VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 7 (7-5)

.

*GA 293 Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Enkele gedachten bij blz. 115/116 –  in de vertaling [1]

Steiners gezichtspunten over het geheugen

In de opvoeding in het algemeen en in het onderwijs in het bijzonder speelt het geheugen – je zich iets kunnen herinneren – een grote rol.  We leren kinderen voortdurend iets aan.  Zijn het bv. gedragsregels thuis – we lopen als we klaar zijn met eten, niet zo maar van tafel – ook op school waar ‘geleerd’ wordt, is het toch belangrijk dat de kinderen iets begrijpen en dat onthouden.
Om te begrijpen is er altijd een volle wakkerheid nodig. Concentratie, interesse is er alleen bij wakkerheid.
We weten van onze eigen ervaringen en we zien het ook in de klas bij de leerlingen, ‘die boog kan niet altijd gespannen zijn’: de sterkte van de aandacht neemt toe en neemt af. Hier ontstaat natuurlijk de didactische vraag: hoe interesseer ik de leerlingen en hoe houd ik ze wakker bij wat ik ze wil aanleren. Daarvan geeft Steiner in de andere voordrachten (GA 294 en 295) vele voorbeelden.

We zien aan de kinderen en weten dit ook van onszelf, dat we veel van wat we ooit wisten, weer vergeten.  Vergeten is a.h.w. de andere kant van onthouden. Voor het onthouden, het zich herinneren, het geheugen, en het vergeten komt Steiner met interessante gezichtspunten. In deze voordracht – hij heeft het al op een bepaalde manier gedaan in voordracht 2 [2-2-2] blz. 35-38 – neemt hij nu het gezichtspunt dat hij in voordracht 6 [6-2] blz. 93 t/m 97, introduceerde, dat van wakker, dromen en slapen.  Hij brengt het nu eerst heel eenvoudig, iedereen zal wat hij hier zegt, meteen, ook vanuit de eigen ervaring, kunnen meedenken:

Blz. 117  vert. 115

Sie lernen etwas; das nehmen Sie auf so, daß es hereingeht in Ihr Vollwachen. Während Sie sich damit beschäftigen und wenn Sie daran denken, ist es in Ihrem Vollwachen.

U leert iets; dat neemt u op in uw waakbewustzijn. Terwijl u zich daarmee bezighoudt en eraan denkt, is het in dit waakbewustzijn.

Het spreekt voor zich, als we ergens mee bezig zijn, wanneer het onze aandacht heeft, dan zijn we er wakker bij, met (vol) bewustzijn Uiteraard kun je daar niet steeds op die manier mee bezig zijn: je moet ook andere dingen doen. Dat kunnen ook kinderen niet: ze dwalen af van wat eerst hun belangstelling = wakkerheid had. 
Stel, je bent bezig voor je rijbewijs en je moet de verkeersborden leren. Je bekijkt ze goed, zoekt de bijpassende betekenis en probeert het een met het ander te verbinden. Op dat ogenblik lukt dat. En na verloop van tijd heb je er zeker enkele geleerd: wanneer iemand ze door elkaar aanwijst, ben jij in staat te zeggen wat dat bord betekent.

Dann gehen Sie an das andere Leben. Anderes nimmt Ihr Interesse, Ihre Aufmerksamkeit in Anspruch. Was tut nun das, was Sie vordem gelernt haben und womit Sie sich beschäftigt haben?

Dan gaat u iets anders doen. Andere dingen eisen uw aandacht op. Wat doet nu datgene wat u tevoren heeft geleerd, waar u zich tevoren mee bezighield?

Stel dat je een week geen gelegenheid meer hebt gehad met de borden bezig te zijn. Je pakt je boekje er weer bij en kijkt naar de borden die je eigenlijk zou moeten kennen, maar: geldt dit nou voor alle motorvoertuigen of alleen voor die op meer dan twee wielen? Vorige week wist je het, nu twijfel je of weet het echt niet meer. ‘Het is weggezakt’, zeggen we dan. De vraag kan opkomen, wáár het dan in weggezakt is. Roept ‘wegzakken’ niet ook de betekenis op van ‘een beetje in slaap sukkelen’. Dan is Steiner daarin wel te volgen:

Es fängt an einzuschlafen.

Het begint in te slapen.

Maar we weten dat alles wat (in)slaapt, ook weer wakker wordt. Dan ligt de conclusie voor de hand: wanneer je weer (opnieuw) weet, wat je al wist, is ‘het’ niet meer in de slaaptoestand, maar ‘wakker geworden’, d.w.z. je bent er weer met je bewustzijn bij, je hebt het weer bewust.

und wenn Sie sich wieder daran erinnern, dann wacht es wieder auf.

en wanneer u het zich weer herinnert, dan wordt het weer wakker.

Steiner gaat nu vrij snel over tot de begrippen:

Was ist Erinnern? Es ist das Aufwachen eines Vorstellungskomplexes.

Wat is herinneren? Het is het ontwaken van een complex van voorstellingen.

Und was ist das Vergessen? Das Einschlafen des Vorstellungskomplexes.Da können Sie Reales mit real Erlebtem vergleichen.

En wat is vergeten? Het inslapen van een complex van voorstellingen.
U kunt op deze manier werkelijke processen met werkelijke belevenissen vergelijken.
GA 293/117 Vertaald/115

Hij roept ons op goed na te denken over beide fenomenen, vanuit het gezichtspunt wakker en slapen, en er onze eigen ervaringen bij te betrekken.  

Blz. 117/118       vert. 115/116

Da können Sie Reales mit real Erlebtem vergleichen. Wenn Sie immer reflektieren auf Wachen und Schlafen, wenn Sie sich selber einschlafend erleben oder einen anderen einschlafen sehen, so haben Sie einen realen Vorgang. Sie beziehen das Vergessen, diese innere Seelentätigkeit, auf diesen realen Vorgang vergleichen die beiden und sagen sich: Vergessen ist nur ein Einschlafen auf einem anderen Gebiete, und auch Erinnern ist nur ein Aufwachen auf einem anderen Gebiete.

Wanneer u reflecteert over waken en slapen door uzelf bij het inslapen waar te nemen of een ander die bezig is in te slapen, dan baseert u zich op een proces uit de werkelijkheid. Vergelijkt u nu het vergeten, deze innerlijke activiteit van de ziel, met dit proces in de werkelijkheid dan kunt u zeggen: vergeten is in feite een soort inslapen op een ander gebied en ook herinneren is een soort ontwaken op een ander gebied. vergeten is in feite een soort inslapen op een ander gebied en ook herinneren is een soort ontwaken op een ander gebied.

Steiner geeft dan weer een van zijn wat kernachtige uitspraken waarvan ik er vele als ‘wegwijzer‘ heb verzameld:

Nur dadurch kommen Sie zum geistigen Weltbegreifen, daß Sie Reales mit Realem vergleichen. 

U zult het geestelijke in de wereld pas begrijpen wanneer u realiteiten met elkaar vergelijkt.

Daarbij adviseert hij vaak om de tegenstellingen op te zoeken:

Das Leben entwickelt sich in Gegensätzen.

Het leven ontwikkelt zich in tegenstellingen.
GA 297/149
Op deze blog vertaald/149

Real lernt man die Dinge aber nur kennen, wenn man sie in der Welt wirklich aufeinander be­ziehen kann.

Je leert de dingen pas in hun realiteit kennen, wanneer je ze in de wereld reëel met elkaar in verband kan brengen.
GA 301/42
Op deze blog  vertaald 42

En straks zal hij in voordracht 8 zeggen:

Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

De werkelijkheid bestaat uit tegenstellingen. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstellingen in de wereld zien.

[De vertaling heeft hier tegenstrijdigheden, ik vind ‘tegenstellingen’ beter, omdat het steeds gaat om bv. wakker tegenover slapen; geest tegenover lichaam enz.] GA 293/124   Vertaald/120

Lichaam en geest mogen we wel grote tegenstellingen noemen. Als stof en geest, of materie en geest domineren die al eeuwen lang het filosofisch denken.  Met name bij het drieledig mensbeeld komen we ze tegen als fysiek lichaam en de drie aspecten van het geestelijke, zoals al in voordracht 1 vanaf [1-7-2/1] aan de orde kwam. De tegenstelling tussen kind en grijsaard kwam aan het begin van deze voordracht ter sprake. [7-1-1] Het kind meer als wils-gevoelswezen, de oudere meer als geest-zielswezen.  Ik somde een aantal tegenstellingen op tussen kind en oudere en kwam daarbij ook uit op slaap en wakker.  Vanuit een bepaalde invalshoek kan je stellen dat het kind – vanuit de bijna slapende babyfase – overdag steeds langer wakker is en de oudere overdag steeds meer de neiging krijgt ‘in te dutten’ – ‘weg te zakken!!’, Door zelfreflectie kan je tot de ontdekking komen dat je ‘het ene ogenblik’ een bepaalde naam van iemand niet weet, ‘het andere ogenblik’ wél. Dat betekent niet van het ene ogenblik op het andere, maar ‘het ene ogenblik’ wil zeggen, een bepaalde tijd waarin je minder wakker bent–  juist overdag – het andere is de tijd waarin je wél goed wakker en uitgerust bent. Dan herinner je je veel makkelijker iets.  Ik ervaar dit zelf regelmatig en is voor mij een uitgemaakte zaak. Ik denk dat de ‘vergeetachtigheid’ van de ouderdom vooral (ook) een kwestie is van hoe ‘wakker’ is degene nog die over ‘vergeetachtigheid’ klaagt.  Wanneer in de 2e voordracht [2-4] de ‘spiegelfunctie’ van de hersenen ter sprake komt, moet die in de beschouwing ook worden meegenomen: als dit instrument niet goed geschikt meer is, wordt het ook moeilijker om ‘geheugen’ te hebben. En als degene die in de spiegel moet kijken – je Ik – verder van die spiegel verwijderd raakt doordat dit Ik zich langzaam terugtrekt uit het aardse lichaam?  Tegen deze achtergrond zou je bv. óók kunnen onderzoeken wat ‘dementie’ dan betekent. 

De werkelijkheid

Het ‘uit de werkelijkheid’ denken is voor Steiner een serieuze aangelegenheid.  Daarop stoelt ook zijn maatschappijvorm die bekend is als ‘de sociale driegeleding. In voordracht 1 [vanaf [1-4-1/1] kwam deze al ter sprake en op deze blog staan veel artikelen* die over allerlei aspecten van deze driegeleding gaan. Steiner ontwierp deze vorm om uit de impasse van Wereldoorlog 1 te komen, maar zijn ideeën vonden bij de politieke leiders uiteindelijk geen gehoor. Dat wijt hij aan het feit dat ‘men niet gewend is de dingen uit de werkelijkheid  te halen’, Het verwijzen naar ‘de tijdstroom’ is voor hem aanleiding nog een ‘wegwijzer’ te geven:

Der Pädagoge muß auch die Zeit begreifen, in der er steht, weil er die Kinder begreifen muß, die ihm aus dieser Zeit heraus zum Erziehen übergeben werden.

De pedagoog moet ook de tijd begrijpen waar hij in staat, omdat hij de kinderen moet begrijpen die hem toevertrouwd worden.
GA 293/119 Vertaald/116

Steiner heeft het vraagstuk van geheugen, herinneren en vergeten nog van vele andere kanten belicht.
O.a in [7-5-1] [7-5-2] en in ‘Rudolf Steiner over het geheugen en herinneren ‘. Ook in de 8e voordracht komt hij erop terug.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293 Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294 Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295 Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 7: alle artikelen

Sociale driegeleding: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2167-2035

.

. .

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over spel (GA 303)

.

Zie de inleiding

GA 303

Blz.  134    vert. 146

Aber der kindlichen Phantasie, ihr muß man allerdings schon ent­gegenkommen, denn sie will sich am Äußeren betätigen, nämlich an Spielzeug und am sonstigen Spiel mit anderen Kindern. Alles dasjenige, was da das Kind vollziehen will im Spiel, das ist die Betätigung dieser besonderen Phantasieform zwischen dem zweieinhalbten und fünften Jahre. Derjenige, der für so etwas Beobachtungsgabe hat, der weiß schon an den besonderen Neigungen, die das Kind am Spiel entwickelt, vieles vorauszusehen für seine spätere Seelenverfassung, für seinen Cha­rakter und so weiter; inwiefern der Mensch nach der einen oder der anderen Richtung tüchtig werden kann, man kann es an der Art und Weise ablesen, wie das Kind spielt. Nur handelt es sich darum, daß man sich wirklich ein Verständnis dafür erwirbt, was man eigentlich der kindlichen Phantasie entgegenbringen soll. Das tun ja schon die verschiedenen Zeitalter nach ihrem besonderen Verständnisse.

Maar de kinderlijke fantasie, die moeten we beslist wel tegemoetkomen; die wil zich met uiterlijke dingen bezig houden, namelijk met speelgoed en het spelen met andere kinderen. Alles wat het kind in het spel wil doen, dat is de activiteit van deze bijzondere fantasievorm tussen tweeëneenhalf en vijf jaar. Wie voor zoiets een opmerkingsgave heeft, weet al door de bijzondere neigingen die het kind aan het spel ontwikkelt, veel vooruit te zien betreffende zijn latere zielsgesteldheid, zijn karakter enzovoort. In hoeverre het kind in de een of andere richting een bekwaamheid kan ontwikkelen, kun je aan de manier waarop het kind speelt aflezen. Nu gaat het erom dat je je er werkelijk inzicht in verwerft hoe je eigenlijk aan de kinderlijke fantasie tegemoet moet komen. In de verschillende tijdperken heeft men dat al gedaan naar gelang de bijzondere inzichten die toen heersten.

Ich weiß nicht, ob es im Westen auch so ist, in Mitteleuropa kam zu einer bestimmten Zeit eine wahre Epidemie herauf, alle Kinder mit Baukasten, besonders auch zur Weihnachtszeit, zu beschenken. Da mußten sie aus einzelnen Würfelformen, parallelepipedartig geformten einzelnen Stücken irgendeine architektonische Scheußlichkeit zusam­mensetzen. Das ist etwas, was durchaus tief auf das Kind wirkt, gerade auf die Entwicklung der Phantasietätigkeit in diesen Jahren, denn es entwickelt den atomistisch-materialistischen Sinn, es entwickelt den Sinn, aus einzelnen Stücken ein Ganzes zusammenzusetzen, während man dem eigentlichen Leben praktisch entgegenkommt, wenn man nicht das Verstandesvermögen, das zusammensetzende Vermögen, das aus Atomen aufbauende Vermögen in dieser Zeit fördert, sondern die innerlich lebendige, regsame kindliche Phantasie, die sich eben losge­löst hat aus dem, was eine so regsame, innerlich lebendige Arbeit ist: die plastische Ausbildung des Gehirnes.

Ik weet niet of het in het westen ook zo is, maar in Midden-Europa ontstond in een bepaalde periode een ware epidemie om alle kinderen, vooral met Kerstmis, een blokkendoos cadeau te geven. Daarbij moesten zij uit enkele kubusvormen, uit parallellepipedum-achtig gevormde aparte stukken de een of ander architectonische verschrikking in elkaar zetten. Dat is iets wat absoluut diep op het kind inwerkt, juist op de ontwikkeling van de fantasieactiviteit in deze jaren. Want het ontwikkelt de atomistisch-materialistische zin, het ontwikkelt de zin om uit afzonderlijke stukken een geheel samen te stellen. Maar je komt het eigenlijke leven alleen praktisch tegemoet als je niet het verstandsvermogen, het samenstellende vermogen, het uit atomen opbouwende vermogen in deze tijd bevordert, maar de innerlijk levendige, beweeglijke kinderlijke fantasie, die zich net heeft losgemaakt van een beweeglijke, innerlijk levendige arbeid: de plastische opbouw van de hersenen. Je moet daarom deze fantasie ook zo weinig mogelijk in starre, voltooide contouren proberen te brengen.

Blz. 135    vert. 147

Man muß daher auch womöglich wenig diese Phantasie in starre, fertige Konturen hereinzubringen versuchen. Nehmen wir an, es sind zwei Erzieherinnen, die haben zweieinhalb bis fünfjährige Kinder zu erziehen. Die eine, sie kann das Kind sehr gern haben, gibt dem Kinde, wenn es nun gerade ein Mädchen ist, eine Puppe, eine «schöne Puppe», womöglich nicht nur mit herausge­malten Wangen oder Haaren, sondern noch mit beweglichen Augen, mit einem beweglichen Kopf; ich glaube, manche Puppen können sogar sprechen. Das gibt sie also dem Kinde. Das Kind hat aus seiner nach Beweglichem lechzenden Phantasie gar nichts mehr hervorzubringen. Man spannt diese ganze Phantasie in die spanischen Stiefel noch dazu einer plastischen Scheußlichkeit ein. Die andere Erzieherin, die viel­leicht etwas verständiger ist, nimmt ein altes Tuch, das man zu nichts anderem mehr gebrauchen kann, bindet oben einen Faden herum, so daß etwas wie ein Kopf entsteht, und läßt womöglich von dem Kinde selbst zwei schwarze Punkte oder noch mehr Punkte darauf machen, die Augen und Nase und Mund bedeuten, und das Kind hat innerlich –

Laten we eens aannemen dat er twee opvoedsters zijn die een tweeëneenhalf tot vijfjarige kind moeten opvoeden. De ene geeft het kind — ze kan best veel van het kind houden Niet vertaald: [omdat het nu eenmaal een meisje is] — een pop, een ‘mooie pop’, zo mogelijk niet alleen met geschilderde wangen of haren, maar ook nog met beweeglijke ogen, met een hoofd dat kan bewegen. Ik geloof dat sommige poppen zelfs kunnen spreken. Zo’n pop geeft zij het kind dus. Het kind hoeft vanuit zijn naar het beweeglijke snakkende fantasie helemaal niets meer voort te brengen. Men stopt deze fantasie in een dwangbuis en stelt haar bovendien nog bloot aan een plastisch wangedrocht. De andere opvoedster, die wellicht iets verstandiger is, pakt een oude doek die zij nergens anders meer voor kan gebruiken, bindt er bovenaan een draad omheen, zodat er zoiets als een kop ontstaat en laat zo mogelijk door het kind zelf twee of meer zwarte stippen daarop tekenen die de ogen, de neus en de mond voorstellen. Dan heeft het kind innerlijk —

weil das seine Phantasie anregt, weil es damit noch etwas machen kann, weil das seine Phantasie nicht in bestimmte Formen, Konturen hineinnimmt – viel regeres Leben, viel intimeres noch als an der sogenannten schönen Puppe. Die Spielzeuge sollen womöglich der Phantasie freien Spielraum lassen. Und da der Verstand, der Intellekt nicht Phantasie ist, so ist eben das Zusammensetzen von allerlei Dingen nicht gerade dasjenige, was der besonderen Artung der kindlichen Phantasie in die­sem Alter entgegenkommt.
Dasjenige, was das Gefühl innerer Lebendigkeit hervorruft, ist im­mer besser. Ein Bilderbuch zum Beispiel, das ausgeschnittene, nicht ge­rade scheußlich, sondern geschmackvoll gemalte Figuren hat, die unten an Fäden zu ziehen sind, so daß diese Figuren ganze Handlungen aus­führen, sich kosen und prügeln, und das Kind ganze Dramen dadurch für sich hervorrufen kann aus dem, was es da sieht, das ist ein außer­ordentlich gutes Spielmittel für ein Kind. Und in ähnlicher Weise sollen die freien Spiele im freien Verkehre mit anderen Kindern nicht allzustark abgezirkelt sein, sondern möglichst der freien Phantasie des Kin­des entgegenkommen.

omdat zijn fantasie gewekt wordt, omdat het daarmee nog iets kan doen, omdat het zijn fantasie niet in vaste vormen, contouren dwingt — een veel actievere levendigheid, en veel intiemer dan bij de zogenaamde ‘mooie pop’. Het speelgoed moet indien mogelijk aan de fantasie vrije speelruimte laten. En omdat het verstand, het intellect niet fantasie is, is het in elkaar zetten van allerlei dingen niet bepaald iets wat de bijzondere geaardheid van de kinderlijke fantasie op deze leeftijd ten goede komt.
Iets wat zijn gevoel van innerlijke levendigheid aanwakkert is altijd beter. Een plaatjesboek bijvoorbeeld, dat uitgeknipte, niet lelijke, maar smaakvol geschilderde figuren heeft, waaraan je van onder met draadjes kunt trekken zodat zij complete handelingen uitvoeren, elkaar liefkozen en ruzie maken, en het kind daardoor hele toneelstukken in zichzelf kan oproepen uit alles wat het daar ziet, dat is een buitengewoon goed speelmiddel voor een kind. En op soortgelijke manier moeten de vrije spelen in de vrije omgang met andere kinderen niet al te sterk afgepast zijn, maar zo mogelijk aan de vrije fantasie van het kind tegemoetkomen.
GA 303/134-135
Vertaald/146-147

Blz. 290   vert. 324

Dieses freie Spiel ist dasjenige, was man studieren muß! Man muß das Kind kennenlernen, dann wird man auch die Möglichkeit finden, es zu diesem freien Spiel anzuregen. An diesen freien Spielen sollen die Knaben ebenso wie die Mädchen teilnehmen können. Dadurch wird die Möglichkeit herbeigeführt werden, daß durch die Regsam­keit, welche dann das Innere des Menschen mitmacht, während das Kind äußerlich rege ist, die gesamten inneren Funktionen in einer har­monischen Weise zur Betätigung kommen. Und man wird vor allen Dingen in der richtigen Weise dann auf so etwas hinsehen wie, sagen wir, das Eintreten der Anämie, der Bleichsucht bei jungen Mädchen, die ja in den meisten Fällen einfach davon herrührt, daß die jungen Mädchen abgeschlossen werden von den Knaben, daß es so angesehen wird, als ob es bei ihnen nicht artig wäre, wenn sie etwas herumtollen, am freien Spiel mit den Knaben teilnehmen. Nur vielleicht in einer kleinen Weise nuanciert sollen sie in derselben Weise dasjenige aus­führen, was die Knaben im freien Spiel ausführen.

Juist dit vrije spel moet je bestuderen! Je moet het kind leren kennen, dan zul je ook de mogelijkheid vinden hem voor dit vrije spel enthousiast te maken. Aan dit vrije spel moeten zowel de jongens als de meisjes kunnen deelnemen. Daardoor ontstaat de mogelijkheid dat door de innerlijke beweeglijkheid die de mens dan beleeft, terwijl het kind uiterlijk actief is, de gezamenlijke innerlijke functies op een harmonieuze manier geactiveerd worden. En je zult vooral dingen in het juiste licht zien zoals, laten we zeggen, het ontstaan van bloedarmoede, van bleekzucht bij jonge meisjes, die immers in de meeste gevallen ontstaat doordat de jonge meisjes geïsoleerd worden van de jongens omdat men vindt dat het bij hen niet netjes is als zij in het vrije spel samen met de jongens stoeien. Alleen misschien enigszins genuanceerd, maar zij moeten op dezelfde manier aan het vrije spel deelnemen als de jongens.

Gerade das aber – bitte, es soll durchaus nicht im geringsten eine Anspielung auf irgend etwas sein, das im Leben einmal da ist, es soll nur als eine Terminologie aufgefaßt werden – es ist einmal richtig, daß das gewohnte Ideal, das oftmals in bezug auf kleine Mädchen vor­handen ist, in vieler Beziehung gerade die gesundheitliche Veranlas­sung ist für das Eintreten der späteren anämischen Zustände, denen wir eben dadurch abhelfen können, daß wir auch das Mädchen in der ent­sprechenden Weise in das freie Spiel hineinbringen. Wir behüten es in dieser Beziehung davor, daß seine inneren Funktionen allmählich träge werden und es nicht bis dahin bringen, in der richtigen Weise aus der Verdauungstätigkeit heraus das Blut zu bilden.

Denkt u nu niet dat het ook maar op enigerlei wijze een toespeling op iets is wat in het leven nu eenmaal bestaat, het is alleen maar bij wijze van spreken – maar het is nu eenmaal waar dat het gangbare ideaal dat vaak met betrekking tot kleine meisjes aanwezig is, in menig opzicht, juist wat de gezondheid betreft in een later stadium aanleiding is voor het optreden van de bloedarmoede, die wij kunnen genezen door het meisje ook op de juiste wijze aan het vrije spel te laten deelnemen. We behoeden het in dit verband ervoor dat haar innerlijke functies niet langzamerhand traag worden, waardoor zij er niet toe komt op de juiste manier vanuit de
spijsverteringsactiviteit het bloed te vormen.

Bei solchen Dingen ist es ja insbesondere schwierig, in der Gegenwart volles Verständnis hervorzurufen, aus dem einfachen Grunde, weil die Art von Erkenntnis, die man heute anerkennt, nicht aus dem eigentlichen inneren Wesen des Menschen heraus forscht, sondern ein­zelne Tatsachen zusammenträgt, und sich aus diesen einzelnen Tat­sachen, wie man sagt, auf induktivem Wege ein allgemeines Wissen zusammenbraut. Dadurch kommt man ja ganz gewiß auf richtige Dinge; aber es kommt im Leben darauf an, daß man immer auf die lebenswichtigen Dinge kommt. So kann es schon geschehen, daß ein für die heutige Wissensart besonders fanatisierter Mensch kommt und sagt: Ja, du erzählst uns jetzt, daß durch eine mangelhafte Betätigung des Bewegungsspieles die Anämie bei jungen Mädchen erzeugt werden kann; aber ich hatte einen Fall – er kann auch fünf meinetwillen beob­achtet haben -, wo auf dem Dorfe draußen die Mädchen gar nicht abgehalten worden sind, herumzutollen, und dennoch habe ich dort anämische Fälle gefunden. – Ja, da handelt es sich darum, daß dann eben nachgeforscht werden muß, wo gerade in diesem speziellen Fall die Anämie herkommt.

Blz. 291     vert. 325

Bij zulke dingen is het vooral in deze tijd moeilijk om volledig begrepen te worden, om de eenvoudige reden dat de soort kennis die men tegenwoordig voor juist houdt, niet vanuit het eigenlijke innerlijke wezen van de mens onderzocht wordt, maar afzonderlijke feiten bij elkaar sprokkelt en zich vanuit deze afzonderlijke feiten, zoals men zegt, langs inductieve weg een algemeen weten brouwt. Daardoor komt men zeer zeker op juiste dingen; maar in het leven gaat het erom dat we altijd op dingen komen die belangrijk voor het leven zijn.
Zo kan het wel gebeuren dat een mens die een fanatiek aanhanger is van de huidige wetenschap zegt: ‘Ja, jij vertelt ons nu dat door een onvoldoende activiteit bij bewegingsspelen bloedarmoede bij jonge meisjes veroorzaakt kan worden; maar ik heb meegemaakt – hij kan dat voor mijn part ook vijf keer gezien hebben – waar buiten in het dorp de meisjes helemaal niet van het stoeien werden weggehouden en toch heb ik daar gevallen van bloedarmoede gevonden.’ Ja, dan gaat het erom dat men dan gewoon moet nagaan waar juist in dit speciale geval de bloedarmoede vandaan komt.

Vielleicht hat einfach das junge Mädchen als Kind, sagen wir, an einer Herbstzeitlose, Colchicum autumnale, ein­mal leise genascht, und dadurch ist die Veranlagung in das Kind ge­bracht worden, die sich später in anämischen Zuständen auswirkt.
Dasjenige, was dann hier noch besonders in Betracht kommt, ist, daß wir die Gesamtgesundheitsveranlagung des Kindes auch durch geistige Überbürdung beeinträchtigen. Wenn wir das Kind nicht in der richtigen Weise ins Bewegungsspiel hineinbringen, dann versorgen wir in schlechter Weise seinen Stoffwechselorganismus. Wenn wir das Kind namentlich mit denjenigen geistigen Dingen, die sich auf die äußere Welt beziehen, überbürden, dann rufen wir in dem Kinde einen übertriebenen Stoffwechsel im Kopfe selbst hervor. Der Mensch ist zwar ein dreigliedriges Wesen, aber alle einzelnen Betätigungen, die in einem Organsystem überwiegen, sind in einem gewissen Sinne auch in dem anderen Organsystem vorhanden. Und wenn wir den Menschen nicht mit spirituellen Sachen, sondern mit demjenigen, was die äußere Welt an ihrem Inhalte auf physischem Gebiete bietet, überbürden, dann lenken wir in einem gewissen Sinne die reguläre Verdauungstätigkeit von dem Stoffwechselsystem nach dem Kopfsystem ab, und dadurch

Misschien heeft het jonge meisje als kind, laten we zeggen, een keer een beetje gesnoept van een herfsttijloos, colchicum autumnale, en daardoor die aanleg ontwikkeld die later tot bloedarmoede heeft geleid.
Waar we hier vooral ook nog op moeten letten is dat we de totale aanleg voor gezondheid van het kind ook door geestelijke overbelasting kunnen schaden. Als we het kind niet op de juiste manier tot het bewegingsspel brengen, dan verzorgen we zijn stofwisselingsorganisme op een slechte manier. Als we het kind met name met die geestelijke dingen overbelasten die op de uiterlijke wereld betrekking hebben, dan activeren we in het kind een overdreven stofwisseling in het hoofd zelf. De mens is weliswaar een drieledig wezen, maar alle afzonderlijke activiteiten die in het ene orgaansysteem overheersen, zijn in zekere zin ook in een ander orgaansysteem aanwezig. En als we de mens niet met spirituele zaken maar alleen met wat de uiterlijke wereld aan inhoud op fysiek gebied biedt overbelasten, dan leiden we in zekere zin de reguliere spijsverteringsactiviteit van het stofwisselingssysteem af naar het hoofdsysteem, en daardoor

Blz. 292    vert. 326

rufen wir auf der anderen Seite wiederum eine Art von anormaler Be­tätigung des ganzen Verdauungssystems hervor.
Es können dadurch ganz ähnliche Erscheinungen, wiederum an­amische Zustände, im geschlechtsreifen Alter eintreten. Und auch da kann man uns wieder kommen und hinausweisen aufs Dorf, wo unter Umständen auch anämische Zustände auftreten, und man gar nicht geltend machen kann, daß solche Kinder etwa geistig überfüttert wor­den seien. Man wird wiederum nachforschen müssen und wird heraus­bekommen, daß Anämie vielleicht in diesem Falle dadurch hervorge­rufen worden ist, daß in diesem Dorf ein Haus ist, das von sogenann­tem wildem Wein umrankt ist; die Beeren des wilden Weines haben vielleicht einmal die Neugierde des Kindes erregt, das kann später eingesehen werden, es hat eine, zwei, drei dieser Beeren in einem über­reifen Zustand, wo sie ganz schwarz werden, genascht, und hat dadurch wegen seiner übrigen Konstitution die Anlage zur Anämie gelegt.

roepen we aan de andere kant weer een soort onregelmatige activiteit van het hele stofwisselingssysteem op. Daardoor kunnen er weer soortgelijke verschijnselen van bloedarmoede op de geslachtsrijpe leeftijd optreden. En ook daar kan men ons weer wijzen op de verschijnselen in het dorp waar in bepaalde omstandigheden ook weer gevallen van bloedarmoede voorkomen, en dat helemaal niet aantoonbaar is dat zulke kinderen bijvoorbeeld geestelijk overvoerd zouden zijn. Men zal weer verder moeten zoeken en ontdekken dat misschien in dit geval bloedarmoede ontstaan is doordat in dit dorp een huis staat dat door zogenaamde wilde wingerd omrankt is. De bessen van de wilde wingerd hebben misschien een keer de nieuwsgierigheid van het kind gewekt, daar komt men later dan achter, en het kind heeft één, twee, drie van deze bessen in een overrijpe toestand, waarin ze helemaal zwart worden, gesnoept en heeft daardoor vanwege zijn overige constitutie de aanleg voor bloedarmoede opgelopen.
GA 303/290-292
Vertaald/324-326

.

Rudolf Steiner over spelalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Spelalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle beelden

2166-2034

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het leerplan van klas 10

.

Voor een goed begrip van het leerplan, de leerstof e.d. is het zeer aan te bevelen de artikelen: Rudolf Steiner over het leerplan en Rudolf Steiner over het kind, de leerkracht, ontwikkeling, lesstof en leerplan eerst te lezen.

In de pedagogische voordrachten GA 293 – 311 is relatief maar weinig meegedeeld over de leerstof op zich. Veelal wordt deze besproken in samenhang met de ontwikkeling van het kind.
Uit deze voordrachten volgt hier wat er over de leerstof van de 6e klas kan worden gevonden.

Het is raadzaam ook even terug te kijken bij wat er aan een voorafgaande klas over het vak werd gezegd; vaak is er sprake van ‘voortzetting van wat in vorige jaren is aangelegd’.

Met name voor de 1e bovenbouwklassen – de onderbouw bestond uit de klassen 1 t/m 8, merk je hoe er gezocht werd naar zinvolle lesstof. In Duitsland, maar ook in Nederland is e.e.a. toch op een andere manier tot ontwikkeling gekomen.
.

LEERSTOF VAN KLAS 10

GA 302  blz. 83

Nun ist es aber im Grunde wichtig, daß in diesem Lebensalter übergegangen wird zu einer äußeren Erfassung des Lebens. Und das ist ja für uns ganz besonders wichtig; wir sollen jetzt die 10. Klasse einrichten. – Wir müssen auch im Unterricht das einführen, was dazu führt, daß das Subjektive den Anschluß an das Objektive findet. Das können wir ganz und gar nicht tun, wenn wir uns etwa darauf beschränken würden, bloß dasjenige in unseren Lehrplan aufzunehmen, was die heutige Gymnasial- und Realschulbildung oder Realgymnasiumbildung bringt, denn sie sind durchaus unter dem Einfluß der intellektuellen Weltanschauung entstanden.
Sehen Sie, die so völlig nach dem bloß Formalen hingerichtete Ausbildung des Gymnasiasten, wozu dann noch einige Kenntnisse kommen in Physik und so weiter, oder die doch auch bloß auf das Kopferkennen

Nu is het in feite belangrijk dat er op deze leeftijd een overgang is naar een manier van begrijpen van het leven die wat meer uiterlijk is. Dat is voor ons heel belangrijk; we moeten nu de 10e klas opstarten. Ook in het onderwijs moeten we dát inbrengen wat ertoe leidt dat het subjectieve, aansluiting vindt bij het objectieve. Dat kunnen we helemaal niet als we ons ertoe beperken alleen dát in ons leerplan op te nemen wat de tegenwoordige middelbare scholen bieden, want die zijn absoluut ontstaan onder invloed van een intellectuele wereldbeschouwing.
Kijk, de opleiding van de gymnasiast, die helemaal gericht is op het puur formele, en waar dan nog enige kennis bijkomt van de natuurkunde enzovoort, of de opleiding aan de andere middelbare scholen, die toch ook alleen maar gericht is op kop-kennis,

Blz. 84

gerichtete Ausbildung des Realgymnasiasten oder Realschülers namentlich, das ist etwas, was wir tatsächlich, ohne gegen unseren zivilisatorischen Fortschritt zu sündigen in unserem Lehrplan, nicht weiter pflegen sollten. Wir sollten gerade in diesem Lebensalter dasjenige in den Lehrplan aufnehmen, was den Knaben auch zum Ergreifen des Praktischen, desjenigen, was ihn in Zusammenhang mit der Außenwelt bringt, führt. Und deshalb werden wir in unserem Lehrplan für die 10.Klasse folgendes tun, wir werden uns sagen: Wir müssen schon in diesem Lebensalter, um dem Sozialen in richtiger Weise Rechnung zu tragen, Knaben und Mädchen durcheinander haben; aber wir müssen doch eine Differenzierung in der Betätigung einführen. Wir sollen aber nicht die Knaben von den Mädchen trennen. Die Knaben sollen sehen, was die Mädchen treiben, wenn sie es auch nicht mittreiben, und die Mädchen sollen sehen, was die Knaben treiben: Sozial sollen die beiden in Kommunikation stehen. Aber wir sollen auch dasjenige mit aufnehmen, was den Gedanken aus dem Kopf herausführt, was die innere Regsamkeit der Hand in Anspruch nimmt, wenn es auch bloß ein- gelernt ist, wenn es auch nur etwas Theoretisches ist. 

dit soort opleiding hoeven we echt niet langer te verzorgen; en dan zondigen we in ons leerplan niet tegen de vooruitgang van onze kuituur. Uitgesproken in deze leeftijdsfase moeten we iets in het leerplan opnemen wat de jongens ertoe brengt de praktische dingen op te pakken, dingen die hen in verbinding brengen met de wereld om hen heen.
Daarom zullen we in ons leerplan voor de 10e klas het volgende doen. We moeten ons realiseren dat we op deze leeftijd – om op een goede manier rekening te houden met het sociale element -j ongens en meisjes door elkaar moeten hebben; maar toch moeten we een differentiëring aanbrengen in de wijze waarop we met hen werken. We moeten echter de jongens niet van de meisjes scheiden. De jongens moeten zien wat de meisjes doen, ook al doen ze er niet aan mee; en de meisjes horen te zien wat de jongens doen. Sociaal gezien moeten die twee in contact met elkaar staan.
We moeten echter ook erin betrekken wat de gedachten uit het hoofd weg leidt en wat de innerlijke activiteit van de hand in beslag neemt, ook al is dat alleen maar iets wat aangeleerd is, wat theoretisch is.

Es muß eben eine Theorie über die Praxis sein. Daher ist es notwendig, damit die Knaben in diesem Lebensalter gerade etwas ihnen Angemessenes empfangen, daß wir mit ihnen etwas von der Mechanik behandeln. Nicht bloß die theoretische Mechanik, wie wir sie in der Physik treiben, sondern die praktische Mechanik, die dann zum Maschinenbau führt. Die ersten Elemente der technischen Mechanik müssen in unseren Lehrplan aufgenommen werden. Beim Mädchen müssen wir so etwas aufnehmen, daß es deutliche Vorstellungen und Geschicklichkeiten bekommt vom Spinnen und Weben. Das Mädchen muß spinnen und weben verstehen lernen, muß lernen, wie Gespinste und Gewebe entstehen; muß wissen, was das heißt:etwas ist ein Stoff; er ist auf mechanische Weise geworden. Das Mädchen muß in die technische Entstehungsweise eingeführt werden, es muß ein Verhältnis gewinnen dazu. Das gehört in dieses Lebensalter.
Der Knabe muß auf der anderen Seite – wenn auch nur die Elemente, soweit es zum Verständnis der Sache notwendig ist -, er muß in diesem Lebensalter die Anfangsgründe des Feldmessens und des Situationszeichnens

Er moet nou eenmaal een theorie over de praktijk bestaan. Daarom is het nodig dat we met de jongens iets van de mechanica behandelen, opdat ze op deze leeftijd iets krijgen wat bij hen past. Niet alleen maar theoretische mechanica, zoals we in de natuurkunde doen, maar praktische mechanica, die naar de machinebouw toe leidt. De eerste beginselen van de technische mechanica moeten in ons leerplan worden opgenomen.
Voor de meisjes moeten we iets zodanigs opnemen dat ze duidelijke voorstellingen en behendigheden krijgen wat betreft het spinnen en weven. Meisjes moeten leren spinnen en weven, en tevens hoe spinsels en weefsels ontstaan. Ook moeten ze weten wat het wil zeggen: dit of dat is een stof, die is op mechanische wijze tot stand gekomen. Meisjes moeten worden ingevoerd in de technische wijze van het maken van dingen; daar moeten ze een relatie toe krijgen. Dat hoort bij deze leeftijd.
De jongens daarentegen moeten op deze leeftijd de beginselen bijgebracht krijgen van het landmeten en het maken van een situatie-tekening

Blz. 85

beigebracht erhalten. Der Knabe muß in der Lage sein, einfach eine Hutweide oder einen Laubwald auf den Situationsplan zeichnen zu können. Der Knabe muß in diesem Lebensalter die ersten Elemente bekommen von Feldmessen und von Situationszeichnen.
Und das Mädchen muß die ersten Elemente bekommen von der Gesundheitspflege, von der Gesundheitslehre, von der Art und Weise, wie man das und jenes verbindet. Teilnehmen müssen die beiden Geschlechter an beidem. Heranbringen muß man also Spinnerei, Weberei, Gesundheitslehre an das Mädchen; für den Knaben kommt die Zeit des Ausführens dieser Dinge später. Und die Mädchen müssen wiederum sehen, wie die Knaben mit den Nivellierinstrumenten umgehen können. Das können wir in der Waldorfschule schon machen, einen Niveauunterschied ins Auge zu fassen und einen kleinen Situationsplan über ein bestimmtes Bereich hinüberzuformen. Kurz, es soll alles das erweckt werden, was den Menschen dasjenige verstehen macht,was eigentlich im Leben geschehen muß, wenn das Leben fortgehen soll. Ohne das lebt der Mensch eigentlich immer in einer ihm unbekannten Umgebung.

(ook al blijft dat maar op elementair niveau, zoveel als nodig is om de zaak te begrijpen). Ze moeten in staat zijn gewoon een plattegrond van een wei of een loofbos te kunnen tekenen. Ze moeten op deze leeftijd de eerste beginselen geleerd krijgen van het landmeten en het maken van situatie-tekeningen.
Meisjes moeten de eerste beginselen leren van de gezondheidszorg en hygiëne, van de wijze waarop men een verband aanlegt. Zowel jongens als meisjes moeten aan beide dingen deelnemen. Dus spinnen, weven en gezondsheidsleer moeten we de meisjes leren; voor de jongens komt de tijd om deze dingen te doen pas later. Op hun beurt moeten de meisjes kunnen zien hoe de jongens met het waterpasinstrument omgaan. Dat kunnen we in de vrijeschool al doen: hoogte-verschillen bekijken en een kleine plattegrond maken van een bepaald gebied.
Kortom, we moeten alles wakker roepen wat de mensen doet begrijpen wat er in het leven eigenlijk moet gebeuren om dat leven te laten doorgaan. Zonder die dingen leeft de mens in feite altijd in een hem onbekende omgeving.
GA 302/83=86
vertaald/83-86

Aardrijkskunde

Beschreibung der Erde als eines morphologischen und physikalischen Ganzen. In der Geologie müßte man die Erde so beschreiben, daß die ganze Gestaltung der Gebirge eine Art Kreuz ist, die beiden aufeinander sich kreuzenden Ringe, die Ost-West-Richtung und die Nord-Süd-Richtung. – Mor­phologisches: die Formen der Kontinente; die Entstehung der Gebirge: dasjenige, was ins Physische übergeht; dann die Flüsse. Geologisches, Physikalisches; Isothermen; die Erde als ein Magnet, nördlicher, südlicher Magnetpol. In dieser Weise morphologisch. Im Anschluß daran Meeresströmungen , Luftströmungen, Passatströ­mungen, das Erdinnere; kurz, alles was die Erde als Ganzes umfaßt. 

Beschrijving van de aarde als een morfologisch en natuurkundig geheel. Bij geologie moet je de aarde zo beschrijven dat de totale vorm van de gebergten een soort kruis is, de beide zich elkaar kruisende ringen, de oost-west richting en de noord-zuid richting. Morfologisch: de vormen van de continenten, het ontstaan van de gebergten: wat in het natuurkundige overgaat; dan de rivieren, geologie, natuurkundigs, isothermen; de aarde als magneet, magnetische noord-en zuidpool. Op deze manier morfologie. Aansluitend de zee-, luchts-, passaatstromingen, het binnenste van de aarde; kortom alles wat de aarde als een geheel omvat.
GA 300B/24
Niet vertaald

Antropologie

X.:    Was sollte in der Anthropologie behandelt werden in der 10. Klasse?

Dr. Steiner: Man müßte gewissermaßen den Menschen verständlich machen. Sie müßten sich natürlich die Möglichkeit verschaffen, den Menschen als einzelnes Wesen verständlich zu machen, damit man später auf die Ethnographie übergehen kann. – Den Menschen als einzelnes Wesen verständlich machen, da gibt es so viel, was aus der Anthroposophie herausgeholt werden kann. Über nichts ist so viel zu finden, ohne daß man in den Ruf kommen muß, daß man Anthro­posophie treibt. Das ist das Objektiv-Wahrhaftige. Der physische Mensch in seinen Organen und Organfunktionen im Zusammenhang mit Seelischem und Geistigem.

X: Wat moet er bij antropologie behandeld worden in de 10e klas?

Dr. Steiner: In zekere zin zou de mens begrepen moeten worden. U moet voor uzelf natuurlijk de mogelijkheid creëren de mens als individu inzichtelijk te maken, zodat je later over kan gaan op de etnografie. Om de mens te doen begrijpen is er veel dat uit de antroposofie gehaald kan worden. Over niets is zoveel te vinden, zonder dat je in de verleiding zou komen dat je antroposofie gaat geven. Dat is het objectieve-ware. De fysieke mens met zijn organen en orgaanfuncties in samenhang met de ziel en de geest.
GA 300B/27
Niet vertaald

Euritmie

Im Eurythmieunterricht müßte man doch aufs sinnvolle Ensemble hinarbeiten. Es sind schon Jünglinge und Jungfrauen, die können fertige Ensembleformen machen.

In de euritmieles zou je moeten toewerken naar zinvol ensemblewerk. Het zijn al jonge dames en heren, die kunnen afgeronde ensemblevormen maken.
GA 300B/27
Niet vertaald

Geschiedenis

Da handelt es sich darum, für den ökonomischen Unterricht das recht gut vorzubereiten. In der 8. und 9. Klasse dasselbe Pensum wie bisher. In der 10. Klasse, da würde man bis in die älteste historische Zeit zurückgehen, würde beginnen mit der ältesten Zeit und würde die Geschichte so eingeteilt führen bis zum Untergang der Freiheit Griechenlands; also älteste indische Zeit, persische Zeit, ägyptisch-chaldäische Zeit, griechische Zeit bis zum Untergang der griechischen Freiheit, bis zur Schlacht bei Chäronea 338.

Het gaat erom dat je om economisch les te geven, goed voorbereidt. In de 8e en 9e klas dezelfde leerstof tot nog toe. In de 10e klas moet je teruggaan naar de oudste historische tijd, zou je kunnen beginnen met de oudste tijd en de geschiedenis zo ingedeeld, tot aan de ondergang van de Griekse vrijheid brengen; dus de oudste Indische tijd, Perzische tijd, Egyptisch-Chaldeïsche tijd, Griekse tijd tot de ondergang van de Griekse vrijheid tot de slag bij Chaeronea 338.
GA 300B/24
Niet vertaald

Gezondheidsleer

Bij gezondheidsleer de eenvoudige verbanden, ongeveer wat men EHBO noemt. . Een uur in de week, een half jaar lang.
GA 300B/29
Niet vertaald

Handenarbeid

Dr. Steiner: Nun muß der Handfertigkeitsunterricht hinübergezogen werden nach dem wirklich Künstlerischen. Das haben Sie schon getan mit dem Modellieren. Das kann man abwechseln lassen mit Malen; daß Sie mit denen, die geschickt dazu sind, malen. Bei denjenigen, die jetzt in die 10. Klasse kommen, kann man Rücksicht nehmen, daß wir sie haben werden wie am Gymnasium; durch das können wir ins Künstlerische und Kunstgewerbliche hinüberkommen. Ich meine, daß wir da noch etwas wie eine Art Ästhetisches brauchen, und da könnte der Dr. Schwebsch eintreten, daß er die ästhetische Verbin­dung herstellt zwischen dem Plastisch-Malerischen und dem Musikalischen.

Dr. Steiner: Nu moet de handenarbeid op een echt kunstzinnig niveau komen. Dat hebt u al gedaan met het boetseren. Dat kan afgewisseld worden met schilderen; dat u met degenen die daarvoor in aanmerking komen, schildert. Bij degenen die nu in de 10e klas komen, kun je er rekening mee houden, dat we ze zo hebben als op het gymnasium; daardoor kunnen we in het kunstzinnige komen en bij de kunstzinnig vervaardigde gebruiksvoorwerpen. Ik bedoel dat we nog een soort schoonheid nodig hebben en daar zou Dr. Schwebsch kunnen komen zodat hij de esthetische verbinding legt tussen het plastisch schilderachtige en het muzikale.

Handfertig­keitsunterricht, der ins Kunstgewerbliche hinübergeht 

Handenarbeid die overgaat in kunstzinnig vervaardige gebruiksvoorwerpen.

Ich würde doch meinen, daß man möglichst früh den Kindern den Begriff beibringt’ wann ein Sessel schön ist, wann ein Tisch schön ist. Daß Sie es so machen, daß der Unfug aufhört, daß ein Stuhl schön sein soll für das Auge. Der Stuhl, man will ihn fühlen, wenn man sich darauf setzt, will seine Schönheit fühlen. Geradeso wie ich es gestern im Handarbeitsunterricht gesagt habe, daß die Kinder fühlen sollen, daß, wenn etwas aufgemacht wird nach der einen Seite, daß das auch in der Stickerei empfunden wird. Ich glaube überhaupt, es werden jetzt die Dinge etwas zusammenwach­sen. Sie werden etwas zusammenwachsen: Handarbeitsunterricht, Handfertigkeitsunterricht, das künstlerische Empfinden und Musik. Das muß natürlich ordentlich gemacht werden, daß man diese Dinge überwindet .
In den Gymnasien ist das in schrecklicher Weise gewesen oder ist es noch. Herman Grimm klagte immer, wenn die Leute zu ihm kamen, und er ihnen Bilder zeigte, sie konnten auf den Bildern nicht heraus­kriegen, ob eine Person vorne oder hinten stand, sie hatten nicht die Spur von einer Anschauung. ob einer vorn oder hinten stand, das wußten die Gymnasiasten nicht.

Ik bedoel wel dat je zo vroeg mogelijk de kinderen het begrip bijbrengt wanneer een stoel mooi is, wanneer een tafel. Dat u het zo doet dat het verfoeilijke ophoudt een stoel alleen mooi te laten zijn voor het oog. De stoel wil je voelen wanneer je gaat zitten, je wil de schoonheid voelen. Net zoals ik gisteren zei voor het handenarbeidonderwijs, dat de kinderen moeten voelen dat wanneer er iets wordt gemaakt dat dan enerzijds ervaren kan worden aan de gestikte versiering. Ik geloof beslist dat deze dingen nu samenkomen. Ze moeten naar elkaar toegroeien: handwerken, handenarbeid, het kunstzinnig beleven en muziek. Dat moet natuurlijk goed gedaan worden, dat deze dingen overwonnen worden.
In de gymnasia was dat verschrikkelijk of het is nog zo. Herman Grimm klaagde steeds als de mensen naar hem toekwamen en hij hen afbeeldingen liet zien, dat ze uit die beelden niet konden opmaken of een persoon nu voor of achter stond, ze hadden geen greintje waarneming of iemand voor of achter stond, dat wisten de gymnasiasten niet.
GA 300B/28
Niet vertaald

Spinnerei: da müßte man ausgehen davon, daß man die Werkzeuge, wie Spinnrad, Webstuhl und so weiter durchnimmt und zunächst das primitive Spinnen und Weben. Sie können nicht mehr herauskriegen, als die einfachsten Dinge dem Begriffe nach kennenzulernen. Sie brauchen nicht mehr, als daß siedahin kommen, wie man den Faden kriegt; worauf es beruht, daß man das Gewebe kriegt. Seien Sie froh, wenn Sie eine Fertigkeit in drei Jahren bekommen. Kenntnis des Materials, das muß dabei sein. Und zweitens, in Form von Geschich­ten, die kulturhistorische Entwickelung. Damit kann man es würzen, Sie müssen natürlich die komplizierten Formen, da die elementaren nicht mehr verwendet werden, kennenlernen.

Spinnen: daar zou je uit moeten gaan van de apparaten, zoals spinnenwiel, weefgetouw enz. deze behandelen en dan op eenvoudige manier spinnen en weven. U kan niet meer bereiken dan van de meest eenvoudige dingen een begrip te krijgen, Meer hoeft niet, dat de leerlingen een gevoel krijgen voor hoe je een draad krijgt; waarop berust dat je een weefsel krijgt. Wees blij als u in drie jaar iets voor elkaar krijgt. Kennis van materiaal moet ook. En als tweede, in de vorm van verhalen, de cultuurhistorische ontwikkeling. Daarmee kun je het kruiden. Ze moeten natuurlijk wel de gecompliceerdere vormen leren kennen, omdat de elementaire niet meer gebruikt worden.
GA 300B/29
Niet vertaald

Mechanica

X.:    Am wenigsten behandelt ist die Mechanik.

Dr. Steiner: Dazu ist jetzt gerade die richtige Zeit. Man müßte mit 300b/26 mechanischen Formen (Formeln?) beginnen. Das würde man am besten nach der Behandlung des Mathematischen nehmen. Man braucht nur so weit zu kommen, daß die Kinder die einfachen Maschinen gründlich verstehen.

X: Er is het minst gedaan aan mechanica.

Dr. Steiner: Nu is het de juiste tijd. Je moet met mechanische vormen beginnen. Dat kan het beste na de behandeling van de wiskunde. Je hoeft alleen maar zover te komen dat de kinderen de eenvoudige machines begrijpen.
GA 300B/25
Niet vertaald

Jetzt wäre notwendig, daß die einfachsten Begriffe der technischen Mechanik beigebracht werden. Das können wir durchaus in solche Stunden verlegen, wie es die Sprachen sind. Wir brauchen zur tech­nischen Mechanik nur eine Stunde die Woche, zu Feldmessen und Situationszeichnen auch nur eine Stunde die Woche. Ein halbes Jahr Mechanik, ein halbes Jahr Feldmessen und Situationszeichnen. In der Mechanik würden Sie – man tut es nicht so – mit der Lehre von der Schraube beginnen. Man tut es nicht so. Aus dem Grunde soll es sein, weil die technische Mechanik von dem Charakter des Materiel­len, des Dichten ausgehen soll. Man soll erst später zum Dynami­schen kommen. Und da haben Sie ohnedies, wenn Sie da weit genug gehen, für ein halbes Jahr reichliche Arbeit. In bezug auf die tech­nische Mechanik alles, was sich auf die Schraube bezieht. Sie müssen natürlich die Kinder anleiten dazu, daß sie die Sache zeichnen kön­nen. Zugleich zeichnen: Bohrer, Schraube, Schneckengang.

Nu is het noodzakelijk dat de eenvoudigste begrippen uit de technische mechanica aangeleerd worden. Dat kunnen we zeker in net zulke uren doen, als de talen. Wij hebben voor de technische mechanica maar één uur in de week nodig, voor landmeten en situatietekenen ook maar één uur per week. Een half jaar mechanica, een half jaar landmeten en situatietekenen. Bij mechanica zou je – het wordt niet gedaan – met de leer van de schroeven kunnen beginnen. Dat doet men niet. Dat zou dan daarom zijn, omdat de technische mechanica zou moeten beginnen met de dichte materie. Pas later zou je dan op het dynamische over moeten gaan. Je hebt zonder meer, als je ver genoeg gaat, voor een half jaar rijkelijk werk. Dus wat de technische mechanica betreft, alles wat met de schroef heeft te maken. Je moet de kinderen er natuurlijk toe aansporen dat ze die dingen kunnen tekenen. Tegelijk: boor, schroef, slakkenhuis.

Beim Feldmessen genügt es, wenn Sie es so weit bringen, daß Sie erst die Feststellung der Horizontalen nehmen und zunächst so ganz kleine Situationsdinge: Weinberge, Obstgärten, Hutweiden, daß die Kinder einen Begriff haben, wie man das darstellt.

Bij landmeten is het genoeg wanneer u het zover brengt dat u eerst het horizontale vast laat leggen en dan van die kleine dingen uit de situatie: wijngaarden, vruchtentuinen, weilanden, dat de kinderen een begrip krijgen van hoe je dat vastlegt.
GA 300B/29
Niet vertaald

Zie het stuk aan het begin. 

Mineralogie

Wir würden in der 10. Klasse jetzt kommen zu einer Betrachtung des Menschen. Und Mineralogie muß gemacht werden. Wir müssen jetzt Mineralogie durchnehmen.

We zouden in de 10e klas nu moeten komen tot een beschouwing over de mens. En we moeten mineralogie doen. Nu moeten we mineralogie behandelen.
GA 300B/27
Niet vertaald

Muziek

GA 300B  blz. 28

( )dann ins Musikalische, daß das Ästhetische, nicht das Musiktheoretische gepflegt wird.

Im Musikalischen selbst wird sich ergeben, daß man mit der 10. Klasse etwas Instrumentalmusik fortsetzt.

X.:    Wir müßten es früher anfangen.

Dr. Steiner: Für die 10. Klasse unter allen Umständen.

X.:    In der 10. Klasse machen alle für sich Instrumentalmusik, die will ich zusam­menfassen, ein kleines Orchester organisieren. Die meisten gehören dazu.

Dr. Steiner: Diejenigen, die nicht mitmachen können, bei denen müßte man sich versichern, daß sie verstehend mitmachen.

X.:    Es wäre wohl nötig, daß wir für diese Klasse zwei Stunden haben, sonst können wir im Chorgesang kaum etwas zustandebringen.

Dr. Steiner: Wir können mit der 10. Klasse etwas Harmonielehre treiben, Harmonielehre mit dem Hinweis auf den Kontrapunkt, daß sie die Sehnsucht haben, ins Darstellerische hineinzukommen. Nichts forcieren;wenn sie darauf kommen, nichts forcieren!

( ) dat het muzikale, dat het esthetische, niet het muziektheoretische behandeld wordt.

Bij muziek zelf blijkt dat we met de 10e klas iets van instrumentale muziek voortzetten.

X: We moeten er eerder mee beginnen.

Dr. Steiner: Wat de 10e klas betreft zeer zeker.

X: In de 10e klas spelen ze allemaal een instrument. Die wil ik bij elkaar brengen en een klein orkest formeren. De meesten zitten daarbij.

Dr. Steiner: Van degenen die niet mee doen, moet je zeker zijn dat die er toch bij betrokken zijn, anders kunnen we met koorzang niets voor elkaar krijgen.

X: Het zou voor deze klas wel nodig zijn als we twee uur zouden hebben.

Dr. Steiner: We kunnen met de 10e klas ingaan op de harmonieleer. Harmonieleer met de verwijzing naar het contrapunt, dat ze zin krijgen iets te gaan doen. Niets forceren als ze daartoe komen, niets forceren.

Blz. 29

Beim Musikalischen kommt es dar­auf an, daß man etwas, was zur Probe beginnt, bis zu einem gewissen Grade zum Abschluß bringt. Besser drei oder vier Sachen das ganze Jahr bis zu einer gewissen Vollkommenheit, als wenn man alles mögliche anfängt. Über die Klippe kommt man hinweg, daß sie sich langweilen.

Bij muziek komt het erop aan dat je iets wat als probeersel begint, tot op een bepaalde hoogte tot een afronding laat komen. Beter drie of vier dingen het hele jaar door naar een zekere vervolmaking voeren, dan wanneer je maar met alle mogelijke dingen begint. Over het obstakel van verveling kom je wel heen.
GA 300B/28-29
Niet vertaald

Natuurkunde

Dr. Steiner: Das sollte das Ziel sein, so daß die Kinder einmal das Gesamtgebiet der Physik durchgenommen haben.

Dr. Steiner: Het doel moet zijn dat de kinderen een keer het totale gebied van de natuurkunde hebben doorgewerkt.
GA 300B/25
Niet vertaald

Niet-Nederlandse talen

Frans

10. Klasse Französisch: Literatur, Kultur. Ich würde es so machen, daß ich mit der neueren Zeit anfangen und auf Älteres zurückgehen würde. Ich würde es umgekehrt machen. – Was können die Kinder im Französischen?

X.:    Leichtere Gespräche.

Dr. Steiner: Man könnte den ,,Cid” lesen. Man müßte sie dahin brin­gen, daß sie französische klassische Poesie anfangen würden zu ver­stehen. Moliére später. Ich würde vorziehen, nicht von einem zum anderen zu eilen. Wenn Ihnen das sympathisch ist, den ,,Cid” ganz durchnehmen. Wir können im Verlauf des Jahres weiteres an­schließen .

10e klas Frans: literatuur, cultuur. Ik zou het zo doen dat ik met de nieuwere tijd zou beginnen en teruggaan naar de oudere. Ik zou het omgekeerd doen. Wat kunnen de kinderen lezen in het Frans?

X: Makkelijke gesprekjes.

Dr. Steiner: Je zou de ‘Cid’ kunnen lezen. Je zou ze zover moeten brengen dat ze Franse klassieke poëzie beginnen te begrijpen. Molière later. Ik stel voor niet van het ene naar het andere te haasten. Als het u sympathiek is, de ‘Cid’ helemaal. We kunnen er in het verloop van het jaar nog meer bij aanknopen. 

Engels

X.:    Was soll im Englischen gemacht werden? Ich habe die ganze Vor­geschichte des im Text Erzählten durchgenommen.

Dr. Steiner: Das wird man fortsetzen. Dann versuchen, ob die Kin­der irgendwie eine Satzreihe daraus frei darstellen können als selb­ständige schriftstellerische Arbeit. 

X.    frägt, ob er Dickens lesen soll.

Dr. Steiner: Die Lehrpläne, die wir bisher ausgearbeitet haben, sind schon gut.

X: Wat moet er bij Engels worden gedaan? Ik heb de hele voorgeschiedenis van wat in de tekst verteld wordt, doorgenomen.

Dr. Steiner: Daar moet u mee doorgaan. Dan proberen of de kinderen op de een of andere manier een stukje tekst daaruit kunnen weergeven op een vrije, zelfstandige manier van schriftelijk werk. 

.X. vraagt of hij Dickens moet lezen. 

Dr. Steiner: De leerplannen die we tot nog toe uitgewerkt hebben, zijn wel goed.

Latijn, Grieks

Jetzt bleibt uns noch Lateinisch und Griechisch. Was können die Kinder im Lateinischen und Griechischen?

X.:    Ovid’ nicht immer übersetzen.

Dr. Steiner: Das muß fortgesetzt werden. Sie müssen jetzt so weit kommen, daß sie einfache Sachen verstehen im Griechischen.
Lateinisch und Griechisch sollten wir so viel geben, als wir können. Es kommt Es kommt nicht so darauf an, daß man dies abgezirkelte Verfahren hat, wie man es am Gymnasium hat. Das ist Unsinn. Man muß auf Lateinisch und Griechisch etwas mehr, auf neuere Sprachen etwas weniger Gewicht legen. In den unteren Klassen so weit kommen, daß man nicht nötig hat, später zuviel Zeit zu verwenden.

Dan blijft er nog Latijn en Grieks over. Wat kunnen de kinderen in Latijn en Grieks lezen?

X.: Niet steeds Ovidius lezen.

Dr. Steiner: Daarmee doorgaan. Ze moeten nu zover komen dat ze in het Grieks eenvoudige dingen begrijpen. We moeten zoveel als er kan Latijn en Grieks geven. Het komt er niet zozeer op aan dat je het net zo doet als op het gymnasium. Dat is onzin. Op Latijn en Grieks moet je iets meer de nadruk leggen, op de moderne talen iets minder. In de lagere klassen moet je zover komen dat het niet nodig is er later te veel tijd aan te moeten besteden. 
GA 300B/31
Niet vertaald

Scheikunde

X.:    Da haben wir vor allen Dingen versucht, den Unterschied zwischen Säure und Base durchzunehmen.
Dr. Steiner: Das ist alles natürlich gut. Haben die Kinder eine deut­liche Vorstellung von der ganzen Bedeutung eines Salzes, einer Säure, einer Base? Diese Sachen müssen zunächst gemacht werden. Es ist greulich, von der organischen Chemie zu reden. Man müßte etwas darüber wegkommen und die Begriffe erweitern. Sehr viel könnte man tun, wenn man einfach jetzt in diesem Jahr, was hereingehört in dieses Jahr, erschöpfend ordentlich beobachten

X: We hebben vooral geprobeerd het verschil tussen basen en zuren door te nemen.

Dr. Steiner: Dat is natuurlijk allemaal goed. Hebben de kinderen een duidelijke voorstelling van de totale betekenis van een zout, van een zuur, van een base? Die moeten aan de orde komen. Het is afschuwelijk over organische scheikunde te spreken. Daar moeten we wel overheen komen en de begrippen uitbreiden. Je zou zeer veel kunnen doen, wanneer je simpelweg dit jaar, wat in dit jaar hoort, uitputtend zorgvuldig bekijkt: het basische, zoutachtige, zure; dan praten over alkalische reacties en die van het zuur en daarna, zodat ze daar begrip voor krijgen, de fysiologische processen. Je kan uitgaan van de tegenovergestelde reactie, bv. bij koninginnengelei en hemolymfe, omdat je daarbij

würde: Basisches, Säurehaftes, Salzhaftes; dann also vom alkalischen und sauren Reagieren reden und nachher anschließen, so daß sie ein Ver­ständnis dafür bekommen, die physiologischen Prozesse. Man kann ausgehen von der entgegengesetzten Reaktion, etwa Futtersaft und Bienenblut, weil man da Alkalisches und Saures hat, in dem es gipfeln lassen, in dem entgegengesetzten Verhalten von Bienenblut und Bienensaft. Auf diese Weise hat man den Eingang in die physiologi­schen Prozesse. Sie brauchen nur die Begriffe ihnen herauszuarbei­ten: Alkalisches, Saures; Basen, Säuren. Dann also, weil das charak­teristisch ist, Bienenblut und Futtersaft der Biene, weil die entgegen­gesetzt reagieren; Futtersaft reagiert sauer, Bienenblut reagiert alkalisch. Diesen polarischen Gegensatz von Blut und Futtersaft, was die Biene in den Verdauungsorganen darinnen hat. Es ist beim Men­schen auch so; man kann es nur nicht so charakteristisch konstatie­ren. Bei den Bienen kann man es sehr leicht am Laboratoriumstisch machen.

het alkalische en het zure hebt, dat tot de hoogste uitdrukking laten komen, in het zich tegengesteld gedragen van hemolymfe en gelei. Op deze manier heb je een ingang tot de fysiologische processen. Je hoeft alleen maar de begrippen uit te werken: alkalisch, zuur, basen, zuren. Dan dus, omdat het karakteristiek is, hemolymfe en koninginnengelei, omdat die tegenovergesteld reageren. Gelei reageert zuur, hemolymfe alkalisch. Die polaire tegenstellingen van bloed en sap wat in de stofwisseling zit van de bijen. Dat is bij de mens ook zo, alleen kun je dat niet zo karakteristiek constateren. Bij de bijen kun je dat heel makkelijk op de tafel in het laboratorium constateren.
GA 300B/26
Niet vertaald

Stenografie

Dr. Steiner: Es entstehen solche Fragen: nehmen wir prinzipiell Stenographie hinein in unseren Unterrichtsplan, dann müssen wir es jetzt anfangen.

X.:    Es betreiben es die meisten privat.

Dr. Steiner: Das kann uns nicht interessieren. Wir müssen uns fragen, ob wir noch diese zwei Stunden in der Woche in der 10. Klasse verwenden wollen, um Stenographie zu treiben, und was für ein System. Gabelsberger: hier ist gerade die Grenze; Gabelsberger überwiegt hier, in Bayern ja wohl auch. GabeLsberger, scheint mir, würde noch das am wenigsten Geisttötende sein. Es wäre ein solches Glück, wenn die Stenographie niemals erfunden worden wäre. Da sie da ist, kann man sie nicht entbehren, geradesowenig wie das Tele­phon. – Also Gabelsberger! Zwei Stunden Stenographie.

Dr. Steiner: Er komen van die vragen: nemen we principieel stenografie op in ons leerplan; dan moeten we nu beginnen.
|
X: De meesten doen dat privé.

Dr. Steiner: Daar hebben we niets mee te maken. Wij moeten ons afvragen of wij er nog twee uren in deze klas aan willen besteden. En welk systeem. Gabelsberger is hier de limit. Hier zie je Gabelsberger het meest. In Beieren misschien ook wel. Gabelsberger lijkt mij nog het minst geestdodend te zijn. Het zou wel een geluk zijn geweest als steno nooit zou zijn uitgevonden. Nu het er eenmaal is, kan het niet gemist worden, net zomin als de telefoon. Dus Gabelsberger! Twee uur stenografie.
GA 300B/26
Niet vertaald

Dr. Steiner: Stenographie sollte man lernen wie im Schlafe, ohne besondere Konzentration. Daß man überhaupt Stenographie lernt, ist im Grunde eine Barbarei, der Gipfel des Ahrimanismus. Daher wäre es ideal, Stenographie wie im Schlafe zu lernen. Da man das nicht kann, so ist es von großer Bedeutung, daß man es ganz ver­fuselt, wie wenn gar nicht darauf konzentriert würde, daß es gelernt würde. Weil es Unfug ist. Es ist ein Kulturunfug, daß stenographiert wird.

Dr. Steiner: Stenografie moet je leren alsof je slaapt, zonder een bijzondere concentratie. Dat er dus stenografie geleerd wordt, is eigenlijk barbaars, het toppunt van Ahriman. Vandaar dat het ideaal zou zijn stenografie te leren alsof je slaapt. Omdat dat niet kan, is het van groot belang dat je het helemaal verprutst alsof je er niet op geconcentreerd bent om het te leren. Omdat het een onzinnig iets is. Het is een cultureel onding dat er gestenografeerd wordt.
GA 300B/53
Niet vertaald

Taal

GA 300B blz. 22

Dr. Steiner: Wir werden da zunächst so etwas wie deutsche Sprache und Literatur zu berücksichtigen haben. Nun, nicht wahr, es würde wohl die Fortsetzung dessen sein, was Sie in der 9. Klasse hatten.

X.:    Ich habe Jean Paul gelesen.

Dr. Steiner: Sie haben Jean Paul durchgenommen und sind damit fertig.

X.:    Das Kapitel über Humor, das als Aufgabe gestellt war, hat seinen Ab­schluß gefunden.

Dr. Steiner: Nun würde es sich darum handeln, daß Sie jetzt begin­nen und weiter fortsetzen eine etwas zusammenhängende Darstel­lung dessen, was man als Metrik und Poetik bezeichnet. Die Kinder werden auf Grundlage dessen, was sie in Anlehnung an Jean Paul gelernt haben, auf manches eingehen können. Es muß vermieden werden die gewöhnliche pedantische Schulmethode, die da sonst eingehalten wird. Es muß also in lebendiger Weise, in Anlehnung an lebendige Dichtung Metrik und Poetik, was man gewöhnlich so nennt, ins Vernünftige umgesetzt behandelt werden. Dann würde in dieser Klasse durchzunehmen sein das Nibelungenlied und Gudrun. Womöglich dahin arbeiten, daß man es in der mittel­hochdeutschen Sprache durchnimmt. Man würde es so machen, daß, soviel die Zeit gestattet, man mittelhochdeutsch durchnimmt, aber auch das ganze Milieu bespricht, aus dem die Dichtung

Dr. Steiner: We moeten eerst zoiets als Duits en literatuur bekijken. Je zou verder kunnen gaan met wat je in de 9e klas hebt gedaan.

X. Ik heb Jean Paul gelezen. 

Dr. Steiner: U hebt Jean Paul doorgenomen en u bent daarmee klaar.

X: Het hoofdstuk over humor dat een opdracht was, heb ik afgesloten.

Dr. Steiner: Nu gaat het erom dat u nu begint en ermee doorgaat om iets samenhangends te geven van wat men noemt metriek en dichtkunst. De kinderen kunnen, aansluitend bij wat ze geleerd hebben van Jean Paul, op veel ingaan. Je moet de pedantische methode die gewoonlijk gevolgd wordt, vermijden. Het moet op een levende manier, aansluitend bij gedichten die leven, metriek en dichtkunst, zoals men dat gewoonlijk noemt, op een verstandige manier omgewerkt, behandelen. Dan zou in deze klas het Nibelungenlied en Gudrun behandeld moeten worden. Zo mogelijk ernaar toe werken, dat je het in  de Middelhoogduitse taal doorneemt. Dat zou je zo kunnen doen, als de tijd het toelaat, dat je ook de hele sfeer beschrijft waaruit het gedicht 

Blz. 23

gewachsen ist, die künstlerische volkstümliche Bedeutung durchspricht und, abgesehen von dem, was man gewissermaßen als Proben liest, auch den ganzen Inhalt der großen Gedichte den Kindern vermittelt. Dann auch, natürlich in Anlehnung an das Nibelungenlied, etwas mittelhochdeutsche Grammatik in Vergleichung mit der neuhoch­deutschen Grammatik. Das würde das Lehrpensum sein, das Sie in der 10. Klasse durchzunehmen hätten. Anzufangen wäre mit der Metrik.

X.:    Würden Sie mir selbst ein Buch zum Studium anempfehlen für die Metrik im Deutschunterricht?

Dr. Steiner: Es ist jedes gleich gut und gleich schlecht. Sehen Sie nach bei der Sammlung Göschen in einer der schlechtesten Metho­den, damit Sie die Aufeinanderfolge der Begriffe haben. Es gibt keine gute deutsche Metrik und Poetik; Bartsch, Lachmann. – Nibe­lungenlied, von Simrock verdeutscht; er hat versucht sich daran zu halten. Die Elemente habe ich gegeben in einem Vortrag in Dornach. Ich habe da die Metrik aus dem Zusammenstimmen zwischen Pulsschlag und Atmung physiologisch begründet. Man kann den Hexameter studieren, wenn man die Zäsur dazunimmt, als Zusammenklang von Pulsschlag und Atmung.

ontstaan is, de kunstzinnige volkse betekenis bespreekt en afgezien van wat men in zekere zin als voorbeelden leest, ook de hele inhoud van de grote gedichten aan de kinderen doorgeeft. Dan ook, natuurlijk aansluitend bij het Nibelungenlied iets van de grammatica van het Middelhoogduits in vergelijking met het nieuwe Duits. Dat zou het lesprogramma moeten zijn dat in de 10e klas behandeld zou moeten worden. Je zou met de metriek kunnen beginnen.

X: Zou u mij zelf een boek kunnen aanraden voor de studie van de metriek voor het taalonderwijs?

Dr. Steiner: Elk boek is én goed én slecht. Kijk eens bij de verzameling Göschen, in een van de slechtste methoden, zodat u de opsomming van de begrippen hebt. Er bestaat geen goede Duitse metriek en poëtica: Bartsch, Lachmann – Nibelungenlied, door Simrock in het Duits gezet; hij heeft geprobeerd zich eraan te houden. De onderdelen heb ik in een voordracht in Dornach* gegeven. Daar heb ik de metriek een basis gegeven vanuit de afstemming van polsslag en ademhaling. Je kan de hexameter bestuderen, als je de cesuur daarbij neemt, als samengaan van pols en adem.
*GA 281
Niet vertaald

GA 300B/22-23
Niet vertaald

GA 300B  blz. 290

X. fragt wegen der Behandlung des Nibelungenliedes in der 10. Klasse.

Dr. Steiner: Nicht wahr, Sie haben es durchgenommen. Die Sache ist diese, daß Sie die Kinder zuerst einführen in das ganze Milieu des Nibelungenliedes, daß sie verstehen, wie es historisch sich in die Zeit hineinstellt. Das möglichst anschaulich und bildlich machen, so ähnlich, wie ich dazumal Parzival und Christentum versucht habe. Das wäre die Völkerwanderungszeit. Recht lebendig hineinstellen und dann Proben geben in der Weise, daß Sie den Kindern zuerst ein vollständiges Bild geben, nicht in einer langweiligen Prosa, sondern in einer kurzweiligen, bildhaften Art, ein Bild geben dessen, was sie als Probe lesen. Vor allen Dingen sehen, daß nicht bloß Sie lesen,

X vraagt iets over de behandeling van het Nibelungenlied in de 10e klas

U hebt het behandeld, niet waar. De zaak zit zo dat u de kinderen eerst vertrouwd maakt met de hele entourage rond het Nibelungenlied, dat ze begrijpen hoe dit historisch in de tijd te plaatsen is. Dat zo mogelijk aanschouwelijk en beeldend doen, zoals ik toen met Parzival en het christendom heb geprobeerd. De tijd van de volksverhuizingen. Goed levendig neerzetten en voorbeelden geven op de manier dat u de kinderen eerst een volledig beeld geeft, niet met vervelend proza, maar op een beeldende manier, kort, to the point, een beeld van wat u als voorbeeld gaat lezen. Er vooral op letten dat u niet alleen leest.

Blz. 291

sondern daß die Kinder auch lesen, so daß sie dadurch, daß Sie ein richtiges Bild gegeben haben, nicht langweilig lesen. Langweilig lesen ist etwas, was man gar nicht kann, wenn man ein richtiges Bild gegeben hat. Bei einzelnen interessanten Passagen stehenbleiben, manche schöne Wortbetrachtung haben. Aus manchen Worten oder Satzwendungen kann man Feuerfunken schlagen und ganze Zeit­beleuchtungen vornehmen. Wenn Sie das tun, haben Sie die Kinder genügend eingeführt.

maar dat de kinderen ook lezen, zodat ze, omdat u hen een goed beeld hebt gegeven, niet verveeld gaan lezen. Verveeld lezen is iets wat niet kan, wanneer je een juist beeld hebt gegeven. Bij bepaalde interessante passages stil blijven staan, bij sommige mooie woordbespiegelingen. Uit sommige woorden of zinswendingen kan je de vonken eruit laten slaan en hele beschouwingen houden over de tijd. Wanneer je dat doet, heb je de kinderen voldoende ingeleid.

Wiskunde

Dr. Steiner: Wie weit sind Sie in der Mathematik bisher gekommen?

X.: Algebraische Potenzen und Wurzelrechnungen. Geometrisches Zeichnen, darstellende Geometrie. Flächenberechnungen habe ich gemacht. Einfache Gleichungen, Gleichungen mit mehreren Unbekannten, quadratische Glei­chungen. Umfang und Flächenberechnung des Kreises.

Dr. Steiner: Man kann den Begriff des π beibringen. – Wenn man den Begriff beibringt dann kann es sich nicht darum handeln, daß sie Theorien über Dezimalien bekommen. Sie können die Zahl π bis zu einer Dezimalstelle kennenlernen.

X.: Wir haben die Ableitung der Zahl π aus dem Umfang der eingeschriebenen und umgeschriebenen Vielecke des Kreises gemacht.

Dr. Steiner: Hoe ver bent u bij wiskunde gekomen?

X: Algebraïsch potentiëren en worteltrekken. Geometrisch tekenen, beschrijvende meetkunde, ik heb vlakkenberekeningen gemaakt. Eenvoudige vergelijkingen, vergelijkingen met meerdere onbekenden, vierkantsvergelijkingen. Omtrek en vlakberekening van de cirkel.

Dr. Steiner: Je kan het begrip π aanleren. Wanneer je het begrip aanleert, gaat het er niet om dat ze theorie krijgen over het tiendelige. Ze kunnen het getal π tot één decimaalplaats leren.

X: Wij hebben de afleiding van het getal π uit de omtrek van de ingeschreven en omschreven veelhoeken van de cirkel gehaald.

Dr. Steiner: Was für Linien kennen die Kinder?

X.:    Wir haben im vorigen Jahr gezeichnet, als geometrischen Ort verstanden. Ellipse, Hyperbel und Parabel.

Dr. Steiner: Es würde sich jetzt darum handeln, daß die Kinder die ersten Elemente der ebenen Trigonometrie kennenlernen. Ich glaube, das können wir zunächst als Pensum betrachten. Dann kommt die Deskriptive. Wie weit sind Sie gekommen?

X.:    Daß sie die Darstellung von sich durchdringenden Ebenen und Flächen verstanden haben. Zwei Dreiecksflächen. die sich durchdringen, das würden
die Kinder als Aufgabe schon lösen können. Auch daß sie aufsuchen könnten den Durchdringungspunkt einer Geraden mit einer Ebene.Dr. Steiner: Das ist vielleicht nicht notwendig. – Man müßte eigent­lich die Methode so machen, daß man ausgeht von der Projektion, Orthogonalprojektion, daß man von der Projektion ausgeht, Punkt – Gerade, daß man die Darstellung der Ebene nimmt, der Ebene als Ebene, nicht der Ebene als Dreieck.

Es müßte dann angeschlossen werden die Lehre von den Ebenen und Schnitten zweier Ebenen. Und dann, nicht wahr, die daran anschlie­ßenden ersten Elemente der Lagengeometrie. Vor allen Dingen brin­gen Sie den Kindern Begriffe bei von der Dualität. Sie brauchen nur die allerersten Dinge beizubringen .

X.:    Im Zusammenhang mit der Trigonometrie wird es freilich schon notwen­dig sein, auf Logarithmen einzugehen.

Dr. Steiner: Den Begriff des Logarithmus haben sie noch gar nicht? Das muß natürlich eigentlich mitgenommen werden in der Mathe­matik. Das gehört noch hinein. Sie werden nur die Grundbegriffe kennen: Sinus, Cosinus, Tangens. Ein paar Sätze, das kann für sich genommen werden. Ein paar von diesen Beziehungen, daß sie anfan­gen zu begreifen: sin² ∝  + cos² ∝ =1, möglichst anschaulich zu begreifen.

X.:    Sollte es angestrebt werden, die Logarithmenlehre schon in der 9. Klasse anzubringen?

Dr. Steiner: Es genügt, wenn sie mit Logarithmen so weit kommen, daß sie einfache logarithmische Rechnungen ausführen können.

Dr. Steiner: Wat voor lijnen kennen de kinderen?

X: We hebben vorig jaar getekend, als wiskundige plaats begrepen, de ellips, hyperbool en parabool.

Dr. Steiner: Het gaat er nu om dat de kinderen de eerste elementen van de vlakke trigonometrie leren kennen. Ik geloof dat we eerst naar de lesstof kunnen kijken, Dan komt de beschrijving. Hoe ver bent u gekomen.

X: Dat ze de beschrijving van zich elkaar dorsnijdende platte vlakken en vlakken begrepen hebben. Twee driehoeksvlakken die elkaar doordringen, dat zouden de kinderen als opgave al kunnen oplossen. Ook dat ze het snijpunt van een lijn en en vlak kunnen opzoeken. 

Dr. Steiner: Dat is misschien niet nodig. Je zou de methode eigenlijk zo moeten maken dat je uitgaat van de projectie, de orthogonale projectie, punt – rechte lijn, dat je het gegeven van de platte vlakken neemt, van het platte vlak als vlak, niet het vlak als driehoek. Daarbij moet worden aangesloten de leer van de vlakken en de doorsnijding van twee platte vlakken. En dan daarbij aansluitend de eerste elementen van de projectieve meetkunde. Vooral de kinderen begrippen aanleren van de dualiteit. Je hoeft alleen de eerste beginselen aan te leren.

X: In samenhang met de trigonometrie is het vrijwel zeker noodzakelijk in te gaan op de logaritmen.

Dr. Steiner: Hebben ze nog helemaal geen begrip van logaritmen? Dat moet bij wiskunde wel meegenomen worden. Dat hoort erbij. Ze zullen de basisbegrippen wel kennen: sinus, cosinus, tangens. Een paar regels, dat kan op zich. Een paar samenhangen, dat ze beginnen te begrijpen sin² ∝  + cos² ∝ =1, zo mogelijk aanschouwelijk te begrijpen.

X: Moet ernaar gestreefd worden de leer van de logaritmen al in de 9e klas aan te leren?

Dr. Steiner: Het is genoeg, wanneer ze met de logaritmen zover komen dat zij eenvoudige logaritmische berekeningen kunnen uitvoeren.
GA 300B/24-25
Niet vertaald

.

10e klasmeer artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Het leerplanalle artikelen

.

Vrijeschool in beeld

.

2165-2033

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – kinderboekbespreking (38)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Amalia Baracs, Weleda Puur Kind, herfst 2001, nr.8
.

In de regel zullen oma en opa rust en tijd hebben om met de kleinkinderen een prentenboek te kijken of hen voor te lezen. Voor grootouders is het dan ook handig een paar ‘klassieke’ voorleesboeken in de kast te hebben staan. Boeken met verhalen die veel kinderen aanspreken en die bovendien niet te zeer zijn toegespitst op een bepaalde leeftijd.

‘Echte’ boeken zijn voor de hele kleintjes nog niet nodig. Zij hebben het grootste plezier wanneer je zo nu en dan een liedje voor ze zingt of een rijmpje opzegt en dat vooral vaak herhaalt.
Een echt oma- en opawerkje is het zelf maken van een lappenboekje met op elke bladzijde een afbeelding uit de omgeving van dit ene kind: de appelboom uit de tuin, de viool van opa, de poes, enzovoort. Je kunt al je gevoel voor het kind in zo’n boekje leggen, zodat je er zelf ook van geniet als je het met je kleinkind bekijkt. Dat laatste is belangrijk, want je eigen beleving stroomt direct door naar het kind. Zo is het ook goed om straks, als je kleinkind wat groter is, alleen dingen voor te lezen waaraan je zelf ook plezier beleeft.

Grootouders zijn anders dan ouders. Juist door die onzichtbare draden die er wederzijds lopen, zijn kleinkinderen bij opa en oma extra gevoelig voor geuren, sferen, interesses. Mijn zoon heeft bijvoorbeeld een sterke vroege herinnering aan opa die met hem achter in de tuin bloemen van de dovenetel plukte. Dan gingen ze heel behoedzaam aan elk los bloemetje zuigen om de zoete honing te proeven. Dit soort ‘kleine’ belevenissen zijn heel bepalend voor een kinderleven.

Een klassiek groot voorleesboek is Vrouwtje Appelwang van Ruth Ainsworth met verhaaltjes over de kleuter Jasper, die van alles en nog wat verzamelt. Omdat zijn broekzakken altijd uitpuilen, naait oma voor hem een stevige katoenen zak. Als iemand Jasper vraagt wat hij met al die spullen gaat doen, antwoordt hij: ‘Weet ik niet, maar een keertje kan ik ze vast ergens voor gebruiken’.

Tussen de verhalen over het kleuterleven zijn ook meer sprookjesachtige vertellingen opgenomen. Uit alle verhalen spreekt een ondertoon van respect voor de ontwikkeling van kinderen. Er is ruimte voor ruzie met een buurmeisje, voor de boze buien van Jasper, voor zijn kindergeheimen, maar ook voor zijn relatie met volwassenen en de natuur. Gaandeweg verdwijnt Jasper uit beeld, worden de verhalen langer en groeien ze ook wat thematiek betreft met de (klein)kinderen mee. Als die een jaar of acht zijn zullen ze de verhalen die opa en oma ooit voorlazen ook zelf willen lezen. 

Ruth Ainsworth
llustraties: Shirley Hughes

Boek

Vanaf 4 jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2164-2032

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (79)

.

De toets mist de ware aard van het kind
.

Die kop geeft Joop Groot Roessink zijn ingezonden stuk mee in Trouw van 20-01-2020.

Groot Roesink is een gepensioneerd leraar en intern begeleider, basis- en speciaal onderwijs.

Het gaat om het promotieonderzoek van orthopedagoog Niek Frans over de voorspellende waarde van toetsen bij met name jonge kinderen.

‘Die blijkt beperkt te zijn.’

Promovendus Niek Frans noemt een aantal redenen waarom toetsresultaten weinig zeggen over de toekomst.’

‘Toch blijkt uit zijn onderzoek dat veel leraren lage scores al snel problematisch vinden, en reden om in te grijpen. Dit wordt wellicht aangewakkerd door ouders, die een (soms te) hoge verwachting van hun kind hebben. Net als van volwassenen veel wordt verwacht in hun beroep. Een maatschappelijke tendens, met (werk)druk als gevolg.’

Groot Roessink besluit zijn bericht met:

De vorig jaar overleden Leidse oud-hoogleraar orthopedagogiek Wim ter Horst stelde:

De groei van het kind in het onderwijsleerproces meten wij graag met toetsen en testen. Maar als alles is vastgelegd met toetsen en observaties, blijft er nog iets over:

het eigene, het geheim, de Ware Aard van het kind.

Er bestaat geen toets om dat te meten. Als wij zo op zoek gaan naar het eigene van het kind, dan hebben we niet alleen kennis over het kind, maar doen wij ook kennis op aan het kind”.

Dat is het eigenlijke werk van leraren, vervolgde Ter Horst. “Want als de leerlingen op een of ander moment in hun leven alles kwijt zijn wat toetsen kunnen meten, wat ze dan nog overhebben, dat bepaalt de kwaliteit van het onderwijs.”

‘Wijze woorden van deze geleerde en zo gewone man.’
===

Rudolf Steiner:

De puur intellectualistische vorming zal nooit en te nimmer de mens iets geven voor het latere leven.

Die rein intellektualistische Bildung könnte nie und nimmer irgend etwas den Menschen geben für das spätere Alter.
GA 301/72
Op deze blog vertaald/72

We kijken niet meer naar de (volledige) mens, maar naar wat de mens moet worden bijgebracht, wat hij moet weten en in zich moet hebben. ( ) Wij moeten weer oog krijgen voor de héle mens.

Wir schauen nicht mehr auf den Menschen, sondern auf das, was dem Men­schen beigebracht werden soll, was er wissen und in sich tragen soll. ( ) Wir müssen wieder den Blick bekommen für den ganzen Menschen.
GA 310/159
vertaald/167

.

Opspattend grind: alle artikelen
met daarin: over de toets: [4]  [16]  [38]  [58]  [64]  [68]

.

2163-2031

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 11e klas – wiskundige aardrijkskunde

.

wiskundige aardrijkskunde

Toen de vrijeschoolbovenbouwen iets minder onvrij waren dan nu – lees: minder te maken hadden met examendruk – was ‘wiskundige aardrijkskunde’ een periode waaraan alle leerlingen van de klas in het hoofdonderwijs deelnamen. Hoe dat nu is, weet ik niet.

Een van de allereerste aanwijzingen in het leerplan van Caroline von Heydebrand voor het vak aardrijkskunde in de 11e klas, is de behandeling van de mercatorprojectie. In dit nummer van het tijdschrift Vrije Opvoedkunst staat een artikel over ‘wiskundige aardrijkskunde’. 

Ook de zonnewijzer kan behandeld worden. 
In een verzameling artikelen in een bundel van vrijeschool ‘Novalis college’ in Eindhoven staat dit artikel uit het blad ‘Pythagoras’.

Daarin wordt genoemd deZonnewijzerkring‘. Op de website staat veel informatie en je kan er veel afbeeldingen vinden.

11e klas: alle artikelen

Sterrenkunde: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden.

.

2162-2030

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 1 (1-2-1/1)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst       Vertaling .

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat. Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3].

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik bij alle voordrachten een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken. De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 17

In [1-2-1] komt de verbinding met de geestelijke wereld ter sprake. Voor velen van ons is de vraag óf er een geestelijke wereld is, al een totaal onzinnige, laat staan dat je daar een verbinding mee kan krijgen of hebben. Er is geen wetenschappelijk bewijs voor zo’n wereld; je kan er hoogstens in geloven. Dit probleem wordt ook door Steiner onderkend. Enerzijds geeft hij wegen aan om deze geestelijke wereld te leren waarnemen; anderzijds roept hij ons op om met gezond verstand de mededelingen die hij over deze werelden doet, open onder ogen te zien. Soms zegt hij daar heel simpel bij: ‘om op schoenen te lopen, hoeft niet iedereen schoenmaker te worden.’ Dat het voor de mens van nu moeilijk is om ‘geest’ te accepteren, te begrijpen, vindt een grote oorzaak in de afspraken over geest en ziel op het Concilie van Constantinopel van 879.  Maar er is meer: Aristoteles was volgens Steiner de eerste die de geboorte, het ontstaan van de ziel, tegelijkertijd liet plaatsvinden met de geboorte van het lichaam, m.a.w. de menselijke ziel bestaat daarvoor niet. 

In GA 206 zegt Steiner daarover:

Und es ist eine durchaus aristotelische Lehre die Lehre von der gleichmäßigen Entstehung des menschlichen Leibes und der menschlichen Seele durch die Geburt oder sagen wir Konzeption eines Menschen. Mit dem Abstreifen der alten Spiritualität, mit dem Heraufdringen der bloßen Intellektualität wurde schon von Aristoteles abgestreift die Präexistenzanschauung, die Anschauung von dem Leben der Menschenseele vor der Geburt, vor der Konzeption. Dieses Leugnen der Präexistenzlehre ist nicht christlich, sondern es ist aristotelisch. Zur dogmatischen Fessel wurde im Grunde genommen diese Bekämpfung der Präexistenzlehre erst durch die Aufnahme des Aristotelismus in die christliche Theologie.

Het is volstrekt een Aristotelische leer: de leer van de gelijktijdige ontwikkeling van het menselijke lichaam en de menselijke ziel door de geboorte of laten we zeggen de conceptie van een mens. Door afstand te nemen van de oude spiritualiteit, met de opkomst van de pure intellectualiteit werd door Aristoteles al de opvatting over het voorgeboortelijke weggewuifd, het gezichtspunt van het leven van de menselijke ziel voor de geboorte, voor de conceptie. Dit ontkennen van de pre-existentiële leer is niet christelijk, maar van Aristoteles. In de grond van de zaak werd dit bestrijden van de pre-existentiële leer een dogmatische dwang doordat de christelijke theologie Aristoteles aannam.  ( ) 

was uns im Menschen zum Beispiel entgegentritt, insofern der Mensch ein physisch-materiell organisiertes Wesen ist, Abbild ist der geistigen Entwicklung seit dem letzten Tode. Das ist in der Tat nicht das rein Geistig-Seelische, es ist das Physisch-Seelische, es ist Abbild, was sich da entwickelt zwischen Geburt und Tod.

Wat wij van de mens zien in zoverre hij een fysiek-stoffelijk georganiseerd wezen is, is een beeld van zijn geestelijke ontwikkeling sinds zijn laatste dood. Dat is in feite niet de pure geest en ziel, het is lichaam en ziel, het is een beeld van wat zich tussen geboorte en dood ontwikkelt.

Blz. 41

Aus dem, was da der Mensch durchlebt zwischen Geburt und Tod, ist in der Tat niemals eine Möglichkeit zu gewinnen für eine wissenschaftliche Anschauung eines Postmortem-Lebens. Es gibt nichts, was einen möglichen Unsterblichkeitsbeweis liefert, wenn man bloß das Leben des Menschen zwischen der Geburt und dem Tode ins Auge faßt. Nun faßt aber zunächst das traditionelle Christentum vom Menschen nur dieses Leben zwischen der Geburt und dem Tod ins Auge, denn es läßt ja auch die Seele geschaffen werden mit der Geburt oder Konzeption. Daraus ist kein Wissen zu gewinnen über das Postmortem-Leben. Will man nicht gelten lassen das präexistente Leben, über das, wie Sie wissen, ein Wissen zu gewinnen ist, dann kann man niemals ein Wissen gewinnen über das Leben nach dem Tode. Daher also die Spaltung zwischen Wissen und Glauben mit Bezug auf die Unsterblichkeitsfrage, zum Beispiel aus dem Dogma von der Bekämpfung des vorgeburtlichen Lebens. Weil man fallenlassen wollte die Erkenntnis von dem vorgeburtlichen Leben, ergab sich die Notwendigkeit, eine besondere  Glaubensgewißheit zu statuieren. Denn will man dann, wenn man das vorgeburtliche Leben bekämpft, noch von einem Leben nach dem Tode sprechen, dann kann man nicht von einer wissenschaftlichen Erkenntnis darüber sprechen.

Uit wat de mens doormaakt tussen geboorte en dood is feitelijk nooit de mogelijkheid te halen voor een wetenschappelijke opvatting van een leven na de dood. Er is niets wat een mogelijk bewijs levert voor de vraag van de onsterfelijkheid, wanneer je alleen maar kijkt naar het leven van de mens tussen geboorte en dood. Maar het traditionele christendom kijkt echter alleen maar naar het leven van de mens tussen geboorte en dood, want zij laat de ziel ook ontstaan met de geboorte of de conceptie. Daaruit kun je geen kennis halen over het leven na de dood. Wil je het leven vóór de geboorte niet meetellen, waarover zoals u weet wél kennis te verkrijgen is, dan kun je ook nooit iets te weten komen over het leven na de dood. Vandaar de kloof tussen weten en geloven wat betreft de vraag van de onsterfelijkheid, bv. door het dogma van het bestrijden van het voorgeboortelijke leven. Omdat men kennis over het voorgeboortelijke leven wilde laten vallen, ontstond de noodzaak een bijzondere geloofszekerheid vast te stellen. Want wil je, wanneer je het voorgeboortelijke leven bestrijdt, toch over een leven na de dood spreken, dan kun je daarover niet spreken met wetenschappelijke kennis.

Sie sehen, wie systematisch geordnet, möchte ich sagen, dieses Dogmengefüge ist. Es handelt sich darum, innerhalb der Menschheit Finsternis zu verbreiten über die geistige Wissenschaft. Wie kann man das? Man bekämpft auf der einen Seite die Präexistenzlehre; dann gibt es kein Wissen über das nachtodliche Leben, dann muß das nachtodliche Leben von dem Menschen auf Grundlage der Dogmatik geglaubt werden. Man erkämpft sich den Glauben an die Dogmatik, indem man bekämpft die Erkenntnis des vorgeburtlichen Lebens.

De dogmaformuleringen zitten systematisch in elkaar. Het gaat erom binnen de mensheid de geestelijke wetenschap te verduisteren. Hoe? Men bestrijdt enerzijds de leer van de pre-existentie, dan is er geen kennis over het leven na de dood, dan moet het leven na de dood geloofd worden op basis van het dogma. Door de kennis van het voorgeboortelijke te bestrijden, strijdt men voor het geloof aan de dogma’s.

Oh, es ist außerordentlich viel Systematik darinnen, wie die Dogmatik seit dem 4. nachchristlichen Jahrhundert sich entwickelt hat, wie sich aus dieser Dogmatik restlos die modernen wissenschaftlichen Anschauungen herausentwickelt haben. Denn sie sind alle ihrem Ursprunge nach darinnen nachzuweisen, nur angewendet auf die äußere Naturbeobachtung, und es ist nachzuweisen, wie dadurch vorbereitet Blz. 42 worden ist des Menschen Sich-Anhängen an ein bloßes Glauben. Weil der Mensch natürlich etwas über die Unsterblichkeit will, nimmt man ihm das Wissen, und das hat man ihm genommen: dann ist er für den dogmatischen Glauben zugänglich, dann kann der dogmatische Glaube sich seine Herrschaftsbereiche aussuchen.

Ja, er zit buitengewoon veel systematiek in de ontwikkeling van de dogmatiek sinds de 4e eeuw na christus, hoe vanuit deze dogmatiek zonder meer de moderne wetenschappelijke inzichten tot ontwikkeling zijn gekomen. Want alle oorsprong is daarop terug te voeren, alleen toegepast op de uiterlijke manier van natuurwaarneming en aan te tonen is hoe daardoor de mens is gaan hangen aan het geloof alleen. Omdat de mens natuurlijk iets wil weten over de onsterfelijkheid, neemt men hem de kennis af en dat is gebeurd: dan staat hij open voor het dogmatische geloof, dan heeft het dogmatische geloof het terrein van zijn heerschappij voor het uitzoeken.
GA 206/40-42      
Niet vertaald     

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2161-2029

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 7 (7-4)

.

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Enkele gedachten bij blz. 113 –  in de vertaling [1]

Steiners bijzondere opvatting over de zenuwen

In verschillend opzicht is wat Steiner over de zenuwen en het zenuwstelsel zegt, anders dan wat de wetenschap erover vermeldt. Aangezien de meesten van ons (ooit) het wetenschappelijke standpunt hebben geleerd en – het is wetenschap – voetstoots aangenomen, is dat het beeld dat we ervan hebben. De (kleine) veranderingen van wetenschappelijke opvattingen ontgaan ons vaak, zodat we, zonder het te beseffen, soms ‘achterlopen’ wat onze eigen opvatting betreft. (Zie bv. hier onder het kopje ‘bewustzijn’ hoe we, wat het puberbrein betreft, in zekere zin op het verkeerde been zijn gezet door een populair boek). Dat maakt het extra moeilijk Steiner te (kunnen) volgen.

Hij brengt het zenuwstelsel en dus ook de hersenen steeds in verband met een stervensproces:

Blz. 115   vert. 113

Das Nervensystem ist ein System dass fortwährend die Tendenz hat zu verwesen, mineralisch zu werden. 

Het zenuwstelsel heeft door de lichamelijke functies voortdurend de tendens af te sterven en in minerale vorm over te gaan.

Dit kwam al eerder ter sprake in de 2e voordracht:

Im Gegensatz zum Blut sind alle Nerven so veranlagt, daß sie
fortwährend im Absterben, im Materiellwerden begriffen sind. Was längs der Nervenbahnen liegt, das ist eigentlich ausgeschiedene Materie; der Nerv ist eigentlich abgesonderte Materie. Das Blut will immer geistiger werden, der Nerv immer materieller; darin besteht der polarische Gegensatz.

In tegenstelling tot het bloed hebben alle zenuwen de eigenschap dat ze zich voortdurend in een sterfproces, in een materialisatieproces bevinden. Wat langs
de zenuwbanen ligt, is eigenlijk afgescheiden materie; de zenuw is eigenlijk afgezonderde materie.
GA 293/39
Vertaald/39    Zie bv. ook de 2e vdr.: [2-5]   en  [2-5-2]

Blz. 115  vert. 113

Im Nervensystem geht fortwährend das Sterben des Menschen vor sich.

In het zenuwstelsel speelt zich voortdurend het sterfteproces van de mens af. 

Das Nervensystem stirbt fortwährend ab. 

Het zenuwstelsel sterft voortdurend af.

Wanneer je met dit gegeven nog wat fenomenologisch verder kijkt, zie je dat het herstel van zenuwen wanneer die beschadigd zijn geraakt, een moeizaam proces is.

Uit een rede van Prof. dr. M.J.A. Malessy

(Vetgedrukt door mij)

‘Ik vergelijk een zenuw met een elektriciteitskabel met een witte plastic buitenhoes waarin het geelgroene kabeltje, het blauwe en het zwarte kabeltje lopen. In de gekleurde kabeltjes vindt u de koperdraadjes. Deze koperdraadjes geleiden de informatie van gevoel naar de hersenen en het aansturen van bewegingen van de hersenen naar de spieren. Elke zenuw heeft een verschillend aantal koperdraadjesdit kunnen er per zenuw wel duizenden zijn. De koperdraadjes zijn eigenlijk dunne uitlopers uit een zenuwcellichaam en heten axonen. Het cellichaam ligt in of nabij het ruggenmerg en de uitloper, het axon, kan wel 1 meter lang zijn. In een zenuw liggen de axonen voor beweging en gevoel door elkaar en ze zijn niet te onderscheiden.
Als een elektriciteitskabel gebroken is en je zet hem weer aan elkaar, dan gaat het licht meteen weer branden.
Het (zelf)herstellend vermogen van zenuwen na een beschadiging is echter slecht, het minste van alle weefsels. Als een zenuw kapot is en je zet hem aan elkaar, dan is helaas de functie niet meteen weer terug. Dit komt doordat de zenuwvezels, dus vergelijkbaar met de koperdraadjes, afsterven als zij het contact hebben verloren met het cellichaam. Het proces waarbij het koperdraadje verdwijnt heet Wallerse degeneratie naar August Waller die dit in 1850 heeft ontdekt. Om tot functieherstel te komen moet het beschadigde axon van de plaats van het letsel helemaal uitgroeien tot de oorspronkelijke spier of het gevoelsorgaan. Het uitgroeien van het axon kan vele maanden tot zelfs wel twee jaar duren. In dit proces van uitgroei kunnen een hoop dingen verkeerd gaan.’

Bloed – zenuw

Steiner geeft verschillende keren aan dat het ‘in tegenstellingen’ denken vaak licht werpt op je onderwerp:

Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

De werkelijkheid bestaat uit tegenstellingen. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstellingen in de wereld zien. [de vertaling heeft ‘tegenstrijdigheden].
GA 293/124
Vertaald/120     zie  Rudolf Steiner wegwijzers 15; 17; 24; 87; 121; 124, 161; 163; 243; 245

In voordracht 2 neemt hij wanneer het over de zenuwen gaat, de tegenstelling met het bloed. Gekeken naar de regeneratie hiervan valt het grote gehalte aan leven op:

Elke seconde maakt ons lichaam ca twee miljoen (2,4) nieuwe rode bloedlichaampjes aan.

In 2019 was dit krantennieuws:

Je ouders hebben je geleerd dat ieder biertje dat je drinkt honderden hersencellen doodt en dat je die nooit meer terugkrijgt, omdat de hersenen – in tegenstelling tot andere organen – geen nieuwe cellen kunnen maken. Ze hadden een beetje ongelijk: hersenen maken wél nieuwe cellen aan, maar die zijn zeldzaam en diep verborgen.’  (rede van Prof. dr. M.J.A. Malessy)

In tegenstelling tot het bloed, duurt het voor een hersencel lang, het aantal ligt laag. Dat is toch wel een diep contrast met het bloed.

De gedachte aan weinig leven bij de hersenen is in dit opzicht begrijpelijk.

Denken

Het is in deze voordrachten al meer ter sprake gekomen: de hersenen denken niet! Het is de sprekende titel van een boek van Arie Bos:Mijn hersenen denken niet, ik wel’. 

Vaak worden er beelden gemaakt om dit te verduidelijken: met een  muziekinstrument. Dat maakt uit zichzelf geen muziek: het moet worden bespeeld, het moet worden gebruikt. Maar om de betreffende muziek te maken, heb je wel een (gaaf) instrument nodig. Om te kunnen denken, hebben wij onze hersenen nodig; we moeten ze gebruiken.

In 1919 kon Steiner al opmerken:

Blz. 116       vert. 114

Die Physiologen sagen: Die Organe des Denkens sind die Nerven, insbesondere das Gehirn. 

Fysiologen zeggen dat de zenuwen, en met name de hersenen, de organen zijn van het denken.
(Bedoeld wordt: de hersenen, de organen als organen die denken)

We komen dat in deze tijd nog steeds tegen en door het werk ‘Wij zijn ons brein’ zijn vele mensen hiervan (opnieuw) overtuigd geraakt. Tegelijkertijd zijn er, naast Arie Bos, anderen die dit om wat voor redenen dan ook, moeten afwijzen.

Zo is het voor Bert Keizer, arts, filosoof, en o.a. columnist voor Trouw, een vraag ‘waar de geest zit’:

U ziet een oude vriend, u wilt naar hem zwaaien, maar uw man moet hem niet zo, dus wordt het een heel discreet knikje. Tussen de waarneming en het knikje zat vroeger uw geest, uw ziel, uw bewustzijn, uw psyche, uw karakter, oftewel het geestelij­ke domein waarbinnen langs al­lerlei paden het besluit rijpt dat omgezet wordt in de spierbewe­gingen die een zuinig knikje te­weeg brengen. Tegenwoordig zit­ten daar de hersenen, waarmee we echter niet van de geest af zijn. Tot nog toe is het niemand gelukt uit te leggen hoe de geest in de hersenen zit, of eruit komt, of er mee samenhangt, of er onder bungelt, of er boven zweeft.’
Bron: Trouw

In een andere column schrijft hij:|

Hangt er dan een geest ‘boven’ het brein?

Hedendaagse neurofysiologen lachen meewarig om deze sugges­tie. Want hiermee staan we weer midden in het dualisme van Descartes. Ze wijzen dat af als een historisch misverstand over Geest en Stof. Maar tot nog toe is er nie­mand in geslaagd die twee met el­kaar in contact te brengen. Dit al­les heeft er wel toe geleid dat grapjassen denken dat de geest het ook zonder hersenen wel zou redden. Maar ik heb nog nooit een geest ontmoet zonder brein. Wel breinen zonder geest.

(Hoewel Keizer Steiners ‘Filosofie van de vrijheid’ ergens noemt – hij weet dus ‘van Steiner’, weet hij waarschijnlijk niet dat Steiner ‘die twee’ wél met elkaar in contact brengt – hoe ja daar verder ook over mag denken!)

Het hoofd in rust

Een ander fenomeen werpt nog een nieuw licht op dit vraagstuk.
Dit weinige leven van de hersenen doet het woord ‘rust’ opkomen, vooral wanneer we kijken naar het hoofd waarin onze hersenen liggen. Om te kunnen waarnemen en te kunnen denken, heeft het hoofd ‘rust’ nodig: geen beweeglijkheid.
Stel dat je je hoofd zo zou moeten bewegen als bv. een duif doet: telkens opkijken, links, rechts, met schokkende bewegingen – doe het eens een poosje na – zou je dan geconcentreerd je waarnemend op iets kunnen richten: nee. Het voortdurende bewegen maakt ook duizelig: het daast je even. Ook een teveel aan indrukken maakt het concentreren moeilijker: ‘horen en zien vergaan je’, je kan ‘te veel aan je hoofd hebben.’, ‘het hoofd loopt me om’ (beweging?).
De hersenschudding maakt denken veel moeilijker en wanneer de hersencellen door bv. een hersenbloeding overspoeld raken met bloed: het leven – treden er allerlei beschadigingen op waardoor het denken en het tot uitdrukking brengen daarvan moeilijk, zo niet onmogelijk wordt (verschillende vormen van afasie). Dat het hoofd ook ‘koel’ gehouden moet worden, wijst mede in die richting. ‘Koel’ is op weg naar ‘koud’ en dit naar ‘verstarring’ – mineralisering – (van het leven).

Keren we nog even terug naar het beeld van het muziekinstrument = de hersenen, die bespeeld moeten worden= ‘tot denken gebracht’.
Zou de piano die we willen bespelen voortdurend voor onze handen heen en weer, op en neer bewegen, dan zouden we er geen muziek op kunnen maken.

Laten we de piano het zinnetje zeggen:

Blz. 115                 vert. 113

Du kannst dich entwickeln, weil ich dir kein Hindernis biete, weil ich mache, daß ich gar nicht da bin mit meinem Leben! –

Jij kunt jezelf verder ontwikkelen, omdat ik geen hindernis voor je beteken, omdat ik ervoor zorg dat ik er met mijn leven helemaal niet ben!,

Dan is dit wellicht een ingang om dit eveneens lastige onderdeel van deze voordracht te begrijpen.
M.a.w. als ik als piano ‘doods’ blijf staan, kan jij gewoon spelen.
Of: als de hersenen ‘op sterven na dood’ zijn, kun jij denken.

Dat helemaal mee moeten bewegen met de bewegende piano, zou ons in hoge mate aan de piano binden, we zouden er geen afstand toe kunnen nemen. En hier kunnen we dan denken aan de sympathie: het helemaal mee en in opgaan; we zouden niet meer kunnen doen wat ons helder voor ogen staat: muziek maken. We zouden a.h.w. opgenomen worden door het instrument – het instrument zou onze eigen activiteit binden.

Of weer naar het denken: we zouden zo ‘worden gedacht’, we zouden de ‘passieve’ worden zoals we door ons bloed en onze stofwisseling ‘worden geleefd’. Van wakkerheid zou geen sprake meer kunnen zijn. Juist de afstand tot het instrument – het instrument dat a.h.w. zijn functies en mogelijkheden naar ons terugspiegelt – aan ons ter beschikking stelt – geeft ons de mogelijkheid te gaan spelen.
De hersenen als het instrument dat ons niet opslokt, maar daar is om door ons Ik actief ‘bespeeld’ te worden, door ons Ik in activiteit te worden gebracht.

In de woorden van de voordracht:

Blz. 115  vert. 113:

Das ist das Eigenartige.

Dat is kenmerkend voor het zenuwstelsel.

Nur dadurch, daß es sich fortwährend aus dem Leben herausdrückt, daß es dem Denken und Empfinden gar keine Hindernisse bietet, daß es gar keine Beziehungen zum Denken und Empfinden anstiftet, daß es den Menschen leer sein läßt in bezug auf das Geistig-Seelische da, wo es ist. Für das Geistig- Seelische sind einfach dort, wo die Nerven sind, Hohlräume. Daher kann das Geistig-Seelische dort hinein, wo die Hohlräume sind. Wir müssen dem Nervensystem dankbar sein, daß es sich nicht kümmert um das Geistig-Seelische, daß es all das nicht tut, was ihm die Physiologen und Psychologen zuschreiben. Täte es das, geschähe nur fünf Minuten lang das, was die Nerven nach den Beschreibungen der Physiologen und Psychologen tun sollen, so würden wir gar nichts in diesen fünf Minuten von der Welt und von uns wissen: wir würden eben schlafen. Denn die Nerven machten es dann so wie jene Organe, die das Schlafen vermitteln, die das fühlende Wollen, das woilende Fühlen vermitteln.

( ) dat het zich voortdurend aan het leven onttrekt, doordat het juist ruimte laat voor het denken en gewaarworden, doordat het volstrekt geen verband heeft met denken en gewaarworden, doordat het zenuwstelsel de mens op de plaatsen waar het zelf is, wat geest en ziel betreft leeg laat zijn. Voor geest en ziel zijn op de plaatsen waar de zenuwen zijn holle ruimten.º Daardoor kunnen geest en ziel die holle ruimten binnenkomen. We moeten het zenuwstelsel dankbaar zijn dat het zich niet druk maakt om geest en ziel, dat het alles wat fysiologen en psychologen het toedichten juist niet doet. Zouden, al was het maar vijf minuten, de zenuwen doen wat fysiologen en psychologen beweren, dan zouden we in die vijf minuten niets, maar dan ook niets van de wereld en van onszelf weten: we zouden namelijk slapen. Want de zenuwen zouden dan zo doen als de organen die het slapen, het voelend willen, het willend voelen mogelijk maken.

ºholle ruimten: Zie ook de dertiende voordracht

Over de relatie hersenen en denken:

Blz. 116   vert. 114:

Die Physiologen sagen: Die Organe des Denkens sind die Nerven, insbesondere das Gehirn. – Wahr ist, daß Gehirn- und Nervensystem gerade nur dadurch mit dem denkenden Erkennen etwas zu tun haben, weil sie sich immerfort aus der Organisation des Menschen ausschließen, und weil dadurch das denkende Erkennen sich entfalten kann.

Fysiologen zeggen dat de zenuwen, en met name de hersenen, de organen zijn van het denken. In werkelijkheid is het zo dat er wel een zeker verband bestaat tussen enerzijds de hersenen en de zenuwen en anderzijds het denkend kennen, maar dat dit verband er nu juist uit bestaat dat de zenuwen zich voortdurend onttrekken aan het menselijk organisme en dat er daardoor ruimte is voor de ontplooiing van het denkend kennen.

Dan volgt op blz. 114 (vert.) een voorbeeld van hoe licht en kleur hun weg naar binnen vinden en hoe de afwezigheid van zenuwen mogelijk maakt dat we licht en kleur beleven. 

Waar de zenuwen niet zijn, waar in dit opzicht zich holle ruimten bevinden, kunnen we er zelf bij zijn, d.w.z. daar zijn we wakker.

Dan volgt nog een verwijzing naar wat in het begin van de voordracht is behandeld: het slapend zijn aan de periferie van ons lichaam:

Blz. 117     vert.  115

Jetzt bekommen wir ein Gefühl davon, was das für eine Bedeutung hat: Wir wachen da mit Bezug auf einen im Verhältnis zum Leben in uns vorhandenen Hohlraum, während wir ander äußeren Oberfläche und im Inneren schlafend träu`nen und träumend schlafen. Wir wachen nur in einer Zone, die zwischen dem Äußeren und dem Inneren liegt, vollständig auf. Das mit Bezug auf den Raum.

Zo krijgen we een idee wat dat betekent: in die, wat het leven betreft, holle ruimten zijn we wakker, terwijl we aan de buitenste oppervlakte en in ons binnenste slapend dromen en dromend slapen. Alleen in het gebied tussen buiten en binnen zijn we volledig wakker. Dat wat de ruimte betreft.
.

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 7: alle artikelen 

Sociale driegeleding: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2160-2028

.

.

.

.

*

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over spel (GA 306)

.

Zie de inleiding

GA 306

Blz.  67

Und da frage ich Sie: Ist dem Kinde das Spiel Spaß oder Ernst? Das Spiel ist dem gesunden Kinde durchaus nicht spaßhaft, sondern sehr ernst. Es fließt in wirklichem Ernst aus der menschlichen Organisation das Spiel heraus im kindli­chen Alter. Treffen Sie nur diesen Ernst des Spiels für das schul­pflichtige Alter, dann unterrichten Sie das Kind nicht spielend in dem Sinne, wie man es meint, sondern mit dem Ernste, den das Kind sel­ber bei seinem Spiel hat. Es kommt überall auf die richtige Lebensbeobachtung an.

En nu vraag ik U: is voor het kind het spel vermaak of ernst? Het spel is voor het gezonde kind beslist geen ‘spelletje’, maar grote ernst. In echte ernst stroomt uit het menselijk organisme in de kinderleeftijd het spel naar buiten. Als je alleen al geraakt wordt door deze ernst van het spel op de leerplichtige leeftijd, dan geef je geen spelend les op de manier waarop men dit bedoelt, maar met die ernst die het kind zelf bij het spelen heeft.
Het komt overal aan op de juiste waarneming van het leven.
GA 306/67
Op deze blog vertaald/67

Blz. 76

Es ist ja in dieser Beziehung das Erziehungswesen mitgegangen mit dem allmählichen Hereintreten des Materialismus in unsere mo­derne Zivilisation. Das zeigt sich ja insbesondere dadurch, daß man gerade für das Alter bis zum Zahnwechsel hin, das eigentlich das al­lerwichtigste im Menschenleben ist, vielfach mechanische Methoden statt organischer Methoden eingeführt hat. Aber man muß sich klar­machen: das Kind ist bis zum Zahnwechsel darauf angelegt, nachzu­ahmen. Dasjenige, was der spätere Ernst des Lebens fordert und der spätere Ernst des Lebens in Arbeit hineinverwebt, das wird beim Kinde, wie ich schon gestern erwähnte, als Spiel betätigt, aber als Spiel, das zunächst dem Kinde voller Ernst ist. Und der Unterschied zwischen dem Spiel des Kindes und der Arbeit des Lebens besteht le­diglich darin, daß bei der Arbeit des Lebens zunächst das Einfügen in die äußere Zweckmäßigkeit der Welt in Betracht kommt, daß wir da hingegeben sein müssen an die äußere Zweckmäßigkeit der Welt. Und das Kind will dasjenige, was es in Betätigung umsetzt, aus sei­ner eigenen Natur heraus entwickeln, aus seinem Menschenleben heraus entwickeln. Das Spiel wirkt von innen nach außen ; die Arbeit wirkt von außen nach innen. Darin besteht ja gerade die ungeheuer bedeutungsvolle Aufgabe der Volksschule, daß das Spiel allmählich in Arbeit übergeführt wird. Und kann man praktisch die große Frage beantworten: Wie wird das Spielen in Arbeiten umgewandelt? Dann

Wat dit betreft is de opvoedkunde meegegaan met het materialisme dat langzaam onze moderne beschaving binnenkwam. Dat wordt in het bijzonder duidelijk m.n. voor de leeftijd tot aan de tandenwisseling, eigenlijk de allerbelangrijkste leeftijd in een mensenleven, waarop men zeer dikwijls zielloze methoden i.p.v. organische methoden ingevoerd heeft. Maar het moet wel duidelijk voor je zijn: het kind is er tot aan de tandenwisseling op aangewezen na te bootsen.
Dat wat de latere ernst van het leven eist en de latere ernst van het leven nauw met arbeid verbindt, dat wordt bij een kind, zoals ik gisteren al aangaf, gespeeld, maar als spel dat voor een kind helemaal volle ernst is. En het verschil tussen het spel van een kind en de arbeid in het leven bestaat er eigenlijk alleen maar in dat het bij de arbeid vooral gaat om het invoegen in de uiterlijke doelmatigheid van de wereld, dat we ons daar moeten wijden aan de doelmatigheid van de wereld. En het kind wil dat wat het in activiteit omzet uit zijn eigen natuur ontwikkelen, uit zijn leven als mens ontwikkelen. Het spel werkt van binnen naar buiten; arbeid van buiten naar binnen. Daarin bestaat nu juist de ongekend belangrijke opgave van de basisschool dat het spel langzaam tot arbeid wordt. En kun je praktisch de grote vraag beantwoorden: hoe wordt het spel in arbeid veranderd?

Blz. 77

beantwortet man eigentlich die Grundfrage der Volksschulerzie­hung. Aber das Kind spielt im Nachahmen und will spielen im Nachah­men. Weil man sich nicht hineingefunden hat durch eine wirkliche, wahre Menschenerkenntnis in das kindliche Lebensalter, hat man aus den intellektualistischen Überlegungen der Erwachsenen heraus aller­lei Spielartiges für die Kinder im Kindergarten ersonnen, das aber von den Erwachsenen eigentlich ausgedacht ist. Während die Kinder nachahmen wollen die Arbeit der Erwachsenen, erfindet man viel­fach durch Stäbchenlegen, oder wie dergleichen Dinge heißen, beson­dere Dinge, für die Kinder, die sie dann vollführen sollen und wo­durch sie ganz abgebracht werden von demjenigen, was lebendig aus ihnen herausfließt, und was die Arbeit der Erwachsenen eben nur nachahmen will. Sie werden daraus herausgeführt und werden durch allerlei mechanisch Ausgedachtes in Tätigkeitsfelder hineingebracht, die nicht für das kindliche Lebensalter sind. Besonders das 19.Jahrhundert war sehr beziehungsreich im Ausdenken von allen mögli­chen Kinderarbeiten für den Kindergarten, die man eigentlich nicht ausführen lassen sollte. Denn im Kindergarten

Dan beantwoord je eigenlijk de kernvraag van de opvoeding in de basisschool. Maar het kind speelt in het nabootsen en wil spelen in het nabootsen. Omdat men niet door heeft kunnen dringen tot de leeftijd van een kind door een echte, ware menskunde, heeft men uit de intellectualistische overwegingen van de volwassenen voor de kinderen van alles verzonnen op het gebied van spel in de kleuterklas, maar dat is in feite door de volwassenen bedacht. Terwijl de kinderen de arbeid van de volwassenen willen nabootsen, vinden deze veelvuldig – het leggen van staafjes of hoe dergelijke dingen ook mogen heten – bijzondere dingen uit voor de kinderen die deze dan moeten uitvoeren, waardoor ze volledig afgebracht worden van wat vol leven uit hen stroomt en wat alleen maar de arbeid van de volwassene wil nadoen.
Ze worden daarvan weggeleid en worden tot allerlei zielloze bedenksels geactiveerd die niet bij de kinderlijke leeftijd passen. De 19e eeuw in het bijzonder was veel betekenend voor het uitdenken van allerlei kinderwerkjes voor op de kleuterschool die men eigenlijk niet had moeten laten uitvoeren. Want op de kleuterschool

kann es eigentlich nur darauf ankommen, daß das Kind sich anpaßt den paar Leuten, die den Kindergarten leiten, daß diese paar Leute naturgemäß sich beneh­men, und daß das Kind die Anregungen empfängt, das nachzuahmen, was diese paar Leute tun – daß man nicht extra von dem einen zum anderen Kinde geht und ihm vormacht: das oder jenes soll es tun. Denn das will es noch nicht befolgen, wovon man ihm sagt: Das sollst du tun. Es will nachahmen, was der Erwachsene tut. So ist es eben die Aufgabe für den Kindergarten, dasjenige, was die Arbeiten des Lebens sind, in solche Formen hineinzubringen, daß sie aus der Be­tätigung des Kindes ins Spiel fließen können. Man hat das Leben, die Arbeiten des Lebens hineinzuleiten in die Arbeiten des Kindergar­tens. Man hat nicht auszudenken Dinge, die eigentlich im Leben nur ausnahmsweise mal vorkommen und die eigentlich richtig nur ange­eignet werden, wenn man sie dann im späteren Leben zu dem, was man in normaler Weise sich angeeignet hat, hinzulernen muß. So zum Beispiel kann man sehen, wie die Kinder dazu angehalten werden, 

komt het er alleen op aan dat het kind zich aanpast aan de paar mensen die de kleuterschool leiden, dat deze mensen zich natuurlijk gedragen en dat het kind aansporingen ontvangt dát na te bootsen wat deze paar mensen doen – dat men niet extra van het ene kind naar het andere gaat en het voordoet: dat en dat moet je doen.
Want zeggen: dat moet je doen, wil het nog niet opvolgen. Het wil nadoen wat de volwassene doet. Dus is de opdracht voor de kleuterschool, dat wat de arbeid in het leven is, in zulke vormen te gieten dat die uit de activiteit van het kind in het spel kan stromen. Je moet het leven, de arbeidsactiviteit van het leven in de kleuterschoolactiviteiten brengen. Je moet geen dingen uitdenken die eigenlijk in het leven alleen als uitzondering eens voorkomen en die eigenlijk pas juist worden toegepast, wanneer je die dan in het latere leven, naast wat je op een normale manier geleerd hebt, er bij moet leren. Zo kan je bv. zien hoe kinderen gevraagd wordt om sneetjes

Blz. 78

in Papierblätter Schnitte hineinzumachen, dann allerlei rotes und blaues und gelbes Zeug da hindurchzustecken, so daß da drinnen aus buntem Papier Gewobenes entsteht. Was man damit erreicht, ist, daß man das Kind durch eine mechanisierende Tätigkeit abhält davon, in die normale Lebenstätigkeit hineinzukommen. Denn was man da mit den Fingern unmittelbar machen soll, das macht die normale Tätig­keit, indem man irgendeine Näh- oder Stickarbeit in primitiver Weise ausführen läßt. Die Dinge, die vom Kinde ausgeführt werden, müs­sen unmittelbar aus dem Leben genommen werden ; sie dürfen nicht ersonnen werden von der intellektualistischen Kultur der Erwachse­nen. Worauf es beim Kindergarten gerade ankommt, das ist, daß das Kind nachahmen muß das Leben. Diese Arbeit, das Leben so zu gestalten, daß man vor dem Kinde dasjenige in richtiger Weise ausführt, was im Leben den Zwecken angepaßt ist, was beim Kinde angepaßt ist dem Hervorgehen aus dem Betätigtseinwollen des eigenen Organismus, das ist eine große Ar­beit, eine ungeheuer bedeutungsvolle pädagogische Arbeit.

in een vel papier te maken, daar dan allerlei rood en blauw en geel spul doorheen te steken, zodat er binnenin uit gekleurd papier een vlechtwerkje ontstaat. Wat je daarmee bereikt is, dat je het kind door een zielloze bezigheid ervan weghoudt met de normale activiteiten van het leven bezig te zijn. Want wat je hier direct met je vingers moet maken dat gebeurt als normale bezigheid als je een of ander naai- of borduurwerkje van eenvoudig niveau laat doen. De dingen die door de kinderen gedaan worden, moeten direct uit het leven gehaald worden; die mogen niet bedacht worden vanuit een intellectualistische cultuur van de volwassenen. Het komt er in de kleuterschool juist op aan, dat het kind het leven na kan bootsen. Dit werk – het leven zo vorm te geven dat je voor het kind op de juiste manier organiseert wat in het leven doelmatig is, wat bij het kind past wanneer vanuit zijn eigen organisme tevoorschijn komt dat het bezig wil zijn, – dat is een groot werk, dat is een ongekend betekenisvol pedagogisch werk.

Die Ar­beit, Stäbchenlegen auszudenken oder solche Papierflechtarbeiten zu machen, die ist leicht zu machen. Aber die Arbeit, unser komplizier­tes Leben nun wirklich so zu gestalten, wie das Kind es schon selber macht, indem der Knabe mit irgendwelchen Spaten oder dergleichen spielt und das Mädchen mit der Puppe spielt – richtig die menschli­che Betätigung ins kindliche Spiel umsetzen, und dies auch für die komplizierteren Betätigungen des Lebens zu finden: das ist es, was geleistet werden muß, und das ist eine lange Arbeit, für die heute noch fast gar keine Vorarbeiten da sind. Denn man muß sich klar sein darüber, daß in diesem Nachahmen, in dieser sinngemäßen Betäti­gung des Kindes, das Moralische und Geistige mit drinnensteckt, und die künstlerische Anschauung mit drinnensteckt, aber ganz sub­jektiv, ganz im Kinde. Geben Sie dem Kinde ein Taschentuch oder einen Lappen, und knüpfen Sie diesen so, daß er oben einen Kopf hat, unten ein Paar Beine, dann haben Sie ihm einen Bajazzo oder eine Puppe gemacht. Sie können dann noch mit Tintenklecksen Augen und Nase und Mund daranmachen, oder besser das Kind selber ma­chen lassen, und Sie werden sehen: ein gesundes Kind hat mit dieser Puppe

Werk als staafjesleggen uitdenken of papiermatjes te laten vlechten, is niet zo moeilijk. Maar het werk om ons gecompliceerde leven daadwerkelijk zo vorm te geven, als het kind zelf al doet wanneer de jongen met een of andere spade o.i.d speelt en het meisje met poppen – goed de menselijke activiteit in kinderspel te veranderen en dit ook voor de gecompliceerdere activiteiten van het leven te vinden: dat moet je voor elkaar krijgen en dat is een lang werk, waarvoor vandaag nog bijna geen voorwerk is verricht. Want het moet wel duidelijk voor je zijn dat in dit nabootsen, in dit zinvolle bezigzijn van het kind, ook het morele en het geestelijk zit en het kunstzinnige waarnemen, maar heel subjectief, helemaal in het kind. Geef het kind een zakdoek of een lapje en leg er zodanig een knoop in, dat er aan de bovenkant een hoofdje ontstaat en onder een paar benen, dan heb je een clown of een popje gemaakt. Dan kun je er nog met een paar inktvlekjes ogen, een neus en mond op maken, of beter nog het kind dat zelf laten doen en je zal zien: een gezond kind heeft veel plezier met zo’n popje.

Blz. 79

seine große Freude. Denn dann kann es das, was sonst an der Puppe dran sein soll, ergänzen durch bildhaft nachahmende Seelentätigkeit. Es ist viel besser, wenn Sie aus einem Leinwandfetzen ei­nem Kind eine Puppe machen, als wenn Sie ihm eine schöne Puppe geben, die womöglich noch mit der unmöglichsten Farbe die Backen angestrichen hat, die schön angezogen ist, die sogar, wenn man sie niederlegt, die Augen zumachen kann und dergleichen. Was tun Sie denn, wenn Sie dem Kind eine solche Puppe geben? Sie verhindern es, seine Seelentätigkeit zu entfalten ; denn es muß seine Seelentätigkeit, diese wunderbar zarte, erwachende Phantasie, überall absper­ren, um ganz Bestimmtes, Schön-Geformtes ins Auge zu fassen. Sie trennen das Kind ganz von dem Leben, weil Sie seine Eigentätigkeit zurückhalten. Das ist dasjenige, was insbesondere für das Kind bis zum Zahnwechsel in Betracht kommt.

Want dan kan het van zich uit door de beeldende nabootsende activiteit dat wat aan het popje ontbreekt zelf aanvullen. Het is veel beter wanneer je van een wit lapje een popje maakt voor een kind dan wanneer je het een mooie pop geeft die zo mogelijk onmogelijk gekleurde wangen heeft, die mooi aangekleed is, die zelfs als je die neerlegt, de ogen kan sluiten enz. Wat doe je als je een kind zo’n pop geeft? Je belet het om z’n gevoelsactiviteit te ontplooien; want het moet de activiteit van zijn ziel, deze wonderbaarlijk intieme, ontwakende fantasie, overal afremmen om naar iets specifieks, iets mooi gevormds te kijken. Je snoert het kind van het leven af, omdat je zijn eigen activiteit remt. Dat geldt vooral voor het kind tot aan de tandenwisseling.
GA 306/76-79
Op deze blog vertaald

Blz. 130

Während die Dankbarkeit wachsen muß, die Liebe erwachen, muß dasjenige, was sich jetzt entwickelt, in voller Besonnenheit schon auftreten; wir müssen den jungen Menschen dahin gebracht haben, daß er jetzt über die Geschlechtsreife hinaus in voller Besonnenheit sich entwickelt, so daß er gewissermaßen zu sich selbst gekommen ist: dann entwickelt sich die Werkliebe. Und die muß gewissermaßen als etwas frei aus dem Menschen heraus Entstehendes sich auf der Grund]age von allem übrigen entwickeln: die Werkliebe, die Arbeitsliebe, die Liebe zu dem, was man auch selber tut. In dem Moment, wo das Verständnis für die Handlung des anderen erwacht, in dem Moment muß sich entwickeln als das Gegenbild die bewußte Einstellung zur Werkliebe, zur Arbeitsliebe, zum Tun. Dann ist in der richtigen Weise nach der Zwischenepoche das kindliche Spiel in die menschliche Auffassung der Arbeit umgewandelt. Und das ist dasjenige, was wir änstreben niüssen für das soziale Leben.

Terwijl dankbaarheid moet groeien, de liefde ontwaken, moet wat zich nu ontwikkelt in volle bezonnenheid plaatsvinden; we moeten de jonge mens ertoe gebracht hebben dat hij nu na de geslachtsrijpheid in volle bezonnenheid zich ontwikkelt zodat hij in zekere zin zich zelf bewust is geworden: dan ontwikkelt de liefde voor het werk zich. En die moet zich op basis van al het overige in zekere zin ontwikkelen als iets dat in vrijheid uit de mens ontstaat: de liefde voor het werk, de liefde voor wat je ook zelf doet. Op het ogenblik waarop het begrip voor de handeling van de ander ontwaakt, op dat ogenblik moet zich ontwikkelen als tegenbeeld: de bewuste instelling tot de liefde voor het werk, voor het doen. Dan is op de juiste manier na de tussenperiode het kinderspel in de menselijke opvatting over arbeid overgegaan. En daar moeten we naar streven voor het sociale leven.
GA 306/130
Op deze blog vertaald/130
.

Rudolf Steiner over spelalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Spelalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle beelden
.

2159-2027

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297A vragenbeantwoording (1)

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER

ERZIEHUNG ZUM LEBEN

OPVOEDING VOOR HET LEVEN 

6 voordrachten, 2 vragenbeantwoordingen en een krantenverslag tussen 24 febr. 1921 en 4 april 1924 in verschillende steden. [1]

Inhoudsopgave   voordracht [1]  [2]  [3]  [4]       vragenbeantwoording 2

Inhoudsopgave van de vragenbeantwoording in aansluiting op voordracht 1

Blz. 39

Fragebeantwortung

Frage: Wie ist der Unterschied auf geisteswissenschaftlichem Gebiet zu machen zwischen dem menschlichen und dem tierischen Blut? Im mensch­lichen Blut druckt sich das Ich aus; im tierischen nicht?

Rudolf Steiner: Ja, die materialistische Denkungsweise, die sich ja seit der Mitte des 15. Jahrhunderts vorbereitet hat, die aber beson­ders groß geworden ist im 19. Jahrhundert und sich bis ins 20. her­ein entwickelt hat, sie hat allmählich den Sinn dafür ersterben las­sen, daß ja der äußere Ausdruck [einer Sache] nicht für das innere Gefüge und für den ganzen Zusammenhang [, in dem sie steht,] maßgebend ist. Ich muß da einiges heranziehen von dem, was ich heute natürlich nicht [ausführlich] erklären kann, Sie finden es in der [geisteswissenschaftlichen] Literatur, aber auf die Frage muß ich schon einiges sagen.

Vragenbeantwoording

Vraag: Hoe is geesteswetenschappelijk gezien verschil te maken tussen het bloed van een mens en dat van een dier? In het bloed van de mens drukt zijn Ik zich uit, in dat van het dier niet?

Rudolf Steiner: Ja, de materialistische manier van denken die sinds het midden van de 15e eeuw werd voorbereid, die echter bijzonder groot is geworden in de 19e eeuw en zich tot in de 20e eeuw heeft ontwikkeld, heeft langzamerhand het gevoel verloren dat de uiterlijke uitdrukking [van een zaak] niet voor de innerlijke constellatie en voor de hele samenhang [waartoe die behoort] maatgevend is. Ik moet er iets bijnemen van wat ik vandaag natuurlijk niet [uitvoerig] kan uitleggen, u kan het in de [geesteswetenschappelijke] literatuur vinden, maar op de vraag moet ik toch wel iets zeggen.

Wir haben ja am Menschen zu unterscheiden zunächst den äuße­ren physischen Leib, den man mit Augen sehen kann, der auch zum Beispiel in der gewöhnlichen Wissenschaft durch Anatomie und Physiologie betrachtet wird. Wir unterscheiden dann den Äther-oder Lebensleib, den wir gewahr werden, wenn wir so etwas beob­achten wie das Herauslösen des Denkens beim Zahnwechsel; da lernen wir das Leben des Ätherleibes kennen. Wir dürfen das dann nicht verwechseln mit der alten, hypothetischen Lebenskraft, damit hat er nichts zu tun. Es ist dies das Ergebnis von unmittelbarem An­schauen. Dann lernen wir erkennen, was vom Seelischen aus diesen Ätherleib beherrscht, was man den Seelenorganismus nennen kann, und das eigentliche Ich.
Diese vier Glieder drücken sich aber wiederum im Physischen aus. Zum Beispiel der ätherische Leib hat eine besondere Wirkung auf das Drüsensystem, das Ich eine besondere Wirkung im Blut-system beim Menschen. Nun kann man solch eine Frage aufwerfen wie die hier gestellte, aber man muß sich zuerst etwas aneignen, was ich durch folgenden Vergleich klarmachen möchte. Denken Sie ein­mal, jemand würde sagen: ein Messer ist eben ein Messer, man braucht es zum Schneiden von Fleisch. – So kann man nicht sagen.

We moeten bij de mens allereerst onderscheid maken tussen het fysieke lichaam dat je met je ogen kan zien, dat ook bv. in de gewone wetenschap door anatomie en fysiologie bekeken wordt.
Dan onderscheiden we het ether- of levenslijf dat we gewaar worden wanneer we zoiets bekijken als het vrijkomen van het denken bij de tandenwisseling; daar leer je het leven van het etherlijf kennen. Dat mogen we dan niet verwarren met de oude, hypothetische levenskracht, daarmee heeft het niets te maken. Dit is het resultaat van direct waarnemen. Dan leren we kennen wat vanuit de ziel dit etherlijf beheerst, wat je de ziel kan noemen en het eigenlijke Ik.
Deze vier delen drukken zich echter ook in het fysieke uit. Bv. het etherlijf heeft een bijzondere werking op het kliersysteem, het Ik een bijzondere werking op het bloedsysteem van de mens. Nu kan je zo’n vraag stellen, zoals deze hier, maar je moet je eerst iets eigen maken, wat ik door de volgende vergelijking duidelijk zou willen maken. Denk je eens in, dat iemand zou zeggen: een mes is een mes, je hebt het nodig om vlees te snijden, Dat kan je dus niet zeggen.

Blz. 40

Ebensowenig kann man sagen: Der Mensch hat rotes warmes Blut, die Tiere haben rotes warmes Blut – der Ausdruck für das Ich. -Nehmen Sie an, es findet jemand ein Rasiermesser und er schneidet Fleisch damit, weil es eben ein Messer ist. Es handelt sich nicht darum, wie etwas äußerlich materiell gestaltet ist, sondern wie es sich in einen ganzen Zusammenhang

hineinstellt. Bei dem Tiere ist das rote warme Blut der Ausdruck für den Seelenorganismus, beim Menschen ist dasselbe rote Blut der Ausdruck für das Ich, gerade wie das Rasiermesser ein Messer ist zum Rasieren und das Messer auf dem Tisch ein Messer ist zum Schneiden von Fleisch. Man soll nicht fragen: Was ist das Blut als Blut? – Es kann in einem Zusam­menhang der Ausdruck für dieses, in einem anderen Zusammen-hang für etwas anderes sein.

Frage:    Ist es auch in anderen Ländern möglich, Schulen wie die Waldorf-schule zu errichten?

Rudolf Steiner: Ob man in anderen Ländern solche Schulen grün­den kann, hängt von den Gesetzen des betreffenden Landes ab. Ich habe mich schon sachgemäß auch bezüglich der Waldorfschule aus­gedrückt. Ich sagte: Bevor die  neue demokratische, republikanische Schulverfassung gekommen ist, war es möglich, die Waldorfschule zu gründen. Die Entwicklung der letzten Zeit geht ja so vor sich, daß wir eine Freiheit nach der anderen allmählich einbüßen. 

Net zomin kan je zeggen: de mens heeft rood, warm bloed, de dieren hebben rood, warm bloed – de uitdrukking van het Ik. Neem maar aan dat iemand een scheermes vindt en er vlees mee snijdt, omdat het nu eenmaal ook een mes is. Het gaat er niet om hoe iets uiterlijk stoffelijk gevormd is, maar hoe het binnen het geheel is. Bij de dieren is het rode warme bloed de uitdrukking voor het zielenwezen, bij de mens is hetzelfde rode bloed de uitdrukking van het Ik, net zoals een scheermes bedoeld is om te scheren en het mes op tafel om vlees mee te snijden. Je moet je niet afvragen: wat is bloed als bloed? Het kan binnen een samenhang de uitdrukking zijn voor dit, in een andere samenhang voor iets anders.

Vraag: Is het ook mogelijk in andere landen scholen zoals de vrijeschool op te richten?

Rudolf Steiner: Of je in andere landen dergelijke scholen kan stichten, hangt van de regelgeving in het betreffende land af. Ik heb me wat de vrijeschool betreft al zakelijk uitgedrukt. Ik zei: vóór de nieuwe democratische, republikeinse schoolwet er was, was het mogelijk de vrijeschool op te richten. De ontwikkeling van de laatste tijd gaat zo dat we de ene vrijheid na de andere beetje bij beetje kwijtraken.

Und wurden wir in Mitteleuropa beim Leninismus anlangen, dann wurden auch die Mitteleuropäer kennenlernen, was das Grab der menschlichen Freiheit bedeutet. Aber es hängt eben überall von den betreffenden Gesetzen ab, ob man solche Schulen wie die Waldorf­schule begründen kann. Es richtet sich also durchaus im konkreten Sinn nach den einzelnen Ländergesetzen. Man kann ja versuchen, soweit zu gehen als eben möglich. Ich wurde zum Beispiel jüngst aufgefordert*, Lehrer zu bestellen für eine Art anfänglicher Schule an einem anderen Ort, und ich sagte, wir müssen natürlich einmal die Probe machen. Ich bestellte zwei sehr tüchtige Lehrkräfte zu­nachst für die erste Klasse, die aber kein Examen gemacht haben, damit man sehen kann, ob die Leute solche Lehrkräfte durchsetzen

*Ich wurde zum Beispiel jüngst aufgefordert: Möglicherweise handelt es sich hier um die Neuwachtschule in Köln, gegründet im April 1921, die nach den Prinzi­pien der Stuttgarter Waldorfschule arbeitete.

En zouden we in Midden-Europa ook het leninisme krijgen, dan zouden de Midden-Europeanen leren kennen wat het graf van de menselijke vrijheid inhoudt. Maar het hangt overal van de geldende wetten af of je scholen zoals de vrijeschool kan oprichten. Concreet gezegd gaat het om de wetgeving van de landen in kwestie. Je kan proberen zo ver te gaan als mogelijk is. Kort geleden werd ik nog gevraagd* om leerkrachten te leveren voor een vorm van een beginnende school op een andere plaats en ik heb gezegd dat we natuurlijk zoiets moeten proberen. Ik zorgde voor twee zeer bekwame leerkrachten, eerst voor de eerste klas, die echter geen examen hadden gedaan, zodat we zouden kunnen zien of de mensen dergelijke leerkrachten pruimen.
.
Mogelijk gaat het hier om de Neuwachtschool in Keulen opgericht in april 1921 volgens de vrijeschoolprincipes.

Blz. 41

können. Es ist ja in der Waldorfschule durchaus nicht ausgeschlos­sen, daß auch Lehrer angestellt werden, die das Examen nicht gemacht haben. Als ich zum Beispiel neulich von einer Lehrkraft gefragt wurde, ob es ginge, sie anzustellen, trotzdem sie noch kein Examen gemacht habe, aber im Examen steht, sagte ich: Das macht nichts; Sie werden auch einmal das Examen haben.
Nun, nicht wahr, es handelt sich darum, daß man wirklich in großem Maßstab auf eine wirkliche Befreiung des Geistes- bezie­hungsweise des Schullebens hinarbeitet. Dazu ist so etwas notwen­dig wie eine Art Weltschulverein. Es muß möglich werden, daß gar nicht mehr die Frage aufzuweifen ist, ob denn in den verschieden­sten Ländern Schulen wie die Waldorfschule errichtet werden kön­nen, sondern es muß eben durch die Kraft der Überzeugung einer genügend großen Anzahl von Menschen diese Möglichkeit überall geschaffen werden. Es ging uns auch auf anderen Gebieten durch­aus so, wie es heute auch anfängt auf dem Gebiet des Schulwesens. Mit der Schulmedizin sind manche Menschen nicht einverstanden, daher wenden sie sich an diejenigen, die über diese Schulmedizin -jetzt nicht auf kurpfuscherische Weise, sondern durchaus sachge­mäß – hinauskommen wollen. Ich habe sogar einen Minister eines mitteleuropäischen Staates kennengelernt, der in seinem Parlament mit aller Gewalt das Monopol der Schulmedizin posaunte, der dann aber selber kam und Hilfe haben wollte auf einem anderen Wege.

Het is op de vrijeschool zeker niet uitgesloten dat er ook leerkrachten aangesteld worden die geen examen hebben gedaan. Toen ik bv. laatst door een leerkracht werd gevraagd of het zou kunnen haar aan te stellen ondanks dat ze nog geen examen had gedaan, maar ervoor bezig was, heb ik gezegd: Dat maakt niets uit; u haalt dat examen wel een keer.
Het gaat erom dat je daadwerkelijk op grote schaal toewerkt naar een echt vrijworden van het geestesleven, resp. van het schoolleven. Daarvoor is iets nodig zoals een soort wereldschoolvereniging. Het moet mogelijk worden dat de vraag zelfs helemaal niet meer gesteld hoeft te worden of er in de meest verschillende landen scholen zoals de vrijeschool opgericht kunnen worden, maar door de kracht van de overtuiging van een aantal mensen dat groot genoeg is, moet deze mogelijkheid overal geschapen worden.
Op ander gebied verging het ons zeker ook zo, zoals het nu begint op het gebied van de scholen. Met de schoolarts zijn sommige mensen het niet eens, vandaar dat ze zich wenden tot degenen die wat de schoolarts  betreft – nu niet op een kwakzalverige manier, maar zeer zeker ter zake – eruit willen komen. Ik heb zelfs een ninister van een Midden-Europese staat leren kennen die in zijn parlement met alle geweld het monopolie van de schoolarts openlijk uitriep, die dan echter zelf kwam en hulp wilde langs een andere weg.

Das ist das Streben, auf der einen Seite dasjenige, was eigentlich die Empfindung überwinden will, doch zu belassen und das andere [aber doch] durch alle möglichen Hintertüren zu erreichen. Dar­über müssen wir hinauskommen. Wir müssen nicht Winkelschulen errichten wollen, sondern wir müssen überall die Möglichkeit schaffen, eine freie Schule in dem heute geschilderten Sinne zu errichten. Bringen wir nicht diesen Mut auf, dann werden sich die­jenigen, die diese Dinge verstehen, auch nicht dazu hergeben, Win­kelschulen errichten zu lassen oder Lehrer dafür zu bestellen. Eine große Bewegung müßte entstehen, bei der eigentlich jeder Mensch, der nachdenkt über die Aufgaben der Zeit, Mitglied werden müßte, damit durch die Macht eines solchen Weltbundes dasjenige herbeigeführt

Dat is het streven om enerzijds eigenlijk het gevoel te overwinnen het maar op z’n beloop te laten en het anderzijds [dan toch] via alle mogelijke achterdeuren te bereiken. Daar moeten we bovenuit stijgen. We moeten geen scholen om de hoek willen oprichten, maar we moeten overal mogelijkheden creëren om een vrijeschool op te richten zoals die nu geschetst is. Als we de moed daarvoor niet opbrengen, dan zullen degenen die deze dingen begrijpen zich ervoor lenen scholen om de hoek op te laten richten of er leerkrachten voor te leveren. Er zou een grote beweging moeten ontstaan, waarvan eigenlijk ieder mens die nadenkt over de opgaven van de tijd, lid zou moeten worden zodat door de kracht van zo’n wereldbond dichterbij kan komen

Blz. 42

würde, was solche Schulen überall zur Entstehung führen könnte.
Aber da wird ja vor allen Dingen bei einem solchen Weltschul­verein – gestatten Sie schon einmal, daß ich das nur so wie am Ran­de, in Parenthese vorbringe – schon das eintreten müssen, daß ein gewisser Idealismus in der Menschheit dahinschwindet, ich meine nämlich den, der da sagt: Ach, die geistigen Sachen, die Anthropo­sophie, das ist ja so hoch, da darf das Materielle nicht heran; das würde die Anthroposophie verunreinigen, wenn das Materielle an sie herankäme. – Dieser Idealismus, der so idealistisch ist, daß er das Geistige mit allen möglichen Phrasen belegt und in den Himmel hebt, in ein Wolkenkuckucksheim und fest die Hand auf die Börse legt, geht nicht mit der Begründung von Weltschulverein oder der­gleichen zusammen. Da muß man schon einen solchen Idealismus aufbringen, dem die Börse nicht zu gut ist, um für die Ideale der Menschheit auch etwas zu tun. Anthroposophisch orientierte Gei­steswissenschaft muß durchaus bis ins praktische Leben hinein den­ken, das heißt nicht bloß in die Wolken, sondern bis in die Börse. Da gibt es ja auch Winkel und Ecken, die eben dem praktischen Leben durchaus angehören. – Das nur zur Charakteristik dessen, was eine rechte Weltanschauung ist.

dat dergelijke scholen overal opgericht kunnen worden.
Maar bij zo’n wereldschoolvereniging – sta mij toe dat ik dit nu zo terloops zeg, zo tussen haakjes naar voren breng – zou het vooral zo moeten zijn dat een bepaald idealisme in de mensheid verdwijnt, ik bedoel het idealisme dat zegt: ach, die geestelijke dingen, die antroposofie, dat is zo hoog gegrepen, daar mag het materiële niet bijkomen, als dat zou gebeuren zou dat de antroposofie vervuilen. Dit idealisme, dat zo idealistisch is dat dit het geestelijke met allerlei frasen onderbouwt en de hemel in prijst, in een luchtkasteel en de hand stevig op de knip houdt, dat gaat niet samen met de stichting van een wereldschoolvereniging o.i.d. Dan moet je wel een dergelijk idealisme opbrengen waarvoor de beurs niet te goed is, om ook voor de idealen van de mensheid iets te doen. Antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap moet vooral tot in het praktische leven denken, d.w.z. niet ‘ins Blaue hinein’, maar tot in de portemonnee. Daar zitten ook hoekjes en holletjes in die bij het praktische leven horen. Dat wat betreft de karakteristiek van wat een juiste wereldbeschouwing is.

Frage:    Gibt es Gegensätze zwischen der anthroposophischen Geisteswissen­schaft und dem evangelischen Christentum?

Rudolf Steiner: Diese Gegensätze braucht man nicht zu konstruie­ren. Zweierlei muß man unterscheiden: Das Mysterium von Golga­tha ist eine Tatsache: daß eine geistige Wesenheit aus überirdischen Welten heruntergekommen ist zur Erde, sich mit dem Menschen Jesus von Nazareth verbunden hat. Diese geistige Tatsache, die unserer Erdenentwicklung erst ihren Sinn gibt, die wird nun von jedem Zeitalter in der verschiedensten Art begriffen werden. Unser Zeitalter braucht ein neues Begreifen dieser Tatsache. Wir können diese Tatsache am besten begreifen, wenn wir überhaupt wiederum geistige Tatsachen verstehen lernen. Derjenige denkt gering vom Christentum, der glaubt, daß durch irgendeine Entdeckung, sei es

Vraag: Bestaan er tegenstellingen tussen de antroposofische geesteswetenschap en het evangelische christendom?

Rudolf Steiner: Die tegenstellingen hoef je niet te maken. Het gaat om twee dingen: het mysterie van Golgotha is een feit: dat er vanuit bovenaardse werelden een geestelijk wezen naar de aarde is gekomen die zich met de mens Jezus van Nazareth heeft verbonden. Dit geestelijke feit dat onze aardeontwikkeling pas zin geeft, zal door ieder tijdperk op de meest verschillende manieren worden begrepen. Onze tijd heeft een nieuw begrip van dit feit nodig. We kunnen dit feit het beste begrijpen, wanneer we eigenlijk de geestelijke feiten weer leren begrijpen. Wie klein denkt over het christendom, gelooft dat door een of andere ontdekking, het zij

Blz. 43

auf physischem oder geistigem Gebiet, das Christentum irgendwie erschüttert werden sollte. Wenn die offiziellen Vertreter des Chri­stentums oder vielmehr der traditionellen Bekenntnisse sich heute so feindlich gegen Anthroposophie wenden, so spricht das nur ge­gen diese offiziellen Vertreter, die nicht eigentlich das wahre Chri­stentum im Sinn haben, sondern die Herrschaft ihrer entsprechen­den Kirche. Wahres Christentum hat durchaus – aber übersinnlich, in übersinnlicher Erkenntnis – anthroposophische Geisteswissen­schaft schon auch erfaßt. Darüber können Sie in meinem Buch «Das Christentum als mystische Tatsache*» und in anderen Schrif­ten Entsprechendes nachlesen.

Frage: Hat in der Dreigliederung des sozialen Organismus das Geistesleben eine Art Uberherrschaft gegenüber den anderen beiden Gebieten?

Rudolf Steiner: Sie können in meinem Buch über «Die Kernpunkte der Sozialen Frage» sehen, wie das Kapital verwendet wird im drei­gliedrigen sozialen Organismus. Es kommt in eine Art Zirkulation

– wie das Blut im menschlichen Organismus – und bleibt bei dem­jenigen, der am besten zur Verwaltung befähigt ist und es dadurch auch im Sinne der Allgemeinheit verwaltet. Dazu muß aber fortwährend das Geistesleben zusammenwirken mit den anderen Glie­dern.

«Das Christentum als mystische Tatsache« (1902), GA 8

44    meine «Philosophie der Freiheit«: Das Buch (GA 4) erschien im Herbst 1893, trug aber als Erscheinungsjahr bereits die Zahl 1894. Seither ist es in vielen Auflagen erschienen. Siehe auch den Band «Dokumente zur >Philosophie der Freiheit», GA 4a.

op psychisch of geestelijk gebied, het christendom op de een of andere manier geschokt zal zijn. Wanneer de officiële vertegenwoordigers van het christendom of eerder de traditionele overtuigingen zich tegenwoordig zo vijandelijk tegen de antroposofie keren, dan werkt dat alleen maar die officiële vertegenwoordigers tegen, die eigenlijk niet het ware christendom op het oog hebben, maar de heerschappij van hun kerk. De antroposofische geesteswetenschap heeft juist ook het ware christendom, maar dan bovenzintuigelijk, met bovenzintuiglijke kennis, begrepen. Wat daarmee te maken heeft, kan u in mijn boek ‘Het christendom als mystiek feit’* en in andere geschriften nalezen.

Vraag: Heeft het geestesleven in de sociale driegeleding een overwicht over de andere twee gebieden?

Rudolf Steiner: U kan in mijn boek over ‘De kernpunten’ zien, hoe het kapitaal gebruikt wordt in de sociale driegeleding. Het komt in een soort circulatie terecht, zoals het bloed in het menselijk organisme, en het blijft bij degene die het best in staat is het te behartigen en het daardoor ook in algemene zin behartigt. Daartoe moet het geestesleven echter steeds samenwerken met de andere gebieden.

*’Het christendom als mystiek feit [GA 8]

Das ist das Eigentümliche bei einer solchen naturgemäßen Gliederung des sozialen Organismus wie des menschlichen Orga­nismus. Der menschliche Organismus – es ist das für mich das Re­sultat einer dreißigjährigen Forschung – ist von Natur aus drei­gliedrig. Erstens gibt es den Nerven-Sinnesorganismus, der vor­zugsweise im Kopf lokalisiert ist; zweitens das rhythmische System, das als Atmung und Blutzirkulation in der Brust lokalisiert ist; und drittens das Stoffwechselsystem, das mit den Gliedmaßen zusam­menhängt. Aber diese drei Glieder wirken so zusammen, daß ja in einem gewissen Sinn der Kopf führend ist, aber doch auch im ande­ren Sinne die beiden anderen Glieder. Man kann also nicht sagen, daß etwas die Oberherrschaft habe, sondern gerade durch die Ge­staltung der drei Glieder nach ihrer Wesenheit wird eine harmoni­sche Ganzheit im sozialen Organismus entstehen.

Dat is het wezenlijke van zo’n natuurlijke indeling van het sociale organisme zoals het organisme van de mens. Het menselijk organisme – voor mij is dit het resultaat van dertig jaar onderzoek – is van nature drieledig. Ten eerste is er het zenuw-zintuigorganisme dat voornamelijk in het hoofd gelokaliseerd is; ten tweede is er het ritmische systeem dat als adem en bloedsomloop in de borst gelokaliseerd is; en ten derde is er het stofwisselingssysteem dat met de ledematen samenhangt. Maar deze delen werken zo samen dat het hoofd wel op een bepaalde manier de leiding heeft, maar op een andere manier de andere gebieden. Je kan dus niet zeggen dat iets de overhand heeft, maar dat er juist door hoe de drie gebieden zijn gevormd, naar hun aard een harmonisch geheel in het sociale organisme ontstaat.

Blz. 44

Frage:    Sollen die Kinder von sieben bis vierzehn Jahren an das glauben, was der Lehrer sagt, oder werden sie in Freiheit unterrichtet?

Rudolf Steiner: Die Natur des Menschen fordert das, was ich im Vortrag ausgesprochen habe: eine gewisse selbstverständliche Autorität. Diese Forderung einer selbstverständlichen Autorität beruht wiederum auf einer gewissen Entwicklung des gesamten menschlichen Lebens. Es kann gewiß niemand mehr Gefühl entwik­keln für das soziale Herrschen der menschlichen Freiheit als ich, der ich meine «Philosophie der Freiheit»* 1892 geschrieben habe, die die Grundlagen eines freiheitlichen, sozialen Menschenlebens geben soll. Aber dennoch, soll sich der Mensch in richtiger Weise frei ins Leben hineinstellen, da muß er zwischen dem siebenten und fünf­zehnten Jahr Autoritätsgefühl in sich entwickeln. Lernt man nicht den anderen Menschen durch diese selbstverständliche Autorität erkennen, so ist das spätere Fordern der Freiheit etwas, was gerade ins Unmögliche des Lebens hineinführt, nicht zur wahren Freiheit.

*meine «Philosophie der Freiheit«: Das Buch (GA 4) erschien im Herbst 1893, trug aber als Erscheinungsjahr bereits die Zahl 1894. Seither ist es in vielen Auflagen erschienen. Siehe auch den Band «Dokumente zur >Philosophie der Freiheit», GA 4a.

Vraag: Moeten de kinderen van zeven tot veertien geloven wat de leerkracht zegt of krijgen ze in vrijheid les?

Rudolf Steiner: De natuur van de mens vraagt wat ik in de voordracht uitgesproken heb: een zekere vanzelfsprekende autoriteit. Deze vraag naar een vanzelfsprekende autoriteit berust ook op een bepaalde ontwikkeling van het hele menselijke leven. Er kan zeker niemand meer gevoel ontwikkelen voor het sociale heersen van de menselijk vrijheid dan ik: in 1892 schreef ik mijn ‘Filosofie van de vrijheid’* die de basis moet vormen van een vrij sociaal mensenleven. Maar toch, wil de mens op een goede manier vrij in het leven functioneren, dan moet hij tussen het zevende en het veertiende jaar in zichzelf een gevoel voor autoriteit ontwikkelen. Leer je door dit gevoel niet de andere mens kennen, dan is de latere eis om vrijheid iets wat juist in het leven tot onmogelijke dingen leidt, niet tot een echte vrijheid.

*mijn «Filosofie van de vrijheid«: Het boek (GA 4) verscheen in de herfst van 1893, jaar van verschijning al 1894. Sindsdien zijn er veel oplagen verschenen. Zie ook band  «Dokumente zur >Philosophie der Freiheit», GA 4a.

Geradeso, wie der Mensch nur zu einer richtigen Brüderlichkeit kommt, wenn er in entsprechender Weise erzogen wird, indem er in seiner Nachahmung in den Kinderjahren in der richtigen Weise geführt wird bis zum siebenten Jahr, geradeso ist das Autoritätsge­fühl notwendig, wenn der Mensch frei werden soll. Alles das, was heute gesagt wird – Schulgemeinden in republikanischer Form zu regieren -, wird nur aus Parteirücksichten geltend gemacht. Das würde die menschliche Natur zerstören. Ich sage das aus gründli­cher Erkenntnis des Menschenwesens. Solche Forderung nach einer gesunden autoritativen Art des Unterrichtens zwischen dem sieben­ten und fünfzehnten Jahr muß ausgesprochen werden. Da kommt nur Sachlichkeit in Betracht. Da sollen nicht Zeitphrasen das Entscheidende werden. Gerade derjenige, der auf dem Boden der Freiheit steht, der wird für die Erziehung in diesem Lebensalter zwischen dem siebenten und fünfzehnten Jahr die Forderung nach autoritativer Erziehung aufstellen mussen.

Net zoals de mens alleen maar tot een goede broederschap komt wanneer hij op de juiste manier opgevoed wordt wanneer hij bij zijn nabootsen in de tijd tot aan zijn zevende jaar op de juiste manier geleid wordt; net zo is het autoriteitsgevoel noodzakelijk wil de mens vrij worden. Alles wat vandaag wordt gezegd – schoolgemeenschappen op een republikeinse manier te besturen – wordt alleen gerealiseerd vanuit partijopvattingen. Dat gaat de menselijke natuur in disorde brengen. Dat zeg ik vanuit een grondige kennis van de natuur van de mens. Die eis van een gezonde manier van lesgeven door een autoriteit tussen het zevende en het veertiende jaar moet uitgesproken worden, Daar gaat het alleen om het zakelijke. Niet de frasen van een bepaalde tijd moeten de doorslag geven. Juist degene die in de vrijheid wortelt moet voor de opvoeding in deze leeftijdsfase tussen het zevende en het veertiende jaar de eis van een opvoeding met autoriteit formuleren. .

[1] GA 297A [Duits]
[2] GA 297A  [Duits]

GA 297Ainhoudsopgave

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

2158-2026

VRIJESCHOOL – Ritme (3-23)

.
Wim Kuipers, 29-02-1988
.

Schrikkeldag: een schets van de 29e van de sprokkelmaand

Volgens de statistieken komen er vandaag [2020] ongeveer 475 [in het oorspronkelijke artikel staat voor 1988 ongeveer 600] Nederlandertjes bij, die over vier jaar pas hun eerste echte verjaardag vieren.

Wie beweert vandaag zilveren bruiloft te hebben, is de tel kwijt of een leugenaar.

De schrikkeldag blijkt niet aantrekkelijk als huwelijksdag, maar vrouwen kunnen vandaag de eerste stevige stap zetten op weg naar hun zilveren bruiloft: ze mogen volgens een oud gebruik hun geheime uitverkorene ten huwelijk vragen. In veel landen mocht dat het hele jaar door, maar daar is weinig meer van over.

Februari 29 dagen dan mogen meisjes de jongens vragen.

Dertig dagen heeft november,
april, juni en september,
de andere hebben er 30 en één,
uitgenomen februari alleen,
want die heeft er vier maal zeven,
schrikkeljaar nog een erneven.

Zo leerde mijn moeder tachtig jaar geleden hoeveel dagen de maanden hebben.

Het is ook niet eenvoudig, vooral door die rare februari. En dan: het had zo gemakkelijk gekund: zeven maanden van 30 dagen en vijf van 31, samen 365. Kun je altijd nog kijken welke dertiger eens in de vier jaar de schrikkeldag krijgt. Of een december van 32: gezellig zo’n lange feestmaand.

Zo had het gekund. Maar de man die ons de schrikkeldag bezorgd heeft, Julius Caesar, vond dat de naar hem genoemde maand – juli – 31 dagen moest hebben. Bijgeloof: een oneven getal bracht geluk, en hup, hij pakte er eentje van februari weg.

Die maand was toch rommelig. Een eeuw vóór Caesar was het nog de laatste maand; tel maar: september was oorspronkelijk de zevende maand (Frans sept is zeven), oktober (octaaf) de achtste). Februari wisselde toen sterk van lengte, alnaargelang astronomen nieuwe berekeningen maakten van het zonnejaar.

Augustus

Luttele jaren na de moord op Caesar besteeg keizer Augustus de troon. Hij waande zich zeker zo machtig als Caesar. Dus moest hij ook een eigen maand hebben, augustus, en die kon het met niet minder doen dan de maand van dat Caesartje. Gevolg: februari had er nog maar 28 over, tenminste in drie van de vier jaar.

De Romeinse sterrenkundigen hadden het jaar, dat is de omlooptijd van de planeet Aarde om de zon, behoorlijk nauwkeurig uitgecijferd, maar niet helemaal. Ze dachten dat die omlooptijd 365 dagen en zes uur zou zijn. In werkelijkheid is het: 5 uur, 48 minuten en – afgerond – 46 seconden. De kalender liep dus achter op de zon, elke 130 jaar een dag.

Er waren te veel schrikkeldagen geweest. Paus Gregorius XIII greep in. Hij zette in oktober 1582 de kerkelijke klokken elf dagen vooruit, 15 oktober volgde op de vierde. Zijn astronomen bepaalden verder dat uitsluitend de eeuwjaren die deelbaar zijn door 400, schrikkeljaar zija Dus: 1800, 1900 en 2100 niet, 2000 weL

Niet iedereen liet zich in 1582 de tijd voorschrijven door een verre paus. Groningen en andere oostelijke -protestantse- provincies weigerden die dagen te schrappen. Ze telden door en vierden langer dan een eeuw Kerstmis tien dagen later dan Limburg. Iemand die op Driekoningen 1600 vanuit Roermond naar de Veluwe reisde, kwam daar, mits de reis voorspoedig was, in 1599 aan; hij maakte twee keer de eeuwwisseling mee.

Er was een tweede reden om niet naar die paapse paus te luisteren. Wie er rotsvast van overtuigd was dat ieders sterfdag bij de geboorte al vaststaat, zou dus tien dagen korter leven.

Meikersen

Er is een veronderstelling dat ook het woord meikersen nog herinnert aan de tijd van vóór 1582. Die kersen waren waarschijnlijk eind mei rijp, maar door het verdwijnen van die tien dagen begonnen ze voortaan eerst in juni te blozen.

Uiteraard ging de schrikkeldag vroeger zwaar gebukt onder bijgeloof. Wat afwijkt van het normale, maakt bang. Zonsverduistering, kometen, bolbliksem. In verschillende landen werkten de mensen op schrikkeldag niet: dat bracht gegarandeerd ongeluk. Veel boeren durfden geen bomen te planten, want die zouden maar eens in de vier jaar vrucht dragen.

Trouwen in een schrikkeljaar was eveneens riskant. Dat kan nog zo zijn. In Maastricht, Heerlen, Kerkrade, Stein, Sittard, Geleen, Echt en Weert zijn er vandaag [29-02-1988] geen bruidjes. Roermond heeft er drie, Tegelen eentje.
Durvers? Misschien, maar het kan ook een kwestie van centen zijn: ’s maandags trouw je gratis in deze twee gemeenten.

Elly Dohmen en Wiel van der Zee uit Brunssum hebben de schrikkeldag juist bewust uitgekozen voor hun huwelijk. Op de uitnodiging staat een gedicht met het waarom. Daaruit deze regel:

‘wij zien geen gevaar, tenzij in de tijd’

Wiel, oud-keeper van voetbalclub Caesar uit Beek, verklaart: „We zijn al wat ouder. Als we op een schrikkeldag trouwen, zet je de tijd een hak: in 2000 vieren we pas onze derde trouwdag.”

Boete

Schrikkeldag is ook een dag dat de vrouwen iets te vertellen hadden. Daarom – zo kunnen we vermoeden – is de dag verdacht gemaakt, gevaarlijk, zwanger van onheil en rampspoed.

Al 760 jaar geleden – in het schrikkeljaar 1288- verordonneerde koningin
Margaretha van Schotland dat de vrouwen op een schrikkeldag mannen ten huwelijk mochten vragen, frank en zonder vrees. Vrije mannen die zo’n aanzoek kregen en weigerden, moesten een boete betalen.

Zo staat het tenminste te lezen. Maar die koningin was een kind, ze was in 1288 niet eens in Schotland, ze stierf tijdens de overtocht van haar vaderland Noorwegen naar het sombere Schotland, waar haar een onbekende troon wachtte. Er was geen opvolger meer: de Schotse koningen (Macbeth bijvoorbeeld) hadden elkaar uitgemoord.

Hoe het ook zij, het gebruik waaide over naar het vasteland, maar veel heeft het voor de vrouwen niet opgeleverd. We hebben er wel spreuken aan overgehouden.

’t Is van ’t jaar een schrikkeljaar, dan lopen de meisjes de jongens naar.

En een variant: Heeft februari 29 dagen, dan mogen meisjes de jongens vragen.

Ouders die vandaag [in 1988] een kind krijgen, kunnen dat laten registreren in het internationaal schrikkeljarenregister van de gemeente Purmerend. Het kleine schrikkelkind krijgt dan een certificaat toegestuurd. Verder krijgen ze enkele cadeautjes, onder meer een thermolepel. Deze lepel geeft de temperatuur van wat erop zit aan: papje, prakje, noem maar op.

Wat moet u doen? Vóór 1 april een geboortekaartje sturen van uw schrikkelkind naar: Redactie Leven en Welzijn (een blad dat door drogisten verspreid wordt), postbus 25,5530 AA Bladel, met de vermelding: Actie Schrikkeljarigen. Moeders die nog een foto (zwartwit) meesturen, maken kans dat haar baby de schrikkelbaby 88 wordt Dan tevens het tijdstip van de geboorte meedelen, lengte en gewicht, plus de naam van de drogist want er hoort nog een tegoedbon bij.

Informatie hierover is niet meer te vinden:

Schrikkelbaby van het jaar – Digibron.nl http://www.digibron.nl › search › detail › schrikkelbaby-van-het-jaar 26 feb. 1988 – Postbus 25, 5530 AA Bladel. … een zwart/wit-foto van de baby bijsluit, doet men mee aan de verkiezing van de schrikkelbaby van 1988.

De link werkt niet meer. ‘Digibron’ geeft nu dit

Meer over de schrikkeldag.


0-0-0

‘Schrikken’ betekende oorspronkelijk ‘springen’, nog gangbaar in ‘terugschrikken’= terugspringen .
De ‘el’ kan gehouden worden voor een zgn. ‘frequentatief’ – het aangeven van een regelmatige herhaling: hinken-hinkelen; duiken-duikelen.
Vandaar ‘schrikkel’, de regelmatiger sprong van 1 dag.

.
Ritmealle artikelen

.
2157-2025

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over spel (GA 305)

.
Zie de inleiding

GA 305

Blz.  139

Gestatten Sie mir, etwas recht Ketzerisches zu sagen: man liebt es ja, den Kindern Puppen in die Hand zu geben, ganz besonders «schöne» Puppen. Man merkt nicht, daß die Kinder das eigentlich nicht wollen. Sie weisen es zurück, aber man drängt es ihnen auf. Schöne Puppen, schön angestrichene! Viel besser ist es, den Kindern ein Taschentuch zu geben, oder wenn ein Taschentuch zu schade ist, irgend etwas anderes; man macht die Sache zusammen, macht hier einen Kopf, malt eine Nase, zwei Augen und so weiter und damit spielen gesunde Kinder viel lieber als mit «schönen» Puppen, weil da für ihre Phantasie noch etwas übrig bleibt; währenddem, wenn die Puppe möglichst schön gestaltet ist, mit roten Wangen sogar, für die Phantasie nichts übrig bleibt. Das Kind verödet innerlich neben der schönen Puppe.
Das weist aber hin auf die Art und Weise, wie man aus dem Kinde hervorholen soll dasjenige, was es nun selber gestaltet.

Staat U mij toe even een zeer ketterse opmerking te maken: men houdt ervan kinderen poppen te geven, die heel erg ‘mooi’ zijn. Men heeft niet in de gaten dat de kinderen dat eigenlijk niet willen. Ze wijzen dat af, maar men dringt ze hen op. Mooie poppen, mooi geschilderde! Het is veel beter de kinderen een zakdoek te geven, of als dat zonde is van de zakdoek, nog weer iets anders; men vouwt het ding en maakt hier een hoofd, schildert een neus, twee ogen enzovoorts, en daarmee spelen gezonde kin­deren veel liever dan met ‘mooie’ poppen, omdat daarbij nog iets over is gelaten voor hun fantasie, terwijl, als de pop zo mooi mo­gelijk is gemaakt, met rode wangetjes zelfs, er voor de fantasie geen ruimte meer is. Bij een mooie pop verkommert het kind innerlijk. Dat is echter een aanwijzing voor de manier waarop men uit het kind tevoorschijn kan doen treden, hetgeen het nu zelf vormgeeft. 

Und da, sehen Sie, wenn unsere Kinder im 6. Schuljahr herankommen in der Schule, die Dinge nun selber aus ihrem Formgefühl heraus zu entwickeln, dann zeigen sie sich so, wie es in diesen kleinen Musterbeispielen der Fall ist, die wir mitgebracht haben (Holzpuppen). Die Dinge sind so, wie sie ganz aus der Individualität irgendeines Kindes herauswach­sen.
Es handelt sich aber insbesondere darum, daß man Kinder früh darauf aufmerksam macht, wie sie aus der inneren Beweglichkeit her­aus, nicht aus innerer Starrheit heraus eigentlich sich das Leben denken wollen. Daher, wenn man die Kinder allmählich aus dem Spielwesen heraus dasjenige, was ja für sie seriös ist, seinen Ernst hat, gestalten läßt, so muß man versuchen, Beweglichkeit in die Sache hineinzubringen. Sehen Sie, solche Sachen, was, wie ich glaube, ein ganz außerordent­licher Kerl ist (geschnitzter Bär),  machen die Kinder ganz von der

En, ziet U, wanneer onze kinderen in het zesde leerjaar van de school de dingen nu zelf vanuit hun vormgevoel gaan ontwikkelen, dan gaan die er zo uitzien, als bij deze voorbeeldjes het geval is, die we hebben meegebracht (houten poppen). Deze dingen zijn hele­maal, zoals ze groeien vanuit de individualiteit van dit of dat kind. Het gaat er echter vooral om, dat men kinderen er vroeg opmerk­zaam op maakt hoe ze eigenlijk vanuit de innerlijke beweeglijkheid, niet vanuit innerlijke starheid zich het leven willen denken. Door de kinderen langzamerhand vanuit het spelende te laten vormen wat voor hen een serieuze en ernstige zaak is, moet men proberen om beweging in het werk te brengen. Ziet U, zoiets als dit, wat, vind ik, een heel bijzondere kerel is (uit hout gesneden beer), maken de kinderen helemaal,

Blz. 140/141

Picke auf, und sie machen auch diese Zugdinge selber daran, ohne daß man sie dazu anleitet, so daß sich dann bei einem solchen Kerl auch die Zunge bewegt, wenn er so getrieben wird. Oder die Kinder tragen ihre Phantasie hinein in die Sache: sie machen eine Katze nicht so, daß sie artig ist, sondern machen das, was sie bemerken, ohne daß sie die tieferen Zusammenhänge kennen, den Katzenbuckel, ganz ordentlich hinein.
Besonderen Wert lege ich immer darauf, daß Kinder auch bei Spiel­zeugen sich schon hineinfinden in das, was sich bewegt, was also nicht bloß ruht, sondern bei dem man handeln lernt. So fabrizieren dann die Kinder Dinge, die ihnen außerordentlich Freude gewähren, wenn sie sie nach und nach fertigbringen. Sie machen nicht bloß realistische Dinge, sondern ganz aus ihrer eigenen Idee heraus machen sie solche Gnomen­geschichten und dergleichen.
Sie finden durchaus auch die Möglichkeit, in komplizierterer Weise solche Dinge zusammenzusetzen; es wird ihnen nicht gesagt, daß man das machen kann, sondern das Kind wird nur darauf geführt, so daß es von selbst solch einen lustigen Kerl (beweglicher Rabe) machen kann, und dann wiederum sieht er griesgrämig aus, traurig. Und wenn das Kind dann so etwas fertigbringt (Eule mit beweg­lichen Flügeln), dann ist es ganz besonders befriedigt! Das machen also die Kinder zwischen dem 11. bis 15. Jahre, jetzt noch die älteren, aber wir werden es dann allmählich zurückzuführen haben in noch frühere Klassen, wo die Formen dann einfacher werden.

en ze maken ook deze trekdingetjes er zelf aan, zonder dat men ze ertoe aanzet, zodat bij zo’n beer ook de tong beweegt, als men hier aan trekt. Of ook wel leggen de kinderen hun fantasie erin: ze maken een kat niet zo dat hij er lief uitziet, maar ze maken hem met hetgeen ze aan een kat opmerken, zonder er de diepere verbanden van te kennen, namelijk die kromme rug.

blz. 150 in de vertaling

Ik hecht er altijd bijzonder veel waarde aan, dat kinderen ook bij speelgoed al begrip krijgen voor hetgeen er beweegt, wat dus niet enkel in rust verkeert, maar waarbij je iets moet doen. Zo maken de kinderen dan dingen die hen bij het vervaardigen bijzonder veel vreugde verschaffen. Ze maken geen dingen, die zonder meer rea­listisch zijn maar helemaal naar hun eigen idee maken zij van deze kabouterachtige dingen en dergelijke. Ze ontdekken zeker ook de mogelijkheid, zulke dingen op een ingewikkelder manier in elkaar te zetten; het wordt hun wel verteld, dat men dat kan doen, maar het kind wordt alleen op het juiste spoor gezet, zodat het vanzelf zo’n vrolijke knaap (beweegbare raaf) kon maken, die er zó weer knorrig, bedroefd uitziet.

blz 140

En als het kind zoiets als dit voor elkaar krijgt (uil met beweegbare vleugels) dan is het heel erg tevreden! Dat maken dus de kinderen tussen het elfde en het vijftiende jaar. Op dit moment nog de oudere kinderen, maar langzamerhand zullen we dit werk in de lagere klassen moeten gaan doen, waar de vormen dan eenvoudiger zullen zijn.
GA 305/139-141
Vertaald

Blz. 147

So ist es notwendig für den Erzieher, daß er sich eine genaue Einsicht verschafft, namentlich für das ganz kleine Kind, in den Zusammen­hang desjenigen, was das Kind auslebt im Spielen. Im Spiel lebt ein ganzer Komplex von Seelenbetätigungen, Freude, zuweilen auch Schmerz, Sympathie, Antipathie; namentlich auch liegt im Spiel Neu­gierde, Wißbegierde. Das Kind will die Spielgegenstände genau unter­suchen, sehen, was drinnen ist. Und was da seelisch in einer ganz freien Betätigung, noch nicht hineingezwungen in die Form der menschlichen Arbeit, was da seelisch aus dem Kinde herauskommt, daran muß man beobachten können, wie es aus dem Gefühl kommt, wie es befriedigt oder nicht. Denn wenn man das Spiel des Kindes so leitet, daß das Kind eine gewisse Befriedigung hat am Spiel, so fördert man nament­lich diejenige Tätigkeit in gesundheitlicher Beziehung, die sich an das Verdauungssystem des Menschen anschließt. Und wie man das Spiel leitet, so ist im spätesten Lebensalter noch der Mensch in be­zug auf seine Blutzirkulation, in bezug auf seine Verdauungstätigkeit mehr oder weniger Hemmungen oder Nichthemmungen ausgesetzt.
Da ist ein feiner intimer Zusammenhang zwischen dem, wie das Kind spielt und dem, was aus dem physischen Organismus des Menschen wird.
Man darf nicht sagen: der physische Organismus, das ist was Ge­ringes; ich bin ein Idealist; da hat man nichts zu tun mit diesem nie­deren physischen Organismus. Dieser physische Organismus ist von den göttlich-geistigen Mächten der Welt in die Welt hereingestellt, ist gött­liche Schöpfung, und man muß sich bewußt sein dessen, daß man an seiner göttlichen Schöpfung gerade als Erzieher mitzuarbeiten.

Zo is het ook noodzakelijk dat de opvoeder zich een exact inzicht verschaft, met name voor wat betreft het zeer kleine kind, in de structuur van hetgeen het kind in het spel tot uitdrukking brengt. In het spel leeft een heel complex van zielenactiviteit: vreugde en soms ook smart, sympathie, antipathie, met name ligt er in het spel ook nieuwsgierigheid, weetgierigheid. Het kind wil hetgeen waarmee het speelt ook precies onderzoeken, het wil zien wat er in zit. En aan wat daar vanuit de ziel, in een volstrekt vrije bezigheid, die nog niet is geperst binnen het kader van de menselijke arbeid, aan wat het kind daar aan zielenactiviteit naar buiten brengt, moet men kunnen waarnemen, hoe het met zijn gevoelens overweg kan, of het daarin bevrediging vindt of niet. Want, wanneer men het spel van het kind zo leidt, dat het kind een zekere bevrediging vindt in het spel, dan bevordert men namelijk die activiteit met betrekking tot de gezond­heid, die aansluit bij het menselijk spijsverteringsstelsel. En al naar men het spel leidt, heeft nog in zijn laatste levensfase de mens, met betrekking tot zijn bloedsomloop, met betrekking tot zijn spijsver­teringsactiviteit, al dan niet te maken met grotere of kleinere rem­mingen. Er bestaat een nauwe, subtiele relatie tussen hoe het kind speelt en hetgeen er gewordt uit het fysieke organisme van de mens. Men mag niet zeggen: het fysieke organisme is iets onbelangrijks, ik ben een idealist en ik heb niets te maken met dat lagere fysieke organisme. Dat fysieke organisme is door de goddelijk-geestelijke machten der wereld in de wereld een plaats gegeven, het is een goddelijke schepping en men moet er zich van bewust zijn dat men juist als opvoeder aan zijn goddelijke schepping heeft mee te werken.
GA 305/147-148
Vertaald

.

Rudolf Steiner over spelalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Spelalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle beelden

.

2156-2024

.

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-5/2)

.

Conflicten zijn van alle tijden. Ook op vrijscholen kwamen ze en komen ze voor.
Inzicht in conflicten is voor een oplossing van grote betekenis. In onderstaand artikel worden daarvoor vruchtbare standpunten aangedragen. In dit verband zijn ook de artikelen van Lex Bos belangrijk, m.n. over de12 draken‘.

Hans von Sassen, Jonas 19, 18-05-1979
.

conflict en samenleving (2)

Ons thema was conflicten in organisaties. Het zal duidelijk zijn dat we in de praktijk daar alle soorten van conflicten kunnen tegenkomen. Bijvoorbeeld: straf voor ongewenst gedrag (geen salarisverhoging omdat men de chef te veel tegenspreekt); emancipatieconflicten omdat de leiding te autoritair is of de regelingen verstard; conflicten over arbeidsvoorwaarden, die door onderhandeling moeten worden opgelost – en natuurlijk
samenwerkingsconflicten, bijvoorbeeld over het te voeren beleid. De poging om deze conflictverschijnselen tegen de achtergrond van de sociale ontwikkeling te zien, was bedoeld om in concrete conflictgevallen al deze aspecten te onderkennen en de daarvoor passende aanpak te kunnen vinden.

Nu zou het nog betrekkelijk eenvoudig zijn met conflicten om te gaan als het alleen om verschillende opvattingen over allerlei zaken ging. Daar zou men in ‘rationele gesprekken’ uit kunnen komen. In alle conflicten blijken echter opvattingen en verstandelijke motieven – zoals die in vergaderingen steeds weer worden uitgesproken – te zijn verstrengeld met meestal onbewuste persoonlijke meningen en gevoelens. Omdat dit voor de conflicthantering van wezenlijk belang is, willen we daarop nog kort ingaan.

Vermenging van rationele en niet rationele motieven

Aanleidingen tot conflicten in organisaties zijn niet alleen verschillende opvattingen over beleid, organisatie, enz., maar ook gewone misverstanden, fouten, niet nagekomen afspraken en dergelijke waardoor het bereiken van resultaten vertraagd of verhinderd wordt. Dit laatste heeft meer het karakter van ergernissen, wanneer bepaalde zaken niet naar verwachting verlopen.

Op zichzelf is aan deze verschillen in opvatting en incidentele ergernissen niets verontrustends of ongezonds. Men kan ze in elke organisatie verwachten. Gaan de betrokkenen een gesprek aan zodra dit is onderkend (uitstel legt vaak de kiem voor een conflict!), om van beide kanten na te gaan waarop die opvattingen berusten, wat er aan de hand is of waarom men wat gedaan heeft, dan kan de tegenstelling veelal worden opgeheven of een voorlopige regeling gevonden worden. Zo’n gesprek richt zich dan op het vinden van het eigenlijke probleem en de meest praktische oplossing daarvoor.

Zodra echter mensen zich door dergelijke gebeurtenissen gefrustreerd gaan voelen, hun gevoel van eigenwaarde verbinden met ‘gelijk hebben’, zich moeten handhaven en dergelijke als zij ergens bang voor zijn (meestal voor de veronderstelde gevolgen, indien de tegenspeler zijn zin zou krijgen) of als zij behoefte hebben aan ‘een schuldige’ – ontstaan de conflicten.

Wie eens als buitenstaander betrokken werd bij een groepsconflict dat al enkele jaren aan de gang is, zal zich erover verwonderd hebben, hoe moeilijk het is in het struikgewas van meningen, vooroordelen, defensieve opstellingen en agressies de reële kern van het conflict terug te vinden.

Veelal schijnt het om problemen te gaan, die in bijna elke organisatie voorkomen zonder tot zo een dramatisch conflict aanleiding te geven, of het zijn incidentele kwesties, die bij een realistische aanpak in enkele gesprekken voor ieder bevredigend te regelen zijn. Niettemin krijgt men het gevoel, dat de situatie hopeloos ‘vast zit’. Men komt er dus niet met een rationele aanpak van het probleem alleen; ook een psychologische benadering is noodzakelijk.

Zo ziet men bijvoorbeeld dat de ‘ergernissen’ over het gedrag van de tegenstanders worden gebruikt om ook hun principiële bedoelingen te kunnen verwerpen. Dan verwijten de ‘conservatieven’ de ‘progressieven’, dat zij mooie maar onpraktische ideeën hebben, wat al daaruit blijkt dat zij niet eens orde op zaken in hun eigen dagelijkse werk kunnen houden, afspraken vergeten en dergelijke. Dit wordt dan met sprekende voorbeelden uit het verleden aangetoond. Omgekeerd verwijten de ‘progressieven’ hun tegenstanders dat zij geen visie hebben, te star of te autoritair zijn, dat de ‘ervaring’ en de ‘realiteitszin’ waarop zij zich zo gaarne beroepen, niets anders dan vooroordelen of oude gewoonten. Ook deze groep kan op sprekende voorvallen wijzen, bijvoorbeeld dat aan medewerkers met ideeën telkens de voet dwars werd gezet. Naarmate het conflict ernstiger wordt (escaleert) worden de beelden over elkaar vreemder en onwerkelijker. Vroegere gebeurtenissen worden opgeblazen of verdraaid tot duistere machinaties. Nog iets radikaler gesteld zou men mogen zeggen:

In het conflict komen ‘mensen’ elkaar niet tegen, alleen de beelden die men van elkaar heeft.

Vaak blijkt dat niet de gedragingen, opvattingen en bedoelingen of fouten van anderen bestreden worden, maar de fictieve (vermeende) beelden, die de ander zich van die opvattingen enz. in de loop van het conflict heeft gevormd. Daarom blijft de strijd onvruchtbaar, draagt niets bij tot verbetering, maar maakt alleen de bestaande situatie onleefbaar. Men bestrijdt immers voor een belangrijk deel ‘spoken’, die men mede zelf heeft opgeroepen.

Tijdens een geleide conflictoplossing kan men de conflictgroepen vragen ten aanzien van een aantal omschreven problemen in hun organisatie schriftelijk hun mening en die van de tegenpartij weer te geven. Doen beiden dit, dan heeft men telkens vier beelden, die in een gemeenschappelijke zitting met elkaar geconfronteerd worden. Men kan nog de vraag toevoegen: hoe denken wij dat de anderen over ons denken? De merkwaardige verschillen en niet vermoede uitspraken zijn zelfs voor de geharde partijgangers soms verbluffend. Dit kan dan een aanzet zijn om zich voor het eerst weer iets af te gaan vragen – en niet alleen dezelfde beweringen te blijven herhalen.

Om dergelijke conflicten op te lossen is het nodig de fictieve beelden bewust te maken zodat het zicht van de betrokkenen op de eigenlijke problemen (weer) vrij wordt. Dan worden de werkelijke verschillen in waarden, beleidsvisies enz. voor elkaar zichtbaar en kunnen met elkaar geconfronteerd worden.

Polarisatie

Een opvallend verschijnsel is dat men in de organisatie vaak twee ‘conflictgroepen’ tegenover elkaar aan treft.

Niet iedereen behoort tot deze partijen. Sommigen staan er tussen, omdat zij innerlijk heen en weer getrokken worden (loyaliteitsconflict) of omdat zij trachten een bemiddelende rol te spelen. Anderen bevinden zich daaromheen, omdat zij nieuwkomers zijn, die nog onvoldoende ingewijd zijn of omdat zij beslist niets met het conflict te maken willen hebben. Zij volgen de spanningen hoofdschuddend of vinden het ‘verschrikkelijk’. De partijen doen van tijd tot tijd moeite om hen – soms onder morele druk – tot medestanders te maken.

De grenzen van de conflictgroepen zijn soms onduidelijk, soms scherp afgetekend. Binnen de groepen treft men centrale figuren en randfiguren aan met alle mogelijke tussenposities. De centrale leden zijn de actieven, de opiniemakers en leiders. Veelal bevindt zich in het midden van elke
conflictgroep een persoon met een belangrijke positie in de organisatie, bijvoorbeeld twee directeuren van het bedrijf of de rector en een conrector van een school. Deze zijn niet altijd de drijvende krachten. Om hen staan een aantal paladijnen heen, die verontwaardigd zijn over de miskenning of het onrecht die ‘ze’ ‘onze rector’ hebben aangedaan. Zij komen steeds met nieuwe verhalen over wat voor onmogelijkheden een lid van de andere partij nu weer gezegd of gedaan heeft; zij zinnen steeds op acties om de positie van de eigen groep te versterken en de andere te verzwakken. Zij duiden elke gebeurtenis als een bevestiging van eigen standpunt.

De randfiguren zijn minder actief. Zij twijfelen eerder aan het eigen gelijk van de groep bij bepaalde gebeurtenissen of geruchten en zijn eerder geneigd een genuanceerd oordeel van buitenstaanders te waarderen. Zij hebben echter te weinig gewicht om daarmee indruk te maken op de centrale figuren.

Hoe komt het zover?

Een dergelijke toestand ontwikkelt zich geleidelijk. Deze ontwikkeling zou men in drie stappen kunnen beschrijven die gekenmerkt zijn door:

– verstopte communicatie;

– gestoorde onderlinge verhoudingen;

– verbroken samenwerking.

De aanleiding wordt gewoonlijk gevormd door objectieve problemen, bijvoorbeeld de markt gaat achteruit, een ingrijpende reorganisatie dreigt. Mensen met overeenkomstige zienswijzen over die problemen zoeken elkaar op. Zij spreken veel met elkaar en weinig met de anderen. Het geheel van informaties, oordelen en gevoelens gaan steeds meer verschillen van die van de andere groep. Men begrijpt elkaar daarom niet of verkeerd. Dat wekt antipathie op, zodat de neiging afneemt problemen met de tegenstanders uit te praten. De communicatie raakt dus verstopt, zodat vele problemen onopgelost blijven, wat de betrokkenen steeds meer gaat irriteren. Het is ‘duidelijk’ waar de schuld ligt: de andere groep is natuurlijk het obstakel, dat de goede gang van zaken verstoort en de onvrede oproept! Steeds meer worden alle moeilijkheden geduid als onvermogen en onwil van bepaalde personen; negatieve oordelen en gevoelens gaan overheersen en houden de mensen overmatig bezig. Zodoende worden de menselijke verhoudingen verstoord.

Tenslotte kan dit leiden tot openlijke of verborgen tegenwerking, strijd en manipulatie. Elke groep voelt zich bedreigd door de andere, dat wil zeggen het vertrouwen is ondermijnd en men meent alleen door ‘maatregelen’ tegen de andere partij de organisatie te kunnen ‘redden’. De objectieve problemen raken daarbij steeds meer op de achtergrond, zij spelen alleen nog de rol van munitie tegen personen en groepen.

Hebben de conflictgroepen het stadium van vijandschap bereikt, dan zijn houding en gedrag van leden naar binnen en naar buiten toe geheel verschillend. Elke partij heefteen groepsnorm, die druk op de leden uitoefent om de meningen van de groep volledig te onderschrijven en loyaal te blijven. Voor allen geldt een zelfde ‘ideologie’. Nuanceringen, twijfel en zelfkritiek zijn uit den boze, ze ondermijnen ‘het moreel’. De groep ziet zich als strijder voor gezond verstand, recht en orde, bevrijding van een juk, noodzaak tot vernieuwing en dergelijke (zelfglorificatie). Voor de eigen houding worden ideële motieven geclaimd, de anderen worden door machtstreven of eigen belang gedreven.

De gehele situatie maakt de indruk van een bewustzijnsvernauwing, de betrokkenen verliezen de werkelijkheid uit het oog en raken steeds meer op elkaar en het conflict gefixeerd.

De polarisatie is natuurlijk niet altijd zo radicaal als hier beschreven, maar komt wel degelijk voor. Zo’n beschrijving helpt echter ook om dezelfde kenmerken in mildere vormen van conflict terug te vinden.

Misschien herkent u er iets van, als u de eigen ervaring raadpleegt.

Het is nu merkwaardig hoe lang een dergelijke toestand soms kan bestaan, zonder dat de buitenstaander er veel van merkt. De leden zijn dan door ideële of materiële motieven aan de organisatie gebonden. Beide groepen zijn nog loyaal aan het gemeenschappelijke doel, ontslag nemen wordt min of meer als lafheid beleefd en dergelijke. De lopende productie of het gebruikelijke onderwijs blijft voortgang vinden en ten aanzien van bepaalde aspecten, die nog niet door het conflict ‘besmet’ zijn, vindt een redelijke vorm van samenwerking plaats. De bom barst gewoonlijk, wanneer iemand het ‘machtsevenwicht’ tussen de partijen tracht te doorbreken door versterking van buiten de organisatie te halen. Er wordt met relaties, ouders, een inspecteur enz. over het conflict gepraat of iemand licht de pers in.

De dan ontstane crisissituatie maakt het noodzakelijk, dat er iets moet gebeuren; bijvoorbeeld dat een hogere instantie een onderzoek instelt, ingrijpt of een bemiddelaar benoemt. Misschien vindt men de weg voor een agogische aanpak met behulp van een adviseur.

Het is natuurlijk beter als het niet zover komt. Dat zou reeds het geval zijn als leiders en medewerkers in onze organisaties zich iets minder onhandig zouden gedragen als de eerste verschijnselen van conflict zich voordoen. Daarom tot slot nog enkele gedachten ter overdenking voor hen, die zich voor het wel en wee van hun instituut, school of bedrijf verantwoordelijk voelen.

Met conflictsituaties leren omgaan

Conflicten worden meestal beleefd als hindernissen op de weg naar nagestreefde doelen, onaangename gebeurtenissen die vermeden hadden kunnen worden. Men denkt vaak over conflicten net als over ziekten: ‘wat storend, wat lastig, als ze er niet waren, zouden we met ons werk gewoon door kunnen gaan’. Of men vindt het zelfs moreel onaanvaardbaar: ‘iets dat niet had mogen gebeuren, omdat wij eigenlijk altijd in harmonie behoren te leven’. Men probeert dan zolang mogelijk te doen alsof het conflict er niet is of het moraliserend weg te praten, in elk geval te verhinderen, dat het buiten de groep zichtbaar wordt. Juist daardoor worden conflicten ernstiger en gecompliceerder.

De houding van de leden van een groep tegenover een intern conflict is wezenlijk voor de oplossing ervan.

Conflicten kunnen storend, verlammend en tenslotte destructief werken, maar ze kunnen ook een positieve heroriëntatie en ontwikkeling teweeg brengen! Conflicten behoeden de organisatie voor inslapen en verstarring, zij kunnen leiden tot verbeteringen en vernieuwingen, die zonder deze niet tot stand zouden zijn gekomen.

Of een conflict constructief of destructief zal werken, hangt er vanaf hoe wij ‘er mee omgaan‘. De eerste stap is het inzicht, dat het verschijnsel conflict onvermijdelijk is en de aanvaarding van de feitelijke situatie. De tweede situatie is het verkrijgen van inzicht in het ontstaan, en de betekenis ervan in de organisatie waarin zich het conflict voordoet. Dan kan een aanpak van de problemen, die tot het conflict geleid hebben, worden ontwikkeld.

Een ervaring van de laatste tijd is, dat het bij ernstiger conflicten niet meer voldoende is, dat onafhankelijke personen met goede bedoelingen en gezond verstand conflicten trachten bij te leggen of op te lossen. In vele gevallen is een meer bewuste (professionele) aanpak noodzakelijk. Bovendien is het gewenst dat de leden van een organisatie meer inzicht in het verschijnsel conflict krijgen, om te leren met conflictsituaties om te gaan.

De eerste voorwaarde om een conflict constructief te kunnen benaderen, is dus dat de betrokkenen het feit aanvaarden, dat er een conflict is, zonder er meteen een moreel oordeel aan te verbinden.

De bedoeling van dit artikel was enige gezichtspunten aan te dragen, die een hulp kunnen zijn om in de eigen organisatie die situaties beter te onderkennen, die tot ongezonde conflicten kunnen leiden; begrijpender tegenover dergelijke verschijnselen te staan en helpend te kunnen ingrijpen.

Of – als blijkt dat de problemen door medewerkers zelf niet of alleen met zeer veel inspanning opgelost kunnen worden – bereid te zijn externe adviseurs – agogen daarbij in te schakelen. Wat hier werd beschreven mag voor sommigen misschien wat theoretisch klinken, het berust echter op ervaringen, opgedaan met het werken aan conflicten in verschillende soorten organisaties, zoals dit gedaan wordt door het NPI – Instituut voor Organisatie Ontwikkeling.

Conflictbeheersing in organisaties is een levensbelang voor die organisaties zelf, maar ook voor hun omgeving. Het is te hopen, dat de ervaringen, die nu door velen in de sfeer van de organisaties worden opgedaan, er uiteindelijk toe zullen leiden dat iets, waar velen van dromen, in vervulling kan gaan, namelijk conflictoplossing te kunnen en te mogen toepassen op de grote internationale conflicten, die vele kenmerken van het organisatieconflict, alleen machtiger en minder toegankelijk, vertonen.

.
Sociale driegeledingalle artikelen

.

2155-2023

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-5/1)

.
Conflicten zijn van alle tijden. Ook op vrijscholen kwamen ze en komen ze voor.
Inzicht in conflicten is voor een oplossing van grote betekenis. In onderstaand artikel worden daarvoor vruchtbare standpunten aangedragen. In dit verband zijn ook de artikelen van lex Bos belangrijk, m.n. over de12 draken‘.

Hans von Sassen, Jonas, 04-05-1979
.

conflict en samenleving

Conflicten in het sociale veld

Het aantal en de ernst van conflicten in de samenleving en in organisaties, schijnt voortdurend toe te nemen. We zien dan ook een toenemende bezinning en een wassende stroom van publicaties over het verschijnsel conflict. Hoe komt dat?

Overal waar individuen of groepen in hetzelfde veld iets verschillends nastreven is er kans op conflicten. Gezien de veranderingen in de samenleving is het eigenlijk geen wonder, dat deze kansen toenemen. Wat voor veranderingen zijn dat?

Er zijn steeds meer mensen en meer en grotere organisaties. Het ‘gedrang’ in hetzelfde veld neemt toe, zodat strevingen en belangen elkaar eerder in de weg staan. Waar het aantal medewerkers bijvoorbeeld van een bedrijf of afdeling, snel groeit, ziet men haast altijd conflicten optreden.

=Veel mensen en groepen komen tot initiatief en actie, hun gevoel van eigenwaarde neemt toe en zij stellen zich zelfstandiger op. Dit is het verschijnsel van de emancipatie. Men is dus ook minder afhankelijk van tradities en groepsnormen en aanvaardt niet meer voetstoots de mening van hogergeplaatsten.

=Mensen uit verschillende milieus, volkeren enz. komen elkaar veelvuldiger tegen en werken samen in dezelfde organisatie. Deze ontmoetingen kunnen bijdragen tot wederzijds begrip, maar ook tot botsingen leiden.

=We zijn steeds meer van elkaar afhankelijk geworden. Dat komt vooral door de technische ontwikkeling en de voortgaande economische vervlechting. Wat mensen en organisaties in één veld doen of laten, heeft meteen gevolgen voor vele anderen.

Twee ontwikkelingen vormen de kern van de genoemde veranderingen, namelijk de geestelijke emancipatie van individuen en de wederzijdse afhankelijkheid in het maatschappelijke veld. Tussen beide tendenties bestaat al een spanning: de emancipatie vraagt om toenemende zelfstandigheid, vrijheid, creativiteit en verantwoordelijkheid van de enkeling – de wederzijdse afhankelijkheid daarentegen om beheersing van de processen, reglementering en aanpassing van het individu aan de ‘systemen’. Dat is het dilemma in onze organisaties en de voornaamste bron van spanningen en conflicten.

Conflict en samenlevingsvorm

Om deze samenhangen beter te kunnen begrijpen, wil ik een poging doen, de historische ontwikkeling van de samenleving van een bepaald gezichtspunt uit te schetsen.

In vroegere gemeenschappen speelt de de enkeling geen rol, alleen het voortbestaan, de levensvorm en de cultuur van de groep. Men is nog deel van de groep dat wil zeggen men denkt en voelt als de anderen en het gedrag wordt bepaald door wat men van jongs af aan waarneemt in zijn omgeving en door de geboden en zeden die men aantreft. Het opperhoofd, de farao of de pater familias vertegenwoordigt als het ware de goddelijke wil. Zolang dit hoofd als ‘wijs’ wordt beleefd en de zeden in het godsdienstige leven zijn ingebed, wordt de autoriteit daarvan nog als vanzelfsprekend aanvaard.

Een geheel andere toestand is (na een lange overgangstijd) bereikt, als de leden van de groep door voortgaande individualisering ‘personen’ zijn geworden, met een eigen denk- en gevoelsleven, eigen strevingen en doelen. Wordt de eigen aard en de eigen wil van de enkeling door de groep in principe erkend, dan verschijnt het recht, dat onder andere de grenzen vastlegt tot waar iemand zijn eigen wil mag volgen. Dit is voor het eerst duidelijk het geval in de Griekse en Romeinse samenleving. Mensen en groepen staan nu (op bepaalde levensgebieden) min of meer zelfstandig – en dus tot op zekere hoogte ook als concurrenten – zelfstandig – en dus tot op zekere hoogte ook als concurrenten – ten opzichte van elkaar.

Daarmee is de mogelijkheid van conflict gegeven in de zin van botsing van meningen of verlangens. Het recht is er om deze conflicten op te lossen. Kenmerkend daarvoor is het streven naar een vergelijk (afspraak, contract, overeenkomst); dit wordt gevonden door onderhandelen, eventueel met hulp van een (scheids-) rechter. Voorwaarde voor het gezond functioneren hiervan is, dat men elkaar als ‘partij’ erkent, dat wil zeggen dat de ander als medemens hetzelfde recht heeft om net als ikzelf, te denken en ‘iets te willen’ – en bovendien in de wetenschap, dat men daarna met of naast elkaar verder zal moeten leven. Waar dat niet het geval is kan het conflict overgaan in vijandigheid en strijd, doordat een of beide partijen eigen meningen en belangen trachten door te drukken.

Tenslotte kan een derde vorm van samenleven – wederom na een overgangstijd – worden bereikt, wanneer ‘volwassen’ personen (zelfstandig, ervaren, verantwoordelijk) zich aaneensluiten en gaan samenwerken aan een gemeenschappelijk doel. Dan ontstaat opnieuw een (wederzijdse) afhankelijkheid, niet meer van een reeds aanwezige autoriteit, maar van het aanvaarde doel en de daartoe in het leven geroepen organisatie. Die situatie geeft aanleiding tot een ander soort conflicten, bijvoorbeeld over de interpretatie van dat doel, het te voeren beleid, de ‘wetgeving’, de vorm van de organisatie of de wijze van werken; dus over het beleid en de inrichting van een boven de individuen uitgaand geheel. Dat vraagt namelijk om het oplossen van problemen of het nemen van besluiten door middel van overleg, dat wil zeggen het samen op zoek gaan naar nieuwe antwoorden. Constructief overleg is creatief. Lukt dit, dan komt iets tot stand, dat geen van de medewerkers geheel alleen kon voorzien of oplossen. Voorwaarde voor het gezond functioneren hiervan is het vertrouwen in de capaciteit van anderen om iets tot dat doel te kunnen bijdragen. Kan een groep een dergelijke constructieve aanpak niet opbrengen, dan ontstaan de genoemde interne conflicten tussen personen of deelgroepen.

We hebben nu drie vormen of fasen van sociale ontwikkeling geschetst:

1. Oude gemeenschappen (zoals stammen) waarin de enkeling geheel opgenomen is in een natuurlijke groep (zoals het kleine kind in het gezin).

2. Naast elkaar levende personen of groepen met een lossere gemeenschappelijke band, die hun onderlinge verhoudingen door rechtsvorming regelen.

3. Samenwerkende groepen door zelfstandige individuen opgericht en in stand gehouden.

Elk van deze vormen heeft een zinvolle plaats in de gehele ontwikkeling en heeft zijn eigen wetmatigheden. De eigenlijke conflicten, die het samenleven verstoren, ontstaan pas, wanneer mensen het gedrag dat behoort bij de ene vorm in de andere binnenbrengen. Wat is daarmee bedoeld?

In de oude gemeenschap werd ‘afwijkend gedrag’ ‘gestraft’. De straf was – zolang die enkeling zich nog lid van de groep voelde – tegelijk verzoening (terugkeer van de verloren zoon). Verzoening is dus de ‘oplossing’ van de eerste vorm van ‘conflict’. Zodra echter mensen een ‘afwijkende mening’ gaan vertonen, dat wil zeggen zich losmaken van de waarden en geboden van de gemeenschap, wordt deze zelf aangetast en ontstaat pas een echt conflict, dat wil zeggen een strijdsituatie. De groep, die de geestelijke eenheid van alle leden wil handhaven, antwoordt op de bedreiging met straf; de enkeling is dan immers de zondaar (ketter), de trouweloze of de egoïst. De straf brengt echter geen verzoening meer, maar verbittering. De verwijdering van de groep wordt er alleen groter door. De afwijkenden trekken weg om een eigen gemeenschap te stichten, ze worden verbannen of vervolgd. Dit is een proces van emancipatie. De conflicten, die erdoor worden opgeroepen treden noodzakelijkerwijze op bij de overgang van de eerste naar de tweede fase van de sociale ontwikkeling. Je zou daarom ook van ‘emancipatieconflicten’ kunnen spreken. De hele geschiedenis is er vol van, eerst in de sfeer van de godsdiensten en de politieke macht, nu ook als ‘autoriteits-conflicten’ in de opvoeding en het arbeidsleven. Het individu is, in de ontwikkeling gezien, in dat geval de ‘voorloper’, terwijl de bovenstaande gemeenschappen achterhoedegevechten leveren – ook nu nog. Je kan ook zeggen: er zijn enkelingen die reeds een bewustzijnsvorm hebben die bij de volgende fase hoort (als persoonlijkheid), terwijl de meerderheid van de groep en (meestal) de gezagdragers aan een voor allen geldend systeem van waarden vast blijven houden.

Dat roept de vraag op hoe we met emancipatieconflicten constructief kunnen omgaan. Ik zou dat als volgt willen verwoorden:

– aanvaarden dat mensen verschillend (willen) zijn, anders gezegd:

– de innerlijke vrijheid om te verdragen dat zij anders denken, voelen of willen (tolerantie),

– hen een experimenteerruimte toestaan, die zij voor hun ontwikkeling nodig hebben.

Maar tegelijk:

– de daaruit volgende ‘geestelijke strijd ’ aanvaarden, de worsteling om wat waar, terecht, bruikbaar enz. is in een gegeven situatie, ‘

– de bereidheid de discussie aan te gaan, kritiek te geven en te ontvangen, dus zich of de ander te ‘confronteren’, anders gezegd:

– de ander niet veroordelen en verbannen – dat is de patriarchale houding van de oude gemeenschap, vaak herkenbaar aan verontwaardiging over het feit dat een ander kritiek durft te hebben,

– zich met de andere opvatting ‘uit-een zetten’, zonder de ander ‘eruit te zetten’.

Dit alles in de wetenschap, dat tegenstellingen voorwaarden zijn, dat mensen creatief worden en zich ontwikkelen – du choc des opinions…!

Dat zijn de kenmerken van een ‘vrij geestesleven’. De ‘oplossing’ van emancipatieconflicten is een vrij geestesleven; oplossen betekent hier dus niet: opheffen of verdoezelen, maar het conflict door confrontatie zichtbaar en door geestelijke strijd vruchtbaar maken.

Wat voor conflicten kunnen we bij de overgang van de tweede naar de derde vorm van de sociale ontwikkeling verwachten, zijn daarvoor ook kenmerken aan te geven?

De voortgang van het leven vraagt om een veelheid van organisaties om goederen te leveren, diensten te verzorgen of ontwikkelingen mogelijk te maken. Zelfstandig geworden individuen moeten daartoe initiatieven nemen, zich aaneensluiten en samen gaan werken. Het gevolg is een netwerk van feitelijke afhankelijkheden in en tussen werkgemeenschappen. Zoals we gezien hebben, brengt dit met zich mee de noodzaak tot overleg over beleid, vorm enz. van de organisatie. Van de mensen vraagt dit ‘sociale vaardigheid’ en een rijpe ‘volwassen’ instelling, berustend op innerlijke vrijheid en het aanvaarden van anderen als medewerker. Dat is meer en iets anders dan het zich als zelfstandig persoon kunnen handhaven in de samenleving.

Wanneer nu mensen de houding van op je ‘rechten staan’, besluiten via
onderhandeling tot stand brengen e.d. in de besluitvorming over de organisatie zelf onveranderd binnendragen, dan valt men als het ware terug tot het voorgaande stadium, waarin partijen persoonlijke meningen en (vermeende) belangen in concurrentie met elkaar tot geldig willen brengen. Omdat men echter voor de vervulling van deze wensen afhankelijk is van het voortbestaan van de organisatie – die men tegelijk ondermijnt – en daarom ook onderling afhankelijk blijft, raakt men bij deze conflicten op een merkwaardige wijze in de problemen en de onderlinge verhoudingen verstrikt.

Het is hier eigenlijk omgekeerd als bij de overgang van de eerste naar de tweede vorm: de nieuwe werkgemeenschappen hebben doelen en organisatievormen met een toekomstig karakter, terwijl de enkelingen ‘achterlopen’ in de ontwikkeling, dat wil zeggen nog niet in staat zijn waar te maken wat zij eigenlijk willen en wat de situatie vraagt.

De vraag is nu, hoe we voor deze ‘samenwerkingsconflicten’ vruchtbare oplossingen kunnen vinden.

Uit het voorgaande volgt het al: aanleiding tot dit soort conflicten is het onvermogen van mensen, dat wil zeggen gebrek aan inzicht, kunnen en houdingen ten aanzien van het veld waarin zij handelen, het vormgeven van organisaties, omgaan met mensen enz. Het gaat dus om leerprocessen van mensen! Men kan ook zeggen: het omgaan met conflicten is een agogisch vraagstuk, het is tegelijk ontwikkeling van de mensen en van de organisaties. Omgaan met emancipatieconflicten is dus meer: zich begeven in de sfeer van confrontatie en strijd, terwijl het bij samenwerkingsconflicten vooral gaat om het verzorgen van ontwikkelingsprocessen.

De oplettende lezer zal hier iets herkennen van het probleem van het zogenaamde conflict- en harmoniemodel. Dit blijft veelal in een onvruchtbare controverse steken. Het blijkt dat de voorstanders van het conflict zich sterk betrokken voelen in een emancipatieproces – met alle emoties van dien; de voorstanders van harmonie zijn meestal degenen, die zich verantwoordelijk voelen voor de goede gang van zaken in een samenwerkingsverband. Beide neigen tot de éénzijdige opvatting dat alle vormen van conflict of alleen confronterend of alleen harmoniserend benaderd moeten worden. Daarover zou nog veel meer te zeggen zijn. Ik beperk me tot de opmerking, dat het begrip ‘harmonie’ meestal onjuist gebruikt wordt. Harmonie wordt niet bereikt met door verschillen uit te wissen of alle opvattingen op één na uit te sluiten om eenheid te bereiken – dat zou alleen maar een schijneenheid zijn – maar door de verschillen vruchtbaar te maken, zodat ze (op hoger niveau) samenklinken en elkaar versterken. Dat ziet men pas gebeuren als het boven beschreven proces van ontwikkeling van mensen en organisaties op gang gekomen is en vruchten afwerpt. In Jonas 19 wil ik nader ingaan, op de vermenging van rationele en niet rationele conflicten.

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

2154-2022

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen (1-10)

.

Dit artikel gaat vooral over de huid, m.n. die van de allerkleinsten.

Annemiek v.d Krogt, Weleda Puur Kind,
.

kwetsbaar en open

De huid van een baby of een klein kind is nog erg kwetsbaar en kan heftig reageren op prikkels. Dat uit zich al snel in de vorm van vlekjes, huiduitslag of eczeem. Dat is lastig, maar ook handig, want zo laat de jonge huid zich lezen als een verhaal en weet je meteen hoe je je kind het beste kunt verzorgen.

Te grove zeef

Onze huid vormt de grens tussen ons lichaam en de buitenwereld. Maar van de babyhuid kun je dat nog niet zeggen. Die heeft zich namelijk nog niet helemaal gesloten. In het begin kun je de huid van een baby het beste vergelijken met een te grove zeef: ze staat open voor alles. Zeker in het begin wordt een baby overspoeld door nieuwe indrukken en geluiden die ongefilterd naar binnen dringen. En de sensaties van binnenuit, zoals honger, pijn of slaap zijn ook nog overweldigend. Daarop reageert een baby met z’n geluid, maar vooral ook met zijn huid. Want hij laat je door zijn huid direct zien of hij lekker in zijn vel zit of niet. Als je er oog voor hebt, vertelt je baby al snel hele verhalen via z’n huid.

Hoe ga je om met zo’n prille huid?

De jonge huid is vooral zo kwetsbaar door haar openheid. Daarom is het belangrijk haar te beschermen tegen ongewenste invloeden van buitenaf. Je kunt natuurlijk ook op een positieve manier gebruik maken van die openheid. Want je liefdevolle aandacht, het timbre van je stem, zachte kleuren, een mooie melodie en de behaaglijkheid van natuurlijke materialen als wol, zijde of katoen vormen een weldadige omhulling die ook direct tot je baby doordringt. En door een lichte massage met een plantaardige olie geef je de ontvankelijke huid extra stimulerende warmte. Verder bouw je met gezonde voeding van binnenuit aan de gezondheid van de huid. Met een roze, warme, goed doorbloede huid antwoordt je baby dat hij zich behaaglijk voelt. En met een onrustige, vlekkerige huid vertelt hij dat de harmonie is verstoord.

Warmte, regelmaat en rust

Je baby geeft dus onbewust al goed aan hoe hij in zijn vel zit. Daar kunnen wij als volwassenen op inspelen door zijn directe omgeving zo goed mogelijk af te stemmen op zijn behoeften. Wie goed kijkt en luistert voelt vanzelf aan hoe hij dat kan doen: het is eenvoudig een kwestie van vraag en antwoord. Warmte, regelmaat en rust zijn van groot belang, vooral in het begin. Omdat je baby die warmte nog niet altijd voldoende zelf kan aanmaken, moet deze van buiten komen in de vorm van een kruikje of warme kleding. Kleding van wol of katoen geven je baby een natuurlijk, ademend en warmtevasthoudend laagje en fungeren hiermee als een tweede huid. Wrijf je je baby daarnaast in met een plantaardige huidolie, dan vormt zich op de huid een warmtelaagje waardoor je baby altijd aangenaam warm is. Zijn energie kan hij dan volledig besteden aan zijn groei en ontwikkeling.

Ook producten gaan ongefilterd naar binnen

Niet alleen komen bij het jonge kind veel indrukken ongefilterd binnen, ook laat de kwetsbare huid allerlei stoffen uit huidverzorgingsproducten makkelijk door. Want zelfs babyverzorgingsproducten zijn in dit prille stadium nog letterlijk indrukwekkend: die kunnen dus beter niet te dominant zijn, wil je huidirritaties vermijden. Daarom is het van belang de tere huid bij de verzorging stoffen aan te bieden die volledig bij haar aansluiten. Zuiver plantaardige oliën zoals olijfolie, zonnebloemolie en sesamolie zijn verwant aan onze huid. De huid neemt deze plantaardige oliën graag op, want ze schenken haar de zonnewarmte die ze in hun vruchten en zaden hebben opgeslagen en staan voedingsstoffen, zoals vitamines, af, die de zich ontwikkelende huid zo hard nodig heeft.

Dé natuurlijke babyolie

Calendula-producten geven de huid een warme omhulling. Met name Calendula Babyolie is bij uitstek geschikt voor een dagelijkse portie extra warmte. Wrijf je je baby na het bad of voor het naar bed gaan goed in met Calendula Babyolie, dan voedt dit het natuurlijke beschermlaagje (huidvet), dat door het baden dunner is geworden. Ook voor een verwarmende massage is de olie zeer geschikt.

De massagebewegingen laten een kind de grenzen van zijn lichaam ervaren, wat een beschermend en rustgevend gevoel geeft en ervoor zorgt dat hij zich thuis gaat voelen in zijn lichaam. Bij buikkrampjes kan een inwrijving heilzaam werken. Wrijf de olie eerst tussen je handen waardoor deze warm worden. Masseer de pijnlijke buik dan zachtjes, met de klok mee.

Calendula Babyolie bevat geen etherische oliën omdat deze nog te prikkelend zijn voor de prille en gevoelige huid. Uiteraard heeft Weleda er ook geen synthetische conserveringsmiddelen of kleur- en geurstoffen in verwerkt. Als je nog niet zo veel ervaring hebt met producten zonder synthetische ingrediënten, is de geur van deze eenvoudige olie misschien wel even wennen, maar na verloop van tijd zul je merken hoezeer je de plantaardige extracten van kamille en Calendula en de sesamolie gaat waarderen: gewoon puur natuur, net als je baby.

Biologische sesamolie

Het biologische sesamzaad voor de sesamolie in Calendula Babyolie komt uit Burkina Faso, Sudan, Mexico en India.* In deze landen staan de sesamplanten op grote velden in een droog, vlak gebied waar de zon de hele dag schijnt. Vier tot vijf maanden nemen de planten al het zonlicht in zich op waarna ze met de hand worden geoogst. De oogst vindt plaats tussen september en januari en in Mexico tussen november en april. De planten blijven twee weken op het land liggen om te drogen in de zon zodat ze nog eens extra zonnewarmte in zich opnemen. Daarna worden de zaden gepeld en nogmaals te drogen gelegd. Dan hebben ze al het zonlicht en de zonnewarmte omgezet in een rijke olie. Deze wordt gewonnen door koude persing. Voor een liter olie is zo’n drie kilo sesamzaad nodig. Het resultaat is een goudgele olie vol zonnewarmte die Weleda graag in haar producten verwerkt.

*niet helemaal duidelijk is of dit nu [2020] ook zo is.
.

Meer over dit product

.

Zintuigen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

.

2153-2021

.

.

.

.

.