw mocht zijn, voor eeuwig samen.
Vol geluk hoorde Pollux in zijn droom dit bericht aan en hij werd nooit meer wakker. Want nog in zijn slaap verhief zijn ziel zich op vleugels weg van zijn aardse lichaam naar de Hades toe om daar zijn broer te zoeken en hem te verkondigen wat de goden hun hadden toegestaan.
Sindsdien kunnen wij het sterrenbeeld van de Tweelingen zien, hoe het afwisselend aan de nachtelijke hemel oplicht en dan in de Hades, d.w.z. onder de horizon, in het rijk van de schaduw afdaalt. Op deze manier zijn de broers door de grote liefde van hem die de goddelijke kracht in zich droeg en afzag van zijn eigen zielenheil, voor eeuwig broederlijk verenigd.

No                                                                    o                                                                 Zo
dec.   1  24°°u                                        jan.  1  22°°u                                   febr. 1  20°°u
15 23°°u                                                15 21°°u                                            15 19°°u

De Tweelingenklimmen in de avonduren in december in het oosten omhoog. Ze staan in januari in het zuidoosten en in februari in het zuiden waar je ze dichtbij het zenit moet zoeken.

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2767-2596

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme en angst

.
Dr.med. Olav Titze, Weledaberichten 142, september 1987
.

DE ANGST EN HET RITMISCHE SYSTEEM VAN DE MENS

.

De angst als psychisch verschijnsel heeft ook een lichamelijke grondslag waarmee de arts zich bezig moet houden. Het menselijke organisme vertoont drie verschillende functiegebieden: een zenuwzintuigsysteem dat voor het bewustzijn dient, een stofwisselingsledenmatenstelsel, dat diep in het onderbewustzijn het instrument voor de levensprocessen en de beweging is en een derde, tussen die beide systemen bemiddelend systeem, nl. het ritmische systeem met het ritme van de pols en de ademhaling. De angst wordt in het middelste systeem beleefd.

Dit ritmische systeem is uiterst gevoelig zowel voor lichamelijke als voor psychische onevenwichtigheid. Schrik doet de adem stokken, angst snoert de keel dicht, zodat de mens zich niet meer kan uiten. Vreugde, maar ook angst laten het hart sneller kloppen. Bij astma wordt de uitademing, door een volle maag het inademen bemoeilijkt. Acuut gebrek aan zuurstof versnelt de ritmen en veroorzaakt in het psychische gebied angst. Iets dergelijks gebeurt bij de inwerking van grote hitte. Het heldere waakbewustzijn van het centrale zenuwstelsel wordt tot een dromend voelen in het ritmische systeem
gereduceerd. Elke versterking van het bewustzijn in dit gebied zoals door pijn of kramp is een signaal voor ziekte.

De waarnemer daarvan is de mens zelf, of beter gezegd zijn zielenkern, het ik. Alleen neemt hij in dit geval niet de buitenwereld waar door de daarvoor bestemde waarnemingsorganen maar zijn eigen binnenste. De hiervoor dienende innerlijke waarnemingsorganen, die in de fysiologie receptoren heten, oefenen hun functie, als de mens gezond is, altijd onder de drempel van het waakbewustzijn uit en leveren alleen maar een dromend voelen op. Zoals hierboven beschreven kan dit voelen als psychisch verschijnsel zich bijvoorbeeld tot angst verdichten. De lichamelijke verschijnselen kunnen hierbij verschillend zijn. Het bloed kan hevig naar het hart stromen zodat dit sterker moet kloppen of – als dit niet meer voldoende is – wordt het ritme van hart en pols versneld.

In het andere geval beïnvloeden gedachten en zintuigindrukken via de zenuwfuncties en de ademhaling het hart. Er ontstaat benauwdheid. De uitademing gaat stokken en wordt krampachtig. Het is als een stroom van koude, die vanuit het hoofd ten slotte ook het hart en de bloedvaten met een soort van krampen doordringt en doet verstarren. In de ziel wordt angst beleefd. Vanuit het gezichtspunt van het beleven van angst in het ritmische systeem van de mens zijn er dus twee voorwaarden waardoor angst kan ontstaan: het stofwisselingssysteem, dat de wil en de emoties overbrengt, kan via het bloed te sterk het ritmische systeem beïnvloeden of de door het zenuw-zintuigstelsel overgebrachte bewustzijnsprocessen storen het ritmische systeem, eerst de ademhaling en ten slotte ook het ritme van het hart. De arts kan proberen de oorzaken van de angst met geneesmiddelen te bestrijden maar een wezenlijk hulpmiddel is natuurlijk ook het gesprek, dat tot doel heeft de oorzaken van de angst te verwerken. Dit is de taak van psychologen, artsen of zielzorgers, kan echter bij gelegenheid ook gebeuren door een vertrouwenspersoon, die de tijd ervoor neemt om te luisteren en te helpen. Ten slotte willen wij nog de mogelijkheid van een kunstzinnige therapie noemen. Daarbij gaat het eigenlijk niet om een therapie door de kunst, maar er wordt geprobeerd om met de middelen van de kunsten via het ritmische systeem de andere systeemfuncties te beïnvloeden. In de ritmische bewegingstherapie, de heileurythmie, kan de uit het stofwisselings-ledematensysteem opdoemende angst tot in haar lichamelijk functionele basis worden opgelost. In de muzikale therapie kan door het bespelen van verschillende instrumenten tussen het ritme van ademhaling en bloedsomloop en het zenuw-zintuigstelsel (het gehoor) evenwicht scheppend worden ingegrepen. Bij de schildertherapie zijn het de subtiele “ademhalingsprocessen” tussen de waarneming en het actieve nabootsen en uitwerken van wat is waargenomen, die met elkaar in harmonie kunnen worden gebracht. Zowel de overweldiging van de zintuigen door onverwerkte en ten slotte angst veroorzakende indrukken als ook de uit het stofwisselingssysteem opkomende ademhalings- en polsritme verhevigende invloeden zijn dus steeds open voor een kunstzinnige therapie.

leder weet, dat de angst elke activiteit verlamt. Door de kunstzinnige therapieën wordt een weg geopend die de mens via een als het ware speelse bezigheid weer tot een bezielde aanpak van zijn eigen lichamelijk bestaan en van zijn omgeving leidt. Hij leert om meer psychisch-geestelijk adem te halen. De behandeling met medicamenten wordt op die manier zinrijk gesteund.

2766-2595

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-1/22)

.

de zwaan

.

Met deze hemelse zwaan die in heldere zomernachten een van de mooiste sterrenbeelden is, hebben de oude Grieken verschillende legenden verbonden.
In een ervan is het de vader van de goden, Zeus zelf, die de gedaante van de zwaan aannam en tot het einde van de wereld vloog om zich daar met Nemesis, dochter van de godin van de Nacht, te verbinden.
Want Zeus was boos geworden op het hoogmoedige geslacht van de Griekse Helden en hij had besloten ze door een grote strijd te vernietigen. Aanleiding tot deze strijd zou een beeldschone vrouw moeten zijn en Zeus wilde haar zelf in het leven roepen. Daarbij zou alleen Nemesis hem kunnen helpen, de godin van de wraak, die in de donkere diepte van Okeanos bij haar moeder, de godin van de Nacht, woonde.
Daarheen begaf de almachtige Zeus zich, aan wie de zee, de aarde en de hemel toebehoren. Alleen hij mocht het gebied van de Nacht en haar dochter betreden. Zo kwam hij aan bij Nix, de godin van de Nacht en eiste Nemesis, haar dochter, voor zich op. ‘Hoed je voor mij, Nacht en denk eraan hoe ik je broers, dat Titanengebroed, met mijn bliksems gegeseld heb en in de Tartaros geworpen. Daar zie je hen die voor eeuwig vastgeklonken zijn, jammeren. Ook jij stamt uit de Chaos die ik verfoei. Wanneer mijn brandende stralen tot in jouw duisternis doordringen, is dat om jou. Ik zou je aan de hemel vast willen klinken waar die het helderst is, zodat je door het licht verteerd wordt. Geef me je dochter, geef me Nemesis uit je duistere onderkomen! Anders moet ik je paleis in stukken breken. Wanneer je dochter echter aan mijn wil gehoorzaamt, dan beloof ik haar een gouden zetel in de kring van de goden. Want wie eens aan mijn zijde gerust heeft, wordt de hoogste eer deelachtig.’
Bevend zweeg de Nacht, hoewel ze heel boos was en haat voelde. Rillingen van afschuw trokken door haar heen, toen ze aan het lot van haar broeders dacht. De onschuldige Nemesis had de twist over haar gehoord en ze sprong van haar troon op en haastig vluchtte ze onder de dekmantel van de nacht. Om te maken dat niemand haar zou herkennen, had ze zich door zwarte toverkunst in een wilde gans met grauwe veren veranderd. Zo vloog ze gehaast door de luchten tot aan het einde van de aarde waar de stromen van de Hades ijzig in het dodenrijk stortten. Geen mens herkende haar, alleen Zeus met zijn alles doordringende ogen ontdekte de vluchtende vogel. Hij doorzag de listige misleiding, veranderde zijn sterke ledematen snel in een zwaan en spreidde zijn vleugels wijd uit. Met machtige vleugelslagen vloog hij achter de vluchtende Nemesis aan en doorkliefde in vliegende vaart de luchten, tot zij hem aan het einde van de aarde niet meer ontlopen kon. Toen liet Zeus zich op het bange wezen vallen en de verblindende zwaan werd één met haar. 

De zwaan verhief zich hoog in de lucht en riep: ‘Je gemaal, o Nemesis, was Zeus, de heerser van de hemel. Het ei dat je schoot zal verlaten, moet je bij Leda brengen, de gemalin van koning Tyndareos. Daar zullen Helena en Polydeukes als jouw kinderen uit het ei kruipen en Leda zal ze met Castor en Klytaimnestra die op hetzelfde uur als jouw kinderen geboren worden, samen opvoeden.’

Toen hij dit gezegd had, verhief de zwaan zich hoog in het nachtelijk duister en verdween., 
Alles gebeurde zoals Zeus het eerder had gezegd. Nemenis bracht het ei bij Leda, toen zij sliep. Toen verscheen ze aan de koningin in de gedaante van de oude min en ze herinnerde zich de zwaan die haar maanden eerder liefkozend had verblind. Toen Leda wakker werd, vond ze vol verbazing het grote ei naast zich. Het was juist de tijd van haar bevalling. Terwijl ze een zoon en een dochter, Castor en Klytaimnestra ter wereld bracht, brak de schaal van het zwanenei. Daarin lagen de goddelijke kinderen Polydeukes en Helena. Leda voedde alle vier de kinderen als waren die van haar, op. Castor en Polydeukes werden grote vrienden (sterrenbeeld Tweelingen) en om de knappe Helena ontbrandde de Trojaanse oorlog, zoals Zeus het gewild had.
De prachte Zwaan aan de hemel herinnert ons tot vandaag aan deze legende over Zeus.

No                                                                    o                                                          zo
juni   1    1°°u*                                       juli   1  23°°u*                            aug.   1  21°°u*
15  24°°u*                                             15  22°°u*                                    15  20°°u**zomertijd

Het sterrenbeeld Zwaan vinden we makkelijk, wanneer we de zgn. ‘zomerdriehoek’ zoeken dat in de zomermaanden door de sterren Vega (in de Lier), Altair (in de Adelaar) en Deneb (in de Zwaan) gevormd wordt. In juni vinden we de Zwaan meer in het noordoosten, in juli zoals hierboven en in aug. hoog in het oosten, bijna in het zenit, en dat aan de avondhemel om 22u, zomertijd.

De namen van de sterren betekenen:

Deneb (Arabisch) = staart, afgeleid van danab
Gienah (arabisch) = vleugel, afgeleid van ganah
Sadir (arabbisch) = borst, afgeleid van sadr

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2765-2594

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Hemelvaart (32)

.

Dieuwke Hessels postte dit artikel in de Facebookgroep ‘Vrijeschool’: (april 2022). Hier gepubliceerd met toestemming van de schrijfster.

.

In de wolken met Hemelvaart [ antroposofie
inspireert] 5 mei 2021
Hemelvaart is die vrije donderdag die lekker
uitloopt in een lang weekend. Een perfecte
dag om aan de slag te gaan in de tuin, met
heel veel anderen een bezoek te brengen aan
de geel met blauwe meubelwinkel en een
klusdag bij uitstek.

Tekst en beeld: Daan Rot
De bomen zijn weer lekker frisgroen, bloemen fleuren de wereld op, de vogeltjes zijn druk in de weer en zelfs de zwaluwen zijn weer in het land.
Het is langer licht en we genieten van de ‘met zonder jas’-dagen.
Maar waarom zijn we vrij en wat vieren we eigenlijk?
Ik schets even een tijdslijn om Hemelvaart goed te plaatsen in de Christelijke
feesten; tussen Aswoensdag (de eerste dag van de vastentijd) en Pasen zitten veertig dagen, tussen Pasen en Hemelvaart zitten ook veertig dagen. Omdat Pasen altijd op een zondag is, is Hemelvaart altijd op een donderdag. Aswoensdag, Pasen en Hemelvaart vormen samen een eenheid.
Hemelvaart is het afsluitende feest van de Paascyclus. Tien dagen na Hemelvaart is het Pinksteren.
Ik leerde de kinderen ‘AsPaHePi’ als ezelsbruggetje! As(woensdag)Pa(sen)He(melvaart)Pi(nksteren) Ze weten nu precies welke feesten wanneer zijn en de bijbehorende verhalen worden vanaf nu op volgorde verteld. AsPaHePi is ons nieuwe jaarfeestenwoord.
Met Pasen herdenken we dat Jezus is gestorven en uit de dood is opgestaan. Hij verschijnt in de periode tussen Pasen en Hemelvaart aan zijn leerlingen om hen te onderwijzen. Op Hemelvaart toont Jezus zich voor de laatste keer aan zijn discipelen. Hij zegent hen en geeft hen de opdracht om op zendingspad te gaan en stelt hen gerust door de Heilige Geest aan te kondigen die altijd bij hen zal zijn en hen zal bij staan. De discipelen zien hoe een wolk hem opneemt en Jezus zich bij zijn Hemelse Vader voegt. Met Pinksteren daalt de Heilige Geest uit de wolken neer.

Dauwtrappen

In de wolken zijn, een hemels gevoel, blij en gelukkig zijn … dan zie ik al snel een dansend kind op blote voeten in het gras. Een oud gebruik op Hemelvaart is dan ook het dauwtrappen.
Oorspronkelijk een onderdeel van het meifeest in de voorchristelijke tijd waarbij de Germanen de wederopbloei van de natuur vierden. Dat gebeurde niet bij het krieken van de dag. Al om drie uur ‘s nachts stond je op om op blote voeten in de Heilige Wouden te wandelen, te dansen en te zingen om de voorvaderen te
eren. Dit zou een magische en helende werking hebben.
Dit gebruik houdt weer verband met de latere processies van de Katholieke kerk.
In de negentiende eeuw trok men in Amsterdam de stad uit en de velden in met lekkers voor onderweg; rozijnen, vijgen, krakelingen en een straffe borrel. Het was een vroege wandeling, want men zat om negen uur weer keurig in de kerk voor de mis.
In Rotterdam moesten de langslapers trakteren op Hemelvaartbollen.
Wij doen niet ieder jaar aan een potje dauwtrappen, de kinderen zijn inmiddels langslapers. Er worden genoeg natuurexcursies en wandelingen georganiseerd, maar we gaan er liever gewoon met ons zessen en de hond op uit voor een tocht door het bos, over het strand of we trekken de polder in. We gaan op zoek naar paardenbloemen om de pluizenbollen weg te blazen en ik steek een bellenblaas in mijn zak. De bellen maken een symbolische hemelvaart en we worden vanzelf stil.
Het dauwtrapontbijt is dan meestal een dauwtrapbrunch geworden. En als heuse Rotterdamse langslapers, kunnen de Rotterdamse Hemelvaartbollen niet ontbreken. We maken een extra portie van het deeg om
traditioneel ook wat bollen uit te delen.

De Hemelvaart van Jezus Christus [Juul van der stok]

Met Pasen herdenken we dat Jezus Christus is gestorven en uit de dood is opgestaan. Volgens de Bijbelteksten van het Nieuwe Testament was Jezus daarna nog veertig dagen bij zijn leerlingen, en hij ging door met hen te onderwijzen. Op de dag van zijn Hemelvaart zegende hij hen en “nadat Hij dit
gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok hem aan hun ogen.” (Handelingen der Apostelen 1:9).

Je stelt je voor dat Jezus langzaam wegzweeft en dan achter een wolk verdwijnt, precies zoals je het op oude schilderijen kunt zien. Hij verlaat dan dus de aarde, gaat van ons weg.

Hemelvaart = Aardevaart

Volgens Rudolf Steiner heeft Jezus Christus de aarde helemaal niet verlaten- integendeel. Hij breidde zich juist uit, werd groter en groter en werd één met de hele aarde. Ik vind deze visie niet heel gemakkelijk te begrijpen, maar ik stel me hierbij voor dat de energie van Christus eerst nog geconcentreerd was in zijn opstandingslichaam, dat heel veel leek op zijn gewone lichaam van toen hij
nog leefde. Tijdens de Hemelvaart verspreidde zich zijn energie en stroomde langzaam uit over de hele aarde, werd één met alle energieën die er hier zijn. Een ultieme verbinding met de aarde en alles wat erop leeft, ook met alle mensen.

Hemelvaart vieren met kinderen

Hemelvaart valt altijd in de uitbundige bloesemtijd van de lente, en dat sluit mooi aan bij de betekenis.
De aarde krijgt nieuwe energie en ontwikkelt zich. Op de dag zelf gaan veel mensen dauwtrappen, en dat is een mooie manier om het feest te vieren. Dat kun je ook als gezin goed doen. Je staat op met zonsopgang en gaat met picknickmand en al naar buiten om de natuur op te zoeken. Overal vind je
jong groen, bloesems, dieren die zich weer laten zien in de lente. Je hoort de vogels zingen, je ruikt de frisheid van het seizoen. Ik ben zelf vaak verbaasd hoe heerlijk je je gaat voelen simpelweg door te zien, voelen en horen wat er allemaal gebeurt in de natuur op deze dag. Ik voel me dan meestal als herboren- en sluit dat niet prima aan bij Hemelvaart?

Dauwtrappen op Hemelvaartsdag 14 mei 2020

Met Hemelvaartsdag stappen velen van ons al héél vroeg in de ochtend op de fiets of maken voor de zon opkomt een lange wandeling. Dan gaan we ‘dauwtrappen’ in de natuur die bezig is te ontwaken …
Maar waar gaat Hemelvaart eigenlijk over? We zijn vandaag de dag minder goed bekend met religieuze tradities. Toch staan we misschien dichter bij de spirituele inhoud van dit feest dan we denken.

Tekst: Tineke Croese

Hemelvaart vieren we veertig dagen na Pasen. De datum is afhankelijk van de paasdatum, die elk jaar anders is. Omdat Pasen altijd op zondag valt – soms in maart, maar meestal in april – valt Hemelvaart altijd op donderdag, meestal in mei en soms in juni. Sommigen denken dat deze feesten ‘bedacht’ zijn door het christendom. Niets is minder waar. Ook de voorchristelijke natuurreligies vierden deze feesten, gekoppeld aan bepaalde vaste momenten in het jaar in de natuur. Die werden later omgevormd en in de christelijke feesten voortgezet.

Lente in aantocht

Om de achtergronden van Hemelvaart te begrijpen, moeten we eerst een rondje door het jaar maken.
Nu het maart is, is de winter nog maar net (of nog net niet) voorbij. Het is dus niet moeilijk om je de natuur in wintertijd voor te stellen: de nadruk ligt op het levenloze, het minerale. Bomen en struiken steken hun kale takken skeletachtig in de lucht, de aarde is onbedekt. Het traag stromende water verstart soms tot ijs. Maar in maart merk je ook dat de lente in aantocht is: de sappen in de bomen en planten gaan weer stromen, de zonnewarmte brengt het water in beweging. Dat water zorgt ervoor dat de kale winterse aarde in april een levende omhulling krijgt van frisse, groene planten.
Een tweede levende omhulling volgt later in de zomer, als de zon ook de lucht om de aarde heeft verwarmd en bijen, vlinders, en andere insecten zich thuis voelen in die warme lucht vol bloemengeur en stuifmeel. Tegen de herfst balt alle zonnewarmte zich samen in het zaad of laait op en stroomt uit in de vuurkleuren van de herfstbladeren. In de kringloop van de seizoenen komen de vier elementen om de beurt naar voren: de minerale aarde, het stromende water, de ijle lucht en de vurige warmte.

Water

In één periode in het jaar – in mei, wanneer de late lente overgaat in de vroege zomer – treedt een samenspel van de elementen op. De warmte van de zon laat het water in rivieren en meren verdampen. Onzichtbaar stijgt het water op om pas hoog in de koudere luchtlagen opnieuw zichtbaar te worden als wolken aan de hemel. Uit die wolken valt de meiregen die de aarde doordrenkt en
vruchtbaar maakt, en de rivieren vult… De kringloop van het leven wordt in stand gehouden door de kringloop van het water, dat in mei zijn eigen hemelvaart begint.
Hoe belangrijk dit natuurproces is, is voor ons nog maar moeilijk na te voelen. Wij vinden het normaal dat al ons voedsel in de supermarkt te koop is. Voedselschaarste kennen we al decennialang niet meer. Maar als je direct afhankelijk bent van de opbrengst van je akkers, dan is het samenspel van zonnewarmte en aarde, van wolken en water van levensbelang, want het bepaalt of er hongersnood zal zijn of overvloed. Wolken en water vormen het zichtbare deel van een wereldomspannend geheel van levenskrachten dat een grote rol
speelt bij de voortgang van het leven.
In de voorchristelijke natuurreligies beleefden de mensen dit geheel van beweeglijke en veranderlijke levenskrachten als vrouwelijk. Ze personifieerden dit levensgeheel als de leven schenkende ‘godin’, die vooral in mei werd vereerd.

Elementen

Hemelvaart valt niet toevallig in mei. Dit feest heeft te maken met het levensgeheel dat vroeger de ‘godin’ werd genoemd. Om dit te duiden, moeten we even terug naar het lentefeest Pasen. Bij de oude lentefeesten vierden we dat de natuur opnieuw tot leven kwam en de opstanding van Christus die een
overwinning is op de dood. Het christelijke lentefeest Pasen richtte zich op het vergaan en ontstaan in de vergankelijke natuur. Christus liet zien dat wij een kern in ons dragen die niet vergankelijk is, maar eeuwig en onsterfelijk.

Terug naar Hemelvaart.
Volgens de Bijbel bleef Christus na zijn opstanding nog veertig dagen in een
fijnstoffelijk lichaam bij zijn leerlingen, om hen dan opnieuw te verlaten. De leerlingen zagen dat Christus werd opgenomen ‘op de wolken van de hemel’, maar konden hem in dat element niet meer waarnemen. De Bijbel beschrijft ook dat Christus opnieuw zal verschijnen ‘op de wolken van de hemel’, dus in hetzelfde element waarin hij onzichtbaar werd.
Ik denk dat dit een metafoor is voor het geheel van uiterst fijne, beweeglijke en veranderlijke levenskrachten dat met de aarde verbonden is, hetzelfde geheel dat in de oude natuurreligies de ‘godin’ genoemd werd. De Keltische christenen uit
het vroege christendom bezaten een grote gevoeligheid voor de wereld van de elementen. Zij beleefden Christus als een levende kracht in wolken, water en wind. Daarom noemden zij hem de ‘Heer van de elementen’.
Met Hemelvaart ging Christus op in de fijnere elementen, begon hij verder te werken vanuit een onstoffelijke wereld vlak achter de stoffelijke. In onze tijd blijken steeds meer mensen ontvankelijk voor die onstoffelijke wereld. Daarom denk ik dat Hemelvaart niet meer gaat over het ‘verdwijnen’ van Christus in het onstoffelijke, maar juist over zijn ‘verschijnen’ daarin. Over de mogelijkheden die wij zelf hebben om door te dringen tot de wereld achter de stof waarin Christus aanwezig is.

Dauwtrappen

Traditie op Hemelvaartsdag is vandaag de dag het zogeheten ‘dauwtrappen’: heel vroeg opstaan, nog voor de zon opkomt, om een lange wandeling te maken in de natuur die bezig is te ontwaken. Wie dat weleens heeft gedaan – al dan niet met Hemelvaart – weet dat de dingen er zo vroeg in de ochtend heel anders, veel zuiverder uitzien dan later op de dag. Misschien zijn je zintuigen op dit ongewone tijdstip scherper dan anders. Maar misschien laat je door het ongewone tijdstip ook eerder je vaste voorstellingen los over hoe de dingen er volgens jou uit horen te zien. Dit is ook een voorwaarde om het stromende, beweeglijke geheel van de elementen en de levensenergie te kunnen beleven.
Bij dauwtrappen is het tijdstip ongewoon. Je kunt ook kiezen voor een ongewone locatie: zo ziet alles er vanaf het water ook weer heel anders uit. Ook het volgen van de beweeglijke vormen van water of de grillige vormen van de wolken zorgen ervoor dat je losser komt te staan tegenover de stoffelijke wereld. Door die gewone werkelijkheid met andere ogen te zien, stel je je open voor de onstoffelijke werkelijkheid erachter. Hemelvaart is: bewustwording voor die onstoffelijke, spirituele werkelijkheid.
Dat maakt Hemelvaart tot meer dan een feestdag in het jaar. Hemelvaart is een levensinstelling voor élke dag van het jaar.

Antroposofie en het kind

Hemelvaart vindt 40 dagen na Pasen
plaats. Christus wordt in het
Lucasevangelie op een wolk omhoog
gedragen naar de hemel. De wolk is
dan ook het symbool voor Hemelvaart.
Wolken hangen tussen de hemel en de
aarde in en zijn daardoor het symbool
van die verbinding.

In de middeleeuwse kunst vinden we mooie afbeeldingen van de Hemelvaart. Zo’n afbeelding kan tegen een achtergrond van goudkarton boven de seizoentafel hangen. Verder ligt er op de seizoenstafel een groene lap met in een vaasje een
veldboeketje en liggen er eventueel gouden sterretjes als symbool voor de hemelkracht gestrooid.

Spiritueel gezien is Christus boven het waarnemingsvermogen van de discipelen en volgelingen uitgegroeid.
Hij is echter niet weg van de aarde, maar werkt als “hemelkracht ”of lichtbrenger op aarde. Die kracht kunnen we in onszelf voelen; veel mensen kunnen Christus in hun hart als liefde ervaren of zich verbinden met zijn Goddelijke kracht.

Het is leuk om met kinderen naar de wolken te
kijken en te fantaseren wat ze voorstellen, vooral
omdat er in de periode rond Hemelvaart vaak
opvallende wolkenformaties te zien zijn. Het is ook
erg leuk om op Hemelvaartsdag naar buiten te gaan.
Helemaal bijzonder is het als je bij zonsopkomst op je blote voeten gaat dauwtrappen.
Kinderen vinden dit geweldig!

Ook paardenbloemen pluizen blazen,
zien waar de zaadjes zich naar toe begeven….
En daarmee een wens de wolken inblazen…
Of gevonden veertjes van je hand afblazen.
Wat een prachtig moment om daar, buiten, een veertje
te vinden [betekent voor velen dat de engelenwereld
nabij is.

Pasen, Hemelvaart, Pinksteren: ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. We kennen Hemelvaart natuurlijk van het dauwtrappen, maar wat betekent het feest eigenlijk? Ik onderzocht het en ontdekte dat Rudolf Steiner een heel mooie visie had op Hemelvaart, die heel anders is dan ik vroeger heb geleerd.

Door: Fred

Met Hemelvaart herdenken we dat
Christus, veertig dagen na zijn
opstanding uit het graf, van de aarde
opsteeg naar de hemel. De apostelen
zagen hoe een wolk hem opnam en
hem aan hun ogen onttrok. Sindsdien
heet het dat Christus vanuit
‘ “wolkenhoogten“ met ons is tot aan
de voleinding der wereld’.
Een opmerkelijk beeld is dit. Christus is,niet tot in de hemel gegaan, niet tot
naar zijn oorsprong, maar in de ruimte tussen hemel en aarde gebleven: op wolkenhoogten.
Bij Johannes de Doper vinden we een soortgelijke beeldspraak. Toen hij Jezus in de Jordaan doopte zag hij “de hemel openscheuren”
Een tussenruimte werd gevormd, van waaruit een lichtende duif naar beneden daalde. Je kunt je afvragen wat we ons daarbij moeten voorstellen, bij wolkenhoogten en tussenruimte.
Wolken ontstaan, zoals bekend, in een samenspel tussen zon en aarde. Zonnewarmte doet water tot wolken verdampen. Hieruit valt op den duur regen, sneeuw of hagel naar beneden. Vervolgens vloeit het water dat op het vasteland is gevallen door rivieren weer terug de zeeën in. Deze kringloop van de inwerking van de zon op zeewater, wolken, regenwater boven vasteland, rivieren die het terug laten vloeien, kun je beschouwen als het levende organisme van de aarde. Zonder deze kringloop is leven op aarde niet mogelijk. Waar alleen de zon schijnt, verschroeit het leven. Waar de zon nooit schijnt, kan niets groeien.

Laten we nu eens bij onszelf kijken, in onze binnenwereld. Daar kunnen we ook een hemelse en een aardse kant ervaren. Om onze hemelse kant te zien, onze goede eigenschappen, kost ons meestal weinig moeite, maar het aardse in onszelf te erkennen valt niet mee. We kijken liever de andere kant op, weg van onze aardse schaduw, richting de zon. Voor het afdalen in onszelf is moed nodig.
Bijna iedereen spreekt schande van corruptie, criminaliteit en oorlogsmisdaden, maar in feite zijn wij tot dezelfde dingen in staat. In ieder van ons schuilt de dief en de moordenaar. Dit in te zien vraagt het uiterste. We zijn gewend nogal positief over onze eigen innerlijke motieven te denken. Daaraan ontlenen we over het algemeen ons zelfbewustzijn. Wanneer het ons echter lukt “het slechte“ in onszelf te erkennen, en we het accepteren als een deel van ons wezen, dan zijn we bezig tussenruimte te creëren. Die tussenruimte is onze verbinding van het
aardse met het hemelse. Het is een gebied op zichzelf waarin het wezenlijke zich openbaart. Dit uit zich in een mildheid jegens onszelf en jegens anderen. Vanuit die mildheid oordelen we niet zo snel meer over anderen, want we weten hoe we zelf zijn.
Oscar Wilde heeft eens gezegd:

Een zondaar en een heilige zijn dezelfde mensen; alleen heeft de heilige een verleden achter zich en de zondaar een toekomst voor zich.

Met andere woorden, we kunnen als mens pas tot het hemelse, het goede komen door eerst in onze eigen hel af te dalen.
In verkleinde vorm ervaren we dit bij ziekte of lijden. Wanneer we hersteld zijn of ons gelouterd voelen, ervaren we onszelf lichter en beter dan ervoor. Alsof iets binnenin ons, een ziektekiem, een stukje duisternis, zich heeft vrijgemaakt en is losgekomen. Voorwaarde is overgave aan de ziekte, aan het lijden. Ofwel, erkenning en acceptatie van de kleine hel in onszelf.
Met die veroverde mildheid zullen we een ander nu anders tegemoet treden. We creëren ruimte tussen ons en de ander, een vrije ruimte. Die ontstane ruimte kun je zien als een oordeelsvrij gebied tussen mij en de ander. Zeg maar een uitwisselingsgebied, zonder beperkingen. Dit nu zorgt voor het wezenlijke in de ontmoeting, en niet zozeer mijn eigen ik of dat van de ander. Daar, in die
tussenruimte, is plaats voor begrip. Wat deze tussenruimte kenmerkt is aandacht en vrijheid. Eerbied, zullen sommigen zeggen. Aandacht voor de ander, met tegelijkertijd een terughouden van onszelf.
Je merkt dan hoe een vonk kan overslaan, hoe licht en ruim alles wordt, op het zorgeloze af. Alles kan, alles is mogelijk, in dat ene moment. Er worden geen claims gelegd, geen verwachtingen gedacht of uitgesproken. Elk oordeel of vooroordeel ontbreekt. De inzichten stromen binnen. Hier gebeurt het, zo voelen we, hier ontstaat echte interesse voor de ander, voor onszelf, voor al wat leeft en wil groeien.

Er is een verhaal van Goethe, Het
sprookje van de groene slang en de
lelie. Hierin ontmoeten de koning
en de slang elkaar. De koning is het
beeld voor het hoogste, de slang
voor het laagste in de mens. Maar
de slang beschikt over een voor de
koning onbereikbare schat: het
goud. Het goud staat hier voor de
geestelijke inwijding. Er ontstaat het
volgende tweegesprek:
Waar kom je vandaan???
Uit de onderaardse gangen, waar
het goud zich bevindt, zei de slang. Wat is heerlijker dan goud? vroeg
de koning.
Het licht, antwoordde de slang.
Wat is verkwikkender dan licht? vroeg de eerste.
Het gesprek, zei de slang.
Heerlijker dan het goud is het licht, zegt de slang, de openbaring van
de waarheid, de werkelijkheid. Het licht in de duisternis. Maar de
koning vraagt verder en wil weten wat verkwikkender is dan licht.
Het gesprek, zegt de slang, hetgeen betekent: de wezenlijke ontmoeting
tussen mensen waarbij gevraagd, geluisterd en verteld wordt. Het
goud van de ervaringen komt daar samen met het licht van de
inzichten. Dit met een ander te delen tilt je op, verkwikt je alsof je
elk moment opnieuw geboren wordt.

Laten we even teruggaan naar Hemelvaart. Deze vindt plaats veertig dagen na Pasen; carnaval veertig dagen ervoor. Hemelvaart is zodoende in de tijd de spiegeling van carnaval om het paasfeest heen. Bij carnaval werden we ons bewust van het feit dat onze aardse persoonlijkheid slechts een masker is dat
het hemelse, het geestelijke, omsluiert. Met Pasen gingen we door de dood van dit masker heen en ontwaakten we tot het geestelijke leven. Met Hemelvaart nemen we het donkere aardse vol bewust mee op naar omhoog, naar het licht. Zoals de hele natuur in deze periode naar boven reikt, met uitbundig bloeiende planten en voor het eerst volop in het groen staande bomen.
Daarboven, in het licht, daar wordt de duisternis omgewerkt. Niet door het af te stoten, maar door het te erkennen, door het lief te hebben. Dit licht, dat duisternis in zich opneemt, is liefde.

Uit: Fred Tak ABC Kinderboeken – welkom (abc-antroposofie.nl), uitgeverij Christofoor, september 2017

Bellenblazen is leuk voor jong en oud… Het is mooi om die
prachtig gekleurde bellen zo langzaamaan op te zien stijgen,
maar soms gebeurt het dat ze erg snel uit elkaar spatten. Om dat
te voorkomen moet je een goed sopje hebben, bijvoorbeeld van
Driehoek vloeibare zeep.

Een pijpenkopje van een Bellen blazen (kleipijp.nl

In grootmoeders tijd gebruikte men stenen pijpjes
voor het bellenblazen. Goudse pijpen worden nog steeds gemaakt op
traditionele wijze in de pijpenmakerij ‘De Goudse Pijp’, in Schoonhoven (recentelijk verhuisd vanuit Gouda).
Je kunt in ‘De Goudse Pijp’, met je kinderen, zelf pijpjes maken,
en ook kant-en-klare pijpjes kopen.

Maar je kunt ook een gereedschapje maken door van ijzerdraad een ringetje met handvat te vormen, op dezelfde manier als aangegeven hieronder, onder ‘Blaasgereedschap maken voor grote bellen.’

Blaasgereedschap maken voor grote bellen

Nodig:
• IJzerdraad
• Kniptang
• Stevig tape of iets dergelijks voor het handvat
• 2 rietjes
• Dik katoendraad met een lengte van ongeveer 70 cm.

Met het ijzerdraad maken we ringen en eventueel andere vormen. We draaien de uiteinden van het ijzerdraad tot een handvat. Maak kleine en grote exemplaren zodat de kinderen meer experimenteermogelijkheden hebben. Als we tape om het handvat wikkelen voorkomen we dat het ijzerdraad in de handjes prikt.
Voor een ander bellenblaasgereedschap halen we katoendraad door 2 rietjes. De uiteinden van het draad knopen we aan elkaar vast.

Grote bellen blazen
Wil je wat experimenteren met grote bellen, dan is het belangrijk dat het zeepsop een optimale samenstelling heeft, zodat de bellen wat steviger worden.
Wat heb je nodig voor een extra goed sopje?
• 200 ml afwasmiddel. Gebruik de meest simpele: zonder citroengeur of ingrediënten voor zachte handen.
Of gebruik Driehoek vloeibare zeep.
• 700 ml water. Het beste is zacht water, bijvoorbeeld regenwater of
gedemineraliseerd water, deze is verkrijgbaar bij de drogist. (door de
aanwezigheid van kalk in het water spatten de bellen nl. wat sneller uit elkaar.)
• 100 ml glycerine (drogist)
• Eventueel een scheutje schenkstroop zoals maïsstroop om de bellen nog steviger te maken.
Mocht je meer sop nodig hebben, maak dan een veelvoud hiervan in dezelfde verhouding.
Roer de ingrediënten rustig door, tot een homogeen mengsel ontstaat, en laat het de hele nacht zonder deksel staan.

En dan. . .
• Giet het sop in een lage schaal, een pizza pan, of bijvoorbeeld een dienblad.
• Doop je bellenblaasring in het sop. En blazen maar…
• Als je de bel hebt geblazen gooi hem dan voorzichtig, zonder harde ruk, de lucht in.
• Kijk hoe prachtig je bel is, en hoe mooi hij zweeft.
• Als je een bel aanraakt met droge handen dan breekt hij, maar
doop je je hand eerst (helemaal) in het sopje, dan kun je hem
zelfs in de bel steken.
• Probeer eens met een rietje een bel in een bel te blazen…
• En je ontdekt vast andere leuke dingen…

Tips:
• Schep het schuim af en toe weg, want (grote) bellen breken hierdoor.
• Hoe langer een bel nat blijft des te langer blijft hij heel. Het bellen blazen gaat beter op wat vochtiger dagen dan op droge hete dagen. En in de schaduw (uit de wind) is beter dan in de zon.
• Het is af te raden om deze activiteit binnen te doen want het mengsel is moeilijk te verwijderen van bijvoorbeeld je gordijnen.
• Vermijd contact van de zeep met de ogen, om prikken te voorkomen.
• Gooi sop dat overblijft niet weg! Het wordt zelfs beter als je het langer laat staan!
Veel plezier met het bellen blazen…!
Tineke’s Doehoek

Bellenblazen bij de wastobbe

Een leuke en makkelijke manier om de lucht te verkennen is een parachute maken. Neem de parachutes mee naar de top van het klimrek en kijk wat er gebeurt als ze naar beneden vallen.

Materiaal
• vierkante stukken lichte stof van 20×20 cm (Geschikt zijn mousseline of kaasdoek dat niet te open geweven is. Je kunt ook kringlooppapier, tissues of papieren servetjes gebruiken.)
• garen (4 stukken van ca. 30 cm lang)
• kneedwas of boetseerklei

Werkwijze
• Bind aan elk van de vier hoeken van de stof een draad:
frommel de hoek een beetje in elkaar, draai het ene uiteinde van de
draad er een paar maal omheen en knoop het vast. Laat het andere
eind van de draad vrij.
• Knoop de uiteinden van de vier draden aan elkaar.
• Werk de knoop weg in een bolletje kneedwas of boetseerklei en maak desgewenst een klein figuurtje met het bolletje als hoofd.
• Maak een globale vorm, zonder al te veel details.
Oudere kinderen kunnen hun parachute zelf maken. Jongere kinderen
zullen wat hulp nodig hebben of er alleen mee willen spelen.

Met het oog op de natuur, Carol Petrash
Knutselen en spelen met materiaal uit de natuur

Hemelvaart met Juul van der Stok
Bron: ‘Schipper mag ik overvaren’

Uit het verslagje over het ’dauwtrappen’ op de ochtend van Hemelvaart:
’…En de jongste vraagt: ”Waar komen de wolken vandaan?”
”Uit engelland”, antwoordt plechtig de oudste.
”En waar gaan ze naar toe?”
”Helemaal rond de aarde”, wordt
geantwoord.
Tijdens dit gesprek voel ik hoe we even mee opgetild worden in de wolkenwereld met z’n eeuwige metamorfosen. We zingen in canon uitbundig ons wolkenlied’.
Wolken vol met sneeuw en regen
Vallen op de aarde neer en
Vormen de beken, vullen rivieren,
Stromen kabb’lend naar de zee,
Spieg’len zich in stille en zeer
Diepe koele waat’ren de
Zonneschijn geeft licht en warmte,
Dampen stijgen op ten hemel en vormen…
(Wolken vol met sneeuw…etc

Sprookjes en verhalen van Pasen tot Pinksteren

Overige auteurs
Sprookjes van Grimm
• De bijenkoningin
• Jorinde en Joringel
• Sneeuwwit en Rozerood
• De kristallen bol
• Hans en Grietje
• Assepoester
• De witte en de zwarte bruid
• Sneeuwwitje
• Bontepels
• De stukgedanste schoentje
• De drie veren
• De kikkerkoning
• Het levenswater
• Het ezeltje
• De drie talen
• Het zeehaasje
• Twee gebroeders
• Roodkapje
• De wolf en de zeven geitjes
• Koning Lijsterbaard
• De wachtelboom
• De dood als peet
Hans Christian Andersen
• Het lelijke jonge eendje

Zie op deze blog: sprookjes

Hemelvaartsdag: onderstaand lied
zong ik in mijn vroegste jaren als kleuterleidster
in een “christelijke” kleuterschool met de kleuters..
De melodie kun je vinden op YouTube.

Op een lichte wolkenwagen
wordt de Heer van d’aard gedragen.
Vaart Hij op naar ’s hemels troon,
vaart Hij op naar ’s hemels troon.

Dit onderstaand liedje heb ik zelf gemaakt en in mijn jaren
als kleuterjuffie in het vrijeschoolonderwijs gezongen.
We zongen het liedje binnen maar zeker ook buiten en
bekeken de wolken: hoe zien de wolkjes er vandaag uit?

Hemelvaartsdag: de mooiste tradities en tips op een rij

Van de site:
Een wagen vol verhalen.

Hemelvaartsdag, de dag die altijd 40 dagen na Pasen en 10 dagen voor Pinksteren valt. Op deze dag wordt herdacht dat Jezus Christus is teruggekeerd naar God, zijn vader in de hemel.
In Nederland is dit een erkende feestdag, en deze dag gaat gepaard met vele tradities en gebruiken.
Hieronder een overzicht van de bekendste tradities rond Hemelvaart.

Dauwtrappen
Wat dauwtrappen is weet iedereen wel, zou je denken. Toch komt deze traditie op Hemelvaartsdag maar in enkele plekken in Nederland voor. Bijvoorbeeld in de Achterhoek.
Tegenwoordig staan sommige mensen zeer vroeg op om op deze dag een wandeling te gaan maken of zelfs een fietstocht. Hoewel dit gebruik helemaal niets met het christelijke Hemelvaart te maken heeft wordt dit toch elk jaar op dezelfde dag gedaan. Waar en wanneer het dauwtrappen precies is ontstaan is niet zeker, maar vermoedelijk gaat deze traditie terug naar de eerste eeuw naar de tijd van de Germanen. Men dacht toen dat dauw, vooral op speciale dagen, een geneeskrachtig en magisch effect had als je er heel vroeg doorheen danste op blote voeten. Dit hele gebeuren was waarschijnlijk een meifeest van de Germanen, waarbij ze de opkomst van het nieuwe leven in de natuur vierden.
Ook op de website staan verhalen over dauwtrappen, zoals een ondeugend verhaal en nog een over de moderne versie van dauwtrappen.

Broodweging
Een eeuwenoude traditie die jaarlijks herleeft is het wegen van het roggebrood. Dit gebeurt bij de Muldersfluite tussen Hengelo en Zelhem. Vroeger mochten de bewoners ‘plaggen steken’ (het verwijderen van de bovenste grondlaag met begroeiing) op voorwaarde, dat ze jaarlijks rond Hemelvaartsdag roggebrood leverden van minstens 22 pond, dit is meer dan 10 kilo! Het brood was bestemd voor de armen in de gemeente. Degene die het zwaarste brood leverde, vaak meer dan 100 pond, kreeg 2 flessen wijn. Als het brood minder woog dan 22 pond, moest men 6 stuivers betalen. Vanaf 1772 werd het niet leveren van roggebrood zelfs bestraft met en dubbele levering in het volgend jaar. De activiteiten bij de Muldersfluite starten om 12.00 uur en de Historische
roggebroodweging begint om 14.00 uur.

Grensmarkt
In Dinxperlo wordt elke jaar de grote ‘Grensmarkt’ georganiseerd. Deze markt wordt zo genoemd omdat de kramen zowel op Nederlands als op Duits grondgebied staan. De markt trekt jaarlijks vele tienduizenden bezoekers uit beide landen. Langs de Heelweg en de Hogestraat presenteren de marktkooplieden uit alle delen van Nederland hun waren. Maar ook Duitse
marktkooplieden zijn uiteraard volop vertegenwoordigd, met een zeer gevarieerd assortiment. Naast de professionele marktkooplieden is er ook elk jaar plaats voor Dinxperlose verenigingen, die met diverse activiteiten hun kas proberen te spekken of aandacht vragen voor hun vereniging/activiteit.
Aan het begin van de straat is er een kleedjesmarkt, speciaal bedoeld voor kinderen. Er is nog veel meer…

Een Wagen vol Verhalen

.

Pinksteren en Hemelvaartalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

.

2764-2593

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 13 (13-3)

.

RUDOLF STEINER

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald*

Enkele gezichtspunten bij bladzij 186/189 van de vertaling.

Ook in deze 13e voordracht komen we opvattingen tegen die in onze tijd nog steeds niet gangbaar zijn geworden. En dus zijn ze voor ons, die in onze opleiding(en) ook niet zo hebben leren denken, telkens weer nieuw en – zo verging het mij – ongebruikelijk, vreemd en moeilijk te bevatten.
Dat is op zich niet zo enthousiasmerend en als je een klas hebt waarvoor je intensief moet voorbereiden, is het veel om ook deze inhoud nog te proberen te doorgronden. Zo is het mij in ieder geval vergaan en…ik ben na zo’n 50 jaar, nog steeds bezig met deze doorgronding.
Soms is het verstandig om dat wat je niet begrijpt, maar ‘gewoon’ te lezen en verder te gaan tot waar het weer iets vertrouwder wordt.
In deze voordracht komt dit terrein er ook weer aan, wanneer het gaat om het ‘bewegen’.
Vanaf het ogenblik dat we kinderen op school krijgen – dat begint al met de peuters – speelt beweging een belangrijke rol in ons onderwijs.
En dan is het natuurlijk noodzakelijk dat we weten wat we doen als we de kinderen laten bewegen.

Maar zover is het in deze voordracht nog niet. Op blz. 188 zijn we aangekomen bij ‘MATERIE‘ en het hele verhaal omtrent de zenuwen.

Opnieuw: geest en materie

Het spreken over geest versus materie, of stof versus geest is al heel oud en er is nooit een door iedere filosoof of (natuur)wetenschapper onderschreven eensluidende definitie over opgesteld.

En Steiner – als ‘onderzoeker van de geest’ – levert een totaal eigen bijdrage.

Er wordt – wanneer het om een belangrijk aspect van het vrijeschoolonderwijs gaat, vaak gezegd: ‘worden wie je bent’. M.a.w. kun je je diepste wezenskern – wie je bent – in de wereld tot uitdrukking brengen.

D.w.z. kun je iets wat niet met de gewone zintuigen is waar te nemen – die wezenskern – dit geestelijke deel van je – belichamen, manifesteren in het zichtbare.

Je kan dit ‘credo’ – ‘worden wie je bent’ dus niet gebruiken, wanneer je niet achter de idee kan staan, dat ‘iets’ onzichtbaars, zichtbaar wordt. Of groots gezegd: de geest materie wordt.

Maar niet alleen de geest komt in het fysieke tot uitdrukking, ook de ziel.
In deze voordrachten werd daar al op gewezen:

Alles Seelische drückt sich aus, offenbart sich im Leiblichen, (   ) Sie müssen den ganzen Menschen verstehen lernen: geistig, seelisch und leiblich.

Alle zielenroerselen drukken zich uit, openbaren zich in het lichaam. (  ) U moet de gehele mens leren begrijpen: naar geest, ziel en lichaam.
GA 293/38-39
vertaald/38-39

En later:

Das Leibliche kann nur gefaßt werden, wenn es als eine Offenbarung des Geistigen und auch des seelischen aufgefaßt wird.

Het lichamelijke kan slechts begrepen worden wanneer men het beschouwt als een openbaring van de geest en ook van de ziel.
GA 293/91
vertaald/93

Sie können nämlich überall die äußeren Formen als Offenbarungen des Inneren ansehen. Sie verstehen  nur dann die äußeren Formen, wenn Sie sie als Offenbarungen des Inneren ansehen.

U kunt overal de uiterlijke verschijningsvormen beschouwen als openbaringen van het innerlijk. En u begrijpt de uiterlijke vormen slechts, wanneer u ze ook als openbaringen van het innerlijk ziet.
GA 293/149  
vertaald/151

Ook in de voordrachten die samen met deze Algemene menskunde werden gehouden, komt het aan de orde. We zien hier ook weer dat Steiner een onderwerp vaak van verschillende kanten belicht en daarbij zich weer bedient van andere woorden:

Was so äußer­liche Vorgänge sind, das ist immer eigentlich der äußere Ausdruck für Innerliches, so sonderbar es für die äußere Weltenbetrachtung aus­sieht.

Al de uiterlijke processen zijn eigenlijk altijd een uiterlijke manifestatie van innerlijke processen, hoe vreemd dit ook moge klinken voor een slechts op het uiterlijk gerichte wereldbeschouwing.
GA 294/35    
Vertaald/32

Het is, alles bij elkaar, al moeilijk genoeg en dan stelt Steiner ons dit voor ogen:

Je mehr wir der Zukunft entgegenwachsen, desto mehr müssen wir alles dasjenige, was sinnlich um uns herum ist, lernen geistig aufzufassen.

Naarmate wij de toekomst in groeien, moeten wij leren al hetgeen in het zintuiglijke rondom ons is, geestelijk op te vatten.
GA 296/82
Vertaald/94

En als we willen werken ‘in de geest van vrijeschool’, dan kunnen we niet om de uitspraak hierboven, heen, want:

Wie soll man denn überhaupt den Men­schen behandeln, wenn man nicht in der Lage ist, einzusehen, was er physisch ist, indem er sich ja Stück für Stück aus dem Geistig-Seelischen heraus aufbaut, so daß nichts physisch ist, was nicht eine Offenbarung des Geistig-Seelischen ist.

Hoe zou je dan met de mens willen omgaan, als je niet in staat bent in te zien wat hij fysiek is wanneer hij zich stukje voor beetje vanuit de geest-zielenwereld opbouwt zo, dat niets fysiek is wat niet een zichtbaar worden is van geest en ziel.
GA 301/56 
Op deze blog vertaald/56

In deze GA 301 zegt hij later nog:

Man sieht nicht, wie alles Physische aus dem Geistigen heraus plastiziert wird, und wie alles Geistige im Grunde ge­nommen in diesem physischen Leben gleichzeitig sich offenbart nach der anderen Seite als ein Physisches.

Men ziet niet in hoe al het stoffelijke vanuit de geest gevormd wordt en hoe al het geestelijke eigenlijk zich gelijktijdig manifesteert als iets fysieks.
GA 301/238
Op deze blog vertaald/238

En in GA 302 verwoordt hij het zo:

Gerade dadurch, daß wir zeigen, wie das Geistig-Seelische sich im Leiblichen auslebt, gerade dadurch bringen wir die Menschen dahin, daß sie sich vorstellen: die ganze materielle Welt lebt eigentlich aus dem Geistig-Seelischen.

Juist doordat we laten zien hoe geest en ziel zich in het lichamelijke manifesteren, brengen we de mensen tot de voorstel­ling: de hele materiële wereld leeft in feite vanuit een geestes-zielen-element.
GA 302/22
Vertaald/23

Alles Stoffliche ist zugleich Geistiges.

Al het stoffelijke is tegelijkertijd geestelijk.
GA 302/24
Vertaald/23

Das Physisch-Leibliche ist der reine Ausdruck des Geistigen.

Het fysiek-lichamelijke is de zuivere openbaring van de geest.
GA 302/50
Vertaald/51

Toen ik hierboven ‘het worden wie je bent’ aanroerde, had ik ook deze woorden van Steiner kunnen gebruiken die ‘ontwikkeling’ nu in het perspectief plaatsen van het ‘onzichtbare’ dat ‘zichtbaar’ wordt:

Alle Entwicklung des Men­schen besteht darin, daß nach und nach das erst bloß geistig existie­rende Übersinnliche sich ins Sinnliche herunterbewegt.

Alle ontwikkeling van de mens bestaat erin dat het bovenzin­nelijke dat aanvankelijk zuiver geestelijk bestaat, zich geleide­lijk aan naar beneden toe in het zintuiglijke begeeft.
GA 302A/49
Gedeeltelijk vertaald/51

In aller Körperlichkeit, in aller Leiblichkeit ist das Zugrundeliegende geistig.

Aan heel het fysiek-etherische ligt de geest ten grondslag
GA 304a/79
Niet vertaald

Nog meer uitspraken: Rudolf Steiner wegwijzers: 142536508898103104105; 111; 127132155170185254;
268276296

Uiteraard blijven Steiners opmerkingen hierover niet beperkt tot de pedagogische voordrachten.

In GA 66 onderneemt hij een poging de toehoorders iets duidelijk te maken over wat ‘stof, materie’ is.

Mit der Frage nach dem Stoff oder der Materie kann man nicht zurechtkommen, wenn man versucht, immer wie­der und wiederum sich Vorstellungen oder Begriffe zu bil­den, was denn Materie eigentlich sei; wenn man verstehen will – mit anderen Worten -, was denn Materie, was Stoff sei. Derjenige, der die Materie, den Stoff, so verstehen will, wie man das gewöhnlich auffaßt, der gleicht einem Men­schen, welcher sagt: Ich will jetzt den Eindruck bekommen von der Dunkelheit, von einem dunklen Zimmer. Was tut er? Er zündet ein Licht an und betrachtet das als die richtige Methode, den Eindruck vom dunklen Zimmer zu bekom­men. Nicht wahr, es wird das Verkehrteste sein, was man tun kann. Ebenso ist es das Verkehrteste, was man tun kann – nur muß man das durch das gekennzeichnete Ringen gewahr werden -, wenn man sich dem Glauben hingibt, daß man jemals Materie erkennen wird, wenn man den Geist in Bewegung setzt, um gewissermaßen mit dem Geist die Materie, den Stoff zu beleuchten.

Met de vraag naar wat stof of materie is, kom je er niet uit als je steeds weer probeert om er voorstellingen van te maken of begrippen ervan te geven wat nu materie eigenlijk is; m.a.w. wanneer je wil begrijpen wat stof of materie nu eigenlijk is.
Wie de stof, de materie wil begrijpen zoals men dat gewoonlijk doet, lijkt op iemand die zegt: ‘Ik wil nu een indruk krijgen van het duister, van een donkere kamer.
Wat doet hij? Hij doet het licht aan en beschouwt dat als de juiste methode om een indruk van een donkere kamer te krijgen. Maar dat is het slechtste wat je kan doen. Maar het is net zo verkeerd om te geloven dat je ooit de materie leert kennen, wanneer je de geest in beweging brengt om a.h.w. met de geest de materie, de stof te belichten. ( )

Nun ist auch das Umgekehrte der Fall. Nehmen wir an, es will jemand den Geist begreifen. Wenn er ihn sucht zum Beispiel in der rein äußeren materiellen Gestaltung des Menschenleibes, so gleicht er demjenigen, der, um das Licht zu begreifen, es auslöscht. Denn das ist das Geheimnis der Sache, daß die äußere sinnliche Natur selber die Widerlegung des Geistes, die Auslöscherin des Geistes ist. Sie bildet den Geist nach, ebenso wie die beleuchteten Gegen­stände das Licht zurückwerfen. Aber nirgends können wir, wenn wir den Geist nicht in lebendiger Tätigkeit erfassen, ihn jemals aus irgendwelchen materiellen Vorgängen fin­den. Denn das ist gerade das Wesen der materiellen Vor­gänge, daß sich der Geist in sie verwandelt hat, daß sich der Geist in sie umgesetzt hat. Und versuchen wir dann, den Geist aus ihnen zu erkennen, dann mißverstehen wir uns selber.

Nu komt het omgekeerde ook voor. Laten we aannemen dat iemand de geest wil begrijpen. Wanneer hij deze zoekt bijv. in de puur uiterlijke stoffelijke vorm van het lichaam van de mens, dan lijkt hij op iemand die, om het licht te begrijpen, het uitdoet. Het geheim zit erin dat de uiterlijke, zintuiglijke natuur zelf de geest ontkracht, de geest uitdooft. Ze reproduceert de geest, zoals de verlichte voorwerpen het licht terugkaatsen.
Nergens kunnen we, als we de geest niet als een levende werkzaamheid ervaren, deze ooit vanuit een of ander materieel proces vinden. Want dat is juist de essentie van de stoffelijke processen, dat de geest zich daarin heeft gemetamorfoseerd. En als we de geest daarin willen leren kennen, dan begrijpen we ons zelf niet.
GA 66/153-155
Niet vertaald

In GA 134 gebruikt hij woorden – altijd moeilijk om woorden te vinden voor iets wat met de gewone zintuigen niet is waar te nemen – die een beetje doen denken aan de woorden in deze 13e voordracht, over de ‘stroom’ van wat geest en ziel is.
Ook hier neemt hij het water.

Blz. 64

Dasjenige, was man gewöhnlich die Materie nennt, ist für den Men­schen eigentlich nur durch verhältnismäßig schwierige Vorstellungen zu erreichen. Und wenn man im okkulten Sinn aufklären will über das Wesen des Materiellen, des Stofflichen, dann muß man vor allen Dingen sich fragen: Was ist das hervorstechendste Eigentümliche an dem, was wir gewöhnlich die Materie nennen? Nun wird man, wenn man ohne Vorurteil zu Werke geht, denn doch finden müssen, daß das Hervorstechendste alles Materiellen die Raumerfüllung ist, die Ausgedehntheit im Raum. Es wird nämlich niemandem einfallen, bei irgend etwas, das ihm in der Seele selbst entgegentritt – sagen wir, bei einem Gefühl, bei einem Gedanken oder selbst bei einem Willens­impuls-, davon zu sprechen, daß der Wille oder der Gedanke oder das Gefühl einen Raum einnehmen. Jeder Mensch wird sogleich ein­sehen, daß er einen Unsinn sagen würde, wenn er behaupten wollte, daß irgendein Gedanke – sagen wir der Gedanke meinetwillen an einen Helden – um fünf Quadratmeter größer ist als der Gedanke an einen gewöhnlichen Menschen, nicht wahr? Wenn man sich das ausdenken will, so merkt man gleich, daß man auf das, was eigentlich unsere seelischen Zustände, unsere seelischen Vorgänge sind, die Raumerfüllung, das Ausgedehntsein, gar nicht anwenden kann. Nun wissen wir ja ferner, daß dieses Ausgedehntsein gewöhnlich nach den drei Dimensionen zu zählen ist, die wir für den Raum

Wat gewoonlijk materie wordt genoemd, is voor de mens eigenlijk slechts door nogal moeilijke voorstellingen te begrijpen. En als je langs de weg van het bovenzintuiglijke over het wezen van de materie, het stoffelijke, opheldering wil verschaffen, moet je je allereerst afvragen: wat springt het meest in het oog, wat is het meest karakteristieke aan wat we gewoon zijn materie te noemen?
En zal je, als je zonder vooroordeel te werk gaat, toch moeten concluderen, dat het meest in het oog lopende van alles wat materie is, dat het ruimte inneemt, dat het in de ruimte plaats inneemt is. Nu zou het bij niemand opkomen om bij iets wat hij psychisch ervaart – laten we zeggen bij een gevoel, bij een gedachte of zelfs bij een wilsimpuls, te zeggen dat de wil of de gedachte of het gevoel ruimte inneemt. Ieder mens zou meteen inzien dat hij onzin spreekt als hij zou beweren dat een of andere gedachte – voor mijn part de gedachte aan een held – vijf vierkante meter groter zou zijn dan de gedachte aan een gewoon mens, toch?
Wanneer je dat zou willen denken, merk je meteen dat je wat onze psychische toestanden, onze gevoelsprocessen eigenlijk zijn, een gevuld zijn in de ruimte, een plaats innemen in de ruimte, helemaal  niet kan gebruiken.
Nu weten we ook nog dat er bij dit aanwezig zijn in de ruimte gewoonlijk drie ruimterichtingen, dimensies horen, die wij voor de ruimte bestempelen

Blz. 65

an­führen, nach der Dimension der Höhe, der Breite und der Tiefe oder Länge, wie man das dann nennen will. Es ist ja, nicht wahr, eine allge­meine, man möchte sagen, triviale Wahrheit, daß die Dinge im Raum nach den drei Dimensionen ausgedehnt sind. Also die Ausdehnung nach den drei Dimensionen würden wir anerkennen müssen sozusagen als das hervorstechendste Charakteristikon des Materiellen. Nun wird jeder, wenn er das bedenkt, was vorher gesagt worden ist – daß wir nämlich gegenüber dem, was in der Seele liegt, nicht von Raumer­füllung sprechen können -, sich sagen müssen, daß es gegenüber der Raumerfüllung noch etwas anderes gibt als eben das, was den Raum erfüllt, als die Materie oder den Stoff. Denn es gehört durchaus auch zu den Beobachtungen, die man schon auf dem physischen Plan machen kann, daß es eben nicht ausgedehnte Vorgänge, Zustände, wie man es nennen will, als Seelenerlebnisse gibt.

als de dimensie van de hoogte, de breedte en de diepte of de lengte, hoe je dat dan wil noemen. Dat de dingen in de ruimte in drie richtingen plaats innemen, kan je toch een algemene, alledaagse waarheid noemen. Dus het uitgedijd zijn in drie dimensies moeten we wel accepteren als de meest in het oog springende karakteristiek van het materiële. Nu zal iedereen wanneer hij overdenkt wat net is gezegd – dat we dus t.o.v. wat in de ziel aanwezig is, niet van innemen van ruimte kunnen spreken – tot zichzelf moeten zeggen dat er, als het om het innemen van ruimte gaat, er nog iets anders moet zijn dan iets wat ruimte inneemt zoals de materie of de stof. Want bij de waarnemingen die je op het fysieke plan al kan doen, hoort nu juist dat er ook geen ruimte innemende processen, toestanden, hoe je het noemen wil, als gevoelsbelevingen zijn.
GA 134/64-65
Niet vertaald

In dezelfde voordracht probeert Steiner duidelijk te maken hoe deze ruimte innemende vormen zijn ontstaan.
We kunnen weer even teruggaan naar de 2e voordracht van de Algemene menskunde en ons nog even voor de geest! halen, dat wat we in de aardse stoffelijkheid bewerken – dus in het voorbeeld daar gegeven – onze keuken willen (laten) bouwen, we eerst een plan, een idee hebben van deze keuken – een onstoffelijke keuken, dus. De taal geeft weer mooi aan dat het ‘plannen’, het ontwerpen, een activiteit is die onstoffelijk aan iets stoffelijks doet denken: plannen smeden

Voor de ‘dingen’ op aarde geldt dat in wezen ook: heel veel is op de tekentafel als ontwerp, ontstaan.
Steiner komt nu bij het kristal, een puur stoffelijk verschijnsel. Bij wie lag het ontwerp op de tekentafel, zou je kunnen vragen.
Hij gaat daarvoor terug naar de wordingsgeschiedenis van aarde en mens en moet daarvoor iets vertellen over de scheppende, de hiërarchische, bovenzintuiglijke wereld.
Zoals ik aan het begin van de 1e voordracht al zei, is het voor de leerkrachten die net de vrijeschool zijn binnen gekomen, al weer een onderwerp waarmee je waarschijnlijk nooit bezig bent geweest, sterker nog, velen zijn a.h.w. ‘net klaar’ met alles wat naar geloof riekt. En nu dit:

Blz. 72

Wenn die Geister des Willens zunächst auf dem alten Saturn, die Geister der Weisheit auf der alten Sonne, die Geister der Bewegung auf dem alten Mond und die Geister der Form auf der Erde gewirkt haben, so würden wir, wenn wir nur die rein innere Art der Geister der Form ins Auge fassen, sagen: Die Geister der Form haben auf der Erde den Menschen so geschaffen, daß er noch eine unsichtbare Form hat. Das stimmt in schöner Weise mit dem überein, was sich uns auch gestern ergeben hat. Unsichtbare, nicht räumliche Formen haben zunächst die Geister der Form dem Menschen beim Beginne seines Erdenwerdens gegeben. Nun müssen wir zunächst ins Auge fassen, daß auch alle äußeren Gegenstände, die uns entgegentreten, alles, was wir in der äußeren Welt durch unsere Sinne gewahr werden, auch nichts anderes ist als eben ein äußerer Ausdruck eines inneren Geistigen. Und hinter einer jeden äußeren räumlich materiellen Ding­lichkeit haben wir etwas ganz Ähnliches zu suchen, wie es in unserer Seele selber lebt. Nur tritt uns das natürlich nicht für die äußeren Sinne entgegen, sondern es ist hinter dem, was die äußeren Sinne darbieten.

Wanneer de geesten van de wil in eerste instantie op de oude Saturnus, de geesten van de wijsheid op de oude Zon, de geesten van de beweging op de oude Maan en de geesten van de vorm op de Aarde werkzaam zijn geweest, dan zouden we, wanneer we naar de puur innerlijke aard van de geesten van de vorm kijken, zeggen: de geesten van de vorm hebben op de Aarde de mens zo geschapen, dat hij nog een onzichtbare vorm heeft. ( ) Onzichtbare, niet-ruimtelijke vormen hebben de geesten van de vorm de mens bij het begin van zijn wording op aarde gegeven. De geesten van de vorm hebben de mens aan het begin van zijn wording op aarde, allereerst onzichtbare, ruimtelijke vormen gegeven. Nu moeten we ook meteen op het oog hebben dat ook alle uiterlijke dingen die we tegenkomen, alles wat wij in de uiterlijke wereld door onze zintuigen gewaar worden, ook niets anders is dan juist een uiterlijke uitdrukking van wat innerlijk geest is. En achter ieder uiterlijk, ruimtelijk materieel ding moeten we iets zoeken wat lijkt op wat in onze ziel zelf leeft. Maar dat krijgen we met de uiterlijke zintuigen niet te zien, dat ligt achter hetgeen we met de uiterlijke zintuigen waarnemen.

Wie könnte nun ein Wirken über die Geister der Form hinaus, über das, was diese schaffen als noch nicht räumliche Form, vorgestellt werden? Also, wohlgemerkt, unsere Frage ist jetzt: Wenn nun dieses Wirken weitergeht von Wille, Weisheit, Bewegung, Form, noch weiter über die Form hinaus, was geschieht denn dann? So ist die Frage ge­stellt. Sehen Sie, wenn nämlich ein Prozeß im Weltenall fortgeschrit­ten ist bis zur Form, die noch ganz im Geistig-Seelischen ist, die noch keine Raumesform ist, wenn der Prozeß fortgeschritten ist bis zu dieser übersinnlichen Form, dann ist der nächste Schritt nur noch möglich dadurch, daß die Form als solche zerbricht. Und das ist nämlich das, was sich dem okkulten Anblick darbietet: wenn gewisse Formen, die unter dem Einfluß der Geister der Form geschaffen sind, sich bis zu einem gewissen Zustand entwickelt haben, dann zerbrechen die Formen. Und wenn Sie nun ins Auge fassen zerbrochene Formen, etwas, was also dadurch entsteht, daß Formen, die noch übersinnlich sind, zerbrechen, dann haben Sie den Übergang von dem Übersinn­lichen in das Sinnliche des Raumes. Und das, was zerbrochene Form ist, das ist Materie.

Hoe kunnen we ons nu voorstellen wat er boven het werk van de geesten van de vorm uitgaat, boven wat deze bewerken als nog niet ruimtelijke vorm? Dus, onze vraag is eigenlijk: als de activiteit verder gaat door wil, wijsheid en beweging, vorm, nog verder boven de vorm uit, wat gebeurt er dan?
Wanneer een proces in het wereldal voortgang heeft gevonden tot in de vorm die nog helemaal een geest-zielenvorm is, die nog geen ruimtelijke vorm is, als het proces verder gegaan is tot aan deze bovenzintuiglijke vorm, dan is de volgende stap alleen maar mogelijk doordat die vorm als zodanig kapot gaat, breekt. De bovenzintuiglijke blik ziet: wanneer bepaalde vormen die onder invloed van de geesten van de vorm geschapen zijn, zich tot een bepaalde toestand hebben ontwikkeld, dat die vormen dan stuk gaan.

Steiner gebruikt hier het woord ‘zerbrechen‘. Naast de betekenis van ‘kapot gaan’ is er ook de betekenis ‘beëindigen’. Op zich vind ik dat wel een zinvolle vertaling, want die vorm(en) houdt op als iets geestelijks te bestaan, dus gebruik ik maar even ‘beëindigen, misschien moet het nog anders vertaald worden.

En wanneer je nu naar de beëindigde, uiteengevallen vormen kijkt als iets wat ontstaat doordat vormen die nog bovenzintuiglijk zijn, uiteenvallen, dan heb je de overgang van het bovenzintuiglijke naar het zintuiglijke van de ruimte. En de uiteengevallen vorm, is de materie.

Blz. 73

 Materie, wo sie im Weltenall auftritt, ist für den Okkultisten nichts anderes als zerbrochene, zerschellte, zerborstene Form. Wenn Sie sich vorstellen könnten, diese Kreide wäre als solche unsichtbar und sie hätte diese eigentümliche parallelepipedische Form, und als solche wäre sie unsichtbar, und jetzt nehmen Sie einen Ham­mer und schlagen rasch das Stück Kreide an, daß es zerstiebt, daß es in lauter kleine Stücke zerbirst, dann haben Sie die Form zerbrochen. Nehmen Sie an, in diesem Augenblicke, in dem Sie die Form zer­brechen, würde das Unsichtbare sichtbar werden, dann haben Sie ein Bild für die Entstehung der Materie. Materie ist solcher Geist, der sich entwickelt hat bis zur Form und dann zerborsten, zerbrochen, in sich zusammengefallen ist.

 Materie, wanneer die aanwezig is in het wereldal, is voor de helderziende niets anders dan een uiteengevallen vorm.

Hier gebruikt Steiner de woorden ‘zerschellen’ (te pletter vallen) ‘zerbersten, (heftig barsten).

Wanneer je je zou kunnen voorstellen dat dit krijtje onzichtbaar zou zijn en deze bijzondere parallelepipedische vorm zou hebben, onzichtbaar dus, en je zou een hamer nemen en erop slaan zodat het wegstuift, dat het in louter kleine stukjes barst, dan heb je de vorm verbroken. Neem eens aan dat je op dit ogenblik als je de vorm versplintert, het onzichtbare zichtbaar zou  worden, dan heb je een beeld voor het ontstaan van de materie. Materie is die geest die zich heeft ontwikkeld tot aan de vorm en dan gebarsten, gebroken is, ‘zusammengefallen’ – dat wordt wel van deeg gezegd: ‘ingezakt’.

Materie ist ein Trümmerhaufen des Geistes. Es ist außerordentlich wichtig, daß man gerade diese Definition ins Auge faßt, daß Materie ein Trümmerhaufen des Geistes ist. Materie ist also in Wirklichkeit Geist, aber zerbrochener Geist.
Wenn Sie jetzt weiter nachdenken, so werden Sie sich sagen: Ja, aber es treten uns doch räumliche Formen entgegen wie die schönen Kristallformen; an den Kristallen treten uns doch räumlich sehr schöne Formen entgegen – und du sagst, alles das, was stofflich ist, sei ein Trümmerhaufen des Geistes, sei zerborstener Geist! – Denken Sie sich zunächst einmal, damit Sie eine gewisse Vorstellung haben, einen herabfallenden Wasserstrahl (a). Nehmen Sie aber an, er wäre 

Materie is een puinhoop, de brokstukken, van de geest. Het is buitengewoon belangrijk dat je juist deze definitie op het oog hebt – materie is brokstukken van de geest. Materie is dus in wezen geest, maar uit elkaar gevallen geest.
Wanneer je nu verder nadenkt, zeg je misschien wel: maar we zien toch de ruimtelijke vormen, zoals bijv. de prachtige kristalvormen; met de kristallen hebben we toch prachtige ruimtelijke vormen – en nu zeg je dat alles wat stoffelijk is, brokstukken van de geest, gebarsten geest zijn!
Maar denk nu eens zodat je een bepaalde voorstelling krijgt, dat je hier een waterstraal hebt:   a

unsichtbar, Sie würden ihn nicht sehen. Und Sie geben ihm hier (b) eine Widerlage. Dadurch, daß dieser Wasserstrahl hier (b) auffällt, wird er in dieser Weise in Tropfen zerbersten (c). Nun nehmen Sie an, der Wasserstrahl, der herunterfällt,

maar neem eens aan dat die onzichtbaar zou zijn, je ziet hem niet. En hier bij b, zou je een massief vlak leggen. En omdat die waterstraal op b terechtkomt, spat die in druppels uiteen: c. Nu nemen we aan dat de neervallende waterstraal onzichtbaar is

Blz. 74

wäre unsichtbar; das würde aber sichtbar, was zerborsten ist. Dann hätten Sie hier einen zertrüm­merten Wasserstrahl, hätten wiederum ein Bild der Materie. Aber jetzt müßten Sie sich wegdenken die Widerlage da unten, denn so etwas gibt es nicht, das würde schon voraussetzen, daß Materie da wäre. Sie müssen sich vorstellen: ohne daß eine solche Widerlage da ist, ist die Materie, indem sie sich geistig zur Form gliedert, übersinn­lich, ist die Materie in Bewegung, denn die Bewegung geht der Form voraus. Es gibt nirgends etwas anderes als das, was durchdrungen ist von den Taten der Geister der Bewegung. An einem bestimmten Punkt kommt die Bewegung bei der Form an, erlahmt in sich selber und zerbirst in sich selber. Die Hauptsache ist, daß wir es so auffassen, daß das, was zunächst geistig-seelisch ist, hinstrahlt, aber nur eine gewisse Schwungkraft hat, an das Ende der Schwungkraft kommt und nun in sich selber zurückprallt und dabei zerbirst. So daß, wenn wir irgendwo Materie auftreten sehen, wir sagen können: dieser Ma­terie liegt zugrunde ein Übersinnliches, das an die Grenze seines Wir­kens gekommen ist und an dieser Grenze zerbirst.

 en wat uiteen spat zichtbaar. Dan heb je hier een verbrokkelde waterstraal, hier heb je weer een beeld van de materie. Maar nu moet je dat massieve vlak daar beneden wegdenken, want dat is er niet, dat zou veronderstellen dat er al materie zou zijn. Je moet je voorstellen: zonder dat er zo’n massief vlak is, is de materie als die zich geestelijk tot vorm ontwikkelt, bovenzintuiglijk, in beweging, want beweging gaat aan de vorm vooraf. Er is niets anders dan wat doordrongen is door de activiteit van de geesten van de beweging. Op een bepaald punt komt de beweging bij de vorm, verlamt in zichzelf en barst in zichzelf. De hoofdzaak is dat we het zo opvatten dat wat eerst iets is van geest en ziel, wegstraalt, echter maar een bepaalde kracht heeft om te bewegen, tot een einde van de bewegingskracht komt en dan in zichzelf terugbotst en daarbij uit elkaar breekt. Zodat, wanneer we ergens materie zien, we kunnen zeggen: aan deze materie ligt iets bovenzintuiglijks ten grondslag, dat aan de grens van zijn activiteit gekomen is en aan deze grens uiteen barst.

Aber bevor es zer­birst, da hat es innerlich geistig noch die Formen. Nun wirkt in den einzelnen auseinanderfallenden Trümmern, wenn es zerborsten ist, nach das, was als geistige Form vorhanden war. Wo das stark nachwirkt, da setzen sich nach dem Zerbersten noch die Linien der gei­stigen Formen fort, und da drückt sich, nachdem das Stück zerborsten auseinanderprallt, in den Linien, die sie dann beschreiben, noch eine Nachwirkung der geistigen Linien aus. Dadurch entstehen Kristalle. Kristalle sind Nachbildungen geistiger Formen, die gleichsam noch durch die eigene Schwungkraft die ursprüngliche Richtung im ent­gegengesetzten Sinn beibehalten.

Maar voor dat gebeurt, bestaan innerlijk-geestelijk de vormen nog. Nu werkt dat in het losse, uiteenvallende ‘puin’, wanneer het gebarsten is, door, wat als geestelijke vorm aanwezig was. Waar dat sterk doorwerkt, gaan, na het uiteenspringen, de lijnen van de geestelijke vormen verder en dan komt, nadat het stuk uiteengevallen is, in de lijnen die zij dan beschrijven nog een nawerking van de geestelijke lijnen tot uitdrukking. Daardoor ontstaan kristallen. Kristallen zijn nawerkingen van geestelijke vormen die a.h.w. door hun eigen bewegingskracht de oorspronkelijke richting in tegenovergestelde zin nog behouden.

(  ) Kurz, überall ist Materie das, was man nennen kann: zerbrochene Geistigkeit. Materie ist schon eben nichts anderes als Geist, aber Geist im zerbrochenen Zustand.

( ) Kortom, overal is materie datgene wat kan noemen: verbroken geest. Materie is niets anders dan geest, maar de geest in een ge(ver)broken toestand.
GA 134/72-74
Niet vertaald

Blz. 84

( ) daß wir uns eigentlich unter der Materie, der Stofflichkeit, vorzustellen haben zerbrochene geistige Formen, gleichsam pulverisierte geistige Formen. Und wir mußten ja gerade in dem Zusammenhange dieser Vorträge von dieser Seite her auf das Wesentlichste des materiellen Daseins hinweisen, weil wir als Men­schen eingesponnen worden sind in dieses materielle Dasein, weil so­zusagen die zersprühende geistige Form in uns eingedrungen ist und uns ausfüllt als Erdenmenschen -, ( )

Onder materie, onder het stoffelijke moeten we ons eigenlijk voorstellen verbroken geestelijke vormen, a.h.w. – hier gebruikt Steiner ‘pulverisieren‘, zoiets als verpulveren, vernevelen, ‘eine Kreide verpulveren’ = een krijtje! in krijtstof veranderen – stof geworden geestelijke vormen.
GA 134/84
Niewt vertaald

In deze voordracht van GA 134 wijst Steiner erop dat we dit als mens moeten weten, omdat we a.h.w. ingesponnen zijn in de aardse materie. De geestelijke vormen die uiteenvallen dringen ook door tot in ons fysieke wezen en vullen dat met materie.

In dubbel opzicht dus geen gemakkelijke stof, dit. Toch hielpen mij de opmerkingen in GA 134 wel om ‘in een sfeer van begrip’ te komen voor wat hij in de Algemene menskunde over materie zegt.

Blz. 185  vert. 188

Denn, sehen Sie, in diesem Haupt des Menschen, da geschieht etwas höchst Merkwürdiges: indem da sich alles staut im Menschen von dem Geistig-Seelischen, spritzt es zurück wie das Wasser, wenn es an ein Wehr kommt.

Want, weet u, in het hoofd van de mens gebeurt iets heel merkwaardigs. Omdat geest en ziel daar gestuwd worden, spatten ze terug als water bij een dam.

Hier hebben we m.i. ook wat in GA 134 wordt gezegd: de geestelijke waterval – zie tek. hierboven – stoot op een massief stuk rots en spat uiteen.

Das heißt, es spritzt dasjenige, was das Geistig-Seelische von der Materie mitträgt, so wie der Mississippi den Sand, auch im Inneren des Gehirns zurück, so daß da sich überschlagende Strömungen im Gehirn sind, wo das Geistig-Seelische sich staut.

Dat wil zeggen, de materie die door het geestelijke meegevoerd wordt – zoals zand door de Mississippi – die spat binnen in de hersenen terug. Zo zijn er in de hersenen, waar geest en ziel gestuwd worden, allerlei stromingen die door elkaar heen wervelen.

Het proces van geest die stof wordt zoals beschreven in GA 134 hierboven, wordt nu nog concreter beschreven. En zoals we weten: ook de stof blijft niet eeuwig stof, maar is vergankelijk, valt uit elkaar. En in en met ons aardse lichaam gaat dat proces van uit elkaar vallen, een heel leven door, totdat met de dood dit proces van uiteenvallen en ‘verpulveren’, as, stof worden, definitief ten einde komt.. 

De zenuwen

Wat zei Steiner in de Algemene menskunde eerder over ‘de zenuw’, m.n. in de 2e voordracht:

Blz. 37    vert.  38

Alles Seelische drückt sich aus, offenbart sich im Leiblichen.

Alle zielenroerselen drukken zich uit, openbaren zich in het lichaam.

Das seelisch Vorgeburtliche wirkt durch Antipathie, Gedächtnis und Begriff herein in den menschlichen Leib und schafft die Nerven .Das ist der richtige Begriff der Nerven.

De zielenwereld van voor de geboorte werkt via antipathie, geheugen en begrip door tot in het menselijk lichaam en creëert de zenuwen. Op deze wijze begrijpt men de zenuwen werkelijk.

Blz.  39  vert.  blz. 38

Im Gegensatz zum Blut sind alle Nerven so veranlagt, daβ sie fortwährend im Absterben , im Materiellwerden begriffen sind. Was längs der Nervenbahnen liegt, das ist eigentlich ausgeschiedene Materie; der Nerv ist eigentlich abgesonderte Materie.

In tegenstelling tot het bloed hebben alle zenuwen de eigenschap dat ze zich voortdurend in een sterfproces, in een materialisatieproces bevinden. Wat langs de zenuwbanen ligt, is eigenlijk afgescheiden materie; de zenuw is eigenlijk afgezonderde materie. 

En in de 13e dus een vervolg:

Blz. 187   vert. 188

Und im zurückschlagen des Materiellen, da fällt im Gehirn fortwährend Materie in sich selbst zusammen. Und wenn Materie, die noch vom Leben durchdrungen ist, in sich selbst zusammenfällt, also so zurückschlägt, wie ich es Ihnen gezeigt habe, dann entsteht der Nerv.

En bij dat terugkaatsen van de materie valt in de hersenen voortdurend materie uit elkaar. En wanneer nog levende materie ‘uit elkaar valt’, dus zo teruggekaatst wordt als ik heb laten zien, dan ontstaat de zenuw.

Der Nerv entsteht immer, wenn vom Geiste durch das Leben getriebene Materie in sich selbst zusammenfällt und im lebendigen Organismus drinnen abstirbt. Deshalb ist der Nerv im lebendigen Organismus drinnen abgestorbene Materie, so daß sich also das Leben verschiebt, sich in sich selbst staut, Materie abbröckelt, zusammenfällt. So entstehen Kanäle im Menschen, die überall hingehen, die ausgefüllt sind von erstorbener Materie, die Nerven; da kann dann das Geistig- Seelische zurücksprudeln in den Menschen. Längs der Nerven sprudelt das Geistig-Seelische durch den Menschen durch, weil das Geistig-Seelische die zerfallende Materie braucht. Es läßt die Materie an der Oberfläche des Menschen zerfallen, bringt sie zum Abschuppen. Dieses Geistig-Seelische läßt sich nur darauf ein, den Menschen zu erfüllen, wenn in ihm die Materie zuerst erstirbt. Längs der materiell erstorbenen Nervenbahnen bewegt sich im Inneren das Geistig-Seelische des Menschen.

Een zenuw ontstaat altijd wanneer materie, die door de geest langs de weg van het leven wordt gevoerd, ineenstort en binnen het levende organisme afsterft. Daarom is binnen een levend organisme een zenuw toch iets afgestorvens, zodat het leven verschuift: het leven wordt gestuwd, materie brokkelt af en valt uit elkaar. Zo ontstaan kanalen in de mens die overal heen lopen en vol afgestorven materie zijn: de zenuwen. Langs die kanalen kan het geestelijke terugvloeien in de mens. Het geestelijke bruist via de zenuwbanen door de mens heen omdat het de uiteenvallende materie nodig heeft. De geest doet de materie aan de oppervlakte afsterven, afschilferen. Het geestelijke kan de mens alleen vervullen wanneer eerst in de mens de materie sterft. Geest en ziel bewegen zich binnen in de mens langs de, materieel gezien, dode zenuwbanen.

Blz. 189 in de vertaling is een nog verder uitgewerkte karakterisering van wat ik hierboven al aandroeg.
Wat in de 2e voordracht aan bod kwam als voorstelling en wil, dus fysiek als zenuw en bloed, vind je hier weer terug. Het bloed, de wil betekent voor de bewustzijnstoestand: slaap, zie voordracht 6.
Het voorstellen of het kennen heeft wakkerheid nodig en de zenuwen, culminerend in het brein, laten geest-ziel door, zodat het kennen, het denken tot stand kan komen. 
Aan het eind van blz. 189 komen we tegen (  )  (wat)…de geest ertoe brengt de vormen voort te brengen die het organisme gestalte geven.

Dit ‘voortbrengen van vormen’, van gestalte, zien we uiterlijk als materie, ons stoffelijk lichaam.
Daarmee zijn we terug bij het begin van dit artikel, bij GA 134.

Zoals al opgemerkt: geen gemakkelijk onderwerp. 
Maar hierna wordt het weer praktischer.

.
De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde voordracht 13: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2763-2592

.

.

.

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-3-1-4)

.

Dr. med. Werner Hassauer, Weledaberichten 140 dec. 1986
.

POORTEN VAN HET LEVEN: GEBOORTE EN DOOD

De bestemming van de mens

De mens als zielen- en geestwezen

Als men de tegenwoordig gangbare mening over geboorte en dood hoort, wordt de geboorte over ’t algemeen als een vreugdevolle, het gemoed positief beïnvloedende gebeurtenis gezien, terwijl de ontmoeting met de dood als iets treurigs, soms tragisch wordt beleefd.
De geboorte van een mens brengt de ouders en wie er verder deel aan heeft in een stemming van blijde verwachting; de dood daarentegen veroorzaakt bij de nabestaanden smart, verdriet en tranen.
Als wij echter de betrokkenen zelf zien, de mensen die het proces van de geboorte of van de dood aan den lijve ervaren, dan zijn de feiten omgekeerd: het kind, de pas geboren mens, huilt en schreeuwt omdat het zich hoogst onbehaaglijk voelt; de schrijver van dit artikel heeft als arts bij de enkele duizenden kinderen die hij hielp geboren te worden, nog nooit een pasgeborene van plezier en welbehagen horen juichen. De stervende daarentegen voelt na een eventueel lang lijden het stervensproces als de verlossing van pijn en leed en als men mensen, die eigenlijk al “gestorven” waren, die echter door reanimatie weer in dit leven werden teruggehaald daarover vraagt, dan vertellen zij bijna zonder uitzondering van een wonderbaarlijke toestand van bevrijding waarin zij zich bijzonder wel voelden, maar waaruit zij plotseling werden weggerukt. Zij voelden zich daarna weer gekluisterd in de smartelijke benauwing van het lichamelijk-aardse bestaan.
Beide toestanden, de geboorte zowel als de dood, zijn – hoe de betrokkenen dit dan ook beleven – ervaringen, die een belevende ziel vooropstellen, ook en in ’t bijzonder bij de mens die wordt geboren.
Als dat juist is, ontstaan hieruit enkele vragen, nl. wanneer begint eigenlijk het menselijke wezen dat gaat ontstaan, een ziel te zijn? Is die er onmiddellijk volledig ontwikkeld, of ontwikkelt zij zich uit een soort van psychische kiemcel net zo, als het lichaam ontstaat uit de fysieke kiemcel? Wat doet de ziel tijdens het geboorteproces? Welke relatie heeft zij met het fysieke lichaam? Is zij het product van het lichaam, een soort van functie daarvan? Of is zij volledig onafhankelijk van het lichaam, heeft zij daarmee niets te maken, bestaat zij om zo te zeggen parallel daaraan? Hoe ziet het zielenwezen eruit bij het kind, hoe bij de volwassene? Blijft het altijd eender of kan het zich ontwikkelen? Hoe verhoudt dit zielenwezen zich tot wat men geest noemt? Zijn ziel en geest slechts verschillende benamingen voor hetzelfde? Wat doet de ziel als de mens slaapt, als hij sterft? Sterft zij dan ook? Indien niet, waar gaat zij dan heen? Wat heeft het te betekenen, dat zij hier op aarde is? Heeft haar bestaan zin, of is zij slechts aan een toeval onderworpen? Wat voor toeval? Is zij een speelbal van zuiver natuur- en scheikundige wetten of is zij onderworpen aan eigen “toevallige” psychische wetmatigheden? Hoe kan men die doorgronden?
Het is duidelijk; de ene vraag volgt op de andere; deze reeks kan nog lang worden voortgezet. Wij willen proberen, hierin enige orde te scheppen en in het hierna volgende op grond van observaties enige antwoorden te vinden.

Laat ons uitgaan van de waarneming van het zielenwezen van de volwassene, omdat dit voor ons het gemakkelijkst toegankelijk is. Wij behoeven immers slechts onszelf te observeren. Het behoeft geen betoog dat in ons een psychische component aanwezig is, want wij hebben gewaarwordingen, zintuigelijke indrukken, reageren met onze binnenwereld op de buitenwereld. Wij kennen vrees, tevredenheid, vreugde, verdriet, sympathie, antipathie, waarmee wij reageren op de indrukken uit onze omgeving. Het gehele brede palet van de reacties van ons innerlijk op waarnemingen en indrukken van de buitenwereld kunnen wij ziel, psychisch spectrum noemen. Dergelijke psychische elementen vertonen natuurlijk ook de dieren en het zou onzinnig zijn als men zou willen ontkennen dat bijvoorbeeld een hond geen ziel heeft. Als men dit psychische van de mens tot aan de geboorte volgt, dan is het onbetwistbaar, dat ook het pasgeboren kind in bovenbedoelde zin een ziel heeft. Wij zullen nog moeten nagaan, hoe het met de ziel vóór de geboorte en na de dood gesteld is.

Voorlopig moet de vraag gesteld worden, wat na het hierboven gestelde de mens van het dier onderscheidt. Dan blijkt, dat in het zielenwezen op zichzelf het verschil zeker niet ligt, want beiden hebben zij immers een ziel. Als wij echter mens en dier in hun psychische gedrag nauwkeuriger gadeslaan, dan ontdekken wij al spoedig een fundamenteel verschil. Het dier reageert op indrukken uit de buitenwereld altijd op een bepaalde manier, afhankelijk van de soort. De reacties, zou men haast zeggen, zijn geprogrammeerd. Een dier geeft er zich geen rekenschap van of het al of niet juist heeft gehandeld; het handelt naar zijn aard steeds juist. De mens kan in zijn gedragingen net zo zijn als het dier, maar hij heeft ook de mogelijkheid, de programmering door sympathie of antipathie te doorbreken, hij kan op grond van sympathie of antipathie reageren, maar hij hoeft dat niet te doen. Een element van vrijheid duikt hier op, een specifiek, slechts aan de mens voorbehouden en mogelijk element. Goethe zegt hierover: ”Het dier wordt door zijn organen geïnstrueerd: de mens instrueert de zijne en beheerst ze.” (Spreuken in proza) 

De mogelijkheid van zo’n gedrag stelt voorop – nauwkeurige waarneming toont dit aan – dat er in de mens een gebied moet zijn, dat hem afstand laat nemen van zijn eigen zielsgewaarwordingen, van zijn sympathie- en antipathiereacties en het daaruit volgende noodzakelijke gedrag. Er moet een gebied bestaan, dat hem in staat stelt, vrij te zijn wat zijn reacties en beslissingen betreft, wat hem tenslotte ook vrij laat zijn in wat hij waarnemen wil, waar hij zijn aandacht op wil richten, in dit gebied is de mens geheel en al mens, individualiteit, totaal onafhankelijk van de psychische bewogenheid ten gevolge van sympathie en antipathie. Als hij zoekt naar een benaming voor dit aller oorspronkelijkste en intiemste gebied van zijn wezen, dan zal hij dit ”ik” noemen. Daarmee is iets omlijnd, dat absoluut slechts hemzelf als mens aangaat. Doordat hij zich totaal daarmee identificeert, verenigt hij zich met zijn eigen wezen, zijn ik. Hij verenigt zich met wat hem tot mens, tot individualiteit maakt. Als men deze gedachtegang tot dusver heeft gevolgd, dan heeft men tegelijkertijd zichzelf als individualiteit beleefd. Men merkt echter ook, dat wij over ’t algemeen nog ver ervan zijn verwijderd, ons “ik” in zijn volle werkelijkheid te hebben ervaren. In zoverre zijn wij ook nog niet vrij. Wij zijn pas op weg, mens te worden. Maar al te zeer vallen wij nog ten prooi aan de golvingen van antipathie en sympathie in ons zielenwezen. Maar desniettemin hebben wij de mogelijkheid tot menswording, een ontwikkeling naar de vrijheid en daardoor tot zelfstandig oordelen en handelen ten opzichte van goed en kwaad omlijnd. In het vrije inzicht en aanvaarden van die mogelijkheid ligt de ontwikkeling op weg naar de mens.

Het ik, de eigenlijke geestelijke kern van de mens, is – zoals de waarneming laat zien ~ in een voortdurende strijd betrokken met het lichaam en de omgeving. Het gebied, waar dit plaats vindt, zou men het zielengebied van de mens kunnen noemen. De ziel is dan het verbindende element tussen buiten- en binnenwereld, tussen materie en geest, tussen lichaam en ik.

Laat ons nu nagaan, hoe het ik, de menselijke individualiteit, zich gedraagt in het verloop van het leven tussen geboorte en dood. Wij hebben geconstateerd, dat wij van geboorte tot dood steeds ziel zijn, steeds reageren vanuit ons innerlijk op de buitenwereld. Zijn wij ook steeds een ik, respectievelijk is ook steeds ons ik volledig aanwezig in ons lichaam? Wat doen bijvoorbeeld ons ik en wat wij ziel hebben genoemd, in de slaap? Wij moeten constateren, dat deze beide er dan niet zijn, zich niet in ons lichaam bevinden. Maar wij hebben beperkte reacties van onze ziel op invloeden van de buitenwereld, want wij kunnen worden wakker gemaakt. Bewustheid omtrent ons ik ontstaat echter slechts, als dit ik verbonden is met het lichaam. In de slaap ontstaat a.h.w. elke keer een hiaat in de continuïteit van ons bewustzijn, waarin wij met ons ik niet aanwezig zijn. Als wij evenwel ons hele leven overzien, dan worden wij gewaar, dat er toch een continuïteit in onze levensloop is, een biografische draad, die door ons leven heenloopt ondanks de schijnbare hiaten door de slaap in ons bewustzijn. Wij knopen met hetgeen er als de som van onze ervaringen van ons ik uit ons voorafgaande leven aanwezig is, ’s ochtends steeds weer aan op het punt waar wij ’s avonds wat ons bewustzijn betreft zijn opgehouden. Ons ik als de vergaarder van onze ervaringen moet dus de nacht hebben doorstaan, hoewel wij dat niet bewust beleefden en het niet met ons lichamelijk bestaan was verbonden.

De som van onze ervaringen, onze goede en verkeerde beslissingen en daden blijft in ons ik bewaard. Dit moet dus iets van voortdurende, eeuwige aard zijn. Wij mogen daarom veronderstellen, dat het ook over de dood heen blijft bestaan, dus ook wanneer het ons lichaam niet alleen gedurende de slaap korte tijd verlaat, maar als zich een duurzame scheiding van onze geestelijke kern van het lichaam voltrekt. Nu willen wij ons afvragen, hoe de omstandigheden zijn bij die andere hoeksteen van ons aardse leven, bij de geboorte. Als wij nauwlettender toezien merken wij, dat de graad van bewustheid omtrent het bestaan van ons ik gedurende ons leven zeer variabel is en in hoge mate afhangt van de leeftijdsfasen. Als kind en jong mens beseffen wij nog maar heel vaag en
onvolkomen wat ons in de bovenbedoelde zin tot mens maakt. Wij zien, dat ons ik-bewustzijn niet onmiddellijk bij de geboorte maar pas later, ongeveer vanaf het 2e-3e jaar en daarna heel langzaam ontwaakt. In de eerste levensjaren hebben wij in ’t geheel geen bewustzijn van ons ik, wij herinneren ons van die tijd ook niets. Geen bewustzijn van het ik te hebben betekent echter – zoals wij zagen – niet dat het ik als geestelijk wezen niet bestaat. Anders zou elke avond, als wij inslapen, ons ik moeten uitblussen en ’s ochtends, als wij ontwaken, opnieuw moeten ontstaan. Dit is stellig niet het geval zoals wij op grond van het gegeven van de continuïteit van onze biografie hebben gezien. Wij mogen daarom het bestaan van ons geestelijke wezen ook in de kindertijd tot aan de bewuste ervaring ervan veronderstellen en concluderen dat onze individualiteit ook vóór de geboorte, zelfs vóór de conceptie bestaat. Ons ik als een geestelijk wezen met continuïteit, voortduring, zelfs het kenmerk van eeuwigheid, kwam hierboven reeds ter sprake.

Wij spraken over een som van levenservaringen die ons ik gedurende het leven op aarde opdoet, over een som van oordelen, beslissingen en daden. Deze som van ervaringen, die men de kwintessens van ons aardeleven zou kunnen noemen, blijft – zoals wij zagen – na de dood bestaan, zij bepaalt de grond van rijpheid van ons ik. Wat wordt er nu verder uit die toestand van rijpheid van het ik? Niemand zal immers willen beweren, dat ons ik al zover gerijpt en ervaren zou zijn, dat het niet verder zou kunnen rijpen, niet nog meer levenservaringen zou kunnen opdoen. Zou de biografie van ieder van ons min of meer onvoltooid afbreken en in een soort van “niets” oplossen? Dan zou ons bestaan zinloos zijn!.

Als wij de uitgangspunten van onze biografie nagaan, onze begaafdheden die wij meekrijgen, onze gezonde of zieke constitutie waarmee wij geboren worden, het milieu en nog vele andere factoren die ons bij de geboorte omringen, dan moeten wij vaststellen dat wij eigenlijk onze levensloop uit heel verschillende “startblokken” beginnen. En als wij het verdere verloop van ons leven overzien met onze ontmoetingen, lotgevallen, successen, ons falen enz. dan kunnen wij wederom slechts vaststellen, dat er veel oneffenheden, ongerijmdheden, ook onrechtvaardigheden bestaan.

Waarom is dit zo? Bestaat er iets als een rechtvaardige wereldorde? Indien dit zo is, hoe passen de geconstateerde ongelijkheden daarin? Hoe is dat, als een onvoltooide biografie, de onrijpheid van het ik in een leven na de dood verder gaat in een voortgezette verandering en rijping van de opgedane levenservaringen tot aan het stadium, dat die levenservaringen, de verkeerde en juiste oordelen, de rechtvaardige en onrechtvaardige beslissingen, de schuld veroorzakende, respectievelijk slechte en goede daden door een rechtvaardige, ook rechtende wereldorde worden beoordeeld; als dit dan gedurende een verder levens-rijpingsproces in een nieuw aardeleven uitmondt en als zodanig de uitgangspositie oplevert voor de verdere vorming van het lot van het individu? Vanzelfsprekend moeten dan die uitgangsposities van de individuen verschillend zijn, heel verschillend dikwijls, afhankelijk van de vrucht van een vorig aardeleven. Pas op die manier wordt ook het in ieder mens diep verborgen verlangen gestild naar een orde scheppende gerechtigheid in de wereld. Slechts zo is ook werkelijk de continuïteit van het ik, waarvan hierboven sprake was, gegarandeerd. Niets gaat er verloren van hetgeen eens is bereikt. De mens als geestelijk wezen, als individualiteit, krijgt het kenmerk van eeuwigheid, maar niet in de betekenis van een duur zonder meer, maar van een onsterfelijkheid met de kenmerken van ontwikkeling en rijping, met de mogelijkheid hogere treden van het bestaan te vinden. De mens kan, zo gezien, werkelijk mens worden, een “wezen, aan God gelijk”, zoals de Bijbel als doel van de schepping vermeldt. Het wereldgebeuren wordt zinrijk en de rechtvaardigheid van een wereldorde daagt, waarin wij als mensen in die zin vrij kunnen worden, zoals hierboven is betoogd als mogelijkheid van de menswording.

De mens als lichamelijk wezen

In tegenstelling tot het eeuwigheidskarakter van ons ik heeft ons lichaam geen duurzaamheid; het is aan de vergankelijkheid onderworpen zoals al het aardse. Zijn bestaan is begrensd door de beide hoekpijlers van het aardse leven, geboorte en dood. Binnen deze beperking heeft het ook met een ontwikkeling te maken. Die bestaat uit een opgaande fase, waarin het lichaam groeit en zich ontplooit en in een neerwaarts gaande fase, waarin ouderdomsprocessen steeds meer de overhand krijgen. Bij nauwkeuriger toezien merken wij, dat deze opbouwende en afbrekende processen er al vanaf de geboorte zijn en gedurende de duur van het aardse leven bepalen hoe wij ons voelen. Wel is echter de intensiteit van opbouw en afbraak gedurende de afzonderlijke levensfasen verschillend. In de kinder- en jeugdjaren zijn de opbouwende krachten van ons lichaam zo intens, dat zij in hoge mate de afbrekende krachten overheersen, zodat wij die bijna niet merken. Pas langzamerhand beginnen – na een fase van evenwicht tussen beide krachten in het midden van het leven – de afbrekende ouderdomskrachten de overhand te krijgen, tot zij ten slotte in de ouderdom zo sterk de opbouwende krachten domineren, dat zij de dood van het fysieke lichaam veroorzaken. Er zijn dus in ons lichamelijk bestaan twee tegengestelde ritmen: grote intensiteit van de opbouwende krachten in het begin, langzamerhand intredende vermindering gedurende het leven tot aan het ophouden van de opbouw bij de dood; daar staat tegenover: geringe intensiteit van de afbraak bij de geboorte, toename daarvan gedurende het leven, grootste intensiteit daarvan ten slotte, eindigend met het absolute overwinnen van de opbouw in het ogenblik van de dood.

Als wij onze levensprocessen nog nauwkeuriger gadeslaan, dan zien wij dat aan dit grote ritme van ons lichaam gedurende het hele leven een kleiner ritme ondergeschikt is, waarin hetzelfde gebeurt, alleen niet tot in de consequentie van de dood: dat is het ritme van waken en slapen, het dag-nacht ritme met zijn korte fasen. Gedurende zijn verloop beschikken wij over veel opbouwende kracht ’s morgens als wij ontwaken uit de slaap. Hieraan teren overdag in toenemende mate afbrekende krachten, tot wij ’s avonds vermoeid de slaap zoeken om onze uitgeputte opbouwende krachten in de nacht te regenereren. Niet zonder reden noemde men vroeger de slaap de kleine broeder van de dood; men zei ook wel: de dood is een lange slaap, de slaap is een korte dood.
Wij ontdekken verder ook, dat er altijd een verheviging van afbraak- en vermoeidheidsprocessen in ons lichaam plaatsvindt – of anders gezegd, de vitale opbouwprocessen worden teruggedrongen – als wij met ons ik van ons lichaam bezit nemen, d.w.z. dat onze bewustzijnsprocessen toenemen, als wij “present” zijn. Gedurende de slaap zijn wij met ons ik en onze bewustzijnsprocessen buiten ons lichaam; dientengevolge hebben nu de in het lichaam werkzame opbouwkrachten de overhand en wij regenereren ons lichaam.

In het begin van ons leven zijn wij ons nog heel weinig bewust van ons lichaam en van de omgeving. Daardoor prevaleren de lichamelijke opbouw- en groeiprocessen. Op latere leeftijd zijn wij met ons ik, wat ons bewustzijn betreft, steeds meer aanwezig en worden de opbouw-, de regeneratieprocessen steeds meer teruggedrongen, tot wij in de dood in een hoger bewustzijnsproces belanden, nl. als onze lichamelijke levensprocessen het begeven.

Wij zien nu, dat levensprocessen, d.w.z. opbouw-, groei- en regeneratieprocessen aan de ene kant en bewustzijnsprocessen, d.w.z. afbraak-, afstervings- en doodsprocessen aan de andere kant een polariteit zijn. Bewustwording is een afbraak, een doodsproces dat zich slechts kan ontwikkelen ten koste van de groei- en regeneratieprocessen en omgekeerd.

Dit feit is een fundamenteel gegeven dat in de tegenwoordige materialistische wetenschap nog niet volledig ingang heeft gevonden. Want wat resulteert daaruit? Het inzicht, dat in de mens twee krachtrichtingen zijn: de ene, die de mens in zijn lichamelijk bestaan weliswaar opbouwt, hem evenwel niet tot bewustzijnsprocessen en dus tot inzichten – ook niet omtrent zijn eigen wezen – laat komen en een andere stroming van krachten, die hem in staat stelt, bewustzijn en dus ook inzichten te ontwikkelen, die evenwel tegelijkertijd het lichaam moet afbreken en vernietigen. M.a.w. bewustzijnsprocessen ontwikkelen zich nooit uit vitale opbouwprocessen via wat dan ook voor gecompliceerde processen van de materie, zoals tot dusver de wetenschap veronderstelt. Wij hebben een vitaal proces in ons lichaam, waarin de materie zich inpast en waardoor voeding, groei, regeneratie en reproductie kan plaatsvinden. Daar staat polair tegenover een geestelijk proces, dat vitaliteit afbreekt, materie vernietigt en in de vernietiging bewustzijn, ook zelfbewustzijn ontwikkelt. Beide polaire processen behoren bij het wezen van de mens en zijn in hun samen- en tegenwerking het spanningsveld van ons menszijn hier op aarde.

De bestemming van de mens-de mens als vrij wezen

Nu kunnen wij ons afvragen: waar ligt de oorsprong van de beide beschreven polen van het menselijke wezen? D.w.z. waar vandaan komt de mens als geestelijk en als ‘lichamelijk wezen?

Wij zagen de mens als geestelijk wezen: duurzaam eeuwig – een wezen, dat zich door verschillende aardelevens in een ontwikkelings-, d.w.z. rijpingsproces ter vervolkoming bevindt. Bij zijn oorsprong ontspruit dit geestelijke wezen, het ik van de mens, uit de vereniging met de goddelijke wereld van de Schepper, uit de godheid zelf, zoals dit in de verschillende mythologische scheppingsverhalen wordt beschreven.

In de Bijbel vinden wij de ons bekende scheppingsmythe. Daar wordt in grootse beeldentaal het oorspronkelijke één zijn van de mens met de hele schepping en de Schepper zelf in het beeld van het Paradijs verteld. Door de invloed van de Verzoeker maakt de mens zich dan los van die eenheid, wat tot gevolg heeft dat hij dan met de zintuiglijke wereld wordt geconfronteerd. De reeds beschreven tweeheid van goddelijk-geestelijke wereld enerzijds en de materiële zintuiglijke wereld anderzijds gaat zich manifesteren. De laatstgenoemde verschijnt daarbij als schepping uit de eerste. Het resultaat van deze scheiding is de dualiteit geest-materie, geest-natuur, geestelijke individualiteit- lichamelijk bestaan of hoe wij dit alles willen benoemen
Mythologisch in beelden, wordt dit proces van scheiding in de Bijbel als verstoting uit het Paradijs beschreven. Individualisering betekent hier: losmaking van een goddelijke vonk uit het algemeen-goddelijke, verzelfstandiging van een geestelijk deel, een ik. De vrucht daarvan is de mogelijkheid van individuele zelfstandigheid en vrijheid. Of dit ontwikkelingsmoment nu zo wordt uitgewerkt, dat het zich volledig naar de materiële wereld, d.w.z. de natuur, de fysieke dingen, het lichamelijke bestaan keert of dat het naar geestelijke gebieden streeft, is een bestanddeel en het eigenlijk kenmerk van de vrijheid. In onze tijd lijkt de mens, resp. de mensheid de voorkeur te geven aan de materiële wereld. Het is vanzelfsprekend dat dit problematische situaties veroorzaakt. Het zou wel eens een weg kunnen blijken, die niet is gebaseerd op een inzicht in wezenlijke realiteiten en die naar eenzijdigheden leidt. Dit beleven wij elke dag als wij niet blind zijn voor de werkelijkheid. Maar ook het streven naar een uitsluitend geestelijk bestaan zonder de materiële zintuiglijk wereld te willen leren kennen, zien wij in het streven naar het uitsluitend transcendente en ook in alles wat naar toestanden van de roes neigt. Dit nu, wat de fysieke gegevens negeert, moet echter in illusies uitmonden. Wij vinden maar al teveel voorbeelden hiervan in onze huidige omgeving.

Op grond van deze gezichtspunten ontdekken wij een nieuwe weg voor ons menselijke streven, die de beide genoemde mogelijkheden in hun polariteit tot een evenwicht, maar ook in de zin van Goethes zienswijze tot een intensivering leidt. Hier gaat het erom, dat vooreerst de mogelijkheid om vrijheid te vinden, die door de individualisering van het geestelijke principe in het ik werd veroverd, volledig wordt gerealiseerd: hier sta ”ik”, uniek in de wereld, met alle mogelijkheden vrij te zijn. Ik kan nu – potentieel- die vrijheid egoïstisch gebruiken, d.w.z. tegen mijn medemensen, tegen de natuur. M.a.w.: ik kan macht uit de vrijheid ontwikkelen, bijvoorbeeld dictator, tiran of iets dergelijks worden.

Ik kan de schepping uitbuiten, alles in dienst stellen van mijn machtswellust, mijn egoïsme. Ik kan zelfs zover gaan, dat ik mijzelf, de mensheid, de aarde vernietig.

Ik kan echter ook vanuit het besef, hoe groots de idee van de vrijheid is, zeggen: ik beleef mijzelf in mijn waardigheid als geïndividualiseerd geestelijk wezen, als een ”ik” en handel uit het volle bewustzijn van die vrijheid. Ik besef, dat ik een goddelijke vonk bezit: mijn ik dat mij tot mens maakt. Die goddelijke vonk is geboren uit het geestelijke, is daaruit geïndividualiseerd. Ik heb door dat proces de verbinding (de religio) met de godheid verloren, ben eenzaam en geïsoleerd geworden. Met mij zijn op dezelfde wijze de andere mensen, “door God verlaten geworden”, zij hebben de verbinding met de geest verloren. Met ons is de gehele materiële wereld zelfstandig, materie geworden. Ik wil nu bewust, uit vrijheid een weg zoeken die mij weer naar een verbinding met het geestelijke leidt, mij weer in een goddelijk-geestelijke wereld laat binnengaan, nu echter in het volle bezit van mijn geïndividualiseerde geestelijke wezen, van mijn ik, van mijn vrijheid. Maar ik wil niet de aarde, de mij omringende natuur de rug toekeren om dwepend in iets geestelijks te verdwijnen, maar ik wil de aarde volledig accepteren doordat ik haar beleef als goddelijke schepping. Ik wil van haar aanvaarden, wat ik voor de instandhouding van mijn lichaam, voor de bevrediging van mijn lichamelijke behoeften nodig heb, zonder evenwel in egoïstische uitbuiting te vervallen. Ik wil de aarde verzorgen en haar als milieu beschermen en als waardig goddelijk schepsel cultiveren. Dit is ons mensen toevertrouwd als grondslag voor ons fysieke bestaan, niet in de zin van door macht afgedwongen uitbuiting, maar als een plaats waar een krachtige uit de geest en het wezen van de mens ontsproten cultuur kan gedijen.

In de vervulling van zo’n taak word ik waarlijk vrij, vind ik mijn bestemming als vrij mens. Niet macht is dan mijn doel, maar besef en liefde en vanuit die beide: ontwikkeling van vernieuwende impulsen. Ik besef: uit de geest ontwikkelde de mens, de mensheid zich om zelfstandigheid en vrijheid van het eigen geestelijke wezen te veroveren. Vanuit die vrijheid zoekt de mens bewust het geestelijke wederom waarbij zijn geïndividualiseerde geestwezen ten volle behouden blijft. In liefde neemt hij op die tocht de hem omringende schepping van de materiële wereld mee, die hem de basis schenkt voor zijn lichamelijke bestaan.

De beantwoording van de vraag naar de oorsprong van de mens als lichamelijk wezen is allicht gemakkelijker dan de vraag naar zijn oorsprong als geestelijk wezen.

Wij hebben gezien, dat ons lichaam vergankelijk is, niet duurzaam bestaat. Het is niet moeilijk in te zien, dat een levend wezen steeds een ander op aarde levend wezen nodig heeft, dat hem in de tijd voorgaat en waaruit hij ontstaat of waarvan hij afstamt. Al het levende ontstaat slechts uit het levende, d.w.z. het ene lichaam uit het andere. Dit is een feit, dat zich dagelijks op duizendvoudige wijze om ons heen sinds onheuglijke tijden voltrekt, ieder kan het waarnemen. En juist dit een ieder bekende feit staat in de meest krasse tegenstelling tot de verklaring van de materialistische wetenschap omtrent het ontstaan van het leven, van de levende lichamen. Vanzelfsprekend neemt ook een materialistisch georiënteerde wetenschapper het door ons genoemde feit waar, dat al het leven slechts van iets levends afstamt. Als het echter erop aankomt, het ontstaan van het allereerste leven te verklaren, vindt hij plotseling een hypothetische “generatio spontanea” uit, een soort van theoretische oer-verwekking, volgens welke uit de oorspronkelijk aanwezige, levenloze materie – iets anders kan de materialist zich niet voorstellen – door een hoogst gecompliceerde, maar totaal onduidelijke en onverklaarbare samenbundeling, of wat voor complicatie dan ook, het leven zou zijn ontstaan. Wat een merkwaardige, wonderlijke, maar totaal onlogische en bovenal elke wetenschappelijke denktrant tegensprekende zienswijze! Een zienswijze, die juist die wetenschappelijke denktrant weerspreekt, die slechts wil laten gelden, wat uiterlijk zintuigelijk kan worden waargenomen. Waargenomen echter kan worden, dat materie, dode materie, altijd ontstaat als het leven zich daaruit terugtrekt, dus wanneer zich een doodsproces voltrekt. Nooit en te nimmer heeft men gezien, dat iets doods, iets wat levenloos is, plotseling uit zichzelf ging leven!

Waarneembaar is ook, dat een levend organisme dode stof, bijvoorbeeld mineralen, opneemt en deze – doordat het leeft – integreert, met leven doordringt, tot levende organische substantie maakt. Dit proces volbrengen wij voortdurend, bijvoorbeeld in onze stofwisseling.
Hiervoor geldt evenwel als voorwaarde, dat er eerst een levend organisme moet zijn dat de dode materie met leven doordringt. Als het leven zich terugtrekt ontstaat dode, levenloze substantie.

Wanneer het leven zich uit een gevormd organisme losmaakt, dan blijft er voorlopig iets over wat wij een lijk noemen, dat zich na verloop van tijd in de levenloze natuur oplost. Door deze observaties zijn wij in onze gedachtegang bij twee polariteiten aangekomen: wij hebben aan de ene kant de polariteit dode materie-levende, door het leven gegrepen materie ontdekt, aan de andere kant hebben wij de polariteit levende materie-gevormde materie gevonden. Omtrent beide polariteiten hebben wij ons hierboven reeds een inzicht verschaft. Wij hebben ons bezig gehouden met het proces dat dode materie in het gebied van het leven wordt opgenomen. Met betrekking tot de polariteit levende materie-gevormde materie hebben wij gezien, dat vormgevende processen altijd afbraakprocessen zijn, d.w.z. processen die het levende, de opbouw afremmen tot een zeker eindpunt. In dit verband is dat een vorm, een gestalte. Leven en gestaltevorming, levend-opbouwende en gestalte gevende, afbrekende processen staan polair tegenover elkaar. Zij bepalen als zodanig onze lichamelijke constitutie. Als zij in evenwicht zijn voelen wij ons gezond; als in de krachtsverhouding de ene of de andere kant domineert, dan voelen wij ons in een onevenwichtigheid betrokken, wij worden ziek. Voortdurend moeten wij in ons aardeleven naar het evenwicht van beide krachten, die van het leven en die van de vormgeving, van de opbouw en van de afbraak zoeken. In het bereiken, respectievelijk het steeds weer opnieuw uitbalanceren van dit evenwicht ligt ook een van de bedoelingen van ons bestaan op aarde.

Wij kunnen op grond van het voorafgaande nu zeggen: in het aardse gebied geboren worden betekent voor het geestelijke wezen van de mens, dat hij zijn geestelijke vaderland, de wereld van de goddelijke oorsprong, verlaat. Zo gezien sterft de mens voor de geestelijke wereld als hij fysiek wordt geboren. De fysieke dood daarentegen leidt het geestelijke wezen “mens” weer terug naar zijn eigenlijke vaderland. De mens wordt voor de geestelijke wereld opnieuw geboren als hij fysiek sterft. De scheiding van het geestelijke vaderland is evenwel noodzakelijk als het menselijke wezen zelfstandigheid en vrijheid wil verkrijgen. Een dergelijke ontwikkeling kan echter alleen in deze aardse wereld plaatsvinden. Geboorte en dood, zo gezien, zijn dus in de ene en in de andere richting gebeurtenissen die door goede machten in de wereld werden geplaatst om de mens de mogelijkheid te schenken dat hij zijn wezen ontwikkelt en vervolmaakt. Zonder geboorte en dood zou er ook geen opstanding zijn. Als wij dit inzien en aanvaarden kunnen wij met Goethe met betrekking tot de zin van ons bestaan op aarde en onze ontwikkeling als aardeburgers zeggen:

”Und so lang du das nicht hast,
dieses Stirb und Werde,
bist du nur ein trüber Gast
auf der dunklen Erde”

Zolang je deze wijsheid niet bezit:
sterf om te worden,
ben je slechts een trieste gast,
op deze donkere aarde.
(bron)

Wij verwijzen ook naar het boek van de auteur ”Die Geburt der Individualitat”, waaraan het bovenstaande – door de schrijver voor de Weleda Berichten bewerkt en aangevuld – is ontleend.

De publicatie is verschenen bij Verlag Urachhaus, Stuttgart.

.

Algemene menskunde: voordracht 1: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2762-2591

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-3-1-3)

.

Dr. Siegfried Gussmann, Weledaberichten 140  dec. 1986
.

GEDACHTEN OVER REÏNCARNATIE
.

Hoe komt het, dat zoveel mensen de reïncarnatiegedachte tot de hunne maken? Heeft men hier te maken met invloeden van oosterse opvattingen? Maar zelfs als dat zo zou zijn, dan moet men wederom vragen: hoe komt het dat deze idee in onze tijd [art. in 1986 geschreven] door zovelen wordt overgenomen? Kennelijk raakt zij een probleem, dat in het onderbewustzijn (of het bovenbewustzijn?) van veel tijdgenoten leeft: de vraag naar het vanwaar en waarheen van de persoonlijkheid. Men heeft lange tijd gemeend dat de idee van de reïncarnatie een wereldbeschouwelijk of theologisch probleem was. Pas sinds ongeveer dertig jaar [art. in 1986 geschreven] begint die mening allengs te veranderen en men gaat inzien, dat de reïncarnatie-idee een vraagstuk van de menskunde is. Hierop hebben vooral Rudolf Steiner en Rudolf Bubner gewezen. Elke tulp stamt af van andere tulpen; zij ontplooit zich dan zoals het milieu, het klimaat en de tuinman dat mogelijk maken. Elke merel stamt af van andere merels; hij leeft dan op de manier zoals de merelsoort dat doet. De erfelijkheidswetten van planten en dieren zijn nauwkeurig onderzocht en worden ook praktisch toegepast. Zij gelden ook voor de mens voor zover in hem de wetmatigheden van de planten- en dierenwereld gelden. Maar bij de mens komt er iets wezenlijk nieuws bij: zijn wezen. In al de gegevens van erfelijkheid en milieu wil onze wezenlijke kern tot uitdrukking komen. Wij leven niet alleen het leven dat voor de menselijke soort typisch is. leder probeert ook, zijn absoluut eigen privéleven te leiden; ieder heeft zijn eigen biografie, zijn eigen lot. Wat ons lichaam betreft stammen wij af van onze ouders. Ook het natuurlijke en sociale milieu drukken hun stempel op ons. Waar vandaan echter stamt de kern van onze persoonlijkheid? Hier kan de vraag rijzen: hebben wij in een vorig leven de oorzaken geschapen waarvan de gevolgen in ons huidige leven gunstig of belemmerend als ons lot op ons afkomen? Hiermee wordt bedoeld, dat de mens in zijn vorig bestaan zélf het lot heeft gevormd dat hij in een volgend leven op aarde aantreft. Is hierdoor niet ook de verantwoording, die wij door ons tegenwoordige handelen op ons nemen, in een veel groter, wijder verband te zien dan wanneer wij die verantwoording alleen maar tot ons huidige bestaan beperken? Men kan zich denkend met de idee van de reïncarnatie bezighouden en dan nagaan of door die idee vragen worden beantwoord die anders raadselen zouden moeten blijven; hoe het bijvoorbeeld gesteld is met een chronische ziekte, waaraan iemand zijn leven lang lijdt, die de arts misschien kan verzachten, maar toch niet geheel kan genezen. Wie aan een chronische ziekte of een gebrek lijdt, waarvoor in dit leven geen genezing mogelijk is, kan zich afvragen: welke vermogens verkrijg ik, doordat ik met deze belemmering een leven lang mijn ervaringen opdoe? [1] De idee van de reïncarnatie, objectief en nuchter doordacht, kan op die manier in menige levenssituatie hulp bieden. In het Duitse geestesleven heeft Gotthold Efraim Lessing onmiskenbaar voor deze idee gekozen. Aan het slot van zijn “Opvoeding van het mensengeslacht” zegt hij: “Waarom zou ik niet zó dikwijls terugkeren als ik in staat ben, mij nieuwe inzichten en vaardigheden te verwerven? Verover ik mij in één keer zoveel dat het niet de moeite waard zou zijn terug te komen?”

.

[1] Regelmatig kun je in allerlei artikelen lezen hoe mensen met een ziekte, een handicap omgaan en welke gedachten ze daarbij ontwikkeld hebben.
Zo schrijft Willem Philipsen n.a.v. een herseninfarct het boek: ‘Met de stroom mee‘’.

In ‘Mezza’ van 6 juni 2021 wordt hij geïnterviewd.
In zijn boek schrijft hij dat hij zichzelf op een andere manier heeft leren kennen, dat hij andere kanten en talenten van zichzelf heeft ontdekt. ‘Ik heb geleerd mijn ogenschijnlijke zwakte om te zetten in kracht.

Mijn herseninfarct heeft me meer gebracht dan het me heeft afgenomen. Als ik terugkijk op mijn leven als muzikant, dan was dat een eenzijdig leven, met oogkleppen op. Ik heb een nieuwe carrière opgebouwd. Door het delen van mijn verhaal hoop ik mensen te motiveren en inspiratie te geven om hun eigen leven opnieuw vorm te geven.’«

In ‘Mezza’ van 19 april 2025 gaat het over een relatie. De vriend krijgt een ongeluk, de vriendin blijft voor hem zorgen: Het herstel ging langzaam. Door het hersen­letsel, dat blijvend is, voelt Thomas minder remmingen. Ging het een tijdje beter met hem, dan werd hij onvoorzichtig en viel hij, waardoor hij weer terug bij af was. In 2019 had hij voor het laatst een ernstig ongeluk en sindsdien zit hij in een rolstoel.

Ik werd er radeloos van. Na het laatste ongeluk knapte er iets in mij. Ik realiseerde me dat ik te veel leunde op de verzorgende rol. Het gaf me houvast, maar het maakte me niet gelukkig. Toen ik me dit realiseerde, ben ik meer gaan nadenken over waar ik zelf behoefte aan heb. Wat maakt mij gelukkig? Door veel te praten, elkaar opnieuw te leren kennen en stil te staan bij alles wat we samen hebben meegemaakt, zijn we er krachtiger uitgekomen. Ik ben beter voor mezelf gaan zorgen. En we hebben gezorgd voor meer hulp, zodat wij gelijkwaardige partners kunnen zijn. Ik realiseerde me dat ik altijd bij hem ben gebleven, omdat de liefde tussen ons heel diep zit en dwars door alles heen gaat. 2019 voelt als een nieuw begin voor ons. Iets wat we hebben bezegeld door te trouwen.

We hebben, ondanks alle fysieke uitdagingen, een heel fijn leven samen. Kinderen en een carrière, dat zijn dingen die er allemaal niet in hebben gezeten voor ons. Het leven zoals het nu is, is al uitdagend genoeg. Toch had ik deze man en alle levenslessen die we hebben geleerd, voor geen goud willen missen. Het heeft het beste in ons naar boven gehaald.’

Literatuur:

R. Frieling: Christendom en reïncarnatie, Uitg. Christofoor
Lessing: De opvoeding van de mensheid
Steiner o.a.: Theosofie

G. Adler: Seelenwanderung und Wiedergeburt, Herderbücherei
E. Bock: Wiederholte Erdenleben, Verlag Urachhaus
R. Bubner: Evolution, Reinkarnation, Christentum, Verlag Urachhaus
H. Torwesten: Sind wir nur einmal auf Erden?, Herder Verlag

Boeken bij ABC Boeken

Algemene menskunde voordracht 1: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2761-2590

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin (2-5/2)

.

Dr.Med. Olav Titze, Weledaberichten

.

HUID EN ORGANISME
.

De huid met haar uitlopers, de haren en de nagels, is in menig opzicht een spiegel van de functies van de inwendige organen. Men denke bijv. aan geelzucht bij leverinfecties, het bruin worden van de huid bij ziekten van de bijnieren, het nachtelijk transpireren bij ernstige hartkwalen, acnepuistjes in de puberteit en furunculose bij suikerpatiënten.

De huid weerspiegelt echter ook psychische toestanden: het verbleken als men schrikt, blozen als men zich schaamt. Hier blijkt de relatie met de bloedcirculatie.

Maar de huid is ook een orgaan met een speciale anatomische bouw en als zodanig behoort zij bij het zenuw-zintuigstelsel van de mens. Zij is immers van ontelbare zintuigcellen voorzien en kan ons daardoor via de tast- en warmtezin de buitenwereld laten gewaar worden.

Op die manier heeft de huid met alle drie systemen van functies bij de mens te maken; zij oefent tevens een eigen beschermende rol uit doordat zij de schadelijke invloeden van de buitenwereld afweert. Daarbij ondersteunt zij als zintuig deze taak, wanneer bijv. de tast- en warmtewaarnemingen door de overgang naar pijn gevaar signaleren.

Er zijn slechts weinig substanties die de gezonde huid kunnen doordringen. De huid van de zuigeling vormt in dit opzicht een uitzondering. Deze is nog bijna slijmvlies. Daarom is het vooral bij de verzorging van de zuigeling van belang, de middelen daarvoor uiterst zorgvuldig te kiezen. Dit geldt ook in het bijzonder bij acute huidontstekingen, als dientengevolge de huid haar beschermende functie verliest en zij doorlaatbaar wordt voor medicamenten.

De werkingen via de huid op het organisme zijn over het algemeen reactief. Als men bijv. een warme kruik op de buik legt om maag- of darmkrampen te verhelpen, dan werkt in zo’n geval de uitwendige warmte niet rechtstreeks, maar de uitwendige warmteprikkel heeft een reactie in het organisme tot gevolg, d.w.z. de onder de verwarmde plek liggende organen worden van meer bloed voorzien. Het tegengestelde gebeurt bij de toepassing van koude, bijv. als een blindedarmontsteking met een ijszak wordt behandeld.

De uitwendige toepassing van warmte kan versterkt worden door substanties die zelf een bijzondere relatie met de warmte hebben. Dat zijn de oliën en vetten. Zij kunnen ertoe bijdragen om de afkoeling van het organisme tegen te gaan. De Inuit bijv. wrijven zich bij zeer lage temperaturen in met olie. Vetrijk voedsel met zijn hoge waarde aan energie zorgt ervoor dat wij het ’s winters niet zo snel koud hebben. Aan het ontstaan van plantaardige oliën en vetten liggen intensieve warmteprocessen ten grondslag. Door de zonnewarmte kunnen immers in zaden en vruchten deze substanties als een uiting van rijpingsprocessen ontstaan.

De meestal sterk geurende etherische oliën doen hun invloed niet alleen via de huid maar ook via de ademhalingswegen gelden. De etherische lavendelolie [1] bijv. voelt men enerzijds als verwarmend, anderzijds – doordat men de kalmerende geur inademt – als rustgevend en ontspannend. De etherische rosmarijnolie daarentegen is stimulerend en opwekkend. De zeer vluchtige eucalyptusolie veroorzaakt nog in een tienvoudige verdunning een verkoelende prikkeling op de huid. Deze olie werkt via de ademhalingsorganen veel sterker dan via de huid.

De werking van koude kompressen, zoals die bijv. bij schedelkwetsuren en hersenschudding worden toegepast, kan worden versterkt door arnica [2]. Deze gedijt in het hooggebergte, in de kiezelrijke, schrale bodem van de formaties van het oergesteente. Er is nauwelijks een plant, die op zoveel manieren kan worden toegepast bij beschadigingen van de huid, o.a. als verdunde essence in een verkoelend kompres (1 eetlepel op ¼ l. water) of ook als zalf bij builen. In olie verwerkt vindt arnica bij vele reumatische klachten toepassing als toevoeging aan het bad.

Men kan echter niet alleen door middel van prikkels van warmte of koude, al of niet met behulp van bepaalde toevoegingen van medicamenten, invloed uitoefenen op het organisme, maar ook door gedoseerde en op de juiste plaats toegebrachte pijnlijke prikkels: op die manier kan men bijv. pijnlijke ontstekingen van de bijholten van de neus verzachten door de brandende pijn, die men met behulp van een mosterdkompres beneden aan de kuit opwekt, d.w.z. aan de tegenpool van het ziekteproces.

Via de huid beïnvloeden baden het gehele organisme; een warm bad kan de uitscheiding stimuleren en krampen oplossen. Etherische oliën, toegevoegd aan het badwater, hebben bovendien een werking via de ademhalingsorganen en de reukzin. Warme baden moeten echter worden ontraden, bij bijv. hart- en vaatziekten en aderontstekingen. Koude baden zijn verkwikkend en gaan de neiging tot verkoudheid tegen, bijv. bij kinderen die een lymfatische constitutie hebben. Natuurlijk moeten zij na het bad weer flink warm worden. De werking van een koud bad wordt verhoogd door er zout aan toe te voegen.

Zalven of oliën worden ingewreven door massage. Lichte massage verschaft ontspanning en rust. Krachtige massage is opwekkend en bevordert de bloedcirculatie. Pijnlijke benen met stuwingen in de aderen moeten heel zachtjes worden gemasseerd; door eenzijdige beweging stijf geworden spieren daarentegen moeten met massageolie stevig worden behandeld om het doorstromen van het bloed te bevorderen.

Samenvattend kan worden gezegd, dat de werkingen via de huid – op enkele uitzonderingen na – op het totale organisme hierin bestaan, dat de zintuigfunctie van de huid op vele manieren kan worden gestimuleerd. Het organisme geeft dan een soort antwoord: op een prikkel door middel van warmte volgt een sterker stromen van het bloed; prikkels door middel van koude bewerken het tegendeel daarvan, terwijl pijn op de ene plaats door een andere prikkel naar elders kan worden verplaatst. Geneesmiddelen kunnen deze zintuigprikkels op allerlei manieren versterken.

[1] Voor allerlei oliën: zie Weleda
[2] Arnica bij Weleda

.

Zintuigen: alle artikelen  zie voor de huid onder tastzin

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

.

2760-2589

.

.

.

.

..

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304A – voordracht 3

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER

GA 304A

 Anthroposophische Menschenkunde und Pädagogik

9 openbare voordrachten gehouden tussen 25 maart 1923 en 30 augustus 1924 in verschillende steden.

Vertaling

Antroposofische menskunde en pedagogiek

In de Gesamt-Ausgabe GA 304A is geen inhoudsopgave weergegeven voordracht 1: Pädagogik und Kunst – Stuttgart 25 maart 1923 is uitgegeven bij uitgeverij Pentagon, samen met voordracht 2: Pädagogik und Moral -Stuttgart 26 maart 1923 – onder de titel: Pedagogie, kunst en moraliteit

Inleidende woorden bij een euritmieopvoering 27 maart 1923
Voordracht [4]  [5] [6] [7] [8] [9]

(Eigen) inhoudsopgave voordracht 3

‘Pädagogik’ kan worden vertaald met pedagogie én pedagogiek. De laatste is de ‘leer’ en de eerste ‘de praktijk’ van de opvoeding. Wat Steiner met ‘Pädagogik’ bedoelt is het samengaan van beide. Daarom is het m.i. niet nodig in vertalingen van zijn pedagogisch werk daarin een onderscheid te maken. Ik gebruikte beide opvattingen door elkaar. Vandaar ook in de titel (pedagogie(k)
Je kan direct doorlinken naar de pagina. Woord met bredere s p a t i e

Blz. 60: kan een wereldbeschouwing vruchtbaar zijn voor de pedagogie? Antroposofie wil geen wereldbeschouwing zijn, maar de mens beschrijven zoals hij is, wat daaruit volgt voor de opvoeding, is een vanzelfsprekendheid.
Blz. 61 e.v.: antroposofie wil vruchten kunnen afwerpen voor de opvoeding en het onderwijs: niet een of andere hobby zijn.
Blz. 63 e.v.: grote kloof tussen materialisme en geesteswetenschap, zichtbaar in theorie en praktijk van het leven;
Blz. 65 e.v.: het zich ontwikkelende kind waarnemen; de geest aan het werk zien, respect voor die scheppende wereld;
Blz. 67 e.v.: ontstaan experimentele psychologie; van buitenaf kijken, of innerlijk waarnemen;
Blz. 68 e.v.: over Ernst Mach, hoe deze de wereld zag en waarom; over ether- en astraallijf;
Blz. 71 e.v: de scholingsweg geeft je andere inzichten en doet je anders in het leven staan;
Blz. 75 : voorstellen, geheugen en groei; onderwijsvernieuwing kan niet zonder nieuwe menskunde;
Blz. 76: er is geen antroposofische pedagogie om wille van de antroposofie, maar om wille van vernieuwde opvoeding en onderwijs.

Blz. 60

Voordracht 3, Dornach 30 juni 1923   (deel 1 van 2)

Warum eine anthroposophische Pädagogik?

Meine sehr verehrten Anwesenden, es gereicht mir zur großen Befriedi­gung, wiederum zu Lehrern über ein pädagogisches Thema heute und morgen sprechen zu können, und ich möchte insbesondere neben allen übrigen heute anwesenden Mitgliedern die anwesenden Lehrer aufs herzlichste begrüßen.
Sie werden begreifen, daß angesichts des Umstandes, daß die aus der Anthroposophie hervorgegangene Pädagogik im Wesen nichts Theoreti­sches, nichts irgendwie Utopistisches, sondern eine wirkliche Praxis ist, man gerade aus diesem Grunde in zwei kurzen Vorträgen nur einige Gesichtspunkte angeben kann. Ich habe mir ja erlaubt, als eine Ver­sammlung schweizerischer Lehrer vor kurzem einmal längere Zeit hier anwesend war, in einer ausführlicheren Weise, aber noch immer in einer zu kurzen Art, über anthroposophische Pädagogik zu sprechen. Da war es schon möglich, weil es in der Praxis so vielfach auf Einzelheiten ankommt, die Dinge besser zu behandeln, als das in zwei kurzen Vorträgen möglich ist. Aber ich werde mich bemühen, in diesen kurzen Vorträgen wenigstens einige Gesichtspunkte zu entwickeln gerade mit Bezug auf die Frage, in die ich das Thema hinein formuliert habe:

WAAROM EEN ANTROPOSOFISCHE PEDAGOGIEK?

Zeer geëerde aanwezigen, ik voel me er heel gelukkig mee dat ik vandaag en morgen weer tot leraren kan spreken over een pedagogisch thema en ik zou graag in het bijzonder, naast alle andere aanwezige leden, de leerkrachten die nu hier zijn, hartelijk welkom willen heten.
U zal begrijpen dat met het oog op de omstandigheid dat de pedagogie die voortkomt uit de antroposofie in wezen niets theoretisch, niet iets utopisch of iets dergelijks is, maar een daadwerkelijk praktische en dat je daarom in twee korte voordrachten maar een paar gezichtspunten kan belichten. Toen hier een een poosje geleden voor langere tijd een groep Zwitserse leerkrachten aanwezig was, heb ik me veroorloofd om uitvoerig, maar toch altijd nog te kort, over antroposofische pedagogie te spreken. Het was toen wel mogelijk, omdat het in de praktijk zo vaak op de details aankomt, de dingen beter te behandelen dan in twee korte voordrachten mogelijk is. Maar ik zal mijn best doen in deze korte voordrachten op z’n minst een paar gezichtspunten uit te werken vooral met het oog op de vraag die ik in het thema verwerkt heb:

«Wozu eine anthroposophische Pädagogik?»
Diese Frage muß ja aus den verschiedensten Gründen auftauchen. Schon darum muß sie auftauchen, weil ja Anthroposophie sehr häufig heute noch als irgend etwas Sektiererisches genommen wird, als irgendeine aus der menschlichen Willkür hervorgegangene Weltanschauung. Da frägt man sich dann: Darf denn Pädagogik durch eine bestimmte Weltanschauung beeinflußt werden? Kann man sich etwas Fruchtbares davon versprechen, daß ein Weltanschauungs-Standpunkt irgendwie pädagogische Konsequenzen aus sich heraus zieht? Wenn diese Frage berechtigt wäre, so gäbe es wahrscheinlich das nicht, was man anthropo­sophische Pädagogik nennen kann.
Es ist ja allerdings so, daß die verschiedenen Weltanschauungen, die

‘Waarom een antroposofische pedagogie?
Deze vraag moet wel ontstaan om velerlei redenen. Alleen al, omdat de antroposofie tegenwoordig nog heel vaak als iets sektarisch wordt gezien, als een of andere wereldbeschouwing die door menselijke willekeur is ontstaan. M a g pedagogie door een bepaalde wereldbeschouwing beïnvloed worden? Kan er uit een wereldbeschouwelijk standpunt iets vruchtbaars ontstaan als daar pedagogische consequenties aan verbonden worden? Als deze vraag te rechtvaardigen zou zijn, zou er waarschijnlijk niet zoiets zijn dat je antroposofische pedagogie kan noemen.
Het is zeker zo, dat de verschillende wereldbeschouwingen die

Blz. 61

vorhanden sind, auch über das Erziehungswesen diese oder jene Ansich­ten entwickeln, diese oder jene Forderungen aufstellen. Und man merkt überall diesen oder jenen Weltanschauungs-Standpunkt hindurch.
Das gerade soll bei der anthroposophischen Pädagogik eben ganz unmöglich sein, und ich darf gleich einleitend vielleicht vorausschicken, daß wir ja seit nun schon einer Reihe von Jahren in Stuttgart versucht haben, eine Volks- und auch höhere Schule im Sinne dieser anthroposo­phischen Pädagogik einzurichten, und daß es gewissermaßen dort unser Ideal ist, daß die Dinge so natürlich und selbstverständlich im Einklang mit der ganzen Menschenwesenheit und ihrer Entwickelung vor sich gehen, daß gar niemand auf den Gedanken kommen kann, da sei irgendeine anthroposophische Idee verwirklicht, daß gar niemand eigentlich etwas merken kann davon, daß irgendein Weltanschauungs­Standpunkt da zur Offenbarung kommt. Das was ich in dieser Richtung zu sagen habe, hängt ja allerdings damit zusammen, daß man mit Bezug auf Dinge, die man in der Welt vertritt, nun einmal genötigt ist, einen Namen zu gebrauchen.

er bestaan, ook over de opvoedkunde bepaalde opvattingen ontwikkelen, bepaalde eisen formuleren. En in alles vind je wel het s t a n d p u n t van die wereldbeschouwing terug.
Maar juist dat moet bij de antroposofische pedagogie dus niet mogelijk zijn en ik mag meteen wel als inleiding naar voren brengen dat wij al een aantal jaren op vrijeschool in Stuttgart geprobeerd hebben, een basis- en een middelbare school in te richten vanuit deze antroposofische pedagogie. En in zekere zin is het ons ideaal dat deze dingen zo natuurlijk en vanzelfsprekend overeenstemmen met het hele wezen mens en zijn ontwikkeling en dat niemand op de gedachte kan komen dat er een of ander antroposofisch idee verwezenlijkt wordt, dat er dus niemand iets van kan merken dat daar een of andere wereldbeschouwing aan het licht treedt. Wat ik, wat dit betreft, daarover wil zeggen, hangt er duidelijk mee samen dat je met het oog op de dingen waar je in de wereld voor staat, nu eenmaal een naam moet gebruiken.

Aber ich kann Ihnen die Versicherung geben, mir wäre es das Allerliebste, wenn das, was hier am Goetheanum vertreten wird, keinen Namen brauchte, wenn man es einmal so und einmal so nennen könnte, weil es sich hier nicht um eine Summe von Ideen handelt, wie sie gewöhnlich eine Weltanschauung bilden, sondern weil es sich hier um eine gewisse Forschungsart und Lebensbetrachtung handelt, die von den verschiedensten Seiten her in der verschiedensten Weise benannt werden kann. Und eigentlich führt bei der Art, wie man Namen gewöhnlich nimmt, jeder Name irre. Ich möchte mich darüber ganz trivial ausdrücken, aber Sie werden mich verstehen.
In bezug auf solche Dinge, wie Namen für geistige Strömungen, ist ja die Menschheit heute noch nicht viel weiter, als sie vor vielen Jahrhun­derten in Europa war mit Bezug auf Namengebung überhaupt. Heute hat man allerdings für die Namengebung bei Menschen das Nötige, was zu vergessen ist, vergessen. Wie gesagt, ich will mich ganz trivial ausdrücken.
Es hat einen Sprachforscher gegeben, einen berühmten Sprachfor­scher, er hieß Max Müller. Nehmen wir einmal an, jemand hätte gesagt, da und dort wohnt der Müller, und hätte damit die Wohnung des

Maar ik kan u wel verzekeren dat het mij het liefst is, dat waar we hier in het Goetheanum voor staan, helemaal geen naam nodig zou hebben; dat je het dan eens zus en dan eens zo zou kunnen noemen, omdat het hier niet om een optelsom van ideeën gaat die gewoonlijk een wereldbeschouwing vormen, maar  om een bepaalde manier van onderzoek en levensbeschouwing die van de meest verschillende kanten op de meest verschillende manieren benoemd kan worden. En eigenlijk leidt op de manier zoals men namen meestal neemt, iedere naam in een verkeerde richting. Dat wil ik heel alledaags onder woorden brengen, maar u begrijpt mij wel.
Met die dingen, zoals namen voor geestelijke stromingen, is de mensheid in Europa tegenwoordig nog niet veel verder dan eeuwen geleden en dat betreft ook het geven van namen in het algemeen. Tegenwoordig is in ieder geval wat de naamgeving bij mensen betreft, het nodige wat vergeten kan worden, ook vergeten. Zoals gezegd, ik druk me alledaags uit.
Er is een taalonderzoeker geweest, een beroemde, nl. Max Müller. Laten we eens aannemen dat iemand zou hebben gezegd dat daar of daar deze Müller woont en 

Sprachforschers Max Müller gemeint, und jemand hätte dann im Hin­blick auf das Wort Müller dem betreffenden Sprachforscher Getreide gebracht, daß er es mahlen solle – weil man ihm gesagt hatte, da wohne der Müller. Nicht wahr, bei Menschen sind wir bereits gewöhnt worden, nicht allzuviel auf die Wortbedeutung der Namen zu geben. Bei solchen Dingen, wie geistige Strömungen, tut man das heute noch. Man küm­mert sich oftmals nicht viel um die Dinge und analysiert, wie man sagt, den Namen «Anthroposophie». Man deutet den Namen und macht sich daraus eine Vorstellung.
Aber gerade so viel, wie das Wort Müller für den Sprachforscher Max Müller bedeutet, bedeutet das Wort Anthroposophie für das, was hier eigentlich als eine geistige Forschung und geistige Lebensbetrachtung gemeint ist. Daher wäre es mir am liebsten, wenn man, wie gesagt, jeden Tag die hier getriebene geistige Forschung und geistige Lebensbetrach­tung anders benennen könnte. Denn darin würde sich gerade ihre Lebendigkeit zum Ausdruck bringen. Man kann nur einigermaßen charakterisieren, was Anthroposophie will heute in der Weltzivilisation; man kann aber eigentlich nicht von ihr eine von vornherein verständliche Definition geben.

dat hij daarmee de woning van de taalonderzoeker Max Müller zou hebben bedoeld en dat er dan iemand met het oog op het woord Müller (molenaar) de betreffende taalonderzoeker koren zou hebben gebracht om dat te malen – omdat men hem had gezegd dat daar de molenaar woont. En niet waar, bij mensen zijn we er wel aan gewend geraakt, niet al te veel rekening te houden met de betekenis van namen. Maar als het om geestelijke zaken gaat, doet men dat nu nog wel. Dikwijls is men daar niet al te veel mee bezig en dan analyseert men de naam ‘antroposofie’. Men duidt die naam en maakt daarvan dan een voorstelling.
Maar net zoveel als de naam molenaar iets betekent voor de taalonderzoeker Max Müller, betekent het woord antroposofie iets voor wat hier eigenlijk als  geestelijk onderzoek en geestelijke levensbeschouwing wordt bedoeld.
Vandaar dat ik het liefst zou hebben, dat men, zoals gezegd, wat hier aan geestelijk onderzoek en geestelijke levensbeschouwing wordt gedaan, iedere dag anders zou kunnen noemen.
Want daarmee zou nu juist het levendige ervan tot uitdrukking gebracht worden. Je kan wel enigszins karakteriseren wat antroposofie vandaag in de wereldbeschaving wil; maar je kan er eigenlijk van te voren geen verstandige definitie van geven.

Und heute und morgen möchte ich mich eben bemü­hen, ein wenig gerade mit Bezug auf das Pädagogische zu zeigen, wie Anthroposophie fruchtbar werden kann für die Erziehung des werden­den Menschen, für das Unterrichten des werdenden Menschen.
Das werden einseitige Charakteristiken sein, denn die ganze Fülle desjenigen, was gemeint ist, kann eben durchaus nicht in zwei Vorträgen erschöpft werden.
Wenn wir uns heute mit Interesse für die Geistesentwicklung der Welt umsehen, dann merken wir ja unter den verschiedensten Forderun­gen, die uns umschwirren, die sogenannte pädagogische Frage. Reform­pläne über Reformpläne treten von mehr oder weniger geschulten, zumeist aber von dilettantischen Menschen auf. Das alles weist aber darauf hin, daß immerhin ein tiefes Bedürfnis vorhanden ist, über die Fragen des Erziehungs- und Unterrichtswesens ins klare zu kommen.
Das aber hängt auf der anderen Seite zusammen damit, daß es heute außerordentlich schwierig ist, gerade mit Bezug auf die Behandlung des werdenden Menschen zu fruchtbaren, ja nur zu genügenden Anschauungen

En vandaag en morgen wil ik proberen iets op pedagogisch gebied te laten zien van hoe de antroposofie vruchtbaar kan worden voor de opvoeding van de wordende mens, voor het lesgeven aan de wordende mens.
Dat zullen eenzijdige karakteristieken zijn, want wat volledig wordt bedoeld, kan echt niet in twee voordrachten uitputtend worden behandeld.
Wanneer we tegenwoordig met belangstelling voor de geestelijke ontwikkeling in de wereld om ons heen kijken, zien we dat onder de meest uiteenlopende vragen die ons niet loslaten, de z.g. pedagogische vraag is. Het ene vernieuwingsplan na het andere wordt door meer of minder geschoolde, maar meestal toch door leken in de openbaarheid gebracht. Maar dat wijst er wél op, dat er op z’n minst een diepe behoefte bestaat om over de opvoedings- en onderwijsvragen helderheid te krijgen.
Dat hangt aan de andere kant samen met dat het tegenwoordig buitengewoon moeilijk is, juist met betrekking tot de omgang met de wordende mens, tot vruchtbare, zelfs tot genoegzame gezichtspunten

Blz. 63

zu kommen. Und wir werden schon ein wenig hineinschauen müssen in einen Teil unserer Zivilisationsentwicklung, wenn wir die Gründe einsehen wollen, warum heute so viel von Erziehungs- und Unterrichtsforderungen und Idealen gesprochen wird.
Wenn wir heute das äußere Leben auf der einen Seite betrachten und auf der anderen Seite das geistige Leben, so finden wir eigentlich trotz der so großen Fruchtbarkeit, welche die Wissenschaft für das praktische Leben, für die Technik und so weiter gewonnen hat, eine tiefe Kluft, einen tiefen Abgrund zwischen dem, was man Wissenschaft, Theorie nennt, was man überhaupt zu lernen hat, wenn man in einem gewissen Sinne eine Bildung anstrebt, und demjenigen, was dann im äußeren Leben, in der Lebenspraxis verwirklicht wird. Es hat sich ja immer mehr und mehr ein eigentümliches Bedürfnis in der heutigen Zivilisation herausgestellt mit Bezug auf das, was man sich durch das Lernen, insofern es auf unseren Unterrichtsanstalten getrieben wird, aneignet.
Bedenken Sie nur einmal ein gewisses Gebiet, sagen wir die Medizin. Der junge Mediziner macht sein Studium durch. Er lernt dasjenige, was der Inhalt der heutigen medizinischen Wissenschaft ist, er lernt es auch an der Hand von allerlei Laboratoriums- und Klinikpraktiken.

te komen. En we zullen een beetje inzicht moeten kunnen krijgen in een deel van hoe onze beschaving zich ontwikkelt, willen we de redenen zien waarom er tegenwoordig zoveel over opvoedings- en onderwijsvraagstukken en idealen wordt gesproken.
W a n n e e r we nu aan de ene kant het uiterlijke leven in ogenschouw nemen en aan de andere kant het geestesleven, dan vinden we eigenlijk, ondanks dat de wetenschap voor het praktische leven, voor de techniek enz. zoveel potentieels heeft gebracht, een diepe kloof, een grote afstand tussen wat de wetenschap theorie noemt, die je wel degelijk moet leren, wil je in zeker opzicht gevormd worden en wat dan in het uiterlijke leven, in de praktijk van het leven verwezenlijkt wordt. In de huidige cultuur is er steeds duidelijker een merkwaardig verlangen ontstaan naar wat men zich door het leren, in zoverre dat plaatsvindt in onze onderwijsinstellingen, eigen maakt.
Kijkt u eens naar een bepaald terrein, laten we zeggen dat van de geneeskunst. De jonge arts volgt een studie. Hij leert de inhoud van de huidige medische wetenschap, hij leert die ook aan de hand van allerlei praktijkgevallen in het laboratorium en het ziekenhuis.

Wenn er aber dann sein letztes Examen gemacht hat, dann ist man sich klar dar­über, daß er nun erst eigentlich eine Art Praktikum, ein klinisches Prak­tikum durchzumachen hat, daß er also eigentlich mit dem letzten Ex­amen noch nicht praktisch ist. Und gar häufig, ja fast immer stellt sich dann heraus, daß eigentlich ungemein wenig von dem, was man zuerst theore­tisch getrieben hat, in der wirklichen Praxis eine Anwendung findet. Ich habe nur das Gebiet des medizinischen Studiums herausgehoben, ich könnte es fast mit jedem Studium so machen. Überall würden wir sehen, daß wir heute, indem wir eine gewisse Bildung uns aneignen auf diesem oder jenem Lebensgebiet, im Grunde genommen die Kluft, den Abgrund zur Praxis hin erst extra noch zu überwinden haben. Das hat nicht nur der Mediziner, das hat nicht nur der Techniker, das hat nicht nur derjenige, der eine Handelshochschule absolviert, das hat vor allen Dingen heute auch der Lehrer zu überwinden, der, weil wir nun einmal im wissenschaftlichen Zeitalter leben, in einer Art Wissenschaftlichkeit in die Pädagogik hineingeführt wird, aber dann, nachdem er eben einen

Maar wanneer hij dan eindexamen heeft gedaan, is het duidelijk dat hij nu eigenlijk pas een soort practicum, een ziekenhuispracticum moet doen, dat hij dus eigenlijk met zijn eindexamen nog niet praktisch is. En heel vaak, ja bijna altijd, blijkt dan, dat er eigenlijk heel erg weinig van wat men eerst theoretisch gedaan heeft, praktisch kan worden toegepast.
Ik heb alleen maar de nadruk gelegd op de medicijnenstudie, maar ik zou het bij elke studie kunnen doen. Telkens zouden we zien dat wij tegenwoordig, als we een bepaalde opleiding voor dit of dat levensgebied hebben gevolgd, we dan in de grond van de zaak de kloof naar de praktijd dan pas nog extra moeten overbruggen. Dat is niet alleen bij de arts zo, niet alleen bij de technicus, niet alleen bij degene die de handelshogeschool afsluit, maar dat moet vooral tegenwoordig de leraar overbruggen die, omdat wij nu eenmaal in een wetenschappelijke tijdsfase leven, in een vorm van wetenschappelijkheid in de pedagogie ingeleid wordt, maar dan, nadat hij dus een

Blz. 64

gewissen theoretischen Bildungsstoff aufgenommen hat, nun sich erst in die Praxis hineinfinden muß.
Das, was ich bis jetzt gesagt habe, wird man mehr oder weniger zugeben. Aber ein anderes wird man kaum zugeben wollen, und das ist dieses, daß eigentlich heute eine so starke Kluft besteht zwischen dem, was man theoretisch sich aneignet, was den eigentlichen Inhalt unseres Geisteslebens bildet, und dem, was die Lebenspraxis ausmacht; daß diese Kluft heute eigentlich nur überbrückt wird von den technischen Berufszweigen, weil diese technischen Berufszweige, ich möchte sagen, grau­sam unerbittlich sind. Baut man eine Brücke theoretisch richtig, aber praktisch unmöglich, so stürzt sie bei dem ersten Eisenbahnzug, der darüberfährt, ein. Die Natur reagiert sogleich auf das Falsche. Da muß man sich schon wirkliche Lebenspraxis aneignen.
Geht man herauf in diejenigen Dinge, die mehr mit dem Menschen zu tun haben, dann wird die Geschichte schon anders. Die Frage ist ja gar nicht zu beantworten, wie viele Menschen von einem Arzt richtig und wie viele falsch behandelt werden, denn da hört ja jede Möglichkeit auf, daß das Leben selber einen Beweis führt.

een bepaalde theoretische leerstof zich eigen heeft gemaakt, nu pas zijn weg moet vinden in de praktijk.
Wat ik nu gezegd heb, zal men wel min of meer kunnen toegeven. Maar iets anders zal men volstrekt niet willen toegeven en wel dit, dat er vandaag eigenlijk zo’n grote kloof bestaat tussen wat men zich theoretisch eigen heeft gemaakt, wat de eigenlijke inhoud van ons geestesleven vormt en wat de praktijk van het leven bepaalt; dat deze kloof tegenwoordig eigenlijk alleen maar overbrugd wordt door de technische beroepen, omdat deze buitengewoon stringent zijn. Als je een theoretisch juiste brug bouwt, maar een onmogelijke voor de praktijk, dan stort die in als de eerste trein erover heen rijdt. De natuur reageert meteen op het verkeerde. Hier moet je je echt wel levenspraktijk hebben eigen gemaakt.
Ga je dan in op de dingen die meer met de mens te maken hebben, wordt het hele verhaal anders. De vraag hoeveel mensen er door een arts juist of verkeerd behandeld worden, is helemaal niet te beantwoorden, want daar houdt iedere mogelijkheid op dat het leven zelf daar een bewijs voor aanvoert.

Und gehen wir gar in das Feld der Pädagogik herauf, gewiß, man kann da durchaus der Anschauung sein, daß in dieser Richtung viel kritisiert wird, und daß die Pädagogen schon einiges auszuhalten haben. Aber daß das Leben irgendwie eine Entscheidung darüber trifft, ob nun falsch oder richtig erzogen worden ist, das wird man nicht mit einem unbedingten Ja beantworten können. Man wird allerdings sagen können: Das Leben gibt nicht so bestimmte Antworten wie die tote Natur, aber es ist dennoch eine gewisse Empfin­dung berechtigt, die dahin geht, daß wir mit der besonderen Art, wie wir uns heute das Theoretische, also das eigentlich Geistige, in seiner heuti­gen Form aneignen, in die Lebenspraxis eigentlich gar nicht hinein­kommen.
Nun gibt es eines in der Welt, bei dem man, ich möchte sagen, recht anschaulich zeigen kann, wie unmöglich es ist, weiterzukommen mit einem geistigen Leben, das eine solche Kluft hat zwischen dem Theore­tisch-Wissenschaftlichen auf der einen Seite, und dem Leben und seiner Praxis auf der anderen Seite. Und dieses eine in der Welt ist eben der Mensch.

En begeven we ons op het terrein van de pedagogie, dan kan je zeker van mening zijn, dat er in deze richting veel kritiek is, en dat de pedagogen wel wat moeten verdragen. Maar dat het leven een of andere beslissing neemt over of we verkeerd, dan wel goed opgevoed zijn, dat zul je niet met een volmondig ja kunnen beantwoorden. Zeker kun je zeggen: het leven geeft niet van die zekere antwoorden als de levenloze natuur, maar toch is een bepaald gevoel wel gerechtvaardigd aangaande dat wij met de bijzondere manier van hoe wij tegenwoordig de theorie, dus het eigenlijk geestelijke, in zijn huidige vorm ons eigen maken, niet kunnen doordringen tot de eigenlijke praktijk van het leven. Nu is er iets in de wereld waarbij je heel goed kan laten zien, hoe onmogelijk het is, met het geestesleven verder te komen waarbij zo’n grote kloof bestaat met enerzijds het theoretisch-wetenschappelijke en anderzijds met het leven en de levenspraktijk. En dit ene in de wereld is nu net de mens.

Blz. 65

Wir haben im Laufe der letzten Jahrhunderte, insbesondere des 19. Jahrhunderts, einmal einen bestimmten wissenschaftlichen Geist ent­wickelt. Jeder einzelne Mensch, heute sogar schon der sogenannte völlig Ungebildete, steht eigentlich in diesem wissenschaftlichen Geist drinnen. Alles denkt im Sinne dieses wissenschaftlichen Geistes.
Und sehen Sie sich einmal die Weltfremdheit dieses wissenschaftlichen Geistes an, wenn es sich darum handelt, ihn in die Lebenspraxis überzu­führen. Kläglich war es ja zum Beispiel in den letzten Jahren, als wirklich in großen Zügen die Weltgeschichte an uns vorüberrollte und Tatsachen brachte von ungeheurer Tragweite, daß die Menschen mit ihren Theo­rien recht gescheit sein konnten, aber eben durchaus nichts über den Verlauf der Lebenspraxis auszumachen imstande waren. Haben wir ja doch gesehen, daß gescheite Nationalökonomen im Beginn des Welt­krieges gesagt haben: Unsere Wissenschaft lehrt uns heute, daß die kommerziellen und anderen wirtschaftlichen Zusammenhänge in der Welt so verstrickt sind, daß heute ein Krieg höchstens mehrere Monate dauern kann. Die Realität hat das Lügen gestraft. Der Krieg hat jahrelang gedauert. Was die Menschen dachten aus ihrer Wissenschaft heraus, was sie ergrübelt hatten über den Gang der Weltereignisse, war ganz und gar unmaßgebend für diesen Gang der Weltereignisse selber.

We hebben in de loop van de eeuwen, vooral in de 19e eeuw, nu eenmaal een bepaalde wetenschappelijke geest ontwikkeld. Ieder mens, tegenwoordig zelfs ook de mens zonder opleiding, maakt deel uit van deze wetenschappelijke gezindheid. Alles wordt hiermee gedacht.
En kijk nu eens naar de wereldvreemdheid van deze wetenschappelijke gezindheid als het erom gaat deze in het leven in praktijk te brengen. De laatste jaren bijv., toen de wereldgeschiedenis zich in grote trekken voor ons afspeelde en gebeurtenissen met zich meebracht van ongekende reikwijdte, was het betreurenswaardig dat de mensen met hun theorieën heel slim konden zijn, maar toch niet in staat waren iets voor het verloop van de levensomstandigheden te doen. We hebben toch kunnen zien dat knappe staatseconomen aan het begin van de Wereldoorlog gezegd hebben: onze wetenschap houdt ons nu voor dat de commerciële en andere economische samenhangen in de wereld zo verstrikt zijn geraakt dat een oorlog vandaag de dag hooguit een paar maanden kan duren. De werkelijkheid heeft die leugen afgestraft. De oorlog heeft jaren geduurd. Wat de mensen vanuit hun wetenschap dachten, wat ze hebben zitten uitdenken over het verloop van de gebeurtenissen in de wereld, speelde voor dit verloop zelf geen enkele rol.

Der Mensch, indem er heranwächst, indem er vor uns hintritt, man möchte sagen, in seiner wunderbarsten Gestalt, als Kind, der Mensch ist nicht irgendwie zu erfassen mit einer geistigen Art, die eine solche Kluft hat zwischen Praxis und Theorie. Denn man müßte schon ein starrer Materialist sein, wenn man glauben wollte, daß dasjenige, was in dem Kinde heranwächst, nur eine Folge, ein Ergebnis seiner leiblich-physi­schen Entwickelung sei.
Wir sehen mit ungeheurer Hingebung, Bewunderung, mit Ehrerbie­tung auf jene Offenbarung der Schöpfung hin, die uns das Kind in seinen ersten Lebenswochen darstellt, wo in ihm noch alles unbestimmt ist, wo in ihm aber schon dasjenige liegt, was dieser Mensch im späteren Leben leisten wird.
Und wir schauen hin auf das werdende Kind, wie es von Woche zu Woche, von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr aus seinem Inneren heraus die Kräfte an die Oberfläche treibt, die seine Physiognomie

De mens, wanneer deze opgroeit, wanneer deze zich aan ons voordoet in zijn meest wonderbaarlijke vorm, als kind, is op geen enkele manier geestelijk te begrijpen, als er zo’n kloof gaapt tussen praktijk en theorie. Je moet wel een starre materialist zijn om te kunnen geloven dat wat er uit een kind wordt, alleen maar het gevolg zou zijn van een lichamelijk-fysieke ontwikkeling.
We k ij k e n met een buitengewone toewijding, bewondering, eerbied naar die uiting van de schepping die het kind ons in zijn eerste weken van zijn leven vertoont, waarin bij hem alles nog maar vaag zichtbaar is, maar waarin al wel ligt wat deze mens in het latere leven zal gaan doen. En wij kijken naar het zich ontwikkelende kind hoe dat van week tot week, maand na maand, jaar na jaar vanuit zijn innerlijk de krachten naar de buitenkant brengt die zijn fysionomie

Blz. 66

immer ausdrucksvoller machen, die seine Bewegungen immer geordne­ter, orientierter machen. Wir sehen in diesem werdenden Menschen das ganze Rätsel der Schöpfung in wunderbarer Weise vor unseren Augen sich abspielen. Und wenn wir sehen, wie der eigentümlich unbestimmte Blick des kindlichen Auges im Laufe der ersten Lebenszeit Aktivität gewinnt, innere Wärme, inneres Feuer gewinnt, wenn wir sehen, wie aus den unbestimmten Bewegungen der Arme und Finger Bewegungen werden, die in schönerer Weise etwas bedeuten als die Buchstaben des Alphabetes – wenn wir das alles mit voller menschlicher Hingabe betrachten, müssen wir uns sagen: Da arbeitet gewiß nicht bloß Physi­sches, da arbeitet im Physischen das Geistig-Seelische; da ist jedes Stückchen Mensch im Physischen zu gleicher Zeit eine Offenbarung des Geistig-Seelischen. Da gibt es keine Färbung der Wange, die nicht Ausdruck eines Geistig-Seelischen wäre; da gibt es keine Möglichkeit, die Färbung der Wange aus bloßen materiellen Grundlagen zu verstehen, wenn wir nicht wissen, wie die Seele sich hineinergießt in das Wangen-rot. Da ist Geist und Natur in einem vorhanden.
Und wenn wir dann mit unserer altgewordenen Geistesanschauung kommen, die eine Kluft läßt zwischen dem, was sich theoretisch auf den Geist richtet, und dem, was sich äußerlich praktisch an das Leben richtet, dann gehen wir an dem Kinde vorbei

steeds meer tot uitdrukking brengen, die zijn bewegingen steeds meer gecoördineerd, georiënteerd laten verlopen. Wij zien in deze wordende mens het hele raadsel van de schepping op een wonderbaarlijke manier zich voor onze ogen afspelen. En als we zien hoe de karakteristieke vage blik van het kinderlijke oog in de loop van de eerste tijd in het leven aan activiteit wint, meer warmte krijgt, innerlijk vuur; als we zien hoe uit de ongecoördineerde bewegingen van de armen en de vingers bewegingen komen die op een mooiere manier iets betekenen dan de letters van het alfabet – als we dat allemaal met een diepe menselijke eerbied aanschouwen, moeten we zeggen: daar is niet alleen iets lichamelijks aan het werk, daar is iets van de geest en de ziel in het lichamelijke aan het werk; daar is elk stukje mens lichamelijk gezien, tegelijkertijd een uiting van geest en ziel. Er bestaat geen kleur op de wangen die niet een uitdrukking zou zijn van geest en ziel; er is geen mogelijkheid de kleur op de wangen vanuit een pure materiële basis te begrijpen, als we niet weten hoe de ziel uitvloeit in het rood van de wangen. Daar is geest en natuur als één geheel aanwezig.
En als we dan aankomen met onze oud geworden geestelijke opvattingen die een kloof laten bestaan tussen wat zich theoretisch naar de geest richt en wat zich richt naar het uiterlijk praktische in het leven, dan gaan we aan het kind voorbij.

Dann wissen wir weder mit unserer Theorie, noch mit unserem Instinkt, der keinen Geist erfassen kann in unserer heutigen Zivilisation, etwas mit dem Kinde anzufangen. Wir haben im Leben das geistige Treiben von dem materiel­len getrennt. Damit ist uns das geistige Treiben zu einer abstrakten Theorie geworden. Und dann sind solche abstrakte theoretische Anschauungen auch über die Erziehung erwachsen, wie sie zum Beispiel in der Herbartschen Pädagogik enthalten waren, die geistvoll in ihrer Art, theoretisch großar­tig sind, die aber ohnmächtig sind, in das eigentliche Leben einzugreifen. Oder aber wir werden irre an allem Hineinleben in das Geistige, wir wollen absehen von aller wissenschaftlichen Pädagogik und uns rein dem Erziehungsinstinkt überlassen. Das ist etwas, was heute auch schon viele Menschen fordern.
Wir können auch noch an einer anderen Erscheinung sehen, wie wir

Dan weten we noch met onze theorie, noch met ons instinct die in deze cultuur geen geest als inhoud kan hebben, iets met het kind te beginnen. We hebben in het leven een scheiding aangebracht tussen de werking van de geest en de materie. Daardoor is voor ons deze werking een abstracte theorie geworden.
En dan zijn dergelijke abstract theoretische opvattingen ook bij de pedagogie terecht gekomen, zoals bijv. in de pedagogie van Herbart; op hun manier geestrijk, theoretisch geweldig, maar niet bij machte om invloed uit te oefenen op het eigenlijke leven. Of we worden dol van al dit inleven in het geestelijke, we willen afzien van al die wetenschappelijke pedagogie en het alleen maar laten bij ons opvoedingsinstinct.
Dat is iets waar tegenwoordig veel mensen naar verlangen.
Ook aan een ander verschijnsel kunnen we nog zien, hoe voor ons

Blz. 67

im Grunde genommen dem Menschen fremd geworden sind dadurch, daß wir die Kluft geschaffen haben zwischen dem theoretischen Ergrei­fen des geistigen und dem vollen Erfassen des praktischen Lebens.
Unsere Wissenschaft hat sich großartig entwickelt. Natürlich war auch die Pädagogik aus der Wissenschaft heraus zu gestalten. Aber die Wissenschaft hatte nichts, um an den Menschen heranzukommen. Die Wissenschaft wußte vieles zu sagen über die äußere Natur; aber je mehr sie über die äußere Natur in der neueren Zeit zu sagen wußte, über den Menschen wußte sie eigentlich immer weniger zu sagen. Und so mußte man sich anschicken, nach dem Muster der Naturwissenschaft an dem Menschen zu experimentieren, und eine experimentelle Pädagogik stellte sich ein.
Was bedeutet denn dieser Drang zur experimentellen Pädagogik? Mißverstehen Sie mich nicht, ich habe weder etwas gegen Experimen­talpsychologie noch gegen experimentelle Pädagogik; sie können wis­senschaftlich viel leisten, sie geben theoretisch großartige Aufschlüsse. Hier handelt es sich nicht darum, in kritischer Weise über diese Dinge abzusprechen. Hier handelt es sich aber darum zu sehen: was für ein Drang der Zeit drückt sich in solchen Dingen aus? Man ist genötigt, außen herumzuexperimentieren, wie das Gedächtnis bei diesem, bei jenem Kinde ist, wie der Wille wirkt, wie die Aufmerksamkeit wirkt; außen an dem Menschen herumzuexperimentieren ist man genötigt.

in de aard van de zaak de mens een vreemde geworden is door de kloof die wij tussen het theoretisch begrijpen van het geestelijke en het volle begrijpen van het leven hebben doen ontstaan.
Onze wetenschap heeft zich reusachtig ontwikkeld. En natuurlijk kun je ook de pedagogie vanuit de wetenschap vorm geven. Maar de wetenschap had niets om dichter bij de mens te komen. De wetenschap wist veel aan te dragen over de zichtbare natuur; en naarmate ze meer in de modernere tijd over de zichtbare natuur te berde kon brengen, wist ze over de mens eigenlijk steeds minder te zeggen. En dus moest men zich opmaken om naar het voorbeeld van de natuurwetenschap nu met de mens te gaan

e x p e r i m e n teren en er ontstond een experimentele pedagogie.
Wat betekent die hang naar deze experimentele pedagogie? Begrijp me niet verkeerd, ik heb niets tegen experimentele psychologie of  pedagogie; die kunnen wetenschappelijk veel voor elkaar krijgen, die geven theoretisch belangrijke uitkomsten. Het gaat er niet om deze dingen op een kritische manier af te wijzen.
Het gaat er hier echter om te zien welke tijdsdrang zich uitdrukt in dit soort zaken.
Men voelt zich genoodzaakt van buitenaf te experimenteren hoe het geheugen bij het ene of het andere kind is, hoe de wil functioneert, hoe de aandacht werkt; men voelt zich genoodzaakt van buitenaf met de mens te experimenteren.

Weil man das innere Verhältnis zum Menschen, das eigentlich geistige Verhältnis zum Menschen verloren hat, weil man nicht mehr als Mensch mit der Seele zur Seele des anderen Menschen dringt, will man aus seinen körperlichen Äußerungen experimentell ablesen, welches diese seeli­schen Äußerungen sind. Gerade diese experimentelle Pädagogik und Psychologie sind ein Beweis dafür, daß unsere Wissenschaft ohnmächtig ist, an den vollen Menschen, der Geist, Seele und Leib zugleich ist, wirklich heranzukommen.
Diese Dinge müssen, wenn man im Ernste heute auf Erziehungs- und Unterrichtsfragen eingehen will, in vollem Maße gewürdigt werden, denn sie führen allmählich zu der Anschauung hin, daß das Notwendig­ste für einen Fortschritt auf dem Gebiet des Erziehungs- und Unter­richtswesens eine wirkliche Menschenerkenntnis ist.

Omdat men de innerlijke relatie tot de mens, de eigenlijk geestelijke relatie verloren is, omdat men niet meer als mens met de ziel doordringt tot de ziel van de andere mens, daarom wil men vanuit de lichamelijke uitingen experimenteel aflezen wat die uitingen van het gevoelsleven zijn. Juist deze experimentele pedagogie en psychologie zijn het bewijs dat onze wetenschap machteloos geworden is daadwerkelijk de volledige mens die tegelijkertijd geest, ziel en lichaam is, te bereiken.
Deze dingen moeten, wil je in alle ernst tegenwoordig in wil gaan op de opvoedings- en onderwijsvragen, volledig serieus genoemen worden, want zij voeren stap voor stap tot de opvatting dat het meest noodzakelijke voor een vooruitgang op dit gebied van opvoeding en onderwijs, echte menskunde is.

Blz. 68

Aber eine wirkliche Menschenerkenntnis wird man nicht gewinnen, wenn nicht der Abgrund zwischen Theorie und Praxis, der sich heute so furchtbar aufgetan hat, wirklich überbrückt wird. Solche Theorie, wie wir sie heute haben, kommt nämlich nur an den menschlichen Körper heran. Und wenn solche Theorie auch an die Seele und an den Geist herankommen will, so macht sie krampfhafte Versuche, kommt aber doch in Wirklichkeit nicht an sie heran, denn Seele und Geist müssen auf eine andere Weise erforscht werden, als diejenige ist, die im Sinne der heute anerkannten sogenannten wissenschaftlichen Methode liegt.
Um den Menschen zu erkennen, muß in ganz anderer Weise an den Menschen herangegangen werden, als es heute vielfach für exakt und richtig gilt. Dieses Herangehen aber an die wahre, wirkliche Menschen natur, dieses Aufsuchen einer wirklichen Menschenkenntnis, einer Men­schenkenntnis, die Geist, Seele und Leib im Menschen in einem schaut, das ist die Aufgabe der Anthroposophie. Anthroposophie will wiederum nicht bloß den physischen Menschen, sondern den ganzen Menschen erkennen. Aber wo da die großen Aufgaben gegenüber dem vollen Leben liegen, das bemerkt man heute vielfach gar nicht.

Maar er komt geen werkelijke menskunde wanneer de kloof tussen theorie en praktijk die tegenwoordig zo vreselijk gemeengoed is geworden, niet overbrugd wordt. Die theorieën die we nu hebben, benaderen alleen maar het menselijk lichaam. En als je daarmee ook de ziel en de geest wil benaderen, zie je de krampachtige pogingen waarmee je ziel en geest niet bereikt, want die moeten op een andere manier onderzocht worden, anders dan op de manier van de huidige officiële wetenschappelijke methode.
Om de mens te kennen, moet je deze op een heel andere manier benaderen dan die tegenwoordig als exact en juist gezien wordt. Maar het benaderen van de echte, reële natuur van de mens, dit zoeken naar een echte menskunde, een die geest, ziel en lichaam in en aan de mens waarneemt, is de opdracht van de antroposofie. Die wil op haar beurt niet alleen de fysieke mens leren kennen, maar de hele mens. Heel vaak wordt niet gezien waar de grote opgaven liggen als het om het leven gaat.

Ich möchte mich durch ein Beispiel aussprechen, um Sie hinzuweisen darauf, wie die Aufmerksamkeit ganz anderen Dingen einmal zugelenkt werden muß, als man es heute gewöhnt ist, wenn wirkliche Menschener­kenntnis wiederum erworben werden soll.
Sehen Sie, als ich jung war, es ist lange her, da kam unter anderen Weltanschauungs-Standpunkten auch der auf, den der Physiker Mach begründet hat. Es war ein ganz berühmter Weltanschauungs-Stand punkt. Ich führe das, was ich jetzt sage, nur als Beispiel an, und ich bitte, es auch nur als Beispiel hinzunehmen. Das Wesentliche dieses Mach­schen Standpunktes bestand darin, daß Mach sagte: Es ist ein Unsinn, von einem Ding an sich zu sprechen, ein Unsinn, von einem Ding an sich als Atom in der Welt zu sprechen. Es ist auch ein Unsinn, von einem Ich zu sprechen, das wie ein Ding in uns selber ist, sondern wir können nur sprechen von Empfindungen. Wer hat schon einmal ein Atom wahrge­nommen? Rote, blaue, gelbe Dinge, cis, g, a in den Tönen nehmen die Leute wahr; süße und saure und bittere Geschmäcke nehmen die Leute wahr; harte und weiche Dinge für den Tastsinn nehmen die Leute wahr,

Ik wil een voorbeeld geven om u erop te wijzen hoe de aandacht op heel andere dingen gevestigd moet worden dan tegenwoordig gebruikelijk is, willen we echte menskunde verkrijgen.
Kijk, toen ik jong was – dat is lang geleden – deed naast andere wereldbeschouwelijke opvatting ook die van de natuurkundige M a c h opgeld. Ik zeg dit alleen als voorbeeld en ik zou het fijn vinden als u het ook alleen als voorbeeld ziet. Het wezenlijke van het standpunt van Mach bestaat erin dat hij zegt: het is onzin om over een ‘ding-op-zich’ te spreken, een ‘ding-op-zich’ als atoom in de wereld. Het is ook onzin om over een Ik te spreken dat als een ding in ons zelf zit, we kunnen alleen maar over gevoelens spreken. Wie heeft er ooit een atoom waargenomen? Rode, blauwe, gele dingen, cis, g, a in de tonen, nemen de mensen waar, harde en zachte dingen nemen ze met hun tastzin waar.

Blz. 69

Empfindungen nehmen die Leute wahr. Und wenn wir uns ein Weltbild machen, so besteht es nur aus solchen Empfindungen. Und wenn wir in uns selbst hineinschauen, so haben wir auch nur Empfindungen. Nichts ist da, als nur überall Empfindungen; Empfindungen, die zusammengehalten werden. Eine gewisse Härte, ein gewisses, ich will sagen, sanftartiges Anfühlen mit der Röte in der Rose, die Empfindung, daß man gebrannt wird, mit einem rötlichen Aussehen beim glühenden Eisen – überall miteinander verbundene Empfindungen, so sagte Ernst Mach. Man muß sagen, gegenüber der Anschauung einer Atomwelt, die kein Mensch natürlich sehen kann, war das in der damaligen Zeit ein Fortschritt. Das ist wieder vergessen worden. Ich will nicht über diese Anschauung sprechen, sondern über ein Beispiel menschlicher Entwik­kelung.
Sehen Sie, Ernst Mach hat einmal erzählt, wie er zu dieser Anschauung gekommen ist. Da sagte er, er sei als siebzehnjähriger Jüngling zu den Hauptsachen dieser Anschauung gekommen. Einmal, als er spazieren ging an einem besonders heißen Sommertag, da wurde ihm klar, die ganze Welt der Dinge an sich ist eigentlich müßig, das fünfte Rad am Wagen in aller Weltanschauung.

De mensen ervaren hun gevoelens. En wanneer wij een wereldbeeld creëren bestaat deze alleen uit deze gevoelens. En als we in ons zelf naar binnen kijken , hebben we daar ook alleen maar gevoelens. Niets is er dan alleen maar gevoelens; gevoelens die bij elkaar gehouden worden. Een bepaalde hardheid, een bepaald teer aanvoelen van het rood van de roos, het gevoel dat je je brandt aan een gloeiend ijzer dat er rood uitziet – overal gevoelens die met elkaar verbonden zijn, aldus Ernst Mach. Je moet wel zeggen dat t.o.v. de opvatting van een atomaire wereld die natuurlijk niemand kan zien, dit  in die tijd een vooruitgang betekende. Dat is weer vergeten. Ik wil het niet over deze opvatting hebben, maar over het voorbeeld van een menselijke ontwikkeling.

Kijk, Ernst Mach heeft eens verteld hoe hij tot deze opvatting is gekomen. Toen zei hij dat hij als zeventienjarige tot de hoofdzaken van die opvatting is gekomen. Toen hij eens op een bijzonder warme zomerdag ging wandelen, werd het hem duidelijk dat de hele wereld van de dingen op zich, er eigenlijk niet toe doet, het vijfde wiel aan de wagen van alle wereldbeschouwingen.

Da draußen sind nur Empfindungen. Die schmelzen mit den Empfindungen der eigenen Leiblichkeit, des eigenen menschlichen Wesens zusammen. Draußen sind die Empfindun­gen etwas loser, innen etwas fester verbunden, und zaubern dem Men­schen ein Ich vor. Alles Empfindung. Das kam dem siebzehnjährigen Jüngling an einem heißen Sommertag in einem Moment gerade zu. Spater, sagte er, hat er eigentlich das nur noch theoretisch weiter ausgeführt, aber die ganze Weltanschauung kam ihm auf diese Art an einem heißen Sommertag, wie er plotzlich sich zusammenfließen fühlte mit dem Rosenduft, der Rosenröte und so weiter. Ja, wäre es noch ein bißchen heißer geworden, dann würde wahr­scheinlich nicht diese Weltanschauung entstanden sein vom Zusammenfließen des eigenen Ichs mit den Empfindungen, sondern der gute Mach wäre als siebzehnjähn.ger Jüngling vielleicht von einer Ohnmacht befal­len worden, und wenn es noch heißer geworden wäre, hätte er einen Sonnenstich gekriegt.

Daar buiten bestaan er alleen maar gevoelens. Die smelten met de gevoelens van het eigen lichaam, met het eigen mensenwezen samen. Daar buiten zijn de gevoelens wat losser, van binnen steviger met elkaar verbonden en toveren de mens een Ik voor. Alles gevoelens.
Dat kwam bij de zeventienjarige jongen op een warme zomerdag in een ogenblik bij hem op. Later, zei hij, had hij dat alleen nog maar theoretisch verder uitgewerkt, maar zijn hele wereldbeschouwing kwam op deze manier op een warme zomerdag bij hem op, toen hij zich plotseling samen voelde smelten met de rozengeur, met het rood van de roos, enz. Maar ja, als het nog een beetje warmer zou zijn geworden, zou deze wereldbeschouwing van het samensmelten van het eigen Ik met de gevoelens waarschijnlijk niet ontstaan zijn, maar dan zou de goede Mach als zeventienjarige misschien flauw zijn gevallen en als het nog warmer zou zijn geworden, had hij misschien een zonnesteek opgelopen.

Blz. 70

Da haben wir drei Stufen von dem, was ein Mensch durchmachen kann. Die erste Stufe besteht darinnen, daß er, etwas gelockert, eine Weltanschauung ausgestaltet, die zweite, daß er ohnmächtig wird, die dritte, daß er einen Sonnenstich kriegt. Ich glaube, wenn heute einer äußerlich nachdenkt darüber, wie so jemand, wie der sehr gelehrte Ernst Mach, zu seiner Weltanschauung gekommen ist, da wird er nachdenken, was der alles gelernt hat, was in seinen Anlagen gelegen hat und so weiter; daß aber das die Hauptsache ist, wie er nun selbst erzählt, daß er die erste von den drei charakterisier­ten Stufen durchgemacht hat, das wird man nicht in den Vordergrund stellen. Und dennoch ist es so.
Worauf beruht denn das? Sehen Sie, man kennt einfach den Menschen nicht, wenn man nicht eine solche Erscheinung versteht. Was ist denn da eigentlich geschehen, als der siebzehnjährige Jüngling Mach spazieren ging? Es ist ihm offenbar sehr, sehr heiß geworden, und er stand zwischen dem, wo man sich ohne Hitze wohl fühlt und dem Ohnmäch­tigwerden mitten drinnen. Über einen solchen Zustand weiß man nichts Richtiges, wenn man nicht durch die anthroposophische Forschung darauf kommt, daß der Mensch eben nicht nur seinen physischen Leib hat, sondern über diesen physischen Leib hinaus noch das, was ich in meinen Schriften den ätherischen oder Bildekräfteleib genannt habe, einen übersinnlichen, unsichtbaren Leib.

We hebben hier drie niveaus van iets wat een mens kan doormaken. Het eerste bestaat eruit dat hij, een beetje losjes, een wereldbeschouwing vormt, het tweede dat hij gaat flauwvallen en het derde dat hij een zonnesteek oploopt.
Ik geloof dat wanneer tegenwoordig iemand er uiterlijk over nadenkt, hoe zo iemand als de zeer geleerde Ernst Mach, tot zijn wereldbeschouwing is gekomen, hij er dan over zal nadenken wat Mach allemaal heeft geleerd, wat hij in aanleg had enz.; maar wat de hoofdzaak is hoe hij nu zelf vertelt dat hij de eerste van de drie genoemde niveaus door heeft gemaakt, dat zal men niet voorop stellen. En toch is het zo.
Waar berust dat dan op? Kijk, je kent de mens simpelweg niet, wanneer je zo’n verschijnsel niet begrijpt. Wat is er eigenlijk gebeurd, toen de zeventienjarige Mach ging wandelen? Hij heeft het klaarblijkelijk erg warm gekregen en hij bevond zich precies in het midden van de toestand waarbij men zich zonder warmte goed voelt en het flauwvallen.
Over zo’n toestand weet men niet iets te zeggen wat juist is, wanneer men niet door het antroposofisch onderzoeken erop komt, dat de mens dus niet alleen maar zijn fysieke lichaam heeft, maar daarboven nog iets wat ik in mijn schriftelijk werk het etherische of het vormkrachtenlichaam genoemd heb, een bovenzintuiglijk, onzichtbaar lichaam.

Ich kann Ihnen heute natürlich nicht alle die Forschungen vorerzäh­len, auf denen die Erkenntnis eines solchen übersinnlichen Bildekräfte­leibes beruht; aber Sie können das ja in der anthroposophischen Litera­tur nachlesen. Es ist ein gesichertes Forschungsresultat, wie andere gesicherte Forschungsresultate.
Aber wie verhält es sich mit diesem Bildekräfteleib? Mit diesem Bildekräfteleib verhält es sich so, daß wir sonst immer im wachen Zustand voll angewiesen sind auf unseren physischen Leib. Die materialistische Anschauung hat ganz recht, wenn sie das Denken, das der Mensch in der physischen Welt entwickelt, an das Gehirn oder das Nervensystem überhaupt gebunden erklärt, denn wir brauchen den physischen Leib zu dem gewöhnlichen Denken. Wenn wir aber dieses gewöhnliche Denken etwas überleiten in ein gewisses freies innerliches

Ik kan u natuurlijk niet alle onderzoeken gaan vertellen waarop de kennis van zo’n bovenzintuiglijk vormkrachtenlichaam berust; maar dat kan u in de antroposofische literatuur nalezen. Het resultaat van dat onderzoek staat vast, zoals andere vaststaande onderzoeksresultaten. Maar hoe is de samenhang met dit vormkrachtenlichaam? Zodanig, dat we anders in wakkere toestand volledig aangewezen zijn op ons fysieke lichaam. De materialistische opvatting heeft helemaal gelijk dat wanneer die het denken dat de mens in de fysieke wereld ontwikkelt, aan de hersenen of het zenuwsysteem gebonden verklaart, want we hebben het fysieke lichaam nodig voor het gewone denken. Wanneer we echter dit gewone denken iets verder brengen tot een zeker vrij innerlijk

Blz. 71

Erleben, wie das zum Beispiel in der künstlerischen Phantasie der Fall ist, dann geht die fast gar nicht bemerkbare Tätigkeit des Bildekräfte-oder ätherischen Leibes zu einer größeren Intensität über.
Denkt also einer, wie man im gewöhnlichen Leben denken muß – mit dem, was ich da charakterisiere, ist wirklich nichts Abfälliges gemeint -, denkt einer in der gewöhnlichen nüchternen Weise, wie man es nun einmal muß im äußeren physischen Leben, so denkt er mit seinem physischen Leibe, und nur ganz wenig wird der Ätherleib benützt.
Geht einer zum Phantasieschaffen über, sagen wir zum dichterischen Schaffen, so tritt der physische Leib etwas zurück und der Ätherleib wird mehr tätig. Dadurch werden die Vorstellungen beweglicher; die eine fügt sich lebendiger in die andere ein und so weiter. Der ganze innere Mensch geht in eine größere innere Beweglichkeit über, als wenn die gewöhnliche nüchterne Alltagstätigkeit als Denken ausgeführt wird. Das alles liegt in der Willkür des Menschen. Aber zu all dem, was in der menschlichen Willkür liegt, kommt noch etwas anderes dazu, etwas, wozu der Mensch veranlaßt werden kann durch die äußere Natur. Wenn es uns recht warm wird, dann tritt die Tätigkeit des physischen Leibes, also auch die Denktätigkeit des physischen Leibes zurück, und der Ätherleib wird tätiger und tätiger.
Und indem der siebzehnjährige Mach spazieren gegangen ist und unter dem Eindruck der drückenden Sonnenhitze war, wurde einfach sein Ätherleib tätiger.

beleven, zoals dat bijv. het geval is in de kunstzinnige fantasie, dan gaat de nauwelijks merkbare activiteit van het vormkrachten- of etherlijf tot een grotere intensiteit over.
W a n n e e r iemand denkt zoals je in het gewone leven moet denken – met wat ik hier karakteriseer is niets afkeurends bedoeld – wanneer iemand op een gewone, nuchtere manier denkt, zoals dat nu eenmaal in het uiterlijk fysieke leven moet, dan denkt hij met zijn fysieke lichaam en het etherlijf wordt maar weinig gebruikt.
Wanneer iemand fantasievol schept, bijv. bij het dichten, dan houdt het fysieke lichaam zich iets terug en het etherlijf wordt actiever. Daardoor worden de voorstellingen beweeglijker; de ene voegt zich levendiger bij de andere enz. De hele mens komt in een grotere beweeglijkheid dan wanneer het gewone, nuchtere alledaagse denken actief is. Dat heeft de mens in zijn willekeur. Maar bij alles wat de mens willekeurig kan doen, komt nog iets anders, iets waartoe de mens aangezet kan worden door de uiterlijke natuur. Wanneer we het goed warm krijgen, neemt de activiteit van het fysieke lichaam af, dus ook de denkactiviteit van het fysieke lichaam en dan wordt het etherlijf steeds actiever.
En wanneer de zeventienjarige Mach is gaan wandelen en met de invloed van de drukkende zonnewarmte te maken krijgt, wordt simpelweg zijn etherlijf actiever.

Alle übrigen Physiker haben mit ihrem massiven physischen Leib die Physik ausgebildet. Den jungen Mach hat die Sonnenhitze dazu gebracht, nicht so denken zu können wie die anderen Physiker, sondern mit flüssigeren Begriffen zu denken: die ganze Welt besteht nur aus Empfindungen. Wäre die Hitze noch größer geworden, so wäre der Zusammenhang zwischen seinem physischen Leib und seinem Ätherleib so gelockert worden, daß der gute Mach nicht mehr mit seinem Ätherleib hätte denken können, gar keine Tätigkeit mehr hätte ausüben können. Der physische Leib denkt nicht mehr, wenn es zu heiß ist; und wenn es noch weiter geht, wird der Mensch krank, bekommt den Sonnenstich.
Ich führe Ihnen dies als Beispiel an, weil wir hier an der Entwicklung eines Menschen sehen, wie man verstehen muß, wie da in die menschliche

Alle andere natuurkundigen hebben met hun vaste fysieke lichaam de natuurkunde ontwikkeld. De jonge Mach werd er door de zonnewarmte toe gebracht dat hij niet zo kon denken als de andere natuurkundigen, hij dacht juist met meer stromende begrippen: de hele wereld bestaat alleen maar uit gevoelens.
Als de hitte nog was toegenomen, dan was het samengaan van zijn fysieke lichaam en zijn etherlijf nog losser geraakt en dan had de goede Mach niet meer met zijn etherlijf kunnen denken, dan had hij helemaal niets meer kunnen uitvoeren. Het fysieke lichaam denkt niet meer als het te warm is, en als dat nog verder gaat, wordt de mens ziek, hij krijgt een zonnesteek.
Ik kom hiermee als voorbeeld, omdat we hier aan de ontwikkeling van een mens zien, hoe je moet begrijpen, hoe hier in de menselijke

Blz. 72

Tätigkeit eingreift ein Übersinnliches im Menschen, der ätherische oder Bildekräfteleib, der uns die Form gibt, der uns die Gestalt gibt, der in uns die Wachstumskräfte hat und so weiter.
Außer diesem aber zeigt uns Anthroposophie, wie im Menschen noch weitere übersinnliche Wesensglieder stecken. – Stoßen Sie sich nicht an Ausdrücken. – Über den Bildekräfte- oder ätherischen Leib hinaus haben wir dann dasjenige, was der eigentliche Träger der Empfindung ist, den astralischen Leib, und dann erst die Wesenheit des Ich. Wir müssen den Menschen nicht nur seinem physischen Leibe nach kennen­lernen, sondern wir müssen ihn praktisch kennenlernen als ein Zusam­menwirken verschiedener Glieder seiner Wesenheit.
Diesen Gang vom Sinnlichen, dem die ganze gegenwärtige Wissen­schaft huldigt, zum Übersinnlichen hin, diesen Gang geht Anthroposo­phie. Sie geht ihn nicht aus Mystik und Phantastik heraus, sie geht ihn in derselben strengen Wissenschaftlichkeit wie heute die Wissenschaft in bezug auf die Sinnenwelt und die gewöhnliche nüchterne Verstandestä­tigkeit, die aber an den physischen Leib gebunden ist, verfährt. So entwickelt Anthroposophie eine Erkenntnis, eine Anschauung, und damit eine Empfindung für das Übersinnliche.

activiteit iets bovenzintuiglijks in de mens ingrijpt, het ether- of vormkrachtenlichaam dat ons de vorm geeft, de gestalte, die in ons de groeikracht heeft enz.
Buiten dit echter laat de antroposofie ons ook zien, hoe er in mens nog andere wezensdelen aanwezig zijn. Neem geen aanstoot aan uitdrukkingen!
Boven het vormkrachten- of etherlijf hebben we dan iets wat de eigenlijke drager van de gevoelens is, het astraallijf en dan ook het Ik-wezen. We moeten de mens niet alleen leren kennen wat zijn fysieke lichaam betreft, maar we moeten hem praktisch leren kennen als een samenwerking van verschillende wezensdelen.
De weg vanuit het zintuiglijke die door de hele tegenwoordige wetenschap eer wordt aangedaan, naar het bovenzintuiglijke, bewandelt de antroposofie. Dat is geen weg van mystiek of fantasterij, maar een van dezelfde strenge wetenschappelijkheid als de wetenschap bewandelt wat betreft de zintuigwereld en de gewone, nuchtere activiteit van het verstand, dat echter aan het fysieke lichaam is gebonden. En op deze wijze ontwikkelt de antroposofie kennis, opvattingen en daarmee een gevoel voor het bovenzintuiglijke.

Damit aber wird nicht etwa bloß das geliefert, daß man über die gewöhnliche Wissenschaft hinaus noch eine andere Wissenschaft hat. Es ist ja nicht so in der Anthroposophie, daß man zu dem, was wir heute als Naturwissenschaft, als Geschichtswissenschaft haben, noch eine andere besondere Geisteswissenschaft hinzufügt, die nun auch wiederum nur eine Theorie ist. Nein, wenn man so zum Übersinnlichen hinaufsteigt, so bleibt die Wissenschaft nicht Theorie, sondern die Wissenschaft wird da von selbst Praxis. Die Wissenschaft wird dasjenige, was da aus dem ganzen Menschen hervorströmt.
Von der Theorie wird nur der Kopf ergriffen. Von dem, was Anthro­posophie als eine Erkenntnis, die aber mehr ist als Erkenntnis, über den ganzen Menschen gibt, wird auch der ganze Mensch ergriffen. Und wie ist es dann?
Ja, lernt man in der Anthroposophie kennen, was im ätherischen oder Bildekräfteleib enthalten ist, dann kann man nicht stehenbleiben bei den scharf konturierten Begriffen, die wir heute haben für die physische

Daarmee wordt niet alleen maar aangedragen dat er naast de gewone wetenschap nog een andere wetenschap is. Het is niet zo bij de antroposofie dat we naast wat we tegenwoordig als natuurwetenschap, als geschiedeniswetenschap hebben, nog een andere bijzondere geesteswetenschap zetten, die dan ook weer alleen maar een theorie is.
Nee, wanneer je tot het bovenzintuiglijke komt, blijft de wetenschap geen theorie, maar wordt de wetenschap vanzelf praktijk. Wetenschap wordt iets wat uit de hele mens tevoorschijn stroomt.
Door de theorie wordt alleen het hoofd aangesproken. Door wat antroposofie als weten, dat echter meer is dan weten, over de hele mens aanreikt, wordt de hele mens aangesproken. En hoe is dat dan?
Wel, als je in de antroposofie leert kennen wat in het etherische of vormkrachtenlichaam aanwezig is, kun je niet blijven staan bij de scherp gekaderde begrippen die we tegenwoordig hebben voor de fysieke

Blz. 73

Welt, dann werden alle Begriffe beweglich, dann wird der Mensch, indem er zum Beispiel die Pflanzenwelt ansieht, nicht bloß Formen, bestimmte aufzuzeichnende Formen des Pflanzlichen haben, sondern bewegliche Formen. Sein ganzes Vorstellungsleben kommt in eine innere Beweglichkeit. Der Mensch ist genötigt, seelisch sich eine Frische zuzulegen, weil er jetzt nicht mehr die Pflanze zum Beispiel äußerlich bloß anschaut, sondern weil er, indem er über die Pflanze denkt, das Wach­sen, das Sprießen, das Sprossen der Pflanze selber mitmacht. Der Mensch wird im Frühling selber Frühling mit seinen Vorstellungen, im Herbste selber Herbst mit seinen Vorstellungen. Der Mensch sieht nicht nur die Pflanze aus dem Boden sprießen, Blüten bekommen, oder wiederum die Blätter sich verfärben ins Bräunliche, abfallen, nein, der Mensch macht diesen ganzen Prozeß mit. Indem er über die sprießende, sprossende Pflanze im Frühling, auf die er hinschaut, denkt, vorstellt, wird seine Seele mitgerissen. Seine Seele macht innerlich den Wachs­tums-, den Blüteprozeß mit. Seine Seele wird innerlich ein Erlebnis haben, wie wenn alle seine Vorstellungen zum Sonnenhaften hingingen.

wereld, dan worden alle begrippen beweeglijk, dan zal de mens, wanneer hij bijv. naar de plantenwereld kijkt, niet alleen maar vormen, bepaalde plantenvormen moeten optekenen, maar beweeglijke vormen. Heel zijn

v o o r s t e llingsleven komt innerlijk in beweging. De mens wordt genoodzaakt wat zijn gevoel betreft, een bepaalde frisheid te verwerven, omdat hij nu de plant bijv. niet meer van buiten waarneemt, maar omdat hij, als hij over de plant denkt, de groei, het uitbotten, het uitlopen van de plant zelf meebeleeft. De mens wordt in de lente met zijn voorstellingen zelf lente, in de herfst met zijn voorstellingen zelf herfst. De mens ziet niet alleen maar de plant opkomen uit de grond, in bloei raken of  de bladeren verkleuren tot bruinachtig, afvallen, nee de mens maakt dit hele proces mee. Wanneer hij over de uitlopende, uitbottende plant die hij waarneemt in de lente, denkt, zich voorstelt, wordt zijn ziel meegenomen. Zijn ziel beleeft innerlijk het groei- en bloeiproces mee. Innerlijk beleeft hij mee hoe al zijn voorstellingen zich op het zonachtige richten.

Er hat gewissermaßen die Vorstellung, indem er immer mehr und mehr sich vertieft in das Pflanzliche, es ist das Sonnenlicht, zu dem er innerlich in der Seele emporstrebt. Alles wird innerlich lebendig.
Da werden wir nicht vertrocknete Begriffsmenschen, da werden wir innerlich seelisch lebendige Menschen. Da machen wir etwas von einer gewissen Trauer mit, wenn die Blätter sich verfärben und abfallen, da werden wir, wie gesagt, selber Frühling, Sommer, Herbst und Winter. Da frieren wir innerlich seelisch mit dem Schnee, der als äußerlich weißes Kleid die Erde bedeckt. Da wird alles in uns lebendig, was sonst trockenes Vorstellungsleben ist.
Und kommt man gar herauf zu Begriffen des sogenannten astralischen Leibes, ja, sehen Sie, da kommen die Leute und sagen: Ach, dieser astralische Leib, den haben so ein paar phantastische Kerle ausgesonnen.
Nein, er ist beobachtet, beobachtet wie etwas anderes. Aber derjenige, der ihn wirklich versteht, beginnt etwas anderes zu verstehen. Er beginnt zu verstehen dasjenige zum Beispiel, was erlebte Liebe ist. Er beginnt zu verstehen, wie die Liebe webt und wellt im Dasein. So wie er durch seinen Körper eine innere Erfahrung bekommt, ob es warm oder kalt ist,

Op een bepaalde manier krijgt hij de voorstelling, wanneer hij steeds meer zich verdiept in de plantenwereld, dat hij zich innerlijk in zijn ziel richt op het zonnelicht. Alles wordt innerlijk levend.
Dan worden we geen mensen met droge begrippen, maar mensen die innerlijk in hun gevoel léven. Dan beleven we iets van een bepaalde droefenis als de bladeren kleuren en afvallen, we worden, zoals gezegd, innerlijk in ons gevoel zelf lente, zomer, herfst en winter. Dan bevriezen we innerlijk als het sneeuwt, als de sneeuw als een uiterlijk wit kleed de aarde bedekt. Alles wat anders droge voorstellingen zijn, gaat dan in ons leven.
En wanneer je dan de begrippen van het zogenaamde astraallijf aanroert, komen er mensen die zeggen: ‘Ach, dit astraallijf is maar verzonnen door een paar fantasierijke figuren.
Nee, dit is waargenomen, waargenomen zoals andere dingen. Wie het werkelijk begrijpt, begint ook iets anders te begrijpen. Bij. wat doorleefde liefde is. Hij begint te begrijpen wat de liefde is die in het bestaan als een golfbeweging verbindt. Alsof hij door zijn lichaam een innerlijke ervaring krijgt, alsof het warm of koud is,

Blz. 74

so bekommt er durch die Erkenntnis des astralischen Leibes eine innerli­che Wahrnehmung, ob Liebe webt und wellt, oder ob Antipathie webt und wellt. Es ist eine volle Bereicherung des Lebens.
Sie werden nicht behaupten können, wenn Sie auch noch so viel Theorien, wie sie heute üblich sind, studieren, daß dann dasjenige, was Sie studieren, in Ihren ganzen Menschen übergeht. Es bleibt Kopfbesitz. Wollen Sie es anwenden, so müssen Sie es nach einem äußerlichen Prinzip anwenden. Studieren Sie Anthroposophie, so geht das über in Ihren ganzen Menschen, wie das Blut in Ihrem Körper rinnt. Das ist Lebensstoff, geistiger Lebensstoff – wenn ich das widerspruchsvolle Wort bilden darf -, geistiger Lebensstoff, der uns durchdringt. Wir werden andere Menschen, wenn wir Anthroposophie aufnehmen.
Und es ist so: wenn Sie ein Stück eines Menschenleibes nehmen, vom Finger hier, so kann dieses Stück höchstens tasten. Es muß ganz anders sich durchorganisieren, wenn es das Auge werden soll. Das Auge besteht auch aus solchen Geweben wie der Finger, aber das Auge ist innerlich selbstlos, ist innerlich durchsichtig geworden. Daher vermittelt einem das Auge dasjenige, was außerhalb des Auges ist.

zo krijgt hij door de kennis van het astraallijf een innerlijke waarneming alsof liefde verbindt en golft of dat antipathie heerst en golft. Het is een totale verrijking van het leven.
Je zal niet kunnen beweren, ook al zou je nog zoveel theorieën. zoals die nu gebruikelijk zijn, bestuderen, dat dan wat je bestudeert een deel wordt van je hele wezen. Het blijft iets van het hoofd. Als je het wil toepassen, moet dat volgens een uiterlijk principe. Als je antroposofie bestudeert, gaat dat in je hele wezen zitten, zoals het bloed door het fysieke lichaam stroomt. Het is stof voor het leven, geestelijke stof voor het leven – als ik deze tegenstrijdige woorden mag gebruiken: geestelijke stof voor het leven die ons doordringt. We worden andere mensen, wanneer we antroposofie in ons opnemen. En het is zo, wanneer je een deel van een mensenlichaam neemt, neem dit stukje vinger, dat kan alleen maar aftasten. Dat moet heel anders in elkaar steken om een oog te worden. Het oog heeft net zulk weefsel als een vinger, maar innerlijk is het oog onzelfzuchtig, innerlijk is het doorlaatbaar geworden. Vandaar dat het oog je doorgeeft, wat zich erbuiten bevindt.

Hat der Mensch innerlich ergriffen den astralischen Leib, so vermittelt der ihm dasjenige, was außerhalb ist. Der astralische Leib wird ein seelisches Auge. Der Mensch schaut in die Seele des anderen Menschen hinein, nicht in einer abergläubischen, zauberischen Weise, sondern in einer ganz natürlichen Weise. Aber es tritt so ein, was sonst nur unbewußt im Leben die Liebe macht. Sie schauen dasjenige, was in der Seele des anderen Menschen ist. Unsere heutige Wissenschaft sondert Theorie von Praxis ab. Anthroposophie bringt dasjenige, was Erkenntnis ist, in das unmittelbare Leben hinein, macht den Menschen zu einem anderen Menschen.
Es ist unmöglich, wenn man Anthroposophie studiert, daß man hinterher erst eine Praxis in der Anthroposophie durchmachen muß. Es ware ein Widerspruch in sich. So wie das Blut, wenn der Mensch als Embryo organisiert wird, in seinen Körper dringt, so dringt in Seele und Geist als eine Realität dasjenige, was Anthroposophie ist.
Dadurch aber kommen wir nicht etwa dazu, nun äußerlich am Men­schen herumzuexperimentieren, sondern wir kommen dahin, in das

Wanneer de mens innerlijk het astraallijf heeft begrepen, dan geeft dit aan hem wat erbuiten is. Het astraallijf wordt een oog voor de ziel. De mens kijkt in de ziel van de andere mens, niet op een bijgelovige, magische manier, maar heel natuurlijk. Maar het gebeurt zo, zoals anders alleen maar onbewust in het leven de liefde doet. Je kijkt in wat de ziel van de andere mens is. Onze huidige wetenschap scheidt theorie van praktijk. Antroposofie brengt hetgeen wat weten is, direct over op het praktische leven, maakt de mens tot een ander mens.
Het is onmogelijk wanneer je de antroposofie bestudeert, om pas achteraf een praktijk door te moeten maken. Dat zou met elkaar in tegenspraak zijn. Zoals het bloed in het lichaam doordringt wanneer de mens als embryo ontstaat, zo dringt de antroposofie door in ziel en geest als een realiteit.
Daarom komen wij er niet toe om uiterlijk met de mens te gaan experimenteren, maar wij komen ertoe

Blz. 75

innere Seelengefüge des Menschen hineinzuschauen, an den Menschen wirklich heranzukommen. Dann aber lernen wir auch noch etwas ande­tes. Dann lernen wir erkennen, wie innig verwandt zum Beispiel das menschliche Vorstellen mit dem menschlichen Wachstum ist.
Was weiß denn die heutige Psychologie von der Verwandtschaft des menschlichen Vorstellens mit dem menschlichen Wachstum? Man redet auf der einen Seite von der Art und Weise, wie Vorstellungen zustande­kommen. Man redet auf der anderen Seite in der Physiologie, wie der Mensch wächst. Aber daß diese beiden Dinge, Wachstum und Vorstel­lung, etwas miteinander zu tun haben, innig verwandt sind, davon weiß man ja gar nichts. Daher weiß man auch nicht, was es bedeutet, wenn in dem Lebensalter, das ungefähr zwischen dem siebenten und vierzehnten Jahr liegt, an den Menschen, an das Kind, unrichtige Vorstellungen herangebracht werden, wie das seinen Wachstumsprozeß beeinflußt, wie das den richtigen körperlichen Wachstumsprozeß beeinflußt. Man weiß nicht, wenn man dem Kinde zuviel Gedächtnisvorstellungen beibringt, wie das hemmend wirkt auf seinen Wachstumsprozeß. Man weiß nicht, wenn man dem Kinde zuwenig Gedächtnisvorstellungen beibringt, wie das sein Wachstum, ich möchte sagen, übermächtig macht, so daß es zu allerlei Krankheiten neigt.

dat we kunnen waarnemen in de ziel van de mens, we komen werkelijk bij de mens. Dan leren we ook nog iets anders. Dan leren we bijv. kennen dat het menselijke voorstellen diep verbonden is met de groei van de mens.
Wat weet de huidige psychologie van het verband van het voorstellen door de mens met zijn groeien? Aan de ene kant heeft men het over de wijze waarop voorstellingen tot stand komen. Aan de andere kant heeft men het in de psychologie erover hoe de mens groeit. Maar dat deze twee, groeien en voorstellen, iets met elkaar te maken hebben, diep verbonden zijn, daar weet men echter niets vanaf. Daarom weet men ook niet wat het betekent, als je in de levensfase die ongeveer tussen het zevende en het veertiende jaar ligt, de mens, het kind, onjuiste voorstellingen meegeeft en hoe dat zijn groeiproces beïnvloedt, hoe dat een gezond lichamelijk groeiproces beïnvloedt. Men weet niet dat wanneer je een kind te veel voorstellingen voor zijn geheugen bijbrengt, dit remmend werkt op zijn groeiproces. Men weet niet dat wanneer je een kind te weinig gedachtevoorstellingen bijbrengt, dat zijn groeien oppermachtig wordt, zodat dit tot allerlei ziekten neigt.

Man kennt nicht diesen innigen Zusammen­hang zwischen allem Seelischen und allem Leiblichen.
Ohne das aber ist jede Erziehung und jeder Unterricht ein finsteres Herumtappen am Menschen. Anthroposophie hat ganz gewiß im Anfang nicht darnach gestrebt, eine Pädagogik zu begründen. Sie wollte Menschenerkenntnis, ganze, volle Menschenerkenntnis liefern. Aber indem sie ganze, volle Menschenerkenntnis lieferte, entstand ganz von selbst das Pädagogische. Und wenn wir uns nun umschauen, was da und dort heute als Reformgedanken auftritt, so ist das alles außerordentlich gut gemeint, und man kann vor mancherlei allen Respekt haben, was in dieser Weise auftritt, denn die Menschen können ja nichts dafür, daß zunächst keine Menschenerkenntnis, keine wahre, wirkliche Menschenerkenntnis da ist. Wäre Menschenerkenntnis in diesen pädagogischen Reformplänen, Anthroposophie brauchte nichts zu sagen. Aber wenn Menschener-kenntnis vorhanden wäre, dann wäre es ja eben Anthroposophie. Weil

Men kent de diepe samenhang niet tussen alles wat ziel is en alles wat lichaam is.
Zonder dat is iedere opvoeding en elk onderwijs echter een vaag wat doen met de mens. Antroposofie had aanvankelijk niet de bedoeling een pedagogie te ontwikkelen. Ze wilde menskunde, volledige menskunde leveren. Maar toen ze deze bracht, ontstond als vanzelf het pedagogische.
En als we nu eens kijken wat hier en daar als vernieuwingsgedachten naar voren komt, is dat allemaal goed bedoeld en je kan voor van alles wat op deze manier gebracht wordt, veel respect hebben, niettegenstaande dat er voor de mensen nu geen menskunde, geen echte reële menskunde bestaat. Als er in deze pedagogische vernieuwingsplannen echte menskunde zou zitten, dan hoefde de antroposofie niets te zeggen. Maar als daar echte menskunde bij zou zijn, dan zou het antroposofie zijn. Omdat

Blz. 76

eine wirkliche Menschenerkenntnis heute in unserem ganzen Zivilisa­tionsleben fehlt, kam Anthroposophie und wollte diese Menschenerkenntnis geben. Und weil Pädagogik nur auf Menschenerkenntnis fußen kann, weil Pädagogik nur dann gedeihen kann, wenn nicht Theorie auf der einen Seite, Praxis auf der anderen Seite da ist, sondern wenn, ie beim wirklichen Künstler, alles, was man weiß, auch in das Tun, in die Tätigkeit hineingehen kann; weil Pädagogik nur gedeihen kann, Wenn alles Wissen Kunst ist, wenn die Erziehungswissenschaft nicht Wissen schaft, sondern Erziehungskunst ist, muß eine solche in sich tätige Menschenerkenntnis die Grundlage des pädagogischen Wirkens und Arbeitens sein.
Sehen Sie, darum existiert eine anthroposophische Pädagogik. Nicht weil man nun einmal fanatisiert ist für Anthroposophie, und deshalb der Anthroposophie zuschreibt, daß sie ein solcher Allerweltskerl ist, daß sie alles kann, also auch Kinder erziehen, nicht deshalb gibt es eine anthro­posophische Pädagogik, sondern weil mit Notwendigkeit nur aus einer wirklichen Menschenerkenntnis heraus, die eben Anthroposophie geben will, Pädagogik erwachsen kann. Deshalb, meine sehr verehrten Anwe­senden, gibt es eine anthroposophische Pädagogik.

Nun möchte ich morgen, nachdem ich heute nur einige einleitende Striche gegeben habe, über das Thema weitersprechen.

er nu in onze hele beschaving een echte menskunde ontbreekt, kan de antroposofie die geven en dat wil ze ook doen. En omdat pedagogie alleen maar gefundeerd kan worden op menskunde, omdat de pedagogie alleen maar gedijen kan als er niet aan de ene kant theorie bestaat en aan de andere kant praktijk, maar wanneer er, net als bij de echte kunstenaar, alles wat je weet ook in het doen, in de activiteit over kan gaan; omdat pedagogiek slechts gedijen kan, wanneer alle kennis kunst is, wanneer de opvoedingswetenschap geen kennis creëert, maar opvoedkunst is, dan moet de in zichzelf actieve menskunde de basis zijn van het pedagogisch bezig zijn.
U ziet het: d a a r o m bestaat er een antroposofische pedagogie. Niet omdat we nu eenmaal fanatiek antroposofie willen en men daarom van de antroposofie zegt dat het een manusje-van-alles is, dat ze alles kan, dus ook kinderen opvoeden. Maar daarom is er geen antroposofische pedagogie. Maar wel door de noodzaak dat een pedagogie alleen groeien kan door een echte menskunde, die de antroposofie dus wil geven.
Daarom, zeer geachte aanwezigen, is er antroposofische pedagogie.

Nu wil ik, nadat ik vandaag maar een paar inleidende aanzetten heb gegeven, morgen over het thema verder spreken.

.

Rudolf Steinerpedagogische voordrachten

Rudolf Steineralle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2759-2588

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfase en ziekte

.
Dr.Med. H.K.Mittelstrass, kinderarts, Weledaberichten nr.137 december 1995

.

ONTWIKKELINGSFASEN EN AANLEG VOOR ZIEKTEN IN DE EERSTE DRIE LEVENSPERIODES VAN ZEVEN JAREN

.

Elk jaar gedenken wij met Kerstmis de geboorte van het Jezuskind dat de Christus wordt, die wij als de Verlosser vereren. Als wij zijn levensgeschiedenis overzien, zoals die aan ons is overgeleverd, dan gebeuren er rondom de geboorte van het kind wonderbaarlijke dingen: de drie Koningen kwamen van verre. Zij begrepen de gebeurtenis vanuit de sterren. De herders beleefden die in hun harten en zij ontwaarden de hemelse heerscharen boven het heilige kind. Na de doop in de Jordaan begint echter pas de werking van Jezus van Nazareth, die zijn discipelen als de Christus herkennen. Nu stelt hij zelf tekenen. Wat ligt daartussen? Wij vernemen over de vlucht naar Egypte, een terugtocht in het verborgene. Daarna de terugkomst naar Galilea, die zo begenadigde streek van Israël, die los staat van het politieke leven van Jeruzalem. Daarna zien wij een uniek oplichten van hetgeen later zichtbaar zal worden, als de twaalfjarige Jezus, op de drempel van de kindsheid naar het jongelingschap, de Schriftgeleerden in verbazing brengt voor zijn leer en uitlegging van de Schrift in de tempel. In de stilte voltrok zich het rijpen, daarna kwam het begin van zijn taak op aarde.

Op die manier voltrekt zich ook de rijping van ieder mens. Er zijn vele jaren voor nodig, ongeveer twee decennia, tot wij diegenen zijn, die in het leven vormgevend ingrijpen, om onze taken op aarde te volbrengen. Het zijn jaren van leren, rijpen, groei en verandering. Vanaf onze geboorte zijn wij wel fysiek aanwezig, toegerust met een ontembare levensdrang, na een geheimzinnige, in het verborgene van de moederschoot zich voltrekkende voorbereiding, maar… hoe hulpeloos zijn wij niet? Wij hebben deel aan de wereld, hebben echter de krachten, de substanties van die wereld nodig, bovenal de andere mensen om op te groeien, te rijpen en uiteindelijk zelfstandig te worden.

Deze ontwikkelingsfase vertoont naast continuïteit duidelijk markante punten waar nieuwe eigenschappen en impulsen tevoorschijn komen, misschien alleen maar terloops zichtbaar worden, om dan weer in de stroom van de voortschrijdende ontwikkeling onder te duiken.

Dergelijke in het oog lopende punten herkennen wij in de vroege kindsheid gemakkelijker als zij gepaard gaan met zichtbare lichamelijke veranderingen. Later worden zij minder duidelijk, als zulke veranderingen nog slechts psychisch-geestelijke ontwikkelingen weergeven, die wij dus ook met andere waarnemingsorganen moeten observeren. Wij zien een groot, ongeveer zeven jaren omvattend biologisch en biografisch ontwikkelingsritme, dat op zich zelf in fasen is geleed.

Er zijn twee kenmerkende gebeurtenissen na de geboorte waardoor wij fysiek tot verschijning komen.

De eerste is het tijdstip van de tandenwisseling, die de kleuterfase afsluit en altijd al als het juiste ogenblik van de schoolrijpheid werd beschouwd, omdat er nu kennelijk nieuwe mogelijkheden en vaardigheden ontstaan.

De tweede is het intreden van de puberteit omstreeks het 14e jaar. Met de lichamelijke verandering van de geslachtsrijpheid ontwaken nieuwe zielenkrachten, die vrij komen en die zich naar de medemens en de wereld keren.

Rondom het 21e jaar is de menselijke gestalte voltooid. Het is de tijd van de volwassenheid. Daarna kan de mens het ”wij” beleven en in de wereld actief worden.

Tussen deze overgangen om de zeven jaren ligt het doorbreken van de eerste tanden in het zuigelingenstadium omstreeks de 6e maand. Vanaf nu kan ook vaster voedsel dan alleen de zoete moedermelk worden verdragen; het kind wil zich gaan oprichten. Als het één jaar is kan het dat. Daarop volgt het leren lopen. De wereld wordt groter. Het kind wil die wereld gaan begrijpen en ervaren. Na een eerste begin van de mogelijkheid om te denken ontvonkt met ongeveer 2½ jaar het ik-bewustzijn, waarmee dan allengs het continue zelfbewustzijn, de mogelijkheid van het zich-herinneren gepaard gaat.

Lichaamsbeheersing (wie beheerst wie?) en leren gaan geweldig vooruit. Het lichaam groeit op in fasen van afwisselend strekken en vullen. De kindsheid is door iets betoverends omgeven. Het echt-slechte bestaat niet. In de omgang met het kind krijgen wij eerbied voor hetgeen daar zienderogen opgroeit en rijpt onder onze zorgzame handen. Met ongeveer 9 jaar wordt die harmonie dikwijls haast onmerkbaar plotseling verstoord, als ons vragen, twijfel omtrent de ouders en opvoeders uit de droeve, resignerende blik van het kind tegemoet komen. Deze vertroebeling van onze relatie met het kind en van het kind met ons wordt verhevigd als wij beleven, hoe rondom de puberteit driften loskomen, verdorvenheid de ziel gaat beproeven, krachten in tegenstelling tot hetgeen de opvoeder en de wereld beogen, de vrije loop trachten te krijgen om dan weer te worden gebruikt voor lichamelijke en geestelijke prestaties die van een verbazingwekkende zekerheid getuigen en die vooral blijken in de adolescentie – vooropgesteld dat de jonge mens de juiste gelegenheid krijgt om lichaam, ziel en geest te voeden en te trainen. Maar rondom het 18e, 19e jaar komt er een nieuwe breuk als opeens gedurende een zekere tijd een opeenvolging van blunders en pech ontstaat waaruit de adolescent dan ontwaakt, gerijpt door de ervaring, dat niet alles zomaar vanzelf gaat en teleurstelling – waardoor het begrip voor de omgeving wordt verdiept – wordt ervaren; wij zien de mens nu volwassen worden. Wij vermoeden iets van de worsteling tussen opbouwende groeikrachten en vormgevende afbrekende krachten in de jonge mens, tot ten slotte na vele metamorfosen de bij hem passende gedaante met de daaraan inherente vermogens voor ons staat.

Het kan na het hierboven beschrevene duidelijk zijn, dat dit verloop van de menswording in ritmische ontwikkelingsfasen verloopt. Aan die fasen, waarin plotseling nieuwe resp. oude vermogens in veranderde gedaante tevoorschijn komen, gaan tijden van voorbereiding vooraf, waar in het verborgene de aanleg ontstaat voor hetgeen later verschijnt.

Wij weten, dat de stappen in een ontwikkeling vaak pijnlijk zijn en het beeld van ziekten vertonen. Uit de waarneming daarvan en het weten daaromtrent dringt zich de gedachte op, dat ziekten – vooral gedurende de kinderjaren- de uiting van ontwikkelingsfasen of op zijn minst de heftige poging om een ontwikkeling door te maken zijn, die zonder de inspanning van een ziekte niet mogelijk zou zijn geworden.

In het hierna volgende worden enkele typische ziekten met betrekking tot de verschillende levensfasen beschreven die deze gedachte kunnen illustreren.

Ziekten in de eerste zeven jaar

In de eerste zeven jaren spelen infectieziekten de hoofdrol. Zij zijn zo kenmerkend voor deze leeftijd, dat ze kinderziekten worden genoemd. Met de krachten van de nabootsing, waarover het kind op deze leeftijd beschikt en die bij de infectieziekten aan het fysieke lichaam gebonden optreden, verwerft het zich als resultaat van de ziekte de immuniteit, d.w.z. het kan niet een tweede keer zo’n ziekte krijgen. Het kind krijgt dus iets wat helemaal van hemzelf is: het vermogen om zich zelf in stand te houden.

Het beleeft, gekluisterd aan zijn lichaam, een proces, dat al in de ziel in de fase van het nee-zeggen, van het eerste ik-bewustzijn, is begonnen. Zulke ziekten, die van binnenuit via het zweten met hoge koorts, door de huid worden afgeleid, treden op in een fase van lichaamsverandering en groei. Na mazelen, roodvonk, waterpokken wordt tegelijk met de roofjes en korsten de oude huid afgelegd. Het kind komt als herboren tevoorschijn met zijn nieuwe vaardigheden, vooreerst nog een beetje uitgeput door de worsteling, op den duur echter versterkt. Het beschikt over nieuwe vaardigheden, heeft belemmeringen uit het verleden zoals bijv. gebrek aan eetlust en bedwateren overwonnen.

Ziekten in de tweede zeven jaar

Terwijl in de eerste zeven jaren deze ziekten de totale mens met hoge koortsen doorgloeiden, waarvoor men eigenlijk niet bevreesd behoeft te zijn, hebben de typische en veel voorkomende ziekten van de tweede fase van zeven jaren eerder een vluchtig nauwelijks vatbaar functioneel element. Het totaal van de wisselende symptomen vatte Holzapfel als schoolziekten samen: buikpijn, braken, diarree, verstopping, hoofdpijn, pijn in de ledematen, steken in de hartstreek, ademnood, duizeligheid wisselen elkaar af. De arts zal, als hij organische manifestaties zoekt, nauwelijks iets vinden wat van belang is.

Terwijl het lichaam in de eerste zeven jaren steeds meer gevormd werd, moet het zich nu aan uiterlijke omstandigheden aanpassen. Dat lukt niet zonder dat ook het zielenleven, dat nu ontstaat hierbij betrokken is. Wij denken hierbij eraan, hoe schrik de adem doet stokken en het gelaat doet verbleken, toorn het gezicht rood laat worden en vreugde het hart sneller laat kloppen. Aldus kunnen wij meevoelen, wat in deze levensfase het voornaamste element is, dat wordt getraind en leiding geeft: de ziel, die gebruik maakt van de lichamelijke functies, wier kenmerk is heen en weer te pendelen tussen vreugde en smart, moed en angst, sympathie en antipathie, instemming en afkeuring en die in het gezonde heen-en-weer schommelen tussen de polen niet in de stilstand het evenwicht zoekt en vindt. In de eerste zeven jaren vinden wij uiterlijke oorzaken voor het optreden van de kinderziekten die worden “nagebootst”. Zij zijn een welkome aanleiding om de wil te activeren, die het kind van top tot teen doortrekt. Opdat dit goed gebeurt, behoeven wij als artsen en opvoeders hier niet veel aan toe te voegen.

In de gezondheidsstoornissen van de basisschoolleeftijd hebben wij eveneens uiterlijke aanleidingen die uitgaan van het ouderlijk huis, de civilisatie, de voeding, een tekort aan ritme in het dagverloop, intellectuele overbelasting, een overmaat van zintuigelijke indrukken. Een hulp, die wij ter overwinning van de stoornissen kunnen bieden ligt op het psychische vlak om het heen en weer gaan tussen twee uitersten weer op gang te brengen of tot de juiste maat te herleiden. Het pendelen heeft echter ook ten doel een evenwicht tot stand te brengen. Ondersteuning daarvan bestaat in een gezonde opvoeding, zoals die te vinden is in de vrijeschoolpedagogie. Wie zich daarmee bezig houdt scherpt ook zijn blik om de genoemde uiterlijke aanleidingen van de stoornissen te kunnen herkennen en verschaft aan ouders en opvoeders de mogelijkheid om de kinderen te helpen.

Ziekten in de derde zeven jaar

Als de puberteit zich aankondigt als een overgang van de 2e naar de 3e fase van zeven jaren, met een versnelling van de wasdom, in lichamelijke zwaarte vallen, rijping van geslachtsorganen, verandert ook het kenmerk van de typische door de leeftijd bepaalde ziekten: botnecrose, slechte lichaamshouding, vetzucht treden op en verkondigen, dat in de toekomst ziekten anders, meer aan de organen gebonden zullen zijn. Als wij bedenken, hoe verbonden met crises in het ziels- en wilsleven de fase van de puberteit bijna door iedereen wordt beleefd, dan wordt ook begrijpelijk, dat nu werkelijk de levensloop beïnvloedende storingen kunnen optreden, als deze overgang niet gelukt.

Nemen wij in dit verband de steeds meer in de puberteit optredende drift om te vermageren of een ander gedragspatroon (verslaving aan drugs, alcohol, nicotine etc.), wat in onze tijd een overgroot vraagstuk wordt, dan wijzen deze ziekten wat hun kiem betreft naar eerder liggende stadia. Niet in de eerste plaats in de directe omgeving, het heden, liggen de oorzaken van de ziekten, zoals dat bij de voorafgaande leeftijdsfasen voornamelijk het geval was; veeleer zijn die dan te vinden in factoren uit het verleden. Zij beïnvloeden de actuele situatie en werpen een drempel op voor de toekomst. Deze ziekten zijn misschien nog de uitdrukking van de wil tot zelfgenezing, van de poging om stadia van de ontwikkeling in te halen, maar door de ernst van de ziekte wordt toch duidelijk, dat zij uit zichzelf niet meer tot genezing in staat zijn. Veeleer kan men vermoeden, dat er beschadigingen zullen overblijven, als er niet energiek wordt ingegrepen en geholpen van buiten af door opvoeders en genezers.

Deze ziekten van de derde zevenjaarperiode blijken in tegenstelling te staan, tot de typische ziekten van de voorafgaande periodes. Van de eerstgenoemde ziekten krijgt men de indruk, dat zij gunstig zijn voor de ontwikkeling. De later optredende ziekten lijken die te remmen, af te snijden. Als wij nauwgezet andere ziekten nagaan, die behalve de genoemde in de eerste twee periodes van zeven jaren optreden, dan kunnen wij misschien in toenemende mate ook in eerdere levensperiodes dergelijke belemmerende ziekten ontdekken.

Daardoor rijst de vraag: wat zijn de voorwaarden voor het ontstaan van zulke ingrijpende en uiteindelijk vernietigende ziekten? Als men nagaat, wat jonge mensen, die verslavingsgedrag vertonen, tevoren hebben meegemaakt op hun ontwikkelingsweg, dan ontdekt men dikwijls krenkende en storende gebeurtenissen, die hoogst persoonlijk zijn en niet over één kam geschoren en vereenvoudigd kunnen worden opgesomd – gebeurtenissen, die schreden op de ontwikkelingsweg bemoeilijkten of onmogelijk maakten. Men denkt aan het ontbreken van kinderziekten, van nestwarmte in de eerste kinderjaren, intellectuele overbelasting in de schooltijd, vervelende leraren i.p.v. ontmoetingen met een enthousiasmerende, kunstzinnige persoonlijkheid die voor het kind een dierbare autoriteit wordt.)

De vraag naar de voorwaarden van de ontwikkeling-belemmerende ziekte in de derde zevenjaarperiode roept de vraag op naar de voorwaarden voor de ontwikkeling van een levend wezen in ’t algemeen.

In de planten- en dierenwereld ziet men, dat in elke ontwikkeling levenswetten een rol spelen. Men kan ze als volgt formuleren:

1e: dat de ontwikkeling naast een continuïteit een ritmische geleding in de tijd vertoont.
2e: dat met dit ritme in de tijd ook ritmisch zich voltrekkende gedaanteverwisselingen gepaard gaan (metamorfosen).
3e: dat ontwikkelingsfasen en veranderingen in het verborgene worden voorbereid in een beschermende omhulling.

De eerste beide gezichtspunten vonden wij reeds in de voorafgaande beschouwing. Het noemen van ziektefasen diende ter verduidelijking daarvan. De derde wetmatigheid werd ook reeds vermeld.

Wij willen daar nog enkele gezichtspunten aan toevoegen met de bedoeling de oorzaak van die de ontwikkeling remmende ziekten van de derde zevenjaarperiode na te gaan en misschien een bijdrage te leveren, hoe dit soort ziekten aan te pakken.

Ziekte is geen levensuiting van planten en dieren als het milieu intact is. Ziekte wordt echter in toenemende mate mogelijk door de mens, die het milieu ook van deze levende wezens verandert en is voor ons een signaal om zorgvuldiger met het milieu om te gaan. De plant verbergt voor onze blik de voorbereiding voor de volgende ontwikkelingsfase onder de schutbladeren van de knop. Het dier verbergt in het ei de larf. Die verpopt zich tot de rups een vlinder wordt. Het dier bouwt nesten, maakt holen, trekt zich in het struikgewas terug of het wordt in de kudde door de volwassen dieren omringd. Elke keer worden omhullingen gevormd in de bescherming waarvan stappen in de ontwikkeling worden gedaan. Voor zover die lichamelijk zijn kunnen wij ze zien, meten, wegen. Psychische ontwikkeling blijkt uit het gedrag. Die volgt meestal op lichamelijke veranderingen, zoals men door subtiele waarneming ook na de duidelijke keerpunten van de tandenwisseling, de puberteit nog kan zien. Ook psychische ontwikkelingsetappes hebben ter voorbereiding omhullingen, afzondering nodig. Wij mogen dit afleiden uit het voorafgaande betoog. Deze omhullingen, in de bescherming waarvan psychische, geestelijke en lichamelijke ontwikkelingen worden voorbereid, behoeven niet zichtbaar, moeten echter werkzaam zijn.

Laten wij niet vergeten, dat wij in tegenstelling tot de dieren kunstmatige verwarming door kleren en woningen nodig hebben. Vergeten wij ook niet de psychische omhulling die het gezin aan het zich in wording bevindende zielenwezen van het kind geeft. Daarbij komt nog de omhulling van de moedertaal voor het denken, die een klas, een schoolgemeenschap, een functionerende buurtschap kunnen geven om geestelijke en sociale vaardigheden te trainen, opdat daarna een eigen zielspatroon, het eigenlijke wezen van de mens, zich met behulp van de culturele omhulling kan ontwikkelen.

Als wij het wezenlijke van omhullingen nader beschouwen, dan wordt duidelijk dat die beschermende organen niet alleen naar binnen en naar buiten afsluiten. Ze zijn ook doorlaatbaar.

Die doorlaatbaarheid is echter ook gefilterd: de pop van de vlinder laat heel bepaalde werkingen door van buitenaf, bijv. bepaalde frequenties van stralingen uit een breed spectrum, die voor de wordingsprocessen van belang zijn; andere worden afgewezen.

De omhullende lagen zijn gevoelig voor licht, warmte en vochtigheid, zij beschermen tegen koude en droogte.
Wij zien nu in de omhullingen eigenschappen die onze huid ook heeft, die ons van de buitenwereld afschermt, maar tevens signalen van buiten naar binnen overbrengt in een gefilterde vorm. Omhullingen beschermen. Zij zijn noodzakelijk in de ontwikkelingsweg van levende wezens. Wij gaan beseffen, omdat omhullingen noodzakelijk zijn, hoe kwetsbaar de ontwikkeling van levende wezens in ’t algemeen is, vooral in het stadium van de gedaanteverwisseling, als de oude omhulling is afgeworpen en de nieuwe toestand nog niet is gevestigd.

Langs deze weg kan duidelijk worden, hoe gevoelig voor stoornissen een ontwikkeling is, als omhullingen niet te juister tijd zijn ontstaan of de bescherming die zij kunnen bieden, ontijdig is aangetast of te laat werd opgelost. De ervaringen en waarnemingen in het dierenrijk vertellen ons echter ook: hoe eerder zich ontwikkeling in het onbeschermde milieu voltrekt, des te lager is de graad van de uiteindelijke organisatie. Dieren hebben bijv. geen culturele omhullingen ontwikkeld, zij blijven dus in de soort gevangen.

Een te vroeg geboren kind heeft de intensieve inzet van artsen en verpleegsters nodig om in leven te blijven. Het krijgt een kunstmatige omhulling in de gedaante van een couveuse. Dikwijls vertoont het zijn leven lang de sporen van een te vroege geboorte, bijv. cerebrale bewegingsstoornissen, waaruit blijkt, dat een rijping niet in rust werd volbracht, maar hals over kop moest worden ingehaald in een onnatuurlijk milieu buiten de beschermende en voedende moederlijke lichamelijke omhulling. De liefde van de moeder biedt weliswaar hulp in de eerste weken tegen het ’t leven bedreigend gevaar, maar is op zichzelf niet toereikend.

Evenzo kan het leven in de hoogste mate in gevaar komen of voortijdig uitblussen, als niet op tijd die tot dusver voedende en vormgevende omhulling wordt afgestoten, als de geboorte dus niet tot stand wil komen en een kunstmatige beëindiging van de zwangerschap voor het te lang gedragen kind noodzakelijk is.

Beide stoornissen aan het begin van een leven zijn oerbeelden van ziekten door een te vroeg of een te laat, zoals die op elke trede van de ontwikkeling mogelijk zijn, waarbij een te vroege geboorte laat zien, wat het betekent om op de toekomst vooruit te lopen: het heden en het verleden moeten worden ingehaald. Het te lang gedragen kind laat zien, hoe vernietigend en de toekomst onmogelijk makend het kan zijn, als het verleden te lang wordt vastgehouden.

Wij willen dus de mens beschouwen als een wezen, dat omhullingen heeft. Laten wij onze blik scherpen voor het feit, hoe dat is, waar hij littekens heeft, waar omhullingen ontbraken, als wij naar hem kijken zoals hij nu is. Maar wij willen tevens ook ontdekken wat er nu nodig is. Er wordt een appel op ons gedaan onze wil te activeren, tevens te zoeken naar wegen om hulp te bieden. Want wat doen wij als iemand gewond is? Wij maken een kunstmatige omhulling, wij verbinden de wond, opdat onder die bescherming de totaliteit weer kan ontstaan.

Met Kerstmis wordt elk jaar ter herinnering aan de geboorte van Jezus een beroep op die kant van ons wezen gedaan, dat liefderijk zich naar de medemens zou willen keren. Zou de kersttijd niet ook het juiste tijdstip zijn om met een innerlijke oefening te beginnen, n.l. dat men de medemens als een in omhullingen zich openbarend wezen ziet?

.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2758-2587

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-1/35)

.

stier

De stier is het sterrenbeeld dat tegen de morgen aansluiting zoekt bij de ram. Hij is eveneens het tweede sterrenbeeld van de dierenriem. Zijn helderste ster, het oog van de stier, Aldebaran, licht aan de nachtelijke sterrenhemel rood op. Dit fonkelende, lichtende hemellichaam heeft bij de aardbewoners te allen tijde een gevoel van eerbied en ingetogenheid opgeroepen. 
De oude culturen van Babylon, Egypte en Kreta zagen in de stier een goddelijk wezen, dat moed, uithoudingsvermogen en kracht belichaamde. Dat komt ook in de volgende legende tot uitdrukking.

Europa was de knappe dochter van koning Agenor van Fenicië. Op een dag zag Zeus, die al lang verliefd op haar was, hoe ze met haar vriendinnen bij het strand van de zee bloemen plukte. Toen nam hij de gedaante van een witte stier aan en sloot zich aan bij een kudde van de koning die in de buurt weidde. 
Europa zag de prachtige stier meteen, want hij overtrof alle andere in pracht en kracht. Zijn kleur was zo wit als vers gevallen sneeuw. Zijn nekspieren verraadden een grote kracht, zijn horens zagen eruit als edelstenen en zijn ogen stonden open en vriendelijk. De dochter van Agenor verbaasde zich erover hoe trots hij daar rond liep en de meisjes vol vertrouwen naderde. Hoewel hij zich tam voordeed, aarzelde ze toch hem te aaien. Maar weldra was ze toch dicht bij hem en hield hem bloemen voor, waarvoor de verliefde haar teder de handen aanraakte. Speels maakte hij danssprongen op het groene gras en ging toen met zijn sneeuwwitte lijf op het goudgele zand liggen. Toen ebde bij de jonkvrouw de angst weg. Ze mocht hem rustig op de borst kloppen en in zijn horens verse kransen vlechten. Toen durfde ze zelfs op zijn rug te gaan zitten.
Rustig ging de stier nu staan en liep langzaam naar de zee. De jonkvrouw vond het leuk dat hij haar zo het kalme water in droeg.
Maar hij ging steeds dieper en verder weg van de oever. Europa zag het angstig aan en riep haar vriendinnen om hulp, maar de stier zwom al verder het diepe water in.
Voorzichtig droeg hij zijn kostbare buit op zijn gewelfde rug door het water, zonder dat haar voeten nat werden. Met haar rechterhand greep ze een horen vast, haar linker rustte op de rug van het dier. Haar jurk fladderde in de wind en stond bol als een zeil. Bevend van angst gleed het meisje zo door het water, ver van iedere kust vandaan. 
Pas op het einde van de tweede dag bereikten ze een verafgelegen oever. Op een ondiepe plaats ging de stier aan land, liet de jonkvrouw zacht van zijn rug glijden en verdween voor haar aanblik. 
In zijn plaats verscheen er een prachte jongeling, een god gelijk en hij sprak: ‘Ik ben de heer van dit eiland dat Kreta heet. Wanneer je mij gelukkig maakt, zal ik je voor elk gevaar behoeden.’ Wat moest Europa in deze toestand doen? In haar gevoel van troosteloze eenzaamheid reikte ze hem haar hand als teken van toestemming en Zeus had zijn doel bereikt.
Maar toen verliet hij Europa en verhief zich in de hemel als stralend sterrenbeeld, naast de enkels van de voerman. Daar zien we hem nu hoe hij half zichtbaar door het water van de zee zwemt, met zijn voorpoten de golven klievend.
Europa echter, schonk het leven aan een zoon die zij Minos noemde. Als koning van Kreta werd hij de stichter van de Minoïsche cultuur, de eerste in Europa, dat de naam van zijn moeder kreeg.

Het sterrenbeeld omvat nog twee kleinere: de Plejaden en de Hyaden. De Plejaden vinden we op de rug van de stier en de Hyaden vormen zijn voorhoofd, een liggende grote Latijnse V. Deze twee sterrenbeelden kenden naar het schijnt, de mensen al in heel vroege tijden en er zijn veel legenden mee verbonden.

De Pleiaden waren zeven nimfen, dochters van de titaan Atlas en de dochter van Okeanos, Pleione, van wie ze hun naam hebben. Met hen verbonden zich goden en zo werden zij de stammoeders van het Griekse heldengeslacht. 
De mooiste van hen was Maia met wie de godenvader Zeus trouwde en Hermes, de bode van de goden verwekte. Alleen een van de zusters, Merope, vond geen godenliefde en moest met een sterveling trouwen, Sisyphos, de stichter van Korinthe. Uit schaamde verborg zij zich voor haar zusters en daarom zien we met het blote oog slechts zes sterren, hoewel men de Pleiaden van oudsher een zevengesternte noemt.

De Hyaden waren riviernimfen. Aan hen bracht Hermes de jonge Dionysos die later de dionysische mysteriën stichtte, kort na zijn geboorte. Omdat de Hyaden zijn zoon melk gaven en hem verzorgden, kregen ze van Zeus een plaats aan de sterrenhemel.

Zo                                                                    z                                                               zw      dec.    1    24°°u                                      jan    1  22°°u                            febr  1   20°°u
15   23°°u                                              15  21°°u                                    15  19°°u

In december staat de Stier aan de avondhemel hoog in het zuidoosten, in januari in het zuiden en daalt dan in februari naar het zuidwesten.

De namen van de sterren betekenen:

Aldebaran (Arabisch) = die na de Pleiaden volgt
Nath (Arabisch) = de stoot

.

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2757-2586

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – warmte (11-5)

.
Dr.med. Olaf Koob, Weledaberichten nr. 134 december 1984

.

WARMTE EN LEVEN
.

Iedereen weet dat warmte iets met leven en koude iets met dood te maken heeft. Een wezen dat warm is, d.w.z. goed met bloed doorstroomd, is levend; een wezen daarentegen dat koud is geworden, beleven wij als dood. In de jaargetijden staan zomer en winter diametraal tegenover elkaar. In de warmte van de zomer voelen wij ons prettig, één met onze omgeving, wij vloeien a.h.w. lichamelijk uit door de transpiratie en psychisch, doordat wij vreugde beleven aan de in het zonlicht opengaande wereld. Wij leven zelf in deze tijd meer in de buitenwereld dan in ons innerlijk.
Het tegenovergestelde gebeurt in de winter: uit de koud geworden wereld waarin het plantenleven zich heeft teruggetrokken, trekken wij ons ook meer in onszelf terug; wij beschermen ons door warme kleding tegen de verkoelende invloeden van buitenaf, wij zoeken de warme haard en de gezelligheid samen met andere mensen.

Wat is er met de warmte, dat wij die zo graag opzoeken en dat wij tot in de taal positieve gedachten én gevoelens daaraan vastknopen? Wij hebben het over hartewarmte, warme gevoelens en – verhevigd – gloeiende geestdrift. In ’t algemeen wordt ook het gevoel van liefde met warmte en met de actieve kleur rood vergeleken. Haat en afgunst daarentegen beleven wij als koud en a.h.w. groengelig van kleur. Daardoor komen wij erop, dat uitgaande boven het meetbaar-fysieke ervan, de warmte haar oorsprong heeft in het psychische en geestelijke gebied. Dat ervaren wij vooral in de Kersttijd in de grote tegenstelling tussen koude, eenzaamheid en duisternis buiten en de zielsverwarmende gebeurtenis van de geboorte van het Kerstkind, van toekomst en verlossing in een wereld waarin verkilling van het gevoel, ongeïnteresseerdheid en haat de overhand willen krijgen. 

Gedachten over het ontstaan van warmte 

Als wij nagaan waardoor er warmte in de wereld ontstaat dan vinden wij dat daaraan altijd een verbrandingsproces ten grondslag ligt. Dit betekent dat materie wordt vernietigd, wordt opgelost, in zeker opzicht zichzelf offert of wordt geofferd om iets wat daarin verborgen is, eigen substantie aan de omgeving te schenken. Uit een kwantiteit wordt door een geheimzinnig proces een kwaliteit, nl. warmte.

Wij zeggen dan ook, dat een wezen warmte geeft. In dit geven is een offer besloten. Er wordt iets aan de wereld of aan een ander geschonken; zoals wij dat ook bij de ware liefde kunnen ervaren. Warmte, offer, liefde en leven behoren bij elkaar.

In de kosmos vindt dit proces plaats door de zon, die met haar licht en warmte de ziel verkwikt, de planten laat gedijen en de mens dichter bij de natuur brengt. De zon moet wel een oneindige warmtebron zijn.

Bij de lichaamswarmte van de mens zien wij dat deze, uitgaande van het geestelijke en psychische wezen, ook door verbrandingsprocessen wordt gedragen. Voedingssubstantie wordt geofferd om in de mens levensprocessen in stand te houden.

Bij de stoffen zijn het vooral de vetten en oliën die bij de mens een grote invloed hebben op het tot stand komen van warmte. Bij de voeding en ook uitwendig toegepast maken zij bij de mens een verlies aan warmte ongedaan en heffen zij storingen in de warmtehuishouding op.
Hier komen wij op een belangrijk terrein: de verstoring van de lichaamswarmte. Steeds meer klaagt men over koude handen en voeten, blijken organen een te lage temperatuur te hebben, treedt het zogenoemde kouvatten op. Het lijkt alsof de warmtekrachten van het menselijke organisme niet meer toereikend zijn om tegen temperatuurverschillen van buitenaf bestand te zijn. Wij moeten hier wijzen op een uiterst belangrijke factor van gezondheid en ziekte: het zogenoemde ”warmte-organisme” van de mens. Dit is een in zich zelf gesloten geheel, kan gemeten worden op verschillende plaatsen van de huid en reageert zeer gevoelig op psychische veranderingen. Angst, shock, remmingen, maar ook koude van het gevoel kunnen rechtstreeks worden afgelezen aan de warmtehuishouding.

Warmte en gemoed

Als iemand moeite heeft zijn lot te aanvaarden, niet “met beide benen op de grond staat” kan het gevolg daarvan zijn dat hij chronisch last heeft van koude voeten. Als de mens zich in zichzelf terugtrekt, of als zijn gevoelens moeilijk naar buiten komen, dan lijdt hij aan chronische koude handen. De basis voor een gezonde lichaamstemperatuur zijn nl. het bloed en het hart, die immers bij alle emoties betrokken zijn. Beide zijn de lichamelijk-organische manifestatie van de ziel en de geest.

Als ervan iemand veel liefde, belangstelling, goedheid, welwillendheid uitgaat, d.w.z. als hij iets van zijn wezen aan de wereld geeft, dan noemen we hem een gevoelswarm mens; hij beschikt over een zielenkracht, die wezenlijk met de warmte te maken heeft: het gemoed. De krachten van het gemoed ontspruiten uit het hart. Mensen van dit type zijn goed doorbloed, ze hebben iets wat rond en sterk aandoet.

Warmte als kracht in het fysieke, het psychische en het geestelijke gebied

Wij bespraken de warmte in haar fysieke en psychische verschijningsvorm en wij zagen het samenspel ervan. Als iets zich offert, er iets van de eigen substantie uitstroomt, dan ontstaat er warmte die positief werkt op de omgeving en in het psychische gebied als liefde wordt gevoeld.

Kinderen hebben absoluut een liefdevolle omgeving nodig, de zogenoemde ”nestwarmte”, opdat zij lichamelijk en psychisch kunnen gedijen. De liefde, die ons omringt, bevestigt ons in ons bestaan, laat ons merken dat wij op de aarde worden geaccepteerd, zodat wij van onze kant de wereld kunnen aanvaarden. Door het kleine kind, dat zich aan alles wat het tegemoet komt vol vertrouwen overgeeft, stroomt nog iets heen van de kosmische liefde waarop in ’t bijzonder op Kerstavond onze blik kan zijn gericht.

Juist in onze tijd, waar de gedachte van het offer zo sterk op de achtergrond is geraakt, waaraan de ene kant in het psychische, dikwijls egoïsme, verkilling van het gevoel, haat en apathie heersen en aan de andere kant in het lichamelijke gebied, tumoren, verhardingen en verslappingen optreden, blijkt het nodig om zich met het vraagstuk van de warmte bezig te houden. Niet in de laatste plaats is de warmte in het geestelijke gebied waar a.h.w. haar oorsprong ligt, van wezenlijke betekenis. Wij beleven de warmte hier bijv. wanneer een idee, die eerst met het koele verstand, in het hoofd, wordt begrepen, een verbinding aangaat met het hart en tot daad wordt, d.w.z. als een idee met de warmte van het hart en de kracht van de wil wordt doordrongen en tot een ideaal wordt. De ware idealist wordt immers gekenmerkt doordat hij zelfs zijn leven voor een idee, die hij tot een ideaal heeft gemaakt, opoffert. Ook dit beschrijven wij in de taal als een warmteproces: men loopt warm voor iets. Bij zo iemand kunnen wij ons geborgen voelen; wij vermoeden dat het leven pas dan verder kan gaan als mensen hun ideeën weer tot idealen verheffen.

In het fysieke, psychische en geestelijke gebied is de warmte een kracht, die van de mens naar de wereld stroomt, die leven opwekt en in stand houdt. Voor de koude is typisch, dat iets zich samentrekt, gaat verharden, tot egoïsme wordt en de dood in zich bergt.

Juist in de Kersttijd, als de natuur als gestorven rust en de aarde bedekt is met sneeuw, werd in de geschiedenis van de mensheid een impuls zichtbaar die ieder aangaat: de geboorte van het Kerstkind die in een stal plaatsvond. Deze gebeurtenis brengt ons tot de vraag, waar vandaan de warmte en het leven eigenlijk komen. In het licht van de Kerstgeschiedenis moeten wij zeggen, dat zij uit geestelijke werelden stammen. Daar vandaan stroomt de liefde en het offer, die eens leven hebben verwekt en nog steeds leven in stand houden. De geboorte met Kerstmis herinnert ons elk jaar aan die hemelse oorsprong van het leven en wekt ons op, ons niet alleen aan het stoffelijke vast te klampen, maar het geestelijke van die gebeurtenis in de warmte van het gemoed te koesteren opdat wij weer de weg tot onszelf en tot de medemens vinden. Een spreuk van Rudolf Steiner moge deze beschouwing afsluiten:

Den Stoff sich verschreiben,
Heisst Seelen zerreiben.
lm Geiste sich finden,
Heisst Menschen verbinden,
Im Menschen sich schauen,
Heisst Welten erbauen.

Duisternis, licht, liefde

In de ban van de stof raken
is: – zielen stukmaken.
In de geest zichzelf vinden
is: – mensen verbinden.
In de mens zichzelf schouwen
is: – werelden bouwen.

Vertaling Wijnand Mees in: Rudolf Steiner ‘Gedichten, spreuken, meditaties’  (blz. 104)

Menskunde en pedagogiekover warmte nr. 11

Zintuigen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2756-2585

.

.

.

.

VRIJESCHOOL Jaarfeesten – Pasen (45)

.
Tineke Croese, Antroposofisch Magazine nr.5 2017
.

Over dood en opstanding, over sterven en opnieuw verrijzen
.

PASEN
.

Bij ‘lente’ denk je aan een teer groen waas over de bomen, zwellende knoppen, de eerste eendenkuikentjes in de sloot en huppelende lammetjes in de wei. Als de natuur weer tot leven komt, is dat een feest op zich. Ook Pasen is een lentefeest, ook daar gaat het om de vernieuwing van het leven. Maar het is een andere vorm van leven, die met Pasen de dood overwint.

Naar geen seizoen kunnen we zo verlangend uitzien als naar de lente. Dat heeft vermoedelijk te maken met het seizoen dat eraan voorafgaat. Ook de winter heeft zijn aantrekkelijke kanten, van behaaglijk binnen zitten tot buiten plezier hebben in de sneeuw of op het ijs. Maar als er één seizoen is dat een einde moet hebben, dan is het de winter wel. We zijn dan voor voedsel aangewezen op voorraden. Die raken nu eenmaal een keer uitgeput. Tegenwoordig vliegen we groenten in uit andere delen van de wereld, maar die mogelijkheid bestaat nog niet zo lang. Dat maakt het begrijpelijk dat de lente vroeger werd begroet met een vreugde en opluchting die ook voor ons nog herkenbaar zijn. Want stel je voor dat het hele jaar net zo donker zou zijn als de winter! Daar moet je toch niet aan denken. De lente brengt behalve het leven ook het licht terug op aarde.

Al in de voorchristelijke tijd waren het ei en de haas lentesymbolen. Dat het ei naar nieuw leven verwijst, spreekt vanzelf. Bovendien geeft de ronde vorm aan dat het leven geen begin of einde kent, maar altijd doorgaat. De haas is een heel kwetsbaar dier, een echt prooidier dat door andere dieren gegeten wordt. Hij verdedigt zich voornamelijk met zijn grote vruchtbaarheid. De haas staat voor de levenskracht van de plantenwereld, die zichzelf onbaatzuchtig wegschenkt als voedsel voor dier en mens. Als paasei en paashaas zijn het ei en de haas ook bij de symboliek rond het paasfeest gaan horen. Ze laten namelijk ook iets zien van de essentie van Pasen. Het kuikentje moet, om verder te kunnen leven, eerst door een schaal van dode kalksteen breken. Van de haas wordt gezegd dat hij de plaats inneemt van een door jagers achtervolgde soortgenoot. De achtervolgde haas kan op adem komen doordat een ander zich voor hem offert: dat maakt de haas tot Christussymbool.

Nieuw begin

In de Oudheid waren de lentefeesten ook nieuwjaarsfeesten. De aarde begint in de lente immers aan een nieuwe levenscyclus, en zorgt daarmee voor het voortbestaan van de mens. Maar al die levensvormen die in de natuur ontstaan, zijn vergankelijk. Wat in de winter dood was, ontkiemt en groeit in de lente, komt in de zomer tot bloei en rijping, en wordt in de herfst geoogst – maar moet in de winter onherroepelijk weer sterven.

Ook Pasen gaat over dood en opstanding, over sterven en opnieuw verrijzen. Maar het leven dat dan de dood overwint, is een onvergankelijke kracht in de mens. De opstanding van Christus is geen tijdelijk tot leven komen in de eeuwige cyclus van de natuur, maar rekent definitief af met de dood. Dat maakt Pasen moeilijk te begrijpen: hoe kun je de dood definitief overwinnen? De opstanding gaat in tegen alle natuurwetten. Het maakt Pasen tot een nieuw begin. Niet het nieuwe begin van een jaarcyclus, maar hét grote keerpunt in de geschiedenis van de mensheid.

Schimmenrijk

Die geschiedenis begint bij de schepping. De frisheid van een pas geschapen wereld stel je je onwillekeurig voor als het prille, net ontluikende leven in de lente. En bijna vanaf dat eerste begin was ook de dood aanwezig in de schepping. Na de verdrijving uit het paradijs raken mens en natuur steeds meer in de greep van de dood. Voor de mens hield de dood op de eerste plaats in wat hij nu ook nog inhoudt: het leven op aarde en het leven na de dood spelen zich af in twee gescheiden werelden. Maar op de tweede plaats werd het voor de ziel steeds moeilijker om in het leven na de dood haar weg te vinden. Volgens de mythologieën uit de tijd rond het begin van de jaartelling verbleef de ziel na de dood in een afgesloten schimmenrijk waar ze nauwelijks bewustzijn had van zichzelf. De hemelse wezens die de ziel wilden helpen, konden haar niet bereiken. Want in het schimmenrijk kwam je alleen door te sterven, en hemelse wezens sterven niet. Daarom nam Christus, een van die hemelse wezens, de taak op zich om mens te worden en als mens te sterven. Zo kon hij het schimmenrijk binnengaan en de macht van de dood breken. Lijden en dood van Christus getuigen van zijn volledige menswording, de opstanding getuigt van zijn overwinning op de dood. Tussen dood en opstanding voltrok zich een gebeuren dat in legenden en in sommige apocriefe evangeliën verteld wordt: toen Christus direct na zijn sterven in de duisternis van het schimmenrijk verscheen, was het of daar het licht van de zon opging. Het heldere licht van de Christuszon gaf de zielen – en geeft ze nog steeds – de kracht om hun eigen weg te zoeken in het leven na de dood.

Pasen

Christus bevrijdde door zijn dood en opstanding de oude schepping uit de macht van de dood. Die schepping kwam tot stand in zeven ‘dagen’. Met die ‘dagen’ worden de kosmische krachten aangeduid die bij de schepping betrokken waren. Zij waren in de week voor Pasen ook betrokken bij de vernieuwing van de schepping. Ze werkten namelijk in de gebeurtenissen van de Stille Week. Pasen valt na de Stille Week, en altijd op een zondag. Maar Pasen is ook een lentefeest. In de Oudheid werd het lentefeest gevierd op de dag van de eerste volle maan in de lente (dat is: als de zon in de kosmos door het lentepunt is gegaan]. Pasen valt echter op de eerste zondag na de eerste volle maan in de lente. Dit samenspel van kosmische krachten maakt dat Pasen elk jaar op een andere datum valt: het wordt immers elk jaar op een ander tijdstip lente, en dat geldt ook voor het vol worden van de maan.

Het is niet moeilijk om het herleven van de natuur in de lente te vieren. Maar het is wel moeilijk om Pasen te ‘vieren’ – de lichamelijke dood en opstanding kun je bij leven niet ervaren. De katholieke en oosters-orthodoxe kerken lieten de gelovigen het paasfeest beleven door hen veertig dagen streng te laten vasten. Door te vasten beperk je de levenskracht van je organen tot een minimum, en na enige tijd wordt je bewustzijn ongewoon helder. Zo kun je in je eigen organisme bij leven toch een vorm van dood en opstanding ervaren.

Een meer innerlijke vorm reikt het leven ons vaak zelf aan. Als je geconfronteerd wordt met verdriet, verlies en rouw, met depressies, traumatische ervaringen, of gewoon tegenslag – dan kan dat een doodsbeleven zijn. Midden in het leven beleef je je eigen Golgotha. Vaak ga je uit innerlijke noodzaak op zoek naar de zin van zulke ‘doodservaringen’, of minstens naar een manier om ermee te leven. Lukt dat, dan kan dat voelen als een opstandingsmoment, een sterke levenskracht. Ook dat is Pasen, en dat kan voor iedereen op een ander moment zijn.

.

Jaarfeesten: Pasen alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten: Palmpasen/Pasen

.

2755-2584

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas voedingsleer (2-6)

.

We zijn zo gewend dat wij over water kunnen beschikken, dat we er niet bij stilstaan wat voor bijzonder element dit is. Helaas leven we in een tijd waarin het water sterk vervuild is, hoewel er sinds tientallen jaren heel veel energie gestoken is, het weer gezonder te krijgen dan het was, vooral in o.a. rivieren, meren en beken. Het slechtst is het gesteld met de zeeën.
In de voedingsleerperiode in klas 7 kan ook ‘water’ als voeding worden benaderd.
De leerkracht die op zoek is naar achtergronden over wat water nu eigenlijk is, vindt hier enige gezichtspunten.

.

Wolfram Schwenk, Weledaberichten nr. 130, september 1983

.

HET LEVENSELEMENT WATER

.

Water is niet de een of andere willekeurige grondstof, maar in tegendeel, het belangrijkste en onontbeerlijkste levensmiddel voor mens, dier en plant. Met geen substantie echter gaan wij zo gedachteloos om als juist hiermee: de media informeren ons dagelijks daarover. Want de grondslag voor een verantwoorde omgang met deze schenker van het leven, namelijk dat men zich op grond van de feiten en wetenschappelijk gefundeerd ervan bewust is dat het water als bemiddelaar van het leven fungeert, ontbreekt heden ten dage.

De huidige, slechts analytisch gerichte wetenschap houdt zich weliswaar met ongewone scherpzinnigheid en research bezig met de watervervuiling. Daardoor weten wij tot in allerlei bijzonderheden wat, materieel gezien, vervuild water kan bevatten. Deze wetenschap echter geeft geen antwoord op de vraag wat “goed” water is, hoe het begerenswaardige, levenschenkende water kan worden omschreven dat de mens als verkwikkend beleeft. Zij wijst deze vraag als wetenschappelijk niet objectiveerbaar, als subjectief af. Zij verklaart elk water goed, dat van een kleine reeks van giftige stoffen niet meer dan een bepaalde hoeveelheid bevat en waarin zich ook geen infectieverwekkende ziektekiemen of hun onschuldige metgezellen bevinden, zodat daardoor geen acute vergiftigingsverschijnselen of infecties kunnen worden opgewekt.

Hoe strikt noodzakelijk deze eisen van negatieve aard wat het drinkwater betreft ook zijn, toch zijn zij ontoereikend om goed, levenschenkend water te kenschetsen.

Zowel voor het water als voor het milieu in het algemeen geldt, wat ook voor de mens geldt: slechts vanuit een inzicht en een beeld dat aan zijn aard en zijn betekenis recht doet wedervaren, kan een echte genezing en het gezond houden worden bewerkstelligd. Zonder een duidelijke voorstelling van de gezonde toestand van het water kunnen er geen maatstaven worden gevonden om de voortdurende en steeds bedenkelijker wordende aantasting ervan door de mens af te wenden.

Een dergelijk beeld van de aard van het water kan voor ons oprijzen, als wij boven de constatering uit of er schadelijke componenten afwezig zijn, in ’t bijzonder letten op wat onbedorven fris water doet.

Ons organisme is geen statisch geheel. Er vinden daarin door voeding, stofwisseling en uitscheiding, door ademhaling en bloedsomloop enz. voortdurend processen van vernieuwing plaats. Waar dergelijke processen ook optreden, zij gebeuren steeds door de bemiddelende activiteit van het water. Het water is de grote bemiddelaar van alle levensprocessen. Als universeel medium heeft het aan het transport van substanties en de stofwisseling in het organisme net zo deel als aan alle ritmische processen en aan de functies van onze zintuigen en zenuwen. Heel in het bijzonder heeft ons organisme het water nodig bij de meest verschillende regulerende processen.

Wat zich in het menselijk organisme functioneel door de bemiddeling van het water afspeelt, dat vinden wij in de rol van het water via het wateromhulsel van de aarde uitgebreid als een voorbeeld terug: het transport van substanties en chemische veranderingen van de stof spelen zich in de natuur hoofdzakelijk af in het waterachtige milieu, door de bemiddeling van in beweging gebracht water. Overal waar water in beweging komt, ontstaan ritmische processen. Golfbewegingen en kolken, ook meer gecompliceerde stromingen voltrekken zich zowel ruimtelijk als tijdelijk ritmisch. Niet echter in starre eigen ritmen, maar in het aanpakken en verbinden van uiterlijke polariteiten ontwikkelt het water zijn eigen ritme, steeds onzelfzuchtig bemiddelend en evenwicht scheppend. En niet alleen bij min of meer vanzelfsprekende uiterlijke aanleidingen uit de rechtstreeks aangrenzende omgeving, maar tot in de grote ritmen van de aarde, zon en maan kan dit bijv. in de bewegingen van de getijden der zeeën en oceanen worden afgelezen. Zelfs de kosmische ritmen van het samenspel der planeten van ons totale zonnesysteem worden, zoals wij thans weten, door de bewegingen van het water gespiegeld.

Aldus beschouwd, functioneert het water globaal als een groot zintuigorgaan, dat op zeer subtiele processen in de kosmos wat zijn bewegingen betreft kan reageren en deze aan de aarde en de daarop levende wezens kan doorgeven.

Al deze functioneel driegelede activiteiten oefent het water uit in ritmische bewegingen. Via deze werkt het vernieuwend. Men ziet die vernieuwende impuls tot in de gedaantevorming waaraan het in het organisme actief meewerkt. Het water heeft zeker niet alleen maar een gedaante-oplossende functie. Veeleer werkt het mee aan de opbouw en de voortdurende vernieuwing van de organen. De vormen die het in stromende beweging schept, tonen dat het daarvoor geschikt is. Men kan tegenwoordig van “organiserende” stromingen spreken. Daarin komt de leven-vernieuwende rol van het water rechtstreeks tot uitdrukking. Hier wordt zichtbaar dat het water levenwekkende vormkrachten doorgeeft.
In deze organiserende stromingen komt een beeld van de kwaliteit van het water te voorschijn en blijkt de affiniteit ervan ten opzichte van levensprocessen.

Oorspronkelijk, vers water, dat als onbeschadigd grondwater het ideaal van goed en verkwikkend drinkwater is, stroomt in rijk gedifferentieerd., ritmisch gelede vormen, die zich voortdurend vernieuwen en in hun beweeglijkheid meegaan met de kosmische ritmen. In deze natuurlijke toestand is het water met al zijn fysisch-materiële eigenschappen geheel en al op zijn het leven dienende functies afgestemd: het kan via deze tot in de gedaantevorming vernieuwend werken. Het is in elk opzicht naar het leven gericht, een onzelfzuchtige bemiddelaar. Van zulk water beleven wij dat het levend en verkwikkend is.

Vervuild, door de mens beschadigd water, dat qua zijn fysische eigenschappen vervreemd is van zijn gerichtheid naar het leven, stroomt onritmisch, is arm aan structuur, minder gedifferentieerd, gesloten tegenover de kosmische ritmen. Ook als het dan technisch tot drinkwater wordt gemaakt, waar in hygiënisch opzicht volgens de voorstellingen van de huidige wetenschap niets op aan te merken is, dan tonen zijn bijna onveranderd verarmde, belemmerde stromingen toch, dat het nog een dode minerale stof, nog niet weer levend is geworden.

Wij moeten daaruit afleiden, dat water niet reeds in elke schone toestand levenselement is. Het komt niet alleen op materieel constateerbare factoren aan. De voorwaarden, die het water voor de vervulling van zijn levensvernieuwende functies nodig heeft, zijn pas na het doorlopen van de natuurlijke kringloop vervuld, als het in natuurlijke zuiverheid uit de aarde tevoorschijn is gekomen.

Wij kunnen zo door onze blik te scholen voor de levenvernieuwende, gedaantevernieuwende activiteit van het water een natuurwetenschappelijk, experimenteel opgezette maatstaf vinden voor goed water en voor de kwaliteit van drinkwater waardoor blijkt, of het water behalve wat zijn hygiënische toestand betreft bevorderlijk is voor levensprocessen.

Het „Institut für Strömungswissenschaften im Verein für Bewegungsforschung e.V.” in D-7881 Herrischried houdt zich bezig met het uitwerken van dergelijke maatstaven voor de kwaliteit van het water.

Zie ook:  Levenskrachten – water

7e klas: voedingsleer: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 7e klas

Menskunde en pedagogie: over het etherlijf

Plantkundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

2754-2583

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (5-3)

.
Wanneer in de 7e klas – de 1e klas van de middelbare vrijeschool – de ‘bovenbouw’ – een periode ‘voedingsleer‘ wordt gegeven, kunnen we in deze tijd bijna niet meer om de ‘landbouwproblematiek’ heen en dat geldt zeker in de daarop volgende jaren, vanuit verschillende vakgezichtspunten.
Onderstaand artikel uit 1993 wijst al op de grote problemen die eraan komen, als de landbouw en de veeteelt op zo’n intensieve manier bedreven worden als nu gebeurt. Nu, 30 jaar later, zien we die problemen levensgroot voor ons.

Tegelijkertijd is de ‘biologische’ landbouw in opmars. (Ik laat even buiten beschouwing hoe ver we van een gezonde landbouw afstaan, als de landbouw die gezond is, ‘biologisch’ moet worden genoemd.
Zonder allerlei ingewikkelde proeven, volstaat het gewone proeven om vast te stellen dat biologische groente lekkerder smaakt dan niet-biologische en dat geldt vooral voor de producten die op biologisch-dynamische manier zijn geteeld.
Om ook daarover in en periode te kunnen vertellen, geeft dit artikel wat meer algemene achtergrondinformatie voor de leerkracht.

Julius F. Obermaier, Weledaberichten nr. 130 sept. 1993
.

HOE GAAN WIJ OM MET DE AARDE, DE BASIS VAN HET LEVEN?

.

Als men nagaat, hoe de landbouw zich door duizenden jaren heen heeft ontwikkeld, dan ziet men hoe daarin als het ware in golven steeds weer nieuwe inzichten verwerkt werden. In de laatste tijd worden die golven korter, daardoor konden ook bedenkelijke dwalingen ten gevolge van denkfouten ingeburgerd raken. Thans zien wij de ons allen bekende gevolgen van de beschadigingen op vele gebieden van het leven en het milieu.

In de landbouw zien de boeren en tuinders, dat de cultuurplanten de aangekweekte eigenschappen verliezen en dat daardoor voortdurend het zaaigoed moet worden vernieuwd. Planten en dieren die sinds tijden bij een bepaald milieu hoorden, vinden de leefruimte niet meer waarin zij kunnen gedijen. De mensen worden niet op de juiste manier gevoed omdat het aspect van voor de mens bevorderlijke kwaliteit ontbreekt. 

Nog andere verschijnselen, zoals bijv. de toenemende erosie van de bodem, de aangetaste gezondheid van de dieren of de toename van schadelijke insecten en schimmels zijn aanleiding dat wij moeten erkennen dat de verzorging en gezondmaking van de aarde een van de belangrijkste taken is van onze tijd.

Er bestaan verschillende opvattingen omtrent de wegen waarlangs dit doel te bereiken valt. “Terug naar de natuur”, roepen sommigen en bedoelen daarmee de ongeschonden wereld van vroeger. Sinds de chemisch-synthetische gifstoffen over de hele aarde zijn en worden verspreid, is het duidelijk, dat hier geen wegen kunnen worden gewezen die naar de toekomst leiden. “Vooruit in harmonie met de natuur en op zoek naar een nieuwe landbouw”, zeggen anderen die hopen op die manier een verdere ontwikkeling in te luiden.

Vanuit dit gezichtspunt is de biologisch-dynamische landbouwmethode te begrijpen. De bodem, de planten, de dieren vragen erom dat zij worden behandeld en verzorgd in overeenstemming met hun aard. Om dit te bereiken wordt in de biologisch-dynamische land- en tuinbouw met de samenhangen in de natuur op een nieuwe manier rekening gehouden. Het beeld van een agrarisch geheel, een organisme, is hierbij stellig treffend. Het vat de daarin werkende mensen, de hofstede, de dieren, alles wat er op de akker geteeld wordt en ook de bodem in één geheel samen: al deze factoren zijn als het ware de organen uit wier samenwerking het juiste voedsel kan ontstaan.

Een dergelijk agrarisch organisme kan men overal ter wereld doen ontstaan wanneer men uitgaat van de plaatselijke omstandigheden. In de biologisch-dynamische werkgemeenschappen in vele streken van de wereld wordt hieraan voortdurend gewerkt.

Ervaringen uit vroeger tijden en geheel nieuwe resultaten van geesteswetenschappelijk onderzoek gaan hand in hand wanneer het op de praktijk aankomt. De oorsprong van onze huidige tuinbouw is te vinden in de middeleeuwse kloostertuinen. Daar werd met het verbouwen van groenten en kruiden begonnen; ook de fruitteelt is zo ontstaan. Door de traditie ontstond er in de loop der eeuwen een land- en tuinbouw en een veefokkerij die aangepast was aan de aard van planten en dieren. Op vele plaatsen kon men tot in het begin van onze eeuw nog zien, hoe zorgvuldig dit werd gehanteerd. Daardoor bestond er een agrarische cultuur, die in de eerste plaats op de verzorging van de natuurrijken was gericht. De technische mogelijkheden waardoor men in de natuurlijke processen kan ingrijpen, kwamen pas in de laatste decennia op.

Als men de vroegere kennis samenvat dan blijkt, dat men het bewerken van de bodem en het verzorgen van zijn vruchtbaarheid in de loop van het jaar als de grondslag van alle verdere handelingen zag. Het verbouwen en de daarbij behorende maatregelen tot aan de oogst volgden hierop. Gedurende het hele jaar voltrok zich het voederen van het vee en het winnen van de mest. Hierin mondt de veehouderij uit in de vruchtbaarheid van de grond; deze sluit de kring en bepaalt tevens de nodige hoeveelheid veevoer in het teeltplan. In de tuinbouw is er een andere kringloop.

De kundigheid van de landbouwer blijkt uit de juiste afstemming ten opzichte van elkaar van bovengenoemde factoren. Tevens wordt duidelijk, dat men geen afstand kan doen van de veehouderij. Vooral de koemest is belangrijk omdat die de krachten bevat die het meest waardevol voor de bodem zijn. De biologisch-dynamische compostpreparaten doen deze mest op de composthoop dan nog rijpen, zodat er een optimale kwaliteit ontstaat. De stoffen en krachten ervan bewerkstelligen dat de bodem levend blijft. Alle andere dierlijke mest en composten van plantaardig afval worden eveneens zo geprepareerd. Steeds ontstaat er na een aantal maanden een humusrijke mest die ertoe bijdraagt dat de cultuurplanten zich al naar gelang van hun aard kunnen ontwikkelen.

Basissubstanties van de biologisch-dynamische compostpreparaten zijn bekende geneeskrachtige planten zoals kamille, duizendblad, brandnetel en ook eikenschors. Na een rijpingsproces in een dierlijk omhulsel, dat zich ’s winters in de grond afspeelt, heeft men er slechts geringe hoeveelheden van nodig om de composthopen daarmee een of meer keren te prepareren.
Als de compost op die manier is toebereid is er voor het leven van de bodem al veel gedaan. Het geesteswetenschappelijk onderzoek van Rudolf Steiner heeft twee veldpreparaten opgeleverd om de opgroeiende planten daarna de kans te geven dat zij op de juiste manier tussen aarde en hemel komen te staan. Deze preparaten worden, eveneens in heel geringe hoeveelheden, een uur lang geroerd en daarna gesproeid: het preparaat hoornmest op de grond, het preparaat hoornkiezel op de groene plant. Ook hier geldt voor de toebereiding een speciaal procedé.
Door de hoornmest kan de plant beter wortelen. De hoornkiezel helpt de plant om de lichtkrachten beter te verwerken. Het resultaat is onder andere dat in de grond een dichter wortelstelsel en boven de grond meer gerijpte substantie ontstaat.

Als de bodem door middel van de preparaten is ontsloten, kunnen daarin de kosmische ritmen in het wasdom werken; in de grondbewerking, de verzorging van het gewas en de oogst kan dit principe volgens plan worden betrokken. Dit is natuurlijk bevorderlijk voor de kwaliteit en de kwantiteit van het gewas. Als men de compost- en sproeipreparaten gebruikt zoals de ervaring dat heeft geleerd, dan heeft dat twee grondleggende vernieuwingen in de landbouw tot gevolg. Vooreerst ontstaat er een optimale kwaliteit van de planten. Voorts wordt door de handelwijze van de mens als hij de biologisch-dynamische preparaten toebereidt, laat rijpen en toepast, het plantaardige en het dierlijke principe als het ware een trede hoger geheven. Het natuurlijke wordt in zeker opzicht dichter bij de mens gebracht. Dit veredelt de natuur en is tegelijkertijd van waarde voor de mens.

Op de hierboven beschreven manier is het mogelijk, de nieuwe agrarische cultuur in haar praktische toepassing overal in te voeren waar mensen uit inzicht daartoe besluiten. Alleen op die manier kan de aarde als grondslag voor het leven in stand worden gehouden, worden genezen en ontwikkeld.
.

Ritmen in de landbouw

De mens in het midden van de natuurrijken

Plantkunde: alle artikelen

B.d.-vereniging in Nederland

Het is mogelijk gezamenlijk grond aan te kopen om de b.d.-landbouw verder te ontwikkelen.

.

2753-2582

.

.

.

.