VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (6-6)

.
Op een weblog van een maniakale criticaster is, zonder toestemming – de integrale tekst vanaf ‘Hoofdstuk 3’ van dit artikel overgenomen onder ‘Vrije School, pedagogisch-didactische achtergronden ’. De links in dit artikel werden door hem verwijderd.
Ik heb dus niets met die blog van doen en ook niet met de eventueel gemanipuleerde tekst.
Aangezien de copyrighthouder toestemming verleende aan vrijeschoolpedagogie.com voor publicatie, overtreedt de criticaster de auteurswet.

.

Inleiding

Hoofdstuk 1
— Kennismaking met het drieledigheids­denkbeeld van Rudolf Steiner 

Hoofdstuk 2
— Indeling en uitgangspunten bij de heil-pedagogie

Hoofdstuk 3
— Algemene oriëntering omtrent typologieën

Hoofdstuk 4
— Speciale begrippen in de typologie van Sigaud en Corman

Hoofdstuk 5
De vier hoofdtypen beschreven door Sigaud

Hoofdstuk 6
Uitwerking van de vier hoofdtypen tegen de achtergrond van retardatie en propulsie

Hoofdstuk 7
Twee vormen van neurotische levenshouding

Hoofdstuk 8
Encephalopathie en het gedrag dat daarbij voorkomt; psychopatische
karakterveranderingen

HOOFDSTUK 6.

Uitwerking van de vier hoofdtypen tegen de achtergrond van retardatie en propulsie.

We willen thans trachten de 4 typen van Sigaud achtereenvolgens te schilderen in een te langzame en te snelle ontwikkeling.

Het cerebrale retarderende kind.

foto's0041

Dit kind is gemakkelijk te herkennen. In de kleuterklas is het
bin­nengekomen met grote, angstige ogen, zich vastklemmend aan de moeder. Al die nieuwe kinderen kan het niet verwerken. Het trekt zich terug in een hoekje en kijkt vandaar de vreemde wereld aan. Is het wat gewend, dan kan het langzaamaan meedoen, maar het is weerloos tegenover de bijdehandjes. Wordt er vrij gespeeld, dan ziet men het kind in een hoekje met een popje spelen, aan- en uit­kleden. Dan blijft het popje liggen en kan het kind met open ogen wegdromen in een eigen wereld. Soms zit het daar nog, terwijl alle andere kinderen al om de tafel zitten en heeft het zijn omgeving ver­geten. De leerkracht zal goed doen, dit kind voorzichtig te wekken en in het geheel te betrekken. Plotseling roepen, een schrik, werkt diep in en kan oorzaak zijn van shocks, die zich uiten in een tegen­zin tegen de school. Deze kinderen zijn uiterst kwetsbaar. Voor elk hard woord, voor een lichte aanraking, die zij als een slag beleven en die zij niet verwerken. Opvallend is vaak het mooie, hoge voor­hoofd, het zachte haar, de grote dromerige ogen. Op de lagere school zijn zij laat schoolrijp en komen in de eerste klassen moeilijk mee. Toch steken zij meer op dan men denkt en hun intelligentie kan zeer goed zijn. Bij niet begrijpen van deze kinderen worden zij voor dom aangezien en hun neiging tot regressie doet hen infantieler reageren naar mate zij de weerstand van de omgeving beleven. Ongemerkt zal men met een enkel vriendelijk woord deze kinderen uit hun droomwereld halen en in de klas weer mee laten doen. Zij zijn meest auditief ingesteld. In verhalen leven zij mee als geen ander kind, maar het akelige in een verhaal en een onrechtvaardig lot kan hen lang bezig houden.
Hun intelligentie is uitgesproken scheppend, origineel. Het zijn later creatieve denkers en kunstenaars. Maar met droge, intellectuele stof hebben zij aanvankelijk veel moeite. Deze kinde­ren worden beter op school naarmate zij ouder worden, eigenlijk komen zij pas op stoom, als zij studeren en hun eigen tempo kunnen vaststellen en zelf hun studie kunnen bepalen. Een streng klassi­kale school is voor deze kinderen een lijdensweg. Bij projecten en bij opstellen verrassen zij door weergave, expressie, de overgave aan en de oorspronkelijkheid van hun werkstukken. Ze zijn vaak verkou­den, hebben als kleuter al veel bronchitis gehad en als baby voedings­stoornissen. Reeds de overgang van borstvoeding op gemengde voeding heeft moeilijkheden gegeven. In de winter verzuimen zij veel,  door periodes van lichte temperatuursverhogingen zonder ver­dere symptomen dan wat verkoudheid. Vaak ook lijden zij ongemerkt aan chronische bijholte-ontsteking, die hen labiel en prikkelbaar maakt.
De toekomst van dit kind hangt in hoge mate af van het begrip van ouders en leerkrachten. Wordt het kind door een actieve moeder of door een leerkracht, die het kind onder de zwakbegaafden rekent, niet begrepen, dan kunnen ernstige regressies optreden, of ze gaan aan angsten lijden. De angsten van deze kinderen hebben alle tot oorzaak, het niet tegen de wereld op kunnen. In dromen en fanta­sieën voelt het kind zich belaagd door dreigende monsters waarin het zijn angsten symboliseert. Menig cerelbraal-regressief kind heeft veel en vaak ongemerkt geleden onder deze angsten. Het werd op school veel geplaagd en was een weerloos slachtoffer van meer ro­buuste kameraadjes. Iets ouder vlucht het kind vaak in de boeken, want het is onhandig en onsportief. De vriendschap met een enkele volwassene of vriendje kan diep en blijvend zijn. Ze zijn trouw in hun vriendschappen, ondanks het feit dat de anderen vaak teleurstellen door ruwheid of niet-begrijpen. Begrijpt de leerkracht dit kind wèl, ziet het de onbedorvenheid en rijkdom, die achter schijnbaar niet mee­doen verborgen ligt, dan kan de leerkracht dit kind met een enkel knikje, een lichte aanmoediging, een glimlach van elkaar begrijpen, helpen en daardoor zijn schoolprestaties doen stijgen. Deze kinderen zijn gauw ontmoedigd en neigen tot minderwaardigheidsgevoelens, die heel diep gaan en een grote rem kunnen zijn voor latere produc­tieve ontplooiing.

2. Het cerebraal propulsieve kind

foto's0040

kondigt zijn moeilijkheden reeds de eerste dag van het leven aan. Mager, met grote ogen, haast volwas­sen rondkijkend, ligt het in de wieg. Het slaapt licht en kort, elk geluid, elke lichtstraal doet het ontwaken. En wakker zijn betekent bij dit kind: schreeuwen. Het drinkt driftig, verslikt zich, laat los bij elk geluid in de kamer, is gauw van streek met de ingewanden. De ontwikkeling van dit kind gaat snel voorwaarts. Het spreekt vroeg en heeft weldra het hele gezin om zijn vinger gewonden, met feilloze zekerheid weet het ieder zolang te prikkelen tot het zijn zin krijgt. Tegenover andere kinderen is het agressief, maar dam tegelijkertijd bang. Er ontstaan gauw ruzies, waarbij het kind schreeuwt en altijd tekort gedaan is, symptomen die we ook bij het neuropatiscbe kind tegenkomen. Leren doet het kind spelenderwijs, het komt op school met de kennis van alle letters en kan reeds tellen. Het wil steeds vóór zijn beurt praten, en is afgunstig als het niet het hoogste cijfer heeft. Abstracte leerstof verovert het gemakkelijk, maar een verhaal is al gauw vervelend, vooral als het kind het al kent. Over ‘Die Moral von der Geschichte’ wordt heengelopen en de feitelijke inhoud is het belangrijkste. Vooral als er veel gebeurt en er veel strijd is. In de klas: een lastpost, maar een intelligente leerling. Het gevaar is, dat de volwassene, geprikkeld door de onrust en de onge­zeggelijkheid van dit kind, zijn agressie tegen de agressie van dit kind zet. Eén ding is daarbij zeker: de volwassene legt het af, wat uithoudingsvermogen betreft en het kind is in zijn situatie niet ge­holpen. Het is van belang dit kind juist véél taken te geven, waarbij het op doen en op scheppend werk aankomt. Dan blijkt pas dat deze kleine druktemaker meer met de mond dan met de handen presteert, wat hij wel door vele verhalen zal trachten te verbergen. Zijn intel­ligentie is meer abstract-reproductief dan productief en oorspron­kelijk. Bij deze kinderen is na de schoolrijping het oorspronkelijk cerebrale type niet in de eerste oogopslag te zien, want de oorspronkelijke groothoofdigheid gaat verloren. Toch kan men de cerebrale kenmerken nog zien aan het hoge voorhoofd en de fragiele bouw van het lichaam met de weinige spierontwikkeling. Thuis klaagt de moeder over slecht eten, kieskeurigheid en snoepen. Vaak ook over oneerlijkheden, „ruilen” met vriendjes, waarbij de ander huilen moet. Daar het kind onder de kameraadjes niet echt geliefd is en zelf ook weinig liefde schenkt, daar de wereld al spoedig uitbuitingsobject is voor eigen verlangens, staat dit kind eenzaam en in school schiet dit kind heen, al ziet men ook vaak, dat met het min­der schools worden van het leren in de hogere klassen van het mid­delbaar onderwijs de prestaties afnemen. Later worden het de
knap­pe mensen met weinig gevoelskwaliteiten en sociaal slechte contac­ten. Van jongs-af-aan zijn het Strebers. De leerkracht zal daarom goed doen veel aandacht te schenken aan de affectieve ontwikke­ling van dit kind en het laten beleven, dat het naast zijn intellectuele vermogens op andere gebieden nog heel wat te leren heeft. Hij zal daarmee voorkomen, dat het kind later een eenzaam mens wordt.

foto's0039

Het polaire type van het cerebrale is het digestieve. Waar de cere­braal het type is. waar de ectodermale organen overheersen (dus de organen die embryonaal voortkomen uit de afsplitsing van de huid) en alles is gericht op de organen, die in dienst staan van het bewustzijn, is de digestief het type, waar de entodermale functies overheersen (dus die organen, die embryonaal ontstaan zijn uit de oerdarm). Hier is alles gericht op de stofwisseling en wordt gestuwd door de begeerten die vanuit deze stofwisseling in de psyche be­merkbaar worden.

3. Het retarderende, digestieve kind

foto's0044

is meest bij de geboorte reeds behoorlijk van gewicht. Voeding en slaap wisselen elkaar af zon­der stoornis. Het kind wordt wakker om te drinken en drinkt dan rustig, volhardend en veel, om weer in te slapen tot de maag leeg is. Het wordt gauw dik en wat traag, maar heeft niet gauw ingewand­stoornissen. Het loopt laat, maar als het eenmaal loopt, loopt het met rustige doorzetting. Het is in het algemeen niet bijzonder intelligent op ab­stract gebied, maar wel uitermate practisch gericht als het er op aankomt iets uit te vinden, waardoor zijn gemak gediend wordt. Als kleuter geeft het kind geen problemen. Het is gemakkelijk, goedmoe­dig, kan tegen een stootje, mag gerust eens aangepakt worden om het wat te activeren. Lichamelijk is het te herkennen aan het bijna vierkante hoofd. Als baby is het meest licht van haar en heeft kleine “varkensoortjes”, het is meestal bleek van teint en heeft trage vaatreacties. Tegen de schooltijd is het een ronde, blozende jongen of meisje geworden, flegmatisch, maar traag goedmoedig. Het droomt weg in de klas, evenals de retarderende cerebraal, maar de fantasie is van geheel andere aard. Het kan de eerste uren heerlijk uitvoerig zijn ontbijt zitten verteren, om daarna op te gaan in de verwachting van de boterham tijdens het speelkwartier of de koffiemaaltijd thuis. Als het moet is het kind tot werk te krijgen, maar het maakt er zich met een minimum van af. Het is in de klas een indifferent, onop­vallend gezond kind. In Nederland komt dit type vrij veel voor. vooral op het platteland. De driften blijven infantiel gefixeerd op de mond en al wat daar door naar binnen gewerkt kan worden. Veel geestelijke behoefte heeft dit type niet, het worden later ietwat ma­terialistische, gemoedelijke mensen die met eenvoudige normen te­vreden zijn en daarover dan niet veel meer willen horen. De leerkracht zal goed doen, dit broeden op de eigen spijsvertering te doorbreken en van hen een zekere geestelijke activiteit te verlan­gen. Dit is niet gemakkelijk, maar voor een grapje zijn ze toeganke­lijk. Ze echter actief te houden, valt niet mee. Erg zachtzinnig in­voelend behoeft men niet te zijn. De problemen van deze kinderen zijn primitief en er is enige doorzetting nodig om hen op een hoger niveau te krijgen.

4. Het propulsieve digestieve kind

foto's0043

heeft in zijn eerste jeugd veel met het vorige type gemeen, is echter actiever en driftiger. De kalme doorzetting van het zich langzaam ontwikkelende digestieve type wordt hier tot koppigheid. In de kleutertijd vallen ze met hun ge­zellige, ronde vrolijkheid op. Ze rollen overal tussendoor, maken grapjes en zijn waar ze komen een vrolijke noot in de groep. Het is het type van de klassieke Dik Trom. Het gevaar is: met bruut ge­weld doorzetten van de eigen begeerte, of in voortdurend half ma­nische stemming verkeren, waarbij alles afglijdt op een stroom van grapjes, die een ontwijken van elke moeilijkheid maskeren. Dit type wordt later de stamgast in het café, of de dynamische direc­teur, de zeekapitein of de ploegbaas, die paars aanloopt als hem maar iets in de weg komt. Wordt later het uitleven van de begeerte van het orale gebied naar de sexualiteit verschoven, dan vindt men ook op dit gebied veel ongeremden onder hen. Als leraar zal men goed doen zich niet door de lolligheid van deze kinderen op een dwaalspoor te laten brengen, doch van hen degelijk werk verlangen, vooral ook op manueel gebied. Een zekere goedmoedige, maar absolute strengheid in de eisen, die men stelt, is voor dit type nodig. Zij moeten, meer dan andere kinderen, hun normen van buitenaf opge­legd krijgen.
Een kleine, extreme groep van dit type bestaat uit kinderen, die zo door hun driftleven worden beheerst, dat het hun niet lukt die structuren op te bouwen, die nodig zijn om een regulerende, remmende invloed op het driftleven uit te oefenen.
Ze raken onaangepast en zijn op een gewone school niet te handha­ven. Ze moeten onder deskundige behandeling komen om te trach­ten het gevaar waarin ze zich bevinden, te keren.

5. Het retarderende motorische type 

foto's0047

heeft weinig uitgesproken kentekenen. De lichaamsbouw is harmonisch, als baby een lang kind, beweeglijk, vroeg lopend, vroeg sprekend, is dit het kind dat meer doet verwachten dan het geven kan. De intelligentie is vooral praktisch gericht. Het kind leert door nabootsing: motorisch èn in­tellectueel. Het heeft veel behoefte aan afleiding en moet de ruimte hebben. Heeft het die niet, dan wordt het kind lastig, druk, gaat rondvliegen door de kamer, speelt nu eens met dit, dan weer met dat, laat overal alles slingeren en loopt iedereen voor de voeten. Het heeft een onweerstaanbare drang naar buiten, waar het alle tijd vergeet en met gescheurde kleren thuiskomt, of onderweg zijn jas of pet verloren heeft. Het is makkelijk over te halen tot allerlei streken en wordt daardoor veelal door andere kinderen gebruikt om kattenkwaad uit te halen, waarvan het de gevolgen zélf niet overziet. Beterschap beloven heeft daarbij geen resultaat. Is het buiten het gezichtsveld van thuis dan is alles weer vergeten en leeft het kind in de vrijheid van het nu. Op de lagere school gekomen, is dit kind een draaitol in de klas. De intellectuele prestaties vallen tegen, een sterk gebrek aan concentratie maakt dat het weinig leert. Zitten blijven helpt daarbij weinig; menigmaal komt het voor, dat het de tweede maal nog slechter gaat, omdat nu ook de prikkel van de nieuwsgierigheid voor het nieuwe is weggevallen. Het kind heeft nu eenmaal een geringe eigen fantasie en leert meer door imitatie van de omgeving dan door eigen innerlijke drang. Als de leerkracht echter begrijpt, dat dit kind alleen door doen kan leren en dat ook deze kleine onrust een affectieve omhulling nodig heeft, dan zal hij een kort ogenblik naast dit kind gaan zitten en zijn volle sympathie en belangstelling voor dit kind geven, dat meestal de hele dag van het ene standje naar het andere loopt. De leerkracht kan er de ouders op wijzen, dat zij het kind op geregelde tijden apart moeten nemen en het moeten voorlezen of vertellen, dat het kind met regelmaat bepaalde taken moet krijgen, b.v. op school elke ochtend één plantje wat water geven. Thuis schoenen poetsen of iets derge­lijks, maar de volwassene zal het mét het kind langere tijd samen moeten doen. tot het er zo inzit, dat het kind het zelf voort kan
zet­ten. Het is opvallend hoe deze kinderen alles motorisch leren, zolang mogelijk blijven ze tellend met de eigen vingers rekenen en schuwen het denkend rekenen. Daarom moeten deze kinderen nog meer oefe­nen dan de anderen, maar niet alleen en automatisch, maar onder toezicht en met affectieve deelname aan het behaalde resultaat. Deze kinderen worden veel afgesnauwd en weggejaagd, waardoor zich een soort schijnbare immuniteit ontwikkelt, waarachter zich het ge­voelsleven verbergt. Wie dat éénmaal beleefd heeft, verandert zijn houding en ziet hoe gevoelig dit kind is voor een aanmoedigend, vriendelijk woord en hoezeer het hunkert naar wat liefde en belang­stelling,

foto's0042

6.Het propulsieve~motorische kind

pr m
is van een adembeklemmende activiteit. Deze is geladen met een agressieve kracht, die elke vol­wassene, die affectief met het kind verbonden is, in korte tijd uitput en het op doet geven. De uitgesproken typen zijn in de kleutertijd al op het medisch opvoedkundig bureau geweest. Op hen is de uit­drukking ,,Gejaagd door de wind” van toepassing, ze maken veel stuk: hun speelgoed, hun kleren, het behang aan de muur, de slui­tingen van de ramen, niets is veilig. Water en lucifers oefenen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. Zij slopen de peertjes uit de lampen van de fietsen, maar geven ze daarna weer weg. Ze zijn de schrik van de straat, overal waar zij verschijnen gebeuren ver­keerde dingen. Elk groepsspel wordt verstoord. Ze duiken op, ma­ken chaos en zijn weer verdwenen, als er een volwassene verschijnt. Zij vernielen speelgoed van andere kinderen door er zinloos mee rond te zwaaien of het op een dak te gooien en dan luid lachend weg te lopen. De uitgesproken gevallen zijn in een schoolklas on­houdbaar en hebben een heilpedagogische behandeling nodig. Maar menig grensgeval van dit type is de schrik van de speelplaats en van de weg van en naar school, waar lantaarns ingegooid worden en als dit niet kan, alleen maar zinloos gebruld en met armen gezwaaid wordt. Dit type is zeer moeilijk (therapeutisch te benaderen; slechts een richten van de activiteit op scheppend kunstzinnig werk, als boetseren, schilderen, houtbewerken, heeft op den duur succes. Toch zijn ze zelf dankbaar als ze iets gepresteerd hebben. Maar de vol­wassene moet voortdurend toezien dat niet door overactiviteit ver­knoeid wordt, wat eerst al tot stand gekomen was. De leerkracht doet goed voor deze kinderen deskundige hulp in te roepen.

foto's0045

Het zuiver respiratoire type
zien wij in Nederland niet in elke klas. Wel zien wij hier in de noordelijke landen vaker een belangrijke respiratoire inslag bij het cerebrale type, in welke vorm deze het lep­tosome type van Kretschmer dekt. In Friesland zien wij weer meer respiratoiren dan in het zuiden van ons land. In Zuid-Frankrijk en Spanje wij hier in de noordelijke landen vaker een belangrijke respiratoire inslag in de constitutie gaat gepaard met iets heftigs, gespannens in het karakter. Indrukken worden heftig verwerkt. Ze zijn vaak intelligent èn kunstzinnig, maar hebben de neiging zich vast te boren in voorstellingen en gevoelens. De belevingen zijn niet vrij, ze hebben iets dwingends voor het kind. Vooral prepuberteit en puberteit zijn moeilijk met grotere dan gewone spanningen en onevenwichtigheden. In de puberteit groeien zij sterk in de lengte, hebben een stugge en moeilijke sociale omgang. Men moet erop toezien, dat deze kinderen steeds in de sociale groep van de klas betrokken worden. Humor is het beste middel om hen over hun spanningen heen te helpen.

foto's0051

6.Het retarderende respiratoire kind
heeft bij de geboorte al een opvallend neusje. Zijn totale lengte is boven het gemiddelde, de borstkast is lang en breed, de schoudergordel goed ontwikkeld. De neus groeit later nog uit en beheerst dan het middendeel van het ge­laat, zodat vaak zelfs een hoekprofiel ontstaat. De problemen van deze kinderen liggen in de affectieve sfeer, in het gevoelsleven. En waar dit gevoelsleven de samenbindende kracht in de persoon­lijkheid is, dreigen bij stoornissen van het gevoelsleven desintegraties van de totale persoonlijkheid en treden steeds ernstige omgangs­stoornissen op. Het normale kind met een respiratoire inslag in de constitutie heeft al iets aparts, dat ze onafhankelijk van hun afkomst iets aristocratisch geeft, vaak ook iets on-Hollands, buitenlands. Deze kinderen maken een ietwat hooghartige indruk, ze neigen tot heerszuchtigheid. Ze hebben meest een zekere kunstzinnige aanleg, maar deze is sterk individualistisch. De aanpassing van deze kin­deren is steeds moeilijk, ze zijn eenzaam en men moet in hun wereld binnentreden, om contact met hen te vinden.
In versterkte mate heeft dit het retarderende respiratoire kind, zó zeer zelfs, dat we dit type terug zullen vinden als één van de vor­men van kinderlijk autisme.
Het retarderende respiratoire kind toont reeds in de wieg een zwak­te in het vermogen de wereld te ontmoeten. Reeds 3 maanden oud valt het op doordat het de blik niet beantwoordt, maar langs de mensen heen kijkt met lege blik. Daarbij blijkt dat het kind toch alles uit zijn omgeving opmerkt en al spoedig gefixeerd raakt aan bepaalde voorwerpen, aan bepaalde bewegingen en de opeenvol­ging van bepaalde handelingen. Er ontwikkelt zich een neiging tot dwangmatigheid die de omgeving dwingt vele ceremoniën te vol­brengen bij de eenvoudigste dagelijkse routinehandelingen. Hun instelling tot de buitenwereld is (uit zwakte tot werkelijke ontmoe­tingen) uitgesproken vijandig, de blik is afwijzend, vaak boosaardig, vaak ook schijnbaar niet geïnteresseerd en leeg; en dit naast een overgevoeligheid voor elke benadering, aanraking of aantasting van zelf vastgestelde privileges. Hun intellectuele en kunstzinnige ontwikkeling is op één enkel gebied gericht (tekenen, rekenen, ster­renkunde, techniek, chemie). Hun gevoelsleven heeft iets dwin­gends, fanatieks, ze boren zich vast in eigen voorstellingen en ge­voelens. Het is wel duidelijk dat hun omgangsstoornis in de eerste plaats ligt in een moeilijke omgang met het eigen zelf en pas secun­dair met de anderen. Ze zijn voortdurend onvrij in het zelfstandig hun weg gaan en ze missen de kracht en het overschot aan levens­vreugde om de eigen binnenwereld aan anderen mee te delen. Daar­door zijn ze, zoals de moeders zeggen, ,,tegen zichzelf”. Komen ze in de klas, dan vallen ze door vele eigenaardigheden op. Ze zijn nukkig, moeilijk te benaderen, afwijzend, vaak met een on­tevreden trek op het gelaat. Ze vluchten in de houding van „kom niet aan me”, welke houding de aanpassings- en omgangszwakte maskeert. Ondanks hun meestal goede intelligentie, leren ze slecht, omdat ze met hun eigen hobby’s (rekenen, aardrijkskunde, tekenen) bezig zijn en niet kunnen ingaan op wat er op routinegebied geleerd moet worden.
Daarbij zijn ze motorisch onhandig, onsportief. Op de speelplaats en op de weg van en naar school worden ze veel geplaagd door hun onhandige uitingen, wereldvreemde gedragingen en doordat ze ab­soluut geen grapjes begrijpen en plagen verdragen kunnen. De an­dere scholieren verklaren dit kind kortweg voor „gek”, daarmee aanduidend dat deze klasgenoot voor hen niet invoelbaar is. Deze kinderen lijden ook veel onder angsten.
Hun angsten hebben echter altijd een zekere uitgedachte onder­grond. „Als nu eens dit of dat gebeurde, dan zou dat of dit het ge­volg zijn”.
De leerkracht zal voor deze kinderen een bijzondere pedagogie moe­ten instellen. In de eerste plaats zich niet laten prikkelen door het negativisme in woorden, door de zucht tot debatteren, en altijd tegen­spreken. Nuchter en zakelijk zal datgene wat gedaan moet worden vastgesteld moeten worden, maar vooral bij deze kinderen met een ondergrond van liefde en sympathie, gedragen door een begrip voor de oorzaak van het negativisme, dat gelegen is in een gevoelszwakte. Hun houding is tenslotte hun vorm van regressie. Juist hier moet een vorm van liefde gebracht worden, die met het kind mee strijdt om de barrière tot de wereld te helpen overwinnen. Toch heb ik in extreme gevallen voortreffelijke pedagogen het zien afleggen tegen de dwang van zo’n kind om bijvoorbeeld dagen lang niets te willen eten of niet te willen urineren, dwangen die zó gekozen waren door het kind, dat ze onmogelijk genegeerd konden worden. De niet te moeilijke gevallen komen als zonderlingen door de school heen; er zijn van deze kinderen mensen gegroeid met extreem een­zijdige kunstzinnige en wetenschappelijke aanleg, van eng maar hoog formaat.
Onder hen treft men dan musici en schilders aan met een zeer eigen klank- en vormenwereld; ook het type van de verstrooide professor uit de humoristische bladen, die buiten zijn vakgebied in de gewoonste levensproblemen onaangepast is, dankt aan dit type zijn ont­staan. Het zal echter verstandig zijn in de pedagogie niet op een toekomstig „verstrooid professoraat” te rekenen en te werken aan een zo groot mogelijke aanpassing aan normale omgangsvormen. Het is opvallend, dat het retarderende respiratoire kind met autisti­sche structuur niet tot schizofrenie komt.

foto's0050

8.Het propulsief respiratoire type
heeft met het vorige veel ge­meen, alleen zijn de problemen brandender, geforceerder en daar­door spoedig absurd geworden, de autistische component maakt hier plaats voor een schizoïde, een gespletenheid in het karakter, waar­door de aanvankelijk ook negativistische houding tegenover de om­geving verandert in een totale loslating van dit contact (een nega­tief contact is tenminste nog een contact!) en een zich terugtrekken in een eigen autochtone wereld. Bij de meer zware gevallen valt het vreemde, oninvoelbare, reeds vroeg op en gedurende de ontwik­keling dreigt steeds een afbreken van de continuïteit van de ontwik­keling, een desintegratie van de persoonlijkheid. Schoolrijping, pre-puberteit zijn zware beproevingen voor de samenbundelende krach­ten, die in de psyche werken.
Vreemde absurde belevingen, ongerijmde angsten, onverklaarbare handelingen komen bij deze kinderen als prepsychotische fasen voor. Extreme eenzaamheidsbelevingen kunnen in de puberteit de voorbode zijn van ,,Schülerselbstmord,, of van plotseling uitbreken­de schizofrenie.
In tegenstelling tot meer autistisch gestructueerde retarderende typen, geven de lichtere propulsieve gevallen op school geen grote moeilijkheden; ze zijn lang, mager, bleek en stil, hebben vaak een goede begaafdheid en een koortsachtige leergierigheid. Ze hebben weinig vriendjes, maar geven niet die opvallende moeilijkheden te zien van de vorige groep. Soms worden ze als wonderkinderen aan­gezien door hun vroege rijpheid en hun volwassen oordeel over kunst, moraal en religie. De leerkracht heeft tegenover deze lange, stille kinderen een zware verantwoording, die in de eerste plaats ligt in het onderkennen van de situatie. Een overleg met deskundigen zal dan nodig zijn.

foto's0049
Uit dit alles zou de lezer misschien kunnen concluderen, dat elk cerebraal, respiratoir, motorisch of digestief kind een probleemkind is. Gelukkig is dit niet zo. Het normale kind met cerebrale habitus is een prettige, intelligente leerling, het normale motorische kind een leuk, sportief element in de klas, wat oppervlakkig, maar vlot. Het normale digestieve type is een rustige stabiliserende factor, dat kalm aan met zijn gemiddeld zes op de rapporten door de school gaat. Het normale respiratoire type is meest iets aparts, maar brengt daar­door een interessante noot in een overwegend digestieve gemeen­schap.
Een leerkracht, die op het individuele karakter van zijn leerlingen ingaat, zal elk element nodig hebben, om zijn klas als een orkest te bespelen. Nu eens zich wendend tot en steunend op de ene groep, dan op de andere. Cerebralen zal hij nodig hebben, om eens boven het allernoodzakelijkste gemiddelde uit te kunnen komen, zijn mo­torisch en zijn bij taken en bij sport en spel leiding gevend, zijn digestieven geven de continuïteit door het jaar heen en zijn enkele respiratoire leerling zorgt ervoor, dat het geen sleur wordt. Men zou ze per slot geen van allen kunnen en willen missen en later in het leven is voor ieder een taak weggelegd. Loopt de ontwikkeling echter niet normaal bij de beschreven typen, dan kunnen ze bij niet vroegtijdig onderkennen onze probleemkinderen worden, zoals we ze onder de kinderen in onze instituten vinden.

We krijgen deze kinderen niet als zuigeling en een bepaald afwijkend gedrag heeft zich meestal al vastgezet. De kinderen worden ons als dom, debiel, zwakbegaafd gestuurd of als ontremd, autist, psycho­paat. Ook veelal met de woorden: afwijkend gedrag, vermoedelijk op de bodem van een hersenbeschadiging of affectieve verwaar­lozing.

Het ,,op organisch gestoorde grondslag*’ in een dossier is belastend, en inderdaad, hier moet men tegen de logica in, opvoeden. Toch is in de heilpedagogie nooit een geval hopeloos. Het kind is immers nog in volle ontwikkeling en vele hulpmiddelen staan ons heilpedagogen ten dienste.

 

De copyrechten berusten bij het ‘Lievegoedarchief’. Dit verleende aan vrijeschoolpedagogie.com toestemming voor plaatsing.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

8 Reacties op “VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (6-6)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (6-1) | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (6-2) | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (6-3) | VRIJESCHOOL

  4. Pingback: VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (6-4) | VRIJESCHOOL

  5. Pingback: VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (6-5) | VRIJESCHOOL

  6. Pingback: VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (6-7) | VRIJESCHOOL

  7. Pingback: VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (6-8) | VRIJESCHOOL

  8. Pingback: VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s