Categorie archief: nederlandse taal

VRIJESCHOOL – 3e klas taal

.

Dit artikel is uit 1926, uit een van de eerste brochures van de Vrije School Den Haag.

Over deze brochure                    Hier te downloaden

Ondanks het bijna 100-jarig bestaan van het artikel, heeft het aan bepaalde gezichtspunten niets aan actualiteit ingeboet.

Ik heb het in de oorspronkelijke spelling laten staan.

HET TAALONDERWIJS IN DE LAAGSTE KLASSE
.

door D. J. VAN BEMMELEN.

Wij leven in een tijd, waarin de taal verstard is. Door de eeuwen heen heeft de taalgenius geleefd in de menschen toen de taal nog levend, bewegelijk was. Nu is ze vastgelegd in regels en wetten, die weinig ontwikkeling meer toelaten. Met deze geworden taal van onze moderne samenleving moet de jonge levende kinderziel opgroeien. Dat dit een noodzakelijkheid is moet het kind voelen.

Leven kan het kind nog in het enkele woord met zijn klanken; klanken en geluiden spreken tot het gevoel. Dit gevoel is in de kinderen vaag en ongevormd. De vorm vindt het eerst in het gedicht of in de zang.
Het minst kan het kind zich verbinden met de bouw van de taal, de bouw van de zinnen. Het drukt zich eigenlijk het liefst uit in geluiden van blijdschap of toorn, verrukking of verdriet, niet in schoon gevormde zinnen. Toch is dit een element wat zij even-zoo leeren moeten als bijvoorbeeld rekenen.

Gewoonlijk is deze grammatica van de eigen taal een zeer dor en vervelend vak. Daar worden de kinderen, die zich eerst zoo vrij bewogen in het rythmische klankelement van de taal, gedwongen zich in het strenge keurslijf van de grammaticale regels te voegen. De kinderen verzetten zich innerlijk, wanneer zij zonder overgang in deze verstarring wordten gebracht. Het onderwijs moet die overgang vinden kunnen.

Het onderwijs dat aan de Vrije School gegeven wordt kan deze overgang vinden omdat het immer tracht aan te knoopen aan de eischen van de kinderlijke ontwikkeling.

Het kind in de eerste schooljaren leeft in een sterk beeldend en muzikaal gevoelselement. Daarin beweegt zich zijn fantasie. Daarin wil het ook leven met de opgenomen leerstof. Deze kan dan in hem doorwerken tot in het lichamelijke toe. Innerlijk past het beeldende en muzikale aan bij de groeiprocessen van dit ontwikkelingsstadium.

Daarom moet het onderwijs in de taal even beeldend of muzikaal zijn als het kunstonderwijs zelf. Is het onderwijs zoo ingericht dan is het heelemaal niet moeilijk voor de kinderen om het grammaticale in zich op te nemen. Het doodt dan niet hun taalgevoel, maar kan dit juist verrijken. De vormen zijn dan niet verstard maar kunstvol bewegelijk.

Men kan de banen waarlangs zulk onderwijs in de verschillende jaren gegeven wordt niet vinden in de gemakkelijke opvolging van de grammaticale regels zelf, maar in de opvolgende ontwikklings-momenten van het kinderwezen. Zoo is de opvolging die men in het leerplan vindt, dat door Dr. Steiner aan de Waldorf School gegeven is.

Daarin vindt men dat het onderwijs in de grammatica in het tweede leerjaar begint. Uit het vertellen en navertellen van sprookjes, natuursagen en fabels moeten langzaam aan de eerste elementen van het taalonderwijs gevonden worden: in het tweede leerjaar het werkwoord, zelfstandig naamwoord en bijvoegelijk naamwoord, in het derde leerjaar de andere woordsoorten en de beginselen van de zinsbouw.

Ik wil een voorbeeld geven uit het taalonderwijs in de derde klas van de Vrije School.

Zoowel het luisteren als het navertellen is een actieve bezigheid voor de kinderen in die jaren. De heele omgeving is voor het kind beweging en leven. Het maakt niet veel onderscheid tusschen het voorwerp en de beweging. De drager van het actieve bewegende element in de taal is het werkwoord. Het werkwoord is het eerste wat het kind kan leeren onderscheiden.

Het bewegende richt zich van het onpersoonlijke goddelijke scheppende naar het persoonlijk geschapene, dat op aarde leeft. In deze lijn moeten de kinderen in beeldvorm vinden het afdalen op de aarde, het concentreeren van de omgeving in zichzelf.

Men kan daarvoor bijvoorbeeld de volgende vorm vinden. Men schrijft alle onpersoonlijke werkwoorden in een grooten kring. Daarna alle persoonlijke werkwoorden binnen in den kring; alle werkwoorden, die betrekking hebben op de dieren, als loopen, brullen, enz. in het horizontale vlak; alle werkwoorden, die betrekking hebben op de planten, als groeien, bloeien, enz. in het verticale vlak naar boven gericht; alle werkwoorden, die betrekking hebben op de steenen, als schitteren, enz. naar beneden gericht en in het midden van het zoo ontstane kruis de werkwoorden, die zich op de menschen betrekken, b.v. spreken. Van dit beeld, dat heelemaal vanzelf ontstaat voor de kinderen, kan men nu uitgaan om de verdere woordsoorten te vinden. Het zelfstandig naamwoord, het persoonlijk voornaamwoord, het kan steeds in variaties van dit beeld worden gevonden. Wil men er nu toe overgaan ze eenige elementen van de zinsbouw te leeren, dan kan men weer van dit beeld uitgaan.

Bijvoorbeeld de kinderen zoeken de zelfstandige naamwoorden van brullen — de leeuw, van groeien — de korenaar, van schitteren -— de diamant. Zoo vinden ze het onderwerp van de zin. Dan keeren ze het beeld om, zoodat de mensch de leeuw temt, de korenaar maait, de diamant slijpt. Zoo vinden ze het voorwerp van de zin.

Op deze wijze ontrolt zich in taalbeelden de heele wordingsgeschiedenis van het komen der menschen op aarde, zonder dat dit hun abstract is gezegd. Het eind van deze ontwikkeling vinden ze in het bouwen van een huis of het maken van gebruiksvoorwerpen. Nu zijn ze aan datgene gekomen, wat geen leven meer in zich draagt.

Om nu den weg tot het menschelijke gevoel terug te vinden, moeten we nu aan dat huis b.v. weer iets van gevoelens vast kunnen knoopen. Dan komen de bijvoegelijke naamwoorden aan de beurt. De kinderen teekenen een huis en schrijven als een stralende zon de bijvoegelijke naamwoorden er om heen, n.l. hoe zij het huis beoordeelen. Het zelfstandig naamwoord stond het meest buiten hun gevoelsleven, het bijvoegelijk naamwoord knoopt het er weer aan vast.

Zoo kan men verder gaan, steeds van beeld tot beeld voortschrijdend. Dan gaat zich een taalgevoel bij de kinderen ontwikkelen, waardoor zij op levendige wijze iets kunnen opschrijven.

Natuurlijk blijft hier het dichterlijke muzikale element de beeldspraak van het grammaticale onderwerp begeleiden. Zoo kan de kunst dienstbaar gemaakt worden om de overgang naar het intellectueele onderwijs te vormen. Niet een dorre vervelende les wordt zoo’n taalles voor de kinderen, maar vroolijke levendige uren, waarin ze met heel hun ziel bij het onderwijs waren. Het woord blijft iets van zijn scheppende krachten behouden en de kinderen kunnen later de mogelijkheid vinden, iets van hun ziele- en geestelijk leven in de taal uit te drukken.

taal klas 3 4

.

Antroposophische paedagogie

Het kunstonderwijs op de ‘Vrije School’

Over het chemie-onderwijs in de achtste klasse

Beeld en ritme in het rekenonderwijs

Schoolfeesten

.

.

3e klas: alle artikelen

Nederlands: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle klassen

.

1854-1739

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (13)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Pieter HA Witvliet

NIKKIE EN SANNE GAAN NAAR DE MARKT

Satomi Ichikawa laat broer en zus Nikkie en Sanne kennis maken met de wereld om hen heen. In hun kielzog hun kleine broertje Ta-taj. Nikkie en Sanne mogen voor het eerst, alleen, naar de markt om inkopen te doen. Uiteraard valt er veel te leren: hoe alles heet: bij de groentenkraam, bij de visboer, bij de fruitkoopman, bij de mandenmaker die ook speelgoed verkoopt.
De mooi verzorgde, kleurrijke tekeningen van Harriet Laurey laten niet alleen zien wat er te koop is, maar op de bladzijde ernaast, waar alles vandaan komt.

‘Sanne mag de bloemen voor mama uitkiezen. Ze moeten een goudgeel hartje hebben, vindt Sanne. En een kransje van blaadjes eromheen. Net als de bloemen die ze zelf altijd tekent. Ze kijkt en kijkt, en kiest een grote bos margrieten. En dan vraagt ze aan de bloemenvrouw: ‘Vertel nog eens van toen u klein was?’

Opnieuw van de schrijfster een boek dat je vele fijne uren! zal geven met het kind aan wie je voorleest of vertelt.

3-8 jr

Boek: Bij de uitgever uitverkocht, maar de moeite waard om er de 2e-hands markt voor af te struinen. Soms, zoals nu: 26-12-18, staat het te koop.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1780-1668

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (12)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Pieter HA Witvliet

NIKKIE EN SANNE                                                              EN DE JAARKLOK

Satomi Ichikawa laat broer en zus Nikkie en Sanne kennis maken met de wereld om hen heen. In hun kielzog hun kleine broertje Ta-taj. ‘De jaarklok’ leidt hen door de seizoenen. In elk jaargetijde valt van alles te beleven. En de kinderen die het wordt voorgelezen of de kinderen die het zelf lezen, zullen veel leren van wat er allemaal gebeurt en benoemd wordt. Hoe herkenbaar is de voor de kinderen van die leeftijd de tekst.
In de lente zie je de jonge egeltjes, met Pasen schilder je eieren; de bloemen zijn er om bloemenkransen te maken; de zomer is warm en het bad brengt verkoeling
Af en toe met een leuk gedichtje:

Haastig likken, haastig slikken, want owee,
zonnestralen likken altijd van je ijsje mee …
Haastig klimmen, haastig plukken, want jawel,
alle kersen springen bijna uit hun kersevel!

In de herfst met je laarzen door de bladeeren die je in de tuin kan opvegen; de winter met sneeuw- en ijspret en Kerstmis tot besluit:

De kerstboom staat te pralen
met alle lichtjes aan.

Nog even, en de jaarklok
begint van voorafaan

De verzorgde, lieve, kleurrijke tekeningen van Harriet Laurey maken het iedere keer weer tot een feest om er in te lezen of te bladeren.

3-8jr

Boek  Helaas niet meer leverbaar; maar de moeite waard om er de 2e-hands markt voor af te struinen.

.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1770-1659

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (10)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, herfst 2000, nr.6
.

Dwergenwoorden en kinderhumor

Zeker voor de peuter en de kleuter geldt dat herkennen een feest is. Het eindeloos herhalen van liedjes en verhaaltjes is als het ritme van het telkens terugkerende tij voor hem: het geeft vastheid en zekerheid.

Dag en nacht, ontbijt, middag- en avondeten, de seizoenen met de feesten die daarbij horen of het verhaaltje voor het slapen gaan, dat alles bouwt aan het vertrouwen dat een kind heeft in de wereld die hem omringt. En dat vertrouwen heeft hij de eerste járen hard nodig om – op zijn eigen manier en in zijn eigen tempo – te kunnen groeien.

De behoefte aan ritme zie je terug in de innige tevredenheid die kleine kinderen uitstralen als in een verhaaltje een bepaalde zin, een woord of een grappige klank voortdurend wordt herhaald. Hetzelfde liedje of spreuk kan maandenlang onderdeel zijn van het bedritueel zonder dat het een peuter ook maar een moment verveelt.

Tomte Tummetot

Wanneer je zelf een verhaaltje verzint om bij het naar bed gaan aan je kind te vertellen, kun je die ritmische herhaling naar hartenlust inbouwen. Maar er zijn ook voorlees- en prentenboeken die veel met herhaling werken, zoals Astrid Lindgrens prentenboek Tomte Tummetot. Tomte is Zweeds voor kabouter en Tomte Tummetot is huiskabouter op een boerenhoeve in het hoge noorden van Zweden.

‘Het is bitterkoud en in een nacht als deze letten de mensen er goed op dat het vuur in de haard niet uit gaat,’ zo begint het verhaal.
Tomte Tummetot waakt over zijn boerderij en over iedereen die er woont, ’s Nachts maakt hij zijn ronde langs de slapende mensen en de dieren in de stallen. En iedere keer weer fluistert hij hen iets toe – dwergenwoorden, en iedere keer dezelfde: ‘Veel winters en veel zomers heb ik zien komen en gaan. Heb nog geduld! Het wordt weer lente!’

Op de prenten van Harald Wiberg is de ijskoude nacht te zien. De sterren fonkelen en op iedere bladzijde zie je de rode kaboutermuts en de waakzame oogjes van Tummetot oplichten. Dit boek kun je in de winter wekenlang ’s avonds voorlezen of, met de allerkleinsten, samen bekijken.

v.a. 2jr.

boek

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1758-1647

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (7)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, lente 1999, nr.3

Kindergeheimen

Als je peuter zich aan de tafel stoot, zal hij boos zijn op de tafel die hem pijn heeft gedaan. Hij maakt nog geen onderscheid tussen dode en levende dingen. Alles is bezield. Zijn teddybeer kan praten en de draak die onder zijn bedje ligt is echt heel gevaarlijk. In de beleving van de peuter en de kleuter liggen de zichtbare en zijn eigen onzichtbare werkelijkheid nog heel dicht bij elkaar. Al spelend leert hij die twee werelden kennen en ermee omgaan.

De magische wereld van het kind heette het boek van kinderpsychologe Selma Fraiberg dat in de jaren zeventig veel opzien baarde. Fraiberg beschrijft daarin hoe de werkelijkheid van het kind is gevuld met wonderen, geheimen en magie. Kabouters en andere onzichtbare vriendjes, maar ook spoken en draken vinden in het spel van kleuters en peuters moeiteloos hun plek. Lang niet alle kinderen praten over deze belevenissen met onzichtbare wezens. En wanneer ze het wel doen, is het voor ouders niet altijd makkelijk daar op een goede manier mee om te gaan. Al te nuchtere opmerkingen van volwassenen maken dat het kind gaat twijfelen of het plezier dat hij aan zijn fantasiespel beleeft wel gerechtvaardigd is, waarna het zijn werkelijkheid nog dieper wegstopt. Anderzijds kan een kleuter ook verlegen raken met de situatie als volwassenen te sterk meegaan in zijn fantasieën. Het pas verschenen boek Kindergeheimen van Susanne Stöcklin-Meier geeft een uitstekende handreiking voor het omgaan met deze magische jaren van het kind. Het is een boek voor ouders waarin, behalve een verhelderende inleiding en allerlei praktische tips, verhalen staan die direct aansluiten bij de kinderlijke belevingswereld. De meeste zijn geschikt om voor te lezen, maar in veel gevallen zullen ze je vooral inspireren tot het in eigen woorden navertellen (zoals de verhaaltjes die stenen en kristallen over zichzelf vertellen). Aan ieder hoofdstuk voegt Stöcklin-Meier suggesties toe voor spelletjes die de bewondering en verbeeldingskracht van kinderen aanwakkeren. Ze geeft voorbeelden voor het omgaan met de wondere wereld van zon, maan en sterren, van vuur- en waterwezens, van kabouters en engelen maar ook voor het scherpen van de zintuigen. Want om het onzichtbare een goede plaats te geven, moet je zeker ook de zichtbare wereld verkennen. Dat doe je door te voelen, te ruiken, te horen, te proeven en te kijken.

boek

.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1744-1634

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking – alle auteurs

.

BESPROKEN TITELS

de auteurs staan in alfabetische volgorde

Link naar het boek onder het cijfer

alfabetische volgorde van titels                                                      97

.

[38] Ainsworth                             Vrouwtje Appelwang
[60] Ainsworth                             Het vogeltje dat te ver vloog

[1]  Baal/Stigter                            Ik geef je niet voor een kaperschip

[81] Barnard                                  Het hoofdpijnmysterie

[49] Beckman                               Zwerftocht met Korilu
[90] Beckman                               Gekaapt!

[2]  Berger                                     De muis en de aardappel

[8Beskow                                   Annika
[4]  Beskow                                  Het verhaal van het kleine, kleine                                                                                    vrouwtje
[5]  Beskow                                   Okke, Nootje en Doppejan
[3]  Beskow                                   Pelle’s nieuwe kleren
[44] Beskow                                  Olle’s skitocht

[92] Botman                                 Klein babydierenboek
[93] Botman                                 Klein bosdierenboek
[94] Botman                                 Klein insectenboek
[95] Botman                                 Klein slaapdierenboek
[97] Botman                                 Klein vogelboek

[56] Bruijn                                    Lasse Länta

[20] Busser                                   Liselotje gaat logeren

[86] Carroll                                  Alice in wonderland

[24] Cleemput van                      Een bos vol dierenkinderen

[25] Cleemput van                      Op de boerderij

[53] Cock de                                 De gouden bal

[59] Cramer                                 4 jaargetijden

[70] Demetz                                Flok de kuifmees

[46] Dijkmeijer                           ’t Is zomer

[16] Dort van E                            Mijn broertje en ik

[34] Dragt                                     De Zevensprong
[45] Dragt                                     De brief voor de koning
[88] Dragt                                     Geheimen van het wilde woud

[74] Dubbelboer                          Joël en de veenheks

[31] Eck van                                 Chelm is overal

[14] Elzässer                                Lammetje waar ben je?

[69] Fährmann                            De man in het vuur

[83] Franke S                             Het grote huis

[85] Haar ter                             Boris
[77] Haar ter                               Het wereldje van Beer Ligthart

[67] Herzen                                Het zwaard van Brittannië

[37} Hichtum v Nienke               Het appeltulbandje

[82] Hildebrand A.D.                   Het behouden huis

[12] Ichikawa                               Nikkie en Sanne en de jaarklok
[13] Ichikawa                               Nikkie en Sanne gaan naar de markt

[17] IJzerman                               Spelen met de vingers

[63] Jong de                                Candy, kom terug

[55] Jonge de                                De liefste vraag

[11] Keller                                     Bakersprookjes 

[66] Kieviet                                  Uit het leven van Dik Trom

[71] King                                      Tussen drie vuren

[15] Koopmans                            Een dikke vette pannekoek
[6]  Koopmans                             Kan ik er ook nog bij?

[26Lieshout van                      De dagen daarna

[29 Lindgren                              Lotta kan al fietsen
[10Lindgren                              Tomte Tummetot
[47]  Lindgrin                               Wij uit Bolderburen

[43] Lobel                                      Bij beer thuis

[22] Maris                                      Is er iemand thuis?

[64] Malot                                     Het scheepsmaatje

[72] Muller                                    Zomer

[62] Muschg                                  Er waren eens twee beren

[73] Norel                                     Engelandvaarders

[35] Paton Walsh Jill                   Toen ik zo klein was als jij

[52] Post                                        Kriebelpoten

[57] Pothast-Gimberg                Corso, het ezeltje

[32] Potter                                     Kinderrijmpjes

[50] Ray Jane                                Adam en Eva en de Hof van Eden

[76] Reen van                               Het wolfsvel en andere verhalen

[30] Reynolds Roome                  De olifant van de keizer

[27] Root                                        Wat nu Olivier?

[23] Ross                                        Help, ze ontvoeren de koningin

[91] Rutgers v.d. Loeff An          De kinderkaravaan

[89] Schaap                                 Lampje

[18] Schmidt Annie M.G             Abeltje
[19] Schmidt Annie M.G             De A van Abeltje
[36] Schmidt Annie M.G.            Jip en Janneke
[39] Schmidt Annie M.G.            Minoes

[48] Schouten                               Het teken van Wichart

[33] Sehlin                                    Maria’s kleine ezel

[54] Sherman                               Magisch hoefgetrappel

[7] Stöcklin-Meier                       Kindergeheimen

[9] Streit                                       Tatatoek

[84] Sutcliff                                 Robin Hood

[79] Terlouw                                Pjotr

[40] Topsch                                  Berenweer

[68] Vermeer                               Het geheim van de blauwe steen

[58] Visser                                    Niku de zigeunerjongen

[42] Voake                                   Rooie

[51] Vos-Dahmen                       De gouden pucarina
[65] Vos-Dahmen                       De komeet van Samos
[75] Vos-Dahmen                       Het monster van de vuursteenmijn

[78] Vriens                                 Een bende in de bovenbouw

[87] Vries de Anke                    Het geheim van Mories Besjoer

[41] Waddell                              De verhalen van Kleine Beer

[28] Weigelt                               Het bos aan de overkant

[61] Werner                               Mattijs Mooimuziek

[21] Westera                              Welterusten, Beer Baboen

[96] Wildsmith                          De leeuw en de muis

[80] Zeyl van                             Dieren om ons heen

.

Kinderboekbesprekingalle titels

Over de leeftijd

Over illustraties

.

1735-1626

.

.

  

 

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (5)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, lente 2000, nr.5

Voor iets grotere kinderen is Beskows herfstboek Okke, Nootje en Doppejan. Daarin kun je meeleven met twee eikeljongetjes die in hun spel op een dwarrelend eikenblad door de wind worden meegevoerd. Ze komen terecht tussen, een paar kaboutervrouwtjes die net de schoongewassen  kabouterbaarden ophangen. Ze worden aan het werk gezet en moeten de schone baarden bezorgen bij de kabouters. Ondertussen worden de jongens thuis gemist. De eekhoorn en het hazelnootmeisje Nootje gaan het hele bos door om hen te zoeken. Natuurlijk komt alles goed en is er tot slot een prachtig feest bij volle maan. Dit boek is in twee formaten verkrijgbaar. De kleine versie is ideaal om mee op herfstvakantie te nemen.

.

boek

vanaf 4 jaar

.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1733-1625

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (4)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, lente 2000, nr.5


PRENTENBOEK

Eigenlijk vergeten we nogal snel hoe het was om kind te zijn:
hoe je dan vanuit het diepste van je binnenste hunkert naar wat goed, mooi en echt is. Je leeft in een onuitgesproken, maar sterk verlangen naar een harmonische manier van opgroeien, zodat je later besluitvaardig het leven aan kunt en aandurft. Een van de basisvoorwaarden om zo te kunnen opgroeien is een beschermende omgeving in de eerste jaren. In zijn onbevangenheid staat een kind immers werkelijk voor alles open. Bescherming geef je een kind niet alleen door te zorgen dat hij niet aan kou of te felle zon wordt blootgesteld, maar ook door hem te behoeden tegen grofheid en namaak. Dat betekent dat je bij het uitzoeken van de eerste prentenboeken soms kritisch moet kijken naar de kwaliteit van tekeningen en tekst. Het samen bekijken en voorlezen van een prentenboek dat bij de leeftijd en de ontwikkeling van je kind past (niet zelden zijn op zich mooie prentenboeken alleen geschikt voor grote kinderen of volwassenen) kan een onuitputtelijke bron van gedeeld plezier zijn.

Voor de allerkleinsten is het belangrijk dat tekst en tekeningen van een prentenboek de ‘gewone’ dagelijkse dingen tot onderwerp hebben, zonder al te veel gekkigheid of volwassen humor. Voor peuters zijn boeken waarin veel herhalingen voorkomen heel geschikt. Kleine kinderen genieten bijna lijfelijk van herhalingen. Terugkerende thema’s in de tekst of woordherhalingen bieden hun rust en houvast op dezelfde manier als een regelmatig terugkerende boom of struik in een tuinontwerp je een prettig gevoel van ritme en oriëntatie in de ruimte geeft.

Iemand die niet is vergeten hoe het was om kind te zijn, is de kinderboekenschrijfster Elsa Beskow. Heel mooi en eenvoudig is het eerste prentenboek dat zij maakte: Het verhaal van het kleine, kleine oude vrouwtje. De fijne tekeningen staan in ronde kaders, waarin ook de tekst is opgenomen. Je kunt die al aan een heel jong kind voorlezen. Beskow heeft maar weinig woorden nodig om het verhaal te vertellen en aan het tikje ondeugendheid dat er in voorkomt – een poesje dat stiekem van de melk snoept – zal zelfs een tweejarige veel pret beleven.
.


boek

vanaf 2 jaar

..

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1732-1624

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (3)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, lente 2000, nr.5

Het is voor kinderen niet altijd even gemakkelijk gevoel te krijgen voor de oorsprong van allerlei gewone dingen. Geld komt toch uit de muur, melk uit de fles en honing uit een pot? Een geweldig boek om speels aan de weet te komen waar kleren vandaan komen en hoe ze worden gemaakt, is Pelles nieuwe kleren van Elsa Beskow. Het is een echt lenteboek, want het begint zo:
‘Pelle had een lam dat helemaal alleen van hem was. Het lam werd groter maar Pelle werd ook groter. De wol van het lam werd steeds langer en Pelles kleren werden steeds korter. Toen nam Pelle een schaar en schoor daarmee de wol van het schaap af’.
En dan begint Pelles tocht langs de mensen die hem helpen’. Oma kaardt de ruwe wol heel fijn, terwijl Pelle ondertussen het onkruid tussen de worteltjes in haar moestuin wiedt. De andere oma spint de wol op haar spinnewiel als Pelle haar koeien hoedt. Bij zijn oom de schilder vraagt hij om verf om zijn wol te verven. Oom lacht: ‘Zulke verf heb ik niet hoor; maar je mag bij de winkel aan de overkant van het meer terpentine voor me halen en voor de rest van het geld de goede verf kopen.’
Dus roeit Pelle naar de overkant, krijgt een puntzak blauwe verf en verft de wol helemaal blauw.

Voor kinderen van een jaar of vijf is dat een openbaring. Zo is mijn trui dus blauw geworden! Pelles moeder weeft een lap van de wol terwijl hij zijn zusje pap voert en de kleermaker naait daar een jasje en broek van. ’s Avonds is Pelles nieuwe pak klaar. De volgende dag trekt hij het aan. Pelle stapt naar zijn lam en zegt: ‘Dankjewel voor deze mooie kleren.’

Dit is misschien, wel een van de mooiste prentenboeken die ik ken. Zoals alle Beskows prentenboeken zou je de tekst en plaatjes ouderwets kunnen noemen. Maar ze zijn onovertroffen in hun vermogen de essentie van een tijdloos levensthema te raken: het spel van geven en nemen tussen mensen onderling en tussen mensen en de natuur om te kunnen voorzien in de meest basale levensvoorwaarden. Kleuters herkennen dit verhaal. Het beantwoordt aan hun verlangen te weten hoe de wereld in elkaar zit.

boek

vanaf 4 jaar

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1731-1623

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (2)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, lente 2000, nr.5


In een goede sfeer aan tafel kun je ook met jonge kinderen al een tafelgesprekje voeren. Bijvoorbeeld over de herkomst van het eten. Een leuk prentenboek over een aardappelplant is De muis en de aardappel van Thomas Berger met kleurige krijtillustraties van Carla Grillis.

Het dochtertje van de boer stopt in het voorjaar een enorme aardappel onder de grond. Al gauw begint die flink te groeien en te bloeien. Als de boer de reuzenaardappelplant uit de grond wil trekken om de aardappels te oogsten, lukt dat niet. Zelfs niet met behulp van zijn vrouw, de knecht, de meid, het kind, de hond en de poes die om beurten komen helpen. Uiteindelijk lukt het met hulp van de muis. ’s Avonds smullen ze allemaal van aardappelkoekjes (en de muis van de kruimels). Peuters genieten van het ‘zwaan-kleef-aan-thema’ en kunnen zo’n verhaal telkens opnieuw horen.

.

Boek

vanaf 4 jaar

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbespreking: alle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1730-1622

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking – alle titels

.

over het prentenboek in [4]
.

besproken titels


de titels staan in alfabetische volgorde                                                 

97

alfabetische volgorde van auteurs

.

[59] 4 jaargetijden                                                      Cramer Rie

[18] Abeltje                                                                  Schmidt Annie M.G.

[19] De A van Abeltje                                                  Schmidt Annie M.G.

[50] Adam en Eva en de Hof van Eden                       Ray

[86] Alice in wonderland                                             Carroll

[8] Annika                                                                   Beskow

[11] Bakersprookjes                                                    Keller

[40] Berenweer                                                          Topsch

[43] Bij beer thuis                                                      Lobel

[85] Boris                                                                   Haar ter Jaap

[63] Candy, kom terug                                             de Jong

[31] Chelm is overal                                                   van Eck

[57] Corso, het ezeltje                                                Pothast-Gimberg

[45] De brief voor de koning                                    Dragt

[26] De dagen daarna                                               Lieshout van

[53] De gouden bal                                                   Cock de

[51] De gouden pucarina                                          Vos-Dahmen

[91] De kinderkaravaan                                            Rutgers v.d.Loeff A

[65] De komeet van Samos                                       Vos-Dahmen

[96] De leeuw en de muis                                          Wildsmith

[55] De liefste vraag                                                  Jonge de

[69] De man in het vuur                                           Fährmann

[2]  De muis en de aardappel                                   Berger

[30] De olifant van de keizer                                    Reynolds Roome

[41] De verhalen van Kleine Beer                            Waddell

[34] De Zevensprong                                              Dragt

[80] Dieren om ons heen                                         Zeyl van

[66] Dik Trom                                                          Kieviet

[78] Een bende in de bovenbouw                            Vriens

[24] Een bos vol dierenkinderen                             Cleemput van

[15] Een dikke vette pannenkoek                            Koopmans

[73] Engelandvaarders                                            Norel

[62] Er waren eens twee beren                               Muschg

[70] Flok de kuifmees                                             Demetz

[88] Geheimen van het wilde woud                       Dragt

[90] Gekaapt!                                                         Beckman

[23] Help, ze ontvoeren de koningin                      Ross

[37] Het appeltulbandje                                          Hichtum van Nienke

[82],Het behouden huis                                          Hildebrand A.d.

[28] Het bos aan de overkant                                  Weigelt

[68] Het geheim van de blauwe steen                    Vermeer

[87] Het geheim van Mories Besjoer                     Vries de Anke

[83] Het grote huis                                                 Franke S.

[81] Het hoofdpijnmysterie                                    Barnard

[75] Het monster van de vuursteenmijn                  Vos-Dahmen

[64] Het scheepsmaatje                                           Malot H

[48] Het teken van Wichart                                     Schouten

[4]  Het verhaal van het kleine, kleine vrouwtje      Beskow

[60] Het vogeltje dat te ver vloog                           Ainsworth

[77] Het wereldje van Beer Ligthart                         Haar  ter

[76] Het wolfsvel en andere verhalen                     Reen van

[67] Het zwaard van Brittannië                               Herzen

[1]  Ik geef je niet voor een kaperschip                   Baal/Stigter

[22] Is er iemand thuis                                            Maris

[46] ’t Is zomer                                                        Dijkmeier

[36] Jip en Janneke                                                  Schmidt Annie M.G.

[74] Joël en de veenheks                                        Dubbelboer

[6]  Kan ik er ook nog bij?                                       Koopmans

[7]  Kindergeheimen                                                Stöcklin-Meier

[32] Kinderrijmpjes                                                  Potter

[92] Klein babydierenboek                                       Botman
[93] Klein bosdierenboek                                         Botman
[94] Klein insectenboek                                            Botman
[95] Klein slaapdierenboek                                       Botman
[97] Klein vogelboek                                                 Botman

[52] Kriebelpoten                                                     Post

[14] Lammetje waar ben je?                                     Elzässer

[89] Lampje                                                              Schaap

[56]  Lasse Länta                                                      Bruijn

[20] Liselotje gaat logeren                                       Busser

[54] Magisch hoefgetrappel                                    Sherman

[29] Lotta kan al fietsen                                           Lindgren

[33] Maria’s kleine ezel                                            Sehlin

[61] Mattijs Mooimuziek                                          Werner

[16] Mijn broertje en ik                                             Dort van E

[39] Minoes                                                              Schmidt Annie M.G.

[12] Nikkie en Sanne en de jaarklok                        Ichikawa

[13] Nikkie en Sanne gaan naar de markt               Ichikawa

[58] Niku de zigeunerjongen                                  Visser

[5]  Okke, Nootje en Doppejan                               Beskow

[44] Olle’s skitocht                                                  Beskow

[25] Op de boerderij                                               Cleemput

[3]  Pelle’s nieuwe kleren                                         Beskow

[79] Pjotr                                                                  Terlouw

[84] Robin Hood                                                      Sutcliff

[42] Rooie                                                                Voake

[17] Spelen met de vingers                                      IJzerman

[9]  Tatatoek                                                             Streit

[35] Toen ik zo klein was als jij                                Paton Walsh J

[10]  Tomte Tummetot                                             Lindgren

[71] Tussen drie vuren                                             King

[66] Uit het leven van Dik Trom                               Kieviet

[59] (vier) 4 jaargetijden                                          Cramer

[38] Vrouwtje Appelwang                                       Ainsworth

[27] Wat nu Olivier?                                                 Root

[21] Welterusten, Beer Baboen                                Westera

[47] Wij uit Bolderburen                                          Lindgren

[72] Zomer                                                               Muller

[49] Zwerftocht met Korilu                                      Beckman

.

Kinderboekbesprekingalle auteurs

Over de leeftijd

Over illustraties

.

1729-1621

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (1)

..

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, lente 2000, nr.5

Een doeltreffende manier om eetproblemen met kleine kinderen te omzeilen is het zeggen van een versje waardoor het kind ongemerkt zijn mond opent en een hap doorslikt. Wanneer je zo’n rijmpje met plezier en zonder al te veel show opzegt kan het een soort toverformule worden. Er zijn zoveel versjes en gedichtjes voor kinderen dat er voor ieder voorval in het kinderleven wel één te vinden is die aansluit.
Klank en ritme werken positief in op de taalontwikkeling en bovendien kun je er samen veel plezier aan beleven.


Ik geef je niet voor een kaperschip met 200 witte zeilen‘ is een gedichtenbundel voor kinderen met oude en nieuwe versjes en verhaaltjes op rijm voor alle mogelijke gelegenheden en van verschillende auteurs. Voor het eten is er bijvoorbeeld dit rijmpje:

Kindje, ‘k zal je voeren
Lekkere zoete pap
Met een zilv’ren lepeltje
Mondje open – hap!

Daar komt een grote wagen
Stappe-stappe-stap G
auw het schuurtje open…
Wagen binnen – hap!

Dit gedichtje van Rie Cramer tovert de zwarigheid van het misschien-niet-willen-eten om naar vrolijkheid.

Boek
.
vanaf 1 jaar

.

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbespreking: alle auteurs

.

1728-1621

.

VRIJESCHOOL – Poëzie – over de roos

.
Wanneer het in de (hogere) klassen van de middelbare vrijeschool om poëzie gaat, kan dit artikel een waardevolle achtergrond zijn voor de behandeling van bepaalde gedichten. Ook de meer filosofisch getinte gedachten kunnen in het aan de orde stellen van deze manier van denken een bepaalde handleiding vormen.

De roos in de poëzie

De vraag: ‘Waarom lees je gedichten?’ is niet zo eenvoudig te beantwoorden. Voor de hand liggende antwoorden zijn natuurlijk: ‘Ik lees gedichten, omdat ik ze mooi vind’, of: ‘Gedichten doen me wat’. Hiermee is echter weinig wezenlijks gezegd. Beide antwoorden geven aanleiding tot het stellen van vragen. Immers: als je zegt dat je gedichten mooi vindt, rijst onmiddellijk de vraag: ‘Waarom vind je ze mooi?’
Als je zegt dat gedichten je wat doen, stuit je op de vraag: ‘Wat doen gedichten eigenlijk?

De vraag naar het waarom van gedichten lezen, roept een aantal achterliggende vragen op, die alle een antwoord behoeven. In dit artikel wil ik* een aantal van die vragen bewust maken en proberen ze te beantwoorden.

De vraag luidde: waarom lees je gedichten? Het eerste antwoord was: ik vind gedichten mooi.
De tweede vraag luidde toen: waarom vind je ze mooi?
Het antwoord kan zijn: ik vind ze mooi, omdat de dingen er vaak zo prachtig in worden gezegd.
Als je een voorbeeld wilt geven, kun je zeggen: De meeste mensen zeggen iets gewoon in alledaagse taal, bijvoorbeeld: ik had vroeger een groot verdriet.

Roland Holst kon het veel mooier zeggen:

‘Al menig najaar ritselt en dwerelt
over het graf van een oud verdriet.’

Een ander zal niet zeggen: de dingen worden in gedichten mooi gezegd, maar: de dingen worden ontroerend gezegd. Ook hij kan voorbeelden vinden:

Wij sloegen hem aan ’t kruis. Zijn vingers
grepen
wild om den spijker toen ’k den hamer hief –
Maar hij zei zacht mijn naam en: ‘Heb mij
lief-
En ’t groot geheim had ik voorgoed begrepen.
(Nijhoff)

Een derde zal zeggen: in gedichten worden de dingen op een verrassende, treffende manier beschreven. Zijn voorbeeld:

Zag ik een bloesem
die naar haar tak terugkeerde?
Ach, ’t was een vlinder.
(Moritake)

En zo kunnen we doorgaan: schoonheid, ontroering, verrassing, helderheid, geheimzinnigheid, eerlijkheid, grappigheid, enz… het zijn allemaal elementen die we in poëzie kunnen aantreffen.
Een tijdje verkeerde ik in de veronderstelling, dat hiermee het wezen van poëzie was begrepen: poëzie brengt zielenstemmingen teweeg. Ze ontroert, verrast, verblijdt, verstilt, enz. Het beleven van de poëzie leek een wandeling door een museum van menselijke gevoelens. Het stellen van verdere vragen doet echter inzien dat er meer schuilt in veel poëzie. Met de ontdekking dat poëzie menselijke gevoelens beschrijft, is niet het wezen van poëzie blootgelegd, maar slechts benaderd, aangeraakt.

De volgende vraag die gesteld moet worden is deze: in gedichten vind ik beelden die indruk op mij maken. Maar hoe kan het, dat het ene beeld ‘overtuigender en werkzamer’ is dan het andere?
De eerste lezing van het gedicht ‘Hulshorst’ van Gerrit Achterberg was een onvergetelijke belevenis, terwijl het gedicht ‘Vreemd’ van Arie Gelderblom in het geheel geen indruk achterliet.

Hulshorst

Hulshorst, als vergeten ijzer
is uw naam, binnen de dennen
en de bittere coniferen, roest uw station;
waar de spoortrein naar het noorden
met een godverlaten knars
stilhoudt, niemand uitlaat
niemand inlaat, o minuten,
dat ik hoor het weinig waaien
als een oeroude legende
uit uw bossen: barse bende
rovers, rans en ruw:
uit het witte veluwhart.

Vreemd

er stond een regenboog aan de hemel
die alleen blauw was.

Beide gedichten begrijp ik, dat wil zeggen, ik weet waar beide dichters op aan sturen. Doch de uitwerking van beide gedichten is volkomen verschillend. Achterberg brengt iets onder woorden dat ik onmiddellijk herkende. Ik heb nogal eens in de stoptrein Utrecht-Zwolle gezeten en een van de vele plaatsjes die deze trein aandoet is Hulshorst. Al die Veluwse plaatsjes langs de spoorlijn hebben een bepaald karakter, wekken een stemming op die vaak blijft sluimeren aan de rand van het bewustzijn (dit geldt trouwens niet alleen voor Veluwse plaatsjes). Het is meestal moeilijk die sluimerende stemming tot een heldere voorstelling te laten worden. Toen ik het gedicht van Achterberg las kreeg ik het gevoel dat hij nu precies in een helder beeld had gevat wat mij onbewust was bijgebleven. Ik herkende zijn beschrijving terstond: de bewuste ‘ontmoeting’ met Hulsthorst vond plaats. Ik werd er wijzer van.
Van het gedicht van Arie Gelderblom word ik niets wijzer. Ik verdiep me tijdens het lezen ervan even in de verwarring die het wil stichten: wat is nu blauw, de hemel of de regenboog? De hemel natuurlijk, alhoewel de zinstructuur even doet denken dat de regenboog blauw is. Trouwens, kan een regenboog verschijnen aan een hemel die alleen blauw is? Nee, tenzij je met een tuinslang de bloemetjes water geeft. Doet Gelderblom dat misschien? Lijkt me van niet. Vreemd, inderdaad. Vreemd… en zo mijmer ik nog even verder tot ik uitgemijmerd ben. Als ik zover ben – en dat duurt niet lang – is het gedicht dood, ontkracht, en lees ik – na schouderophaal – verder. Niks wijzer. Even om de tuin geleid, even gemijmerd en verder niets. ‘Grapje’ denk je hoogstens. Het gedicht van Achterberg geeft het gevoel: dit is waar! Het gedicht van Gelderblom laat niets achter dan de gewaarwording: ik heb me uit een verwarring gemijmerd, zonder er door verrijkt te worden. Achterberg voegt iets toe aan mijn werkelijkheid. Gelderblom niets, behalve misschien de ontdekking dat je met taal allerlei grapjes kunt uithalen, maar dat wisten we al lang.

Het besef dat beelden krachtiger op je inwerken, naarmate ze – naar je gevoel – meer waar en bovendien nieuw zijn, is een belangrijke stap in de richting van het begrijpen van het wezen van de poëzie. Een krachtig beeld is waar én nieuw, dat wil zeggen de gewaarwording die door het beeld wordt gedragen en die je als waar ervaart, had je op die manier niet eerder gehad. (Er zijn veel ware beelden die niet nieuw zijn. Die noemen we clichés). Op deze stap volgen vragen die de zaak eerst recht ingewikkeld maken: als je het gevoel hebt dat iets waar is, is het dan ook waar? Hoe moeten wij met deze gevoelswaarheid omgaan? Maar voordat we deze vragen kunnen beantwoorden, moeten we eerst weten onder welke omstandigheden wij iets waar vinden. Wat bedoelen we als we zeggen: Iets is waar.

Als we een roos bekijken en de bladeren tellen, zeggen we: deze bloem heeft vijf kelkbladeren. Als we aan de juistheid van deze waarneming twijfelen, kunnen we de bladeren nog een tweede maal tellen, en als we dan weer uitkomen op het getal vijf, zeggen we: het is waar dat deze bloem vijf kelkbladeren heeft. Geen zinnig mens zal – als hij zelf nog eens geteld heeft – aan deze waarheid twijfelen.

We kunnen over de roos nog veel meer zeggen wat iedereen als waar ervaart: de rand van de bladeren is getand, de bloemen zijn enkelvoudig, aan de stengel zitten doornen, enz. We kunnen zo komen tot een categorische beschrijving van de plant, waarin alle (of een aantal) waarnemingen die wij met de zintuigen hebben gedaan, zijn ondergebracht. Wij bundelen al deze gegevens samen met gegevens van andere planten in een flora; gaan zelfs zover dat we relaties tussen planten vastleggen (plantenfamilies), daarbij uitgaand van dezelfde soort categorieën op grond waarvan we de roos beschreven, en zeggen: wat in deze flora staat is waar. Met behulp van het denken hebben we de wereld van de verschijnselen ingedeeld, in categorieën ondergebracht. Deze functie van het denken is voor ons zo vanzelfsprekend, dat de ontdekking dat het denken niet altijd is geweest wat het nu is, verbazing en ongeloof wekt. De geschiedenis van de wetenschap en de filosofie leert ons, dat het Aristoteles is geweest, die het menselijk denken voor het eerst met het oog op de categoriserende functie ervan, heeft bestudeerd en die als vader van de westerse wetenschap voor het eerst op grote schaal verschijnselen categorisch heeft beschreven. Zijn belangstelling voor de planten en de dieren was zo groot, dat hij Alexander de Grote, die op zijn tochten door gebieden kwam die voor de Grieken onbekend waren, planten en skeletten liet zenden naar Athene. Hij bestudeerde ze en vergeleek ze met voorbeelden uit zijn eigen omgeving. Aristoteles ontdekte zo samenhangen, die in zijn tijd grote verbazing wekten. Voor ons zijn dit soort studies gesneden koek.

De beschrijving van een plant, is niet de plant zelf. Dit is natuurlijk een open deur, maar het is van belang deze deur binnen te gaan om te zien wat er achter is. Want wat is een beschrijving dan wel? De mens neemt een plant waar. Hij verinnerlijkt de plant door er zich een voorstelling van te vormen. Hij schept de plant na. Hij denkt de plant na. In het innerlijk van de mens leven krachten, waarmee een beeld van de omringende wereld wordt gevormd. Het beeld dat de mens zich vormt wordt exacter – zeggen wij – naarmate de categoriale aspecten van het waargenomene meer zichtbaar worden. De categorieën maken het waargenomene tot een transparant mentaal beeld. De mens beschrijft de plant, nadat deze is verinnerlijkt, dat wil zeggen nadat de mens er zich een beeld van heeft gevormd en zich klaarheid heeft verschaft over de bouw en de vorm van de plant door haar te bezien in het licht van de (ideeële) categorieën. Een beschrijving van een plant is het resultaat van een proces, waarin de plant als het ware door de mens is heengegaan.

We zijn nu aangekomen op een punt, waarop het stellen van vragen niet langer zinvol is. De vraag rijst immers: Waarom leidt denken tot waarheid? Deze vraag kan leiden tot boeiende discussies, waarbij echter altijd één ding opvalt: zelfs de mensen die menen dat het denken niét tot waarheid leidt, trachten dit duidelijk te maken met behulp van het denken. Steeds weer zoeken ze argumenten, die echter alle kracht zouden verliezen, zodra ze in de praktijk zouden brengen wat ze proberen te bewijzen. Ook de mensen die menen dat het denken niet tot waarheid leidt, geven blijk van een spontaan vertrouwen in het denken op het moment, dat ze hun stelling met redenen omkleden. Op dit punt staat de mens eeuwig schaak, zou je kunnen zeggen. Het antwoord op de vraag: Waarom leidt denken tot waarheid?, luidt dan ook: deze vraag kan met het denken niet worden beantwoord. Ieder antwoord dat het denken geeft schuift de vraag op. Eeuwig schaak. We kunnen alleen in onszelf waarnemen, dat we een spontaan vertrouwen hebben in het denken, zoals we ook een natuurlijk vertrouwen hebben in de lucht die we inademen. Stop het ademhalen en je sterft. Stop het denken en je verliest jezelf.

Wij ervaren dus als waar, wat zuiver is waargenomen en waarover zuiver is nagedacht. Zuiver waarnemen en zuiver denken zijn de twee voorwaarden voor “verstandskennis’ (Het woord ‘zuiver’ zou hier vervangen kunnen worden door het woord ‘objectief’).

In een gedicht over Sappho (Grieks dichteres, 630 v. Chr. – 570 v. Chr.) vergelijkt Ida Gerhardt Sappho’s strofen met rozen. Het beeld dat zij van de rozen geeft, herkende ik onmiddellijk: ik had hetzelfde gevoel gehad bij het kijken naar rozen die al over het bloeihoogtepunt heen zijn:

Fragment

Als grote rozen voor een donkerend raam
de strofen, met het weggeborgen hart
van purper, haast versomberd tot zwart.
Als grote rozen voor een donkerend raam.
Sappho, de ondoorgrondelijke naam.

‘Het weggeborgen hart’, ‘het ondoorgrondelijke’, ‘de grote rozen’: deze beelden roepen het gevoel op dat men kan hebben’ bij het kijken naar rijpe rozen. Het gevoel van het geheimzinnige, het verborgene, het grote dat achter de dingen is. Het ondoorgrondelijke. Het ondoorgrondelijke dat je in paars geworden rozen kunt beleven, wordt sterk voelbaar door het beeld: ‘grote rozen voor een donkerend raam’. In paarse rozen kun je wegzinken, opgaan in het grote dat erachter is: het donkerend raam (er valt natuurlijk meer te zeggen over de betekenis van de rozen in dit gedicht. Er is bijvoorbeeld een verband met de liefde. Dat wil ik hier buiten beschouwing laten).

Een bioloog neemt een roos waar en denkt erover na. Ook de dichter neemt rozen waar, maar hij doet er heel iets anders mee dan de wetenschapper. Ik zei al dat de waarheid die we in poëtische beelden ervaren een gevoelswaarheid is. Zoals de wetenschapper de roos verinnerlijkt om het licht van het denken erover te laten schijnen, zo verinnerlijkt de dichter de roos om er tevens het licht van het gevoel over te doen schijnen. Een dichter neemt de roos waar, maar let daarbij niet alleen op het aantal kelkbladeren, de dikte van de stengel, enz. Waar het denken belang stelt in categoriale kenmerken, zoekt het gevoel naar de stemming, de ‘zielenkleur’ die van het verschijnsel uitgaat.

Zodra het onderscheid tussen verstandswaarheid en gevoelswaarheid me duidelijk was, rees de volgende vraag: je kunt nu wel het gevoel hebben dat iets waar is, maar is het dan ook waar? De zielenstemming die je meent waar te nemen, is dat iets objectiefs? Of is dat niets anders dan een soort
gevoelssamenstelling van herinneringen, verlangens, e.d.? Bestaat die zielenstemming, die zielenkleur die je waarneemt bij het kijken naar een roos ook buiten jou?

Nu is het een gewoonte geworden om de categoriale kenmerken ‘objectief’ te noemen, dat wil zeggen meetbaar, terwijl men de zielenkleur ‘subjectief’ noemt. Deze gewoonte is het resultaat van een wetenschapsopvatting die in Europa in de zeventiende eeuw gestalte kreeg in de werken van onder andere Newton en Locke, het zogenaamde empirisme. Alles wat objectief is, kun je hard maken, in getallen en maten weergeven, met je zintuigen waarnemen,… en daar houden we van. Vrijwel de gehele hedendaagse wetenschap roemt zichzelf om haar objectiviteit: de uitkomsten kunnen in principe door iedereen gecontroleerd worden. Het predikaat ‘subjectief’ wordt gebruikt om het tegendeel van algemene geldigheid aan te duiden. Een subjectieve ervaring geldt alleen voor het subject dat de ervaring heeft. Subjectief wordt dan ook in de regel in geringschattende zin gebruikt. Gedachten kunnen helder zijn en dus objectief. Gevoelens zijn alleen maar vaag, dus subjectief.

En hiermee lijkt de poëzie op de schroothoop te zijn beland. ‘Als tijdverdrijf wel leuk, maar met kennis heeft het niks te maken.’ Gevoelens zijn subjectief, dus poëtische beelden, waarin je een zielenkleur ervaart, ook.

Maar: is de rooservaring van Ida Gerhardt subjectief? Geldt deze ervaring alleen voor haar? Zeker niet. Ze geldt bijvoorbeeld ook voor mij, maar ook vele dichters en dichteressen hebben er in hun gedichten blijk van gegeven, dat het ‘ondoorgrondelijke’ voor hen nauwverbonden was met de roos. De twee volgende voorbeelden zijn niet bedoeld als bewijs voor deze stelling. Ze zijn bedoeld als illustratie. Iedereen kan voor zichzelf gaan zoeken naar ‘roosgedichten’ om de juistheid van het beweerde te toetsen. (Het is overigens een goede wijze van kennismaken met de poëzie om uit te gaan van een bepaald thema of dichterlijk beeld. Als je bijvoorbeeld op zoek gaat naar de gevoelswaarnemingen van de herfst, de jeugd, de boom, de moeder, de lelie, enz., ervaar je de eenheid en de verscheidenheid van die waarnemingen en bovendien krijg je vertrouwen in de poëtische waarneming als zodanig).

Het eerste voorbeeld is van de Mexicaanse dichter Xavier Villauruttia (vertaald door H.C. ten Berge). In deze ‘Roos nocturne’. wil de dichter spreken van de roos. Hij zegt:

Het is niet de windwijzer roos,
noch het geheime gezwel,
noch de stipte roos die de tijd geeft,
noch de zee kompas roos.

Hij wil spreken van een andere roos. Hij zegt dan:

Nee, het is niet de roos roos
maar de ongeschapen roos,
de nachtelijke,
de onstoffelijke roos,
de lege roos.

En de eerste regel van de volgende strofe luidt:

Het is de roos van de tastzin
in het diepe donker.

Voor Xavier Villauruttia hangt de roos samen met het verborgenen, het ondoorgrondelijke. Dat blijkt uit bovenstaande strofe, maar ook uit de laatste drie regels van het gedicht:

de zwarte roos van kool diamant
die geruisloos het diepste donker doorboort
en geen plaats inneemt in de ruimte.

Het tweede voorbeeld is van Rainer Maria Rilke. In veel van zijn gedichten beschrijft hij rozen. Ik koos een aantal regels uit het gedicht ‘Das Rosen-Innere’. Het gedicht begint met de vraag:

Wo ist zu diesem Innen
ein Aussen?

en een tweetal regels verder:

Welche Himmel spiegeln sich drinnen
in dem Binnensee
dieser offenen Rosen,
(…).

En ook:

(…)viele Hessen
sich überfüllen und fliessen
über von Innenraum (…).

Ik weet uit eigen ervaring dat het gevoel buitengewoon subjectief kan zijn. Maar dat kan ook het geval zijn met het denken, vandaar ook dat we zeggen: zuiver denken leidt tot waarheid. We erkennen het zuivere (objectieve) denken als wetenschappelijk kenorgaan. We doen dat, omdat een individuele ‘denkhandeling’ controleerbaar is. Iedereen is bereid een gedachte van een ander te aanvaarden na deze te hebben getoetst aan de waarneming en de logica. De basis van deze bereidheid ligt in het gemeenschappelijke vertrouwen in het denken.

Dit alles kan ook gelden voor het gevoel. Als wij thuis raken in het gevoelsleven, zoals wij thuis zijn in het denken, kan een gevoelszuiverheid ontstaan, waarin het emotionele sympathie- en antipathiebeleven de waarnemingen niet langer een subjectieve kleur geeft, maar waarin in de verstilling stemmingsgestalten groeien die ons wezenlijke eigenschappen van de verschijnselen openbaren. Deze openbaringen zijn objectief: de mensen die de weg van de emotieverstilling zijn gegaan, kunnen ze controleren. Alle grote dichters blonken uit in het verstild waarnemen. Ze namen mensen, bomen, dieren, bloemen, ideeële voorstellingen enz. waar, zonder zich persoonlijk te mengen in de indruk die dit alles op hen maakte. Het denken, zeggen wij, hoort vooroordeelloos te zijn. Het gevoel zou ook zonder zelf iets te willen, zonder zelf emotionele doelstellingen te hebben, vrij moeten zijn, zoals het denken vrij kan zijn.

Na een aantal vragen te hebben gesteld (een andere vragenreeks zou ook mogelijk geweest zijn: klank- en ritme-aspecten zijn bijvoorbeeld niet aan de orde geweest) komen we weer uit op de eerste vraag: Waarom lees je gedichten?

In goede gedichten word je geconfronteerd met ware gevoelswaarnemingen. De dichterlijke beelden verruimen onze ervaring en dat geeft plezier. Maar tevens wordt door het mediterend lezen van gedichten onze gevoelswaarneming geschoold, zodat we zelf steeds zelfstandiger en objectiever als gevoelswezen in de wereld kunnen staan. En dat is belangrijk in een tijd waarin voor velen nog steeds de uitspraak van Fleming geldt: ‘Gevoel is iets waar ik niet mee bekend ben.’

.

*Jelle van der Meulen, Jonas 18, 04-05-1979

.

11e klas: alle artikelen

deze verwijzing naar de 11e klas betekent niet dat de inhoud per se voor de 11e klas is bedoeld, e.e.a. kan ook in 12, wellicht in 10 gebruitk worden.
,

Nederlandse taal: alle artikelen

.

1603-1502

.

.

VRIJESCHOOL – 9e klas – taal: opstellen in ‘stijl’ (4)

.

Dit artikel is het vervolg op ‘deel 1’ , deel 2 en deel 3.  Ik heb het in de oorspronkelijke spelling laten staan. 

OPSTELLEN VAN KINDEREN. (Vervolg)

Het stylistisch vermogen der kinderen, dat in de achtste klas vooral gevormd werd door het schrijven van handelsbrieven, krijgt in de negende klasse een vrijer arbeidsveld, namelijk het historische opstel. De historische leerstof van de negende klas omvat de moderne geschiedenis vanaf de tachtig- en dertigjarige oorlog ongeveer.
Over hetgeen in de geschiedenisperiode behandeld werd, moeten de leerlingen in de literatuurperiode opstellen maken — tevens een schoone herhaling van de geschiedenis!

Nu gaat echter lang niet altijd de menschelijke ontwikkeling steeds in een rechte lijn voorwaarts. Het stijlvermogen der kinderen ondervindt m.i. op ongeveer vijftienjarigen leeftijd eenige beperking. Het is vooral de lichte stijl, die de kinderen meester zijn, terwijl zwaarder stijlvormen moeilijkheden opleveren. Ik druk — om de voorbeelden extra-karakteristiek te maken — kleine opstellen van twee melancholische kinderen (die van nature juist neigen tot het zwaarder genre) af. Er werden ook grootere opstellen gemaakt, doch deze voorbeelden zijn waarschijnlijk sprekend genoeg, zoowel voor ’t lichte- in den stijl, als voor het stijlvermogen.

Drieentwintigste voorbeeld

Fransche salon

Helder, stralend licht van vele duizenden kleine vetkaarsjes — stralend licht, hoewel een beetje walmig en benauwd. Zwierige meubelen in rococostijl en hooge, groote spiegels, schitterend, die alles verdrie-, viervoudigen. Zware zijden, ruischende gewaden (soms al van groot- en overgrootmoeder) met ellenlange slepen en kilometer hooge coiffures. Zij spiegelen naar alle kanten rond geleerde gezichten (van de dames natuurlijk) en schoone, edele, dappere, geestige, krijgslustige, prachtige, snoezige (ach, ach) gezichten van de heeren; buigend en beleefd (doodsbenauwd voor de dames. ,,Zoo akelig geleerd, he! Niks voor ons.” Maar dat kan je natuurlijk niet laten merken. Liever sterven, ah, ah, prachtig, met het zwaard in de hand.)

— „Monsieur de Sévigné, hebt u Keppler’s nieuwste boek over natuurwetenschappelijke onderzoekingen al gelezen?” ,,Eh, ja, eh, mevrouw. Werkelijk, het leek mij, eh, ook zoo buitengewoon interessant, daarom heb ik het ook nog niet, ach nee, ben ik ook van plan het zoo spoedig mogelijk te lezen. Ja, die Keppler, welk een schoone geest, nietwaar Mevrouw; ach, ik aanbid hem (eh, uit de verte), ik bestudeer en lees alles van hem (o God, wat zei ik toch), ja Mevrouw, ik dweep met hem!”

Vierentwintigste voorbeeld

Spanje aan het eind van de 17e eeuw

Boem, boem, boem —

Spanje is dood, dood — boem, boem, dood, dood, dood —
Zware galmen vervulden de lucht, grauwend de wolken en traag vloeit een rivier.
Lange droeve kreten weerklonken, smart beheerschte de menigten, rouw de harten.
Zie, die treurig lange, grauwende stoet, de lange stoet, optrekkend door het land; want Spanje is dood.
Weenende, groote gestalten; kermende doffe ellende, zie hoe zij optrekken. Optrekken door het land. Langs verlaten dorpen en mijnen, die vervallen zijn en akelige havens met half verrotte schepen.
Boem, boem. Dood. Spanje, Spanje is dood.

Vijfentwintigste voorbeeld

Spanje in ’t begin der 17e eeuw

Het is een stille nacht over Madrid. De straten zijn verlaten: doch daar sluipt iets roods, een groote hoed, een warbos van linten; ’t is al voorbij geslopen. ”
Daar beweegt zich nog iets in dezelfde richting: ’t is groen, een kleine hoed met reusachtige veeren, een warbos van linten; ’t is al voorbij. Nu is ’t weer eenzaam op straat.
Maar daar beweegt zich weer iets, wit, vliegend; ’t is een duif, die vergat te slapen.
Doch nu is de stilte geweken. Uit iedere duistere hoek klinken de serenades op in de lucht, bestemd voor een Spaansche schoone. Hier een cavalier op de knieën liggend, met smeltende stem, begeleid door in elkaar vloeiende tonen en accoorden der gitaar, zijn schoone toezingend. Daar een cavalier, zijn serenade geëindigd, wachtende op een bloem, een lied of slechts een blik van haar. Weer iets verder klinkt een helderzingende stem van een Spaansch meisje dat aan het open verlichte venster staande, een serenade beantwoordt. Als het geëindigd is, valt een witte roos naar beneden, plotseling is ’t venster dicht en donker. De roos wordt door hem opgeraapt, hij drukt de roos aan zijn hart, aan zijn lippen….. dan is ook hij verdwenen.

Zes en twintigste voorbeeld

Spanje aan het eind der 17e eeuw

Donkere donderwolken pakken zich samen. Donderend en brullend bruischt de zee tegen de zwarte rotsen.
In de verte is op de woeste zee een donkere massa zichtbaar: een vloot. De witte dorpjes langs de kust gelegen op de zwarte rotsen lijken grauw en verlaten. Geen wonder. De zeeroovers hebben de gansche Spaansche kunst leeggeplunderd. Nu naderen daar de onheilspellende zwarte drakenschepen. De zeeroovers hebben een goed land uitgezocht. Soldaten zijn niet te vinden. De menschen zijn allen teruggegaan naar de grauwe steden. De groote huizen staan er leeg en kaal. Vuil, met donkere ramen en grijze muren. De menschen zijn bedelaars en vagebonden, weerloos.
Krijgsgeschreeuw klinkt en weerklinkt in de straten. De zeeroovers!
Ook hier is geen bedelaar veilig en in dichte drommen trekken de weerlooze loome menschen weg. Weg naar een andere stad, om daar weer verjaagd te worden.
En de koning? Heeft dit land dan geen koning? Geen ministers?
Is er niet één in dit land, die iets kan?
In ’t paleis van den koning is ’t stil. De koning is een gek, die niet weet, dat hij regeeren moet. Met doffe oogen en een doffe geest wacht hij op den dood, tot deze hem komt halen uit dit tot verval gedoemde land.

De lichte stijl, die de kinderen op dezen leeftijd zoo graag gebruiken, vindt uitstekend zijn weg in korte gedichtjes, waartoe zij snel komen. Hiervan enkele voorbeelden:

Zevenentwintigste voorbeeld

Marie Antoinette

Gewichtig in de geschiedenis
Dat Marie Antoinette is!
Zeker, zeker!
Duizend jurken,
Vijfhonderd hoeden van echte zij,
En staatszaken nog daarbij.

Achtentwintigste voorbeeld

Gaetan Vestris, (de groote danser van de 18e eeuw, voor wiens voorstelling in Londen zelfs ’t parlement verdaagd werd.)

Hiep ho, hopsa hei
Altijd lustig, altijd blij;
’t Parlement vergadert niet
Als men Gaetan op ’t podium ziet.

Negenentwintigste voorbeeld

18e Eeuwsche feest

De sierlijke zwierige paren
Glijden geruischloos door de zaal,
Golvend als wieken der baren.
Oude heeren, leelijk en kaal
Dansen met glinstrende oogen
Doorgaand uur na uur, onder de bogen
Van licht.

Dertigste voorbeeld

Sérénade au clair de la lune (18e eeuwsch)

Un beau soir
A son boudoir
Se met a écouter la jeue belle.
Dans sa bouche
Comme une cérise
Rouge et précise
Un caramel.
Au fond du jardin
Sous les arbres noirs
II chante ses sérénades,
Sachant qu’elle
Dans son boudoir
Pense a lui.

(Het Fransch is weliswaar niet geheel correct, maar het gedichtje als zoodanig, in zijn lichtheid, m.i. vaardig genoeg om op te nemen.)

Eenendertigste voorbeeld

Ode aan de zon (18e eeuwsch)

O zon, gij doet de mensch zoo goed,
Doet tintelen ons bloed.
Gij geeft den mensch weer kracht,
O zon, gij hebt veel macht.

Want als gij eens verdween;
Sterven zou dan iedereen.
De aarde zou dan worden als de maan
En andere planeten die rondom u staan.

Ja zon, zooals ik zei, ik houd van jou;
En was je geen zon, maar een lieftallige vrouw
Ik omhelsde je teeder, enzoovoort
Maar jij bent de zon, waarbij zoo iets niet hoort.

Met deze kleine voorbeelden wil ik voorloopig deze serie artikelen besluiten. Echter niet zonder nog eens erbij gevoegd te hebben dat het vermogen de taal te hanteeren — mondeling en schriftelijk — behoort tot de edelste menschelijke vermogens. Het aankweeken van goede stijl in schrijven en spreken, beteekent het aankweeken van ware menschelijkheid. En zoo kan in het algemeen gezegd worden: Het onderwijs in de moedertaal heeft vooral tot taak het edelste in het menschenkind op te roepen en tot ontwikkeling te brengen; het moet den mensch brengen in harmonie met zichzelf.

.

M.Stibbe, Ostara vrijeschool Den Haag, 1e jrg.nr.6, 1928

.

deel 1   deel 2    deel 3

Rudolf Steiner: over het schrijven van opstellen

7e klas: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

.

1145-1066

.

VRIJESCHOOL – 7e, 8e klas – taal: opstellen in ‘stijl’ (3)

.

Dit artikel is het vervolg op ‘deel 1’ en deel 2.  Ik heb het in de oorspronkelijke spelling laten staan. 

.

OPSTELLEN VAN KINDEREN (vervolg)

In de twee vorige nummers  van „Ostara” schreef ik over het taalonderwijs in de zevende en achtste klasse van de „Vrije School”. Ditmaal laat ik hierbij aansluiten eenige opstellen van kinderen uit een achtste klasse over twee dezelfde onderwerpen, namelijk een bezoek aan het Museum Mesdag te ‘s-Gravenhage, dat kort daarop gevolgd werd door een bezoek aan het Museum Kröller, waar meer moderne schilderijen tentoongesteld worden. Het kan misschien voor velen interessant zijn naast elkaar te lezen, wat op vrije wijze, hierover, door de leerlingen werd geschreven. De bezoeken hadden plaats naar aanleiding van het behandelen der schilderkunst in de 19e en 20e eeuw in de geschiedenisperiode. Hierover en over de elkaar opvolgende kunstrichtingen werd in het algemeen gesproken, over de bijzonderheden minder, zcodat de in de opstellen besproken details geheel uit de kinderen zelf ontstaan zijn.

Zestiende voorbeeld

Gedachten bij het schilderij van Jozef Israëls: „Alleen op de Wereld”.

Een nevelig waas hangt over de kamer. Een waas van den dood; van het onbegrijpelijke. Jarenlang had hij, Jelle, met zijn vrouw samengewoond en zij had gezorgd en gezwoegd van den morgen tot laat in den avond. Nu was ze dood. En als ik naar het schilderij kijk, zie ik den man zich omdraaien en angstig kijken naar het bleeke gelaat, met de rimpels van arbeid en de zorg. En hij grijpt naar de medicijnflesch, die op tafel staat. Maar zijn vrouw is dood… In stomme droefheid, de handen gevouwen, bevend, zit hij op een stoel. Hij kan het zich niet indenken. De klok in de eenvoudige kamer tikt langzaam. Jelle staat op en zacht, op zijn kousevoeten loopt hij naar de doode. Hij kust het rimpelige gezicht en fluistert zacht: „Je was toch goed voor me, hoor.” De man herinnerde zich de tijd, waarin ze elkaar soms niet begrepen hadden. Tranen biggelen langs zijn wangen, terwijl de nevel langzaam wijkt. Nu staat hij alleen in de wereld.

Zeventiende voorbeeld

Bij het schilderij van Jozef Israëls „De zieke vrouw”.

Schamel is het anders zoo overvloedige maal bij den heer Hennings. Zijn zaken, die tot nog toe zoo reusachtig goed gingen, zijn langzamerhand achteruitgegaan. Een week geleden had hij de zaak moeten opheffen. Dit was een te groote slag geweest voor zijn nog jong vrouwtje. In die week was ze zoo erg ziek geworden, dat de dokters voor haar leven vreesden. Dure levensmiddelen kon men haar niet geven. Dus haar genezing werd niet geholpen. Arme Hennings, om daar zijn jong, blozend en gezond vrouwtje zoo uitgeteerd op het schamele leger te zien liggen. De lijdenstrekken, die al dien tijd om zijn lippen speelden, waren tot een diepe groef geworden. De dokter was er vandaag nog geweest en had gezegd, dat de crisis nabij was. Zoo ligt zij dan met den dood te strijden. Hennings staart droevig voor zich uit. Daar ontsnapt de laatste zucht bij de stervende. Arme vrouw. De dood heeft overwonnen. Zij moest haar diepbedroefden man alleen achterlaten. Het was Gods wil.

Achttiende voorbeeld

Museum Mesdag.

Vanmiddag gingen wij naar het Museum Mesdag. Toen wij binnenkwamen trof ons dadelijk het borstbeeld van dezen grooten meester. Zijn breede, groote kop keek vriendelijk rond in het huis waar hij gewoond en gewerkt had. Boven hingen groote zeegezichten van hem; de zee woest-bewegelijk, groen en bruin, met dikke witte koppen; kleine visscherspinken op den achtergrond, en geweldige wolkenmassa’s, waar het licht zoo straalsgewijs, als na een onweer, even doorbreekt. Een van de werken van Millet heeft een geweldigen indruk op mij gemaakt. De uitdrukking op het gezicht van de vrouw op den voorgrond was van zoo’n doffe dierlijkheid en van zoo’n groot menschelijk verlangen tegelijk, dat het was of deze mensch levend van ’t doek zou komen.

Negentiende voorbeeld

Museum Kröller.

De schilderijen in ’t Museum Kröller waren wel in staat iemand te overweldigen; ik kan niet zeggen wat van alles mij het meest heeft getroffen. Het „Trappenhuis” van den Hollandschen schilder Mondriaan, de „Piëta” van Degouve de Nunques of de „Blinden” en de „Pratende Vrouwen” van den Kubist van der Leck. — Ik geloof wel de laatsten. De stemming, die over de werken lag deed iemand rillen. Dat moeten dragen van „de Blinden”, waar geen opstandigheid of gelatenheid op hun gezichten te lezen was, maar alleen blindheid, in de omgeving, de buizen, ja zelfs tot in de kleeren toe, was zóó grootsch, zóó geniaal gedaan, dat het tegelijk heerlijk en afschuwelijk was, om naar dit werk te zien. Toen kwamen we bij van Gogh. In tegenstelling met het Kubisme geen vaste vormen, geen begrensde lijnen, alleen kleur en schwung, kracht en moed.

Het „Ravijn”, wilde bergstroom tusschen rotsen; cypressen, donker, dreigend en met een geweldige kracht.En daarnaast het heel teere roze kerseboompje.

Van Gogh was een hartstochtelijk zoekend mensch. Moet men hem daarom beklagen? Hij zocht, heeft hij gevonden? Ja!

Twintigste voorbeeld

Schilderijen. (Uit het Museum Kröller.)

Een waterval ruischt naar beneden. De blanke droppels vallen in het heldere meertje. Zij zijn zoo schoon en fijn en zóó kleurrijk. De duizend blanke drupjes zijn zoo blank en rein.

Een donkere mist, grauw opeengepakt. Ondoordringbaar. — Een blij lichtje en vogelgezang. Het is alles zoo grauw en donker. Hu, hu, hu.

Een oplaaiende vlam. En een vonk. Een bliksemstraal. En een lichtende zon. Alles dwarrelt omhoog met een groote kracht. Dan weer wild, woest, grootsch. Dan weer zacht en kalm. En de lentezon kijkt vriendelijk om een hoekje.

Eenentwintigste voorbeeld

Een Schildersmeening.

De eene mensch zegt: „Schilderen is de kunst”. Maar een ieder heeft een anderen smaak. „Tooneelspelen, dat is ’t wat men hebben moet.” Zoo zegt de een dit en de ander dat. Ik vind alles wat mooi is en goed kunst. Als een mensch een schilderstuk maakt, waarin hij zijn gevoelens probeert uit te drukken en om de menschen daarmee te helpen, dan is dat goed en mooi. Als iemand een rol speelt bijv. van een arme vrouw en ze leeft daarin en laat zien hoe vreeselijk zoo iets kan zijn, dat de menschen toch medelijden moeten hebben, dan is dat ook zeer goed en kunstig. Maar men moet meenen, wat men in die rol tracht uit te beelden, anders denken de menschen iets goeds over die uitbeelding, terwijl het eigenlijk valsch en niet gemeend is. Vincent van Gogh tracht ook zichzelf in zijn werk uit te beelden; ’t broeit en woelt in hem om in zijn schilderstuk ’t leven te brengen. Zijn boomen staan daar vlammend als wilden zij omhoog. Hij schildert een cypres, heel hoog, naar boven getrokken; de maan en de sterren leven. Hij maakt den hemel zoo, als zag je daar de baan, die de sterren beschrijven. Hij smeert de kleuren op het doek, het duurt hem te lang, voordat er een beeld verschijnt. Maar dan is ’t ook zoo forsch en met zoo’n leven bezield, dat ’t als ’t ware te zien is hoe alles leeft en werkt.Zijn werk is met leven bezield; zijn koppen zijn gedurfd en geestig.

Een schilderstuk (van Degouve de Nunques) was er van een stad, blauw en geheimzinnig. Degene, die buiten op het veld staat voelt zich eenzaam en alleen, als hij daar die stad ziet liggen met haar gezellige flikkerende lichtjes, die tusschen de huizen dóórschemeren. Zoo zal de schilder zich ook hebben gevoeld. „Ik sta hier alleen en daar in een warm huis, wat zal ’t daar heerlijk en gezellig zijn!”

De „Pias” van Renoir vond ik erg geestig.

’t Schilderwerk, dat ik gezien heb, was allemaal erg mooi en vol gevoel, dit laatste ’t meest bij Vincent van Gogh; de felle kleurschakeeringen van van Rysselberghe en trouwens ook van van Gogh waren prachtig. Ik heb er weer veel van geleerd. Schilderen is moeilijk, maar prachtig.

Tweeentwintigste voorbeeld

Vincent van Gogh.

Vincent van Gogh, de voorganger van het expressionisme. Vincent van Gogh, de woelende, zoekende mensch, uitbeeldend van wat er in zijn ziel omging in zijn schilderstukken. De laaiende, krachtige boomen en luchten op het doek, die den toeschouwer in vuur en vlam zetten. De cypressenweg met de maan en de sterren, die schijnen te leven, te bewegen, te deinen, is onvergetelijk. Maar ook de tragische zijde vindt haar plaats in zijn schilderstukken. In het oude mannetje op den kapotten stoel bij het stervende vuurtje is zoo iets droevigs, dat het alles levend schijnt. Ik vind dezen vertwijfelenden grijsaard veel mooier dan de kubistische schilderstukken van van der Leck. De ellende van het blindzijn is wel uitgebeeld op de gezichten van de beide mannen, geleid door het kleine meisje, maar het leeft niet. De houding van de menschen bij den „Brand”, een werk van denzelfden schilder, is ver van menschelijk. Het lijkt wel wat op de Egyptische muurschilderingen. Het schilderstuk van van Gogh is veel aangrijpender, omdat de houding menschelijker is.

M.Stibbe, Ostara vrijeschool Den Haag, 1e jrg.nr.5, 1928

.

deel 1   deel 2    deel 4

Rudolf Steiner: over het schrijven van opstellen

7e klas: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

.

1144-1065

.