Categorie archief: menskunde en pedagogie

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (6-7)

Op een weblog van een maniakale criticaster is, zonder toestemming – de integrale tekst vanaf ‘Hoofdstuk 3’ van dit artikel overgenomen onder ‘Vrije School, pedagogisch-didactische achtergronden ’. De links in dit artikel werden door hem verwijderd.
Ik heb dus niets met die blog van doen en ook niet met de eventueel gemanipuleerde tekst.
Aangezien de copyrighthouder toestemming verleende aan vrijeschoolpedagogie.com voor publicatie, overtreedt de criticaster de auteurswet.

.

Inleiding

Hoofdstuk 1
— Kennismaking met het drieledigheids­denkbeeld van Rudolf Steiner 

Hoofdstuk 2
— Indeling en uitgangspunten bij de heil-pedagogie

Hoofdstuk 3
— Algemene oriëntering omtrent typologieën

Hoofdstuk 4
— Speciale begrippen in de typologie van Sigaud en Corman

Hoofdstuk 5
De vier hoofdtypen beschreven door Sigaud

Hoofdstuk 6
— Uitwerking van de vier hoofdtypen tegen de achtergrond van retardatie en propulsie

Hoofdstuk 7
Twee vormen van neurotische levenshouding

Hoofdstuk 8
Encephalopathie en het gedrag dat daarbij voorkomt; psychopatische
karakterveranderingen

HOOFDSTUK 7

Twee vormen van neurotische levenshouding.

De geestelijke groei van het kind voltrekt zich trapsgewijs, van
ont­wikkelingsniveau naar ontwikkelingsniveau. Deze trapsgewijze groei maakt dat periodes van consolidatie en integratie van een be­paald niveau (het oudere-kleuter-niveau of het schooltype-niveau), afwisselen met periodes van afbraak van het oude niveau, dus van desintegratie en opnieuw rangschikken van de levenservaringen in een nieuw integratiepatroon, waarbij andere krachten of ook nieuwe oriëntaties een centrale rol gaan spelen. ( Zie ook: B. C. J. Lievegoed „Ontwikkelingsfasen van het kind“.)

De vooruitstuwende kracht in dat trapsgewijze groeiproces is zeker een aan elk levend wezen immanente drang tot zelfontplooiing. Werkt deze drang (constitutioneel) te zwak of zijn de eisen van de buitenwereld te zwaar, dan vindt deze desintegratie en nieuwe re-integratie onvoldoende plaats en bereikt het kind het volgende ni­veau niet of niet volledig of het valt vanuit een reeds bereikt niveau terug in een vorig niveau.

Dit verschijnsel, regressie genaamd, maakt dat een schoolkind rea­geert als een kleuter. Elke regressie betekent echter dat het vorige ontwikkelingsniveau verschijnt in een inadequate, karikaturale vorm, en ernstige omgangsmoeilijkheden geeft met het eigen zelf en met de omgeving.

Wij hebben de retarderende ontwikkeling bij de vier constitutie­typen van Sigaud reeds enigszins bekeken en gezien, dat de nei­ging tot regressie bij een cerebraal kind andere symptomen geeft dan bij een digestief of respiratoir kind. Wij hebben echter ook reeds besproken dat niet alleen de retarderende ontwikkeling stoornissen geeft in de rustige groei van ontwikkelingsniveau naar ontwikkelings­niveau, maar dat een propulsieve, dus te snelle groei, het te snelle bereiken van een hoger niveau (meest slechts op enkele punten en dus onvolledig), evenzeer een ernstige verstoring kan geven van het proces: integratie – desintegratie – reïntegratie.

Het lijkt bij de propulsieve kinderen wel alsof ze zich in een blijvend proces van desintegratie bevinden, zonder ooit een echt integratie­niveau te bereiken. Bij hen is er dan ook niet zozeer sprake van een regressie, van een terugval op een vroeger niveau, omdat dat vroe­gere niveau als zodanig nooit echt bestaan heeft. Wel zien we een chaotische menging van vroegrijpe en van infantiele reactievormen door elkaar heen. In het centrum van de typische regressie op grond­slag van een retarderende ontwikkeling staan de hysterische reactie-vormen, in het centrum van de gefixeerde desintegratietoestanden op grondslag van een propulsieve ontwikkeling staan de neuropatische reactievormen.
Van de regressieve-cerebrale dromers tot de regressieve driftma­tige digestieven zien we het rijk geschakeerde beeld van de kinder­lijke hysterie zich ontplooien.
Van de vroegrijpe, intellectuele, nerveuze kinderen tot de schizoïde autisten, zien we vele vormen van neuropatische reacties zich af­spelen, (die ook onder de namen nerveuzen, sensitieven, hypothymen, beschreven worden).

Wij willen deze beide reactievormen voor u beschrijven.

sigaud 48 1

Hysterische reactievormen met hysterische patronen van reageren. Met het woord hysterie is voor de leek het beeld gegeven dat over­laden is met allerlei negatieve vooroordelen. „Dat mens is hyste­risch”, betekent gewoonlijk: ,,deze dame is manziek, en toont dat op hinderlijke wijze”. Van dit aspect der hysterie zullen wij ons hele­maal los moeten maken als we over de kinderlijke hysterie spreken. Hoewel de psychoanalyse van Freud het seksuele driftleven reeds naar de allereerste kinderjaren wil verleggen, voelen wij er meer voor deze benaming te reserveren voor die vorm van driftleven die met de puberteit een rol gaat spelen, en de kinderlijke hysterie te be­trekken op het gehele driftleven. Deze kinderen lijden onder sterke driftmatige impulsen enerzijds, en een te grote openheid voor de omgeving anderzijds. Pas als we deze twee gezichtspunten tezamen zien, begrijpen we de merkwaardige gedragingen van het regressief-hysterische kind.

Het hysterische kind leeft met alle vezels van zijn wezen in zijn om­geving. Het eigen centrum is zwak, de drang tot de zelfontplooiing gering. Elke nieuwe leeftijdsfase, elke nieuwe factor in het milieu is haast onoverkomelijk en doet het kind de beschutting en de vei­ligheid van het oude bekende opzoeken. De moeilijkheden liggen hier vooral in het wilsleven. Het kind voelt zijn omgeving goed aan, het kruipt haast in de andere mensen, en beleeft hun verwachtingen. Het zou wel willen handelen, maar weet dat handelen het overwin­nen van een zekere weerstand betekent. Deze weerstand wordt overmatig sterk beleefd en het kind trekt zich terug, niet tevreden dat het de taak niet volbracht heeft, maar ook niet sterk genoeg om hem te volbrengen. Deze onbehaaglijke toestand wordt nu op het eigen zelf of op de omgeving gewroken met een kracht en volhar­ding, die zeker ruimschoots voldoende zou zijn geweest om de oor­spronkelijke taak te volbrengen.
De hysterie is een terugwijken voor echte verantwoording, zegt Asperger, en wij kunnen er aan toevoegen, de hysterische reactie is een energieontplooiing op de verkeerde plaats, waarbij steeds de hysterische handeling of verlamming in zijn geheel symbool is voor, of in de plaats treedt van de eigenlijk noodzakelijke handeling. Hiermee hebben we de hysterische reactievorm pas van één kant beschreven. De terugval in lagere ontwikkelingsniveaus dan die, die op een bepaald moment aanwezig zouden moeten zijn, betekent ook dat de hele persoonlijkheid vanuit een hogere differentiatie van psychische structuren, terugvalt in primitieve ongedifferentieerde reactievormen.

Hetzelfde vinden wij bij onszelf onder invloed van angst of schrik, vandaar dat Kretschmer terecht zegt dat ieder mens onder bepaalde omstandigheden ,,hysteriefahig,, (tot hysterie kunnen komen) is. Het typische van deze primi­tieve reactievormen is dat ze niet meer specifiek gericht zijn op een doel, maar dat ze diffuus door het hele emotionele gebied stromen en alles meesleuren. In plaats van bij brand hard weg te lopen of iets aan te pakken, wordt zinloos heen en weer gelopen en gegesticuleerd. Het leidende „ik” is hier afwezig, de animale functies, men kan ook zeggen de hersenstamfuncties, ontladen zich chaotisch. Maar op rustiger momenten blijkt dat deze animale functies toch wel degelijk een eigen systeem van ordening hebben, dat niet logisch functioneert, maar wel volgens de wetten der dramatica. Door deze dramatiek wordt het leven van het hysterische kind gekleurd, wer­kelijkheid en fantasie zijn hier niet gescheiden, wat had kunnen ge­beuren is al gebeurd, wat bereikt zou kunnen worden is al bereikt, de verdere handelingen gaan van dit gebeurde en bereikte uit. Het voorstellen en handelen spelen zich af in een eigenaardig tussenrijk waar het bewustzijn en het vrije wilsgebruik verwisseld zijn. Bij de neuropatische reactievormen is het vegetatieve zenuwstelsel labiel en kan hoofdpijn en buikpijn, verbleken en kleuren teweegbrengen. Deze krampverschijnselen hebben dan alle een gelocaliseerde plaats, De neuropatische migraine of buikpijn is het gevolg van een con­stitutionele zwakte en treedt bij overbelasting op of als migraine of als buikpijn, al naar de constitutionele aanleg. De hysterische hoofd­pijn en buikpijn is gedompeld in een zee van dramatiek, en heeft met het hoofd of de buik als zodanig weinig te maken, kan eventueel ook direct verspringen als dit meer effect geeft. Echte hysterische ver­lammingen op een blijvende plaats gelokaliseerd, zagen wij persoon­lijk niet bij kinderen beneden de puberteit. Wel vluchtige, verschijn­selen van gevoelloosheid, vreemd gevoel of niet kunnen gebruiken van een hand of been. In het geheel zijn de lichamelijke symptomen van de kinderlijke hysterie wisselend en gemakkelijk door suggestie te beïnvloeden.

Waardoor kenmerken zich nu de hysterische reactievormen bij het kind?

In de mildste vorm als kinderachtig doen. Als ,,klein willen zijn”. Welk vijfjarig kind kruipt niet eens bij moeder op schoot, nestelt zich lekker, en praat op een kindertoontje in kleutertaal? Gaat dan nog van de ene hand de duim in de mond en trekt de andere zacht­jes aan het oorlelletje dan is het geluk volmaakt. Het kind is duide­lijk even voor de echte grote wereld gevlucht en is weer helemaal in de beschutte warmte van het vroegste kleuterzijn teruggedoken, ter­wijl die echte grote wereld dicht genoeg bij is om interessant te zijn, en veraf genoeg om geen kwaad te kunnen doen. Anders wordt het wanneer deze behoefte elk moment optreedt, als het ,,schootje zitten” met huilbuien en scènes wordt afgedwongen en het wegduiken in de omhulling met heftige begeerte gezocht wordt.

Een tweede symptoom is de steeds merkbare aanwezigheid van het kind. Zelfs als het zwijgt en stil zit volgt het de volwassene of de andere kinderen met een zuigende belangstelling. Het leeft abnor­maal sterk mee met alles wat in de omgeving gebeurt, hoort elk woord en is steeds present, als het net niet gewenst is. In de klas is het moeilijk door het steeds voor de beurt spreken, de aandacht trek­ken en door de bemoeizucht. Steeds is het verongelijkt en wil wat anders dan gedaan moet worden.
Een hysterische jongen die al van een aantal scholen verwijderd was, begon wild te slaan en te krijsen als bij het uitdelen van de schriften niet zijn schrift het eerste werd gegeven. De sommen wa­ren dan „veel te kinderachtig’ voor hem, waarna hij achterstevoren in de bank ging zitten en zijn achterbuurman met zijn pen ging prik­ken. Een aanmerking op dit gedrag riep dan een nieuwe scène op. Het speelkwartier was één vecht- en huilpartij, zelfs kon hij zonder reden opeens een stok of een stuk ijzer oppakken om zich (een der­de klasser) op een zevende klasser te storten en als een blinde om zich heen te slaan.

Zijn intelligentie was zeer behoorlijk (I.Q. 130 a 140). Maar het leren ging maar matig. Het St. Nicolaasfeest bedierf hij voor de ge­hele school, omdat hij een scène maakte, daar St. Nicolaas eerst een kleutertje bij zich riep en niet hem. In een groep met jongens van de­zelfde leeftijd was hij niet te verplegen. Het begin van verbetering trad pas op toen hij, elfjarig, in een groep verplaatst werd met vier tot zesjarige kinderen. Voor deze kleutertjes was hij schattig en hielp de verzorgster als een volwassen hulp. Vanuit deze onbe­dreigde situatie leerde hij zich in de klas en later zelfs op de speel­plaats handhaven, zodat hij toch nog naar een middelbare school kon gaan, waar hij zich leerde handhaven.

Een meisje van dezelfde leeftijd, kind van een moeder waarvan de meeste broers en zusters onder toezicht gesteld waren, debiele en degeneratieve typen en van een Duitse matroos, kwam reeds met negen maanden in een kinderhuis wegens verwaarlozing. In de jaren daarna wisselde ze veel van tehuis. De kinderpsychiater die haar op zevenjarige leeftijd zag, diagnostiseerde: ondermiddelmatige intellectuele aanleg en affectieve verwaarlozing. Zij was extravert, er steeds op uit indruk te maken, had een sterke rededrang. Na vele omzwervingen werd zij op zevenjarige leeftijd in een pleeggezin geplaatst en pedagogisch in speciale behandeling genomen in een kleine klasse. Na een maand luidde de eerste indruk: Domme gevatheid-brutaal-onrustig-ongedurig; begrijpt een verhaal wel, maar kan iets moois nog niet beleven, ze vat het grappige niet, er is een opvallende leegte in de gevoelssfeer. Het eerste jaar bracht hoofdzakelijk de negatieve kanten van haar wezen naar voren: On­evenwichtigheid-snel beledigd – snel teleurgesteld, moet steeds in het middelpunt staan. De weg tussen huis en school bleek moeilijk­heden op te leveren, zowel zwerven en ter verontschuldiging fantas­tische verhalen, als ook oneerlijkheden (fruit wegnemen van de groentekar). Toen de onderwijzeres de eerste keer argeloos vroeg, van wie heb je die mooie sinaasappel gekregen, begon ze dramatisch te gillen en begon te schreeuwen: ik zal nooit meer stelen. Snoep en geld bleken weldra niet veilig te zijn. Zij irriteerde de kinderen van de klas door haar kleverigheid. Al spoedig ging ze in het pleeggezin plagen door afschuwelijke taal uit te slaan als er bezoek kwam enz. Terwille van de lieve vrede moesten de eigen kinderen achterge­steld worden voor het pleegkind, zodat het moment kwam, dat het meisje intern opgenomen moest worden. Ze had een musculaire bouw, voor haar leeftijd een oud gezicht met harde brutale ogen. Na een aanvankelijk zeer goede fase na opname, volgden weken van negatief gedrag, plaagzucht, onevenwichtigheid en slecht leren. Na een maand echter verbeterde zij, speelde met bravoure de hoofd­rol in een toneelstuk, durfde nu ook moeilijker leerstof aan en werd in de groep normaler. Maar juist nu bleek eerst recht in allerlei klei­nigheden haar geraffineerde vermogen overal daar aanwezig te zijn waar wat te beleven viel in negatieve zin. Een kinderruzie, een kind dat bestraft moest worden, enz. Hier speelt ze dan de rol van de kwasi volwassen toeschouwer die wijsneuze opmerkingen maakt, die vaak wonderlijk „raak” zijn, maar nooit helpend in de situatie. Echt medegevoel, spontane hulp komen zelden voor. Waar ze haar hulp aanbiedt, heeft dit steeds een sensationele kant. Zo kan ze b.v. in de tuin de bezoekende ouders opvangen en poeslief vragen: bent u niet de moeder van die of die, en als ze zo kennis heeft ge­maakt, volgt direct een of andere wandaad die op vertrouwelijke toon wordt verteld. Men moet deze voorkeur voor het negatieve in anderen, het roddelen, zien in het licht van het eigen onvermogen positief sociaal contact te vinden, of positieve daden te volbrengen. Maar ook bij dit meisje bracht het laatste schooljaar met het voor­uitgaan van de prestaties in de klas en in de groep, de belangrijke verbetering, en nu pas voor het eerst in haar leven een echte vreugde over eigen kunnen, een echt gevoel van eigenwaarde, dat haar in staat stelde vrij en onbedreigd het sociale contact op te nemen.

Hoe is nu de therapie voor het hysterische kind?
Ten eerste:
Kalm blijven en niet meespelen in de scènes, die deze kinderen provoceren. Bedenk dat het kind ondanks het prikkelende gedrag een ziek kind is, dat met rust en kalmte en vooral met even­wicht geholpen kan worden eigen angst voor de daad te overwinnen.
Ten tweede:
Daarom is de positieve prestatie steeds de enige thera­pie voor het hysterische kind. Aan ons als opvoeders om zo lang te zoeken tot er een situatie geschapen is waarin positieve prestaties mogelijk worden (de elfjarige jongen in de kleutergroep).
Ten derde:
Het kind leren zijn angst voor de daad te overwinnen, naast het kind staande de handeling in gedachten en gebaar te be­geleiden zonder het voor het kind te doen. Het tempo daarna op­voeren en prijzen als er een normaal tempo bereikt is.
Ten vierde:
Het kind langere tijd begeleidend tot bewustzijn bren­gen; „nu kan je dit al, en als je dat nu ook nog kunt, dan ben je er voorlopig”. M.a.w., het kind mijlpalen en doelstellingen voor ogen stellen die het bereiken kan, die steeds dichtbij genoeg zijn, dat ze zichtbaar blijven.
Ten vijfde:
Duidelijk en met vreugde vaststellen, dat er weer een mijlpaal bereikt is.
Ten zesde:
Veel kunstzinnig werk geven. Opstellen, tekenen, schil­deren, toneelspelen. Oppassen bij de rollenverdeling, dat ze niet te sterk in het dramatische schieten. Geef ze strenge rollen, waarbij ze in de vorm moeten blijven.
Ten zevende: Ze houden van het spectaculaire, zoek een werkje voor ze waarbij ze volharding leren beoefenen.

Hun hysterische aanleg kan nuttig worden, en beroepen als b.v.
kin­derverzorgster, verpleegster en sociaal werkster, zijn voor deze
kin­deren weggelegd, mits het zelfinzicht tijdens de opvoeding dusdanig gegroeid is, dat ze tot normaal en evenwichtig contact opnemen in staat zijn. Dan zijn ze ongewoon opofferend en hebben een onver­moeibare arbeidskracht. Als het voor hen zelf blijkt, dat ze hier wat presteren, dan groeit de persoonlijkheid toch nog uit tot volwassen­heid.

sigaud 48 2b

Neuropathische reactievormen – gefixeerde desintegratietoestanden.
Het neuropathische symptomencomplex, zoals dit thans beschreven zal worden, ontwikkelt zich op de grondslag van een zeer bepaalde constitutionele aanleg. Vele moeders berichten, dat haar kind reeds vanaf de eerste ademtocht anders was dan gewone zuigelingen. Ze keken direct rond ,,als een kleine volwassene”, of ze waren direct al bovenmatig beweeglijk en reageerden op elk geluid of elk licht. Gemeenschappelijk hebben al deze kinderen een overgevoeligheid van het zenuwstelsel, naast een vroegrijpheid in de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling; niet alleen een zintuiglijke overgevoelig­heid maar vooral ook een labiliteit van het vegetatieve sympatische zenuwstelsel.
De onbewuste vegetatieve functies, die instinctmatig verlopen moeten (stofwisseling – bloedcirculatie – ademhaling) worden te sterk bewust. Het is alsof het bewustzijn doordringt in een vegetatief ge­bied, waarin het niet thuis hoort en in dat gebied wanorde en wille­keur brengt, waar natuurlijke orde en ritme, waar goede instincten in onbewustheid moeten heersen. In hun psychische (vroegrijpe) ont­wikkeling en in hun handelingen hebben deze kinderen hun in­stincten verloren en het gewoonste en natuurlijkste (de voedselopname, de stoelgang, de hartslag, de ademhaling) wordt tot een pro­bleem, dat met een angstige spanning of overwakkere opmerkzaam­heid gevolgd wordt. Daar deze kinderen meest opgroeien in een om­geving, die zelf zijn zekerheid in de instinctieve pedagogische hou­ding verloren heeft, ziet men bij de neuropaten naast de versie van het hysterische duet tussen moeder en kind het neuropatisch duet tot kwintet (want de neuropaten weten vaak het gehele gezin in span­ning te houden) tot ontwikkeling komen.

Wij behoeven geen stelling te nemen in de strijdvraag of het neuro­patische kind door exogene oorzaken zich ontwikkelt (dus door in­vloeden uit de omgeving) of door innerlijke aanleg. Het is nu een­maal zo dat dezelfde factoren die de erfelijkheid bepalen, als regel ook het milieu vormen dat de kinderen omringt, zodat in dit geval een erfelijke aanleg versterkt wordt door de opvoeding. Wat zijn de klachten waaronder het neuropatische kind lijdt en waaronder vooral zijn omgeving lijdt?
Als baby en kleuter het lichte slapen, het veel wakker zijn, het slech­te drinken, onderbroken bij de geringste stoornis, de grote beweeg­lijkheid, de snel ontwakende heerszucht, de driftbuien, het zeuren en doordrijven.
Als oudere kleuter en als schoolkind bovendien nog: gebrek aan eet­lust – bleek zien – donkere kringen om de ogen hebben – magerte -onrust – braken – buikpijn – verstopping – onzindelijkheid en bedwateren – onregelmatige hartactie en pijnen in de borst – kleuren en rode vlekken bij opwinding – koude handen en voeten – hoofdpijnen -flauwvallen – woedebuien met „wegblijven” – astma-tics – slaap­stoornissen in de vorm van niet-inslapen en ook van met een schreeuw wakker worden – „bolleschudden” en „rijden” – stotteren en voortdurend schreeuwend praten.
Men ziet: een bonte verscheidenheid, die echter gemeen heeft, dat het er vooral om gaat dat het bewustzijn ingrijpt in vegetatief – onbe­wuste gebieden en daar verstoring van deze functies tevoorschijn roept.
Psychisch vallen vooral op de onrust op alle gebieden, de overge­voeligheid op zintuigelijk gebied, de gemakkelijke affectprikkelbaar­heid, de concentratiestoornis.
Vatten wij alles nog eens tezamen onder het beeld van de gefixeer­de desintegratietoestand, dan kunnen we de neuropatische reactievormen als volgt beschrijven:

a.Er bestaat een constitutionele tendens, te sterk vooruit te stormen in de tijd. „Het kind kan zijn tijd niet afwachten”. Juist echter in de verlangzaming van de ontwikkeling van de mens, ten opzichte van het dier, ligt de mogelijkheid te komen tot menselijke ontplooiing en differentiatie, tot het bereiken van nieuwe en hogere integratieniveaus, waar nieuwe ordeningsprincipes kunnen werken.

b.De versnelling van de ontwikkeling gaat vooral uit van het bewustzijn en gaat gepaard met een versterking van de animale tegenover de vegetatieve functies.

c.Daardoor ontbreekt bij de neuropaat de ordening van lichamelijke en psychische functies in een harmonisch geheel. De neuropaat schiet steeds uit naar de ene of de andere kant. In zijn bewegingen, in zijn stemming, in zijn bloedvaatreacties, in zijn sociale gedrag.

d.Daardoor kan men bij de neuropaat niet van echte regressies spreken, er zijn wel talloze te kinderlijke, infantiele uitingen, maar het vorige ontwikkelingsniveau (bijv. voor het schoolkind de kleutertijd) was óók al chaotisch en had óók al vroegrijpe naast infantiele trekken.

e.Daardoor is de neuropaat ondanks intellectuele vroegrijpheid en (onder vier ogen, tijdens de test!) een behoorlijke I.Q., toch een slechte leerling, met bewegingsonrust, slechte concentratie, moeilijk opnemen van wat opgenomen móet worden. Sociaal is hij bovendien zeer lastig door zijn gevoelsleven, dat naast een overgevoeligheid toch een gevoelsleegheid bezit, waardoor nooit vriendschappen ontstaan en elk spel „katjes-spel” wordt. Opgewonden vreugde en woede gaan direct in elkaar over.

ƒ. Daardoor treden allerlei sociale conflicten op. Door de onge­stuurde belangstelling zwerven ze, komen niet thuis van school, ver­geten de tijd. Allerlei kleine eigendomsdelicten komen niet voort uit een bewust stelen door begeerte gedreven, maar in een ongeordend in de zak steken van dingen waar ze op een bepaald moment toeval­lig mee spelen of klungelen en hangt meer samen met een niet be­leven van: „dat doe je niet”.

g. Daardoor zijn zij veel sterker dan andere kinderen afhankelijk van factoren uit de omgeving. Opwinding, feestvreugde, angstige spanning, chaos in de omgeving brengt hun gelijkelijk uit hun even­wicht. Het weer speelt een grote rol, voor hitte en koude, voor weer­omslag (sneeuw in de lucht), depressies, in de lente en de herfst zijn ze overgevoelig en dan óf lusteloos of extra beweeglijk en lastig.

h. Tenslotte valt steeds meer op, dat zich geen echt centrum van de persoonlijkheid ontwikkelt en manifesteert. We willen daarom on­danks de vaak ook goede intellectuele ontwikkeling spreken van een gebrekkige en zwakke Ik-ontwikkeling, resultaat van de gefixeerde desintegratietoestand.

De therapie kan bij deze punten aansluiten. Centraal staat hier in de pedagogische therapie een rechttrekken van het onevenwichtige ontwikkelingsniveau. Pedagogische maatregelen die gericht zijn op een ontwikkeling van het gevoel en van het geordende handelen staan op de voorgrond.

De intellectuele functies komen daarna vanzelf terecht. Een rustige instinct-zekere omgeving (neuropaten uit de stad doen het zomers op de boerderij heel goed), een regelmatige dagindeling – afwisse­ling van buiten zijn en binnen werken – veel lichamelijke en psychi­sche warmte, zijn de hoofdzaak.

Vaak moet door een milieuwisselmg een fixatie doorbroken worden. Opvallend is hierbij dat bij de uitgesproken gevallen een bepaalde ontwikkeling optreedt. Aanvankelijk als zuigeling en kleuter ver­hoogde opmerkzaamheid, vroeg spreken, onkinderlijk oud er uitzien, vroege intellectuele ontwikkeling, zich uitend in meepraten over niet-kinderlijke dingen.

Later in de schoolleeftijd: ongeconcentreerdheid, vegetatieve klach­ten (zie boven), moeilijk leren, slecht opnemen: „verlaagde bewustzijnsfunctie in het denken, naast verhoogde bewustzijnsfuncties in de stofwisseling”.

Het duidelijkst vinden we deze symptomen bij de neuropathische cerebralen. Op deze kinderen is de beschrijving van Asperger van toepassing: „Diese neuropathischen Kinder sind auch sonst ein einheitlicher Typ: besonders fein und zart gebaut, von unkindlichem Ausdruck und auch von Wesen unkindlich reif. Schon nach dem körperlichen, noch mehr aber nach dem psychischen Bild hat man den Eindruck, sie hatten eine kindliche Stufe übersprungen.” (Deze nauropatische kinderen zijn ook anderszins een vastomlijnd type: bijzonder fijn en teer gebouwd, met een onkinderlijke uitdrukking en als wezen onkinderlijk rijp. Al door het lichamelijke, nog meer echter door het psychische beeld krijgt men de indruk dat ze een kinderfase hebben overgeslagen.’)
Soortgelijks treedt op bij de neuropathische respiratoiren, terwijl bij de musculair-motorische typen vooral de enorme onrust op de voorgrond staat. Neuropathische digestieven (de samenvoeging al bijna een contradictio in terminis) komen we minder tegen, hier krijgt het beeld een geheel andere kleur, die meer naar het driftpsychopatische gaat.

Stellen wij de zaak nog eens kort en duidelijk, voor wij de enkele symptomen iets uitvoeriger beschrijven: de neuropatische reactievormen hebben gemeen dat de „zenuwen”, in dit geval de bewustzijndragende organen van ectodermale (huid) oorsprong een snelle ont­wikkeling doormaken, daarbij het evenwicht met de vegetatieve functies verstorend en daardoor al spoedig een remming van de algemene geestelijke groei bewerkstelligend. Vooral het gevoelsleven van de neuropaat is op een eigenaardige manier leeg, zodat deze kinderen een tragische indruk maken.

De neuropathische aanleg is gegeven, deze kan echter bevorderd of tegen gehouden worden door milieufactoren. Vooral een rustig, instinct-zeker milieu werkt genezend.

De vegetatieve symptomen van de neuropathische reactievorm:
Deze uiten zich vooral in de bloedsomloop en de spanningsverhou­dingen in de kleinste bloedvaten. Op de voorgrond staat een kramp­toestand die zich uit in de bleekheid van de huid, koud zweten, kou­de handen en voeten, deze kramp kan tot pijn worden in de hoofd­pijn of tot flauwvallen bij emotie. Deze kramp kan zich voortplanten op de gladde spieren van luchtpijp (astma) en van het maagdarm­stelsel (maagkramp – overgeven – darmkramp – verstopping). Deze kramp kan echter ook plotseling omslaan in totaal loslaten van de tonus (kleuren, rode vlekken, dermographie, warme handjes, diarree, bedwateren).

Hoofdpijnen: de neuropathische hoofdpijnen treden vooral op in de schoolleeftijd bij een voor andere kinderen draagbare intellectuele belasting. Vooral tegen het einde van de ochtend, sterk afhankelijk van de innerlijke tegenzin tegen het vak dat het laatste uur op het rooster staat. Verder bij verjaardagen en feestjes die ze „niet aan kunnen”. De kinderen simuleren niet, zien vaak groenbleek en moe­ten in het donker uitslapen als bij een echte migraine.
Flauwvallen: door te weinige doorbloeding van de hersenen bij het zien van iets akeligs, of soms alleen maar bij het stoten van een knie. Dit flauwvallen onderscheidt zich van een epileptische toeval doordat het de patiënt zwart voor de ogen wordt en deze in elkaar zakt zon­der trekkingen of krampen. Hoe minder poespas gemaakt wordt van dit flauwvallen, hoe beter voor de kleine patiënt, anders wordt het een wapen om de angstige ouders te dwingen naar zijn pijpen te dansen.

Affectkrampen: Vele van deze kinderen kunnen midden in een woedebui plotseling „wegblijven”, d.w.z. er treedt onder het schreeu­wen plotseling een kramp op van de stembanden, de kinderen wor­den blauw en slap en vallen neer, tot een diepe fluitende ademhaling de opheffing van de stembandkramp aanduidt en de woedeaanval door kan gaan. Het „wegblijven’ is een dramatische gebeurtenis voor de omgeving. Nerveuze ouders (en deze kinderen hebben nerveuze ouders) „blijven” er zelf in! Het succes van het eerste wegblijven in affect, brengt het gevaar mee, dat het gefixeerd wordt als wapen om zijn zin te krijgen, onder het motto: pas op, als je niet doet wat ik wil, dan krijg ik het weer!

Astma: Naast het symptoom van de overgevoeligheid voor bepaal­de stoffen uit de buitenwereld (parallel gaande met de zintuiglijke overgevoeligheid bij alle neuropathische reactievormen) speelt de neuropathische reactievorm van de meeste astmakinderen een grote rol in de graad van de aanvallen. Het astmaprobleem is hiermede natuurlijk niet behandeld, maar het is wel opvallend dat we twee typen van astmakinderen kunnen onderscheiden: de vroegrijpe, extreem magere kinderen met vaak sterke misvormingen van de borstkas met de neuropathische reactie­vorm en de dikke „opgeblazen” kinderen zonder lichamelijke mis­vormingen met een meer hysterische reactievorm. Bij de vaak skeletmagere astmatische kinderen die het gehele
ge­zin beheersen met hun ziekte, kan overplaatsing naar een gezond, nuchter, doch gevoelswarm milieu, vaak wonderen doen. Helaas blijkt dan vaak het „neuropathische duet” daaruit, dat de huisge­noten het kind voortijdig terughalen, omdat ze zonder de emoties die het astmakind bracht, niet leven kunnen.

Hartbezwaren: oudere kinderen klagen vaak over hartkloppingen, „overslaan” en een beklemd gevoel of pijn in de hartstreek. Soms hoort de arts een functioneel geruis en meestal een onritmische hartactie. Voor deze „hartafwijkingen” past geen rust, maar gezonde beweging in een vrolijke harmonische omgeving. Het is opvallend, dat deze kinderen bij zware fietstochten tijdens een schoolkamp nooit over hun hart klagen.

Stoornissen in de eetlust: reeds de kleinste neuropaatjes zijn sterk gefixeerd aan een bepaalde smaak. De overgang van borstvoeding op gemengde voeding betekent al een periode van tobben. Later moet alles of vloeibaar, of wit, of zout of zoet zijn, anders komen er gil­buien met wegslaan van het bord. Neuropaten hebben de neiging te snoepen en tussendoor te eten om dan tijdens de maaltijden geen trek te hebben. Ze kieskauwen. Hoe meer de omgeving zich opwindt hoe sterker dit symptoom wordt. Dit­zelfde kind kan bij een vriendje thuis eten als een wolf! De ouders zijn vaak te meer bezorgd daar deze kinderen van nature mager zijn, een slap spierstelsel hebben en vaak bleek zien.
Overgeven- het niet-eten kan groeien tot een habitueel braken. Som­mige van deze kinderen zijn reeds in de wieg de z.g. spugertjes, pylorospasten. Hier is opvallend, zegt Asperger, dat de pylorospasten meest een vervroegde geestelijke ontwikkeling hebben. Ze fixeren al heel vroeg, het zijn later intellectuele kinderen, ze zijn ook verder onrustig, slapen licht, een enkel geluid (een dichtslaande deur) kan het spastische braken al oproepen. Een ander verschijnsel is het ochtendbraken op weg naar school. Deze kinderen geven regelmatig op weg naar school hun ontbijt over. Als regel blijkt de inspanning van de school voor deze kinderen te zwaar te zijn. Minder intellectuele belasting, zo nodig wisseling van klas of van school of van woonmilieu, kan deze stoornis vaak op slag opheffen. Ook hier blijkt dat bij een neuropaat een bepaalde reactie zich vaak fixeert op bepaalde personen of omgevingen. Bij debiele neuropaten kan het habituele braken zeer hardnekkig ge­fixeerd zijn, zodat het, in een inrichting geplaatst, waar het allang niet meer overgeeft, op het binnenkomen van de moeder prompt reageert met overgeven.

Darmkrampen: deze kinderen lijden vaak aan plotseling optredende buikpijnen, die meest om de navel gelokaliseerd worden. De aanval­len kunnen optreden tijdens of na het eten of op school. De krampen kunnen zo hevig zijn, dat het kind bleek wordt en languit moet gaan liggen. Ook hier duiden deze krampaanvallen op een te zware in­tellectuele of emotionele belasting. Ze zijn met een regelmatige buik­massage door de moeder ’s avonds bij het naar bed brengen meest prompt te genezen. (Wat is ook heerlijker dan dat moeder zoveel aandacht en zorg aan je besteedt!) Van belang is dan tevens te be­kijken of dit kind de klas en het schooltype aan kan.

Verstopping: de meeste neuropaten zijn „hardlijvig”, met soms af en toe diarree. De stoelgang wordt tot een dagelijkse pijnlijke kwel­ling, de hele familie leeft in spanning en emotie mee of „het gelukt is”. Ondanks de verstopping hebben ze vaak een vuil broekje („heus niet zo erg, maar zo’n klein streepje”). Er blijken vaak grote hoe­veelheden ingedroogde fecaliën in de darm te zitten die door de darm krampachtig vastgehouden worden. Regelmatig  kamillelave­menten kunnen deze vorm van verstopping vaak genezen, ook al omdat dan de spanning van het al of niet gelukken wegvalt en zo de vicieuze cirkel doorbroken wordt.

Bedwateren: Een aantal neuropaten zijn hardnekkige bedwateraars (en soms blijven ze overdag ook niet droog, omdat ze zich tijdens het spel de tijd niet gunnen naar de w.c. te gaan). Dit zijn ze on­danks het feit dat ze soms al heel vroeg zindelijk waren. Later gaan ze dan weer bedwateren, niet zoals het hysterische kind, omdat er een broertje of zusje kwam, maar zodra de emotionele verwerkin­gen van de dag te sterk worden (te druk spelen, een feest, proef­werk, spanningen thuis of op school). Daarbij speelt bij deze
kin­deren een eigenaardige vegetatieve stoornis in de uitscheidingsre­gulatie een rol. Overdag wordt weinig vocht uitgescheiden, ’s nachts „zwemmen ze weg”.

Slecht uitzien. Haast alle neuropaten zien er slecht uit. De huid is bleek (niet door bloedarmoede, maar door een kramp van de huid­bloedvaatjes), vaak schemeren de aderen blauw door de huid heen en vooral om de ogen ontstaat daardoor een donkere kring. Deze kinderen „tekenen” erg, d.w.z. ze kunnen het ene moment een frisse kleur hebben (die bij nadere beschouwing meest vlekkerig en iets te hoog-rood is), om het volgende moment er uit te zien of ze net op­gestaan zijn van een zwaar ziekbed. Hieruit blijkt hoe labiel de re­gulatie der bloedverdeling is. Hadden de hysterische kinderen meest een vochtige „open” huid en open zintuigen (volgens de indeling van Corman), de neuropaten hebben een koude, gesloten huid en ge­sloten zintuigen (ogen en neusvleugels zijn teruggetrokken, de lip­pen dun en strak).

Onder emotionele invloeden kan deze afsluiting (zich uitend in een slecht sociaal contact) plotseling doorbroken worden, dan kleurt het kind fel-rood, wat opnieuw een terugtrekken oproept. De angst voor het kleuren kan deze kinderen achtervolgen en dat kleu­ren eerst recht oproepen. Bij meisjes ziet men bovendien vaak het verschijnen van felrode vlekken in de hals of in het gelaat, bij jon­gens vaak één ‘rood oor bij een bleek gezicht. Zweetdruppeltjes bijv. alleen op de neusrug of alleen onder de ogen kunnen in de plaats van de vlekken voorkomen. Vaak hebben deze kinderen koude handen en vooral koude voeten. Koude voeten bij deze kinderen roepen een algemene neiging tot vaat- en darmkrampen op. Wij hebben vaak gezien dat een hele reeks van neuropatische klachten verdwenen alleen al door dage­lijks warme voetbaden voor te schrijven, tezamen met het dragen van een lange broek en wollen sokken. Een dergelijke „milieuver­andering” (lichamelijke) kan reeds een belangrijke verbetering van de psychische spanning en labiliteit geven. De leerkracht kan op dit punt de ouders een ongevaarlijk en nuttig advies geven.

Psychische symptomen: verhoogde prikkelbaarheid – onrust –
stemmingslabiliteit – ongeconcentreerdheid – vergeetachtigheid, staan op de voorgrond. Zij alle zijn te verklaren uit een gebrekkige ik-functie in het centrum van de persoonlijkheid. Naast deze neuropaten, met ernstige karaktermoeilijkheden en vegetatieve stoornissen, ken­nen we ook nog de minder zware gevallen. Deze kunnen een dubbel karakter hebben, in de eerste plaats bij die kinderen, waarbij slechts enkele van de genoemde symptomen optreden, in de tweede plaats bij kinderen die wel de constitutionele aanleg met de vegetatieve la­biliteit hebben, maar waarbij een „sterk IK” in het centrum staat, dat in staat is ondanks deze moeilijkheden toch een hoge graad van integratie te veroveren. Hiertoe behoren enkele vroegrijpe begaafde kinderen, hetzij intellectueel begaafd, hetzij kunstzinnig begaafd. Met de grootste moeite weten zij zich door de school te worstelen, ondanks hoofdpijnen of buikpijnen, ondanks de kwellingen die het samenzijn met luidruchtig-gezonde kameraadjes meebrengt, on­danks ook de kwelling, die het klassikale onderwijs als zodanig voor deze kinderen betekent. Zij trekken zich dan gaarne terug in hun eigen wereld van muziek, literatuur of schilderen. Elke prestatie moet ontworsteld worden aan een tegenstribbelende fysieke consti­tutie en vaak betaald worden met hoofdpijnen of uitputtingstoestan­den. Carp (zie ook Dr. D. A. van Krevelen: Nederlands leerboek der
speciaalkinderpsychiatrie. 1952.) noemt dit type het sensitieve belevingstype en wijst op de grote gevoeligheid voor indrukken en verhoogde kwetsbaar­heid. Wij hebben zulke kinderen gezien onder het type dat wij be­schreven als de retarderende cerebrale kinderen en gezien dat deze later tot belangrijke prestaties in staat waren ondanks de blijvende constitutionele hindernissen.

De therapie voor de neuropathische reactievormen bestaat, wat de pedagoog betreft, in de eerste plaats in het doorbreken van vast­gelopen voorwaardelijke reflexen. De pedagoog mag zich niet laten prikkelen door de onlustreacties, niet overbezorgd zijn en moet de ouders het vertrouwen geven dat van nu af alles goed zal gaan. Zelf zal men dan hebben te overwegen of het kind de drukte en afleidin­gen van een grote klas kan verdragen, of de leerstof niet te zwaar intellectueel belastend is en of men door wat extra aandacht en aanmoediging niet reeds veel kan doen. Veelal echter zal om te be­ginnen een radicalere milieuverandering nodig zijn – een uithuisplaatsing – verandering van klas of school. Men zal verstandig doen de uitwerking hiervan aan medisch pedagogische bureaus over te laten.

sigaud 48 3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De copyrechten berusten bij het ‘Lievegoedarchief’. Dit verleende aan vrijeschoolpedagogie.com toestemming voor plaatsing.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (6-6)

.
Op een weblog van een maniakale criticaster is, zonder toestemming – de integrale tekst vanaf ‘Hoofdstuk 3’ van dit artikel overgenomen onder ‘Vrije School, pedagogisch-didactische achtergronden ’. De links in dit artikel werden door hem verwijderd.
Ik heb dus niets met die blog van doen en ook niet met de eventueel gemanipuleerde tekst.
Aangezien de copyrighthouder toestemming verleende aan vrijeschoolpedagogie.com voor publicatie, overtreedt de criticaster de auteurswet.

.

Inleiding

Hoofdstuk 1
— Kennismaking met het drieledigheids­denkbeeld van Rudolf Steiner 

Hoofdstuk 2
— Indeling en uitgangspunten bij de heil-pedagogie

Hoofdstuk 3
— Algemene oriëntering omtrent typologieën

Hoofdstuk 4
— Speciale begrippen in de typologie van Sigaud en Corman

Hoofdstuk 5
De vier hoofdtypen beschreven door Sigaud

Hoofdstuk 6
— Uitwerking van de vier hoofdtypen tegen de achtergrond van retardatie en propulsie

Hoofdstuk 7
Twee vormen van neurotische levenshouding

Hoofdstuk 8
Encephalopathie en het gedrag dat daarbij voorkomt; psychopatische
karakterveranderingen

HOOFDSTUK 6

Uitwerking van de vier hoofdtypen tegen de achtergrond van retardatie en propulsie

We willen thans trachten de 4 typen van Sigaud achtereenvolgens te schilderen in een te langzame en te snelle ontwikkeling.

Het cerebrale retarderende kind

foto's0041

Dit kind is gemakkelijk te herkennen. In de kleuterklas is het
bin­nengekomen met grote, angstige ogen, zich vastklemmend aan de moeder. Al die nieuwe kinderen kan het niet verwerken. Het trekt zich terug in een hoekje en kijkt vandaar de vreemde wereld aan. Is het wat gewend, dan kan het langzaamaan meedoen, maar het is weerloos tegenover de bijdehandjes. Wordt er vrij gespeeld, dan ziet men het kind in een hoekje met een popje spelen, aan- en uit­kleden. Dan blijft het popje liggen en kan het kind met open ogen wegdromen in een eigen wereld. Soms zit het daar nog, terwijl alle andere kinderen al om de tafel zitten en heeft het zijn omgeving ver­geten. De leerkracht zal goed doen, dit kind voorzichtig te wekken en in het geheel te betrekken. Plotseling roepen, een schrik, werkt diep in en kan oorzaak zijn van shocks, die zich uiten in een tegen­zin tegen de school. Deze kinderen zijn uiterst kwetsbaar. Voor elk hard woord, voor een lichte aanraking, die zij als een slag beleven en die zij niet verwerken. Opvallend is vaak het mooie, hoge voor­hoofd, het zachte haar, de grote dromerige ogen. Op de lagere school zijn zij laat schoolrijp en komen in de eerste klassen moeilijk mee. Toch steken zij meer op dan men denkt en hun intelligentie kan zeer goed zijn. Bij niet begrijpen van deze kinderen worden zij voor dom aangezien en hun neiging tot regressie doet hen infantieler reageren naar mate zij de weerstand van de omgeving beleven. Ongemerkt zal men met een enkel vriendelijk woord deze kinderen uit hun droomwereld halen en in de klas weer mee laten doen. Zij zijn meest auditief ingesteld. In verhalen leven zij mee als geen ander kind, maar het akelige in een verhaal en een onrechtvaardig lot kan hen lang bezig houden.
Hun intelligentie is uitgesproken scheppend, origineel. Het zijn later creatieve denkers en kunstenaars. Maar met droge, intellectuele stof hebben zij aanvankelijk veel moeite. Deze kinde­ren worden beter op school naarmate zij ouder worden, eigenlijk komen zij pas op stoom, als zij studeren en hun eigen tempo kunnen vaststellen en zelf hun studie kunnen bepalen. Een streng klassi­kale school is voor deze kinderen een lijdensweg. Bij projecten en bij opstellen verrassen zij door weergave, expressie, de overgave aan en de oorspronkelijkheid van hun werkstukken. Ze zijn vaak verkou­den, hebben als kleuter al veel bronchitis gehad en als baby voedings­stoornissen. Reeds de overgang van borstvoeding op gemengde voeding heeft moeilijkheden gegeven. In de winter verzuimen zij veel, door periodes van lichte temperatuursverhogingen zonder ver­dere symptomen dan wat verkoudheid. Vaak ook lijden zij ongemerkt aan chronische bijholte-ontsteking, die hen labiel en prikkelbaar maakt.
De toekomst van dit kind hangt in hoge mate af van het begrip van ouders en leerkrachten. Wordt het kind door een actieve moeder of door een leerkracht, die het kind onder de zwakbegaafden rekent, niet begrepen, dan kunnen ernstige regressies optreden, of ze gaan aan angsten lijden. De angsten van deze kinderen hebben alle tot oorzaak, het niet tegen de wereld op kunnen. In dromen en fanta­sieën voelt het kind zich belaagd door dreigende monsters waarin het zijn angsten symboliseert. Menig cerebraal-regressief kind heeft veel en vaak ongemerkt geleden onder deze angsten. Het werd op school veel geplaagd en was een weerloos slachtoffer van meer ro­buuste kameraadjes. Iets ouder vlucht het kind vaak in de boeken, want het is onhandig en onsportief. De vriendschap met een enkele volwassene of vriendje kan diep en blijvend zijn. Ze zijn trouw in hun vriendschappen, ondanks het feit dat de anderen vaak teleurstellen door ruwheid of niet-begrijpen. Begrijpt de leerkracht dit kind wél, ziet het de onbedorvenheid en rijkdom, die achter schijnbaar niet mee­doen verborgen ligt, dan kan de leerkracht dit kind met een enkel knikje, een lichte aanmoediging, een glimlach van elkaar begrijpen, helpen en daardoor zijn schoolprestaties doen stijgen. Deze kinderen zijn gauw ontmoedigd en neigen tot minderwaardigheidsgevoelens, die heel diep gaan en een grote rem kunnen zijn voor latere produc­tieve ontplooiing.

2. Het cerebraal propulsieve kind

foto's0040

kondigt zijn moeilijkheden reeds de eerste dag van het leven aan. Mager, met grote ogen, haast volwas­sen rondkijkend, ligt het in de wieg. Het slaapt licht en kort, elk geluid, elke lichtstraal doet het ontwaken. En wakker zijn betekent bij dit kind: schreeuwen. Het drinkt driftig, verslikt zich, laat los bij elk geluid in de kamer, is gauw van streek met de ingewanden. De ontwikkeling van dit kind gaat snel voorwaarts. Het spreekt vroeg en heeft weldra het hele gezin om zijn vinger gewonden, met feilloze zekerheid weet het ieder zolang te prikkelen tot het zijn zin krijgt. Tegenover andere kinderen is het agressief, maar dan tegelijkertijd bang. Er ontstaan gauw ruzies, waarbij het kind schreeuwt en altijd tekort gedaan is, symptomen die we ook bij het neuropatiscbe kind tegenkomen. Leren doet het kind spelenderwijs, het komt op school met de kennis van alle letters en kan reeds tellen. Het wil steeds vóór zijn beurt praten, en is afgunstig als het niet het hoogste cijfer heeft. Abstracte leerstof verovert het gemakkelijk, maar een verhaal is al gauw vervelend, vooral als het kind het al kent. Over ‘Die Moral von der Geschichte’ wordt heengelopen en de feitelijke inhoud is het belangrijkste. Vooral als er veel gebeurt en er veel strijd is. In de klas: een lastpost, maar een intelligente leerling. Het gevaar is, dat de volwassene, geprikkeld door de onrust en de onge­zeggelijkheid van dit kind, zijn agressie tegen de agressie van dit kind zet. Eén ding is daarbij zeker: de volwassene legt het af, wat uithoudingsvermogen betreft en het kind is in zijn situatie niet ge­holpen. Het is van belang dit kind juist véél taken te geven, waarbij het op doen en op scheppend werk aankomt. Dan blijkt pas dat deze kleine druktemaker meer met de mond dan met de handen presteert, wat hij wel door vele verhalen zal trachten te verbergen. Zijn intel­ligentie is meer abstract-reproductief dan productief en oorspron­kelijk. Bij deze kinderen is na de schoolrijping het oorspronkelijk cerebrale type niet in de eerste oogopslag te zien, want de oorspronkelijke groothoofdigheid gaat verloren. Toch kan men de cerebrale kenmerken nog zien aan het hoge voorhoofd en de fragiele bouw van het lichaam met de weinige spierontwikkeling. Thuis klaagt de moeder over slecht eten, kieskeurigheid en snoepen. Vaak ook over oneerlijkheden, „ruilen” met vriendjes, waarbij de ander huilen moet. Daar het kind onder de kameraadjes niet echt geliefd is en zelf ook weinig liefde schenkt, daar de wereld al spoedig uitbuitingsobject is voor eigen verlangens, staat dit kind eenzaam en in school schiet dit kind heen, al ziet men ook vaak, dat met het min­der schools worden van het leren in de hogere klassen van het mid­delbaar onderwijs de prestaties afnemen. Later worden het de
knap­pe mensen met weinig gevoelskwaliteiten en sociaal slechte contac­ten. Van jongs-af-aan zijn het Strebers. De leerkracht zal daarom goed doen veel aandacht te schenken aan de affectieve ontwikke­ling van dit kind en het laten beleven, dat het naast zijn intellectuele vermogens op andere gebieden nog heel wat te leren heeft. Hij zal daarmee voorkomen, dat het kind later een eenzaam mens wordt.

foto's0039

Het polaire type van het cerebrale is het digestieve. Waar de cere­braal het type is. waar de ectodermale organen overheersen (dus de organen die embryonaal voortkomen uit de afsplitsing van de huid) en alles is gericht op de organen, die in dienst staan van het bewustzijn, is de digestief het type, waar de entodermale functies overheersen (dus die organen, die embryonaal ontstaan zijn uit de oerdarm). Hier is alles gericht op de stofwisseling en wordt gestuwd door de begeerten die vanuit deze stofwisseling in de psyche be­merkbaar worden.

3. Het retarderende, digestieve kind

foto's0044

is meest bij de geboorte reeds behoorlijk van gewicht. Voeding en slaap wisselen elkaar af zon­der stoornis. Het kind wordt wakker om te drinken en drinkt dan rustig, volhardend en veel, om weer in te slapen tot de maag leeg is. Het wordt gauw dik en wat traag, maar heeft niet gauw ingewand­stoornissen. Het loopt laat, maar als het eenmaal loopt, loopt het met rustige doorzetting. Het is in het algemeen niet bijzonder intelligent op ab­stract gebied, maar wel uitermate practisch gericht als het erop aankomt iets uit te vinden, waardoor zijn gemak gediend wordt. Als kleuter geeft het kind geen problemen. Het is gemakkelijk, goedmoe­dig, kan tegen een stootje, mag gerust eens aangepakt worden om het wat te activeren. Lichamelijk is het te herkennen aan het bijna vierkante hoofd. Als baby is het meest licht van haar en heeft kleine “varkensoortjes”, het is meestal bleek van teint en heeft trage vaatreacties. Tegen de schooltijd is het een ronde, blozende jongen of meisje geworden, flegmatisch, maar traag goedmoedig. Het droomt weg in de klas, evenals de retarderende cerebraal, maar de fantasie is van geheel andere aard. Het kan de eerste uren heerlijk uitvoerig zijn ontbijt zitten verteren, om daarna op te gaan in de verwachting van de boterham tijdens het speelkwartier of de koffiemaaltijd thuis. Als het moet is het kind tot werk te krijgen, maar het maakt er zich met een minimum van af. Het is in de klas een indifferent, onop­vallend gezond kind. In Nederland komt dit type vrij veel voor. vooral op het platteland. De driften blijven infantiel gefixeerd op de mond en al wat daar door naar binnen gewerkt kan worden. Veel geestelijke behoefte heeft dit type niet, het worden later ietwat ma­terialistische, gemoedelijke mensen die met eenvoudige normen te­vreden zijn en daarover dan niet veel meer willen horen. De leerkracht zal goed doen, dit broeden op de eigen spijsvertering te doorbreken en van hen een zekere geestelijke activiteit te verlan­gen. Dit is niet gemakkelijk, maar voor een grapje zijn ze toeganke­lijk. Ze echter actief te houden, valt niet mee. Erg zachtzinnig in­voelend behoeft men niet te zijn. De problemen van deze kinderen zijn primitief en er is enige doorzetting nodig om hen op een hoger niveau te krijgen.

4. Het propulsieve digestieve kind

foto's0043

heeft in zijn eerste jeugd veel met het vorige type gemeen, is echter actiever en driftiger. De kalme doorzetting van het zich langzaam ontwikkelende digestieve type wordt hier tot koppigheid. In de kleutertijd vallen ze met hun ge­zellige, ronde vrolijkheid op. Ze rollen overal tussendoor, maken grapjes en zijn waar ze komen een vrolijke noot in de groep. Het is het type van de klassieke Dik Trom. Het gevaar is: met bruut ge­weld doorzetten van de eigen begeerte, of in voortdurend half ma­nische stemming verkeren, waarbij alles afglijdt op een stroom van grapjes, die een ontwijken van elke moeilijkheid maskeren. Dit type wordt later de stamgast in het café, of de dynamische direc­teur, de zeekapitein of de ploegbaas, die paars aanloopt als hem maar iets in de weg komt. Wordt later het uitleven van de begeerte van het orale gebied naar de sexualiteit verschoven, dan vindt men ook op dit gebied veel ongeremden onder hen. Als leraar zal men goed doen zich niet door de lolligheid van deze kinderen op een dwaalspoor te laten brengen, doch van hen degelijk werk verlangen, vooral ook op manueel gebied. Een zekere goedmoedige, maar absolute strengheid in de eisen, die men stelt, is voor dit type nodig. Zij moeten, meer dan andere kinderen, hun normen van buitenaf opge­legd krijgen.
Een kleine, extreme groep van dit type bestaat uit kinderen, die zo door hun driftleven worden beheerst, dat het hun niet lukt die structuren op te bouwen, die nodig zijn om een regulerende, remmende invloed op het driftleven uit te oefenen.
Ze raken onaangepast en zijn op een gewone school niet te handha­ven. Ze moeten onder deskundige behandeling komen om te trach­ten het gevaar waarin ze zich bevinden, te keren.

5. Het retarderende motorische type 

foto's0047

heeft weinig uitgesproken kentekenen. De lichaamsbouw is harmonisch, als baby een lang kind, beweeglijk, vroeg lopend, vroeg sprekend, is dit het kind dat meer doet verwachten dan het geven kan. De intelligentie is vooral praktisch gericht. Het kind leert door nabootsing: motorisch én in­tellectueel. Het heeft veel behoefte aan afleiding en moet de ruimte hebben. Heeft het die niet, dan wordt het kind lastig, druk, gaat rondvliegen door de kamer, speelt nu eens met dit, dan weer met dat, laat overal alles slingeren en loopt iedereen voor de voeten. Het heeft een onweerstaanbare drang naar buiten, waar het alle tijd vergeet en met gescheurde kleren thuiskomt, of onderweg zijn jas of pet verloren heeft. Het is makkelijk over te halen tot allerlei streken en wordt daardoor veelal door andere kinderen gebruikt om kattenkwaad uit te halen, waarvan het de gevolgen zélf niet overziet. Beterschap beloven heeft daarbij geen resultaat. Is het buiten het gezichtsveld van thuis dan is alles weer vergeten en leeft het kind in de vrijheid van het nu. Op de lagere school gekomen, is dit kind een draaitol in de klas. De intellectuele prestaties vallen tegen, een sterk gebrek aan concentratie maakt dat het weinig leert. Zitten blijven helpt daarbij weinig; menigmaal komt het voor, dat het de tweede maal nog slechter gaat, omdat nu ook de prikkel van de nieuwsgierigheid voor het nieuwe is weggevallen. Het kind heeft nu eenmaal een geringe eigen fantasie en leert meer door imitatie van de omgeving dan door eigen innerlijke drang. Als de leerkracht echter begrijpt, dat dit kind alleen door doen kan leren en dat ook deze kleine onrust een affectieve omhulling nodig heeft, dan zal hij een kort ogenblik naast dit kind gaan zitten en zijn volle sympathie en belangstelling voor dit kind geven, dat meestal de hele dag van het ene standje naar het andere loopt. De leerkracht kan er de ouders op wijzen, dat zij het kind op geregelde tijden apart moeten nemen en het moeten voorlezen of vertellen, dat het kind met regelmaat bepaalde taken moet krijgen, bv. op school elke ochtend één plantje wat water geven. Thuis schoenen poetsen of iets derge­lijks, maar de volwassene zal het mét het kind langere tijd samen moeten doen. tot het er zo inzit, dat het kind het zelf voort kan
zet­ten. Het is opvallend hoe deze kinderen alles motorisch leren, zolang mogelijk blijven ze tellend met de eigen vingers rekenen en schuwen het denkend rekenen. Daarom moeten deze kinderen nog meer oefe­nen dan de anderen, maar niet alleen en automatisch, maar onder toezicht en met affectieve deelname aan het behaalde resultaat. Deze kinderen worden veel afgesnauwd en weggejaagd, waardoor zich een soort schijnbare immuniteit ontwikkelt, waarachter zich het ge­voelsleven verbergt. Wie dat éénmaal beleefd heeft, verandert zijn houding en ziet hoe gevoelig dit kind is voor een aanmoedigend, vriendelijk woord en hoezeer het hunkert naar wat liefde en belang­stelling,

foto's0042

6.Het propulsieve~motorische kind

pr m
is van een adembeklemmende activiteit. Deze is geladen met een agressieve kracht, die elke vol­wassene, die affectief met het kind verbonden is, in korte tijd uitput en het op doet geven. De uitgesproken typen zijn in de kleutertijd al op het medisch opvoedkundig bureau geweest. Op hen is de uit­drukking ,,Gejaagd door de wind” van toepassing, ze maken veel stuk: hun speelgoed, hun kleren, het behang aan de muur, de slui­tingen van de ramen, niets is veilig. Water en lucifers oefenen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. Zij slopen de peertjes uit de lampen van de fietsen, maar geven ze daarna weer weg. Ze zijn de schrik van de straat, overal waar zij verschijnen gebeuren ver­keerde dingen. Elk groepsspel wordt verstoord. Ze duiken op, ma­ken chaos en zijn weer verdwenen, als er een volwassene verschijnt. Zij vernielen speelgoed van andere kinderen door er zinloos mee rond te zwaaien of het op een dak te gooien en dan luid lachend weg te lopen. De uitgesproken gevallen zijn in een schoolklas on­houdbaar en hebben een heilpedagogische behandeling nodig. Maar menig grensgeval van dit type is de schrik van de speelplaats en van de weg van en naar school, waar lantaarns ingegooid worden en als dit niet kan, alleen maar zinloos gebruld en met armen gezwaaid wordt. Dit type is zeer moeilijk (therapeutisch te benaderen; slechts een richten van de activiteit op scheppend kunstzinnig werk, als boetseren, schilderen, houtbewerken, heeft op den duur succes. Toch zijn ze zelf dankbaar als ze iets gepresteerd hebben. Maar de vol­wassene moet voortdurend toezien dat niet door overactiviteit ver­knoeid wordt, wat eerst al tot stand gekomen was. De leerkracht doet goed voor deze kinderen deskundige hulp in te roepen.

foto's0045

Het zuiver respiratoire type
zien wij in Nederland niet in elke klas. Wel zien wij hier in de noordelijke landen vaker een belangrijke respiratoire inslag bij het cerebrale type, in welke vorm deze het lep­tosome type van Kretschmer dekt. In Friesland zien wij weer meer respiratoiren dan in het zuiden van ons land. In Zuid-Frankrijk en Spanje wij hier in de noordelijke landen vaker (de tekst in het boekje lijkt hier niet helemaal te ‘lopen’.) 
Een belangrijke respiratoire inslag in de constitutie gaat gepaard met iets heftigs, gespannens in het karakter. Indrukken worden heftig verwerkt. Ze zijn vaak intelligent én kunstzinnig, maar hebben de neiging zich vast te boren in voorstellingen en gevoelens. De belevingen zijn niet vrij, ze hebben iets dwingends voor het kind. Vooral prepuberteit en puberteit zijn moeilijk met grotere dan gewone spanningen en onevenwichtigheden. In de puberteit groeien zij sterk in de lengte, hebben een stugge en moeilijke sociale omgang. Men moet erop toezien, dat deze kinderen steeds in de sociale groep van de klas betrokken worden. Humor is het beste middel om hen over hun spanningen heen te helpen.

foto's0051

6.Het retarderende respiratoire kind
heeft bij de geboorte al een opvallend neusje. Zijn totale lengte is boven het gemiddelde, de borstkast is lang en breed, de schoudergordel goed ontwikkeld. De neus groeit later nog uit en beheerst dan het middendeel van het ge­laat, zodat vaak zelfs een hoekprofiel ontstaat. De problemen van deze kinderen liggen in de affectieve sfeer, in het gevoelsleven. En waar dit gevoelsleven de samenbindende kracht in de persoon­lijkheid is, dreigen bij stoornissen van het gevoelsleven desintegraties van de totale persoonlijkheid en treden steeds ernstige omgangs­stoornissen op. Het normale kind met een respiratoire inslag in de constitutie heeft al iets aparts, dat ze onafhankelijk van hun afkomst iets aristocratisch geeft, vaak ook iets on-Hollands, buitenlands. Deze kinderen maken een ietwat hooghartige indruk, ze neigen tot heerszuchtigheid. Ze hebben meest een zekere kunstzinnige aanleg, maar deze is sterk individualistisch. De aanpassing van deze kin­deren is steeds moeilijk, ze zijn eenzaam en men moet in hun wereld binnentreden, om contact met hen te vinden.

In versterkte mate heeft dit het retarderende respiratoire kind, zó zeer zelfs, dat we dit type terug zullen vinden als één van de vor­men van kinderlijk autisme.
Het retarderende respiratoire kind toont reeds in de wieg een zwak­te in het vermogen de wereld te ontmoeten. Reeds 3 maanden oud valt het op doordat het de blik niet beantwoordt, maar langs de mensen heen kijkt met lege blik. Daarbij blijkt dat het kind toch alles uit zijn omgeving opmerkt en al spoedig gefixeerd raakt aan bepaalde voorwerpen, aan bepaalde bewegingen en de opeenvol­ging van bepaalde handelingen. Er ontwikkelt zich een neiging tot dwangmatigheid die de omgeving dwingt vele ceremoniën te vol­brengen bij de eenvoudigste dagelijkse routinehandelingen. Hun instelling tot de buitenwereld is (uit zwakte tot werkelijke ontmoe­tingen) uitgesproken vijandig, de blik is afwijzend, vaak boosaardig, vaak ook schijnbaar niet geïnteresseerd en leeg; en dit naast een overgevoeligheid voor elke benadering, aanraking of aantasting van zelf vastgestelde privileges. Hun intellectuele en kunstzinnige ontwikkeling is op één enkel gebied gericht (tekenen, rekenen, ster­renkunde, techniek, chemie). Hun gevoelsleven heeft iets dwin­gends, fanatieks, ze boren zich vast in eigen voorstellingen en ge­voelens. Het is wel duidelijk dat hun omgangsstoornis in de eerste plaats ligt in een moeilijke omgang met het eigen zelf en pas secun­dair met de anderen. Ze zijn voortdurend onvrij in het zelfstandig hun weg gaan en ze missen de kracht en het overschot aan levens­vreugde om de eigen binnenwereld aan anderen mee te delen. Daar­door zijn ze, zoals de moeders zeggen, ,,tegen zichzelf”. Komen ze in de klas, dan vallen ze door vele eigenaardigheden op. Ze zijn nukkig, moeilijk te benaderen, afwijzend, vaak met een on­tevreden trek op het gelaat. Ze vluchten in de houding van „kom niet aan me”, welke houding de aanpassings- en omgangszwakte maskeert. Ondanks hun meestal goede intelligentie, leren ze slecht, omdat ze met hun eigen hobby’s (rekenen, aardrijkskunde, tekenen) bezig zijn en niet kunnen ingaan op wat er op routinegebied geleerd moet worden.
Daarbij zijn ze motorisch onhandig, onsportief. Op de speelplaats en op de weg van en naar school worden ze veel geplaagd door hun onhandige uitingen, wereldvreemde gedragingen en doordat ze ab­soluut geen grapjes begrijpen en plagen verdragen kunnen. De an­dere scholieren verklaren dit kind kortweg voor „gek”, daarmee aanduidend dat deze klasgenoot voor hen niet invoelbaar is. Deze kinderen lijden ook veel onder angsten.
Hun angsten hebben echter altijd een zekere uitgedachte onder­grond. „Als nu eens dit of dat gebeurde, dan zou dat of dit het ge­volg zijn”.
De leerkracht zal voor deze kinderen een bijzondere pedagogie moe­ten instellen. In de eerste plaats zich niet laten prikkelen door het negativisme in woorden, door de zucht tot debatteren, en altijd tegen­spreken. Nuchter en zakelijk zal datgene wat gedaan moet worden vastgesteld moeten worden, maar vooral bij deze kinderen met een ondergrond van liefde en sympathie, gedragen door een begrip voor de oorzaak van het negativisme, dat gelegen is in een gevoelszwakte. Hun houding is tenslotte hun vorm van regressie. Juist hier moet een vorm van liefde gebracht worden, die met het kind mee strijdt om de barrière tot de wereld te helpen overwinnen. Toch heb ik in extreme gevallen voortreffelijke pedagogen het zien afleggen tegen de dwang van zo’n kind om bijvoorbeeld dagen lang niets te willen eten of niet te willen urineren, dwangen die zó gekozen waren door het kind, dat ze onmogelijk genegeerd konden worden. De niet te moeilijke gevallen komen als zonderlingen door de school heen; er zijn van deze kinderen mensen gegroeid met extreem een­zijdige kunstzinnige en wetenschappelijke aanleg, van eng maar hoog formaat.
Onder hen treft men dan musici en schilders aan met een zeer eigen klank- en vormenwereld; ook het type van de verstrooide professor uit de humoristische bladen, die buiten zijn vakgebied in de gewoonste levensproblemen onaangepast is, dankt aan dit type zijn ont­staan. Het zal echter verstandig zijn in de pedagogie niet op een toekomstig „verstrooid professoraat” te rekenen en te werken aan een zo groot mogelijke aanpassing aan normale omgangsvormen. Het is opvallend, dat het retarderende respiratoire kind met autisti­sche structuur niet tot schizofrenie komt.

foto's0050

8.Het propulsief respiratoire type
heeft met het vorige veel ge­meen, alleen zijn de problemen brandender, geforceerder en daar­door spoedig absurd geworden, de autistische component maakt hier plaats voor een schizoïde, een gespletenheid in het karakter, waar­door de aanvankelijk ook negativistische houding tegenover de om­geving verandert in een totale loslating van dit contact (een nega­tief contact is tenminste nog een contact!) en een zich terugtrekken in een eigen autochtone wereld. Bij de meer zware gevallen valt het vreemde, oninvoelbare, reeds vroeg op en gedurende de ontwik­keling dreigt steeds een afbreken van de continuïteit van de ontwik­keling, een desintegratie van de persoonlijkheid. Schoolrijping, pre-puberteit zijn zware beproevingen voor de samenbundelende krach­ten, die in de psyche werken.

Vreemde absurde belevingen, ongerijmde angsten, onverklaarbare handelingen komen bij deze kinderen als prepsychotische fasen voor. Extreme eenzaamheidsbelevingen kunnen in de puberteit de voorbode zijn van ,,Schülerselbstmord,, of van plotseling uitbreken­de schizofrenie.
In tegenstelling tot meer autistisch gestructueerde retarderende typen, geven de lichtere propulsieve gevallen op school geen grote moeilijkheden; ze zijn lang, mager, bleek en stil, hebben vaak een goede begaafdheid en een koortsachtige leergierigheid. Ze hebben weinig vriendjes, maar geven niet die opvallende moeilijkheden te zien van de vorige groep. Soms worden ze als wonderkinderen aan­gezien door hun vroege rijpheid en hun volwassen oordeel over kunst, moraal en religie. De leerkracht heeft tegenover deze lange, stille kinderen een zware verantwoording, die in de eerste plaats ligt in het onderkennen van de situatie. Een overleg met deskundigen zal dan nodig zijn.

foto's0049
Uit dit alles zou de lezer misschien kunnen concluderen, dat elk cerebraal, respiratoir, motorisch of digestief kind een probleemkind is. Gelukkig is dit niet zo. Het normale kind met cerebrale habitus is een prettige, intelligente leerling, het normale motorische kind een leuk, sportief element in de klas, wat oppervlakkig, maar vlot. Het normale digestieve type is een rustige stabiliserende factor, dat kalm aan met zijn gemiddeld zes op de rapporten door de school gaat. Het normale respiratoire type is meest iets aparts, maar brengt daar­door een interessante noot in een overwegend digestieve gemeen­schap.
Een leerkracht, die op het individuele karakter van zijn leerlingen ingaat, zal elk element nodig hebben, om zijn klas als een orkest te bespelen. Nu eens zich wendend tot en steunend op de ene groep, dan op de andere. Cerebralen zal hij nodig hebben, om eens boven het allernoodzakelijkste gemiddelde uit te kunnen komen, zijn mo­torisch en zijn bij taken en bij sport en spel leiding gevend, zijn digestieven geven de continuïteit door het jaar heen en zijn enkele respiratoire leerling zorgt ervoor, dat het geen sleur wordt. Men zou ze per slot geen van allen kunnen en willen missen en later in het leven is voor ieder een taak weggelegd. Loopt de ontwikkeling echter niet normaal bij de beschreven typen, dan kunnen ze bij niet vroegtijdig onderkennen onze probleemkinderen worden, zoals we ze onder de kinderen in onze instituten vinden.

We krijgen deze kinderen niet als zuigeling en een bepaald afwijkend gedrag heeft zich meestal al vastgezet. De kinderen worden ons als dom, debiel, zwakbegaafd gestuurd of als ontremd, autist, psycho­paat. Ook veelal met de woorden: afwijkend gedrag, vermoedelijk op de bodem van een hersenbeschadiging of affectieve verwaar­lozing.

Het ,,op organisch gestoorde grondslag” in een dossier is belastend, en inderdaad, hier moet men tegen de logica in, opvoeden. Toch is in de heilpedagogie nooit een geval hopeloos. Het kind is immers nog in volle ontwikkeling en vele hulpmiddelen staan ons heilpedagogen ten dienste.

 

De copyrechten berusten bij het ‘Lievegoedarchief’. Dit verleende aan vrijeschoolpedagogie.com toestemming voor plaatsing.

.

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

.

589-541

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (6-5)

.
Op een weblog van een maniakale criticaster is, zonder toestemming – de integrale tekst vanaf ‘Hoofdstuk 3’ van dit artikel overgenomen onder ‘Vrije School, pedagogisch-didactische achtergronden ’. De links in dit artikel werden door hem verwijderd.
Ik heb dus niets met die blog van doen en ook niet met de eventueel gemanipuleerde tekst.
Aangezien de copyrighthouder toestemming verleende aan vrijeschoolpedagogie.com voor publicatie, overtreedt de criticaster de auteurswet.

 

Inleiding

Hoofdstuk 1
— Kennismaking met het drieledigheids­denkbeeld van Rudolf Steiner 

Hoofdstuk 2
— Indeling en uitgangspunten bij de heil-pedagogie

Hoofdstuk 3
— Algemene oriëntering omtrent typologieën

Hoofdstuk 4
— Speciale begrippen in de typologie van Sigaud en Corman

Hoofdstuk 5
De vier hoofdtypen beschreven door Sigaud

Hoofdstuk 6
Uitwerking van de vier hoofdtypen tegen de achtergrond van retardatie en
propulsie

Hoofdstuk 7
Twee vormen van neurotische levenshouding

Hoofdstuk 8
Encephalopathie en het gedrag dat daarbij voorkomt; psychopatische
karakterveranderingen

HOOFDSTUK 5

De vier hoofdtypen beschreven door Sigaud

We willen nu de hoofdtypen van Sigaud beschrijven. In de eerste plaats beschrijft hij het cerebrale type. Het woord duidt reeds aan, dat hierbij de hersenen en de ontwikkeling van het hele zenuw­apparaat op de voorgrond staat. Het tweede type is het respiratoire. Hierbij is de borstkas en de ademhaling op de voorgrond tredend. Het derde is het digestieve type, het stofwisselingstype, waarbij de stofwisselingsorganen het sterkste ontwikkeld zijn. Het vierde type is het motorische, ook wel musculaire type genoemd, waarbij de be­wegingsapparaten van armen en benen harmonisch ontwikkeld zijn. In Nederland zijn de meeste kinderen van gemengd digestief-moto­rische bouw en hebben naar rato een karakterstructuur. Het respi­ratoire type is in Nederland minder vaak voorkomend dan in Zuid-Frankrijk en Oostenrijk, waar het een zeer belangrijk deel van de bevolking vormt. Cerebrale typen treffen we in Nederland nogal eens aan, vooral onder de stadskinderen. Dit laatste behoeft niet te berusten op een milieu-invloed alleen. Men vergete niet dat reeds generaties lang de cerebrale typen van het land naar de stad
ge­trokken zijn, waar ze zich beter thuis voelen. Zoals gezegd, in landelijke streken zijn de meeste kinderen hier in Nederland van gemengd motorisch-digestieve habitus, men treft ook uitgesproken digestieve, uitgesproken motorische en uitgesproken cerebrale typen aan.

Hoe kunnen we deze kinderen onderscheiden? Reeds vanaf de eer­ste dag der geboorte gedraagt zich de digestieve zuigeling anders dan de cerebrale. Uiterlijk kan men hen op de volgende wijze reeds aan de gelaatsvorm herkennen. Men meet ten eerste de afstand tussen haargrens en wenkbrauwen. Ten tweede de afstand van wenkbrauwen tot neuspunt, ten derde de afstand van neuspunt tot aan de kin. Bij de cerebrale is de eerste afstand tussen haargrens en wenkbrauwen groter dan de twee andere. Bij de musculaire is alles ongeveer gelijk. Bij de respiratoire is het middenstuk, tussen de wenkbrauwen en neuspunt, het grootste en bij de digestieve is de afstand van neuspunt tot kin het grootste.

Deze laatste kinderen hebben een kleine mond en een brede onder­kaak, zodat hun hele hoofd ietwat vierkant wordt. Ze hebben meestal kleine, uitstaande oortjes. In het algemeen kan men over deze typen het volgende zeggen: het cerebrale type is een type, waarbij het ze­nuwstelsel en de zintuigen bijzonder sterk ontwikkeld zijn. De her­senschedel is dan ook sterk ontwikkeld, het hoofd betrekkelijk groot, en de romp en ledematen zijn fijn en fragiel gebouwd. Het zijn ner­veuze kinderen, in de wieg meestal gauw wakker en veel huilend; ze hebben een tengere bouw en als baby meestal gauw voedings­stoornissen. Als ze iets ouder zijn hebben ze een snel verwerken van de indrukken, ze zijn intelligent, ze hebben initiatief, ze kunnen zelfstandig denken. Hun algemene weerstand voor ziekten wordt verminderd door hun nervositeit.

Bij musculaire typen zijn de drie afstanden gelijk. Het kind is har­monisch gebouwd. Hart, circulatie en spieren zijn uitstekend, waar­door een goed evenwicht ontstaat. Over het algemeen hebben ze als zuigelingen weinig haar, de oren staan dicht tegen het hoofd, ze hebben een voorbeeldig gedrag, ze gedijen op geringe voeding, het zijn mooie kinderen en als kleuter zijn ze snel in hun ontwikke­ling. Hun lichamelijke ontwikkeling is echter beter dan hun geeste­lijke. Zij zijn beweeglijk en ondernemend, ze hebben een geringe fantasie, ze ontwikkelen zich vooral door het doen, hebben een meer practische dan theoretische intelligentie en leren alles door naboot­sing, door oefening. Ze spreken vroeg en begrijpen laat. Zij zijn wel inventief, maar eigenlijk niet zozeer scherp en scheppend in hun werk. Door hun grote handigheid en hun makkelijke nadoen lijden ze gauw aan zelfoverschatting. Ze concentreren zich moeilijk en vallen tegen op school.

Bij het respiratoire kind overheerst het middengedeelte van het ge­zicht; daardoor zijn deze kinderen lang, wat uiterlijke indruk betreft, doch ook hun totale lichaamslengte is meestal vrij lang. Ze hebben een uitgesproken brede en ruime borstkas. Ze hebben altijd iets aristocratisch – ,,het prinsje van het gezin” – Ze hebben iets „eigens” soms eigenzinnigs. Hun aard is over het algemeen heerszuchtig en driftig.

Voor Nederland is vooral het digestieve type belangrijk. Bij deze kinderen overheerst de onderste gezichtshelft. Ze zijn dikke baby’s. Ze hebben een langzame ontwikkeling, met langzame reacties, een zeker gebrek aan initiatief, intelligentie in alle graden, maar zelden hoog. Ze zijn sterk instinctief ontwikkeld. De lichamelijke functies zijn uitstekend geregeld. Ze hebben een goede eetlust, een rustige slaap, ze zijn gauw dik, ze zijn volhardend van aard, maar deze kan ontaarden in koppigheid. Ze zijn praktisch.

Over het algemeen kan men zeggen, dat zij een flegmatisch tempe­rament hebben.

Naast het constitutioneel erfelijk aangelegde type, moet men echter nog een andere factor in ogenschouw nemen, om als pedagoog vruchtbaar met de typologie van Sigaud te kunnen werken. Deze factor is het tempo in ontwikkeling. Reeds van begin af aan bemerkt men kinderen die de neiging hebben, hun ontwikkeling te verlangzamen, lang in bestaande fasen te blijven hangen, ze hebben voor elke volgende stap een grote weerstand te overwinnen. In hun kleutertijd hebben ze nog vele babykenmerken. In de school­leeftijd kleuterreacties. Zij zijn laat schoolrijp, zowel lichamelijk als geestelijk (intellectueel en sociaal). Men noemt deze ontwikkeling: retarderend. Bij moeilijkheden op hun levensweg vallen zij gauw terug in de reactievormen van een jongere leeftijd, tot infantielere levensvormen dan zij volgens hun kalenderleeftijd zouden moeten hebben en zij in hun goede periode reeds blijken te hebben verwor­ven (regressies).

Daarentegen is er een groep kinderen die als het ware hun tijd niet kunnen afwachten, die reeds te vroeg dringen naar een ontwikke­lingsfase, die de hunne nog niet is. Overwakker, reeds alles opmer­kend, moeten deze kinderen reeds vele indrukken verwerken, waar even oude kinderen langs heen dromen, waarvoor deze beschermd zijn, door het leven in eigen kinderwereld. Een onrustige omgeving met vele zintuiglijke indrukken en eerzuchtige ouders versterken deze ontwikkelingstendens. Juist deze kinderen zouden moeten op­groeien in een rustig consequent milieu. Men zou niet toe moeten geven aan hun neiging om alles te vroeg te leren en hen vooral niet bij laten werken om meteen in een tweede klasse te komen. Want een te vroege intellectuele ontwikkeling zet het kind affectief voor problemen, die het nog geheel niet verwerken kan. De belevenssfeer blijft daardoor arm en leeg, en pas later blijkt dat deze kinderen steeds moeilijker sociaal contact krijgen.

De copyrechten berusten bij het ‘Lievegoedarchief’. Dit verleende aan vrijeschoolpedagogie.com toestemming voor plaatsing.

.

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

.

588-540

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (6-4)

.
Op een weblog van een maniakale criticaster is, zonder toestemming – de integrale tekst vanaf ‘Hoofdstuk 2’ van dit artikel overgenomen onder ‘Vrije School, pedagogisch-didactische achtergronden ’. De links werden door hem verwijderd.
Ik heb dus niets met die blog van doen en ook niet met de eventueel gemanipuleerde tekst.
Aangezien de copyrighthouder toestemming verleende aan vrijeschoolpedagogie.com voor publicatie, overtreedt de criticaster de auteurswet.

.

Inleiding

Hoofdstuk 1
Kennismaking met het drieledigheids­denkbeeld van Rudolf Steiner 

Hoofdstuk 2
Indeling en uitgangspunten bij de heil-pedagogie

Hoofdstuk 3
Algemene oriëntering omtrent typologieën

Hoofdstuk 4
Speciale begrippen in de typologie van Sigaud en Corman

Hoofdstuk 5
De vier hoofdtypen beschreven door Sigaud

Hoofdstuk 6
Uitwerking van de vier hoofdtypen tegen de achtergrond van retardatie en
propulsie

Hoofdstuk 7
Twee vormen van neurotische levenshouding

Hoofdstuk 8
Encephalopathie en het gedrag dat daarbij voorkomt; psychopatische
karakterveranderingen

HOOFDSTUK 4

Speciale begrippen in de typologie van Sigaud – Corman

Sigaud en Corman hebben als arts hun blik gericht op de volwassen patiënt. Voor het kind gelden nog iets andere gezichtspunten. Reeds lang voor het verschijnen van het werk van Corman bleek ons dat Sigauds typologie een aanvulling behoefde. Het bleek bij het on­derkennen van de moeilijkheden van afwijkende kinderen nodig het gezichtspunt van de te langzame en de te snelle ontwikkeling in te voeren. Bij de zich langzaam ontwikkelende groep heeft men te ma­ken met retardatie en veelal ook door de te hoge aan hen gestelde eisen met regressie. Retardatie en regressie kunnen beide een om­gangsstoornis geven. Bij de te snelle, dus propulsieve ontwikkeling, kan het kind als het ware zijn tijd niet afwachten en ontwikkelt (lichamelijk zowel als geestelijk) voortijdig reactievormen en ver­mogens van een oudere leeftijd. Dit zien we vooral op intellectueel gebied (de vroeg-rijpe overintellectuele kinderen) vaak ook op mo­torisch gebied (de kinderen met ongeremde bewegingsdrang). Deze kinderen zien er ouder uit dan ze zijn en ondanks hun voorsprong op bepaalde gebieden ziet men toch haast steeds ook tekorten op andere gebieden, met name in de affectieve ontwikkeling. Het kind is door zijn kind-zijn beschermd tegen veel wat uit de omgeving op hem inwerkt, het droomt langs veel heen, wat het propulsieve kind opmerkt en daardoor te verwerken krijgt.
Het behoeft geen betoog dat het invoeren van de begrippen retar­datie en propulsie in de typologie van Sigaud veelal op hetzelfde neerkomt als waartoe Corman gekomen is voor de volwassenen als hij de begrippen expansie en retractie invoert.

Te onderkennen zijn de expansieve (voor het kind retarderende) typen in de eerste plaats aan de fysiognomie. De retarderend-expansieve typen hebben „open” zintuigen. De ogen zijn dromerig, groot, open en rond en staan vaak iets naar voren in de oogkas. De neusvleugels en neusgaten zijn zichtbaar, de mond is ,,openbloeiend”, zelfs vaak ook openstaand, de lippen naar voren stekend (vooral de bovenlip). Ze hebben iets „kosmisch”-hemels.
Het propulsief~retractieve type heeft gesloten zintuigen. De ogen liggen diep in de oogkassen, zijn klein en overschaduwd door het voorhoofd, wat spleetvormig en fel actief; de neus is scherp gesne­den, neusvleugels zijn ovaal, neusgaten klein. De mond is klein, met scherpe dunne lippen. Hierdoor werkt het gezicht sterk geïndivi­dualiseerd en ouder dan de leeftijd en ,,aards*’ gericht. Deze verschillen zijn het duidelijkst te zien bij de cerebrale en respi­ratoire typen, bij het motorische iets minder opvallend, terwijl het digestieve in de jeugd altijd expansief werkt, hier ziet men het ver­schil dan ook veel meer aan de passieve of actieve blik en mimiek.

 

De copyrechten berusten bij het ‘Lievegoedarchief’. Dit verleende aan vrijeschoolpedagogie.com toestemming voor plaatsing.

.

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

.

587-539

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (6-3)

.
Op een weblog van een maniakale criticaster is, zonder toestemming – de integrale tekst vanaf ‘Hoofdstuk 3’ van dit artikel overgenomen onder ‘Vrije School, pedagogisch-didactische achtergronden ’. De links in dit artikel werden door hem verwijderd.
Ik heb dus niets met die blog van doen en ook niet met de eventueel gemanipuleerde tekst.
Aangezien de copyrighthouder toestemming verleende aan vrijeschoolpedagogie.com voor publicatie, overtreedt de criticaster de auteurswet.

.

Inleiding

Hoofdstuk 1 
— Kennismaking met het drieledigheids­denkbeeld van Rudolf Steiner 

Hoofdstuk 2
— Indeling en uitgangspunten bij de heilpedagogie

Hoofdstuk 3
— Algemene oriëntering omtrent typologieën

Hoofdstuk 4
Speciale begrippen in de typologie van Sigaud en Corman

Hoofdstuk 5
De vier hoofdtypen beschreven door Sigaud

Hoofdstuk 6
Uitwerking van de vier hoofdtypen tegen de achtergrond van retardatie en
propulsie

Hoofdstuk 7
Twee vormen van neurotische levenshouding

Hoofdstuk 8
Encephalopathie en het gedrag dat daarbij voorkomt; psychopatische
karakterveranderingen

HOOFDSTUK 3

Algemene oriëntering omtrent typologieën

Bekijken we een klas normale Nederlandse kinderen, dan valt op dat deze in een bepaalde streek een grondtype vertoont, dat het grootste deel van de klas omvat. Een kleine groep is duidelijk af­wijkend in gestalte en meest ook in gedrag. Onder deze laatste groep zitten een aantal moeilijke kinderen, die zonder abnormaal te zijn, door hun anders reageren een probleem vormen voor de leerkracht en voor de groep waarin zij leven. Ware het mogelijk deze uitgesproken typen te groeperen naar gestalte, temperament en reactiewijze, dan had de leerkracht een middel aan de hand ge­kregen, althans een deel van zijn probleemkinderen te kennen en op de juiste wijze te kunnen behandelen. Welnu, reeds in de oud­heid heeft men geprobeerd bepaalde constitutietypen te onder­scheiden. Hippocrates sprak over ftisische en apoplectische habi­tus en bedoelde daarmee kort gezegd, het lange, magere type dat tot longziekten neigde en de korte brede gestalte, die van een goed leven hield en neigde tot reuma en beroerte. Ook bracht hij de leer van de vier temperamenten; het cholerische, opvliegende, met ge­drongen bouw; het flegmatische rustige, met ronde vormen, neigend tot dikheid in de romp; het sanguinische, beweeglijke, met harmo­nische vormen en het melancholische, lange type, neigend tot
den­kend leven en depressieve aard.
De oude Grieken zagen de verschillen in constitutie en geestelijke geaardheid in een verschillende menging der lichaamssappen: gal, lymfe en bloed. Ook de Griekse arts Empedocles hield zich veel met de temperamentenleer bezig en bracht deze in samenhang met de vier elementen: aarde, water, lucht en vuur. De grote geleerde Aristoteles gaf in zijn natuurwetenschappelijke werken ook een constitutieleer, voornamelijk gericht op de lichaams­oefeningen, die bij de Grieken in zo hoog aanzien stonden. Phylostratis, de Sophist, die leefde in de 3e eeuw na Chr. gaf een uitvoerige verhandeling over gymnastiek, waarbij hij een uitgewerkte constitutieleer beschreef, in verband met de verschillende sporten.
De temperamentenleer der oudheid heeft gedurende de hele Middel­eeuwen in het medische denken een grote rol gespeeld. Ook de be­kende arts Paracelsus heeft zich veel met verschillende afwijkingen bezig gehouden, die samenhangen met constitutietypen. Het duur­de echter tot het einde van de vorige eeuw en het begin van deze eeuw, dat men opnieuw de typologie en de constitutieleer ging be­zien en nu vanuit moderne gezichtspunten trachtte op dit gebied een weg te vinden. Daarbij zocht men naar verschillende oorzaken, die de afwijkende of verschillende typen konden verklaren. Deze oor­zaken konden zijn van erfelijke aard of door ziekten of door milieu-invloeden tot stand gekomen. Er bleek een duidelijke samenhang te bestaan tussen het uiterlijke type en de karakterologische structuur van de mens. Dat betekent, dat er tussen bepaalde gestalte- en con­stitutietypen een samenhang bestond met karakteristieke, psychische reactievormen. Het is daarom van groot belang, dat wij deze ge­stalten kennen, om reactiewijzen te kunnen begrijpen. In de vorige eeuw begon het nieuwe zoeken naar een typologie met het werk van Gould in 1869, die in het Amerikaanse leger typen vaststelde bij de legerkeuringen. Sedertdien hebben vele anderen ditzelfde gebied bewerkt, meestal vanuit speciale gezichtspunten. Er heeft zich op dit gebied een Franse en een Duitse school ge­vormd. De Franse sloot aan bij het werk van de arts Sigaud. Reeds in 1906 schreef hij zijn „Les origines de la maladie”, in 1914 kwam zijn boek ,,La forme humaine” uit. Mac Auliffe („Les tempéraments” 1920) en Chaillou (,,Le morphologie médicale”, 1912) hebben het werk van Sigaud op verschillende gebieden voortgezet. In 1947 is uit deze school het prachtige werk van Corman verschenen (,,Le Diagnostic Du Temperament Par La Morphologie”). Deze Franse publicaties zijn in Nederland ten onrechte onbekend gebleven. Bekender is de Duitse school geworden, die bij Kretschmers werk „Körperbau und Charakter” aansluit. Deze typologie is vooral voor de psychiatrie van belang geworden. Kretschmers indeling heeft zijn waarde bewezen. Een bezwaar voor ons doel is echter dat:

1. de typologie van Kretschmer veel minder gedifferentieerd is dan de Franse typologie en
2. dat ze pas bruikbaar wordt na de puberteit, terwijl Sigauds typo­logie (vooral met de uitwerking van Corman) de grondslag geeft voor een bruikbare typologie vanaf de eerste kinderjaren, al hebben deze onderzoekers zich slechts zijdelings zelf met kinderen bezig gehouden.
Naast de medische typologie, uitgewerkt om bepaalde constitutio­nele reactievormen op lichamelijke en geestelijke ziekten te onder­kennen, is er vooral voor de sportbeoefening een uitgebreide litera­tuur over de samenhang van sport en constitutie. Jan Korpershoek heeft in 1940 een samenvatting gegeven van wat er op dit gebied ver­schenen is. (,,Lichamelijke en geestelijke structuur- en functietypen en de lichaamsoefeningen”, Nijgh en van Ditmar, 1940).

Sigaud heeft vier grondtypen beschreven: het cerebrale, het respira­toire en het digestieve type, waarbij respectievelijk éénzijdig de ze­nuw- en zintuigorganen op de voorgrond treden, de ademhalings­organen en de stofwisselingsorganen, en ten slotte een 4e type, het motorische, dat een harmonisch evenwicht vertoont van de drie vorige gebieden, met een accent op de ontwikkeling van de bewe­gingsorganen (ledematen).

Corman werkt nu nog een nieuw gegeven uit: dat wat hij noemt de neiging tot expansie of dilatatie en tot retractie of conservatie. In het geval van de expansie werken de opbouwende jeugdkrachten nog lang door zodat deze mensen jeugdig en open in het leven staan, in het geval van retractie werken de afbrekende, ook wel conserveren­de krachten der ouderdom te vroeg en te sterk, zodat deze mensen iets geslotens hebben, zij zien er ouder uit dan ze zijn. Beide groe­pen hebben hun eigen samengaan met lichamelijke en geestelijke ziekten en reactiewijzen.

 

De copyrechten berusten bij het ‘Lievegoedarchief’. Dit verleende aan vrijeschoolpedagogie.com toestemming voor plaatsing.

.

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

.

586-538

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (6-2)

 

Op een weblog van een maniakale criticaster is, zonder toestemming – de integrale tekst vanaf ‘Hoofdstuk 2’ van dit artikel overgenomen onder ‘Vrije School, pedagogisch-didactische achtergronden ’. De links werden door hem verwijderd.
Ik heb dus niets met die blog van doen en ook niet met de eventueel gemanipuleerde tekst.
Aangezien de copyrighthouder toestemming verleende aan vrijeschoolpedagogie.com voor publicatie, overtreedt de criticaster de auteurswet.

.

Inleiding

Hoofdstuk 1
— Kennismaking met het drieledigheids­denkbeeld van Rudolf Steiner 

Hoofdstuk 2
— Indeling en uitgangspunten bij de heil-
pedagogie

Hoofdstuk 3
Algemene oriëntering omtrent typologieën

Hoofdstuk 4
Speciale begrippen in de typologie van Sigaud en Corman

Hoofdstuk 5
De vier hoofdtypen beschreven door Sigaud

Hoofdstuk 6
Uitwerking van de vier hoofdtypen tegen de achtergrond van retardatie en
propulsie

Hoofdstuk 7
Twee vormen van neurotische levenshouding

Hoofdstuk 8
Encephalopathie en het gedrag dat daarbij voorkomt; psychopatische
karakterveranderingen

HOOFDSTUK 2

Indeling en Uitgangspunten bij de heilpedagogie

Hoewel de eerste stormachtige groei van het kind al achter de rug is op het moment dat het op school komt, is het kind toch nog be­zig met een intensieve geestelijke groei, welke groei door het onder­wijs niet weinig beïnvloed wordt.

Geestelijke groei betekent echter het afbreken van oude en het opbouwen van nieuwe Zijnsstructuren (bv. het afbreken van het kleu­ter-zijn en het opbouwen van het schoolkind-zijn). Bij deze opbouw spelen biologisch-lichamelijke constitutiefactoren een rol, naast die factoren waardoor het Ik van het kind zich openbaart in zijn eenma­lig menselijk zijn, wat Carp noemt metabiologische factoren.
Prof. Carp drukt het uit met de woorden: ,,Het menselijke we­zen, i.c. het kind, kan in zijn totaliteit slechts worden gevat door een zienswijze, welke het begrip: ontwikkeling zowel in biologische als in metabiologische zin opvat. De menselijke persoonlijkheid ont­wikkelt zich immers niet slechts volgens een immanent ontwikke­lingsplan, maar daarenboven vormt het Ik zich op volstrekt indivi­duele wijze tot een wezen dat zich rekenschap vermag te geven van de zin en de bestemming van het bestaan. Het behoeft geen betoog dat het begrip ontwikkeling hier veeleer het karakter van zelfopen­baring aanneemt. Terwijl aan zelfverwerkelijking nog enigszins de gedachte ten grondslag ligt van een bewustwording van het gepreformeerd aanwezige, ligt in de zelfopenbaring het wonder van de scheppingsdaad besloten. Hier bereikt dan ook de ontwikkelings­psychologie het typisch menselijke.

Ontwikkeling, in deze zin des woords, wordt gekenmerkt door de wijze, waarop het Ik stelling kiest ten opzichte van de opgaven, wel­ke het Zijn-in-de-wereld nu eenmaal stelt”. [1]

Wij sluiten ons gaarne bij deze zienswijze aan en komen dan tot de volgende punten:

Het is daarom van belang
1e. de biologisch-lichamelijke constitutie te leren kennen. Deze is immers de grondslag voor de reactiewijze van het kind (lichamelijk en psychisch).

2e. de levenshouding van het kind. Gegroeid enerzijds in de omgang met het eigen zelf, ander­zijds met de omgeving in de ruimste zin des woords – ook de eigen constitutie. Is deze levenshouding adequaat aan de leeftijdsfase van het kind of is er een omgangsstoornis doordat het kind de voor zijn leeftijd normale omgang niet kon bereiken of handhaven.
Het neurotische kind is in de eerste plaats afwijkend in zijn levens­houding; de constitutie moge daarbij een rol spelen (en in het vol­gende hoofdstuk zullen we constitutievormen beschrijven, die zeer spoedig tot neurotische symptomen leiden); de aandacht van de pedagoog en therapeut is in de eerste plaats gericht op een verande­ring van het milieu (dat is onze omgangsvorm met het kind) opdat van daaruit het kind de moed en de zekerheid zal vinden een beter aangepaste omgangsvorm van zich uit te veroveren.

3e. het is van belang te weten, waar dusdanige afwijkingen in de totale (lichamelijke en psychische) persoonlijkheidsstructuur be­staan, dat aanpassing aan voor de leeftijd normale omgangsvormen welhaast onmogelijk wordt. In dat geval zouden we willen spreken van een psychopathische karakterstructuur.
Hierbij moge echter de waarschuwing niet achterwege blijven: het begrip psychopathische structuur is niet identiek met: hopeloos ge­val! Voor de pedagoog en therapeut bestaan er principieel geen hope­loze gevallen.
Het kind is nog in volle ontwikkeling, functies die normaliter op een bepaalde wijze gefundeerd zijn, kunnen bij stoornis van dit funda­ment door beïnvloeding nog vaak langs een omweg opgebouwd wor­den. Een voorbeeld hiervan is wel de pedagogische behandeling van de omgangsstoornissen van het vroeger normale kind, dat door een hersenbeschadiging, bijv. door een doorgemaakte encephalitis. gepsychopathiseerd is.
De grens tussen eenzijdige constitutie- en temperamentsaanleg. neu­rose en psychopathie is op kinderlijke leeftijd nog zo beweeglijk, dat men zich hoede door het vastprikken van een diagnose een pedago­gische resignatie op te roepen. In de praktijk blijkt maar al te vaak dat een oorspronkelijk psychopatisch kind in de loop der behandeling tot een redelijk aangepaste persoon opgroeide.

4e. Het is van belang bij elk kind de eenmaligheid van het ik als menselijk wezen niet uit het oog te verliezen. Dit ik kan alleen dan tot zelfopenbaring komen, kan alleen dan zijn zending in de wereld vervullen, als het door anderen in liefde herkend en erkend wordt. Ondanks alle wetenschap, methodiek en systematiek is in de peda­gogische houding tegenover het kind de liefde de enige werkelijke therapie.

Dit moge vanzelfsprekend zijn voor hen die de pedagogie als le­vensberoep kiezen. Speciaal tegenover het afwijkende kind mag dit nog wel eens extra naar voren gebracht worden. Het probleemkind is niet alleen een negatieve variant van de „nor­male” ontwikkeling, maar niet zelden ook een plus-variant. Oppo­sitie tegen de omgangsvormen van de omgeving kan ook terecht zijn!

Men vergeve mij de persoonlijke opmerking, dat menig ,,psychopatisch” boefje mij liever is dan zijn brave klasgenoten. Hij had de moed te protesteren, al nam zijn protest vaak ook niet-adequate vormen aan. Is dit ,,boefje” in zijn Ik herkend, dan vindt men ook de weg tot therapie die bij zulke „psychopaatjes” vaak zeer per­soonlijke en originele vormen aan moet nemen. Daarnaast kent men ook morele genies die in de meest negatieve liefdeloze omgeving hun weg gaan, vreugdeschenkend aan wie ze ontmoeten. Hier volgend zullen de verschillende biologisch-constitutionele typen behandeld worden, tevens enkele vormen van neurotische levenshouding en een enkel voorbeeld van een kinderlijke psycho­pathie op de grondslag van een organische hersenbeschadiging.

[1] Carp en Dellaert: Grondslagen ener nieuwere oriëntatie in de kinder-psychopathologie 1953 (blz. 38).

De copyrechten berusten bij het ‘Lievegoedarchief’. Dit verleende aan vrijeschoolpedagogie.com toestemming voor plaatsing.

 

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

 

585-537

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (6-1)

.
Op een weblog van een maniakale criticaster is, zonder toestemming – de integrale tekst vanaf ‘Hoofdstukken’ van dit artikel overgenomen onder ‘Vrije School, pedagogisch-didactische achtergronden ’.De links in dit artikel werden door hem vervangen.
Ik heb dus niets met die blog van doen en ook niet met de eventueel gemanipuleerde tekst.
Aangezien de copyrighthouder toestemming verleende aan vrijeschoolpedagogie.com voor publicatie, overtreedt de criticaster de auteurswet.

 

Pieter HA Witvliet: Inleiding bij het verschijnen van deze hoofdstukken op deze blog. Die inleiding bevindt zich uiteraard niet in het gedrukte boekwerk.
.

HET KIND: EEN RAADSEL

‘School’ was voor Rudolf Steiner meer dan een instituut waar aan kinderen ‘iets’ wordt geleerd.

Een veel grotere nadruk legde hij op de vraag ‘wat is een kind’ en vooral ‘wie is DIT kind’. Omdat we dit niet weten, noemde Steiner het kind dan ook ‘een raadsel’.

In verschillende voordrachten spreekt hij daarover met bevlogen woorden. Die woorden worden hier (o.a. nr. 247)weergegeven.

Het leren kennen van DIT kind vraagt een grote mate van onbevangenheid. Van open staan. Van moed om voortdurend je antwoord dat je dacht te hebben gevonden, los te laten, bij te sturen. Om zo open te staan dat je veel meer in de vragende vorm zoekt, dan in de bevestigende.
Er zijn veel gezichtspunten, invalshoeken om ‘het raadsel’ te benaderen, te beschrijven.
Je hoeft niet alles alleen te doen: er zijn door anderen gezichtspunten ontwikkeld – ze delen je hun ervaringen mee.
‘Kijken  met de blik van’ kan zinvol zijn.
Daarom is het zo zinvol om in de wekelijkse pedagogische vergadering samen als leerkrachtengroep te zoeken naar het ‘wezen’lijke van dit kind.

Vaak heb ik meegemaakt dat het gedrag van het kind veranderde nog vóór er maatregelen werden getroffen voor een bepaalde aanpak. Alsof er tussen het kind en jou een nieuwe band was ontstaan. Meer over dit kind te weten, betekende niet een opeenhoping van feiten, maar een groter begrip voor zijn hele wezen; een grotere betrokkenheid; je sloot het nog meer in je hart.
Steiner sprak over het ‘imponderabele’, het niet meetbare, weegbare tussen jou en het kind. Van wat tussen jou en het kind van ‘ziel tot ziel’ gaat, vond hij belangrijker dan wat er gaat van ‘oor tot oor’.

Om de ziel van het kind te leren kennen is allereerst het objectieve waarnemen nodig.
Het kind uit zich op vele manieren en die kun je – zonder oordeel of interpretatie – beschrijven: beeldvorming.

Dan komt de vraag: in welke richting duiden al deze gedragsuitingen.

Vele onderzoekers hebben op dit gebied werk verricht en resultaten geboekt. Zo zijn er talloze invalshoeken ontstaan, meestal samengevat als typologie.
Typologieën zijn dus de beschrijvingen van verschillende invalshoeken. Het blijkt dat er nooit één typologie is die ‘het raadsel’ volledig beschrijven kan: de mens is te groots voor één enkele benadering.

Ook Steiner beschrijft kinderen en DIT kind vanuit verschillende standpunten. Zie bv. de artikelenreeks ‘temperament en rekenen’

Hieronder volgt de typologie van Sigaud.

Omdat de beschrijvingen van het gedrag van kinderen hier ontwikkelingsgestoorde kinderen betreft, zal  in de meeste gevallen bij de kinderen in je klas die ‘iets’ van dit gedrag vertonen, dit zich minder extreem voordoen.

Het gaat vaak om neigen tot; tendensen in een richting.

Ik heb altijd wel veel schroom gevuld een kind ‘te duiden’. Met Steiner kan ik goed meevoelen dat ieder kind een ‘kunstwerk’ is; een Rembrandt, zeg maar. En wie van ons doorgrondt ‘zo maar’ een Rembrandt. Laat staan, een kind.

De vele opmerkingen van Steiner kunnen je in de juiste stemming brengen.

Hier volgt de beschrijving van de typologie van Sigaud, zoals deze werd behandeld in het boekje ‘Hoofdstukken uit de heilpedagogie’. [1]

HOOFDSTUKKEN UIT DE HEILPEDAGOGIE

Hoofdstuk 1 (volgt hieronder)
— Kennismaking met het drieledigheids­denkbeeld van Rudolf Steiner 

Hoofdstuk 2
Indeling en uitgangspunten bij de heilpedagogie

Hoofdstuk 3
Algemene oriëntering omtrent typologieën

Hoofdstuk 4
Speciale begrippen in de typologie van Sigaud en Corman

Hoofdstuk 5
De vier hoofdtypen beschreven door Sigaud

Hoofdstuk 6
Uitwerking van de vier hoofdtypen tegen de achtergrond van retardatie en propulsie

Hoofdstuk 7
Twee vormen van neurotische levenshouding

Hoofdstuk 8
Encephalopathie en het gedrag dat daarbij voorkomt; psychopatische
karakterveranderingen

HOOFDSTUK 1

Kennismaking met het drieledigheidsdenkbeeld van Rudolf Steiner

Aan de medisch-pedagogische inrichtingen Zonnehuis Veldheim en Zonnehuis Stenia te Zeist** is sinds jaren een opleiding verbon­den voor diegenen, die in de zin van deze inrichtingen – op grond­slag van de antroposofie – willen werken met kinderen die in aan­leg of ontwikkeling gestoord zijn.

Om het wezen van de kinderen te kunnen doorgronden of hun an­derszijn te kunnen begrijpen is een uitgebreide kennis van het nor­male kind en van de opvoeding van dit normale kind nodig. Wat bij afwijkende ontwikkeling optreedt, is op intieme wijze ook veelal reeds bemerkbaar bij het zogenaamd normale zielenleven. Een lichte gedachtevlucht, een zekere neiging tot dwangmatigheid, een lichte geremdheid, moeilijk tot de daad komen, een te snel reageren – wie durft zich geheel normaal noemen? Waar zijn geen kleine afwij­kingen, eenzijdigheden? 

De behandeling van het normale kind vanuit vele gezichtspunten staat dan ook voorop bij de opleiding in het Zonnehuis als nood­zakelijk uitgangspunt voor het begrijpen van afwijkende beelden en afwijkend gedrag.

De bouw van het menselijk organisme (anatomie, embryologie) wordt behandeld, eenvoudige fysiologie, (vooral zintuigleer, le­vensprocessen) de ontwikkelingsfasen van het kind. Als inleiding tot de ziekteleer wordt het ene jaar uitgegaan van de leer der temperamenten, waarin de vierledigheid van het men­selijk organisme zichtbaar wordt al naar de elementen waaruit de mens is opgebouwd, het andere jaar van de menselijke gestalte in zijn drie-ledigheid, zoals Rudolf Steiner deze ontwikkelde. Een belangrijk hulpmiddel om de temperamenten te karakteriseren is dan steeds als eerste het boekje van Caroline von Heydebrand: Vom Seelenwesen des Kindes – zowel om de vier treffend be­schreven voorbeelden, als om de liefde, die er uit spreekt. Rudolf Steiner wees op de gevaren die dreigen bij te sterke
een­zijdigheid van het temperament tot psychotische ontwikkelingen toe. Waar wij deze afwijkende ontwikkelingen kennen in de heil­pedagogie en met voorbeelden duidelijk kunnen aantonen, begrijpt men het belang van de kennis van de temperamenten en hun be­handeling als grondslag voor het „zien” en behandelen van deze kinderen. Zie literatuurlijst.

De kennis van de drieledigheid van het menselijk organisme daarentegen is uitgangspunt voor heel andere afwijkingen als groot- en kleinhoofdigheid (tot micro- en hydrocephalie toe), ont­remd gedrag, autistische beelden.

In 1917 schreef Rudolf Steiner opstellen als rechtvaardiging van de antroposofische denkweg, samengevat onder de titel: ,,Von Seelenrätseln”.

In het opstel over Franz Brentano belicht Rudolf Steiner de afhan­kelijkheid van ons bewustzijn van onze ziele-uitingen voorstellen – voelen – willen van onze lichamelijkheid. Niet de ziel zélf is van onze lichamelijke organisatie afhankelijk, wèl het bewustzijn, dat we van de ziel kunnen hebben.

In een later toegevoegd hoofdstuk sluit Rudolf Steiner hierbij aan, voor het eerst sprekend over een drieledigheid van dit men­selijk lichamelijk organisme als grondslag voor het voorstellen, voelen en willen. Deze drie delen zijn in één verweven, werken ge­ïntegreerd samen, maar zijn toch elk geheel afzonderlijk en van andere orde en andere ontwikkeling: het zenuwzintuigsysteem als grondslag voor het voorstellen, het stofwisselingssysteem met sterk werkende vitale processen, waar de wil – zeer weinig bewust – wortelt en een derde, door hem genoemd ritmisch systeem als lichamelijk instrument voor het gevoelsleven.

Deze – voor wie het inziet zo vanzelfsprekende, maar om te onder­kennen zo geniale idee is de sleutel voor de gehele antroposofische menskunde en van eminent belang voor de pedagogie, de genees­kunde, de heilpedagogie. Gaarne zou ik dat deel uit „Von Seelenratseln”, waar Rudolf Steiner voor het eerst in 1917 hierover schrijft, in vertaling willen laten volgen:

„Schetsmatig zou ik nu ook willen beschrijven, wat mij gebleken is over de betrekking van de ziel tot het fysiek-lichamelijke. Ik mag wel zeggen, dat ik hiermee de resultaten van een dertigjarige geesteswetenschappelijike studie vermeld. Eerst de laatste jaren is het mij mogelijk geworden de gedachten waarom het gaat, zo in woor­den uit te drukken, dat ik het nagestreefde tot een zekere voor­lopige afsluiting kon brengen.” …..

Men moet bij zo’n beschouwing van de door Brentano afgewezen indeling in voorstellen, voelen en willen uitgaan. Vat men alles samen uit het gebied van de ziel wat als voorstellen beleefd wordt en zoekt men naar de lichamelijke processen, die met deze zielenfunctie samenhangen, dan kan men zich grotendeels bij de resultaten van de tegenwoordige fysiologische psychologie aan­sluiten.

De lichamelijke zijde van het zich in de ziel afspelende voorstellen heeft men te zien in wat zich afspeelt in het zenuwsysteem met zijn uitlopen in de zintuigen enerzijds en in de lichamelijke, inwendige organisatie anderzijds. Heeft men deze gevonden, dan ontdekt men, dat men zoals het voorstellen tot de zenuwfuncties, het voelen in ver­binding moet brengen tot dat levensritme, dat in de ademhaling zijn middelpunt heeft en daarmee samenhangt. Men moet er daarbij op letten, dat men voor dit doel het ademen met alles wat ermee samen­hangt moet vervolgen tot in de uiterste periferie van het organisme. Om op dit gebied tot concrete resultaten te komen, moeten de uit­komsten van het fysiologische onderzoek in een richting worden voortgezet die heden ten dage nog tamelijk ongewoon is. Eerst wanneer men dit doet zullen tegenstrijdigheden verdwijnen, die zullen optreden als men voelen en ademhalingsritme met elkaar in verband brengt.

Wat in het begin tot tegenspraak prikkelt, wordt bij nader inzien tot een bewijs voor deze samenhang. Uit het wijde gebied dat hier­bij nagegaan moet worden, willen wij slechts een enkel voorbeeld aanhalen. Het beleven van het muzikale element berust op een ge­voel. De inhoud van de compositie leeft echter in het voorstellen dat door de gehoorsindrukken wordt overgebracht. Waardoor ontstaat het muzikale gevoelsbeleven? De voorstel­ling van het klankbeeld, dat op gehoororgaan en zenuwfunctie berust, is nog niet dit muzikale beleven. Dit laatste ontstaat doordat in de hersenen het ademritme in zijn voortzetting tot in dit orgaan datgene ontmoet, wat door het oor en het zenuwsysteem overge­bracht wordt. En de ziel leeft nu niet alleen in het slechts gehoorde en voorgestelde, maar zij leeft ook in het ademritme; zij beleeft datgene wat in het ademritme tevoorschijn wordt geroepen, door­dat als het ware wat in het zenuwstelsel gebeurt in aanraking komt met dit ritmische leven.

Nodig is slechts, dat men de fysiologie van het ademritme in het juiste licht ziet; dan zal men in volle omvang de zienswijze moeten aanvaarden: de ziel beleeft voelend, doordat zij op vergelijkbare wijze op het ademritme steunt als het voorstellen op de zenuwfuncties. En met betrekking tot het willen ontdekt men, dat dit op vergelijkbare wijze steunt op de stofwisseling.

Ook hierbij moet rekening gehouden worden met alle vertakkingen en uitlopers van de stofwisseling in het hele organisme. Zoals zich een zenuwproces voltrekt wanneer iets ,,voorgesteld” wordt, waar­door de ziel zich van de voorstelling bewust wordt, en zich een ver­andering in het ademritme voltrekt als iets „gevoeld” wordt, waar­door in de ziel een gevoel ontstaat, zo voltrekt zich een stofwis­selingsproces, als iets „gewild” wordt; een stofwisselingsproces dat de lichamelijke grondslag is voor wat in de ziel als wil wordt be­leefd.

Nu is er in de ziel een volledig bewust wakker beleven slechts ten opzichte van het door het zenuwstelsel overgebrachte voorstellen. Wat door het ademritme wordt overgebracht leeft in het gewone bewustzijn slechts met die sterkte die droomvoorstelliingen hebben. Hiertoe behoren alle gevoelens, ook alle emoties, alle hartstochten enz.
De wil, die op stofwisselingsprocessen steunt, wordt niet ster­ker bewust beleefd, dan het geheel doffe bewustzijn dat in de slaap aanwezig is.

Men zal bij nauwkeurige beschouwing van dit probleem ontdek­ken, dat men het willen geheel anders beleeft dan het voorstellen. Het laatste zou men als een met verf bestreken vlak kunnen zien: het willen als een zwart vlak binnen een gekleurd veld. Men „ziet” binnen het vlak, waarop zich geen kleur bevindt, juist daarom iets, omdat in tegenstelling tot de omgeving waarvan kleurindrukken uitgaan, van dit vlak geen dergelijke indrukken komen: men „stelt het willen voor” omdat binnen de voorstellingen van de ziel op zekere plaatsen zich een niet-voorstellen invoegt, juist zoals de on­derbrekingen van het bewustzijn in de slaap zich in het volbewuste beleven plaatsen.

Uit deze verschillende vormen van het bewuste beleven ontstaat de menigvuldigheid van de ervaringen der ziel in voorstellen, voe­len en willen.”

Dat deze drie systemen niet altijd harmonisch samenwerken of in gelijke mate ontwikkeld zijn, zal duidelijk zijn. Wij leren onze a.s. heilpedagogen dan ook oog te hebben voor de constitutie, juist in zijn drieledigheid, naast eerbied voor de individualiteit, inzicht in het temperament, de kinderlijke ontwikkeling in de tijd, enz.

Jaren geleden stuitte mijn man* op de typologie van de Fransman Sigaud, die z.i. het meest in zijn constitutieleer de zienswijze van  Rudolf Steiner over de drieledigheid van het menselijk organisme zichtbaar maakte. In een gedetailleerde beschrijving werkte hij de typologie uit tot gegevens, die de heilpedagoog tot grote steun kunnen zijn in de dagelijkse praktijk.

Sigaud onderscheidde vier typen: type cérébral, type respiratoire, type digestif en een vierde type musculair-motorique als een har­monisch samengaan van de drie eerste, meer eenzijdige ontwik­kelde typen. Sigaud bleek dus in hoge mate oog te hebben gehad voor een eenzijdigheid, die optreedt al naar gelang het zenuwzin­tuigsysteem – het ritmische systeem of het stofwisselingssysteem op de voorgrond treedt.

Cursussen over deze typologie gegeven bleken zeer verhelderend te zijn en een hulp bij het leren „zien” van een kind, juist in zijn eenzijdigheid en als grondslag voor afwijkend gedrag. Zij zijn ook nu nog een leidraad bij onze opleiding.

[1] Hoofdstukken uit de heilpedagogie – N. Lievegoed – Schatborn
*B.C.J.Lievegoed
** De genoemde instituten bestaan als zodanig niet meer. Er is een nieuwe organisatievorm

De copyrechten berusten bij het ‘Lievegoedarchief’. Dit verleende aan vrijeschoolpedagogie.com toestemming voor plaatsing.

.

Rudolf Steiner: GA 21 Von Seelenrätseln
Niet vertaald

Over drie- en vierledig mensbeeld: antroposofie een inspiratie

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

 

 

584-536

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL- De typologie van Sigaud – alle artikelen

 

De typologie van Sigaud als hulp bij de kinderbespreking

[6-1] Kennismaking met het drieledigheidsdenkbeeld van Rudolf Steiner

[6-2] Inleiding en uitgangspunten bij de heilpedagogie

[6-3] Algemene oriëntering omtrent typologieën

[6-4] Speciale begrippen in de typologie van Sigaud en Corman

[6-5] De vier hoofdtypen beschreven door Sigaud

[6-6] Uitwerking van de vier hoofdtypen tegen de achtergrond van retardatie en propulsie

[6-7] Twee vormen van neurotische levenshouding

[6-8] Encephalopathie en het gedrag dat daarbij voorkomt; psychopatische karakterveranderingen

.

582-534

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 218 – voordracht 13

.

RUDOLF STEINER
.

OPVOEDKUNST DOOR MENSKUNDE 

.

Eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, (waarvoor excuses). Verbeteringen e.d. zijn meer dan welkom):
pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

.

Een voordracht gehouden in Londen op 19 november 1922.
GA 218

Inhoudsopgave:

Blz. 244:  opvoeding met echte kunst zijn, zoals een kunstenaar omgaat met zijn materiaal; waarnemen van geest en ziel in het kind; ontwikkelen van een exacte helderziendheid;
Blz. 245: door antroposofische scholing leren bechikken over zintuigen die geest en ziel kunnen waarnemen;
Blz. 246: geest bij kind nog diep verborgen;

Blz. 247; het kind is helemaal zintuig;
Blz. 248 e.v.:
 bij kind gaat alles veel dieper naar binnen; wat zie je aan het lopen van een kind (ook blz. 257 wat je pedagogisch moet doen); kind: nabootsingswezen van de hele omgeving;
Blz. 250 e.v: de betekenis van de tandenwisseling;
Blz. 251 e.v.: de vanzelfsprekende autoriteit;
Blz. 252;  moraliteit; 
en 256 leren schrijven en lezen vanuit een kunstzinnige aanpak;
Blz. 253; het belang van het imponderabele;
Blz. 254: voorbeeld: onsterfelijkheid van de ziel en het beeld van de vlinder; geen kant-en-klare begrippen
Blz. 255: jong eerbied hebben ervaren en het latere leven;
Blz. 258: een pop die ‘af’ is en een die de fantasie prikkelt; melancholie en vrolijke activiteit en kleur;
Blz. 259: leerplan aan kind aflezen; tussen tandenswisseling en puberteit: alles vanuit het kunstzinnige; voor de moraliteit: morele beelden;
Blz. 260: opvoeden voor het leven; euritmie als kunst;
Blz. 261: betekenis van de ped. euritmie: zichtbare klank
Blz. 262 e.v. verschil gymnastiek en euritmie
Blz. 263: opvoeding moet leiden tot vrije mensen
Blz. 264: deze manier van opvoeden vraagt heel veel van de leerkracht
.

Erziehungskunst durch Menschenerkenntnis (1)

blz. 242

Es könnte sonderbar erscheinen, daß von dem Gesichtspunkt einer ganz bestimmten ‘Weltanschauung – der anthroposophischen Geistes- wissenschaft – über praktische Erziehungsfragen gesprochen werden soll. Allein die Veranlassung, über Erziehung zu sprechen, stammt in diesem Falle aus der Erziehungspraxis selbst.
Sie haben eben gehört, daß diejenige Erziehungskunst, von der ich mir erlauben werde, heute abend zu Ihnen zu sprechen, praktisch ausgeübt wird in der Waldorfschule. Und diese Waldorfschule hat ja auch dazu geführt, dasjenige, was vorher mehr an Ideen, an Zielrichtungen aus der von mir vertretenen Weltanschauung über Erziehung gesagt werden konnte, in breiterem Umfange auszugestalten. Als vor einigen Jahren gerade die Erziehungsfragen, man möchte sagen, in aller Munde waren, da handelte es sich darum, daß der Stuttgarter Industrielle Emil Molt eine Schule begründen wollte, zunächst für die Kinder seines Industriellen Etablissements. Er wandte sich dazu an mich, um dieser Schule einen entsprechenden pädagogischen Inhalt und eine pädagogische Richtung zu geben.

Opvoedkunst door menskunde

Het mag verwonderlijk lijken dat vanuit het gezichtspunt van een heel bepaalde wereldbeschouwing – de antroposofische geesteswetenschap – over praktische opvoedingsvragen gesproken zal worden. Maar de aanleiding om over opvoeding te spreken, ligt in dit geval in de praktijk van de opvoeding zelf.
U hebt zojuist gehoord dat die opvoedkunst, waarover ik zo vrij ben vanavond tot u te spreken, in de praktijk gehanteerd wordt op de vrijeschool. En deze vrijeschool heeft er ook toe geleid dat wat voorheen meer aan ideeën, aan doelen over opvoeding gezegd kon worden vanuit de wereldbeschouwing die ik vertegenwoordig, in grotere omvang gestalte kon krijgen.
Toen enige jaren geleden de opvoedingsvraagstukken, je zou willen zeggen, op ieders lippen lagen, bleek dat de Stuttgarter industrieel Emil Molt een school wilde oprichten met name voor de kinderen van zijn industriële bedrijf. Hij richtte zich tot mij om deze school een adequate pedagogische inhoud en een pedagogische richting te geven.

Zunächst hatte man es mit einem Schülermaterial einer ganz bestimmten Klasse und auch mit einem Schülermaterial einer bestimmten Gesellschaft, die eine ‘Weltanschauung pflegt, zu tun: man hatte es zu tun mit den Proletarierkindern des industriellen ‘Waldorfunter nehmens, und man hatte es zu tun mit einer Anzahl von Kindern aus der Anthroposophischen Gesellschaft. Aber sehr bald erweiterte sich die Aufgabe dieser Schule. Während wir begonnen haben mit etwa hundertfünfzig Kindern in acht Schulklassen, haben wir heute elf Schulklassen mit über siebenhundert Kindern. Das hat dazu geführt, daß ich im August dieses Jahres eingeladen wurde, über die Prinzipien dieser Waldorfschule hier in England, in Oxford, einen Vortragszyklus zu halten, nachdem einige Freunde der anthroposophischen Weltanschauung bereits zu Weihnachten im Goetheanum in Dornach erschienen waren, um dort einen Vortragszyklus über diese Erziehungskunst

Aanvankelijk kregen we te maken met leerlingen van een heel bepaalde sociale klasse en ook met leerlingen uit bepaalde kringen die een wereldbeschouwing aanhangen; we kregen te maken met de arbeiderskinderen van de industriële Waldorfwerknemers en we kregen te maken met een aantal kinderen uit het antroposofische milieu. Maar al gauw werd de opgave van de school breder. Terwijl we begonnen met ongeveer 150 kinderen in 8 klassen, hebben we nu 11 klassen met meer dan 700 kinderen. Dat heeft er wel toe geleid dat ik in augustus van dit jaar uitgenodigd werd om over de uitgangspunten van deze vrijeschool hier in Engeland, in Oxford een reeks voordrachten te houden, nadat een paar vrienden van de antroposofische wereldbeschouwing al met Kerstmis naar het Goetheanum in Dornach gekomen waren om daar een voordrachtenserie over deze opvoedkunst te beluisteren.

blz. 243

anzuhören. Aus dem Oxforder Vortragsunternehmen ist dann die Erziehungs-Union hervorgegangen, die sich hier gegründet hat und welche die Absicht hat, die Erziehungsprinzipien, von denen ich heute abend zu sprechen habe, auch in England in einem weiteren Umfange zur Einführung zu bringen.
Ich mußte diese Veranlassungen erwähnen, damit Sie heute abend nicht die Vorstellung haben, daß es sich um theoretische Auseinandersetzungen handelt, sondern damit sie Einsicht darein haben, daß aus einer wirklich praktischen Erziehungskunst heraus gesprochen werden soll. Ich mußte das um so mehr tun, weil ich ja selbstverständlich heute abend nur in der Lage sein werde, einige wenige Andeutungen zu geben. Diese Anregungen, die ich geben werde, werden um so un vollstän&öger sein müssen, als es sich wirklich bei den Erziehungs prinzipien, von denen ich hier spreche, nicht um ein Programm handelt, sondern um eine Praxis. Und wenn es sich um eine Praxis handelt, kann man immer nur einiges, ich möchte sagen, beispielsweise aus dieser Praxis anführen. Wer von einem Programm ausgeht, hat es leichter: Er führt allgemeine Sätze an, allgemeine Maximen. Das geht gerade bei der besonderen Eigentümlichkeit jener Erziehungsprinzipien nicht, von denen die Waldorfschul-Erziehung ausgeht.

Uit het organiseren van voordrachten is dan de Opvoedings-Unie ontstaan die zich hier gevestigd heeft en die van plan is de opvoedprincipes waarover ik vanavond zal spreken, ook in Engeland op grotere schaal in te voeren.
Ik moet deze aanleiding wel noemen, opdat u vanavond niet denkt dat het om theoretische gezichtspunten gaat, maar opdat u inzicht krijgt dat vanuit een werkelijk praktische opvoedkunst zal worden gesproken. Ik moest dit des te meer doen, omdat ik natuurlijk vanavond slechts in staat ben iets aan te stippen.
De aanzetten die ik zal geven, zullen nog des te onvollediger zijn naarmate het bij de opvoedingsprincipes waarover ik hier spreek, juist niet om een programma gaat, maar om de praktijk. En wanneer het om de praktijk gaat, kun je steeds maar een paar dingen, ik zou willen zeggen bij wijze van voorbeeld uit die praktijk geven. Wie van een programma uitgaat, heeft het makkelijker. Hij brengt wat algemene zinnen naar voren, algemene uitgangspunten. Maar bij wat zo bijzonder eigen is aan de opvoedingsprincipes waarvan bij de vrijeschoolopvoeding uitgegaan wordt, gaat dat niet.

Ich sagte schon,daß es sich handelt um eine Begründung der Pädagogik und Erziehung aus einer geisteswissenschaftlichen Weltauffassung heraus, einer solchen Weltauffassung, welche zu einer wirklichen Menschenkenntnis und dadurch auch zu einer wirklichen Erkenntnis des Wesens des Kindes führen kann.
Wenn der Maler oder ein anderer Künstler seine Kunst ausüben will, muß er sich zweierlei aneignen. Er muß sich erstens – nehmen wir das Beispiel des Malers – eine gewisse Beobachtungsgabe aneignen für Form und Farbe. Er muß aus dem Farb- und Formwesen heraus schaffen können. Er kann nicht ausgehen von einer theoretischen Erkenntnis, er kann nur ausgehen von einem lebendigen Drinnenleben im Form- und Farbenwesen. Dann erst kommt das, was er sich als zweites anzueignen hat: die Technik selbst. Erziehungswesen wird hier von anthropesophischer Geisteswissenschaft nicht aufgefaßt als eine Wissenschaft, nicht als eine theoretische Erkenntnis, sondern als eine 

Ik zei al dat het gaat om het in het leven roepen van pedagogiek en opvoeding uit een geesteswetenschappelijke opvatting over de wereld, de opvatting die tot een echte menskunde en daardoor ook tot een werkelijk kennen van het wezen van het kind kan leiden.
Wanneer de schilder of een andere kunstenaar zijn kunst wil uitoefenen, moet hij zich twee dingen eigen maken. Ten eerste moet hij – laten we als voorbeeld een kunstschilder nemen –zich een bepaalde manier van waarnemen eigen maken voor vorm en kleur. Hij moet vanuit kleur en vorm kunnen scheppen. Hij kan niet uitgaan van een theoretische kennis, hij kan alleen maar uitgaan van vorm en kleur wanneer hij daar in volle beleving in thuis is. Dan pas komt erbij wat hij zich in de tweede plaats eigen moet maken: de techniek zelf. Opvoeding wordt hier door de antroposofische geesteswetenschap niet opgevat als een wetenschap, niet als een theoretische kennis, maar als

blz. 244

wirkliche Kunst, als eine Kunst, die es mit dem edelsten Material, das wir in der Welt haben, zu tun hat: mit dem Menschen selber, mit dem Kinde, das in so wunderbarer ‘Weise uns die tiefsten ‘Welträtsel offenbart, indem es von Jahr zu Jahr, ja man möchte sagen, von Woche zu ‘Woche uns schauen läßt, wie herauskommt aus der Physiognomie, aus der Geste, aus alledem, was sonst die Äußerungen des Lebens des Kindes sind, wie da herauskommt das Geistige, das Seelische, das tief innerlich verschlossen ist in dem Kinde als eine göttliche Mitgift aus geistigen ‘Welten. Die Anschauung, von der ich hier spreche, geht davon aus, daß ebenso wie es notwendig ist für den Maler, eine Beobachtungsgabe, die Tätigkeit wird durch seine Hände, seine Seele, seinen Geist, eine Beobachtungsgabe für Farbe und Form sIch anzueignen, so ist es notwendig für den Erziehungskünstler, daß er verfolgen kann die ganze ‘Wesenheit des Menschen, wie sie sich offenbart in dem Kinde. Das aber kann man nicht, wenn man nicht aufsteigt von der Beobachtung desjenigen, was das gewöhnliche Bewußtsein dem Menschen gibt an Menschenbeobachtung, wenn man nIcht aufsteigen kann zu einer wirklichen Beobachtung des seelischen und des geistigen Lebens.

een echte kunst, als een kunst die te maken krijgt met het meest edele materiaal dat we in de wereld hebben, met de mens zelf, met het kind dat op zo’n wonderbaarlijke manier ons de diepste wereldraadselen openbaart, wanneer het jaar na jaar, men zou willen zeggen, van week tot week ons laat zien, hoe door de fysiognomie, door de gebaren, door alles wat maar uitingen van leven in een kind zijn, hoe daar zichtbaar wordt het geestelijke, de ziel, die in het kind nog diep verborgen is als een goddelijke gave uit de geestelijke wereld.
De opvatting waarover ik hier spreek, gaat ervan uit dat het voor de schilder net zo noodzakelijk is een waarnemingsvermogen –  dat activiteit wordt door zijn handen, zijn ziel, zijn geest- een waarnemingsvermogen voor kleur en vorm te ontwikkelen, als het voor de opvoedkunstenaar noodzakelijk is dat hij heel het wezen mens kan volgen zoals zich dit in het kind openbaart. Dat kun je echter niet wanneer je niet verder komt dan het waarnemen van wat het gewone bewustzijn de mens aan waarneming van de mens mogelijk maakt, wanneer je je niet kunt opwerken tot een echte waarneming van het zielen- en geestesleven.

Und das will gerade anthroposophische Geisteswissenschaft. Was man heute Erkenntnis nennt, kann sich eigentlich nur beschäftigen mit dem, was körperlich ist, was zu den Sinnen spricht. Wie lernen wir als Menschen heute, wenn wir nicht aufsteigen zu einer wirklichen Geisteserkenntnis, das Seelische kennen? Eigentlich nur dadurch, daß wir in uns selbst die Äußerungen, die Tätigkeiten des Seelischen kennenlernen. ‘Wir lernen kennen, indem wir Selbstbeobachtung erstreben, unser Denken, wir lernen kennen unser Fühlen, unser ‘Wollen. Das sind Eigenschaften des Seelischen. Das Seelische selbst haben wir nur, ich möchte sagen, durch ein Urteil. Das Sinnliche sehen wir, das Sinnliche nehmen wir wahr. Das Seelische haben wir nur, indem wir von Eigenschaften unseres eigenen Inneren uns das Urteil bilden, daß uns selbst so etwas zugrunde liege wie ein Seelisches.
Anthroposophische Geisteswissenschaft, wie ich sie hier meine, geht nIcht aus von diesem gewöhnlichen Bewußtsein, sondern sie sucht in der Menschenseele schlummernde Kräfte auf ganz systematische ‘Weise zu entwickeln, so daß daraus entsteht – bitte erschrecken Sie nicht 

En dat wil nu juist de antroposofische geesteswetenschap. Wat tegenwoordig kennis genoemd wordt, kan eigenlijk alleen maar slaan op wat lichamelijk is, wat tot de zintuigen spreekt.
Hoe kunnen wij tegenwoordig als mens, wanneer we ons niet opwerken tot een echte kennis van de geest, de ziel leren kennen. Eigenlijk alleen wanneer we in ons zelf de uitingen van de werkingen van de ziel leren kennen. Wanneer we proberen ons zelf waar te nemen, leren we ons denken kennen; we leren ons gevoel, onze wil kennen. Dat zijn eigenschappen van de ziel. De ziel hebben we slechts, zou ik willen zeggen, door een oordeel. Het zintuiglijke zien we, het zintuiglijke nemen we waar. De ziel hebben we alleen maar, wanneer we van eigenschappen van ons eigen innerlijk ons een oordeel vormen, dat aan ons zelf zoiets ten grondslag ligt als een ziel.
Antroposofische geesteswetenschap zoals ik die hier bedoel, gaat niet uit van een gewoon bewustzijn, maar zoekt in de ziel van de mens sluimerende krachten om deze op een heel systematische manier te ontwikkelen, zodat hieruit ontstaat – schrikt u a.u.b. niet van deze uitdrukking

blz. 245

vor dem Ausdrucke – eine Art exakten Hellsehens, exakte Clairvoyance. Dadurch schaut man hindurch von den Eigenschaften des Seelischen auf das wirkliche Seelische. Und man lernt dieses Seelische durch ein geistiges Schauen gerade so erkennen, wie man erkennen lernt die sinnliche Farbe durch das Auge, die sinnlichen Töne durch die Ohren. Den Geist aber, der in der Welt waltet, kennt das gewöhnliche Bewußtsein eigentlich nur durch eine Schlußfolgerung. Wir können immer nur, wenn wir in dem gewöhnlichen Bewußtsein verharren,sagen: Wir sehen Naturerscheinungen, Seelenerscheinungen. Wir schlieβen daraus, daß all dem ein Geistiges zugrunde liegt. Unsere Gedanken beschäftigen sich damit, zu schließen, daß dem Körperlichen ein Seelisches, ein Geistiges zugrunde liegt. Anthroposophische Geisteswissenschaft entwickelt in der Seele schlummernde Kräfte, die Geistes-Sinnesorgane, wenn ich mich des paradoxen Ausdrucks bedienen darf, durch die man den Geist nicht nur erschließen kann, sondern in lebendigem Denken selbst erlebt.
Dann erst, wenn man die Seele schaut, den Geist in lebendigem Denken erleben kann, dann kann man wirkliche Menschenerkenntnis haben.

– een vorm van exacte helderziendheid. Je kijkt zo vanuit de eigenschappen van de ziel verder in het werkelijke zielsgebied. En je leert dit zielsgebied door een geestelijk waarnemen net zo kennen, als je de zintuiglijke kleur door het oog leert kennen, de zintuiglijke tonen door de oren. Het alledaagse bewustzijn kent de geest, die in de wereld werkzaam is, eigenlijk alleen maar door gevolgtrekking. Wij kunnen altijd alleen maar, wanneer we met het gewone bewustzijn leven, zeggen: we zien natuurverschijnselen, zielenverschijnselen. We maken de gevolgtrekking dat aan dit alles iets geestelijks ten grondslag ligt. Onze gedachten houden zich ermee bezig te concluderen dat aan het lichamelijke, ziel en geest ten grondslag liggen. Antroposofische geesteswetenschap ontwikkelt sluimerende krachten in de ziel, de zintuigen van de geest, als ik mij zo paradoxaal mag uitdrukken, waardoor je de geest niet slechts concluderen kan, maar in het levende denken zelf ervaart. Want pas wanneer je de ziel waarneemt, de geest in het levende denken ervaren kan, kun je over echte menskunde beschikken.

Dann kommt durch eine Geisteswissenschaft eine solche lebendige Menschenerkenntnis zustande, welche den Menschen durchdringen kann, so daß er in dem heranwachsenden Kinde in jedem Momente des Lebens schauen kann, wie das Geistige, wie das Seelische in dem Kinde wirkt. Er sieht das Kind nicht nur, wenn ich so sagen darf,durch die Sinne von außen an, sondern er sieht, wie sich in den sinnlichen 0ffenbarungen das Seelische äußert. Denn er geht aus von dem, was nicht nur seelische Offenbarung, sondern unmittelbar seelischeSuhstanz ist, die gesehen werden kann wie die Farbe von den Augen.
Er geht davon aus, wie der Geist in dem Kinde wirkt, weil er erkennt, weii ihm diese Erkenntnis eine Wissenschaft liefert, die in lebendigem Denken den Geist selber erfaßt.
So geht diese Erziehungskunst, von der ich hier spreche, von einer Iehendigen Menschenerkenntnis, von einer Erfassung des Werdenden im Kinde in jedem Augenblicke des Lebens aus. Erst wenn man in dieser Weise, ich möchte sagen, das edelste Material, das wir haben können für eine Kunst, das Material für eine Erziehungskunst – wenn

Dan komt door een geesteswetenschap zo’n levende mensenkennis tot stand, die de mens kan doordringen, dat deze in het opgroeiende kind op ieder ogenblik in het leven kan waarnemen, hoe geest en ziel in het kind werkzaam zijn. Hij ziet het kind niet alleen maar, als ik het zo mag zeggen, aan de buitenkant door de zintuigen, maar hij ziet hoe de ziel zich uit in wat hij zintuigelijk waarneemt. Want hij gaat uit van wat niet slechts zielsuitingen zijn, maar direct van wat zielensubstantie is die net zo waargenomen kan worden als de kleur door de ogen. Hij gaat ervan uit hoe de geest in het kind werkzaam is, omdat hij deze kennis verkrijgt door een wetenschap die in het levende denken de geest zelf begrijpt.
Op deze manier gaat deze opvoedkunst waarover ik hier spreek, uit van een levende mensenkennis, van een begrijpen van het wordende in het kind, op ieder ogenblik van het leven. Pas wanneer je zo, ik zou willen zeggen, het meest edele materiaal dat wij kunnen hebben voor een kunst, het materiaal voor een opvoedkunst –

blz.246

man in dieser ‘Weise den Menschen durchschaut, wenn man wirklich auch erzieherisch für den Menschen wirkt, dann sieht man ganz andere Dinge, als man mit dem gewöhnlichen Bewußtsein sehen kann. Und dann kann man aus einer solchen ‘Wissenschaft heraus Lehrern und Erziehern Anleitung geben, wie sie im unmittelbaren praktischen Verkehre mit dem Kinde auch ausbilden können dasjenige, was als Seele selbst erschaut werden kann, als Geist selbst erlebt werden kann.
Im Kinde – das zeigt eben eine lebendige Beobachtung – ist der Geist in nicht geringerem Maße vorhanden als in dem Erwachsenen; aber dieser Geist ist tief im Inneren des Kindes verscMossen, muß sich den Leib erst erobern. Und wir bekommen einen Eindruck davon, in welch wunderbarer ‘Weise der Geist, der als göttliche Mitgift dem Kinde gegeben ist, in dem kindlichen Organismus wirkt, wenn wIr diesen Geist selber sehen können, bevor er durch die Sprache zu uns redet, bevor er durch intellektualistisches Denken sich uns offenbaren kann. Da bekommt man einen Eindruck davon, wie durchaus nicht gesagt werden darf: die physische Natur des Menschen ist das eine, das Geistige ist das andere. Im Kinde schaut man die physische Natur so, daß unmittelbar, viel mehr als das beim Erwachsenen jemals der Fall sein kann, das Geistige innerlich an dem Physischen arbeitet, das Geistige ganz das Physische durchtränkt.

wanneer je op deze manier de mens doorgrondt, wanneer je werkelijk ook opvoedkundig voor de mens werkt, dan zie je heel andere dingen dan wanneer je met het alledaagse bewustzijn kan zien. En dan kun je vanuit zo’n wetenschap aan leerkrachten en opvoeders richtlijnen geven, hoe zij in het direct praktische omgaan met het kind ook datgene kunnen vormen wat als ziel zelf waargenomen kan worden, als geest zelf ervaren kan worden. In het kind – dat laat een levende waarneming nu eenmaal zien – is de geest niet minder aanwezig dan in een volwassene, maar deze geest zit diep in het kind verborgen; ze moet nog bezit nemen van het lichaam. En we krijgen er een indruk van op welke wonderbaarlijke manier de geest die als een goddelijke gave aan het kind is meegegeven, in het kinderlijke organisme werkt, wanneer we deze geest zelf kunnen zien, vóór deze d.m.v. taal tot ons spreekt, vóór deze door intellectualistisch denken zich aan ons kan openbaren. Dan krijg je de indruk dat er helemaal niet gezegd mag worden: de fysieke natuur van de mens is het ene, het geestelijke is het andere. In het kind zie je de fysieke natuur zo dat direct, veel meer dan bij de volwassene ooit het geval kan zijn, het geestelijke innerlijk aan het lichamelijke werkt; het geestelijke heel het lichamelijke doordrenkt.

Als Erwachsene haben wir Geist, indem wir den Geist brauchen, um über die ‘Welt zu denken. Das Kind hat Geist, indem es den Geist braucht, um selbst erst wie der geistige Bildhauer den eigenen Organismus zu gestalten. Und viel mehr als man glaubt, ist der physische Organismus des Menschen durch das ganze folgende Erdenleben hindurch ein Geschöpf desjenigen, was das im Kinde verschlossene Geistige gerade an diesem physischen Organismus verrichtet. Dafür gestatten Sie mir, Ihnen zunächst, damit ich nicht bloß in abstrakten Gedanken rede, sondern in konkreten, einiges beispielsmäßig zu sagen.
‘Wer nur äußerlich, mit physischer ‘Wissenschaft das Kind ansieht,das Kind so anschaut, wie uns der Seziertisch oder die gewöhnliche Physiologie seine Organisation gibt – nicht eine geistige Durchschauung -, der sieht nicht, wie alle einzelnen Gesten, die auf das Kind geschehen, sich im physischen Organismus auswirken, ausleben. Ich will 

Als volwassene hebben we de geest doordat we de geest nodig hebben om over de wereld na te denken; het kind heeft de geest omdat het de geest nodig heeft om zelf eerst als een geestelijke beeldhouwer het eigen organisme vorm te geven. En veel meer dan men gelooft is het fysieke organisme van de mens tijdens heel het volgende aardse bestaan een schepping van wat de in het kind verborgen geest juist aan dit fysieke organisme verricht. Sta mij toe dat ik eerst eens, opdat ik niet alleen maar abstracte gedachten formuleer, maar concreet, met een paar voorbeelden iets zeg.
Wie alleen maar naar de buitenkant, met de fysieke wetenschap naar het kind kijkt, zo naar het kind kijkt, op de snijtafel of zoals de gewone fysiologie dat doet – geen geestelijk doorgronden – die ziet niet hoe alle op zich staande gebaren richting het kind, hun uitwerking hebben in het fysieke organisme. Ik wil zeggen:

blz. 247

einmal sagen: das Kind wird angeschrien; es ist in irgendeiner Tätigkeit, es wird von dem Erwachsenen angeschrien. Es gibt einen ganz anderen Eindruck auf das Kind, wenn es vom Erwachsenen angeschrien wird, als wenn wir einen Erwachsenen anschreien. Wenn wir das Kind anschreien, so müßten wir bedenken, daß das Kind noch ganz anders organisiert ist als der Erwachsene. Der Erwachsene hat seine Sinnesorgane an der Oberfläche seines Organismus; er beherrscht dasjenige, was ihm die Sinnesorgane geben, mit seinem Intellekt. Er gestaltet aus dem Inneren heraus gegenüber den Sinneseindrücken den voll entwickelten Willen. Das Kind ist ganz hingegeben der äußeren Welt. Das Kind ist, wenn ich mich so ausdrücken darf – es ist nicht bildlich, es ist ganz real gemeint -, das Kind ist ganz Sinnesorgan. Ich möchte mich ganz deutlich aussprechen: Betrachten wir einen Säugling. Wenn wir ihn mit der äußeren Erkenntnis anschauen, so scheint es uns so, als ob er ebenso empfinden würde, ebenso die Welt betrachten würde wie ein Erwachsener, nur daß sein Intellekt, sein Wille noch nicht so ausgebildet ist wie bei einem Erwachsenen. Das ist nicht der Fall. Der Erwachsene fühlt sozusagen den Geschmack bloß auf Zunge und Gaumen. Was beim Erwachsenen schon an die Oberfläche des Organismus getreten ist, durchdringt beim Kinde den Organismus viel tiefer nach dem Inneren hin. Das Kind wird gewissermaßen ganz Geschmacksempfindung, wenn es die Nahrung zu sich nimmt, ebenso ganz Lichtempfindung, wenn Licht, wenn Farben in seine Augen dringen.

er wordt naar het kind geschreeuwd; het is met iets bezig en het wordt door de volwassene toegeschreeuwd. Wanneer we naar het kind schreeuwen moeten we bedenken, dat het kind nog heel anders in elkaar zit dan de volwassene. De volwassene heeft zijn zintuigorganen aan de buitenkant van zijn organisme; hij beheerst wat de zintuigen hem geven, met zijn intellect. Hij vormt uit zijn innerlijk tegenover de zintuigindrukken de vol ontwikkelde wil. Het kind geeft zich helemaal over aan de buitenwereld. Het kind is, als ik mij zo mag uitdrukken, het is geen beeld, het is echt zo bedoeld, het kind is helemaal zintuig. Ik wil het heel duidelijk maken. Laten we eens naar een baby kijken. Wanneer we deze met de uiterlijke kennis bekijken, dan lijkt het alsof deze net zo gewaarwordt, net zo de wereld bekijkt als een volwassene, behalve dan dat zijn intellect, zijn wil nog niet zo ontwikkeld is als bij een volwassene. Dat is niet het geval. De volwassene voelt de smaak alleen op de tong en het verhemelte. Wat bij de volwassenen al aan de oppervlakte van het organisme gekomen is, doordringt bij het kind het organisme veel dieper naar binnen toe. Het kind wordt in zekere zin helemaal smaakgewaarwording wanneer het voeding in zich opneemt, net zo, helemaal lichtgewaarwording wanneer licht, wanneer er kleur in zijn ogen doordringt.

Es ist nicht bloß bildlich gesprochen, es ist eine Wirklichkeit: wenn das Kind dem Lichte ausgesetzt wird, so vibriert das Licht nicht nur durch sein Nervensystem, es vibriert durch seine Atmung,durch sein Blutsystem, es vibriert so durch den ganzen Organismus, wie das Licht beim Erwachsenen im Auge allein tätig ist. Das Kind ist innerlich ganz Sinnesorgan. Und wie das Auge hingegeben ist an die Welt, ganz im Lichte lebt, so lebt das Kind ganz in seiner Umgebung. Es trägt den Geist in sich, um das, was in seiner physischen Umgebung lebt, mit seinem ganzen Organismus aufzunehmen. Wenn wir daher das Kind anschreien, so ist sein Organismus in einer ganz bestimmten Tätigkeit. Dadurch, daß wir es anschreien, vibriert in dem Kinde viel stärker etwas in sein Inneres, als das beim Erwachsenen, der Gegenkräfte 

Dit is niet alleen beeldend gesproken, het is realiteit: wanneer het kind blootgesteld wordt aan licht, dan vibreert het licht niet alleen door zijn zenuwsysteem, het vibreert ook door zijn adem, door zijn bloedsyteem, het vibreert door heel zijn organisme, zoals het licht bij de volwassene alleen in het oog werkzaam is.
Het kind is innerlijk helemaal zintuigorgaan. En zoals het oog uitgeleverd is aan de wereld, helemaal in het licht leeft, zo leeft het kind helemaal in zijn omgeving. Het heeft de geest in zich om wat in zijn fysieke omgeving leeft met heel zijn organisme op te nemen. Wanneer we dus tegen het kind schreeuwen, klinkt  er in zijn innerlijk iets veel sterkers mee dan bij de volwassene die innerlijke afweerkrachten heeft,

blz. 248

hat, die sich im Inneren regen, der Fall sein kann. Und das, was da bewirkt wird wie ein Stocken des seelisch-geistigen Lebens des Kindes, das überträgt sich beim Kinde unmittelbar auf die körperliche Organisation. Und kommt es öfter vor, daß wir ein Kind anschreien,auch etwa in Schrecken versetzen, dann wirken wir nicht bloß auf die Seele des Kindes, dann wirken wir auf die ganze physische Organisation des Kindes. Die Gesundheit des erwachsenen Menschen bis ins späteste Alter liegt in unserer Hand, je nachdem wir uns in der Umgebung des Kindes verhalten.
Das wichtigste Erziehungsmittel für ein Kind im ersten Lebensalter ist, wie man sich selber als Erwachsener in seiner Umgebung verhält. Ist das Kind ausgesetzt einem fortwährenden Leben und Treiben, das schnell verläuft, einem Hasten in seiner Umgebung, so wird einfach seine ganze physische Organisation die Neigung in sich aufnehmen, innerlich zu hasten. Und wer ein Menschenkenner ist, so daß er vom Geiste und von der Seele in der Beobachtung ausgehen kann, der sieht einem Kinde im elften, zwölften Lebensjahre an, ob es so behandelt worden ist, daß es in einer unruhigen, hastenden Umgebung war, oder in einer ihm angemessenen Umgebung, oder In einer zu langsamen Bewegung der Umgebung. ‘Wir sehen es am Schritt des Kindes.

het geval kan zijn. En wat een haperen van het geest-zielenleven van het kind veroorzaakt, gaat bij het kind meteen verder in de lichamelijke organisatie. En komt het vaker voor dat we tegen een kind schreeuwen, het ook laten schrikken, dan oefenen we niet alleen invloed uit op de ziel, dan werken we in op heel het fysieke organisme van het kind. De gezondheid van de volwassen mens tot ver op latere leeftijd hebben we in de hand, al naar gelang wij ons in de omgeving van het kind gedragen.|
Het belangrijkste opvoedingsmiddel voor een kind in zijn eerste levensjaren is, hoe men zich als volwassene zelf in zijn omgeving gedraagt. Is het kind overgeleverd aan steeds maar gedoe en drukte dat snel verloopt, aan gehaast in zijn omgeving, dan zal eenvoudigweg heel zijn organisme de neiging in zich opnemen, zich innerlijk te haasten. En wie mensenkennis heeft zodat hij uit kan gaan van de geest en de ziel bij het waarnemen, die ziet aan een kind op zijn elfde, twaalfde jaar of het in een onrustige, gehaaste omgeving leefde of dat er te weinig in zijn omgeving gebeurde.
We zien het aan het lopen van het kind.

Wenn das Kind in einer Umgebung war, die hastet, in der alles mit übermäßiger Schnelligkeit verläuft, in der die Eindrücke fortwährend wechseln, so tritt das Kind mit leisem Schritt auf. Es prägt sich die Art und ‘Weise, wie das Kind seine Umgebung aufnimmt, bis zum Schritt, bis zum Schreiten, in seiner physischen Organisation aus. Wenn das Kind in einer Umgebung ist, die ihm nicht genügende Anregung gibt, die es fortwährend zur Langeweile treibt, so sehen wir umgekehrt, wie das Kind mit einem viel zu schweren Tritt im späteren Leben durch die ‘Welt geht. Ich erwähne diese Beispiele, weil sie besonders frappant sind, und weil sie zeigen, wie die Menschenbeobachtung sich verfeinern kann. Man sieht aus diesem Beispiel, was wir dem Kinde mitgeben können, wenn wir es in der richtigen Weise im ersten Lebensalter beobachten können. Denn in diesem ersten Lebensalter des Menschen ist das Kind dasjenige, was ich nennen möchte ein nachahmendes Wesen für seine ganze Umgebung, ein nachahmendes 

Wanneer het kind in een omgeving met haast verbleef waarin alles met bovenmatige vaart verloopt, waarin de indrukken voortdurend wisselen, dan heeft het kind een lichte tred. De manier waarop het kind de omgeving in zich opneemt, komt tot in de tred, tot in het stappen in zijn fysieke organisme tot uiting. Wanneer het kind in een omgeving leeft, die hem niet voldoende aanspoort, waarin het zich voortdurend verveelt, dan zien we het omgekeerde, hoe het kind met een veel te zware tred in het latere leven door de wereld gaat.
Ik noem deze voorbeelden, omdat ze bijzonder frappant zijn en omdat ze tonen hoe het waarnemen van een mens verfijnd kan worden. Je ziet aan dit voorbeeld wat we het kind kunnen meegeven, wanneer we het op de juiste manier in de eerste levensjaren kunnen observeren. Want in deze eerste levensjaren van de mens is het kind, wat ik zou willen noemen een nabootsingswezen van heel de omgeving,

blz. 249

Wesen auch in bezug auf das, was es tun soll im Seelischen, auch im Moralischen. Ich möchte auch dafür ein Beispiel anführen.
Wer im Leben mit solchen Dingen viel zu tun gehabt hat, kann ja solche Dinge erfahren. Zu mir kam zum Beispiel einmal ein Vater, der sagte: Unser Junge war bisher immer ein braves Kind, hat alles das getan, was unser moralisches Wohlgefallen hervorgerufen hat; jetzt hat er Geld gestohlen! – Nun, wer die menschliche Wesenheit wirklich erkennt, der stellt in einem solchen Falle die folgende Frage: Ja, wo- her hat das Kind das Geld genommen? – Es wird einem gesagt: Aus dem Schranke. – Wer nimmt tagtäglich – so frägt man weiter – Geld aus dem Schrank? – Die Mutter! – Das Kind hat eben Tag für Tag gesehen, daß die Mutter Geld genommen hat aus dem Schrank. Das Kind ist ein nachahmendes Wesen, ist als seelischer Sinnesorganismus ganz der Umwelt hingegeben, tut, indem es sein eigenes Wesen in Bewegung bringt, dasselbe, was es in seiner Umgebung sieht. Das Kind richtet sich gar nicht nach Ermahnungen in dem ersten Lebensalter, es richtet sich nicht nach Geboten und Verboten – die haften nicht stark in seiner Seele -, das Kind richtet sich lediglich nach dem, was es in seiner Umgebung sieht. Nur sieht es viel, viel genauer als der Erwachsene, wenn es auch das Gesehene sich nicht zum Bewußtsein bringt

ook een nabootsingswezen van wat het op het gebied van het gevoel moet doen, ook voor de moraliteit. Daar wil ik ook een voorbeeld van geven. Wie in het leven veel met zulke dingen te maken heeft gehad, kan deze dingen te weten komen.
Er kwam bv. eens een vader bij mij die zei: “Onze jongen was tot nog toe steeds een braaf kind, deed alles wat bij ons een moreel welbehagen opriep; nu heeft hij geld gestolen!’- wel nu, wie het mensenwezen werkelijk kent, die stelt in zo’n geval de volgende vraag: Ja,  waaruit heeft het kind geld weggepakt? Er wordt tegen je gezegd: Uit de kast. – Wie haalt er dagelijks – zo vraag je verder – geld uit de kast?- Moeder! – het kind heeft iedere dag gezien dat moeder geld uit de kast heeft gehaald. Het kind is een nabootsend wezen, is als zintuigorganisme met zijn ziel helemaal gericht op zijn omgeving, doet, wanneer het met zijn eigen wezen actief wordt, hetzelfde als het in zijn omgeving ziet. Het kind stelt zich helemaal niet in op vermaningen in zijn eerste levensjaren, het stelt zich niet in op geboden en verboden – die blijven niet intens in zijn ziel hangen -, het kind richt zich enkel en alleen op wat het in zijn omgeving ziet. Maar, het ziet veel, veel preciezer dan de volwassene, ook al realiseert het zich niet bewust wat het in de omgeving ziet.

Und es prägt seinem Organismus das ein, was es in der Umgebung schaut. Der ganze Organismus wird ein Abbild dessen, was das Kind in der Umgebung schaut.
In unserer heutigen Erkenntnis überschätzen wir das, was wir die Vererbung nennen, gar sehr. Man redet, wenn man die Eigenschaften des Menschen im späteren Leben sieht, davon, daß er das meiste vererbt hätte auf dem Wege eben des rein physischen Übertragens durch die Generationen. Wer ein wirklicher Menschenkenner ist, sieht aber, wie sich die Muskeln des Kindes herausbilden nach den Eindrücken seiner Umgebung, je nachdem wir es sanft und milde, mit Liebe, oder in sonstiger Weise behandeln, wie sich Atmung und Blutzirkulation richten nach den Gefühlen, die das Kind erlebt. Erlebt das Kind es oft, daß irgendein Mensch seiner Umgebung in Liebe sich ihm naht, so daß er aus einem instinktiven Miterleben mit dem Kinde das Tempo einschlägt, das die innere Wesenheit des Kindes fordert, so bekommt 

Het hele organisme wordt een afdruk van wat het kind in zijn omgeving ziet. In onze huidige wetenschap hechten we zeker te veel waarde aan wat we erfelijkheid noemen. Men heeft het erover, wanneer men de eigenschappen van de mens in het latere leven ziet, dat hij het meeste geërfd heeft langs de weg van pure fysieke overdracht door de generaties heen. Wie een echte mensenkenner is, ziet echter, hoe de spieren van het kind gevormd worden door de indrukken uit zijn omgeving, al naar gelang we het zacht en mild, met liefde of op een andere manier behandelen, hoe adem en bloedsomloop zich instellen op de gevoelens die het kind beleeft. Ervaart het kind dikwijls dat een mens in zijn omgeving hem met liefde benadert, zo dat die uit een instinctief meeleven met het kind het tempo aanneemt, dat het innerlijk van het kind vraagt, dan krijgt het kind

blz. 250

das Kind in bezug auf die feinere Organisation einen gesunden Atmungsapparat. Fragen Sie, woher die Anlagen für einen brauchbaren physischen Organismus beim erwachsenen Menschen kommen, dann schauen Sie zur Beantwortung dieser Frage hin auf das, was auf das Kind, das ein einziges großes Sinnesorgan ist, aus der Umgebung heraus gewirkt hat, was aus den ‘Worten, was aus den Gesten, was aus dem ganzen Verhalten der Umgebung des Kindes in die Muskeln, in die Blutzirkulation, in die Atmung hineingegangen ist. Sie werden sehen, daß das Kind nicht nur ein Nachahmer ist in bezug auf das Sprechen- lernen, das ja ganz auf Nachahmung beruht – wobei es ja auch im Physischen seine Sprachorganisation erst ausgestaltet und stärkt -, sondein daß das Kind in seinem ganzen Organismus, und zwar in der feineren Gliederung dieses Organismus, gerade im Physischen ein Abdruck dessen ist, was wir in seiner Umgebung vollbringen.
Und so können wir sagen: ‘Wie der Mensch bis ins höchste Alter durchs Leben schreitet, indem er seinen physischen Organismus in starker oder schwacher ‘Weise ausgebildet hat, inwiefern sich der Mensch auf seinen physischen Organismus verlassen kann, das hat er zu danken – oder auch nicht zu danken – den Eindrücken, welche die Umgebung auf das ganz kleine Kind zu machen versteht.

wat zijn fijnere organisme betreft een gezond ademhalingsorgaan. Vraagt u zich af waar de aanleg voor een goed fysiek organisme bij de volwassen mens vandaan komt, kijkt u dan ter beantwoording van deze vraag naar wat op het kind, dat één groot zintuigorgaan als totaliteit is, vanuit de omgeving van het kind, op de spieren, op de bloedsomloop, op de ademhaling heeft ingewerkt. U zult zien, dat het kind niet alleen een nabootser is met het oog op het leren spreken dat helemaal op imitatie berust – waarbij het ook lichamelijk zijn spraakorganisme pas begint te vormen en te versterken – maar, dat het kind in heel zijn organisme en met name in de fijnere opbouw van dit organisme, juist in het fysieke een afdruk is van wat wij in zijn omgeving doen. En dus kunnen we zeggen: De manier waarop de mens tot op hoge leeftijd door het leven gaat doordat hij zijn fysieke organisme op sterkere of zwakkere manier gevormd heeft, in hoeverre de mens op zijn fysieke organisme kan vertrouwen, dat heeft hij te danken – of ook niet te danken – aan de indrukken die de omgeving op het heel kleine kind in staat is te maken. 

Das, was ich Ihnen jetzt gesagt habe in bezug auf den werdenden Menschen als ein nachahmendes Wesen, erstreckt sich auf das erste Lebensalter des Kindes, das sich einer wirklichen Menschenerkenntnis zeigt als das von der Geburt bis zum Zahnwechsel, bis ungefähr zum siebenten Jahre. In diesem siebenten Jahre ändert sich für das Kind mehr, als man gewöhnlich meint. ‘Was dann in der Entwickelung des Kindes eintritt und was man durchschauen muß als Grundlage für eine wahre Erziehungspraxis und Erziehungskunst, das will ich dann Im zweiten Teil des Vortrags erläutern, nachdem der erste Teil übersetzt sein wird.
Ungefähr um das siebente Jahr herum tritt mit dem Zahnwechsel nIcht nur dieses physische Symptom für eine Umwandlung der physischen Menschennatur auf, sondern es tritt im Kinde auch eine vollständige Umwandlung des seelischen ‘Wesens ein. ‘Wenn das Kind bis 

Wat ik u net heb gezegd m.b.t. de wordende mens als een nabootsend wezen beslaat de gehele beginleeftijd van het kind, die voor echte mensenkennis betekent de tijd van de geboorte tot de tandenwisseling, tot ongeveer het zevende jaar. In dit 7e jaar verandert er voor het kind meer dan men gewoonlijk denkt. Wat er dan in de ontwikkeling van het kind plaatsvindt en waarin je inzicht moet hebben als basis voor een echte opvoedingspraktijk en opvoedkunst, dat zal ik dan in het tweede deel van deze voordracht uiteenzetten, nadat het eerste deel is vertaald.
Ongeveer rond het zevende jaar manifesteert zich met de tandenwisseling niet alleen maar dit fysieke verschijnsel als een verandering van de fysieke mensennatuur, maar er vindt in het kind ook een volledige verandering plaats in de ziel.
Wanneer het kind tot aan de tandenwisseling,

blz. 251

zum Zahnwechsel hin im wesentlichen ein nachahmendes Wesen ist, und es in seiner Natur liegt, darauf angewiesen zu sein, seinen physischen Organismus unter den Kräften der Nachahmung auszubilden, so beginnt ungefähr um das siebente Jahr, mit dem Zahnwechsel, für das Kind die Notwendigkeit, an seine Umgebung nun nicht mehr physisch hingegeben zu sein, sondern seelisch hingegeben sein zu können. Wenn alles, was in der Umgebung des Kindes bis zum Zahnwechsel hin sich findet, ich möchte sagen, in die Tiefen des kindlichen Wesens eindringt, so dringt in das Kind für die zweite Lebensepoche, vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife, dasjenige ein, was gebaut ist auf die selbstverständliche Autorität derer, die erziehen oder unterrichten. Diese selbstverständliche Autorität drückt sich darin aus, daß das Kind nicht etwa irgendwie aus seiner Natur heraus lernen möchte dasjenige, was ihm entgegengebracht wird an Künsten der Erwachsenen, an Lesen und Schreiben und dergleichen. Es ist ein unermeßlich großer pädagogischer Irrtum, wenn man glaubt, daß das Kind überhaupt den geringsten Drang hat, diejenigen Dinge sich anzueignen, welche Verständigungsmittel, Offenbarungsmittel für das, was Sie wissen, also für den Erwachsenen, sind! Alles, was im Kinde wirklich entwickelnd wirkt, das ist das, was aus dem liebevollen Hingegebensein an die selbstverständliche Autorität hervorgeht.

in hoofdzaak een nabootsend wezen is en het in de natuur verankerd ligt dat hij erop is aangewezen zijn fysieke organisme door de krachten van de nabootsing te vormen, dan begint ongeveer rond het zevende jaar, met de tandenwisseling, voor het kind de noodzaak om niet meer fysiek overgeleverd te zijn aan zijn omgeving, maar dat het zich er met zijn ziel aan kan over geven.
Wanneer alles wat zich in de omgeving van het kind tot aan de tandenwisseling bevindt, ik zou willen zeggen, tot in de diepte van het kinderwezen doordringt, zo dringt in de tweede levensfase, van tandenwisseling tot puberteit datgene naar binnen wat gebouwd is op vanzelfsprekende autoriteit van hen die opvoeden of lesgeven. Deze vanzelfsprekende autoriteit drukt zich daarin uit dat het kind niet iets van nature zou willen leren dat hem aangereikt wordt aan kunst, aan lezen en schrijven en dergelijke. Het is een ongelooflijk grote pedagogische vergissing, wanneer je gelooft dat het kind de geringste behoefte zou hebben zich die dingen eigen te maken wat voor de volwassenen manieren zijn om zich begrijpelijk te maken, om uit te drukken wat ze weten. Alles wat in het kind werkelijk als ontwikkeling werkt, is wat uit een liefdevol zich overgeven aan de vanzelfsprekende autoriteit te voorschijn komt.

Das Kind lernt die Dinge, wenn es sie lernt, nicht aus irgendeinem Grunde, der im Unterricht ist; das Kind lernt, weil es sieht, daß der Erwachsene sie kennt und handhabt, weil es von dem Erwachsenen, der seine selbstverständliche Erzieherautorität ist, hört: Das ist das, was man als Richtiges tun soll und so weiter. Das geht bis in die Moralgrundsätze hinein.
Ich konnte anführen, wie bis zum Zahnwechsel auch das Moralische vom Kinde durch Nachahmung aufgenommen werden muß. Vomsiebenten bis ungefähr vierzehnten Jahr, vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife muß alles durch die liebevolle Hingabe an die selbstverständliche Autorität aufgenommen werden. Nicht irgendwie intellektualistisch dürfen wir dem Kinde beikommen mit einem Gebote: das ist gut oder das ist böse, sondern das Kind muß in der Empfindung heranwachsen, das für gut zu finden, was ihm die selbst- verständliche Autorität als gut offenbart. Und es muß an demjenigen 

Het kind leert de dingen, wanneer het ze leert, niet om een of andere reden die in het onderwijs ligt; het kind leert, omdat het ziet dat de volwassene ze kent en ermee omgaat, omdat het ze van de volwassene die zijn vanzelfsprekende autoriteit is, hoort. Dat is goed om te doen, enz. Dat gaat tot in de morele principes.
Ik kon naar voren brengen, hoe tot aan de tandenwisseling ook het morele door het kind door de nabootsing opgenomen wordt. Van het zevende tot ongeveer het veertiende jaar, vanaf de tandenwisseling tot de geslachtsrijpheid moet alles door de liefdevolle overgave aan de vanzelfsprekende autoriteit opgenomen worden. Niet op de een of andere intellectualistische manier mogen we het kind benaderen met een gebod: dat is goed of dat is slecht, maar het kind moet met het gevoel opgroeien, dat goed te vinden, wat hem als goed door de vanzelfsprekende autoriteit wordt voorgeleefd. 

blz. 252

Mißfallen haben als an dem Bösen, was ihm die selbstverständliche Autorität als solches hinstellt. Keine anderen Gründe für das Gefallen oder Mißfallen am Guten oder Bösen dürfen sich für das Kind ergeben, als die sind, welche die neben ihm stehende Autorität ihm für das Gute oder Böse offenbart. Nicht weil ihm die Sache an sich nach dem Intellekt gut oder böse erscheint, sondern weil der Erzieher es so findet. Das ist das, worauf es beI einem wirklichen, wahren Erziehen an- kommen muß. Worauf es ankommt, das ist, daß alles Moralische, auch alles Religiöse bei dem Kind vom Zahnwechsel bis zur Geschlechts- reife durch den Menschen herankommen muß. Das menschliche Verhältnis des Lehrers, des Erziehers, das ist es, worauf alles ankommen muß. Was wir glauben dem Kinde beizubringen, indem wir an seIne Urteilskraft appellieren, das bringen wir ihm so bei, daß es eigentlich vieles im Kinde innerlich ertötet. Das Kind ist zwar jetzt nicht mehr ganz Sinnesorgan, aber es hat, obwohl es seine Sinnesorgane an die Oberfläche des Körpers bereits verlegte, seine ganze Seele drinnen. Und es bringt nichts heraus aus dem Intellektualistischen, durch welches die Sinne irgendwie organisch geregelt, gesetzmäßig gemacht werden, sondern es kann gerade dann sich an die selbstverständliche Autorität der Erzieherpersönlichkeit hingeben, wenn ihm alles im beseelten Bilde entgegentritt.

En het zou een afkeer moeten hebben voor het kwaad dat door de vanzelfsprekende autoriteit als zodanig wordt gekwalificeerd. Geen andere beweegredenen voor het wel of niet fijn vinden van goed of kwaad zouden er voor het kind moeten zijn dan die door de autoriteit die hem terzijde staat als goed of kwaad worden beschouwd. Hierop zou het bij een reële, echte opvoeding moeten aankomen. Het komt erop aan dat alles wat moraliteit is, ook alles wat religiositeit is bij het kind vanaf de tandenwisseling tot de geslachtsrijpheid hem door de mens wordt bijgebracht. Het menselijk gedrag van de leerkracht, van de opvoeder: daarop moet alles berusten. Wanneer wij denken het kind iets bij te brengen door aan zijn oordeelsvermogen te appelleren, dan brengen we het hem zo bij dat het eigenlijk innerlijk in het kind veel kapotmaakt. Weliswaar is het kind niet meer helemaal zintuig, maar het heeft, hoewel zijn zintuigorganen al meer aan de oppervlakte van zijn lijf zijn komen te liggen, heel zijn ziel daar nog in. Wat intellectualistisch is, levert het kind niets op; dat regelt op de een of andere organische, wetmatige manier wel de gedachten, maar het kind kan zich dan pas aan de vanzelfsprekende autoriteit van de persoon die het opvoedt, overgeven, wanneer alles in een doorleefd beeld tot hem komt.

Aber das fordert von uns, daß wir die Erziehung zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife durch und durch künstlerisch gestalten, überall vom Künstlerischen ausgehen. Bringen wir an das Kind die Buchstaben heran, durch die es lesen lernen soll, schreiben lernen soll, so sind diese Buchstabenformen heute, in unserer gegenwärtigen Zivilisation solche, zu denen das Kind gar kein Verhältnis, gar keine Beziehungen hat. ‘Wir wissen ja, daß diese Buchstabenformen ausgegangen sind in gewissen Zivilisationen von der bildne`rischen Nachahmung äußerer Vorgänge und Dinge selber; von der Bilderschrift ist die Welt ausgegangen. Indem wir die Schrift` an das Kind heranbringen, müssen wir auch wiederum von dem Bilde ausgehen. Wir befolgen daher in Stuttgart, in der ‘Waldorfschul-Erziehungskunst dies, daß wir überhaupt nicht mit den Buchstaben als solchen, sondern daß wir künstlerisch mit dem Mal- und Zeichenunterricht beginnen. 

Maar dat vraagt van ons dat wij de opvoeding tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid door en door kunstzinnig vormgeven, overal van het kunstzinnige uitgaan. Wanneer we het kind letters leren waarmee het moet leren lezen en schrijven, dan zijn deze lettervormen vandaag de dag, in onze huidige beschaving zo, dat het kind er geen relatie mee heeft, geen verbinding. We weten wel dat deze lettervormen in bepaalde culturen ontstaan zijn door de beeldende nabootsing van uiterlijke processen en dingen zelf; de wereld is uitgegaan van beeldschrift. Als wij het schrift aan het kind bijbrengen, moeten we ook weer uitgaan van het beeld.
We gaan daarom in Stuttgart, in de vrijeschoolopvoedkunst, zo te werk dat we helemaal niet met de letters als zodanig beginnen, maar met kunstzinnige schilder- en tekenlessen.

blz. 253

Das ist schwierig bei dem Kinde, das mit sechs oder sieben Jahren die Schule betritt; aber die Schwierigkeit wird überwunden werden. Und sie wird überwunden, wenn wir in der richtigen Weise mit unserer Autorität neben dem Kinde so stehen, daß das Kind tatsächlich in sichdas Gefühl bekommt: das, was der Erzieher aus der Farbe, aus der Form heraus bildet, das will ich auch nachmachen, denn ich will so werden wie er. – Auf diesem Umwege muß alles erlernt werden. Das kann aber nur erlernt werden, wenn nicht nur äußerlich, sondern auch innerlich tatsächlich ein Verhältnis zwischen dem Lehrer und dem Schüler ist, welches über alles, was an Unterricht und Erziehung gegeben wird, das Künstlerische ausgießt. Denn zwischen dem Erziehenden und dem Kinde wirken eben Imponderabilien. Da wirkt nicht nur das, was man sich an Geschicklichkeit in der Erziehung angeeignet hat und dergleichen, da wirkt vor allen Dingen Gesinnung, da wirkt gefüMsmäßige Empfindung, da wirkt die ganze Seelenverfassung des Lehrers. Sie aber kann eine entsprechende Richtung bekommen, wenn man an das Geistige der Welt als Lehrer auch heranzugehen vermag.
Ich will auch da wieder ein Beispiel gebrauchen, um das, was ich meine, zu charakterisieren, ein Beispiel, das ich besonders gern gebrauche

Dat is moeilijk voor een kind dat met zes of zeven jaar op school komt, maar die moeilijkheden worden wel overwonnen. En ze worden overwonnen wanneer wij op de juiste manier met onze persoonlijkheid zo naast het kind staan, dat het inderdaad het gevoel krijgt dat wat de opvoeder uit de kleur, uit de vorm schept, dat wil ik nadoen, want ik wil zo worden als hij. Via deze omweg moet alles geleerd worden. Dat kan echter alleen geleerd worden, wanneer niet slechts uiterlijk, maar ook innerlijk daadwerkelijk tussen leerkracht en kind een verbinding bestaat die in alles wat aan onderwijs en opvoeding gegeven wordt, kunstzinnigheid uitstraalt.
Want tussen de opvoeder en het kind werkt nu eenmaal het imponderabele. Daar werkt niet alleen maar wat je je aan vaardigheden voor de opvoeding eigen hebt gemaakt enzo; bovenal is daar werkzaam mentaliteit; daar is werkzaam gevoelsmatig inleven, daar werkt heel de zielenconstellatie van de leerkracht. Deze constellatie kan echter een adequate impuls krijgen wanneer de leerkracht in staat is om wat als geest in de wereld werkt, te benaderen. Ik wil een voorbeeld geven om dat wat ik bedoel te karakteriseren; een voorbeeld dat ik heel erg graag gebruik.

Nehmen wir an, wir wollen das Kind im Moralisch-Religiösen anregen. Es wird das ungefähr, in der richtigen Art, in das neunte, zehnte Lebensjahr fallen. Man kann bei der Erziehung, die ich meine, durchaus von der Entwickelung des Kindes ablesen, was man ihm in jedem Jahre, ja Monate, beizubringen hat. Ich will ihm, sagen wir, im neunten, zehnten Lebensjahre beibringen eine Vorstellung von der Unsterblichkeit der Menschenseele. Ich kann intellektualistisch darüber herumreden, das wird auf das Kind nicht nur ohne Eindruck bleiben, es wird sogar das Kind seelisch verkümmern; denn es mischt sich, wenn ich intellektualistisch über das Moralisch-Religiöse vor dem Kinde doziere, nichts Seelisches hinein! Das Seelische beruht auf Imponderabilien, die zwischen dem Lehrer und dem Kinde wirken müssen. Ich kann dem Kinde bildhaft, im Symbolum, im Bilde künstlerisch beibringen, was es erleben soll über die Unsterblichkeit der Seele. Ich kann ihm sagen: Sieh dir die Schmetterlingspuppe an, der Schmetterling durchbricht diese Puppe, fliegt aus ihr aus, bewegt sich dann im

Laten we aannemen dat we het kind op het gebied van het moreel-religieuze willen inspireren. Dat zou op een goede manier rond het negende, tiende jaar kunnen vallen. Je kunt bij het opvoeden zoals ik dat voorsta, zeer zeker aan de ontwikkeling van een kind aflezen wat je het ieder jaar, iedere maand moet bijbrengen. Ik wil het, laten we zeggen, op zijn negende, tiende jaar een voorstelling bijbrengen van de onsterfelijkheid van de mensenziel. Ik kan er intellectualistisch over redeneren; dat zal in het kind niet alleen geen indruk maken, het kind zou wat zijn ziel betreft, in de kou blijven staan, want als ik aan het kind intellectualistisch over het moreel-religieuze doceer, dan komt er niets bij wat met de ziel heeft te maken. Wat ziel is, berust op onweegbare zaken die tussen de leerkracht en het kind moeten werken. Ik kan het kind beeldend, in een symbool, in beeld op kunstzinnige manier bijbrengen wat het beleven zal over de onsterfelijkheid van de ziel. Ik kan tegen hem zeggen: Kijk eens naar de vlinderpop; de vlinder breekt uit deze pop, vliegt er uit weg, beweegt dan in de zonneschijn. 

blz. 254

Sonnenschein. – So ist es mit der Menschenseele: sie ist im menscMic`hen Organismus wie der Schmetterling in der Puppe; sie verläßt, wenn der Mensch durch die Pforte des Todes tritt, den Organismus und bewegt sich fortan in der geistigen ‘Welt.
Nun kann man in einer zweifachen Weise das dem Kinde bei bringen wollen. Man kann als Lehrer sich selbstverständlich sehr gescheit fühlen und sich sagen: Ich bin gescheit, das Kind ist dumm; das Kind kann nicht verstehen, was ich durch meine Gescheitheit mir zurechtlege über die Unsterblichkeit der Seele. Ich forme es ihm in ein Bild, ich bemühe mich, dieses Bild zu formen.
Ja, wenn ich das Bild für das Kind nur zurechtrücke und mich selber über das Bild ungeheuer erhaben fühle, so wird das auf das Kind einen Eindruck machen, der bald wieder vorübergeht, der durch aus auch innerlich etwas verdorrt in dem Kinde. Aber ich kann in eIner anderen ‘Weise mich zum Kinde stellen durch meine Gemütsempfindung, kann mir sagen: Ich glaube selbst an dieses Bild. Dieses Bild fabriziere ich nicht; die göttlich-geistigen Mächte stellen selber in die Natur hinein die Schmetterlingspuppe und den ausflatternden Schmetterling, um vor mich ein Bild hinzustellen, ein reales Bild, das durch die Natur selber hineingestellt ist in die ‘Welt für das, was ich begreifen soll als Unsterblichkeit der Seele.

Zo gaat het ook met de mensenziel: deze zit net zo in de mens als de vlinder in de pop; ze verlaat, wanneer de mens door de poort van de dood gaat, het lichaam en beweegt zich voortaan in de geestelijke wereld.
Nu kan je op tweeërlei manier dit aan een kind willen bijbrengen. Je kunt je als leerkracht vanzelfsprekend zeer knap vinden en zeggen: Ik ben knap, het kind is dom; het kind kan niet begrijpen wat ik doordat ik knap ben bedenk over de onsterfelijkheid van de ziel. Ik maak er voor hem een beeld van, ik probeer dit beeld te vormen. Wanneer ik nu het beeld voor het kind een beetje rechtbrei en er mezelf behoorlijk boven verheven voel, dan zal dit op het kind een indruk maken, die algauw weer verdwijnt, die zeker ook innerlijk bij het kind iets dof maakt. Maar ik kan mij ook op een andere manier tot het kind richten door mijn gemoedsstemming; kan tegen hem zeggen: ik geloof zelf in dit beeld. Dit beeld heb ik niet in elkaar gezet; de goddelijk-geestelijke krachten plaatsen zelf de vlindercocon en de wegvliegende vlinder in de natuur om voor mij een beeld te creëren, een waarachtig beeld dat door de natuur zelf in de wereld is gezet voor wat ik moet begrijpen als de onsterfelijkheid van de ziel.

Die Unsterblichkeit der Seele tritt mir auf einer einfacheren, primitiveren Stufe, in dem auskriechenden Schmetterling entgegen. Gott selber hat mir das zeigen wollen an dem auskriechenden Schmetterling. – Erst wenn ich in die- ser Weise meinen Bildern gegenüber selbst Gläubigkeit entwickeln kann, dann spielt sich dieses eigentümliche, unsichtbare Übersinnliche zwischen mir und dem Kinde ab. Und wenn ich meine eigene Auffassung mit solcher Seelenvertiefung ausbilde und vor das Kind hinstelle, dann bleibt dieses Bild etwas, was für das ganze Leben in dem Kinde wurzelt und sich weiter entwickelt. ‘Was wir erreichen, wenn wir alles umsetzen können in bildhaften Unterricht zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, das ist, daß wir dem Kinde nicht etwa fertige Begriffe beibringen, an denen es festhalten soll, die möglichst genau sein sollen. Wenn wir dem Kinde fertige Begriffe beibringen, so ist es, wie wenn wir seine Hand einspannen wollten in eine Maschine, so daß 

De onsterfelijkheid van de ziel doet zich op een eenvoudiger, primitiever niveau in de naar buiten komende vlinder aan mij voor. God zelf heeft mij dit willen laten zien door de vlinder die naar buiten komt. –  Pas wanneer ik zelf op deze manier mijn beelden geloofwaardiger kan maken, vindt dit bijzondere, onzichtbaar bovenzintuigelijke tussen mij en het kind plaats. En wanneer ik mijn eigen opvatting met die verdieping van de ziel vorm en die aan het kind geef, blijft dit beeld iets dat voor het hele leven in het kind post vat en zich verder ontwikkelt. Wat we bereiken, wanneer we alles kunnen omvormen in beeldend onderwijs tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid is, dat we het kind geen kant-en-klare begrippen bijbrengen waaraan het zich moet vasthouden, die zo precies mogelijk moeten zijn. Wanneer we het kind hapklare begrippen bijbrengen, dan is het of we zijn hand in een apparaat willen vastzetten,

blz. 255

es sich nicht frei entwickeln kann. Worum es sich handelt, ist, daß wir dem Kinde innerlich bewegliche Begriffe beibringen, solche Begriffe, die wachsen wie unsere Glieder, so daß dasjenige, was wir vor dem Kinde entwickeln, in neuen Jahrzehnten, im achtzehnten, im zwanzigsten, im vierzigsten Jahre seines Lebens etwas ganz anderes geworden sein kann.Diese Dinge kann aber nur der beurteilen – und bei ihm geht es in eine selbstverständliche Erziehungskunst über -, der nicht nur in der Gegenwart das Kind anschaut und frägt, was es für Bedürfnisse, was es für Entwickelungskräfte hat, sondern der das ganze menschliche Leben überschauen kann. Da möchte ich Ihnen ein Beispiel geben. Nehmen wir an, wir bringen es beim Kinde dahin, daß wir zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife jene innere Hingabe an den Erzieher herausbekommen. Ich möchte durch ein Beispiel die Stärke, die da eintreten muß, veranschaulichen. Wer solche Dinge durchschaut, der weiß, welches Glück seines Lebens es bis in die spätesten Jahre ist, wenn er in der Kindheit etwa in der Lage war, von seiner Umgebung zu hören von einem sehr verehrten Verwandten, den er bisher noch nicht gesehen hat. Er darf ihn eines Tages besuchen. Er geht mit scheuer Ehrfurcht, nach alldem, was er gehört hat, nach dem ganzen Bilde, das ihm entworfen worden ist, den Gang zu diesem Verwandten.

zodat het zich niet vrij ontwikkelen kan. Waarom het gaat is, dat we het kind begrippen geven die innerlijk kunnen meebewegen, die begrippen die groeien als onze ledematen, zodat wat we voor het kind ontwikkelen in het negende, tiende jaar op zijn twintigste, vierentwintigste jaar in zijn leven iets heel anders geworden kan zijn. Deze dingen kan slechts hij beoordelen – en bij hem gaat het in een vanzelfsprekende opvoedkunst over – die niet alleen nu naar het kind kijkt en zich afvraagt wat het nodig heeft, wat het aan ontwikkelingsvermogen heeft, maar die heel het menselijk leven kan overzien.
Daar wil ik graag een voorbeeld van geven. Laten we aannemen dat we er met het kind toe komen dat wij tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid die bepaalde innerlijke toewijding aan de leerkracht hebben kunnen oproepen. Ik zou met een voorbeeld de kracht die daar werkt, willen verduidelijken. Wie zulke dingen doorziet, weet, wat een levensgeluk het is tot op hoge leeftijd toe, wanneer hij als kind in de gelegenheid  kwam vanuit zijn omgeving te vernemen van een zeer geëerd familielid, die hij tot dan toe niet had gezien. Hij mag hem op een dag bezoeken. Hij gaat met verlegen eerbied, na wat hij allemaal heeft gehoord en het beeld dat daaruit is ontstaan, naar dit familielid toe.

Mit scheuer Ehrfurcht sieht er, wie die Türe geöffnet wird. Es ist ein Ungeheures um ein solches Hinschauen zu etwas Verehrungswürdigem. Wenn man so hat verehren können, so zu einem Menschen hat hinschauen können, 50 ist das etwas, was sich tief einwurzelt in die menschliche Seele, und wovon man im spätesten Lebensalter noch die Früchte haben kann! So ist es aber mit allem, was an beweglichen, lebendigen Begriffen an das Kind herangebracht wird, nicht in es hineingepreßt wird. Wer das bei einem Kinde erreicht, daß das Kind in scheuer Ehrfurcht wirklich zu dem Erzieher hinaufschaut als der selbstverständlichen Autorität, der erzeugt etwas in dem Kinde für das späteste Lebensalter, das ich ausdrücken möchte in dem Folgenden: Wir wissen, es gibt Leute, welche, wenn sie ein gewisses Lebensalter erreicht haben, für die Umgebung, in der sie sich aufhalten, eine Wohltat sind, deren Worte gar nicht viele zu sein brauchen; sie wirken wie

Met verlegen eerbied ziet hij hoe de deur opengaat. Dat is een enorme belevenis om zo op te kijken tegen een eerbiedwaardig mens. Wanneer je op deze manier eerbied hebt kunnen voelen, zo tegen een mens te hebben opgezien, dan is dat iets wat zich diep in de menselijke ziel nestelt en waarvan men op het laatst van het leven nog de vruchten kan plukken.
Maar zo is het met alles wat aan beweeglijke, levendige begrippen aan het kind wordt gegeven, niet bij hem erin gestampt wordt. Wie dat bereiken kan bij een kind, dat dit in verlegen eerbied werkelijk tegen zijn opvoeder opkijkt als de vanzelfsprekende autoriteit, die ontwikkelt in het kind iets voor de allerlaatste leeftijdsfase; dat wil ik als volgt uitdrukken: wij weten dat er mensen zijn die wanneer ze een bepaalde leeftijd hebben bereikt, voor de omgeving waarin ze leven, een weldaad zijn, die niet eens zoveel woorden hoeft te gebruiken;

blz. 256

segnend, ihre Worte. Es ist etwas, das die Stimme durchdringt, es ist nicht der Inhalt der ‘Worte. Es ist ein Segen für die Menschen, in der Zeit der Kindheit in die Nähe solcher Menschen zu kommen. ‘Wenn wir zurückgehen bei solch einem Fünfzig-, Sechzigjährigen und schauen, was ihm im kindlichen Leben zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife gegeben worden ist, was er gelernt hat, so kommen wir darauf, daß er verehren gelernt hat, ein Verehren im Moralischen, das ihn in der richtigen ‘Weise aufschauen lehrte, religiös, zu den höheren Mächten der ‘Welt; ein Mensch, der in der richtigen ‘Weise, wenn ich so sagen darf, beten lernte. ‘Wer in der richtigen Weise beten gelernt hat, bei dem wandelt sich das, was er innerlich an dem Vere`hren lernte, im Alter in segnende Kräfte, in die Kräfte, durch die er eine Wohltat für seine Umgebung sein kann. Und ich möchte sagen, um es möglichst bildlich auszudrücken: Derjenige, der nie gelernt hat die Hände zu falten als Kind, um zu beten, der kann auch niemals in seinem Leben die Kraft entwickeln, die Hände zum Segnen auszubreiten.
Darum handelt es sich, daß wir uns nicht einige abstrakt angeeignete Ideen bilden und in das Kind hineinstopfen, sondern daß wir wissen, wie wir mit dem Kinde verfahren müssen, wenn wir In seIne Seele etwas hineinbilden wollen, das für das ganze Leben von fruchtbringender Bedeutung ist. 

ze werken als een zegen. Het zit hem in de stem, niet in de inhoud van de woorden. Het is een zegen voor de mens om in de kindertijd in de nabijheid van zo’n mens te komen. Wanneer we bij zo’n vijftig- zestigjarige teruggaan en we kijken wat aan hem in zijn kindertijd tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid gegeven is, wat hij geleerd heeft, dan komen wij erop dat hij heeft leren vereren; een achten van het morele, wat hem op de juiste manier leerde kijken, religieus, naar de hogere machten in de wereld; een mens die op de juiste manier, als ik het zo mag zeggen, leerde bidden. Bij wie op de juiste wijze heeft leren bidden, verandert wat hij innerlijk aan achting leerde, in de ouderdom, in kracht om te zegenen, in de krachten waardoor hij een zegen kan zijn voor zijn omgeving. En ik zou willen zeggen om het zo veel mogelijk beeldend tot uitdrukking te brengen: degene die als kind nooit de handen heeft gevouwen om te bidden, die kan ook nooit in zijn leven die kracht ontwikkelen om de handen zegenend uit te strekken. Het gaat erom dat wij ons niet een paar abstract verworven ideeën vormen en in het kind proppen, maar dat we weten hoe we met het kind moeten omgaan, wanneer wij in zijn ziel iets willen vormen dat voor heel het leven van vruchtbare betekenis is.

Und so werden wir nicht das abstrakte Lesen und Schreiben unmittelbar an das Kind heranbringen, sondern init dem Schreiben beginnen, aber aus dem Künstlerischen heraus, in- dem wIr aus dem Bild heraus alles das entstehen lassen, was an abstrakten Buchstaben in der ‘Welt existiert. Indem wir zunächst das Kind so schreiben lehren, entsprechen wir dadurch seinen Bedürfnissen, nicht nur seine Beobachtung hinzuwenden, sondern seinen ganzen Menschen, nicht nur den Kopf. ‘Wir werden zunächst das Kind schreiben lehren; denn wenn das Kind das Schreiben auf diese ‘Weise aufnImmt, daß es aus dem Bilde heraus mit dem ganzen Menschen beteiligt ist, nicht bloß mit dem Kopf, geben wir ihm das Richtige. Hat es so schreiben gelernt, dann kann es das Lesen lernen.
‘Wer zu stark befangen ist im heutigen Schulwesen, der wird sagen: Ja, aber da lernt das Kind langsamer lesen und schreiben, als es dies bisher gelernt hat. – Aber es handelt sich darum, ob dasjenige Tempo, 

En dus willen wij niet meteen het abstracte lezen en schrijven aan het kind aanbieden, maar met schrijven beginnen, maar vanuit het kunstzinnige, wanneer we uit het beeld alles laten ontstaan wat aan abstracte letters in de wereld bestaat. Als we eerst het kind zo leren schrijven dan is dat in overeenstemming met wat hij vraagt: niet alleen maar het kijken gebruiken, maar heel de mens, niet alleen zijn hoofd. We leren het kind eerst schrijven; want wanneer het kind het schrijven op deze manier zich eigen maakt – dat het vanuit het beeld als totale mens erbij betrokken is, niet alleen met het hoofd, dan geven wij hem het juiste. Heeft het zo leren schrijven, dan kan het leren lezen. Wie teveel vast zit in hoe het huidige schoolsysteem zal zeggen: Ja, maar dan leert het kind langzamer lezen en schrijven, als tot nog toe. Maar het gaat erom of dit tempo

blz. 257

das heute eingehalten ist, richtig ist! Im Grunde genommen ist es überhaupt nur richtig, wenn das Kind erst nach dem achten Jahre zu dem Lesen herangezogen wird! So daß das alles aus dem Bildnerischen, Künstlerischen heraus entwickelt wird.
Derjenige, der ein Menschenkenner geworden ist durch wirkliche Seelen- und Geistesanschauung des Menschen, wird in feinster Weise den Menschen beobachten können, und dann wird aus der Beobachtung die erzieherische Kunst fließen. Nehmen wir an, wir haben ein Kind, das zu stark mit seinen Beinen auf die Erde auftritt; es rührt das davon her, daß ‘in unrichtiger Weise auf das Kind seelisch eingewirkt worden ist vor dem Zahnwechsel. Aber wir können noch manches gut machen, indem wir von innen heraus, durch die Bilder, die wir an- regen, Künstlerisches heranbringen und das, was der Mensch gestaltet hat bis zum Zahnwechsel, nach dem Zahnwechsel beleben lassen. Daher wird der, welcher ein wirklicher Menschenkenner ist, ein Kind, das einen stark auftretenden Schritt hat, vorzugsweise damit beschäftigen, daß er es künstlerisch heranzieht zum Malerischen, Zeichnerischen. Dagegen ein Kind, das einen zu leichten, tänzelnden Schritt hat: die ganze spätere Charakterbildung, ungeheuer tiefes Moralisches hängt davon ab, daß wir ein solches Kind mehr zum Musikalischen an- regen.

dat tegenwoordig aangehouden wordt, juist is! In de grond van de zaak is het alleen maar juist, wanneer het kind pas op zijn achtste bij het lezen betrokken wordt. Zo dat alles uit het beeldende, vanuit het kunstzinnige wordt ontwikkeld.
Degene die de mens heeft leren kennen door de reeële waarneming van de mensenziel- geest zal op de meest subtiele manier de mens kunnen waarnemen en dan zal uit die waarneming de kracht stromen voor de opvoedkunst. Laten we eens aannemen dat we een kind hebben, dat met te veel kracht in zijn benen op aarde gaat en staat; dat komt dat er op een verkeerde manier op de ziel van het kind is ingewerkt vóór de tandenwisseling. Maar we kunnen nog veel goed maken, wanneer we van binnenuit, door de beelden die we aandragen, het kunstzinnige dat we brengen en dat wat de mens zoal gedaan heeft tot de tandenwisseling, na de tandenwisseling stimuleren.
Vandaar dat degene die de mens werkelijk kent zich allereerst bezig zal houden met een kind dat een krachtige tred vertoont, op kunstzinnige manier in aanraking te brengen met schilderen, tekenen. Daarentegen een kind dat een te lichte, dansende pas heeft: heel de verdere karaktervorming, het bijzonder diep-morele, hangt daarvan af, dat wij zo’n kind meer stimuleren op het gebied van het muzikale.

Und so können wir in jedem einzelnen Fall sagen, wenn wir hineinschauen können in den Menschen, wie wir das heranbringen sollen, was wir ins Bild gießen.
Wir können sagen: Bis zum Zahnwechsel hin wird das Kind in seiner Eltern- und Familienumgebung seine nächste, naturgemäße Umgebung haben. Aber wir müssen nachkommen durch Kinderschulen, Spielschulen. Wir machen nur das Richtige durch das, was wir als Spielen, als kindliche Betätigung entwickeln sollen, wenn wir wissen, wie das in das Kind, in den physischen Organismus hineingeht. Man soll sich nur vorstellen, wie ein Kind, das zum Beispiel eine fertige Puppe bekommt, eine sogenannte recht «schöne» Puppe, die sogar ein schön gemaltes Antlitz hat, also möglichst «fertig» ist, wie ein solches Kind – diese Dinge lassen sich nicht durch die grobe Anatomie beobachten – ein schwerflüssiges Blut bekommt, wie seine physische Organisation gestört wird. Wir wissen gar nicht, wie schwer wir da 

We kunnen zeggen: tot aan de tandenwisseling zal het kind in de omgeving van zijn ouders en zijn familie zijn naaste, natuurlijke omgeving hebben. Maar wij moeten daarna komen met – (Steiner gebruikt hier: Kinderschulen, Spielschulen – niet Kindergarten:) kleuterscholen, maar bedoelt wellicht hetzelfde.) We doen alleen het juiste door wat wij als spel, als kinderactiviteit moeten ontwikkelen, wanneer we weten hoe dat in het kind, in het fysieke organisme inwerkt. Je moet je maar eens voorstellen hoe een kind dat bv. een kant-en-klare pop krijgt – een zgn.’mooie’ pop, die zelfs een mooi geschilderd gezichtje heeft, dus helemaal ‘af’ is, hoe zo’n kind – deze dingen kun je grofstoffelijk niet waarnemen- stroperig bloed krijgt, hoe zijn fysiek organisme verstoord wordt. Wij weten helemaal niet, hoe zwaar

blz. 258

sündigen, wie das auf das Kind wirkt! Stellen wir ihm aus ein paar Lappen selber die Puppe zusammen, indem wir sie neben dem Kinde machen, malen wir auf die Puppenlappen die Augen drauf, so daß das Kind dies in der Beweglichkeit, im Entstehen vor sich hat, dann nImmt das Kind das in die Beweglichkeit seines Organismus auf; es geht über in sein Blut, in sein Atmungssystem.
Haben wir zum Beispiel ein melancholisches Kind vor uns; wer ohne jede Seelenanschauung, äußerlich das Kind nur betrachtet, wird sagen: ein melancholisches Kind, innerlich schwarz – wir müssen recht lebhafte Farben in seine Umgebung bringen, müssen seine Spiele möglichst rot und gelb machen, müssen ihm Kleider anziehen, die möglichst hell sind, damit das Kind durch die hellen Farben aufwacht, aufgeweckt wird. – Nein, das wird es nicht! Denn, sehen Sie, das erzielt nur eInen innerlichen Schock in dem Kinde, muß geradezu alle Lebenskräfte in die entgegengesetzte Richtung treiben. Gerade blaue oder blauviolette Farben und Spielgegenstände müssen wir in die Nähe eines Kindes bringen, das ein melancholisches, in sich verschlossenes Kind ist; während wir das Kind, das innerlich tätig ist, anregen dadurch, daß wir Hellfarbiges in seine Umgebung bringen

we daar zondigen, hoe dat op het kind werkt! Maken we voor hem zelf een pop uit een paar lappen, als we die met het kind naast ons maken, en we schilderen de ogen op de poppenlapjes, zodat het kind dit in de activiteit, in het ontstaan voor zich ziet, dan neemt het kind dit in de beweeglijkheid van zijn organisme op; het gaat over in het bloed, in zijn ademsysteem.
Hebben we bv. een melancholisch kind voor ons; wie zonder de ziel waar te nemen, uiterlijk alleen maar naar dit kind kijkt, zou kunnen zeggen: een melancholisch kind, van binnen donker – wij moeten echte levendige kleuren in zijn omgeving brengen, moeten zijn speelgoed zo veel mogelijk rood en geel maken, moeten hem kleren aantrekken die zo veel mogelijk licht zijn, zodat het kind door deze felle kleuren actief wordt, opgemonterd wordt. – Nee, dat wordt het niet! Want, zie je, dat brengt alleen maar een innerlijke shock teweeg in het kind, dat zou juist alle levenskracht in de tegenovergestelde richting sturen. Juist blauw en of blauwpaarse kleuren en speelgoedjes moeten we in de omgeving brengen van een kind dat een melancholisch, een gesloten kind is, terwijl we een kind dat innerlijk actief is, juist stimuleren doordat we heldere kleuren in zijn omgeving brengen. 

Dadurch stellt es seInen eigenen Organismus mit der Umgebung in eine HarmonIe hinein, und es gesundet für das, was vielleicht in ihm zu flatterhaft ist, zu nervös ist, gerade an der Beweglichkeit und dem Hellen in der Umgebung.
So kann man bis ins einzelnste hinein, bis in die unmittelbare Hilfe der Praxis, das, was neben dem Kinde erzieherisch, unterrichtlich zu tun ist, aus wirklicher Menschenerkenntnis heraus gewinnen. Wenn man in dieser ‘Weise erzieht, wird man einsehen, daß es im Grunde genommen zwar den Einbildungen entsprechen kann, die wir uns machen darüber, was das Kind in diesem oder jenem Alter lernen soll, was wir in es hineinpfropfen sollen, wie wir es betätigen sollen. Derjenige aber, der weiß, daß das Kind dennoch aus seiner Umgeb,ung nur das nehmen kann, was in seinem Organismus veranlagt ist, der wird sich so sagen: Nehmen wir an, ein Kind ist dazu veranlagt, nicht fortdauernd in robuster Art sich in der Außenwelt zu betätigen, sondern etwas auch im Kleinen zu arbeiten, ich möchte sagen, ins Künstlerische 

Daardoor brengt het zijn eigen organisme met de omgeving in harmonie en het maakt dat wat wellicht te ongedurig, te nerveus in hem is, juist door de beweeglijkheid en het lichte in de omgeving, gezonder. Zo kun je tot in detail, tot in de directe hulp in de praktijk wat rondom het kind opvoedend, aanlerend te doen is, uit echte mensenkennis halen.
Wanneer je op deze manier opvoedt, zul je inzien dat het in de aard van de zaak wel in overeenstemming kan zijn met de voorstellingen die wij ons maken van wat het kind op een of andere leeftijd moet leren, waarmee we het moeten volstampen, hoe we het bezig moeten houden. Degene die echter weet dat het kind alleen uit zijn omgeving in zich kan opnemen wat in zijn organisme in aanleg aanwezig is, zal zeggen: Laten we aannemen dat een kind als aanleg heeft zich niet voortdurend op een krachtige manier met de buitenwereld bezig te houden, maar iets in het klein te doen, ik zou willen zeggen, bezig te zijn met iets kunstzinnigs.

blz. 259

hinüber zu arbeiten. Wenn man dieses Kind – weil man selber eigensinnig auf das aus ist – robust äußerlich arbeiten läßt, dann verkümmern gerade die Anlagen, welche in dem Kinde sind für irgendeine feinere Arbeit; und diejenigen Anlagen, die man ausbilden möchte, weil man sich selber einbildet, daß sie allgemein menschliche sind, weil man sie bei jedem Menschen ausbilden muß, verkümmern erst recht.
Das Kind kümmert sich nicht darum; es führt die Arbeit zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife aus, aber es bleibt nichts in ihm,es wächst nichts heran in dem Kinde von dem, was in dieser Weise in es hineingepfropft wird. Überall kommt es bei dem Erziehungsprinzip, um das es sich hier handelt, darauf an, daß der Erziehende einen feinen Sinn hat, was im Kinde vorhanden ist, und daß er aus dem, was er im Kinde körperlich, seelisch, geistig beobachtet, in jedem Augenblick das Richtige aus seinem Lehrinstinkte heraus zu tun weiß.
Auf diese Weise wird der Lehrer eigentlich die Pädagogik für das Kind mit seinem Heranwachsen beobachten können. In der Waldorfschul-Pädagogik ist der Lehrplan vom Kinde abgelesen. Alles, was nicht nur von Jahr zu Jahr, was von Monat zu Monat, von Woche zu Woche getrieben werden muß, ist vom Kinde abzulesen, damit dem Kinde das entgegengebracht werden kann, was es durch seine innere Natur fordert. 

Wanneer je dit kind – omdat je zelf uit eigen zin daarop uit bent – krachtig in de buitenwereld wil laten werken, dan verkommert die aanleg juist die in het kind aanwezig is voor een of ander fijner werk; en die aanleg die je zou willen vormen, omdat je jezelf voorhoudt dat die algemeen menselijk is omdat die bij ieder mens ontwikkeld moet worden, die verkommert pas echt.
Het kind maalt daar niet om; het doet het werk tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid, maar het beklijft niet, hij neemt het niet op wat er op deze manier ingepompt wordt. Overal komt het bij het opvoedingsprincipe waar het hier om gaat erop aan dat de opvoeder een subtiel zintuig heeft voor wat er in het kind aanwezig is en dat hij, uit wat hij bij het kind lichamelijk en op het gebied van ziel en geest waarneemt, op ieder ogenblik het juiste weet te doen vanuit zijn onderwijsinstinct. Op deze manier zal de leerkracht eigenlijk de pedagogie voor het kind dat opgroeit, kunnen waarnemen. In de vrijeschoolpedagogie is het leerplan aan het kind afgelezen. Alles wat niet alleen van jaar tot jaar, wat van maand tot maand, van week tot week gedaan moet worden, wordt aan het kind afgelezen, opdat het kind datgene gegeven kan worden wat zijn natuur vergt. 

Der Lehrberuf ist derjenige, der die größte Selbstlosigkeit fordert, der darum gar nicht duldet, daß man irgendwie ein vor gefaßtes Programm hat, der ganz und gar darauf aus sein muß, das Kind so zu behandeln, daß man durch das Verhältnis, das man zu dem Kinde hat, indem man neben ihm steht, im Grunde genommen nur die Gelegenheit herbeiführt, daß sich das Kind selbst entwickeln kann.
Das wird man vom siebenten bis vierzehnten Jahr, gerade im elementarschulpflichtigen Alter am besten können, wenn man vollständig darauf verzichtet, an den Intellekt zu appellieren, sondern wenn man alles in das Künstlerische leitet. So läßt sich das Physische, wie auch das Seelische, wie auch das, was schon das Geistige ausbilden soll, in diesem Alter ins Bild kleiden. Wir sollen namentlich das Moralische ins Bild kleiden, wenn das Kind im neunten, zehnten Lebensjahre ist. Wir sollen nicht moralische Gebote geben, nicht sagen: Das ist gut oder das ist böse -, sondern vor das Kind hinstellen, an das Kind heranbringen

Het beroep van leerkracht is er een dat de grootste onbaatzuchtigheid vereist; dat juist daarom helemaal niet verdraagt dat men een of ander voorgeprogrammeerd iets heeft; maar helemaal zo zijn moet dat je het kind zo behandelt dat je door je verbinding die je met het kind hebt wanneer je bij hem bent, in de grond van de zaak alleen maar de gelegenheid biedt dat het kind zich zelf kan ontwikkelen. Dat zal je vanaf het zevende tot het veertiende jaar, precies de basisschoolleeftijd, het beste kunnen, wanneer je volledig afziet van het appelleren aan het intellect, maar alles naar het kunstzinnige leidt. Zo is het mogelijk het fysieke, wat de ziel is en ook wat de geest moet vormen, op deze leeftijd in beelden te hullen. We moeten met name het morele in beelden weergeven, wanneer het kind negen, tien jaar oud is. Wij moeten geen morele geboden geven, niet zeggen: dat is goed of dat is slecht –

blz. 260

gute Menschen, wodurch es eine Sympathie für das Gute g`ewinnen kann. Oder vor es hinstellen böse Menschen, wodurch es gegenüber dem Bösen eine Antipathie gewinnen kann. Wir können durch das Bild in seinem Gemüte die moralische ‘Wesenheit erwecken.
Das sind allerdings nur Andeutungen. Ich habe sie geben wollen für das zweite Lebensalter des Menschen. ‘Wie sich dann das Ganze zu einer grundlegenden Erziehung, nicht einer Erziehung bloß für den Augenblick des Kindesalters, sondern für das ganze menschliche Leben ergibt, das will ich im dritten, ganz kurzen Teil meines Vortrages sagen, nachdem der zweite Teil übersetzt sein wird.
Inwiefern durch die hier geschilderte Erziehungskunst von dem kindlichen Lebensalter an auf das ganze Leben des Menschen, von der Geburt bis ium Tode, die richtige ‘Wirkung erzielt sein soll, das werden Sie am besten bemerken können, an dem einzelnen Fall der Erziehung, durch die sogenannte eurythmische Kunst. Das, was als eurythmIsche Kunst in diesen Tagen auch in öffentlichen Vorstellungen in London gezeigt worden ist, ist etwas, was nun auch eine pädagogisch- didaktische Seite hat.

maar als voorbeeld voor het kind plaatsen goede mensen waardoor het sympathie krijgt voor het goede. Of slechte mensen, waardoor het antipathie ontwikkelt tegen het kwaad. Door het beeld kunnen wij in zijn gevoel de morele realiteit wekken.
Dit wordt natuurlijk slechts aangestipt. Ik bedoelde het voor de tweede leeftijdsfase van de mens.
Hoe het geheel dan tot een fundamentele opvoeding wordt, niet een opvoeding voor alleen maar de tijd van de kinderleeftijd, maar voor een heel mensenleven, dat wil ik in het derde, heel korte deel van mijn voordracht zeggen, nadat het tweede deel vertaald is. In hoeverre door de hier geschetste opvoedkunst vanaf de kinderleeftijd voor het hele mensenleven, vanaf de geboorte tot de dood, de juiste werking bereikt moet worden, kunt u het beste waarnemen aan een enkel aspect van de opvoeding, door de zgn. euritmische kunst. Wat aan euritmische kunst deze dagen ook in openbare voorstellingen in Londen vertoond is, heeft ook een pedagogisch-didactische kant. 

Eurythmische Kunst besteht darinnen, daß man tatsächlich aus der Tiefe der Menschennatur Bewegungen des einzelnen Menschen oder von Menschengruppen so hervorruft, daß alles, was an solchen Bewegungen auftritt, in derselben ‘Weise gesetzmäßig aus dem menschlichen Organismus fließt wie die menschliche Lautsprache oder der Gesang. In dieser eurythmischen Kunst ist auch jede einzelne Geste, jede einzelne mimische Offenbarung nichts irgendwie ‘Willkürliches, sondern man hat in ihr eine wirkliche, sichtbare Sprache vorliegen, so daß eurythmisch, das heißt sichtbar ebenso gesungen werden kann durch gewIsse Bewegungen, wie gesprochen werden kann. ‘Was in der Lautsprache zurückgehalten wird an Bewegungsmöglichkeit des ganzen Menschen, und was nur übergeht in Metamorphose in den hörbaren Laut, das wird in der eurythmischen Kunst als eine sichtbare Sprache ausgestaltet.
Nun haben wir in der ‘Waldorfschule diese Eurythmie eingeführt von der untersten Volksschulklasse bis zu der höchsten. Und es zeigt 

Euritmische kunst bestaat eruit dat men daadwerkelijk uit de diepte van de mensennatuur bewegingen van de individuele mens of van een groep mensen zo naar bovenhaalt, dat alles wat zich met zulke bewegingen toont, op dezelfde manier wetmatig uit het menselijke organisme stroomt als de menselijke spraak of het zingen. In deze euritmische kunst is ook ieder apart gebaar, iedere aparte mimische uitdrukking niet iets willekeurigs, maar daarin vindt men een werkelijk zichtbare spraak. Zodat euritmisch, d.w.z. zichtbaar door bepaalde bewegingen zowel kan worden gezongen als kan worden gesproken. Wat bij de spraakklank teruggehouden wordt aan bewegingsmogelijkheden van heel de mens en wat slechts overgaat in een metamorfose van de hoorbare klank, dat wordt in de euritmische kunst als een zichtbare spraak getoond. Wij hebben de euritmie op de vrijeschool vanaf de laagste klassen tot de hoogste. En het blijkt

blz. 261

sich, daß tatsächlich das Kind sich hineinstellt in diese sichtbare Sprache, wo ebenso, wie ein Laut irgend etwas bedeutet als seelischer Ausdruck in der hörbaren Sprache, so jede Finger-, jede Handbewegung, jede Bewegung des ganzen Leibes eben ein wirklicher Sprachlaut ist, nur in Sichtbarkeit. Man sieht, daß das Kind im Alter des Zahnwechsels und noch darüber hinaus, bis zur Geschlechtsreife, sich ebenso selbstverständlich in diese Sprache hineinlebt, wie es sich als ganz kleines Kind in die Lautsprache hineingefunden hat. Es zeigt sich, daß sein ganzer Organismus, nach Leib, Seele und Geist – denn eurythmische Kunst ist zugleich geistig-seelisches Turnen, ist geistig-seelische Gymnastik – mit derselben Selbstverständlichkeit sich hineinfindet in diese curythmische Sprache, wie es sich in die Lautsprache hineingelebt hat; daß es empfindet, daß ihm damit etwas gegeben wird, was aus seinem ganzen Organismus unmittelbar folgt. Damit aber ist neben die Gymnastik, die ihr Wesen ableitet mehr von der Beobachtung des äußeren physischen Leibes, in der Eurythmie durch die Beobachtung des Geistig-Seelischen etwas hingestellt, wo der Mensch in jeder Bewegung sich erfühlt nicht nur als Leib, als durchseelter Leib, sondern als durchgeistigte Seele im von der Seele gestalteten Leib. 

dat het kind daadwerkelijk zich instelt op deze zichtbare spraak, net zoals een klank op de een of andere manier iets betekent als zielenuitdrukking in de hoorbare spraak, net zoals iedere vinger- iedere handbeweging, iedere beweging van het hele lichaam een echte spraakklank is, alleen zichtbaar. Je ziet dat het kind in de leeftijd van de tandenwisseling en nog later, tot aan de geslachtsrijpheid, zich net zo vanzelfsprekend in deze spraak inleeft, als het zich als heel klein kind in de spraakklanken ingeleefd heeft. Het blijkt dat heel zijn organisme, naar lichaam ziel en geest – want euritmische kunst is tegelijk gymnastiek van de ziel en de geest, is mentaal-psychische gymnastiek – met eenzelfde vanzelfsprekendheid leeft het zich in deze euritmische taal in, zoals hij dat deed met de spraakklanken; dat het beleeft, dat het daarmee iets krijgt wat direct tevoorschijn komt uit heel zijn organisme.
Daarmee is naast de gymnastiek die haar betekenis meer uit het waarnemen van het uiterlijke fysieke lichaam haalt, in de euritmie door het waarnemen van de geest-zielenaspecten iets gegeven waarbij de mens in iedere beweging zich niet alleen als lichaam beleeft, als bezield lichaam, maar als een ziel waarin de geest leeft, in een door de ziel gevormd lichaam.

Wiederum: was der Mensch erlebt als eurythmische Kunst, wirkt einerseits in einer ungeheuer lebendigen Weise auf all das, was in ihm als Anlagen sind, und wirkt auf der anderen Seite ebenso in seiner Fruchtbarkeit, in seiner Wirksamkeit auf das ganze Leben. Sie können das Kind äußere Gymnastik noch so gut machen lassen,wenn diese Gymnastik nur nach Regeln des Körpers gemacht ist, so werden Sie durch das Treiben der Gymnastik das Kind nicht schützen, sagen wir, im späteren Alter vor allerlei Stoffwechselkrankheiten, Riicwnatismen selbst, also Krankheiten, die später zu Stoffwechselkrankhciten werden. Denn, was man aus der Gymnastik herausholt, das verdichtet eher den physischen Leib. Aber das, was Sie herausholen, indem Sie jede einzelne Bewegung aus dem Geist und der Seele herausholen, das macht Geist und Seele für das ganze Leben zum Beherrscher des Seelischen, des Physischen. Sie verhindern durch bloße äußerliche Gymnastik den sechzigjährigen Leib nicht daran, brüchig zu werden. Sie verhindern aber, wenn Sie das Kind in der Weise erziehen,  

Dus nogmaals: wat de mens beleeft als euritmische kunst, werkt enerzijds op een buitengewoon vitaliserende manier op alles wat er bij hem aan aanleg is en werkt anderzijds net zo vruchtdragend bij de werking ervan op het gehele leven.
Je kunt het kind de uiterlijke gymnastiek nog zo goed laten doen, wanneer deze gymnastiek zich baseert op de wetmatigheden van het lichaam, dan zal je door het doen van gymnastiek het kind niet beschermen, laten we zeggen, op latere leeftijd, tegen allerlei stofwisselingsziekten, reuma, dus ziekten die later stofwisselingsziekten worden. Want wat je met gymnastiek doet, verhardt het fysieke lichaam eerder. Maar wat je stimuleert wanneer je iedere individuele beweging uit geest en ziel haalt, dat maakt geest en ziel voor het hele leven tot de meester over ziel en lichaam. Door alleen uiterlijk gymnastiek te geven, voorkom je niet dat het zestigjarige lichaam broos wordt. Je verhindert echter, wanneer je het kind op zo’n manier opvoedt

blz. 262

daß Sie seine Bewegungen aus der Seele heraus als Gymnastik machen lassen, Sie verhindern es, daß der Körper brüchig wird in seinem sechzigsten Jahre, wenn er es auch sonst geworden wäre, wenn Sie also bildlichen Unterricht erteilen zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife, daß Sie dieses Bild, das sonst die Seele beschäftigt, übertreten lassen geistig-seelisch in den Körper. Also diese bildhafte Sprache ist nichts anderes als durchseelte, durchgeistigte Gymnastik. Das aber zeigt Ihnen, daß diese durchseelte und durchgeistigte Gymnastik darauf ausgeht, gleichmäßig nach Leib, Seele und Geist das Kind zu entwickeln, damit das, was man veranlagt im kindlichen Lebensalter, Früchte trägt durch das ganze Alter hindurch. Das können wir nur, wenn wir uns so fühlen wie der Gärtner, der eine Pflanze zu pflegen hat: er will nicht etwa eingreifen in die Säftebewegung, künstlich etwas einpfropfen, er führt äußerlich die Gelegenheit herbei, so daß die Pflanze sich entwickeln kann; er hat eine selbstverständliche innere Scheu, in dieses innere ‘Wachstum der Pflanze hin- einzugreifen. Diese ehrfürchtige Scheu müssen wir haben vor dem, was im Kinde sich ins Leben hinein entwickeln will. So werden wir nicht zum Beispiel in einseitiger ‘Weise immer darauf sehen, daß wir dem Kinde etwas beibringen.

dat je zijn bewegingen uit de ziel als gymnastiek laat maken, dat het lichaam broos wordt als het zestig jaar is, als het dit al geworden zou zijn; wanneer je dus beeldend onderwijs geeft tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid, dat je dit beeld, dat anders de ziel bezighoudt, in het lichaam over laat gaan als geest-zielenaspect. Dus deze beeldende spraak is niets anders dan bezielde, met geest doortrokken gymnastiek. Dat echter toont aan, dat deze met ziel en geest doortrokken gymnastiek uitmondt in het evenredig naar lichaam, ziel en geest ontwikkelen van het kind, opdat wat je aanlegt in de kinderleeftijd, vruchten draagt heel het verdere leven. Dat kunnen we alleen maar, wanneer we ons zo voelen als een tuinman die een plant moet verzorgen; hij wil bv. niet ingrijpen in de sapstroombeweging, kunstmatig er iets bijproppen; hij maak uiterlijk mogelijk dat de plant zich kan ontwikkelen; hij heeft een vanzelfsprekende schroom van binnen in de inwendige groei van de plant in te grijpen. Deze eerbiedige schroom moeten wij hebben voor wat het kind in zijn leven ontwikkelen wil. Dus moeten we niet bv. op een eenzijdige manier er steeds op letten dat we een kind iets bijbrengen.

Das Autoritätsprinzip, wie ich es angeführt habe, das muß im tiefsten Sinne seelisch in das Kind hinüberwalten. Und es muß so sein> daß das Kind die Möglichkeit hat, Dinge in sich aufzunehmen, die es noch nicht intellektuell durchschauen kann, sondern aufnimmt, weil es den Lehrer liebt. Dann nehmen wir dem Kinde nicht die Möglichkeit in späterer Zeit, ein Erleben zu haben, das es sonst nicht hat. Wenn ich alles schon als Kind begriffen habe, dann habe ich etwa folgendes Erlebnis nicht: Nehmen wir an, in meinem fünfunddreißigsten Jahre käme etwas, das sich mir so darbietet, daß ich diese oder jene Sache von einer geliebten Lehrerpersönlichkeit, von einer geliebten Autorität, auf Autorität hin, auf den liebenden Glauben hin dazumal angenommen habe -, jetzt bin ich reifer, jetzt dämmert mir ein ganz neues Verständnis dafür auf! Dieses Faktum, daß man im gereiften Alter zurückkommen kann auf etwas, das man früher aufgenommen hat, noch nicht vollkommen durchschaut hat, jetzt aber in der Reife belebt, das gibt eine innere Befriedigung, das gibt eine 

Het principe van de autoriteit zoals ik het aangegeven heb, moet in de diepste betekenis als zielenkwaliteit in het kind zijn werk doen. En het moet zo zijn dat het kind de mogelijkheid heeft, dingen in zich op te nemen die het nog niet intellectueel kan doorzien, maar aanvaardt omdat het van zijn leerkracht houdt. Dan nemen we het kind niet de mogelijkheid af op een later tijdstip iets te beleven, wat het anders niet heeft.
Wanneer ik alles al als kind heb begrepen, heb ik min of meer de volgende beleving niet:
Laten we aannemen dat er op mijn vijfendertigste jaar iets zou komen dat zich zo aandient dat ik deze of gene zaak van een geliefde leraarpersoonlijkheid, van een geliefde autoriteit, uit autoriteitsgevoel, vanuit een heel graag willen geloven toentertijd aangenomen heb, – nu ben ik volwassener, nu ontstaat er in mij daarvoor een heel nieuw begrip. Dit feit dat je op een volwassen leeftijd op iets terug kan komen, dat je vroeger aanvaard hebt, nog niet helemaal doorzien hebt, maar nu volwassen-zijnd beleeft, dat geeft een innerlijke bevrediging, dat geeft een

blz. 263

Erkraftung des Willens, die wir dem Menschen nicht nehmen dürfen, wenn wir vor seiner Freiheit die nötige Achtung haben und ihn als freies ‘Wesen erziehen wollen. Als freies Wesen den Menschen zu erziehen, das liegt dem hier gemeinten Erziehungsprinzip zugrunde. Deshalb sollen wir auch nicht in das Kind hineinpflanzen eine Entwickelung des Willens durch intellektuell moralische Urteile. Wir sollen uns klar sein, daß wenn wir in dem kindlichen Gemüt ungefähr zwischen dem siebenten und vierzehnten Jahr moralische Anschauungen entwickeln, indem das Gemüt Sympathie und Antipathie entwickelt, das Kind dann, wenn es geschlechtsreif geworden ist und dem Leben gegenübersteht, das intellektuell-moralische Gefühl und das, was es will, durchschaut, daß dasjenige, was den Willen durchzieht, was aus dem Willen heraus das früher entwickelte ästhetische Gefühl an dem Moralischen belebt, daß das, indem es aus der Freiheit am Leben sich entzündet, gerade dem Menschen Stärke, innere Sicherheit gibt.
Sehen Sie, wer in der hier gemeinten Weise die richtige Erziehungskunst anwenden will, der sieht nicht bloß auf das kindliche Alter, der sieht hin auf den Menschen, auch wenn er ins späteste Lebensalter eingetreten ist. Denn er will, daß das, was er in den Menschen hineinpflanzt, sich wirklich so verhält wie die Blume, die aus den inneren Naturverhältnissen heraus wächst und gedeiht. 

krachtigere wil die we de mens niet mogen afpakken, wanneer wij voor zijn vrijheid het nodige respect hebben en hem als een vrij wezen willen opvoeden. Als vrij wezen de mens op te voeden ligt aan het hier bedoelde opvoedingsprincipe ten grondslag. Daarom moeten we ook in het kind geen ontwikkeling van de wil door intellectueel morele oordelen inplanten.
Voor ons moet het helder zijn dat wanneer we in de kinderziel zo ongeveer tussen het zevende en het veertiende jaar morele gezichtspunten ontwikkelen, wanneer de ziel sympathie en antipathie ontwikkelt, dat het kind dan, wanneer het geslachtsrijp geworden is en tegenover het leven staat, het intellectueel-morele gevoel en dat wat het wil, doorziet; dat datgene wat de wil doortrekt, wat vanuit de wil het eerder ontwikkelde esthetische gevoel stimuleert; dat dit wanneer het uit vrijheid aan het leven ontvlamt, juist de mens sterkt, innerlijke zekerheid geeft.
Kijk eens, wie op de hier bedoelde manier de juiste opvoedkunst toepassen wil, die kijkt niet alleen naar de kinderleeftijd, die kijkt naar de mens, ook wanneer zijn laatste levensjaren zijn begonnen.
Want hij wil, dat het met datgene wat hij in de mens plant, werkelijk zo gaat als met de bloem die uit de inwendige natuurverhoudingen groeit en gedijt.

‘Wenn wir die Blume einsetzen, können wir nicht wollen, daß sie sich schnell entwickle; sondern wir warten ab, daß sie sich langsam entwickle von der Wurzel, zum Stengel, zum Blatt und zur Blüte und Frucht sich entfalte, und sich am Lichte der Sonne frei entwickelt. Das ist dasjenige, was wir uns vorhalten als Ziel für eine richtige Erziehungskunst. Wir wollen das pflegen im Kinde, was die Wurzel des Lebens ist, wollen es aber so pflegen, daß sich nach und nach, beweglich, das Leben aus demjenigen heraus umgestaltet, physisch, seelisch und geistig, was wir für das Kindheitsalter, für das Jugendalter pflegen. Dann können wir sicher sein, daß wir mit voller Achtung vor der menschlichen Freiheit den Menschen eben als freies ‘Wesen so in die Welt hineinstellen durch unsere Erziehung, daß wirklich dasjenige, was die ‘Wurzel der Erziehung Ist, frei sich entwickle – nicht durch unser ihn zum Sklaven machendes Hineinpfropfen -, sodaß er sich auch noch im späteren Leben, auch unter

Wanneer we de bloem planten, kunnen we niet echt willen dat zij zich snel ontwikkelt, maar we wachten dat zij zich langzaam ontwikkelt vanuit de wortel, zich ontplooit tot stengel, tot blad, tot bloem en vrucht draagt en zich door het zonlicht vrij ontwikkelt. Dat stellen we ons als doel voor een juiste opvoedkunst. We willen in het kind verzorgen wat de wortel van het leven is, willen het zo verzorgen dat langzaamaan, in beweging, het leven daaruit zich omvormt, lichamelijk, wat de ziel betreft en geestelijk, wat wij voor de kinderleeftijd, voor de puberleeftijd verzorgen. Dan kunnen we er zeker van zijn dat wij met volle eerbied voor de menselijke vrijheid de mens juist als vrij wezen zo een plaats in de wereld geven door onze opvoeding, dat werkelijk, wat de wortel van de opvoeding is, zich vrij ontwikkelen kan – niet door ons instampen wat hem tot slaaf maakt, zodat hij zich ook op latere leeftijd, ook onder de meest

blz. 264

den verschiedensten Gegebenheiten, wenn er ein freier Mensch s`ein will, dann entsprechend entwickeln kann.
Allerdings, diese Erziehungsprinzipien stellen die größte Anforderung an den Lehrer. Das tun sie; aber können wir überhaupt nur voraussetzen, daß das, was zunächst in dieser ‘Welt hier auf Erden das allervollkommenste ‘Wesen ist – der Mensch -, daß das in einfacher ‘Weise behandelt werden kann, ohne daß man mit voller Vertiefung in die Eigenheiten dieses ‘Wesens auch wirklich eindringt? Sollen wir denn nicht glauben, daß gerade dem Menschen gegenüber dasjenige, was wir an ihm tun, etwas wie Verehrung, manches eine Art religiöser Dienst sein muß? ‘Wir müssen das glauben, daß die Erziehungskunst von uI,,s die größte Selbstlosigkeit verlangt, daß wir uns völlig vergessen können und in die ‘Wesenheit des Kindes untertauchen müssen, um schon im Kinde das zu schauen, was dann im erwachsenen Menschen für die Welt gedeihen soll. Selbstlose Umsicht und wirklich der ‘Wille, sich in die menschliche Natur für eine wahre Menschenerkenntnis hinein zu vertiefen, das sind die Grundbedingungen einer wahren Erziehungskunst.

verschillende omstandigheden, wanneer hij een vrij mens wil zijn, zich dan dienovereenkomstig kan ontwikkelen.
Beslist, deze opvoedprincipes stellen aan de leraar de hoogste eisen. Zeker; maar kunnen we eigenlijk wel vooropstellen dat wat a priori op deze wereld hier op aarde het meest volkomen wezen is – de mens – dat die op een simpele wijze behandeld kan worden, zonder dat men uit volle verdieping in het karakteristieke van dit wezen ook daadwerkellijk binnendringt? Moeten we dan niet geloven dat juist tegenover de mens dat wat wij met hem doen, niet iets van verering moet hebben, van een soort religieuze dienst moet zijn? Wij moeten erin geloven dat de opvoedkunst van ons de grootste opofferingsgezindheid verlangt; dat wij ons helemaal kunnen wegcijferen en in het wezen van het kind moeten opgaan om al in het kind waar te nemen wat dan in de volwassen mens voor de wereld moet bloeien. Onzelfzuchtig te werk gaan en daadwerkelijk de wil hebben om zich in de menselijke natuur te verdiepen om echte mensenkennis te verwerven, zijn de voorwaarden voor een echte opvoedkunst.

Warum sollten wir es nicht als eine Notwendigkeit anerkennen, uns einer solchen Erziehungskunst hinzugeben, wenn wir uns doch sagen müssen, daß aus dem ganzen Menschenleben heraus, aus dem sie ja auch gewonnen ist, die Erziehung das Edelste ist! Die Erziehung ist das Edelste in allem Menschenleben auf Erden. Das ist doch der Fortschritt. Derjenige Fortschritt, den wir durch die Erziehung pflegen, der besteht darinnen, daß die uns aus den göttlichen ‘Welten geschenkten jungen Generationen so entwickelt werden durch das, was wir als ältere Generation uns entwickelt haben, daß diese jüngere Generation über uns hinaus eInen weiteren Schritt im Menschheitsfortschritt macht. Sollte es nicht als das Richtige jedem Einsichtsvollen erscheinen, daß, indem man so Menschheitsdienst leistet, indem man also das Beste und Schönste der älteren Generation der jüngeren Generation zum Opfer bringt, daß man so auch in der schönsten, in der menschheitswürdigsten Weise Erziehungskunst treibt?

Waarom zouden we niet als een noodzaak erkennen dat we ons moeten wijden aan zo’n opvoedkunst, wanneer we ook moeten zeggen dat vanuit het hele mensenleven waaruit deze ook stamt, de opvoeding het meest edele is. De opvoeding is het meest edele op aarde.
Dat is de vooruitgang. Deze vooruitgang waarvoor wij door opvoeding zorg dragen, bestaat erin dat de jongere generaties, ons uit de goddelijke wereld geschonken, zo ontwikkeld worden door wat wij als oudere generatie bij ons zelf ontwikkeld hebben, dat deze jongere generatie buiten ons om een verdere stap in de vooruitgang van de mensheid zet.
Zou het niet voor ieder met volledig inzicht het juiste moeten zijn dat wanneer men zo de mensheid een dienst bewijst wanneer men dus het beste en mooiste van de oudere generatie aan de jongere generatie schenkt, dat men dan ook op de mooiste, op de meest mensheidswaardige manier opvoedkunst  uitoefent?

[1] GA 218 Geistige Zusammenhänge in der Gestaltung des Menschen
13e voordracht: Erziehungskunst durch Menschenerkenntnis

.

Rudolf Steiner over pedagogie
.
Rudolf Steiner: alle artikelen 

.

581-534

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs (3)

.

De tekst in groen is van Steiner, in zwart de vertaling. De tekst in blauw is van mij.

Pieter HA Witvliet
.

Voor een goed begrip: zie de verschenen artikelen  1   en  2  

Deel 2  eindigde met de tegenstelling ‘bloed-zenuw’. In de 2e voordracht van ‘Algemene menskunde als grondslag voor de pedagogie’ gaat Steiner er uitvoerig op in. [1]

VOORSTELLING -FANTASIE

Hij koppelt ze o.a. aan ‘voorstellingsbeeld’ en ‘fantasiebeeld’.
Dat is op zich al een lastig te doorgronden tegenstelling, want wanneer we ‘iets’ fantaseren, verbeelden we ons toch iets, we maken beelden, evenals we dat doen bij het ‘zich voorstellen’. De taal is hier niet meteen hulpvaardig, want wanneer we zeggen: ‘Stel je nu eens voor dat….’, dan gaan we ook op een bepaalde manier ‘fantaseren’.

Wanneer je deze twee vormen van voorstellen echter aan de begrippen ‘verleden’ en ‘toekomst’ knoopt, kom je een heel eind verder.

Hier heb ik daaraan ook een artikel gewijd. Het gaat daarin vooral over ‘voorstellen’ in de zin van:  je weer iets voor de geest roepen – je herinneren – de verleden kant, dus. Het is niet moeilijk in te zien dat we een voorstelling maken van hetgeen we bv. een keer – vandaag, gisteren, vorig jaar, lang geleden hebben waargenomen. Dat zien we dan op de een of andere manier weer voor ons: een mooi vakantieplekje bv. Daar zijn we niet – we nemen het dus niet concreet waar. We waren er. En we namen het waar. En op de een of andere manier nemen we het nu weer waar, als waren we er aanwezig. Alsof we naar een foto kijken, een beeld dus. Zo’n (af)beeld(ing) is altijd verbonden met het verleden – toen we het voor het eerst waarnamen. Het is een soort foto – het ogenblik waarop het kiekje is genomen, is voorbij – de herinnering eraan blijft bewaard als foto(beeld).

Als je bv. ergens een poster ziet, met laten we zeggen een heerlijke taart, dan weet je gewoon dat die taart al lang opgegeten is, of weggegooid, of…die bestaat niet meer, is verleden tijd.

Die beelden bedoelt Steiner met voorstellingsbeelden. Je moet soms een behoorlijke denkactiviteit verrichten om ze je weer ‘voor de geest’ te roepen – ze je te herinneren. Reproduceren. Het is in hoge mate een denkactiviteit, maar een letterlijk ‘na’ denken, een ‘aan-terug-denken’.

Zo’n vorm van denken wijst dus a.h.w. naar het verleden terug.
Die vorm van denken is nodig om leerstof te onthouden, te reproduceren, in je hoofd te stampen. Enz. Moet je dat veel doen, voor een examen bv. dan zit je veel achter je bureau, komt niet veel buiten, je wordt er slaperig van – het zijn allemaal verschijnselen die we kennen en niet zo gezond vinden – je krijgt er op den duur bleke wangen van – getuige de voorstelling die we ons maken van een ‘kamergeleerde’.

Als we dit soort voorstellingsdenken aan het verleden moeten koppelen, is de tegenstelling met het fantasiebeeld niet zo moeilijk, immers, dit is er helemaal nog niet. Ik moet dat beeld nog ontwerpen. Het resultaat ligt dus eigenlijk in de toekomst. En hoewel dit ‘fantaseren’ ook een vorm van denken is – je ziet ook allerlei voor je – is het toch een denken van een heel andere kwaliteit, een soort ‘vooruit’ denken. Heel vaak is dat soort denken verbonden met ‘doen’. Je ontwerpt iets – je hebt een idee, een plan. Dit is nog onstoffelijk, nog niet concreet ergens aanwezig, tastbaar. Je kunt er enthousiast voor worden, zin hebben om het te maken.

Je voelt wel, een totaal ander gebied, dan het reproduceren. Een kunstenaar zal ook zo zijn ideeën hebben over het schilderij of het beeld dat hij zal gaan maken. In dat maken ligt nog niets vast – het idee zweeft er een beetje boven, werkt erdoorheen. De kunstenaar zal meestal wel ‘bezield’ zijn door en voor zijn idee, er ‘warm’ voor lopen. Hier past het woord ‘inspiratie’; of vanuit ‘intuïtie – alles is nog ‘wordend’.
En met deze tegenstelling kunnen we nog weer beter aanvoelen wat Steiner met de tegenstelling zenuw-bloed bedoelde. Tot reëel in het fysieke is de zenuw koeler dan het bloed. En daar waar het denken gelokaliseerd is – in het hoofd – moet ook koelte heersen om te kunnen (na)denken. Om te kunnen ‘doen’ moeten de handen wel warm zijn. Wat wij als ‘gezond’ beleven is ‘hoofd koel en voeten warm’. Kom je buiten deze bandbreedte dan ligt het gevaar op de loer een ’heethoofd’ te zijn en met koude voeten komen de meesten van ons niet in de gezonde nachtrustslaap.

Dus, als we ‘fantasie’ veel ruimer denken dan wat we er in eerste instantie wellicht aan vast knopen: fantaseren als ‘verzinnen’, als een soort niet-werkelijkheid, niet met beide benen op de grond, maar het verbinden met creativiteit, met scheppen, ja, met kunst, dan is de tegenstelling ‘voorstelling-fantasie’ wel duidelijk.

OP BASIS VAN HET FYSIEKE

De mens kan alleen maar mens zijn op basis van zijn fysieke lichaam; in Steiners visie betekent dit o.a. dat wat de mens denkt en voelt en ten uitvoer brengt, hij dat alleen kan met behulp van zijn lichaam. Hij ziet het lichaam als een instrument waarmee de mens zich als een denkend, voelend en handelend wezen kan manifesteren. Wij kunnen dat als beleving ervaren. Wanneer we door sterke gevoelens worden beroerd, bv. hevige schrik, dan trekken we wit weg: een  lichamelijke activiteit van het bloed; de adem stokt in de keel; of we worden woedend en het bloed stijgt ons naar het hoofd: letterlijk: we lopen rood aan; er komen tranen als we bedroefd zijn of juist heel erg moeten lachen. Vele voorbeelden zijn er te vinden, waaruit blijkt hoe stemmingen, gevoelens, belevingen direct samenhangen met het fysieke. Pas als we de humor van iets beleven en we moeten lachen, maken spierbewegingen dit mogelijk en geven het gezicht de uitdrukking van vrolijk zijn. Niet andersom: de spieren in de vorm brengen die ze hebben wanneer we pret hebben, levert geen gevoel van plezier op.

Warm lopen voor iets, is wat de ziel doet – fysiek ‘tintelt’ het bloed.

Het moge nu duidelijk zijn dat Steiner met het oog op gezondmakend onderwijs veel belang hecht aan deze tegenstelling: wanneer werk je op de ‘koude’ kant van het denken – bv. het reproduceren en wanneer ga je zo te werk dat het bloed tintelt.

Dat laatste, zoals we zagen, is verbonden met ‘scheppen, creatief zijn, bewegen.

Tegen deze achtergrond zijn deze woorden van Steiner wellicht te doorgronden:

EEN KIND DAT ER WIT, BLEEK UITZIET

GA 303  blz. 95 e.v.   vert. 104 e.v.

(  ) -, ein Kind wird immer blasser und blasser. Berücksichtige ich dann alles aus den pädagogischen In­stinkten heraus, die durch anthroposophische Einsicht vertieft sind, so werde ich vielleicht darauf kommen: dieses Kind habe ich mit Erinne­rungsstoff, mit Gedächtnisstoff überfüttert; ich habe seinem Gedächt­nisse, seiner Erinnerung zuviel zugemutet.Nun wird man bemerken können, wenn so etwas nicht zur rechten Zeit erfaßt wird, daß man ein Kind durch Überwiegen des Gedächt­nisstoffes blaß gemacht hat, daß sich das dann steigert. Wenn man fortfährt, das Kind mit Gedächtnisstoff zu überfüttern, wird die nächste Stufe dann eine Seelenoffenbarung sein: das Kind wird zu aller­lei Ängstlichkeiten, zu Angst- und Furchtzuständen kommen. Auch diese brauchen wiederum nicht robust für eine oberflächliche Beobach­tung hervorzutreten, sondern eben nur für das feinere Beobachten, das sich der Erziehungs- und Unterrichtskünstler eben aneignen muß.Und die letzte Stufe, wenn man fortfährt, aus irgendwelchen theoretischen Vorurteilen heraus immer mehr und mehr Gedächtnisstoff in das Kind hineinzustopfen, sind Wachstumsstörungen. Das Kind bleibt auf irgend­eine Weise sogar im Wachstum zurück.Da sieht man das Ineinanderwirken von Geistig-Seelischem und Physisch-Leiblichem.Da lernt man einsehen, wie notwendig es ist für den Unterrichts- und Erziehungskünstler, eine Vorstellung zu gewin­nen, wie die menschlichen Neigungen zum Gesunden und zum Kranken zu behandeln sind.Durch ein so geartetes Bewußtsein wird man es dahin bringen, in der richtigen Weise einzuhalten mit der Überfütterung des Gedächtnisses und in anderer Weise an das Kind heranzutreten. Und man wird sehen, das Kind wird wiederum eine gesundere Lebensfarbe bekommen, wenn man in der Folgezeit nicht zu stark an seine Erinnerung appelliert, son­dern mehr an dasjenige, was erlebt wird. Sagen wir, man führt ihm an dem einen Tag etwas Schönes vor, an dem es eine unmittelbare Freude hat, und am nächsten Tag etwas anderes Schönes oder das frühere in einer Variante. Man appelliert also in der nächsten Zeit nicht an sein Erinnerungsvermögen.

Een kind gaat er steeds witter uitzien. Bekijk ik dan alles vanuit het pedagogisch gevoel dat door antroposofische inzichten verdiept is, dan kom ik er misschien op: dit kind heb ik met herinneringsstof, geheugenstof overladen; ik heb te veel gevraagd van het geheugen, het herinneringsvermogen. Nu zou je kunnen ervaren, wanneer niet op tijd onderkend wordt dat een kind bleek is gaan zien door een te grote nadruk op onthoudstof, dit dan erger wordt. Wanneer je doorgaat het kind te overladen met geheugenwerk is de volgende fase een uiting van de ziel: het kind wordt bang, komt in angsttoestanden terecht. Ook deze hoeven niet eens zo manifest te zijn voor iemand die oppervlakkig waarneemt, maar wel voor iemand die intensiever waarneemt, wat de opvoedkunstenaar zich eigen moet maken. En de laatste fase, wanneer je doorgaat, uit wat voor theoretische vooroordelen dan ook met het kind vol te proppen met herinneringsstof, zijn storingen in de groei. Het kind blijft op de een of andere manier achter in de groei. Hier zie je hoe dat wat we geest-ziel noemen, inwerkt op het lichamelijk-levende.
Hieraan leer je inzien hoe noodzakelijk het is voor een opvoedkunstenaar om een voorstelling te krijgen van hoe de menselijke neiging tot gezond- en tot ziekzijn behandeld moeten worden. Met een dergelijk bewustzijn kom je ertoe op de juiste manier op te houden met het overladen met geheugenwerk en op een andere manier het kind tegemoet te komen. En dan zie je dat het kind weer een gezondere kleur krijgt wanneer je in de tijd die volgt niet te veel aan zijn geheugen appelleert, maar meer aan wat hij kan beleven. Laten we zeggen, op een keer neem je iets moois voor hem mee, waaraan hij meteen plezier kan beleven; de volgende dag weer iets anders of een variatie op het eerste. Dus je doet de eerste tijd geen beroep op het geheugen.
GA 303 /95 e.v.
Vertaald/104 e.v.

Op meer plaatsen spreekt Steiner over het bleek worden: (meestal in samenhang met ‘blozen’ – zie verder)

GA 303 blz. 97 e.v.  vert. blz. 104 e.v.

Oder man habe einen Knaben vor sich, den man wiederum von einem gewissen Punkte an unterrichtet hat. Der zeigt für ein feineres Bemerken nach einiger Zeit, daß er leise errötet. Nicht Schamröte kommt ihm, sondern ein mit seinen ganzen Gesundheitsverhältnissen zusammenhängendes Erröten kann man bemerken. Das braucht nicht robust aufzutreten, sondern in intimer Beobachtung enthüllt sich: der Knabe ist einfach jetzt von rötlicherer Hautfarbe, als er sie vorher gehabt hat. Natürlich können wieder alle möglichen Veranlassungen dazu da sein; aber das wird sich ja für eine gesunde Erziehungs- und Unterrichtskunst im einzelnen herausstellen. Aber es kann der Fall vor­Liegen, daß ich gerade diesem Knaben in bezug auf das Erinnerungs­vermögen zuwenig zugemutet habe, daß ich zuwenig appelliert habe an sein Erinnerungsvermögen. Dadurch ist er zum Erröten gekommen, und ich muß das nach einer anderen Seite ausbessern, indem ich nun an-fange, seine Erinnerungsfähigkeit in Anspruch zu nehmen. Und wieder gibt es eine Steigerung desjenigen, was einem da entgegentritt im, ich möchte sagen, milden Erröten. Das nächste ist nämlich ein Seelisches:
der Knabe bekommt leise, aber als Anlage schon bedeutende Zornan-wandlungen, Wutanwandlungen. Es ist durchaus ein Zusammenhang möglich, daß aus einem Leerbleiben der Erinnerungsfähigkeit ein Kind zu Zornanwandlungen, zu krankhaften leisen Wutausbrüchen kommt, die wiederum in schädlicher Weise auf den Organismus zurückwirken; denn das Geistig-Seelische ist beim Menschen zwischen der Geburt und dem Tode fortwährend in Wechselwirkung mit dem Physisch-Leib­lichen. Und die höchste Steigerung, die dadurch kommen kann, ist diese, daß das betreffende Kind zu einer Steigerung, zu einem Unregel­mäßigwerden seiner Atmung, seiner Blutzirkulation kommt. Ich kann sogar nach dieser Richtung hin ganz schlimme Anlagen in das Kind ver­setzen, wenn ich mich nicht zurechtfinde in dem, was sich da zunächst im Rötlicherwerden der Hautfarbe, nachher in den leisen Zorn- und Wutanwandlungen, und dann in einem leise gesteigerten Atmungs- und Zirkulationsprozesse ausdrückt. – Manche Anlagen, die in dem Men­schen stecken und erst nach Jahren, wenn andere auslösende Ursachen da sind, vielleicht zu sehr schweren Krankheitsfällen führen, die haben ihren Grund in den Vornahmen einer verfehlten Erziehungs- und Un­terrichtskunst. So muß derjenige, der Erzieher und Unterrichtskünstler sein will, durchaus eine Erkenntnis davon haben, wie die Wege der menschlichen Natur sind zur Gesundung hin oder zum Krankwerden, zum Bekom­men von Krankheitsanlagen. 

Of je hebt een jongen in de klas die je ook weer vanaf een bepaald punt hebt onderwezen. Die vertoont voor een fijnere opmerkingsgave na enige tijd een iets rodere gelaatsuitdruk­king. Hij bloost niet vanwege schaamte, maar we merken dat zijn gelaat roder wordt door iets wat met zijn gezondheid te maken heeft. Ook dat hoeft niet opvallend te zijn, maar met een intiemer waarnemingsvermogen neem je het volgende waar: de jongen heeft nu gewoon een rodere huidskleur dan hij te voren had. Natuurlijk kan dat weer allerlei oorzaken hebben. Maar voor een gezonde opvoedings- en onderwijs­kunst blijkt dat dan wel uit de details. Hier kan zich echter het geval voordoen dat ik juist van deze jongen te weinig gevraagd heb van zijn herinneringsvermogen, te weinig heb geappel­leerd aan zijn geheugen. Daardoor heeft hij een rodere kleur gekregen en ik moet dat de andere kant op corrigeren door te
beginnen een beroep te doen op zijn herinneringsvermogen. En weer treedt er een versterking op van wat je daar tegen­komt in, laat ik zeggen, een mildere vorm van rood worden. Wat volgt is namelijk iets psychisch. De jongen krijgt lichte, maar in aanleg al aanzienlijke woedeaanvallen. Het is heel goed mogelijk dat er bij het kind een samenhang bestaat tus­sen een leeg blijven van het herinneringsvermogen en het feit dat hij tot lichte woedeaanvallen komt, die op hun beurt weer schadelijk terugwerken op het organisme. Want tussen geboorte en dood staat bij de mens het geestelijk-psychische voortdurend in wisselwerking met het fysiek-lichamelijke. En de grootste verergering die daardoor kan optreden is dat het betreffende kind een verergering, een onregelmatige ademhaling en bloedsomloop krijgt. Ik kan zelfs in deze rich­ting bij het kind tot heel ernstige eigenschappen komen als ik geen inzicht krijg in wat zich daar uitdrukt eerst in het roder worden van de huidskleur, daarna in de lichte woedeaanval­len en vervolgens in een licht verhoogde ademhaling en bloedsomloop. — Menige aanleg die in de mens aanwezig is en pas na jaren, door andere oorzaken die vrijkomen, zichtbaar wordt en misschien tot zeer ernstige ziekteverschijnselen leidt, vindt zijn oorzaak in een verkeerde opvoedings- en onder­wijskunst.

Zo moet iemand die opvoeder en onderwijskunstenaar wil zijn, er in ieder geval op de hoogte van zijn hoe menselijke gezondheids- en ziekteprocessen verlopen en hoe een aanleg voor een ziekte ontstaat.
GA 303 /95 e.v.
Vertaald/104 e.v.

GA 304A blz. 38

Nehmen wir an, ein Kind habe sich im früheren Lebensalter mit seiner Umgebung so entwickelt, daß in ihm eine gewisse Anlage dazu vorhanden ist, seine gesamten Organisationskräfte nicht so sehr nach außen zu wenden, sondern nach innen zusam­menzuziehen. Das kann insbesondere dann geschehen, wenn das Kind vieles in seiner Umgebung gesehen hat von unmutigen, vielleicht feigen Taten. Wenn das Kind vieles in seiner Umgebung gesehen hat von Zurückweichen vor dem Leben, wenn es vieles empfunden hat von Lebensüberdruß, von Lebensunzufriedenheit und Unbefriedigtheit mit der Umgebung, dann hat das Kind so etwas in sich, was, ich möchte sagen, ein fortwährendes verhaltenes Erblassen beim Kinde bedeutet.

Laten we eens aannemen dat een kind zich op een jongere leeftijd in zijn omgeving zo ontwikkeld heeft dat hij een bepaalde aanleg heeft om zich met heel zijn wezen niet zo zeer op buiten te richten, als wel dat hij zich in zichzelf terugtrekt. Dat kan in het bijzonder dan gebeuren, wanneer het kind in zijn omgeving veel gezien heeft van ‘het leven uit de weg gaan’, wanneer het veel ervaren heeft aan afkeer voor het leven, ontevredenheid met het leven en ontevredenheid met de omgeving, dan heeft het kind zoiets in zich, wat ik zou willen noemen, een voortdurend verholen bleek worden bij het kind. 
GA 304a/38
Niet vertaald

(  )  Das was auf uns wirkt, wirkt ja wirklich auf den physischen Organismus mit, wenn wir es wahrnehmen, wenn es uns mitgeteilt wird in Worten und so weiter. Daß da der physische Organis­mus mitwirkt, das erfährt derjenige, dem zugemutet wird, daß er etwas der Erinnerung einverleiben soll, daß er etwa ein Gedicht auswendig lernen soll. Man schaue sich den an, der etwas auswendig lernen soll, was er da alles macht mit seinem physischen Organismus, um diesem physi­schen Organismus die Sache einzuverleiben. Was dann aber im physi­schen Organismus sitzt, das kann noch nicht erinnert werden; da muß das, was in den Wachstumskräften, in den Kräften der Ernährung zugrunde liegt, zunächst umgesetzt werden in seelische Kräfte, und in den seelischen Kräften bewirkt es die Erinnerung. Wenn ich dem Kinde zuviel zumute für die Erinnerung, dann entziehe ich ihm zuviel Lebenskräfte, vitale Kräfte, und die Folge davon ist, daß ich sehen kann, wenn ich den ganzen Zusammenhang durchschaue: das Kind wird blaß, das  Kind bekommt etwas, was aus entzogenen organischen Kräften herkommt, es wird ängstlich. Nun muß man ein Auge haben für dieses Blaßwerden, für dieses Ängstlichwerden.

Datgene dat op ons inwerkt, werkt ook daadwerkelijk in op onze lichamelijkheid, wat we waarnemen, wanneer ons iets met woorden wordt meegedeeld* enz. Dat het fysiek organisme erbij betrokken is, dat ervaart iemand die aangespoord wordt iets in zijn geheugen te prenten (indruk!); dat hij bv. een gedicht uit zijn hoofd moet leren.  Wat dan echter in het lichamelijke organisme zit, dat kan als herinnering nog niet worden opgeroepen; eerst moet wat in de groeikrachten, in de voedingskrachten de basis is, omgewerkt worden in krachten voor de ziel en die maken het zich kunnen herinneren mogelijk. Wanneer ik nu teveel  verg van het herinneringsvermogen, dan onttrek ik teveel levenskracht aan het kind en het gevolg daarvan is, wanneer ik de hele samenhang kan doorzien: het kind ziet bleek; het kind krijgt iets wat komt door het onttrekken van orgaankrachten, het wordt bang. Je zou een oog moeten krijgen voor deze vorm van bleek worden, van bang worden.

*het gaat hier om wat meer dan een gewone waarneming of het aanhoren van woorden: om waarnemingen die bv. een schrik teweegbrengen of woorden waardoor je je schaamt of die je boosmaken.
Onze taal heeft daarvoor: ze maken (een) indruk. (Misschien wel letterlijker dan we zo in eerste instantie denken).

(Voor een uitgebreidere uitleg: menskunde en pedagogie)

Dat het fysiek organisme erbij betrokken is, dat ervaart iemand die aangespoord wordt iets in zijn geheugen te prenten (indruk!); dat hij bv. een gedicht uit zijn hoofd moet leren. (Het Duits heeft hier ‘einverleiben’ waarin we het woord Leib zien, dat in het Nederlands te maken heeft met ‘lijf=leven’. Het zit ook nog, deels in beklijven – het langer in de tijd vasthouden = duur. Zie bv. hier over het ‘tijdslijf’= vormkrachtenlijf = etherlijf.
Dit ’tijdslijf’ is, volgens Steiner, de eigenlijke drager van het geheugen, de herinneringen. Maar dit vormkrachtenlijf – het woord zegt het al – is in de eerste 7 jaar vooral nog bezig het fysieke lichaam op te bouwen. Wanneer nu het geheugenwerk een overmaat aan levenskrachten opeist, gaat dat ten koste van de fysiek-etherische opbouw.

Denn wenn man fortwährend in der wüstesten Weise darauf loszielt, dem Kinde zuviel Gedächtnisstoff zuzumuten, dann bleibt es im Wachstum zurück. Dieses Zurückbleiben im Wachstum hat man verursacht durch falsche geistige Zumu­tung, durch einen falschen Gedächtnisstoff. Und was man da anrichtet im Organismus, das drückt sich im spätesten Alter noch aus in den mannigfaltigsten Stoffwechselkrankheiten, indem besonders eine Abla­dung von Harnsäure oder dergleichen im Organismus stattfindet.Da haben Sie dasjenige, was außerordentlich wichtig ist: Man muß die geistige Führung des Kindes so leiten, daß sie in den Organismus in der richtigen Weise hineinwirkt, daß man zum Beispiel nicht so durch das Überladen mit Gedächtnisstoff bei dem Kinde wirkt, daß im späteren Alter Stoffwechselkrankheiten hervorkommen. Und wenn die Leute den Zusammenhang zwischen Gicht und Rheumatismus im späteren Alter und zwischen dem falschen Unterricht in bezug auf die Zumutung mit zu vielem Gedächtnisstoff kennen würden, dann würden sie erst auf einem wirklichkeitsgemäßen Boden in bezug auf die Erziehungskunst stehen. Dann würde man wissen, daß es nicht gilt: eine geistige Erzie­hung für sich, eine sische Erziehung für sich, weil alles, was man in der geistigen Erziehung tut, gerade beim Kinde hineinwirkt in die Physis, und alles was man für die physische Entwicklung tut, wiederum hereinwirkt ins Geistige.

Want wanneer je voortdurend op de meest verschrikkelijke manier erop uit bent om van een kind teveel te vergen van wat het onthouden moet, dan blijft het in de groeikrachten achter. Dit achterblijven in groei heb je veroorzaakt door op een verkeerde manier iets geestelijks te vergen, door verkeerd geheugenwerk. En wat je dan aanricht in het organisme, vind je op een zeer late leeftijd nog terug in stofwisselingsziekten van de meest uiteenlopende soort, in het bijzonder wanneer er een afzetting van urinezuur of iets dergelijks in het organisme plaatsvindt. Hier heb je wat buitengewoon belangrijk is: je moet de geest van het kind zo leiden dat die in het organisme op de juiste manier doorwerkt; dat je bv. door het te overladen met geheugenwerk niet zo op het kind inwerkt dat er op latere leeftijd stofwisselingsziekten uit voortkomen. En als de mensen de samenhang tussen jicht en reuma op latere leeftijd en verkeerd onderwijs wat betreft het te veel vergen van geheugenwerk zouden kennen, zouden ze pas vaste grond onder de voet hebben m.b.t. opvoedkunst. Dan zou men weten dat niet geldt: een geestelijke opvoeding op zichzelf, een lichamelijke opvoeding op zichzelf, omdat alles wat je met geestelijke opvoeding doet, nu juist bij een kind inwerkt op zijn fysieke natuur en alles wat je voor de lichamelijke ontwikkeling doet, weer terugwerkt op de geest. 
GA 304A /135
Niet vertaald

Nehmen wir an, wir haben ein Kind in der Schule sitzen: das Kind wird immer blasser und blasser. Nehmen wir das als Beispiel an: es ist eine körperliche Eigentümlichkeit, daß es immer blasser und blasser wird. Der Lehrer, der Erzieher hat auf diese körperliche Eigentümlichkeit zu sehen. Liegt bei einem Erwachse­nen das vor, daß er immer blasser und blasser wird, so geht man zum Arzt, und der Arzt wird je nachdem, was er gerade versteht, an diese oder jene Therapie denken. Der Lehrende, der Erziehende, er muß sich vor allen Dingen darauf besinnen: Ist dieses Kind so blaß, wie es jetzt ist, zu mir in die Schule gekommen? Oder hat es da vielleicht eine andere Gesichtsfarbe gehabt? Und siehe da, der Lehrende, der Erziehende kann darauf kommen, wenn er nur überhaupt Menschenerkenntnis hat, sich zu sagen: Dieses Kind hast du selber blaß gemacht, denn du hast ihm zuviel an Gedächtnisarbeit zugemutet; du mußt die Gedächtnisarbeit vermindern. – Da handelt es sich darum, daß man in dem körperlichen Wesen unmittelbar darinnen sieht, was im Seelischen verfehlt worden ist; denn das Kind wird blaß von Überfütterung mit Gedächtnismaterial.

Laten we aannemen dat we een kind op school hebben: het ziet er steeds maar bleker uit. Laten we dat als voorbeeld nemen: dat het er steeds witter begint uit te zien, is een lichamelijk kenmerk. De leerkracht, de opvoeder moet op dit lichamelijke kenmerk letten. Als het zich bij een volwassene voordoet, wanneer die steeds witter gaat zien, gaat hij naar de dokter en de dokter zal na de diagnose aan de een of andere therapie denken.De leerkracht, de opvoeder moet zich er allereerst op bezinnen: ziet dit kind zo wit, zoals nu, toen het bij mij op school kwam? Of had het toen een andere gezichtskleur? En zie je, de leerkracht, de opvoeder kan nu op de gedachte komen, dan moet hij wel over menskundige inzichten beschikken, en zeggen: jij hebt dit kind die witte kleur bezorgd, want je hebt teveel gevraagd van zijn geheugen; je moet minder geheugenwerk geven. Het gaat erom dat je aan het lichaam meteen ziet**, wat er voor de ziel verkeerd gedaan is: het kind wordt bleek van het overladen met geheugenmateriaal. 
GA 304A/150
Niet vertaald

**‘Es ist für den Lehrer und Erzieher eben in hohem Grade wichtig, daß er den Gesundheitszustand des Kindes in einem gewissen Sinne voraussieht und prophylaktisch wirken kann.

Het is voor de leerkracht en opvoeder nu juist in hoge mate belangrijk dat hij de gezondheidstoestand van het kind in zekere zin in een vooruitziende blik heeft en profylactisch kan werken. 
GA 300B /261
Niet vertaald

GA 305 blz. 108

Dann werden wir sehen, daß sich dasjenige, das wir immer als For­derungen stellen, wie von selbst ergibt. Man kann lange in der ab­strakten Pädagogik fordern: Du sollst das Gedächtnis des Kindes nicht überlasten. Es ist nicht gut, das Gedächtnis des Kindes zu überlasten. Das kann jeder aus der Abstraktion einsehen. Weniger klar sieht man aber ein, was Überlastung des Gedächtnisses bedeutet für das Leben des Menschen: dies, daß man im späteren Leben ihn mit Rheumatismus, Gicht beobachten kann. – Man dehnt das medizinische Beobachten leider nicht über den ganzen Lebenslauf des Menschen aus. Man kann manche Menschen mit Rheumatismus, mit Gicht beobachten, wozu sie gar nicht die Anlage hatten; man hat etwas, was als eine ganz spär­liche Anlage vorhanden war, vielleicht nur dadurch heranerzogen, daß man das Gedächtnis viel überlastet hat, daß man zuviel hat erin­nern müssen. Aber auch nicht zu wenig darf man das Gedächt­nis belasten. Denn wenn man wieder zu wenig das Gedächtnis be­lastet, dann entstehen sehr leicht, namentlich schon zwischen dem 16. und 24. Jahre, empfindliche Zustände in dem physischen Organis­mus.

Dan zullen we zien hoe hetgeen we altijd aan eisen stellen als vanzelf tevoorschijn komt. In de abstracte pedagogie kan men rustig eisen: Het geheugen van het kind mag niet overbelast worden. Dat kan iedereen vanuit de abstractie inzien. Minder duidelijk ziet men echter in wat overbelasting van het geheugen betekent voor het leven van de mens: dit namelijk, dat men dan in het latere leven reumatiek, jicht kan zien optreden. – Men strekt de medische waarneming helaas niet tot over de gehele levensloop van de mens uit. Men treft reumatiek, jicht aan bij veel mensen die daar helemaal geen aanleg toe bezaten; men heeft iets, dat als een heel geringe aanleg aanwezig was, wellicht alleen doen uitgroeien doordat men het geheugen te zwaar heeft belast, doordat men teveel heeft moeten onthouden. Maar men mag ook het geheugen niet te weinig belasten. Want als men het geheugen weer te weinig belast dan ontstaat er heel gemakkelijk, met name tussen het zestiende en het vierentwintigste jaar, een toestand van overgevoeligheid in het fysieke organisme

Und wie soll man die Waage halten zwischen zuviel und zuwenig an Gedächtnisbelastung? Indem man in der Weise, wie ich es geschildert habe, anschaulich bildhaft erzieht, nimmt sich nämlich das Kind so viel aus dem Unterricht, als es vertragen kann. Es entsteht ein Ver­hältnis wie zwischen dem Essen und Sattsein. Dadurch bekommt man allerdings verschieden fortgeschrittene Kinder, und man muß mit ihnen wiederum fertig werden, ohne daß man sie immer in dem Unterricht eine Klasse sitzen läßt. Aber man kann eine verhältnismäßig große Klasse vor sich haben, und das Kind ißt nicht mehr geistig, als es ver­tragen kann, wenn ich so sagen darf, weil der Organismus von selbst dasjenige zurückweist, was es nicht vertragen kann. Man rechnet also auf das Leben, so wie man auch aus dem Leben heraus selber unter­richtet und erzieht.

Hoe moet men nu het evenwicht vinden tussen een te zware en een te geringe belasting van het geheugen? Wanneer men op de wijze zoals ik die geschilderd heb aanschouwelijk beeldend opvoedt, neemt het kind juist zoveel uit het onderwijs op als het verdragen kan. Er ontstaat een soortgelijke verhouding als er is tussen eten en verzadiging. Op die manier krijgt men echter te maken met kinderen die niet allemaal even ver gevorderd zijn, terwijl men toch met hen ergens moet komen, zonder dat men ze in het onderwijs steeds een klas laat zitten. Toch kan men een betrekkelijk grote klas hebben, en eet het kind geestelijk niet meer dan het aan kan, als ik het zo mag zeggen, omdat het organisme vanzelf weigert wat het niet kan verdragen. Men rekent dus op het leven, zoals men ook vanuit het leven zelf opvoedt en onderwijst.
GA 305/108-109
vertaald/(5e vdr)

Wenn wir die drei Grundsätze festhalten: Begriffe belasten das Gedächtnis; Anschaulich-Künstlerisches bildet das Gedächtnis; Willensanstrengung, Willensbetätigung befestigt das Gedächtnis -, dann haben wir die drei goldenen Regeln für die Gedächtnisentwickelung.
Wir können diese drei goldenen Regeln ganz besonders dadurch anwenden, daß wir dann den Unterricht in der Naturkunde, in der Geschichte, den wir so leiten, wie ich es in diesen Tagen angedeutet habe, zur Ausbildung des Gedächtnisses benützen. Auch der rechnerische Unterricht ist durchaus zur Ausbildung des Gedächtnisses zu benützen. Es ist das so, daß wir immer beginnen sollen im Rechnen mit dem künstlerischen Verstehen der Dinge, wie es in diesen Tagen gezeigt worden ist.
Aber wenn wir wirklich dafür gesorgt haben, daß das Einfachere, sagen wir, die Zahlen bis zehn oder meinetwillen bis zwanzig in ihrer Handhabung bei den Rechnungsoperationen durchschaut worden sind,
dann brauchen wir nicht davor zurückzuschrecken, das übrige gedächtnismäßig an das Kind herankommen zu lassen. Und wir sollen das Kind ebensowenig wie mit Gedächtnismaterial mit zu weit getriebener Anschaulichkeit überlasten. Denn Begriffe, die zu weit ins Komplizierte hineingetrieben werden, die belasten das Gedächtnis. So daß wir gerade in bezug auf die Gedächtnisentwickelung sorgfältig hinschauen müssen, wie es sich bei dem einzelnen Kinde macht.
Und hier sieht man, wie notwendig es ist für den Lehrer und den Erzieher, etwas von der Art und Weise zu verstehen, wie der ganze Mensch für Gesundheits- und für Krankheitstendenzen arbeitet. In

Als we deze drie grondbeginselen vasthouden: begrippen belasten het geheugen;
het aanschouwelijk-kunstzinnige vormt het geheugen; wilsinspanning, wilsactiviteit versterkt het geheugen -, dan hebben we de drie gouden regels voor de ontwikkeling van het geheugen.
We kunnen deze drie gouden regels heel speciaal toepas­sen doordat we het onderwijs in biologie, in geschiedenis dat we zo geven als ik het deze dagen heb aangeduid, ge­bruiken ter ontwikkeling van het geheugen. Het is zo dat we bij het rekenen altijd moeten beginnen met het kunst­zinnig begrijpen van de dingen, zoals het deze dagen is aan­gegeven.
Maar als we er werkelijk voor hebben gezorgd dat het een­voudigere, laten we zeggen de getallen tot tien, of voor mijn part tot twintig, in hun gebruik bij de rekenoperaties wor­den doorzien, dan hoeven we er niet voor terug te schrikken het overige materiaal geheugenmatig op het kind af te laten komen. En we moeten het kind net zo weinig met geheu­genmateriaal als met te ver doorgedreven aanschouwelijk materiaal overbelasten. Want begrippen die te ver in het gecompliceerde worden gedreven, die belasten het geheugen. We moeten dus juist wat de ontwikkeling van het geheugen betreft zorgvuldig kijken naar hoe je dat bij het individuele kind doet.
En hier zie je hoe noodzakelijk het voor de leerkracht en de opvoeder is iets te begrijpen van de manier waarop de he­le mens toewerkt naar gezondheids- en ziektetendenzen. In dit opzicht kun je juist in onze tijd de merkwaardigste erva­ringen opdoen.

dieser Beziehung kann man gerade heute die merkwürdigsten Erfahrungen machen.
Unsere Waldorfschule wurde einmal besucht von einem Herrn, der mit seinem Denken ganz im Unterrichtswesen, im Erziehungswesen drinnen stand. Ich versuchte, ihm den ganzen Geist, aus dem in der Waldorfschule gewirkt wird, auseinanderzusetzen, und als er eine Weile sich das angehört und angesehen hatte, sagte er: Ja, aber dann müßten ja die Lehrer viel von Medizin verstehen! – Er betrachtete es von vornherein als eine Unmöglichkeit, daß die Lehrer so viel von Medizin verstehen könnten, als für den Geist eines solchen Unterrichts nötig ist. Ich sagte zu ihm: Wenn das eben aus der Natur des Menschen hervorgeht, so muß so viel medizinischer Unterricht, als für die Schule eben nötig ist, den Gegenstand jeder Lehrerseminarbildung bilden. – Das ist ganz zweifellos, wir dürfen niemals sagen, wir überlassen dasjenige, was sich auf die Gesundheit bezieht, dem Schularzte.
Ich betrachte es als ein ganz besonderes Glück der Waldorfschule, daß wir den eigentlichen Schularzt im Lehrerkollegium selber drinnen haben, daß er mit im Lehrerkollegium ist. Dr. Kolisko, der das Gesundheitliche fachmännisch betreibt, ist Arzt und steht im Lehrerkollegium zugleich lehrend darinnen.

Onze vrijeschool werd eens bezocht door een heer die met zijn denken midden in het onderwijswezen, in het opvoe­dingswezen stond. Ik probeerde hem de hele geest waaruit in de vrijeschool wordt gewerkt, uit te leggen. En toen hij dat een poosje had aangehoord en aangekeken, zei hij: ja, maar dan zouden de leraren veel van geneeskunde moeten begrijpen, nietwaar! – Hij beschouwde het van begin af aan als een onmogelijkheid dat de leraren zoveel van geneeskun­de zouden kunnen begrijpen als voor de geest van een der­gelijk onderwijs nodig is. Ik zei tegen hem: als dat eenvou­digweg uit de aard van de mens voortspruit, dan moet zo veel medisch onderwijs als voor de school nu eenmaal nodig is, het vak van iedere pedagogische academieopleiding vor­men.
Het is zonder enige twijfel zo: we mogen nooit zeggen dat we datgene wat betrekking heeft op de gezondheid, aan de schoolarts overlaten.
Ik beschouw het als een heel groot geluk van de vrije­school dat we de eigenlijke schoolarts zelf in het lerarencollege hebben, dat hij mede in het lerarencollege zit. Dr.Kolisko*, die de zaken die met de gezondheid samenhangen vak­kundig leidt, is arts en staat tegelijkertijd docerend midden in het lerarencollege. 

*Dr.med. Eugen Kolisko, 1893-1939

So daß in dieser Beziehung alles dasjenige, was sich auf das Körperliche der Kinder bezieht, in völligem Einklange mit allem Unterrichten und Erziehen betrieben werden kann.
Und das ist zum Schluß dasjenige, was notwendig ist: es muß in unsere Lehrerbildung eine Entwickelung hineinkommen, die aufnimmt, was sich auf Gesundheit und Krankheit des Kindes bezieht. Ein Lehrer bemerkt – ich will ein Beispiel anführen -, daß ein Kind immer mehr und mehr blaß wird. Ein anderes Kind verändert seine Farbe dadurch, daß es auffallend gerötet wird. Man bemerkt dann, wenn man richtig beobachtet, daß das gerötete Kind zugleich unruhig, jähzornig wird. Man muß eine solche Erscheinung in der richtigen Weise auf das Geistig-Seelische beziehen können. Man muß wissen, daß das Blaßwerden in abnormer Weise, wenn es sich auch nur in der Tendenz zeigt, von einer zu starken Berücksichtigung des Gedächtnisses herkommt. Das Gedächtnis beim blaßgewordenen Kinde ist zu stark belastet

Dus in dit opzicht kan alles wat be­trekking heeft op het lichamelijke van de kinderen volledig in overeenstemming met alle onderwijs en opvoeding wor­den uitgevoerd.
En dit is ten slotte dat wat nodig is: in onze lerarenoplei­ding moet een ontwikkeling komen die in zich opneemt wat betrekking heeft op gezondheid en ziekte van het kind. Een leerkracht merkt – ik wil een voorbeeld geven – dat een kind steeds bleker en bleker wordt. Bij een ander kind verandert de kleur doordat het een opvallend rode kleur krijgt. Je merkt vervolgens, als je goed kijkt, dat het rood geworden kind te­gelijkertijd onrustig, driftig wordt. Zo’n verschijnsel moet je op de juiste wijze op het ziele-geestelijke kunnen betrekken. Je moet weten dat het op een abnormale manier bleek wor­den, al toont het zich ook maar als tendens, afkomstig is van een te sterk rekening houden met het geheugen. Het geheu­gen bij het bleek geworden kind is te sterk belast. 

worden. Man muß also Einhalt tun gerade mit der Gedächtnisbelastung. Bei dem geröteten Kinde hat man das Gedächtnis zu wenig in Anspruch genommen. Da muß man dafür sorgen, daß es die Auf- gabe bekommt, das oder jenes als Gedächtnisstoff aufzunehmen und wiederum zu zeigen, daß es die Sache behalten hat. Wir müssen also ein Kind, das uns blaß wird, gedächtnismäßig entlasten; ein Kind, das uns gerötet wird, müssen wir gerade nach der Richtung des Gedächtnisses hin sich entfalten lassen.
Nur dadurch, daß wir in einer so eingehenden Weise Seelisch-Geistiges im Einklang mit dem Physischen behandeln können, kommen wir in der rechten Weise an den ganzen Menschen heran. 

Men moet dus paal en perk stellen aan het belasten van het geheugen. Bij het rood geworden kind heb je van het geheugen te weinig gevergd. Daar moet je ervoor zorgen dat het kind de taak krijgt het een en ander als geheugenstof op te nemen en weer te laten zien dat het de zaak heeft onthouden. We moeten dus een kind dat bleek wordt geheugenmatig ont­lasten; een kind dat rood wordt moeten we juist in de rich­ting van het geheugen zich laten ontplooien. Alleen doordat we op zo’n indringende wijze het ziele-geestelijke met het fysieke in overeenstemming kunnen be­handelen, naderen we op de juiste wijze de hele mens.
GA 307/212-214
Vertaald/272-274

Ein Beispiel. Ein Kind, das ich in der Klasse habe, wird immer blas­ser und blasser. Ich sehe dieses Blasserwerden, es ist eine Erscheinung im physischen Leben des Kindes. Damit ist aber nun gar nichts getan, daß man jetzt zum Arzt geht und von ihm etwas verschreiben läßt, damit das Kind wieder Farbe bekommt. Denn es kann einfach der folgende Fall vorliegen: Das Kind wird einem blaß; man sieht es. Nun kommt der Schularzt, schreibt irgend etwas vor, wodurch das Kind wieder Farbe bekommen soll. Wenn nun der Arzt auch ganz richtig gehandelt hat und das absolut gute Mittel verschrieben hat, wie man

Een voorbeeld. Een kind dat je in je klas hebt, wordt steeds maar bleker en bleker. Je neemt dit bleker worden waar, het is een verschijnsel in het fysieke leven van het kind. Maar je doet hele­maal niets voor hem als je naar de dokter gaat en je door hem iets laat voorschrijven om het kind weer kleur te laten krijgen. Want het volgende kan het geval zijn: het kind wordt bleek en dat zie je, vervolgens komt de schoolarts, die iets voorschrijft waardoor het kind weer kleur moet krijgen. Stel: de arts deed z’n werk naar behoren en schreef het medicijn voor dat in zulke gevallen werkt.

In solchen Fällen behandeln muß, so wird man doch an dem Kinde, das man jetzt kuriert hat, etwas Merkwürdiges sehen. Man hat es ja auch kuriert, und jeder, der über dem Arzte steht und der Behörde ein Zeugnis ausstellen müßte, könnte auch sagen, daß der Arzt dies getan hat. Aber das auf diese Weise kurierte Kind zeigt einem später in der Schule: es kann nicht mehr recht auffassen, es wird zappelig und un­ruhig, es geht über die Dinge mit Unaufmerksamkeit hinweg. Und während es früher blaß dagesessen hat und ein leidlich bequemes Kind war, fängt es jetzt an, seine Nachbarn zu puffen; während es früher die Feder zart ins Tintenfaß getaucht hat, stößt es sie jetzt mit Gewalt hinein, so daß die Tintenspritzer nach aufwärts gehen und das Heft damit bedeckt ist. Der Arzt hat seine Pflicht getan; aber jetzt hat man die Bescherung, denn kurierte Leute nehmen sich manchmal im Leben recht sonderbar aus.
In einem solchen Falle handelt es sich wieder darum, daß man nun wirklich sieht, was liegt da eigentlich zugrunde? Kann man von dem äußeren Physischen, das sich im Blaßwerden ausdrückt, durchschauen auf das Geistig-Seelische, so merkt man folgendes. Gedächtniskraft, die im Geistig-Seelischen wirkt, ist nichts anderes als umgewandelte, meta­morphosierte Wachstumskraft; und Wachsen, Ernährungskräfte ent­wickeln ist auf einem andern Niveau ganz dasselbe, wie Gedächtnis bilden, Erinnerungen bilden auf einem höheren Niveau.

Dan zul je aan het kind dat je hebt genezen toch iets merkwaardigs zien. Het kind is genezen en iedereen die voor de autoriteiten een beoordelingsrapport over deze arts zou moeten opstellen, zou ook kunnen zeggen dat de arts dit heeft bewerkstelligd. Maar wat zien we later op school aan dit kind dat zo is genezen: hij kan dingen niet meer echt oppakken, hij wordt onrustig, hij let niet op, schenkt geen aan­dacht aan de dingen. Terwijl hij voordien bleek zat te wezen en een vrij gemakkelijk kind was, begint hij nu zijn buren aan te stoten. Terwijl hij voordien zijn pen rustig in het inktpotje stopte, stoot hij die daar nu met kracht in, zodat de inktspetters in het rond vliegen en z’n schrift bekladden. De dokter heeft z’n werk gedaan; maar nu zitten we met het geduvel, want genezen mensen zien er in het leven soms echt vreemd uit.
In zo’n geval gaat het er om dat we werkelijk zien wat er eigenlijk aan het bleek-worden ten grondslag ligt. Als je van het uiterlijk fysieke, dat zich in het bleek worden uitdrukt, verder kunt kijken tot in het geestelijk-psychische, dan merk je het volgende. Geheugenkracht, die in het geestelijk-psychische werkt, is niets anders dan omgevormde, gemetamorfoseerde groeikracht; en groeien, voedingskrachten ontwikkelen is op een bepaald nivo precies hetzelfde als geheugen vormen, herinneringen vormen op een hoger niveau. 

Es ist dieselbe Kraft, nur in verschiedener Metamorphose. Schematisch vorgestellt, kann man sagen: In den ersten Lebensjahren des Kindes sind beide Kräfte noch durcheinandergemischt, sind noch nicht geschieden; dann sondert sich später das Gedächtnis als eine besondere Fähigkeit aus dem Ungeschiedenen heraus und die Wachstums- und Ernährungsfähigkeit ebenfalls. Weil das Kind in den ersten Jahren seine Gedächtniskräfte noch dazu braucht, um seinen Magen zu versorgen und die Milch zu verdauen, kann es sich an nichts erinnern; wenn es dann später seine Gedächtniskraft nicht mehr dazu braucht, dem Magen zu dienen, wenn der Magen weniger Ansprüche macht und nur wenig Kräfte zurück-behält, dann wird ein Teil der Wachstumskräfte seelisches Gedächtnis, Erinnerungskraft. Hat man nun in der Schule vielleicht dadurch, daß die andern Kinder robuster sind, also eine richtigere Verteilung von

Het is dezelfde kracht, alleen in verschillende gedaanten. Schematisch voorgesteld kun je zeggen: in de eerste levensjaren van het kind zijn beide krachten nog met elkaar vermengd, nog niet gescheiden. Vervolgens zondert zich later het geheugen als een bizonder vermogen uit het ongescheidene af, en evenzo gaat het met het vermogen tot groeien en het voe­dingsvermogen. Omdat een kindje in de eerste jaren zijn geheugenkracht nog nodig heeft om zijn maag te verzorgen en de melk te verteren, kan het zich niets herinneren. Als het later zijn geheugenkracht niet meer nodig heeft om de maag te dienen, als de maag minder eisen stelt en nog maar weinig krachten ver­bruikt, dan wordt een deel van de groeikrachten tot psychisch vermogen om je de dingen te herinneren. Heb je nu in je klas – wellicht doordat de andere kinderen robuuster zijn, waarbij dus herinneringskracht en groeikracht van binnen beter zijn verdeeld

Gedächtniskraft und Wachstumskraft in sich tragen, vielleicht weniger auf ein Kind gerechnet, das nicht so viel Fonds in dieser Beziehung hat, dann kann es sehr leicht sein, daß man die Erinnerungskraft bei ihm überlastet; dann ist die emanzipierte Erinnerungskraft bei diesem Kinde zu stark engagiert. Dann wird der Wachstumskraft, die gleich­artig mit ihr ist, zu viel entzogen. Das Kind wird blaß und ich muß mir in meiner Seele sagen: Ich habe dich mit dem Gedächtnis zu stark angestrengt; dadurch bist du mir blaß geworden. Man kann dann sehr leicht bemerken, wenn man dieses Kind in bezug auf die Gedächtnis-kraft und das Erinnerungsvermögen entlasten wird, dann wird es von selbst wieder Farbe bekommen. Aber man muß verstehen, wie das Blaßwerden zusammenhängt mit dem, was man selbst erst getan hat, indem man das Kind mit Erinnerungen überlastet hat. Das ist sehr wichtig, daß man bis ins Physische hineinschauen und sehen kann, wenn das Kind zu blaß wird, habe ich es gedächtnismäßig überlastet.

– misschien minder rekening gehouden met een kind dat in dit opzicht nog niet zo veel in huis heeft, dan kan het gemakkelijk voorkomen dat je zijn herinneringsvermogen overbelast. Dan is bij dit kind te sterk een beroep gedaan op de geëmancipeerde herinneringskracht. Dan wordt er te veel groeikracht, die van gelijke soort is als de herinneringskracht, onttrokken. Het kind wordt bleek en je moet erkennen dat je hem wat het geheugen betreft te sterk hebt vermoeid; daardoor is hij bleek geworden. -Als je dit kind wat betreft de geheugenkracht en het herinnerings­vermogen ontlast, zul je heel snel merken dat hij vanzelf weer kleur zal krijgen. Maar je moet begrijpen dat dit bleek worden samenhangt met wat je eerst zelf hebt gedaan door het kind met herinneringen te overbelasten. Het is heel belangrijk dat je tot in het fysieke kunt kijken en leert zien dat, wanneer het kind te bleek wordt, je z’n geheugen te zwaar heb belast.

het blozen bij kinderen

GA 303 blz. 97 e.v.  vert. blz. 105 e.v.

Oder man habe einen Knaben vor sich, den man wiederum von einem gewissen Punkte an unterrichtet hat. Der zeigt für ein feineres Bemerken nach einiger Zeit, daß er leise errötet. Nicht Schamröte kommt ihm, sondern ein mit seinen ganzen Gesundheitsverhältnissen zusammenhängendes Erröten kann man bemerken. Das braucht nicht robust aufzutreten, sondern in intimer Beobachtung enthüllt sich: der Knabe ist einfach jetzt von rötlicherer Hautfarbe, als er sie vorher gehabt hat. Natürlich können wieder alle möglichen Veranlassungen dazu da sein; aber das wird sich ja für eine gesunde Erziehungs- und Unterrichtskunst im einzelnen herausstellen. Aber es kann der Fall vor­Liegen, daß ich gerade diesem Knaben in bezug auf das Erinnerungs­vermögen zuwenig zugemutet habe, daß ich zuwenig appelliert habe an sein Erinnerungsvermögen. Dadurch ist er zum Erröten gekommen, und ich muß das nach einer anderen Seite ausbessern, indem ich nun an-fange, seine Erinnerungsfähigkeit in Anspruch zu nehmen. Und wieder gibt es eine Steigerung desjenigen, was einem da entgegentritt im, ich möchte sagen, milden Erröten. Das nächste ist nämlich ein Seelisches:
der Knabe bekommt leise, aber als Anlage schon bedeutende Zornan-wandlungen, Wutanwandlungen. Es ist durchaus ein Zusammenhang möglich, daß aus einem Leerbleiben der Erinnerungsfähigkeit ein Kind zu Zornanwandlungen, zu krankhaften leisen Wutausbrüchen kommt, die wiederum in schädlicher Weise auf den Organismus zurückwirken; denn das Geistig-Seelische ist beim Menschen zwischen der Geburt und dem Tode fortwährend in Wechselwirkung mit dem Physisch-Leib­lichen. Und die höchste Steigerung, die dadurch kommen kann, ist diese, daß das betreffende Kind zu einer Steigerung, zu einem Unregel­mäßigwerden seiner Atmung, seiner Blutzirkulation kommt. Ich kann sogar nach dieser Richtung hin ganz schlimme Anlagen in das Kind ver­setzen, wenn ich mich nicht zurechtfinde in dem, was sich da zunächst im Rötlicherwerden der Hautfarbe, nachher in den leisen Zorn- und Wutanwandlungen, und dann in einem leise gesteigerten Atmungs- und Zirkulationsprozesse ausdrückt. – Manche Anlagen, die in dem Men­schen stecken und erst nach Jahren, wenn andere auslösende Ursachen da sind, vielleicht zu sehr schweren Krankheitsfällen führen, die haben ihren Grund in den Vornahmen einer verfehlten Erziehungs- und Un­terrichtskunst. So muß derjenige, der Erzieher und Unterrichtskünstler sein will, durchaus eine Erkenntnis davon haben, wie die Wege der menschlichen Natur sind zur Gesundung hin oder zum Krankwerden, zum Bekom­men von Krankheitsanlagen. 

Of je hebt een jongen in de klas die je ook weer vanaf een bepaald punt hebt onderwezen. Die vertoont voor een fijnere opmerkingsgave na enige tijd een iets rodere gelaatsuitdruk­king. Hij bloost niet vanwege schaamte, maar we merken dat zijn gelaat roder wordt door iets wat met zijn gezondheid te maken heeft. Ook dat hoeft niet opvallend te zijn, maar met een intiemer waarnemingsvermogen neem je het volgende waar: de jongen heeft nu gewoon een rodere huidskleur dan hij te voren had. Natuurlijk kan dat weer allerlei oorzaken hebben. Maar voor een gezonde opvoedings- en onderwijs­kunst blijkt dat dan wel uit de details. Hier kan zich echter het geval voordoen dat ik juist van deze jongen te weinig gevraagd heb van zijn herinneringsvermogen, te weinig heb geappel­leerd aan zijn geheugen. Daardoor heeft hij een rodere kleur gekregen en ik moet dat de andere kant op corrigeren door te
beginnen een beroep te doen op zijn herinneringsvermogen. En weer treedt er een versterking op van wat je daar tegen­komt in, laat ik zeggen, een mildere vorm van rood worden. Wat volgt is namelijk iets psychisch. De jongen krijgt lichte, maar in aanleg al aanzienlijke woedeaanvallen. Het is heel goed mogelijk dat er bij het kind een samenhang bestaat tus­sen een leeg blijven van het herinneringsvermogen en het feit dat hij tot lichte woedeaanvallen komt, die op hun beurt weer schadelijk terugwerken op het organisme. Want tussen geboorte en dood staat bij de mens het geestelijk-psychische voortdurend in wisselwerking met het fysiek-lichamelijke. En de grootste verergering die daardoor kan optreden is dat het betreffende kind een verergering, een onregelmatige ademhaling en bloedsomloop krijgt. Ik kan zelfs in deze rich­ting bij het kind tot heel ernstige eigenschappen komen als ik geen inzicht krijg in wat zich daar uitdrukt eerst in het roder worden van de huidskleur, daarna in de lichte woedeaanval­len en vervolgens in een licht verhoogde ademhaling en bloedsomloop. — Menige aanleg die in de mens aanwezig is en pas na jaren, door andere oorzaken die vrijkomen, zichtbaar wordt en misschien tot zeer ernstige ziekteverschijnselen leidt, vindt zijn oorzaak in een verkeerde opvoedings- en onder­wijskunst.

Zo moet iemand die opvoeder en onderwijskunstenaar wil zijn, er in ieder geval op de hoogte van zijn hoe menselijke gezondheids- en ziekteprocessen verlopen en hoe een aanleg voor een ziekte ontstaat.
GA 303 /97 e.v.
Vertaald/105 e.v.

GA 304A blz. 150 e.v.

Oder der Lehrer hat ein anderes Kind vor sich sitzen: es wird nicht blaß, im Gegenteil, es bekommt eine auffallend rötere Farbe als früher, und es wird unwillig, es wird unruhig, es wird das, was man heute ein «nervöses» Kind nennt; es hält keine Disziplin, springt auf zur unrech­ten Zeit, kann also nicht leicht auf seinem Platze sitzen bleiben, will immerfort heraus- und hereinlaufen. Nun handelt es sich darum, daß man sich besinnen kann darauf, was diese moralischen Qualitäten bei diesem Kinde hervorgebracht hat. Und siehe da, man wird finden können – nicht in allen Fällen, es sind die Fälle eben sehr individuell, sie müssen eben auf individueller Menschenerkenntnis beruhen können, wenn man sie erkennen will, und das, was man über sie erkennen will muß auf individueller Menschenerkenntnis beruhen -, da wird man sich überzeugen, wenn man sich auf das, was geschehen ist, besinnt: man hat dem Kinde zuwenig an Gedächtnisstoff zugemutet, das kann auch sein, denn das eine Kind braucht so viel, das andere nur so viel.

Of de leraar heeft een ander kind voor zich zitten: het wordt niet bleek, in tegendeel, het krijgt een opvallend dodere kleur dan vroeger en het wordt dwars, het wordt onrustig, het wordt wat men tegenwoordig een ‘nerveus’ kind noemt; het luistert niet, springt op als het niet gelegenkomt, het kan dus niet makkelijk op z’n plaats blijven zitten, wil steeds naar buiten en weer naar binnen. Nu gaat het erom dat je je bezinnen kan op wat deze morele kwaliteiten bij dit kind veroorzaakt heeft. En dan vind je – niet in alle gevallen, die zijn zeer individueeel en moeten dus op een individuele menskunde kunnen berusten, wil je ze herkennen en wat je erover wil leren kennen moet op individuele menskunde berusten – als je je bezint op wat er gebeurt is, kom je tot de overtuiging: het kind heeft te weinig geheugenstof gekregen, dat kan het zijn, want het ene kind heeft zoveel, het andere alleen maar zoveel nodig.

Wenn man solch ein Kind hat, wie das zuletzt erwähnte, das unruhig wird, das nicht blaß wird, sondern im Gegenteil etwas röter wird, so kann man an allerlei Maßregeln denken, aber man muß, wenn man dem Kinde helfen will, auf das Richtige kommen. Und das Richtige verbirgt sich hier sehr stark. Wer nämlich Menschenerkenntnis haben will, darf sie nicht nur haben für den Menschen vom siebenten bis vierzehnten Jahre, während er in die Volksschule geht, sondern gar manches, was zwischen dem siebenten und vierzehnten Jahre sich abspielt, das erfüllt sich erst in viel späterer Zeit. Dieses Kind, das du so erziehst, daß du ihm zuwenig Gedächtnismaterial gibst, das bereitest du dazu vor, daß es ungefähr im fünfundvierzigsten Jahr an einer Fettschicht, die über dem Herzen liegt, ungeheuer schwierige Krankheitszustände durchmacht. Und das muß man auch wissen, was geistig-seelische Erziehung erst nach Jahrzehnten am Menschen unter Umständen erzeugen kann.

Wanneer je zo’n kind hebt, zoals het laatst genoemde, dat onrustig wordt, dat niet bleek wordt, maar integendeel iets roder wordt, kun je aan allerlei maatregelen denken, maar je moet, wanneer je het kind wil helpen, op het juiste komen. En dat zit hier heel sterk verborgen. Wie nl. menskunde wil hebben mag die niet alleen hebben voor de mens van zeven tot veertien, tijdens de basisschool, maar veel van wat zich afspeelt tussen deze jaren, komt pas veel later naar buiten. Dit kind dat je zo opvoedt dat je het te weinig geheugenmateriaal geeft, dat bereidt je voor dat het ongeveer op z’n vijfenveertigste jaar behoorlijk ziek kan zijn door een vetleeg die over het hart ligt. En je moet ook weten wat een geestelijk-psychische opvoeding pas na tientallen jaren aan de mens onder bepaalde omstandigheden kan doen.
GA 304A/152 e.v.
Niet vertaald

GA 307 bl. 213  vert. blz.

Ein Lehrer bemerkt – ich will ein Beispiel anführen -, daß ein Kind immer mehr und mehr blaß wird. Ein anderes Kind verändert seine Farbe dadurch, daß es auffallend gerötet wird. Man bemerkt dann, wenn man richtig beobachtet, daß das gerötete Kind zugleich unruhig, jähzornig wird. Man muß eine solche Erscheinung in der richtigen Weise auf das Geistig-Seelische beziehen können. Man muß wissen, daß das Blaßwerden in abnormer Weise, wenn es sich auch nur in der Tendenz zeigt, von einer zu starken Berücksichtigung des Gedächtnisses herkommt. Das Gedächtnis beim blaßgewordenen Kinde ist zu stark belastet 307/214
worden. Man muß also Einhalt tun gerade mit der Gedächtnisbelastung. Bei dem geröteten Kinde hat man das Gedächtnis zu wenig in Anspruch genommen. Da muß man dafür sorgen, daß es die Aufgabe bekommt, das oder jenes als Gedächtnisstoff aufzunehmen und wiederum zu zeigen, daß es die Sache behalten hat. Wir müssen also ein Kind, das uns blaß wird, gedächtnismäßig entlasten; ein Kind, das uns gerötet wird, müssen wir gerade nach der Richtung des Gedächtnisses hin sich entfalten lassen.

GA 310 blz. 125   vert. blz. 132

Habe ich aber ein anderes Kind in der Klasse, welches manchmal eine eigentümliche Röte auf das Gesicht bekommt, und um welches man dann auch so besorgt werden kann, wenn so eine hektische Röte auftritt, so werde ich bei diesem Auftreten einer hektischen Röte see­lische Begleiterscheinungen sehr leicht bemerken können. Denn in den merkwürdigsten Zeitpunkten, wo man es gar nicht erwartet, tritt bei diesen Kindern das auf, daß sie jähzornig, tobend werden; sie werden emotionell. Man kann natürlich jetzt wieder sagen: Blutandrang nach dem Kopfe – kann etwas dagegen verschreiben lassen. Der Arzt hat dann wiederum seine Pflicht getan, selbstverständlich. Aber man muß noch etwas anderes wissen, nämlich dies, daß man dieses Kind, im Gegensatz zu dem andern, in bezug auf die Erinnerungsfähigkeit ver­nachlässigt hat; es sind bei ihm zu viel Kräfte ins Wachstum, in die Ernährung hinuntergegangen. In diesem Falle muß man versuchen, gerade an die Erinnerungsfähigkeit des Kindes Ansprüche zu stellen, muß seinem Gedächtnisse etwas zu tun geben; dann werden diese Er­scheinungen aufhören.

Een ander voorbeeld: je hebt een kind in de klas dat soms een eigenaardige rode kleur op z’n gezicht krijgt. Je kunt je daarover ook zorgen maken, als er zo’n hoogrode kleur optreedt; je zult daarbij heel snel ermee samenhangende psychische verschijnse­len kunnen konstateren. Want op de vreemdste tijdstippen, wan­neer je het helemaal niet verwacht, treedt bij deze kinderen op dat ze driftig, woedend worden; ze worden emotioneel. Nu kun je weer zeggen: bloedstuwing naar het hoofd toe – en je kunt iets daartegen laten voorschrijven. De dokter heeft dan natuurlijk weer zijn werk gedaan. Maar je moet nog iets anders weten, namelijk dat je dit kind, in tegenstelling tot het andere, wat betreft het herinneringsvermogen hebt verwaarloosd. Bij hem zijn te veel krachten omlaag gegaan naar de groei, naar de voeding. In dit geval moet je proberen aan het herinneringsver­mogen van het kind juist eisen te stellen en moet je zijn geheugen iets te doen geven. Dan zullen deze verschijnselen verdwijnen.
GA 310/125-127
Vertaald/132-135

 

[1] GA 293

Vertaald
.
Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs [1]  [2]  [4]

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle artikelen

.

551-505

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3/20)

.

Irene Storm, Jonas 21, *15-06-1979
.

in de tuin:

KOSMISCHE RITMEN

Op landbouwgebied onderzoekt Maria Thun al ruim 26 jaar* de invloed van de kosmos op het leven van de planten op de aarde. Ze is hiertoe gekomen naar aanleiding van een voordracht van Rudolf Steiner, waarin hij vertelde dat zon, maan en sterren een be­langrijke uitwerking hebben op de planten­groei en dat het van groot belang zou zijn, dit in de toekomst nader te onderzoeken. Ook in de huidige natuurwetenschap begint steeds meer het besef door te breken, dat planten niet alleen door chemische toevoe­gingen geregeerd worden, maar dat ritme van zon en maan in hun samenspel met de aarde, van beslissende invloed zijn.
Van welke gedachte is Maria Thun uitge­gaan? Zij begon haar onderzoek door de maan – waarvan de omlooptijd ± 28 dagen duurt – in zijn baan te volgen en wel speciaal de relatie van de groei van de plant met de stand van de maan in de dierenriem. De maan beschrijft zijn baan om de aarde en gaat daarbij door de twaalf sterrenbeelden (bijvoorbeeld, ram, stier, vissen) van de die­renriem. De maan heeft steeds 2 à 3 dagen nodig om door een bepaald sterrenbeeld te ‘wandelen’.

Van ieder sterrenbeeld gaan bepaalde vor­mende krachten uit, die we kunnen terug vinden in de verschillende delen van de plant: in wortel, stengel en blad, bloem en vrucht. Door dit ‘wandelen’ van de maan door een sterrenbeeld, veranderen de krach­ten die de plant ontvangt. Met behulp van experimenten heeft zij dit kunnen aanto­nen. Het bleek bijvoorbeeld dat radijsjes, die gezaaid waren bij een stand van de maan in het sterrenbeeld de kreeft, een extra bladgroei hadden, vergeleken met radijsjes die gezaaid waren terwijl de maan in de maagd stond. In het laatste geval bleken de wortels extra gestimuleerd te zijn, wat – bij radijs natuurlijk gunstig is. Verder bleek dat ook bij de stand van de maan in de schorpioen en in de vissen, de bladgroei gestimuleerd werd. Bij een stand van de maan in de tweeling, de waterman of de weegschaal bleek de bloei juist gestimu­leerd te worden.

De twaalf beelden van de dierenriem konden op de volgende wijze in vier groepen van drie verdeeld worden, waarbij iedere groep een bepaald plantendeel stimuleert (zie schema).

ritme en planeten

We kunnen bij deze indeling de verschillende op aarde werkende elementen – vuur, lucht, water, aarde – verbonden met de verschil­lende delen van de plant, terugvinden. Het zaad kan slechts ontstaan door de warm­tekrachten (vuur) en rolt dan als een soort vruchtbare as uit de plant. De bloem ver­breidt zijn geur slechts door de lucht en lokt daarmee onder andere de in de lucht vlie­gende insecten. Het water doorstroomt het blad, waarin de meeste chemische
omzet­tingen zich afspelen. De wortel is het meest aan de minerale wereld (aarde) aangepast.
In de praktijk wordt de kennis van Maria Thun al veel toegepast. Gewassen waarvan je de wortels wilt oogsten kunnen het beste op de zogenaamde worteldagen gezaaid worden. Dat zijn dus de dagen, wanneer de maan door het teken van de maagd, stier of steen­bok gaat.

Veel proeven in verband hiermee, zijn met radijsjes gedaan, omdat dit een snelgroeiend en makkelijk gewas is. Twee jaar* geleden in het maartnummer, heb ik hierover al eens ge­schreven. Als u toen niet in staat was die proeven zelf te doen, dan kunt u het mis­schien alsnog eens proberen, (worteldagen in juni zijn: 2 juni in de na­middag, 4, 5, 6, 7 en 14 juni de hele dag, 15 juni tot 4 uur, 22, 23, 24 tot 6 uur, 25 juni tot 7 uur*)
U moet er wel rekening mee hou­den, dat ook alle bodembewerkingen een in­vloed uitoefenen op het uiteindelijke resul­taat en dat niet alleen het tijdstip van het zaaien van belang is. Met andere woorden ook het spitten, schoffelen en wieden op het stukje grond waar de radijsjes gezaaid wor­den, moet op worteldagen plaats vinden. Door de ritmische invloeden van de andere planeten, zoals mars, jupiter, venus, die ook door de dierenriem ‘wandelen’, worden de werkingen van de maan soms ongunstig be-invloed. Er kan bijvoorbeeld een ziekte of schimmelvorming optreden, als zaden op da­gen gezaaid worden of als planten op dagen verzorgd worden als een bepaalde planeet door een dierenriembeeld gaat, waar een on­gunstige werking vanuit gaat. De regeneratiekrachten nemen soms zelfs zo sterk af, dat dit bij een volgende generatie planten nog te merken is. Ook het tegenovergestelde kan echter plaats vinden, namelijk dat planten heel snel tot ontwikkeling komen en een sterk vitaliseringsproces doormaken.
Niet alleen de stand van de maan in de die­renriem is belangrijk voor de planten, maar ook de afstand van de maan ten aanzien van de aarde is belangrijk. De maan is gedurende veertien dagen verder van de aarde verwij­derd en gedurende 14 dagen dicht bij de aar­de. De baan die de maan beschrijft rond de aarde is niet precies rond, maar is elliptisch. Wordt de afstand van de maan tot de aarde groter, waarbij de maan ook stijgt, dan wer­ken deze ‘stijgkrachten’ ook op de sap­stroom in de planten. Het is dan niet bevordelijk de planten te snoeien of te planten. Bij dalende maan, dus als de afstand maan-aarde kleiner wordt, is het wel gunstig om te snoei­en en te planten. De plantensappen stijgen in deze tijd niet zo sterk en het gevaar van ‘leegstromen’ (‘bloeden’) is veel kleiner. Door de gedane onderzoekingen kunnen nu door het ritme waarin de maan haar omloop maakt, bepaalde zaaidagen vast gelegd
wor­den en aan de hand daarvan is de zaaikalender** van Maria Thun ontstaan. In de zaaikalenders schrijft zij een interessan­te inleiding.
**zaaikalender

.

Ritme: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: alle klassen

.

541-496

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-10)

.

RITMEN IN DE LANDBOUW

He, ho spant de wagen an,
zie de wind trekt regen over ’t land,
haal de gouden garven,
haal de gouden garven,
He, ho etc.

Van deze internationaal bekende canon zijn verschillende tekstversies in omloop. Ik heb deze gekozen omdat deze me zeer aanspreekt en omdat deze met landbouw te maken heeft. Je kunt je gemakkelijk voorstellen hoe dat toegaat: een groepje mensen zingt, terwijl zij werken aan de kar en verzamelen wat het land geschonken heeft, deze canon. Zo zal het ongetwijfeld ook goed gaan, in dat lekke­re ritme.

Dit verhaal had anders kunnen beginnen. Toen Adam en Eva uit het paradijs verdreven werden, sprak de engel Gabriël tot hen vol­gens een tekst van een middeleeuws spel:

Int zweet uws aanschijns eet u broot
Adam  – en Eva ghy met noot
draegt uwe kinders ondert harte,
vermenichvuldigt sy u smarte 

Zwaar zo’n oordeel. Ze gaan er onder gebukt. Duidelijk komt het woord hart tevoorschijn, verwijzend naar het ritme-orgaan bij uitstek in het lichaam van de mens en vele diersoor­ten.
Een kind moet onder dit hart, onder het ritme, gedragen worden. Dan pas zal het groeien en langzamerhand een eigen ritme gaan veroveren, een eigen hartslag en bloeds­omloop en tenslotte – na de geboorte – een eigen ademhaling. Een soort overdracht, of anders gezegd, een soort bevruchting van de ritmevermogens van het moederhart op het kinderhart. Daar moet hard voor gewerkt en zelfs hard voor geleden worden. Het ritme­lichaam van de moeder stelt zich geheel op deze situatie in. Het offert zich als het ware op om een nieuwe levenskiem te behoeden. Geen leven zonder deze offerkracht van het hart, geen leven zonder de ritme-impuls die boven het kind onvermoeibaar zijn werk ver­richt.
En nu Adam, de oerlandbouwer. Zwetend op de akker, want dat was zijn opgave: ‘be­bouwt het veldt met noeste vlyt!
Met als hulp de spade verricht hij zijn arbeid, onver­moeibaar, dag in dag uit. Op een van de glasvensters van de kathedraal in Chartres (waar dit verhaal is geschreven) staat deze spittende Adam afgebeeld. Ook daar die middeleeuwse interpretatie. En ook bij Adam het ritme-aspect. Immers, het wer­ken met een schop gaat het best, het soepelst, het minst krachtopslorpend, als het in ritme gebeurt. Een bekend verschijnsel volgens boeren. Als je iets ritmisch doet gaat het soe­pel. Je komt ‘erin’ zoals dat heet, namelijk in het werk. Je stapt ritmisch in de handeling van het omgaan met de aarde. Je kunt het dan ook lang volhouden.
Adams handwerk is te vergelijken met Eva’s lichaamswerk in dienst van het kind. Met dat verschil, dat Adam werkt in de buitenwereld en ingrijpt in de omgeving. Zijn kind is de aarde waar alleen volledige overgave en offer­kracht geboden is. Pas dan kan er van werke­lijke bevruchting sprake zijn. Als het werk gedaan is en het zaad uitgeworpen – overi­gens ook een toonbeeld van ritmisch hande­len; helaas zie je dat nauwelijks nog -, dan pas wordt de aarde bevrucht en kan nieuw leven zich ontplooien.

Maar er is nog iets nodig, dat eigenlijk met een hoofdletter geschreven moet worden. Iets dat de bron is van het natuurleven, de schepper van de plantenwereld, namelijk de zon. Dit geweldige, allesbeheersende wereld­orgaan is één groot ritmeverschijnsel. De zon bepaalt het ritme van dag en nacht, winter en zomer, licht en donker enzovoort. Zij is een wereldhart en voor ons een aardehart. Het oerbeeld van het hart zou je moeten zeg­gen.
Het ritmische voorbereidingswerk maakt het mogelijk dat dit zonnegeheim zich met de kiem van de plant kan verbinden en de plant kan scheppen. Net zoals het moederhart bo­ven het kind, werkt nu de zon boven de aar­de (akker). Het lijkt me geen toevallige ver­gelijking, maar een waarheid waar de
middel­eeuwer volledig mee vertrouwd was.

ritme beekman

Ik wil nog een ander beeld geven vanuit de vergelijking die hierboven is weergegeven. Het komt er dan anders uit te zien, maar dat hindert niet: alle fenomenen wijzen naar het­zelfde grondmotief.

Als de eicel bevrucht wordt, treedt een mo­ment van chaos in. Volledige oplossing van de bestaande substantie en het ontwikkelen van een nieuwe van waaruit de embryonale groei begint. Ook dan is er nog weinig orde, omdat er sprake is van celtoename, maar ge­leidelijk komt er structuur en inhoud en de aanvankelijk woekerende cellenklomp (morula) begint vorm te krijgen. Er ontstaan bin­nen en buiten meerdere cellagen en het begin van organisatie en differentiatie. Let wel: uiteindelijk zal een kind ontstaan, het is nau­welijks te geloven, laat staan voor te stellen. Nu de aarde.

De ritmische omvormingen, het ploegen en spitten brengt de aarde eveneens in een cha­os. Een bestaande orde wordt ingrijpend (let­terlijk) veranderd om een nieuw begin moge­lijk te maken. Als het zaad is geworpen, ge­beurt daarmee ook iets dergelijks (aanwijzing van Rudolf Steiner uit de Landbouwkursus). Het rustende zaad zal zelf innerlijk volledig gechaotiseerd worden. Dit gebeurt ’s winters en heeft zijn hoogtepunt in de tijd tussen Kerstmis en Driekoningen: de twaalf heilige nachten.

De eiwitsubstantie van het zaad ondergaat zo’n intensieve verandering dat inwerking vanuit de omgeving van de aarde mogelijk wordt. Een kosmische bevruchting. Zonder deze zal een zaad niet tot een nieuwe plant kunnen uitgroeien, omdat het niet ‘bevrucht’ is, geen inhoud heeft opgenomen, geen infor­matie om het modern te zeggen. Pas daarna treedt er rust op en de aanleg van een kiem wordt zichtbaar: organisatie en dif­ferentiatie. Samengevat:

ritme beekman 2

In beide gevallen zijn de opeenvolgende fa­sen gekenmerkt door rustige, maar zeer rit­misch geordende ontplooiingen. Tenslotte zien kind zowel als plant het licht en komen beiden onder de levenbrengende ritmekracht van de zon te staan.

Zo te zien schijnen chaos en ritme bij elkaar te horen, twee aspecten van het leven te vor­men. Ik wil dat toelichten met een voorbeeld uit de biologisch-dynamische landbouw. Eén van de karakteristieken van deze
landbouw­methode is het gebruik van preparaten. Het gaat er nu niet om uiteen te zetten welke soorten daarvan zijn ontwikkeld, maar om een bereidingswijze en wel van het kiezel- en het koemestpreparaat. Zowel fijn verdeelde kiezel(kwarts) als speci­aal voorbereide koemest, worden in tonnen met water geroerd. Tijdens het langdurige roeren worden twee bewegingen met elkaar afgewisseld: rechtsomdraaien en linksomdraaien, waarbij met een takkenbos, een roede, geroerd wordt.

Bij de overgang van rechts naar links en vice versa, is het water enige tijd in volledige cha­os. Na de chaos treedt opnieuw ritmische orde in als er wordt verder geroerd. Ritme-chaos-ritme-chaos enzovoort. Opvallend is de soepelheid waarmee het ritmisch draaien ge­paard gaat, waarbij het water een draaikolk­achtige trechtervorm aanneemt, en de grote kracht die nodig is om de chaos te overwin­nen.
Chaos vraagt sterke kracht, ritme levert zelfs kracht op: een spannende polariteit. Kort ge­zegd is dit nodig om de kosmische wereldor­de een toegang te verschaffen tot het water en de substantie daarin, die op deze manier verrijkt wordt. Een soort bevruchting van water en preparaat met invloeden uit de om­geving. Na deze behandeling is een preparaat ‘dynamisch’ en geschikt voor toepassing op gewas of bodem. Ritmische voorbereiding om straks de natuurritmen beter in de groei­processen te betrekken. Overigens kennen we deze verschijnselen ook in ons lichaam. Het water is hier het bloed en de preparaatsubstantie is hier… (je kunt je daar verschillende voorstellingen van ma­ken, zoals zuurstof, koolzuurgas en voedings­stoffen uit het stofwisselingsgebied). En de chaos treedt op in het hart, als het bloed uit zijn ritmisch-pulserende stroom plotseling in een ruimte wordt toegelaten en aan werve­lingen en draaiingen wordt onderworpen. De wandstructuur van het hart helpt hier extra mee de beweging te bevorderen. Maar er wordt veel kracht gevraagd om deze chaos te overwinnen en om te zetten in een nieuwe, ritmisch voortgaande orde: de bloedstroom. Doorstroom en snelheid – chaos en stilstand -doorstroom en snelheid enzovoort. We laten daarbij de vraag liggen welke invloeden van buitenaf dan op dit chaosmoment kunnen inwerken.

Galenus (Romeins arts en natuuronderzoe­ker) vermoedde of wist dat de ‘pneuma’ toe­gang tot het bloed kreeg en nieuwe impulsen verschafte. Deze werd gezien als geest, mis­schien op te vatten als wereldgeest, in ieder geval een omgevingskwaliteit. In schema samengevat:

ritme beekman 3

Het roeren van een preparaat wordt als een organisch gebeuren begrijpelijk. Net zo min als het hart een mechanisch-pompend orgaan is, is het prepareren een mechanische hande­ling.

We hebben nu nog geen antwoord op de vraag wat ritme in de landbouw eigenlijk is. Wel zagen we een aantal fenomenen, die met ritme te maken hebben en aantonen dat het omgaan met de landbouw geen geïsoleerde bezigheid is. Sterker nog, er is bijna geen be­roep denkbaar dat meer in de omgeving is in­geschakeld dan het agrarische. En dan moet de omgeving in zeer wijd verband worden ge­zien.

De kunst van de harmonie tussen verschillen­de aspecten van de natuur: De plantenwereld leeft op zijn manier mee met de omgeving, seizoenen, kosmische orde. De dierenwereld kent zijn eigen ritme van voortplanting, rust en activiteit. De aarde staat in een sterke relatie tot zowel plant- en dierenwereld als kosmische wereld. De mens die dat alles verzorgt en in zijn of haar bewustzijn heeft, staat vaak onder druk van de economische omstandigheden. Niet alles is haalbaar, er moeten concessies ge­daan worden, het menselijk leven heeft ook zijn eigen wetten.

Niet te benijden is de mens die zijn of haar krachten moet inzetten om ‘met noeste vlyt het veldt te bebouwen’.
Wel te benijden aan de andere kant, want er is geen gebied waar directer aan de omvor­ming en gezondmaking van de aarde gewerkt kan worden dan in de landbouw.
.

(Willem Beekman, Jonas 23, 11-07-1980)

.

Ritmealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

539-495

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-9)

.

RITME DRAAGT HET LEVEN

Pas in de laatste decennia* worden ritmische verschijnselen systematisch onderzocht. Tegenwoordig wordt het ritme als zelf­standige factor, die intensief op bijna alle biologische processen inwerkt, algemeen erkend en er bestaat zelfs een omvangrijke li­teratuur over.

Het duidelijkst zijn ritmische processen in astronomisch verband te bestuderen: daar openbaart zich zonder meer het wezen van het ritme. Het gaat om de doorlopende herhaling van iets dat echter nooit precies hetzelfde blijft. Bij een planeet bijvoorbeeld is de omloop nooit precies dezelfde als de vorige, de verhoudingen variëren steeds en toch voltrekt het geheel zich soepel in volmaakte harmonie.
Kepler heeft deze hogere wetmatigheden onderkend en zijn voornaamste werk ‘Harmonices Mundi’ genoemd.
In de kosmos vindt nooit een herhaling van hetzelfde plaats, dat zou men ‘maat’ moeten noemen, terwijl ‘ritme’ is: herhaling van een motief dat nooit ten volle aan zichzelf gelijk blijft.
‘Maat herhaalt, ritme hernieuwt (L. Klages). Maat is de voortdurende herhaling van hetzelfde, ritme het doorlopend modificeren van een be­paald gegeven. In een ritmisch proces heerst daardoor harmonie die mogelijkheden tot nieuwe ontwikkeling openlaat, terwijl bij maat weliswaar (door herhaling van hetzelfde) grotere ‘exactheid’ ontstaat, maar tege­lijkertijd verstarren en vastleggen: een proces wordt bevroren in een toestand die zichzelf gelijk blijft en wordt daarin gefixeerd. Maat leidt tot isolatie uit een bepaald verband, tot het volgen van eigen wetten, terwijl ritme in harmonie is met alles wat leeft. Maat is ge­storven ritme. Daardoor werkt maat ver­moeiend, werkelijk ritme bezielend. En daarom hoort maat bij een mechanisch, ritme bij een levend systeem.
Op elk levensgebied is een afspiegeling van het kosmische ritme te vinden. Ritme zelf is – zoals warmte – half geestelijk: het is weliswaar stoffelijk waarneem­baar, maar naar zijn wezen is het immateri­eel, waardoor het een bovenzinnelijk principe kan dragen. Ritmische processen zijn noch in de natuur, noch in de mens iets stoffelijks. Men zou ze half-geestelijk kunnen noemen. Het stoffelijke als zodanig gaat op in het ritmische gebeuren’. ‘Het ritme heeft door de geest in de materie wortel gescho­ten; de mens draagt het ritme in zich als er­fenis van zijn geestelijke afstamming’.
Intussen bestrijkt het samengaan van biologisch-organische en kosmische ritmen een zeer groot gebied van onderzoek.
Tot voor kort werd het afhankelijk-zijn van de maan in het voortplantingsritme van vele lagere dieren niet au sérieux genomen, terwijl daar tegenwoordig niet meer aan getwijfeld wordt.

De kosmisch-planetarische invloeden op de plantengroei zijn weliswaar onweerlegbaar bewezen, maar daar is veel minder van bekend.
Voor de mens ligt het anders, door­dat de totale zowel als de individuele
ont­wikkeling ritmisch verloopt. Daarbij gaat het om tijdsgolven van zeer lange en om tijdsgolven van korte duur. Aan de eerste groep wordt tegenwoordig weinig aandacht besteed.

Het langste kosmische interval is het plato­nische wereldjaar (de tijd waarin de richting van de aardas de dierenriem doorloopt) van gemiddeld 25.920 jaar. Rudolf Steiner heeft erop gewezen dat dit getal in de levensloop van de mens ook weerspiegeld wordt: een volwassen mens in rust doet gemiddeld 18 ademhalingen in de minuut, dat is in een uur 1080 en in 24 uur 24 x 1080 is 25.920 adem­halingen. Gaat men bij de mens uit van een gemiddelde levensduur van 71 jaar en van een jaar van 365 dagen, dan blijkt dat de mens gemiddeld 365 x 71 is 25.915 dagen leeft. In deze tijd beleeft hij dus het slaap-waak-ritme evenveel keren als in een et­maal het ademritme. Deze samenhang is geenszins alleen uiterlijk maar stemt overeen met het incarnatieproces: in iedere in-ademing is een incarnatie-tendens aanwezig, zoals iedere uitademing met een excarnatie overeenkomt. En zo is het wakkerworden ’s morgens een incarnatieproces, het inslapen een uittreden van het Ik uit het lichaam.
Er bestaat dus een inner­lijke verwantschap tussen het ademhalings­ritme en het slaap-waak ritme: het incarnatieproces, dat wil zeggen de verhouding van de mens tot de aarde drukt zich in beide uit. De mens is een afspiegeling van het kos­misch gebeuren; als microkosmos draagt hij de wetten van de macrokosmos in zich.
De kortere ritmen zijn makkelijker te her­kennen: de menstruatiecyclus van 28 dagen is zonder meer een maanritme, zoals über­haupt de voortplanting met de maan samen­hangt. Op het – ten dele zelfs buitengewoon ‘betrouwbare’ verband tussen voortplanting en maanritme bij lagere dieren werd al eer­der gewezen. Het menstruatieritme loop echter niet meer synchroon met de maancyclus. Er voltrekt zich een verinnerlijking en daarmee een loskomen van het kosmische systeem: het verschijnsel vertoont nog wel zijn oorsprong en zijn karakter, maar het is zelfstandig geworden en is niet meer direct afhankelijk.

Het ritme dat zonder twijfel het beste waargenomen kan worden en dat dan ook tot nu toe het meest bestudeerd is gewor­den, is het zogenaamde circadiane ritme, de periode van 24 uur. Het daglicht werkt onder normale omstandigheden o.a. als ‘tijd­wijzer’ (Aschoff), zodat het endogene (van binnen uit veroorzaakte) ritme en het dagritme streng gecoördineerd zijn. Ook hier heeft de mens echter een eigen ritme van ca. 24 uur, dat bijvoorbeeld bij doorlopende verlichting of bij doorlopende duisternis au­tonoom ‘doorloopt’. De mens is dus in hoge mate aan het zonneritme gebonden, maar aan het maanritme heeft hij zich enigszins onttrokken.

Hier treedt nu reeds een wezenlijk verschil tussen mens en dier aan de dag, want juist de lagere dieren vertonen nog duidelijk de af­hankelijkheid van de maan, terwijl de mens dit ritme verinnerlijkt en zelfstandig heeft gemaakt. Daardoor is hij vrij geworden van het kosmische oerbeeld, wat men moet zien als een schrede vooruit in de ontwikkeling. Een zeker verband moet echter wel bewaard blijven, want als de mens zich volledig ten opzichte van de kosmos zou isoleren, zou hij zich ook voor de krachten van het leven af­sluiten. De ‘Levensboom’ moet onaangetast blijven, moet in hoge mate aan individueel ingrijpen worden onttrokken, terwijl de ‘Boom der Kennis’ door de mens kan wor­den benaderd. Vandaar dat lichamelijke pro­cessen in sterke mate in een natuurlijk ritme moeten verlopen, terwijl de mens vanuit zijn Ik onritmisch kan leven en vrijwillig de harmonie van zijn organisme kan doorbre­ken, waarmee hij het dan ‘verstoort’.
Tot op zekere hoogte is dit ook nodig. Hoe meer de menselijke levensomstandigheden naar het geestelijke gingen tenderen des te meer moesten de lichamelijke processen hun orde­ning prijsgeven.

De mens handelt vanuit zijn Ik en probeert met min of meer succes zijn zielenroerselen te beheersen, maar hij kan niet direct, dat wil zeggen wilsmatig, op zijn levensfuncties in­werken. Die verlopen dan ook ‘vanzelf’ met de wijsheid en de wetmatigheid die zij mee­gekregen hebben.

Bij alle functies die dichter bij het bewust­zijn liggen – zoals het ritme van slapen en waken – kan het natuurlijke verloop zonder meer worden verbroken. De ‘dieperliggende’ biologische ritmes echter – zoals dat van de lever – kunnen niet bewust worden beïn­vloed, zij zijn niet omkeerbaar door middel van een andere levenswijze: de natuurlijke fase is bestendig.
Sedert onheuglijke tijden heeft men ervaren dat de slaap vóór
midder­nacht de meest gezonde is; tegenwoordig worden op dit gebied ook waarnemingen ge­daan bij arbeiders die in ploegen werken. Het voorgaande kan op deze laatste voorbeelden een verhelderend licht laten vallen. Daar de regeneratie altijd uitgaat van het ether- of levenslichaam, en bij de mens de ritmische processen aan een regulatiesysteem zijn on­derworpen, is hij in staat om jarenlang nega­tieve invloeden op te heffen. Überhaupt is men pas de laatste decennia opmerkzaam ge­worden op de invloed van het onritmische of zelfs a-ritmische leven dat de huidige beschaving met zich meebrengt, zoals
bij­voorbeeld in sterke mate bij nachtarbeid het geval is. In de toekomst zal zeker meer aan­dacht moeten worden geschonken aan de be­tekenis van gestoorde ritmen, vooral met betrekking tot het ontstaan van chronische ziekten.

Iedere vorm van onritmisch leven, dus ook ordeloos denken, voelen en willen, stoort het innerlijke ritme en daarmee de gezondheid. De mens heeft zich dus  geëmancipeerd van de gegeven innerlijke orde, waarin hij oorspronkelijk als het ware ingebed was. Daar­mee heeft hij deze orde geschonden, maar zijn vrijheid bevochten. ‘Onze tijd wordt bij uitstek gekarakteriseerd door het feit dat het oude – uiterlijke – ritme verloren is gegaan en dat nog geen nieuw innerlijk ritme is ge­vonden. Wij zijn aan de natuur ontgroeid en nog niet in de geest ‘ingegroeid’.
De mens moest, om zijn vrijheid te veroveren, het oor­spronkelijke ritme loslaten. Maar in zich­zelf moet hij weer de wetten vinden, waar­naar ‘het uurwerk’ (zijn astrale lichaam) ge­regeld kan worden. In het huidige tijdperk heeft hij geen innerlijk denkpatroon, geen in­nerlijk gedachteritme, en de mensheid zou volkomen in verval geraken, als zij zich niet een innerlijk ritme eigen zou maken’.
In vrijheid een innerlijke orde op hoger niveau te scheppen is een opgave voor deze tijd; deze opgave is niet te volbrengen zonder in­zicht in de verhouding van de mens tot de kosmos en tot de geestelijke wereld.

Onbewust voltrekt zich deze verbinding in de slaap: het organisme wordt ‘aan zichzelf overgelaten’. Het is in de slaap niet langer onderworpen aan de impulsen van het Ik zo­als dat bij wakker bewustzijn het geval is. Tijdens de slaap zijn veel wijzere impulsen en machten aan het werk, die het menselijk or­ganisme weer opbouwen, dat wil zeggen re­genereren: ’s nachts voltrekt zich het herstel­len van de orde, de genezing. Overdag echter wordt – uitgaande van het Ik – deze orde voortdurend verstoord. Tot op zekere hoogte is dit nodig, maar het mag niet leiden tot verwoesting. Wanneer namelijk de natuurlij­ke ritmen voor een of andere prestatie worden gebruikt, voert dit zelfs tot een ver­hoging van die prestatie. Dit nu is het geheim van ‘het juiste ogenblik’, waarvoor men nog in het oude Griekenland het begrip kairos had. Modern uitgedrukt zou men kunnen zeggen, dat handelen en werken van de mens met biologische en kosmische ritmen zou­den moeten overeenstemmen. Dit zou niet alleen een ontlasten, een verlichten ten ge­volge hebben, maar ook een economischer gang van zaken en een meer harmonische levenswijze.

In zeer oude tijden bijvoorbeeld werd vanuit een zekere oer-wijsheid het weekritme ge­schapen als afspiegeling van het zevenvoudig planetarisch beeld en werden de kosmisch georiënteerde jaarfeesten vastgesteld. Hoewel het jaar-, maand-, en dagritme bij de mens niet is te overzien en bijna ieder orgaan tot in onderdelen van een seconde een min meer typerend ritme heeft, kan men toch het ritmisch proces het duidelijkst beleven in ademhaling en hartslag. Er werd reeds eerder op gewezen, dat de mens zich onafhankelijk heeft gemaakt van het kosmische maanritme en zijn eigen maanritme zelfstandig heeft doen worden. Dit was mogelijk doordat hij hiervoor een or­ganisme bezit: het ritmische systeem. Dit systeem heeft een zekere eigen wetmatig­heid, zodat de ritmen een zelfstandig ver­loop kunnen hebben en niet beslist van een ‘tijdwijzer’ afhankelijk zijn. Door middel van het ritmische systeem slaagt het organisme erin de ontregeling van het biologische pro­ces, die door inspanning, onritmische le­venswijze enz. is ontstaan, weer te ordenen. Daarmee is de voorwaarde voor de vereiste harmonie gegeven – en ook de mogelijkheid tot genezing.

Ook al is het verloop van bijna alle levens­processen ritmisch, toch zijn er organen, die hun ritme duidelijk demonstreren: lon­gen en hart zijn de typische representanten van het ritmische systeem. Hoewel ook hier afhankelijkheid van uiterlijke omstan­digheden kan voorkomen (gevoeligheid voor het weer bij astmalijders, hartbezwaren bij weersverandering enz.), zijn deze orgaanfuncties meer naar binnen georiënteerd en op elkaar afgestemd. Het ritmische sys­teem staat in zoverre tussen zenuw-zintuig­systeem en stofwisselingssysteem in, dat het afwisselend voor beide impulsen openstaat. De samentrekkende dynamiek, die de ten­dens van het zenuwstelsel karakteriseert, kan men terugvinden in het inademen en in de systole; de uitzettende dynamiek van de stofwisseling in het uitademen, respectievelijk de diastole. Longen en hart richten zich dus afwisselend op het zenuw-zintuig-stelsel en op het stof­wisselingsstelsel. Dit proces voltrekt zich echter bepaald niet passief; met het wisse­lend waarnemen van deze impulsen is een reactie verbonden, dus een actief antwoord in de zin van uitbalanceren en aanpassen aan wat vereist wordt. Zowel van het zenuw-zin­tuigstelsel als van het stofwisselingsstelsel gaan ziekmakende tendensen uit (namelijk sclerose en ontsteking). Deze worden door het ritmisch systeem waargenomen en actief beheerst, getemperd, d.w.z. in principe genezen.

Hier ligt de diepe betekenis van de zin: ‘Ritme draagt het Leven’. Daarom ook is het ritmisch systeem drager van de gezond­heid.
Van het ritmisch systeem gaan de ge­nezende krachten uit; Rudolf Steiner noemt het gehele ritmische systeem een arts. Drager van de gezondheid dus, terwijl van de beide andere systemen ziekmakende tendensen uitgaan.
Niet alleen vanwege de ligging, maar ook vanwege de activiteit staat het ademritme dichter bij het zenuw-zintuigstelsel, en de polsslag dichter bij het stofwisselingssys­teem. Daardoor is de verhouding tussen pols­slag en adem bij uitstek een indicatie ten opzichte van het herkennen van de gezond­heidstoestand, respectievelijk van de ziekte-aanleg van de mens, een verschijnsel dat in­tussen door Hildebrandt nauwkeurig is bestudeerd.

Er is hier sprake van een geordend verband, een ‘ritmische ordening van functies’, een ‘ritmisch systeem’. Het gaat daarbij om een endogene factor, die verband houdt met de menselijke structuur voor zover die in de tijd tot uiting komt. Het leven van de mens in de tijd echter, zijn ‘tijds-gestalte’ zou men kun­nen zeggen, is uitdrukking van het levens-of etherlichaam.
Maar hierdoor alleen komt het ritme niet tot stand.

Hoe ontstaat ritme?
Als wind over water waait ontstaan er gol­ven, die alle kenmerken van ritme verto­nen; iedere golf lijkt in hoge mate op de an­dere, maar is er nooit helemaal aan gelijk. Hetzelfde fenomeen doet zich voor als water over zand stroomt, ook hier een zichtbaar geworden ritme.

Dit fenomeen kan men eindeloos op de meest verschillende gebieden waarnemen. De strijkstok die de snaren aanstrijkt veroor­zaakt trillingen evenals de luchtstroom van de adem in een fluit die een luchtkolom in trilling brengt.

Aan al deze verschijnselen ligt ten grondslag dat iets dat in beweging is, in relatie treedt tot iets dat in rust (of betrekkelijk in rust) is. Hierdoor wordt een toestand van labiliteit geschapen die de mogelijkheid opent tot het inwerken van bepaalde krachten. Golven en tonen zijn plastisch en kunnen daardoor een kracht van hogere orde dragen. In de mens ontstaat door samenwerken van zenuw-zin­tuig- en stofwisseling-ledematenstelsel het ritme. Hun dynamiek is verschillend. Tegenover het relatief in rust verkerende ze­nuwstelsel staat het stofwisseling-ledematen­stelsel dat voortdurend in beweging is. De bewegingen van deze beiden verhouden zich tot elkaar als 1 : 4. Het ritmische systeem met als voornaamste organen longen en hart, staat daar actief tussenin, men zou kunnen zeggen: als bemiddelaar.
Plato heeft iets aan­gevoeld van het ingeschakeld-zijn van het hart in de polariteit van zenuw-zintuig en stofwisselingsysteem, toen hij het karakteri­seerde als bron van het bloed, als wachter ze­telend in het midden, tussen hoofd- en begeertecentrum.

Het samenspel van longen en hart drukt ener­zijds de overwegende tendens van een van beide systemen uit; anderzijds begint van hieruit een nieuwe ordening. In deze gedachtegang kan men de functie van het ritmisch systeem zien als het verlenen van indicatie en genezing beide. Hij maakt het de mens mogelijk om vanuit een min of meer ongeordend psychisch beleven tot een nieu­we evenwichtstoestand te komen.

(Otto Wolf, arts. Jonas 6 18-11-1977)

.

Ritmealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.]

537-494

 

 

 

 

]

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs – alle artikelen

.

(1) Uit GA 300b; uit GA 304
harmonisch; evenwicht; ‘helen’;’genezen’; normaal; ziek; gezond

(2) Uit GA 293
polariteit: zenuw-bloed; voorstellingsbeeld-fantasiebeeld; ritme; ritme in de lesopbouw; zuurstof-koolzuur; hygiëne m.b.t. stof

[3]  Uit GA 293, 300b, 303, 304a
voorstelling-fantasie; te veel geheugenwerk: bleek eruit zien

[4] Uit GA 303, 304, 304a, 305
blozen; te weinig geheugenwerk

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

536-493

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs (2)

.

De groene tekst is het Duits van Steiner – daarop volgt de vertaling in zwart.

De tekst in blauw is van mij.
In deel 1 eindigde ik met:

Wanneer we gezondheid dan opvatten als een evenwichtstoestand, dan is de vraag wat je als pedagoog voor dit evenwicht kunt doen en als we bv. het vierledige mensbeeld als uitgangspunt nemen, spitst die vraag zich toe: wat kun je voor het lichamelijk evenwicht doen, voor de levenskrachten, voor de ziel en voor het Ik. Uiteraard ook voor het drieledig mensbeeld. Hoe werk je aan gezond denken, gezond voelen en gezond willen, om het even op deze manier te zeggen.

Wanneer Steiner over deze mensbeelden spreekt, wijst hij erop dat de indeling weliswaar helpt bij het leren onderscheiden van de verschillende aspecten van de mens, maar dat zo’n opdeling in de werkelijkheid nooit zo optreedt. Zoals een vinger je wel iets leert over het verschijnsel hand, is die niet heel de hand, slechts een deel, waarvan de zin, het functioneren, alleen begrepen kan worden binnen de totaliteit.

Onderscheiden – niet scheiden.
Voeg daarbij de aanwijzing van Steiner dat ‘karakteriseren’ meer aan kennis oplevert, dan meteen strikt willen definiëren. Van alle kanten bekijken dus, aspecten benoemen, beschrijven. Het liefst in tegenstellingen, waardoor het ene ten opzichte van het andere duidelijker wordt. We hebben te maken met polariteiten 

Vanuit verschillende gezichtshoeken belicht Steiner polariteiten:

Betrachten Sie das Kind, das hereingewachsen ist in die Welt, mit der genügenden Unbefangenheit, so werden Sie richtig wahrnehmen: Hier in dem Kind ist noch unverbunden Seelengeist oder Geistseele mit Leibeskörper oder Körperleib. Die Aufgabe der Erziehung, im geistigen Sinn erfaßt, bedeutet das In-Einklang-Versetzen des Seelengeistes mit dem Körperleib oder dem Leibeskörper. Die müssen miteinander in Harmonie kommen, müssen aufeinander gestimmt werden, denn die passen gewissermaßen, indem das Kind hereingeboren wird in die physische Welt, noch nicht zusammen. Die Aufgabe des Erziehers und auch des Unterrichters ist das Zusammenstimmen dieser zwei Glieder.

Kijkt u onbevangen genoeg naar een kind dat op de wereld is gekomen, dan zult u duidelijk waarnemen dat in het kind de zielegeest* of geestziel en het organisch lichaam of lichamelijk organisme nog niet met elkaar verbonden zijn. De taak van de opvoeding in geestelijke zin is nu om de zielegeest en het licha­melijk organisme of organisch lichaam met elkaar in overeen­stemming te brengen. Die moeten met elkaar in harmonie ko­men, moeten op elkaar afgestemd worden, want die passen in zekere zin nog niet bij elkaar wanneer het kind geboren wordt. De taak van de opvoeder en ook van de leraar is om deze twee delen op elkaar af te stemmen.[1]

Hoewel Steiner hier niet spreekt over ‘gezondmakend’, gebruikt hij wél het woord ‘harmonie’.

Nun, fassen wir diese Aufgabe etwas mehr im Konkreten. Unter all diesen Beziehungen, welche der Mensch zur Außenwelt hat, ist die allerwichtigste das Atmen. Aber das Atmen beginnen wir ja gerade, indem wir die physische Welt betreten. Das Atmen im Mutterleib ist noch sozusagen ein vorbereitendes Atmen, es bringt den Menschen noch nicht in vollkommenen Zusammenhang mit der Außenwelt. Dasjenige, was im rechten Sinn Atmen genannt werden soll, beginnt der Mensch erst, wenn er den Mutterleib verlassen hat. Dieses Atmen bedeutet sehr, sehr viel für die menschliche Wesenheit, denn in diesem Atmen liegt ja schon das ganze dreigliedrige System des physischen Menschen.
Wir rechnen zu den Gliedern des dreigliedrigen physischen Menschensystems zunächst den Stoffwechsel. Aber der Stoffwechsel hängt an dem einen Ende mit dem Atmen innig zusammen; der Atmungsprozeß hängt stoffwechselmäßig mit der Blutzirkulation zusammen. Die Blutzirkulation nimmt die auf anderem Wege eingeführten Stoffe der äußeren Welt auf in den menschlichen Körper, so daß gewissermaßen auf der einen Seite das Atmen mit dem ganzen Stoffwechselsystem zusammenhängt. Das Atmen hat also seine eigenen Funktionen, aber es hängt doch auf der einen Seite mit dem Stoffwechselsystem zusammen.
Auf der anderen Seite hängt dieses Atmen auch zusammen mit dem Nerven-Sinnesleben des Menschen. Indem wir ein- atmen, pressen wir fortwährend das Gehirnwasser in das Gehirn hinein; indem wir ausatmen, prellen wir es zurück in den Körper. Dadurch verpflanzen wir den Atmungsrhythmus auf das Gehirn. Und wie das Atmen zusammenhängt auf der einen Seite mit dem Stoffwechsel, so hängt es auf der anderen Seite zusammen mit dem Nerven-Sinnesleben. Wir können sagen: Das Atmen ist der wichtigste Vermittler des die physische Welt betretenden Menschen mit der physischen Außenwelt. Aber wir müssen uns auch bewußt sein, daß dieses Atmen durchaus noch nicht so verläuft, wie es zum Unterhalt des physischen Lebens beim Menschen voll verlaufen muß, namentlich nach der einen Seite nicht: es ist beim Menschen, der das physische Dasein betritt, noch nicht die richtige Harmonie, der rechte Zusammenhang hergestellt zwischen dem Atmungsprozeß und dem Nerven-Sinnesprozeß.

Welnu, laten we dit eens iets concreter bekijken. Van alle verbindingen die de mens heeft met de buitenwereld is de belangrijkste het ademen. En we beginnen nu juist te ademen op het moment dat we de fysieke wereld binnengaan. Het
ade­men in het lichaam van de moeder is nog een soort voorberei­dend ademen, dat de mens nog maar ten dele met de buitenwe­reld verbindt. Wat in de eigenlijke zin van het woord ademen genoemd kan worden, daarmee begint de mens pas wanneer hij het moederlichaam verlaten heeft. Dit ademen betekent heel, heel veel voor het menselijk wezen, want in het ademen ligt al de gehele drieledigheid van de fysieke mens besloten. We rekenen tot de drieledigheid van de fysieke mens ten eerste de stofwisseling. Nu hangt de stofwisseling aan de ene kant ten nauwste samen met het ademen; het ademproces hangt wat de stofwisselingskant betreft samen met de bloedsomloop. De bloedsomloop neemt de langs andere wegen binnengeko­men stoffen van de buitenwereld op in het lichaam, zodat in zekere zin aan de ene kant het ademproces met het gehele stofwisselingsstelsel samenhangt. Het ademen heeft dus wel zijn eigen functies, maar hangt aan de ene kant toch samen met het stofwisselingsstelsel. Aan de andere kant hangt het ademen samen met het zenuw-zintuigleven van de mens. Bij onze inademing stuwen we voortdurend het hersenvocht de hersenen in; bij onze uitade­ming stoten we het weer terug in het lichaam. Daardoor bren­gen we het ritme van de adem over op de hersenen. En zoals het ademen aan de ene kant verband houdt met de stofwisseling, zo houdt het aan de andere kant verband met het zenuw-zintuigle­ven. We kunnen wel zeggen dat het ademen de belangrijkste bemiddelaar is tussen de mens die de fysieke wereld betreedt en de fysieke buitenwereld. Maar we moeten wel bedenken, dat dit ademproces bepaald nog niet zo verloopt als het in zijn volledigheid moet verlopen ter instandhouding van het fysieke leven – vooral naar de ene kant toe niet: bij de mens die de fysieke wereld betreedt, bestaat er nog niet de juiste harmonie, de juiste samenhang tussen het ademproces en het zenuw-zin­tuigproces. [1]

De verhouding ademhaling-hartslag die bij de volwassene in ‘normale’ rust 1:4 bedraagt, is bij een kind nog anders. De pasgeborene ademt nog zeer onregelmatig; de hartslag gaat veel sneller (tot wel 130) dan de ca. 72 slagen per minuut bij de volwassene. In de loop van de ontwikkeling wordt deze verhouding ‘vanzelf’ bereikt. ‘Van nature’. 
Je zou dus kunnen zeggen: daarover hebben wij ons dan geen zorgen te maken – daarmee hoeven wij ons niet te bemoeien. 
Toch was het in Steiners visie belangrijk dat de leerkracht/opvoeder er zich wel mee bemoeit; alleen niet op het fysieke plan. (Dit laatste moet ik zo dadelijk wat nuanceren)**.

Wanneer we zeggen ‘van nature’ kunnen we dit vaak letterlijk nemen. We hebben ‘van nature’ slaap nodig, moeten eten, na veel lichamelijke activiteit rusten; zijn gedwongen te slapen. De natuur is streng, onverbiddelijk en je moet niet tegen haar ‘zondigen’. Je zou dit laatste kunnen opvatten als ‘tegen de natuur ingaan’.

In de reeks artikelen ‘menskunde en pedagogie’ wordt, zij het vanuit een andere invalshoek, ook ingegaan op ‘de natuur’. 

Het ‘tegen de natuur ingaan’, dat weet iedereen, is niet gezond – in de begrippenhantering van deze artikelen: verstoort het evenwicht. 
Met de natuur mee; in overeenstemming met de natuur, zou dan betekenen dat je bij de natuur te rade gaat – probeert af te lezen wat ‘van nature of volgens de natuur’ betekent. 

Een overduidelijk fenomeen van de natuur is dat ze zich manifesteert in ritmen. In de artikelenreeks ‘menskunde en pedagogie – ritme is daarover al veel gezegd.

Onderwijs dat gezondmakend wil werken, kan niet om ‘ritme’ heen.

In mijn basisschooltijd ging het zo:
Je komt vóór schooltijd op het schoolplein: naarmate je jonger bent, speel je: dat is rennen, bewegen. Dan de klas in: zitten tot de pauze: (intellectuele) uitleg; oefenend verwerken; na een klein uur een ander vak: hetzelfde – tenzij het bv. gymnastiek is. Pauze: beweging. Na de pauze tot de middagpauze: uitleg: verwerken; ’s middags ook. 

Met het gegeven: natuur = ritme en ritme = in/uit; spanning/ontspanning; beweging/rust; chaos/orde enz. ga je anders naar de indeling van je lessen kijken, ook naar de indeling over de hele dag; maar ook naar het ene uur t.o.v. het andere. 
Stel dat je na de morgenpauze weer met de kinderen aan het werk gaat: ze zijn net buiten geweest – een echte ‘uit’ activiteit, dan moet er iets volgen dat met ‘in’ te maken heeft, met rust, met concentratie: hoofdrekenen; een dictee bv. Daarop moet weer iets ontspannends volgen, bv. een tekening afmaken, waarbij ook wat gepraat mag worden. Volgt er na dit uur bv. een vakles Engels, zorg er dan voor dat je niet vlak vóór die les begint, flink hebt ‘uitgeademd’ want de taalles begint waarschijnlijk ook met flink wat bewegen. Volgt er bv. handwerken, dan is het juist goed, dat jouw les op het eind levendig is en in rust eindigt, zodat de handwerkcollega met die rust verder kan.

Nu kennen wij allemaal het verschijnsel dat wanneer we in een ruimte zijn met (veel) anderen en er staat geen raam open, dat we de omgeving dan als benauwd, bedompt gaan beleven en we voelen ons ook slaperiger worden, duffer. ‘Kan er een raam open?’. We weten het: gebrek aan zuurstof – toename van koolzuur in de lucht. Uiteindelijk (letterlijk) verstikkend.
Ingeademde lucht bevat ca 20% zuurstof en 0,04 % koolzuur; uitgeademde lucht: 16% zuurstof, maar 4% koolzuur: 100x meer.
Frisse lucht associëren de meesten met ‘gezond’.
Het bloed dat deze stoffen opneemt, meeneemt, moet dus ook niet té koolzuurrijk worden.
Mocht het bloed te zuur worden, dan gaan we sneller ademen: m.a.w. het is de ademhaling die nu ‘gezond maakt’.  

Wanneer we nu nog een andere polariteit bekijken – die van denken en willen – kunnen we het ‘zich voorstellen’, als denkactiviteit benoemen.
Het oproepen van een voorstelling is het weer voor je zien, wat je ooit – in het verleden – als realiteit voor je zag. Die realiteit echter, is weg, is verleden tijd. Zo’n voorstelling moet onthouden worden; je moet er weet van hebben. Voorstellen en voorstelling(s)beeld/herinneringsbeeld moeten we aan de ‘verleden’ kant plaatsen: bij dat wat in zekere zin ‘oud’ is.
Een fantasiebeeld moet nog worden gemaakt. Hoort in die zin aan de ‘toekomst’kant.
Steiner stelt de zenuw-zintuigactiviteit tegenover die van het bloed, waarbij het bloed veel meer vernieuwingskracht heeft, dan de hersenen die bij de zenuwzintuigen gerekend dienen te worden. De hersenen, het brein, in zekere zin veel meer ‘geworden’, al bijna klaar – tegenover het zich steeds weer vernieuwende bloed. Het ‘nieuwe’ hoort in die zin bij de wil. We hebben de wilsimpuls tot…., maar het resultaat is er nog niet. Dat ligt nog in de toekomst – is in zekere zin- nieuw.

Geven wij – volgens Steiner – kinderen veel vast omlijnde voorstellingen, veel weetjes, kennis, dan wordt in het kind die ‘oude’ kant aangesproken. De hersenkant. Bij beeldend onderwijs, bij fantasievol onderwijs, bij onderwijs waarin het doen, d.i. de beweging een grote rol speelt, de ‘nieuwe’ kant. De bloedskant. Het ene is meer het gewordene, het andere het wordende.
Uit ervaring weten we dat veel leren, studeren, onthouden, blokken enz. levenskracht kost: we worden er zelfs achter ons bureau ‘koud’ van (koude voeten), bleek. De kamergeleerde stellen we ons niet voor als een blozend, levenslustig iemand. 
Terwijl bewegen de wangen rood kleurt.
Steiner zet hier ‘de zenuwen’ tegenover ‘het bloed’. En zegt, dat wanneer het intellect (te)veel wordt belast, het bloed de neiging heeft rijker te worden aan koolzuur – te verzuren.
Dat zou betekenen dat veel abstract onderwijs voor de kwaliteit van het bloed dezelfde werking heeft, als lucht waar steeds minder zuurstof en steeds meer koolzuur in terecht komt.
De opdracht aan het onderwijs is dan ook om dat te voorkomen door fantasievol, levend onderwijs.

*deze terminologie vraagt wellicht om meer uitleg. Hier zijn daar verschillende artikelen aan gewijd. 

**’Voor op het fysieke plan’ is het uiteraard erg belangrijk dat er in de klas frisse lucht is; maar ook: dat de in te ademen lucht schoon is. Dat is lang niet altijd het geval. Er is meestal veel te veel stof aanwezig. Kijk eens achter de verwarming of op de lampen; in het krijtbakje, m.n. onder het bord; op de planten, enz. En in een klas waar (veel) bewogen wordt, beweegt ook dit stof en dat wordt ingeademd. Bij gezondmakend onderwijs hoort ook hygiëne!
.

[1] GA 293, blz. 24 ev
Vertaald

Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs [1]  [3]  [4]

Overritmezoals het hierboven ter sprake kwam

Hier wordt deze blz. 24 eveneens besproken

.

535-493

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.