VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-2-2)

.

bron onbekend

.

Snotverkouden, steeds maar weer
.

Heel jonge kinderen zijn veel vaker verkouden dan volwassenen. Bij sommigen van hen stromen de grote groengele snottebellen zelfs onophoudelijk uit de neus. Antibiotica en amandelen knippen, zijn de bekendste oplossingen. Sinds kort is er een nieuwe tip: afwachten tot het ongemak over gaat.

Anne Schilder is hoogleraar Kinder kno-heelkunde in het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU). Zij herkent dit soort klachten goed. „Het afweersysteem van kleine kinderen is nog volop in ontwik­keling. Dat moet uitrijpen, zoals ze ook moe­ten leren praten en lopen. In tegenstelling tot volwassenen maken ze nog niet of niet snel genoeg de juiste antistoffen aan.’ Daar­om zijn baby’s en peuters zes tot tien keer per jaar verkouden, produceren veel snot en hebben een verstopte neus, een heel norma­le situatie. Volwassenen overkomt dit jaar­lijks twee tot vijf keer. In gezonde toestand produceert de binnen­zijde van de neus precies genoeg slijm om de ingeademde lucht vochtig te houden en binnendringers als stof, virussen en bacteri­ën buiten te houden. Bij een verkoudheid is het slijmvlies in de neus, de bijholten en de keel ontstoken. Oorzaak is de besmetting met een verkoudheidsvirus. Dat verspreidt zich makkelijk via vochtdruppeltjes in de uitgeademde lucht die anderen weer
inade­men.
G. is 2,5 jaar als ze voor het eerst kinderdagverblijf X binnen-huppelt. Ze is dan een gezond meisje, blikt haar moeder terug: „Af en toe is ze verkouden, maar welke peuter is dat niet.” Eenmaal tussen haar leeftijdsgenootjes op de crèche verandert die situatie. Bijna onop­houdelijk komen er grote, groengele
snotte­bellen uit G’s neus en ze ademt continu door haar mond. ’s Nachts vult gesnurk de kinderkamer en regelmatig wordt ze wak­ker.

Pas twee tot drie dagen na de infectie (dit heet de incubatietijd) worden de signalen zichtbaar. Er wordt te veel slijm aange­maakt, wat snotteren veroorzaakt in de neus en keel. Het hoesten begint, er kan sprake zijn van keelpijn, niezen en neusver­stopping.

Kleine kinderen in groepen worden vaker verkouden dan kindjes die thuis in het ge­zin verblijven. Ze komen simpelweg sneller in aanraking met voor hen nieuwe virussen en bacteriën, zegt Schilder. „In een kinder­dagverblijf zitten baby’s en peuters dichter op elkaar. Door te hoesten en elkaars speel­goed in de mond te steken, besmetten ze el­kaar eenvoudig.”

Ook passief meeroken vergroot de kans op een verkoudheid, omdat de giftige deeltjes in rook het slijmvlies aan de binnenkant van de luchtwegen irriteert. Bij de inmiddels 3-jarige G. merken haar ouders dat de verkoudheden elkaar bijna non-stop blijven opvolgen.

Tot twee keer toe hebben ze contact opgenomen met de huisarts. De eerste keer stelt hij ze gerust en adviseert een neusspray (zie kader Maatrege­len). Wanneer ze er een paar maanden later opnieuw aankloppen, besluit de huisarts over te gaan op een antibioticabehandeling. Dat helpt even, maar al snel produceert G. weer onophoudelijk haar groengele snot­tebellen, de verkoudheden hebben af en toe ook hun weerslag op de situatie thuis en op het werk. Moeder: „Mijn man en ik moesten nogal eens met agenda’s schuiven, als we besloten de erg vermoeide G. een dagje thuis te houden.” Lachend: „Boven­dien zijn kortere nachten niet altijd even be­vorderlijk voor een goed humeur.” Op zoek naar een betere oplossing wordt G. afgelopen winter doorverwezen naar een kno-arts in het Wilhelmina Kinderzie­kenhuis van het UMC Utrecht. Hij consta­teert een forse neusamandel. Maar tot moeders grote verrassing adviseert de arts niet dat­gene wat zij wel had verwacht: het knippen van die amandel.

Jaarlijks wordt in Nederland bij meer dan 20.000 kinderen de neusamandel geknipt. In andere westerse landen gebeurt dit veel minder vaak. Dit verschil is volgens hoogle­raar Schilder cultureel bepaald. „Waar ouders en artsen in ons land kiezen voor een operatie, wordt in omringende landen vaker en langduriger antibiotica voorgeschre­ven. In Nederland kiezen we hier niet voor. We weten dat deze medicijnen meestal geen effect hebben op de verkoudheidsvirussen.”

Bij chronisch verkouden kinderen blijkt dat het verstandiger is gewoon af te wachten tot de verkoudheden overgaan, dan meteen te opereren. Zo bleek dit najaar uit een twee jaar durende studie, onder leiding van Schil­der. „We hebben steeds gedacht dat neusa­mandel knippen echt hielp, omdat de klachten na de ingreep minder werden. Maar nu weten we dat ditzelfde ongemak meestal ook afneemt als kinderen ouder worden.”
Toch is het knippen van de neusamandel hiermee niet van de baan, integendeel. Blok­keert de ontstoken amandel de luchtweg? Of heeft een kind een chronische oorontste­king? Dan zal nog altijd worden gekozen voor de operatieve verwijdering van de neusamandel.

Moeder: „G. is intussen net 4 jaar en gaat naar school. Wat was het afgelopen winter raar om het advies te krijgen haar niet te opereren. Terwijl je om je heen nog altijd verhalen hoort van kinderen waarbij wel voor die oplossing is gekozen. Maar goed, in onze situatie hebben we sa­men met de arts besloten af te wachten. Nu merken we simpelweg dat G. over haar ongemak aan het heengroeien is: ze is niet meer zo vaak verkouden en slaapt veel be­ter. Natuurlijk zit er we eens een onrustige nacht tussen, maar deze situatie is niet al­leen voor ons, maar vooral voor haar heel acceptabel.”

.

Maatregelen

Ouders kunnen zelf bijdragen om de hinder en verspreiding van een verkoudheid zo veel mogelijk te beperken. Hoogleraar Anne Schil­der belicht er een paar:

Rook niet (binnen)

Zorg voor een goede hygiëne: veeg de snottebellen af met een schone zakdoek; gebruik deze geen tweede keer. Was regelma­tig de handjes van het kindje (en die van jezelf) om verspreiding van de ziektekiemen te beper­ken.

Gebruik neusdruppels of – nog liever – een spray met een zout­oplossing. Dit spoelt het snot weg en vermindert de zwelling in de neus. Overleg met uw huis­arts als de klachten aanhouden, in het uiterste geval: zoek naar een andere vorm van kinderop­vang waarin minder kinderen te­gelijkertijd in een ruimte verblij­ven en de kans op het krijgen van een nieuwe verkoudheid klei­ner is. „Al is dat lastig te realise­ren bij kinderen: het virus ver­spreidt zich makkelijk, omdat ze elkaar juist opzoeken om te spe­len.”

Lang leefde de gedachte dat hel­der, doorzichtig snot wordt ver­oorzaakt door een virus. Groen­geel snot daarentegen zou een gevolg zijn van een bacteriële in­fectie. Hoogleraar Anne Schilder hangt die theorie niet meer aan: „We weten inmiddels dat ook vi­russen kunnen zorgen voor de groengele kleur.”

Snot bestaat vooral uit slijm. Normaal gesproken is dit helder van kleur. Dit kan veranderen als een ziekteverwekker in de neus terechtkomt. Er ontstaat een
ont­steking waar het lichaam vanaf wil. Als reactie hierop maakt het lichaam meer slijm en antistof­fen aan: het wil van de ziektever­wekker af. Het snot verandert dan van kleur, omdat het resten van virussen en bacteriën en wit­te bloedlichaampjes bevat.

Bij kleine kinderen kan de ene verkoudheid de andere opvolgen.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl
.

1958-1842

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Geschiedenis klas 9 – Rousseau

.

N.a.v. Rousseaus sterfdag – op 3 juli 1978 2oo jaar geleden,  schreef Arnold Henny een artikel over hem. Zijn gezichtspunten kunnen worden gebruikt wanneer Voltaire in de geschiedenislessen van klas 9 behandeld wordt.

Arnold Henny, Jonas 3. 06-10-1978

.
Jean-Jacques Rousseau, de kerkvader van de revolutie

.

Dit jaar is het 200 jaar geleden dat Jean-Jacques Rousseau is gestorven: 3 juli 1778. Dit sterfjaar heeft hij gemeen met zijn geestelijke tegenvoeter Voltaire. De invloed, die beide schrijvers hebben uitgeoefend op de Franse revolutie die 11 jaar na hun dood te Parijs is uitgebroken, is onmiskenbaar, hetgeen nog geen aanleiding hoeft te zijn hen thans te herdenken.

In mijn Jonas-artikel over ‘Voltaire en de volkerenpsychologie’ heb ik willen aantonen, waarom een Voltaire-herdenking nu nog van belang is. Zijn ‘Essai sur les moeurs et l’esprit des nations’ was een eerste poging de mensheid als geheel in haar verscheidenheid van volkeren, cultuurhistorisch te beschrijven. Daarbij werd niet meer de geschiedenis van het eigen volk vooropgesteld, maar als deel van de gehele mensheid, gerelativeerd in zijn verhouding tot andere volkeren. Bij Rousseau ligt dat anders. Hij is de grondlegger van de volkssouvereiniteit. Aan de ‘algemene wil’ van het volk kende hij een absoluut gezag toe. Daardoor is hij niet alleen de ‘kerkvader’ van de Franse revolutie geweest, maar hebben zijn geschriften ook inspirerend gewerkt op de vele nationale bevrijdingsbewegingen – in Italië en Duitsland – in de 19e eeuw. Bovendien vindt men in zijn ‘Contrat social’ ideeën die tegenwoordig letterlijk schijnen te zijn overgenomen in de zogenaamde volksdemocratieën in Oost-Europa en China. Ook daardoor is hij de antipode van Voltaire, die het Engelse model van constitutionele democratie als voorbeeld stelde van staatkundige hervorming in Frankrijk.

Beide schrijvers hebben dan ook een verschillende invloed uitgeoefend op de gebeurtenissen te Parijs tussen 1789 en 1795. In de eerste periode – tot 1792 – zijn het vooral de meer liberale ideeën geweest die de revolutie hebben gestimuleerd. Daarna, – na de val van de monarchie – zijn het de meer radicale ideeën geweest, onder invloed van de Jacobijnenclub en van Robespierre die wel eens het ‘vleesgeworden Contrat social’ is genoemd.

Zó spiegelt zich in deze zes revolutiejaren de eeuw van de Verlichting, die niet alleen de eeuw is geweest van de ‘rede’ – onder andere via Voltaire – maar ook de eeuw van het ‘gevoel’ – via Rousseau.

Goethe heeft dit als tijdgenoot reeds voorzien. ‘Met Voltaire eindigt een tijdperk en met Rousseau begint een nieuw’, heeft hij eens gezegd.

Na 200 jaar kunnen wij constateren dat met Voltaire de ‘burgerlijke’ revolutie is ingezet, gebaseerd op zuiver rationalistische grondslag, en dat met Rousseau de ‘proletarische revolutie’ is begonnen, sterk op de toekomst gericht onder invloed van een collectieve wilsimpuls en daardoor meer irrationeel.

Volonté générale

Ik citeer een beroemde passage uit het Contrat social: ‘Wil het geen loze vorm zijn dan houdt het maatschappelijk verdrag stilzwijgend die verplichting in die als enige de andere dwingend kan maken, dat a lwie zal weigeren te gehoorzamen aan de algemene wil er door heel het staatslichaam toe gedwongen zal worden. Dit betekent niets anders dan dat men hem zal dwingen vrij te zijn. Want de voorwaarde die iedere burger vrijwaart van afhankelijkheid is: hem aan het vaderland te geven; een voorwaarde die het politieke raderwerk kunstig en vlot doet lopen en die als enige de burgerlijke verplichtingen legitimeert; zonder haar zouden zij absurd zijn, tiranniek en onderhevig aan de grootste misbruiken’.

Voor Rousseau was de liefde voor het vaderland niet alleen een deugd maar ook een waarborg dat ieder burger afstand doet van zijn eigen belang en geheel gehoorzaamt aan de ‘algemene wil’ – volonté générale – van het volk, waartoe hij behoort. In een brief aan Bordes schrijft Rousseau wat hij onder deze gehoorzaamheid verstaat… ‘Burgerlijke ongehoorzaamheid is landverraad en wordt met de dood gestraft. Aan de landsgrenzen wordt een galg opgericht om daaraan de eerste burger die deze grenzen zou proberen te overschrijden, te laten ophangen. Want de burger doet daarmee niet alleen zijn volk, maar zichzelf kwaad aan en het is beter dat hij wordt opgehangen dan dat hij slecht is voor zichzelf’.

De onderwerping van de individuele burger aan de ‘algemene wil’ van het volk is dus niets anders dan een vorm van zelfbescherming. Zelfbescherming van de enkeling tegen de enkeling. Want de mens is wél ‘van nature goed’, maar de cultuur heeft hem verdorven. Voor Rousseau betekent ‘cultuur’, leven in afhankelijkheid van anderen. Daarmee heeft de mens zijn eigen vrijheid, die hem in de natuurstaat nog gegeven was, verloren. Niet alleen de vrijheid maar ook de gelijkheid met de medemens. Want cultuur gaat gepaard met verlangen naar roem, naar onderscheid boven anderen, bovendien met arbeidsverdeling, waardoor mensen onderling van elkaar afhankelijk zijn geworden. Dat is voor Rousseau de zondeval die de mens zichzelf op de hals heeft gehaald. Om dit in te zien, hoeft men niet meer het bijbelverhaal te lezen over de engel Gabriël met het vlammende zwaard die Adam en Eva uit het paradijs heeft verdreven. Het paradijs van Rousseau is een eerste ontwikkelingsstadium, waarin de mens volmaakt gelukkig was, omdat hij alleen op zichzelf was aangewezen, leefde vanuit zijn nog dierlijk instinct en de ‘andere mens’ voor hem nog geen -lastpost was. Wat Sartre twee eeuwen later, in zijn ‘l’enfer, c’est l’autre’ tot uiting brengt, was voor Rousseau reeds een existentieel gegeven. Zijn hele leven lang heeft hij als eenzaam zwerver met anderen overhoop gelegen, ‘nooit echt geschikt om in het gezelschap van zijn medemensen te leven’. ‘Ik was wanhopig’ schreef hij, ‘over mijn onhandigheid in gezelschap’. Het meest gelukkig gevoelde hij zich in de periodes van zijn leven, waarin hij op een landgoed van de Franse aristocratie – madame de Warens, madame d’Epinay – een kluizenaarsbestaan kon lijden, ‘van het bos zijn werkkamer maken’ om in lange wandelingen toe te geven aan zijn voorliefde voor dagdromen.

Veel van zijn ideeën – en vooral die van de maatschappelijke verhoudingen – zijn uit deze dagdromen geboren. Het ‘terug naar de natuur’ – waarvan niet alleen zijn ‘Verhandeling over de oorsprong der ongelijkheid’ maar ook zijn roman ‘La nouvelle Héloise’ is doortrokken – was ‘voor veel lezers een verlossing. Was het eigenlijk niet vanzelfsprekend, dat Rousseaus oeuvre, in marokkijnleder ingebonden, op de kaptafels lag van de dames, die gebonden aan sociale verplichting, vele uren moesten besteden aan de opmaak van hun toilet, om te kunnen verschijnen in de grote wereld van Parijs?

Tot in de tuinarchitectuur toe – weg met het snoeimes en de geometrische vormen, laat de natuur zijn vrije loop! – sprak de nostalgie en de weerzin tegen de vervreemding van de natuur die plotseling de mensen aangreep, en waaraan slechts enkele sterk kritische geesten zich konden onttrekken.

Een van hen was Voltaire, aan wie Rousseau zijn ‘verhandeling over de oorsprong der ongelijkheid’ had toegestuurd. Hij antwoordde met de volgende brief (30 augustus 1755):

‘Ik heb, mijnheer, uw laatste boek tegen de mensheid ontvangen en betuig er mijn dank voor. U zult bij de mensen in de smaak vallen, aan wie u hun waarheden debiteert, maar u zult hen niet verbeteren. Men kan nauwelijks nog feller kleuren gebruiken om de gruwelen te schilderen van de menselijke samenleving, waarvan onze eigen onwetendheid en zwakheid nog zoveel troost verwachten. Nog nooit heeft men zoveel schranderheid aangewend in een poging om ons dom te maken; als men uw boek leest, zou men op handen en voeten willen gaan lopen. Niettemin, daar ik deze gewoonte reeds zestig jaar geleden opgaf, voel ik mij ongelukkigerwijze buiten staat, haar weer aan te wenden, en laat deze natuurlijke houding over aan wie haar meer waard zijn dan u en ik’.

Voltaires scherpe blik heeft terstond de kardinale denkfout doorzien in het geestelijke fundament van Rousseaus natuurstaat. ‘Nooit werd zoveel schranderheid besteed om ons allen dom te maken’. Dat wil zeggen: de historische visie, waarop Rousseau zijn gevoelsmystiek van de ideale natuurstaat baseert is een stuk rationalisme: het heeft een volledig verstandelijke en theoretische interpretatie van de historie nodig, om het gevoel tot zijn recht te doen komen.

Ontwikkeling als dialectisch proces

Toch kon Voltaire in 1755, toen hij deze brief schreef, niet voorzien welke ‘tour de force’ Rousseau in zijn denken zou ondergaan, toen hij in 1762 het Contrat social schreef.
Want daarin beschrijft hij, hoe, uit zelfbehoud tegen de bedreiging van de ‘ander’, de mens zijn toevlucht neemt tot absolute gehoorzaamheid aan de gemeenschap.
Ook dat is bij Rousseau een vorm van eigenbelang, van zelfbescherming.
Met deze constructie heeft Rousseau staatsmacht en individuele vrijheid willen verzoenen. Want in de ‘algemene wil’ van het volk, door het staatslichaam gelegitimeerd, herkent iedere burger zijn eigen wil. Door de algemene wil worden individuele vrijheden, worden burgerrechten, als oorzaak van willekeur, opgeheven.
De algemene wil is onfeilbaar, zij spreekt altijd ex cathedra. Wie meent dat zijn eigen opvattingen, zijn eigen persoonlijk recht, in strijd is met de algemene wil, oordeelt tegen beter weten in. Ook al zijn hem burgerrechten verleend, deze mogen nooit zódanig worden geïnterpreteerd, dat hierdoor particulierbelang in conflickt komt met collectief belang. Tegen déze afwijking moet iedere burger worden beschermd. Hij begaat een soort zelfvergrijp en moet worden geredresseerd. De mens wil het eigene maar behoort het algemene te willen, dat is zijn eigenlijke eigenlijkheid.

Rousseau beschrijft hiermee een evolutieproces, de loutering van ‘amour de soi’ – de liefde van de mens voor zichzelf in de natuurstaat – tot ‘amour propre’ – de volledige overgave aan de algemene wil van de collectiviteit. Het is een dialectisch proces, een ontwikkeling van leven in natuurlijke verhoudingen, via leven in een aan de natuur vijandige beschaving, tot een herwinnen van de verloren gegane natuurlijke verhoudingen, door volledige, overgave en gehoorzaamheid aan de algemene wil.

Dit laatste is net niet meer een aangelegenheid van nostalgie onder een elite van aristocraten die lijdt aan overbeschaving, maar wordt een aangelegenheid van de massa, die onder het tromgeroffel van de Marseillaise, dadelijk zal worden opgeroepen het vaderland te verdedigen. In de ‘deugd van de vaderlandsliefde’ hervindt de mens zijn vrijheid, die hij verloren heeft tijdens het ontwikkelingsstadium van de mensheid, waar hij vervreemd is geraakt van zichzelf, onder invloed van de beschaving.

Rousseau en de 20e eeuw

Na tweehonderd jaar, valt het ons niet gemakkelijk, deze uiterst abstracte voorstellingen van Rousseau op de voet te volgen. Niettemin is het schokkend, wanneer, na 61 jaar proletarische revolutie in Rusland, blijkt, dat deze voorstellingen ons toch wel vertrouwd zijn geworden. Speciaal wat de interpretatie van burgerrechten – of mensenrechten – betreft. Mensenrechten worden in de Sovjetunie volledig erkend, mits zij geen afbreuk doen aan de discipline van de communistische partij…

Daarmee hoeft nog geen direct causaal verband te worden aangetoond tussen Rousseaus Contrat Social, zijn hierin beschreven volonté générale, en de communistische partijdoctrines. Tussen Rousseau en Lenin of Brezjnev ligt Karl Marx, wiens leer maar voor een klein deel beïnvloed is geweest door Jean-Jacques. Niettemin blijft de dialectische ‘tour de force’ van de Franse dweper boeiend tegen de achtergrond van het ‘dialectisch materialisme’, waarmee de huidige maatschappijstructuur in de Sovjetunie wordt gerechtvaardigd.

In de 20e eeuw blijkt dus wel, dat de invloed van Rousseau veel verder – zowel in positieve als in negatieve zin – is gegaan ‘dan die van Voltaire, die beperkt is gebleven tot de 18e en 19e eeuw.

Goethe’s woorden zijn dus wel waar gebleken: ‘met Voltaire eindigt een tijdperk en met Rousseau begint een nieuw’. Hoewel niet waarschijnlijk is dat Goethe heeft voorzien welke vlucht Rousseaus irrationalisme genomen heeft in 200 jaar mensheidsgeschiedenis.

Wie wél reeds in de 18e eeuw heeft voorzien in welke uitersten van demonie een revolutie kan vervallen – anarchie enerzijds, despotisme van de ‘Déesse Raison’ anderzijds – was Friedrich Schiller, wiens brieven ‘über die ästhetische Erziehung des Menschen’ als een antwoord kunnen worden beschouwd op de uitdaging van de Franse revolutie.

Schiller zegt daarin dat noch een toegeven aan de dwang van de instincten – Stofftrieb – noch een zich conformeren aan een ‘Ideeën-Einheit’ – Formtrieb – de mens vrijmaakt.

De weg tot zelfverwerkelijking – Spieltrieb – voert tussen beide extremen in. De tweevoudige vervreemding van zichzelf kan de mens opheffen door het innerlijke evenwicht te vinden waar hij de ‘natuur tot zijn vriend maakt en haar vrijheid eert, doordat hij haar willekeur weet te beteugelen’. Voor Schiller was het geenszins verbazingwekkend, toen de door de revolutie losgeslagen instincten van de ‘bon sauvage’ alleen nog maar door middel van een starre politieke heilsverwachting – beschermd door militair geweld – konden worden beteugeld. Zolang het vraagstuk van de menselijke vrijheid nog niet gesteld werd als een vraagstuk van opvoeding – niet door maar tot vrijheid – was dit verloop der gebeurtenissen niets anders dan een psychologische noodzaak.

De geschriften van Rousseau bleken in de afgelopen 200 jaar een literaire steengroeve te zijn. Iedere generatie heeft daar het materiaal uitgehaald voor een voetstuk voor eigen glorie. Omdat Rousseaus oeuvre, als geheel gezien, een vat van tegenstrijdigheden blijkt te zijn, kan iedereen bij hem terecht: rationalisten en irrationalisten, individualisten en collectivisten, sentimentalisten en moralisten, democraten en anti-democraten, anarchisten en voorstanders van dictatuur.

Maar niet alleen zijn werk, ook zijn leven zit vol tegenstrijdigheden. Het leven van de man die onder bescherming van de Franse adel zijn boeken schrijft, welke later een tijdbom blijken te zijn waarmee de Franse standenmaatschappij wordt opgeblazen. Het leven van de man die zegt dat boeken hem meer in verwarring hebben gebracht dan dat zij hem iets hebben geleerd, hetgeen hem er niet van weerhoudt zichzelf vol te zuigen met de denkbeelden van alle grote geesten van zijn eigen tijd en het verleden. Het leven van de man die verkondigt dat ‘wie de plichten van een vader niet kan vervullen, niet het recht heeft vader te worden’, en zelf zijn vijf kinderen een voor een in het vondelingentehuis laat opbergen.

De literatuur over dit, zowel psychologisch als maatschappelijke raadsels stellende wezen, is langzamerhand zó omvangrijk geworden, dat nauwelijks een mensenleven lang genoeg is om daarin dit alles te kunnen lezen. Dit heeft trouwens Rousseau gemeen met Napoleon en Karl Marx.

Ter gelegenheid van de tweehonderdjarige herdenking van Rousseaus dood, is in ons land een nieuw boek over hem toegevoegd aan de onafzienbare keten van de voorafgaande: ‘Het cultuurprotest van Jean-Jacques Rousseau’ van R.F. Beerling. *

Ik heb daaraan in dit artikel speciaal passages over het Contrat Social en de volonté générale ontleend. Wat betreft de invloed van Rousseau op de volksdemocratie in de communistische landen, stelt de schrijver zich heel voorzichtig op. Er wordt in het boek nauwelijks naar verwezen. Wél ziet Beerling Rousseaus invloed op de zogenaamde ‘tegencultuur (counter-cultures)’ die in de zestiger jaren van deze eeuw zulk een omvang heeft genomen bij het studentenprotest in Amerika en Frankrijk.

Rousseaus rijk gevoelsleven, zijn door dagdromen bevolkte wereld, waarvan zijn werken een weerspiegeling zijn, blijken voor velen nog steeds een oase te zijn in de woestijn van de huidige maatschappij. Naast de ‘hippies’ aan de Amerikaanse universiteiten, ‘bloemenkinderen’ die zich in hun communes afzonderden van de maatschappij uit onwil daaraan hun handen vuil te maken, zijn er de radicalen, die onder een ijzeren discipline en absolute gehoorzaamheid aan de collectiviteit, niet terugschrikken voor terreur.

Zo waart nog steeds de geest van Rousseau, van deze 18e eeuwse ‘promeneur solitaire’ rond in de 20e eeuw: in en buiten Europa, van West naar Oost en van Oost naar West.

Alleen reeds daarom kan een herdenking gerechtvaardigd zijn.

*R.F. Beerling. Het cultuurprotest van Jean-Jacques Rousseau. Studies over het thema pathos en nostalgie. Van Loghem Slaterus, Deventer.

.

Geschiedenis klas 9

.

1957-1841

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (12))

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 90                                                                                                     hoofdstuk 12

Over een vogeltje dat niet zo graag vliegt
en over vissen die nesten bouwen

Als hij een kroontje op zou hebben, deze dwerg onder de zangvogels, dan zou dat toch maar even klein mogen zijn als hijzelf. Maar hij heeft er geen en toch noemt men hem koning. Zijn rijk bestaat uit heggen en struiken, hagen en rijshout. Daar beweegt hij zich vrij en onbezorgd, zoals geen ander dat kan, net als een koning. Heel graag zit hij ook bij het water, aan beekjes, vijvers en plassen. Hij sluipt door dor rijshout, steeds dicht bij de grond, ook kruipt hij door dicht kreupelhout, hoekjes en holletjes doorzoekend. Het is het winterkoninkje dat dit zo opgewekt doet, want we hebben het alleen over hem.
Zijn verenpak is helemaal niet zo koninklijk, roestkleurig met een tekening van donkerbruine golflijntjes op zijn rug. Over de ogen tot aan het spitse snaveltje is een lichte streep getrokken. Zo valt hij nauwelijks op in het struikgewas waarin hij leeft.
Is hij weg, dan komt hij ergens anders al weer tevoorschijn. Af en toe drijft de overmoed hem naar een hogere plaats van waaraf hij dan al gauw een liedje kwettert, dat toch niets anders betekent dan: zie en hoor mij toch eens, ik ben toch de koning van heggen en hagen! Wanneer hij iets bijzonders heeft ontdekt, duidt hij dat bovendien nog met lichte buiginkjes aan.
En hoe hij trillers zingt, hoe hij kwettert, dit kleine, krachtige kereltje!
Vaak klinkt het bijna zoals van een kanarie, alleen helderder, energieker. Het is een lust om naar hem te luisteren!
Zelfs in de winter zwijgt de onverdroten zanger niet, want ook in de sneeuw laat hij zijn liedje horen. Alleen in de zomermaanden, wanneer hij in de rui is, hoor je hem niet. Maar de lust om te zingen komt altijd weer terug, want die zit hem in het bloed. Wanneer hij niet zingt, verraadt hij zich toch door zijn krachtige ‘tsik’ of tèrrrrrrt’. Zijn waarschuwingsroep ‘tèrrrt, tèrrrt wordt ook door andere vogels begrepen.
De familie van het winterkoninkje is vooral verspreid over het subtropische Amerika. Daar zitten vele goede zangers onder, ook de flageoletvogel wiens lied als de mooiste vogelzang beschouwd wordt, hoort daarbij. Een vogelonderzoeker zei eens dat dit de allerbeste zanger is uit de keerkringlanden van Amerika. Je zou zijn zang met het aanslaan van kleine klokjes kunnen vergelijken die meestal afgestemd zijn, maar rekening houdend met de juiste toonafstanden, volgens de regels bij elkaar gebracht, die langzaam en zacht uit de boomtoppen weerklinken. Wie ze hoort, verklaart dat hij dergelijke klankrijke en toch zulke zachte en tere, goed in het gehoor liggende, bijna bovenaardse tonen nergens anders gehoord heeft, maar ook helemaal niet voor mogelijk gehouden.
Zo’n verslag zoals van deze vogel uit de warmere landen kunnen wij over onze wakkere winterkoning nu eenmaal niet geven, maar dat hij desalniettemin tot de beste zangers van zijn land behoort, kan niemand hem ontzeggen.
Meestal wordt hij als onze kleinste zangvogel beschouwd, maar dat is hij beslist niet, want onze twee goudhaantjes, het zomer- en het wintergoudhaantje, met hun ijle, zacht tsjirpende stemmetjes zijn nog kleiner dan hij.
Het winterkoninkje is helemaal niet schuw. Hoe kwiek hij zich vertoont wanneer hij zijn liedjes kwinkeleert en daar tussendoor steeds zijn buiginkjes maakt!
Vanaf zijn snavel tot het staartje is zijn lichaamslengte maar tien centimeter. Wanneer hij een echte staart zou hebben, was het nog wel wat meer, maar hij heeft maar een allerkortst staartje en dat steekt hij zelfbewust loodrecht omhoog, alsof hij nog in het bijzonder wil laten zien dat hij er tóch een heeft.
En de vleugeltjes? Die zijn zelfs voor zo’n klein vogeltje buitengewoon kort, bijna te kort. Dus het winterkoninkje kan onmogelijk een goed vlieger zijn die het lang volhoudt. Je moet hem nageven dat hij alleen vliegt wanneer het echt nodig is, anders hupt of springt hij liever flink en vrolijk. In elkaar gedoken kan hij buitengewoon hard lopen, zodat hij inderdaad wel voor een muis aangezien kan worden. Besluit hij als nog te gaan vliegen, dan gaat dat met trillende, zeer snelle vleugelslaagjes laag over de grond. Daarom vermijden winterkoninkjes ook weidevlakten of andere gebieden zonder bomen. En worden ze daar soms naartoe opgejaagd, dan worden ze snel moe en laten zich uiteindelijk zelfs met de hand vangen. Maar zonder schuwte ritselen ze door de stads- en dorpstuinen, ook schuurtjes en stallen worden afgestruind.
Wanneer het koddige ding een nest begint te bouwen, vertoont het zijn eigenaardigheden en kunsten weer van een andere kant. Het vrouwtje bouwt meerdere nesten, niet alleen maar één waarin zij haar jongen grootbrengt. Ook het mannetje bouwt nesten of hij helpt het wijfje. De andere nesten die niet gebruikt worden voor het grootbrengen van de jongen, worden speelnesten genoemd. Die zijn ook niet zo goed en zorgvuldig bekleed. Het nest van de winterkoning is in verhouding tot zijn bewoner opmerkelijk groot. Eigenlijk is het helemaal geen echt nest. Het is kogelrond met een ingang opzij, eigenlijk een soort holte. Omdat het erg lijkt op de struiken waarin het gebouwd is, is het ook moeilijk te vinden. Het winterkoninkje weeft twijgjes en dorre blaadjes ineen, al naar gelang wat de omgeving oplevert, ook mos en korstmos. Het winterkoninkje moet natuurlijk ontelbare keren wegvliegen en met een halmpje of blaadje in z’n snavel weer terugkomen. Maar dat doet hij graag en met ware hartstocht, want anders zou hij niet meer nesten bouwen dan er strikt genomen nodig zijn om de jongen groot te brengen.
De plaats voor het nest wordt zeer zorgvuldig gekozen. Je kan de winterkoningnestjes zowel in boomtoppen als beneden op de grond vinden, maar ook in aardholletjes of holle bomen, in gaten in een muur of speten in een rots, onder daken van huizen, in de struiken, maar ook in heggen en houtstapels, zelfs in kolenbrandershutjes en tunnels in de bergen hebben winterkoninkjes nesten gebouwd. Hoe het ook zij, het ronde bouwwerk is met aandacht, moeite en zorgvuldigheid gemaakt. Wat er gebruikt wordt, is zo kunstig en sterk bij elkaar gebracht, dat het eruit ziet alsof het aan elkaar gelijmd is. En het broednest, hoe fijn dat aan de binnenkant met zachte veertjes bekleed is! In zo’n nestje hebben de jongen die uit het ei zijn gekropen het natuurlijk heel fijn! Ze komen er, ook al kunnen ze al lang vliegen, steeds weer naar terug om te slapen. Ook bij heel slecht weer heeft men ze daar vredig bijeen aangetroffen.
Bij bijzonder guur, bar winterweer trekken ook de ouders zich in hun burcht terug, want daar vinden ze de allerbeste bescherming tegen sneeuwstormen en ijzige wind.
Mannetjes en vrouwtjes blijven hun hele leven trouw bij elkaar, wanneer ze eenmaal een paartje zijn geworden en alleen de dood kan ze van elkaar scheiden. Ook de jongen blijven nog lang bij elkaar als familie, dat kun je opmaken uit het feit dat ze in de herfst nog als een kleine troep samen rondvliegen.
De zes tot zeven eieren zien er wit uit met rode puntjes. Ze worden dertien dagen lang door allebei de ouders afwisselend bebroed en wanneer ze uit het ei zijn gekomen, worden de jongen ook door beide ouders gemeenschappelijk gevoerd. Weldra is het: zelf eten zoeken, spinnetjes, insecten en hun larven, van tijd tot tijd ook vruchten en bessen, bv. de donkerrode vlierbessen. Dat zal ieder winterkoninkje wel lekker vinden. Denk je ook niet?

Maar als we nu eens naar iemand anders kijken, naar een visje, ons stekelbaarsje, dan zou je die zeker niet toevertrouwen een nestje te bouwen!
In vroegere tijden werden de vissen weleens de vogels van de zee of het water genoemd. Zoals de vogels in de lucht, zo zweven zij a.h.w. door het water, sommige hoog aan de oppervlakte, andere daarentegen bij de bodem. De huid van de vissen zou je hun veren kunnen noemen, die zo in prachtige kleuren kan fonkelen en glanzen, vaak nog mooier dan bij de vogels.
Het stekelbaarsje komt bijna overal in onze binnenlandse wateren voor en hij bouwt daar een rcht nest voor zijn broedsel. Het visje is nauwelijks een vinger lang. Hij vindt zijn beste leefruimte in slootjes, plassen en ondiepere meren, maar hij komt ook nog voor in brak zeewater. Stekelbaarsjes kunnen zich goed verweren, want voor de rugvin bevinden zich drie sterke en scherpe stekels. In rust liggen ze op de rug, maar ze kunnen ieder ogenblik opgericht worden en stevig blijven staan. Ook de buikvinnen dragen ieder een krachtige stekel. Dus is het helemaal geen wonder dat andere vissen er maar weinig plezier aan beleven, een stekelbaarsje te verschalken.
Zodra de voorjaarszon schijnt en het ook in het water merkbaar warmer wordt, beginnen de stekelbaarsjes te verkleuren. Eigenlijk zijn het alleen maar de mannetjes die zo’n prachtig kleed krijgen. Het is hier net zoals bij veel vogels, waarbij de vrouwtjes tot aan de paartijd eveneens heel onopvallend blijven.
Ons stekelbaarsmannetje daarentegen glanst dan heel mooi, zoals je van te voren nooit had kunnen schilderen. Heel de bovenkant tot aan het midden van de buik licht dan smaragdgroen op, net als de ogen, de hele onderkant daarentegen wordt prachtig purperrood. Dat is het bruidskostuum van het stekelbaarsmannetje.

Omdat de kleuring zo heel mooi is en er ook nog heel wat anders te bekijken is, nemen velen in de lentemaanden stekelbaarsjes in hun aquarium. Later kan je ze weer loslaten. Je moet je stekelbaarsjes voeren met watervlooien, muggenlarven of kleine wormen. Omdat de mannetjes gedurende de paaitijd snel ruzie zoeken en tegen de vrouwtjes stoten en ze opjagen, mag je geen al te kleine bak nemen.
Het opgewonden leven begint, zodra de stekelbaarsjes nestjes beginnen te bouwen. Ja zeker, ze verstaan deze kunst heel goed en voeren die ijverig uit. Het mannetje bouwt alleen en wee het vrouwtje dat hem in deze tijd te na komt! Steeds opnieuw sleept het mannetje een halmpje, een stengel of kleine mosstengeltjes aan. Wat nog te vast zit, wordt door energiek schuddende bewegingen van het hele lichaam losgerukt. Thuis wordt het dan als een nieuw bestanddeel bij het nest gevoegd en vastgemaakt. Van een stekelbaarsnest moet je heel wat kunnen eisen. Steeds opnieuw zwemt het stekelbaarsje weg en steeds weer sleept hij halmpjes aan. Uiteindelijk, wanneer het bouwwerk zo groot is als een walnoot, wordt nog een keer uitgeprobeerd of alles goed is. Het stekelbaarsje dringt aan de ene kant met kracht naar binnen en aan de andere kant weer naar buiten. Langs deze weg worden nu ook de vrouwtjes gedwongen te gaan.
Met een stekelbaarsje in bruidskostuum valt echt niet te spotten!
Wild en grof gaat hij met zijn vrouwtje om. Ook al houden ze zich verborgen, hij weet ze te vinden, jaagt ze met volle stoten op en dwingt ze net zo lang tot ze eindelijk door het nest glippen en daar de weinige eitjes afzetten. Dat was wat het stekelbaarsje wilde! Maar hij is nog niet tevreden. Hij haalt het volgende vrouwtje en dwingt haar eveneens in zijn nest eitjes af te zetten. En dat doet hij tot er in zijn nest geen eitjes meer bij kunnen.
Voor de vrouwtjes is daarmee het werk dat ze moet doen voor de nakomelingen, klaar, maar niet voor de mannetjes. Allereerst moet er voor worden gezorgd dat het broedsel genoeg zuurstof krijgt om te ademen. Wanneer er zoveel eiieren zo dicht op elkaar liggen, kunnen ze makkelijk stikken. Hoe weet het stekelbaarsje dit, wie heeft hem dat geleerd? In ieder geval zien we hem nu voor zijn nest stil hangen en ijverig met de borstvinnen wapperen zodat de stroom van vers water door het nest niet ophoudt. De koudbloedige vissen broeden toch anders dan de vogels die de eieren moeten verwarmen, willen ze uitkomen.
Wee degene die het nu waagt te dicht bij het nest te komen! Meteen is het stekelbaarsmannetje present, met opgezette stekels natuurlijk en valt de vermeende tegenstander aan, want in deze tijd is het een ware vechtersbaas.
Weldra is dan de dag aangebroken waarop de piepkleine jonge stekelbaarsje uitkomen. Ze zijn nog zo klein dat je ze al te makkelijk over het hoofd ziet. De stekelbaarsvader behoedt ze streng en staat niet toe dat ze zich wat verder van het nest begeven, want hoe gemakkelijk zouden ze niet opgegeten kunnen worden, zo mogelijk ook door de eigen moeders. Wanneer er toch een te ver de wijde wereld inzwemt, dan is het mannetje meteen ter plaatse, pakt hem met zijn bek en spuugt hem in het nest weer uit. Een stekelbaarsje heeft dus wel wat zorgen om de kinderschare bij elkaar te houden! Maar uiteindelijk komt de tijd waarop de zorg ophoudt en ook helemaal niet meer nodig is. Nu moet ieder maar voor zichzelf zorgen!
Na de paaitijd die van april tot in juni duurt, verdwijnen de kleuren bij het mannetje weer, en wordt hij weer zo onaanzienlijk als eerst, zodat je hem nauwelijks nog kan onderscheiden van het vrouwtje. Zo duurt de stekelbaarspracht slechts zo lang als een korte bloeitijd.
Naast de driestekelige zijn er ook nog zeven- of negenstekelige stekelbaarsjes, die wat kleiner zijn. Tegen de paaitijd worden ze helemaal zwart. Het nest wordt niet gebouwd zoals de bontgekleurde broer dat doet, beneden bij de bodem, maar boven opgehangen tussen plantenstengels. Daarom lijkt dat nog meer op het nest van het winterkoninkje.
Zo is het nu gesteld met de vogels van de lucht en die van het water. Alleen, dat vissen ook nog een liedje zingen – nee, dat zou niemand van hen verlangen!

.
Het winterkoninkje, een legende uit het leven van het kindje Jezus

Winterkoninkjes  tekeningen, foto’s e.d.

Meer info

Stekelbaarsje: meer info

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1956-1840

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (2-4)

.

H. ter Beek, nadere gegevens onbekend.

.

DE ZEVEN PLANETEN EN DE ZEVEN DAGEN VAN DE WEEK

.

PERIODEVERSLAG ZEVENDE KLAS
.

In de periode KOSMOGRAFIE, beter bekend als STERRENKUNDE, kwamen we na de loop van Zon en Maan beschreven te hebben, toe aan de behandeling van de Planeten.

De Planeten worden ook wel Dwaalsterren genoemd, omdat zij in tegenstelling tot de Vaste Sterren, die de bekende sterrenbeelden vormen, en waaruit het grootste deel van de sterrenhemel bestaat, geen vaste plaats bezitten. Ze verplaatsen zich langs het firmament, evenals Zon en Maan dat doen. En dan is er nog een verschil; zij schijnen, terwijl de vaste sterren fonkelen.

In het oude Babylonië nu, nam men zeven planeten waar; zij werden gezien én beleefd als de werkingsgebieden van de goden. Ook bij de Grieken en Romeinen was dit het geval, daar zij de erfgenamen waren van de sterrenkunde der Babyloniërs. Tegenwoordig kennen we de planeten volgens hun Romeinse namen, die we hier dus ook zullen gebruiken.

Deze zeven planeten werden in volgorde van hun omwentelingssnelheid geplaatst:

Maan                                                           – 29½ dag
Mercurius                                                   – 88 dagen
Venus                                                          – 224 dagen
Zon                                                              – 1 jaar
Mars                                                            – 1 jaar + 321 dgn, 111/12   jaar
Jupiter                                                        – 12 jaar (11 jaar +315 dgn, 11 11/12 j.)
Saturnus 29½ jaar

Het interessante is nu dat de oude Babyloniërs hieruit ook de volgorde van de zeven weekdagen bepaalden, maar daartoe werd het getal zeven opnieuw gebruikt. De planeten worden dan in een kring gegroepeerd, zoals op bijgaande figuur.

Het getal 7 wordt vervolgens gezien als opgebouwd uit 3 en 4, twee getallen die opnieuw heilige getallen waren, de 3 voor het geestelijke, de 4 voor het aardse. Gaat men nu met de 4 rechtsom, of met de 3 linksom (op bijgaande figuur), dan krijgt .men in beide gevallen deze volgorde:

DAG                                         PLANEET      ROMEINSE GOD  GRIEKSE GOD

Zondag         Dimanche              Zon                     Apollo                   Apolloon
Maandag      Lundi                     Maan                  Diana                    Artemis
Dinsdag       Mardi                     Mars                   Mars                      Ares
Woensdag   Mercredi                Mercurius         Mercurius             Hermes
Donderdag  Jeudi                      Jupiter               Jupiter                   Zeus
Vrijdag         Vendredi               Venus                 Venus                    Aphrodite
Zaterdag      Samedi                  Saturnus             Saturnus              Kronos

Nu kwam evenwel het meest interessante deel.

Waren het alleen maar namen, of hadden de dagen van de week nog hun eigen werking, kleur, sfeer? In onze tijd is daar niet zoveel meer van te herkennen. Met planeten, sterren en goden wordt geen rekening gehouden. We hebben recht op een 5-óaagse werkweek. Een vrije zaterdag, en voor de middenstand een vrije maandag. In de agenda’s en op de kalenders begint de week voortaan op een maandag, en worden zaterdag en zondag als week-end beschouwd.

Hierover hebben we met elkaar gesproken. In het Scheppingsverhaal in het Oude Testament wordt op de eerste dag het Licht geschapen, op de zevende dag wordt er gerust. Dit was nog levend aanwezig, hoewel het als vertelstof 4 jaar geleden verteld is.

Hoe beginnen we de week op maandag? Dat is de eerste dag waarop we weer naar school gaan. Het valt niet mee om weer te moeten beginnen. Waar waren we ook al weer mee bezig? Ach ja, we zijn het weekend weg geweest, logeren, familiebezoek, lang in de auto, laat naar bed, sportwedstrijden, uitslapen enz. Voor ieder wat anders. Elkaar hebben we niet gesproken. Nu hebben we elkaar alleen maar te vertellen wat we het weekend gedaan hebben. Geen al te beste start voor de nieuwe week. De leraren hadden juist de zondagavond allerlei voornemens gemaakt voor wat er de komende week zou moeten gebeuren, en die eerste dag gebeurt er niet veel.

Hoe zou dat komen?

De maan werkt als een spiegel, evenals het zilver, dat met de maan verwant is. De maan weerkaatst het zonlicht’, spiegelt terug naar de week ervóór.

De zon werpt zijn licht vooruit. Op zondag, ook al ga je die dag niet naar school, bereid je je voor op de komende week. Je bepaalt wat je die week wilt bereiken, en… dat behoef je pas te bereiken op … donderdag, de dag van Jupiter (Zeus).

Op dinsdag, de dag van Mars (Ares), de krijgsgod, wordt met het eigenlijke werk, met de eigenlijke weektaak begonnen.
De maandag wordt niet verlummeld met niets doen, maar het oude wordt afgedaan, zoals de maandag vanouds de wasdag was! Al de vuile was wordt dan weggewassen.

Na de intensieve dinsdag (ook het lesrooster telt in onze klas die dag de meeste uren, het is de langste schooldag) moet er op de woensdag wat worden teruggenomen. Tevens moet er gekeken worden of we nog wel op het goede spoor zitten. (De ongetrouwde jonge mannen gingen op woensdag “de week doorzagen”: op woensdagavond kon er niet worden gesport, getraind, gebiljart, maar werd het meisje opgezocht.) Het is de dag van het kwikzilver, dat ook alle kanten op kan rollen, en dat evenals het zilver ook goed kan spiegelen.

Op de vrijdag, de dag van de godin der Schoonheid, wordt er ook extra aandacht besteed aan de verzorging en de schoonheid van het schrift. Er wordt nog wat getekend, er wordt nog wat verbeterd, er wordt nog wat geplakt, versierd, gekaft, enz. Alles in het teken van verzorging, mooi maken.

En de zaterdag? Kunnen we die wel missen? Is deze dag wel gelijkwaardig met de andere, wel een volwaardige werkdag? Er wordt die dag misschien voorgelezen, het is voorleesdag. Er is die dag muziek in de zaal. Die dag is de kortste van de week. Er worden geen nieuwe dingen meer begonnen.

Deze dag is toch heel belangrijk! Deze dag maakt het mogelijk dat de vrijdag een volwaardige vrijdag kan blijven. Op de zaterdag kan gerust worden ( = niets nieuws meer beginnen), zoals God dat in het Bijbels Scheppingsverhaal deed, dat wil zeggen terugkijken op het werk van de afgelopen week en “zien dat het goed was” of misschien “niet goed” was. Op de zaterdag ging men vroeger altijd in ’t bad, cn trok de vuile kleren uit, die dan op maandag gewassen werden.

Toen we hier zo met elkaar over gesproken hadden, herkenden de kinderen dit in de gang van de periodes. Dadelijk gingen ze er bewust aan werken, en toen het vrijdag was, werd er geroepens “Vandaag gaan we onze tekeningen maken!”, want deze zevende klas is nu eenmaal dol op tekenen.

.
7e klas sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

.

1955-1839

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertellen – Is het echt gebeurd? (5)

.

Inleiding
.

G.Blankensteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

„IS DAT NU ECHT GEBEURD?”

.

Tijl Uilenspiegel 

De hoofdpersonen uit de vier voorgaande artikelen leefden (of werden geacht geleefd te hebben) op Nederlandse bodem. Met Tijl Uilenspiegel verlaten we het vaderlandse erf. Op zijn best heeft deze sinjeur in Vlaanderen van zich laten zien en horen, maar ook dat is allerminst zeker.

Er is een tijd geweest, waarin men hem gemakshalve indeelde bij de Hans Brinker-categorie. Bij die van de fantasiefiguren dus. Maar daarvan zijn de meesten nu toch wel teruggekomen. Algemeen wordt tegenwoordig aangenomen dat er in elk geval wel „een” Tijl Uilenspiegel heeft bestaan en dat van de in omloop zijnde verhalen ook wel een overigens onbekend aantal op diens rekening kan geschreven worden.

Een en ander kan dan zelfs met jaartallen en topografische gegevens min of meer bevestigd worden.

De historie spreekt

Plm. 1335 komt de naam „Tijl Uilenspiegel” voor het eerst voor, en wel in het Brunswijkse. (Natuurlijk hier en nu, elders en later, met afwijkingen in de schrijfwijze: Till Ulenspegel, Ulenspiegel, enz.) Door velen wordt daar de stad Kneitlingen als zijn geboorteplaats aangemerkt.

Ten aanzien van zijn overlijden staat het jaar 1350 te boek. „Aan de pest” wordt er soms bijgevoegd. Om de „eer” van dat overlijden beconcurreren elkaar het Vlaamse Damme en het aardige Noordduitse stadje Mölln, 30 kilometer ten zuiden van Lübeck, aan de Alte Salzstrasse gelegen. Het is grotendeels omsloten door water. Het middelpunt ervan is een heuvel, waarop de oude kerk staat. Op een verhoogd voetstuk tegen de opgang naar de kerk zit daar- ik meen in metaal – Uilenspiegel in een narrenpak en in een losse, leutige houding. Zijn linkervoet rust tegen de uitmonding van een bronnetje, zodat de dorstige Möllner jeugd steeds naar hem moet opkijken. Dat modern aandoende beeld bewijst natuurlijk niets. Dan heeft t.a.v. de historiciteit vlak daarbij de tegen de kerkmuur rechtopstaande smalle grafsteen meer waarde. In tien korte, onder elkaar geplaatste, zinnetjes wordt daar vermeld:

Anno 1350 is düsse Steen up gehaven/
Till Ulenspiegel lenet under begraven/
Market wol und dencket dran was ick gewest si up Eren/
Alle di hir vorüber gan moten mi glick weren.”

Dat deze steen rechtop staat heeft nog een echte Uilenspiegelse verklaring. Bij de begrafenis braken de touwen om de kist, zodat Tijl onbedoeld rechtop in zijn graf kwam te staan. En zo heeft men hem daar maar gelaten.

Voor dat u nu voor stellig houdt dat Uilenspiegel in 1350 in het Möllner gasthuis het veelbesproken leven beëindigd heeft, moet u wel weten dat deze grafsteen daar pas in de 16de eeuw een plaats heeft gekregen, waarmee dus de bijna verkregen zekerheid weer dreigt weg te ebben

En verder? In Kneitlingen en in Schöppenstedt (even te z.o. van Brunswijk) worden veel van zijn snakerijen gesitueerd. De laatste plaats heeft er zelfs een Uilenspiegel-museum aan over gehouden.

Maar…. Rüpelmonde aan de Schelde heeft ook een Uilenspiegel-gedenkteken. En Turnhout viert elk jaar z’n Tijlfeesten, enkele dagen lang, en ook allicht dat is niet voor niets. Terwijl misschien zelfs het Walcherense Veere nog méé kan doen. De bekende Charles de Coster laat Uilenspiegel in zijn boek daar tenminste torenwachter wezen ….

En dan heeft de echte Tijl wellicht eenmaal in zijn leven bovendien een pelgrimstocht naar Rome ondernomen, terwijl hij ook iets te maken gehad lijkt te hebben met het koninklijke hof in Polen.

Maar de meeste van zijn grappen en grollen heeft hij uitgehaald ergens tussen Lübeck en Brugge. Sommigen trekken zelfs een grenslijn, als zij vaststellen: ze spelen allemaaal ten noorden van de vlaams-waalse taalgrens, die dan weer naar het oosten aan zou sluiten bij de scheiding tussen het neder- en het hoogduits, de z.g. Benrather-lijn.

Het spotvogelfenomeen is evenwel niet door die eventuele grenslijn bepaald. Heeft Frankrijk niet zijn Francois Villon gekend – een wat fijner besnaarde Uilenspiegel? Heeft het Franse „espiègle” (guit, schalk) taalkundig nog verwantschap met „uilenspiegel”?

Wat die naam betreft: wil men daarmee zeggen, dat hij de uilen (de dommen) de spiegel hunner domheid voorhoudt, opdat ze zich daarin herkennen zullen? — Het is in onze tijd daarentegen een hele eer de titel „Ere-Uilenspiegel” te ontvangen. De burgemeester van Mölln reikt die sporadisch uit aan zeer prominente, spitse lieden. Zo zijn bijvoorbeeld Konrad Adenauer en Bernhard Shaw eenmaal Ere-Uilenspiegels geweest. Camille Huysmans genoot eens diezelfde eer, maar die werd hem nu weer toegebracht in Damme.

(deel 2)

Er is over deze Tijl – dat blijkt al uit het eerste artikel – weinig met volkomen zekerheid te zeggen. In zijn „historie” breekt als het ware spot en humor door. Hij is niet exact, in feiten en jaartallen, te vangen.

Vrij zeker is wel dat hij als 16-jarige zijn „loopbaan” als koorddanser is begonnen. Maar verder? Verder spéélt hij bij voorkeur het leven door. Hij vermomt zich als student, als arts, als pelgrim. Hij is koster, smid, marskramer, barbier, schaapherder, paardenkoper, schoenmakersknecht …. Terwijl hij tot amusement, en mogelijk tot lering, zijn „spiegel” duchtig hanteerde En daarop hebben, al eeuwen geleden, allerlei auteurs zich gestort.

Over Tijl Uilenspiegel

Waarschijnlijk is al in 1478 een nedersaksisch volksboek over deze volksheld verschenen. Jammer genoeg is dat sindsdien weer volkomen verdwenen.

De oudste wél bekende uitgave is er een in het hoog-duits uit 1515. „Getruckt vö Johanes, Grieninger in der freien stat Straszburg / off sant Adólffo tag lm iar Mccccc …. (on-ontcijferbaar)”. Met op het titelblad een uil op een ronde steen en de woorden: „Dissen stein sol niemans erhaben – Ulenspiegel stat hie begraben”. Dat boek is nog in Straatsburg aanwezig.

In 1519 is er sprake van een Nederduitse uitgave in Keulen. En tussen 1518 en
1520 krijgen ook de Nederlanden hun oudste Nederlandse volksboek over Tijl. „Gheprint Thantwerpen in die Rape by my Michiel van Hoochstraten”. Van die uitgave is nog één exemplaar uit de vernietiging der historie gered. Het bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek te Kopenhagen!!!).

Juist in die tijd

Al die in die oude boeken geschreven Uilenspiegels waren kinderen van hun tijd. Een tijd van geestelijk en sociaal ontwaken. Van aanschoppen tegen Kerk en gevestigde machten. Van nationaal verzet tegen Frankrijk of Spanje. Van het loskomen uit oude banden, „oude vormen en gedachten” en van zoeken naar nieuwe wegen.

In de volgende eeuwen zakt die kritiek, dat rammelen aan het hogere gezag weer weg. Renaissance, Barok en Rococo hebben geen plaats voor Tijl Uilenspiegels gehad.

Maar dan komt de 19de eeuw. Opnieuw bruist in een aantal volken het verlangen omhoog naar meer vrijheid, betere sociale omstandigheden, maatschappelijke en politieke hervormingen. En zie – dan duikt Tijl Uilenspiegel opnieuw op. Ditmaal door de hand van Charles de Coster. Op 31 december 1867 komt zijn „La légende et les aventures héroïques, joyeuses et glorieuses d’Ylenspiegel et de Lamme Goedzak, au pays de Flandres et ailleurs” van de pers.
En opnieuw slaan dan zijn spotternijen en zijn minachting voor wat zich hoog en wijs voordoet, geweldig in.

De Coster heeft aan dit boek – en aan andere – een standbeeld in Brussel verdiend. Een eeuw daarna in 1968, heeft men zijn werk extra herdacht. In dat „Uilenspiegeljaar” is bij de uitgeverij Heideland te Hasselt en het Zuiderboekcentrum te Heerlen „In het spoor van Uilenspiegel” uitgekomen. Een monumentale bloemlezing uit de Uilenspiegel-literatuur, die dat jaar zelfs, heel modern, de stoot heeft gegeven tot een echte rally „in het spoor van Uilenspiegel” van 13 tot en met 16 september. Langs Brunswijk – Kneitlingen – Schöppenstedt – Mölln – Bremen (de „Bremer Stadtmusikanten”) – Oldenburg – Kampen – Antwerpen.

Revolutionair?

Door het bovenstaande zou het er wat op kunnen lijken: Uilenspiegel, de beeldenstormer. De man op de barricade. De revolutionair…. Dat is inderdaad wel lang in hem gezien. De Uilenspiegel-schrifturen hebben dan ook op de „index” van de R. K. Kerk gestaan. En in de tijd van de reformatie waren ze eveneens verboden lectuur. Maar de deskundigen lezen dat nu in zijn historie niet meer.

Of „zijn” historie? Is hem niet veel op de hals geschoven, waaraan hij volkomen onschuldig is geweest?

Hij paste in de rijen van de z.g. „Aernoutsbroeders”, een tijdsverschijnsel uit de 15e eeuw. Zwervende studenten en handwerksgezellen, mislukte en uitgetreden geestelijken, kermisklanten zwierven in hun opvallende kleding toen door West-Europa rond. Tussen die lieden moet hij zich wonderwel gevoeld hebben. Vermoedelijk heeft men veel van hun streken op zijn naam geschreven. Wat een persoon leek te zijn, werd zodoende een personificatie. Een vrije vogel die zich van niets of niemand wat aantrok, een spotter en vagebond. Die met zijn scherpe tong en rappe geest door alle uiterlijke schijn heenprikte. Maar…. een felle revolutiemaker was hij zeker niet.

Hij is – zeggen wij nu – als het ware weggestapt uit een middeleeuwse „sotternij”, een luimig potsenstuk. Hij heeft iets in zich van een Pallieter, een Flierefluiter en een Reinaard de Vos. Hij spot wel, maar ’t is een goedmoedige soort spot. Op den duur – als het gezegd mag worden – worden veel van zijn snakerijen zelfs wat, of erg, flauw, eentonig, plat…. Maar in dat laatste kon hij niet anders zijn dan hij was: een kind van zijn tijd. Een tijd die zich uitstrekte tot nog eeuwen nadien.
Wat was hij precies? Wie was hij? We weten het niet.
In elk geval ánders en méér dan: hoofdpersoon uit een kinderverhaaltje.

.

Vertelstofalle artikelen

.

1954-1838

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertellen – Is het echt gebeurd? (4)

.

Inleiding
.

G.Blankensteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

„IS DAT NU ECHT GEBEURD?”

.

Dik Trom

Echt gebeurd – Dik Trom? Ja. Dat wil zeggen: de hoofdpersonen in dat beroemde jongensboek hebben werkelijk geleefd. En veel van het kattenkwaad en van de goede streken – waarover de auteur, Johan Kieviet (1858-1931) rapporteert, zal ook wel in werkelijkheid hebben plaatsgevonden. Door de jongere Johan destijds van dichtbij meebeleefd. En zo ontstond later een boek, naar het leven geschreven.

Johans vader was als timmerman-aannemer een van de pioniers van de in 1853 droogverklaarde Haarlemmermeerpolder. En de in Hoofddorp geboren schrijver – nummer tien in de rij van elf kinderen – heeft van jongsaf daar dus wel de nodige indrukken kunnen opdoen.

Johan, hoewel eerst bestemd voor de bloembollenhandel, werd onderwijzer. Hij werkte in Delft, Hoofddorp(l), Lisse, Den Haag, Etersheim en Zaandam, waar hij hoofd van een school was.

Het boek „Dik Trom” werd in 1892 te Etersheim, ten zuiden van Hoorn, aan de Zuiderzeekust, geboren. Een voorspoedige jeugd had het niet. Tot zesmaal toe stuurde een uitgever het manuscript aan Kieviet terug. Pas de zevende nam het in zijn fonds op, en dan nog alleen na veel aarzeling en op voorspraak van een vriend.

Waarvan deze zevende uitgever, Kluitman, vermoedelijk eerst nog spijt genoeg heeft gehad. Het boek „wilde” namelijk niet. De eerste oplage had acht jaar nodig voordat de planken leeg waren. Geen wonder dat de uitgever zich tegenover Kieviet weinig royaal betoonde: hij beloonde hem met een honorarium van ƒ 75,—!! En voor de tweede druk had hij maar ƒ 37,50! over.

In het uiteindelijk toch doorgebroken succes heeft de illustrator een groot aandeel gehad. Dat was niemand minder dan de grote Johan Braakensiek, die ten tijde van Kluitmans bezoek juist door een gebroken been aan huis gebonden was. De lezing van het manuscript gaf hem zoveel plezier, dat hij met evenveel genoegen de onder ons bekende tekeningen op papier bracht.

Geleidelijk viel het verhaal over de dikke jongen meer in de smaak bij het lezend publiek. Zozeer dat er op het ogenblik meer dan een miljoen „Dik Troms” in kinderhanden zijn overgegaan. En van de 40 boeken die Johan Kieviet in zijn leven op de markt bracht, zijn er niet minder dan zes aan Dik Trom en zijn omgeving gewijd geweest.

Maar nu de vraag over de hoofdpersonen.

Voor de oubollige Dik heeft waarschijnlijk een gezellige krullenjongen uit de werkplaats van Kieviet Sr. model gestaan. Hij heette in werkelijkheid Dirk David Buurman. De families Kieviet en Buurman waren onderling bevriend bovendien.

Ook de vriendenschaar is vermoedelijk uit het leven gegrepen. Er komt in het boek bijv. een Piet van Dril voor, zoontje van de dorpssmid. En Hoofddorp kende later een familie Van Driel, die daar een garage en autowerkplaats bezat. Enz.

In 1973 is op het Marktplein van Hoofddorp een beeldhouwwerk onthuld als eerbewijs aan de auteur Johan Kieviet. Het stelt Dik Trom voor, achterstevoren op een ezel gezeten (een bekende episode uit het boek).

De onthulling werd verricht door een kleinzoon van de schrijver, die óók de naam Johan Kieviet draagt (maar geen kinderboekenschrijver is geworden. Hij is tandarts in Slikkerveer).

Bij die onthulling waren bovendien nog aanwezig vier dochters van de reeds genoemde Dirk David Buurman. En als extra een „Bromsnor” (Lou Geels), om veldwachter Flipsen te vertegenwoordigen – al was dat dan alleen maar als collega, niet als familielid. Toch een pracht van een feestnummer voor de ongeveer duizend schoolkinderen, die de onthulling bijwoonden!

Veel van de hierboven gebruikte gegevens werden me al in 1968 verschaft door de heer P. Maaskant te Amstelveen. Hij vestigde mijn aandacht op het feit, dat zoveel – hij schreef: de meeste – jongensboekenauteurs uit kringen van het onderwijs zijn voortgekomen: Kieviet, De Vletter, Kuijk, Louwerse, Van Abcoude …. En dat daarnaast nog zo ontzaglijk veel anderen bij het onderwijs zijn begonnen die in alle geledingen van de maatschappij een vooraanstaande en eervolle plaats hebben ingenomen. (Men vraagt zich af: hoe is het mogelijk: uit dat verstarde en verouderde onderwijs? – naar nu wat denigrerend wordt gezegd). Ook over al degenen die uit het onderwijsgelid in het grote leven naar voren gestapt en gehaald zijn, zou een boek te schrijven zijn. Maar dan wel anders dan „Dik Trom”. „Van meestershuis naar. . . .”bijvoorbeeld.

.

Vertelstofalle artikelen

.

1953-1837

.

VRIJESCHOOL – Vertellen – Is het echt gebeurd? (3)

.
Inleiding
.

G.Blankensteijn, Vacature, 29-03-1977
.

„IS DAT NU ECHT GEBEURD?” 

Ot en Sien

Of de vele kleine gebeurtenissen uit het kinderleven van Ot en Sien werkelijk allemaal, en werkelijk zó, hebben plaatsgehad als het onder ons beroemd geworden boek van Jan Ligthart en H. Scheepstra ze beschrijft, dat zal wel sterk betwijfeld moeten worden. Die zullen wel grotendeels aan de fantasie van de beide auteurs ontsproten zijn. In werkelijkheid kwamen ze destijds natuurlijk in het leven van alle opgroeiende kleuters zo voor. Wat omrommelen met de poes, huisje-spelen onder het wasgoed, het groot gebeuren van langstrekkende straatmuzikanten, de ontdekking van griezeldieren als een spin of een worm, ziek zijn en weer beter worden dat alles heeft een stukje gevuld van ieder normaal kinderbestaan in het begin van deze eeuw. Onze 70-plussers zullen hun vroegere omgeving er nog grotendeels in herkennen.

De vraag of dé Ot en dé Sien van Jetses’ illustraties echt, en echt zó, hebben bestaan, die vraag kan met een volstrekt „ja” beantwoord worden. We weten wie in verschillende situaties daarvoor model hebben gestaan” (zonder dat ze zich dat toen bewust waren). Want Jetses tekende, als dat kon, altijd naar levende modellen en tegen werkelijk bestaande achtergronden.

„Sien” was de eigen dochter van Cornelis Jetses. Ten tijde van de verschijning van het boek (1908) moet ze ongeveer vier jaar zijn geweest. Mevrouw D. Kalsbeek-Jetses, in de 60’er jaren in Wassenaar woonachtig, wist zich toen tegenover een journalist nog van alles uit die „Sien”-tijd te herinneren. De kam in het haar, die zeventig jaar geleden in de mode was, heeft bijvoorbeeld een onuitwisbare indruk bij haar achtergelaten. Ze wist nog best hoe haar vader, als het er voor zijn schetstekening op aan kwam, aan het vertellen sloeg om de hoofdrolspelers in de gewenste, goede situatie te houden.

Ze zal dus ook van haar jeugdspeelvriendje „Ot” een meer of minder scherp herinneringsbeeld hebben overgehouden.

In dat verband sprak ze over een buurjongetje, een Fidi Dammann (hoewel het ook kan zijn dat verschillende knaapjes voor „Ot” model hebben gestaan). „Dammann” komt als een Duitse naam naar ons over. Datkan ook wel, want omstreeks die tijd was de familie Jetses naar een plaatsje bij Bremen verhuisd.

Jetses heeft met tussenpozen verschillende jaren in Duitsland doorgebracht. Als 21-jarige kwam hij te Bremen in huis bij zijn tante Trientje. Hij heeft er tekenlessen kunnen nemen, kunstvrienden en beschermers gevonden. Later – van 1897 tot 1900 – heeft hij mooie opdrachten gekregen in Hamburg en in Thüringen, waar hij bij de hertog van Saksen-Meiningen waarlijk een „vorstelijke” tijd beleefde. In 1900 is hij weer naar Nederland gekomen, waarna zijn relatie met de firma Wolters ontstond. Maar volgens Mevrouw Kalsbeek-Jetses heeft het gezin Jetses later tóch weer korter of langer in Duitsland gewoond. En zo kan die Fidi Dammann – alias „Ot” – toch werkelijk wel een Duits knaapje zijn geweest.

Dat klopt niet met een ander verhaal, dat van dr. C. Lindenburg, leraar-musicoloog te Voorburg. Een verhaal dat deze trouwens tientallen jaren later, zelf volwassen dus, pas van zijn moeder had vernomen. Dit namelijk, dat hij in zijn jonge jaren door Jetses geschetst zou zijn. Vader Lindenburg, die leraar was aan de Groningse rijkskweekschool, ging wel eens met zijn zoontje bij Scheepstra op bezoek, waar ze dan soms ook Jetses aantroffen. —Zo kan het natuurlijk zijn, dat Jetses in de kleine Lindenburg een goed model heeft gezien voor een van zijn vele illustraties, maar of hij daarom juist „Ot” is geweest? Als ik de gegeven jaartallen vergelijk, moet hij destijds ’n jaar of negen ouder zijn geweest dan „Sien” en dat haal je er op de tekeningen en in de verhalen toch niet uit.

Ot en Sien staan al sinds 1930 in steen vereeuwigd in het Haagse Zuiderpark – als hommage aan Jan Ligthart. In een gedenkraam in de Cornelis Jetsesschool aan de Jacob de Graaflaan, eveneens in Den Haag. En tenslotte nog eens in het Drentse Roden.

Afke en haar tiental

Hier liggen de zaken juist andersom. Of de afbeeldingen van dat stel geloofwaardig zijn is mij onbekend. Maar het verhaal dat Nienke van Hichtum in 1903 onder de titel „Afke’s tiental” deed uitkomen, dat is van het begin tot het einde levensecht.

De schrijfster heette in werkelijkheid Sjoukje Maria Diderika Troelstra-Bokma de Boer. Ze was de echtgenote van mr. Pieter Jelles Troelstra, die toen juist zijn grote opgang en die van zijn in 1894 gestichte SDAP beleefde. Zij had een dienstmeisje, de oudste dochter van Harmke en Sjoerd Feenstra, die in het boek Afke en Marten heten. Dit meiske vertelde haar „mevrouw” over het leven en bestaan in het ploeterende en armoe lijdende landarbeidersgezin Feenstra, in een doodarme buurt in het dorpje Warga bij Leeuwarden. Ze droeg daarmee zo de bouwstoffen aan voor de sociale kinderroman, die „Afke’s tiental” is geworden. Niet voor niets bruiste juist in die tijd in Friesland, en eigenlijk in het hele noorden, de ontevredenheid en het socialisme op. (Pieter Jelles had in 1897 zijn intrede in de Tweede Kamer gedaan).

Toch is het boek geen oproep tot verzet geworden, geen „Negerhut van oom Tom”, geen „J’accuse”. Het tekent alleen sober en gevoelig de schrijnende omstandigheden waaronder in die tijd de mindere man leven en werken moest. En Jetses, die van jongsaf diezelfde schrijnende omstandigheden aan den lijve ondervonden had, wist vanuit die eigen ervaringen aan zijn uitbeelding ervan een treffende en gevoelige diepte te geven.

Nienke van Hichtums pen en Jetses’ tekenschrift hebben iets geschapen, dat tot de onsterfelijke kinderlectuur is gaan behoren. „Afke’s tiental” is later zelfs in verschillende andere talen gedrukt, en beleefde in 1976 in ons land z’n 33ste druk. —De Vara-tv en een tentoonstelling in het Fries Literair Museum hebben het in 1976 nog eens extra onder de aandacht van het Nederlandse volk willen brengen. In Warga staat een monument van ‘Afke’s tiental’.

.

Vertelstofalle artikelen

.

1952-1836

.

VRIJESCHOOL – Vertellen – is het echt gebeurd? (2)

.
Inleiding
.

G. Blankesteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

„Is dat nu echt gebeurd?” 

Jan Klaassen

In elk geval heeft het poppenspel – in meer veredelde taal: het marionettentheater – al heel lang bestaan. In het oude Griekenland en Rome heeft het zijn humor en vrolijkheid, zijn spot en kritiek gespuid. Spelemannen, die met de Romeinse legers meetrokken, hebben deze vorm van vermaak en volksbeïnvloeding naar onze streken overgebracht.

In het Rijksarchief in Den Haag liggen nog rekeningen uit de Middeleeuwen als stille getuigen van de bedragen, die bijvoorbeeld graaf Jan van Bloys in het midden van de 14de eeuw daarvoor heeft uitbetaald. Prof. dr. G. Kalff gaat in zijn „Bijdragen tot de geschiedenis van ons middeleeuws drama” dieper daarop in. Eén zo’n rekening, uit 1363/’64, zegt: „Item Tordrecht, daer men een dockenspul speelde, dat mijn here was gaen sien, voir minen here ende voir syn ghesinde, 18 s. 6 d.”

Maar nu – Jan Klaassen. Volgens een laat 18de-eeuwse overlevering was deze Jan eenmaal trompetter bij de lijfwacht van stadhouder Willem II. In 1650 werd het stadhouderschap in Holland en Zeeland afgeschaft en zodoende kwam onze Jan zonder middel van bestaan. Om daarin te voorzien is hij toen met zijn vrouw Katrijn en met wat poppen de straat opgegaan om vertoningen te geven. Verder wordt dan ook Amsterdam vermeld als terrein van zijn werkzaamheid.

Daarbij sluit een bericht aan uit een heel andere hoek. In 1706 is een zekere Jan Claasz. met zijn vrouw Trijn voor de Amsterdamse kerkenraad gedaagd wegens openbare dronkenschap en overspel. (Maar dan moeten beiden al wel uitgesproken bejaard geweest zijn, als we deze twee tips combineren).

En dan speelt me nog een derde verhaaltje door het hoofd, dat deze in 1650 ontslagen Jan later moeilijkheden met de overheid heeft gehad, omdat hij zijn poppen dingen liet zeggen en doen, die als pro-Oranje propaganda uitgelegd konden worden.

Tenslotte: in 1969 is bij De Bussy in Amsterdam een boek verschenen van de hand van Wim Meilink, zelf poppenspeler. Het heette „Doopceel van Jan Claes-zen” en kostte ƒ 19,50. De auteur geeft daarin een kroniek van het traditionele poppenspel in Nederland.

Ook hij zoekt de naamgever van dit spel in de 17de eeuw, zij het meer in het begin daarvan. Om dan tenslotte terecht te komen bij Janus Cabalt, die meer dan veertig jaar Jan Claeszen en Katrijn in zijn poppenkast op de Amsterdamse Dam leven heeft ingeblazen. Die zo, wie weet, in hoeveel jonge – en oude? – harten vreugde heeft gebracht. Voor de oorlog, een traditie: Jan Klaassen op de Dam.

In elk geval zijn er wel wat aanwijzingen die doen vermoeden, dat Jan Klaassen in Nederland een historisch persoonlijke verschijning is geweest.

Daarnaast is het spel internationaal gebleven. Frankrijk heeft zijn „Guignol”, Engeland zijn „Punch” en Duitsland zijn „Hanswurst” (ook wel „Kasperl”). En wie weet, hoe ver dit spelen-met-poppen is verbreid? Waar het verschenen is, daar zal het ingeslagen hebben. Omdat elk mensenhart dat voor humor vatbaar is, ook voor zulk spelen een gevoelig plekje heeft. Zolang een ouder wordend mens nog iets van het kind in zich bewaard heeft.

Hans Brinker

Hier hebben we een voorbeeld van een volkomen gefantaseerde figuur. Nog wel – ondanks het toch zeer reële beeldje aan de Harlinger haven bij de afvaartplaats van de veerboten. En ondanks – als mijn inlichtingen juist zijn – een soortgelijk monumentje aan het Spaarne bij Spaarndam.

Deze Hans Brinker nu – speelt een hoofdrol in een kinderboek, dat in Amerika grote opgang heeft gemaakt.
Het werd in 1865 gepubliceerd door een autrice van gedeeltelijk Nederlandse afkomst en heette: „Hans Brinker or the Silver skates”. In 1867 werd het door de toen heel bekende kinderschrijver P. J. Andriesen in het Nederlands vertaald.

In dat boek komt een knaapje voor, onze Hans dus, dat bij een tocht langs de dijk bemerkt dat het water in deze waterkering een gaatje heeft geboord. Er komt eerst nog een miniem klein straaltje door, maar dat wordt al maar groter doordat er telkens opnieuw grond wegspoelt. Hans weet niet beter te doen dan zijn vinger in de gevaarlijke opening te stoppen. Later zijn vuist, zijn hele arm, en wie weet wat nog meer. Al zijn geroep om hulp is vergeefs. Pas uren later wordt Hans door zijn ongerust geworden familie gevonden. Juist nog op tijd ook om het grote gat in de dijk te dichten.

Hans Brinker heeft de polder gered…..

Het Amerikaanse publiek heeft dit boek prachtig gevonden. En toen het Amerikaanse toerisme zich ook op Nederland richtte, toen hebben talrijke Amerikanen de plek willen zien waar hun held Hans, waarover ze met rode konen en rode oren vroeger gelezen hadden, zijn grote daad eenmaal had bedreven.

Om aan die behoefte tegemoet te komen hebben de beelden in Harlingen en in Spaarndam(?) hun plaats gekregen.

.

Vertelstofalle artikelen

.

1951-1835

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertellen – is het echt gebeurd? (1)

.
Vele jaren geleden bestond het blad ‘Vacature”, uitgegeven door Thieme in Zutphen. Uiteraard gevuld met onderwijsvacatures, maar ook met veel interessante artikelen, waarvan er verschillende op deze blog staan.

Een onderwijzer verhaalt hier over zijn verleden als onderwijzer en over het vak vertellen. Hij vroeg zich van sommige verhalen af:

G.Blankensteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

„Is dat nu echt gebeurd?”
.

Dat heerlijke voorlezen en vertellen
.

Straks krijg ik drie vijfde-klassertjes op bezoek. Mij verder onbekende kinderen van een mij weinig bekende school. Ze hebben een opdracht in het kader van het tegenwoordige groepswerk. Ze zijn op zoek naar een antwoord op vragen als: Wat is een berg precies? Hoe ontstaat een berg? Uit wat voor materiaal bestaat een berg? Hun onderwijzer is blijkbaar een man van déze tijd. Uit de tijd van doe-het-zelf. Van zoek-het-zelf-op. Niet van de gedekte-tafel eten, maar je geestelijk voedsel zélf opdiepen.

Dat zal natuurlijk wel allerlei goede kanten hebben. Maar toch denk ik, in afwachting van de aangevraagde kindervisite: „Man, dat je je zo’n prachtkans nu laat ontglippen. Om een lekkere les te geven over die bergen en over alles wat daarmee te maken heeft!! – In plaats van naar school te fietsen met de prettige gedachte: Fijn, vanmiddag een les over de bergen!”

Vroeger op de kweekschool – o, al heel lang geleden -werd ons, aankomende broekjes, voorgehouden: „Vertellen, dat is machtig belangrijk. Wie boeiend vertellen kan, die heeft daardoor al een beste kans om een goed onderwijzer te worden”. En op de leerschool werden we aan het vertellen gezet. Tot je van jezelf ging denken dat je er al een aankomende „piet” in was.

Een illusie die vernietigd werd op de dorpsschool, ver in het Achterhoekse land, waar ik als 18-jarige in het diepe bad gegooid werd. —De bovenmeester kwam een paar keer luisteren. Die fijne bovenmeester met het witte haar onder zijn kalotje uit. Een wijs en eerbiedwaardig man, waarvan je als jongste knechtje veel kon leren. Hij zei: „Nee, zo is het toch niet goed. Zal ik het eens een keer of wat doen?”— En toen heb ik wéér een leerschool doorlopen. Zoals die meester vertellen kon! De hele klas van 53 blonde en blauwogige saksertjes leefde daarin mee. Niet een die zat te draaien of het nodig vond z’n neus een goede beurt te geven………

Dat vertellen, dat is sindsdien het ideaal gebleven waarnaar ik heb getracht in de bijna vijftig jaar die ik tussen de opgroeiende jeugd heb doorgebracht. En ik heb ervaren dat vertellen, ook zakelijk vertellen – overdragen van kennis dus – heerlijk is. De ene keer lukt dat natuurlijk beter dan de andere. Maar als het dan lukt een vonk over te laten springen, dan beleven verteller en luisteraars een rijk moment uit het leven van „een gelukkige klas”. Of het nu over de orchideeënjagers langs de Amazone gaat, of over Scotts laatste tocht, of over Robinson of over wezen en ontstaan der bergen er is op zo’n moment een band bezig te groeien tussen de luisteraars in de banken en de verteller voor de lessenaar, of zittend op het schrijfvlak van de voorste bank.

M’n volgende IJmuider volksschool-6e-klassers bijvoorbeeld waren te vangen met stukken uit de Griekse mythologie; even de laatste tien minuten na een dag pittig werken. En later was het fijn in de hoogste mulo-klas een week van ouderwets hard werken te kunnen besluiten met een hele voorleesles: uit „Kampvuren langs de evenaar” van Paul Julien. Uit Schweitzers „Aan de zoom van het oerwoud” of uit „Christuslegenden” van Selma Lagerlöff – om er maar enkele te noemen.

Wellicht zijn de klassen daar nu niet meer gelukkig mee.

Mogelijk zijn de jonge luisteraars al overvoerd met wat radio en televisie en Asterix te bieden vermogen. ’t Zou toch verschrikkelijk jammer zijn als de meester-van-nu zijn toverstaf onwerkzaam geworden zag ….

Maar – als het nog lukt, dan wordt de verteller, als het laatste woord is gezegd en de laatste diepe zucht is opgestegen, zeker meer dan eens geconfronteerd met de kritische vraag: „Is dat nu echt gebeurd?”

Heeft Robinson echt op dat eenzame eiland geleefd? Heeft Tijl Uilenspiegel werkelijk al die streken uitgehaald? Was Buffalo Bill zo’n geweldige jager? Hebben Ot en Sien en Dik Trom en Afke werkelijk bestaan?
Is het allemaal fantasie? Of is er een sprank waarheid in het verhaal over Gulliver, Hans Brinker, Don Quichotte, Jan Klaassen, Oom Tom, Von Münchhausen ?
En dan moet er toch een antwoord komen.

Telkens als ik in de loop van vele jaren van zo’n „onsterfelijk” verhaal, dat op de grens van waarheid en verdichting wankelt, een draadje of een dikke draad te pakken kon krijgen, dan heb ik dat bewaard. Te gelegener tijd gebruikt. Er zijn misschien meer van die draadjes dan men denkt. (Nog pas hoorde ik bijvoorbeeld, dat zelfs een sprookje als dat van „Hans en Grietje” een historische ondergrond zou kunnen hebben in lang vervlogen dagen. Ergens in het verre zuidwest-Duitslandl).

Soms zullen we stuiten op pure schrijversfantasie.

Soms op een „kleine waarheid”, die in enkele regels verteld is. Soms op een zo dik kluwen, dat er de schaar in moet.

Uiteraard is van wat nu volgt veel aan andere publicaties ontleend. In je eentje kan je maar niet zo van alles gloednieuw ontdekken. Maar het kan zijn nut hebben de resultaten van allerlei onderzoekingen nu eens aaneengesloten bij elkaar te hebben. Vandaar hier de aanbieding van de oogst van vele jaren. Eerst wat Nederland betreft. Daarna over enkele buitenlandse boeken.

.

Vertelstof: alle artikelen

.

1950-1834

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (70)

.

KOMKOMMERCOLUMN
.

Schrijfster Saskia Noort waagt zich ook aan columns.

Op 13 juli 2019 doopte ze haar pen in een beetje waterige inkt om ook iets over de vrijeschool te zeggen. In het Algemeen Dagblad.
Wat de spelling betreft is ze niet erg op de hoogte: ze kopt ‘vrije’ met spatie – fout – School – met hoofdletter – fout! Dat zal de redacteur dan wel hebben gedaan. Mevrouw Noort kan hem niet helpen: zij schrijft zelf consequent ‘vrije school’. Het is echter: ‘vrijeschool’.

Dan begint ze haar ongenuanceerde stigmatiseringscampagne: 

‘In mijn oude dorp Bergen (NH) staan de SUV’s bij de Adriaan Roland Holst School in rijen opgesteld om het ongevaccineerde kroost af te zetten.’

‘Feit is dat op de vrije school het woord neger nog lang gebruikt werd’.

Nu mag de schrijfster in haar boeken wel geraffineerde plots bedenken en het een met het ander verweven om de lezer te laten smullen, een column vraagt toch op z’n minst om enige waarheidsvinding.

Want de opmerking over ‘neger’ en haar gekleurde verwijzing naar Steiners opvatting over de ontwikkeling van de rassen, koppelt ze aan het feit dat de vrijescholen overwegend ‘witte’ scholen zijn.

Alsof  ‘neger’kinderen of kinderen met een andere huidskleur of culturele achtergrond niet welkom zouden zijn.

Weet zij dan niets over het interculturele vrijeschoolonderwijs?

Wat een geklets van deze mevrouw de schrijfster: ‘De vrije school staat niet alleen kritisch tegenover rassenvermenging, maar….’

Waar heeft ze dat nou weer vandaan? Niet door enig onderzoek!
Uit haar nek, lijkt me, want met een beetje speurwerk had ze bijv. kunnen vinden wat Steiner daadwerkelijk over deze vermenging zegt:

“Wie het tegenwoordig heeft over rassen, naties en stamverbanden als idealen, die spreekt vanuit impulsen die de mensheid ontredderen. En als hij meent met deze zogenaamde idealen de mensheid te dienen, dan is dat onwaar. Want niets zal de neergang van de mensheid meer bevorderen, niets de vooruitgang meer belemmeren, dan het zich beroepen op en het vasthouden aan idealen van ras, volk en bloed,”  GA 177/blz.220

Mevrouw Noort, u zou zich misschien eens moeten toeleggen op een historische roman en dan in de voetsporen treden van echte auteurs die zich moeite geven alle historische achtergronden te kennen voor de context van hun verhaal.

Van Tonny Vos-Dahmen en Thea Beckman zou u veel kunnen leren.

,maar…..maar ook tegenover vaccineren.’

Nog een leugen! De vrijescholen geven geen wel-of-niet-prikkenadvies.

Ten slotte gaat de pen nog in de azijn:

‘Ik dacht, ik stip deze twee dingetjes toch even aan, voordat al die bijzondere, weldenkende pro-diversiteitsouders denken dat ze hun kind op een linkse bubbelschool doen. De enige andere plek waar men met de zonnewende over een vuur sprong, was in de tuin van de weduwe Rost van Tonningen. Denk daar maar aan, met je madeliefjes in je haar.

‘De enige andere plek’? Zou mevrouw Noort nu helemaal geen benul hebben van het feit dat er in veel landen midzomervreugdevuren worden ontstoken en dat er bijv. in Letland en Estland ook over het vuur wordt gesprongen?

Ze stipt het even aan: de vrijeschool tussen de regels linken aan het verfoeilijke nazisme, via de Germaanse vreugdevuren in de tuin van…..

Dat probeerde iemand eerder. En dat liep eveneens vast in belachelijkheid.

Tot slot:

Het is hartstikke vlot geschreven, daar ligt het niet aan, en het leest als een trein, maar wat heb ik nu eigenlijk gelezen? Het plot en de climax zijn nogal simpel, waar niets mis mee is, maar van een auteur van Saskia Noort verwacht ik meer. Vlot geschreven, maar qua verhaal stelt het weinig voor.’

zei iemand al eens over een werk van Noort! (De link naar ‘Oeverloos gezwam’ werkt niet meer)

Dat lijkt mij ook wel voor deze column te gelden.

De column van Saskia Noort kreeg meer aandacht.
.

Rudolf Steiner over: antroposofisch onderwijs

Opspattend grind: alle artikelen

.

1949-1833

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 4 (4-3-6/1)

.
N.a.v. het artikel over Algemene menskunde [4-3-6] schreef Joep Eikenboom deze reactie.

Wat geweldige gezichtspunten voor de opvoeding worden hier door Steiner aangereikt. Een visie die reikt tot ver over de grenzen van een leven:

Vooral in het licht daarvan gaat het in de vrijeschoolpedagogie om de opvoeding van de wil. Dat laatste wordt vaak verkeerd geïnterpreteerd, alsof kinderen vooral mogen doen wat zij zelf willen. Maar daar gaat het nou juist niet over.

De wilskrachten van het kind zijn helemaal nieuw, het kind brengt ze niet meer uit een vorig bestaan, maar het zijn krachten voor dit nieuwe leven vanuit de aarde en ze moeten door het geestelijke in de mens worden gevormd.
Het pas geboren kindje beweegt door wilskrachten, die helemaal aan het fysieke zijn gebonden. Alles verloopt nog reflexmatig, er verloopt nog niets gecoördineerd.
Maar wanneer de ouders er een gezonde manier van omgang met het kleintje in acht nemen, -reinheid -rust en regelmaat- dan ontstaan al gauw gewoontes, vaste tijden voor slapen en voeding enz. Dat drukt zich af in het etherlichaam, waar de wil een driftmatig karakter krijgt. De wil om te overleven is zo’n drift, die zich in het onderbewustzijn afspeelt.
Nog later in het kinderleven ontwikkelen zich de begeerten, die worden opgewekt door zintuigindrukken uit de omgeving. Het kind ziet iets en wil het dan meteen ook hebben; een speeltje, een snoepje. Het astraallichaam is de bemiddelaar van zintuigindrukken en speelt ook een rol bij de acties tot bevrediging van de opgewekte begeertes.
Pas wanneer het echte Ik-bewustzijn ontwaakt, kan men spreken van motivatie, de met bewustzijn uitgevoerde handeling.
In de rechtspraak maakt men verschil tussen ‘doodslag’ en ‘moord’. Doorslag geschiedt uit drift of begeerte. Een moord wordt met voorbedachte rade gepleegd, daar speelt het bewuste Ik de hoofdrol.

Iedere leerkracht kent het gevoel aan het eind van de dag, dat je dingen anders had willen/moeten doen. Dat heeft wenskarakter en speelt zich af in het hogere bewustzijn van het geestzelf, een soort gemetamorfoseerde begeerte.
Het voornemen om het bij een volgende gelegenheid beter te doen ligt een laag dieper, namelijk in het gemetamorfoseerde etherlichaam: de Levensgeest.
Wanneer wij sterven leggen we ons fysieke lichaam af. De wilskrachten die ermee samenhangen kunnen zich in een lichaamsvrije situatie metamorfoseren tot besluiten, die in een verre toekomst weer tot daad kunnen worden.

.

Blogs van Joep Eikenboom: over Audrey Mc.Allen’s ‘The extra lesson’
Perikopennotities
.

Algemene menskunde: voordracht 4 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen
.

1948-1832

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Geschiedenis klas 9 – Voltaire

.
N.a.v. Voltaires sterfdag – op 30 mei 1978 2oo jaar geleden,  schreef Arnold Henny een artikel over hem. Zijn gezichtspunten kunnen worden gebruikt wanneer Voltaire in de geschiedenislessen van klas 9 behandeld wordt.

Arnold Henny, Jonas 2. 22-09-1978
.

Voltaire en de volkerenpsychologie
.

Dit jaar – 30 mei – was het 200 jaar geleden dat Voltaire is overleden. Voor zover mij bekend, is dit hier te lande nauwelijks een aanleiding geweest voor een herdenking. Zijn reusachtig oeuvre – 70 delen – rust, perfect gecatalogiseerd, in de bibliotheken van Europa, gelijk de as van een genie in het columbarium van een crematorium. Zijn toneelstukken worden niet meer gespeeld. Hoogstens behoort men zijn romans, zijn historische en filosofische verhandelingen, te kennen op een examen zonder deze te hebben gelezen.

In de 19e eeuw was dit wel anders. Als vrijdenker of als goed liberaal, kon men nog gniffelen over de talloze ‘bon mots’ en anekdotes, die over Voltaire in omloop zijn. ‘Toch is voor de mens van de 20e eeuw’ – ik citeer W.F. Veltman in een Vrije Opvoedkunstartikel van januari 1951 – de verhouding tot de figuur van Voltaire niet wezenlijk anders dan voor onze over-over-grootouders. Er is alleen dit verschil: het voorgeslacht las Voltaire, wij leven Voltaire.

Daarmee is tevens het levensconflict aangeduid, dat begon in de tijd der Verlichting. Dat conflict ontstaat, wanneer, vanuit Engeland, het natuurwetenschappelijk denken in Frankrijk zijn intrede doet, daar vele zekerheden van een eeuwenoude Latijnse cultuur en kerkelijk geloof ondermijnt, de sociale verhoudingen chaotiseert, hetgeen, tenslotte, geleid heeft tot de uitbarsting van de revolutie in 1789.
Destijds was dit conflict nog slechts een aangelegenheid van een beperkte kring van verlichte burgers. Als zodanig had het nog een ‘elitair’ karakter. In de 20e eeuw is het een aangelegenheid geworden van de grote volksmassa, althans in Europa.

In het leven van Voltaire zelf vormt dit conflict, om zo te zeggen, een hoofdthema. Anno 1726 zette dit hoofdthema van zijn leven in.

Ik citeer een passage uit de inaugurele rede, die Prof. Tenhaeff in 1939 te Amsterdam heeft gehouden bij de aanvaarding van zijn hoogleraarsambt: ‘Erasmus en Voltaire als exponenten van hun tijd’.

‘Voltaire stapt zó van de Bastille in de logeerkamer van lord Bolinbroke. Dat zijn nu eenmaal de voordelen van een turbulent leven: soms in rust van de gijzeling, soms jaren van ballingschap, inkeer en nieuwe ervaringen. Deze ervaring in een land, waarboven oceaanwind altijd waait, telt dubbel’.

Een onbeduidende ruzie met een edelman, was de aanleiding geweest, dat Voltaire in de Bastille werd opgesloten. Hij was door deze beledigd en daagde hem uit tot een tweegevecht. Wat een onbeschaamdheid! Om als burger, iemand van de geprivilegieerde klasse, tot een duel uit te dagen. Zo iemand kon het beste met een ‘Lettre de cachet’ – men kon die kopen – in het gevang verdwijnen. Daarmee konden lastige burgers onschadelijk worden gemaakt…

Waarschijnlijk heeft de chevalier de Rohan later nooit beseft, wat, een weldaad hij daarmee Voltaire heeft bewezen, en welke verstrekkende gevolgen dit voor de Franse geschiedenis heeft gehad. De verbanning van Voltaire, na zijn verblijf in de gevangenis, naar Engeland, betekent voor hem het begin van een nieuwe levensfase. Een leerschool van filosofisch en staatsrechtelijk denken. Daar in Engeland wordt niemand zonder vorm van proces van zijn vrijheid beroofd. Ook heeft de koning daar al lang niet meer absolute macht. Hij is gebonden aan een constitutie, waarin de spelregels zijn vervat in competentie tussen wetgeving en uitvoerende macht, en waarin een aantal grondrechten zijn vastgelegd. Ook is daar de Heilige Moederkerk reeds lang niet meer een machtsinstrument, zoals in Frankrijk nog het geval was.

Kort nadat Voltaire uit Engeland is teruggekeerd, verschijnen – 1734 -clandestien in Frankrijk de ‘Lettres filosophiques sur les Anglais’. Het boek werkt in Frankrijk als een tijdbom. Het is geladen met geestelijk dynamiet, van de zelfde kracht, als waarmee 55 jaar later de Bastille te Parijs met de grond gelijk zal worden gemaakt.

‘Wanneer er in Engeland’ – zo schrijft Voltaire – ‘slechts één religie zou bestaan, dan was het despotisme gevaarlijk; wanneer er twee religies zouden bestaan, dan zouden ze elkaar de keel afsnijden, maar er zijn er dertig… en zij leven allen in vrede en geluk ’.
Bovendien, niet alleen de predikanten zijn er vrij hun mening te verkondigen, ook de geleerden. Engeland is het land van Newton, Pope, Addison, John Locke: ‘Les plus grands philosophes et les meilleurs plumes de leur temps’.
Dank zij de natuurwetenschap beseffen al deze geleerde heren dat niemand van hen nog langer kan beweren dat hij de enige waarheid in pacht heeft. Want met de natuurwetenschap is ook de betrekkelijkheid van waarheden aan het licht gebracht. Dat is de invloed van de ‘Copernicaanse revolutie’ op het wereldbeeld van de Kerk. De aarde is niet langer meer het middelpunt, waaromheen de wereld draait; hoogstens een stofje in de onmetelijke ruimte van het heelal.
En wat voor de ‘kosmos’ geldt, die nu door de astronomen met hun kijkers wordt onderzocht, geldt ook voor het geloof. Sinds door de ontdekkingstochten zoveel vreemde volkeren in de gezichtskring van de beschaafde mens in Europa zijn gekomen, is ook duidelijk geworden dat ieder volk zich een God naar zijn beeld heeft geschapen.
‘Voor men gaat dogmatiseren over de ‘natuur van God’, moet men – zo schrijft Voltaire – eens nadenken over de volgende gebeurtenis: ‘Op zekere dag hoorde ik een mol redetwisten met een meikever voor een huisje dat ik juist achterin mijn tuin had gebouwd. ‘Kijk eens wat een schoon bouwsel’ verklaarde de mol, het moet wel een zeer machtige mol zijn geweest die dit werk tot stand heeft gebracht’. ‘Gij steekt er de draak mee’ antwoordde de meikever. ‘Het is een uiterst geniale meikever geweest die dit gebouwd heeft’. ‘Sindsdien – aldus Voltaire – heb ik het besluit genomen nooit meer te disputeren’.

Madame du Chatelet

Een tijd lang kan men met zo’n agnostische wereldbeschouwing heel aangenaam leven, vooral wanneer blijkt dat er in Frankrijk adellijke dames zijn, die wat blasé geworden van het wereldse leven aan het hof te Versailles, er de voorkeur aan geven zich terug te trekken op hun landgoed om zich daar in alle rust te kunnen wijden aan de studie van de natuurkunde.
Dat opent voor Voltaire een nieuw levensperspectief. Vanaf 1734 leeft hij samen met Madame du Chatelet op haar kasteel te Cirey-sur-Blaise. In dezelfde tijd heeft ook Rousseau een minnares gevonden in Madame de Warens en beleeft op haar landgoed in de bergen van Savoye drie verrukkelijke zomers van studie van natuur en cultuur.
Gevaarlijke verhoudingen? ‘Liaisons dangereuses’? Emilie de Breteuil was reeds op haar 19e jaar door haar familie gedwongen te trouwen met de markies du Chatelet. Al gauw bleek dat deze officier en landedelman meer aandacht had voor de jacht op hazen en patrijzen, dan, zoals zijn vrouw, voor de nieuwe denkbeelden van Engelse natuurfilosofen. Voltaire komt haar daarin tegemoet. Dagen en nachten worden gezamenlijk doorgebracht met studie en natuurkundige proeven: natuurwetenschap die in Engeland reeds bijna een jaar lang in de belangstelling stond. Al gauw merkt hij een grote lacune in haar ontwikkeling: gebrek aan historische belangstelling. Maar daar is wel een oplossing voor te vinden. Sprak het eigenlijk niet vanzelf dat een jonge vrouw zich niet interesseert voor wat als ‘fable convenue’ in die tijd doorging voor geschiedeniswetenschap: een samenraapsel van vrome slaapverwekkende vertelsels en leugens die in strijd waren met elk oordeel vanuit het gezonde verstand? Wie kon nog belangstelling hebben voor de verhalen over heiligen en wonderbaarlijke bekeringen van Franse koningen – van Chilperik tot Clovis – zoals die werden beschreven in Bossuet’s ‘Discours sur l’Histoire Universelle’? Een werk, dat begint bij de schepping van de wereld en eindigt met Karei de Grote. Een wat bijgewerkte editie van Augustinus’ heilsgeschiedenis, maar nu pasklaar gemaakt ter rechtvaardiging van het absolute gezag van de ‘Allerchristelijkste majesteiten’ van Frankrijk.

Arme Emilie. Wat moest zij beginnen met een geschiedenis van de mensheid, waarin Egyptenaren en Babyloniërs werden voorgesteld als onbeschaafde heidenen, slavenvolkeren, bijgelovig en dom, wier bestaansrecht in het wereldplan Gods, slechts hierop berustte, dat tegen hén, eens het door God uitverkoren volk der Joden zich had kunnen afzetten. Jawel, Histoire Universelle, wereldgeschiedenis, maar dan wel van een heel klein wereldje, dat veilig beschermd werd door het gezag van Staat en Moederkerk, die sinds de bekering van Constantijn de Grote te Rome, voortaan onafscheidelijk aan elkaar verbonden waren. Alsof, sinds Karel de Grote, er geen ontdekkingstochten waren geweest, die deze ‘christelijke’ wereld hadden opengebroken. Alsof sindsdien geen beschavingen zichtbaar waren geworden als die van de Grieken en Romeinen, en zeker als die van de Joden.

In Cirey begint Voltaire aan zijn opvoedkundige taak. Hij zal Madame du Chatelet laten zien, dat ook op een klein landgoed de ‘grote wereld’, die zij in Versailles ontvlucht was, kan voortleven. Daarvoor hoeft men geen sociale verplichtingen aan het hof te vervullen. Door de wereldgeschiedenis kan men zijn horizon steeds meer verwijden. Niet door een ‘fable convenue’ waarin beoordeeld wordt, welke volkeren wél en welke niet zijn opgenomen in het Heilsplan van Onze Lieve Heer. Wél door wereldgeschiedenis, waarin de beschaving, de zeden en de gewoonten van alle volkeren van de wereld worden beschreven en waarin zij worden getypeerd, ieder naar eigen karakter, dat hun door de natuur is gegeven.

Daarin ziet Voltaire zijn pedagogische opgave; allereerst bij zijn aristocratische vriendin; door geschiedschrijving interesse op te wekken voor de wereld. Daarnaast ook bij anderen, voor zover zij niet voorzien zijn van theologische oogkleppen, die hun oordeelsvermogen hebben afgestompt.

Zo is op Cirey de eerste cultuurgeschiedenis van de mensheid geschreven. ‘Essai sur les Moeurs et l’Esprit des Nations’. Voltaire zal er zijn hele leven lang aan blijven werken en wanneer het werk is voltooid, zou men kunnen spreken van een ‘Copernicaanse revolutie’ in de geschiedschrijving, meer dan 150 jaar vóór Toynbee’s ‘A Study of History’.

De spiegel van het ‘andere volk’

Revolutionair was zeker de aandacht die Voltaire besteedde aan de Chinese beschaving. Sinds de Franse Jezuïten in China als missionaris hadden gewerkt, was men van de ene verbazing in de andere gevallen. Nog lang vóór de slag bij Salamis, vóór de stichting van Rome en de geboorte van Christus, bestond in het Verre Oosten een duizendjarige beschaving: ‘de Chinezen hadden sinds onheuglijke tijden de zelfde godsdienst, de zelfde moraal nu, terwijl de Gothen, de Herulen, de Vandalen, de Franken er slechts een moraal van rovers op nahielden, die er op neerkomt, het recht van verovering te wettigen ’.
‘Andere volken hebben hun geschiedenis afgeleid van allegorische fabels. De Chinezen schreven hun historie met de pen en het astrolabium in de hand, met een eenvoud waarvan men in heel Azië geen enkel voorbeeld vindt’.
Hun godsdienst kenmerkt zich door afwezigheid van fanatisme. De stichter hiervan, Confucius, was geen profeet, ook niet iemand die zich liet beïnvloeden door bovenzinnelijke inspiraties. Hij was een wijs magistraat, die wetten en leefregels uitvaardigde. Hij leerde slechts wat deugdzaam is. Zijn uitspraken bevatten geen enkel mysterie’.
Behalve China komen nu ook het ( oude India en de wereld van de Islam binnen de gezichtskring. Alle bestaande vooroordelen over Arabieren en Turken worden zorgvuldig weggewassen. Verder staan Egypte, Perzië, Babylonië in de aandacht en ook – in het Westen – volkeren in Zuid- Amerika. Met deze nieuwe oriëntatie in de wereld wordt de plaats van Europa daarin anders. Sinds de 16e en 17e eeuw waren deze oosterse en westerse volken niet veel meer geweest dan object van exploitatie. Zij waren alleen, van economisch belang voor de Europese kolonisatoren: Spanje, de Nederlanden, Frankrijk en Engeland. Nu werden zij binnengehaald in de gezichtskring van de beschavingsgeschiedenis. Europa is daarin niet langer meer een middelpunt. Deze ‘Copernicaanse revolutie’ in de geschiedschrijving gaat gepaard met relativisme. Het ‘eigen’ volk, als nationaliteit, is niet meer zó
toonaangevend. Het spiegelt zich in het oordeel van andere volken. Ook dat is een gevolg van de natuurwetenschappelijke benadering van de geschiedeniswetenschap: hoe oordeelt men in China, in Perzië, in de Arabische landen over Frankrijk? Hoe zien die verre volkeren ons?

Deze vraag was reeds gesteld in 1721 door de Montesquieu in zijn ‘Lettres Persanes’, waarin hij twee Perzen die Frankrijk bezochten brieven liet schrijven aan hun vrienden in Perzië. Wat een zonderlinge wereld, daar in Frankrijk.
‘De koning is een groot tovenaar. Hij zwaait zijn scepter zélfs over de geest van zijn onderdanen. Hij laat hen denken zoals hij wil. Als hij slechts één miljoen daalders in zijn schatkist heeft en er twee hebben moet, behoeft hij hun slechts wijs te maken dat één daalder de waarde heeft van twee, en zij geloven het… Een vorm van kritiek die dodelijk is. Voltaire past haar toe, wanneer hij, schrijvend over ‘de zeden en de geest der volkeren’ zijn Arabische koffie drinkt uit een Chinees porseleinen kop. Want tot in de genotmiddelen toe wordt in de 18e eeuw de burger er zich van bewust dat hij niet langer alleen maar deel uitmaakt van zijn eigen volk maar ook van de gehele mensheid.

Tegenspraak tussen filosofie en leven

Zoals gezegd, dit nieuwe bewustzijn stond sterk onder invloed van het natuurwetenschappelijke relativisme, waarmee Voltaire in Engeland in aanraking was gekomen.
In zijn eigen leven roept het de ene crisis na andere op. Want men kan als Fransman gemakkelijk schrijven over deelgenootschap aan de beschaving van de gehele mensheid, maar dat betekende niet dat men daarmee ook reeds kon leven. Er ontstaat een tegenspraak tussen filosofie en de wijze van leven. Dat is dan nog slechts bij enkele mensen het geval. Ook Rousseau – wiens 200 jarige sterfdag (3 juli 1778) wij dit jaar eveneens kunnen herdenken – was één van hen. Pas in de 20e eeuw wordt dit een vraagstuk van ons allen.

Voor Voltaire bleef Frankrijk het vaderland – La Patrie – wiens cultuur toonaangevend was voor Europa. Een levenshouding die men in onze tijd nog kon aantreffen bij generaal De Gaulle. Cultuur, als erfenis van Latijnse beschaving en gehuld in het gewaad van christelijke allegorie. Wie Voltaires nationale epos over Koning Hendrik IV leest met zijn barokke pracht van beeldspraak, kan navoelen welk een kloof er lag tussen de nieuwe, uit Engeland afkomstige, exact geschoolde wijze van denken en de Grandeur’ van continentaal-Latijnse retoriek, die de leerlingen van het Collége Louis-Re-Grand te Parijs door de Jezuïetenpaters was bijgebracht. Voltaire was een van hen. Zijn hele leven lang heeft hij onder deze kloof geleden. Zij heeft niet alleen zijn nerveuze onrust beïnvloed, zijn drang om te schitteren en de wereld om hem heen te verbluffen, zij heeft ook zijn scepsis beheerst, die zóver ging, dat hij niet durfde op te komen voor de consequenties van zijn eigen ideeën. Hoe dikwijls heeft hij verloochend, wat hij zelf geschreven heeft. Wanneer men hem vraagt, of hij de auteur is van de ‘Lettres philosophiques sur les Anglais’, zegt hij, dat hij daarvan nooit gehoord heeft. En van een van zijn meest speelse maar ook meest hekelende romans, ‘Candide ou sur l’optimisme’, zegt hij: ‘Ik heb nu eindelijk Candide gelezen, men moet wel krankzinnig zijn om dergelijke vuiligheid mij aan te rekenen’.

Zoals Rousseau een boek schrijft over de ideale opvoeding – ‘Emile’ – en zijn eigen kinderen in het weeshuis laat belanden, zo heeft Voltaire dikwijls zijn geschriften als natuurlijke kinderen beschouwd, voor wiens vaderschap hij niet durft uit te komen.

‘II n’eut pas assez de confiance en la verité’, zegt Gustave Lanson, Voltaires biograaf. En Tenhaeff voegt hieraan toe in de zo-even vermelde inaugurele rede: ‘voor een propagandist moge dat niet erg zijn, voor een bouwer in het rijk des geestes blijft dat een tamelijk ernstige tekortkoming’.

Volkerenpsychologie

Wanneer het na 200 jaar lijkt dat verreweg het grootste deel van Voltaires werk slechts geschreven schijnt voor de bibliotheken van Europa om daarin, als in een mausoleum, te worden begraven ter wille van het voortbestaan van zijn literaire roem, dan is het nu van belang zijn ‘Essai sur les moeurs’ te voorschijn te halen. Enerzijds is het een typische uiting van Voltaire’s agnosticisme. ‘In Voltaires ‘Essai’ heeft God zich teruggetrokken uit de geschiedenis; en indien hij nog heerst, grijpt hij toch niet meer leidinggevend in de historie in’ zegt Karl Löwith in zijn ‘Weltgeschichte und Heilsgeschehen’. Zin en doel van de geschiedenis lagen voor Voltaire hierin: met behulp van de rede de menselijke verhoudingen te verbeteren; de mens minder onwetend, beter en gelukkiger te maken’.

In de 20e eeuw – na twee wereldoorlogen en economische crisis – weten wij wel beter. Niettemin heeft Voltaires ‘Essai’ een belangrijke stoot gegeven aan het zich verplaatsen in het karakter van het ‘andere volk’, als tegenwicht tegen de hoogmoed van nationale superioriteit.

De ideeën uit de ‘Essai’ zijn dan ook niet steriel gebleken. In 1784 – zes jaar na Voltaires dood – verschijnt in Duitsland Herders ‘Ideeën zur Philosophie der Geschichte’ met zijn tableau van alle volkeren der aarde in Oost en West. Kort na de dood van Voltaire in 1778 verschijnt Lessings geschrift, ‘Die Erziehung des Menschengeschlechts’, waarin voor het eerst de idee van de reïncarnatie optreedt als ontwikkelingselement in de mensheidsgeschiedenis. Later, in de 19e eeuw, wordt het thema van de volkerenpsychologie weer opgenomen door Moritz Lazarus, Steinthal en Wilhelm Wundt, nu meer benaderd vanuit de taalkundige hoek.

Maar in de 20e eeuw, na Wereldoorlog I en II, ontwaakt in Europa weer de belangstelling, onder andere door het werk van de Spanjaard Salvador de Madariaga (Anglais, FranÇais, Espagnols) en de Fransman André Siegfried (L’ame des peuples). Daarvóór was in Duitsland echter al door Rudolf Steiner een grondslag gelegd voor een niet agnostische maar sterk spirituele studie van de volkerenpsychologie, aan de hand van de ontwikkelingsfasen van de mensheid. Zijn gezichtspunten werden, meer in concreto, uitgewerkt onder andere door Hans Erhard Lauer (Die Volksseelen Europas) en Herbert Hahn (Vom Genius Europas).

In ons land heeft Dr. Zeylmans van Emmichoven het als een van zijn levenstaken beschouwd, de volkerenpsychologie gestalte te geven in overeenstemming met de geest van onze tijd. Na Wereldoorlog II (1946) werd door hem het Instituut voor Volkerenpsychologie opgericht, dat een tijd lang als forum heeft gefunctioneerd, waar psychologen, historici, ondernemers, juristen en sociologen gedachten op dit gebied met elkaar konden uitwisselen. Ook het werk van Max Stibbe was een belangrijke bijdrage, onder andere zijn boek ‘Zwanenridder en Vliegende Hollander’. Daarmee werd gepoogd het begrip voor ‘het andere volk’ en voor het ‘eigen volk’ te ontwikkelen vanuit het ontdekken van een grote samenhang tussen de levensfasen van de mens en die van de mensheid.

Zo kon, naast de ontwikkeling van het internationaal recht, in een tijd van toenemende nationale tegenstellingen, een grondslag worden gelegd voor een nieuwe visie op de ontwikkeling van de mensheid, de mensheid als ‘eenheid in verscheidenheid’.

.
Voltaire

Geschiedenis klas 9

1947-1831

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 4 (4-3-6)

.

Enkele gedachten bij blz. 72 t/m 76 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

WENS, VOORNEMEN EN BESLUIT

In deze 4e voordracht gaat het over ‘manifestaties’ van de wil. ‘Wil’ opgevat als wat vanuit ‘een binnenwereld buitenwereld kan worden’.
In dit artikel werd geconstateerd dat in de vier natuurrijken alleen de dieren en de mens ‘wil’ in zich dragen.

tweede mens

In het vorige artikel sprak Steiner op blz. 72 over ‘een tweede mens’ in ons, die hij op blz. 73 de ‘andere mens’ noemt, tevens de ‘betere mens’ in ons. Die neemt zich voor een verrichte handeling de volgende keer beter te doen.
Als onbewust, onderbewust voornemen zou dit altijd als ondertoon meeresoneren.

voornemen en besluit als ‘kiem’

Het blijft voor mij een moeilijk te bevatten onderwerp: dat de impuls van wat je wilt, eigenlijk pas realiteit wordt na je dood. Terwijl je toch juist heel vaak je wilsimpuls die je nu voelt, hebt, binnen niet al te lange of wellicht toch pas later, realiseert, uitvoert. Het gaat, zoals in de 2e voordracht naar voren komt, om de ‘kiem’ ervan.
Dit geldt ook voor de wens.
Wanneer deze wens in ons om iets een volgende keer beter te doen, sterker wordt, ontstaat in je het gevoel ‘om dat ook echt te gaan doen’, en dan kun je spreken van ‘een voornemen’.
In onze eigen levenservaring kennen we dat fenomeen allemaal: door de omstandigheden ben je ertoe gebracht; je bent in een situatie terechtgekomen waarin het voornemen sterker wordt: ‘En nu ga ik het zó doen!’
Wanneer je het dan daad!-werkelijk zo doet, op het punt staat om, dan kun je toch spreken van een besluit.
“Ik heb het vaste voornemen om…’ ‘Mijn besluit staat vast (om…) nemen toch een bijna concrete vorm aan.

Maar ook over dit voornemen en besluit zegt Steiner dat het in de ziel als kiem aanwezig blijft. De ziel moet eerst van het lichaam bevrijd zijn:

blz. 74  vert. 73

Und erst wenn die Seele einmal vom Leibe befreit sein wird, wird aus diesem Vorsatz der Entschluß. Der Vorsatz bleibt ganz keimhaft in der Seele liegen; dann folgt der Entschluß später nach. 

En pas wanneer de ziel eens van het lichaam bevrijd zal zijn, dan ontstaat uit dit voornemen het besluit. Het voornemen blijft in de ziel geheel als kiem aanwezig; het besluit volgt later.

zevenledige wil

Zoals we al zagen, verbindt Steiner de zevenledige wil aan de zevenledige mens.
Het instinct aan het fysieke lichaam.
Omdat we zelf ook over een fysiek lichaam beschikken, kunnen we dit instinctmatige meevoelen en beleven en dus beter begrijpen.
Dat geldt ook voor::
De drift aan het etherlijf en de begeerte aan het astraallijf.
Ook hebben we een Ik, waar het motief bijhoort.

Maar in dit leven beschikken we nauwelijks over de wezensdelen die boven het Ik uitgaan: geestzelf, levensgeest en geestmens.
Daarom is het niet eenvoudig, wellicht onmogelijk om helemaal te doorgronden hoe de samenhang is met wens, voornemen en besluit.

blz. 74   vert. 73/74

Und der Entschluß sitzt ebenso im Geistesmenschen, wie der Vorsatz im Lebensgeist und wie der reine Wunsch im Geistselbst sitzt. Fassen Sie also den Menschen als wollendes Wesen ins Auge, so können Sie alle diese Bestandteile finden: Instinkt, Trieb, Begierde und Motiv, und dann leise anklingend das, was schon im Geistselbst, im Lebensgeist und im Geistesmenschen lebt als Wunsch, Vorsatz und Entschluß.

En het besluit ligt in het gebied van de geestesmens, zoals het voornemen in de levensgeest en de zuivere wens in het geesteszelf ligt. Neemt u de mens dus als wilswezen in ogenschouw, dan kunt u alle elementen vinden: instinct, drift, begeerte en motief en dan klinkt als ondertoon mee, wat als in het geesteszelf, de levensgeest en de geestesmens leeft: wens, voornemen en besluit.

de werking van het Ik aan de wezensdelen

In [1-7-2/8] wordt er iets gezegd over: geestzelf, levensgeest en geestmens. Daarbij gaat het om de invloed die het Ik op de ons ter beschikking staande wezensdelen heeft. En kan hebben, wanneer we bewust proberen deze invloed te vergroten.
Maar  hoe moeilijk is het niet om bv. iets aan ons eigen karakter te veranderen. In wat ‘in onze aard’ ligt. Telkens weer moet je a.h.w. opnieuw beginnen. Eigenlijk kun je – ook al slaag je daarin – nooit zeggen, dat het nu genoeg is, dat je er bent, dat het goed is, zo. Het resultaat ligt, zolang je leeft, eigenlijk voortdurend in de toekomst.
Geestzelf, levensgeest en geestmens als omgewerkte wezensdelen resp. astraallijf, etherlijf en fysiek lichaam, zijn dus dit leven nooit volledig te ontwikkelen. We weten simpelweg niet wat dit ‘volledig’ is, hoe het bereikt wordt en wanneer.
En in deze sfeer bevinden zich ook wens, voornemen en besluit, die blijven hierbij eigenlijk alleen maar op een toekomst gericht die we in wezen niet kennen.

We kunnen er ons alleen een voorstelling van maken; we hebben er slechts een beeld van:

blz. 74  vert. 74

Das hat nun für die Entwickelung des Menschen eine große Bedeutung. Denn was da leise lebt als sich aufbewahrend für die Zeit nach dem Tode, das lebt sich im Bilde aus beim Menschen zwischen Geburt und Tod. Da bezeichnet man es dann mit denselben Worten. Vorstellungsmäßig erleben wir auch da Wunsch, Vorsatz und Entschluß. Aber nur dann werden wir in menschlich entsprechender Weise diesen Wunsch, Vorsatz und Entschluß erleben, wenn diese Dinge in richtiger Art heran- gebildet werden. Was Wunsch, Vorsatz und Entschluß eigentlich in der tieferen Menschennatur sind, das tritt nicht hervor beim äußeren Menschen zwischen Geburt und Tod. Die Bilder treten im Vorstellungsleben hervor. Sie wissen ja gar nicht, wenn Sie nur das gewöhnliche Bewußtsein entwickeln, was Wunsch ist. Sie haben stets nur die Vorstellung des Wunsches. 

Dat is nu van groot belang voor de ontwikkeling van de mens. Want wat daar zo voorzichtig klinkt en nog bewaard blijft voor de tijd na de dood – dat manifesteert zich als beeld in de mens tussen geboorte en dood. Men geeft het daar dezelfde namen. Ook daar beleven wij in onze voorstelling wens, voornemen en besluit. Maar we zullen deze wens, dit voornemen en dit besluit alleen op waarlijk menselijke wijze beleven, wanneer deze dingen op de juiste wijze gevormd worden. Bij de mens tussen geboorte en dood treedt niet duidelijk aan de dag wat wens, voornemen en besluit eigenlijk in de diepere natuur van de mens zijn. De beelden komen in het voorstellingsleven te voorschijn. U weet namelijk geenszins wat een wens is, wanneer u slechts het gewone bewustzijn ontwikkelt. U heeft altijd slechts de voorstelling van de wens.

blz. 75    vert.  74/75

Daher glaubt Herbart, es sei überhaupt in der Vorstellung des Wunsches schon ein Strebendes vorhanden. Beim Vorsatz ist es ebenso; vor ihm haben Sie auch nur die Vorstellung. Sie wollen so und so etwas tun, was sich real unten in der Seele abspielt, aber Sie wissen ja nicht, was da zugrunde liegt. Und nun erst der Entschluß! Wer weiß denn etwas davon?

Daarom meent Herbart [4] dat reeds in de voorstelling van de wens een streven aanwezig is. Bij het voornemen is het precies zo — ook daarvan heeft u slechts de voorstelling. U wilt iets op een of andere manier doen – en dit speelt zich ook werkelijk diep in de ziel af – maar u weet echter niet wat daaraan ten grondslag ligt. En dan het besluit – wie weet daar nu iets van?

Und dennoch muß in alle diese drei Seelenkräfte regelnd und ordnend der Unterrichter und Erzieher eingreifen.

En toch moeten opvoeder en pedagoog sturend en ordenend inwerken op deze drie zielenkrachten.

pedagogische consequenties

In GA 294 verbindt Steiner ‘de wens’ aan een pedagogische situatie:

GA 294  blz. 59  vert. blz. 68

Das wird außerordentlich gut auf das Kind in methodischer Beziehung wirken, wenn Sie ihm in den ersten Stunden davon gesprochen haben, daß es Schreiben, Lesen und Rechnen zwar jetzt noch nicht kann, aber alle diese Dinge in der Schule lernen wird. Dadurch prägt sich in dem Kinde die Hoffnung aus, der Wunsch, der Vorsatz, und es lebt sich durch das, was sie selber tun, in eine Ge­fühlswelt hinein, die wieder Ansporn ist zur Willenswelt. Also selbst das können Sie tun, daß Sie in bezug auf das Erzieherische das, was Sie später tun wollen, nicht unmittelbar an das Kind heranbringen, sondern es einige Zeit in der Erwartung lassen. Das wirkt außerordentlich gün­stig auf die Willensausbildung des werdenden Menschen.

Methodisch zal het al bijzonder werkzaam zijn als u het kind in de eerste uren [5] hebt verteld dat het weliswaar nu nog niet kan schrijven, lezen en rekenen, maar dat het dat allemaal op school zal leren. Daardoor ontwikkelt zich in het kind een hoop, een wens, een voornemen. En de kinderen leven zich, door wat ze zelf doen, in een gevoelswereld in, die zelf weer een aansporing is van de wil. Dus u kunt zelfs zo te werk gaan dat u, als een pedagogische maatregel, de kinderen niet direct aanreikt wat u later gaat doen, maar ze eerst enige tijd in ‘verwachting’ laat. Dat werkt buitengewoon gunstig op de wilsontwikkeling van de opgroeiende mens.

Dan volgen er twee uitspraken die weliswaar in deze context worden gesproken, maar die een veel algemener karakter dragen: [6]

Man muß gerade mit dem arbeiten, was in den Tiefen unten in der Menschennatur sich abspielt, wenn man erziehend und unterrichtend arbeiten will.

Wil men als opvoeder en pedagoog werken, dan moet men juist werken met dat wat zich diep in de menselijke natuur afspeelt.

Es ist immer außerordentlich wichtig, daß man sich als Erzieher und Unterrichter bewußt werde: Es genügt nicht, den Unterricht einzurichten nach dem gewöhnlichen Menschenverkehr, sondern man muß diesen Unterricht aus der Erfassung des in- neren Menschen heraus gestalten.

Het is buitengewoon belangrijk dat men zich als opvoeder en pedagoog er steeds van bewust is, dat men er niet mee kan volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar dat men dit onderwijs moet vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.

Steiner gaat nu in op wat het betekent het onderwijs in te richten ‘volgens de gewone omgangsnormen’ en neemt als voorbeeld ‘het gangbare socialisme’ in Rusland.
Op zich een interessante uiteenzetting, maar in 2019 kan dit geen voorbeeld meer zijn voor ‘de inrichting van het onderwijs volgens de gewone omgangsnormen’.

We zouden voorbeelden moeten vinden waarbij sprake is van dat er iets in het vrijeschoolonderwijs wordt of moet worden ingevoerd.
En bij het ‘hoe’ in te voeren, zou het uitgangspunt dan o.a. moeten zijn: dat men er niet mee kan volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar dat men dit onderwijs moet vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.

Hoe kun je ‘computerles’ geven, vormgegeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.

Er zijn ook leerkrachten die van mening zijn dat yoga en/of mindfulness op de vrijeschool gegeven zouden moeten worden.
Welke inzichten in de innerlijke mens geven daarvoor een basis?

En is deze opmerking uit de context te lichten om deze in een groter verband ook serieus te nemen?:

blz. 76   vert. 76

Hier muß besonders achtgegeben werden. Es müssen Menschen da sein, welche wissen, daß der Fortschritt nach der sozialen Seite ein um so intimeres Erfassen des Menschen von seiten der Erziehung fordert. Daher muß man wissen, daß gerade von dem Zukunftserzieher und unterrichter das Innerste der Menschennatur angefaßt werden muß, daß man mit diesem In- nersten der Menschennatur leben muß und daß der gewöhnliche Verkehr, wie er sich zwischen den Erwachsenen abspielt, nicht im Unterricht angewendet werden darf.

Dit vraagt om de grootst mogelijke oplettendheid. Er moeten mensen zijn die weten dat vooruitgang in sociaal opzicht van de kant van de opvoeders een des te intiemer inzicht in de mens vereist. Daarom moet men weten dat juist de opvoeder en de pedagoog van de toekomst tot de innerlijke kern van de menselijke natuur moeten doordringen, dat men met deze kern moet leven en dat de gewone manier van omgaan tussen volwassenen onderling niet in het onderwijs mag worden toegepast.

Zou dit ‘in sociaal opzicht’ niet ook gewoon weggelaten kunnen worden, geldt dit niet algemener in de zin van ‘iedere ontwikkeling van het kind?’

Steiner komt met nóg een voorbeeld, dat sterk doet denken aan de in de jaren zeventig van de vorige eeuw populaire ‘anti-autoritaire opvoeding’. 

blz. 77  vert. 76:

Was will man denn heute nach dem sogenannten sozialistischen Programm? – Man will die Kinder so miteinander in Verkehr treten lassen, wie es bei den Erwachsenen der Fall ist. Das aber ist das Falscheste, was man in der Erziehung tun kann. Man muß sich bewußt sein dessen, daß das Kind noch etwas ganz anderes an Seelenkräften und auch an Körperkräften zu entwickeln hat, als die Erwachsenen im Wechselverkehr mit- einander zu entwickeln haben. 

Want wat wil men dan tegenwoordig volgens dat zogenaamde socialistische programma? Men wil dat de kinderen op dezelfde manier met elkaar omgaan als volwassenen dat doen doen. Maar dat is de grootste fout die men in de opvoeding kan maken. Men moet zich ervan bewust zijn dat het kind nog heel andere zielenkrachten en lichamelijke vermogens moet ontwikkelen dan de volwassenen in de omgang met elkaar.

In een volgend artikel [nog niet oproepbaar] gaat Steiner dieper in op het verschil volwassene-kind.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

[4] In o.a. GA 297 gaat Steiner nader in op Herbart – vertaald op deze blog blz.23
[5] Rudolf Steiner over de 1e klas – het eerste uur
[6] Deze ‘algemene’ uitspraken binnen een bepaalde context heb ik verzameld onder de naam: Rudolf Steiner – wegwijzers

.

Algemene menskunde: voordracht 4 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1946-1830

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (16-5)

.

‘Mamma, er zit een griezelig beest onder mijn bed!’
.

Huilen bij het naar bed gaan. Bang om te gaan slapen. Bang voor heksen. Bang voor alles. Soms zelfs te bang om te zeggen dat je bang bent. Als je je realiseert dat je kind bang is en zich niet veilig voelt, raak je daar zelf meestal ook een beetje van slag van. Voordat je het weet neem je zijn angst over. Maar daarmee help je hem niet om over zijn angst heen te komen. Hoe kun je dat volgens kindertherapeute Joyce Honing wel doen?

Joyce Honing en Petra Weeda, Weleda Puur Kind, herfst 2003, nr. 12
.

Jonas is een gezonde, stevige peuter met bolle wangetjes en vrolijke ogen. Met zijn buikje vooruit stapt hij de wereld in.

Op een dag – Jonas is twee en een half – gebeurt er iets ongebruikelijks bij het naar bed brengen. Na de welterusten-knuffel klemt hij zijn armen krampachtig om zijn moeders nek en begint te huilen. Klaarwakker is hij, en er staat angst in zijn ogen. Zachte overreding om nu echt lekker te gaan slapen heeft geen enkel effect. Integendeel, het lijkt wel of Jonas steeds panischer wordt bij elke poging van zijn moeder om hem

Gewone angst

De angst van Jonas is eigenlijk heel gewoon bij kinderen van zijn leeftijd. De afgelopen maanden heeft hij grote stappen in zijn ontwikkeling gezet. Zijn spreken is enorm vooruitgegaan.

Hij zegt bijvoorbeeld niet meer ‘Jonas’ als hij zichzelf bedoelt maar ‘ik’. Ook is hij de laatste tijd een stuk driftiger en koppiger geworden. Net alsof hij heeft besloten dat hij ook wel eens even zal laten merken dat hij weet dat hij een ‘ikje’ is.

Wat Jonas meemaakt, overkomt eigenlijk iedere peuter in de koppigheidsfase. Je zou kunnen zeggen dat op dat moment een eerste vorm van zelfbewustzijn wordt geboren. Maar dat ontwakende zelfbewustzijn doorkruist wel zijn veilige leefwereldje. Ineens is er niets meer over van het gevoel van eenheid en verbondenheid met zijn vertrouwde omgeving. Een verbondenheid die hij tot in zijn lijfje toe voelde. Ineens blijkt hij ‘iemand’ te zijn met een eigen lichaam, waarmee hij tegenover de wereld kan gaan staan en kan zeggen wat hij wil en niet wil. Dat is leuk, maar ook best een beetje eng. Als Jonas ’s avonds in bed ligt voelt hij dat dat lijfje van hem echt helemaal alleen achterblijft als mamma zijn kamer uitloopt. Dat is voor een peuter als Jonas zoiets als een val uit het paradijs. Het mag dan een natuurlijk en voor zijn ontwikkeling noodzakelijk losmakingsproces zijn, voor Jonas betekent het op zo’n moment maar één ding: gevaar! En dan ‘ziet’ hij ook ineens dat griezelige beest onder zijn bed, die gemene heks achter de gordijnen of de grote, valse, zwarte kraai in de vensterbank.

Voor een kind in de leeftijd van Jonas is de wereld nog magisch en vol beelden. Ook ‘gevaar’ uit zich meestal in een beeld. Die heelden kun je het beste serieus nemen.

Wimpel ze in ieder geval niet weg door te zeggen dat heksen, draken, boze kabouters of valse kraaien niet bestaan, want je kind kan op die manier zijn angstbeleving uiten. Probeer bij het zoeken naar een oplossing in de sfeer van het beeld te blijven. Zo kan bijvoorbeeld een ‘toversteentje’ dat door een vriendelijke kabouter onder zijn kussen werd gelegd wonderen doen. De kabouter heeft laten weten dat de angst verdwijnt als hij het steentje ’s avonds in zijn hand houdt wanneer hij bang is. Hij kan het steentje ook in de vensterbank leggen zodat de boze kraai niet binnen durft te komen. Ontken in ieder geval de angst van je kind niet. Hij mag bang zijn. Jij bent er om hem te helpen met zijn angst om te gaan. Als hij eenmaal heeft gemerkt dat jij zijn angst hebt gezien en erop vertrouwt dat hij daar goed mee zal leren omgaan, dan zal hij uiteindelijk ook dat vertrouwen in zichzelf vinden.

De tent afbreken

De angst van Jonas kun je gezonde angst noemen. Maar ook gezonde angst kan escaleren als jij zelf bang wordt van de angst van je kind. In dat geval zul je er alles voor over hebben om zijn angst te voorkomen. Bijvoorbeeld door hem veilig bij je in bed te nemen. Dat is in zo’n situatie een heel vanzelfsprekend en liefdevol gebaar. Je kind zal zich heerlijk bij je nestelen en zich even terug wanen in de moederbuik. Dit gebaar heeft echter een keerzijde. Je bevestigt er min of meer mee dat het in zijn eigen kamer niet veilig is. Geen wonder dat er dan dramatische taferelen ontstaan als je hem weer terug wilt brengen naar zijn eigen bed. Ook als je naast zijn bed blijft zitten tot hij slaapt, houd je de angst in stand. Om gezond te kunnen inslapen moet een mens een rustpunt in zijn lichaam vinden. Als je naast je kind zit, zal hij dat rustpunt in zijn eigen lichaam niet zo makkelijk vinden omdat hij het bij jou, dus buiten zichzelf, zoekt. Hij zal uiteindelijk van vermoeidheid wel in slaap vallen, maar omdat hij niet goed in zijn lijfje is ondergedompeld, zal hij angstig blijven en van ieder geluidje opschrikken en wakker worden.

Als ouders beslissen om bij hun kind te blijven zitten tot het slaapt, gaan ze er meestal van uit dat dit voor een paar dagen, hooguit een weekje zal zijn. Meestal pakt dat anders uit. Voor je het weet is het een gewoonte geworden waar je niet meer zo makkelijk vanaf komt. Gewoontes raken bij kleine kinderen zeer snel – binnen een week – ingeslepen. Je zult dan ook minstens weer een (vaak behoorlijk moeilijke en vermoeiende) week nodig hebben om die ongewenste gewoonte weer af te bouwen. Dat lukt je alleen als je besluit om dat te doen bikkelhard is. Stel jezelf voordat je eraan begint een paar vragen: voel ik me zelf veilig, is mijn huis veilig, vertrouw ik erop dat mijn kind zich veilig zal kunnen voelen? Als je deze vragen met ja kunt beantwoorden, dan zul je bij je besluit kunnen blijven. Natuurlijk zal je kind de eerste avonden de tent afbreken, maar jouw innerlijke zekerheid zal hem helpen zijn angst te overwinnen. Je kunt het proces voor jezelf en je kind wel wat makkelijker maken door ’s avonds voor het naar bed gaan zijn rug en buik in te wrijven met bijvoorbeeld rustgevende calendula-olie of lavendelolie. Masseer ook zijn voetjes als die koud zijn. Hij zal daardoor voelen dat je hem niet in de steek laat met zijn angst en bovendien zal de behaaglijke warmte hem helpen om naar binnen te trekken in zijn lijfje.

‘Paniek’

Als een kind niet kan of niet mag laten zien dat hij bang is, zal het die angst verstoppen. Op een ‘geheim plekje’ dat niemand kent. Sommige kinderen vertellen dat ze een ‘kistje’ of ‘doosje’ hebben dat ‘echt nooit meer open kan worden gemaakt, want er zit een lang touw omheen en een dikke, vette spin bovenop’. Met zo’n beeld probeert een kind zijn angst buiten zich te zetten en niet meer te voelen. Soms is de angst zo ver weggestopt dat hij voor de mensen om het kind heen haast niet meer als angst is te herkennen.

Dat was het geval bij Esther, een stevig, beweeglijk meisje van drie met rossig blond haar en een guitig koppie. Esthers ouders zijn ten einde raad omdat hun dochter hen voortdurend slaat en schopt. Ze weten langzamerhand niet meer wat ze daar mee aan moeten. Vaak krijgt Esther straf, soms een beloning als ze een paar dagen niet schopt. Haar ouders bestempelen haar gedrag als het vragen om negatieve aandacht. Maar die rationele verklaring brengt hen niet veel dichter bij de oplossing van het probleem. Daarvoor moeten we eerst proberen te ‘luisteren’ naar wat Esthers voetjes eigenlijk willen vertellen. Zijn haar handen en voeten bijvoorbeeld warm of koud zijn als ze slaat en schopt? Een echt boos kind heeft warme handen en voeten, maar die van Esther blijken koud te zijn. Esther is dus geen boos maar een bang kind. Haar ouders hebben dat niet in de gaten en Esther zelf weet niet hoe ze moet zeggen dat ze bang is. Bang als mamma in de keuken is, bang om alleen te zijn met zichzelf, bang dat het kleine broertje haar plek zal inpikken, eigenlijk altijd bang. De angst die niet gezien wordt is bij Esther omgeslagen in paniek. Die paniek kan ze ook niet met woorden uiten, maar haar handjes en voetjes weten wel hoe dat moet. Esthers moeder, die haar dochtertje de laatste tijd eigenlijk ronduit onsympathiek vond, verzacht als het tot haar doordringt dat het gedrag van Esther voortkomt uit paniek. Een vorm van paniek die aan de angst voorbij is. Tot haar eigen verbazing merkt ze dat vanaf het moment dat zij en haar man werkelijk beseffen dat Esther niet agressief is maar bang, het schoppen vanzelf gaandeweg minder wordt.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen   over angst e.d. onder nr. 16

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1945-1829

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Peuter-kleuter – de kindertekening (5)

.

Ulrike Staudenmaier, Erziehungskunst okt. 2015
.

vragen BIJ DE kindertekening
.

Wanneer je de veranderingen in de kindertekeningen gedurende een bepaalde tijd met elkaar vergelijkt, zie je stap voor stap de ‘landing’ van het kind op aarde. Van het eerste ‘lichaamsbeeld’ gaan de tekeningen over op het uitbeelden van wat de kinderen zien en zich voorstellen. 
De vraag wat er in deze tekeningen tot uitdrukking komt, gaat Ulrike Staudenmaier na.

In de loop van hun ontwikkeling worden door de kinderen emoties, voorvallen, ruzies en ziekte, maar ook vreugde en je heel fijn voelen, in ‘tekens’ op papier gezet.

Met verbazing heb ik in de beelden de weg van ‘kosmische’ beweging via het weergeven van de eigen lichaamsontwikkeling tot aan het afbeelden van wat waargenomen wordt, meebeleefd. Daarbij kunnen veel vragen ontstaan, waarop een antwoord komt wanneer je het beeld nabeleeft.

Andere beelden onthullen zich bij het nadenken over hun ‘symboolgehalte’ – het huis dat voor de eigen lichamelijkheid kan staan, of het schip dat wij op een bepaalde tijd nieuwe wateren op moeten sturen.

Hoe staat het met de ‘koppoters’?

Al jaren houdt de vraag me bezig: waarom schilderen alle kinderen in de loop van hun ontwikkeling ‘koppoters’? Dat er ‘mensafbeeldingen’ zijn vóór de koppoters opduiken, is bekend. Geen ontwikkeling loopt lineair. Maar de koppoters zijn geen ‘mislukte’ mensbeelden! Ze worden al te lang en te duidelijk getekend en dat zeker vanuit een innerlijke reden. Van het beeld van de boom weet men – eventueel ook weer door een of andere geniale ‘realistische’ boom – dat de boom eerst als ‘lichaamsboom’ opduikt. De ruggenwervels, ribben, zenuweinden, long of aderen worden zo aangegeven dat het kind in de veronderstelling verkeert dat het een ‘boom’ heeft getekend.

Dit ‘organische’ geheugen – een begripsbepaling van Arno Stern – dat wij bij de boom in vele varianten kennen – zelfs in de combinatie boom-mens – wordt gedurende een bepaalde ontwikkelingstijd door de kinderen in beelden uitgedrukt. Het zijn groeiprocessen of orgaanontwikkelingen die uit de diepte van het onbewuste tot thema van de kindertekeningen worden, ook wanneer het kind daar niets van weet. Denk eens aan de eerste huizen! De schoorsteen maakt een hoek als van een omhooggestoken arm, want het kind beleeft zijn lichaam als een huisje waar het ingetrokken is.

Zou het niet kunnen zijn dat bij het maken van de koppoter een vormverhaal geschilderd wordt dat ons iets van het proces van de groei van de beenderen vertelt?

Kijk eens naar de volgende beelden van mensen in de volgorde waarin ze gemaakt werden:

1.
ontstond op de leeftijd van 4 jaar en 7 maanden.
Het meisje heeft een groot blad in de lengte gekozen om zichzelf als skiester af te beelden:

Wat opvalt is de rode draaiing die in het daarvoor al lichtbruin getekende hoofd gezet werd en waarvandaan de rode benen (eveneens in de al eerder lichtbruin getekende benen) komen. De rode kleur betekent hier een ‘krachtenconcentratie’ in het hoofd die zich ‘uitstort’ in de beide benen.

2.
Op nr. 2 (door hetzelfde meisje getekend zoals ook alle andere tekeningen) zie je drie figuren waarbij zowel armen als benen uit het hoofd komen. De schouders zijn bij het linker en de middenfiguur bruin aangezet. Alleen het kleine kind dat beneden op de wei ligt en door de linker figuur bij de hand wordt gehouden, heeft armen die niet vanaf het hoofd komen – zeldzaam!:

3.
Nu komt beeld 3, een van de vele boom-mens-tekeningen die afwijkt van het gebruikelijke. Wat geoefend werd, gaat niet lineair verder.:

4.
Afbeelding 4 gaat met het verbeelden van de mens weer verder, zo dat benen en armen vanuit het hoofd vandaan worden getekend. In de tekening vermengen zich bepaalde belevingsniveaus zeer sterk. Je herkent in de lange bloem links met de vele rode ‘knoppen’ dat hier een lichaamsproces naar voren komt dat aan de werking van de rug doet denken. Een ander vlak is dat van de hand in de broekzak, een spiegelbeeld van wat zelf is waargenomen en het huis toont weer zoveel ramen dat je hier de wakkerheid en de nieuwsgierigheid van de tekenaar in dit huis verbeeld vindt.:

Beelden worden in de leeftijd tussen 3 en 6 vaak vanuit verschillende niveaus geïmpulseerd.

5.
Hoe komt een kind ertoe de mens als een vijfpuntige ster te tekenen? Die vormt hier heel duidelijk het centrum en wordt door een stralende boog (poort, aura) omgeven. Over de vijfster heeft Rudolf Steiner – voor zover ik weet – maar een keer in Parijs gesproken [1] en deze genoemd in samenhang met symbolische vormen. Maar ik denk wel dat je met deze inhoud behoedzaam moet omgaan en de kinderbeelden er niet mee moet ‘overladen’.
Duikt daarentegen de tweeheid zo vaak op als in het hier getekende beeld, dan is in het algemeen een bewustzijnsproces aangeduid, ook als dat nog niet door het kind bespiegeld kan worden.

6.
Anders is afbeelding 6, zeven maanden later. Nu weet het kind dat ze naar de 1e klas gaat en wat ze beleeft (het circus) wordt tot thema. Nu tekent het kind helemaal uit de voorstelling.:

De koppoter spiritueel bekeken

Laten we nog eens naar de koppoter kijken. Hoe ervaren kinderen onbewust de groei van hun botten, m.n. die van armen en benen? Vanuit welke laag of door welke kracht worden kinderen aangezet armen en benen vanuit het hoofd vandaan te laten gaan?

Op deze vraag vond ik bij Steiner in zijn ‘Esoterische voordrachten [2] een antwoord. Hij schetst hier dat in de eerste zeven levensjaren de hele mens vanuit het hoofd wordt gevormd. ‘Ieder bot’,  aldus Steiner. ‘is zo gebouwd zoals het vanuit het hoofd gevormd moet worden.’

Door het embryologie-onderzoek weten we dat het hoofd het grootst is en markant aanwezig. Zijn uiterlijke vorming is ook voor die van het overige lichaam afgesloten (met ongeveer drie jaar).

Vanuit een ander gezichtspunt formuleert Steiner die botvorming in het boek [3] zo: ‘Je kan de hersenen van de mens alleen begrijpen, wanneer je er de botvormende tendens in kan zien die in het allereerste ontstaan onderbroken wordt. En alleen dan kan je de botvorming begrijpen, wanneer je daarin een geheel tot afronding gekomen impulswerking van de hersenen herkent.’

In de Algemene menskunde [4] gaan de voordrachten 10 en 13 over de vorming van de ledematen.

Nu kan je je afvragen of de botvorming en de vorming van de ledematen identiek zijn. Misschien moet je dan bedenken, dat Steiner daar over schoolkinderen spreekt. In zekere zin dus vanuit een ander ‘vlak’.
Wanneer je naar de lichamelijke activiteit kijkt vanuit een astraal standpunt, dan ontstaat er weer een ander beeld dan dat je krijgt vanuit een etherisch standpunt.

In de boven aangehaalde tekst wordt de botvorming gedacht als vanuit het hoofd geïmpulseerd. Wat de groei betreft, zoals in de Algemene menskunde geschetst, stroomt wat geest-ziel is vanuit de kosmos  komend door de ledematen naar binnen. Nu wordt begrijpelijk dat wat in het leven gebeurt, niet alleen aan het tekenen van bloemen, daken van huisjes of bergen (wanneer de tanden doorbreken) kan worden afgelezen, maar ook aan de tekeningen van mensen. Wanneer benen en armen uit het hoofd groeien, tekent het kind niet op deze manier omdat het nog niet anders kan, maar omdat een innerlijk vormproces tot uiting wil komen.

Het gezonde van het spontaan tekenen zit in het feit dat de tekenaar iets naar buiten kan brengen en daarmee op een bepaalde manier een ‘gezonde vertering’ mogelijk maakt.

Alle kinderen over de hele wereld – wanneer ze de mogelijkheid krijgen te tekenen – doen dat met een zelfde vormtaal, tot de door de lichaamsprocessen geïmpulseerde beelden langzaam overgaan in tekeningen, die het kind ‘met een bedoeling’, dus door zijn voorstellingen gestuurd, op papier zet.

Het schijnt een oerbehoefte van de mens te zijn, zijn ontwikkeling ook tekenend na te doen.

[1] GA 94 12e vdr. 8-6-1906
Niet vertaald
[2]
GA 236 10e vdr. 16-05-1924
Vertaald
[3] GA 27
Vertaald
[4] GA 293
Vertaald
.
Kindertekeningen: alle artikelen

Peuter en kleuteralle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter-kleuterklas

.

In een reactie op Facebook waarop dit artikel ook verscheen, merkt Joep Eikenboom op:
Wat ik vervolgens weer zo grandioos vind, is dat bv. in de periode Dierkunde dezelfde ontwikkelingsstappen overdrachtelijk weer aan de orde komen: inktvis (koppoter), de zogenaamde rompdieren en als ideaalbeeld de mens (hoofd, romp én ledematen). Wat hebben we toch een fantastisch leerplan.
.
Joep over het werk van Audrey MacAllen
.

1944-1828

.

.

.