Categorie archief: vrijeschool didactiek

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – nabootsing

.

Klara Hatterman, Weledaberichten nr 128 dec.1982
.

DOOR DE NABOOTSING VINDT HET KIND ZIJN WEG NAAR DE WERELD
.

Als wij het kleine kind na de geboorte en gedurende de eerste jaren gadeslaan wat zijn fysieke lichaam en zijn psychisch-geestelijke vermogens betreft, dan zien wij hoe onaf en daardoor hulpeloos dat menselijke wezen om te beginnen is toegerust voor de aardse taken.

Het hoofd met zijn nog niet gesloten fontanellen is in verhouding tot het overige lichaam groot. De ledematen en het lichaam zijn nog niet volledig ontwikkeld, zelfs de organen hebben nog niet hun blijvende vorm. Door de ligging op de rug in het horizontale vlak zijn de beentjes en handjes nog naar de hemel gericht; dit is in tegenstelling tot het dier, dat zijn ledematen naar de aarde heeft gekeerd en ze na de geboorte onmiddellijk gebruikt om zich op de aarde te plaatsen en te gaan lopen. Het trappelen van de zuigeling gebeurt spontaan, ongecontroleerd, ongecoördineerd, is niet op een doel gericht. Ook het leren van de taal vergt een lange tijd van ontwikkeling. De psychische reacties zijn in het begin sterk aan het lichaam gebonden. Het bewustzijn bevindt zich nog in een schemertoestand.

Hoe vindt het kind nu zijn weg naar de aardse wereld? Hoe leert het zich aan die wereld aan te passen? Kunnen wij als ouders of opvoeders bijv. iemand leren lopen en spreken? Wij worden ons van onze machteloosheid pas bewust als er een kind wordt geboren, dat zich niet opricht om te lopen en dat niet zover komt dat het kan spreken. Kinderen zijn voor ons levende raadsels. Vanuit ons aardse standpunt lijken zij ons onvolkomen. Toch voelt elk ouderpaar, dat met liefde en het vermogen om zich in te leven zijn kind koestert en verzorgt, de grote uitstraling die ervan uitgaat. Vol verbazing, open en met overgave leeft het zich in de wereld in. Onbeperkt vertrouwen schenkt het de mensen en in zijn levensuitingen wordt een krachtige wil zichtbaar, die het hele lichaam impulseert.

Wij kunnen dat aan een voorbeeld duidelijk maken: de moeder (of de vader) komt bij het bedje van de paar maanden oude zuigeling. In haar stem weerklinken vreugde en geluk bij het zien van het mensenkind dat aan haar is toevertrouwd. Het kind antwoordt niet alleen met een glimlach; het innerlijke contact met haar doordringt zijn hele lichaam, de ledematen nemen het prettige gevoel op, ze beginnen te bewegen en te trappelen, de lippen vormen klanken. De taal en de liefdevolle genegenheid van de moeder gaan over op het kind; het ontsluit zich. Het neemt nog niet de inhoud van de woorden als begrippen waar, maar de liefde en de vreugde wekken rechtstreeks de intensiteit en de activiteit van de wil op; in het nog weke en soepele lichaam werken zij vormend op de organen. De spraakorganen, bijv. het strottenhoofd, worden verder gevormd en de ademhaling wordt verdiept.

Zich geborgen voelen en genegenheid maken in het kind latente krachten vrij, die in hem sluimeren en erop wachten dat zij gewekt worden. Het zijn psychisch-geestelijke krach­ten die bij zijn individuele wezen behoren. De individualiteit, die uniek en onsterfelijk is, heeft de lange kindertijd nodig om het overgeërfde lichaam in bezit te nemen en te veranderen. De mens heeft zijn oorsprong in de geest. Van daar brengt het kind een kracht mee, die het meest intensief in de eerste levenstijd is; zij komt tot uiting als het nog dromend aan de wereld is overgeleverd en neemt tegen het 8e jaar af: de naboot­sing. Daardoor worden de grondslagen van het mens-zijn verworven:

de oriëntering in het fysieke vlak:
lopen

de relatie van mens tot mens in het psychische vlak:
spreken

het begrijpen van samenhangende gedachten in het geestelijke vlak:                                
denken

Het kind leert deze vaardigheden zonder een bewuste intellectuele leiding. Het zou ze echter nooit verwerven zonder het voorbeeld van de mens. Slechts dankzij het ik van dit voorbeeld kan het ik van het kind zich gezond ontplooien.

Het kind heeft een buitengewone belangstelling voor alles wat de mens doet. Het neemt door zijn waarneming uit de gestes en de mimiek rechtstreeks het wezenlijke op en bootst dit op geniale wijze na; het leeft nog verenigd met de omringende wereld. Een voorbeeld kan dit verduidelijken:

Een verhuizer komt met een zware kist het huis binnen. Het jongetje van drie jaar staat vol verbazing naast zijn moeder en kijkt ademloos toe hoe de werkman de last torst en de kist op de grond neerzet. In de komende dagen speelt de jongen alleen nog maar verhuizer. Hij zoekt een kartonnen doos (die is licht en er zit niets in), hij tilt hem op zijn schouders en bootst precies het gedrag van de sjouwer na: de gekromde rug, de zware stappen, de gespannen gelaatsuitdrukking en ten slotte de opluchting als de vracht wordt neergezet. En ten slotte veegt hij met de rug van zijn hand het zweet af.

In de verdere ontwikkeling van het kind na het derde levensjaar ontwaken nieuwe vermogens, die zich als krachten van de fantasie openbaren. Zij komen vooral in het spel van het kind tot uiting. Van binnenuit worden zij tegenover de buitenwereld geplaatst. Ook dit spel berust op nabootsing. Wat er in de buitenwereld gebeurt wordt echter niet zonder meer overgenomen: het kind wordt zelf creatief, verplaatst zich in de rol van mens en dier en imiteert ook technische bewegingen. Het verandert de dingen. Wat bijv. kan een lap al niet zijn? Een rok voor het verkleden; een meer waar schepen op varen; met een paar knopen erin wordt het de mooiste pop. Deze nieuwe band met de wereld wekt vreugde, sympathie voor het aardse bestaan en levenslust. Scheppende krachten zijn geestelijke krachten die het kind opvoeden omdat zij nog niet door het intellectuele denken zijn verlamd en rechtstreeks in het handelen overgaan. Het spel is voor het kind volledige ernst, maar het is niet op een doel gericht zoals de arbeid van de volwassenen. Het kind moet vrij zijn om in zijn omgeving ongestoord individueel bezig te kunnen zijn en zijn indrukken op kinderlijke wijze te verwerken. De individualiteit mani­festeert zich door de keuze van de motieven en de intensiteit van het handelen. Waarom zijn er tegenwoordig zoveel kinderen, wier gezondheid al met drie jaar is aangetast, die agressief, in hun motoriek gestoord zijn, bang en schuw tegenover de wereld staan, die niet kunnen spelen en passief als toeschouwers de dingen hun gang laten gaan?

Veel volwassenen hebben heden ten dage dikwijls weinig begrip voor het kleine kind. Hun inzichten en handelwijze worden vaak door een materialistische wereldbeschou­wing bepaald. Gemakzucht, egoïsme, afkeer van werk en ontevredenheid zijn daarvan veelal het resultaat en sluipen onwillekeurig in de kinderkamer binnen. Men zou liefst zo gauw mogelijk het kind willen voorbereiden op de moeilijke wereld. Slechts in een behoede sfeer die het kind zekerheid, liefde en warmte schenkt, kan de nabootsing zich ontplooien. Als deze waarden verloren gaan sterft dit vermogen af. Dat leidt tot innerlijke verarming en verlamming van creatieve activiteiten. In onze tijd zijn er tendenties zichtbaar die vijandig zijn aan het kind, verruwing opwek­ken en het kind de beschermende omhulling ontnemen.

Speelkamers, die overladen zijn met kant en klaar technisch speelgoed en apparaten, bieden voor de fantasie geen mogelijkheid tot ontplooiing en stimuleren de creativiteit niet. Ook door de volwassenen bedachte zogenaamde leerspelletjes zijn in dit vroege kinderstadium totaal misplaatst omdat ze tot vroegtijdige intellectuele prestaties prikkelen en de levens- en groeikrachten van het kind aantasten.

Massamedia zoals bijv. de televisie toveren het kind een tweedimensionale schijnwereld voor ogen. De natuurlijke behoefte aan beweging, de ruimte te veroveren en zich daarin te oriënteren, wordt belemmerd en gestuwd. De intermenselijke betrekkingen, waar­aan het kind sociaal gedrag kan leren, worden verstoord en de lichamelijke functies worden beschadigd. De normale gezichtshoek van 180° wordt bij het tv-kijken tot 8° vernauwd.

Uit het hierboven beschrevene kunnen wij afleiden, dat het kind zich aan de mens moet oriënteren, iets wat door de beeldbuis niet kan worden vervangen. Op de volwassenen wordt een beroep gedaan, het kind door onze levenshouding en mentaliteit een waardig voorbeeld te geven. Er is in onze tijd een geweldige inspanning nodig om tegenover de schadelijke invloeden die op het kind afkomen, positieve dingen te plaatsen. Daartoe behoren:

het streven naar zelfkennis en zelfopvoeding,
eerbied voor de geestelijke oorsprong van de mens,
streven naar inzicht omtrent de levensstadia van lichaam, ziel en geest,
kunstzinnige activiteit.

Door dit laatste wordt o.a. een nieuw begrip voor het van leven doordrongen spel ook bij de volwassene ontwikkeld. Een gevoel voor het wordende in het kind kan zich ont­plooien.

De vraag kan nu terecht rijzen: zullen de kinderen voldoende zijn toegerust voor de toekomst? Zij moeten immers binnengaan in een hoog ontwikkelde, technische wereld en prestatiemaatschappij, die hoge eisen stelt.

Inderdaad zijn de eerste zeven jaren voor het verdere leven van uitermate grote beteke­nis. Maar… is de intellectuele opvoeding met natuurwetenschappelijke begrippen en verklaringen voor dit leeftijdsstadium de juiste weg? Is het niet van nog meer belang het kind voor de toekomst een gezond lichaam, de mogelijkheid om initiatieven te ont­plooien, zelfvertrouwen, openheid voor contacten en belangstelling voor de wereld mee te geven op zijn levensweg?

De ontwikkeling van het kind gaat niet in een rechte lijn, maar door gedaanteverande­ringen, die wij als opvoeders moeten kennen: later optredende intellectuele vermogens ontwikkelen zich aan het zinrijke handelen dat doorzien kan worden. De oorsprong van het leven aan te kunnen, van het vermogen om initiatieven te ontwik­kelen in sociaal verband ligt in het nabootsende zich inleven in de wereld. Grondslag van een later mogelijk vrij handelen uit tegenwoordigheid van geest is het creatieve spel in de eerste kinderjaren.

Zijn het niet juist deze kwaliteiten die ons in staat stellen onze hoogontwikkelde techni­sche wereld ten volle verantwoordelijk tegemoet te treden?

Geesteswetenschappelijk inzicht omtrent het wezen van de mens kan ons duidelijk maken hoe belangrijk de taak van ouders en opvoeders voor deze leeftijdsfase is. Daar­uit kan geestdrift ontvlammen om mee te werken aan de vormgeving van de toe­komst.

.

Kleuterklas – nabootsing

Rudolf Steiner over nabootsen: alle artikelen
(in die artikelen afbeelding met nabootsing)

Nabootsing

Peuters en kleuters

.

849-781

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Het leerplan en Ernst Haeckel (12-6)

.

Wie het, werkend vanuit antroposofie of bijv. in het geschiedenisonderwijs van klas 5, heeft over ‘ontwikkelingsfasen’ kan het daar vanuit verschillende standpunten over hebben.

Het kind van geboorte tot tandenwisseling is zo’n fase; maar ook de Oer-Perzische cultuur of de tijd van de Romeinen. Ook over de ontwikkeling van de aardeplaneet. Die wordt in de antroposofie geschetst als een ontwikkeling van 1 ‘planeet’ die in de onafzienbare hoeveelheid tijd achter ons verscheen als een vorm die Steiner ‘de Oude Saturnus’ noemt; die tijdens zijn bestaan a.h.w. in zichzelf vergaat, zich samenbalt als in een kiem, er ‘even’ niet meer is om vervolgens in een nieuwe gedaante te verschijnen. Aan het begin van die nieuwe gedaante wordt altijd nog iets van de vorige fase herhaald, tot het ‘echt nieuwe’ begint: voor de wordingsgeschiedenis van onze huidige planeet aarde: de fase van de Oude Zon. Dit voltrekt zich nog keer: de Oude Zon verdwijnt en komt terug als Oude Maanfase; gevolgd door onze planeet, de huidige aarde. Steiner beschrijft dit uitvoerig inWetenschap van de geheimen der ziel‘. Wanneer de mens op aarde verschijnt, is dat in een hoedanigheid die in de voorafgaande fasen werd voorbereid; dit geldt ook voor het minerale- planten- en dierenrijk.

In de huidige fase kun je de volwassen mens benoemen als een wezen met een fysiek lichaam, een etheren astraallijf en een Ik.

Wanneer nu gezegd wordt dat de ontwikkeling van een kind er o.a. uit bestaat dat met de tandenwisseling het etherlijf wordt geboren, zou een kortzichtige blik kunnen concluderen dat het dus in de fase is van ‘de Oude Zon’, waar volgens Steiner ‘het etherlijf voor de mens’ ontstond. Maar een kind heeft vanaf de geboorte ook een ziel: die ontstond voor de mens op de Oude Maan, zodat het onmogelijk is het kind een fase in zijn ontwikkeling toe te dichten die je ‘Oude Zon’ of ‘Oude Maan’ zou kunnen noemen.

In deze zin is een kind op aarde nooit een recapitulatie van die planetaire fasen.

Die fasen verschenen na elkaar. Een kind is meteen een vierledig wezen, waarbij de wezensdelen opeenvolgend verschijnen. Dat lijkt wel hetzelfde, maar het is als bij het rekenen: 1 + 1+ 1+ 1= 4   en 4 = 1 + 1 + 1 +1. Zie het als de plantenkiem, die blad, bloem en zaad al in zich draagt.

Wanneer Steiner het leerplan van de vrijeschool ontwerpt, houdt hij rekening met de fasen waarin een kind zich ontwikkelt. (Dus met 4 = 1 + 1 + 1 + 1)

Nergens heb ik nog gevonden dat hij dit leerplan met het oog op een recapitulatie van ‘planetaire opeenvolging’ daarom zo heeft gemaakt, zoals het er nu ligt.

Maar ook het zoeken naar recapitulatie met het concept van de drieledige mens brengt je niet veel verder.

Steiner noemt de culturele ontwikkelingsfasen na ‘de grote (zond)vloed – de ondergang van Atlantis’, de Oer-Indische tijd, Oer-Perzisch als 2e na-Atlantische fase, gevolgd door de Egyptisch-Chaldeeuwse -Babylonisch cultuur, als 4e fase de Grieks-Latijnse tijd en de laatste fase, de 5e, de tijd vanaf de 15e eeuw tot heden, onze tijd.

Hij noemt ze in verband met de verschillende ‘geledingen’ die de mensheid moest ontwikkelen: in de Oer-Indische tijd het fysieke lichaam; het etherlijf in de Oer-Perzische tijd; de ziel – en deze weer onderverdeeld in gewaarwordings-, verstand-gemoeds-, en bewustzijnsziel in resp. de Egyptische- Chaldeeuwse; Grieks-Latijnse en de nieuwere tijd.

In een aantal pedagogische voordrachten: GA 297 en GA 301 wijst Steiner een recapitulatie van cultuurontwikkelingsfasen binnen de ontwikkelingstijd van 0 – 21 jaar als mogelijkheid af. Het kind herhaalt geen fasen in strikt chronologische vorm.

En het leerplan is niet gebouwd op deze gezichtspunten die volgens Steinereen mooie droom’ zijn of ‘je in verkeerd vaarwater brengen’

Is dit het ‘verkeerde vaarwater’?:

Na de cultuurimpuls van de Grieken, volgt die van de Romeinen – dat is een chronologische volgorde. Dat de 6e klas op de 5e volgt ook. De impuls van het rechtsleven – als typisch Romeins – begint het kind van 12 goed te begrijpen. Is dat een bewijs dat hij nu de ‘Romeinse fase’ recapituleert? Hij krijgt dat jaar ook meetkunde – een Griekse impuls; stel: na de Romeinse geschiedenisperiode; is hij daarna dan weer ‘Griek’, wanneer de meetkunde wordt beoefend? De 6e-klasser gaat van Rome door de Middeleeuwen: een chronologische volgorde! Is hij nu als 6e-klasser én Romein én middeleeuwer? De geschiedenis van de 7e klas behelst voor een groot deel de ontdekkingsreizen:  het kind krijgt steeds meer belangstelling voor ‘de grote’ wereld; de 7e-klasser recapituleert het begin van de 14e-15e eeuw?. Stel het krijgt daarna algebra – dat 4 eeuwen daarvoor al in de ontwikkelingsfase van de mensheid ontstond. Is de 7e-klasser nu ineens weer 4 eeuwen ‘jonger’?
Ik denk dat het anders zit, al geef ik mijn mening graag voor een betere: het gaat er toch altijd om wat waar is.

Wij allemaal zijn als mens een deel van de mensheid. Deze mensheid heeft in het verleden zich allerlei verworven. Verworvenheden die ook van vandaag de dag kinderen zich moeten eigen maken – te denken valt bijv. aan rekenen. Wat voorop staat is de ontwikkeling van het kind (denken – voelen – willen) en als ‘wilswezen’ is het jongere kind een ‘beweger, en dat je met het vak rekenen aan deze bewegingsdrang tegemoet kan komen door die te gebruiken om te leren tellen of de tafels van vermenigvuldiging te leren. Of dat het kan genieten van een rekenverhaal om daarna met dit verhaal fantasievol tot eigen sommen te komen. Dat is het leerplan van ‘hand, hart, hoofd. Is hiermee is de culturele verworvenheid ‘rekenen’ en op die manier aan de kinderen gebracht nu een recapitulatie?

Als de kleuter en de 1-klasser als vertelstofmotief sprookjes horen, met hun ‘eeuwige’ beelden die over de hele wereld voorkomen, stammen die uit een tijd waarin ‘de mensheid’ deze beelden produceerde. Welke tijd is dat precies en is dat dan de tijd tussen 4 en 7 die het kind zou recapituleren?

En in de 2e klas meteen weer “Grieks’ met de fabels en de heiligen: waar en hoe die te ‘herhalen’?

Ik beleef het teveel als ‘speculeren’.

Van Oort zegt in zijn boek: ‘De pedagogie die Rudolf Steiner heeft ontwikkeld is in grote lijnen gebaseerd op deze biogenetische grondwet. De keuze van de leerstof in de diverse leerjaren van de vrijescholen is gebaseerd op de psychologische ontwikkelingsfase van de leerling op een bepaalde leeftijd.

Uit GA 297 en GA 301 blijkt, wat de eerste zin betreft, iets anders en daarmee valt de tweede zin, die op zich juist is, lijkt me, niet te combineren.

De pedagogie die Steiner heeft ontwikkeld is gebaseerd op de zich ontwikkelende mens vanaf de geboorte tot aan de volwassenheid en die is geen recapitulatie volgens Haeckels grondwet, zoals Steiner zegt. De keuze van de leerstof en het tijdstip waarop deze gegeven wordt, is zo gekozen dat deze de ontwikkeling zo optimaal mogelijk ondersteunt en dat is vooral de ontwikkeling van de wil, het gevoel en het denken en daardoorheen, daarop steunend of daaruit weer voortvloeiend: de ontwikkeling van fantasie, kunstzinnigheid, creativiteit – deze laatste 3 zien we door de hele mensheidsgeschiedenis heengaan. Leerstof is ook in hoge mate ‘wat de mensheid verworven heeft’, maar ook een middel om het kind met zijn (nu) omringende wereld te verbinden.

Hoeveel voorbeelden je ook bedenkt om de leerstof die we de kinderen op een bepaald tijdstip en op een bepaalde manier aanleren, aan een (pre)geschiedenis te knopen, steeds weer zul je met iets bezig zijn wat ‘vaag is: het zou wel eens kunnen; het lijkt er wel wat op; het schurkt er tegenaan; ik zie wel parallellen’ enz:  steeds weer zul je bezig zijn met wat geen duidelijke verbinding heeft met ‘toen: daar!’ en ‘nu: hier!’  Als dat geen speculeren is…..
Het is natuurlijk erg interessant om dit alles te onderzoeken en wanneer je iets vindt wat erop lijkt: best; maar breng het dan niet ‘als van Steiner’ en dus ‘als van de vrijeschool’, als je dat niet echt kan aantonen.

Om die laatste reden heb ik eigenlijk zoveel aandacht besteed aan ‘het leerplan en Haeckel’; voor de dagelijkse praktijk maakt het weinig uit, zolang we de leerstof als middel zien het kind daarmee in zijn ontwikkeling te ondersteunen.

Lopen, spreken, denken; vrijkomen etherlijf, tandenwisseling, nabootsing, ontwaken causale denken enz. enz. Daarover heeft Steiner het als hij vanuit de geesteswetenschap over de ontwikkeling van het kind spreekt. En:

De geesteswetenschap leest dus uit de waargenomen ontwikkeling van het kind het leerplan af.
GA 297/194

In GA 310, voordracht 1, noemt Steiner Haeckel niet, noch ook dat het leerplan gestoeld zou zijn op een wet die in de mensheidsgeschiedenis onder woorden werd gebracht. Hij spreekt nog even over een ‘parallel’ gaan van fysieke en geestelijke ontwikkeling, maar betrekt dat direct op het individuele kind.
Onderwijs en opvoeding geven vanuit hoe het kind in de concrete situatie is, met als basis de antroposofische menskunde (waarvan hij elders zegt, dat deze omgewerkt moet worden naar pedagogie en didactiek-methodiek) vindt (ook) zijn neerslag in het leerplan. Dát is het leerplan, Haeckels recapitulatie vind je er niet in terug.

.

[1] Staat Haeckels biogenetische grondwet model voor het leerplan van de vrijeschool
[2] Een antwoord daarop uit GA 297
[3] Een antwoord daarop uit GA 301
[4] Steiners visie op ontwikkelingsfasen van de mensheid en van de individuele mens uit GA 297
[5] Steiners visie op ontwikkelingsfasen van de mensheid en van de individuele mens uit GA 301
[7] Steiner over ‘ontwikkelingsfasen mensheid’ en ‘ontwikkelingsfasen kind’.
Uit GA 55
[8] Rudolf Grosse over het leerplan: de verhelderende splitsing in ‘de stroom van de tijd en van de ruimte

.

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

835-768

VRIJESCHOOL – Het leerplan en Ernst Haeckel (12-4)

.

Naar aanleiding van de hier gestelde vraag of de biogenetische grondwet door Steiner is ‘overgenomen’ en voor het leerplan van de vrijeschool gebruikt wordt/kan/moet worden, volgden hier Steiners opvattingen daarover zoals weergegeven in GA 297 en hier dezelfde opvattingen zoals weergegeven in GA 301.

In deze voordrachten geeft Steiner ook zijn visie opde herhaling van de cultuurfasen in het  leven van de individuele mens.’

Zijn uiteenzetting overzie je in de ontwikkeling van een kind iets terug van de ontwikkelingsfasen van de mensheid,besloot Steiner met: ‘Wanneer je het menselijk embryo volgt vanaf de eerste, tweede, derde week voor zover men dit tegenwoordig al kan, tot het helemaal volgroeid is – dan zie je daar de aanduidingen van de op elkaar volgende, steeds volmaakter wordende vormen, vissengestalte enz. Wanneer je daarentegen bij het kind de eerste jaren van zijn ontwikkeling waarneemt, zie je niets van een herhaling van een of andere oertoestand van de mensheidsontwikkeling.’ (    )

Je moet in staat zijn om het menselijk leven in zijn volle werkelijkheid te overzien, wil je de voor de biogenetische wet een daartegenover passende component voor geest en ziel vinden.’

Zijn opmerkingen daarover in GA 297 [1]

STEINER

’Nu laat de geesteswetenschap zien dat je niet naar het begin van het leven moet kijken, maar naar het einde ervan. 
Hoe de individuele mens samenhangt met de hele mensheidsontwikkeling ziet de uiterlijke natuurwetenschap zeer zeker niet. Echter, een vanuit de geest begrepen ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid ziet dat wel.
Laten we eens naar de volgende wetmatigheid kijken, die net zo goed een wet is als de natuurwetenschappelijke wetten, die door de huidige natuurwetenschappelijke methoden niet begrepen wordt:

Wanneer we teruggaan – ik kan het nu alleen maar vertellen, maar in mijn boeken vindt u deze zaken allemaal vanuit het fundamentele uit ontwikkeld – in oeroude tijden van de mensheid, vinden we, dat daar de mens zich nog kon ontwikkelen tot op hoge leeftijd. Gaan we terug tot op die menselijke oertijden, dan vinden we dat de mensen zeggen: wanneer ik 35 jaar, in nog oudere tijden: wanneer ik 42 zal zijn zal ik bepaalde ontwikkelingsmomenten beleven die samenhangen met mijn lichamelijke ontwikkeling.
Zoals je met de tandenwisseling iets doormaakt van wat aan de lichamelijke ontwikkeling vastzit, waardoor je een ander mens wordt; zoals je met de puberteit iets doormaakt van wat aan de lichamelijke ontwikkeling vastzit, wat je tot een ander mens maakt, zo maakte men in oude tijden tot op veel hogere leeftijd zulke dingen door. Dat is in de loop van de mensheidsontwikkeling verloren gegaan. Wij kunnen niet meer in dezelfde mate zoals dat in de menselijke oertijden het geval was, in de kindertijd vooruitkijken naar de ouderdom om te kunnen zeggen: ik ben blij eens zo oud te kunnen worden, want dit mens heeft iets beleefd wat ik door mijn lichamelijke ontwikkeling nog niet kan.
En in de toekomst gaat dit tijdstip nog naar beneden. Het is de zin van de menselijke ontwikkeling dat de natuurlijke, de elementaire ontwikkeling binnen steeds jongere leeftijd blijft. Dat is een fundamentele wet.

En met deze fundamentele wet hangt onze cultuurontwikkeling samen, dat er op zeker ogenblik lezen en schrijven is, terwijl dat er in de vroegste tijd niet was. Dat hangt samen met deze steeds jongere, natuurlijke ontwikkelingsfasen waarop het  mensdom aangewezen is.

Wie dan verder de aanknopingspunten ziet die slechts uit omvattende kennis te halen zijn voor de menselijke cultuurontwikkeling, die weet waar een Vogt, een Rein, een Sallwürk tevreden gesteld kunnen worden.

De mensheidsontwikkeling gaat zo verder dat wij ons tot op steeds minder oude leeftijd nog lichamelijk ontwikkelen. Wie voor dit soort dingen een opmerkingsgave heeft, weet dat bijv. nog in de tijd van de Grieken de mens tot ergens in de dertig zo’n scherp waarnemingsvermogen  had als wij nu in de jeugd, wat niet met het uiterlijk lichamelijke te maken heeft. Tegenwoordig heeft de mens dit tot z’n zevenentwintigste.

De huidige wetenschap die zich richt op de natuurwetenschap heeft in het geheel geen mogelijkheid om zoiets te leren kennen als dit mensenleven dat wat zijn natuurlijke ontwikkeling betreft het voortdurend met jongere leeftijdsfasen moet doen. Zij heeft ook helemaal de mogelijk niet een echte vergelijkende geschiedeniswetenschap te schrijven die een aanknopingspunt zou kunnen bieden om de plaats van de mens in de cultuurontwikkeling te kennen. Wie dit echter dieper doorziet, weet dat de mens, zoals hij geboren wordt, zondermeer talenten meebrengt die bij zijn tijd passen, omdat hij een deel is van een veelomvattende mensheidsontwikkeling. Wanneer je dat wat de mens zondermeer als aanleg meebrengt omdat hij een deel is van de mensheidsontwikkeling, dan ontwikkel je ook in formeel opzicht, wat in hem ontwikkeld moet worden.
Erken je de werkelijkheid dan wordt voor diegene veel van dat waarvan men nu zo’n ophef maakt ‘of men dit dan wel zus of zo moet doen’ tot abstract geleuter. Dit of-of wordt voor een ware, diepe kennis een ‘en-en’.

[1] GA 297/54 e.v.
Op deze blog vertaald/54

Meer over het leerplan en Haeckel

[1] Staat Haeckels biogenetische grondwet model voor het leerplan van de vrijeschool
[2] Een antwoord daarop uit GA 297
[3] Een antwoord daarop uit GA 301
[5] Steiners visie op ontwikkelingsfasen van de mensheid en van de individuele mens uit GA 301
[6] Het gevaar van speculeren bij het doorgronden van het leerplan en ontwikkelingsfasen van de mensheid
[7] Steiner over ‘ontwikkelingsfasen mensheid’ en ‘ontwikkelingsfasen kind’.
Uit GA 55
[8] Rudolf Grosse over het leerplan: de verhelderende splitsing in ‘de stroom van de tijd en van de ruimte

.

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

 

826-760

.

VRIJESCHOOL – Het leerplan en Ernst Haeckel (12-3)

.

Gebruikte Steiner de biogenetische grondwet van Ernst Haeckel om daarmee het vrijeschoolleerplan vorm te geven, was de vraag in deel 1 van dit onderwerp.

Ik citeerde Steiner daarover – zij het wat summier.

Hier de vrijwel volledige opmerkingen uit GA 301:

Steiner:
‘Er is gevraagd hoe de ontwikkeling van het kind, zoals ik die geprobeerd heb te schetsen, van het kind tot het 7e, dan tot het 14e, 15e jaar, zich verhoudt tot dat wat uit de biogenetische grondwet van Ernst Haeckel blijkt.
U weet dat deze biogenetische grondwet zegt, voor de uiterlijke natuurwetenschappelijke zienswijze, dat zich, wanneer we bij de mens blijven, in de ontwikkeling van het menselijke embryo, de evolutionaire lijn zich herhaalt, dat dus de ontogenese een herhaling is van de fylogenese. De mens is gedurende de tijd vanaf de conceptie tot aan de geboorte stap na stap in een zodanige ontwikkeling dat hij de verschillende diervormen, van de ongecompliceerde tot de gecompliceerdere, doorloopt tot hij mens is.

Deze voor de natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing uiterst belangrijke wet – ik ken de uitzonderingen, de grenzen, heel goed – maar juist degene die deze kent, moet het een zeer belangrijke natuurwetenschappelijke wet noemen – die heeft men nu geprobeerd, ook op de ontwikkeling van de geest en de ziel van de individuele mens in verhouding tot de hele mensheid toe te passen.

Men is daardoor in verkeerd vaarwater terechtgekomen.

Waardoor zou je een parallel kunnen trekken tussen de ontwikkeling van de menselijke ziel en geest en tussen deze biogenetische wet? Toch alleen dan, wanneer je zou kunnen zeggen:

Het kleine kind, wanneer het zijn aardse loopbaan begint, maakt dus oertoestanden van het mensengeslacht door. Wordt het groter, dan maakt het toestanden door van latere ontwikkelingsfasen van de mensheid enz. De ontwikkeling van het kind herhaalt de ontwikkeling van heel het geslacht mens. Zoiets kun je als een fantasieproduct formuleren, maar het is niet in overeenstemming met de werkelijkheid; pas de geesteswetenschap is in staat op dit gebied de werkelijkheid te benaderen.

Wanneer je het menselijk embryo volgt vanaf de eerste, tweede, derde week voor zover men dit tegenwoordig al kan, tot het helemaal volgroeid is – dan zie je daar de aanduidingen van de op elkaar volgende, steeds volmaakter wordende vormen, vissengestalte enz. Wanneer je daarentegen bij het kind de eerste jaren van zijn ontwikkeling waarneemt, zie je niets van een herhaling van een of andere oertoestand van de mensheidsontwikkeling. Dan moet je wat met krachten en processen voor je uit zitten te dromen, wanneer je zoiets wilt vinden. Het was een mooie droom, toen mensen, zoals de pedagoog Wolf en anderen, opperden dat kinderen op een bepaalde manier de tijd van de wilde barbaren doormaken en dan bij de jongens een bepaalde tijd waarin ze de Perzische cultuur doormaken, enz. Mooie, dichterlijke beelden kunnen ontstaan, maar het blijft onzin, want tegenover zo’n schildering staat zeker geen echte werkelijkheid! Je moet in staat zijn om het menselijk leven in zijn volle werkelijkheid te overzien, wil je de voor de biogenetische grondwet een daartegenover passende component voor geest en ziel vinden.[1]

[1] GA 301/65   
Op deze blog vertaald/65

Meer over het leerplan en Haeckel:

[1] Staat Haeckels biogenetische grondwet model voor het leerplan van de vrijeschool
[2] Een antwoord daarop uit GA 297
[4] Steiners visie op ontwikkelingsfasen van de mensheid en van de individuele mens uit GA 297
[5] Steiners visie op ontwikkelingsfasen van de mensheid en van de individuele mens uit GA 301
[6] Het gevaar van speculeren bij het doorgronden van het leerplan en ontwikkelingsfasen van de mensheid
[7] Steiner over ‘ontwikkelingsfasen mensheid’ en ‘ontwikkelingsfasen kind’.
Uit GA 55
[8] Rudolf Grosse over het leerplan: de verhelderende splitsing in ‘de stroom van de tijd en van de ruimte

.

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

 

823-758

.

VRIJESCHOOL – Het leerplan en Ernst Haeckel (12-2)

.

Gebruikte Steiner de biogenetische grondwet van Ernst Haeckel om daarmee het vrijeschoolleerplan vorm te geven, was de vraag in deel 1 van dit onderwerp.

Ik citeerde Steiner daarover – zij het wat summier.

Hier de vrijwel volledige opmerkingen uit GA 297:

‘De wetenschap is trots op haar methode van empirie en waarneming. En deze methoden hebben op natuurwetenschappelijk gebied tot grote triomfen geleid. Maar op de keeper beschouwd hebben heden ten dage nog al wat mensen die zich betrokken voelen bij de pedagogie al gemerkt dat uit deze ervarings- en waarnemingsmethoden geen gezichtspunten voor de opvoeding zijn te halen. Mensen die er op een bepaalde manier verstand van hebben, hebben zich afgevraagd: ‘Wat moeten we in de op elkaar volgende levensfasen van het kind doen om de ontwikkelingskrachten die in deze fasen manifest worden op de juiste manier te benutten?’
Je hoeft maar op een paar dingen te wijzen om te ontdekken dat zo’n verlangen om een kind in zijn ontwikkeling ook werkelijk te leren kennen, bij pedagogen wel aanwezig is, dat deze pedagogen echter met hoe de wetenschap van nu is, daarvan geen antwoorden krijgen die zouden kunnen helpen.
Ik hoef er maar op te wijzen dat bijvoorbeeld al in 1887 de pedagoog Sallwürk zei: ‘De natuurwetenschap heeft gevonden dat in de ontwikkeling van de organismen een zekere wetmatigheid heerst, wat de pas gestorven Ernst Haeckel genoemd heeft : ‘de biogenetische wet’. Volgens deze wet ontwikkelt de individuele mens zich gedurende zijn embryonale toestand zo, dat hij de evolutierij van de ontwikkeling der dieren volgt. Tijdens de ontwikkeling als embryo lijkt de mens de eerste weken een lager dier dat zich tot een mens ontwikkelt. De ontwikkeling van de enkeling is een korte herhaling van een lange ontwikkeling in de wereld. Nu vroegen die pedagogen zich af:

Geldt zoiets dergelijks ook voor de ontwikkeling van het individuele kind m.b.t. de geest en de ziel. En kan de opvoedingswetenschap ergens een ondersteuning vinden in een wetmatigheid die als deze biogenetische wet wordt gekopieerd.

Kijk, men doet moeite om er niet zomaar op los op te voeden, maar een gezichtspunt te vinden t.o.v. de ontwikkeling van de wordende mens. Dan ligt het voor de hand om bijv. te zeggen: wel, heel de mensheid heeft de tijd meegemaakt vanaf de oercultuur; daarna zijn andere culturen gekomen die via de geschiedenis tot ons zijn gekomen als oriëntaalse culturen; daarop volgden dan de Grieken, de Romeinen, daarna de Middeleeuwen enzovoort, tot in de moderne tijd. Kunnen wij voor de individuele mens nu zeggen dat hij als kind de oercultuur van de mens en dan de andere fasen van de menselijke ontwikkeling herhaald heeft. En kunnen wij, als we de geschiedenis in haar wetmatigheden volgen, daar dan iets aan hebben voor de ontwikkeling van het individuele kind. Sallwürk heeft al in 1887 in zijn boek ‘Gesinningsunterricht und Kulturgeschichte’ op een overduidelijke manier bestreden dat men vanuit dit soort achtergronden een of ander aangrijpingspunt voor de opvoedkunst zou kunnen halen. En al eerder heeft de pedagoog Theodor Vogt  die uitgaat van de gezichtspunten van Herbart, erop gewezen dat men nu niet in staat is om vanuit de pedagogie dit soort vragen te beantwoorden. In 1884 zei hij al: als er een vergelijkende geschiedeniswetenschap zou zijn, zoals er een vergelijkende taalwetenschap bestaat, dan zou je wellicht uit zo’n vergelijkende geschiedeniswetenschap voor de opvoeding van het kind net zulke aanknopingspunten kunnen vinden zoals men uit de vergelijkende afstammingsgeschiedenis van het dierenrijk aanknopingspunten heeft gevonden voor de zojuist gekenschetste biogenetische grondwet. Maar hij gaf toe dat er zoiets als een vergelijkende geschiedeniswetenschap waaruit men dit soort wetten zou kunnen halen, er eenvoudigweg niet is. En de pedagoog Rein uit Jena zei hem dat in 1887 na en zo liggen de dingen in de gangbare pedagogie en opvoedkunst vandaag nog.

U kunt met recht over die pogingen en ook over de discussie over zulke pogingen zeggen: moet je je als opvoeder niet liever op het standpunt stellen van op een gezonde manier de mens aanvoelen, in plaats van zich door een abstracte wetenschap te laten voorschrijven wat er voor de ontwikkeling van een opgroeiend kind nodig is? En met zo’n tegenwerping hebt u gelijk. Want dit bezwaar komt ook naar voren wanneer je de zaak wat dieper en grondiger beschouwt. Dit bezwaar ontstaat doordat men inderdaad niets heeft dan de wetenschap die op de methoden om de huidige natuur te kennen stoelt; je haalt er niets dan de abstracties uit en daarmee krijg je niets voor de ontwikkeling van de menselijke geest en de menselijke ziel. Je streeft tevergeefs, wanneer je zoiets wil bereiken.
Maar je kunt ook niet echt met alleen maar een niet ontwikkeld mensenverstand en met het aanvoelen van de mens, opvoedkunstenaar worden.  Je hebt iets nodig wat gezichtspunten oplevert.

En met name hier zie je de noodzaak om een nieuwe menskunde te ontwikkelen als basis voor een reële opvoedkunst van de toekomst. De huidige wetenschap heeft voor zo’n menskunde de basis niet. Die moet verkregen worden door de kennis van de menselijke geest en de menselijke ziel en over de wording van de menselijke geest binnen de geschiedenis van de mensheid. Je zult veel ruimere gezichtspunten moeten hebben dan de wetenschap van nu, die zich op de natuurwetenschap oriënteert.[1]

Steiner heeft het vervolgens niet meer over de biogenetische grondwet en gaat over op de ontwikkelingsfasen van het kind vanuit het gezichtspunt van de 7-jaarritmes.

Pas later in de voordracht beschrijft hij iets van de mens in de fasen van de ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid om dat vervolgens op te zoeken in het leven van een individu. Of dit de culturele tegenhanger van Haeckels wet is en of dit de tegenhanger is voor een emotionele en verstandelijke ontwikkeling staat nog te bezien.
In GA 301 spreekt hij er opnieuw over, uitgebreider. Vóór hij op dat onderwerp overstapt, gaat hij ook weer in op de vraag naar de recapitulatietheorie van Haeckel en of we die in de ontwikkeling van het kind na de geboorte terugzien.
Die laatste gezichtspunten zijn onderwerp van deel  3.

[1] GA 297/43 e.v.
Op deze blog vertaald/43

Meer over het leerplan en Haeckel:

[1] Staat Haeckels biogenetische grondwet model voor het leerplan van de vrijeschool
[3] Een antwoord daarop uit GA 301
[4] Steiners visie op ontwikkelingsfasen van de mensheid en van de individuele mens uit GA 297
[5] Steiners visie op ontwikkelingsfasen van de mensheid en van de individuele mens uit GA 301
[6] Het gevaar van speculeren bij het doorgronden van het leerplan en ontwikkelingsfasen van de mensheid
[7] Steiner over ‘ontwikkelingsfasen mensheid’ en ‘ontwikkelingsfasen kind’.
Uit GA 55
[8] Rudolf Grosse over het leerplan: de verhelderende splitsing in ‘de stroom van de tijd en van de ruimte

.

Menskunde en pedagogiealle artikelen

 Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

 

822-757

VRIJESCHOOL – Het leerplan en Ernst Haeckel (12-1)

.

DE BIOGENETISCHE GRONDWET VAN ERNST HAECKEL in het leerplan van de vrijeschool

                                                                          WAARHEID OF VERDICHTSEL?

In ‘Lexicon antroposofie’ [1] vinden we onder =biogenetische grondwet=:

 ‘De ontogenese is de herhaling van de fylogenese’.
Rudolf Steiner onderschrijft dit principe en hanteert deze gedachte bij het ontwerp van het leerplan van de vrijeschool. In de achtereenvolgende leerjaren doorloopt de leerling de bewustzijnsfasen die de mensheid als geheel ook heeft doorgemaakt.’

Wanneer ik hieronder de woorden van Steiner zal citeren over de wet van Haeckel en de toepasbaarheid daarvan in het leerplan van de vrijeschool, geciteerd uit de pedagogische voordrachten 1919-1924, kan er maar één conclusie zijn: Steiner ziet er niets in!

Uiteraard heb ik de schrijver gevraagd waar Steiner dit principe dan onderschrijft, maar een concrete plaats is (nog) niet aan gegeven, ook niet van de plaats waar Steiner een link legt tussen ‘bewustzijnsfasen van de mensheid en die van het kind’.

Er is wel een voordracht uit 1907 die wél de indruk wekt dat het kind ‘fasen’ herhaalt.
In [12-7] wordt daar nader op ingegaan.

Ook Werner Govaerts die weliswaar voorzichtig en genuanceerd opereert, kan geen citaat voor zijn beweringen aangeven: [2]

‘Ook Rudolf Steiner baseert zijn voorschriften voor het curriculum deels (dus niet consequent) op de recapitulatietheorie die zegt dat kinderen in hun emotionele en verstandelijke ontwikkeling dezelfde weg volgen als de mensheid in haar geschiedenis. Steiner ontwikkelde deze theorie voor het eerst in 1919.’

De bron ontbreekt waar en hoe Steiner in 1919 deze theorie ontwikkelde.

Govaerts vervolgt:

‘Een andere afwijking van Steiner t.o.v. bijvoorbeeld Spencer e.a. is dat hij steeds uitgaat van de individuele ontwikkeling van het kind (die hij uitvoerig beschrijft en documenteert) en daarop historische periodes ent, terwijl het in de meeste recapitulatietheorieën omgekeerd gebeurt: men gaat uit van de geschiedenis en postuleert dan een bepaalde ontwikkeling van het kind. Steiner daarentegen stelde zich steeds de vraag: welk aspect uit de geschiedenis past bij deze bepaalde leeftijd? Daaruit volgt dat de behandeling van de historische periodes in de steinerschool, zeker wat het basisonderwijs betreft, niet strikt chronologisch is.’

Deze visie is veel realistischer en komt overeen met de opvatting van Rudolf Grosse, die m.i. de kern van het waarom van bepaalde leerstof op een bepaald ogenblik – leeftijd, klas – weet te vinden. Zie [12-8]

In ‘De seizoener’ – lente 2015 – zegt Karel Post Uiterweer:
‘Je kunt volgens Steiner de ontwikkeling van de mensheid namelijk in zeker opzicht terugvinden in de ontwikkelingsfasen van het kind.’

Het is jammer, dat dit ‘in zeker opzicht‘ niet nader wordt behandeld.

Het ‘passen bij de leeftijd’ heeft m.i. vooral te maken met: hoeveel inlevingsvermogen heeft het kind op deze leeftijd om ‘iets’ te kunnen begrijpen, op te kunnen nemen. Vanaf het 9e levensjaar zien we daarin duidelijke veranderingen optreden die mogelijk maken dat er bij de kinderen een begrip ontstaat voor bv. breuken of de samenhang van de elementen met de plantengroei.
Geschiedenis is, dat er vroeger ‘iets’ was en dat dit ‘vroeger’ steeds dichter bij onze tijd – het heden – komt te liggen.
Voor dit fenomeen krijgen de kinderen rond het 11e jaar steeds meer begrip. Dan vindt Steiner het heel belangrijk dat het kind kennis maakt met cultuur en/of cultuurimpulsen, ‘die nog tot in het heden doorwerken’ [3] en de eerste cultuurimpulsen vind je in het Midden-Oosten: landbouw, veeteelt, stedenbouw. Wat daar a.h.w. begonnen is, hebben we nu nog. Je vindt bij Steiner nergens dat ze hiervan moeten weten omdat ze op hun 11e zelf landbouwer, veeteler of stedenbouwer zijn.
In de geschiedenisperioden van de 5e klas  treedt de chronologie minder op de voorgrond; vanaf de 6e klas  is dat steeds meer het geval; niet zozeer om chronologisch geschiedenis te geven, maar om de kinderen een besef bij te brengen, wáár in de tijd zich iets afspeelde (denk aan Steiners voorbeeld(en) van de generatieketting). Daarom kan Boeddha eerder behandeld worden dan de Egyptische piramiden.
Boeddha wordt niet behandeld omdat de kinderen op een bepaalde leeftijd de zielenstoestand van Boeddha zouden recapituleren. Zij hebben hopelijk wel de rijpheid bereikt waarmee ze iets van Boeddha’s gedachtewereld en strevingen kunnen begrijpen.

Steiner:
Wanneer in  een bepaalde tijd, laten we zeggen Gutenberg werkzaam is en de boekdrukkunst uitvindt, hangt zoiets samen met wat in de diepere lagen van de mensheid gebeurt. En de uitvinding van de boekdrukkunst is een uitdrukking voor het feit dat de mensheid in deze tijd rijp geworden is om van bepaalde alleen maar concrete voorstellingen tot abstracte te komen.’ [4]

De leerling moet ook tot een bepaalde abstractie kunnen komen om dit te begrijpen. Houdt dat dan meteen in dat hij nu de tijd van de boekdrukkunst – ‘deze fase’- recapituleert?

Na de cultuurimpuls van de Grieken, volgt die van de Romeinen – dat is een chronologische volgorde. Dat de 6e klas op de 5e volgt ook. De impuls van het rechtsleven – als typisch Romeins – begint het kind van 12 goed te begrijpen. Is dat een bewijs dat hij nu de ‘Romeinse fase’ recapituleert?
Hij krijgt dat jaar ook meetkunde – een Griekse impuls; de stelling van Pythagoras wordt echter vaak in de 7e behandeld.
De geschiedenis van de 7e klas behelst voor een groot deel de ontdekkingsreizen: ja het kind krijgt steeds meer belangstelling voor ‘de grote’ wereld; maar het krijgt ook algebra – dat 4 eeuwen daarvoor al bestond.
De 6e-klasser gaat van Rome door de Middeleeuwen: een chronologische volgorde! Is hij nu als 6e-klasser én Romein én middeleeuwer?

Is dit het ‘verkeerde vaarwater‘?

Steiner over Haeckels biogenetische wet: *
‘Men heeft geprobeerd deze wet ook op de geestelijke- en  gevoelsontwikkeling van de mens toe te passen, op de individuele mens in verhouding tot de hele mensheid. Daardoor is men in een verkeerd vaarwater terechtgekomen. [5]

‘De ontwikkeling van een kind is een herhaling van de ontwikkeling van het mensengeslacht’ kan men als fantasiebouwwerk opzetten, maar het is niet in overeenstemming met de werkelijkheid.
Wanneer je het menselijk embryo volgt van de eerste, tweede, derde week – zo goed als men dit nu kan – tot aan de volgroeiing – dan zie je daar de opeenvolgende, steeds volmaakter wordende vormen, visgestalte enz. Wanneer je daarentegen het kind waarneemt in de eerste ontwikkelingsjaren, dan zie je niets van een herhaling of in een verdere ontwikkeling van volgende fasen van de mensheidsontwikkeling.’ [5]

Ik ben mij er zeer van bewust dat ik passages waarop van Oort, Govaerts en Post Uiterweer zich beroepen over het hoofd kan hebben gezien en dat ik mijn opvattingen zou moeten aanpassen, wanneer ik ze zou kennen.

Dan zal ik dat ook meteen doen.

Maar tot zo lang zie ik geen verband tussen de recapitulatiewet van Haeckel en het leerplan van de vrijeschool.

[1] Henk van Oort: Lexicon antroposofie
[2] Werner Govaerts: Visie op het secundair onderwijs onderzoeksrapport 2002
[3] Steiner: GA 301/186 e.v.   Op deze blog vertaald/186
[4] Steiner: GA 301/193   Op deze blog vertaald/193
[5] Steiner: GA 301/66   Op deze blog vertaald/66

Meer over het leerplan en Haeckel

[2] Een antwoord daarop uit GA 297
[3] Een antwoord daarop uit GA 301
[4] Steiners visie op ontwikkelingsfasen van de mensheid en van de individuele mens uit GA 297
[5] De ontwikkelingswet die Steiner n.a.v. Haeckel beschrijft in GA 301
[6] Het gevaar van speculeren bij het doorgronden van het leerplan en ontwikkelingsfasen van de mensheid
[7] Steiner over ‘ontwikkelingsfasen mensheid’ en ‘ontwikkelingsfasen kind’.
Uit GA 55
[8] Rudolf Grosse over het leerplan: de verhelderende splitsing in ‘de stroom van de tijd en van de ruimte

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

 Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

820-755

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – de wil (3)

.

Stefan Leber, Weledaberichten 137, dec.1985

.

TRAINING VAN DE WILSKRACHTEN IN DE KINDERJAREN
.

Een van de belangrijkste zielenkrachten is de wil. Samen met de krachten van het voelen en het denken schept hij de mogelijkheid, als totale mens in het leven te staan.
Wij willen een paar eigenschappen van het willen in het hierna volgende bespreken.
In de eerste plaats valt het merkwaardige op, dat ik alleen maar kan willen wat niet aanwezig is, d.w.z. dat ik mijn wil slechts op iets kan richten wat nog vóór mij ligt, wat nog moet ontstaan. Als ik zit, dan kan ik mijn willen erop richten, niet om te vallen, maar niet op het doel, niet te willen zitten, want dat wordt in normale gevallen door de zwaarte al vanzelf bewerkstelligd.
Hieruit kan blijken, dat het willen altijd op iets wat er nog niet is -in de tijd gezien: op iets in de toekomst- wordt gericht en dat betekent tevens: op een verandering van hetgeen er is. Dit includeert ook een overwinnen van de zwaarte, zelfs van de traagheid. Als ik zit, kan ik willen opstaan, d.w.z. er is een bewegingsproces, waarin iets van doelgerichtheid moet zijn waarop de beweging afstuurt. Daarin is een reden aanwezig die dit of dat veroorzaakt. Die reden evenwel hoeft niet altijd zo duidelijk te zijn zoals dat bij een motief het geval is. De wil staat open voor redenen en hij heeft die ook nodig om zich te ontplooien. Als ze ontbreken of als ze niet sterk genoeg zijn, dan kan de wil niet steeds weer opnieuw ontvlammen; hij verlamt, verslapt, waardoor een van zijn eigenschappen, de volharding, teloor gaat. Dan komt er slechts een deel, het begin van het wilsproces tevoorschijn.

Activiteit van de wil en doelstelling

Uitgaande van deze korte schets kan nu op de ontwikkeling van de wil en de scholing daarvan in de kinderjaren worden ingegaan.

Aan het begin daarvan ligt het stadium van de zuigeling. In de dadelijk na de geboorte nog korte periodes van wakker zijn wordt dit altijd tegelijkertijd zichtbaar samen met de lichamelijke wilsuiting: door het trappelen en bewegen. Beide gebieden van de lede­maten, armen en benen, worden ongescheiden van elkaar bewogen. Als men op het verloop van deze bewegingen let, dan kan men zien, dat ze een soort van bolvorm om de gewrichten maken. In deze, men zou kunnen zeggen bewegingschaos, komt allengs orde, zodat “doelgerichte” bewegingen ontstaan: bijv. het naar iets grijpen. De aange­boden fles wordt gegrepen en vastgehouden. Tot dit lukt zijn er steeds weer “oefenings­bewegingen” nodig met veel falende pogingen. Maar toch wordt op den duur wat is gezien, wordt begeerd, doelbewust gegrepen.

Waar vinden wij de oorzaak van die bewegingen? De drijfveer om zich te bewegen, ligt in het lichaam zelf, want elke pasgeborene beschikt over de mogelijkheid om te trappelen en te graaien, maar in dit vermogen brengt de ziel zelf de richting aan, d.w.z. de reden voor het bewegen.

Maar dat is niet alles. Naarmate het kind moeder, vader, broertjes en zusjes opmerkt, probeert het dezelfde houding te veroveren die zij hebben: de opgerichte. Het hoofdje wordt steeds weer opgeheven, zinkt vermoeid achterover, opnieuw wordt de poging ondernomen. En dan ten slotte het oefenend zich veroveren van het staan, het lopen, tot dit na ongeveer een jaar zelfstandig gaat lukken. Ook hier weer is het tweevoudige prin­cipe zichtbaar: de wilsvoltrekking en de reden, d.w.z. de wilsactiviteit die uit het lichaam komt en de doelstelling, die via de nabootsing van een voorbeeld wordt overgenomen. Niet het woord is de reden voor het doen, geen voorstelling motiveert, maar door het actieve meedoen worden richting en doel in de handeling opgenomen en tot eigen bezit gemaakt. En toch kan de toeschouwer de reden vinden. Die ligt echter niet in het uitspreek- of bespreekbare, de reden heeft zelf wilskwaliteit.

Het oefenen van de wil door de nabootsing

Opvoeding van de wil op deze jeugdige leeftijd van het kind betekent dus: velden, ruimten voor nabootsende activiteiten scheppen, zodat de wil van het kind in de nabootsende activiteit kan onderduiken, waarbij het zich naar het volwassen voorbeeld richt. Door het mee-voltrekken ontwikkelen zich vaardigheden in de bewegingsprocessen (motoriek) van het kind. De wil wordt versterkt doordat zin en reden niet theoretisch voorop moe­ten worden gesteld, maar door de nabootsing vooreerst eenvoudigweg van de volwas­senen worden overgenomen.

Een jongetje van drie jaar dat met volharding naast zijn moeder een heleboel sokken en wollen ondergoed had gewassen en ten slotte uitspoelde, zei, toen er nog een paar sokken moesten worden gespoeld waarvan de moeder vond dat hij dit nu wel alleen kon: “Nee dat kan ik niet, ik ben immers nog klein.”

Volbrengen, zin en volharding zijn heel sterk aan het voorbeeld gebonden. Als dat aanwezig is, dan kan de wil van het kind zich daarmee verenigen en wordt hij door het mee­doen versterkt. Dit nabootsende doen maakt in zeker opzicht het begin van een brug van waaruit het kind dan op eigen kracht over de rivier naar de andere oever, het zelfstan­dige en zelf-gewilde handelen, komt. Men kan bijv. zien, hoe een kind van twee jaar met de grootste moeite een stoel, die bijna net zo zwaar is als hij zelf, naar een deur sjouwt, ten slotte met moeite en een vuurrood gezichtje op de zitting klimt om bij de deur­klink te komen, daarbij echter merkt, dat de afstand te groot is, opnieuw omlaag klimt, de stoel dichterbij schuift en er weer opklimt. Helemaal uitgeput maar met het grootste plezier opent het ten slotte de deur. Zolang er voldoende stimulering in de gedaante van zinrijke handelingen van de volwassene het kind omgeven, kan men zien, hoe het zo­wel zelf “meewerkt” als ook in het vrije spel voortdurend handelingen die het heeft ge­zien of die worden verzonnen “speelt”. Als echter het aanbod van zinrijke handelingen gering blijft, dan verschraalt de fantasie al spoedig en het kind begint zich te vervelen.

Taken en aansporingen

Menselijke ontwikkeling verloopt op geen enkel plan rechtlijnig, maar steeds in sprongen, omkeringen, achterwaartse bewegingen, vooruitsnellen. Dat geldt ook voor de ontwik­keling van de wil. Tevens is het over ’t algemeen zo, dat de wil van twee kanten kan worden ontwikkeld: van de kant der voltrekking en van de kant van het doel. Elke activiteit, al is het maar een eenvoudige beweging zoals bijv. het balanceren over een boom­stam of een gecompliceerdere klimoefening, is een scholing van de wil.
Instinctief kie­zen schoolkinderen vooral in het midden van de kindsheid – van het 8e-9e tot aan het 12e-13-jaar- oefeningen en spelen, die tegemoet komen aan hetgeen zij aan krachten willen en moeten ontwikkelen. Er zijn eenvoudige hoepels (altijd nog wel), die bij het boodschappen doen worden meegenomen. Behalve de eigen beweging moet de con­centratie op het sturen ervan worden gericht.

Verder is er de hinkelbaan. Op getekende vakken moet met één voet of gesloten benen, zonder de grens aan te raken in een bepaalde volgorde het doel aan het eind van de baan worden bereikt. Dit wordt moeilijker als met dichte ogen of met een op de neus van een schoen gelegde kiezelsteen de weg moet worden gehinkt. Inspanning, concen­tratie, volharding, behendigheid zijn nodig om de taak te volbrengen. Tevens, omdat het hinkelen zelden ineens lukt, is herhaalde oefening nodig -processen, die als zodanig versterkend werken op de wil. Touwtje springen, steltlopen en vele andere oefeningen in spelvorm gebeuren bij voorkeur in de krachtmeting met leeftijdsgenoten. Zelfs bij zulke spelen wordt zichtbaar, dat zij ook een zin bevatten, n.l. het speelse deel van de handeling: een duidelijk gestelde taak die door behendig te zijn moet worden volbracht. Het is van belang, het kind naar deze manier van taken te stellen te leiden opdat zijn wilskracht toeneemt.

Wat in vroeger tijden vanzelf lukte wordt tegenwoordig een pedagogische taak. Door­dat n.l. de ambachtelijke, productieve activiteiten uiteenvielen en achter fabrieksmuren verdwenen, heeft het kind weinig mogelijkheden om een volkomen ontplooide wilsvol­trekking, zoals die in de menselijke arbeid tevoorschijn komt waar te nemen. Twee ge­neraties geleden kon men nog zien, hoe een hoefsmid een paard besloeg, hoe een schoenmaker of meubelmaker, een timmerman werkten en in de werkplaats misschien zelfs wat meehelpen. Niet alleen, dat door de industrialisering dit gedeelte van de ken­nis van het leven is weggevallen, maar ’t ontbreekt het kind ook aan voorbeelden, prikkels, beelden die een grondslag bieden voor zijn eigen doen en laten. Daardoor wordt het in deze levensfase nodig om datgene, wat uit de sociale werkelijkheid als zichtbaar ge­halte van het leven is verdwenen, aan het bestaan van het kind op een andere manier toe te voegen om zijn ontwikkeling te stimuleren, n.l. via het ouderlijk huis en de school. Het kind moet in de gelegenheid zijn om bijv. de groeifasen van de plantenwereld door eigen activiteit mee te maken, door bijv. in land- en tuinbouw mee te werken. Het be­zoeken van een boerderij of een tuinderij wekt belangstelling, die dan overgeleid kan worden in het klaarmaken van een bed, waar planten (groenten, bloemen maar ook graan) gezaaid, in hun groei geobserveerd, verzorgd, ten slotte kunnen worden geoogst of ge­plukt.
Iets dergelijks kan met de basisberoepen zowel van de hout- en metaalbewerking alsook de vervaardiging en bewerking van textiel gebeuren. Daarbij is het zaak om het­geen vooreerst wordt bekeken, daarna met eigen activiteiten te verwerken, bijv. door al heel jong een pannenlap, later een paar kousen of zelfs een pullover te breien. Bij de houtbewerking kan men denken aan het vervaardigen van een pollepel, later van mooi speelgoed om te eindigen met kunstzinnig verantwoorde gebruiksvoorwerpen. De hierboven kort geschetste weg door het ambachtelijke gebied wordt in de vrijescho­len begaan van de 1e t/m de 8e klas. De verschillende vakken dragen en bevruchten elkaar, de vaardigheden worden gedifferentieerd, de wil wordt steeds weer anders door de zinrijke handeling aangespoord.

Dit kan door kunstzinnige bezigheden worden ondersteund: in de euritmie, het schil­deren, de muziek, maar ook door zinrijke beoefening van sport.
Alleen op die manier worden de krachten ontwikkeld, die de volwassene nodig heeft om een taak aan te pak­ken, ermee bezig te zijn, te volbrengen en niet voortijdig te verslappen of zelfs in een boog om dingen die noodzakelijk zijn, heen te lopen.

 

Menskunde en pedagogie: over de wil: [10

Algemene menskunde: 2e voordracht over de wil [2-3

Vrijeschool in beeld: alle beelden

819-754

VRIJESCHOOL – In de trein

.

De onderwijzer C. Wilkeshuis schreef jaren geleden een column voor het blad ‘Vacature’. Uit hoe hij over kinderen schreef, over zijn vak – uit alles sprak een man met het onderwijzershart op de juiste plaats.

Op een keer berichtte hij zo:

Vrijeschool

We waren vroeg uit de veren, tenminste voor de zondag: om zeven uur! Met de trein van omstreeks half negen zouden we naar het zuiden reizen. Niet helemaal naar Nice of naar het land van Mignon „wo die Citronen blühn”, maar gewoon naar ons eigen Bra­bant. Dat is een aardige provincie en nog lekker dichtbij huis ook. Er waren maar weinig passagiers. Het is alsof op zondagmorgen de wereld langzamer draait dan door de week. Hoewel objectief gedacht de trein even snel reed als op maandagavond of woensdagochtend kwam het ons voor dat hij ons met een ge­matigd, zelfs ietwat peinzend gangetje langs de herfstige bossen van de Veluwezoom voerde. Geen relativiteit van de tijd, maar van de duur.

We vermoedden dat het een reisje zou wor­den waarop weinig te beleven viel. En eerlijk gezegd hoopten we dat ook want we had­den die rust ruimschoots verdiend, niet al­leen met het vroege opstaan maar ook met het haastige gezoek naar dingen die we ’s avonds hadden klaargelegd maar ’s mor­gens niet meer wisten te vinden . . . .

Het pakte anders, béter uit. Nog enigszins soezerig waren we in Arnhem aangekomen. En toen opeens stapten ze naar binnen, twee meisjes van naar schatting elf en negen jaar. Het haar hing hun in noncha­lante krullen langs de blozende gezichtjes, ze waren modern-kinderlijk gekleed en droe­gen ieder een tas van gevlochten touw over de schouder.

’t Waren leuke kinderen, fris, en blij met het leven, dat zag je zo, De hele wagon fleurde er van op.

„Gunst, zie je dat. Ze hebben een pop bij zich, “fluisterde ik ontsteld. „Nou,
én . . . . Mag dat soms niet?”, fluister­de mijn vrouw terug.
„Natuurlijk wel…. Maar de trend van tegenwoordig hè… . Meisjes moeten niet vrouwelijk worden opgevoed. . . . Denk aan Dolle Mina …. Gek, dat we op reis altijd meisjes met poppen tegenkomen. Ik herinnerde me de meisjes die ik eens op het perron in Leeuwarden had gezien, ieder met een prachtig aangeklede pop op de arm. Zó model, dat je er kil van werd.* En de kinderen droegen ze zo plechtig alsof het godinnen waren. De hele verdere reis voelde ik me er beroerd van.

„Dit zijn heel andere poppen,” zei mijn vrouw. Ja, het leken zelfgemaakte poppen, flodder­poppen, zomaar-poppen, poppen met een rond zonnebloemhoofd, een opgestopt lijf en slappe armen en benen. Poppen, die je thuis als een vrolijke noot op een bank neervlijt en onverschillig met je meesjouwt als je een trein binnen huppelt. De meisjes waren schuin tegenover ons in de coupé gaan zit­ten en tot onze verbazing troffen ze meteen voorbereidingen om aan het werk te gaan. „Een vrouwehand en een peerdetand mogen niet stille staan,” zei vroeger de boer, en hij stak nog een piepke op.
En wat haalden deze moderne kinderen uit hun schouder­tassen? U vermoedt misschien zo’n handig opvouwbaar werkbankje van Black en Decker of een miniatuur-lasapparaatje, in ieder geval iets anti-vrouwelijks? Vergeet het maar. De oudste ging zitten breien aan een rose wollen sjaal voor haar pop, de andere borduurde op het hoofd van haar pop de ogen en de neus nog wat duidelijker.

O, waar was de alternatieve wereld gebleven, waar was hier de prélude op de structuren van het jaar 2000, als het hele leven tot een wetenschappelijk bedrijf is gemaakt en alle madeliefjes en hondsdrafjes voorgoed zijn uitgeroeid?

Mijn vrouw begon een gesprek met de meis­jes. De bedrijvigheid van de kinderen paste wel in haar straatje.

Of ze poppenmaken een leuk werk vonden? O ja, en breien en borduren deden ze ook graag. Ze waren er op school ook druk mee bezig. „Op school. . . .?” „Ja mevrouw, we hebben toch zó’n fijne school,”zei de oudste. „Welke school is dat dan?” „We zitten op de Vrijeschool,” antwoordden beiden enthousiast. „Jullie bedoelt op een school van Rudolf Steiner?” Goed geraden! Ze begonnen nu vol vuur de heerlijkheden van hun school te beschrijven. Vooral de vrije expressie stond hoog genoteerd: rit­mische beweging, zang en dans, tekenen en handenarbeid.

„Maar taal en rekenen, doen jullie daar wel genoeg aan?” vroeg een dame die ook in de coupé zat, bezorgd.

„Soms doen we een héle tijd achtereen taal, en dan gaan we later weer een poos reke­nen, ” zei het oudste meisje. „Ik vind het op de Vrijeschool véél fijner dan op m’n vorige school!”

Jammer genoeg stapten de kinderen in Nij­megen uit, even vlot als ze gekomen waren, de poppen nonchalant onder de arm. ’t Was een plezierige ontmoeting geweest, zij het dan wat vluchtig, die ons ruimschoots het displezier van het vroege opstaan ver­goedde.
„En een goede reclame voor de vrijeschool,” constateerde mijn vrouw. Zo heel veel wist ik niet van deze scholen. Een paar boekjes gelezen over Steiner en zijn antro­posofie, enkele brochures doorgenomen van de leiding van de beweging, dat was alles. En ’t was nog lang geleden ook, zoals zo­veel in mijn leven „langgeleden” begint te worden.

Maar ik wist nu tenminste dat deze meisjes het er fijn vonden en dat ze er blijkbaar gewone meisjes mochten zijn die met zelfgemaakte poppen op reis gingen en plezier mochten hebben in breien en borduren, en niet in een krampachtig MVM-schema** werden
gedwon­gen.

Toevallig bracht het blad „Uitleg” in zijn integratie-nummer een artikel over de vrijeschool van Gerard van de Wetering. Ik heb nooit een hekel gehad aan mijn eigen klassikale school en ik vind dat er toch al veel te veel kwaad van die oude school is gezegd, maar….

„Ik zou eigenlijk nog wel eens opnieuw wil­len beginnen,” zei ik tegen mijn vrouw. „En dan op zo ’n vrijeschool.” „ Vruchteloze nostalgie,” zei ze glimlachend. En de trein voerde ons verder Brabant in.

(C.Wilkeshuis in ‘Vacature’, blad van uitgeverij Thieme, Zutphen, datum onbekend)

.

*Steiner over spel (en over poppen)
**Man-Vrouw-Maatschappij

.

797-732

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Zingen met kleuters

.

Fiona van Mansvelt, Jonas 18, 05-05-1978

.

ZINGEN MET KLEUTERS

daar reden drie ridders langs de Rijn……..

Vroeger werd er veel meer gezongen dan tegenwoordig. Ook door volwasse­nen bijvoorbeeld bij ‘t werk, op fami­liefeesten, of tijdens de wandeling. Veel mensen generen zich om te zin­gen. Vraag maar eens in een groep mensen of iemand z’n stem wil laten horen. Als er een plaat wordt ge­draaid of de top 10 van de radio aan­staat, wil het nog wel lukken, maar al­leen, of met elkaar zomaar wat zingen, waarom ook eigenlijk?

Dikwijls klinkt ‘s morgens uit de kin­derkamer waar twee van onze kleuter­zonen slapen een vrolijk gezang. Eerst zijn het vaak fantasiemelodieën, zingen ze zomaar zachtjes wat voor zich heen, ieder voor zich. Dan lang­zamerhand herken ik ook allerlei lied­jes, ‘t Kleintje van drie is er ook bijge­komen en samen wordt er van alles ge­zongen: Soms oefenen ze hele moei­lijke liedjes, dan weer maken ze grap­jes door alle woorden van zo’n liedje met éénzelfde klank te laten begin­nen (bijvoorbeeld in plaats van lamme­tje, pammetje enz.) Zo zingen ze uit volle  borst hun morgengezang.

‘t Is fijn als je kinderen veel zingen, vind ik. Het is voor mij een teken dat het goed met ze gaat. Samen met een paar andere moeders ben ik nu al een jaar of twee aan het werk om voor onszelf en vandaaruit ook voor de kinderen de feesten van het jaar te leren kennen, er meer aan te beleven en te proberen er vorm aan te geven. Een van de houvasten daar­bij zijn de liedjes. Liedjes die elk feest helpen voorbereiden en weer laten uit­klinken. Ik begin al enkele weken voor de feestelijke dag (dagen) die liedjes te zingen die erbij horen, kunnen gaan horen. En na het feest zingen we de­zelfde liedjes nog een tijd, soms lan­ger, soms korter, dat hangt van het feest, maar ook van de kinderen af. (De St. -Nicolaasliedjes overtreffen daarin alle andere, tot in maart kwa­men ze af en toe boven!)
Nu ik alweer zo’n tijd op deze manier met liedjes bezig ben, merk ik dat het langzamerhand een soort stroom wordt waarin we terecht komen. Som­mige liedjes vallen af, andere nieuwe komen erbij, maar het golft van het een in het ander, als eb en vloed is het meer.

Pasen hebben we achter de rug met een liedje over eieren zoeken (uit: De Gouden Poort), maar ook het moeilij­ke lied van: ‘Daar nu het feest van Pa­sen is’, waarbij de kinderen zo van het ‘halleluja’ genieten.

Ik houd me bij dit alles niet streng aan de pentatonische liedjes of liedjes in de kwintenstemming. Van de kwinten­stemming weet ik hoe die bij de kleu­terleeftijd hoort, maar het liedjes­repertoire dat je nu eenmaal hebt, is lang niet altijd aangepast aan de leeftijd van je kinderen. Daar moet je langzaam ingroeien. Dat kan je niet voor ze klaar hebben, zoals je een les kunt voorbereiden…’t Is met de opvoeding zó, dat je het, lijkt me, pas een beetje kunt als de kinderen groot zijn, nou, en dan zijn ze groot!
Zo komt het dat ik in een bepaalde situatie een liedje zing, dat me op dat moment invalt, van vrouw Holle (uit De Gouden Poort) als het sneeuwt, maar ook van de zwarte kraaien die in het weiland neerstrijken op een regenmiddag, als we vanuit de kamer uitkijken over de wei met van die grauwe voortjagende wolken erboven. Dat kraaienliedje is nu echt zo’n liedje van de heren uit de vorige eeuw waar Henk Sweers over schreef in zijn artikel van Jonas 16. (niet op deze blog)

Het “t is kras, ‘t is kras, ‘t is kras kras kras’, dat in dit liedje voorkomt geeft zo prima de stemming van buiten weer, dat ik het daarom gewoon graag zing.
De kinderen vinden het prachtig. Maar daar gaat het juist om. Alles wat je als volwassene met enthousiasme kunt doen voor kinderen vinden ze fijn. Dat maakt daarom ook niet minder een groot verantwoordelijkheidsgevoel noodzakelijk en het blijft nodig je te verdiepen in de ontwikkeling van je kinderen.

Maar het leven gaat gewoon door. Ik doe wel mijn best om mijn repertoire liedjes aan te passen aan de leeftijd van mijn kinderen, maar ik zing onder­tussen wat me invalt en wat ik leuk vind om mét of vóór ze te zingen. Liedjes, maar vooral ook rijmpjes kunnen vaak zo prachtig benarde si­tuaties verlichten. Ze geven ruimte en opluchting. Ze kunnen werken als iets objectiefs tussen mijzelf en het kind. Als het lukt om het juiste rijmpje, of liedje op zo’n moment te vinden, kan het kind er iets van zichzelf en de si­tuatie in herkennen. Het laat hem vrij en maakt mij vrij van gevit of geïrriteerd zijn. We beleven er samen iets aan en kunnen dan samen weer verder. Ik moet zeggen dat dit een streven van mij is en lang niet altijd lukt! Soms kan ook voor een kleuter een duidelijk woord meer op zijn plaats zijn. Laatst, toen ik met een paar kinderen bij de schapen was, die net gelammerd hadden, nam ik zo’n klein paar dagen oud lammetje op schoot, zodat de kinderen hem rustig konden aaien, ter­wijl de moeder wat bokkig tegen mijn rug duwde.

Eén van hen zei toen: ‘zullen we heel zachtjes voor hem zingen?’ We zon­gen:

lammetje lammetje in de wei
kwispel met je staartje
dansen, springen o zo blij
ieder naar zijn aardje

Heel zachtjes zongen we, terwijl wij het diertje streelden. ‘Ik geloof dat hij het heel fijn vindt’, zei toen een ander kind. Ik beschrijf deze situatie niet
al­leen omdat ik er zelf zo van genoot, maar om te laten zien hoe zo’n een­voudig liedje voor een kind een vorm kan zijn voor het uiten, het mededelen van een gevoel. Dat te verwoorden is voor een kleuter vaak nog niet moge­lijk. Wél wil hij zich uitdrukken en doet dat dan ook dikwijls door wild te gaan springen, of te schreeuwen. Soms kan dat ook best, maar soms verstoort het alles en zeker in dit geval waren alle lammetjes blatend achter hun moeders verdwenen.

Bij het pannenkoekenbakken hebben wij vaak veel plezier met het volgende rijmpje:

ale wale wanneke
moeder bakt koek in een panneke
moeder bakt koek van boekweitemeel
bruin van buiten, van binnen geel
heet is het vuurtje, dun is het deeg
‘t lepelke schept er het potteke leeg
‘sssissende-sis’, zegt het panneke
klaar is het koekske voor
‘t manneke

Zo’n rijmpje is veranderbaar en ge­makkelijk aan te passen aan de
situa­tie, bijvoorbeeld door boekweitemeel te vervangen door tarwemeel enz.

Wanneer wij uit de Betuwe komen en bij Rhenen de Rijnbrug overrijden, en dan aan de overkant de hoge Grebbeberg zien liggen, kunnen we het niet laten om het oude weverslied te zin­gen van:

daar reden drie ridders al over de Rijn,
zet aan (2x)
bij ene schoon’ jonkvrouw daar moesten ze zijn,
zet aan en trap neder, schiet door en sla weder,
zet aan (2x)*

Met kinderen reizen per auto: de een zit wat voor zich uit te staren, de ander heeft buikpijn, de derde vraagt maar steeds of we er nu nog niet zijn…
Door het zingen van een enkel liedje (best wel tien keer herhaalbaar) komt alle aandacht tezamen en is alle leed voor even verdwenen.

Vierentwintig juni is het St.- Jansfeest. Daarvoor vonden we een leuk volks­liedje van ‘Jezus en St.-Janneke’.

In de boekjes van Dien Kes, Jop Poll­man en Piet Tiggers, Kinderzang en Kinderspel, vond ik het later ook. Al­leen is de melodie daarin anders. In ‘De Gouden Poort’ staat een penta­tonisch liedje voor dit feest. We zingen dat ook. Ikzelf heb daar veel meer moeite mee. ‘t Spreekt me niet aan. En aan de kinderen merk ik dat. Wat ikzelf met plezier zing, nemen ze met plezier over. ‘t Omgekeerde is helaas ook waar.

Zo zingen we het jaar rond, rondom de feesten; in en om ons dagelijks doen en laten. Toch gebeurt het ook, dat het zingen wat op de achtergrond raakt, vergeet ik het een beetje en raak ik er soms helemaal uit. Dat werkt dan óók door naar de kinderen. In zo’n periode wordt het moeilijk want nu blijkt een liedje ineens niet meer te kunnen, zit het gewoon verkeerd, klinkt het niet, past het niet. Het wordt dan tijd om moed te verzame­len om de stroom weer op gang te brengen. Daarbij rekening houdend dat dat niet in één dag kan. Maar wanneer het weer begint te ko­men is het zingen fijn in het samenle­ven met opgroeiende kinderen, geeft het vreugde en verlichting (maar ook pedagogische mogelijkheden als je ze ontdekt), die, zo beleef ik het, ik zo goed kan gebruiken in mijn dagelijks bestaan.

Als ik bij liedjes of rijmpjes geen bron vermeldde, dan was die mij onbekend. Zelf heb ik veel aan de kombinatie van de volgende boekjes:
de Gouden Poort, Beatrijs Gradenwitz-van Bemmelen, uitg. Vrij Geestesleven. Spreuken en liedjes voor kinderen, uitg. Christofoor.

Drie deeltjes Kinderzang en Kinder­spel. Dien Kes, Jop Pollman, Piet Tiggers, uitg. De Toorts, Haarlem.

*ik heb de muziek hiervan (nog) niet kunnen vinden

Voor veel liedjes

Peuters en kleutersalle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeldde peuter-kleuterklas

787-722

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-4)

.

Verteltijd ca. 20 min.
.

DE HEILIGE KENTIGERNUS EN HET ROODBORSTJE

Er was een tijd, dat Sint-Servatius een school had in Schotland in de nabijheid van Glasgow, waar vele  jongens, grote en kleine, kwa­men om te leren.
Onder die  jongens was er een, die alle anderen overtrof en als leerling uitmuntte. Kentigernus was een van de klein­ste jongens van de school en toch was hij de eerste van de hoogste klas. Kentigernus was het, die altijd het antwoord vond op de meest ingewikkelde vraagstukken en die de moeilijkste Latijnse passages verstond, wanneer niemand anders de zin ervan begreep. Kentigernus was het, die het eerst van allen zijn lessen leerde en ze het best opzegde. Kentigernus was het, die het mooiste zong, nooit te hoog of te laag, altijd zuiver, vandaar dat de goede Servatius van hem het meest hield.

Om al deze redenen en om nog vele andere waren de  jongens jaloers op Kentigernus en verzonnen van alles om hem te plagen en verdriet te doen. Zo trachtten zij hem in de war te maken, wanneer hij zijn lessen moest opzeggen, door onderwijl hard te praten en te lachen. Maar dit was alles vergeefse moeite; zijn antwoorden waren altijd helder en duidelijk, zodat zij dit wel moesten opgeven. En zij be­dachten nieuwe plagerijen en gaven hem spotnamen, om te proberen hem uit zijn humeur te brengen, zodat hij gestraft zou worden. Maar hij was te goedhartig om boos op hen te worden en zo moesten zij ook hiermee ophouden. Toen probeerden zij hem door vleierijen op een dwaalspoor te brengen en hem iets te laten doen, waarmee hij de toorn van Sint-Servatius zou opwekken. Maar Kentigernus had zijn meester te lief dan dat hij ooit iets doen zou om hem te mishagen. En zo moesten ten laatste de  jongens ook hiervan afzien. Maar er moest toch een middel gevonden worden om Kentigernus in ongenade te doen vallen, er moest toch een valstrik wezen om hem te vangen. En weken lang putten zij hun brein uit om iets te bedenken, totdat zij ten laatste meenden wat goeds gevonden te hebben.
Het aanhouden van het vuur bood daarvoor een geschikte gelegenheid. In die dagen bestonden er nog geen lucifers, waarmee men dadelijk licht kon maken, want het was in het jaar 600. De enige manier om vuur te krijgen bestond toen in het zolang tegen elkaar wrijven van twee droge stukken hout, tot deze warm werden en er vonken uit het hout sprongen, waardoor het in brand raakte. Dit was een zeer lastig en vermoeiend werk, vooral in de winter, wanneer er maar zeer weinig droge houtjes te vinden waren. Vandaar, dat het vuur in de grote haard van de Sint-Servatiusschool dag en nacht met de grootste zorg werd aangehouden en het een werkelijk ernstig geval was, wanneer men het liet uitgaan. Want hoe zou­den het ontbijt moeten klaar gemaakt, de kamers verwarmd en de was­kaarsen ontstoken moeten worden voor de ochtenddienst in de kapel, wanneer er geen vuur was in de grote haard?

En zo had iedere  jongen op zijn beurt de week van het aanhouden van het vuur en hij, wiens beurt het was, moest te middernacht op­staan en zoveel hout op de haard leggen als nodig was om het vuur tot de morgen aan te kunnen houden. En Sint-Servatius zou heel boos geweest zijn op de jongen, die de haard gedurende de nacht zou hebben laten uitgaan.

Zo had dan Kentigernus de week om het vuur aan te houden, en hij deed dit reeds verscheidene dagen met de uiterste zorg. Maar de jon­gens wachtten op een gelegenheid om hem hun poets te bakken. De vierde nacht stond Kentigernus weer op, juist toen de klok van de kapel “twaalf” sloeg en ging naar beneden om het nodige hout op de haard te leggen. Maar nauwelijks kwam hij in de grote voorhal of hij merkte, dat er iets niet in orde was. Brr! – het was er kil en koud en hij zag geen enkel gloeiend vonkje in de haard. Huive­rend liep Kentigernus naar de haard, en pookte uit alle macht de zwarte, verkoolde houtblokken op. Maar er lag niets dan een hoopje witte as en half uitgebrand hout!

Toen voelde Kentigernus zich de moed ontzinken, want hij wist dat hij voor zijn nalatigheid berispt zou worden, al vermoedde hij wel, dat iemand water op het vuur moest hebben gegooid om het zodoende uit te doven. Hij begreep zeer goed, dat de andere  jongens dit ge­daan hadden om hem in ongelegenheid te brengen.
Het eerste ogenblik wist hij niet, wat hij doen zou, tot hij opeens moed vatte, een blok hout uit de hoek haalde en dit op de ashoop legde. En neer­hurkend blies hij het zacht aan. En o, wonder! nauwelijks had hij met zijn adem de as doen opstuiven en het mos, waarmee het grote houtblok begroeid was, doen trillen, of de hele haard was vol dansende vlammen, het hout begon te knetteren en het vuur laaide hoog op. Met een glimlach van geluk op het gelaat kroop Kentigernus weer in bed, zonder een van de slapende jongens, die getracht hadden hem zo’n part te spelen, wakker te maken.
Toen nu de jongens ’s morgens wakker werden, gaven zij elkaar
veelbetekenend knipoogjes en stootten elkaar geheimzinnig aan, elk ogenblik verwachtend Sint-Servatius te zien binnenkomen, met gefronste wenkbrauwen, om de nalatige Kentigernus een berisping toe te dienen. En iedere jongen nam zich reeds in stilte voor, plechtig te verklaren, dat het vuur vrolijk brandde, toen hij naar bed gin, en dat dus Kentigernus vergeten moest hebben in de nacht naar bene­den te gaan, om er nieuw hout op te doen. Doch zij waren niet in de gelegenheid deze leugens aan de man te brengen..Want op de gewo­ne tijd werd de bel voor het ontbijt geluid en toen zij beneden kwamen, vonden zij een goed onderhouden vuur in de haard en Kentigernus bezig met de waskaarsen in de kapel te ontsteken. En zij hebben niet geweten, hoe dit alles zo heeft kunnen gebeuren tot lang, zeer lang daarna, toen Kentigernus reeds vele andere wonderen verricht had en hij wijd en zijd bekend was als een Heilige. Maar intussen haatten de  jongens hem meer dan ooit, omdat zij za­gen, dat Sint-Servatius hem steeds meer liefkreeg.
En opnieuw tracht­ten zij een plan te beramen om hem in ongenade te doen vallen. Ditmaal echter verzonnen zij iets, dat nog veel wreder was. Want als dit plan lukte, zou dit niet alleen Kentigernus een bestraffing bezorgd en Sint-Servatius ongelukkig gemaakt hebben, maar zou het ’t leven gekost hebben aan een onschuldig wezentje, dat nooit iemand kwaad gedaan had.

Sint-Servatius was een goedhartige, vriendelijke oude man en hij bezat een roodborstje, waarvan hij bijzonder veel hield, – een klein beestje, met ronde, zwarte oogjes, dat zijn ontbijt uit de hand van Sint-Servatius at. En wanneer zijn meester zijn psalmen zong, ging de kleine koorzanger op de schouder van Servatius zitten en sloeg met de vleugeltjes en tjilpte alsof hij wilde trachten de lofliederen mee te zingen

Op zekere morgen nu doodden de jongens het roodborstje en sneden het het kopje af. En de grootste van de jongens nam het dode vogeltje in de hand en gevolgd door de anderen, liep hij huilend naar Sint- Servatius, alsof hij een groot verdriet had. “O Vader,” riep de jongen, “kijk eens wat die boze Kentigernus ge­daan heeft! Kijk eens naar uw roodborstje, dat Kentigernus gedood heeft!”

Toen begonnen zij allen als uit één mond op Kentigernus te schelden, terwijl enkelen van hen beweerden, hem zijn boze daad te hebben zien verrichten.

Natuurlijk was Sint-Servatius zeer bedroefd en boos. Zacht en teer nam hij het levenloze lichaampje in de hand en ging Kentigernus zoeken, terwijl de jongens hem op de tenen naslopen om te zien hoe deze ontmoeting wel zou aflopen. En achtereenvolgens kwamen zij aan het venster, waarin Kentigernus op de vensterbank zat. En Sint-Servatius, naar hem toegaande, legde zwaar de hand op zijn schouder. “Zie eens hier, knaap,” riep hij met droeve stem, “aanschouw deze wrede daad en zeg zelf, op welke manier de moordenaar gestraft moet worden. Had ik het roodborstje niet even lief als ik u liefheb, on­dankbare jongen?”
Kentigernus werd bleek van schrik en verdriet en grote tranen kwamen hem in de ogen. “Och, dat arme vogeltje,” zei hij. “Hield ook ik niet even goed van hem? Wie heeft het gedood, Vader?”
“Jij, jij hebt het gedaan, we hebben het zelf gezien!” riepen de jongens allen in koor uit.
Kentigernus, zich omkerend, zag hen met de grootste verwondering aan. Hij zei geen enkel woord terug, maar zijn wangen werden vuur­rood en zijn ogen flikkerden. Dit was meer dan zijn geduld verdra­gen kon.
“Wat heb je hier tegenin te brengen?” vroeg Sint-Servatius streng. Toen, vol droefheid zich tot hem kerend, sprak Kentigernus: “O,Vader, hoe kunt u geloven, dat ik tot zo iets wreeds in staat zou zijn, dat ik het vogeltje zou kunnen doden en u ver­driet aandoen? Ik heb het niet gedaan.” “Kun je dat bewijzen?” vroeg Sint-Servatius op steeds strenge toon, want hij meende, dat de jongen een leugen had bedacht om zijn schuld te verbergen.
“Geef mij het roodborstje, Vader”, zei Kentigernus, de hand uitstrekkend. “Ik zal het bewijzen, dat het niet deze hand was, die zich lafhartig vergreep aan zo’n teer wezen als dit kleine vogeltje.” En het dode, slappe lijfje in de ene hand en het kopje in de an­dere hand nemend, stond hij daar vóór hen allen, opziend naar de hemel, terwijl hij een kort gebed sprak.
“O Vader in de hemel,” bad hij, “geef mijn beminde vader op de aarde het bewijs, dat ik deze wrede daad niet beging. Wanneer ik onschuldig ben, geef mij dan de macht het kwaad ongedaan te maken en het leven weer te geven aan de kleine zanger, die met zijn liefelijk lied zo graag uw lof verkondigde.
Toen zette hij zacht het kopje op de plaats waar het behoorde en terwijl zijn tranen vielen op de hals van het roodborstje, scheen het alsof het weer aan zijn lichaampje vastgroeide. De veertjes be­wogen zich en de zwakke vleugeltjes trilden zwak. De zwarte oogjes openden zich en uit het keeltje kwam een zacht getjilp. Toen wip­te het roodborstje uit Kentigernus’ hand, huppelde over de grond tot voor de voeten van Sint-Servatius en vloog op zijn meesters schouder. En daar zittend zong het een jubellied, dat klonk door de gehele voorhal. Maar de schuldige, boze jongens staken allen hun vingers in de oren en verbleekten, alsof zij verstonden wat hij zei en alsof het hun jaloezie, hun wreedheid en hun valsheid aan het licht bracht.

Zo kwam Sint-Servatius te weten dat Kentigernus onschuldig was en hoe alles zich had toegedragen. En meer dan vroeger was Kentigernus zijn meester dierbaar, die hem op allerlei manieren hielp een grote, goede Heilige te worden. Ook het roodborstje werd zijn trouwe, liefhebbende vriend, want nooit scheen het vogeltje te vergeten, dat Kentigernus het door zijn gebed het leven weergegeven had. Daarom zong het zijn mooiste lied voor de knaap. Zijn schoolmakkers hadden van die tijd af de grootste eerbied voor Kentigernus, die onder bijzondere hoede van God scheen te staan.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

 

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstofalle artikelen

2e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

778-713

VRIJESCHOOL – Rekenen (7-1)

.

(E.A. Karl Stockmeyer, Mitteilungen 6 1924)
.

IETS OVER GETALLEN EN GROOTTE

(Ge)tal komt van tellen en betekent het resultaat van het tellen. Deze zin verklaart eigenlijk veel over rekenvraagstukken.

Tellen is het bezig zijn met dingen, waarbij je je niet bezighoudt met de aard van die dingen. Wat ik tel, beschouw ik als gelijk aan elkaar; en omdat ik dat doe, kan ik tellen. Appels en peren die voor mij liggen, kan ik niet in één getal samennemen, zo lang ik ze als verschillend aanmerk. Wanneer ik daarvan afzie, kan ik ze wel als vruchten tellen. Dan kan ik ook de meest verschillende dingen tellen, omdat ik ze op de een of andere manier rangschik onder een begrip dat boven de afzonderlijke begrippen uitgaat. Wanneer ik niet meer kijk naar de afzonderlijke voorwerpen en gewoon tel wat er ligt, ben ik bezig te abstraheren – ik verlaat het specifieke. Dan kom je tot het aan-tal: het genoemde getal.

Abstraheren gaat bij het tellen nog verder. We kunnen afzien van het laatste restje concreetheid dat wij bij het vaststellen van het aantal binnen een bepaalde groep van dingen nog voor ogen hadden en dat loslaten. Bv. wanneer we de 7 kleuren van de regenboog tellen, maar ook de 7 dagen van de week en dan gewoon tot ‘7’ komen. Het getal is het tweede niveau van abstractie, het aantal het eerste.

De abstractie is dus het reine getal, het middel van ons rekenen en de rekenkunde.

Je kan ook een andere gedachteweg volgen om bij het getal te komen. Deze leidt – wanneer u mij toestaat deze manier van uitdrukken te gebruiken – juist in tegenovergestelde richting tot het gelijke doel, maar laat daarom ook een andere kant van het doel – het getal – zien.

Je kunt ook zo redeneren: tellen kun je alleen wanneer en omdat je al een begrip van het getal hebt. Wanneer ik van een groep mensen zeg : ‘Dat zijn er drie’, dan beschik ik over het begrip  ‘drie’ en voeg dit vanuit mijn denken vrij bij mijn beleving  ‘een groepje mensen’.

Ik zou met de woorden ‘drie mensen’ nooit enige zin kunnen verbinden, wanneer ik niet in mijn denkvermogen het begrip ‘drie’ zou hebben.

Dr.Rudolf Steiner heeft in de voordrachten die hij afgelopen zomer [1] in Engeland heeft gehouden bij het oprichten van een vrijeschool, op voorbeeldige manier laten zien, hoe je aan kinderen die je als leerkracht het rekenen bij wil brengen, een elementair begrijpen van het wezen van de eerste getallen kan overbrengen.

Bij kinderen kun je nog niet appelleren aan een ontwikkeld begripsvermogen, maar je kunt wel zeggen: ‘Kijk eens naar dit stuk hout, dat kun je doorzagen, dan heb je twee kleinere stukken hout, maar wanneer je naar de mens kijkt, dan kun je die niet doorzagen, want anders was het geen mens meer. Kijk, dat is een eenheid (ein Eins). Jij bent ook een mens, jij bent een eenheid. Wanneer je nu in de kamer binnengaat aan de ene kant en van de andere kant komt vader binnen en jullie komen elkaar midden in de kamer tegen, dan ben je met z’n tweeën – dat zijn er 2. Voor een ontmoeting zijn er altijd twee nodig. En wanneer nu juist op dat ogenblik waar jij van de ene kant in de kamer komt en van de andere kant vader, ook moeder erbij komt, dan is dat wel een bijzondere ontmoeting, want dan ben je met zijn drieën.’

Dit werd mij mondeling meegedeeld uit de genoemde voordracht van Steiner en ik weet niet wat daar letterlijk is gezegd. (Dat weten dus nu wel).
Het is wel een manier om kinderen de eerste drie getallen te laten ervaren, zodat het daarbij iets beleeft wat hem dan later wanneer het verstand ontwaakt en de vorming van begrippen begint, de mogelijkheid geeft de getallen als oorspronkelijk, als niet uit andere begrippen af te leiden, op te vatten.

Twee wegen dus die bewandeld kunnen worden, ze leiden beide tot het getal; de weg van de abstractie die in zekere zin van het levendige beleven van concrete dingen door verdergaande abstractie tot het telresultaat leidt en de andere weg die van een levendig beleven van concrete dingen als het ware teruggaat naar het intuïtieve begrip van het oorspronkelijke getal. De wegen zijn verschillend, lopen in zekere zin in tegengestelde richting, de ene door abstractie voorwaarts, de andere door een terugblik op het denkproces, maar ze leiden hier tot hetzelfde doel, het begrip van het getal, waarvan ze echter twee verschillende kanten tonen.

Door deze beschouwing kun je begrip krijgen voor wat een getal is. Allereerst kun je zien dat het geen zin heeft om iets anders dan de ‘hele, positieve getallen’ als getal op te vatten.

Het inzicht van dit feit leidt tot de meest belangrijke conclusies voor het rekenen met getallen en het rekenen met letters, zelfs voor een onweerlegbaar bewijs van de rekenkunde.
Dat zou ik aan de hand van een paar voorbeelden  willen laten zien. Daarbij zie ik af van allerlei verwijzingen van het onderwerp in de vakliteratuur.

Ik begin met de vermenigvuldiging. De vermenigvuldiger is altijd een rein getal. Je hebt steeds het ‘hoeveel keer’. Het vermenigvuldigtal is daarentegen heel willekeurig. Dit kan van alles zijn wat meerdere keren gedacht kan worden. Je vindt hier weer terug wat over het tellen van dingen is gezegd: de enige beperking waaraan het vermenigvuldigtal onderworpen is, is dat dit niet slechts als 1 x voorkomend of maar 1 x te denken is. Deze beperking geldt natuurlijk eveneens voor de voorwerpen die geteld worden.

Daarom onderscheidt het vermenigvuldigen zich pas van het gewone tellen wanneer je geen concrete dingen, maar resultaten van het tellen, aantallen en reine getallen ‘telt’. Juist daarbij ontstaat het product. Het product is dus een veelvoud van een gelijk aantal of een gelijk getal. En dat betekent dat in elk product een rein getal als vermenigvuldiger en een aantal (benoemd getal) of rein getal als vermenigvuldigtal voorkomt.

Dit moet je vasthouden wanneer je je in de rekenkunde buiten dit oorspronkelijk werkgebied begeeft. De ‘negatieve getallen’ of ‘negatieve grootten’ beter gezegd, kun je zo lang volgens bovengenoemd principe vermenigvuldigen als je dat doet met een positieve vermenigvuldiger.

Getal zoals hierboven gedefinieerd is slechts het ‘positieve’ en ‘hele’ getal. Het ‘negatieve’ getal of het ‘gebroken’ getal kunnen nooit het resultaat van het tellen zijn, ze zijn door het abstraherende denken niet te vinden waar je de reine getallen in de hier bedoelde zin vindt.

Maar je kunt ze ook niet vinden door het intuïtieve denken, als een soort basis van een gelijksoortige activiteit als de activiteit van het tellen. Je kunt ze alleen vinden met behulp van de unieke, de hele en positieve als tweede component. Dat wordt hieronder getoond.

Zolang je met een positieve vermenigvuldiger rekent, hoef je je om de andere factor helemaal niet druk meer te maken; hij wordt geteld en blijft daarbij gewoon wat hij is. Het product is steeds van gelijke kwaliteit als het vermenigvuldigtal. Wanneer dit een ‘negatief’ getal is, dan zal ook het product ‘negatief’ zijn.

Zo ontstaat concreet de formule:

. (-b) = – ab

Voordat het wezen van het negatieve niet verklaard is, kun je van hieruit niet verder komen.

Het negatieve wordt alleen dan goed begrepen, wanneer je dit in zijn oorspronkelijke optreden in het rekenende bewustzijn bekijkt. Het doet zich voor bij aftrekken, wanneer het niet mogelijk is om de gevraagde aftrekking uit te voeren, wanneer je dus 5 moet aftrekken, terwijl je maar 3 hebt. Hier voegt zich iets in het rekenen wat je bij tellen en vermenigvuldigen niet hebt: de eis iets af te trekken van iets, maar er meer vanaf te trekken dan er is; dan kan alleen waar mensen met elkaar in contact komen, waarbij er sprake is van ‘geven en nemen’.  Tellen en vermenigvuldigen kan iemand op zich alleen, maar aftrekken en dan juist ‘niet kunnen aftrekken wat je eigenlijk zou moeten’, daartoe moet er een ander aanwezig zijn.

Het negatieve dat tenslotte niet afgetrokken kan worden, wat dus zo bekeken niet reëel is, moet eerst gemaakt worden; het kan natuurlijk ook met getallen uitgedrukt worden, geteld worden. Je ziet echter dat het min-teken eigenlijk niet bij het getal – 3 hoort, maar de plaats inneemt van ‘wat benoemd wordt’. Het negatieve getal is eigenlijk een benoemd getal.

Min 3 betekent eigenlijk: er ontbreken drie dingen van wat dan ook. Ik heb er alleen vanaf afgezien wat dat voor dingen zijn en bekijk alleen maar dat drievoudige ontbreken.

Zolang je aan het oorspronkelijke getal vasthoudt, kan het minteken, wanneer het geen bewerkingsteken is, dus slechts de opdracht tot aftrekken geeft, niets anders zijn dan een bijzondere vorm van benoemen: ‘ -3  ‘  betekent ‘er ontbreken er 3’.

Op grond van deze conclusie kun je wat hier boven beschreven is, ook zo schrijven:

Wanneer  b   a-keer ontbreekt, dan ontbreekt a .  b.

Dat is de echte zin van de formule: a . (-b) = – ab.

Echter, ook nu vind je geen gangbare weg om twee ‘negatieve getallen’ met elkaar te vermenigvuldigen. Die vind je pas, wanneer je van het getal naar de ‘grootte’ overstapt en een ‘grootte’ is heel wat anders.

De grootte is ook een abstractie en je vindt deze wanneer je van dingen die je als gelijkwaardige opvat, een maat wil hebben. Dus eerst heb je een ding dat ik als een hoeveelheid van een homogene stof beschouw. Daar zit al een abstractie in. Maar ik zie af van wat er aan zo’n ding nog allemaal voor interessants is op te merken en beschouw het als volkomen hetzelfde en vraag naar ‘de hoeveelheid’ (die Menge). Bij tellen bekijk je iets ‘dis-continuerends’, bij meten om iets ‘continuerends’: de grootte.

Om een hoeveelheid te meten heb je een willekeurige meeteenheid nodig en kom je tot een ‘meetgetal’, wanneer je tellend bepaalt hoeveel keer die willekeurige meeteenheid die steeds van dezelfde aard moet zijn als wat je wilt meten, daar in zit.

Op eenzelfde hoeveelheid kun je op verschillende manieren het (af)tellen toepassen. Een pak meel kan opgevat worden als 1 (kilo) of als 10 (ons).

Hier kun je wel tegenwerpen dat er toch dingen zijn die je kan opvatten als de door mij bedoelde substantie, maar die in een heel bepaalde relatie staan tot hun meeteenheden, namelijk bij hoeken. Hun grootte wordt bepaald door de verhouding van hun boog tot de straal van die boog. Dat is juist, maar bij een hoek is het begrip hoeveelheid niet echt op zijn plaats.

Iedere hoeveelheid kan ik willekeurig in verschillende grootten denken; een hoek alleen tot hij de hele cirkel omvat; dan kom ik tot de natuurlijke eenheid van een cirkel en die kan niet vérder gedacht worden. Dat is de reden dat je de hoek niet zo kan behandelen als een echte hoeveelheid.

Getal en hoeveelheid staan aanvankelijk vreemd tegenover elkaar en vinden elkaar pas in de maat die ons de grootte van de hoeveelheid aangeeft: bv. 7 ons.

Maar dan kan ook de breuk gevormd worden, bv. ½ meter. Die ontstaat simpelweg door de deling van een als eenheid genomen hoeveelheid. Je hebt dus als basis een willekeurig genomen hoeveelheid en die noem je 1. Dat is de eenheid, als onderscheid tot het getal 1.

De eenheid kun je meerdere keren hebben, maar kan ook onderverdeeld worden en iedere breuk moet als een deel van die eenheid, niet als deel van 1 opgevat worden.

En de veelvouden van de eenheid en de delen zijn ook grootten, geen getallen.

De grootte ontstaat dus als een resultaat van het meten en wordt ook zo benoemd. Abstraheer je van die benoeming, dan krijg je de grootte zondermeer, de reine grootte en deze kan heel of gebroken zijn.

Hier moet je de oorsprong van de breuk zoeken. En daaruit valt te concluderen dat breuken nooit als getallen zoals bovenbedoeld opgevat kunnen worden, maar altijd als grootten beschouwd moeten worden. Eén als getal, dat betekent als resultaat van het tellen, is niet deelbaar, wel echter is de eenheid als grootte deelbaar en ½ betekent simpelweg de helft van de als maat toegepaste hoeveelheid, wanneer je afgezien hebt van hoe groot en waarvan de eenheidsmaat is, 2/3 betekent 2 hoeveelheden waarvan er 1 uit de eenheidshoeveelheid door driedeling ontstaat, enz.

Bij het rekenen met grootten komt er natuurlijk veel aan op welke grootte je gebruikt. Want de rekenwetten zijn anders al naar gelang de aard van de grootte waarmee je rekent: onze rekenkunde heeft haar karakter gekregen door het kiezen van een typische grootte: de lengte en wel de naar de ene kant gaande en dienovereenkomstig naar de tegenovergestelde kant. Dat zou weleens in de menselijke natuur kunnen liggen;  de rekenkunde zou er beslist anders uitzien als niet stilzwijgend deze vergelijking werd aangenomen:

Rekenkundige grootte = geometrische lengte.

Met deze vaststelling krijg je de mogelijkheid voor het ‘negatieve getal’ een symbool te vinden zo dat het zeer abstracte  ‘ontbreken van wat je af moet trekken’ wordt vervangen door iets concreets. Het ‘negatieve’ getal is nu eenvoudigweg de lijn in de negatieve richting. Je vormt een ‘getallenlijn’ en je zet vanaf een ‘nulpunt’ uit naar beide kanten een lijn waarvan de eindpunten de positieve de negatieve getallen vormen.

getallen en grootte 1

Deze manier van verbeelden van het getal op een rechte lijn werkt ongelooflijk overtuigend en vormt nu het uitgangspunt voor een grootse ontwikkeling, want het is nu nog maar een kleine stap van de ‘getallenlijn naar de theorie van Gaus.

Maar je moet wel goed weten dat je bij dit alles niet meer met getallen, maar met grootten en juist grootten van een speciale soort te maken hebt.

Getallen zijn van elkaar losstaande dingen die niet doorlopend in elkaar overgebrachrt kunnen worden; op de getallenlijn worden dingen neergezet die weliswaar door getallen gesymboliseerd worden maar die zich wel van getallen onderscheiden doordat zij wel voortdurend in elkaar overgaan: het zijn grootten.

Op deze grootten van de getallenlijn kun je de regels van het vermenigvuldigen goed toepassen, wanneer je aan de regel ten grondslag legt:

Het product ontstaat uit de ene factor, zoals de andere uit de eenheid. Daarbij treedt het onderscheid van de beide factoren in de vermenigvuldiger en het vermenigvuldigtal helemaal niet meer op,  je kunt ze verwisselen.

Hoe deze regel bedoeld wordt, zal met een paar voorbeelden verklaard worden: 2 . 3 = 6

Hier ontstaat 6 uit 3 net zoals 2 uit de eenheid. 2 ontstaat namelijk uit de eenheid door verdubbeling in dezelfde richting. Net zo moet je nu de 3 in dezelfde richting die de 3 al heeft, verdubbelen en dan komt 6.

zoals 2 uit 1

getallen en grootte 2

zo 6 uit 3

Een 2e voorbeeld laat het vermenigvuldigen van negatieve grootten zien.     2 . (-3) = – 6

zoals 2 uit 1

getallen en grootte 3

zo – 6 uit – 2

Ook hier ontstaat – 6  uit – 3 door verdubbeling in dezelfde richting, net zoals 2 uit 1 door verdubbeling in dezelfde richting.

Het volgende voorbeeld laat zien dat deze regel ook geschikt is om het vermenigvuldigen van 2 negatieve factoren te laten zien.

(-2) . (-3) = + 6

zoals – 2 uit 1

getallen en grootte 4

 

zo + 6 uit – 3

Hier ontstaat -2 uit + 1 door verdubbeling in de omgekeerde richting en net zo ontstaat + 6 uit – 3 door verdubbeling in de omgekeerde richting.

Hier werden slechts een paar voorbeelden gegeven van een werkelijkheidsgetrouwe en begripsmatig streng omschreven behandeling van rekenen.
Het kan hier niet uitgewerkt worden tot een rekenleer. Het allerbelangrijkste bij het opnieuw formuleren van mathematische wetenschap hebben wij te danken aan Herman von Baravalles boek: ‘Zur Pädagogik der Physik und Mathematik, dat niet genoeg aanbevolen kan worden. Door levendige begripsvorming in de wiskundige wetenschappen zou het niet vermoede kwaliteiten kunnen hebben om een werkelijke, d.w.z. vanuit de geest geformuleerde wereldbeschouwing te ontwikkelen.

*de zomer van 1924. Steiner was toen in Engeland, in Torquay.
GA 311/78
Op deze blog vertaald

Rekenen met negatieve getallen

Rekenen: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

 

777-712

 

 

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-3)

.

Verteltijd ca. 25 min

DE KOE VAN DE HEILIGE LAUNOMARUS

Sint-Launomarus was eenmaal herdersjongen geweest in de weiden van het zonnige Frankrijk en had meegeleefd met de vriendelijke bewoners van de schaapskooien en stallen. Daarom kende hij hen zelf en hun doen en laten zo goed en voelden zij op hun beurt een vriend in hem. Alleen door met hen mee te voelen, kom je achter het geheim van hun wezen, omdat de dieren zelf niet kunnen spreken.

Sint-Launomarus nu had een koe, die hij zeer bijzonder liefhad, een mooie, glanzend zwart-en-witte koe, die graasde in de groene weiden van Chartres in de nabijheid van het klooster en die ieder­e avond thuis kwam om gemolken te worden en met haar zachte neus streek ze dan langs de hand van haar meester om hem te vertellen hoeveel ze toch van hem hield.
Mignon was een zeer wijze koe, men kon dat af­meten naar de krommingen aan haar horens en naar de rimpels in haar voorhoofd tussen de ogen; en ook nog en wel voornamelijk, naar de wijze waarop zij met haar staart sloeg. En bovendien, een koe opgevoed door een heel klooster met geleerde mannen en die Launo­marus, de wijste man uit het gehele land, tot meester en vriend had, moest wel wijs wezen.

Het was een donkere nacht na melktijd. Launomarus had Mignon naar haar stal gebracht met haar avondeten, uit hooi bestaande en had haar goedenacht gewenst en aangenaam herkauwen. Hierna had hij de zware schuurdeur gesloten en was naar zijn cel gegaan om te sla­pen, tot de morgen opnieuw zou aanbreken.

Maar nauwelijks was hij met zijn lantaarn door de poort van het klooster verdwenen of er kwamen uit het bos vijf zwarte figuren te voorschijn, kruipend en sluipend langs de wal en over de bin­nenhof naar de zware eiken poortdeur. Zij waren allen gehuld in lange, zwarte kapmantels, waarvan zij de kappen dicht over hun gelaat getrokken hadden, alsof zij bang waren herkend te zullen worden. Zij zagen er boos uit die mannen en zij hadden grote messen zodanig tussen hun gordels gestoken, dat zij die er gemakkelijk uit konden trekken. Het was een bende rovers, naar de stal geko­men om de koe van Launomarus te stelen, die bekend stond als de mooi­ste uit de hele streek.
Zeer behoedzaam openden zij de grote deur en zeer behoedzaam kro­pen zij over de grond naar Mignons stal en bonden een stevig touw om haar nek om haar weg te voeren. Maar vooraf waren zij zo
voor­zichtig een prop in Mignons bek te stoppen waardoor zij niet loei­en kon om het gehele klooster zodoende te waarschuwen, in wat voor ge­vaar zij verkeerde. Mignon was daar zeer boos over, want juist had zij dit willen doen, toen zij merkte, dat de mannen geen vrienden, maar boze mensen waren, die met niet veel goeds in hun zin bij haar of in het klooster gekomen waren.

Maar nu bleef haar niets anders over dan stom en zwijgend met hen mee te gaan, hoewel zij voortdurend schopte en trachtte zich te ver­zetten en zoveel leven probeerde te maken als zij maar kon. De monniken wa­ren evenwel vast in slaap en lagen ronkend op hun harde britsen zonder maar enigszins te vermoeden wat er zo dicht bij hen ge­beurde. Alleen Launomarus draaide zich in zijn slaap om en prevel­de: “Ho, Mignon, sta stil!”, toen hij het doffe geluid van schoppen hoorde. Maar toch werd zelfs Launomarus niet wakker, om zijn dier­bare Mignon te redden uit de handen van de boosdoeners die haar gestolen hadden.

De rovers gingen haastig met haar door de laan, over de welbekende weide naar het dichte, donkere bos, waar zij haar gemakkelijk kon­den verbergen voor de ogen van een ieder, die voorbij mocht komen.
Nu was het die nacht wel bijzonder donker, zodat zij slechts zeer flauw konden zien, waar zij zich bevonden en de paden kruisten en overkruisten elkaar in zoveel richtingen, dat de rovers weldra met elkaar begonnen te twisten over het pad dat zij eigenlijk ne­men moesten. En zij kenden dit gedeelte van de streek niet zo heel goed, want zij waren afkomstig uit een andere provincie, alleen naar het land van Launomarus gekomen, omdat zij gehoord hadden van zijn be­roemde koe en omdat zij begerig waren die te bezitten.
Het duurde niet lang of de rovers waren verdwaald tussen het gewirwar van doornen en struiken en wisten helemaal niet mee, waar zij waren of in welke richting zij verder moesten gaan. De een zei: “Laten wij deze weg nemen,” wijzend naar het noorden en de ander zei: ” Neen, neen! wij moeten deze weg uit,”  en hij wees recht naar het zuiden heen. En de derde pruttelde tegen en zei: “Ho, jongens! niet daarheen, maar deze kant,” en hij wees naar het oosten, terwijl de vierde Mignon naar het westen toe keerde en uitriep: “Jullie hebben het allemaal mis, kameraden. Daar moeten we heen.” De vijfde rover evenwel bekende, dat hij het werkelijk niet wist. “Laten wij de koe volgen,” riep hij, “zij is de enige die in het donker zien kan. Ik heb altijd gehoord, dat de dieren ons goed lei­den, wanneer wij de zaak geheel aan hen overlaten.”
Daar nu de andere rovers niet het minste begrip hadden, welke richting zij moesten volgen, leek hun dit plan even goed aannemelijk als de andere plannen.

En zij stroopten het touw over Migons kop en zeiden: “Ziezo! vooruit koe, wijs jij ons den weg!”

Mignon zag hen door de duisternis heen met haar grote bruine ogen aan, in zichzelf lachend. Het scheen te mooi te wezen om waar te zijn! De rovers hadden haar dus vrij gelaten en vroegen haar, hun de weg uit het bos te wij­zen, terug naar hun eigen streek. Mignon lachte nog eens een keer in zichzelf, maar nu zo hard, dat de rovers dachten, dat zij stikte en namen de prop uit haar mond. Dit was juist, wat zij wilde, want zij verlangde om weer te gaan herkauwen. En zij schudde de kop en zei vriendelijk: “Boe!” alsof zij zeggen wilde: “Kom maar mee, lieve mensen, ik zal je de weg wel wijzen.”
Maar in werkelijkheid dacht ze zij zichzelf: “Aha! mijn brave jongens, nu zal ik je eens een aardig tochtje la­ten maken.”
Mignon was een zeer wijze koe; zij had niet met gesloten ogen ge­graasd in de weiden buiten Chartres, maar had ze integendeel wijd open gehouden, zodat zij alle paden door het bos en de venen kende, van het noorden naar het zuiden, zowel als van het oosten naar het westen. Zelfs in donker wist zij de weg  door het dichtste kreupelbos goed te vinden. Maar zij dacht: “Ik moet de weg niet te gemakkelijk maken voor die boze mannen.” En zij voerde hen in een kring rond, dwars door de modder en de braamstruiken en door moerassen heen, over beekjes en door grote modderige vijvers, al maar in een kring rond, de hele nacht door. En zij hadden graag eens willen rusten, maar ze liep zo hard door, dat zij haar niet konden inhalen, om haar eens even te doen stilstaan. En zo moesten zij ook wel doorlopen, want in de duisternis wilden zij haar witte gedaante niet gaarne uit het oog verliezen. Gebeurde dat, dan zou­den zij reddeloos verloren zijn, daar zij nooit uit deze wildernis zouden weten te komen.
En zo liet Mignon hen de hele nacht hij­gend en blazend, door het nat wadend achter zich aanlopen, zodat zij op het laatst helemaal uitgeput waren; koud en huiverig van het nat, met schrammen bedekt van de doornen en stijf als tien bonenstaken. En toen Mignon hen ten laatste, ongeveer een uur na zonsopgang op een open plek bracht, straalde hun gelaat van blijdschap.
“Ik geloof, dat ik mij deze plek herinner”, zei de eerste rover. ”Ja, het ziet er hier zo bekend uit. We moeten zeker dicht bij huis wezen,” zei de tweede. ”We moeten zo ongeveer vijfentwintig mijlen af zijn van de monniken van Chartres”, zei de derde, “en ik wilde, dat we wat te eten hadden.” “Over een uur zullen wij de koe veilig in ons eigen hol hebben”, zei de vierde, “en dan zullen we wat brood en melk krijgen.” Maar de vijfde viel hem in de rede en zei: “Kijk eens! Wie is die man daar in het grijs?”
En terwijl ze in de aangewezen richting keken, begonnen de rovers op­eens hevig te beven. Maar Mignon riep met luide stem, blij ver­rast: “Boe!” en rende naar de man toe, die achter het kreupelhout te voorschijn was gekomen. Het was Sint-Launomarus in eigen persoon. Overal had hij gezocht naar zijn kostbare koe, want toen hij naar de schuur gegaan was om Mignon te melken, had hij deze leeg gevon­den en haar sporen met die van de vijf rovers in de vochtige aarde hadden hem de gehele geschiedenis verteld en hem tevens gewezen, welke weg het gezelschap genomen had. Maar het was niet het plan van de heilige Launomarus om de rovers te bestraffen of angst aan te jagen. En hij ging naar hen toe, want zij waren zo geschrokken toen zij hem zagen, dat zij nog altijd bevend aan dezelfde plek vastgenageld stonden en helemaal vergeten hard weg te lopen. “Goedemorgen, vrienden,”  zei Launomarus vriendelijk. “Ik zie, dat jullie mijn koe teruggebracht hebben die vannacht voor het eerst in haar leven haar stal verlaten heeft en ver weg is gelopen. Ik dank u, goede vrienden, dat jullie mijn Mignon teruggebracht hebben, want niet alleen is zij een schat op zichzelf, maar zij is mijn beste vriendin en ik zou heel ongelukkig geweest zijn, wanneer ik haar kwijt geraakt was.”

De rovers staarden Launomarus sprakeloos van verbazing  aan en kon­den hun oren en ogen nauwelijks geloven. Waar kwam die man van­daan? Wat bedoelde hij eigenlijk? Maar toen zij tot het besef
kwa­men, hoe vriendelijk zijn stem was en merkten, dat hij hen niet beschuldigde, noch hen wilde straffen, waren zij zéér beschaamd. Vol schuldgevoel bogen zij het hoofd, en als door een en hetzelfde gevoel gedreven, vielen zij tegelijk neer aan zijn voeten, terwijl een van hen bekende, hoe alles zich had toegedragen en hem vergif­fenis vroeg.
“Wij hebben de koe gestolen, Meester,” zei de eerste. “En haar zoveel mijlen ver weggebracht,” zei de tweede. “Wij zijn boze rovers en verdienen gestraft te worden,” zei de derde. “Maar wij smeken U ons te vergeven,” riep de vierde uit. “Laat ons heen mogen gaan, goede Vader, smeken wij U,” verzocht de vijfde. “En wees zo goed ons op de rechte levensweg terug te brengen, want wij zijn daar helemaal van afgedwaald”.

“Neen, neen,” antwoordde Sint-Launomarus vriendelijk, “de koe heeft u een lange weg laten maken, is het niet zo? en jullie zullen zeker wel erg moe en hongerig zijn. Jullie kunnen nu niet verder reizen.”
En inderdaad waren zij te deerniswaardig om aan te zien, zodat het hart van de Heilige met medelijden vervuld was. “Volgt mij,” zei hij. En zij waren te zwak en te vermoeid, om ook maar aan
on­gehoorzaamheid te denken.
En zo vormden zij in alle ootmoed met hun zevenen een processie, Launomarus en de koe vrolijk vooruit lopend. Want deze beiden waren zeer verheugd weer bij elkaar te zijn, en liefdevol had Launomarus onder het gaan zijn arm om Mig­nons glanzende nek geslagen.

Maar hoe groot was de verbazing van de vijf rovers, toen zij na verloop van een paar minuten een hoek omsloegen en opeens het kloos­ter vlak voor zich zagen, met dezelfde schuur, waaruit zij Mignon in de afgelopen nacht gestolen hadden!
Al die tijd dus had de verstandige koe hen in een grote kring rondom haar eigen huis ge­leid. En na al dat waden door de modder en dat kruipen door het struikgewas in donker, waren zij in de morgen nog niet verder ge­komen op hun tocht dan zij in het begin geweest waren. Wat een wijze koe was dat geweest! En wat een heerlijk ontbijt van pap en hooi en zoete koolraap gaf Launomarus haar, omdat zij ‘s nachts zo hard gewerkt had.

De vijf rovers kregen ook een goed ontbijt, maar waarschijnlijk genoten zij er niet zo van als Mignon, want hun geweten was be­zwaard. Daarbij zaten zij aan tafel in het klooster en stonden alle monniken er op een rij zwijgend en met vrome gezichten bij, wat niet geschikt was om hen op hun gemak te stellen.
En toen de rovers hun brij aten, zei Launomarus zacht: “Deze is van Mignons melk gemaakt, vrienden. Het is de beste melk uit geheel Frankrijk, die u heden voor uw ontbijt van harte gegund is, daar wij alle reden hebben om dankbaar te zijn, dat jullie die niet voor altijd buiten ons bereik hebt gebracht. O, mijn vrienden, wij zouden zo’n kostbare koe, zo’n goede vriendin, zulk een trouwe leidsvrouw moeilijk kunnen missen. Ik vertrouw dus, dat jullie haar diensten niet meer nodig zullen hebben. Bij daglicht zullen jullie zeker wel alleen je weg naar huis kunnen vinden, wanneer ik u die wijs. De straatweg is ruim en recht voor eerlijke lieden. Ik raad u, die rechte weg te gaan.”

En toen zij verfrist en uitgerust waren, deed Launomarus hen uit­geleide en wees hun de weg, die zij te gaan hadden zoals hij beloofd had. Hij en Mignon stonden op de top van een kleine heu­vel en keken hen na, of zij wel het goede pad hielden. En toen zij uit het gezicht verdwenen waren, keerden zij zich om en keken el­kaar aan, de wijze Heilige en de wijze koe. En beiden lachten zij in zichzelf.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstofalle artikelen

2e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

.

776-711

VRIJESCHOOL – Vertelstof – de zinrijke vertelling (1)

.

DE  ZINNIGE VERTELLING TUSSEN SPROOKJE EN FABEL

 

Hieronder volgt een gedeeltelijke vertaling en een bewerking van een artikel, verschenen in ‘Erziehungskunst’ [1]

De uitdrukking ‘sinnige Geschichte’ heb ik vertaald met ‘zinrijke vertelling’.

De uitdrukking ‘sinnig’ i.v.m. vertellen, wordt door Steiner gebruikt, bv. in een voordracht [2], waarin hij spreekt over het belang dat kinderen de natuur niet meteen in abstracte natuurwetten moeten leren kennen, maar op ‘liefdevol aanschouwende’ manier.

Zo wordt wel gezegd dat de ‘sinnige Geschichte’ tussen het sprookje en de fabel staat.

Het sprookje gaat het o.a. om grootse mensheidsmotieven: geboorte en dood, geluk en ongeluk; lot en noodlot; wilskracht en zwakte; egoïsme en altruïsme. Over een koning (in ons) of de prins(es) in ons. Wel met beelden van ‘vroeger’, maar toch ook weer tijdloos.

De fabel is wat dat betreft kijken door een vergrootglas, met oogkleppen: naar het alledaagse, het lichamelijk gebondene: begeerte, sluwheid, list, egoïsme, deugden en ondeugden, belichaamd in dát dier met die specifieke eigenschappen. Dat stukje dier zit ook in ons.

Het kind ontwikkelt zich

Het behoeft geen betoog dat het kleine kind een nabootser is. Het wil nadoen wat het buiten zich ziet, beleeft. Het heeft veel fantasie waardoor de wereld voortdurend getransformeerd wordt in zijn eigen wereld: een stuk hout is een hond, of een paard of wat maar past in het spelbeeld. ‘Fantasiewereld en werkelijkheid gaan voortdurend in elkaar over’ (Jakob Streit). Buiten en binnen zijn nog niet gescheiden.

Dat verandert met de tandenwisseling. Van de levenskrachten die vooreerst aan het fysieke lichaam werkten, komt een deel ‘vrij’ en vormt nu mee aan de ziel. Voor nadere uitleg: zie  ‘kind en etherlijf’.

Het 6/7-jarige kind wordt meer een ‘navoeler’ al werkt de nabootsingskracht nog heel lang door (soms langer dan we denken…) De ziel wil beleven en zo ontstaat er een diepe behoefte aan beelden. Ook de fantasiekrachten veranderen en het vermogen om te onthouden neemt toe. Er is sprake van verinnerlijking. De vrijgekomen vormkrachtenzelf scheppend – willen geen abstracte feiten en wetten, maar levensvolle beelden. Het is bekend dat de meeste kinderen dol zijn op verhalen, vooral die het kan meebeleven.
Het kleine kind heeft eigenlijk een grenzeloos vertrouwen in zijn (directe) omgeving. Door het nadoen leert het de meest essentiële menselijke vaardigheden: rechtop lopen, spreken en daarmee het denken. Het is met zijn omgeving existentieel verbonden. Dat verdwijnt niet, maar komt alleen op andere manier tot uitdrukking.
Met de tandenwisseling komt er zo’n verandering, maar ook rond het negende, tiende levensjaar.

Eerst is de wereld net zo als hij zelf is; hij maakt niet veel onderscheid tussen zichzelf en die wereld, knuffel kan ook pijn hebben, zoals hij zelf; de wereld heeft een ziel! Knuffel kan praten en honger hebben, moet ook slapen.

Rond het 9e jaar is dat niet meer zo; de wereld is al weer anders. Het openstaan voor die wereld is er nog steeds, maar niet meer zo vanuit het kind zelf, het wil nu de wereld in zich opnemen, toelaten zoals die wereld is.

En daar vertellen wij dan over: hoe die wereld is. Maar met in het achterhoofd het inzicht dat die wereld nog lang niet in de kale, intellectuele natuurkundige wetten-abstracties verlangd wordt. Nee, de verhalen moeten nog voedsel voor de ziel zijn: er moet iets te beleven zijn; waarmee je sympathie kunt hebben, of wat je juist moet afwijzen; wat lief is en niet; wat mooi is, bewonderenswaardig; wat te denken geeft (bedenkelijk is).

In klas 1 en 2 kan daarom het ‘zinrijke’ verhaal, zo’n zinvolle rol vervullen.

Aanwijzingen voor het vertellen

Steiner zegt:
In de bedoelde verhalen kunnen bv. zon en maan, regen en wind, wolken en bergen enz. nog met elkaar spreken en handelen zoals mensen doen. En wanneer je op deze manier aan de kinderen iets vertelt, zie je dat ze in deze verhaaltrant opgaan.[3]

Wanneer je SteinersHet viooltjebestudeert, zie je dat de kern van het verhaal het gesprek tussen het viooltje en de hond en het viooltje en het lam is. Door het uiterlijke beeld heen, word je iets gewaar van ‘ziel’. Dat beleven de kinderen mee. Ze hebben medelijden met het viooltje, maken zich ook zorgen, worden eveneens getroost en zijn ook blij. Spanning is er tussen het boze en goede antwoord; je merkt die spanning soms aan de ademhaling. Een eind goed, al goed is wel een noodzaak.
De kinderen kunnen deze stemmingen diep in zich opnemen. Vaak heb ik meegemaakt dat, wanneer het verhaal ten einde was en ik zweeg, er nog even een diepe stilte bleef. En vaak, bij veel kinderen, daarna een diepe zucht! (van verlichting?)

Steiner over dit verhaaltje:
‘Als het gaat om er met de kinderen over te spreken, is het niet goed om met hen de conclusie uit het verhaal te trekken: ‘dat men in het leven dikwijls bang is voor iets wat men verkeerd begrijpt of wat verkeerd voorgesteld wordt’.
De beelden moeten hier hun werk doen en pas veel later bestaat de mogelijkheid dat ze veranderd zijn in conclusies.[3]

Het zinrijke verhaal(tje) is toch enigszins een vergelijking voor het menselijk leven in samenhang met iets religieus, iets goddelijks. En waar dit aanwezig is, is ook vaak iets moreels aanwezig.

Steiner heeft voor de bespreking van de fabel aangeraden om vóór de vertelling met de kinderen te spreken.

Hier komt hij er met de kinderen op terug ná het vertellen, maar, om aan te geven dat de kinderen misschien iets willen vragen.

Steiner oppert in die voordracht dat een kind misschien zou kunnen vragen: ‘Waarom heeft die hond dan zo’n lelijk antwoord gegeven?’
Hij geeft de verklaring voor het feit dat de hond vaak een waakhond is, die ‘de mensen schrik moet aanjagen.’ Hieruit kun je concluderen dat Steiner hier het ‘lelijke, kwaadaardige, boze’ een functie geeft. Het wordt dus niet zomaar veroordeeld, maar op de juiste plaats gezet.

Er is nog een ander verhaaltje van Steiner,De ruiker’, de bos bloemen waarin Steiner de kinderen iets meedeelt door middel van een droom.

Zoiets is goed te gebruiken wanneer je in je klas kinderen hebt, die niet meer zo gemakkelijk meegaan in ‘dat planten en dieren met elkaar spreken’.

Steiner vertelt dit op een zgn. maandfeest – wanneer de kinderen van de hele school aan elkaar laten zien en horen wat ze de afgelopen maand geleerd hebben.[4]
Aan het einde van het verhaal zegt hij: ‘Want de zielen van de mensen krijgen de mooiste krachten voor hun leven als ze volwassen zijn, wanneer ze zo’n bos bloemen uit de school hebben kunnen meenemen. Dat zijn levenskrachten die er tot de dood zijn en zelfs daarna.’

Hoe vind je zelf verhalen

Dat is nog niet zo gemakkelijk. De kans bestaat dat je te snel iets ‘bedenkt’, ook dat het te ‘intellectueel is’. Grenzen zijn niet eenvoudig te trekken.

Het gaat ook hier om het beeld: wat spreekt daar doorheen, wat heeft het te zeggen.
In ‘Opvoeding in het licht van de antroposofie’ zegt Steiner:
‘Steeds moet voor ogen gehouden worden, dat abstracte voorstellingen op het zich ontwikkelende etherlichaam geen effect hebben, maar wel beelden, die reëel en levendig voor de innerlijke aanschouwing staan. Natuurlijk moeten deze dingen met de grootst mogelijke tact gehanteerd worden, opdat ze geen ave­rechtse uitwerking hebben. Bij het vertellen komt alles aan op de manier, waarop het gedaan wordt. Daarom is het niet mogelijk het mondelinge verhaal willekeu­rig door voorlezen te vervangen.
Het innerlijke aanschouwen van beelden, of, zoals men ook zou kunnen zeggen het zinnebeeldige voor­stellen, komt ook nog op andere wijze in aanmerking voor de leeftijdsfase tussen tandenwisseling en puber­teit. Het is noodzakelijk, dat het kind de geheimen van de natuur, de levenswetmatigheden zo min moge­lijk in de vorm van intellectuele, nuchtere begrippen opneemt, maar in symbolen. De geestelijke samen­hang der dingen moet in de vorm van gelijkenissen voor de ziel treden op zodanige manier, dat de wet­matigheden van het leven onder het beeldgewaad meer vermoed en aangevoeld dan verstandelijk begre­pen worden. ‘Alles Vergangliche ist nur ein Gleichnis’, dat moet bepaald een strak te volgen stelregel voor de opvoeding in deze fase zijn.

Het is voor de mens van onvoorstelbaar gewicht, dat hij de raadselen van het bestaan in de vorm van ge­lijkenissen verneemt, voordat hij ze leert kennen in de formulering van natuurwetten. Een voorbeeld moge dit verduidelijken. Veronderstel, dat men met een kind wil spreken over de onsterfelijkheid van de ziel, over het uittreden van de ziel uit het lichaam. Men moet dat zo doen, dat men bijvoorbeeld de vergelij­king gebruikt van de vlinder, die uit de pop te voor­schijn komt. Zoals de vlinder zich uit de pop los­maakt, zo stijgt de ziel na de dood uit de woning van het lichaam op. Geen mens zal in verstandelijke be­grippen precies vatten, wat er in werkelijkheid bij zo­iets gebeurt, als hij niet vroeger dit gebeuren in een dergelijke beeldvorm heeft leren kennen. Door zulk een gelijkenis spreekt men namelijk niet alleen tot het verstand, maar ook tot het gevoel, tot de innerlijke gewaarwording, tot de gehele ziel. De jonge mens, die dat alles in zich heeft opgenomen zal later, wanneer hem de dingen in verstandelijke begrippen geleerd worden, daar met een geheel andere stemming tegen­over staan. Het is zelfs zeer ongelukkig voor de mens, als hij niet eerst met het gevoel de levensraadselen kan benaderen. Het is noodzakelijk, dat de opvoeder voor alle natuurwetten en wereldgeheimen gelijkenis­sen tot zijn beschikking heeft.
Hieruit blijkt buitengewoon duidelijk, hoezeer de geesteswetenschap bevruchtend op het praktische le­ven werken moet. Wanneer iemand gelijkenissen be­denkt op grond van een materialistische intellectuele beschouwingswijze en deze gelijkenissen dan aan kin­deren vertelt, zal hij in de regel zeer weinig indruk maken. Zo iemand moet namelijk die beelden eerst geheel intellectualistisch in elkaar flansen. Zulke ver­zonnen beelden, waartoe men zich met moeite verwaardigd heeft, werken niet overtuigend op kinderen. Wanneer men namelijk in beelden tot iemand spreekt, dan werkt op hem niet alleen wat men zegt of aan­toont, maar er gaat van degene, die vertelt, een fijne geestelijke stroom uit naar degeen, die de mededeling ontvangt. Als de verteller zelf niet een warm gevoel heeft voor zijn beeld, als hij niet zelf aan zijn gelijke­nis als aan een werkelijkheid gelooft, dan maakt hij geen indruk op zijn toehoorder. De juiste uitwerking heeft het beeld slechts, wanneer het gevormd wordt uit een geesteswetenschappelijke overtuiging, wanneer de gelijkenissen zelf uit de geesteswetenschap voort­vloeien. Iemand die de antroposofische inzichten als levende gedachten in zich draagt, behoeft zich niet af te pijnigen om de bovengenoemde gelijkenis van de vrijkomende ziel te vinden, want voor hem is dit waarheid. Voor hem is het te voorschijn komen van de vlinder uit de pop dezelfde gebeurtenis op een la­gere trap van de natuur, als het zich losmaken van de ziel uit het lichaam, waarbij zich dit gebeuren op een hoger niveau afspeelt. Hij gelooft er zelf aan uit volle overtuiging, en dit geloof gaat als in een geheimzin­nige stroom van de spreker op de toehoorder over en wekt eveneens overtuiging. Zo stroomt leven, onmid­dellijk, tussen opvoeder en leerling over en weer.'[5]

Wanneer de leerkracht aan de ene kant moeite doet tot het wezen van de dingen door te dringen, moet hij aan de andere kant ook precies weten hoe de natuur en de natuurprocessen in elkaar zitten. Er moet per se naar een exacte fantasie gestreefd worden. Gesprekjes en wat de planten en dieren bv. doen, moet wel bij hun gewoonten en wezen passen. Je moet dus ook van deze kant de planten en dieren bestuderen. Dat is meestal er over lezen, wat anderen geschreven hebben. [6]
Maar ook tijdens wandelen kun je geïnspireerd raken. Wanneer je een eigen tuin hebt, kun je ook van alles waarnemen. En ook op reis, in andere natuurgebieden, zou je ook tot mooie gedachten kunnen komen. Voorwaarde is wel dat je in rust en overgave openstaat voor wat de natuur je te bieden heeft. En dan kan het maar zo zijn, dat er plotseling bepaalde gedachten door je heen schieten; je hebt een inval.
Je moet die nog uitwerken en of het wat geworden is, zal vooral uit de reacties van de kinderen blijken. Je weet bij voorbaat al dat het altijd beter kan; dus waarom niet gewoon begonnen.

Het sneeuwklokje en de beukenhaag

Onder een beukenhaag die nog de verdorde blaadjes van vorig jaar draagt, spruiten de eerste sneeuwklokjes tevoorschijn. Ze zitten in de schaduw van het blad en willen in het licht. ‘Och beukenhaag’, jammeren ze, ‘jij hebt je bladerkleed van vorig jaar nog aan en daar hebben wij last van, wij krijgen zo geen zon! Trek dat nu maar eens uit!’ De beukenhaag wordt er verlegen van en weet geen goed antwoord. Daar ritselt het in de twijgen en beneden op de grond. Een merel is het en een egel; zij hebben het gesprek gehoord en nu bemoeien ze zich ermee. ‘Jullie zijn heel dom’, zegt de merel fel, ‘wat denken jullie; het was voor ons vogels van de winter heel fijn dat wij ons in de beukenhaag konden verstoppen: alle bomen waren kaal!’
‘Daar zeg je wat,’ stemt de egel in, ‘ik kon mijn honger nog stillen vóór de winter kwam, omdat er onder het loof nog allerlei kleine friemeldiertjes zaten.
De beukenhaag vindt het fijn dat hij zichzelf niet hoeft te verdedigen en de sneeuwklokjes zwijgen beschaamd en wachten geduldig af tot de zonnewarmte ook hen bereikt.

De anemonen

Het heeft deze winter nog niet gesneeuwd, alleen de vorst was streng en de aarde was zo bevroren dat ze helemaal kruimelig werd. Dat was niet verkeerd, maar kon toch de sneeuw niet vervangen. De aarde klaagde: ‘Als er geen sneeuwvlokken vallen, komt er veel te weinig sterrenkracht naar de aarde. Hoe kan ik dan in het voorjaar voor alle planten zorgen?’

Dat hoorden de wortels van de anemonen en ze vroegen de aardmannetjes die bij hen woonden: ‘Ga naar alle voorjaarsbloemen: het leverbloempje, de krokus, de narcis, de boterbloem en nog naar andere bloemen en bespreek met de dwergen hoe we de aarde kunnen helpen. De dwergen dachten er ernstig over na. Toen ze weer bij hun bloemen kwamen zeiden ze: ‘We hebben besloten om ’s nachts het fijne licht dat van de sterren neerschijnt tot een draad te spinnen en die zullen we in de wortels van de planten vlechten. Zo kunnen we de aarde misschien helpen.’ En dat deden ze.

Toen het lente werd hadden de planten in hun bloemen de stralen van de sterren; er waren zoveel anemonen dat ze de aarde met een wit sterrenkleed bedekten. ‘Zie je, moeder aarde,’riepen ze, ‘nu heeft het toch gesneeuwd, louter witte sterrenbloemen!’ Wat was de aarde blij. – En als je goed naar de anemonen kijkt, dan zie je zes bloemblaadjes, net als de sneeuwvlokken met hun zes sterrenstraaltjes.

De kersenboom en de appelboom
Wisselvallig was het dit jaar met het voorjaarsweer. De noordenwind streek met zijn koude adem over de aarde, zo dat de bloesem het nog niet waagde zich te vertonen. Maar de zon scheen toch ook al zo verlokkend warm. ‘Wij houden het niet meer uit, we willen naar buiten en de zon zien!’ Steeds meer groene kelkblaadjes lieten de witte bloesemkindertjes uit de knoppenbedjes stappen. Dat gaf een bloesempracht! Overgoten met deze pracht stond daar de kersenboom. En veel meer kersenbomen, heuvel op, heuvel af, net zo mooi. Ze jubelden tot de voorbijtrekkende wolken: ‘Wij bloeien, wij  bloeien!’

Eén kersenboom was bijzonder prachtig. Hij keek om zich heen of andere zijn schoonheid wel zagen. Toen zag hij naast zich een appelboom staan, die er nog bijna net zo uitzag als in de winter. ‘Word wakker, slaapkop!’, riep de kersenboom naar zijn buurman, ‘zie je dan niet hoe alles bloeit en blij is met de zon?’ – ‘Rustig aan’, antwoordde de appelboom, half dromend, ‘ik wacht tot het warmer wordt.’ En zo ging het ook. De zon deed wel haar best de appelboom wakker te maken en stuurde haar zonnekinderen naar de appelbloesemknoppen om ze te verwarmen. Die werden daar aan de buitenkant heel roze van. En ineens stond ook de appelboom in volle bloei. Hij zag eruit alsof hij met het ochtendrood was overgoten. Hij was zeker net zo mooi als de kersenboom.
Wat was er met hém gebeurd? Zijn pracht was bijna weer voorbij. De bloesemblaadjes waren uitgevallen en de lege stelen strekten zich uit in de lucht. ‘Ik heb haast,’ zei de kersenboom, ‘ik wil mijn kersen klaar hebben; de kinderen hebben mijn zoete kersen nodig na zo’n lange winter’. En hij hield zijn takken in de zon.  – Het duurde maar een paar weken en toen staken de kinderen de kersen in hun mond en hingen ze over hun oren. –
Kersen moet je snel opeten, want ze blijven niet zo lang goed.

Heel anders is dat met de appels. De appelboom nam ook de tijd voor zijn appels. Het werd herfst, toen kon je ze pas plukken. En toen waren alle appels nog lang niet rijp. En hoe lang kun je die stevige, sterke appels wel niet bewaren? Tot Kerstmis zeker en nog wel langer. Dat komt, omdat de appelboom in alles zorgvuldig is, daarom gaan zijn vruchten langer mee. Wij mensen kunnen wel blij zijn met allebei de bomen, want ze geven ons rijke vrucht, ieder op zijn tijd.

De pioenroos en de brandnetel
Buiten het hek groeiden brandnetels langs een harde grindweg; daarachter in de tuin groeide een prachtige pioenroos in zwarte, luchtige tuinaarde. Er liep een grootvader met zijn kleinzoon voorbij. Het kind plukte bloemen die langs de kant van de weg stonden. Daarbij raakte het de brandnetels en snel trok het zijn handje ‘au’ roepend terug. ‘Booswicht,’ riep het, ‘ik heb je toch niets gedaan, waarom brand je me!’ Zijn dwalende ogen vielen op de pioenroos achter het hek; de prachtige knoppen waren aan het opengaan. ‘Wat zijn die mooi, die rode bloemen; en wat is die brandnetel gemeen, die heeft niet eens bloemen.’
Grootvader ging op een bankje langs de weg zitten en nam zijn kleinzoon op schoot en begon over de brandnetel te vertellen. ‘Kijk, die rode bloemen daar in die tuin, hebben het goed: die staan in vruchtbare grond, worden verzorgd, krijgen water en zo kunnen ze mooie, grote bloemen ontwikkelen die zo ongeveer bloeien wanneer het Pinksteren is; daarom heten ze ook pinksterrozen.
De brandnetel groeit altijd op plaatsen waar het niet in orde is, waar rommel ligt en waar bijna geen bloemen willen groeien. Met zijn vuurkracht die jij gevoeld hebt, maakt hij de grond schoon en maakt die weer geschikt voor andere planten. Daar geeft hij al zijn krachten aan, zodat hij niets meer over heeft voor mooie bloemen. Maar, kijk nu eens’, ging grootvader verder, hij nam zijn kleinzoon weer bij de hand en liet hem iets moois zien dat op een brandnetelblad zat. Het was een mooie vlinder, een dagpauwoog. ‘Daar heb je nu de bloem van de brandnetel! Die twee houden van elkaar, het zijn vrienden! Wat voor geheim daar nog meer achter zit, vertel ik je later.’ Toen vloog de vlinder op. ‘O’, zei het kind bewonderend. Het had volkomen vrede met de brandnetel; die was toch wel heel hulpvaardig en had mooie vrienden.

ANDERE VOORBEELDEN
Een ‘sinnige Geschichte’- een zinrijke vertelling – die het hele leven mee kan groeien, is bv. ‘de geschiedenis van de waterdruppel’.

In de 1e klas kun je vertellen dat de waterdruppel op zijn reis van de hemel naar de aarde veel meemaakt. Hij praat met de wolken, de wind, valt met ontelbare andere naar beneden, komt in een donkere kloof terecht en komt weer in een bruisende bron tevoorschijn, speelt als beekje met de bloemen aan de oever, zet het molenschoepenrad in beweging, draagt houtvlotten en schepen en komt uiteindelijk in de grote zee terecht. Daar roepen de zonnestralen hem weer naar de hemel terug.

Steeds kun je op zo’n verhaal terugkomen: in de heemkundeperiode in de 3e klas, wanneer het over de landbouw gaat, het graan en de kringloop van het water of wanneer je met de kinderen een gedicht leert waarin het water belangrijk is.

Belangrijk is dat je als leerkracht de moed hebt om het te proberen, ook al gaat het nog moeilijk en ben je niet tevreden.

Je moet het vormgeven van zo’n verhaal niet onderschatten: welke woorden kies je, hoe is de stemming. Dieren kun je met een paar temperamentsstemmingen karakteriseren waardoor de tegenstellingen meer voor zich spreken. Je moet wat kunstzin hebben om zo’n verhaal te componeren. Soms kan het een gedicht zijn – naverteld als zinrijk verhaal.

In het leesboek ‘Zonlicht’ staan veel voorbeelden. Daarvan kun je er veel vertellen; later lezen de kinderen ze dan nog een keer. Maar toch is het het mooist als je de meeste zelf maakt en niet alles van een ander gebruikt, omdat die het beter kan of omdat je te weinig tijd hebt.

‘Wat je zelf voor de kinderen maakt, gaat het hele leven mee, dat heeft iets buitengewoon verfrissends’, aldus Steiner [6]

Als de leerkracht zijn eigen ziel in beweging zet, actief zijn beelden schept, stroomt dit levendige naar de kinderenzielen en vindt daar hun eigen levendigheid en fantasie: ‘leven voedt leven’.

Wijsheid van beelden bereikt diepere lagen van de kinderziel dan begrippen. Wanneer een kind eerst iets met zijn gevoel heeft opgenomen, kan het daar beklijven om later pas door het verstand op een nieuwe manier begrepen te worden.

Kinderen luisteren heel graag naar verhalen. Je kunt bijna van ‘honger’ spreken.

Wat gebeurt er als deze behoefte niet wordt bevredigd? Een uitspraak van Steiner luidt: ‘wanneer het verlangen naar beelden, gelijkenissen om de wereld te begrijpen niet wordt bevredigd, slaat het om in ‘rebelsheid’. Er ontstaan rebellie, revolutionairen, ontevreden mensen.’

(Te denken valt bv. aan de studentenopstanden van 1968 – de verbeelding aan de macht)

Kan de honger naar beelden via tv, film, internet, het gamen; strips ermee te maken hebben?

Is er een samenhang tussen het ontstaan van de ‘fantasterijbeelden’ en het gebrek aan beeldend onderwijs?

Misschien dat de antwoorden op deze vragen je nog meer stimuleren om de kinderen met ‘echte’beelden te voeden.

[1] Inge Finkbeiner: Die ‘sinnige Geschichte’ zwischen Märchen und Fabel, Erziehungskunst, 56e Jr.-10-1992.
[2] GA 177, 20/21-10-1917
[3] GA 311/13-08-1924       op deze blog vertaald/40
[4] GA 298/03-05-1923     vertaald Beste ouders, lieve kinderen  blz. 98
[
5] GA 34/330-331              vertaald De opvoeding van het kind     blz. 43-44
[
6] GA 306/19-04-1923     op deze blog vertaald/105

Aanbevolen literatuur:

Over het zinrijke verhaal

M.Matthijsen: (14) Theorie en praktijk van de ’Sinnige Geschichte’

Over planten en dieren:

planten:

Gerbert Grohmann: 
Pflanze, Erdenwesen, Menschenseele
Die Pflanze, Bd. I und II
Lesebuch der Pflanzenkunde – vertaling
Die Metamorphose der Pflanzen

Wilhelm Pelikan:
Heilpflanzenkunde I und II

A.Usteri:
Pflanzenmarchen und Sagen
Pflanze, Menschen und Sterne
Die Pflanzenwelt im Jahreslauf
Pflanzenskizzen

dieren

Hermann Poppelbaum:
Mensch und Tier
Tierwesenkunde

Wolfgang Schad:
Säugetier und Mensch

F.H.Julius:
Das Tier zwischen Mensch und Kosmos

F.A.Kipp:
Höherentwicklung und Menschenwerdung

Gerbert Grohmann:
Tierform und Menschengeist
Lesebuch der Tierkunde

Karl König:
Bruder Tier

boeken met zinrijke vertellingen

Jakob Streit:
Tiergeschichten
Bergblumenmärchen
Zwergengeschichten
Zwerg Wurzelfein
Kindheitslegenden – vertaald

Elisabeth Klein:
Von Pflanzen, Tieren, Steinen und Sternen

Michael Bauer:
Pflanzenmärchen, Tiergeschichten und  Sagen – vertaald

Herbert Hahn:
Sonne im Tautropfen

Dan Lindholm:
Wie die Sterne entstanden – vertaald
Die Stimme der Felswand

Udo de Haes:
Die Mühle und der wachsende Riese
Zonnegeheimen 1,2,3,4

Walter Schmidkunz:
Christuslegenden

Leo Tolstoi:
Das ABC-Lesebuch
Volkserzahlungen

Erhard Fucke:
Die Bedeutung der Phantasie …

Jörg Erb:
Blumenlegenden
Tierlegenden

Käthe Wolf-Feuer:
Jasmin und andere Erzahlungen

Hermien IJzerman
Bloemensprookjes, fabels en legenden

Vertelstof: alle artikelen

 

773-708

 

 

 

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (10)

In deze rubriek is plaats voor wat me opviel in kranten- en tijdschriftartikelen, brochures enz. aan pedagogisch nieuws, pedagogisch-didactische opvattingen. Wel zoveel mogelijk bezien tegen de achtergrond van de vrijeschoolpedagogie. Het is niet mijn bedoeling een onderwerp helemaal te bespreken, te analyseren.


opspattend grind‘Zingen, dat is beter dan muziekonderwijs’

betoogt Evert Bisschop Boele, lector aan het Prins Claus Conservatorium.

‘Muziek is te veel een zaak van experts geworden. Terwijl iedereen kan zingen. Investeer daar dan ook in.’

Jarenlang heeft Nederland geïnvesteerd in het marginaliseren van muziekles op de basisschool. Muziek is inmiddels opgeslokt door een abstract en amorf ‘leergebied kunst­zinnige oriëntatie’ waarin het gaat om ‘gevoelens en emoties uitdruk­ken’, ‘communiceren’ en ‘reflecte­ren’. En, oh ja, om ‘enige kennis’. De invulling daarvan wordt geheel over­gelaten aan de school en de onder­wijzers, die ondertussen met Cito-scores en Pisa-resultaten om de oren worden geslagen. Ook op vele peda­gogische academies is het vak mu­ziek gemarginaliseerd. En de resulta­ten in het basisonderwijs zijn ernaar.

[PHAW]: Het is wel jammer en ook een tekort dat de vrijescholen hier niet worden genoemd. Wat ik hierover verder wil zeggen, vind je hier.

Maar het tij keert. Vrijdag* maakte minister Bussemaker (onderwijs) be­kend dat er 25 miljoen uitgetrokken wordt voor verbetering van het mu­ziekonderwijs op basisscholen. Joop van den Ende levert nog eens 25 mil­joen en ook het Oranje Fonds springt bij. Fantastisch nieuws, zeker waar de minister meldt dat met het extra geld ook de deskundigheid van de onderwijzers wordt bevorderd. De minister zegt: “Ze missen vaak het zelfvertrouwen om bijvoorbeeld te zingen voor en met de klas”.

Specialisme

Inderdaad, de kern van het probleem is dat we van muziek, het wonder­baarlijke en vanzelfsprekende ver­schijnsel dat in het dagelijks leven van vrijwel iedereen zo’n belangrijke rol speelt, een specialisme hebben gemaakt. Muziek wordt het liefst overgelaten aan de expert – en dus niet aan de juf of meester zelf. Dat is trouwens een algemeen maatschap­pelijk verschijnsel. Het Vocalisten Concours in Den Bosch, maar ook ‘The Voice of Holland’, leren ons dat alleen de besten door mogen. En ‘Holland’s Got Talent’ leert ons wat we doen met de minder getalenteer­den: uitlachen en afzeiken.

Dat moet veranderen. Ik geef de mi­nister graag drie adviezen. Ten eer­ste: investeer niet in muziekonder­wijs, investeer in zingen, de toegan­kelijkste vorm van muziek maken. Iedereen kan het, iedereen doet het: in voetbalstadions, op verjaardags­feestjes, onder de douche. Vroeger stond niet ‘muziek’ maar ‘zingen’ op het rooster. Misschien moeten we daar eerst naar terug. Pas als er in de klas weer luidkeels en met plezier gezongen wordt, kunnen we nadenken over instrumenten in de klas, over componeren en improviseren, over ‘reflecteren’ en ‘enige’ kennis. Ten tweede: zet niet alleen in op wat de minister “eigentijdser muziekonderwijs” noemt. Zingen kan bevolkingsgroepen en generaties verbinden, en dat is hard nodig in onze samenleving. Daarvoor is een gezamenlijk te zingen repertoire onontbeerlijk. Repertoire moet zichzelf voortdurend aanpassen aan de tijd, maar we leven ook in het verlengde van onze voorgangers. Als de kinderen met Sint- Maarten de de deuren langsgaan, schept het een band als niet alleen de ‘Sint-Maartens-Blues wordt gezongen, maar we elkaar ook herkennen in de koeien die staarten hebben en de meisjes die rokjes aan hebben. Anachronistisch, zeker, maar zonder anachronismen wordt ons bestaan wel érg a-historisch

Kunstenaars in de klas

En ten derde: leer de juffen en meesters weer zingen. Niet door lessen zangtechniek en notenlezen, maar door ze te leren vertrouwen te hebben in zichzelf als muzikale persoonlijkheid. Zodat ze weer het gevoel krijgen dat ze mógen zingen in de klas. Dat moeten ze leren op de pedagogische academie. Dus, minister, stop even met investeren in het brengen van ‘kunstenaars in de klas’ sleutel eerst aan het échte probleem. Zorg dat muziek – en vooral zingen – op de pedagogische academies de ruimte krijgt. Want daar begint het! Als we dan over tien jaar merken dat onze scholen weer zingende scholen worden, hebben we een enorme eerste stap gezet.

(Bron: dagblad Trouw, *29-10-2014)

.

Die ‘zingende scholen’ bestaan al: de vrijescholen. En al hééééél lang. Zo lang, dat sommigen menen dat het leerplan ‘dan wel achterhaald’ zal zijn.

Maar, door de ogen van Evert Bisschop Boele, duurt het nog minstens tien jaar eer ‘het onderwijs’ het niveau van het vrijeschoolmuziekonderwijs zal hebben benaderd.

Zo’n krantenberichtje maakt het weer heel concreet: de juffen en meesters zijn nog geen ‘kunstenaars’. 

Vrijeschooljuffen- en meesters hebben wél de opdracht het te worden:

Steiner:

‘Want opvoeden en onderwijzen kan de mens alleen maar wanneer hij, wat hij moet ontwikkelen, moet vormen, begrijpt, zoals de schilder alleen schilderen kan wanneer deze de kwaliteit, het wezen van de kleur kent; de beeldhouwer alleen maar werken kan wanneer hij het wezen van zijn materiaal kent, enz.
Wat voor de kunst in het algemeen geldt, die met concrete materie werkt, zou dat niet opgaan voor die kunst die met de edelste materie werkt die de mens maar in handen krijgt: de mens zelf- hoe die wordt en zich ontwikkelt.’
GA 308/9  
Vertaald: ‘De wordende mens‘ blz. 21/22

‘Alle methodiek moet in een bad van kunstzinnigheid gedompeld zijn.’

Opvoeding en onderwijs moeten tot een ware kunst worden.’
GA 294/11    
Vertaald: ‘Opvoedkunst‘ blz. 12

‘Alleen uit echte menskunde kan een echte onderwijs- en opvoedkunst ontstaan.’
GA 297A/50  
Op deze blog vertaald

( ) ‘Maar dat doen we ook met het muzikale, zodat het kind er van het begin af aan aan went een of ander instrument te bespelen. Daardoor kan het kunstzinnig gevoel in het kind opgewekt worden.’
GA 294/11
Vertaald: ‘Opvoedkunst‘ blz. 12


Muziek
: alle artikelen

Opspattend grind  [7]  [24]   [26]  [66]
Opspattend grind: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld; alle beelden

746-683

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (9)

opspattend grind

Ons onderwijs leidt kinderen op voor het verleden, niet voor de toekomst. Om je staande te houden in de wereld van morgen heb je meer aan ondernemerschap dan aan rekenen en taal, betoogt de Amerikaanse hoogleraar Yong Zhao.

LAAT HET KIND LEREN

Het is de hoogste tijd dat we leerlingen gaan zien als mensen, en niet als werkne­mers van de leraar.[1]
Dat be­toogt de Amerikaanse hoog­leraar en onderwijsontwik­kelaar Yong Zhao.
In zijn boek ‘World-class learners, onderwijs voor een ondernemende generatie’, vraagt hij zich af of succesvolle vernieuwers als Steve Jobs, Bill Gates en Daan Roosegaarde groot zijn geworden dankzij het onderwijs of desondanks?

Het is de retorische vraag die Zhao opwerpt in zijn boek, dat deze week* in Nederlandse vertaling verschijnt. Want naarmate kinderen lan­ger naar school gaan, neemt hun creativiteit af, evenals hun nieuwsgierigheid, constateert Zhao. En dat is een probleem.

Nu steeds meer banen verdwijnen en de jeugdwerkloosheid oploopt, moeten we leer­lingen niet langer opleiden tot ‘werknemer’, maar moeten we hun leren ‘ondernemend’ te worden. Met die boodschap maakt hij deze week een ronde langs leerkrachten, schoollei­ders en het ministerie van onderwijs.

Hoe stimuleer je creativiteit bij de leerling?

“Leerling zijn is nu echt een hondenbaan: de he­le dag moet je naar school, waar je gemicro-managed wordt en ieder uur andere taken [2] moet uitvoeren waarvan je in de verste verte het nut niet inziet.

Aan het eind van de dag krijg je een cijfer of een sticker, zijn je ouders tevreden en mag je eindelijk iets gaan doen dat je wél leuk vindt. Veel leerlingen zitten hun dag uit en rennen daarna zo snel mogelijk weg naar de echte we­reld. Ze zijn gedemotiveerd. We moeten af van het idee dat leerlingen de werknemers van de leraar zijn. Jongeren moeten de eigenaar wor­den van hun schoolloopbaan.

Want als je zelf de baas bent over wat je leert en wilt leren, dan ga je meedenken, ideeën ver­zinnen, verbeteringen voorstellen. Dan ben je gemotiveerd, dat prikkelt de creativiteit, en zo leer je dus meer.”

Kunnen kinderen dat aan?

“Jazeker. We zouden ze echt veel meer krediet moeten geven. Wij denken altijd dat andere mensen minder kunnen dan wij zelf. Zoals we ook denken dat bepaalde mensen eigenlijk geen stemrecht zouden mogen hebben.
Verder hebben wij volwassenen de neiging te denken dat wat wij weten het allerbelangrijkste is dat iemand zou moeten leren om succesvol te zijn in de wereld.[3] Fout. De toekomst zal van alles zijn, maar geen herhaling van gisteren. We zijn slecht in vooruit denken: twee honderd jaar geleden dachten we dat het onmogelijk was een mens op de maan te zetten.

Natuurlijk moeten docenten leerlingen begeleiden in hun ontwikkeling. Als kinderen maar het idee hebben dat zij aan de knoppen zitten en iets betekenisvols leren.”

Hoe doe je dat?

“Door de interesses van leerlingen aan te boren, door hun te helpen hun passies te vinden. Op school doen we het nu andersom. We zeggen tegen een kind dat het een boek moet pakken en moet lezen. Daardoor leert het weliswaar lezen, maar krijgen veel kinderen er een hekel aan. Dat is het paard achter de wagen spannen. Als je wilt dat ze meer en beter lezen, dan moet je kinderen niet dwingen, maar stimuleren.

Wat veel onderwijssystemen doen – ook het Nederlandse – is zorgen dat kinderen hun interesse verliezen in leren. Terwijl kinderen in­trinsiek de drang hebben om te doen. [4] Je hoeft ze dus helemaal niet te motiveren, je moet al­leen voorkomen dat je ze demotiveert! Maar in ons systeem raken ze hun nieuwsgierigheid en hun motivatie kwijt. Kinderen zetten hun cre­ativiteit nu in om onder school en huiswerk uit te komen, om te spijbelen, om hun leraren te foppen. Is dat niet treurig? [5]

Docenten moeten leerlingen helpen zich goed te voelen, ze begeleiden bij het vinden van hun passie, vergezichten bieden. Een goede docent kan je opbeuren als je je niet goed voelt. Een leerkracht die dat kan – een mens, kortom – is een veel betere docent dan iemand ‘ die je hoge cijfers laat halen.”

De kwaliteit van het onderwijs wordt toch bepaald door het niveau van de leerkracht?

“Docenten doen er echt veel minder toe dan we denken. Ze zijn heel belangrijk, maar niet voor het halen van hoge cijfers. Dat wordt enorm overdreven. Laat me een voorbeeld ge­ven: landen als China en Singapore voeren de internationale ranglijsten aan in taal en reke­nen. In die landen zijn docenten niet allemaal hoogopgeleid. Toch halen leerlingen hoge sco­res. De verklaring daarvoor is: cultuur, de nadruk op discipline, druk van ouders.

U pleit voor het afschaffen van toetsen. Waarom? Zijn ze echt nergens goed voor?

“Het is prima als leerkrachten in de klas bij individuele leerlingen diagnostische toetsen afnemen, om te kijken waar een kind staat en; hoe het verder kan worden geholpen. Zoals je naar het ziekenhuis gaat voor een diagnose.
Maar toetsen worden vaak met een heel an­der doel afgenomen: om scholen, leerlingen en leraren onderling te vergelijken. We toetsen om de verkeerde redenen: om onszelf ervan te verzekeren dat een kind wel wat geleerd heeft en dat een docent wel gedoceerd heeft.
Op die manier schiet verantwoordingsplicht zijn doel voorbij. Sterker: wat gebeurt er als je met toetsen scholen, landen en leerlingen gaat vergelijken? Dan gaan ze vals spelen.”

In Nederland maken kinderen aan het eind van de basisschool een toets om het niveau vast te stellen van de leerling én van de school.

“Really? China is dat soort tests juist aan het af­schaffen! Wat een afgrijselijk idee. Kinderen voorsorteren als ze twaalf jaar oud zijn? Dat is veel te vroeg, dat is belachelijk. Dan determi­neer je hun toekomst. Dat is schadelijk voor hun ontwikkeling. Op die leeftijd kun je ze net zo goed op lengte selecteren: het is onzinnig. Elk kind ontwikkelt zich in een ander tempo: dat geldt voor lichaamsgroei, voor leren lezen.[6]
Nederland is een ontwikkeld land. Jullie heb­ben dit soort mechanismen helemaal niet no­dig. Het is zonde om daar geld en energie in te steken. Ik vraag me af wat je ‘hiermee wint.”

Hier wordt met jaloezie gekeken naar landen als China en Zuid-Korea. Hun leerlingen scoren in internationale vergelijkingen veel beter dan de Nederlandse. Raken we niet achterop als we de focus op rekenen en lezen loslaten?

“Integendeel. Zulke toetsscores hebben weinig betekenis. Ze vertellen vooral welke leerlingen goed zijn in testen maken, en veel minder of leerlingen echt taalvaardiger of rekenvaardiger zijn. Daarbij doen Nederlandse leerlingen het helemaal niet slecht in zulke tests. Je moet je echt afvragen of het nodig is om nog beter te scoren.”
“Aziatische landen realiseren zich steeds meer hoe hoog de prijs is die ze betalen voor zulke scores: de focus op zulke toetsresultaten gaat ten koste van de diversiteit aan talenten van leerlingen, ze draait passie de nek om. Faal­angst is een groot probleem onder Chinese jon­geren. Hoe heeft het kleine Nederland de halve wereld, inclusief China, gekoloniseerd? Door ondernemerschap, durf. Dat is de houding die jongeren in de toekomst nodig hebben.”

Maar je moet kunnen rekenen en lezen?

“Absoluut. Maar Nederlandse kinderen beheer­sen de basics. Een sterke focus in het onderwijs op taal en rekenen is nuttig voor ontwikke­lingslanden, niet voor een land als Nederland. Jullie hebben dat probleem honderd jaar gele­den al opgelost.
Lezen en rekenen is zoiets als lopen, iedereen kan dat op een gegeven moment. Maar lopen brengt je niet ver. Als je ver wilt komen moet je atleet worden en veel trainen, of iets beters verzinnen: een fiets, auto of vliegtuig. Onder­wijs moet leerlingen verder brengen, en ze niet alleen maar trainen in hardlopen.”

U bent tegen landelijke leerdoelen. Moeten overheden het onderwijs helemaal loslaten?

“Het enige dat de overheid moet doen is kinde­ren gelijke kansen bieden en toegang tot on­derwijs garanderen. Inhoud opleggen om je te verzekeren dat iedereen hetzelfde leert, is ner­gens voor nodig. Dat allemaal vastleggen leidt tot verspilling van geld en energie. [7] Het is bo­vendien overbodig: scholen zullen hoe dan ook aandacht besteden aan taal of geschiedenis.
In die homogenisering van leerstof schuilt zelfs gevaar: je loopt het risico dat we diversi­teit en vooruitgang verliezen.”

Welke garantie bieden creativiteit en ondernemerschap?

“Er zijn geen garanties. Maar de geschiedenis heeft ons geleerd dat vrijheid, democratie en respect voor individuele rechten hebben geleid tot betere menselijke condities.
Wat we zeker weten, is dat steeds meer banen verdwijnen. Het gaat in de toekomst niet om harder werken, maar om slimmer werken. Een universitair diploma biedt geen garanties meer. Ouders denken misschien nog dat dat een ticket naar succes is, maar dat is het al lang niet meer. In de VS is meer dan 20 procent van de hoogopgeleide twintigers werkloos of werkt onder zijn niveau.

Wil je het in de toekomst redden, dan moet je ondernemend en creatief zijn, dan moet je jezelf onderscheiden. De enige veilige baan is  ”de baan die je voor jezelf creëert.”

Rudolf Steiner
[1] Je moet niet zeggen: je moet dit of dat in de kinderziel gieten, maar je moet eerbied voor zijn geest hebben. Die geest kun je niet ontwikkelen, die ontwikkelt zich zelf. Je hebt alleen maar de plicht de obstakels voor die ontwikkeling op te ruimen en hem dat te geven wat hem stimuleert zich te ontwikkelen.
GA 305/74

[2] Tegenwoordig wordt het onderwijs in het opvoedings-en onderwijssysteem heel erg versplinterd en daardoor werkt het niet geconcentreerd genoeg op het opgroeiende kind in.
GA 303/139

[2/1] Wanneer je op deze manier – bedoeld is de vrijeschoolmethode -opvoedkunst uit wil voeren, is het nodig in het leven van het kind de concentratie te hebben. En dan kun je niet, zoals dat tegenwoordig gebruikelijk is, van 8 tot 9 rekenen doen, van 9 tot 10 geschiedenis, van 10 tot 11 weer wat anders; al het mogelijke door elkaar. Maar in de vrijeschoolpedagogie hebben we het zo georganiseerd dat gedurende een 3 of 4 weken hetzelfde vak dagelijks van 8 tot 10 wordt gegeven, zodat de concentratie daar bij blijft.
GA 304a/120                                  het zgn. periodeonderwijs

[3] In iedere opvoedkunst moet het uitgesloten zijn dat wij ernaar streven de mens zo op te voeden dat hij wordt zoals wij zelf zijn.
GA 303/297

[4] Kijk, het echte leerplan ontstaat uit de menskunde van de leeftijdsfasen. Het kind zelf zegt ons – wanneer we het werkelijk kunnen waarnemen – wat het op een bepaalde leeftijd wil leren.
GA 297/53

[5] Het gaat erom dat je de opvoeding zo vormgeeft dat je niet tegen de wilsinitiatieven ingaat, maar aan de wilsinitiatieven meewerkt. Daar komt het op aan.
GA 301/104

[6] Je hoeft niet zo zeer het idee te hebben dat de kinderen dit of dat moeten bereiken, maar je moet je afvragen, wat kunnen de kinderen, naar hun psyche gekeken, bereiken? Vanuit het kind werken. Dat kun je in ieder afzonderlijk geval je eigen maken, wanneer je er echt naar streeft het kind in al zijn verschillen te leren kennen. Ieder kind is interessant.
GA 300A/156

[7] Hier kun je zo bedroefd van worden: dat steeds meer het schematisch-bureaucratische op de voorgrond treedt en dat de inhoudelijke zaken op de achtergrond raken.
GA 300B/188

We hebben de opgave voor de school van het leven de voorbereidende school te zijn

GA 298/104

Bron: Trouw *15 okt.2014

Opspattend grind: alle artikelen
.

720-657

.