Tagarchief: bovenbouw poëzie

VRIJESCHOOL – Poëzie – over de roos

.
Wanneer het in de (hogere) klassen van de middelbare vrijeschool om poëzie gaat, kan dit artikel een waardevolle achtergrond zijn voor de behandeling van bepaalde gedichten. Ook de meer filosofisch getinte gedachten kunnen in het aan de orde stellen van deze manier van denken een bepaalde handleiding vormen.

De roos in de poëzie

De vraag: ‘Waarom lees je gedichten?’ is niet zo eenvoudig te beantwoorden. Voor de hand liggende antwoorden zijn natuurlijk: ‘Ik lees gedichten, omdat ik ze mooi vind’, of: ‘Gedichten doen me wat’. Hiermee is echter weinig wezenlijks gezegd. Beide antwoorden geven aanleiding tot het stellen van vragen. Immers: als je zegt dat je gedichten mooi vindt, rijst onmiddellijk de vraag: ‘Waarom vind je ze mooi?’
Als je zegt dat gedichten je wat doen, stuit je op de vraag: ‘Wat doen gedichten eigenlijk?

De vraag naar het waarom van gedichten lezen, roept een aantal achterliggende vragen op, die alle een antwoord behoeven. In dit artikel wil ik* een aantal van die vragen bewust maken en proberen ze te beantwoorden.

De vraag luidde: waarom lees je gedichten? Het eerste antwoord was: ik vind gedichten mooi.
De tweede vraag luidde toen: waarom vind je ze mooi?
Het antwoord kan zijn: ik vind ze mooi, omdat de dingen er vaak zo prachtig in worden gezegd.
Als je een voorbeeld wilt geven, kun je zeggen: De meeste mensen zeggen iets gewoon in alledaagse taal, bijvoorbeeld: ik had vroeger een groot verdriet.

Roland Holst kon het veel mooier zeggen:

‘Al menig najaar ritselt en dwerelt
over het graf van een oud verdriet.’

Een ander zal niet zeggen: de dingen worden in gedichten mooi gezegd, maar: de dingen worden ontroerend gezegd. Ook hij kan voorbeelden vinden:

Wij sloegen hem aan ’t kruis. Zijn vingers
grepen
wild om den spijker toen ’k den hamer hief –
Maar hij zei zacht mijn naam en: ‘Heb mij
lief-
En ’t groot geheim had ik voorgoed begrepen.
(Nijhoff)

Een derde zal zeggen: in gedichten worden de dingen op een verrassende, treffende manier beschreven. Zijn voorbeeld:

Zag ik een bloesem
die naar haar tak terugkeerde?
Ach, ’t was een vlinder.
(Moritake)

En zo kunnen we doorgaan: schoonheid, ontroering, verrassing, helderheid, geheimzinnigheid, eerlijkheid, grappigheid, enz… het zijn allemaal elementen die we in poëzie kunnen aantreffen.
Een tijdje verkeerde ik in de veronderstelling, dat hiermee het wezen van poëzie was begrepen: poëzie brengt zielenstemmingen teweeg. Ze ontroert, verrast, verblijdt, verstilt, enz. Het beleven van de poëzie leek een wandeling door een museum van menselijke gevoelens. Het stellen van verdere vragen doet echter inzien dat er meer schuilt in veel poëzie. Met de ontdekking dat poëzie menselijke gevoelens beschrijft, is niet het wezen van poëzie blootgelegd, maar slechts benaderd, aangeraakt.

De volgende vraag die gesteld moet worden is deze: in gedichten vind ik beelden die indruk op mij maken. Maar hoe kan het, dat het ene beeld ‘overtuigender en werkzamer’ is dan het andere?
De eerste lezing van het gedicht ‘Hulshorst’ van Gerrit Achterberg was een onvergetelijke belevenis, terwijl het gedicht ‘Vreemd’ van Arie Gelderblom in het geheel geen indruk achterliet.

Hulshorst

Hulshorst, als vergeten ijzer
is uw naam, binnen de dennen
en de bittere coniferen, roest uw station;
waar de spoortrein naar het noorden
met een godverlaten knars
stilhoudt, niemand uitlaat
niemand inlaat, o minuten,
dat ik hoor het weinig waaien
als een oeroude legende
uit uw bossen: barse bende
rovers, rans en ruw:
uit het witte veluwhart.

Vreemd

er stond een regenboog aan de hemel
die alleen blauw was.

Beide gedichten begrijp ik, dat wil zeggen, ik weet waar beide dichters op aan sturen. Doch de uitwerking van beide gedichten is volkomen verschillend. Achterberg brengt iets onder woorden dat ik onmiddellijk herkende. Ik heb nogal eens in de stoptrein Utrecht-Zwolle gezeten en een van de vele plaatsjes die deze trein aandoet is Hulshorst. Al die Veluwse plaatsjes langs de spoorlijn hebben een bepaald karakter, wekken een stemming op die vaak blijft sluimeren aan de rand van het bewustzijn (dit geldt trouwens niet alleen voor Veluwse plaatsjes). Het is meestal moeilijk die sluimerende stemming tot een heldere voorstelling te laten worden. Toen ik het gedicht van Achterberg las kreeg ik het gevoel dat hij nu precies in een helder beeld had gevat wat mij onbewust was bijgebleven. Ik herkende zijn beschrijving terstond: de bewuste ‘ontmoeting’ met Hulsthorst vond plaats. Ik werd er wijzer van.
Van het gedicht van Arie Gelderblom word ik niets wijzer. Ik verdiep me tijdens het lezen ervan even in de verwarring die het wil stichten: wat is nu blauw, de hemel of de regenboog? De hemel natuurlijk, alhoewel de zinstructuur even doet denken dat de regenboog blauw is. Trouwens, kan een regenboog verschijnen aan een hemel die alleen blauw is? Nee, tenzij je met een tuinslang de bloemetjes water geeft. Doet Gelderblom dat misschien? Lijkt me van niet. Vreemd, inderdaad. Vreemd… en zo mijmer ik nog even verder tot ik uitgemijmerd ben. Als ik zover ben – en dat duurt niet lang – is het gedicht dood, ontkracht, en lees ik – na schouderophaal – verder. Niks wijzer. Even om de tuin geleid, even gemijmerd en verder niets. ‘Grapje’ denk je hoogstens. Het gedicht van Achterberg geeft het gevoel: dit is waar! Het gedicht van Gelderblom laat niets achter dan de gewaarwording: ik heb me uit een verwarring gemijmerd, zonder er door verrijkt te worden. Achterberg voegt iets toe aan mijn werkelijkheid. Gelderblom niets, behalve misschien de ontdekking dat je met taal allerlei grapjes kunt uithalen, maar dat wisten we al lang.

Het besef dat beelden krachtiger op je inwerken, naarmate ze – naar je gevoel – meer waar en bovendien nieuw zijn, is een belangrijke stap in de richting van het begrijpen van het wezen van de poëzie. Een krachtig beeld is waar én nieuw, dat wil zeggen de gewaarwording die door het beeld wordt gedragen en die je als waar ervaart, had je op die manier niet eerder gehad. (Er zijn veel ware beelden die niet nieuw zijn. Die noemen we clichés). Op deze stap volgen vragen die de zaak eerst recht ingewikkeld maken: als je het gevoel hebt dat iets waar is, is het dan ook waar? Hoe moeten wij met deze gevoelswaarheid omgaan? Maar voordat we deze vragen kunnen beantwoorden, moeten we eerst weten onder welke omstandigheden wij iets waar vinden. Wat bedoelen we als we zeggen: Iets is waar.

Als we een roos bekijken en de bladeren tellen, zeggen we: deze bloem heeft vijf kelkbladeren. Als we aan de juistheid van deze waarneming twijfelen, kunnen we de bladeren nog een tweede maal tellen, en als we dan weer uitkomen op het getal vijf, zeggen we: het is waar dat deze bloem vijf kelkbladeren heeft. Geen zinnig mens zal – als hij zelf nog eens geteld heeft – aan deze waarheid twijfelen.

We kunnen over de roos nog veel meer zeggen wat iedereen als waar ervaart: de rand van de bladeren is getand, de bloemen zijn enkelvoudig, aan de stengel zitten doornen, enz. We kunnen zo komen tot een categorische beschrijving van de plant, waarin alle (of een aantal) waarnemingen die wij met de zintuigen hebben gedaan, zijn ondergebracht. Wij bundelen al deze gegevens samen met gegevens van andere planten in een flora; gaan zelfs zover dat we relaties tussen planten vastleggen (plantenfamilies), daarbij uitgaand van dezelfde soort categorieën op grond waarvan we de roos beschreven, en zeggen: wat in deze flora staat is waar. Met behulp van het denken hebben we de wereld van de verschijnselen ingedeeld, in categorieën ondergebracht. Deze functie van het denken is voor ons zo vanzelfsprekend, dat de ontdekking dat het denken niet altijd is geweest wat het nu is, verbazing en ongeloof wekt. De geschiedenis van de wetenschap en de filosofie leert ons, dat het Aristoteles is geweest, die het menselijk denken voor het eerst met het oog op de categoriserende functie ervan, heeft bestudeerd en die als vader van de westerse wetenschap voor het eerst op grote schaal verschijnselen categorisch heeft beschreven. Zijn belangstelling voor de planten en de dieren was zo groot, dat hij Alexander de Grote, die op zijn tochten door gebieden kwam die voor de Grieken onbekend waren, planten en skeletten liet zenden naar Athene. Hij bestudeerde ze en vergeleek ze met voorbeelden uit zijn eigen omgeving. Aristoteles ontdekte zo samenhangen, die in zijn tijd grote verbazing wekten. Voor ons zijn dit soort studies gesneden koek.

De beschrijving van een plant, is niet de plant zelf. Dit is natuurlijk een open deur, maar het is van belang deze deur binnen te gaan om te zien wat er achter is. Want wat is een beschrijving dan wel? De mens neemt een plant waar. Hij verinnerlijkt de plant door er zich een voorstelling van te vormen. Hij schept de plant na. Hij denkt de plant na. In het innerlijk van de mens leven krachten, waarmee een beeld van de omringende wereld wordt gevormd. Het beeld dat de mens zich vormt wordt exacter – zeggen wij – naarmate de categoriale aspecten van het waargenomene meer zichtbaar worden. De categorieën maken het waargenomene tot een transparant mentaal beeld. De mens beschrijft de plant, nadat deze is verinnerlijkt, dat wil zeggen nadat de mens er zich een beeld van heeft gevormd en zich klaarheid heeft verschaft over de bouw en de vorm van de plant door haar te bezien in het licht van de (ideeële) categorieën. Een beschrijving van een plant is het resultaat van een proces, waarin de plant als het ware door de mens is heengegaan.

We zijn nu aangekomen op een punt, waarop het stellen van vragen niet langer zinvol is. De vraag rijst immers: Waarom leidt denken tot waarheid? Deze vraag kan leiden tot boeiende discussies, waarbij echter altijd één ding opvalt: zelfs de mensen die menen dat het denken niét tot waarheid leidt, trachten dit duidelijk te maken met behulp van het denken. Steeds weer zoeken ze argumenten, die echter alle kracht zouden verliezen, zodra ze in de praktijk zouden brengen wat ze proberen te bewijzen. Ook de mensen die menen dat het denken niet tot waarheid leidt, geven blijk van een spontaan vertrouwen in het denken op het moment, dat ze hun stelling met redenen omkleden. Op dit punt staat de mens eeuwig schaak, zou je kunnen zeggen. Het antwoord op de vraag: Waarom leidt denken tot waarheid?, luidt dan ook: deze vraag kan met het denken niet worden beantwoord. Ieder antwoord dat het denken geeft schuift de vraag op. Eeuwig schaak. We kunnen alleen in onszelf waarnemen, dat we een spontaan vertrouwen hebben in het denken, zoals we ook een natuurlijk vertrouwen hebben in de lucht die we inademen. Stop het ademhalen en je sterft. Stop het denken en je verliest jezelf.

Wij ervaren dus als waar, wat zuiver is waargenomen en waarover zuiver is nagedacht. Zuiver waarnemen en zuiver denken zijn de twee voorwaarden voor “verstandskennis’ (Het woord ‘zuiver’ zou hier vervangen kunnen worden door het woord ‘objectief’).

In een gedicht over Sappho (Grieks dichteres, 630 v. Chr. – 570 v. Chr.) vergelijkt Ida Gerhardt Sappho’s strofen met rozen. Het beeld dat zij van de rozen geeft, herkende ik onmiddellijk: ik had hetzelfde gevoel gehad bij het kijken naar rozen die al over het bloeihoogtepunt heen zijn:

Fragment

Als grote rozen voor een donkerend raam
de strofen, met het weggeborgen hart
van purper, haast versomberd tot zwart.
Als grote rozen voor een donkerend raam.
Sappho, de ondoorgrondelijke naam.

‘Het weggeborgen hart’, ‘het ondoorgrondelijke’, ‘de grote rozen’: deze beelden roepen het gevoel op dat men kan hebben’ bij het kijken naar rijpe rozen. Het gevoel van het geheimzinnige, het verborgene, het grote dat achter de dingen is. Het ondoorgrondelijke. Het ondoorgrondelijke dat je in paars geworden rozen kunt beleven, wordt sterk voelbaar door het beeld: ‘grote rozen voor een donkerend raam’. In paarse rozen kun je wegzinken, opgaan in het grote dat erachter is: het donkerend raam (er valt natuurlijk meer te zeggen over de betekenis van de rozen in dit gedicht. Er is bijvoorbeeld een verband met de liefde. Dat wil ik hier buiten beschouwing laten).

Een bioloog neemt een roos waar en denkt erover na. Ook de dichter neemt rozen waar, maar hij doet er heel iets anders mee dan de wetenschapper. Ik zei al dat de waarheid die we in poëtische beelden ervaren een gevoelswaarheid is. Zoals de wetenschapper de roos verinnerlijkt om het licht van het denken erover te laten schijnen, zo verinnerlijkt de dichter de roos om er tevens het licht van het gevoel over te doen schijnen. Een dichter neemt de roos waar, maar let daarbij niet alleen op het aantal kelkbladeren, de dikte van de stengel, enz. Waar het denken belang stelt in categoriale kenmerken, zoekt het gevoel naar de stemming, de ‘zielenkleur’ die van het verschijnsel uitgaat.

Zodra het onderscheid tussen verstandswaarheid en gevoelswaarheid me duidelijk was, rees de volgende vraag: je kunt nu wel het gevoel hebben dat iets waar is, maar is het dan ook waar? De zielenstemming die je meent waar te nemen, is dat iets objectiefs? Of is dat niets anders dan een soort
gevoelssamenstelling van herinneringen, verlangens, e.d.? Bestaat die zielenstemming, die zielenkleur die je waarneemt bij het kijken naar een roos ook buiten jou?

Nu is het een gewoonte geworden om de categoriale kenmerken ‘objectief’ te noemen, dat wil zeggen meetbaar, terwijl men de zielenkleur ‘subjectief’ noemt. Deze gewoonte is het resultaat van een wetenschapsopvatting die in Europa in de zeventiende eeuw gestalte kreeg in de werken van onder andere Newton en Locke, het zogenaamde empirisme. Alles wat objectief is, kun je hard maken, in getallen en maten weergeven, met je zintuigen waarnemen,… en daar houden we van. Vrijwel de gehele hedendaagse wetenschap roemt zichzelf om haar objectiviteit: de uitkomsten kunnen in principe door iedereen gecontroleerd worden. Het predikaat ‘subjectief’ wordt gebruikt om het tegendeel van algemene geldigheid aan te duiden. Een subjectieve ervaring geldt alleen voor het subject dat de ervaring heeft. Subjectief wordt dan ook in de regel in geringschattende zin gebruikt. Gedachten kunnen helder zijn en dus objectief. Gevoelens zijn alleen maar vaag, dus subjectief.

En hiermee lijkt de poëzie op de schroothoop te zijn beland. ‘Als tijdverdrijf wel leuk, maar met kennis heeft het niks te maken.’ Gevoelens zijn subjectief, dus poëtische beelden, waarin je een zielenkleur ervaart, ook.

Maar: is de rooservaring van Ida Gerhardt subjectief? Geldt deze ervaring alleen voor haar? Zeker niet. Ze geldt bijvoorbeeld ook voor mij, maar ook vele dichters en dichteressen hebben er in hun gedichten blijk van gegeven, dat het ‘ondoorgrondelijke’ voor hen nauwverbonden was met de roos. De twee volgende voorbeelden zijn niet bedoeld als bewijs voor deze stelling. Ze zijn bedoeld als illustratie. Iedereen kan voor zichzelf gaan zoeken naar ‘roosgedichten’ om de juistheid van het beweerde te toetsen. (Het is overigens een goede wijze van kennismaken met de poëzie om uit te gaan van een bepaald thema of dichterlijk beeld. Als je bijvoorbeeld op zoek gaat naar de gevoelswaarnemingen van de herfst, de jeugd, de boom, de moeder, de lelie, enz., ervaar je de eenheid en de verscheidenheid van die waarnemingen en bovendien krijg je vertrouwen in de poëtische waarneming als zodanig).

Het eerste voorbeeld is van de Mexicaanse dichter Xavier Villauruttia (vertaald door H.C. ten Berge). In deze ‘Roos nocturne’. wil de dichter spreken van de roos. Hij zegt:

Het is niet de windwijzer roos,
noch het geheime gezwel,
noch de stipte roos die de tijd geeft,
noch de zee kompas roos.

Hij wil spreken van een andere roos. Hij zegt dan:

Nee, het is niet de roos roos
maar de ongeschapen roos,
de nachtelijke,
de onstoffelijke roos,
de lege roos.

En de eerste regel van de volgende strofe luidt:

Het is de roos van de tastzin
in het diepe donker.

Voor Xavier Villauruttia hangt de roos samen met het verborgenen, het ondoorgrondelijke. Dat blijkt uit bovenstaande strofe, maar ook uit de laatste drie regels van het gedicht:

de zwarte roos van kool diamant
die geruisloos het diepste donker doorboort
en geen plaats inneemt in de ruimte.

Het tweede voorbeeld is van Rainer Maria Rilke. In veel van zijn gedichten beschrijft hij rozen. Ik koos een aantal regels uit het gedicht ‘Das Rosen-Innere’. Het gedicht begint met de vraag:

Wo ist zu diesem Innen
ein Aussen?

en een tweetal regels verder:

Welche Himmel spiegeln sich drinnen
in dem Binnensee
dieser offenen Rosen,
(…).

En ook:

(…)viele Hessen
sich überfüllen und fliessen
über von Innenraum (…).

Ik weet uit eigen ervaring dat het gevoel buitengewoon subjectief kan zijn. Maar dat kan ook het geval zijn met het denken, vandaar ook dat we zeggen: zuiver denken leidt tot waarheid. We erkennen het zuivere (objectieve) denken als wetenschappelijk kenorgaan. We doen dat, omdat een individuele ‘denkhandeling’ controleerbaar is. Iedereen is bereid een gedachte van een ander te aanvaarden na deze te hebben getoetst aan de waarneming en de logica. De basis van deze bereidheid ligt in het gemeenschappelijke vertrouwen in het denken.

Dit alles kan ook gelden voor het gevoel. Als wij thuis raken in het gevoelsleven, zoals wij thuis zijn in het denken, kan een gevoelszuiverheid ontstaan, waarin het emotionele sympathie- en antipathiebeleven de waarnemingen niet langer een subjectieve kleur geeft, maar waarin in de verstilling stemmingsgestalten groeien die ons wezenlijke eigenschappen van de verschijnselen openbaren. Deze openbaringen zijn objectief: de mensen die de weg van de emotieverstilling zijn gegaan, kunnen ze controleren. Alle grote dichters blonken uit in het verstild waarnemen. Ze namen mensen, bomen, dieren, bloemen, ideeële voorstellingen enz. waar, zonder zich persoonlijk te mengen in de indruk die dit alles op hen maakte. Het denken, zeggen wij, hoort vooroordeelloos te zijn. Het gevoel zou ook zonder zelf iets te willen, zonder zelf emotionele doelstellingen te hebben, vrij moeten zijn, zoals het denken vrij kan zijn.

Na een aantal vragen te hebben gesteld (een andere vragenreeks zou ook mogelijk geweest zijn: klank- en ritme-aspecten zijn bijvoorbeeld niet aan de orde geweest) komen we weer uit op de eerste vraag: Waarom lees je gedichten?

In goede gedichten word je geconfronteerd met ware gevoelswaarnemingen. De dichterlijke beelden verruimen onze ervaring en dat geeft plezier. Maar tevens wordt door het mediterend lezen van gedichten onze gevoelswaarneming geschoold, zodat we zelf steeds zelfstandiger en objectiever als gevoelswezen in de wereld kunnen staan. En dat is belangrijk in een tijd waarin voor velen nog steeds de uitspraak van Fleming geldt: ‘Gevoel is iets waar ik niet mee bekend ben.’

.

*Jelle van der Meulen, Jonas 18, 04-05-1979

.

11e klas: alle artikelen

deze verwijzing naar de 11e klas betekent niet dat de inhoud per se voor de 11e klas is bedoeld, e.e.a. kan ook in 12, wellicht in 10 gebruitk worden.
,

Nederlandse taal: alle artikelen

.

1528

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

Advertenties