VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-14)

.
Bulgaarse vertelling.

De boer en de aartsengel Michael

.
Er was eens een arme boer. Hij had zich met een meisje verloofd en wilde trouwen, maar ze hadden geen getuige. Daarom ging hij op pad, vastbesloten om daar  alleen maar een eerlijk mens voor te kiezen.
Toen ontmoette hij Christus en deze groette hem met de woorden: ‘God moge u bijstaan!’
‘God zal ons genadig zijn,’ antwoordde de boer op die groet.
‘Waar ga je heen?’ vroeg Christus.
‘Ik ben op zoek naar een verstandig iemand als getuige voor mijn bruiloft.’
‘O, wil je mij niet nemen?’

‘Wie ben je dan, en wat doet je?’ vroeg de boer.
‘Ik ben Christus.’
‘Christus, nee, die wil ik niet. Als Zoon van God ben je zelf een God geworden en net zo onrechtvaardig als hij. Aan de een schenk je rijkdom, de ander slechts honger. Hoe kan iemand iets goeds willen als hij zoveel onrecht toelaat? En juist daarom wil ik je niet als getuige,’ zei de boer en ging zijns weegs.

Het duurde niet lang of hij kwam de heilige Petrus tegen. Ook deze groette hem en vroeg hem waar hij heen wilde. Toen vertelde de boer dat hij op zoek was naar een getuige bij zijn huwelijk, waarop ook Petrus zich als zodanig aanbood. Maar nauwelijks wist de boer wie hij was tegengekomen of hij antwoordde: ‘Nee, u wil ik niet, heilige Petrus. Per slot bent u het die de sleutel tot het paradijs bewaart. De een laat u binnen, de ander niet. Vindt u dat soms rechtvaardig?’

Uiteindelijk ontmoette hij de aartsengel Michael, die hem groette: ‘Moge God u bijstaan, broeder!’
‘U evenzeer,’ antwoordde de boer en zei: ‘Ik zoek een getuige voor mijn bruiloft, maar ik wil daar alleen maar een rechtschapen mens voor nemen.’
‘Neem mij.’
‘Wie ben jij dan?’ vroeg de boer en bekeek de aartsengel indringend van top tot teen.
‘Ken je mij niet? Ik ben de aartsengel Michaël.’
‘Aha, hij die de zielen van de mensen komt halen. Ja, u bent voor mij de juiste, u zal ik nemen, want u bezoekt ieder mens en neemt zijn ziel.’

Zo werd de aartsengel Michaël getuige bij het huwelijk van de arme boer.
Na het trouwfeest zei de aartsengel tot de bruidegom: ‘Je hebt mij gekozen en mij daarmee eer bewezen. Daarom zal ik je als dank dit flesje water schenken. Het zal je rijk maken, zodat je voortaan niet arm meer hoeft te zijn.’
‘Hoe zou ik door een waterflesje rijk kunnen worden?’ vroeg de boer verwonderd.
‘Met dit flesje kun je genezen. Zodra je een zieke met een paar druppels besprenkelt, zal die beter worden en je daarvoor belonen. Zo zal je een beroemde arts worden en een vermogen verwerven.’

De boer kon eenvoudigweg niet geloven dat een paar waterdruppeltjes genoeg zouden zijn om zieken weer gezond te maken, en dus vroeg hij de aartsengel nog een keer: ‘Hoe kan dat water elke ziekte genezen?’
‘O, dat is heel eenvoudig. Als je er een zieke eenmaal mee hebt besprenkeld, kom ik zijn ziel gewoon nog niet halen. Hij zal blijven leven en beter worden.’

Na deze woorden nam de aartsengel afscheid en vertrok.
De boer genas alle mogelijke ziekten zoals de aartsengel het hem had gezegd. Al gauw deed het verhaal van zijn geneeskrachtige gaven in heel het land de ronde, en het duurde niet lang of de arme boer was een vermogend man geworden.

Na enige tijd kwam hij op het idee om zijn huwelijksgetuige van toen, als gast uit te nodigen.
De aartsengel kwam en later vroeg hij de man voor een tegenbezoek. De boer was daar blij mee en zocht de aartsengel op. Zijn gastheer leidde hem eerst door een paleis dat op dat van de tsaar leek, daarna door een nog mooier — alle wanden waren van goud en edelstenen.
Ten slotte kwamen ze in een grote ruimte die volstond met brandende kaarsen. Het waren heel grote kaarsen, en zoals ze daar bij elkaar stonden was het net een bos. Sommige waren zo hoog als populieren, waarschijnlijk net aangestoken, andere daarentegen waren al half opgebrand en van weer andere was er nog slechts een gloeiend stompje over.
Heel verbaasd over wat hij zag, vroeg de man aan de aartsengel Michael: ‘Wat hebben al die kaarsen te betekenen? Waarom zijn sommige helemaal nieuw, terwijl andere half en weer andere helemaal opgebrand zijn?’
De aartsengel antwoordde: ‘De hoge kaarsen zijn van de kinderen die pas geborenen zijn.
De half opgebrande horen bij de mensen die de helft van hun leven hebben bereikt.
Die bijna zijn opgebrand zijn van de mensen van wie leven spoedig ten einde is. Zodra er een dooft, haal ik de ziel van de mens weg aan wie die kaars toebehoorde.’ ‘Zegt u mij alstublieft, welke kaars van mij is,’ vroeg de man benauwd.

Toen wees de aartsengel op een kaarsstompje dat weldra voor het laatst zou opflakkeren.
Geschrokken wilde hij nu ook de kaars van zijn eigen kind zien, dat pas onlangs was geboren. Maar die was hoog als een populier, er was nauwelijks iets van opgebrand.
‘Wat een groot verschil met de mijne,’ dacht de boer en vroeg: ‘
Beste aartsengel, kunt u op de een of andere manier mijn kaars ruilen voor die van mijn kind? Geef hem de mijne en mij gewoon die van hem.’ 

‘Waarom heb jij ooit een rechtvaardig mens als huwelijksgetuige willen hebben, als je zelf zo onrechtvaardig bent?’ vroeg de aartsengel Michael nijdig en vervolgde toen:
‘Jij wil de kaars van je eigen kind, dat net geboren is, en je wil hem jouw kaars daarvoor in de plaats geven? Moet die pasgeborene dan nu al sterven, alleen omdat jij, die al zo lang leeft, nog langer kan leven?’

Boos joeg de aartsengel Michael de boer zijn rijk uit en slechts enkele dagen later kwam hij zijn ziel halen.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2833-2659

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-13/2)

.
Albanees sprookje
.

Lucifer verwondt Michaël aan zijn voet
.

De wereld was vierduizend jaar lang verduisterd geweest. Dat kwam omdat Lucifer de zon opgesloten had.
Toen besloot de goede God boven in de hemel om Lucifer met hulp van de heilige Michaël een poets te bakken, om Lucifer de zon weer te ontfutselen.

De heilige Michaël en ook Lucifer waren in die tijd herders. Beiden hadden de gewoonte de eigen kudde te hoeden op een grazige weide. De heilige Michaël kwam Lucifer tegen en hij zei tegen hem: ‘Zullen we niet eens een bad nemen in dat water daar? Voor ons lijf is het toch heel verkwikkend om rond deze tijd te baden.’
Maar Satan doorzag Michaëls list en zei tegen hem: ‘Ik weet best waar je op uit bent! Houd je maar rustig! Onder het mom van een bad wil je mij de zon afhandig maken. Als je me in naam van de hoogste God kan zweren dat je de zon niet van mij af zal pakken, zullen we gaan baden!’
De heilige Michaël antwoordde: ‘Wees zo goed even te wachten, dan ga ik God hierboven vragen of ik dat mag of niet!’

De heilige Michaël sloeg zijn vleugels uit in de richting van de hemel, kwam daar vliegensvlug aan, ging voor God staan en sprak tot hem: ‘Geeft u mij toestemming om in uw naam een eed af te leggen waarbij ik zweer dat ik de zon niet van Lucifer zal afpakken? Op een andere manier krijgen we het niet voor elkaar! Want hij is een oude vos en had de streek die ik hem wilde leveren meteen door. Als u, Majesteit, mij nu toestaat die eed af te leggen, dan hoop ik geluk te hebben en mijn taak te kunnen volbrengen.’

De goede God antwoordde: ‘Je mag het. Maar zacht, zonder dat hij het hoort, moet je eraan toevoegen: “Geloofd zij de Gezegende”.’

Toen vloog de heilige weer omlaag. Bij Lucifer gekomen zei hij tegen hem: ‘Heb je nog bedacht of we al dan niet in het water zullen gaan?’ Lucifer zei: ‘Zoals ik al heb gezegd. Zweer je me in naam van de hoogste God dat je de zon niet van me af zal pakken, dan neem ik met het grootste genoegen een bad!’
‘Zo waar ik God de Vader wil zien,’ zwoer daarop de heilige Michaël, ‘ik zal je hem niet ontfutselen. Wees maar niet achterdochtig, zet die gedachte maar uit je hoofd!’
Terwijl hij die eed aflegde in naam van de Allerhoogste, zei hij zoals God hem had opgedragen: ‘Geloofd zij de Gezegende!’

Nu liepen ze samen naar de rivier, kleedden zich uit om zich in het water te gaan baden.
Lucifer was het eerst klaar en sprong — plons! — in het water. De heilige Michaël volgde hem, trok toen een spriet uit van het moerasgras dat daar aan de oever groeide en zei tegen Satan:
‘Wie van ons zou de dikste hals hebben, jij of ik?’
En Satan antwoordde hem: ‘Ik!’
Daarop zei de Michaël: ‘Dat is niet waar! De mijne is het dikst!’
‘Dat kan niet waar zijn!’ zei de ander. ‘Heb jij dan geen ogen in je hoofd om te kunnen zien hoe dik mijn hals is!’
‘Laten we dat dan maar eens meten!’ zei de heilige Michaël.
En hij de nam de halm rietgras en legde die om Lucifers hals alsof hij die wilde meten. Maar op hetzelfde ogenblik veranderde de halm in een ketting. Nu maakte Michaël zich licht en vloog op de oever af, waar Lucifers zon in een bosje was verstopt. Hij tilde de zon en steeg ermee omhoog.

Satan spande zich in om de zware keten die hij om zijn hals droeg te verbreken. Pas na langdurige moeite lukte dat. Intussen had de heilige Michaël al een voorsprong opgebouwd. Maar nu zette Satan de achtervolging in. De heilige Michaël was al in de hemelse sferen aangekomen. Hij had zijn doel echter nog niet helemaal bereikt en de drempel van het paradijs nog niet betreden, toen Lucifer hem had ingehaald. Die klemde zich vast aan zijn hiel en rukte de heilige een stuk uit zijn voet.

Maar niettemin kwam Michaël als winnaar uit die wedstrijdvlucht te voorschijn. Hij ging voor de Heer staan en zei tegen hem: ‘Ik heb hem de zon afhandig gemaakt! Maar wat koop ik ervoor? Hij heeft me zeer zwaar aan mijn voet verwond. En ik geloof niet dat ik het nog lang maak!’
‘Maak je daar nu maar geen zorgen over,’ zei de Almachtige, ‘want ik zal je genezen.
Maar ik bepaal hierbij wel, dat ieder mens met die verminking ter wereld zal komen!’

Sindsdien hebben alle mensen, als ze tenminste geen platvoeten hebben, een holte in hun voetzool.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2832-2658

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-7)

.
Marjolein Wolf, Weleda Puur kind nr.16 najaar 2005

.

Hoe wordt je kind een gezonde fijnproever?

.

Je wilt het beste voor je kind, ook op het gebied van voeding. Iedereen weet inmiddels dat het niet goed is om veel te snoepen en vet te eten, maar zeker voor een kind is het niet gemakkelijk om nee te zeggen tegen al dat lekkers. Hoe krijg je het als ouder voor elkaar dat je kind zelf het evenwicht in de gaten houdt?

Als er één thema hot is, dan is het wel overgewicht bij kinderen. In de Verenigde Staten is het inmiddels een serieus probleem en ook in Nederland stijgt het aantal kinderen dat te dik is. Tegelijkertijd groeit het aantal ouders dat hun kinderen juist verantwoord wil voeden. Een goede zaak natuurlijk, maar hoe doe je dat? Als je je kind gezonde keuzes wilt leren maken, merk je dat er heel wat factoren zijn die een rol spelen bij voeding: winkels die vol liggen met snoep (vooral bij de kassa waar je hoe dan ook samen langs moet); opa’s en oma’s die niets liever willen dan hun kleinkind verwennen (en dat mag natuurlijk ook) en leeftijdgenootjes die met excessief leuke broodtrommeltjes op school of kinderdagverblijf verschijnen.

Tegen brood en vóór patat

Bij het begeleiden van je kind naar een gezond voedingspatroon is het zaak met al deze factoren rekening te houden.

Het lijkt misschien gemakkelijk om te beslissen dat je je kind gewoon geen suiker of geen vlees en vettigheid wilt geven, maar een absoluut nee tegen bepaalde voedingsmiddelen brengt een risico met zich mee. Onbekende of verboden zaken hebben een grote aantrekkingskracht. Het is niet ondenkbaar dat een kind zodra het zelf gaat kiezen, juist dat wil hebben wat het jaren heeft moeten ontberen. Sterker nog, omdat het niet heeft geleerd met bepaalde voedingsmiddelen om te gaan, kan het wel eens helemaal doorslaan. Zeker in de puberteit, als tegendraads toch al de trend is, kan het kind ook op het gebied van voeding de tegenbeweging inzetten. Vlijtig door pa of moe gesmeerde boterhammen verdwijnen nog vóór het eerste lesuur in de prullenbak. In plaats daarvan laat het kind zich verleiden tot overmatig friet- en frikadelgebruik, daarbij de resulterende jeugdpuistjes voor lief nemend. Ook om die tegenbeweging te voorkomen, is het zaak je kind al op jonge leeftijd te begeleiden bij het vinden van een balans op voedingsgebied.

Proeven als avontuur

Laten we beginnen bij de babytijd.
Baby’s hebben van nature de neiging om alles in hun mond te stoppen. Al sabbelend en zuigend ontdekken zij de wereld om zich heen. De eerste maanden geef je je kind zo mogelijk borst- of flesvoeding. Maar rond de vijfde, zesde maand kun je het ook alvast aan nieuwe smaakjes laten wennen door hem bijvoorbeeld een gekookt worteltje of een stukje meloen te geven om op te sabbelen of te zuigen. Bied je hem af en toe een nieuwe smaak aan, dan wordt proeven een spannend avontuur en leg je de basis voor het plezier in eten.

Bedenk wel dat een kind al in een vroeg stadium zijn of haar smaak begint te ontwikkelen en dat je daar als ouder invloed op kunt uitoefenen. Kies je bijvoorbeeld zoveel mogelijk voor onbewerkte voedingsmiddelen, dan leert je kind de pure smaken kennen en daarmee ook de pure kwaliteit van de dingen.
Iedereen die een poosje zoutloos heeft gegeten, weet hoe zo’n dieet je smaak verandert: je gaat intenser proeven. De smaakpapillen van kleine kinderen zijn nog niet gewend aan sterke smaken en het kan geen kwaad deze zo lang mogelijk in een ‘onbedorven’ staat te laten: des te steviger wordt de basis. Proeven doe je overigens niet alleen op smaak, maar ook op textuur. Doordat je kind het stukje fruit of groente voorzichtig in zijn mond aftast, leert hij ook onderscheid te maken tussen hardheid, zachtheid, vezeligheid of sappigheid. Zo wordt zijn beeld van wat bijvoorbeeld een peer of wortel is, steeds completer: hoe ziet hij er uit, hoe voelt hij, hoe ruikt hij en zelfs hoe klinkt het als mama hem op een bordje legt om te schillen.

Bij gratie van het contrast

Als een kind ouder wordt, komt er een nieuw element om de hoek kijken bij de keuze van voeding: het sociale aspect. Kinderen willen er graag bij horen. En hoezeer je ook hoopt dat het zich niet te buiten gaat aan cola en chips, er zijn nu eenmaal hele volksstammen die dat wel doen en dat ziet je kind ook. In plaats van je huis tot een cola-vrije zone uit te roepen, kun je hem daarom beter leren hoe hij met dit mindere gezonde lekkers kan omgaan. Haal het gedoseerd in huis.

Koop bijvoorbeeld een keer voor het weekend een pak koek en een zak chips onder het motto: dat gaan we lekker oppeuzelen en op is op.

Daar staat tegenover dat het ook weer niet elke dag feest hoeft te zijn. Sterker nog, als een kind doorlopend snoep en koek krijgt, zal het daar juist niet meer van genieten. Geluk bestaat bij de gratie van het contrast en dat geldt zeker voor voeding. Als je je kind leert dat er zoiets bestaat als ‘met mate’, train je hem daarmee om zelf een balans te zoeken. Leg je dus niet te veel nadruk op wat er allemaal ‘niet goed’ is, dan wordt voeding ook veel minder snel een beladen onderwerp voor een kind.

Bij het sociale aspect van voeding komen ook opa’s en oma’s en andere
verwenfiguranten om de hoek kijken. Grootouders zijn soms van een generatie die ervan overtuigd is dat suiker helemaal niet slecht is en dat koektrommels op tafel bij het meubilair horen. Vooropgesteld dat het niet uit de hand loopt, kun je jezelf de vraag stellen of iemand er gelukkiger van wordt als jij snoep en snacks verbiedt. Voor de desbetreffende opa en oma kan het verdrietig zijn wanneer zij niet mogen toegeven aan hun verwenbehoefte. En voor je kind kan het een veilig gevoel zijn dat zijn grootouders ook goed voor hem willen zorgen (zelfs ‘beter’ dan thuis!). Belangrijk is echter ook hier onderscheid te maken tussen bijzondere en gewone momenten: een dagje bij opa en oma is feest en een doordeweekse dag thuis is een doordeweekse dag.

Een portie genieten 

Een kind mag best weten dat niet elke (lekkere) trek die opkomt onmiddellijk gestild hoeft te worden. De hang naar instantbevrediging is een van de valkuilen van onze tijd, dus ook daartoe zal je kind zich moeten leren verhouden. En over grenzen gesproken: die kun je je kind ook tot op zekere hoogte zelf laten ontdekken. Sta eens toe dat het een hele zak drop naar binnen schrokt, om daarna misselijk te zijn. Van zo’n ervaring leert hij doorgaans meer dan van driehonderd waarschuwingen van goedbedoelende ouders.

Tot slot is het goed je te realiseren dat eten meer is dan het tot je nemen van de juiste dosis vitaminen en mineralen. Gezondheid behelst meer dan voeding alleen. Misschien wil je supergezond koken voor je kinderen, maar heb je daar eigenlijk geen tijd voor. Dat kan gepaard gaan met stress en dat is ook niet echt bevorderlijk voor het welbevinden van je kroost. Creëer rust rondom de maaltijden, zodat je kind ervaart dat eten leuk en gezellig is. En lukt het je een dag niet een zeer verantwoorde vitaminerijke maaltijd op tafel te zetten, haal dan rustig een patatje of een pizza. En maak er een kunst van om daar op zo’n moment uitbundig van te genieten. Een portie genieten op zijn tijd is ook heel gezond.»

Met dank aan Paulien Bom, consultatie-verpleegkundige en (mede)auteur van de Groeiwijzer van nul tot één jaar en de Groeiwijzer van één tot vier jaar.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2831-2657

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-13/1)

.
Servisch sprookje
.

De roof van de zon
.

Toen de demonen van God waren afgevallen en naar de aarde waren gevlucht, hadden ze ook de zon meegenomen, en de leider van de duivels had hem aan een lans gestoken en droeg hem op zijn schouder.
De aarde beklaagde zich bij God dat de zon haar nog helemaal zou verbranden. God zond de aartsengel Michaël. Hij moest de zon hoe dan ook van de duivel afpakken.
De heilige aartsengel daalde af naar de aarde en knoopte vriendschap aan met de leider van de duivels. Maar deze was op zijn hoede, want hij had meteen in de gaten waar het om begonnen was.

Op een keer gingen ze samen op aarde wandelen en ze kwamen bij de zee. Ze besloten om te gaan baden, en de duivel stootte de lans met de zon in de aarde. Nadat ze een poosje in het water waren geweest, zei de heilige aartsengel: ‘Laten we nu gaan duiken en zien wie het diepste komt.’
De duivel stemde daarmee in en de heilige Michaël dook onder en kwam weer boven met zeezand tussen zijn tanden.
Daarna moest de duivel duiken.
Maar omdat hij bang was dat de aartsengel hem in die tussentijd de zon afhandig zou maken, trof hij maatregelen. Hij spuugde op de aarde en uit zijn speeksel ontstond een ekster, die de zon voor hem moest bewaken tot hij had gedoken en met zijn tanden zeezand had gehaald uit de diepte.
Zodra de duivel echter in het water verdween, maakte de heilige Michaël met de hand een kruisteken en meteen daarna werd de zee bedekt met een metersdikke ijslaag. Toen greep hij snel de zon en vluchtte ermee naar God.

De ekster echter, kraste uit alle macht en toen de duivel dat  hoorde, vermoedde hij ook al wat er aan de hand was. Hij keerde zo vlug mogelijk om. Maar toen hij boven kwam vond hij de zee dichtgevroren en hij begreep dat hij er niet uit kon. Vlug keerde hij weer terug naar de zeebodem, nam een geweldige steen en brak daarmee door het ijs en zette de jacht op de slimme aartsengel in.

De heilige Michaël stond al met één voet in de hemel, toen de duivel hem bereikte. Hij greep hem nog net bij de andere voet en rukte met zijn klauwen een groot stuk vlees uit de voetzool. Met die wond kwam de heilige Michaël bij God en overhandigde hem de zon. Jammerend klaagde hij hem zijn nood en zei: ‘Wat moet ik nu, nu ik zo verminkt ben?’
Toen antwoordde de Heer: ‘Wees kalm en niet boos. Van nu af aan zullen alle mensen net als u geen vlakke voetzool meer hebben.’

En zoals God het had bevolen, gebeurde het en zo is het gebleven, zodat we niet zullen vergeten dat de heilige aartsengel Michaël onze aarde voor verbranden heeft behoed en dat hij de zon naar de hemel teruggebracht heeft.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2830-2656

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer(6-4/1)

.
Evenals andere artikelen in de reeks ‘7e klas voedingsleer’ gaat dit niet direct over de periode. Er zal soms over ‘de elementen’ gesproken (moeten) worden.
Daarom zijn de artikelen daarover hier bij elkaar gehouden, al zouden ze ook elders geplaatst kunnen worden.

.

Joop van Dam, Weledaberichten nr. 166 najaar 1995
.

Over de aarde

.

Toen het door de ruimtevaart mogelijk werd om de aarde op grotere afstand te bekijken, zagen de astronauten tot hun verrassing een blauwige druppel met rondom witte, beweeglijke velden. Niet de vaste aarde werd waargenomen maar de vochtige luchtsfeer eromheen.

Vanuit het heelal afdalend komt men in de atmosfeer die eerst een warmteomhulling is en dan een luchtsfeer. Hierin stijgen de wolken uit de aardse watermassa’s op. Zo passeer je eerst de elementen vuur, lucht en vloeistof, om daarna op aarde te belanden.

Deze gang door de elementen maakt ook elk kind dat ‘op aarde’ komt. Het lichaam wordt in warmte geconcipieerd. Hierdoor komt de verharding van het lichaam met de vorming van botten en tanden pas op het laatst in de embryonale ontwikkeling tot stand. Gebeurt dit te laat, dan blijft het kind te veel in het vloeistofelement hangen. De botten blijven dan te week en buigen bij het gaan staan door. (Het effect is O- of X-benen).

Bij de oudere mens dreigt het aarde-element de overhand te krijgen: verhardingen treden op waar dit niet hoort, bijvoorbeeld in de lens van het oog (staar) of in de bloedvaten (aderverkalking).

Ook in de loop van de mensheidsgeschiedenis is de mens steeds dichterbij de aarde gekomen. Zagen mensen vroeger nog wezens in de natuur (Wodan in de donder, elfen, kabouters), na de Middeleeuwen verdween dat vermogen. Toen zag de mens pas echt de aarde: hij begon de bergen te beklimmen en ging op ontdekkingsreis. Toen werd ook duidelijk wat het aarde-element ons kan brengen: in het water- en luchtelement gaan de dingen in elkaar over, de aarde-dingen daarentegen zijn goed van elkaar te onderscheiden en te tellen. Ze liggen vast, zijn onveranderlijk en gehoorzamen aan aardse wetten.

Na de Middeleeuwen werd de natuurwetenschap ontwikkeld, die alles wat tastbaar (vast), weegbaar (zwaartekracht) en telbaar is, onderzoekt. We danken er een helder, controleerbaar en exact bewustzijn aan. Met die wetenschap kun je ook werken en afspraken maken. Dit geeft zekerheid en vastigheid. Als je niet wakker bent, word je door de aardse werkelijkheid gecorrigeerd. Het aarde-element heeft helderheid, exactheid en daardoor zelfstandigheid ten opzichte van de wereld gebracht.

Toch zijn we niet uitsluitend aan deze aardse realiteit gebonden. Het feit dat de mens rechtop gaat staan, laat zien dat er iets in hem leeft wat zich boven de aardse zwaartekracht verheffen kan. Andere elementen worden dan werkzaam. Daarover volgende keer.*

*water [6-4/2]  lucht [6-4/3]   warmte

7e klas voedingsleeralle artikelen

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2829-2655

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-12)

.
Bulgaarse legende van de Bogomielen
.

Michaël en het kwaad

.

Michaël en het kwaad

Satanaël zag dat God de Heer door alle engelen werd vereerd en geprezen en afgunst maakte zich van hem meester: hij moest en zou aan God gelijk worden. In zijn trots dacht hij: ‘Ik zal mijn troon in de hemel op de wolken zetten en de gelijke van de Almachtige worden.’
God de Heer echter kende zijn gedachten en hij wilde Satanaël met zijn arglistige volgelingen doen neer storten uit de hemelen.

God zond de aartsengel Michaël naar Satanaël.
Michaël ging naar hem toe. Maar Satanaël schroeide de aartsengel Michaël met zijn vuur.
Michaël keerde naar God terug en sprak: ‘Ik heb gedaan wat u mij hebt opgedragen, maar Satanaël heeft mij met vuur geschroeid.’
Toen verhief God de Heer Michaël in een hogere waardigheid en Michaël, die tot dan toe Miche heette, werd Michaël genoemd.
Satanaël echter heette van toen af aan alleen nog maar Satan.

En God de Heer gaf de aartsengel Michaël de opdracht Satanaël met Gods scepter zijn schouder te slaan en hem met zijn boze scharen te doen neerstorten uit de hemel.
Nu stuurde God de Heer Michaël opnieuw naar Satanaël, maar het lukte Michaël niet de troon van Satan te naderen, en opnieuw werd hij geschroeid.
Michaël echter vermande zich, sloeg met al zijn kracht de scepter naar Satan en deze stortte daardoor neer in de diepte, samen met zijn getrouwen.
Drie dagen en drie nachten vlogen zij door de luchten, als regendruppels, en op de derde dag kwamen de engelen in de hemel samen en Michaël werd door God gekozen tot aanvoerder van de hemelse heerscharen.

De poorten van de hemel werden gesloten, de gevallen engelen echter bleven buiten. Sommigen bleven aan de bergen hangen, sommigen stortten in de afgrond, anderen bleven in de luchten, weer anderen kwamen op aarde neer en verleidden daar de mensen, ieder op zijn beste manier.

En daar zijn ze nu nog steeds.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2828-2654

.

.

.

..

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-11)

.

Heinz Müller, Erziehungskunst, 24e jrg. 10 1960

.

Michaëlslegende
.

Er was eens een man, die had in zijn leven veel gewerkt en was er oud en wijs bij geworden; want al wat hij had gedaan was gebeurd met liefde voor zijn werk en om de mensen te helpen. Daarom kon hij niet alleen met een vroom hart veel schoons op aarde zien en beleven. Hij had de gave veroverd om ook dan nog te kunnen zien en luisteren als andere mensen, door slaap bevangen en zonder dat ze er iets van weten, ’s nachts door hun engel naar hun hemelse vaderland worden gebracht.

Eens wandelde hij zo aan de zijde van zijn engel naar lichte hoogten. Toen kwamen ze bij een gouden poort; die was gesloten. Zijn engel deed een paar stappen achteruit en zei: ‘Wacht nog even, dan zal de poort voor u worden geopend!’ En werkelijk, even later weerklonk er een geweldige galm als van vele bazuinen, en daarmee vermengde zich een rollende donder. Toen ging de poort open en een helder schijnsel, als stralend van goud en zilver, verblindde eerst wie er in keek. Al gauw echter zag de oude man een machtige engelvorst voor zich; diens gewaad glansde alsof het uit de stralen van zon en maan was geweven; in zijn handen droeg hij een schaal van puur goud. De man nu vroeg zijn engel: ‘Wie is het die we hier zien?’ — ‘Dit is Michaël, die de draak overwon en die nu voor Gods aanschijn staat als heerser van onze tijd,’ zo luidde het antwoord. Terwijl de oude man eerbiedig om zich heen keek, zag hij: daar kwamen met verheugde blik veel engelen aan. Ze gingen voor Michaël staan en ieder van hen droeg in zijn handen een gave, die overhandigden ze aan Michaël. De aartsengel nam elk geschenk in zijn rechterhand en bekeek het met veel genoegen. Toen legde hij het ene na het andere in zijn gouden schaal.

De engel echter die bij de oude man stond zag diens vragende blik en zei: ‘U ziet nu, hoe blijgezind de engelen hun aanvoerder en leidende tijdgeest die gaven overhandigen. Het zijn de vruchten van de daden en het leed van al die mensen die zich door licht denken, warm voelen, krachtig willen hebben ingespannen om Michaëls trouwe vrienden en medestrijders op aarde te zijn. Wat Michaël in zijn schaal verzamelt, dat verandert hij in sieraad en harnas tegelijk voor de mensen op aarde van wie de geschenken afkomstig zijn. Zo geeft hij de zielen van zijn getrouwen veredeld terug wat aan hun inspanningen ontspruit, en hun geestgedaante wordt steeds meer omstraald door de glans en de kracht en de moed van de scharen die Michaël dienen. Bij zijn veranderend werk echter vallen er gouden korrels af als geesteszaden. Die werpt hij, ziet u maar, met een brede zwaai op aarde.’

Toen nu de grijsaard, het wijzend gebaar van zijn engel volgend, zijn blik naar de aarde liet zweven, zag en begreep hij wat daar gebeurde. Als lichtende sterren zag hij de geesteszaden naar de aarde vliegen, en de glans van het stralende goud werd weerspiegeld door alle boomkruinen en het hele woud. Met iedere nieuwe zaadworp zonk de glans van de herfst dieper in de wouden.

Toen de grijsaard zijn blik weer opsloeg naar de hemelse hoogten, zag hij net hoe er een tweede schare engelen voor Michaël kwam staan, niet zo vol vreugde als de eerste, eerder wat aarzelend. Maar zij allen droegen in hun handen de een of andere kleine gave voor Michaël. Voordat nu de eerste van hen zijn geschenk overhandigde sprak hij tot de vorst van de engelen: ‘Veel is het niet, wat wij in uw handen kunnen leggen; maar toch zijn wij blij dat wij niet geheel zonder gaven hoeven te komen. Vaak vergaten de mensen, van wie wij de behoeders zijn en die nauwelijks vermoeden dat we ook hun metgezellen zijn, de juiste wegen te bewandelen en liefdevolle daden te volbrengen. Zo vrezen wij haast uw toorn, o Michaël, en hopen op uw genade.’

Michaël echter aanvaardde het weinige dat ze te bieden hadden met grote ernst en sprak toen: ‘Ook al waren de aan uw zorg toevertrouwden slechts in kleinigheden trouw, toch hebben ze zich nog niet van ons losgemaakt. Behoedt de kiemen van het goede in hun zielen, dat ze leren ook in het grote trouw te zijn; want vreugde heerst er in ons rijk over ieder die de juiste weg nog vindt!’

Verbaasd zagen de engelen van de tweede groep, dat Michaël hun uit zijn schaal veel grotere geschenken in ruil gaf dan ze hadden verwacht, en met nieuwe hoop en nieuwe moed wilden ze zich net weer op weg begeven naar de hunnen.

Toen naderde er met aarzelende schreden een derde groep engelen. Deze sloegen de blik neer toen ze voor Michaëls aangezicht kwamen, en nu stonden ze daar met lege handen. Een kwam er uit de schare naar voren en vroeg de
drakendwinger: ‘Bevrijd ons ongelukkigen van onze taak! Hoe moeten we ons tegenover u waarmaken, daar de zielen van hen die wij moeten beschermen verstokt zijn en bot? Wij komen met lege handen, vol schaamte en schuchterheid bij u.’
In Michaëls gelaat braken vlammen uit, en rollend als de donder weerklonk zijn antwoord: ‘Ik kan u niet van uw post terugroepen. Gaat naar de mensen, want de draak is onder hen met zijn verderf zaaiende scharen! Niet langer in de hoge hemel is hun vaderland. Met het zwaard zullen ze uittrekken voor de broederstrijd tegen elkaar, en nood en vertwijfeling zal het lot zijn van hen die nu nog behagen vinden in de blinde duizeling van de lust en de verzadigde traagheid van het hart. Alle verschrikkingen en noden van de ondergang zijn de vruchten van verblinde zelfzucht en eigenliefde. Gij echter, waakt over hen die aan het rechtvaardige gericht zijn vervallen! In de laaiende brand van de vernietiging, als de beschadigingen van de ziel, als uitgegloeide slakken, van hen afvallen, zoekt dan in hen de al bijna uitgedoofde vonken van hun goddelijk wezen, ontsteekt die tot nieuwe gloed en redt wat nog maar waard is te redden!’

Toen jubelden alle engelenkoren die Michaël omringden. Hij echter wierp wederom zijn geesteszaad uit over de aarde. En de toekijkende oude man, voor wiens zienersblik zich dat alles had vertoond, wist plotseling in zijn hart:

Wie onder de mensen het geestelijk goud behoedt en liefdevol koestert, hem wordt het hart tot een gouden schaal waarin de leermeester van de mensenliefde graag iets van zijn oneindige schat zal neerleggen.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2827-2653

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-10)

.
Hans Treichler, schoolkrant, gegevens ontbreken.

.

Hoe de drakenboom ontstond

.

Op een ver eiland, omspoeld door de branding van de grote zee, rezen zwarte toppen op naar de hemel. Godvruchtige mensen bewoonden het eiland. — Van tijd tot tijd borrelde en kookte het in het binnenste van de bergen. De bergkoepels scheurden open en vuur en rook slingerden eruit te voorschijn. Stenen en aarde wervelden door de lucht. Een gloeiende massa rolde de hellingen af. Dan vluchtten de mensen hun hutten uit om hun leven te redden. ‘De demonen zijn weer aan het werk,’ fluisterden ze en baden tot de storm voorbij was.

Op een nacht gebeurde het dat de hoogste van de bergen met een verschrikkelijke kracht zijn vurige massa’s uitspuwde. Er golfde een vreemd geruis door de lucht dat tienvoudig van de bergen weergalmde. Grote vrees greep de mensen aan. Ze wierpen zich op de aarde neer en hieven smekend hun armen ten hemel. Toen ontwaarden ze in de luchten boven zich een draak met slangachtige vleugels, die snuivend over hen heen daverde. Door het geraas van de elementen klonk een dreigende stem: ‘Ik ben hier de heerser! Mijn vuur zal u tot de hemel verheffen als gij mij volgt. Zo niet, dan zal het u en uw eiland tot slakken verbranden.’ Daarmee verdween het monster in de muil van de rokende berg. Als verlamd staarden de mensen omhoog, tot eindelijk hun tongen loskwamen: ‘Laten we hem volgen, anders zal hij ons vernietigen!’ ‘Maar beloofde hij ons niet de hemel?’ Ze waren het onderling niet eens en begonnen te twisten.

Toen nam de oudste en meest wijze onder hen het woord: ‘Hij is een vijand van de hemel, we mogen niet voor hem buigen!’ — ‘Maar wat moeten we doen?’, zo vroegen de mensen in hun nood. Toen antwoordde de wijze: ‘Ik zal mij in de eenzaamheid terugtrekken en mij aan de hemel toevertrouwen. Wacht tot ik terugkom.’

Diezelfde nacht liep hij het verlaten strand op en neer, waar de zee zich oneindig ver voor hem uitstrekte. De hemel vol sterren welfde als een koepel over hem heen als een sterrenmantel die hem beschermend omhulde. De wijze knielde neer, en zijn ziel verhief zich tot de hemelse machten. ‘De draak uit de vuurbergen is over ons gekomen. Hij wil tweedracht zaaien en ons eiland in vuur verstikken.’ Zo sprak hij en luisterde in de fonkelende nacht. Toen weerklonk er uit de sterrenhoogten een stem: ‘Eens heb ik zelf in de hemel met de draak gevochten en hem ter aarde doen neerstorten. Nu wil ik voor u mijn zwaard ten tweeden male heffen. Blijft trouw aan uzelf en aan de hemel!’ In de ochtendschemering aanschouwde de oude man een heldere straal aan het firmament, die de vorm van een bliksemend zwaard aannam. In zijn glans welfde zich een vleugelpaar dat hemel en zee omspande. Rust vervulde de ziel van de wijze: hij wist dat de aartsengel Michaël zich aan hem had geopenbaard.

Toen de zon hoog aan de hemel stond kwam hij de kring van de achtergeblevenen binnen en verkondigde hun het woord van Michaël.

De volgende dag in alle vroegte barstten alle bergen nogmaals met onheilspellende kracht uit. Het hele eiland beefde en de zee kwam razend in beroering. Als een vuurstorm daverde de draak door de lucht alsof hij hemel en aarde wilde verbranden. De wijze en zijn schare knielden neer en wachtten de hulp van de engel af.

Toen spleet plots de hemel boven hen vaneen. In gouden licht zagen ze de lichtende gedaante van de heilige Michaël. In zijn rechterhand hield hij zijn zwaard dat in de opgaande zon glansde. Hij hief het wapen en liet het neersuizen op de draak. De vijand kromde zich onder het harde staal en herkende zijn bedwinger. In het laaiende vuur stortte hij op de steenachtige bodem. Nog eenmaal richtte hij zich op, toen verbrandde hij in zijn eigen vlammen. Gloeiende as drong door de gapende barsten omlaag de aarde in. Beschermend hield de aartsengel zijn zwaard over het eiland en zijn bewoners. Rust verbreidde zich — de zee lag als een spiegel. Bevrijd keerden de mensen naar hun bergen terug. Nieuwe levensmoed doorstroomde hun zielen.

Vele jaren gingen voorbij. Sinds het monster door de kracht van Michaël was overwonnen was er geen beroering meer in de bergen. Op de plek echter waar de gloeiende as van de ten val gebrachte draak in de aarde was verzonken groeide een wonderlijk gewas. Elke dag werd het groter en krachtiger, totdat het zich tot een vreemde boom ontvouwde. Voor de verbaasde blik van de mensen braken uit de doorgroefde stam machtig de takken te voorschijn. Als slangen slingerden ze uiteen en omhoog. Een machtige welving vormend, als de rug van een reusachtig dier, breidde het gewas zich uit, alles overschaduwend. Aan de uiteinden van de slangentakken vormden zich in dichte bundels lange, zwaardvormige bladeren. Als de talrijke schubben van een drakenlijf staarden ze omhoog. Ernstig keken de mensen op naar het merkwaardige geheel en gaven het de naam ‘drakenboom’. En toen ze van tijd tot tijd een vreemde hars uit de groeven van de stam zagen stromen, dachten ze aan het bloed van de gedode draak. Daarom noemden ze de boom ook bloedboom. — Als de storm door de machtige welving voer, sloegen de bladeren hard tegen elkaar. En in de stam scheurden de spleten knarsend vaneen. Dan meenden de mensen in de lucht een gesis en geweeklaag te horen, en van schrik vervuld liepen ze hun hutten uit. Vragend keken ze op naar de hemel. Daar verscheen Michaël hun aan het grijze firmament in zijn stralengloed. Bedaard stak hij zijn zwaard uit naar de klagende drakenboom en op slag verstomden de geluiden. De storm ging liggen, en de zon brak door de duisternis. De zielen van de mensen echter ontvingen het kracht schenkende licht van hun engel.

Sinds die tijd komen er op het eiland steeds meer drakenbomen, en ze bereiken een hoge leeftijd. De mensen echter zijn er van gaan houden: ze weten dat Sint- Michaël over hen waakt.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2826-2652

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-9)

.
Sprookje uit Servië
.

Michaël en de zoon van de rijke man

.
Er was eens een man, die landerijen, dorpen en wouden bezat, kortom, hij was bijna zo rijk als de tsaar.
Deze man had één zoon en die groeide op van kind tot jongeman.
Op een dag echter, werd hij onrustig en kon hij het thuis niet langer uithouden. Zijn vader zag dit. Zijn zoon kwam naar hem toe en vroeg vriendelijk toestemming hem de wijde wereld in te laten trekken.  Zijn vader vond het goed en gaf zijn zoon rijkelijk van de goudstukken en deze pakte zijn ransel en trok eropuit, de wijde wereld in. En zo liep hij lange tijd, gewoon zijn neus achterna, zonder een bepaald doel. Het werd middag, de avond begon te vallen, maar nog altijd wist de jongeman niet waarheen zijn weg hem zou brengen. Het was al bijna helemaal donker toen er plotseling een eerzame grijsaard voor hem stond:  ‘Ik groet u in Gods naam’, zei de oude. ‘Waar voert de weg u heen? ‘Ik trek de wijde wereld in,’ gaf de jongeman ten antwoord. ‘Maar waar moet je de nacht doorbrengen, het is immers al donker?’ vroeg de oude man. ‘Waar ik de nacht zal doorbrengen, dat weet ik niet, maar de zachte bosgrond als bed is goed genoeg en de sterren zullen mijn nachtlichtjes zijn,’ zei de jongeman, en hij liep verder naast de oude man. ‘Welnu, als dat zo is weet ik iets beters,’ antwoordde de grijsaard hem. ‘Loop het bos maar uit en als je weer in het open veld komt, zal je  iets van het pad af al snel een huis ontwaren. Ga daar heen en vraag onderdak voor de nacht.’
De jongeman wilde de oude man voor zijn goede raad bedanken, maar toen hij zich naar hem toekeerde, was deze verdwenen.

Hij liep door en kwam ook werkelijk van het bos in het open veld en weldra zag hij  het huis al dat hem was aangeduid. Hij volgde de raad van de grijsaard op en klopte aan de deur en vroeg onderdak voor de nacht. Hij werd heel vriendelijk verwelkomd en kreeg te eten en te drinken en er werd hem een plaatsje aangewezen om te slapen. In een hoek zag hij een bed waarin een zieke lag bij wie een kaars brandde.
Midden in de nacht verscheen daar plotseling dezelfde grijsaard die de jongeman het huis had gewezen. Hij liep op de zieke af, nam zijn ziel mee en verdween weer. Omdat alleen de jongeman het bed van de zieke kon zien, was er verder niemand die de grijsaard had opgemerkt.

’s Morgens stond de jongeman vroeg op, bedankte de mensen en nam afscheid en ging zijns weegs. Hij liep maar en hij liep, steeds opgewekt zijn neus achterna, over heuvels en door dalen.
Maar nauwelijks was het avond geworden of daar stond de grijsaard plotseling weer voor hem die hem zijn eerste nachtelijk onderkomen had gewezen.
De oude man groette de jongeman in Gods naam en vroeg: ‘Waar ben je op weg naartoe?’ ‘Ik trek de wijde wereld in,’ zei deze hem.

‘Maar waar moet je vannacht dan slapen, het al donker is geworden?’ vroeg de oude man. ‘Varens en mos zijn als slaapplaats goed genoeg voor en de wind in de bomen zal mij wel in slaap zingen,’ antwoordde de jongeman. ‘Dat is prachtig,’ zei de oude man toen, ‘maar toch geef ik je de raad om onderdak voor de nacht te zoeken in het huisje aan de overkant van dit dal.’
De jongeman wilde de oude man bedanken, draaide zich om, maar deze was al verdwenen.
De jongeman vervolgde zijn weg, doorkruiste het dal en zag daar ook werkelijk het huis staan. Hij klopte aan, vroeg onderdak voor de nacht, en de mensen lieten hem vriendelijk binnen.

Toen de rust was neergedaald, zag de jongeman ook hier vanuit zijn slaapplaats een bed met een doodzieke erin en een kaars daarbij. Midden in de nacht werd de zieke overvallen door de pijn van de dood en toen verscheen de grijsaard weer, nam de ziel mee en verdween. Er was niemand die de grijsaard had gezien, behalve de jongeman.

Nauwelijks was het ochtend of de jongeman bedankte de mensen, nam afscheid en ging verder. Weer liep en liep en liep hij door bossen en velden; het werd middag en de zon zakte weer langzaam naar de horizon. Toen wad het avond. Nu kwam hij de grijsaard voor de derde keer tegen. Weer groette hij de jongeman hartelijk in Gods naam en vroeg hem ook ditmaal waarheen hij wilde gaan.
‘Ik trek door de wijde wereld,’ antwoordde de jongeman hem, ‘en vannacht ga ik op het zachte gras van de weide slapen, en de beek daarbij zijn slaaplied zingen.’
‘Toch is het beter als je in het huisje achteraan deze wei overnacht,’ raadde de oude man hem aan en hij had dat nog niet gezegd of hij was ook al verdwenen.

De jongeman vond de goede raad van de grijsaard ter harte, ging naar het aangeduide huisje, klopte aan en werd ook hier vriendelijk binnen gelaten en onthaald.
Verbaasd ontwaarde de jongeman vanuit zijn slaapplaats weer een zieke en een kaars naast het bed. En voor de derde keer verscheen midden in de nacht de grijsaard, nam de ziel van de stervende mee en verdween.

De volgende ochtend bedankte de jongeman, nam afscheid van de vriendelijke mensen en ging verder.
Hij had nog niet lang gelopen toen de oude man weer naast hem verscheen, hem in Gods naam goedendag wenste en met hem meeliep. Een tijdlang liepen ze zo, toen wendde de jongeman zich tot de oude man en zei: ‘Wilt u mij zeggen, eerwaarde, u bent nu driemaal aan mij verschenen en u hebt mij telkens aan een slaapplaats geholpen. En driemaal vond ik in het huis een zieke en steeds kwam u midden in de nacht om de ziel van de zieke mee te nemen. Graag zou ik weten wie u bent.’

‘Ik ben de aartsengel Michaël, die de zielen meeneemt.’

‘En zal u ook eens mijn ziel meenemen?’ vroeg de jongeman. ‘Zoals ik de zielen van de zieken heb meegenomen, zo zal ik ook uw ziel meenemen,’ antwoordde Michaël hem. ‘Maar wanneer zal dat zijn?’ vroeg de jongeman daarop. ‘In de nacht nadat je getrouwd bent, dan neem ik uw ziel!’ zei de oude en toen  verdween hij.

Vol verbazing bleef de jongeman staan en dacht na over wat hij zojuist had gehoord. De wijde wereld bekoorde hem nu niet langer en hij besloot naar huis terug te keren. En’, zo dacht hij verder, ‘dan zal ik trouwen, ook als ik daarmee bewust de dood op mij neem — ja, als de heilige Michaël mijn ziel neemt ben ik daartoe bereid.

Hij sloeg de terugweg in en toen hij weer bij zijn ouders was aangekomen zei hij meteen tegen hen dat hij nu thuis wilde blijven en trouwen. Daar waren zijn ouders heel blij mee en ze vroegen hun zoon welk meisje zijn bruid zou worden. ‘Gaat u maar,’ zei hij tegen zijn moeder, ‘naar het kleine huisje aan het eind van het dorp. Daar woont een kruier en die heeft een dochter. Vraag haar hand, want ik houd van geen ander zo veel als van haar.’ Maar bij zichzelf dacht hij stilletjes: ‘Als ik nu toch na de bruiloft moet sterven, dan zijn dit meisje en haar ouders tenminste uit de zorgen.’

De ouders waren zeer verbaasd over zijn keus van hun jongen. Ze probeerden hem met veel praten op andere gedachten te brengen: de kruiersdochter immers was arm en kon nauwelijks iets anders haar eigendom noemen dan haar ziel, dat was toch geen huwelijk voor iemand van zijn stand?

Maar wat ze ook zeiden, de jongeman liet zich niet op andere gedachten brengen, hij herhaalde slechts dat hij dit meisje wilde en geen ander.

Nu was het zo dat de jongen het meisje eigenlijk niet eens kende, maar hij had zich voorgenomen iets voor haar te doen — na zijn dood zou ze haar geluk vinden.

Toen de ouders zagen dat hun zoon niet op andere gedachten was te brengen, stond zijn moeder uiteindelijk op, begaf zich naar het huis van de kruier en vroeg de hand van diens dochter voor haar zoon. De kruier en zijn vrouw waren meer dan verbaasd toen de moeder van de jongeman haar verzoek naar voren bracht en dachten in hun hart vermoedelijk dat het allemaal maar een grap was. Maar toen ze merkten dat de moeder het ernstig bedoelde vroegen ze aan hun dochter of deze wel met de rijke jongeman wilde trouwen. Van schrik en schaamte werd het meisje helemaal rood, ze kon geen woord uitbrengen en liep de deur uit. Haar ouders echter riepen haar achterna: ‘Wees gelukkig! Gods zegen zal op deze verbintenis rusten!’

In blijde stemming keerde de moeder van de jongen naar huis terug en vertelde dat ze alles  had geregeld zoals hij het wilde.

Zo werd de hand van het kruiersmeisje gevraagd en nadat ook het huwelijkspand aan haar was overhandigd, maakte de jongeman aanstalten om zijn voornemen in de daad om te zetten. Aan zijn vader vroeg hij driehonderd goudstukken en toen ging hij weg en kocht van het geld een huis voor zijn schoonouders en richtte het zo goed mogelijk in met al wat er nodig was. Toen alles tot zijn tevredenheid was geregeld, vroeg hij zijn vader nog eens driehonderd goudstukken om voor zijn bruid van een passende uitzet aan te schaffen. En hij kocht alles wat tot de uitzet behoorde, en ook nog sieraden voor bij haar jurken, halskettingen en linten, zijden kapjes en gouden smeedwerk, alsof hij een tsarina naar het altaar zou brengen.

Zo verstreek de tijd, en de dag van de bruiloft brak aan. Voor de jongen was het een schitterend huwelijksfeest en er kwamen heel veel gasten en allen  werden rijkelijk onthaald, zoals dat nu eenmaal gebeurt als er een rijke jongeling trouwt.

Toen werd het avond en bracht het jonge paar werd naar het bruidsvertrek geleid. Zodra echter de deuren achter hen waren gesloten, vroeg de jongeman zijn bruid te gaan slapen, hijzelf wilde nog opblijven en in de Heilige Schrift lezen. Ze ging in bed liggen en sliep in. De bruidegom echter bad tot God en las in de Bijbel.

Om middernacht ging de deur open en de aartsengel Michaël kwam in de gedaante van de grijsaard het bruidsvertrek binnen, groette hem in Gods naam en zei: ‘Jongeman, waar ben je?’ De bruidegom draaide zich om, groette eveneens in Gods naam en antwoordde  ‘Hier ben ik en ik weet dat u gekomen bent om mijn ziel mee te nemen. Weet dan dat ik gereed ben.’

Michaël antwoordde hem daarop: ‘Ik ben gekomen zoals ik had beloofd, maar hoor, de almachtige God heeft bevolen je nog veertig jaar in leven te laten, want je hebt een grote daad volbracht: bewust nam je de dood op je om zo het arme meisje en haar ouders gelukkig te maken!’

Zo sprak de heilige aartsengel Michaël en verdween. De jongeman echter legde zich gelukkig te slapen en in liefde leefde hij verder.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2825-2651

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-8)

.
Normandische sage (uit een schoolkrant, nadere gegevens onbekend)
.

De aartsengel Michaël en de duivel

.

De bouw van het slot
.

De aartsengel Michaël en de duivel waren ooit buren. Op een winteravond raakten ze aan het twisten: de duivel beweerde dat zijn macht oneindig groot was, Michaël echter zei dat God alleen almachtig was.
‘Nu goed dan!’ zei de duivel. ‘Roep jij Gods hulp in en bouw een slot, ik zal een ander bouwen en dan zullen we zien welk het mooiste is.’

Michaël nam de uitdaging aan. Meteen zond de duivel een leger dienaren uit om in de hele wereld grote blokken graniet te zoeken. Ze gingen terstond aan het werk en bouwden een reusachtig slot op een bergeiland in zee, te midden van loeiende stormen.

Satan was enthousiast. Maar de aartsengel bouwde op het strand een schitterend lichtpaleis van ijskristallen, dat stelde met zijn glans de sombere granieten berg in de schaduw. Ondanks zijn hoogmoed moest Satan toegeven dat hij was overwonnen. Groot was zijn schaamte. De vertwijfeling maakte hem jaloers, de kwellingen van de afgunst hielden hem uit de slaap. Ten slotte hield hij het niet meer uit, en hij vroeg de aartsengel of deze zijn paleis niet voor de granieten berg wilde ruilen; Michaël stemde daarmee in. Toen het zomer werd smolt het ijsslot van de duivel in de brandende zon; het slot van de aartsengel echter staat er nog altijd: het is de Mont Saint-Michel.

De weddenschap

Satan moest nu in een eenvoudige strooien hut op het strand wonen; maar hij bezat vruchtbare velden, goed bevloeide weiden en heuvelhellingen met hoge bomen begroeid, en daartussen groenende dalen. Michaël daarentegen had rondom zijn burcht slechts drijfzand, en had hij niet gebeden, dan zou hij meer dan eens zijn verhongerd. Na verscheidene jaren te hebben gevast had de heilige Michaël genoeg van dit leven. Hij zocht de duivel op en zei tegen hem: ‘Beste duivel, ik doe je een voorstel: vertrouw mij je land toe, ik zal het naar beste kunnen bebouwen en dan delen we de oogst. Akkoord?’ De duivel, die een grote luilak was, accepteerde het aanbod. Michaël vervolgde: ‘Daar ik niet wil dat je je over mij te beklagen hebt, mag jij kiezen wat je het liefste hebt: de oogst die onder de aarde is, of die erboven staat?’
De duivel riep uit: ‘Ik neem wat boven de aarde groeit!’ — ‘Akkoord!’ zei de heilige.

Zes maanden later zag je alom in het uitgestrekte land van de duivel slechts knollen, wortelen en uien. De duivel kreeg niets, klaagde hevig en wilde het contract ontbinden. Maar Michaël had plezier gekregen in de akkerbouw.
‘Om je schadeloos te stellen,’ zei hij tegen de duivel, ‘bied ik je dit jaar alles aan wat onder de aarde groeit.’ — ‘Akkoord!’ antwoordde de ander vol blijdschap.

Het volgende jaar groeide overal tarwe, haver, gerst en prachtige klaver. Satan kreeg weer niets en werd rood van woede. Toen hij zijn klauwen tegen Michaël ophief gaf deze hem een geweldige trap in zijn heup. Satan viel neer op de rots van Mortain, waar nog altijd de onuitwisbare sporen te zien zijn van de horens aan zijn voorhoofd en de nagels aan zijn tenen. Vernederd, hinkend en voor de rest van zijn leven verminkt stond hij weer op. Hij zag in de verte de fatale berg en begreep dat hij met een sterker iemand te maken had; daarom begaf hij zich naar vreemde landen en stond hij zijn velden, zijn weiden, zijn heuvelhellingen en zijn dalen af aan de aartsengel.

De zeis

In vroeger tijd sneden de mensen in Hédé hun gras met kleermakersscharen en dat was een heel werk. De duivel alleen, die van tijd tot tijd die streek bezocht om stenen te halen voor de bouw van Mont Saint-Michel, had een werktuig waarmee hij het gras in heel korte tijd kon maaien. Daarvan bediende hij zich echter alleen ‘s nachts en hij weigerde het uit te lenen. Op een dag beloofde Satan aan een van zijn vrienden, een gemeen sujet, dat hij de volgende nacht zijn gras zou maaien. De heilige Michaël hoorde daarvan en stak ijzeren eggetanden in de wei. Toen verstopte hij zich in een oude holle eik, alleen zijn hoofd stak tussen het gebladerte uit. Tegen middernacht zag hij hoe de duivel de snede van zijn werktuig met een hamertje haarde en het vervolgens aan het uiteinde van een lange stok bevestigde. Daarop wette hij het, en al gauw viel het gras in lange zwaden. Toen het werktuig op de eerste eggetand stuitte werd het schaardig. Satan vloekte als een echte duivel, maar ging door met maaien. Bij de tweede eggetand brak het, en de duivel zei bij zichzelf: ‘Zo, nu is me toch mijn zeis gebroken, ik moet ermee naar de smidse.’ En vloekend ging hij op weg naar het plaatsje Dingé.

De volgende morgen informeerde Michaël bij de smid naar het werktuig. ‘Ja,’ antwoordde de smid, ‘het was een werktuig zoals ik er nog nooit een had gezien.’ ‘Goed, voor mij moet je er net zo een maken, en dan zal ik je ook vertellen waar het voor dient.’ De smid smeedde dus voor hem net zo’n werktuig als hij bij de duivel had gezien, en Michaël legde hem vervolgens het gebruik van de zeis uit. Maar hij deed niet als de duivel, maar gaf de zeis door en bracht alle mensen het gebruik ervan bij.

Toen Satan dit tot zijn woede merkte, dacht hij meteen dat de heilige Michaël hem had bespied. Dus ging hij naar hem toe en daagde hem woedend uit tot een duel.
‘Mij best,’ antwoordde de engel, ‘maar ik wil nergens duelleren dan in een bakoven.’ ‘Waar je maar wilt.’ — En ze begaven zich naar het dichtstbijzijnde dorp. Onderweg vond Michaël een houten paaltje van het soort dat boerinnen gebruiken om hennep en vlas te braken voor ze die hekelen.

Bij de bakoven aangekomen pakte de duivel de schiet-schop en glipte de oven in, Michaël volgde hem. Terwijl de duivel nog aan de lange stang trok, timmerde Michaël hem uit alle macht op zijn hoofd. ‘Genade, genade!’ schreeuwde Satan, ‘je vermoordt me!’ ‘Ik zal je laten leven,’ antwoordde Michaël, ‘maar alleen als je het land verlaat en nooit meer terugkomt.’

Dat kwamen ze overeen, en sindsdien heeft men in de omgeving van Hédé de duivel nooit meer gezien.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

2824-2650

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-7)

.
Uit Ierland
.

Hoe de muis en de kat werden geschapen
.

Lang geleden, toen Lucifer en zijn scharen uit de hemel werden verdreven, werd Lucifer overmand door een grote haat tegen heel het mensengeslacht. Steeds weer trachtte hij de mensen te benadelen en hij had al allerlei ongedierte geschapen om de mensen te kwellen.

Op een dag dacht hij na over de kwellingen die hij al allemaal had verzonnen: slangen, muggen, wespen, vliegen, schorpioenen en veel ander ongedierte. In zijn kwaadaardigheid kwam Lucifer op de gedachte dat al die kwellingen wel het lichaam van de mens aantastten, maar niet wat hij het meest nodig heeft: voedsel en kleding. Nu wilde hij een dier scheppen dat die twee dingen zou vernielen. Het moest klein en vlug zijn, en daar de mens ’s nachts sliep, kon het dier het best zo worden gevormd dat het zijn taak in het duister kon verrichten. Maar voedsel en kleding bestonden voor een deel ook uit dingen met vaste bolsters en harde basten, of van huiden en taaie stoffen. Daarom, zo bedacht de Boze verder, moest het nieuwe dier wel scherpe tanden krijgen, die vlug ook door harde omhulsels heen konden knagen. En toen hij al die gedachten samenvoegde ontstonden in zijn hoofd de muis en de rat, en dadelijk gaf hij er vorm aan. Muizen en ratten nu vermenigvuldigen zich snel en al gauw klaagden de mensen dat ze de scharen niet meer de baas konden.

De aartsengel Michaël hoorde deze klacht en hij overpeinsde hoe hij de mensen hierin kon bijstaan. Lang dacht hij erover na en tenslotte zag hij als enige mogelijkheid, op zijn beurt een dier te scheppen dat voortaan de vijand zou zijn van muizen en ratten. Tegelijk echter moest het de mens vriend-

schappelijk gezind zijn. En, zo overdacht de heilige Michaël verder, het dier moest even soepel en vlug zijn als de muizen en ratten, daarbij sterk en taai, met klauwen die plotseling te voorschijn kwamen en even snel weer konden worden ingetrokken. Om te kunnen toebijten en vasthouden had het scherpe, spitse tanden nodig en het moest kunnen springen en klimmen. Daar nu de muizen en ratten vooral ’s nachts op pad waren, moest het dier dat Michaël wilde scheppen zowel overdag als ’s nachts kunnen zien.

Dit alles bedacht de heilige Michaël, en toen het beeld van het nieuwe dier hem helder voor ogen stond gaf hij er vorm aan, en zo ontstond de kat. Als een bliksemflits schoot ze onverhoeds in de schare muizen en ratten, waarvan er heel wat het loodje legden. De vlugste onder hen echter kropen gauw weg in donkere gaten en greppels, waar de kat ze niet kon vinden. En sindsdien durven de knagende muizen en ratten, om niet door de kat te worden gesnapt, slechts heel voorzichtig te voorschijn te komen.

De kat echter woont bij de mensen voor de warme kachel, geeft kopjes en spint als ze tevreden is, maar ze kan ook onverhoeds haar met klauwen bewapende poten bliksemsnel uitslaan als ze hardhandig wordt behandeld. Ze is aanhankelijk, maar niet trouw zoals de hond, en ’s nachts onderneemt ze haar strooptochten, vrij, trots en ongebonden.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

2823-2649

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-6)

.
Een Koptische legende uit het ‘Boek van de inzegening’ 14, 37)
.

Hoe Michaël in zijn ambt werd benoemd

.

In den beginne schiep de Vadergod door zijn kracht de hemel, het geweldige, oneindige firmament. Toen dat geschied was schiep hij de aeonen en vervolgens de engel die Saklithaboth werd genoemd, dat is ‘hij die de hemel en de aarde opschrikt’. En de Vader plaatste hem boven alle engelen en engel-heerscharen en zij allen gehoorzaamden hem. Als tweede engel werd Michaël geschapen, na hem Gabriël, Rafaël en alle andere engelen in grote scharen.

Zeven engelen werden aangewezen om Saklithaboth, de eerstgeschapene, als hun leider te dienen, en zij zongen hymnen ter ere van de heilige Triniteit.

Van het begin af aan had de Triniteit Saklithaboth met grote hoogmoed begiftigd en zo regeerde hij over de engel-scharen hoogmoedig en trots, maar zeer kundig.

Toen kwam het uur dat de Vadergod de mens schiep. Hij vormde hem naar zijn beeld en zette hem in het paradijs — in de tuin der engelen en der hemelse schepselen.

Toen de mens geschapen was, gaf de Vader aan de Zoon-god de blik vrij op de toekomstige ontwikkeling van het mensengeslacht. En de Zoon schouwde in grote kosmische beelden de daden van de mensen en hoe ze in de loop der tijden zonde na zonde op hun schouders laadden. Hij zag ook de bestraffing der zonden en hoe meer hij zag, des te groter werd zijn medelijden, tot hij tenslotte de Vader smeekte hem voor een daad van verlossing naar de toekomstige aarde te zenden zodra de tijd daarvoor gekomen zou zijn, opdat hij de mensen van hun zonden zou kunnen verlossen.

De Vader was zeer verheugd toen hij de wil om de mensen te verlossen bij de Zoon gewaar werd en hij beloofde hem dat hij zijn wens zou vervullen. Daarmee nam hij de toekomstbeelden voor de blik van de Zoon weg en het grote werk van de schepping kon worden voortgezet.

Aan de mens in het paradijs gaf God de naam Adam. Deze naam hadden de hoge aartsengelen Michaël, Gabriël, Rafaël en Uriël in de vier windstreken gevonden en gezamenlijk samengevoegd. Toen schiep de Vader een metgezellin voor de mens, en tezamen leefde het paar in de tuin van het paradijs en zelfs de engelen verheugden zich over hun schoonheid en roem.

Nu kwam de dag dat de Vader Adam bij zich riep en deze gaf antwoord, kwam en knielde neer, aanbad hem en smeekte om zijn zegen. Toen de mens zo in verering knielend de zegen van de Allerhoogste afsmeekte waren de engelen allen in een wijde kring om hem verzameld, en geen van hen ontbrak. En het koor der engelen bekrachtigde het gebed van de mens door een krachtig ‘Amen’.

De Vader riep nu de aartsengelen, engelen, cherubijnen en serafijnen, de vierentwintig oudsten en het gehele leger van de hemel op om Adam, die zijn gelijkenis en beeld was, te aanbidden. Vanuit de hemel daalde een zoete geur op het lichaam van Adam neer en de engelkoren riepen: ‘Gezegend zijn wij, want wij zijn waardig om u te zien, o beeld van onze koning — Amen!’

Alle engelen traden nu een voor een voor Adam en betuigden hem hun eerbied. Toen nu de engel die als eerste geschapen was aan de beurt kwam, weigerde hij Adam te aanbidden De Vader wendde zich tot hem en riep hem nogmaals op zijn schepping te aanbidden. Hoogmoedig weigerde Saklithaboth ten tweeden male. Verblind als hij was sprak hij tot de Vader: ‘Klein is de mens vergeleken bij mij, want ik werd vóór hem geschapen en ik ben groter dan alle engelen en de eerste onder hen.’

Ten derden male beval de Vader de hoogmoedige, Adam te aanbidden, en hij sprak tot hem, de eerstgeschapene: ‘Weet, Saklithaboth, dat je halsstarrigheid niet onbestraft kan blijven als je mijn gebod niet opvolgt. Je zult de kwade gevolgen van je daden ondervinden — je roept je eigen vernietiging over je af.’

Doch opnieuw weigerde de eerstgeschapene.

Toen zag de Vadergod dat het kwaad geschied was, want talrijke engelen werden door de weigering van Saklithaboth verleid en weigerden eveneens.

De Vader verkondigde toen voor alle engelen, dat Saklithaboth met deze weigering al zijn rechten verspeeld had — hij zou voortaan niet meer de eerstgeschapene heten, maar Saklam, de strijdzuchtige, of Mastema, de Boze. Daarop gaf hij een cherubijn opdracht, Saklam een vleugel af te slaan en hem op de aarde te werpen. Geen van de engelen was echter sterk genoeg om de Boze te bestrijden, behalve Michaël.

De engelen die samen met Saklam geweigerd hadden werden demonen, die uit de atmosfeer tevoorschijn breken en in de harten der mensen slechte gedachten opwekken.

Godvader echter zat op zijn troon en treurde en met hem weenden alle engelen.

Dit alles geschiedde op de 11e Athôr op het 11e uur van de dag, ten tijde van de zonsondergang.

Op de ochtend van de 12e Athór (8 november) verzamelden alle engelen zich rond de troon van de Vader. Nu werd Michaël, de als tweede geschapene, in plaats van de eerstgeschapene in zijn ambt benoemd. De gehele waardigheid en alle roem van Mastema werden hem gegeven. Zijn hoofd werd getooid met de diadeem van licht, zijn handen omvatten de staf van de waarheid en de oprechtheid en zijn voeten werden gestoken in de schoenen van de vrede. Zo werd op deze bijzondere dag Michaël de Vorst van het Licht.

En terwijl de serafijnen juichten en de cherubijnen zongen blies Michaël op de bazuin van het leven. Alle engelen kwamen en aanbaden de Lichtvorst, de eerste der engelen, de aartsengel Michaël die op de hoogste troon was gezet, terwijl de wierook van hun verering de licht-aeonen vulde. En niemand onttrok zich aan deze aanbidding.

Groot was de vreugde van de Vader, van de Zoon en van de Geest en alle hemelen verheugden zich en vierden feest.

Michaël, de goede engel, werd benoemd tot beschermer en helper van het komende geslacht van de mensen, van allen die na Adam zouden komen; Michaël werd diegene die te allen tijde de smeekbeden van de mensen voor Gods troon kon dragen. En de Vader verhief hem op de lichtwagen, opdat hij de toekomstige aarde, en op haar de tweeënzeventig landen waarover hij zal heersen, kan bezoeken. En het zal zijn taak zijn, de mensen orde en licht te brengen en hun gebeden voor God te brengen.

Zo werd Michaël, de Lichtvorst, de grote aartsengel en eerste onder de engelen in zijn ambt benoemd en hij stond aan Gods troon, steeds indachtig de geboden van de Hoogste. En de hemelen jubelden over zijn glans.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

2822-2648

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-16)

.

Verkorte weergave door Arie Boogert in Jonas nr. 2, 18-09-1987

.

Kalo Dant en de zevende wereld
.

Kalo Dant had in de twintig jaren van zijn leven met de zigeuners van zijn stam onnoemelijk veel landen bereisd. Zoveel, dat hij dacht dat ze bijna aan het einde van de wereld waren be­land en dat er nauwelijks meer landen te ontdekken waren. Toen hij hoorde dat God zeven werelden boven elkaar had geschapen, waarvan de onze er één is, was hij erg blij. ‘Dan hoef ik tenminste niet weer al die bekende plaatsen op te zoeken’, dacht hij. Aan iedereen vroeg hij de weg naar die hogere werelden. Maar hij werd uitgelachen; de ze­ven werelden zijn immers van elkaar gescheiden door solide hemelse gewelven. Daar kom je nooit doorheen! Tot hij eens, een grassprietje tussen de tanden, in het gras lag en naar de he­mel keek. Ja, de hemel is hoog. Maar dat zijn de bergen ook. Wie weet, of je op de toppen van de bergen niet met je hoofd in de wereld boven ons steekt? Een mooie gedachte. En zo begon Kalo Dants avontuur.

Hoog in de bergen komt Kalo Dant in de mist terecht en hij durft niet verder te gaan. Boven zich voelt hij niets van een hemelgewelf. Als de mist optrekt en hij een kaal berglandschap om zich heen ziet, loopt hij verder. Dan vindt hij een slanke, rechte boom, die almaar om­hoog groeit, zo ver dat de top niet te zien is. Hij begint omhoog te klimmen. Moe geworden, rust hij na een tijdje uit. Tussen de takken door omhoogkijkend, ziet hij daar boven een, ja – wat?, een oude pantoffel. Aan een bruine blote voet. Zo ontmoet Kalo Dant zijn bescher­mengel. Hij kan duidelijk zien dat het de beschermengel van een zigeuner is. Die hebben gevleugelde voeten. Kalo Dant mag de pantoffel lenen en schiet omhoog. Waar hij weer vas­te grond onder de voeten krijgt, wordt hij gastvrij ontvangen door een menigte zigeuners, maar hun taal verstaat hij niet. Hij wordt naar een oude man gebracht. Deze is negenenne­gentig jaar oud en kent negenennegentig talen, ook die van Kalo Dant. ‘Nieuwsgierigheid’, zegt de oude, ‘is de eerste stap op de ladder die wij kennis noemen.’ En zo blijft Kalo Dant een jaar bij hem om te leren. Hij leert er de taal van de bomen om te we­ten, welke hij als houthakker kan vellen en welke niet. Na een jaar wordt de oude man hon­derd jaar oud en leert hij zijn laatste taal: die van de vogels. Nu moet Kalo Dant hem verlaten en naar huis teruggaan. Maar nee, hij wilde toch alle werelden daarboven leren kennen, en hij is er nu toch al veel dichter bij?

Op aanraden van de oude man zoekt hij een eenzame weide op. Na drie dagen in de een­zaamheid ziet hij de Schepper zelf voor zich staan, die hem eerst duchtig de les leest, maar ten slotte helpt. Hij mag de andere werelden leren kennen. Maar verder moet hij het alleen opknappen. Terugkeren naar zijn eigen wereld moet hij op eigen kracht. Zo leert Kalo Dant de ene wereld na de andere kennen; en hoe hoger ze zijn, hoe minder be­volkt. In de zevende wereld treft hij alleen maar vogels aan, zwermen en zwermen vogels. Daar beschermt hij impulsief de jongen van de vogelkoning; die wil hem vervolgens bijstaan naar zijn eigen wereld terug te keren. Want Kalo Dant heeft genoeg van zijn omzwervingen en wil naar huis. De vogelkoning kan hem echter niet helpen, maar hij kan één van zijn on­derdanen, de gevleugelde draak Sjarkan, de opdracht geven.

In onze wereld had niemand ooit een draak, zo’n vuurspuwend en onsmakelijk, onvriendelijk monster gezien. Kalo Dant schrikt van hem, maar kan hem met een veer uit de staart van de koning van de vogels gezeglijk maken. De koning beveelt de draak, al zijn vee te slachten en het vlees te zouten. Dant helpt de draak en ze raken daarbij een beetje bevriend. Met Kalo Dant, vaten gepekeld vlees en water op zijn rug begint de draak zijn reis naar de werelden beneden. De tocht duurt eindeloos, de weg door de hemelse gewelven heen is niet altijd gemakkelijk te vinden. Als vlees en water opraken, wordt de draak onwillig en moet hij met de veer in toom worden gehouden. Eindelijk ontdekt Kalo Dant de plek waar hij zijn tocht begon. Hij is thuis! Maar hoe moet de draak nu terug? Kalo Dant wil bij zijn stam raad en hulp halen en laat de draak zolang in een grot achter. Deze belooft te wachten, maar de veer moest er wel aan te pas komen.

Zo kwam de draak in onze wereld. En hij bleef er. Want hij hield zich niet aan zijn belofte en begon het land onveilig te maken, vee en zelfs kinderen te roven. Toegegeven, Kalo Dant had zoveel te vertellen dat hij de draak wat lang aan zijn lot had overgelaten. Hij liet zich overhalen het dier niet terug te sturen; als het zich maar zou gedragen! En dat gebeurde na­tuurlijk niet. De draak weet hem zelfs nog over te halen, hem gezelschap te geven: dan is hij niet meer zo alleen en zal hij zich beter gedragen. Kalo Dant geeft de draak met behulp van de veer twee koppen erbij. Hij trouwt de koningsdochter maar raakt later de veer kwijt. Er zijn mensen die zeggen, dat de draak zelfs meer dan drie koppen heeft…

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

Dit verhaal wordt genoemd in Michaël 37

.

2821-2647

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-4)

.

Uit de verzameling van Nora von Baditz  ‘Aus Michaels Wirken’
opgenomen in vrijeschoolkrant Leiden, verdere gegeven onbekend.

.

Een Franse Michaëllegende
.

Aubert, de vrome en bij God geliefde bisschop van Avranches, verscheen een engel toen hij sliep en gaf hem opdracht op de berg Tumba een kerk te bouwen, die aan Michaël gewijd moest worden. Michaëls naam moest niet alleen geëerd worden op de berg Gargano, maar ook midden in zee!

De bisschop kende het woord van de apostel Johannes – “onder­zoek of de aan U verschenen geesten wel uit God zijn!” – en overwoog dit in zijn ziel. Toen juist verscheen de engel hem ten tweede male en beval hem te doen wat hij hem had opgedragen. Nog aarzelde de bisschop. Wie bouwt er nu een kerk op een rots in zee? Tenslotte wierp hij zich op de knieën en bad vurig tot onze Heer Jezus Christus en ook tot de heilige aartsengel Michaël zelf. Hij vroeg in zijn gebed of zij hem hun wil zouden willen openbaren.

Juist in die tijd steelt een man een stier en verstopt die op de berg. Hij wil hem verkopen, zodra de eigenaar berust in het verlies van het dier.

Onderwijl werd de eerwaarde bisschop voor de derde keer op zeer dringende wijze aangemaand om niet langer ongehoorzaam te zijn, maar dadelijk naar de aangeduide plaats te gaan en die niet meer te verlaten voordat het werk zou zijn voltooid. Op de vraag van de bisschop waar de meest geschikte plaats zou zijn om de kerk te bouwen antwoordde de engel: “Daar, waar je een gebonden stier zal vinden.” Op de vraag, hoe groot de plaats moest zijn, antwoordde de engel:  “Gebruik de bodem die door de stier is omgewoeld en geef het beest daarna aan zijn baas terug!”

Toen begaf de eerwaarde bisschop zich vol zekerheid en onder het spreken van heilige lofprijzing en het zingen van heilige gezangen naar de berg en begon aan het werk. Hij vond de vast­gebonden stier en liet die aan de eigenaar teruggeven. Een flinke schare boeren bracht hij bijeen. Die effenden de grond en maakten de plaats schoon. Maar, o wee, midden op de plaats bevond zich een reusachtig rotsblok, dat de sterkste, mannen ondanks hun verwoede pogingen niet van zijn plaats konden krijgen, lange tijd deden zij moeite, maar vergeefs. Niemand wist meer raad. Maar ziet! In de nacht daarop had een boer – hij heette Bain  – uit het naburige dorp Itius een droom. Hem werd het bevel gegeven zich bij de arbeiders te voegen. Met zijn twaalf zonen begaf hij zich op weg.
Zij kwamen bij de grote rots. Wat de mensen niet hadden gekund, volbracht deze man met Michaëls hulp: de rots scheen zeer licht te zijn, want Bain schoof de rots gemakkelijk terzijde. Allen prezen God en de aartsengel Michaël. Men toog met nieuwe moed aan het werk.

De bisschop aarzelde nog over de afmeting van de muren. Maar ziet! Evenals in het verhaal van Gideon viel er ’s nachts dauw op de top van de berg. De aarde bleef echter droog op de plaats waar de grondvesten gelegd moesten worden. De bisschop hoorde een stem die sprak: ‘Gaat heen en zet de stenen, zoals het U aangegeven is!’

Toen stond hij op, prees de almachtige God en ging vrolijk aan het werk, Michaëls zegen afsmekend.

Dat was het begin van de beroemde Michaëlskerk op de Mont-Saint-Michel.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.
2820-2646

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-2/2)

.

Dit is hetzelfde verhaal als van [10-2/1], alleen met iets andere woorden.

.
Naar een Poolse legende, in het Duits bewerkt door Herbert Hahn, nadere gegevens onbekend
.

Sint-Michaël op de maansikkel
.

Heb je wel eens op een heldere, verheven herfstnacht sterren aan de hemel uiteen zien spatten? Zij gaan op als de hoop in een mensenziel, als het be­sluit van een mensenhart gaan zij onder, krachtig stralend. De mensen noe­men het sterrenregen.
Wie echter zijn engel liefheeft en van kind af aan geen vrees in zijn hart binnenliet, weet wel heter. Hij ziet in de heldere herfstnachten daarboven de grote strijder, die Sint-Joris wordt genoemd op aarde en Sint-Michaël in de hemel. En hij ziet zijn aangezicht dat in een glans van gouden wijsheid stralend, zichzelve niet bewust, het hart van de godheid weerspiegelt. En hij ziet zijn arm schitteren in de wapenrusting die sterk is en rein, als gesmeed van hemelse gerechtigheid. En zijn rechterhand slaat St. -Michaël aan zijn zwaard, dat de sluipende, begerige, krioelende, verscheurende onreinheid treffen zal. En de sterren beven en diamanten vonken spatten als Michaël zijn hand aan zijn zwaard slaat .

Heb je wel eens in de donkere wintertijd de tere sikkel van de maan over de fijne witte wolken zien glijden? Het ruist om haar, als het fluisteren van de grasvelden van verre hemelse weiden, een verlangen om ver, ver weg te zijn grijpt het hart van de mensen aan, die opzien naar de maan aan de winterhemel. Wie echter zijn engel liefheeft en van kind af aan reinheid in zijn hart be­waarde, weet wel beter. Hij  ziet daarboven op de smalle sikkel van de maan de hemelse maagd Maria staan, en hij weet, dat zij koningin is. Zij  zendt haar glimlach naar de aarde, naar hen, die geplaagd worden door verlangen en ontbering. En zij laat uit haar tere handen hemelse graankorrels neerdalen, die zegenend op aarde vallen. Zij schenkt uit haar tot gebed gevouwen handen. Ze bidt voor de diepten, dat ze verzadigd mogen worden en goed gevuld met het wonder, dat de hoogten nog in zich bergen.

En eens zal het geschieden. In een herfst, wanneer de berkenboom zijn blade­ren niet meer zal betreuren; wanneer het berkenblad vrolijk ter aarde zal vallen. Dan zal op een goede dag een trap boven de maan verschijnen, waarvan de treden zullen zijn als van melkwitte steen. En langs deze witte treden zal Maria omhoog schrijden naar de gouden hemelse oogstdanktafel, met haar handen zegenend verlossing wenkend, als gingen haar voeten over gespreide dui­venvleugels.

Maar de maansikkel zal niet leeg achterblijven. Een lied zal van haar
weer­klinken, dat noch in de hemelen, noch op aarde ooit werd gehoord.
Sint-Mi­chaël zal dan op de maansikkel staan. Als hemelse smid heeft hij dan zijn zwaard tot lier omgesmeed en snaren erop gespannen van moedgedachten van de mensen. De overwinnaar van de draak zal spelen en zingen, en zijn ambt ver­vullen als hemelse luitspeler. Er is kracht in zijn lied. Van vertroosting zal hij zingen en van vervulling van een oude tijd en het nabije nederdalen van het hoogste licht waarin Maria’ s glimlach verdween.

En vreugde zal de berk tot in zijn diepste merg doorhuiveren als dit lied weerklinkt. En de herfst zal als voorjaar zijn.
Vele mensen zullen het niet zien, vele mensen zullen het niet horen. Wie
ech­ter zijn engel liefheeft en trouw in zijn hart draagt, die kent het goede en schaart zich met zijn wil erachter.
.

.

Michaël: alle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

2819-2645

.

.

.