VRIJESCHOOL – Oud-leerlingen geïnterviewd

.

De vereniging van vrijescholen heeft een aantal leerlingen geïnterviewd onder de titel:

VAN DE VRIJESCHOOL

Hier is deze interviewreeks te vinden.

Op deze blogZijn oud-vrijeschoolleerlingen gezonder?

.

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2848-2671

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Scheikunde (1-2)

.

D.G. Ruaris, R.S.school Haarlem, nadere gegevens onbekend.

scheikunde

Denn Alchemie heisst: etwas das noch nicht vollendet ist, zu seinem Ende zu führen.
Paracelsus

Scheikunde is afgeleid van Scheide-kunst: de kunst van het scheiden. Dit is één aspect van dit vak dat op de school een zeer bescheiden rol toebedeeld is
Het andere aspect hangt samen met het woord al-chemie (= de chemie), wat tot het ‘deftige’ woord van scheikunde geworden is n.l. chemie.

De alchemisten worden vaak. omschreven als lieden die óf de zaak wilden flessen, n.l. goud maken (wat niet kan, dus ook niet kon), óf wegdroomden in niet relevante beschouwingen over de materie. Vaak wordt vergeten dat vele reacties stoffen en apparaten door de bemoeienissen van de alchemisten ontdekt of gemaakt zijn.

Wanneer je probeert de geschriften van de alchemisten te lezen dan blijkt dat dit zeer moeilijk is, zeker voor een chemicus nu. Er spreekt een beschouwingswijze uit deze geschriften die ‘t tegenwoordige denken verre ligt. De benadering van de stofwereld is een totaal andere dan die van ons.

Wanneer wij de stoffen om ons heen bekijken dan zijn deze gegeven’, er is geen directe relatie tussen deze stofwereld en ons zelf. Behalve als wij iets moeten maken of wanneer wij gaan eten of drinken. Op dat ogenblik ontdekken wij dat b.v. een brug moeilijk van papier, zilver of klei gemaakt kan worden; en ook dat wij sommige stoffen lekker vinden om te eten en andere minder. Wij ontdekken dat de verschillende stoffen kwaliteiten bezitten.

Een van de aspecten van het scheikundeonderwijs in een vrijeschool is de poging leerlingen te scholen in kwaliteitsbeleven; hiermede hangt dan direct samen dat de relatie die er is tussen mens en natuur zichtbaar gemaakt moet worden, niet alleen wat de stoffen betreft, maar ook wat de stofomzettingen betreft.

Wanneer je naar een vuur kijkt, een brandende tak of een brandend stuk papier dan doe je een aantal waarnemingen, tenzij je maar wat voor je uitstaart. Je ziet daar kleuren, beweging vormveranderingen, rook, as verdwijnen van de brandende stof; je hoort vaak allerlei. Je voelt warmte, ziet lichtverschijnselen,
Je ziet geen zuurstof of lucht verbranden (je weet hoogstens dat deze voor de verbranding nodig zijn).

Kortom; een groot aantal verschijnselen die vooralsnog weinig samenhang vertonen.

Wanneer je nu probeert al deze verschijnselen te ordenen dan ontdek je dat elk in een van drie gebieden thuishoort; deze drie gebieden zijn niet absoluut gescheiden.

‘bovengebied’                  grootste bewegelijkheid, spitse vormen, vonken,
  .                                          rook. licht, kleur (oranje, geel); vorm valt uiteen.

‘middengebied:               veel minder bewegelijkheid, één geheel, warmte,
  .                                          donkere kleuren, vonken.

‘ondergebied’:                 vast, wat gloeien, asvorming, uiteenvallen van de vaste         .                                       stof.

Je zou deze gebieden ook met de volgende woorden kunnen karakteriseren;

Na deze wat grove indeling – iedereen kan dit voor zichzelf proberen na te denken en vooral eerst vuren te gaan waarnemen (b.v. een kaarsvlam) en dan te ordenen – kun je gaan kijken of je ergens in de natuur processen vindt die een overeenkomst met deze ordening van de verbranding vertonen. Misschien ontdek je bij ’t bekijken van planten, dat dit ook een soort vuur is, waarbij de bloem tot het “bovengebied”, de stengel en blad tot het “middengebied” en de wortel tot het “ondergebied” horen.
De verdere uitwerking hiervan, aan de lezer.

Wanneer deze ontdekking gedaan is kan de vraag opkomen: en hoe past de mens in dit ordeningsschema? ‘Het antwoord is even eenvoudig als verrassend:

De mens is een omgekeerd brandend vuur; of de mens is een omgekeerde plant.

Hierover nadenkend kom je tot de volgende overeenkomsten (schematisch);

Natuurlijk is niet “bewezen” dat de mens een omgekeerde plant is, noch dat de mens een omgekeerd brandend vuur is, De innerlijke zekerheid dat deze overeenkomsten reëel zijn, kan slechts ieder voor zich verkrijgen, door zo onbevooroordeeld als mogelijk de verschijnselen te gaan waarnemen en wat deze verschijnselen tot uitdrukking brengen te laten “spreken”.

Om nu terug te komen op de Alchemisten, zij noemden de processen die in de drie gebieden plaatsvinden Sulfur, Mercuur en Sal, Hoewel de drie namen sal, mercuur en sulfur overeenkomen met zout, kwik en zwavel, werden de stoffen niet bedoeld, maar waren zij uitdrukking van processen.

Je kunt nu de volgende rangschikking maken:

Wanneer de rangschikking vuur – plant in wezen juist is, dan kun je verwachten dat verschillende plantendelen ook andere verbrandingsverschijnselen zullen laten zien.

.

Scheikunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

.

2847-2671

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (74)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

joël en de veenheks
.

De hoofdrolspeler in het boek is de joodse jongen Joël Meier die met zijn ouders in een rustig Drents dorp. Als het oorlog is, worden het gezin  gedeporteerd naar Westerbork. Jo, zoals hij vaak wordt genoemd, weet te ontsnappen. Hij wordt door een klasgenoot verraden en moet opnieuw vluchten en tracht zich schuil te houden in de boshut van hem en zijn vriend Henk. Diens vader zit bij het verzet en brengt hem naar een onderduikplek. Hij moet nog een keer vluchten en gaat dan het veen in. Een sneeuwstorm wordt hem te machtig. Hij komt bij op de bank hut van een vrouw, die, omdat ze zo’n lelijk gezicht heeft, de veenheks wordt genoemd. Joël. Zij wordt heel ziek en Jo moet naar het dorp om een arts te halen…..

Een spannend en boeiend boek voor kinderen en volwassenen. De schrijver weet de gevoelens van Jo heel goed over te brengen, zodat kinderen van zijn leeftijd met hem mee zullen voelen. Het leert tegelijkertijd over de verschrikkingen van de oorlog en wat het betekent als we elkaar niet meer als mens zien.

In 1977 het beste kinderboek van het jaar.

Beene Dubbelboer

Uitgeverij Wolters-Noordhoff 1992
in de reeks ‘de vroege lijsters’

Boek

Leeftijd v.a. 11jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs.

.

2846-2670

.

.

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – ‘over de eerste dier- en plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner (2/2)

.

Gerbert Grohmann:

‘OVER DE EERSTE DIER- EN
PLANTKUNDE IN DE PEDAGOGIE VAN RUDOLF STEINER’

deel 2: 

PLANT – AARDE – MENSENZIEL

Uitwerkingen van de 10e werkbespreking
In GA 295 [1]

Grohmann blz. 115

Deze werkbespreking heeft als inhoud een groots opgezette schets van hoe je het methodisch voor elkaar kan krijgen dat er in het kind een gevoel gewekt wordt dat de aarde geen doods wereldlichaam is, maar een organisme dat leeft, bezield is en doortrokken van geest.
Alle details van de werkbespreking staan in dienst van deze grote opdracht en moeten dientengevolge op waarde worden geschat.
Ook de indrukwekkende beelden van de bomen en de paddenstoelen, de samengesteldbloemigen enz., staan geenszins op zichzelf. Deze alleen maar te gebruiken als welkome voorbeelden, zou tekort doen aan de diepere betekenis die aan hen ten grondslag ligt en die hun pas hun ware belang geeft.

Rudolf Steiner heeft er dikwijls op gewezen en er vanuit de meest verschillende samenhangen over gesproken hoe belangrijk het is, dat de toekomstige generatie de aarde als organisme leert begrijpen, niet alleen maar vanuit een natuurwetenschappelijke basis, maar met name vanwege de wezenlijke relatie van de mens met zijn aardse bestaan. Een positieve levenshouding die helpt om de opgaven in het leven aan te kunnen, moet al op school als gevoelsbeleving aangelegd worden. Ook de opvatting over het leven van de plant en de zinvolle samenhang daarvan met het leven van het aarde-organisme, speelt daarbij een rol.
En opnieuw wordt de manier van het beschouwen van de plantenwereld door een menselijk doel bepaald. Tegelijkertijd echter – mag wel gezegd worden – wordt de plantenwereld ook bevrijd uit een doodskist waarin deze door de vele doodse beschouwingen is neergelegd.

Rudolf Steiner legde in het begin van de 10e werkbespreking uit (twee opmerkingen die we al eerder besproken hebben, kunnen we hier weglaten) dat, als het zomer wordt, ja met de lente al, de slaap zich over de aarde verspreidt, die steeds dieper wordt. In de herfst, wanneer de planten er niet meer zijn, houdt de slaap weer op. Verder legde Rudolf Steiner aan zijn uitleg een vergelijking van de slaap bij de mens en die van de aarde ten grondslag. Hij zei, dat wanneer de mens inslaapt, zijn gevoelens,

Blz. 116

zijn hartstochten enz. mee de slaap in gaan. Maar daarin zouden ze er als planten uitzien.
Dan volgen de voorbeelden die al op blz. 107 gegeven zijn, van de kokette dame en de saaie mens. Aan de kokette dame kan helderziend worden waargenomen hoe er tijdens haar slaap voortdurend narcissen haar neus verlaten; bij de saaie mens komen er reusachtige bladeren vanuit zijn hele lijf.

Wanneer de mens in slaap valt – zo schets Rudolf Steiner verder – houdt alles op wat zielenleven is, bij de plantenwereld daarentegen, die ’s zomers slaapt, begint het zielenleven met het inslapen (d.w.z. het zielenleven van de aarde wordt in de planten zichtbaar). De plantenwereld ’s zomers is niet, zoals een deelnemer denkt, het dromen van de aarde, maar de aarde slaapt ’s zomers. Dromen zou je kunnen zeggen over hoe de plantenwereld er in de lente en de herfst uitziet.

Het maarts viooltje bijv. zou je, als het groen is, nog met dromen kunnen vergelijken, maar niet wanneer het bloeit. Dan kun je de planten pas weer in de tijd wanneer de bladeren vallen, met dromen vergelijken.

In het verdere verloop van de werkbespreking ontwierp Rudolf Steiner voor een toehoorder het beeld van een bloesemboom. Hij gebruikte daarvoor weer de vorm van de directe rede tegen de kinderen. Rudolf Steiner zei:

‘Kijk eens goed naar een boterbloem, of een andere bloem die we uit kunnen graven. Onderaan zie je de wortels, dan de stengel, de bladeren, de bloemen en dan de meeldraden en de stamper, waaruit de vrucht wordt voortgebracht.’ Zo’n plant laat men de kinderen ook in het echt zien. Dan gaat men met de kinderen naar een boom: ‘Kijk eens, stel je die plant eens voor naast deze boom! Hoe ziet deze boom er dan uit? Ja, hij heeft onderaan ook wortels, zeker, maar dan is er geen stengel, maar een stam. Dan spreidt hij eerst nog zijn takken uit en dan lijkt het wel of op die takken pas de eigenlijke planten groeien. Want op die takken zitten veel blaadjes en bloemen. Er groeien als het ware kleine plantjes op die takken. We kunnen een weiland dan ook heel anders zien: over de hele wei groeien van die gele boterbloemen. De wei is bedekt met planten die allemaal hun wortels in de aarde hebben. Maar bij een boom is het alsof men de wei heeft opgepakt, omhooggetild en rond gebogen, zodat al die bloemen pas daar bovenop groeien. De stam is zelf een stuk aarde. De boom is hetzelfde als de wei, waarop de planten groeien.

Blz. 117

Hier hebben we dus het eerste beeld van deze werkbespreking! Rudolf Steiner maakt geen onderscheid tussen boomstam en groene stengel. Dit onderscheiden is niet alleen feitelijk nodig, maar speelt ook pedagogisch-methodisch een belangrijke rol, omdat later de begrippen ‘omhoog gegroeide aarde’, ‘uitwassen van de aarde’ voor boomstammen uitgewerkt moeten worden. Wanneer de aarde het voor elkaar krijgt zich omhoog te werken en levende, of half levende heuveltjes op te werpen, moet zij zelf levend zijn. Het hout van de boom is rotssteen op vegetatief niveau. Wanneer het bij zeer oude wilgen, linden of eiken vermolmt, wordt dat een soort aarde, ‘boomaarde’, precies zoals gesteente tot aarde kan verweren. De groene plantenstengel daarentegen, hoort niet bij het aardse. Die is een onderdeel van de eigenlijke plant die blaadjes, bloemen en vruchten draagt en alleen kan worden begrepen als resultaat van gestalte scheppende etherische kracht rondom de aarde.
Het weefsel van het cambium van de bomen dat het hout en de bast van de boom opbouwt, streeft naar een zo snel mogelijke verdichting, zelfs mineralisering, zonder daarvoor tijd te hebben gehad een echte plant te worden. Je zou het cambium het levende orgaan van de aarde kunnen noemen binnen de plant, waardoor de aarde haar recht laat gelden. Is dus de tendens als eigenschap van een boomstam duidelijk door het aardse bepaald, zo is aan de groene plant alles tegengesteld aan het aardse. Groeirichting, vorm en stofvorming worden alle door de kosmos bepaald. De boom heeft de stengelachtige gestalte van zijn takken en twijgen (vooral de jonge) en de zuilenvorm van de stam slechts a.h.w. van de stengel ‘geleend’, want de processen van hout- en bast(schors)vorming leunen aan tegen die van de stengel.
Wanneer we met de kinderen over de rol van de aarde bij de vorming van bomen spreken, zullen we waarschijnlijk de beschouwingen van hierboven niet nodig hebben, omdat kinderen beelden zoals deze onmiddellijk begrijpen. Voor de volwassene is het echter goed, ook de natuurwetenschappelijke grondslagen te doordenken.[2]   [zie Grohmann: leesboek voor de plantkunde – over de bomen]

Dan gaat Rudolf Steiner met het beeld verder. De boom wordt in een composiet zoals paardenbloem of kamille veranderd. ‘Te snel opgeschoten bomen’ worden de composieten later genoemd, bomen dus, waarbij niet eerst een stam wordt gevormd, ook geen kroon waardoor de aparte bloemen over de ruimte worden verdeeld, maar de vele kleine bloempjes blijven dicht opeen gedrongen in het korfje

Blz. 118

en vormen het bloemhoofdje, omdat alles zo snel moet gaan. Ten slotte worden boom, composiet en gewone planten simpelweg vergelijkend naast elkaar geplaatst. Rudolf Steiner schetst als volgt:

En dan gaan we van de boom naar de paardenbloem of de kamille. Die hebben ook wortels in de aarde; er is iets als een stengel en bladeren. Maar daar boven is de bloem samengesteld, daar staan allemaal kleine bloemetjes naast elkaar. Bij de paardenbloem is het immers zo dat die samengesteld is, hij heeft allemaal kleine bloemetjes, bloemetjes die helemaal volledig zijn en in de paardenbloem vastzitten. En nu hebben we dus: de boom, de samengesteldbloemigen en de gewone plant, de stengelplant. Bij een boom is het zo alsof de plantjes er pas bovenop groeien. Bij de samengesteldbloemigen zit de bloem op de gewone plaats; maar dat zijn geen bloemblaadjes, dat zijn talloze volledig ontwikkelde bloemen.

In het volgende stukje worden ook de paddenstoel en de varen erbij betrokken. Die zijn eveneens eenzijdigheden als plantengestalte. Maar dat is hier nu niet het meest wezenlijke, hoe verhelderend het ook mag zijn. De voorbeelden worden gegeven, omdat ze mogelijk maken met de kinderen de stap te zetten van het zintuiglijke naar het niet-zintuiglijke. De paddenstoel brengt alleen tot ontplooiing wat het bloei-achtige, vrucht-achtige aangaat, de varen bestaat alleen maar uit bladeren. De andere delen ‘mislukken’. Ze komen er niet, omdat de aarde die bij zich houdt. Dat betekent echter, dat ze a.h.w. in het levenslichaam van de aarde opgelost blijven. Ze zijn alleen in de krachten aanwezig, zoals later wordt gezegd. 

En nu stellen we ons het verhaal weer heel anders voor: dat de plant alles onder de aarde houdt. Ze wil wortels ontplooien, maar komt er niet toe. Ze wil bladeren ontvouwen, maar krijgt het niet voor elkaar. Alleen dat daar boven, dat wat anders in de bloem zit, ontvouwt zich: dan ontstaat er een paddenstoel. En als dan ook de wortels daaronder mislukken en er alleen maar bladeren ontstaan, dan ontstaan er varens. Dat zijn allemaal verschillende vormen, maar het zijn allemaal planten.’

In de volgende zin gaat Rudolf Steiner weer tot de directe rede over. We horen weliswaar niets nieuws,

Blz. 119

maar voelen toch hoe er volgens Rudolf Steiner met kinderen over wat al bekend is, gesproken moet worden. 

‘Ja, wat denk je nu eigenlijk, waarom is de paddenstoel eigenlijk een paddenstoel gebleven? Waarom is de boom een boom geworden? Laten we eens een paddenstoel met een boom vergelijken. Wat voor verschil is er? Is het niet zo, alsof de kracht van de aarde naar buiten is gedrongen, alsof haar innerlijk buiten zichtbaar is geworden in de boom en de hoogte in is gegaan, om daar pas bloemen en vruchten te ontwikkelen? En bij de paddenstoel heeft ze dat wat anders altijd op de aarde omhoog groeit in zichzelf vastgehouden, alleen het allerbovenste niet, dat zijn de paddenstoelen. Bij de paddenstoel is de boom onder de aarde, alleen de krachten ervan zijn aanwezig. De paddenstoel is, wat anders het buitenste van de boom is. Als er ergens heel veel paddenstoelen groeien, dan is het alsof daar onder een boom is, alleen, hij is in de aarde. Als we een boom zien, dan is het alsof de aarde zichzelf omhoog heeft geduwd, zich heeft uitgestulpt en haar innerlijk naar buiten brengt.’

Met de laatste zin is zogezegd het sleutelwoord gevallen. Aan de planten kun je het zien: er is iets in de aarde aanwezig wat onzichtbaar is, wat echter naar boven kan komen en daar een zichtbare gestalte aan kan nemen. De begrippen die we nodig hebben om de ziel van de aarde te begrijpen, zijn daarmee gevormd, zonder dat we ook maar een ogenblik de concrete basis hebben verlaten. 
Dan gaat Steiner verder:

Als de aarde dus paddenstoelen laat groeien, dan houdt ze de kracht van de groeiende boom in zich vast. Maar wanneer de aarde bomen laat groeien, dan brengt ze de groeikracht van de boom naar buiten.’

Daar heeft u iets wat als het zomer wordt zeker niet binnen in de aarde is, maar wat er uitkomt. En als het winter is, dan duikt het de aarde in. Als het zomer is, dan zendt de aarde door deze kracht van de boom haar eigen kracht in de bloemen, ze laat ze zich ontvouwen, en wanneer het winter is neemt ze die kracht weer in zich terug. Waar is eigenlijk de kracht die ’s zomers daar buiten in de bomen rondwaart — groot in de bomen en heel klein in een viooltje – in de winter? Die is ’s winters onder in de aarde. En wat doen dan de bomen, de samengesteldbloemigen en al die andere wanneer het hartje winter is? Dan ontvouwen ze zich helemaal onder de aarde, dan zijn ze binnen in de aarde, ze ontplooien het zielenleven van de aarde.

Stel je toch eens voor wat die aarde allemaal gewaarwordt, voelt! Want wat jullie de hele zomer allemaal kunnen zien, de bloemen, de bladeren, alles wat zo overvloedig groeit en bloeit, de boterbloemen, de rozen,

Blz. 120

de anjers: ’s winters is het onder de aarde, en dat wat daaronder de aarde is, voelt dan, is boos of blij!’

 Zo krijgt men geleidelijk een begrip van het leven dat zich ’s winters onder de aarde afspeelt. Dat is de waarheid! En het is goed als men dat de kinderen bijbrengt. Dat is niet iets wat de materialistische mensen zweverig zouden kunnen vinden

Verder zegt Rudolf Steiner dat je op deze manier het echte zielenleven krijgt dat zich in de planten weerspiegelt. Onder de aarde bevindt zich zoiets als een reusachtige boom. Alleen wat de aarde daarvan niet bij zich kan houden en wat op het aardoppervlak naar buiten komt, wordt door natuurkrachten van buiten tot die rudimenten van bladeren omgewerkt zoals we die zien in mossen, varens e.d. Wat deze planten echter onder de aarde ontplooien, blijft ethersubstantie. 
Dan is er weer sprake van de boom die op aarde de groeit: 

De boom is zelf een stukje aarde, de stam en de takken. Wat daar gebeurt, is dat datgene wat bij paddenstoelen en varens nog onder de grond is naar buiten wordt getild. Als een boom langzaam de aarde in zou zakken, zou dus alles aan hem veranderen: als men hem zou laten zakken, dan zouden zijn bladeren en bloemen veranderen in varens, mossen en paddenstoelen en voor hem zou het dan winter worden. Alleen, hij onttrekt zich aan het winter worden. Hij is datgene wat zich enigszins aan het winter worden onttrekt. Maar zou ik zo’n paddenstoel of zo’n varen bij de kraag kunnen grijpen en steeds verder de aarde uit trekken, dan zou ik een hele boom uit de grond trekken. Want dat wat daar beneden aan ethersubstantie bestaat zou dan met de lucht in aanraking komen. En wat paddenstoelen waren, dat zouden in de lucht bloesems worden en er uitzien als bomen. En de eenjarige planten staan hier midden tussen. De samengesteldbloemige is datgene, althans in één bepaalde vorm, wat dan ontstaat. Als ik een samengesteldbloemige terug zou sturen, dan zouden zich ook enkel afzonderlijke bloemen ontwikkelen. De samengesteldbloemige is iets wat men een te snel opgeschoten boom zou kunnen noemen.
 Zo kan er ook een wens leven in de aarde. De aarde heeft de behoefte om de wens te laten wegzinken in de slaap. Dat doet ze ’s zomers, en de wens stijgt omhoog als een plant. Boven wordt hij dan pas zichtbaar – als waterlelie. Onder in de aarde leeft deze als wens, boven wordt hij een plant.

De aarde slaapt in de zomer en is in de winter wakker, maar ze kan op verschillende plaatsen gelijktijdig slapen, dromen en wakker zijn, zoals ook op verschillende plaatsen naast elkaar zomer en winter, lente en herfst bestaan. Ze kunnen echter ook daar waar het dan zomer is, dus slaaptijd, op een paar plaatsen wakker zijn.

Blz. 121

Dat is bijv. het geval waar veel paddenstoelen groeien (niet de paddenstoel is wakker, maar de aarde).

Een lichte sluimer kunt u vergelijken met de gewone planten, een toestand van waken tijdens de slaap met de paddenstoelen – waar veel paddenstoelen zijn, daar is een plaats waar de aarde wakker is gedurende de zomer – en een heel intense, diepe slaap met de bomen. Daaraan kunt u aflezen dat de aarde niet net zo slaapt als een mens, maar dat de aarde op de ene plaats meer slaapt en op de andere meer wakker is, hier meer slaapt, daar meer wakker is. Zo is het ook bij de mens, die immers in het oog en in de andere zintuigorganen tegelijkertijd naast elkaar slaapt, waakt en droomt.
.

[2] Zie boeken van de schrijver
Die Pflanze
Heilpflanzen
Metamorphosen
Meer
Op deze blog:  leesboek plantkunde
leesboek voor de dierkunde

.
Zur ersten Tier-und Pflanzenkunde in der Pädagogik Rudolf Steiners
Menschenkunde und Erziehung Band 3
Verlag Freies Geistesleben Stuttgart, 1979
ISBN 3 7725 0203 2

Inhoudsopgave

Werkbespreking 9 Werkbespreking 11
Vragen
.

[1] GA 295  vertaald
Uitverkocht: een scan ervan via vspedagogie@gmail.com

Plantkundealle artikelen

Vrijeschool in beeldPlantkunde

.

2845-2669

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-2-3)

.

Er is op deze blog veel verschenen  over warmte.
We weten allen uit eigen ervaring hoe belangrijk warmte is voor ons fysieke welzijn, maar ook voor het mentale en psychische.
De tegenhanger is de kou, en die kan je, (maar ook jou) vatten.

.

Ineke van der Duijn Schouten en George Massain, huisarts, Weledaberichten nr.170 najaar 1996

.

Vat op kou
.

Verkoudheid: wc kennen de verschijnselen allemaal. Je bent rillerig, je neus zit verstopt of je snuit de ene na de andere zakdoek vol, je hebt een duf hoofd en hoewel je je niet echt ziek voelt, zou je het liefst onder de wol kruipen. De dokter haal je er meestal niet bij, want je weet dat het op de een of andere manier vanzelf weer over gaat. Er zijn ook mensen die bijna niet weten wat het is om verkouden te zijn. Zij lijken er immuun voor, terwijl anderen met een zekere regelmaat snipverkouden op de bank hangen, met een stapel zakdoeken binnen handbereik. Wat is zoiets alledaags als verkoudheid eigenlijk? Waarom krijgt de een het wel en de ander niet en wat kun je er aan doen?

Warmtemantel 

Het woord verkouden komt van het Middelnederlandse woord couden, wat ‘afkoelen’ betekent. Als je verkouden bent, ben je dus afgekoeld. Je kunt ook zeggen: je bent een en al kou. Dat klopt met het gevoel dat je hebt als de verkoudheid begint. Hoe hoog de verwarming ook staat, je hebt het ijskoud en je wordt niet warm. Dat komt doordat er iets aan de hand is met de ‘warmtemantel’. Zo’n warmtemantel hebben we allemaal. Hij beschermt ons tegen de kou, net zoals een gewone mantel dat doet. Zien kun je hem niet, maar je kunt hem wel voelen. Als iemand anders zijn arm op tafel legt en je houdt je hand er een paar centimeter boven, dan voel je na enkele ogenblikken een warmtestroom. Die warmtestroom kun je over het hele lichaam waarnemen. Een arts kan bij een lichamelijk onderzoek vaak heel goed aftasten op welke plek sprake is van een stoornis in die warmtestroom. Die plek straalt dan geen warmte uit. Er zit als het ware een gat in de warmtemantel, waardoor de kou van buiten naar binnen kan stromen en de eigen warmte ‘weglekt’.

Onbewoond

Waardoor kan zo’n gat in de warmtemantel ontstaan? Allereerst moet je je deze warmtemantel niet voorstellen als iets dat een vaste vorm heeft, maar als iets beweeglijks, iets dynamisch. Hij beweegt min of meer met ons mee en reageert op wat wij meemaken. Hij is nauw verbonden met ons ‘ik’, het deel van ons wezen waarmee we zelfsturend optreden en richting aan ons leven geven. Als je stevig in het zadel zit, de dingen die je doet overziet en je je fysiek ook goed voelt, kan de warmtemantel je van top tot teen omhullen. Maar als je voor je ogen een ongeluk ziet gebeuren en je schrikt je wild, dan trekt je ‘ik’ zich even terug: je bent er even niet meer bij. Tegelijkertijd ‘krimpt’ dan de warmtemantel, waardoor deze het lichaam niet meer volledig kan omsluiten.

Op zo’n moment kan de kou van buiten vat op je krijgen. De een reageert met een stijve nek of spit, een ander wordt verkouden. Wat gebeurt er in het laatste geval? Dan gaat de stofwisseling op volle toeren werken om het tekort aan warmte aan te vullen en het gat te dichten. Ook in de spieren vindt een verhoogde stofwisseling plaats: rillen of klappertanden is een extra activiteit van de spieren om warmte op te wekken. Van alle kanten worden er in het lichaam vuurtjes gestookt om het snel warm te maken. De verhoogde activiteit van de stofwisseling heeft tot gevolg dat ook de afscheidingsproducten toenemen. Met name via de slijmvliezen worden veel uitscheidingsproducten weggewerkt. Dat je neus vol zit met slijm als je verkouden bent is dus het gevolg van verkouden zijn en niet de oorzaak, zoals we meestal geneigd zijn te denken.

We noemden zojuist een hevige schrik als mogelijke aanleiding voor het ‘ik’ om zich terug te trekken. Veel vaker echter is de oorzaak minder heftig en komt hij van binnenuit. Oververmoeidheid of stress bijvoorbeeld kunnen maken dat het ‘ik’ geen heer en meester meer is over het hele lichaam. Bepaalde gedeeltes raken dan ‘onbewoond’ en worden koud. Vaak zijn dat de uiteinden van het lichaam, dus de handen en vooral de voeten. Ook als je buiten jezelf raakt van woede kan de warmtehuishouding worden verstoord.

Grens

Hoe kun je voorkomen dat je verkouden wordt? Uit het bovenstaande is duidelijk geworden dat zaken als stress en jezelf kwijt raken raken van invloed zijn op de warmtehuishouding. Het is dus belangrijk ervoor te zorgen dat je niet uitgeput raakt. Wanneer die grens bereikt is, is voor iedereen verschillend.
Bij de een kan dat al zijn na een paar drukkere dagen dan normaal, bij een ander kan het weken duren voor het lichaam ho roept door verkouden te worden. Wie uitgerust is, heeft ook meer weerstand bij omstandigheden die van buiten komen, zoals een flinke regenbui.

Daarnaast kun je je warmtemantel van buitenaf verzorgen. Let er bijvoorbeeld eens op of je voeten goed warm zijn. Heel veel mensen hebben chronisch last van koude voeten, vaak zonder dat ze er erg in hebben. Een voetenbad met Rozemarijn Badmelk verwarmt het lichaam door en door en kan soms net een opkomende verkoudheid tegenhouden. Als je het snel koud hebt, helpt dagelijks inwrijven van buik, benen en voeten met Arnica Massage-olie. Verder kun je in de winter zorgen voor een ‘tweede huid’ door wollen of zijden hemden te dragen. Wol heeft als voordeel boven katoen dat de vezels warmte kunnen doorlaten én vasthouden. Bij wollen hemden denk je misschien direct aan kriebelende, onooglijke hobbezakken, maar die tijden liggen gelukkig achter ons.

Achter een simpel iets als verkoudheid blijkt veel meer schuil te gaan dan je op het eerste gezicht zou vermoeden. Het heeft alles te maken met onszelf en met onze eigen grenzen. Dit inzicht zal ons in de toekomst waarschijnlijk niet meteen vrijwaren van kouvatten. Het is echter een hoopvol perspectief dal het wel mogelijk is val te krijgen op kou.

.
In het artikel stond deze illustratie:

Mantelzorg: Peter van Aarnhem.
Meer werk van Peter van Aarnhem

.
Ik heb in sommige artikelen waarin producten van Weleda werden genoemd, mijn zeer positieve ervaringen hiermee doorgegeven.
Dat staat niet gelijk met ‘de’ vrijeschool maakt reclame voor Weleda. IK maak er reclame voor – overigens zonder dat Weleda daarin betrokken is.
Tijdens mijn verkoudheden waren en zijn nog – hoewel ik, nadat het vrijeschoolwerk stopte – veel  minder verkouden was dan toen ik nog lesgaf – onderstaande middelen een goede hulp gebleken.
Genezen doen ze niet – je moet een griep gewoon ‘uitzieken’, maar ze ondersteunen en verlichten. Het geeft mij een goed gevoel middelen te gebruiken van een firma die al meer dan honderd jaar ‘mens en natuur als eenheid’ zien.
.

De R is weer in de maand:

INFLUDO

Als je verkouden bent en je hebt het druk, dan is de verleiding groot om net te doen alsof er niets aan de hand is. Een enkele keer lukt het misschien om dan toch van een verkoudheid af te komen. Meestal echter moet je maatregelen nemen, wil je niet na een week sukkelen alsnog ziek worden. Zo’n maatregel is Infludo.
Infludo is samengesteld uit antroposofische en homeopathische middelen die allemaal de eigenschap hebben om de symptomen die bij een griep horen, op te wekken. Dat klinkt op het eerste gezicht wat eigenaardig. Je wilt immers van een verkoudheid of opkomende griep af, en dan zou je die juist gaan opwekken? Hoe zit dat in elkaar?

Infludo is erop gericht om de natuurlijke lichamelijke afweer te stimuleren. Je onderdrukt zodoende niet het ziekteproces, maar je helpt juist dit te overwinnen. Met andere woorden: met Infludo wek je de symptomen van griep op en vervolgens gaat het lichaam aan de slag om de ziekte de baas te worden. Laten we als voorbeeld Aconitum nemen, het hoofdbestanddeel van Infludo. De Nederlandse naam voor Aconitum is monnikskap, een giftige plant die je een acute koortsaanval zou kunnen bezorgen. Daarbij voel je je dan hondsberoerd en kunnen er gevoelens van angst optreden. Deze verschijnselen doen zich ook bij griep voor, maar dan in veel mindere mate. Door Aconitum in een sterk verdunde vorm in te nemen, worden de afweerkrachten opgewekt. Van Aconitum bestaan overigens allerlei variaties die de arts voor verschillende situaties kan voorschrijven.

Infludo bevat verder Bryonia (heggerank), eucalyptus, Eupatorium Perfoliatum (waterhennep), Sabadilla (luiszaad) en fosfor. Zou je fosfor onverdund nemen, dan zou je rillerig en koortsig worden: dat zijn de symptomen van verkoudheid. In verdunde vorm immiteert fosfor de koorts en activeert zo de warmtehuishouding.

Infludo is zonder recept te koop bij de apotheek en bij veel drogisten. Bij griep en verkoudheid neem je elke twee uur 5 à 8 druppels.

De ziekte wordt hierdoor dus niet onderdrukt, maar je hebt er wel beduidend minder last van. Infludo kan ook gebruikt worden om griep en verkoudheid te voorkomen. Neem dan als de R in de maand is iedere dag 7 druppels bij het ontbijt. Als je veel last hebt van onrust kun je in plaats van Infludo, Ferrum phosphoricum comp* gebruiken. Ook bij kinderen werkt dit middel rustgevender dan Infludo.

Beperk de hoeveelheid eiwitten in je voeding drastisch zolang de verkoudheid duurt. Je lichaam probeert zich via het slijm juist van eiwitten te ontdoen. Van nog meer eiwit (melk, kaas, vlees) zou de slijmproductie alleen maar toenemen. Neem in plaats daarvan regelmatig een mengsel van citroen-, grapefruit- en sinaasappelsap met warm water en een lepel honing. Deze lekkere grog brengt vorm in de ongebreidelde stofwisselingsactiviteit.

Naast deze basismiddelen die de griep of verkoudheid als geheel aanpakken, zijn er verschillende middelen die je kunt gebruiken bij andere vervelende bijkomstigheden van griep en verkoudheid:

Hoest

Weleda Hoestelixer.

Droge hoest

Om het slijm los te maken: Lichenes comp*. In deze siroop zijn verschillende korstmossen met honing en anijsolie tot een smakelijke siroop verwerkt.

Hoesten met veel slijmvorming

Doron druppels.

Keelpijn

4 maal daags 1 tablet Pyriet/Zinnober* gecombineerd met Bolus Eucalypti comp* (1 theelepel op een glas water, ieder uur gorgelen en de laatste slok doorslikken).

Keelpijn en opgezette klieren

De hals inwrijven met Archangelica comp zalf*.

Verstopte neus

Weleda Neusspray 

Een stoombad met Eucalyptus olie (Oleum Aethereum Eucalypti 10%*) helpt ook goed om weer door de neus te kunnen ademen. Doe een dopje olie in een schaal kokend water en houd je hoofd een minuut of tien in de stoom. Bedek het hoofd met een handdoek, zodat de stoom niet kan ontsnappen. Belangrijk: was je gezicht en hals daarna heel goed met lauw water om weer op normale temperatuur te komen en blijf minstens een uur binnen. Je kunt je anders letterlijk opnieuw een verkoudheid op de hals halen.

Zware ademhaling

De borst dun inwrijven met Oleum Aethereum Salviae 10%*. Dit is een vluchtige olie uit salieblad die erop is gericht om de huid goed te doorbloeden en te doorwarmen. Hierdoor kun je weer ruimer ademen.

Om weerstand op te bouwen kun je preventief een Duindoornelixerkuur doen (3 maal daags een dopje, gedurende 10 dagen). Duindoornelixer verhoogt het weerstandsvermogen en geeft extra energie. Het heeft een opvallend hoog gehalte aan vitamine C, vitamine E en carotine (dat zorgt voor de aanmaak van vitamine A). Is de verkoudheid of griep eenmaal daar, dan helpt een Vlierelixer-kuur (3 maal daags een dopje, gedurende 10 dagen). Vlierelixer reguleert de vochthuishouding en intensiveert de warmteprocessen in het lichaam.

* verkrijgbaar bij de apotheek, vaak alleen in Duitsland en soms moet een recept worden meegestuurd.

.

Menskunde- en pedagogie:  [11] warmte

Antroposofisch leven: warmte

Opvoedingsvragen: [12] verkouden

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2844-2668

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen – muziek (8-2)

.

Op de vrijeschool wordt veel ‘aan muziek gedaan’.
Wat in onderstaand artikel beschreven wordt, vindt ook in de peuter/kleuterklas plaats.

Wat kun je thuis doen (of laten).

.
Saskia Stienstra-Kalff, Weleda Puur Kind, nr. 16 2005
.

Bewogen door muziek

.

Het leven is vol muziek: vogels die je ’s ochtends wakker fluiten, een zingend kind in de zandbak, een kerkklok, het geluid van de wasmachine, zelfs elk seizoen kent z’n eigen melodie. Ook zonder dat je bewust zingt of speelt is muziek bijna overal ingebed in het dagelijks leven, volkomen natuurlijk. En het kind heeft zijn oren wijd open. Hoe kun je hier als ouder muzikaal bij aanknopen?

Geen leven zonder muziek. Klank, hard of zacht, snel of langzaam, gevolgd door een andere klank, afgewisseld met stiltes, het is één en al trilling. En dat doet iets met je. Muziek doet bewegen. Denk maar aan een kind dat spontaan begint te dansen bij het horen van een draaiorgel. En muziek raakt: het geeft houvast, biedt troost, schept vreugde. Zelfs mensen die niet kunnen horen, schijnen toch door de trilling bewogen te kunnen worden.

In cadans

De kleuters in mijn muziekles gaan heel vanzelf mee in de ritmeoefeningen. Ze zitten op het puntje van hun stoel en hebben hun oren wijd open.
‘Hoor je wel wat ik nu doe, ’t gaat maar door ik ben niet moe,’ zeggen we, wel drie of vier keer achter elkaar. Dan tik ik met één stokje in iedere hand het ritme op de grond, bij elk woord één tik. Ze doen direct mee, niet eens omdat ik zeg dat zij dat moeten doen, maar omdat ze meebewegen met wat ze horen, met wat ze zeggen. Zelfs de rust in de zin wordt door hen als vanzelfsprekend ingevoegd. Dan leggen we de stokjes weg en gaan in een kring staan. Nu maken we de beweging van de maat. We zetten één stap naar voren en één naar achteren, 1-2, 1-2, in een eindeloze herhaling. Terwijl we blijven bewegen, pakken we het
ritmeliedje weer op. Anders dan met de stokjes doen we nu niet bij elk woord één stap, maar bij een paar en zo krijgen ze een cadans te pakken. Moeilijk? Het is onvoorstelbaar hoe gewoon het voor hen is. Een enkel kind dat niet direct meekomt, deint mee op de beweging van de anderen en komt zo toch in de cadans terecht. Hoe kan het ook anders? Wordt niet ieder klein kind wel eens wiegend in slaap gesust?

Elk moment zijn eigen geluid

Als je beseft hoe het leven vol ritme is dat overal in doorklinkt, is het zinvol je af te vragen hoe de sfeer is van de muziek die jij een kind aanbiedt. Dat er een groot verschil is tussen hardrock muziek en klassieke cellosonates, tussen een Ierse gezongen ballade en trommelgeluid van een Afrikaanse djembé, behoeft geen nadere toelichting. Elk moment z’n eigen geluid en elk individu zijn eigen voorkeur, maar in het besef dat er werking van uitgaat, kun je als ouder wel doelbewust bepaalde muziek meer of minder aanbieden.

Muziek legt de basis voor het harmonisch ontwikkelen van tal van vaardigheden bij kinderen, zowel motorische als cognitieve. Het is dus van groot belang dat zij hier vroeg mee in aanraking komen. Je kunt dichtbij huis beginnen, want nagenoeg ieder kind vindt het heerlijk om te zingen. Het zingt spontaan bij het spelen in bad, bij het aankleden van de pop. Het neuriet, het murmelt, het bromt met de auto’s. En wat kunnen kinderen genieten van samen zingen. Dat kun je niet genoeg doen, juist de heel eenvoudige liedjes met niet meer dan vijf of zes noten. Zo gaat de molen of Schuitje varen theetje drinken. En zeker bij jonge kinderen geldt: hoe meer bewegingen erbij, hoe leuker. Dit zijn mijn wangetjes, Twee emmertjes water halen, voor je het weet klappen en stampen ze met je mee.

De kracht van eenvoud

Bij het aanleren van een liedje is het meestal al genoeg als je gewoon begint.
Halverwege beginnen ze al mee te zingen, het gaat bijna vanzelf. Zoals ook het slaapliedje dat je ’s avonds zingt bij het kinderbed: plotseling blijkt je kind het te kennen. Al die tijd heeft het zich tijdens het luisteren kunnen innestelen.

Denk niet te snel dat je niet kunt zingen, het gaat om de intentie waarmee je zingt. En anders neurie je maar wat. Als je zelf niet thuis bent in liedjesland, schroom niet en haal bijvoorbeeld het klassieke boek Een mandje vol amandelen in huis of het nieuwere Liedjes met een hoepeltje erom. Een prachtige cd vind ik Hé Hallo van Ingrid Tjaden met oude en nieuwe liedjes. De kracht van de eenvoud is bewaard gebleven en haar interpretatie is zeer uitnodigend voor het jonge kind om mee te zingen, stampen of tikken.

Maar wees kritisch. Niets is zo geestdodend als een cd waarop de liedjes aan elkaar geplakt lijken door de eentonigheid van computerbeat, de toonsoort hetzelfde blijft en zelfs het ritme nauwelijks verandert.

Kinderen zullen misschien uit volle borst meezingen, maar het is maar zeer de vraag of ze er werkelijk iets van oppikken van wat muziek hen kan brengen. Er gaat niets boven de heldere stem van een zanger(es) die alleen of samen met een muzikant een lied vertolkt. Een lied kent een begin en een einde: uit de stilte komt het op en in stilte verdwijnt het weer.»

Een mandje vol amandelen, samengesteld door W.J. Stam-van der Staay
Liedjes met een hoepeltje erom, samengesteld door Joke Linders en Toin Duijx

Zie ook de vele liedjes op: vrijeschoolliederen

En bijv. op Tineke’s Doehoek

.

Muziek: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Opspattend grind   nr. 7

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2843-2667

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Engels

.
Bron onbekend
.

EVERYBODY,  SOMEBODY, ANYBODY, NOBODY

Whose Job is this??
This is a story about four creatures.
Named: Everybody, Somebody, Anybody and Nobody.

There was an important job to be done.
Everybody was asked to do it,
Everybody was sure that somebody would do it,
Anybody could have done it, but nobody did it.
Somebody was angry about that because it was everybody’s job.
Everybody thought anybody could do it but nobody realized that everybody would not do it.
It ended up everybody blamed somebody, when nobody did what anybody could have done.

Wiens opgave is het ?
Dit verhaaltje gaat over vier wezens:
Dit zijn, Iedereen, Iemand, allen en niemand,

Er moest iets heel belangrijks gebeuren.
Iedereen werd gevraagd om het te doen.
Iedereen was er van overtuigd dat iemand het zou willen doen.
Allen had het vermogen om het belangrijke werk uit te voeren maar niemand deed het.
Iemand was boos hierover omdat het de taak was van iedereen.
Iedereen dacht dat iemand het zou kunnen doen maar niemand realiseerde zich dat niemand het zou willen doen.
Het eindigde ermee dat iedereen iemand de schuld gaf toen niemand uitvoerde wat iedereen had kunnen doen..

.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

.

2842-2666

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (15-2)

.
Over slaapproblemen bij jong en oud.

Ineke van der Duijn Schouten en George Maissan, huisarts, Weledaberichten nr. 173 zomer 1997

Wakker tegen wil en dank

.

Het lijkt allemaal zo simpel: je glijdt ’s avonds moe onder de dekens, draait je nog eens lekker om en vervolgens geef je je over aan de slaap. De werkelijkheid is bij veel mensen echter minder eenvoudig: zij liggen uren en uren klaarwakker, lezen een half boek, drinken een glas warme melk, ijsberen heen en weer en vallen pas tegen de ochtend in slaap. Over één slapeloze nacht is nog wel heen te komen, maar zijn het er meer, dan wordt het wakker zijn een probleem, je belandt dan al gauw in een vicieuze cirkel: overdag ben je niet wakker genoeg om goed te kunnen functioneren en ’s avonds wil de begeerde slaap maar niet komen omdat je te wakker bent.

Hoe komt het dat zo veel mensen daar last van hebben?

Wakker worden

Als we iemand betitelen als ‘een wakker mens’ is dat altijd positief bedoeld. We hebben het dan over iemand die helder kan denken en de juiste dingen op het juiste moment doet. Wakker zijn overdag is in zekere zin een ‘must’, althans voor een volwassene. Ben je dat niet, dan laat je je al gauw knollen voor citroenen verkopen of je slaat jezelf achteraf voor het hoofd omdat je niet alert genoeg reageerde.

Opmerkelijk is dat niet alleen onze tijdgeest ons ertoe dwingt wakker te zijn, ook onze levensloop stuurt aan op wakkerheid, maar dan letterlijk: we hebben gedurende ons leven steeds minder slaap nodig. Een pasgeboren baby is in de regel maar weinig uren van de dag echt wakker. De meeste tijd is hij bezig met zijn grote opdracht: slapen, eten en weer slapen. Daarna nemen de periodes dat hij wakker is toe.
Als peuter is zijn slaapbehoefte al zo afgenomen dat hij aan een middagslaap van enkele uren genoeg heeft. De kleuter kan toe met af en toe een middagslaapje en slaapt ’s nachts de klok rond. Daarna komt er steeds een uur van wakker zijn bij, tot de gemiddelde slaaptijd van een volwassene, zo’n zeven à acht uur, is bereikt. Zijn we eenmaal boven de zestig, dan slapen we vaak nog maar een uur of zes.

Zintuiglijke prikkels

Vooral bij een opgroeiend kind kun je zien wat wakker zijn betekent: met al zijn zintuigen neemt het de indrukken uit zijn omgeving op.
Het tast, kijkt, ruikt en luistert met grote overgave naar alles wat op hem afkomt; en dat is veel vandaag de dag. Te veel meestal, want niet alleen volwassenen, maar ook steeds meer kleuters, peuters en baby’s zijn hun normale mate van wakkerheid kwijt.
Bij baby’s uit zich dat, afgezien van weinig slapen, vaak in spugen; bij peuters en kleuters in overmatig druk zijn en aandacht vragen. Overdag rennen ze rusteloos van het een naar het ander, ’s avonds moeten de ouders grote moeite doen om hen in bed te krijgen. Interessant genoeg krijgen zulke wakkere kinderen nogal eens vocht in hun oren: een natuurlijke bescherming van het lichaam tegen te veel prikkels.

De vraag naar de hoeveelheid indrukken die ongemerkt zijn opgenomen kan ook de al te wakkere volwassene zichzelf stellen.
In de file rijden, vergaderingen bijwonen en de bijbehorende stukken lezen, boodschappen doen, kranten, film, ouderavonden en verjaardagen bijhouden, we zijn er misschien wel aan gewend, maar we krijgen daardoor heel wat te verstouwen. De hele dag wordt er op die manier een appel gedaan op je zintuigen en die doen wat wij willen dat ze doen: ze staan wijd open. Veel indrukken zijn onbewust naar binnen gekomen en spoken daar rond als er niemand is die ze een halt toeroept. Je blijft daardoor wakker tegen wil en dank.

Prikkels verminderen

De beste remedie tegen overmatige wakkerheid van kinderen is om de hoeveelheid zintuiglijke prikkels te verminderen die op hen afkomen. Je kunt je bijvoorbeeld afvragen hoe vaak er ‘ruis’ van radio of cd-speler op de achtergrond aanwezig is, op welke sterkte er aan tafel wordt gepraat en hoe hard of zacht de deuren worden dichtgedaan. Een halve dag winkelen in de stad betekent voor kleine kinderen een overweldigend aantal indrukken. Thuis blijven met een leuke oppas of een dagje naar opa en oma is voor hen vaak een plezieriger oplossing, ’s Avonds twintig minuten op schoot plaatjes kijken of voorgelezen worden uit een spannend boek is een knus tegenwicht tegen televisiekijken. Het naar bed gaan wordt daardoor meestal minder problematisch.

Voor volwassenen die vaak wakker liggen is het een hulp om na gedane arbeid zoveel mogelijk bewust de zintuigen open te zetten. Je zegt dan bijvoorbeeld tegen jezelf: ik kijk, ik lees of ik praat, maar ik doe niet alles tegelijk. Vaak scheelt het al als je je realiseert wat je normaal allemaal opslorpt aan informatie. Een week verblijven op een mooie plek met weinig motorisch verkeer, waar je bovendien verstoken bent van radio, krant en tv kan wat dit betreft een eye-opener zijn.

De dag afsluiten

Een andere remedie tegen een te grote wakkerheid is om ’s avonds de dag nog eens door te nemen. Allerlei dingen die je die dag zijn overkomen, indrukken die je hebt opgedaan, passeren zo de revue. De kunst daarbij is om ‘van buitenaf’ naar je doen en laten te kijken. Je maakt steeds een ‘plaatje’ van de situatie en wandelt, bij voorkeur van achteren naar voren, de dag door tot het moment van opstaan, zonder ergens te blijven hangen. Hierdoor breng je de zintuigen tot rust en je sluit de dag met al zijn ups en downs af. Het kost de nodige inspanning, maar het is een uiterst effectieve manier om de vele indrukken die een mens wakker houden, hun plaats te geven. Vaak lukt het niet eens om de dag helemaal ‘af’ te maken en overmant de slaap je tegen wil en dank.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2841-2665

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 14 (14-2)

.

RUDOLF STEINER
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald*

Enkele gedachten bij blz. 199 van de vertaling*

In deze afsluitende voordracht begint Steiner weer met een ander aspect van het ‘naar de lichamelijke mens kijken’.
Daar is hij in voordracht 10 mee begonnen.
En nu noemt hij opnieuw de fysieke drieledigheid.

Zonder het met zoveel woorden te zeggen, begint Steiner hier met de behandeling van de ‘kleine’ drieledigheid van het hoofd. [14-1] en dat vervolgt hij met een beschouwing vanuit dit gezichtspunt van de borst, de romp.
In de 2e voordracht heeft hij daarover al iets gezegd en ook in de 8e.
Tevens in d10e.

In [14-1] citeerde ik een duidelijke passage hierover uit GA 296. Daarin staat voor de borst:

Borst/romp als ‘klein hoofd’

Blz. 71  vert. 82

Der Brustmensch ist wiederum nicht bloß in der Brust, er ist hauptsächlich in den Brustorganen, in den Organen, in denen sich das Herz und der Atmungsrhythmus am deutlichsten ausdrücken. Aber die Atmung setzt sich auch in den Kopf hinein fort, die Blutzirku­lation in ihrem Rhythmus setzt sich in den Kopf hinein fort und in die Gliedmaßen. So daß man sagen kann: der Mensch ist Brust aller­dings in dieser Gegend; aber er ist auch hier – zwar weniger – Brust

De mens is ook niet alleen in de borst een borst-mens maar is hoofdzakelijk borst-mens in de borstorganen; in die organen waarin het hartritme en het ademritme zich het duidelijkst ui­ten. Maar de adem zet zich ook in het hoofd voort, het ritme van de bloedsomloop zet zich voort in het hoofd en in de ledematen. Men kan dus zeggen: de mens is vooral in dit gebied borst; maar is ook hier – hoewel minder – borst (zie tekening, rode arcering) en hier ook minder

Blz. 72  vert. 83

und hier – wiederum weniger Brust. Also wiederum der ganze Mensch ist Brust, aber in der Haupt-sache ist das die Brust, das der Kopf.

borst. Dus opnieuw: de hele mens is borst, maar voornamelijk is dit de borst en dat het hoofd.

Also ebenso wahr, wie man sagen kann: der Kopf ist Kopf, kann man sagen: der ganze Mensch ist Kopf. Ebenso wahr, wie man sagen kann: die Brust ist Brust, kann man sagen: der ganze Mensch ist Brust und so weiter.

Zoals men kan zeggen: het hoofd is hoofd, kan men ook zeggen: de gehele mens is hoofd. Zoals men kan zeggen: de borst is borst, kan men ook zeggen: de gehele mens is borst, enzovoorts.
GA 296/70 e.v.
Vertaald/81 e.v.

Blz. 197/198  vert. 197/198

In der Brust des Menschen ist in der Tat ebensoviel Kopf- wie Gliedmaßennatur. Gliedmaßennatur und Kopfnatur vermischen sich miteinander in der Brustnatur. Die Brust hat nach oben hin fortwährend die Anlage, Kopf zu werden und nach unten hin fortwährend die Anlage, den entgegengestreckten Gliedmaßen, der Außenwelt, sich anzuorganisieren, sich anzupassen, also, mit anderen Worten, Gliedmaßennatur zu werden. 

De borst van de mens is inderdaad evenzeer hoofd als ledemaat. In de borst vermengen zich ledematen en hoofd. De borst heeft naar boven toe voortdurend de neiging om hoofd te worden en naar beneden toe de neiging zich aan te passen aan de ledematen die erin zijn ingeplant, aan de buitenwereld, de neiging om zich te herorganiseren en dus ledemaat te worden. Het bovenste deel van de borst heeft voortdurend de neiging om hoofd te worden, het onderste deel om ledematen te worden.

Strottenhoofd

Dus: Het bovenste deel van de borst heeft voortdurend de neiging om hoofd te worden. Nu blijkt het om het strottenhoofd te gaan.
Interessant is dat dit woord in onze taal werkelijk iets van ‘hoofd’ in zich heeft; het Duits ook: ‘Kehl-kopf’.
In het Nederlands wordt het strottenhoofd wel omschreven als ”bovenste deel van de luchtpijp en ‘bovenste deel’ zou je nog als ‘hoofd’ kunnen bestempelen, zoals ons ‘echte’ hoofd. Het Duitse ‘Kehl’ is niet per se de luchtpijp, toch wordt ook hier ‘hoofd’ gebruikt.
In wezen had ‘strot’ kunnen volstaan, maar in het Oudfries kom je throtbolla tegen voor strot (denk aan Engels ‘throat’ waarin we ook ‘de bol’ herkennen, zoals in Oudhollands hirnibolla: hersenpan.

In ieder geval is de idee van ‘verdichting’ goed waarneembaar, vooral als we het strottenhoofd vergelijken met de rest van de borst.

1. membrana thyreohyoidica
2. ligamentum thyreohyoidicum medianum
3. incisura laryngica
4. cartilago thyreoides (schildkraakbeen)
5. ligamentum cricothyreoidicum medianum
6. conus elasticus
7. cartilago cricoides (ringkraakbeen)
8. trachea (luchtpijp)
9. os hyoides (tongbeen)
10. ligamentum thyreohyoidicum laterale
11. cornu superius (bovenste hoorn) van schildkraakbeen
12. bovenste larynxzenuw en -arterie
13. linea obliqua (schuine lijn)
14. musculi cricothyreoidici
15. cornu inferius (onderste hoorn) van schildkraakbeen
16. cricothyreoïdverbinding
Bron: Wikipedia

Deze verdichting nog eens tegenover dit opener beeld van de borst:

Uit L.Vogel: Der dreigliedrige Mensch

Nu merkt Steiner dingen op die we dan weer niet zo gemakkelijk kunnen volgen:

Also der obere Teil des menschlichen Rumpfes will fortwährend Kopf werden, er kann es nur nicht. Der andere Kopf verhindert ihn daran.

Dus het bovenste deel van de romp wil steeds hoofd worden, maar kan dat niet. Het andere hoofd verhindert dat.

We zijn dit ‘verhinderen’ ook al uitvoerig tegengekomen in voordracht 12.

Daher bringt er nur fortwährend ein Abbild des Kopfes hervor, man möchte sagen, etwas, was ausmacht den Beginn der Kopfbildung. Können wir nicht deutlich erkennen, wie im oberen Teil der Brustbildung der Ansatz gemacht wird zur Kopfbildung? Ja, da ist der Kehlkopf da, der ja aus der naiven Sprache heraus sogar Kehlkopf genannt wird.

Daarom brengt dat bovenste deel van de romp alleen maar een afbeelding van het hoofd voort, men zou kunnen zeggen een soort aanzet tot hoofdvorming. Kunnen we niet duidelijk herkennen hoe in het bovenste deel van de romp de aanzet wordt gegeven tot de vorming van een hoofd? Ja, het is inderdaad het strottenhoofd, dat vanuit het naïeve taalgebruik ook strottenhoofd genoemd wordt.

Taal/spraak/klank

En dan volgt een verklaring voor wat spraak* is:

Der Kehlkopf des Menschen ist ganz und gar ein verkümmertes Haupt des Menschen, ein Kopf, der nicht ganz Kopf werden kann und der daher seine Kopfesnatur auslebt in der menschlichen Sprache.

Het strottenhoofd van de mens is geheel en al een onderontwikkeld hoofd, een hoofd dat niet volledig hoofd kan worden en daarom zijn wezen manifesteert in de taal van de mens.

*Er staat ‘Sprache’ en dat kan worden vertaald met spraak of taal. In de vertaling is voor ‘taal’ gekozen, terwijl ik zelf het gevoel heb, dat het hier om spreken, om klanken voortbrengen gaat. (Natuurlijk nauw aan elkaar verwant)

Die menschliche Sprache ist der fortwährend vom Kehlkopf in der Luft unternommene Versuch, Kopf zu werden.

De taal is de constante poging van het strottenhoofd in de lucht om hoofd te worden.

Nu worden een aantal klanksoorten benoemd:

Wenn der Kehlkopf versucht, der oberste Teil des Kopfes zu werden, da kommen zum Vorschein diejenigen Laute, welche deutlich zeigen, daß sie am stärksten von der menschlichen Natur zurückgehalten werden. Wenn der menschliche Kehlkopf versucht, Nase zu werden, da kann er nicht Nase werden, weil ihn die wirklich vorhandene Nase daran verhindert. Aber er bringt hervor in der Luft den Versuch, Nase zu werden, in den Nasenlauten. Die vorhandene Nase staut also die Luftnase, die da entstehen will, in den Nasenlauten.

Probeert het strottenhoofd het bovenste deel van het hoofd te worden, dan komen de klanken te voorschijn die duidelijk tonen dat ze het sterkst teruggehouden worden door de menselijke natuur. Probeert het strottenhoofd neus te worden, dan lukt hem dat niet omdat de werkelijke neus dit tegenhoudt. Maar die poging manifesteert zich in de lucht in de neusklanken. De echte neus stuwt de luchtneus die daar dreigt te ontstaan in de neusklanken.

Es ist außerordentlich bedeutungsvoll, wie der Mensch, indem er spricht, fortwährend in der Luft den Versuch macht, Stücke von einem Kopf hervorzubringen, und wie sich wiederum diese Stücke von dem Kopf in welligen Bewegungen fortsetzen, die sich dann stauen an dem leiblich ausgebildeten Kopf. Da haben Sie dasjenige, was die menschliche Sprache ist.

Het is van eminent belang te zien hoe de mens bij het spreken voortdurend probeert in de lucht stukken van een hoofd te creëren en hoe deze stukken zich in golfbewegingen voortplanten en samengebald worden in het echte, fysieke hoofd. Dat is nu menselijke taal.

Steiner sluit de beschouwing over de romp ‘als hoofd’ af met:

Blz.199  vert. 200

Nun, so wie der menschliche Brustteil nach oben die Tendenz hat, Haupt zu werden, so hat er nach unten die Tendenz, Gliedmaßen zu werden. So wie dasjenige, was als Sprache aus dem Kehlkopf hervorgeht, ein verfeinerter Kopf ist, ein noch luftig gebliebener Kopf, so ist alles dasjenige, was nach unten von dem Brustwesen des Menschen ausgeht und sich nach den Gliedmaßen hin organisiert, vergröberte Gliedmaßen- natur. Verdichtete, vergröberte Gliedmaßennatur ist dasjenige, was die Außenwelt gewissermaßen in den Menschen schiebt.

Welnu, zoals de borst naar boven toe de neiging heeft om hoofd te worden, zo heeft hij naar onderen toe de neiging om ledematen te worden. Wat als taal uit het strottenhoofd op welt, is een verfijnd hoofd, een nog luchtig gebleven hoofd; alles wat naar beneden toe uitgaat van de borst van de mens en in zijn organisatie de ledematen benadert, is een soort vergroving van de ledematen. Wat de buitenwereld daar als het ware in de mens schuift, is in wezen een verdichte, grovere vorm van de ledematen. 

Zie voor ‘romp en ledematen’ [14-3] nog niet oproepbaar

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde voordracht 14: alle artikelen  

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2840-2664

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 14 – alle artikelen

.

Voordracht 14
de bladzijden verwijzen naar de vertaling van 1993

Een kleine uitleg over de indeling in paragrafen:
Het eerste cijfer verwijst altijd naar de voordrachtenvolgorde in de uitgave. [14-
Het tweede cijfer is het onderwerp van de beschouwing, aangegeven met het bladzijnummer en een korte inhoudsomschrijving. [14-1]
Het derde cijfer [14-1-1] geeft een uitbreiding aan van de inhoud van [14-1]
Wanneer je de gang door de voordracht wil volgen, hoef je de uitbreidingen niet per se te lezen. De volgorde door de voordracht is dus de reeks [14-1] [14-2] [14-3] enz.
Als kleur: rood.

[14-1Blz. 196 – 198
Opnieuw over de fysieke drieledigheid; de ledematen; hoofd: soort complete mens; deze gedachte wordt uitgewerkt; besef hiervan moet nodige enthousiasme geven voor je eigen pedagogische moraal.

[14-2] Blz. 199
De borst als ‘hoofd in ’t klein’; het strottenhoofd; ontstaan van klank, spraak, taal; de neusklank.

[14-3] Blz. 200-201
De ledematen vanuit de borst gezien; uit GA 294 over ‘ingeplante ledematen en het morfologisch vervolg in de geslachtsorganen; astraallijf nog niet gevormd, daarom vrijwel onmogelijk iets van ‘liefde met het geslachtelijke’ te laten ervaren; liefde is vooreerst ‘algemene mensenliefde’; seksuele opvoeding en seksuele voorlichting; het astraallijf moet vooral worden opgevoed met fantasiekracht; mensenliefde in broederlijkheid, het kunstzinnige, de plicht;

[14-3/1]
Voortplantingsorganen en de romp: een beschouwing uit het boek ‘Antroposofische menskunde begrijpen’.

[14-4] Blz. 201-202
Astraallijf en fantasie; m.n. fantasie in het onderwijs in de hoogste klassen van de basisschool; voorbeelden: natuurkunde, meetkunde (Pythagoras); je eigen fantasie steeds vernieuwen!

[14-5] Blz. 203-204
Fantasie, geen pedanterie; categorische imperatief; geen zuurpruim; moed tot waarheid; verantwoordelijkheid.

.

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2839-2663

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (57)

.

Dieuwke Hessels

.

Natuur, uw moederlijk bestaan,
ik draag het in mijn willend wezen
en vuurkracht van mijn willen kan nu mijn geestkracht stalen
waaruit het zelfgevoel geboren wordt
mijzelf in mij te dragen.

Rudolf Steiner, Antroposofische weekspreuken

Na een lange zomertijd, kondigt de herfst zich aan. De
overgangstijd van zomer naar winter, van bloei naar afsterven,
van licht naar donker, van warm naar koud. De bloemen raken
uitgebloeid, bladeren worden geel en verdorren. Dieren gaan
hamsteren en trekken zich terug voor hun winterslaap. De
natuur begint zich duidelijk voor te bereiden op de winter. Zij
wordt stil en komt tot rust.
Aartsengel Michaël wordt gezien als brenger van de
zonnekracht. Hij zorgt voor sterke gewassen en voor een goede
oogst. Voor de mens is hij de helpende hand in strenge winters,
hij geeft kracht om door de winter heen te komen.
Het Michaëlsfeest is dan ook het feest van de moed. Hij
weegt het goed en het kwaad en strijdt met de negatieve
krachten, de ‘draken die vuurspuwen’. Hij staat daarom meestal
afgebeeld met zwaard en weegschaal en soms met een draak.
Michaël staat als symbool voor de omgang met balans tussen
goed en kwaad, ook in onszelf.

In voorchristelijke tijden werd in deze periode het oogstfeest of het begin van de herfst gevierd, waarin men net als op Michaëlsdag de goden dankte voor de goede oogst.
Op een druilerige dag in de laatste week van september vierden wij het Michaëlsfeest.
We vierden het als eerste in een reeks van herfstfeesten.
Die dag stonden we met elkaar stil bij wat het leven ons geschonken heeft en
wat we (misschien) achter ons willen laten. Na een verhaal over de oorsprong van dit feest, werden er vellen papier uitgedeeld met daarop een draak en een blanco deel. Op het blanco deel mocht ieder zijn eigen ‘draak’ tekenen of beschrijven. Iets wat je wilt overwinnen, een eigenschap die er juist meer mag zijn of die je graag achter je zou willen laten. Tijd voor iets nieuws?
Alle draken zijn daarna in de vuurkorf beland en zijn daarmee symbolisch verslagen, zoals Michaël zijn draak versloeg. Daar was moed voor nodig! Meteen warme drank en iets lekkers uit de oogstmand na afloop, zijn we nu écht onderdeel van deze mooie en bijzondere overgangstijd.
Artikel van ”mens en tuin”.

Het Beeld van Michaël door de tijden heen
Alice Woutersen

Michaël is een groot en machtig geestelijk wezen, dat de ontwikkeling van de mensheid begeleidt en behoedt. In dienst van Christus wijst hij de mens de weg naar de vrijheid, zodat de mens zijn Ik in zich kan dragen. Hij is de behoeder van de kosmische intelligentie, en vanuit die functie ziet hij toe op de ontwikkeling van het menselijke denken en begeleidt de ontwikkeling zo, dat de mensen de  mogelijkheid geboden krijgen niet te verharden en te verstarren. 

Wat dat inhoudt is voor ons mensen nauwelijks te bevatten. Wij kunnen hoogstens proberen een klein tipje van de sluier op te lichten en met een paar primitieve penseelstreken een beeld schilderen van de ontwikkelingsweg van de mens en van Michaël. Stamelend in de woorden van alledag zou het als volgt kunnen klinken: 

Heel lang geleden, zo lang dat wij mensen er geen voorstelling van kunnen maken, voelden geestelijke wezens (Goden, God) in zich de behoefte opkomen om bewustzijn te krijgen van iets dat in hen leefde: de Kosmische Liefde.
Nu weten wij mensen heel goed, dat je pas echt bewustzijn over iets kunt   krijgen, als je er afstand toe kunt scheppen, dat wil zeggen: ervan buitenaf   tegenaan kunt kijken.
De Geestelijke wezens besloten dan ook wezens te
scheppen, die ééns vanuit hun eigen innerlijk de Liefde zouden kunnen ontwikkelen. Zij besloten Mensen te scheppen. En alle geestelijke wezens die mee wilden doen, droegen hun steentje bij.
Dit proces duurde heel lang. De
mens leefde onbewust en nog geheel opgaand in de geestelijke wereld. De mens sliep als het ware en was één met de gedachten van God (Adam in het Paradijs). Maar het ogenblik kwam dat de mens moest ontwaken. Je kunt alleen ware en belangeloze liefde ontwikkelen als je vrij kunt zijn en ‘op je eigen benen staat’. De mens moest losgemaakt worden van de hem omringende geestelijke wezens. Een hoog geestelijk wezen nam de taak op zich  ‘tegenstandersmacht’ te worden en uit de kosmische harmonie te stappen. Op deze manier kon hij de  mens lostrekken van de goden, om zo de mogelijkheid te scheppen dat de mens zich tot een vrij wezen kon ontwikkelen. 

Er zijn vele verhalen waarin verteld wordt hoe Satanaël (Lucifer) uit de kosmische harmonie  verdreven wordt. Het is steeds Michaël die Satan (Lucifer) uit de hemel stoot. Vanaf dat moment is  Lucifer ‘tegenstandersmacht’ geworden en kan het werk, beginnen: de mens losmaken uit de  kosmische harmonie. 

In eerste instantie werken Lucifer en de geestelijke machten in zekere zin nog samen. Prachtig wordt  dit beschreven in de Noorse mythologie (Edda) waar Loki/Lucifer de goden nog helpt, maar na verloop van tijd gaat Loki alles in de war sturen en bewerkt ten slotte samen met zijn kinderen (o.a. de Fenriswolf) dat de goden voor de beleving van de mensen verdwijnen. Dan is de mens los van de goden. (‘God is dood’ beleven). Zou de mens werkelijk aan zijn lot overgelaten zijn, dan was het slecht met hem afgelopen. Als weerloos wezen was hij beland in de armen van de tegenstandersmachten. Hij zou geen vrijheid beleven en geen ware liefde kunnen ontwikkelen. 

Maar de geestelijke wereld liet de mensen niet alleen. Een heel hoog geestelijk wezen gaat met de mens mee: Christus noemen wij Hem. Hij is zo begaan met de mens, dat hij besluit in een aards mensenlichaam te incarneren. Op deze manier kan hij het mensenlichaam, met al zijn mogelijkheden en onmogelijkheden, zo doorwerken, dat hij juist die krachten kan ontwikkelen die de mens nodig  heeft om zich te bevrijden uit de omknelling van de tegenstandersmachten. Christus ontwikkelde deze krachten voor alle mensen: sinds het Mysterie van Golgotha draagt ieder mens deze krachten in zich. Deze Christusvonk kunnen wij in onszelf ontwikkelen en laten opvlammen, waardoor we in staat zijn ons doel te verwezenlijken: een vrij mens te worden die vanuit zichzelf de ware liefde ontwikkelt. Of wij deze kans gebruiken? Het is onze vrije keuze. In dienst van Christus werkt Michaël. Hij houdt de  mens steeds in het oog en blijft dicht bij de mensen. Hij wil de mens de mogelijkheden bieden, opdat hij niet verhardt in het dagelijks bestaan. Hij wil voorkomen dat het denken van de mens verstart. Zelf  is hij een en al goedheid en beweeglijkheid. 

Samenvattend: 

Doordat de tegenstandersmachten de mens losmaken van de goden en Christus de mens de nodige krachten schenkt, is de mens met behulp van Michaël in staat zijn vrijheid te ervaren en vanuit die vrijheid te leren denken met zijn hart, en zo uiteindelijk de ware onbaatzuchtige liefde te ontwikkelen. 

In het oude testament wordt duidelijk beschreven hoe de Satan de mens verleidt om te eten van de  vruchten van de Boom der kennis van goed en kwaad. De mens gaat zelf denken en daarmee begint  de afzonderings-val (=zondeval) van de mens. Het werk is begonnen. 

Langzaam maar zeker pellen de tegenmachten de mens los van de goden. Michaël is waakzaam en  behoedt de mens voor verharding. Hij begeleidt de mens.
Pas in de ‘na-Atlantische tijd’ begint de mens echt te denken; dit is dus na de zondvloed (Ark van  Noach), als door de grote watercatastrofe Atlantis ten onder is gegaan. Aangepast aan het  ontwikkelingsniveau van de mens schenkt Michaël beelden (voorbeelden) opdat de mens die deze  beelden in zich opneemt niet verzandt of verstart. De beelden tonen de mens waarnaar hij moet streven om werkelijk een vrij mens te worden. 

In de na-Atlantische tijd onderscheiden wij zeven cultuurperioden van ongeveer 2150 jaar, die elk zijn  verbonden met een sterrenbeeld van de Dierenriem, dat wil zeggen, het lentepunt tijdens de periode  in een bepaald sterrenbeeld staat. 

  1. De Oud Indische cultuurperiode 7227-5067 v.C. Kreeft 
  2. De Oud Perzische cultuurperiode 5067-2907 v.C. Tweelingen 
  3. De Babylonisch/Chaldeïsche/Egyptische cultuurperiode 2907-747 v.C. Stier
  4. De Grieks, Romeinse cultuurperiode 747 v.C.-1413 n.C. Ram 
  5. De Germaans/Angelsaksische cultuurperiode 1413-3573 Vissen 
  6. De Slavische cultuurperiode 3573-5733 Waterman 
  7. De Amerikaanse cultuurperiode 5733-7893 Steenbok 

In de Oud Indische Cultuurperiode leefden de mensen nog niet zo sterk verbonden met hun lichaam  als wij. Je zou beter kunnen zeggen: ze verbonden zich nog nauwelijks met hun fysieke lichaam, maar namen via hun etherlichaam de hen omringende wereld waar. Ze ademden de goddelijke gedachten als het ware in en uit en waren er één mee. De mogelijkheid om met het etherlichaam waar te nemen nam gaandeweg af en de zintuigelijke waarnemingen drongen zich steeds meer op, Dat wat men met de gewone zintuigen begon waar te nemen werd als storend en vijandig ervaren, als Maja (schijn), waarvan men zich beter verre kon houden. En diegene die dit beangstigende, deze ‘draak’, kon  verslaan noemde men Indra. In de Rigveda wordt dat als volgt verteld: 

“Hij die de in het gebergte wonende Sambara in het veertigste jaar opspoorde, die de van kracht  opgezwollen draak overwon, de Demon die daar ter neer lag, Hij, gij-lieden, is Indra.”
De wereld werd nog als heelheid ervaren, in tegenstelling tot de volgende periode.
In de Perzische Cultuurperiode was het niet meer mogelijk in het etherlichaam te leven en waar te nemen. De mens beleeft de wereld meer door zijn astraallichaam en zijn reacties op de waarnemingen. Hij gaat de wereld als tweeheid ervaren: licht-donker, onder-boven. Deze cultuur richt zich in eerste instantie op de buitenwereld en het dagbewustzijn. Achter het tapijt van de zintuiglijke wereld zag men het weven van geestelijke wezens en in samenwerking met deze wezens werden vanuit de mysterieplaatsen granen en dieren veredeld: uit gras werd graan gekweekt. Daar men dus erg naar buiten gericht was en in het dagbewustzijn leefde, kon men Michaël niet zo goed  waarnemen. Michaël kon zich in de voorchristelijke tijd alleen maar via het nachtbewustzijn openbaren. Wel ziet men reeds in deze cultuur het Christuslicht opglanzen. Ormuzd (Ahura Mazda) verschijnt als zonnegeest, omringd door dienaren, als vóór-beeld van Christus met zijn discipelen. Als  duistere macht verschijnt hier Ahriman. Zarathustra is de Grote Leider. 

Verdiepte men zich vanuit deze cultuur in de weg naar binnen, dan ontmoette de ingewijde daar de God Mithras: bemiddelaar tussen aarde- en lichtwereld, die de mens terzijde stond in zijn ontwikkeling. Deze Mithras-mysteriën kwamen pas goed tot ontwikkeling in de derde cultuurperiode, toen de zon in het sterrenbeeld van de Stier stond. De Mithrasdiensten werkten nog lang door, zelfs tot in de Romeinse tijd. Bekend is de afbeelding van Mithras op de stier; ook dit is een vóór-beeld. In die tijd stond de zon in het lentepunt in het sterrenbeeld van de Stier. Nu werken juist de levenskrachten en driften vanuit dit sterrenbeeld in op de aarde. Deze krachten werden in de lente sterk ervaren en het beeld van de stier werd tot beeld van de onbewuste (animale) mens. Deze stier moest overwonnen worden door de denkende mens. (de jongeling op de afbeelding draagt een frygische muts als teken van inwijding en denken) Mithras/Michaël geeft hier het beeld van de hogere mens, die het lagere moet overwinnen als vóór-beeld. 

In de Babylonisch, Chaldeïsch, Egyptische Cultuurperiode begint de mens zelf persoonlijk waar te nemen, is dus niet meer geheel ingebed in de groepswaarneming. Hij begint zijn eigen waarnemingsziel te ontwikkelen. Hierdoor begint de wereld voor de mens enigszins chaotisch te worden. In de Babylonische legende van Marduk wordt verteld hoe Marduk/Michaël de mens helpt orde te scheppen in deze chaos.
De tijd gaat voort; de tegenmachten krijgen steeds meer grip op de mens. Hij ervaart nog steeds zijn goden (geestelijke wezens), maar de beelden worden steeds vager en onduidelijker, of veranderen zelfs. Als dit zo door zou gaan, zou de mens loskomen van de geestelijke wereld en geheel in de armen van de tegenmachten belanden, zonder vrij te worden. 

Om te zorgen dat de mens wel een vrij wezen kan worden, gaat Christus met de mens mee, incarneert in een mensenlichaam. Dit moet voorbereid worden, en zo wordt het Joodse volk, dat afkomstig is uit Ur in Chaldea, uitverkoren om dit lichaam te ontwikkelen. Om dit proces te begeleiden  wordt Michaël, als ‘aangezicht van Javeh’, de leidende volksgeest (zie bv. het verhaal van Bileam). In  de literatuur zijn vele verhalen over Michaël en het Joodse volk. 

In de vierde na-Atlantische cultuurperiode, de Grieks-Romeinse, gaat de mens naast zelf waarnemen nu ook zelf voelen en denken. Naast de waarnemingsziel wordt nu ook de verstands-/gemoedsziel ontwikkeld. Door de eigen gedachten wordt ook de begeleiding van Michaël duidelijk. De geboorte van de goden-tweeling Apollo en Artemis kondigt als vóór-beeld de ontwikkeling van de  verstands-/gemoedsziel al aan. Zij zijn kinderen van Zeus en Leto (uit het geslacht der Titanen). Hera, de gemalin van Zeus, probeert op allerlei manieren deze ontwikkeling tegen te gaan, maar zelfs de verschrikkelijke draak Typhon kan dit niet verhinderen. Apollo/Michaël doodt de draak, zodat de  ontwikkeling verder kan gaan. Niet voor niets stond in het heiligdom van Apollo in Delphi de Spreuk:  “Ken U Zelf” in hoog aanzien. 

In onze tijd is Michaël tijdgeest; zo ook van 599 tot 245 v.C. dat wil zeggen dat dan zijn werking  duidelijk waarneembaar is. Onder zijn inspirerende invloed maakt de manier van denken een grote stap voorwaarts. 

Voorbeelden hiervan zijn o.a.: Gautama Buddha, Confucius, Pythagoras, Herakleitos, Socrates, Plato  en Aristoteles; maar ook de oudtestamentische profeten en Griekse kunstenaars en toneelschrijvers. Hoewel de mens de verbinding met het goddelijke nog zeer sterk voelde, probeerde men,  geïnspireerd door de geestelijke wereld, gedachten in een vorm of beeld te gieten. De werking van de gedachten van deze filosofen straalt nog door tot in onze tijd. 

In de vierde na-Atlantische periode vindt ook het Mysterie van Golgotha plaats. Jezus Christus overwint de dood en kan daardoor de mens de nodige krachten schenken om zich af te zonderen van de goden (zonder verloren te gaan) en vrij te worden. Vanuit deze vrijheid kan de liefde ontwikkeld worden en kan de mens bewust streven weer in harmonie met de kosmos te leven. Christus vernieuwt de mysteriën, dat wil zeggen: hij opent de weg voor ieder mens om zelf aan de slag te gaan dit hoge doel te verwerkelijken. 

Michaël, die steeds in dienst van Christus gewerkt heeft, kan na het Mysterie van Golgotha de mens ook via het wakkere dagbewustzijn inspireren. Michaël zal de mens nu verder moeten begeleiden in zijn denkproces. Eerst de weg tot in het zuiver natuurwetenschappelijke denken, en dan de bewuste weg naar het weer in harmonie met de kosmos denken. Zijn opdracht is de mens zo te begeleiden, dat de mens vrij wordt maar niet verhardt. De eerste zorg is dat de ziel van de mens (de ‘jonkvrouw’) niet in de macht van de draak komt. De tegenmachten loeren op elke mogelijkheid de mens van zijn doel af te houden. Een voorbeeld hiervan is het verhaal van Sint-Joris met de draak. In de Middeleeuwen wordt het beeld van Michaël met draak, weegschaal, of staf als het ware in de mens  geprent; overal duiken in deze tijd verhalen op hierover. 

En de ontwikkeling gaat verder… 

De vijfde na-Atlantische periode breekt aan: de Europese (Germaans-Angelsaksische) cultuurperiode. De natuurwetenschappen en de techniek komen tot ontwikkeling. Het is de tijd waarin de mens zijn bewustzijnsziel moet gaan ontwikkelen, dat wil zeggen: bewustzijn over de draagwijdte van je daden.  In deze periode kan de mens loskomen van God om daarna uit vrije wil de verbinding met de geestelijke wereld weer bewust te leggen. De mens moet zelf, uit vrije wil, het besluit nemen samen te werken met de geestelijke wereld. 

De Noors-Germaanse mythologie geeft daar een beeld van: Widar, de zoon van Odin (Wodan of Woen) gaat niet ten onder in de Godenondergang. Hij verslaat de Fenriswolf. Een leugenwolf: een  beeld voor datgene wat de waarheid verdraait en ons denken verhardt. Deze Fenriswolf wordt zo overweldigend, dat de Edda schrijft: “De Wolf Fenris trekt met opengesperde muil ten strijde; zijn  bovenkaak reikt tot aan de hemel en zijn onderkaak schuift over de aarde. Vuur laait uit zijn ogen en neusgaten.” Odin trekt ten strijde tegen de Fenriswolf, maar deze verslindt Odin.
En na de dood van Odin …komt Widar naar voren en zet één voet in de onderkaak van de wolf. Aan die voet heeft hij een schoen waarvoor men eeuwenlang gespaard heeft. Die is gemaakt uit de
stukken leer die de mensen uit hun schoenen snijden voor hun tenen en hielen. Daarom moet iemand  die de Asen wil helpen die stukken leer wegwerpen. Met één hand pakt hij de bovenkaak van de wolf  en scheurt zijn muil in tweeën en dat betekent het einde van de wolf. ” 

Wij mensen moeten Widar onze overschotskrachten schenken. Dat zijn dus niet de krachten die wij  gebruiken voor ons karma (schoenen zijn een beeld voor het lot, karma; vgl. de uitdrukking: ik zou niet  graag in zijn schoenen staan), maar juist krachten, zoals enthousiasme en inzet, die wij opdragen aan de geestelijke wereld. Deze overschotskrachten heeft Widar/Michaël heden ten dage nodig om de leugenwolf die rondwaart in o.a. wetenschap en media te lijf te gaan. En alleen wij mensen kunnen hem deze krachten schenken. 

Het beeld dat deze oude mythologie in de harten van de Europese mensen legde, was dus: wij  mensen moeten de Geestelijke wereld helpen het Boze te verslaan. Een prachtig beeld, dat we diep in onze ziel zouden moeten laten inwerken. 

Dit waren allerlei beelden die Michaël de mensheid gaf. Nu komt het erop aan dat de mens zelf het heft in handen gaat nemen. Worstelend op weg naar vrijheid, zoekend naar de Liefde en de bewuste  harmonie met de kosmos. 

Parcival laat ons zo’n weg zien, vele sprookjes vertellen erover. 

Faust toont dat de mens de duivel moet leren kennen en steeds moet streven. De Kleine Prins wijst erop dat je het kind in jezelf niet moet verliezen, want een kind kan onbevangen met zijn hart zien. 

Er zijn nog vele andere beelden. Het belangrijkste is dat we op weg moeten gaan. Op weg naar geestelijke ontwikkeling.
Zonnejaargroep 

Wat is de opdracht van Michaël, door Juul van der Stok 

Michaël wil de weg vrij maken van buiten naar binnen, van het hoofd naar het hart. Michaël wil de mens weer in gesprek brengen met de bovenaardse kosmos en hem weer burger maken van twee werelden.
Als zonnegeest wil Michaël het christendom in haar ware gedaante zichtbaar maken opdat de mensen het mysterie van Christus kunnen opnemen.
Sinds het begin van de zondeval moesten de goden zich steeds verder terugtrekken van de mens die uit het paradijs afdaalde in de duisternis.
Was het aanvankelijk zo dat de
goden hun wijsheid in de mens dachten, gaandeweg werd het kosmische denken mensen-denken.
Vanaf de negende eeuw
was de kosmische intelligentie geheel ter beschikking van de mensen.
Begrippen worden door de mens zelf gevormd en hebben steeds minder een bovenpersoonlijke kosmische oorsprong. In dit individualiseringsproces wordt het denken beperkt en steeds meer gericht op de zintuiglijk waarneembare wereld.
We zien hoe vanaf de vijftiende eeuw in de natuurwetenschap alles vast komt te liggen in maat en getal. Er ontstaat een materialistisch intellectualisme. De mens is tevreden met schaduwbeelden van de geestelijke waarheid die achter de materie verborgen blijft.
Michaël moet zich terughouden en
Ahriman heeft vrij baan om de mens in aardse wetten en bureaucratische netwerken te binden.
Toch moest dit abstracte, van de geestelijke realiteit losgemaakte denken ontstaan opdat de mens ooit een individualiteit zou kunnen worden die zich uit vrije wil tot de geestelijke wereld kan wenden.
Als Michaël in 1879 de heerschappij weer op zich neemt, is het de vraag of het  natuurwetenschappelijke denken, dat zoveel mensen gevormd heeft, weer aan Ahriman ontrukt kan  worden. Of het de mensen vanuit een omgevormd, doorlicht denken mogelijk is de wetenschap van de geestwereld op te nemen en weer in dienst te stellen van de ware doelen van de  wereldontwikkeling. 

Vlak voor zijn dood in 1925 schreef Rudolf Steiner indringend over Michaël: 

‘De mens moet de kracht vinden, licht te brengen in zijn ideeënwereld en die van licht doorstraald te beleven, ook als hij zich in zijn ideeënwereld niet op de verdovende zintuiglijke wereld richt. Door dit beleven van de zelfstandige – en in haar zelfstandigheid van licht doorstraalde – ideeënwereld zal het gevoel ontwaken bij de buitenaardse kosmos te horen. Daaruit zal de basis voor het feest van Michaël ontstaan’. 

In De Filosofie van de vrijheid van Rudolf Steiner, het eerste Michaëlsboek in het nieuwe Michaëlstijdperk, is een weg beschreven waarlangs je tot een begrijpen en ervaren kan komen van hoe je naast een denken met fysieke hersenen,  waarmee je eigen aardegedachten vormt, ook een levend denken hebt. Een  ‘ge-zon-d’ verstand waardoor de hersenen als waarnemingsorgaan bovenaardse gedachten kunnen opnemen en doorgeven naar het hart.
Michaël wil dit proces bevorderen en hoopt dat harten denkorgaan worden en weer gedachten krijgen. Hij wil leven in mensenzielen om de aards geworden kosmische intelligentie om te vormen tot levende mensengedachten.
We mogen hetgeen we in de afgelopen eeuwen met toenemend bewustzijn aan gedachten hebben ontwikkeld echter niet verwerpen, we kunnen deze gedachten doorlichten en ze weer een hart te geven.
Door het mysterie op Golgotha en de gebeurtenissen van Pasen, Hemelvaart en Pinksteren heeft  Christus zich met al het levende en werkende verbonden. Zijn intocht in de mens heeft het individuele Ik, waarvoor het hart de centrale woning vormt, gewekt voor Michaëls werk. We kunnen vermoeden hoe door een nieuw hartedenken een opstanding ontstaat van scheppende oergedachten, die ‘in den  beginne’ één waren met de logos, met Christus zelf. Dit levende denken kan het Christendom zijn ware vorm en werkzaamheid geven. Om deze weg te kunnen gaan is scholing nodig. Rudolf Steiner geeft daarvoor concrete wegen aan in zijn basiswerken en vele voordrachten. Objectieve waarneming speelt op deze weg een belangrijke rol zodat bijvoorbeeld waarheid of mening, waarachtigheid of onwaarachtigheid, werkelijkheid of schijn onderscheiden kunnen worden. Het verantwoordelijkheidsgevoel met betrekking tot waarheid en onwaarheid groeit en uit zich meer en meer in vreugde of pijn. 

Hartedenken is een sociaal denken.
We kennen allemaal wel de situatie, dat we na een intensief gesprek
even tijd nodig hebben ’om het te laten bezinken’, ‘het te laten zakken’, ‘om er een nachtje over te kunnen slapen’. Waarom? Omdat het hart mee wil denken en wil luisteren naar onverwachte antwoorden  die in ons innerlijk hoorbaar kunnen worden. Ons handelen verandert: we gaan de dingen dan ‘van harte doen’, ‘vanuit de grond van ons
hart’, ‘omdat ons hart het ons ingeeft’, ‘omdat het ons uit het hart gegrepen is’. Als we daarbij ‘Ik’ zeggen, wijzen we op ons                                Dorothea Smit
hart en niet
op ons hoofd. 

Stappen die de mens op deze weg zet, zijn bouwstenen voor Michaël die een brug wil bouwen tussen hemel en aarde. Van beide kanten kan deze brug bewandeld worden, waardoor er weer gesprek kan ontstaan. De goden kunnen de mensen weer bereiken en nemen dankbaar hun aarde-ervaringen op als leeftocht voor hun eigen verdere ontwikkeling. Zij krijgen daardoor de mogelijkheid het wereldplan verder uit te voeren. De aard en de kwaliteit van ons mensenwerk is van groot belang voor het verdere scheppingswerk.
Michaël wacht op mensendaden en richt zijn blik vooruit op godendoelen.  Het christendom in haar ware vorm leren begrijpen is Michaëls streven.
Zo kunnen wij het Michaëlsfeest als het eerste feest van de nieuwe jaarronde beschouwen. Door de  poort van het Michaëlsfeest krijgen alle christelijke feesten een nieuwe kleur en eigentijdse verdieping.

“Michaël, Sint-Maarten en Sint-Nicolaas zijn de 3 heiligenfeesten van de herfsttijd. Zij staan alle drie symbool voor innerlijke kwaliteiten die in de mensen kunnen groeien.
Michaël staat voor dankbaarheid, evenwichtigheid en de moed om een zuiver innerlijk te ontwikkelen door de juiste keuzes te maken. Sint-Maarten staat symbool voor de offerbereidheid en Sint-Nicolaas voor het kunnen geven en zelfreflectie.”
Van ” EverydayMommyday” 

Tradities op school en/of voor thuis afkomstig van ” EverydayMommyday” 

=Oogstsoep maken waarbij de kinderen al de groenten zelf mogen snijden.
=Broodzwaardjes of brooddraken bakken.
=Een riddergevecht houden.
=De tafel versieren met vruchten, korenaren en gekleurde bladeren.
=Haal de mooiste zonnebloemen in huis.
=Organiseer een spelletjesdag waar kinderen hun daadkracht, moed en evenwicht op de proef kunnen  stellen. Denk aan een evenwichtsbalk, geblinddoekt parcours, klimmen in een boom, ergens overheen springen, etc..
=Knutsel uit een dennenappel, een stukje draad en rood, oranje, geel crêpepapier mooie vurige zwierezwaaiers om mee rond te draaien. [beschrijving van de wipwapwaaiers staan verderop vermeld]
=Beplak glazen potjes met rood, oranje en gele zijdevloei en gedroogde bladeren. Zo ontstaan de mooiste kleine lichtjes voor in en rondom het huis. 
=In het Duits heten vliegers draken, daarom is het vliegers oplaten een geliefde traditie met het Michaëlsfeest. Je vlieger bedwingen vraagt als kind een hoop moed en kracht.
=Maak een mooie draak van een oude sok {zie “het zonnejaar” website].
=Maak een gevaarlijke draak van kastanjebolsters.
Kook hele maïskolven – heerlijk kluiven aan de kolven met boter, zout en peper. =Eet en verwerk nog alle bramen die te vinden zijn. Maak jam, eet bramen met scones of maak nog lekkere bramentaart. Bramen zijn volgens een oude Ierse legende niet meer te eten na het Michaëlsfeest. Toen de duivel (Lucifer) uit de hemel werd verjaagd, belandde hij in een braamstruik. Hij vervloekte de struik, zodat de bramen vanaf 29 september te bitter zijn om nog te eten. 

Een draak van kastanjebolsters
Bron: ‘Herfstversieringen’, Thomas Berger 


Materiaal

Kastanjebolsters
Cocktailprikkers
Kastanjebladeren
Rode besjes of rozenbottels 

Werkwijze
Zoek een aantal kastanjebolsters uit die nog helemaal dicht zijn. Eén bolster mag al iets opengaan, die gebruiken we voor de bek. Maak de bolsters met prikkers aan elkaar vast.
De afbeelding laat zien wat men verder nog kan doen om de draak er vervaarlijk te laten uitzien.
Het  spreekt vanzelf dat dit slechts een van de vele mogelijkheden is om een bolsterdraak te maken.

Zie ‘Mooie kastanje’ lied opvrijeschoolliederen

Michaëlsdag, een impressie… 

Bij het licht van een lantaarntje, zit ’s morgensvroeg in de kleutergang het appelvrouwtje haar appels te poetsen. Dan gaat de kleuterdeur open en kleuters en ouders komen binnen met in hun handen een mandje gevuld met herfst- en oogstproducten. De kinderen lopen verlegen lachend, of even stilstaand, langs het appelvrouwtje.
Dan komen de kinderen de klas binnen en wordt er voor het “oogstmandje” een plaatsje gezocht bij de “nieuwe” seizoenstafel.
De werktafels staan, gedekt en wel, klaar voor een herfstmaaltijd. De kleuters kijken de klas rond en zien aan het plafond prachtige herfstslingers hangen: “Die is van mij,  die hebben wij gemaakt….” 

Vrolijke en verwachtingsvolle gezichtjes, kinderen in afwachting van wat deze dag nog meer gaat  brengen. 

Alle mandjes staan, alle kleuters zijn binnen: we zingen Michaëls- en herfst liedjes, halen Zonnegroet [de klassenkabouter] uit bed, luisteren naar de vertelseltjes van een aantal kinderen en gaan op bezoek bij het Appelvrouwtje dat nog steeds aan het appeltjes poetsen is.  

De kleuters nemen aandachtig plaats en luisteren naar wat dit vrouwtje te vertellen heeft: over appels en appels plukken, we mogen een liedje voor haar zingen en als beloning krijgen wij een heerlijke, glimmend gepoetste appel mee de klas in: al zingend lopen we terug: 

In iedere kleine appel, 

Herfst, herfst wat heb je te koop….. 

De producten uit de meegebrachte oogstmandjes worden in de tijd die komen gaat zoveel mogelijk verwerkt tot jam, appelmoes, soep, pizza enz. door de kinderen zelf. 

In het oogstmandje zijn volgende eetbare producten gelegd:  

appels, peren, bessen, bramen, noten, pompoen, tomaatjes, courgette, uien, maar ook herfstproducten zoals eikels, kastanjes, oranje lampionnetjes, mooie bladeren enz. om de oogsttafel  mee te versieren. 

Behalve al dat lekkers uit de mandjes wordt er voor de kinderen een oogstbrood gebakken, gevuld  met noten, rozijnen enz. 

In deze tijd van het jaar worden volgende bakersprookjes verteld zoals:
Het huis zonder ramen en  deuren,
Pietertje appelpit,
De knol die niet uit de aarde wilde,
Masjenka en de beer.

29 september Michaëlsdag:
Oogstfeest:  

Wat is de wereld goed voor de kinderen: de seizoenstafel met meegebrachte mandjes van ieder kind, gevuld met voeding als appels, kastanjes, mais, prei enz. , worden  neergezet . 

Op de seizoentafel verder:
bloemen, pompoenen, herfstkettingen [die ook aan het plafond hangen in de

klas]..  Als kleuren: Donkergeel, oranje tinten, donkerbruin en goudgeel onder alle gaven.

 

Recept Brooddraak
• 500 gram bloem of meel (BD) (half bloem, half volkoren meel geeft de beste resultaten.)
• 10 gram zout
• 20 gram gist (bij meel 25 gram gist)
• Ca. 4 dl. water
• Eventueel ’n scheutje olie.

Bereiding
De gist met suiker en warme melk laten wellen.
Zout, en daarna het gistmengsel door het meel roeren.
Het deeg afmaken met het water en de olie.
Enige tijd kneden en daarna 1 uur laten rijzen op een warme plaats.
Ten slotte op een bemeelde plank of tafel de brooddraak vormen met een krent als oog.
Met een mesje vormgeven aan schubben, poten en bek.
Nog eens 15 min. na-rijzen,
Dan de voorverwarmde oven in, waar de draak zich kan opblazen.
Oven op no. 5 of 240° C. Baktijd 30 minuten.

Hoe ziet de brooddraak eruit?
Er zijn twee mogelijkheden:
1. In plat-reliëf (voor brooddeeg eigenlijk de beste manier).
2. In hoogstand, dus zittend rechtop (alsof je met klei bezig bent).
Bij meer kinderen zou je ieder kind zijn eigen draak kunnen laten
vormen! 

De herfst is het verzamelseizoen bij uitstek. Als de herfsttafel klaar is, spinnenwebben en eikelpoppetjes gemaakt, de pannetjes van het kinderkeukentje vol zitten  

met kastanjesoep en eikeltjesprut, dan is het tijd om eens een herfstslinger samen te maken.

In het artikel volgt nu ‘Het verhaal van de jongen met de vlieger’.
Dat staat op deze blog: Michaëlverhalen [10-5]

Vrouwtje Appelwang

“Lief klein vrouwtje Appelwang,
Waar kom jij vandaan?”
“Eerst hing ik boven in de boom,
Toen kwam Jan de Wind eraan.
Hij rukte en trok en duwde,
Ik zwaaide heen en weer.
Totdat, totdat mijn steeltje brak,
En ik viel op de aarde neer”…

In het artikel staat hier het liedje ‘In ied’re kleine appel’


Joris en de draak 

Heel lang geleden leefde er in een groot, diep meer een afschuwelijke draak. Meestal lag hij overdag op de bodem van het meer te slapen. En alleen dan durfden de mensen uit de stad naar het meer om water te halen. Maar soms kon de draak overdag niet slapen en dan kwam hij op klaarlichte dag uit het meer. De mensen bleven dan het liefst zo ver mogelijk uit de buurt van de draak. De draak was zo  groot, dat zijn brede staart de hele oever van het meer bedekte. Hij had scherpe tanden en enge groene ogen. Op mooie namiddag kwam een jongetje dat buiten de stadspoort had gespeeld heel  hard de stad binnen hollen. “De draak is uit het meer!” riep hij, “Hij loopt richting de stad”. De  poortwachters sloten direct met een grote klap de zware houten deuren van de stadspoort en alle  mensen barricadeerden vlug de deuren en ramen van hun huizen. 

Het werd avond, de mensen hoorden de draak aankomen over de weg naar de stad. Zijn brede staart schuurde over de keien en de grond trilde. Toen de draak bij de stadspoort stond en hij ontdekte dat deze dicht was, blies hij woedend vlammen uit zijn neusgaten. Enkele ogenblikken later stond de stadspoort in vuur en vlam. Het duurde dan ook niet lang voordat de stadspoort tot de grond toe was afgebrand. De draak liep langzaam door de stad en gluurde door de dichte ramen naar binnen. De  vrouwen en kinderen begonnen angstig te gillen en de mannen waren zo bang dat ze zich verstopten. “De draak heeft vast honger,” fluisterden de mensen tegen elkaar. “Hij is op zoek naar eten.” Een paar  mensen die niet meer op tijd bij hun huizen hadden kunnen komen, stonden angstig tegen de muren van werkplaatsen gedrukt. Maar de draak deed geen enkele moeite om hen te pakken. Hij brulde één  keer heel hard en blies weer vuur uit zijn neusgaten. Toen keerde hij om en liep terug naar het meer.

De volgende morgen liet de koning de verstandigste man van het land bij zich komen, zijn naam was Balder. “Weet u waar de draak naar op zoek is?” vroeg de koning. “De draak is op zoek naar het  mooiste meisje van de stad,” zei Balder. “En als hij haar gevonden heeft, zal hij haar opeten.” De  koning schrok heel erg. Want hij wist dat het mooiste meisje van de stad zijn eigen dochter, prinses Elin, was. “Ik kan haar toch niet laten opeten door de draak,” dacht de koning wanhopig.
De volgende  nacht kwam de draak weer naar de stad. En nu zette hij een rij huizen in brand. En na zijn  angstaanjagende ronde vertrok hij weer naar het meer. De mensen gingen de volgende dag naar het  paleis van de koning. “U moet uw dochter aan de draak geven,” zeiden ze. “Anders zal hij de hele stand afbranden.” De koning wist dat er niets anders op zat dan de prinses aan de draak te geven. En zo werd de ongelukkige prinses buiten de stad vastgebonden aan een paal. 

Later op de dag kwam de draak weer uit het meer. Hij zag de prinses al vanuit de verte staan en liep langzaam haar richting uit.
Maar op datzelfde moment kwam er een ridder te paard aanrijden. De ridder stopte bij het meer en liet zijn paard drinken. Het was ridder Joris en hij was de dapperste man van het land. Toen zijn paard genoeg had gedronken reed hij verder richting stad. En daar zag hij de draak, die inmiddels vlak bij de prinses was. De prinses beefde van angst. Ze kon de hete adem van 
het afschuwelijke beest op haar gezicht voelen. De ridder spoorde zijn paard aan en reed in  razendsnelle galop naar de draak. “Stop!” schreeuwde hij. “Ik ben Joris, de dapperste ridder van het  land. Je zult de prinses niet krijgen, voordat je met mij hebt gevochten.”
De draak draaide zich  woedend om. Hij blies vuur uit zijn neusgaten, maar het harnas van ridder Joris beschermde hem tegen de vlammen. Joris liet het vizier van zijn helm zakken en stormde met zijn lans gericht op de  draak af. Maar de draak beet de lans doormidden. Hij greep Joris beet met zijn grote klauwen en trok hem van zijn paard. Toen pakte Joris zijn bijl. Hij sloeg ermee naar de plaats waar hij dacht dat het hart van de draak zou zitten. Maar de draak had geen hart en de bijl brak in wel twintig stukken. Daarna gaf de draak Joris zo’n klap met zijn staart dat hij languit op de grond viel. Joris krabbelde  overeind, gaf niet op en trok vol moed zijn zwaard. Hij stormde op de draak af en stak het zwaard  recht in de buik van de draak. Het afschuwelijke monster brulde van woede en pijn en viel toen met een klap achterover. Zijn grote klauwen staken in de lucht. Joris trok zijn snel zwaard uit de buik van de draak. Hij hief het opnieuw omhoog en sloeg met één klap de kop van het afschuwelijke monster af. De draak was dood.
Toen de mensen begrepen dat de draak dood was, kwamen ze nog  nasidderend van angst hun huizen uit. De poortwachters die vanaf de stadsmuren het gevecht  hadden gevolgd, klapten en juichten van blijdschap.
Joris bevrijdde de prinses en hand in hand liepen ze naar het paleis.
Wat was de koning gelukkig toen hij zijn dochter terugzag. “Je hebt het leven van  mijn dochter gered,” zei hij tegen Joris. “Je mag wensen wat je wil.” Joris hoefde daar niet lang over na te denken. “Ik wil graag met uw dochter trouwen,” zei hij tegen de koning. En al de volgende dag trouwde Joris, de dapperste ridder van het land, met prinses Elin, het mooiste meisje van de stad.

Dan volgt het liedje ‘Langs een groen molentje’.

Alle jaarfeesten op een rijtje – Antroposofisch Leven
Het Zonnejaar
Draaidraakje – Antroposofie en het Kind (antroposofiekind.nl)
29 september – Het Michaëlsfeest, door Hans Stolp (nieuwetijdskind.com)
Waarom vieren we het hele jaar feesten? – (everydaymommyday.com)

Boeken:
Het hele jaar feesten
Leven met het jaar
Het jaar rond
Door het jaar heen
Van winterdans tot zomerkrans
Boekjes van Hennie de Gans -Wiggermans

Liane Collet Herbois

Wellicht zijn alle draken in ons leven
Uiteindelijk prinsessen
Die er in angst en beven
slechts naar haken
Ons eenmaal dapper en
schoon te zien ontwaken.
Wellicht is alles
wat er aan verschrikking leeft
In diepste wezen wel niets anders
dan iets
Wat onze liefde nodig heeft.

Rainer Maria Rilke

Hans Stolp 

“Over de weegschaal en de pest… 

Overigens wordt Michaël niet alleen afgebeeld met de draak onder zijn voeten, we komen hem op afbeeldingen regelmatig ook tegen met een weegschaal in de hand. De weegschaal is natuurlijk het attribuut van vrouwe Justitia en dus van de rechtspraak en symboliseert daarmee ons geweten. Het beeld van de weegschaal vraagt van ons, in onszelf af te wegen wat juist is, en wat niet juist is; wat respectvol is en wat kwetsend is; wat waar is, en wat niet waar is. Ook met dit beeld wil Michaël ons leiden van de sfeer van ons ego naar de sfeer van ons hoger zelf, ofwel van onze innerlijke Christus. In het verleden werd wel gezegd: vind je het moeilijk om écht, vanuit je hart, mee te leven met een ander, roep dan Michaël aan, en hij zal je helpen om te groeien in de kracht van het ware meeleven.
Hetzelfde geldt voor het beoefenen van geduld: heb je daar moeite mee, vraag dan Michaël om hulp.  Zo hebben de mensen door de eeuwen heen intensief met Michaël geleefd: hij was voor hen werkelijkheid, en zij leefden net zo onbevangen met hem, zoals je met vrienden en vriendinnen samenleeft. Daarom zie je nog overal afbeeldingen van hem, en niet alleen in boeken of op iconen: zo vinden we hem in Amersfoort bijvoorbeeld meer dan levensgroot afgebeeld op de zijgevel van de Michaëlschool. En daarom wordt er ook in vele legenden over hem verteld. 

Van paus Gregorius de Grote (een bijzondere paus, met een groot, natuurlijk gezag) wordt bijvoorbeeld verteld dat hij tijdens een pestepidemie de aartsengel Michaël zag, vliegend in de lucht. Daarbij mocht paus Gregorius echter ook zien, hoe Michaël op een gegeven moment zijn vlammende zwaard in de schede stak. Op dat moment was de pestepidemie meteen voorbij! In deze legende zien  we, hoe Michaël ons redt van de ondergang. Alweer: een typerend beeld voor wat de aartsengel  Michaël ook in deze tijd komt doen! 

Overigens, Michaël is niet alleen een aartsengel die in het Jodendom, het Christendom en de Islam  vereerd wordt. Ook in andere religies wordt hij vereerd, zij het onder andere namen. In Babylonië  werd hij bijvoorbeeld Mardoek genoemd, in Griekenland Apollo, in Egypte Anubis en in de Rigveda  (de oude heilige Indische boeken) wordt hij Indra genoemd. We hebben in Michaël dus te maken met  een groot geestelijk wezen dat in de meeste religies gekend en vereerd werd en wordt! “ 

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

2838-2663

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – op andere sites (56)

.

michaël op andere sites

.

Op ‘Every day mommyday veel over  Michaël.
Bijv. gezongen Michaëlsliederen

Op ‘Vrije Opvoeding
Enkele achtergronden en recept van brooddraak

Op Tineke’s doehoek
Achtergronden, knutsels, spelletjes, vliegeren en meer

Op ‘Odin
Herfstbeschouwing en bespiegeling over o.a. ‘moed’.

Op ‘Natuurwijze
Beschouwing over ‘moed’

Op ‘Kinderopvang De geheime tuin
Achtergronden; wat kun je in de verschillende klassen doen.

Op ‘Catharijneverhalen’
Pelgrimstekens van de Aartsengel Michaël.

Op ‘Antroposofisch leven
Achtergronden; wat kun je met jonge en oudere kinderen doen.

Op ‘Antroposofie en het kind
Beschouwing, achtergrond, tekeningen.

Op ‘Pagan ouderschap
Een lange lijst boeken voor kinderen.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

2837-2662

.

.

.

VRIJESCHOOL – Michaël (55)

.
Thomas Meyer, Weledaberichten nr. 163 sept. 1994
.

HET KWADE ALS BEWUSTZIJNSVRAAG

.

Een Michaëlsmotief in het oude Indië

.

Michaël, de overwinnaar van de draak, verschijnt in de geschiedenis van de mensheid onder uiteenlopende namen bij bijna alle culturen op aarde. Bij de oude Indiërs bijvoorbeeld als de oppergod Indra (die ook de heerser was over het luchtelement).

Uit het (bekende) beeld van Michaël die de draak doodt, wordt duidelijk dat het de speciale opgave van Michaël is om het kwade in de wereld te bestrijden. Tegenwoordig moet deze strijd vooral met het wapen van het inzicht gevoerd worden.

De hedendaagse mens zal de machten van het kwade alleen kunnen beheersen, wanneer hij zich een duidelijk inzicht in het kwade eigen maakt. Hoe actueel deze opgave ook is, toch vinden we haar al beschreven en opgelost in de vertelling van Nala en Damayanti – een vertelling die, net als de bekendere Bhagavad Gita, in het grote epos van de Mahabharata is ingevoegd.

Nala, de koning van het rijk der Nishaden, is op een dag niet zo oplettend bij het uitvoeren van een gebeds- en wasritueel. Door de poort van deze kleine onoplettendheid glipt Kali, de demon van het dobbelspel, bij hem binnen en neemt bezit van hem. Nala verspeelt al spoedig zijn kroon, zijn rijk en zijn aanzien, en bijna zijn geliefde Damayanti. Leed, waanbeelden en scheiding van vrouw en kinderen zijn het gevolg. Zonder herkend te worden en onder een andere naam, vervoegt Nala zich ten slotte aan het hof van een vreemde koning. Nala leert hem de koetsierskunst en in ruil daarvoor schenkt de koning hem zijn wonderbaarlijke kennis der getallen. Wie deze kunst beheerst kan bij voorbeeld in één oogopslag zien hoeveel bladeren of vruchten eraan een boom zitten.
Op het moment dat Nala deze kunst beheerst, verliest Kali, de demon van de dobbelcijfers, onmiddellijk al zijn macht over hem. Het gelijke wordt door het gelijke uitgedreven: de werkzaamheid van de getallen door de kennis van de getallen.
“En toen hij de kunst der getallen op deze wijze beheerste” zo meldt ons deze vertelling, “verliet de kwade dobbelgeest Kali zijn lichaam, voortdurend gif spuwend.
Toen week uit Nala het betoverende vuur van Kali.”

Nala hervindt zijn gemalin en wordt weer in zijn oude waardigheid als koning hersteld. En opnieuw rust de zegen van Indra, de oppergod, op het paar.

Zo wijst dit Oud-Indische Michaëlsgedicht ons al op het feit dat elke strijd tegen het kwade van deze tijd, als een strijd om het inzicht moet worden gevoerd. Dat alleen een overwinning van het inzicht een ware overwinning over het kwade kan brengen.

.

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

.

2836-2662

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-15)

.

Duitse legende

.

Michael en de twijfelende kluizenaar
.

Een kluizenaar werd door twijfels aan de rechtvaardigheid van God, overvallen en hij wilde erop uitgaan om die rechtvaardigheid te zoeken.
Hij liet zijn hut en het stille bos achter zich en begaf zich op weg.
Toen kwam er een jongeman bij hem lopen, en ze reisden samen.

Tegen de tijd dat het nacht werd, kwamen ze bij een slot waar ze vriendelijk werden ontvangen.
Toen ze ‘s morgens verder liepen, haalde de jongeman een beker te voorschijn die hij in het slot had gestolen.

De tweede nacht brachten ze door bij een gierigaard. ’s Morgens bij het afscheid gaf de jongeman hem de beker ten geschenke.

Ze liepen het dorp door en de jongeman — van wie de kluizenaar inmiddels bang begon te worden — ging een armoedig huis binnen en eiste te drinken. Nauwelijks hadden ze het dorp achter zich gelaten of het huis ging in vlammen op en brandde af.

Vervolgens haastten ze zich naar het gebergte. Uit een eenzame hut klonk gejammer en geweeklaag. Ze zagen treurende ouders bij een ziek kind zitten. Meteen bereidde de jongeman een drank, gaf die aan het kind, en dat stierf ogenblikkelijk.
Toen schrok de kluizenaar en hij aarzelde of hij de verdachte jongeman nog wel verder zou volgen. Die had echter de vader van het kind als gids aangenomen.
Maar de kluizenaar werd door woede overmand toen hij zag dat die ontzettende reisgenoot de gids van de eerste de beste brug in de afgrond stortte.

De jongeman ontkwam aan zijn toorn en veranderde in de aartsengel Michaël.

‘Je hebt,’ zo zei hij, ‘geprobeerd achter de rechtvaardigheid van God te komen, en je hebt er nu iets van gezien.
De beker die ik die goede man ontstal was vergiftigd, en de gierigaard zal er het loon voor zijn zonden in vinden.
De arme mensen van wie ik het huis aanstak, zullen het weer opbouwen en in het puin zullen ze een schat vinden.
Het kind dat ik van de aarde wegnam, zou zijn opgegroeid als een misdadiger en zondaar, want zijn vader, die ik in de afgrond stootte, was een moordenaar en een rover.

Zo is voor God soms rechtvaardig wat in de ogen van een mens onrechtvaardig lijkt.’

Toen ging de kluizenaar terug naar zijn kluis en was van al zijn twijfels genezen.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2835-2661

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer(6-4/3)

.

Evenals andere artikelen in de reeks ‘7e klas voedingsleer’ gaat dit niet direct over de periode. Er zal soms over ‘de elementen’ gesproken (moeten) worden.
Daarom zijn de artikelen daarover hier bij elkaar gehouden, al zouden ze ook elders geplaatst kunnen worden.

.

Joop van Dam, Weledaberichten nr. 168 voorjaar 1996
.

OVER DE lucht

.

De lucht die we in- en uitademen is deel van de grote luchtmantel die de aarde omvat. Deze luchtmantel is één samenhangend luchtorganisme: wat op één plaats gebeurt, heeft gevolgen voor het geheel. In het klein kun je dat bijvoorbeeld zien als de voordeur open gedaan wordt: dan kan het zolderraampje dichtklappen door de tocht. Warme en koude lucht ontmoeten elkaar en daardoor ontstaan luchtwervels. Deze luchtwervels (stromingen) bewegen zich van boven naar beneden en van beneden naar boven, en op grote hoogte worden ze door de zogenoemde straalstromen gepakt en over de aardbol van west naar oost vervoerd. Die bewegingen zien we op de weerkaart. Door het weer zijn wij ons bewust van het luchtorganisme.

Wat is karakteristiek voor de lucht? In de eerste plaats de hierboven beschreven beweging. Stenen liggen stil, water wordt (door de wind of de zwaartekracht) bewogen, maar de lucht beweegt uit zichzelf. Daarnaast zien we hoe de lucht zich uitbreidt van de aarde weg, gevolgd door een samentrekkende beweging, weer naar de aarde toe. Het is een ademende beweging. Daarom wordt de lucht om de aarde heen ook atmo-sfeer genoemd: de adem-sfeer. Hoge en lage druk, spanning en ontspanning treden op.

Deze eigenschappen van de lucht zijn ook karakteristiek voor alle wezens die een binnenwereld – een ziel – hebben. Dieren en mensen bewegen, wat planten en stenen niet doen. En ze kennen het optreden van spanning en ontspanning, zowel in de ziel als in het lichaam. Inademen geeft kracht en spanning aan de spieren, uitademen ontspant. In sympathie ademen we uit naar de wereld, bij antipathie trekken we ons in onszelf terug. Bij schrik ademen we snel in en als alles ten slotte meevalt, slaken we een zucht van verlichting. Overal waar de ziel in stress raakt, treedt een grotere spanning op: bijvoorbeeld een hoge bloeddruk, kramp van de luchtpijp of van de darmen. Bij echte ontspanning van de ziel ontkrampt ook het lichaam.

De lucht buiten is zo onberekenbaar als het weer, je hebt er geen invloed op. Het woord ‘gas’ voor de luchtvormige toestand van stoffen, komt van het Griekse woord chaos: iets waar nog geen vorm in is geschapen. De lucht binnen is wel te beïnvloeden. De mens kan zijn innerlijke weer regelen. Je kunt af en toe met een hartig woord je gemoed ‘luchten’. Ook is het mogelijk voor korte momenten wat windstilte in de ziel te scheppen, of er aan te werken dat door nieuwe ideeën een frisse wind door je dagelijkse bezigheden waait. Zo’n bewuste omgang met de lucht werkt gezond. 

.

aarde [6-4/1]  water [6-4/2]   warmte

7e klas voedingsleeralle artikelen

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2834-2660

.

.

.

.