VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over de levensgeest (GA 54)

.

In de ‘Algemene menskunde’ staat Steiner niet lang stil bij de begrippen ‘geest(es)zelf – levensgeest – geest(es)mens. Ze worden summier benoemd in de 1e voordracht – in de vertaling op blz. 23 – wanneer hij over de wezensdelen spreekt. Zie het artikel daarover
en in voordracht 4.

Hier worden de drie begrippen in verband gebracht met de drie vormen van (hoogste) wil.
De ‘wens’ met het geestzelf; ‘het voornemen’ met de levensgeest en ‘het besluit’ met de geestmens.

Wanneer hij in zijn boeken GA 9 en GA 13 over de wezensdelen spreekt, komen ze uiteraard aan bod.
Opmerkingen daaruit heb ik weergegeven in dit artikel.

Wanneer je mijn inleidingen op deze stof op je laat inwerken, zal, wat Steiner in de voordrachten zegt, makkelijker te vatten zijn.

Zoals ik voor het geestzelf heb gezocht naar omschrijvingen in andere voordrachten, wetend dat Steiner het telkens weer anders zegt of met nieuwe gezichtspunten komt, doe ik dit nu ook voor de levensgeest.

In het vorige artikel haalde ik Steiner aan met wat hij er op blz. 24 (vert.) over zegt:

Ein zweiter, höherer Bestandteil des Menschen ist das, was wir den Lebensgeist nennen. Dieser Lebensgeist ist schon sehr wenig wahrnehmbar innerhalb des gegenwärtigen Menschen. Es ist etwas sehr geistiger Art im Menschen, was sich in ferner Menschenzukunft entwickeln wird.

Een tweede en hoger bestanddeel van de mens is dat wat we de levensgeest noemen. Deze levensgeest kan men al heel weinig waarnemen in de huidige mens. Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomt van de mensheid zal ontwikkelen.
GA 293/64
Vertaald/66

‘Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomt van de mensheid zal ontwikkelen.’

Je zou dus nog kunnen denken: ‘O, dat gaat vanzelf, daar hoef ik in dit leven niets voor te doen.’
‘Ik heb er in dit leven nog weinig mee te maken’.
Maar als we beseffen dat ‘levensgeest’ omgewerkte ‘levenskracht’ is, ons etherlijf, dan kunnen we wél inzien dat het in dit leven veel meer gaat om de scholing van het etherlijf.
Het scholen van het astraallijf is al een moeilijke opgave; van het etherlijf is deze nog moeilijker. Die kost veel meer inspanning en tijd.

Als we aan het etherlijf willen werken, gaat die activiteit natuurlijk weer uit van het actieve Ik, zoals bij de ontwikkeling van het astraallijf, zoals blijkt uit wat er in o.a. de voordrachten GA 9; GA 34; GA 53; GA 54; GA 55; GA 56; GA 57; GA 58; GA 59 over staat.

GA 54

In deze voordrachtenreeks vergelijkt Steiner weer de scholing van het astraallijf met die van het etherlijf. Het werken aan het astraallijf heeft ‘geestzelf’ tot gevolg.
Dat wordt hier: GA 54 beschreven.

Nu gaat het verder: 

Die Welträtsel und die Anthroposophie

De wereldvragen en de antroposofie

Voordracht 5, Hamburg, 17 november 1906

Die Frauenfrage

Het vrouwenvraagstuk

Blz. 125

Nun ist auch der Ätherleib der Träger von alledem, was mehr oder weniger bleibend ist in der menschlichen Natur. Man hat sich klarzumachen, was für ein Unterschied ist zwischen Entwicklung des Ätherleibes und des Astralleibes.
Erinnern wir uns an den eigenen Lebensgang. Denken Sie nach, was Sie alle gelernt haben seit Ihrem achten Lebensjahr; das ist ungeheuer viel. Bedenken Sie den Inhalt Ihrer Seele: Prinzipien, Vorstellungen und so weiter. Das sind
Veränderungen, Umwandlungen Ihres Astralleibes. Aber nun denken Sie nach, wie wenig sich bei den meisten Menschen das ändert, was man Gewohnheiten, Temperament nennt, was man allgemein Fähigkeiten nennt. Wenn jemand

Ook is het etherlijf drager van alles wat in de menselijke aard min of meer blijvend is. Je moet helder krijgen wat er voor verschil bestaat tussen de ontwikkeling van het etherlijf en het astraallijf. 
Laten we onze eigen levensweg in herinnering roepen. Denk er eens aan wat je allemaal geleerd hebt sinds je achtste jaar; dat is ongelooflijk veel. Denk nu eens over de inhoud van je ziel: principes, voorstellingen enz. Dat zijn veranderingen van je astraallijf. Maar nu moet je er eens aan denken hoe bij de mensen maar weinig verandert van wat je gewoontes, temperament noemt, wat je in het algemeen aanleg noemt. Wanneer iemand 

Blz. 126

jähzornig ist, so hat sich das schon früh angezeigt und hat sich wenig geändert. Wenn einer ein vergeßliches Kind war, so wird er heute noch ein vergeßlicher Mensch sein. Man kann für diese ungleiche Entwickelung ein kleines Beispiel
gebrauchen. Diese Entwicklung verhält sich so, wie wenn die Veränderungen des Astralleibes durch den Minutenzeiger und die Veränderungen des Ätherleibes durch den Stundenzeiger der Uhr angezeigt würden. Dasjenige, was der Mensch an seinem Ätherleib ändert, was das Ich gemacht hat aus dem Ätherleib, nennt man Buddhi oder, wenn man ein deutsches Wort gebrauchen will, Lebensgeist.

opvliegend is, was dat al jong zichtbaar en dat is weinig veranderd. Wanneer iemand een vergeetachtig kind was, dan is hij nu nog een vergeetachtig mens. Je kan voor deze ongelijke ontwikkeling een klein voorbeeld gebruiken. Deze ontwikkeling verhoudt zich zo als werden de veranderingen van het astraallijf door de minutenwijzer van de klok en de veranderingen van het etherlijf door de urenwijzer aangegeven. 
Wat de mens aan zijn etherlijf verandert, wat het Ik maakt van dit etherlijf, wordt boeddhi genoemd of, als je een Nederlands woord wil gebruiken, levensgeest.
GA 54/125
Niet vertaald

Voordracht 23, Berlijn 15 februari 1906

Wiederverkörperung und Karma

Reïncarnatie en karma

In deze begint Steiner niet met het geestzelf als hij over de drie hoogste gebieden in de mens spreekt, maar met de geestesmens.  Daarna volgt de levensgeest en dan het geestzelf, wat hier: GA 54 te vinden is. 

Blz. 289

Wir sprechen davon, daß dieser Wesenskern des Menschen eine dreifache Grundwesenheit enthält, daß er dreifacher Natur ist, wir sprechen davon, daß im tiefsten Inneren des Menschen etwas sitzt, was heute, so wie es bei den normal gebildeten Menschen unter uns lebt, bei den meisten noch ganz unentwickelt ist, nur keimhaft vorhanden ist.

We zeggen dat de wezenskern van de mens in de grond van de zaak drievoudig is, een drievoudige natuur heeft; dat er in het diepste innerlijk van de mens iets zit wat tegenwoordig, zoals dat bij normaal ontwikkelde mensen onder ons leeft, bij de meesten nog heel onontwikkeld is, alleen maar in kiem aanwezig. 

In GA 53 bracht Steiner de levensgeest in verband met Christus. Hier benadert hij het onderwerp weer net iets anders, waarbij hij meerdere mededelingen doet.

Ein zweites Glied dieses geistigen Wesenskernes des Menschen ist die Buddhi. In unserer deutschen Sprache würden wir sagen, der Lebensgeist. Dieses zweite Element in der menschlichen Seele ist etwas, was bei den Höchstentwickelten, bei den Führern, den Leitern der Menschheit in einer gewissen Weise zum Ausdruck kommt. Wir können in gewisser Weise beschreiben, was dieser Lebensgeist ist. Diese Buddhi in höchster Glorie und Erhabenheit ist es, die bei den alten Religionsstiftern, bei Hermes, Buddha, Zarathustra und im höchsten Maße bei dem Christus Jesus im Innern gelebt hat. Soll ich klarmachen, was diese Buddhi bedeutet im geistigen Gebiete, so kann ich das nur durch ein Gleichnis tun. Man muß das Geistige entweder sehen, oder man muß,
wie Goethe, der sagt: «Alles Vergängliche ist nur ein Gleichnis», Ewiges, Unvergängliches in ein Gleichnis fassen. Ein solches Gleichnis möchte ich anführen für Buddhi. Wenn Sie sich die gewöhnliche produktive Kraft im gewöhnlichen sinnlichen Leben vorstellen, gepaart mit Liebe, aber nicht als
empfangende Liebe, sondern als eine ganz und gar gebende Liebe: das ist Buddhi. Es gibt in der Natur kaum ein anderes Gleichnis als die Henne, die auf dem Ei sitzt, mit der

Het tweede deel van deze geestelijke wezenskern van de mens is boeddhi. In onze taal zouden we zeggen, de levensgeest. In de menselijke ziel is dit tweede element iets wat bij de hoogstontwikkelden, bij geestelijke leiders, bij hen die de mensheid vooruithelpen op een bepaalde manier tot uitdrukking komt. Op een bepaalde manier kunnen we beschrijven wat deze levensgeest is. Het is deze boeddhi die glorieus en verheven is, die bij de oude stichters van de godsdiensten, bij Hermes, Boeddha, Zarathustra en in de hoogste mate bij Christus Jezus leefde in het innerlijk. Als ik duidelijk moet maken wat deze boeddhi op geestelijk gebied betekent, kan ik dat alleen maar door een vergelijking. 
Of je moet het geestelijke waarnemen of je moet, zoals Goethe zegt: ‘Al het vergankelijke is slechts een gelijkenis’, het eeuwige, het onvergankelijke, in een gelijkenis kleden.
Voor boeddhi wil ik zo’n gelijkenis maken. Wanneer je je de gewone productievee kracht in het gewone productieve leven voorstelt, gepaard gaand met liefde, maar niet als ontvangende liefde, maar als een totaal gevende liefde: dat is boeddhi. In de natuur vind je nauwelijks een andere gelijkenis dan de kip die op het ei zit, met de 

Blz. 290

eigenen Lebenswärme neues Leben hervorzaubernd, das eigene Dasein in einer Liebeseigenschaft hinopfernd für das neue Leben. Nun denken Sie sich das ins Geistige umgesetzt, denken Sie sich eine Individualität, welche die großen, treibenden Kräfte in der Menschennatur, das was Impuls ist in unserer menschlichen Fortentwickelung, in geistiger Weise, so hervorbringt, wie das eben geschildert worden ist, dann haben Sie es. Oder war nicht etwa das, was seit zwei Jahrtausenden als der Gemüts- und Gefühlssegen, der durch die abendländischen und amerikanischen Herzen flutet und uns mit Seligkeit erfüllt, war das Element des christlichen Fühlens und Empfindens nicht eine Grundkraft, nicht etwas, das von Christus hervorgebracht und in Christus vorhanden war? Und wurde es nicht in diese Welt hereingebracht in höchst glorienhafter Weise, im Geiste darstellend das, was im Sinnlichen lebt, die hingebende Liebe, die hervorbringt – die nicht hervorbringt ein menschliches Wesen, sondern eine geistige Liebe, die die Weltenweisheit, die durch die Jahrhunderte fortzeugt, schafft?

eigen levenswarmte nieuw leven tevoorschijn toverend, het eigen leven weggevend als een eigenschap van liefde voor het nieuwe leven. Nu zou je dat moeten omdenken naar het geestelijke leven, denk eens aan een individualiteit die de grote drijvende krachten in de natuur van de mens, dat wat impuls is in onze menselijke verdere ontwikkeling, op geestelijke manier, zo schept als zonet geschetst, dan heb je het. Of was niet datgene wat sinds twee duizend jaar als de zegen van gemoed en gevoel die door de harten van de mensen in het Avondland en Amerika stroomt en ons met zaligheid vervult, was dat element van het christelijk voelen en beleven niet een grondkracht, niet iets dat door Christus gebracht en in Christus aanwezig was? En werd dat niet in deze wereld gebracht op een hoogt glorieuze manier, in de geest vertonend wat in de zintuiglijke wereld leeft, die schenkende liefde, die schept – die niet een menselijk wezen voortbrengt, maar een geestelijke liefde die de wereldwijsheid die door de eeuwen doorwerkt, schept?

Denken Sie sich dieses Element in der Menschennatur, dann haben wir das, was wir in der christlichen Mystik den Christus, in der griechischen Mystik den Chrestos, in der morgenländischen Mystik die Buddhi nennen, den Lebensgeist in seiner höchsten Potenz. Ein jeder, der etwas fühlt davon, was es heißt, geistig zu produzieren, was als Kraft der Menschheitsentwicklung einverleibt wird, was Impulse im geistigen Leben gibt, ein jeder, der davon etwas fühlt, der hat in geistiger, heller, lichter Klarheit ein Gefühl ähnlich dem, das sich hier unten durch ein Gleichnis ausdrückt, das wahre Wonnegefühl, mit dem das Huhn auf dem Ei sitzt. Das ist die Buddhi. In einem gewissen Maße ist sie bei jedem einzelnen Menschen vorhanden, wenigstens in der Anlage.

Denk dat element in de natuur van de mens, dan hebben we wat wij in de christelijke mystiek Christus, in de Griekse mystiek de Chrestos, in de mystiek van het Morgenland boeddhi noemen, de levensgeest in zijn hoogste sterkte. Ieder die iets voelt van wat het betekent, geestelijk voort te brengen wat als kracht deel wordt van de mensheidsontwikkeling, wat impulsen in het geestelijke leven geeft, ieder die daarvan iets voelt, heeft in geestelijke, helder, lichte klaarheid een gevoel wat lijkt op wat hier door een gelijkenis uitgedrukt werd, het echte liefdegevoel waarmee de kip op het ei zit. Dat is boeddhi. In een zekere mate is dat bij iedere individuele mens aanwezig, op z’n minst in aanleg.

Evenals in GA 53 waar Steiner de levensgeest met Christus in verband brengt, is ook deze passage niet zo makkelijk te begrijpen (en te vertalen). Toch kan wat in GA 53 staat, hiermee duidelijker worden. 

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

3046-2861

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Een grondsteen

.
Michiel Gastkemper, Antroposofisch Magazine, juni 2020 nr. 19
.

Een grondsteen. Wat is dat en waarom?

.

Wie als beginnend vrijeschoolouder betrokken is bij een pril schoolinitiatief, stuit al gauw op de vraag naar huisvesting: in een bestaand gebouw trekken, of nieuwbouw plegen? In beide gevallen komt vaak ook de vraag naar een grondsteen, en een bijbehorende grondsteenlegging. Maar wat is een grondsteen? En waar dient hij voor?

De tweede vraag is makkelijker te beantwoorden dan de eerste. Een grondsteen heeft geen enkel praktisch nut. Het is geen hoek- of sluitsteen waarop een gebouw rust of die een gebouw afsluit. Wel speelt hij een rol bij een nieuwbouw, vooral voorafgaand aan de bouw ervan. De grondsteen is een uitdrukking van wat met het gebouw bedoeld wordt en ook waarvoor het eigenlijk dient.

Dat doet een grondsteen op twee manieren. In zijn inhoud, die meestal een spreuk is, en in zijn vorm. Die vorm is speciaal, want op geen enkele manier praktisch te gebruiken bij het bouwen. Integendeel, die zou het gebouw eerder in de weg zitten. Voordat we dan maar beginnen over de tekst, die ai meer duidelijk kan maken over waarvoor een grondsteen dient, eerst nog bij welk soort gebouwen een grondsteen kan voorkomen.

In de antroposofische beweging zijn dat vooral nieuwe gebouwen die een verzamelfunctie hebben. Denk aan een zaal voor een opvoering of samenkomst, bijvoorbeeld in een school of een zorginstelling. Een grondsteen komt daar het meeste voor. Een voorbeeld is het nieuwe Van Dam Huis in Haarlem, dat gebruikt wordt door zowel een antroposofisch therapeuticum als voor ledenbijeenkomsten van de Antroposofische Vereniging ter plaatse.

Gemeenschappelijk belang

De tekst van een grondsteen is meestal een poëtische uitdrukking van het doel van het gebouw. De toekomstige gebruikers komen bij elkaar om zich te bezinnen op hun nieuwe gebouw en op waarvoor het gebruikt gaat worden. Dan blijkt dat zij, ook al kennen zij elkaar mogelijk niet persoonlijk, een gemeenschappelijk belang hebben.
Hoe verschillend zij individueel ook zijn, zij vormen voor dit gebouw een gemeenschap.

De tekst moet objectief zijn, niet persoonlijk, en uitdrukking geven aan het doel waarvoor de gemeenschap garant wil staan. In die zin is deze tekst ook een oproep, of zelfs een aanroep, aan het hogere in de mens en het hogere in de kosmos, of, als je dat liever hebt, in de evolutie.

Ais voorbeeld het begin van de tekst van de grondsteen van het Elisabeth Vreedehuis in Den Haag, dat in januari 2018 een nieuwe grondsteen kreeg:

Mogen in dit Vreedehuis
mensen samen komen
in de geest van deze tijd,
die met innerlijke kracht
horen wat ontwaken wil,
dienen wat beginnen wil,
smeden wat zich vormen wil.

Het is eigenlijk een soort bede. De spreuk goed formuleren is een gezamenlijke inspanning van een groep mensen. Dat alleen al vraagt een hoge mate van afstemming.

Mens en heelal

Dan de vorm. Zoals gezegd, die is totaal niet functioneel. Tenminste, niet als bouwsteen. De vorm bestaat idealiter uit vijfhoeken, dus een vorm met vijf hoeken, een pentagon geheten. Twaalf daarvan met de randen kunstig aan elkaar vastgemaakt, zodat het geheel bijna een bolronde vorm wordt: een dodecaëder. Waarom deze vreemd uitziende vorm?

Eerst die vijfhoek, de pentagon. De vijfhoek, zou je kunnen zeggen, is de vorm van een mens: een hoofd en twee uitgestrekte armen en twee gespreide benen.

Dan de twaalf vijfhoeken, waarom twaalf? Tezamen vormen die een soort bol. Je kunt denken aan een wereldbol. De grootste bol die we kennen is de hemelkoepel, en helemaal daar rond gaan de twaalf tekens van de dierenriem. De twaalf vijfhoeken van de grondsteen vormen als het ware de uiterste grenzen van ons heelal.

Kortom, in de vorm van de grondsteen zien we zowel de mens terug als het heelal, in hun verhouding tot elkaar. Als je denkt aan twaalf mensen met twaalf verschillende sterrenbeelden, dan kun je daarin de hele mensheid terugvinden. Een gebouw wordt niet voor één mens gemaakt, maar voor een gemeenschap van mensen, misschien zelfs ten dienste van de hele mensheid.

Intentie

En waar vind je dan die grondsteen van een gebouw? Het is een bepaalde ceremonie, een grondsteenlegging, die voorafgaat aan de voltooiing van een gebouw. Vaak al op een vroeg moment in de bouw. Zodat die grondsteen bijvoorbeeld kan worden ingemetseld in de fundamenten. Op een plaats waar je niet makkelijk bij kunt, maar waarboven of vlak in de buurt veel mensen samenkomen. Bijvoorbeeld onder de ingang of de plek zaal en podium elkaar raken.

Je staat dan met je voeten op de eigenlijke grond van het gebouw, namelijk de intentie van een groep mensen. Zij hebben expliciet uitgesproken waarvoor zij zich willen inzetten. Iets heel dierbaars dus. Zo is ook de grondsteenlegging een heel feestelijke gebeurtenis, waarbij je met elkaar het idee van het aanstaande gebouw viert.

.

Steiner over de grondsteen in GA 298, op deze blog vertaald

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3045-2860

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over het etherlijf

.
Op deze blog staat al veel over het etherlichaam/lijf, over de levenskrachten, het leven.
Er staat ook veel over ‘oefenen, verder komen, scholen’. 
Onderstaand artikel brengt een verrassende inhoud: het brengt een en ander bij elkaar vanuit de praktijk van het leven: hoe ga je om met voeding, bij uitstek het gebied van ‘het leven’.
Hoe kan je hier oefenen om iets meer van de levenskrachten, het levenslichaam enz. te ervaren. 

Ilse Beurskens-van den Bosch, Antroposofisch Magazine, sept. 2019 nr. 15

.

Scheppend denken genereert levenskrachten

Levenskrachten zijn niet alleen aanwezig in voedingsmiddelen

Je kunt ze als mens ook zelf tot ontwikkeling brengen. Hoe werkt dat in de keuken? Peter Vandermeersch leert het zijn cursisten in zijn kookschool ‘De Zonnekeuken’ in Brugge.

Levenskrachten zijn niet alleen aanwezig in voedingsmiddelen.

Je kunt ze als mens ook zelf tot ontwikkeling brengen. Hoe werkt dat in de keuken? Peter Vandermeersch leert het zijn cursisten in zijn kookschool ‘De Zonnekeuken’ in Brugge.

Als ik aankom in Peters huis, is de tafel gedekt en ruikt het bijzonder aangenaam in de keuken. “Ik heb een herfstrisotto gemaakt,” vertelt hij en hij tilt het deksel van een grote pan. “Rijst en haver met pompoen en kastanjes. Aangevuld met gerookte tempé en gemalen pompoenpitten met basilicum. Ik hoop dat je dit lekker vindt.” Het smaakt heerlijk. In de salade zijn de wortelen in driehoekjes gesneden.” De driehoek is verbonden met een lichtproces,” legt Peter uit. “Dualiteit bestaat uit twee standpunten. Twee punten bevinden zich op één lijn. Het derde punt van een driehoek stijgt daarbovenuit en staat voor inzicht. Inzicht verbindt de punten met elkaar. Inzicht krijgen is een lichtproces.” Dat snap ik, want wanneer je je een inzicht verwerft, gaatje een lichtje op.

Levenskrachten versterken

Er zijn vier soorten levenskrachten, vervolgt Peter: de levensether (werkzaam in het element aarde], de chemische ether (werkzaam in het element water], de lichtether (werkzaam in het element licht] en de warmte-ether (werkzaam in het element vuur]. Peter: “In het menselijk etherlichaam zijn deze vier soorten etherkrachten aanwezig. Daarom is het van belang dat we ons voeden met de kwaliteiten van alle vier de ethersoorten. Mensen zijn geneigd te denken: alles is energie, dus alles is goed. Dan kun je uitkomen op bijvoorbeeld het idee van raw food. Deze visie richt zich eenzijdig op fysieke vitaliteit. Door het eten van alleen rauw voedsel kan het lichaam zeer energiek worden. Maar op lange termijn kan het verzwakkend werken, met name op het bewustzijn. Of misschien beter gezegd: het bewustzijn ontwikkelt zich eenzijdig, sterk lichaamsgebonden. Om een vrij bewustzijn te ontwikkelen hebben wij warmte nodig, zowel fysiek als etherisch. Juist omdat wij ‘een ik’ hebben, een zelfbewustzijn, zijn de licht- en de warmte-ether belangrijk voor ons. In de biologisch-dynamische landbouw worden alle vier de ethersoorten bewust verzorgd en daarmee versterkt. Onze etherkrachten kunnen we voeden met deze levenskrachtige voedingsmiddelen. Daarnaast kunnen we onze levenskrachten opbouwen vanuit eigen bewustzijnsmachten, bijvoorbeeld in de keuken. Dit laatste acht ik heel belangrijk. Je vindt het terug in het werk van Rudolf Steiner, waarin hij steeds weer uitlegt hoe je je denken kunt activeren.

Lichtether straaltje tegemoet

Het begint met het leren herkennen van de lichtether en de warmte-ether. In de opleidingen van De Zonnekeuken werkt Peter hiervoor met
voorstellingsoefeningen: “We kijken bijvoorbeeld naar een doorgesneden sinaasappel, een vrucht die sterk verbonden is met de lichtether. Hoe ziet deze er precies uit? Welke tint oranje? Wat is de verhouding tussen vruchtvlees en het witte velletje? Daarna haal ik het fruit weg en vraag ik de cursisten de sinaasappel te tekenen. Uit het hoofd. Ze moeten zelfstandig het beeld van de sinaasappel opbouwen. Als ze het beeld hebben, vragen ze zich af: straalt me iets tegemoet, of is het meer in zichzelf gesloten? Dat is een oefening om een eigenschap van het licht, het stralende, te leren kennen. Warmte-ether vertoont zich op een andere manier: het straalt anders. Doe je hetzelfde met bijvoorbeeld rozemarijn, een plant met een sterke relatie met de warmte-ether, dan kun je dat verschil ervaren. En oefen je dit met een aardappel, dan zou je kunnen ervaren dat er weinig is dat je toestraalt. De aardappel schermt zich af voor de werking van de lichtether. Het gaat er niet om dit te weten, maar om dit te leren onderscheiden en te ervaren.”

Actief beelden toevoegen

“Als kok kun je voorafgaand aan het koken zelfstandig een geestelijk beeld opbouwen, daarmee voeg je warmte-ether toe aan het kookproces. Het beeld laat je weer los en je gaat het idee uitwerken. Daarvoor gebruik je in eerste instantie je productkennis. Tijdens het koken kun je je afvragen: doe ik dit steeds op dezelfde manier of creëer ik nieuwe gerechten? Maak ik het tot een gewoonte of ben ik scheppend bezig? Je kunt gaan merken dat het idee datje zelf hebt opgebouwd, je richting geeft tijdens het koken. Het eerste dat een kok doet is de groenten schillen, snijden of hakken. Hij vernietigt. Het is een omvormingsproces. Uiteindelijk creëert hij iets nieuws, een lekkere pompoensoep bijvoorbeeld. Het is waardevol wanneer er vooraf aan de vernietiging eerst een voorstelling, een nieuw idee van een geestelijke wetmatigheid wordt toegevoegd aan de groenten die op zichzelf genomen af zijn. Het zijn eerste stappen op weg naar een scheppend vermogen. Idee en vormgeving zijn niet los

van elkaar te zien. Een idee vraagt om tot in het fysieke uitgewerkt te worden en een vorm zonder bewust idee heeft niet dezelfde kracht. Zo horen het bewuste idee van de werking van de lichtether en de in driehoeken gesneden wortelen bij elkaar. Aan dit rauwe gerecht heb ik lichtkracht toegevoegd via de inhoud van het idee en ook warmte via het actieve bewustzijnsproces.”

Zelfstandig denken

Peters werk is een concrete uitvoering van de opdracht die het Michaëlstijdperk voor ons heeft: we worden uitgenodigd tot zelfstandig denken. Onze dagelijkse taak om een maaltijd te bereiden is een goede gelegenheid tot oefenen van het zelfstandig voorstellen van geestelijke beelden. De mensen die de maaltijd nuttigen worden gevoed met lichtkracht en warmte, die ondersteunend kunnen werken in hun eigen proces tot scheppend denken. Zo snijdt het mes aan twee kanten.

.

Verder lezen:

– Heinz Grill, Voeding en de gevende kracht van de mens

– Rudolf Steiner, Natuurwezens
– Rudolf Steiner, De weg tot inzicht in hogere werelden.

| dezonnekeuken.be

.

7e klas voedingsleer: alle artikelen

.

3044-2859

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over de levensgeest (GA 53)

.

In de ‘Algemene menskunde’ staat Steiner niet lang stil bij de begrippen ‘geest(es)zelf – levensgeest – geest(es)mens. Ze worden summier benoemd in de 1e voordracht – in de vertaling op blz. 23 – wanneer hij over de wezensdelen spreekt. Zie het artikel daarover
en in voordracht 4.

Hier worden de drie begrippen in verband gebracht met de drie vormen van (hoogste) wil.
De ‘wens’ met het geestzelf; ‘het voornemen’ met de levensgeest en ‘het besluit’ met de geestmens.

Wanneer hij in zijn boeken GA 9 en GA 13 over de wezensdelen spreekt, komen ze uiteraard aan bod.
Opmerkingen daaruit heb ik weergegeven in dit artikel.

Wanneer je mijn inleidingen op deze stof op je laat inwerken, zal, wat Steiner in de voordrachten zegt, makkelijker te vatten zijn.

Zoals ik voor het geestzelf heb gezocht naar omschrijvingen in andere voordrachten, wetend dat Steiner het telkens weer anders zegt of met nieuwe gezichtspunten komt, doe ik dit nu ook voor de levensgeest.

In het vorige artikel haalde ik Steiner aan met wat hij er op blz. 24 (vert.) over zegt:

Ein zweiter, höherer Bestandteil des Menschen ist das, was wir den Lebensgeist nennen. Dieser Lebensgeist ist schon sehr wenig wahrnehmbar innerhalb des gegenwärtigen Menschen. Es ist etwas sehr geistiger Art im Menschen, was sich in ferner Menschenzukunft entwickeln wird.

Een tweede en hoger bestanddeel van de mens is dat wat we de levensgeest noemen. Deze levensgeest kan men al heel weinig waarnemen in de huidige mens. Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomt van de mensheid zal ontwikkelen.
GA 293/64
Vertaald/66

‘Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomt van de mensheid zal ontwikkelen.’

Je zou dus nog kunnen denken: ‘O, dat gaat vanzelf, daar hoef ik in dit leven niets voor te doen.’
‘Ik heb er in dit leven nog weinig mee te maken’.
Maar als we beseffen dat ‘levensgeest’ omgewerkte ‘levenskracht’ is, ons etherlijf, dan kunnen we wél inzien dat het in dit leven veel meer gaat om de scholing van het etherlijf.
Het scholen van het astraallijf is al een moeilijke opgave; van het etherlijf is deze nog moeilijker. Die kost veel meer inspanning en tijd.

Als we aan het etherlijf willen werken, gaat die activiteit natuurlijk weer uit van het actieve Ik, zoals bij de ontwikkeling van het astraallijf, zoals blijkt uit wat er in o.a. de voordrachten GA 9; GA 34; GA 53; GA 54; GA 55; GA 56; GA 57; GA 58; GA 59 over staat.

GA 53

Ursprung und Ziel des Menschen
Grundbegriffe der Geisteswissenschaft

Oorsprong en bestemming van de mens
Basisbegrippen van de geesteswetenschap

Voordracht 2, Berlijn, 13 oktober 1904 


Die menschliche Wesenheit

Het wezen mens

In deze voordracht spreekt Steiner ook over het geestzelf.

Dan gaat hij verder:

Blz. 60

Der Geist ist heute bei der Menschheit bis zum Manas entwickelt. Die beiden höheren Teile, Buddhi und Atma – Lebensgeist und Geistesmensch -, sind in der Anlage entwickelt,

De geest is tegenwoordig bij de mensheid tot aan het geestzelf ontwikkeld. De twee andere hogere delen, levensgeest (boeddhi) (buddhi) en geestmens (atma).
GA 53/60
Niet vertaald

Uitgebreid gaat Steiner in de 10e voordracht in op de ontwikkeling van het astraallijf vanuit het Ik, wat tot het geestzelf leidt. Dat is dan eigenlijk het denken – de gedachte – verheffen, opwerken naar een hoger niveau.

Als het verder gaat over het omwerken van het etherlijf – dus op weg naar de levensgeest – gaat het niet om het denken, maar om het voelen.

Voordracht 10, Berlijn 9 februari 1905

Ursprung und Ziel des Menschen

Oorsprong en bestemming van de mens

Blz. 212

So wie nun der Gedanke erhoben werden kann in eine höhere Sphäre, so kann auch die Gefühlswelt in eine höhere Sphäre erhoben werden. Dasjenige, worüber wir Freude haben, was wir begehren, ist scheinbar eine niedrigere Welt als die Welt der Gedanken, aber wenn es in die höheren Regionen erhoben wird, dann steht es noch höher als der Gedanke. Das Ewige im Gefühl ist höher als der Gedanke. Wenn Sie das Gefühl emporheben zu den höheren Sphären, wie den Gedanken in der Mathematik, dann erleben Sie die zweite Wesenheit des Geistes.
( ) Aber in unserer Gefühlswelt lebt dieses Ewige als Keim, und die Theosophie nennt es die Buddhi. Ich habe ihm den Namen «Lebensgeist» gegeben, als der zweiten spirituellen Wesenheit des Menschen. Erheben Sie Ihre Gedanken bis zur Erfassung eines Ewigen, dann leben Sie in Manas. Erheben Sie Ihr
Gefühl und Ihre Empfindung bis zum Charakter des Ewigen, dann leben Sie in Buddhi. Dieses Leben in Buddhi ist

Zoals nu de gedachte op een hoger niveau gebracht kan worden, zo kan ook de gevoelswereld in een hoger bereik gebracht worden.
Waar we plezier aan beleven, wat we graag willen hebben is schijnbaar van een lagere orde dan de wereld van de gedachten, maar als het naar een hoger gebied getild wordt, dan staat het gevoel hoger dan de gedachte. Het eeuwige in het gevoel staat hoger dan de gedachte. Wanneer je het gevoel op een hoger niveau brengt zoals de gedachten in de wiskunde, dan ervaar je het tweede aspect van de geest.
In onze gevoelswereld leeft echter dit eeuwige als een kiem en de theosofie noemt het boeddhi. Ik heb het de naam ‘levensgeest’ gegeven, het tweede spirituele wezen van de mens. Breng je je dachten op een hoger plan tot aan het begrijpen van iets wat eeuwig is, dan leef je in manas, (geestzelf). Breng je je gevoel en je gewaarwordingen op een hoger plan tot aan het wezen van het eeuwige, dan leef je in boeddhi. Dit leven in boeddhi (levensgeest)

Blz. 213

bei den gegenwärtigen Menschen nur in der Anlage vorhanden. Manasisch denken können die Menschen schon manchmal, wenn das Denken geregelt ist, den logischen Weltgesetzen unterliegt. Es gibt aber auch ein Denken, welches irrlichteliert, das heißt, einen Gedanken haben und gleich darauf wieder einen anderen, also immer wechselnd. Das ist das gewöhnliche Denken. Dann gibt es ein höheres Denken, das logisch ist, zusammenhängend, das von dem Ewigen sich nährt – nach Plato – und teilhaftig wird des Ewigen. Wenn nun ein Gefühl sich zu diesem Weltgebiet, zu einer solchen Weltgesetzlichkeit erhoben hat, dann lebt es in Buddhi. Das bedeutet nichts anderes als eine Art urewiger Gesetzmäßigkeit des Gefühls. Wer im gewöhnlichen Leben lebt, kann irren, kann auch mit seinem Gefühl abirren. Derjenige aber, welcher die urewigen Normen des Gefühls in sich erlebt, wie der Denker die urewigen Normen des manasischen Denkens erlebt, dieser fühlende Mensch hat in sich eine ebensolche Sicherheit und Klarheit des Fühlens, wie der Denker eine Klarheit des Denkens hat. Das ist es, was die Theosophie beschreibt als spirituellen Menschen, der in sich den Geist erlebt. Das ist dasjenige, was auch der tiefere Inhalt des Christus war. Der Mensch erlebt dann den Christus, lebt mit dem Christus, hat teil an ihm. Christus ist dasselbe wie Buddhi.

is bij de mens van nu slechts in aanleg aanwezig. Manasisch denken [dus op het niveau van het geestzelf] kunnen de mensen soms al, wanneer het denken [er staat ‘geregeld’ is – dat zou kunnen betekenen volgens de regels van de scholing] aan de logische wereldwetten voldoet. Er bestaat ook een vorm van denken dat nog dwaalt, d.w.z. een gedachte hebben en tegelijk daarop weer een andere, dus steeds wisselend. Dat is het gewone denken. Dan pas is er een hogere vorm van denken, dat logisch is, samenhangend, dat zijn voedsel haalt uit het eeuwige – volgens Plato – en deel gaat krijgen aan het eeuwige.
Wanneer nu een gevoel tot deze hoogte van dit wereldgebied, tot zo’n wereldwetmatigheid gestegen is, dan leeft dit in boeddhi. Dat betekent niets anders dan een soort oer-eeuwige wetmatigheid van het gevoel. Wie in het dagelijks leven leeft, kan zich vergissen, kan er ook met zijn gevoel naast zitten. Wie echter de oer-eeuwige gevoelsnormen in zich beleeft, zoals de denker de eeuwige normen van het geestzelf-denken, die voelende mens draagt in zich net zo’n zekerheid en helderheid van voelen, als de denker een helderheid van denken heeft. Dat beschrijft de theosofie als spirituele inhoud van de mens die in zichzelf de geest ervaart.

Dit is geen makkelijke inhoud en [als gevolg] ook geen makkelijk taalgebruik, want eigenlijk bestaan er niet zo veel woorden die kunnen uitdrukken wat hier in wezen wordt bedoeld. Dat maakt vertalen ook lastiger.

Ook nu valt weer op dat Steiner – hoewel al eerder over het onderwerp gesproken hebbend – iets toevoegt dat nog niet heeft geklonken.
Wat hij hier opmerkt, is voor mij eveneens een moeilijk gebied waarmee ik nog niet ben bezig geweest. 

Das ist es, was die Theosophie beschreibt als spirituellen Menschen, der in sich den Geist erlebt. Das ist dasjenige, was auch der tiefere Inhalt des Christus war. Der Mensch erlebt dann den Christus, lebt mit dem Christus, hat teil an ihm. Christus ist dasselbe wie Buddhi.

Dat beschrijft de theosofie als spirituele inhoud van de mens die in zichzelf de geest ervaart.
Dat is wat ook de diepere inhoud van Christus was. De mens beleeft Christus dan, leeft met hem, heeft deel aan hem. Christus is hetzelfde als levensgeest, boeddhi.
.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

3043-2858

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner in de vrijeschool – GA 298 (22-06-1923)

.

In de vertaling van GA 298 ‘Rudolf Steiner in der Waldorfschule‘- vertaald: ‘Beste ouders, lieve kinderen‘ zijn niet alle toespraken uit de Duitse uitgave opgenomen.

Rudolf Steiner roert hier geen pedagogische onderwerpen aan. Wel spreekt hij indringend over de voorwaarden waaronder de vrijeschool kan groeien: ‘De vrijeschoolbeweging is alleen maar denkbaar in een vrij geestesleven’.
Zijn idee van een ‘wereldschoolvereniging’ ziet hij als faliekant mislukt.
Door een gebrek aan wil.
Ook de relatie driegeledingsbeweging en vrijeschool komt niet van de grond.

Niet zoveel veranderd dus, in die 100 jaar!

GA 298

Blz. 187

Ansprache am Elternabend: «Fragen von Schule und
Haus»

Toespraak op de ouderavond ‘Vragen over school en thuis’

Sehr verehrte Anwesende! Die Frage von Schule und Haus, Kindern und
Eltern wurde längst als eine solche betrachtet, von der der Wunsch rege
war, daß sie hier an einem Elternabend genau besprochen würde.
Es ist nicht alles an einem Abend zu sagen möglich; aber wir werden
solche Abende, in denen diese Frage besprochen wird, öfter veranstalten, dann wird sich das Thema erschöpfen können. Heute will ich die ersten
hauptsächlichsten Gesichtspunkte, wie sie den Lehrern und mir vorschweben, vor Ihnen aussprechen.
Elternabende sind oftmals angeregt auf dem Erziehungsgebiet, aber
viele Vertreter, und hervorragende Vertreter des heutigen offiziellen
Schulwesens halten nicht viel von solchen Elternabenden. Und es wurde
von ausgezeichneten Pädagogen gesagt, daß nichts herauskomme als ein
unfruchtbares Diskutieren.

Zeer geachte aanwezigen! Het vraagstuk van school en thuis, kinderen en ouders heeft al lang de aandacht en de wens leeft dat dit hier op een ouderavond eens goed besproken wordt. Het is niet mogelijk om alles op één avond te zeggen, maar we zullen dit soort avonden waarop deze vragen besproken worden, vaker organiseren en dan kan het thema afdoende behandeld worden. Vandaag wil ik uitspreken wat de leerkrachten en ik voor ogen hebben. Op het gebied van de opvoeding zijn ouderavonden vaak gestimuleerd, maar vertegenwoordigers en op de voorgrond tredende vertegenwoordigers van het huidige officiële onderwijs hebben er geen hoge dunk van. En uitstekende pedagogen zeggen dat er niets uitkomt dan een vruchteloze discussie. 

Über alle Dinge des praktischen Lebens, auch über Elternabende, kann man verschiedene Ansichten haben; jede ist zu begründen. So will ich nicht für gewisse Gesichtspunkte das Recht bestreiten, von Elternabenden nicht groß zu denken. – Wir aber als Vertreter des Waldorfschul-Gedankens müssen in diesen Elternabenden etwas außerordentlich Bedeutungsvolles sehen, denn diese Abende, wenn sie in der richtigen Weise geführt werden können, hängen doch zusammen mit den tiefsten Lebensbedingungen dessen, was wir mit der
Waldorf schule wollen. Gewiß, Lehrer, die sich hineingestellt fühlen in den heute geltenden sozialen Zusammenhang und sich getragen fühlen von den Staatsgewalten, die fühlen sich auf ihrem Boden in einer gewissen Sicherheit und sind damit sehr häufig zufrieden. Da wird ihnen ja genügend in das
hineingeredet, was sie tun sollen; warum auch noch von den Eltern,
denken sie. Wir können ja diesen Standpunkt nicht haben. Wir haben ja ein
solches Hereingestelltsein in die gegenwärtigen sozialen Dinge nicht.

Over de dingen van het praktische leven, ook over ouderavonden, kan je verschillende opvattingen hebben; voor allemaal is wel wat te zeggen. Voor bepaalde gezichtspunten wil ik het recht niet bestrijden over ouderavonden niet al te ruim te denken. 
Maar wij, als vertegenwoordigers van de vrijeschoolgedachte, moeten in deze ouderavonden iets buitengewoon belangrijks zien, want deze avonden, wanneer ze op een goede manier kunnen verlopen, hangen toch ten diepste samen met de  bestaansvoorwaarden van wat wij met de vrijeschool willen. Het is zo zeker zo, dat leerkrachten die voelen dat ze deel uitmaken van de huidige sociale context en zich gesteund voelen door de overheid, een bepaalde zekerheid op hun gebied ervaren en vaak zijn ze daar heel tevreden mee. En er zal genoeg tegen ze worden gezegd wat ze moeten doen; waarom dan ook nog door de ouders, denken ze. Wij kunnen dat standpunt niet innemen. Wij maken geen deel uit van die huidige sociale dingen.

Blz. 188

Wir müssen aus dem heraus wirken, was uns aus Menschen- und
Lebenserkenntnis, aus Menschenwissenschaft und Menschenkunst als
pädagogisches Ziel voranleuchtet. Wir müssen, was wir brauchen für den
täglichen Unterricht, aus der inneren Kraft unseres pädagogischen Herzens herausholen. Dazu braucht man, ich will nicht sagen Anerkennung, denn eine Idee, die so sehr aus der Forderung der Zeit und Zukunft geholt ist, wie unsere, muß die Kraft ihrer Wirkung in sich tragen und nicht auf Anerkennung rechnen, was wir aber brauchen zu unserer Arbeit des täglichen Schullebens, das ist Verständnis vor allem derer, auf die es zunächst ankommt, die uns ihre Kinder in die Schule anvertrauen.
Wir können ohne dieses Verständnis überhaupt unsere Arbeit nicht
leisten. Und dieses Verständnis muß zunächst allgemeiner Natur sein.
Wir können nicht sagen: Eine höhere, aus der anerkannten Gesellschaftsordnung folgende Weisheit schwebt über unseren Häuptern, die
wird uns führen, wir brauchen nichts anderes als das Bewußtsein davon. – Wir müssen Schlagkraft gewinnen für unsere Schulideale; Schlagkraft insofern als eingesehen werde, wie tief verwurzelt in den wichtigsten Kulturforderungen der Gegenwart und nächsten Zukunft gerade dasjenige ist, was durch den Waldorfschul-Gedanken zutage tritt. 

Wij moeten werken vanuit mensen-, levenskennis, vanuit menskunde en het menselijk-kunstzinnige dat ons als pedagogisch doel voor ogen staat. Wij moeten voor wat we nodig hebben voor het dagelijkse onderwijs, putten uit de innerlijke kracht van ons pedagogisch hart. Daarvoor hebben we nodig, ik wil niet zeggen, erkenning, want een idee dat zo vanuit de eis van de tijd en voor de toekomst ontstaan is zoals dat van ons, moet de kracht van hoe het uitwerkt, in zichzelf dragen en niet op erkenning rekenen; wat we echter wél nodig hebben in ons dagelijkse schoolleven, is begrip voor al diegenen op wie ’t het eerst aankomt, die ons hun kinderen op school toevertrouwen.
We kunnen zonder dit begrip ons werk helemaal niet doen.
En dit begrip moet in de eerste plaats van algemene aard zijn.
We kunnen niet zeggen: een hogere wijsheid, ontleend aan de erkende maatschappelijke orde, zweeft boven ons hoofd, zal ons leiden, we hebben niets anders nodig dan dat te weten.
Voor onze schoolidealen hebben we slagvaardigheid nodig; slagvaardigheid voor zoverre er wordt ingezien hoe diep dat, wat door de vrijeschoolgedachte aan het licht treedt, wortelt in de belangrijkste eisen van de huidige cultuur en de naaste toekomst.

Daher müssen wir danach streben, daß das, was wir wollen, in klarer Anschauung vor die Menschen der Gegenwart tritt, die ein Verständnis dafür
aufbringen können. In erster Linie ist darauf zu rechnen, daß diejenigen,
die uns ihre Kinder anvertrauen, die also eine gewisse Liebe zur Waldorfschule haben, auch eindringen können in die Gedanken, Empfindungen, Willensimpulse, die uns selbst tragen. So möchten wir vor allem dasjenige Verhältnis der Schule zur Elternschaft herstellen, das nicht beruht auf Autoritätsglauben. Das hat keinen Wert für uns. Nur das hat Wert, was uns mit Verständnis, bis ins einzelne hinein, für unser Wollen entgegenkommt; das sich bewußt ist, daß ein großes Wagnis unternommen ist mit dieser Schule, das Wagnis, mit schwachen, menschlichen Kräften die so schwer enträtselbaren
Anforderungen des 20. Jahrhunderts zu erkennen und umzuprägen ins
Pädagogisch-Didaktische. Ich denke, in unserer Lehrerschaft ist kein
einziges Mitglied, das nicht dasjenige, in das es hineingestellt ist, empfinden will wie eine Art welthistorischen Festes innerhalb der Menschheits-

Daarom moeten we ernaar streven dat wat we willen, voor de mensen in deze tijd, helder is, dat ze het kunnen begrijpen. In eerste instantie moeten we er rekening mee houden, dat degenen die ons hun kinderen toevertrouwen, die a.h.w. een zekere liefde voor de vrijeschool hebben, ook toegang kunnen krijgen tot de gedachten, gevoelens, wilsimpulsen die ons zelf dragen. Zo zouden we vooral tussen de school en de ouder een verhouding willen ontwikkelen die niet berust op geloof in autoriteit. Voor ons heeft dat geen waarde. Wat ons met begrip, tot in detail voor wat we willen, tegemoet treedt, voor het bewustzijn van wat voor avontuur we met deze school begonnen zijn, het avontuur waarbij de menselijke krachten nog zwak zijn om de eisen van de 20e eeuw die zo moeilijk te ontrafelen zijn, te kennen en om te werken naar het pedagogisch-didactische, dat is waardevol voor ons.
Ik denk dat er onder onze leerkrachten niemand is die niet voelt dat hij deel uitmaakt van een wereldhistorische feestelijke gebeurtenis in de ontwikkeling van de mensheidsontwikkeling.

Blz. 189

entwickelung. Das will der Lehrer in aller Bescheidenheit. Aber so nötig
Bescheidenheit ist, so nötig ist, daß er es nicht in Kleinmut will, sondern
sich bewußt werde, welche Bedeutung, nicht gerade durch sein Wesen,
aber durch das, zu dem er sich bekennt, sein Wirken habe, und daß diese
Bedeutung nicht aus einer Willkür oder Sympathie, sondern aus einem
aus dem Zeitbewußtsein stammenden Wollen in der richtigen Weise betrachtet werde. Das brauchen wir vor allem von den Eltern.
Wir möchten schon, daß die Eltern der Waldorfschulkinder sich
sagen: Ich fühle die erzieherische Menschenpflicht in ganz besonderer
Weise, und ich möchte, daß gerade durch meine Kinder etwas beigetragen werde zu den großen Aufgaben der Menschheit im 20. Jahrhundert.
Ich möchte, daß das Anvertrauen meiner Kinder der Waldorfschule
tatsächlich eine soziale Tat großen Stiles sei. – Je intensiver dies in die
ganze Gesinnung aufgenommen werden kann, desto besser.
Uns muß es vor allen Dingen auf Gesinnung ankommen. Wir können
nicht viel halten von Anweisungen im einzelnen, daß die Lehrer sich so
oder so zu den Eltern verhalten sollen und umgekehrt. Wir können uns
von solchen Einzelanweisungen nicht sonderlich viel versprechen, aber
sehr viel davon, wenn die Lehrerschaft und Elternschaft sich gegenüberstehen in den richtigen Gesinnungen.

Dat wil de leerkracht in alle bescheidenheid. Maar hoe nodig bescheidenheid is, zo nodig is het dat hij het niet met een gebrek aan moed wil, maar dat hij zich bewust wordt welke betekenis zijn werk kan hebben, niet alleen door wie hij is, maar door waar hij in gelooft en dat deze betekenis niet ontleend is aan iets willekeurigs of sympathieks, maar op de juiste manier gezien wordt als de wil die voortkomt uit het tijdsbewustzijn. Met name dat hebben we van de ouders nodig.
Wij zouden het fijn vinden als de ouders van de vrijeschoolkinderen zouden zeggen: ik voel heel in het bijzonder de plicht die de mens heeft om op te voeden en ik zou willen dat ook door mijn kinderen iets wordt bijgedragen aan de grote opdracht van de mensheid in de 20e eeuw. Ik zou willen dat het toevertrouwen van mijn kinderen aan de vrijeschool daadwerkelijk een grootse sociale daad is.
Hoe intenser dit in de hele stemming opgenomen kan worden, des te beter.
Voor ons gaat het vooral om de gezindheid. Wij hebben niet zoveel aan gedetailleerde aanwijzingen waarmee de leerkracht zich zus of zo t.o.v. de ouders moet opstellen en omgekeerd. Wij kunnen niet zo veel met dit soort aanwijzingen, maart wél met de goede gezindheid waarmee leerkrachten en ouders zich t.o.v. elkaar opstellen.

Denn wir wissen, wenn mit dem innersten Wesen des Menschen die Gesinnung zusammenhängt, dann wird Gesinnung Tat, gerade in den Einzelheiten des Lebens. Wenn Gesinnung im großen den Menschen ergreift, werden seine einzelnen Taten zu Abbildern dessen, was die Gesinnung mit einem großen Zuge will. Daher handelt es sich für uns mehr darum, das Richtige in der
richtigen Weise zu empfinden und zu verstehen, als einzelne Anweisungen zu geben und zu bekommen. Wie oft habe ich betont, wie die verschiedenen Lebensepochen auf das Kind wirken, wie das Kind etwas anderes ist bis zum Zahnwechsel und wieder etwas anderes bis zur Geschlechtsreife. Bis zum Zahnwechsel ist das Kind eigentlich durch das Schicksal in einem ganz innigen Kontakt mit dem Elternhause. Wer nicht ganz aufgeht in der in der Gegenwart
blühenden materialistischen Denkweise, sondern den geistigen Zusammenhang im menschlichen Zusammenleben und in der Entwicklung durchschaut, der weiß, daß der schicksalsmäßige Zusammenhang zwi-

Want we weten dat wanneer de overtuiging met het diepste wezen van de mens samengaat, de overtuiging dan in de daad overgaat, m.n. in de bijzondere levensaspecten. Wanneer de overtuiging groots bezit neemt van de mens, worden zijn daden een voor een een beeld voor wat de overtuiging als groot geheel wil. Daarom gaat het er voor ons meer om het juiste op een goede manier aan te voelen en te begrijpen, dan gedetailleerde aanwijzingen te geven en te krijgen.
Hoe vaak heb ik al niet benadrukt, hoe de verschillende leeftijdsfasen op het kind werken, hoe het kind anders is tot de tandenwisseling en weer anders tot aan de puberteit. Tot aan de tandenwisseling staat het kind eigenlijk door het lot in een innig contact met het ouderlijk huis. Wie niet helemaal opgaat in de florerende manier van materialistisch denken, maar de geestelijke samenhang doorziet in hoe de mensen samen leven en in de ontwikkeling, weet dat de lotsverbondenheid tussen

Blz. 190

sehen Kindern und Eltern viel größer ist, als unsere abstrakte Zeit in
ihren materialistischen Vorstellungen oft annimmt. Wenn man hinzu
weiß zu dem, was uns das physische Leben gibt, das, was uns das geistige
Leben außer den Grenzen von Geburt und Tod gibt, dann nimmt man
schon den schicksalsmäßigen Zusammenhang zwischen den Kindern und den Eltern und Geschwistern ganz ernst, und dann wird einem von
Bedeutung die ganze wirklich für alle Erziehung einschneidende Art,
wie wir das Kind in die Volksschule aus dem Elternhaus hereinbekommen.
Wenn auch vielleicht dieser erste Teil meiner Betrachtungen für die
meisten Eltern etwas ferner liegt, scheint es mir doch wichtig, auch dies
zu berühren. Es können ja bei denjenigen Eltern, die schon Kinder hier
haben, noch jüngere Geschwister zu Hause sein, und die Eltern können
das Waldorfschul-Prinzip liebgewonnen haben und auch die jüngeren
Kinder bringen wollen. Für diese ist auch das Thema über Erziehung vor
dem Schulalter wichtig.

kinderen en ouders veel groter is, dan onze abstracte tijd met zijn materialistische voorstellingen dikwijls aanneemt. Wanneer je daar bij nog weet wat ons het fysieke leven geeft, dat wat ons het geestelijke leven geeft buiten de grenzen van geboorte en dood, dan neem je de lotsverbondenheid tussen kinderen en ouders en broertjes en zusjes wel heel serieus en dan ga je het belang voor elke opvoeding zien van de werkelijk sterk bepaalde manier waarop wij het kind vanuit het ouderlijk huis op school krijgen.
Ook al zal misschien dit eerste deel van mijn betoog voor de meeste ouders wat verder weg liggen, het lijkt mij toch belangrijk ook dit aan te snijden. Bij de ouders die hun kinderen hier al hebben, kunnen ook nog jongere broertje en zusjes zijn en de ouders kunnen van het vrijeschoolconcept zijn gaan houden en ook de jongere kinderen willen brengen. Voor hen is ook het thema over de opvoeding vóór de schooltijd belangrijk.

Wir bekommen das Kind in die Schule herein in der Art, daß es ein
wirkliches Abbild ist aller Verhältnisse und Charaktere im Elternhaus
und in seiner bisherigen Umgebung. Das Kind vom ersten bis siebenten
Jahr ist fast ganz Sinnesorgan; mit ungeheurer Empfindungsfähigkeit
nimmt es alles aus der Umgebung auf, was dort gesagt, getan, ja gedacht
wird. Und da verbirgt sich ein Menschen-Wachstumsgeheimnis, das von der heutigen Wissenschaft wenig berücksichtigt wird: die seelischen
Äußerungen der kindlichen Umgebung werden organische Leibesbeschaffenheit beim Kinde. Wer sich feinen pädagogischen Takt angeeignet
hat für das Aussehen des Kindes, den der Waldorfschullehrer haben soll,
der sieht im Glanz des kindlichen Auges, wenn es die Volkssschule
betritt, ob das Kind liebevoll von seiner Umgebung behandelt wurde,
oder ob es unter Zornesausbrüchen unlieb behandelt worden ist. Was
Eltern, Geschwister und so weiter tun, sagen, denken, lebt in der
Körperbeschaffenheit des Kindes, und viel könnte ich sagen, wenn ich sagen wollte, wie diese seelischen Äußerungen in dem Verlauf der
Atmung, des Blutumlaufes, der Wirkung des Nervensystems beim Kind
zu beobachten sind. Es kann ja sein, Vater und Mutter sind in der Lage,
mit häufigen Zornesausbrüchen das Kind zu behandeln. Bei diesen

Het kind dat bij ons school komt, laat een getrouw beeld zien van alle verhoudingen en gemoedstoestanden in het ouderlijk huis en zijn huidige omgeving. Het kind van het eerste tot aan zijn zevende jaar is bijna geheel en al zintuigorgaan; met een ongekend gevoelsvermogen neemt het alles uit de omgeving in zich op; wat er gezegd wordt, gedaan, zelfs gedacht. En daar zit een geheim in van de menselijke groei waar de moderne wetenschap weinig notie van neemt: de gevoelsuitingen uit de kinderlijke omgeving worden bij het kind een organisch-lichamelijke toestand. Wie bij zichzelf een fijngevoeligheid ontwikkeld heeft voor hoe een kind eruit ziet – de vrijeschoolleerkracht moet daarover beschikken – ziet in de glans van de kinderogen wanneer het op school komt, of het kind door zijn omgeving liefdevol behandeld werd of dat het onder woede-uitbarstingen niet liefdevol behandeld werd. Wat ouders, broertjes en zusjes enz. doen, zeggen, denken, leeft verder in de lichamelijke toestand van het kind en ik zou veel kunnen zeggen, wanneer ik wilde zeggen hoe deze uitingen van de ziel in verloop van tijd in de adem, bloedsomloop, de werking van het zenuwstelsel bij het kind te zien zijn. Het kan zo zijn dat vader en moeder in levensomstandigheden verkeren waarin ze vaak met woede-uitbarstingen met het kind omgaan. Bij deze kinderen

Blz. 191

Kindern merkt man, was sie so aufgenommen und mit ihrem inneren
Wesen verbunden haben, wie das zur Körperbeschaffenheit wird in der
Art der Verdauung, der Muskelbewegung, auch in der Art, wie sie
auffassen und nicht auffassen können. Ich darf mich – nicht bildhaft, sondern eigentlich – so ausdrücken, daß
der Lehrer mit der ersten Klasse in dem Kinde überliefert bekommt ein
Bild des ganzen Elternhauses; in der Gesundheit, im Temperament, im
Fassungsvermögen, in der moralischen Anlage trägt das Kind das Elternhaus in die Schule hinein. Und wir machen in der Schule zunächst durch
das Kind sehr intim Bekanntschaft mit dem Elternhause. Das sollte in die
Gesinnung derer einziehen, die ein wirkliches Interesse für eine Schule
wie die Waldorfschule haben. Solche Dinge brauchen nur Gesinnung zu
werden, dann wirken sie auf das Handeln. Wenn man klar so etwas weiß, wird man manches einzelne tun, was man sonst unterläßt, und vieles unterlassen, was man sonst tut. Das ist kein abstraktes Wissen; es durchtränkt das ganzeLeben. Wenn das die Voraussetzung ist, dann wird schon jener Wille entstehen, der in richtiger Weise Eltern und Lehrer zusammenführt.

merk je aan hoe ze dit opgenomen hebben en met hun innerlijke wezen hebben verbonden, hoe dat iets lichamelijks wordt op het gebied van de stofwisseling, de spierbewegingen, ook op de manier waarop ze iets begrijpen of niet.
 Ik mag het wel zo uitdrukken – niet beeldend, maar feitelijk – dat de leerkracht met de eerste klas in het kind ook een beeld meekrijgt van het ouderlijk huis; in zijn gezondheid, in zijn temperament, in zijn bevattingsvermogen, in de morele aanleg draagt het kind zijn ouderlijk huis mee de school in. En wij maken op school meteen door het kind zeer fijnzinnig kennis met het ouderhuis. Dat moet in de overtuiging van diegenen een plaats krijgen die een echte belangstelling hebben voor een school zoals de vrijeschool. Dergelijke dingen hoeven alleen maar overtuiging te worden en ze hebben hun werking op het handelen. Wanneer je dit duidelijk weet, zal je sommige kleine dingen gaan doen, die je anders naliet en veel achterwege gaan laten van wat je gewoonlijk deed. Dat is geen abstracte kennis, het hele leven is ervan doortrokken. Als dat de voorwaarde is, dan zal zeker die wil ontstaan die op een goede manier ouders en leerkrachten samenbrengt.

Denn da, wo man weiß, daß in die Tiefe der Menschennatur das wirkt, worauf es ankommt, gibt man weniger auf das, was mit Worten in fünf Minuten ausgesprochen ist, aber viel mehr auf die Art und Weise, wie es ausgesprochen wird. Wenn die Gesinnung, die ich andeutete, die Eltern unserer Kinder immer
wieder in die Schule hineintreibt, um dem entsprechenden Lehrer gegenüberzustehen, dann wird das, rein dadurch, daß Eltern und Lehrer sich
nicht fremd sind, sondern sich gesehen haben, zu einer fruchtbaren
Tatsache werden.
Was wir vor allem brauchen bei diesem Verhältnis von Eltern und
Lehrern, das ist, daß jenes Interesse für das Allgemeine der Waldorfschul-Pädagogik sich überträgt auf das ganze Leben innerhalb der
Schule, auf alles, was mit der Waldorfschule zusammenhängt, mit der
Lehrerschaft einerseits und der Elternschaft andererseits. Wir können in
der Waldorfschule mit großer Beruhigung, mit einer Kraft, die uns
täglich neuen Antrieb verleiht, unterrichten, wenn wir wissen: in den
Elternhäusern ist für das, was der Lehrer in der Schule tut, ein tägliches
Interesse vorhanden

Want als je weet, dat waarop het aankomt, in de diepte van de ziel werkzaam is, dan geef je minder om wat in vijf minuten uitgesproken is, maar veel meer om de manier waarop het uitgesproken wordt. Want de overtuiging waarop ik duidde, die de ouders van onze kinderen steeds weer naar school brengt om de betreffende leerkracht te ontmoeten, wordt dan, zuiver omdat ouders en leerkrachten niet vreemd tegenover elkaar staan, maar elkaar zien, tot iets vruchtbaars. Wat we vooral nodig hebben bij hoe ouders en leerkrachten met elkaar omgaan is, dat die belangstelling voor wat de algemene vrijeschoolpedagogie betreft over kan gaan op het hele leven binnen de school, op alles wat met de vrijeschool samenhangt, met aan de ene kant de leraren en aan de andere kant de ouders. We kunnen op de vrijeschool met grote kalmte, met een kracht die ons dagelijks nieuwe impulsen geeft, lesgeven, wanneer we weten: thuis bij de ouders is voor wat de leerkracht op school doet, dagelijks belangstelling.

Blz. 192

Ich verkenne nicht, wie schwierig die Betätigung eines solchen Interesses ist. Ich weiß gut, wie innerhalb unserer sozialen Verhältnisse die Menschen wenig Zeit und Kraft haben, wenn das Kind aus der Schule kommt, so das Kind zu fragen: Wie war es heute? Was hast du getan? – daß das Kind mit warmem Eifer gar nicht erwarten kann, daß diese Fragen gestellt werden. Es kommt nicht darauf an, daß die Eltern aus Pflichtgefühl diese Frage stellen, sondern so, daß das Kind gefragt sein will. Genieren wir uns dabei gar nicht, daß etwa das Kind manches Mal uns etwas sagen konnte, was wir selber vergessen haben, das ist selbstverständlich; das wird man gar nicht bemerken, wenn auf beiden Seiten der richtige Enthusiasmus vorhanden ist. Und unterschätzen Sie nicht, wenn der Lehrer wissen kann, das, was er tut, gibt dem Elternhause,
wenn auch nur für kurze Minuten, das regste Interesse, dann weiß er
seine Arbeit gut begründet, dann arbeitet er aus einer seelischen Atmosphäre heraus, die anfeuernd, erzieherisch und unterrichtend auf das
Kind wirkt.
Dadurch kann gerade am wirksamsten das bekämpft werden, was von
heute hervorragenden Pädagogen ausgesprochen wird. Wenn diese
untereinander sind, dann sprechen sie von dem «Krieg zwischen Eltern
und Lehrer». Dieser Krieg ist etwas, was so ein geheimes Diskussionsthema bei vielen Pädagogen bildet. 

Ik schat niet verkeerd in hoe moeilijk het is die interesse levend te houden. Ik weet goed hoe binnen onze sociale verhoudingen de mensen weinig tijd en energie hebben, om wanneer het kind uit school komt, aan het kind te vragen: hoe ging het vandaag? Wat heb je gedaan? – en dat het kind met een warm enthousiasme helemaal niet kan verwachten dat deze vragen worden gesteld. Het komt er niet op aan dat de ouders uit plichtsbesef deze vragen stellen, maar zo, dat het kind gevraagd wil worden. We moeten ons daarbij helemaal niet schamen als het kind ons soms iets kan zeggen, wat we zelf vergeten zijn, dat is vanzelfsprekend; dat wordt niet opgemerkt wanneer aan beide kanten het juiste enthousiasme aanwezig is. En laten we niet onderschatten, wanneer de leerkracht weten kan, dat wat hij doet, thuis, ook al is het maar een paar minuten, levendig enthousiasme brengt, hij dan weet dat zijn werk goed gemotiveerd is, dat hij dan werkt vanuit een zielensfeer die enthousiasmerend, opvoedend en onderwijzend op het kind werkt.
Daardoor kan met name het meest doeltreffend bestreden worden wat tegenwoordig door vooraanstaande pedagogen uitgesproken wordt. Wanneer ze onder elkaar zijn, hebben ze het over de ‘strijd tussen ouders en leraren’. Deze strijd vormt zo’n beetje een heimelijk discussiepunt bij veel pedagogen.

Dieser Krieg hat ja zu einem merkwürdigen Wort geführt, das schon bekannt ist, besonders jüngere Lehrer haben es ausgesprochen: Wir müssen die Erziehung bei den Eltern, insbesondere bei den Müttern anfangen. – Wir haben dazu weder den Ehrgeiz noch genügend utopistischen Sinn. Nicht weil wir glauben, die Eltern sind nicht erziehbar, oder wollen nicht erzogen werden, sondern wir wünschen, daß zwischen Elternschaft und Lehrerschaft ein wirklich inniges freundschaftliches Verhältnis besteht, das auf der Sache begründet ist. Dazu kann viel getan werden durch das Interesse der Eltern der
Schule gegenüber. Während gerade die Eltern durch ihr Seelisches auf die leibliche Beschaffenheit des Kindes so stark wirken, hat der Lehrer nur die
Möglichkeit, seelisch auf Seelisches zu wirken. Da tritt dann an die Stelle
jenes nachahmenden Wesens, das das Kind bis zum Zahnwechsel den
Eltern entgegenbringt, das Prinzip der notwendigen, ja selbstverständli

Deze strijd heeft merkwaardige woorden tot gevolg gehad die al wel bekend zijn vooral jongere leerkrachten hebben ze uitgesproken: ‘we moeten met de opvoeding bij de ouders beginnen, in het bijzonder bij de moeders.’ Wij streven daar niet naar, ook zijn we niet zo utopisch. Niet omdat we geloven dat de ouders niet opgevoed zouden kunnen worden of niet opgevoed willen worden, maar wij willen heel graag dat er tussen ouders en leerkrachten een echte innige vriendschapsband bestaat. die berust op de zaak zelf. Daar kan veel voor gedaan worden door de belangstelling van de ouders voor de school. Juist omdat de ouders door hun gevoelens zo sterk op de lichamelijke gesteldheid van de kinderen werken, heeft de leerkracht alleen de mogelijkheid gevoelsmatig op dat gevoel te werken.
En dan komt in plaats van dat nabootsende wezen dat het kind tot aan de tandenwisseling voor de ouders is, het principe van de noodzakelijke, zelfs vanzelfsprekende

Blz. 193

chen Autorität. Diese müssen wir haben; darin wird der Lehrer ganz
besonders unterstützt, wenn ein so charakterisiertes Interesse vorhanden
ist. Schon aus der Tatsache, daß die Schule mit einem gewissen feierlichen Ernst genommen wird, fließt viel von dem, was die Eltern zum
Tragen dieser autoritativen Kraft beitragen können, daß der Lehrer die Autorität sein kann, die er sein muß. Wer in der Waldorfschule Lehrer
wird, ist schon vielfach gesiebt; und man darf schon zu ihm Vertrauen
haben. Und wenn man etwas nicht versteht, so rümpfe man nicht gleich
die Nase, sondern man vertraue auf das große, umfassende Prinzip, an
das man selbst glaubt, dann wird man den Lehrer unterstützen und jede
Gelegenheit benützen, die einen innigen Kontakt zwischen Elternschaft
und Lehrerschaft herbeiführen kann.
Sie wissen, wir geben nicht solche Zeugnisse mit den üblichen Noten
wie an öffentlichen Schulen. Wir versuchen, das Kind zu charakterisieren, auf die Individualität einzugehen. Erstens: Sitzt ein Lehrer über der
Gestaltung der Zeugnisse und ist sich seiner Verantwortung bewußt, so
tritt ihm Rätsel über Rätsel vor das seelische Auge, und er wägt jedes Wort, das er prägen soll. Eine große Erleichterung ist es ihm dabei, wenn
er den Eltern gegenübergestanden hat, nicht wegen der Vererbungsverhältnisse, um die sich heute allein der Materialismus kümmert, sondern er sieht die Umgebung, und alles erscheint dann erst im rechten Lichte.

autoriteit. Die moeten we hebben; de leerkracht wordt dan juist heel erg ondersteund, wanneer de geschetste interesse aanwezig is. Alleen uit het feit dat de school met een zekere plechtigheid serieus genomen wordt, vloeit al veel voort van wat de ouders kunnen bijdragen aan de kracht deze autoriteit waar te maken, zodat de leerkracht de autoriteit kan zijn die hij moet zijn. Wie leerkracht wordt op de vrijeschool, is al wel vaker gewogen; en je mag hem wel vertrouwen. En wanneer je iets niet begrijpt, kijk dan niet meteen op hem neer, maar vertrouw dan op het grote, omvattende principe waaraan je zelf gelooft, dan ondersteun je de leerkracht en neem je de gelegenheid te baat om een hartelijk contact tussen ouders en leerkrachten tot stand te brengen.
U weet dat we niet zulke getuigschriften geven met de gebruikelijke cijfers zoals de reguliere scholen. Wij proberen het kind te karakteriseren, op zijn individualiteit in te gaan.
Eerst: wanneer de leerkracht bezig is het getuigschrift te maken en wanneer hij zich bewust is van zijn verantwoordelijkheid, trekt aan zijn geestesoog raadsel na raadsel voorbij en hij legt ieder woord  dat hij wil gebruiken op een weegschaal. Wanneer hij de ouders ontmoet heeft, wordt dat voor hem veel makkelijker, niet door de erfelijkheidsverhoudingen waarvoor tegenwoordig alleen het materialisme zich interesseert, maar omdat hij het milieu ziet en dan pas komt alles in het juiste licht te staan.

Dabei hat man nicht nötig, in indiskreter Weise die Eltern selbst zu
beurteilen, sondern er will eben in freundschaftlicher Weise sich den
Eltern gegenüberstellen. Wie ich einen Brief an Bekannte und Unbekannte anders schreibe, so auch die Zeugnisse über Schüler mit bekannten und unbekannten Eltern.
Zweitens sollte der Lehrer eigentlich sicher sein, daß ein liebevolles
Interesse im Elternhause ruhen würde auf solchen Zeugnissen, und ich
glaube, wenn die Eltern fertig brächten, eine kleine Antwort zu schreiben auf das, was der Lehrer im Zeugnis beschrieben hat, daß das
ungeheuer helfen würde. Wird das als Regel eingeführt, so hat es keine
Bedeutung; wird es Bedürfnis von den Eltern aus, so ist es pädagogisch
ungeheuer wichtig. Solche Schriftstücke werden gewiß mit außerordentlicher Aufmerksamkeit in unserer Waldorfschule gelesen werden; sie
wären uns viel wichtiger, selbst wenn sie mit noch so vielen Fehlern

Daarbij is het niet nodig om de ouders zelf op een indiscrete manier te beoordelen, hij wil alleen maar op een vriendschappelijke manier met de ouders in contact komen. Zoals ik een brief anders schrijf aan een bekende dan aan een onbekende, zo ook de getuigschriften over leerlingen met ouders die je kent of niet.
Ten tweede moet de leerkracht er eigenlijk zeker van zijn dat er thuis een liefdevolle interesse voor het getuigschrift is en ik denk, dat wanneer de ouders het voor elkaar krijgen een klein antwoord te schijven op wat de leerkracht in het getuigschrift heeft gezet, dat ongelooflijk zou helpen. Als het als regel gaat gelden, heeft het geen waarde; krijgen de ouders er behoefte aan, dan is dat pedagogisch van buitengewoon belang. Zulke schriftelijke antwoorden zullen ongetwijfeld met buitengewone belangstelling in onze vrijeschool worden gelezen; die zijn voor ons veel belangrijker, zelfs als ze met zo veel fouten zouden zijn

Blz. 194

geschrieben wären, als manche heute anerkannte Kulturschilderung der
Gegenwart. Man würde dabei tief in das hineinschauen, was man
braucht, wenn man nicht Lehrer ist aus abstrakten Ideen, sondern aus
dem Zeitimpuls heraus. Sie müssen nicht vergessen: Der Waldorfschullehrer erzieht aus einer Menschenkenntnis heraus, die nicht auf dem heute üblichen Wege zustande kommt. Aber aus dem, was in hingebungsvoller Weise Eltern
dem Lehrer mitteilen könnten, würde starke Menschenerkenntnis fließen, und ich übertreibe gar nicht, wenn ich sage, fast noch wichtiger als
für das Kind das Zeugnis wäre für den Lehrer das Gegenzeugnis. Aber
auch hierbei lege ich nicht den größten Wert auf die einzelne Maßregel,
die ich gerade nehme, sondern auf das Erhalten des regen Interesses für
alles, was in der Schule vor sich geht. Und so meine ich, daß sich von selbst für die Zeit, die zugebracht wird vom Kind in den Ferien, das Richtige ergeben wird, wenn das Schuljahr in der Weise verläuft, wie ich andeutete

geschreven als sommige van de culturele beschrijvingen die tegenwoordig erkend worden.  Dan zou je een diepe blik krijgen in wat nodig is, wanneer je geen leraar bent vanuit abstracte ideeën, maar vanuit de tijdimpuls.
U moet niet vergeten: de vrijeschoolleerkracht voedt op vanuit een menskunde die niet op de gebruikelijke manier tot stand komt.
Maar uit wat op een betrokken manier door de ouders aan de leerkracht gezegd kan worden, zou een degelijke mensenkennis kunnen voortvloeien en ik overdrijf helemaal niet, wanneer ik zeg, dat bijna nog belangrijker dan het getuigschrift voor het kind, het antwoordgetuigschrift voor de leerkracht zou zijn.

Maar ook hier hecht ik niet de grootste waarde aan die ene maatregel die ik nu neem, maar op het in stand houden van de levendige belangstelling voor alles wat er op school gebeurt.
En zo denk ik dat vanzelf voor de tijd die door het kind in de vakantie bij de ouders wordt doorgebracht het juiste gebeurt, zoals ik al aangaf.

Wir werden ja sehr gut tun, wenn wir die Ferien Ferien sein lassen, nicht das Kind anhalten, irgend etwas Schulmäßiges zu treiben; aber wenn diejenige Gesinnung sich auslebt, die ich wünschte, so wird das in der richtigen Weise Frohsinn, Freude und Erfrischung der Gesundheit für das Kind bedeuten.
Worauf es uns aber besonders ankommt, das ist eine in solche Gesinnung eingetauchte Atmosphäre, daß Sie die Erkenntnis haben: Der
Waldorfschullehrer kümmert sich um das ganze Kind, vor allem auch
um die Gesundheit. Und was wir uns besonders angelegen sein lassen,
das ist, daß wir im Inneren unserer Seele unterrichtet sind auch über die
feineren Gesundheitszustände der Kinder, die uns anvertraut sind. Eine
pädagogische Kunst ist nicht vollständig, wenn sie nicht bis zu diesem
Interesse am Kinde geht. Aber gerade über dieses Gebiet wird die nötige
Arbeit nur möglich sein, wenn Eltern und Schule entsprechend zusammenwirken. Da möchte man schon, daß ein aus innerem Bedürfnis
stammendes Verständnis der Schule entgegenkomme, daß auch mancher
Wink über das leibliche Wohl, über Diät und so weiter, von den Eltern
bei unserer Waldorfschule gesucht werde. Namentlich wünschen wir,
daß in solchen Dingen im Verkehr zwischen Eltern und Lehrern das voll
ausgelebt werde, was der Grundimpuls unseres Wirkens ist in der

We doen er heel goed aan om de vakantie de vakantie te laten, het kind niet aan te moedigen ‘iets van school’ te doen; maar als de stemming er is die ik graag zie, dan zal dat op een goede manier blij-zijn, vreugde en verkwikkende gezondheid voor het kind betekenen. Waarop het voor ons echter in het bijzonder aankomt, is een atmosfeer ondergedompeld in een zodanige houding dat u weet: de vrijeschoolleerkracht geeft om het hele kind, vooral om zijn gezondheid. En wat voor ons heel erg telt is, dat wij in ons binnenste ook weet hebben van de subtielere gezondheidstoestand van de kinderen die ons zijn toevertrouwd. Een pedagogische kunst is niet volledig wanneer deze niet tot die interesse in het kind reikt. Maar juist op dit terrein is het werk dat daarvoor nodig is alleen mogelijk als ouders en school adequaat samenwerken. Hier zou je wel willen dat er een vanuit een innerlijke behoefte komend begrip voor de school is en dat er ook wat aanwijzingen over het lichamelijk welzijn, over dieet enz. door de ouders bij ons op de vrijeschool worden gezocht. Wij zouden met name graag willen dat bij zulke dingen in de omgang tussen ouders en leerkrachten wat grondimpuls van ons werk is, op school vol tot zijn recht komt: 

Blz. 195

Schule: Menschliche tiefinnerste Ehrlichkeit und Offenheit. Daraus
könnte viel werden im Leben, und vieles kann gebessert werden, wenn
Vater oder Mutter zum Lehrer kommt und sagt: Mein Kind kommt
ermüdet zurück, es kommt zu spät; was kann ich mit Ihnen zusammen
tun, um dem entgegenzuwirken? – In diesem ehrlichen Zusammenwirken kann viel Gutes begründet werden. Besonders aber kann der Schule viel geholfen werden, wenn in den Dingen, in denen Genauigkeit, nicht Pedanterie ist, von den Eltern die Schule sehr unterstützt würde. Es trägt sehr viel bei zu der Art und Weise, wie man in der Schule die Zucht gestalten kann, wie man den
Ernst der Kinder herbeiführt, wenn durch die ganze Art und Weise, wie am Morgen der Verkehr zwischen Eltern und Kindern ist, ohne besonderen Befehl herbeigeführt wird, daß wie mit Selbstverständlichkeit das Kind zur rechten Zeit das Haus verläßt und damit zur rechten Zeit in der Schule ist. Ich meine auch hier nicht so sehr die einzelne Tatsache, sondern mehr das Bewußtsein, das dahinter steht; ich meine die Auffassung, daß die Schule etwas Ernstes und Feierliches ist und daß man die Eltern befriedigt, wenn man die Lehrer befriedigt in dieser Pünktlichkeit

menselijke, diep-innerlijke eerlijkheid en openheid. Daar kan in het leven veel uit voortkomen en veel kan worden verbeterd als vader of moeder naar de leerkracht komt en zegt: mijn kind komt moe thuis, het komt te laat; wat kan ik samen met je doen om dat tegen te gaan? Bij dit eerlijke samenwerken kan veel goeds tot stand komen. De school kan echter door de ouders goed worden geholpen, wanneer er bij de dingen waarin het om stiptheid gaat, geen schoolmeesterachtigheid meespeelt.
Het voegt heel veel toe aan de manier waarop je in de school orde en regelmaat kan hebben, hoe je ervoor zorgt dat de kinderen dat ernstig nemen, wanneer je door de manier waarop ’s morgens de omgang tussen ouders en kinderen verloopt, zonder speciale bevelen bereikt wordt dat als een vanzelfsprekendheid het kind op tijd van huis vertrekt en daardoor op tijd op school is. Ik bedoel ook hier niet zo dat enkele feit, maar meer het bewustzijn op de achtergrond; namelijk dat school iets serieus is en iets fijns en dat de ouders tevreden zijn als de leerkrachten dat zijn door deze stiptheid.

Das ist ein moralischer Brief, den das Kind jeden Morgen aus dem
Elternhaus in die Schule bringt. Dem feineren Blick des Lehrers ist es
nicht nur befriedigend oder unbefriedigend, wie das Kind das Haus
verlassen hat, sondern es drängen sich hinein in seine eigene Stimmung
störende oder fördernde Impulse, je nachdem das Kind in der einen oder
anderen Weise das Elternhaus verläßt. Solche Dinge müssen ins Bewußtsein kommen. Ich glaube, man hat nicht wenig für das ganze
Leben, wenn man so etwas als kleines Kind vom Vater gehört hat: Sieh
mal, zwei Dinge müssen ganz genau gehen: die Uhr und das Kind in die
Schule. – Das ein paarmal gesagt, kostet nicht viel Zeit und wirkt für das
ganze Leben.
Es kommt uns nicht auf Einzelheiten an, sondern auf das Herzensverhältnis zwischen Schule und Haus. Wir haben schon das Vertrauen, daß
bei einem solchen rechten Herzensverhältnis auch das Rechte herauskommt. Das möchten wir so sehr herbeisehnen, daß diese Gesinnung
nicht nur in Einzelheiten, sondern mit der ganzen Kraft erweckt werde.
Die Waldorfschule wird nicht nur durch ihr Kulturbewußtsein etwas

Het is een morele brief die het kind iedere morgen vanuit het ouderlijk huis mee naar school neemt. Voor de subtielere blik van de leerkracht is het niet alleen maar fijn of lastig hoe het kind van huis weggaat, maar zijn eigen stemming wordt beïnvloed door storende of stimulerende impulsen al naar gelang het kind op de ene, dan wel op de andere manier van huis gaat. Dergelijke dingen moeten we ons bewust gaan worden. Ik geloof dat het in het leven niet zonder betekenis blijft, wanneer je als klein kind zoiets van je vader hoort: ‘Kijk eens, twee dingen moeten precies goed lopen: de klok en het kind op weg naar school.’ Het kost niet veel tijd om dat een paar keer te zeggen en dat werkt in het verdere leven door. Het gaat ons niet zo om de details, maar om de hartelijke relatie tussen school en ouderlijk huis. We hebben er echt vertrouwen in dat met zo’n hartelijke relatie het goede tot stand komt. Wij zouden zo graag willen dat deze stemming er niet alleen bij kleine dingen is, maar gewekt wordt met alle kracht.
De vrijeschool zal niet alleen door haar cultuurbewustzijn iets 

Blz. 196

erreichen, sondern durch solche Dinge, wie wir sie heute besprochen
haben.
Wir müssen uns ja klar sein, daß manches sogar in unserer Zeit
erfunden werden mußte, damit die Mängel, die in solchen Dingen liegen,
nicht zu stark zutage treten. Was müssen manchmal die Kindergärten
gutmachen, was vom Elternhause schlecht gemacht wurde! Unsere Zeit
ist nun einmal so geworden, daß sie Surrogate braucht für das, was in der
Familie erlebt werden sollte.
Nicht nur mit dem Intellekt muß verfolgt werden, was wir mit der
Waldorfschule wollen, sondern auch geliebt werden muß es. Und ist die
Gesinnung der Eltern in solche Liebe getaucht, so werden wir nicht
nötig haben, unsere Kinder zu erziehen in der Furcht und in der Hoffnung, den zwei heute zwar gebräuchlichsten, aber schlechtesten
Erziehungsmitteln. Das beste Erziehungsmittel aber ist und bleibt die
Liebe, und in einer von Liebe getragenen Erziehungskunst kann das
Haus die Schule stark unterstützen

bereiken, maar door die dingen die we hier vandaag besproken hebben.
Het moet ons duidelijk zijn, dat er zelfs in onze tijd veel ontdekt moet worden, zodat de gebreken die in die dingen liggen, niet zo sterk naar voren komen. Hoe vaak moeten de kleuterscholen niet herstellen wat door het ouderhuis slecht werd gedaan! Onze tijd is nu eenmaal zo geworden dat ze vervangende middelen nodig heeft voor wat in het gezin ervaren zou moeten worden.
Niet alleen met het intellect moeten we volgen wat we met de vrijeschool willen, we moeten ook van haar houden. En als de stemming van de ouders in die liefde gedompeld is, dan hebben we niet nodig dat we onze kinderen opvoeden in  angst en in hoop, die twee zijn tegenwoordig het meest gebruikelijk, maar ook de slechtste opvoedingsmiddelen. Het beste opvoedingsmiddel echter is en blijft de liefde en in een opvoedkunst die door liefde wordt gedragen kan thuis de school sterk ondersteunen.

Es gibt Leute, die sagen, in der Waldorfschule sei die Disziplin nicht
so gut wie in anderen Schulen. Ausführlich darüber zu sprechen, ist die
Zeit zu kurz. Aber bedenken Sie, daß nicht nur in sozialen Dingen,
sondern auch in den Kinderseelen die letzten Jahre viel geändert haben.
Wir können nicht die Maßstäbe unserer Jugend anlegen. Es ist eine tiefe
Kluft zwischen der jetzigen jungen Generation und den Älteren, und
wenn es sich darum handelt, erzieherisch das Wesen des Kindes zu erfassen, so wird man mit der Furcht vor Strafen und der Hoffnung auf
Zeugnisse schlecht erziehen, mit der Liebe aber gut. Mag noch so sehr
das wilde Getümmel toben in den Klassen, wenn das richtige Verhältnis
da ist zum Lehrer, wenn er so dasteht, daß das Kind dennoch in ihm das
sieht, was es sehen soll, dann wird das Toben eine ganz andere Bedeutung haben als sonst. Vielleicht ist das paradox, aber es ist psychologisch
richtig. Man bekommt auch über das Toben eine andere Anschauung;
denn es tobt sich da manches heraus, was sich dann im späteren Leben
nicht mehr heraustobt, und das ist entschieden besser als umgekehrt. Die
späteren Lebensalter bauen sich ja auf dem auf, was wir in der Schule
heranerziehen. Gerade wenn man davon tief durchdrungen ist, daß man
für das ganze Leben, nicht für den Augenblick zu erziehen hat, dann

Er zijn mensen die zeggen dat in de vrijeschool de orde niet zo goed is als op andere scholen. Om daar uitgebreid over te spreken, ontbreekt nu de tijd. Bedenk echter wel dat er niet alleen sociaal, maar ook in de ziel van het kind de laatste jaren veel veranderd is. Wij kunnen niet de maatstaven van onze jeugd aanleggen. Er bestaat een diepe kloof tussen de huidige jonge generatie en de oudere en als het erom gaat, opvoedend het wezen van het kind te omvatten, dan zal je met angst voor straf en de hoop op een rapport slecht opvoeden, maar met liefde echter goed. Ook al is er nog zo veel reuring in een klas, wanneer de juiste verhouding tot de leerkracht aanwezig is, wanneer hij er zo in staat dat het kind in hem ziet wat hij moet zien, dan zal de drukte een heel andere betekenis hebben als in andere gevallen. Misschien klinkt het tegenstrijdig, maar psychologisch is het juist. Ook over de drukte krijg je een andere opvatting: want veel wordt er uitgeleefd wat dan in het latere leven niet meer optreedt en dat is beslist beter dan omgekeerd. Het latere leven wordt gebouwd op wat we op school opvoedend doen.
Juist omdat je er diep van bent doordrongen dat je voor het hele leven, niet voor het moment, moet opvoeden, 

Blz. 196

weiß man auch, wie stark man die Eltern braucht, um mit dem Waldorf –
schul-Gedanken weiter zu kommen.
Diese Gesichtspunkte wollte ich zunächst geben, aber doch betonen,
daß darin das Allernötigste liegt, und daß uns die ehrliche und gründliche Erfassung dieser Gesichtspunkte recht, recht weit bringe und die
Überzeugung stärke, die für die Waldorfschullehrer heilig ist, und für
die wir Verständigung wünschen. Wir wissen: Wir erreichen unser Ziel,
wenn dasjenige, was in der Schule gewollt wird, in den Elternhäusern
verstanden wird, und wenn uns ermöglicht wird, intim zusammenzuwirken mit den Elternhäusern!

weet je ook hoe hard je de ouders nodig hebt om met de vrijeschoolgedachte verder te komen.
Deze gezichtspunten wilde ik nu aandragen, maar ook benadrukken dat daarin het allernoodzakelijkste zit en dat het eerlijk en gedegen inzien van deze gezichtspunten echt, echt veel moge brengen en de overtuiging mag sterken die voor de vrijeschoolleerkracht heilig is en waar we zo graag begrip voor zouden hebben. Wij weten: we bereiken ons doel wanneer we, wat we op school willen, thuis begrepen wordt en wanneer het ons mogelijk gemaakt wordt in vertrouwen samen te werken met thuis!

.

Over GA 298 – inhoudsopgave  

Rudolf Steiner over pedagogie(k)

Rudolf Steinerop deze blog

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3042-2857

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over de levensgeest (GA 13)

.

In de ‘Algemene menskunde’ staat Steiner niet lang stil bij de begrippen ‘geest(es)zelf – levensgeest – geest(es)mens. Ze worden summier benoemd in de 1e voordracht – in de vertaling op blz. 23 – wanneer hij over de wezensdelen spreekt. Zie het artikel daarover
en in voordracht 4.

Hier worden de drie begrippen in verband gebracht met de drie vormen van (hoogste) wil.
De ‘wens’ met het geestzelf; ‘het voornemen’ met de levensgeest en ‘het besluit’ met de geestmens.

Wanneer hij in zijn boeken GA 9 en GA 13 over de wezensdelen spreekt, komen ze uiteraard aan bod.
Opmerkingen daaruit heb ik weergegeven in dit artikel.

Wanneer je mijn inleidingen op deze stof op je laat inwerken, zal, wat Steiner in de voordrachten zegt, makkelijker te vatten zijn.

Zoals ik voor het geestzelf heb gezocht naar omschrijvingen in andere voordrachten, wetend dat Steiner het telkens weer anders zegt of met nieuwe gezichtspunten, doe ik dit nu ook voor de levensgeest.

In het vorige artikel haalde ik Steiner aan met wat hij er op blz. 24 (vert.) over zegt:

Ein zweiter, höherer Bestandteil des Menschen ist das, was wir den Lebensgeist nennen. Dieser Lebensgeist ist schon sehr wenig wahrnehmbar innerhalb des gegenwärtigen Menschen. Es ist etwas sehr geistiger Art im Menschen, was sich in ferner Menschenzukunft entwickeln wird.

Een tweede en hoger bestanddeel van de mens is dat wat we de levensgeest noemen. Deze levensgeest kan men al heel weinig waarnemen in de huidige mens. Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomt van de mensheid zal ontwikkelen.
GA 293/64
Vertaald/66

‘Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomt van de mensheid zal ontwikkelen.’

Je zou dus nog kunnen denken: ‘O, dat gaat vanzelf, daar hoef ik in dit leven niets voor te doen.’
‘Ik heb er in dit leven nog weinig mee te maken’.
Maar als we beseffen dat ‘levensgeest’ omgewerkte ‘levenskracht’ is, ons etherlijf, dan kunnen we wél inzien dat het in dit leven veel meer gaat om de scholing van het etherlijf.
Het scholen van het astraallijf is al een moeilijke opgave; van het etherlijf is deze nog moeilijker. Die kost veel meer inspanning en tijd.

Als we aan het etherlijf willen werken, gaat die activiteit natuurlijk weer uit van het actieve Ik, zoals bij de ontwikkeling van het astraallijf, zoals blijkt uit wat er in o.a. de voordrachten GA 9; GA 34; GA 53; GA 54; GA 55; GA 56; GA 57; GA 58; GA 59 over staat.

Hoe het zit met het etherlijf en wat kunst en religie betekenen voor de cultivering daarvan.

In GA 13:

Wie der Mensch seinen Astralleib erobert dadurch, daβ er zu den verborgenen Kräften die hinter ihm stehen, vordringt, so geschieht das im Laufe der Entwicklung auch mit dem Ätherleib. Die Arbeit an diesem Ätherleib ist aber eine intensivere als die am Astralleibe, denn was sich in dem ersteren verbirgt, das ist in zwei, das Verborgene des Astralleibes jedoch nur in einen Schleier gehüllt.

Zoals de mens zijn astrale lichaam verovert doordat hij doordringt tot de verborgen krachten die erachter staan, zo doet hij dat in de loop van zijn ontwikkeling ook met het etherische lichaam. Het werken aan dit etherische lichaam is echter intensiever dan dat aan het astrale lichaam; want terwijl het verborgene bij het astrale lichaam slechts in één sluier is gehuld, is het bij het etherische met twee sluiers toegedekt.

Man kann sich einen Begriff von dem Unterschiede in der Arbeit an den
beiden Leibern bilden, indem man auf gewisse Veränderungen hinweist, die mit dem Menschen im Verlaufe seiner Entwicklung eintreten können. Man denke zunächst, wie gewisse Seeleneigenschaften des Menschen sich entwickeln, wenn
das Ich an der Seele arbeitet. Wie Lust und Begierden, Freude und Schmerz sich ändern können. Der Mensch braucht da nur zurückzudenken an die Zeit seiner Kindheit. Woran hat er da seine Freude gehabt; was hat ihm Leid verursacht?
Was hat er zu dem hinzugelernt, was er in der Kindheit gekonnt hat? Alles das aber ist nur ein Ausdruck davon, wie das Ich die Herrschaft erlangt hat über den Astralleib.
Denn dieser ist ja der Träger von Lust und Leid, von Freude und Schmerz. Und man vergleiche damit, wie wenig sich im Laufe der Zeit gewisse andere Eigenschaften des Menschen ändern, z. B. sein Temperament, die tieferen Eigentümlichkeiten seines Charakters usw.

We kunnen het onderscheid in het werken aan beide lichamen begrijpen door op bepaalde veranderingen te letten die bij de mens in de loop van zijn ontwikkeling kunnen optreden. Laten we ons indenken hoe bepaalde psychische eigenschappen zich bij de mens ontwikkelen wanneer het ik aan de ziel werkt; hoe genot en verlangen, vreugde en verdriet kunnen veranderen. We hoeven daarvoor slechts terug te denken aan onze kinderjaren. Waaraan beleefden we toen vreugde, wat deed ons verdriet? Wat hebben we sinds onze kindertijd geleerd dat we toen nog niet konden? Dat alles is echter slechts een uitdrukking van de mate waarin het ik meester is geworden over het astrale lichaam.
Want dit is immers de drager van genot en pijn, van vreugde en verdriet. En laten we daar eens naast stellen, hoe weinig bepaalde andere eigenschappen van de mens in de loop van de tijd veranderen, bijvoorbeeld zijn temperament, de dieper liggende eigenschappen van zijn karakter, enzovoort.

Ein Mensch, der als Kind jähzornig ist, wird gewisse Seiten des Jähzorns auch
für seine Entwicklung in das spätere Leben hinein oft beibehalten.
Die Sache ist so auffallend, daß es Denker gibt, welche die Möglichkeit ganz in Abrede stellen, daß der Grundcharakter eines Menschen sich ändern könne. Sie nehmen an, für seine Entwicklung in das spätere Leben hinein oft beibehalten.

Een mens die als kind driftig is, zal bepaalde aspecten van die opvliegendheid vaak ook in zijn latere leven nog bewaren. Dit valt zozeer op, dat er denkers zijn die volledig in twijfel trekken of de grondkleur van iemands karakter wel kan veranderen. Ze gaan ervan uit dat dit gedurende het hele leven hetzelfde blijft en dat het zich alleen op verschillende wijzen uit. Een dergelijk oordeel berust echter op een gebrekkige waarneming.

Blz. 73   vert. 41/42

daß dieser etwas durch das Leben hindurch Bleibendes sei, welches sich nur nach dieser oder jener Seite offenbare. Ein solches Urteil beruht aber nur auf einem Mangel in der Beobachtung. Wer den Sinn dafür hat, solche Dinge zu sehen, dem wird klar, daß sich auch Charakter und Temperament des Menschen unter dem Einflüsse seines Ich ändern. Allerdings ist diese Änderung im Verhältnis zur Änderung der vorhin gekennzeichneten Eigenschaften eine langsame. Man kann den Vergleich gebrauchen, daß das Verhältnis der
beiderlei Änderungen ist wie das Vorrücken des Stundenzeigers der Uhr im Verhältnis zum Minutenzeiger. Nun gehören die Kräfte, welche diese Änderung von Charakter oder Temperament bewirken, dem verborgenen Gebiet des
Ätherleibes an. Sie sind gleicher Art mit den Kräften, welche im Reiche des Lebens herrschen, also mit den Wachstums-, Ernährungskräften und denjenigen, welche der Fortpflanzung dienen. 

Wie oog heeft voor zulke dingen, ziet in dat ook karakter en temperament van de mens onder invloed van het ik veranderen. Deze verandering voltrekt zich echter langzaam in vergelijking met de verandering van de eerder genoemde eigenschappen. We kunnen om een beeld te gebruiken, zeggen dat de verhouding tussen deze beide veranderingsprocessen is als de beweging van de uurwijzer van een klok in verhouding tot de minutenwijzer. Nu behoren de krachten die deze verandering van karakter of temperament bewerkstelligen tot het verborgen gebied van het etherische lichaam. Ze zijn verwant met de krachten die in het rijk van het leven heersen, dus met de groei- en voedings-krachten en met de krachten die de voortplanting dienen.

Also nicht, wenn sich der Mensch bloß hingibt an Lust und Leid, an
Freude und Schmerz, arbeitet das Ich am Astralleib, sondern wenn sich die Eigentümlichkeiten dieser Seeleneigenschaften ändern. Und ebenso erstreckt sich die Arbeit auf den Ätherleib, wenn das Ich seine Tätigkeit an eine Änderung seiner Charaktereigenschaften, seiner Temperamente usw. wendet Auch an dieser letzteren Änderung arbeitet jeder Mensch: er mag sich dessen bewußt sein oder nicht.
Die stärksten Impulse, welche im gewöhnlichen Leben auf diese Änderung hinarbeiten, sind die religiösen. Wenn das Ich die Antriebe, die aus der Religion fließen, immer wieder und wieder auf sich wirken läßt, so bilden diese in ihm eine Macht, welche bis in den Ätherleib hineinwirkt und diesen

Het ik werkt dus niet aan het astrale lichaam wanneer de mens zich alleen maar overgeeft aan genot en pijn, aan vreugde en verdriet, maar juist wanneer de eigenaardigheden van deze zielseigenschappen veranderen. En zo wordt ook het etherische lichaam bewerkt wanneer het ik zijn activiteit richt op de verandering van karaktereigenschappen, van temperament, enzovoort. Ook aan deze verandering werkt ieder mens, of hij zich ervan bewust is of niet. De sterkste impulsen tot deze verandering komen in het gewone leven uit de religie voort. Wanneer het ik de drijfveren die uit de religie afkomstig zijn op zich laat inwerken, dan vormen die in hem een kracht die tot in het etherische lichaam doorwerkt en dit

Blz. 74 

ebenso wandelt, wie geringere Antriebe des Lebens die Verwandlung des Astralleibes bewirken. Diese geringeren Antriebe des Lebens, welche durch Lernen, Nachdenken, Veredelung der Gefühle usw. an den Menschen herankommen, unterliegen dem mannigfaltig wechselnden Dasein; die religiösen Empfindungen drücken aber allem Denken, Fühlen und Wollen etwas Einheitliches auf. Sie breiten gleichsam ein gemeinsames, einheitliches Licht über das ganze Seelenleben aus. Der Mensch denkt und fühlt heute dies,
morgen jenes. Dazu führen die verschiedensten Veranlassungen. Wer aber durch sein wie immer geartetes religiöses Empfinden etwas ahnt, das sich durch allen Wechsel hindurchzieht, der wird, was er heute denkt und fühlt, ebenso auf diese Grundempfindung beziehen wie die morgigen Erlebnisse seiner Seele. Das religiöse Bekenntnis hat dadurch etwas Durchgreifendes im Seelenleben; seine Einflüsse verstärken sich im Laufe der Zeit immer mehr, weil sie in fortdauernder Wiederholung wirken. Deshalb erlangen sie die Macht, auf den Ätherleib zu wirken. —

evenzeer verandert als kleinere impulsen uit het gewone leven dat met het astrale lichaam doen. Deze kleinere impulsen uit het gewone leven, die via leren, nadenken, veredeling van gevoelens enzovoort op de mens inwerken, zijn onderhevig aan de wisselvalligheid van het bestaan; de religieuze gevoelens echter brengen in al het denken, voelen en willen een bepaalde eenheid aan. Ze breiden als het ware een gemeenschappelijk, verbindend licht over het hele leven van de ziel uit. De mens denkt en voelt vandaag dit, morgen dat. De prikkels daartoe komen van alle kanten op hem af. Wie echter door zijn religieuze beleving, hoe die ook geaard is, een besef heeft van iets dat door alle wisselvalligheden heen gaat, die zal wat hij vandaag denkt en voelt op dezelfde wijze op dit basisgevoel betrekken als wat hij morgen in zijn ziel ervaart. De
religieuze overtuiging heeft daardoor een sterke greep op het leven van de ziel; haar invloeden worden in de loop der tijd steeds sterker, omdat ze in een voortdurende herhaling werken. Daaruit ontstaat hun kracht om op het etherische lichaam in te werken.

 In ähnlicher Art wirken die Einflüsse der wahren Kunst auf den Menschen. Wenn er durch die äußere Form, durch Farbe und Ton eines Kunstwerkes die geistigen Untergründe desselben mit Vorstellen und Gefühl durchdringt, dann wirken die Impulse, welche dadurch das Ich empfangt, in der Tat auch bis auf den Ätherleib. Wenn man diesen Gedanken zu Ende denkt, so kann man ermessen, welch ungeheure Bedeutung die Kunst für alle menschliche Entwicklung hat Nur auf einiges ist hiermit hingewiesen, was dem Ich die Antriebe liefert, auf den Ätherleib zu wirken. Es gibt viele dergleichen Einflüsse im Menschenleben, die dem beobachtenden Blick nicht so offen liegen wie die genannten. Aber schon

Op dezelfde wijze beïnvloedt echte kunst de mens. Wanneer hij via de ruimtelijke vorm, via kleur of klank van een kunstwerk de geestelijke achtergrond ervan met zijn voorstellingen en gevoelens doordringt, werken de impulsen die het ik daardoor ontvangt metterdaad ook op het etherische lichaam. Wanneer we deze gedachte doordenken, kunnen we beseffen welke onschatbare waarde de kunst heeft voor alle menselijke ontwikkeling. Hiermee is slechts op een paar dingen gewezen die het ik ertoe aanzetten op het etherische lichaam in te werken. Er zijn tal van dergelijke invloeden in het menselijk leven te vinden, die voor de waarnemende blik niet zo helder zijn als de bovengenoemde. Maar alleen al

Blz. 75

aus diesen ist ersichtlich, daß im Menschen ein weiteres Glied seiner Wesenheit verborgen ist, welches das Ich immer mehr und mehr herausarbeitet Man kann dieses Glied als das zweite des Geistes, und zwar als den Lebensgeist bezeichnen.
(Es ist dasselbe, was man mit Anlehnung an die morgenländische Weisheit «Buddhi» nennt.) Der Ausdruck «Lebensgeist» ist deshalb der entsprechende, weil in dem, was er bezeichnet, dieselben Kräfte wirksam sind wie in dem «Lebensleib»; nur ist in diesen Kräften, wenn sie als Lebensleib sich offenbaren, das menschliche Ich nicht tätig. Äußern sie sich aber als Lebensgeist, so sind sie von der Tätigkeit des Ich durchsetzt.

uit deze voorbeelden blijkt dat in de mens nog een ander deel van zijn wezen verborgen is, dat door het ik steeds meer aan het licht wordt gebracht. We kunnen dit deel als het tweede deel van de geest, en wel als de levensgeest aanduiden. (Dit is hetzelfde wat in de oosterse wijsheid boeddhi ° wordt genoemd.) De benaming ‘levensgeest’ is passend omdat in de sfeer die ermee wordt aangeduid dezelfde krachten werkzaam zijn als in het ‘levenslichaam’; alleen is in deze krachten, wanneer ze zich als levenslichaam openbaren, het menselijk ik niet werkzaam. Uiten die krachten zich echter als levensgeest, dan zijn ze met de werkzaamheid van het ik doortrokken.
GA 13/72-75
Vertaald/40-43

Wat de pedagogie betreft, zou je wellicht de conclusie mogen trekken, dat kunst en religie, gegeven aan het zich ontwikkelende kind, ook kiemen zijn voor een ‘verre toekomst’.

Und den ganzen Menschen stu­dieren, heißt, in ihm die Kräfte finden, die durchaus über das Erdenleben hinausreichen.

De hele mens bestuderen wil zeggen, in hem die krachten vinden die verdergaan dan het aardse leven.
GA 205/106
Niet vertaald

Over dit ‘verdergaan’: 2e vdr. Algemene menskunde

In jedem Lebensalter muβ eben durchaus darauf gesehen werden, daβ man nicht bloβ für dieses Lebensalter erzieht, sondern für das ganze irdische Menschenleben, ja noch darüber hinaus.

In iedere leeftijdsfase moet er dus volstrekt op gelet worden dat je niet alleen voor deze leeftijdsfase opvoedt, maar voor heel het aardse mensenleven, zelfs voor wat daar op volgt.
GA 309/80
Op deze blog vertaald/80

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

3041-2856

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkeling door oefening

.
M.n. ook in zijn pedagogische voordrachten wijst Steiner erop dat de mens niet te begrijpen valt, zonder de kosmos te begrijpen:

Onderwijsmethodiek moet opbloeien uit de levensvoorwaarden voor de opvoeding. En die onderwijsmethodiek kán opbloeien uit de levensvoorwaarden voor de opvoeding als ze ontstaat uit een levendig zich-invoelen van de leerkracht, de opvoeder in de hele kosmos.

Methodik des Lehrens muß erblühen aus den Lebensbedingungen des Erziehens. Und sie kann erblühen aus den Lebensbedingungen des Erziehens, wenn sie erwächst aus einem lebendigen Sich-Erfühlen des Lehrenden, des Erziehenden im ganzen Weltenall.
GA 308/69
Vertaald/104

Maar het is niet eenvoudig door te dringen tot dergelijke inhouden;

De mens is een openbaring van de hele kosmos

Der Mensch ist ein Ausdruck des ganzen Kosmos
GA 202/23

In ‘Wegwijzers’ staan nog veel meer gezichtspunten uit de voordrachten:

6; 8; 9; 34; 35; 100; 108; 196; 213 240; 241; 242; 246; 248; 251; 262; 264; 295; 311; 319.

Hoe kan je nu een toegang vinden tot de genoemde kosmische wereld?

In onderstaand artikelen worden aanwijzingen en gezichtspunten gegeven om je daarbij te helpen.
.

Oefenen in actieve verwondering
.

Hoe kijkt een antroposoof naar de sterren?
.

Als de dagen korter worden, zijn de sterrenbeelden steeds beter zichtbaar aan de hemel. Als je ernaar kijkt kun je je zomaar ineens heel klein voelen, onderdeel van een indrukwekkend geheel. Aan de sterrenhemel is bovendien veel wijsheid te ontlenen. Maar waar begin je en hoe weet je waar je op moet letten? “Regelmatig’ kijken en volhouden is het belangrijkst,” zegt Silvia Rigters van het Elisabeth Vreede-instituut. 

De antroposofie zit vol met kennis over de werking van de sterren en planeten op ons dagelijks leven. Denk aan de biologisch-dynamische landbouw, waar de dag om bepaalde planten te zaaien of te oogsten mede afhankelijk is van de stand van de planeten.
Maar ook op de mens heeft de stand van de sterren invloed. We kennen allemaal de horoscoop uit de krant: ‘Ben je een Ram, dan ligt er deze week een nieuwe uitdaging op je te wachten. Ben je Weegschaal? Kijk dan deze week goed uit in het verkeer!’

“Zo simpel ligt het niet”, stelt Silvia Rigters ‘ van het Elisabeth Vreede-instituut, een organisatie die zich inzet voor de verspreiding van het werk van de antroposofisch georiënteerde astronome Elisabeth Vreede. Ze geeft workshops en verdiept zich al dertig jaar in de ‘astrosofie’: een vernieuwde vorm van de traditionele astrologie, op basis van de antroposofie. “Als je als mens op aarde komt, gebeurt er ook kosmisch gezien iets. Daarvan wordt een afdruk in de mens gemaakt. Vanuit dat startpunt ga je je ontwikkelen. Als je in die ontwikkeling stapt, wordt de horoscoop gaandeweg minder waar: het is niet meer waar je mee begon, want je leert.

Iemand kan ver van zijn eigen horoscoop verder zijn ontwikkeld op het moment dat je ernaar gaat kijken.. Daarom moet je erg oppassen met interpreteren. De reguliere astrologie maakt er een soort receptenboek van: heb je dit sterrenbeeld, dan heb je dat karakter.

Daar zitten wel kernen van waarheid in, maar je kunt het niet zo generaliseren.”

Silvia legt uit dat. dit moeilijk is om in kaart te krijgen, omdat alles met alles samenwerkt in de kosmos.. Bovendien hebben mensen een vrije wil, en daardoor is de werking van de sterren minder ‘dwingend’ dan dat bijvoorbeeld bij planten het geval is.
“Alle sterren en planeten werken door elkaar heen en dat werkt op ieder mens anders, omdat ieder mens z’n eigen geschiedenis meeneemt. Daardoor kan het effect van een bepaalde planeet op de een veel groter zijn dan op de ander.”
Pas door in gesprek te gaan, kun je er volgens Silvia echt achter komen wat iemands horoscoop betekent. “Maar ook dan moet je antennes kweken voor wat belangrijk is.”

Regelmaat

Hierbij kunnen de sterren echter ook behulpzaam zijn. Als je regelmatig naar de sterrenhemel kijkt, ontwikkel je een soort innerlijke stabiliteit en alertheid.
“Als je dat een periode doet, in de herfst of de winter, zijn er vaak periodes met regen en bewolking waarin je helemaal niets ziet. Dan kan het lastig zijn om vol te houden en raak je snel de draad kwijt,” weet Silvia. “In mijn workshops ‘Sterrendans’ probeer ik mensen toch een bewustzijn te laten krijgen van waar de planeten staan, ook als het donker of bewolkt is. Zodat je weet en voelt: “Oh ja, Mercurius en Mars staan vandaag bij elkaar. Weten waar de zon staat en al die planeten, en dat het beweegt en onderdeel is van onszelf, ook dat is onderdeel van ons dagelijks leven. Daar kun je heel veel mee doen en aan beleven, maar dat bewustzijn moet langzaam groeien.”

De regelmaat vasthouden en het überhaupt volhouden om telkens naar de sterrenhemel te kijken is het belangrijkst. Als je het een keer vergeet, is dat niet erg:- het is een oefening, bij oefenen hoort dat je ‘fouten’ maakt. Dus dan pak je de draad daarna gewoon weer op. “Als je dan buiten komt, en voelt hoe rustig en blij je dan wordt van het kijken naar de sterrenhemel, dat is fantastisch,” zegt-Silvia. “Dat komt vanuit de sterrenhemel naar je toe, maar je hebt er eerst in geïnvesteerd. Je kunt heef simpel beginnen: ’s avonds voordat je naar bed gaat, ga je even naar buiten om te kijken. Ook al is er maar één ster te zien tussen de wolkjes door. Je hoeft niet te weten welke ster het is. Gewoon kijken en het op je laten inwerken. Niets erbij verzinnen, maar leren ervaren dat die rust van de sterrenhemel er altijd is.”

Durven loslaten

Voorkennis is dus niet nodig om vertrouwd te raken met de sterrenhemel. Al kan het helpen om te weten welke planeten of sterrenbeelden goed zichtbaar zijn in welke periode van het jaar. Silvia: “Je kunt beginnen met je op de maan te richten. Het fijne daaraan is, dat je die ook overdag kunt zien. Natuurlijk kun je een sterrenkalender, planetengids of allerlei websites raadplegen, maar op het moment dat je gaat kijken, moet je al je kennis loslaten. Als je erg geoefend bent, kun je een sterrenkijker gebruiken. Je kunt ook een programmaatje op de iPad erbij pakken. Maar je zult merken dat dat een heel andere ervaring is dan kijken met het blote oog. Er zit dan toch iets tussen.

Ook het leren voelen van dat verschil is van groot belang. Het gaat erom dat je vanuit die actieve verwondering kijkt. Dan kun je je op een praktische manier verbinden met de sterren: durven loslaten, maar tegelijk actief en wakker zijn voor wat er vanbinnen gebeurt.”

Astrosofie
.
Steiner: De sterrenwereld en de mens

Oefenen van de wil

‘Over de zgn. ‘Nebenübungen‘’

7e klas: sterrenkunde

.

3040-2855

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over de levensgeest (GA 9 en 34)

.

In de ‘Algemene menskunde’ staat Steiner niet lang stil bij de begrippen ‘geest(es)zelf – levensgeest – geest(es)mens en wel

in de 1e voordracht – in de vertaling op blz. 23 – wanneer hij over de wezensdelen spreekt. Zie het artikel daarover en in voordracht 4.
Hier worden de drie begrippen in verband gebruikt met de drie vormen van (hoogste) wil.
De ‘wens’ met het geestzelf; ‘het voornemen’ met de levensgeest en ‘het besluit’ met de geestmens.

Wanneer hij in zijn boeken GA 9 en GA 13 over de wezensdelen spreekt, komen ze uiteraard aan bod.
Opmerkingen daaruit heb ik weergegeven in dit artikel.

Wanneer je mijn inleidingen op deze stof op je laat inwerken, zal, wat Steiner in die voordrachten zegt, makkelijker te vatten zijn.

Zoals ik voor het geestzelf heb gezocht naar omschrijvingen in andere voordrachten, wetend dat Steiner het telkens weer anders zegt of met nieuwe gezichtspunten, doe ik dit nu ook voor de levensgeest.

 Ein zweiter, höherer Bestandteil des Menschen ist das, was wir den Lebensgeist nennen. Dieser Lebensgeist ist schon sehr wenig wahrnehmbar innerhalb des gegenwärtigen Menschen. Es ist etwas sehr geistiger Art im Menschen, was sich in ferner Menschenzukunft entwickeln wird.

Een tweede en hoger bestanddeel van de mens is dat wat we de levensgeest noemen. Deze levensgeest kan men al heel weinig waarnemen in de huidige mens. Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomt van de mensheid zal ontwikkelen.
GA 293/64
Vertaald 66

Als je iets ‘weinig’ kan waarnemen, is het meestal ook moeilijk je er een voorstelling van te maken.
Steiner gebruikt om het ons uit te leggen, bijv. ‘het vergelijken met’.

In GA 9 ziet die vergelijking er zo uit:

Wie nun die physische Welt dem Ich nur dadurch von sich Kunde geben kann, daß sie aus ihren Stoffen und Kräften einen Körper aufbaut, in dem die bewußte Seele leben kann und innerhalb dessen diese Organe besitzt, um das Körperliche außer sich wahrzunehmen, so baut auch die geistige Welt mit ihren Geistesstoffen und ihren Geisteskräften einen Geistkörper auf, in dem das Ich leben und durch Intuitionen das Geistige wahrnehmen kann. (Es ist einleuchtend, daß die Ausdrücke Geiststoff, Geistkörper dem Wortsinne nach einen Widerspruch enthalten. Sie sollen nur gebraucht werden, um den Gedanken auf dasjenige hinzulenken, was im Geistigen dem physischen Leibe des Menschen entspricht.)

Zoals de fysieke wereld zich aan het ik slechts kenbaar kan maken doordat zij uit haar stoffen en krachten een lichaam opbouwt waarin de bewuste ziel kan leven en waarbinnen de ziel over organen beschikt om het lichamelijke buiten zichzelf waar te nemen, zo bouwt ook de geestelijke wereld met haar geestelijke stoffen en haar geestelijke krachten een geesteslichaam op waarin het ik kan leven en door middel van intuïties het geestelijke kan waarnemen. (Het is duidelijk dat de uitdrukkingen ‘geestelijke stof ’, ‘geesteslichaam’, letterlijk genomen, een tegenspraak bevatten. Ze worden hier alleen gebruikt om de gedachten te richten op datgene wat in de geestelijke wereld met het fysieke lichaam van de mens overeenkomt.)

Und ebenso wie innerhalb der physischen Welt der einzelne menschliche Körper als eine abgesonderte Wesenheit aufgebaut wird, so innerhalb der Geisteswelt der Geistkörper. Es gibt in der Geisteswelt für den Menschen ebenso ein Innen und Außen wie in der physischen Welt. Wie der Mensch aus der physischen Umwelt die Stoffe aufnimmt und sie in seinem physischen Leib verarbeitet, so nimmt er aus der geistigen Umwelt das Geistige auf und macht es zu dem Seinigen. Das Geistige ist die ewige Nahrung des Menschen. Und wie der Mensch aus der physischen Welt geboren ist, so wird er aus dem Geiste durch die ewigen Gesetze des Wahren und Guten geboren. Er ist von der außer ihm befindlichen Geisteswelt abgetrennt, wie er von der gesamten physischen Welt als ein selbständiges Wesen abgetrennt ist. Diese selbständige geistige Wesenheit sei «Geistmensch» genannt.

En zoals in de fysieke wereld het afzonderlijke menselijke lichaam als een op zichzelf staand geheel wordt opgebouwd, zo ook in de geestelijke wereld het geesteslichaam. Er bestaat in de geestelijke wereld evenzeer een binnen en een buiten voor de mens als in de fysieke wereld. Evenals de mens uit zijn fysieke omgeving de stoffen opneemt en ze in zijn fysieke lichaam verwerkt, neemt hij ook uit zijn geestelijke omgeving het geestelijke op en maakt het tot het zijne. Het geestelijke is het eeuwige voedsel van de mens. En zoals de mens uit de fysieke wereld geboren is, zo wordt hij door de eeuwige wetten van het ware en het goede uit de geest geboren. Hij is gescheiden van de geesteswereld die zich buiten hem bevindt, zoals hij van de totale fysieke wereld als een zelfstandig wezen gescheiden is. Dit zelfstandige geestelijke wezen noemen we ‘geestesmens’.

Wenn wir den physischen Menschenkörper untersuchen, finden wir in ihm dieselben Stoffe und Kräfte, die außerhalb desselben in der übrigen physischen Welt vorhanden sind. So ist es auch mit dem Geistmenschen. In ihm pulsieren die Elemente der äußeren Geisteswelt, in ihm sind die Kräfte der übrigen Geisteswelt tätig. Wie in der physischen Haut ein Wesen in sich abgeschlossen wird, das lebend und empfindend ist, so auch in der Geisteswelt. Die geistige Haut, die den Geistmenschen von der einheitlichen Geisteswelt abschließt, ihn innerhalb derselben zu einem selbständigen Geisteswesen macht, das in sich lebt und intuitiv den Geistesinhalt der Welt wahrnimmt, –diese «geistige Haut» sei Geisteshülle (aurische Hülle) genannt. Nur muß festgehalten werden, daß diese «geistige Haut» sich fortdauernd mit der fortschreitenden menschlichen Entwicklung ausdehnt, so daß die geistige Individualität des Menschen (seine aurische Hülle) einer unbegrenzten Vergrößerung fähig ist.

Als we het fysieke lichaam van de mens onderzoeken, vinden we daarin dezelfde stoffen en krachten als daarbuiten in de overige fysieke wereld. Zo is het ook met de geestesmens. De elementen van de uiterlijke geesteswereld stromen door hem heen, de krachten van de overige geesteswereld zijn in hem werkzaam. Zoals een wezen dat leeft en gewaarwordingen heeft door zijn fysieke huid wordt omsloten en afgescheiden is, zo is dat ook in de geestelijke wereld het geval. De geestelijke huid die de geestesmens van de ene alomvattende geestelijke wereld afscheidt, hem in deze wereld tot een zelfstandig geestwezen maakt dat in zichzelf leeft en intuïtief de geestelijke inhoud van de wereld waarneemt – die ‘geestelijke huid’ noemen we geestesomhulsel (aurisch omhulsel). We moeten alleen wel beseffen dat deze ‘geestelijke huid’ door de verdergaande ontwikkeling van de mens voortdurend ruimer wordt, zodat de geestelijke individualiteit van de mens (zijn aurisch omhulsel) onbeperkt groter kan worden.

Zoals wij ons hier in de aardse omgeving vertonen, als fysieke mens, zo vertonen wij ons in de geestelijke wereld als ‘geestelijke mens’.
Onze fysieke mens wordt opgebouwd en voor verval behoed door het etherlijf; door het leven dat rondom ons is, de levenskracht. 
Zo heeft ook de geestmens een kracht nodig die hem opbouwt. In GA 9 noemt Steiner deze kracht ‘ethergeest’, i.t.t. ‘etherlijf’, ofwel ‘levenslichaam/lijf  i.t.t. levensgeest.

Innerhalb dieser Geisteshülle lebt der Geistesmensch. Dieser wird durch die geistige Lebenskraft in demselben Sinne auferbaut, wie der physische Leib durch die physische Lebenskraft. In ähnlicher Weise, wie man von einem Ätherleib spricht, muß man daher von einem Äthergeist in bezug auf den Geistesmenschen sprechen. Dieser Äthergeist sei Lebensgeist genannt. – In drei Teile gliedert sich also die geistige Wesenheit des Menschen: in den Geistmenschen, den Lebensgeist und das Geistselbst.

Binnen dit geestesomhulsel leeft de geestesmens. Hij wordt door de geestelijke levenskracht in dezelfde zin opgebouwd als het fysieke lichaam door de fysieke levenskracht. Op dezelfde wijze als van een etherisch lichaam gesproken wordt, moet daarom ten aanzien van de geestesmens van een etherische geest gesproken worden. Deze etherische geest noemen we levensgeest. – Uit drie delen bestaat dus de geest van de mens: uit de geestesmens, de levensgeesten het geesteszelf.
GA 9/23
Vertaald/47-48

In GA 34:

Und wie der physische Leib durch die physische Lebenskraft zum leiblichen Lebewesen, so wird der Geistesmensch durch die geistige Lebens­kraft zum Lebensgeist (in der theosophischen Literatur Buddhi genannt).

En zoals het fysueke lichaam door de fysieke levenskracht tot een ‘lijfelijk’ wezen wordt dat leeft, zo wordt de geestmens door de geestelijke levenskracht tot levensgeest. In de theosofische literatuur wordt dit buddhi genoemd.
GA 34/134
Niet vertaald

Buddhi vertaalt hij op blz. 135 met ‘spiritueller Körper‘,  spritueel lichaam.

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

3039-2854

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Jan (37)

.

Daan Rot, Antroposofisch Magazine, juni 2019 nr. 14


.

Onbezorgd midzomer vieren
.

Stoere bloemenkransen en smakelijke Sint-Janstosti’s
.

De zon staat op haar hoogst, de dag is op zijn langst, de natuur barst uit zijn voegen.
Op 24 juni is het Sint-Jan, de feestelijke dag voor zwierige zomerjurken, korte broeken en bloemen in ons haar. Een moment van heerlijk onbezorgd vieren, met muziek, vuur en tosti’s in de tuin.

We struinen de bermen af naar mooie veldbloemen, vinden hier en daar een korenaar, knippen klimop, een paar grote vijgenbladeren en varens uit onze tuin. In de bloemenwinkel kiezen we elk twee of drie bloemen die we het allermooist vinden. [Naam van het kind] heeft graag een wilde, stoere bloemenkrans en kiest een allium. [Naam van het kind] kiest een mooie roos in twee kleuren. We vlechten kransen van de klimop en zetten de bloemen stevig vast met bloemendraad. leder jaar maak ik van elk kind een portret; een perfect moment om hun groei door de jaren heen te zien. Met af en toe een grom van ‘Moet dan nou’ van [naam van het kind]. Maar later zal hij me dankbaar zijn, zullen we maar denken. Als de kransen al het spelen en dansen hebben overleefd, hang ik ze op om ze te drogen.

Zomervakantiekriebels

Op de onderbouw van de vrijeschool wordt Sint-Jan gevierd met buitenspelletjes, samen picknicken, zingen rond het vuur en als hoogtepunt de vuursprong. Met een wens in het hoofd en een dapper kloppend hart over de vlammetjes. Trotse snoeten gegarandeerd.

Omdat we inmiddels twee kinderen op de middelbare school hebben, vieren we ook samen Sint-Jan. Met vader Jan* kunnen we ook niet anders, deze naamdag moet gevierd worden. We maken met zomervakantiekriebels in onze buik plannen bij het vuur voor die heerlijk vrije zomerweken die voor ons liggen. We kijken terug op het schooljaar en vooruit naar het nieuwe schooljaar. Het examenjaar voor [naam van het kind], dus extra spannend en nu al fijn mijmeren over de opwindende plannen voor de toekomst.

Mooi smeulend vuurtje

In de tuin hebben we een vuurplaats geïmproviseerd met tegels en een oude ketel. [Naam van het kind] is onze vuurmeester. Hij heeft alles goed voorbereid. Aanmaakhoutjes verzameld en een pan water klaargezet. Als de hoogste vlammen wat zijn gezakt, doen we er briketten op zodat we een mooi smeulend vuurtje hebben. We smeren een stapel boterhammen en met het tosti-ijzer voor open vuur bakken we de ene na de andere tosti. Iedere keer verzinnen we nieuwe versies. De nieuwste is een banaan-met-chocolade-tosti. Het lijkt wel een taartje, volgens [naam van het kind]. Jan schuift ook aan met een gitaar op schoot en zo trakteren we de buurt nog op wat kampvuurliedjes.

Ook eens proberen? Hieronder vind je een paar van onze tostifavorieten ter inspiratie. Een tosti-ijzer voor open vuur vind je met een beetje geluk in de kringloopwinkel of nieuw vanaf ongeveer 11 euro. Tip: ook een wafelijzer en een popcornpan zijn leuk om te gebruiken rond het Sint-Jansvuur.

Voor alle tosti’s gebruik ik stevig, zelf gesneden brood. Dus lekker dikke boterhammen. Wit, bruin, spelt, net wat je lekker vindt. Gebruik het tosti-ijzer op een bedje van gloeiende kolen en houd het ijzer 5 cm boven de briketten. Verwarm het tosti-ijzer 5 à 10 minuten voor en besmeer de binnenkant met een beetje roomboter. Doe de boterhammen erin en bak de tosti’s gedurende 3 minuten aan elke kant of tot de boterhammen goudbruin zijn.

Pizzatosti

• vegetarisch gehakt
• tomatensaus
• kaas
• basilicum

Roer de tomatensaus door het vegetarisch gehakt. De saus mag best dik zijn, dus in verhouding veel gehakt, weinig tomatensaus. Zo loopt het niet uit de tosti. Smeer een lekkere laag saus op een boterham, plakjes kaas erover en twee blaadjes verse basilicum erbij. Doe de tweede boterham erbovenop.

Geitenkaas-paprikatosti

• plakjes oude geitenkaas
• rood gele paprikareepjes uit pot

Beleg de boterhammen met de kaas en paprikareepjes naar smaak.

Mozzarellatosti

• buffelmozzarella
• tomaten
• verse basilicum
• pesto

Besmeer de boterham met pesto, snijd de mozzarella en de tomaten in plakjes en leg ze op de boterhammen. Blaadjes basilicum naar smaak toevoegen en tot slot de tweede boterham erbovenop.

Bananen-chocoladetosti

• rijpe bananen
• reep chocolade

Snijd de banaan in plakjes en beleg de boterham. Schaaf met de kaasschaaf krullen chocolade van de reep en kruimel ze over de banaan, afdekken met de tweede boterham.

Aardbeien-kokostosti

• aardbeien
• geraspte kokos

Plet de aardbeien, strooi er geraspte kokos overheen en dan mag de andere boterham erbovenop.

Daan Rot en Lisa Wade schreven twee toegankelijke boeken over de jaarfeesten, getiteld Het hele jaar feesten.

*Jan Rot, inmiddels overleden. Een begenadigd hertaler van vele bekende liedjes. Hij kan een voorbeeld zijn voor aspecten van de poëzie in de klassen van de bovenbouw waarin deze behandeld wordt.

.

Sint-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

3038-2853

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkeling van het jonge kind

Loïs Eijgenraam*, Antroposofisch Magazinea, december 2019 nr 15
.

Weerbaarheid en zelfvertrouwen
.

“Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan!” zei kinderboekenheldin Pippi Langkous.

Soms zou je als ouder deze kant van Pippi graag wat meer in je kind vertegenwoordigd zien wanneer het weinig zelfvertrouwen lijkt te hebben. Eigen ervaringen en voorbeelden van anderen kunnen je kind helpen om zich staande te houden en ‘te trouwen met zichzelf’.

“Ik zou willen dat mijn kind wat meer zou durven,” vertelt een moeder van een achtjarige zoon langs de lijn van het voetbalveld. “Mijn kind slaat gelukkig van zich af als iets wordt afgepakt. Je kunt er in deze wereld niet vroeg genoeg mee beginnen je kind weerbaar te maken,” aldus een moeder van een anderhalfjarige dreumesdame.

Of je je nu meer in de voetbalmoeder of in de dreumesmama herkent, vroeg of laat kom je de begrippen ‘weerbaarheid’ en ‘zelfvertrouwen’ tegen in je ouderschapsloopbaan. Hoe leren onze kinderen dit? Er is genoeg aanbod aan weerbaarheidscursussen voor kinderen, maar is dat wel de manier?

Trouwen met jezelf

Wat betekent weerbaarheid? Weer-baar-heid bestaat uit drie woorden. Weer betekent volgens het etymologisch woordenboek ‘weder’, terug of tegen. Baar ‘iets dat gedragen wordt’ en ‘heid’ geeft de toestand aan waarin iets verkeert. Ons kind laat dus zien of het zichzelf kan dragen als iets tegen hem of haar aankomt. Of als iets terugkomt naar ons kind. Een vriendje kan tegen je aanbotsen. Iemand kan iets terugzeggen dat je kind misschien niet verwachtte. Ons kind is dus blijkbaar weerbaar als het kan blijven staan en zichzelf kan blijven dragen bij tegen en terug.

Zelfvertrouwen en weerbaarheid worden vaak in één adem genoemd. Zelfvertrouwen, je-zelf-ver-trouwen. Trouwen met je verre zelf, mag ik het woord zo uit elkaar halen? Wat heb je als kind nodig om met jezelf te trouwen zodat je verre zelf dichtbij komt?

Vitamine F en W

Ooit hoorde ik een verhaal van iemand over de geboorte van een vlinder. De vlinder wurmde zich urenlang uit de cocon naar buiten toe. De toeschouwer vond de inspanning die de vlinder moest leveren zo groot dat hij de vlinder een beetje hielp. Voorzichtig peuterde hij de cocon open zodat de vlinder makkelijker tevoorschijn kon komen. Wat bleek? De vlinder kon niet vliegen. Vlinders hebben de weerstand, de tegenbeweging van de coconopening nodig om de vleugels te activeren om hun toekomstig werk te kunnen doen en te worden wie ze zijn: een vlinder.

Wat kan dit verhaaltje ons leren over zelfvertrouwen en weerbaarheid? Als kinderen worden geboren, begint de reis naar het trouwen met hun verre zelf. De navelstreng wordt doorgeknipt, de levensadem nemen ze in zich op. Ze oefenen zelf het drinken te verteren. Na de nodige darmkrampen lukt dit! Wat een mijlpaal; heeft het kind zelf gedaan! Kinderen die het gegund wordt op eigen kracht te gaan staan en lopen, stralen een enorme trots en zelfverzekerdheid uit! Met tweeëneenhalf à driejaar gaan ze ‘ik’ zeggen. Ze ervaren nu bewust: ik ben een zelf, een ik! Ondertussen hebben ze ook ervaren hoe heerlijk het is het eigen spel te spelen en zo de wereld te leren kennen. Niet alleen de buitenwereld, maar bovenal de eigen binnenwereld. Alles zelf doen is hun motto. Niet om ons als ouders dwars te zitten, maar om te ervaren wat doorzettingsvermogen is. Om te voelen hoe fijn het is steeds meer in de wereld te vinden waarmee jij en jezelf een verbinding aangaan. In je lichaam groeit een ruimte waar jij als kind dit trouwe zelf onderdak geeft. Je gaat zo op jezelf vertrouwen dat het een kostbare schat voor de rest van je leven blijkt te zijn. Wat hebben jouw ouders hiervoor gedaan? Ze hebben je zelf leren rollen, zitten en lopen. Jouw je eigen spel gegund. Op z’n tijd vitamine F van frustratie en W van weerstand geschonken. Frustratie over een knoop van je broek die niet dichtwilde. Weerstand omdat veters strikken zo moeilijk bleek te zijn maar op een dag toch lukte! In je binnenkamer jubelde jezelf-ver-trouwen mee! ‘Yes, dit kan ik!’ Wat kunnen wij als ouders nog meer doen om ons kind zelfvertrouwen en weerbaarheid mee te geven?

Nabootsen

Onze kinderen houden van een leven waarin voorspelbaarheid en gewoonten hen dragen. Hierdoor ervaren kinderen dat zij gedragen worden. Gedragen door afspraken en rituelen. Kinderen kijken ook hoe wij als ouders dit allemaal doen. Ons voorbeeld bootsen zij na. Hierdoor groeit in hen een begrip voor de wereld om hen heen. Dit resoneert in hun binnenkamer mee en wordt bewaard als een kostbaar goed. Deze innerlijke voorraadkamer met opgedane ervaringen en voorbeelden van anderen helpt het kind om in situaties tot handelen te komen. ‘Oh ja, zo doe je dat. Je zegt gewoon dat je meedoet met spelen’ of ‘Ik mag zeggen of ik iets wel of niet fijn vindt. En een ander mag dat ook tegen mij zeggen’. Door het grip krijgen op en kunnen handelen in situaties leert het kind zich te gedragen in het hier en het nu. Het is weer-baar. En die weerbaarheidstraining? Kan. Je mag ook geboren zijn om echt te zijn, niet om perfect te zijn.

*Loïs Eijgenraam werkt als adviseur bij BVS Schooladvies, gespecialiseerd in kinderen van nul tot zeven jaar. Daarnaast heeft ze haar eigen praktijk voor ouderbegeleiding en opvoedingsondersteuning, Ze is auteur van diverse publicaties over de opvoeding van [jonge] kinderen.

.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3037-2852

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkeling door oefening

.
Rudolf Steiner benadrukt in zijn pedagogische voordrachten verschillende keren hoe belangrijk het is voor de mens dat zijn wil wordt ontwikkeld:

Het komt erop aan alle drie de elementen: intellect, gevoel en wil van de mens op de juiste manier op te voeden, dat men zichzelf in staat stelt deze drie elementen op de juiste wijze te laten samengaan.

Es kommt darauf an, alle drei Elemen­te, Intellekt, Gemüt und Willen, im Menschen in der richtigen Weise zu erziehen, daß man sich in die Lage zu versetzen versteht, diese drei Lebenselemente in der richtigen Weise zusammenwirken zu lassen.
GA297/57
Op deze blog vertaald/57

Het moet ons duidelijk zijn dat we de lesstof hoofdzakelijk gebruiken om op de wil, het gemoed en het denken van het kind in te werken, dat het er ons niet zozeer om gaat wat het kind in zijn geheugen vasthoudt als wel dat het kind de kwaliteiten van zijn ziel ontwikkelt.

Wir müssen uns klar sein, daß wir den Unterrichtsstoff hauptsächlich dazu verwenden, um die Willens-, Gemüts- und Denkfähigkeiten des Kindes zu ergreifen, daß es uns viel weniger darauf ankommt, was das Kind gedächtnismäßig behält, als daß das Kind seine seelischen Fähigkeiten ausgestaltet.
GA 295/38
Vertaald/38
Meer op ‘Wegwijzers”

Dan moet je als opvoeder ook aan het werk: opvoeding = zelfopvoeding.

Manon Berendse, Antroposofisch Magazine juni 2019, nr 14

.

Train je wilskracht met Steiners Basisoefeningen
.

Kijken naar en jezelf en naar je ik
.

Van antroposofie wordt nog wel eens gezegd dat het vaag of ongrijpbaar is, terwijl het vaak verrassend concreet en toepasbaar is. Het gaat wél over diepgaande processen die we als mens beleven. Voorbeeld bij uitstek?
De Basisoefeningen en de terugblikoefeningen, waarmee je het denken, voelen en willen kunt trainen.
Antroposofisch arts Jaap van de Weg is al jaren enthousiast over deze vorm van meditatie. “Het is een glasheldere manier van meekijken naar wat je denkt, doet en voelt. Ik ben er rustiger en daadkrachtiger van geworden.”

Dat Jaap van de Weg iedere dag zijn denken en handelen traint, blijkt meteen als ik hem bel voor onze telefonische afspraak. “Ik dacht dat je pas over een halfuurtje zou bellen, dus ik was nog even naar de bibliotheek gewandeld. Maar ik ben bijna thuis hoor. Kijk, dit is nou zo’n ‘verwarringsmoment’ waar je naar kunt kijken. Iedere dag maken we een aantal keren kleine of grotere situaties mee die ons overvallen of uit onze concentratie halen. Dan zijn we even niet actief met ons zelfbewuste ik, maar moeten we beslissen wat we gaan doen. Wat doe ik, nu blijkt dat je me eerder belt dan ik had gedacht? Later terugbellen of gewoon even doorpraten tot ik thuis ben? Door op dit soort momenten structureel terug te kijken, alsof het een film is die je terugdraait, verminder je de stress die ermee gepaard kan gaan. Zo, ik ben thuis. Waar gaan we het over hebben?”

Bewustzijn laten groeien

Laten we beginnen bij welke vormen Rudolf Steiner onderscheidde: de terugblikoefeningen en de Basisoefeningen.

Jaap van de Weg: ‘Terugblikken kun je doen aan het einde van de dag. In grote lijnen, door in omgekeerde volgorde na te gaan wat je hebt gedaan, gedacht en wie je hebt ontmoet. Je neemt je dag door, van de avond terug naar de ochtend. Of je staat stil bij een voor jou belangrijk moment, of zo’n ‘verwarringsmoment’. Wat gebeurde er? Wat deed je? En kun je de film van die situatie ook anders afmaken in je hoofd? Naast deze terugblikoefeningen kun je werken met de zes Basisoefeningen, ook wel Nebenübungen genoemd, die je kunt toepassen naast het mediteren. Het zijn allemaal manieren om vanaf grotere afstand te kijken naar jezelf – liefdevol en zonder oordeel. Je wordt jezelf bewuster van wat je denkt, doet en voelt. Als je zo leert mee te kijken naar jezelf, krijg je een groter besef van jouw zelfbewuste Ik en leer je jouw wilskracht te richten. Dat is een verschil met bijvoorbeeld mindfulness of boeddhistische meditatie. Die vormen scheppen vooral zielenrust, maar antroposofische meditatie reikt verder: omhoog, de kosmos in. Je ontwikkelt het geestelijke deel van jouw mens-zijn om zich te verbinden met het geestelijke van de kosmos. De Basisoefeningen zijn dus een praktische manier om te werken met karma: je vraagt je af waarom dingen gebeuren, binnen een kader dat groter is dan jij zelf bent. Jouw reflecties versterken dus niet alleen jouw ziel – je kunt de Basisoefeningen ook gaan doen met het doel bewustzijn te laten groeien binnen een gemeenschap: op school bijvoorbeeld, op je werk of binnen een vriendenkring. Je wordt er rustiger, tevredener en daadkrachtiger door. Maar je proeft ook meer kansen omdat je minder energie verliest aan emoties die je voorheen konden overweldigen. En zelfkennis vergaren is nu eenmaal enorm bevredigend – dat maakt deze vorm van mediteren zo vitaliserend.”

Volhouden

“Je zult het wel echt zelf moeten doen. Dat begint dus bij het echt willen en een helder voornemen maken van welke oefeningen je wilt doen, hoe lang en waarom. Maar je kunt wel afspreken met een vriend of vriendin om dezelfde oefeningen gedurende een periode te doen en dan uit te wisselen. Want volhouden is wel een dingetje: als het niet goed met ons gaat, zijn we tot veel bereid, maar als het ons wel goed gaat, versloffen dit soort voornemens snel. Vijf minuten mail checken is makkelijker dan elke dag vijf minuten vinden voor het doen van een Basisoefening. Maar als het je lukt, win je heel veel meer.”

Het doel van de 6 Basisoefeningen

• Denkoefening: leer helder denken.

• Wilsoefening: krijg controle over je handelen/wilsimpulsen.

• Gevoelsoefening: word je bewust van je gevoel. Beleef sterke gevoelens minder intens en geef subtiele gevoelens meer ruimte.

• Positiviteitsoefening: neem het positieve bewuster waar. In deze oefening combineer je denken en voelen.

• Onbevangenheidsoefening: sta open voor nieuwe ervaringen. In deze oefening combineer je voelen en willen.

• Innerlijke harmonie: beoefen de voorgaande oefeningen tegelijkertijd, om harmonie te scheppen tussen denken, voelen en willen.

Aan de slag

• Maak een helder voornemen: waarom ga je oefenen, hoe lang en wanneer?

• Een functioneel ritme is: iedere basisoefening een maand doen.

• Met wie kun je uitwisselen? Dan houd je je ritme langer vol.

Over de zgn. ‘Nebenübungen‘

Verder lezen

– Roel den Duik, Praktische oefeningen voor een innerlijke ontwikkeling, brochure #31 Centrum Sociale Gezondheidszorg. Te bestellen via gezichtspunten.nl

– Joop van Dam, Het zesvoudige pad, Christofoor 2007

– Jaap van de Weg, Achter de sluier: van oefening naar meditatie, Christofoor 2007

3036-2851

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertellen

.

Hester Anschütz, Antroposofisch Magazine, juni 2019, nummer 14
.

Een verhaal brengt je tot jezelf
.

Op de vrijeschool heeft elke klas zijn eigen verhalen
.

“Vertel, vertel…,” zeggen we tegen elkaar en we praten over hoe onze dag was. We kletsen heel wat af, maar bijna niemand vertelt nog een spannend verhaal uit het hoofd, met kop en staart en een spanningsboog, zoals in vroeger tijden. Behalve op de vrijeschool. Daar is het vertellen van verhalen zelfs een bewust pedagogisch middel dat wordt ingezet om de ontwikkeling van de kinderen te ondersteunen. Want een verhaal goed en vrij vertellen is ‘een feestje’, voor verteller én luisteraar en bovendien gezond!

“Een goede verteller brengt zijn luisteraar met zijn voorstellingsvermogen in de wereld van het verhaal. Hierdoor keert de luisteraar in zichzelf, wordt stil van binnen en komt in zijn lichaam aan,” vertelt Wim Wolbrink, die al meer dan twintig jaar als verhalenverteller door het leven gaat en sinds twaalf jaar cursussen ‘verhalen vertellen’ geeft op de Nationale Vertelschool. “In onze huidige, hectische wereld word je door alles wat om je heen gebeurt uit jezelf getrokken. Een goed verhaal doet het omgekeerde en brengt je dichter bij jezelf. Dat is een gezonde werking.”

Omdat je een verhaal via je voorstellingsvermogen in je opneemt, via je gevoel, je ziel en minder via het cognitieve denken, zijn verhalen heel geschikt om kinderen levendige beelden aan te reiken. Vooral tussen het zevende en veertiende jaar; de periode waarin een kind, volgens de antroposofische visie op de mens, zijn levenskrachten ontwikkelt. Dat is dát deel in jezelf waarmee je je leven en alles wat je voelt en ervaart, vorm geeft en structuur. Dit bereik je vooral via je gevoel en je ziel. En beelden zijn de taal van de ziel.

Heiligen waren niet altijd heilig

“Met voorlezen reik je ook beelden aan, maar een vrij verteld verhaal werkt nog sterker,” zegt Wim. “Iemand die voorleest, zit bovendien meestal. Zijn lijf is passief en hij moet wat hij leest, via zijn eigen denken nog vertalen in zijn eigen voorstellingsvermogen. Pas dan kan hij het verhaal enigszins tot leven brengen voor de luisteraar.”

Op de vrijeschool heeft elke klas zijn eigen verhalen, die aansluiten bij de ontwikkelingsfase en gevoelswereld van de kinderen in die klas. Zo horen de eersteklassers, die nog met één been in de dromerige fantasiewereld vertoeven, de sprookjes van Grimm.
“In een sprookje begint een boom of de zon ineens te praten. Dat is voor kinderen van rond de zeven jaar nog heel gewoon,” zegt Eveline Reedeker, die al bijna twintig jaar vrijeschoollerares is op Vrijeschool Vredehof in Rotterdam. “De tweedeklasser is al wat steviger in de wereld aanwezig, maar kinderen van acht jaar knallen er ook nog van alles zo maar uit. Ze hebben nog niet veel terughouding.” Dat past bij de dierenfabels, waarin dieren menselijke eigenschappen hebben, die sterk vergroot zijn en hen vaak in moeilijkheden brengen. Om de fabels niet in het karikaturale te laten vervallen, klinken als tegenwicht in deze klas de zogeheten heiligenlegenden: verhalen over Sint-Nicolaas, Sint-Maarten en Fransicus van Assisi. Eveline: “Die legenden appelleren aan de wens van een achtjarige om goed te doen, om goed voor elkaar te zijn, ook als dat niet altijd lukt. Tenslotte waren de heiligen ook niet meteen heilig, zij moesten bepaalde aardse zaken overwinnen. Dat kan een tweedeklasser nog niet, maar dat wil een tweedeklasser wel.”

Van groep naar individu

“De derde klas ervaart zichzelf vaak als een groep: Wij zijn met elkaar en de leerkracht is leidend.” Volgens Eveline heerst er sterk een tendens van ‘als je goed doet, dan ontmoet je ook goed’, wat terug te vinden is in de verhalen in deze klas, die van het Oude Testament. “Daar is één God leidend. Zolang je doet wat hij zegt, dan komt alles wel goed.”

In klas 4 volgt een crisis rond het negende levensjaar. “Dit is voor elk kind anders, maar elk kind ervaart dat hij een ‘ik’ is tegenover de wereld. Dit wordt in antroposofische termen een ‘ik-Inslag’ genoemd. Kinderen hebben dit voor het eerst rond het tweede levensjaar, als ze voor het eerst ‘ ik’ tegen zichzelf zeggen. Met negen jaar volgt dan het besef dat ze echt een ‘ ik’ zijn, los van de wereld om zich heen.” Kinderen kunnen op deze leeftijd ineens bang worden om te gaan slapen, of ze kunnen sterke gevoelens van eenzaamheid ervaren. “De verhalen van de Noorse ontstaansgeschiedenis van de wereld, de Edda, weerspiegelen dit gevoel. Nadat de wereld in deze verhalen is ontstaan, klinkt meteen dat alles weer zal vergaan. Behoorlijk heftig,” meent juf Eveline. Maar het is van eenzelfde heftigheid als wat de negenjarige ervaart, en daarom kan het hem helpen.

Echt gebeurd?

Na deze heftigheid volgt een rustiger jaar in klas 5. “Volgens de boekjes tenminste,” zegt Eveline grinnikend. “Tienjarigen zijn over het algemeen evenwichtig, tot in hun fysieke gestalte aan toe. De verhoudingen zijn mooi; de slungeligheid van de puberteit komt pas later.” Deze harmonie vind je terug in de vertelstof van de Griekse beschaving, waar dit schoonheidsideaal een belangrijke rol speelde. “In de vijfde hoor ik vaak: ‘Is het nou echt gebeurd, wat je daar vertelt?'” En dat zijn de verhalen in dit jaar ook steeds meer, met historische figuren, zoals Alexander de Grote.

Met de verhalen over de Romeinse koningen en keizers gaat het in klas 6 bijna alleen nog over echte mensen. “Leiders van het volk, die moeten worden gevolgd en dus heb je regels en wetten nodig.” De zesdeklasser ziet graag dat alles functioneel is. “Bij de Romeinen vinden we een heleboel functionele en handige dingen, die je nu nog steeds kunt bezoeken: aquaducten, badhuizen, delen van tempels. Allemaal zo degelijk gebouwd, dat het er nu nog staat!”

Stoffig en zweterig

In al haar verhalen probeert Eveline aansluiting te vinden bij de kinderen, met behulp van veel zintuigelijke beschrijvingen. “Een historisch waargebeurd verhaal vind ik lastiger om te vertellen dan een sprookje of legende. Bij een Romeins gevecht zie ik dat er zand is en het wordt stoffig, zweterig en bloederig. Maar het kost me meer tijd om zo’n beeld, dat in mijn beleving best snel gaat, op te roepen dan bijvoorbeeld een sprookje van vrouw Holle,” vertelt ze. “Ik bereid een verhaal altijd voor en lees het een paar keer, zodat ik het voor me kan zien. Pas dan kan ik het de kinderen vertellen, vanuit mijn eigen innerlijke beeld.”

Ook eens proberen?

Wim Wolbrink van de Nationale Vertelschool geeft tips:

• Heb lol!
• Zoek inspiratie, ga luisteren naar goede vertellers.
• Kinderen van zes tot acht jaar zijn het beste beginnerspubliek, probeer een verjaardagsfeestje bijvoorbeeld.
• Bereid je voor: lees een verhaal, leg het aan de kant en schrijf de personages op. Stel je een karakter voor met je ogen dicht. Hoe ziet het karakter eruit, met wat voor geluiden is dit karakter omgeven, hoe ruikt hij, hoe smaakt hij en hoe voelt hij aan? Doe dit ook met de locaties in het verhaal. Maak er een feestje van en verzin samen met twee of drie mensen hoe een reus smaakt! Maak vervolgens een tekening van het verhaal, met alle karakters en locaties en schrijf een samenvatting. Leg vervolgens alles weg en het verhaal komt, beginnend met ‘ Er was eens…’, zo uit je mond!

Tips voor gevorderden

• Durf tijdens het vertellen te spelen met stiltes Je zult merken hoe fijn dat is.
• Durf mensen tijdens het vertellen aan te kijken, maak oogcontact, Niet te strak, want dan worden mensen bang.
• Experimenteer, loop rond, ga op een tafel staan als er een reus in het verhaal voorkomt.

Bij deze laatste opmerking plaats ik, PHAW, een kanttekening:
Loop, de hele basisschooltijd door, NIET heen en weer of rond tijdens het vertellen. Een beetje acteren mag, maar ga in de 1e klas niet op tafel staan als de reus langskomt. Dat is te veel! (Bovendien is een tafel niet om op te staan (voorbeeld!) 

Nationale vertelschool.nl

Vertelstof: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: zie de diverse klassen: vertelstof

.

3035-2850

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Martin Tittmann – Grammatica op de vrijeschool –menskundige achtergronden

.

MARTIN TITTMAN – GRAMMATICA OP DE VRIJESCHOOL
.

DE MENSKUNDIGE EN PEDAGOGISCHE BASIS
.

Blz. 9

Van alle onderwijssystemen die zich ongeacht welke doelen dan ook stellen, die wat voor resultaat van hun activiteit dan ook voor ogen hebben, verschilt de pedagogie van Rudolf Steiner fundamenteel en ingrijpend. Die stelt zichzelf geen doelen, omdat het enige doel dat de moeite waard is om naar te streven, de volledige menselijke ontwikkeling is, die al kiemkrachtig in de mens zelf ligt en omdat elke generatie met zich meebrengt wat nodig is voor die fase van menselijke ontwikkeling. De enige taak van de opvoeder is om de meest gunstige voorwaarden te creëren voor volledige menselijke ontwikkeling en om de obstakels die in de weg staan ​​zoveel mogelijk te helpen overwinnen. Met het streven naar volledige menselijkheid worden alle individuele eisen het best bereikt. Deze pedagogie ontleent haar methoden en maatregelen niet aan enig vooropgesteld denkbeeld waarnaar het kind gevormd zou moeten worden, zoals dat van een betrouwbare burger of iemand die op een of andere manier religieus of levensbeschouwelijk bepaald is, maar kan zich alleen laten leiden door de ontwikkeling van het kind zelf.

” Hoe er opge­voed moet worden, kun je pas weten als je weet hoe de mens eigenlijk is..” Steiner, zie wegwijzer 164

Uit het inzicht in de ontwikkeling van het kind, dat R. Steiner in detail heeft laten zien door een nieuwe studie van de mens, kan deze pedagogie aangeven wat er opvoedend en onderwijzend in elke grotere of kleinere fase van het leven voor de ontplooiing van de zich ontwikkelende mens gedaan moet worden. Daarom is lesgeven op alle gebieden geen doel op zich, maar een opvoedingsmiddel. Inhoudelijk en uiterlijk is de leerstof daarom het antwoord op de latente vragen van de ziel van het kind op een bepaald moment in het leven, d.w.z. de bevrediging van zijn respectievelijke behoeften, als het ware de voeding van de ziel – deze diep verbonden met wat het lichamelijk welzijn en de geestelijke groei vraagt. Hoe dit moet worden begrepen en hoe het concreet wordt uitgewerkt, moet hier worden geschetst, althans in grote lijnen. Er moet echter uitdrukkelijk worden opgemerkt dat wat volgt slechts vanuit één gezichtspunt wordt gegeven – wat bijzonder belangrijk is voor ons onderwerp – en in vele richtingen aangevuld moet worden,

Blz. 10

nodig om tot een samenhangend beeld van de ontwikkeling van kinderen en jongeren te komen. Dat kan echter niet de taak van dit werk zijn, maar hier moet verwezen worden naar de fundamentele werken van Rudolf Steiner over de studie van de mens en over pedagogiek. Die zijn ook nodig voor een beter begrip van wat volgt.

De tijd waarin mensen kunnen worden opgevoed zijn de eerste drie zevenjaarsfasen. Fysiologisch wordt de eerste afgesloten door de tandenwisseling, de tweede door de puberteit1. Het einde van de derde wordt aan de meer intieme waarneming onthuld door de individuele levensgang, een feit waarvan de reden duidelijk zal worden uit de volgende beschrijving van de lichamelijke ontwikkeling.
Om het karakter van deze drie perioden van zeven jaar te begrijpen, is inzicht in de drieledige mens vereist. R. Steiner wees als eerste op het fundamentele belang ervan voor het begrijpen van de menselijke natuur2. Hij onderscheidt drie systemen, die elk de hele mens doordringen, maar anders gecentreerd zijn. Het centrum van het hoofd is het zogenaamde zenuw-zintuigsysteem, de drager van zintuiglijke activiteit, van voorstellen en denken. Zo loopt het zogenaamde ritmische systeem door het hele lichaam; dit heeft zijn centrum in het hart en de longen en is de drager van het gevoel. Het derde systeem is gecentreerd in het onderste deel van de  mens, het zogenaamde stofwisselings- en ledematensysteem; het is de drager van de wil.

Als de innerlijke waarneming van hoe deze drie systemen elkaar doordringen al een ongewone levendigheid en beweeglijkheid van de verbeelding vereist, dan zal de toewijzing van de drie zielsactiviteiten, denken, voelen en willen, op het eerste gezicht nogal vreemd lijken. De waarnemer van nu is gewend om in de hersenen het startpunt van voelen en willen te zoeken. Daarbij verwart hij echter de voorstellingen die deels een gevoel opwekken, deels aanduiden en begeleiden, of die de aanzet geven tot een wil en als het ware vooraf schaduwen werpen voor wat gewenst is, met de processen van voelen en willen zelf. De niet vooringenomen observatie van hun ervaring laat zien waar deze twee zielsbewegingen werkelijk plaatsvinden. Angst, vreugde, genegenheid, sympathie en antipathie verschijnen in de middenmens en worden getoond in het versnelde of stokkende ritme van bloed en ademhaling. Op dezelfde manier kan men het werkelijke werkveld van de wil bepalen wanneer men de overgang observeert van het zich voorstellen van wat verlangd wordt naar de daadwerkelijke uitvoering ervan. Zoals bekend is het idee om bijvoorbeeld uit bed te willen komen niet écht opstaan; de eigenlijke wilsdaad vindt→

1De eerdere geslachtsrijpheid en verhoogde groei die tegenwoordig onder beschaafde volkeren voorkomen, zijn naar alle waarschijnlijkheid een gevolg van de veranderde levensomstandigheden, zowel uiterlijk als innerlijk, die een toenemende intellectualisering van de omgeving van het kind en vooral die op school met zich meebrengen. Aangezien dit geenszins gepaard gaat met vervroegde gevoelsrijpheid, maar integendeel met een achterblijven in het proces naar mentale volwassenheid, is opvoeding in de zin van de pedagogiek van R. Steiner van toenemend belang. Het aanspreken van de verbeelding en de gevoelsvermogens compenseert de verhardende invloeden en houdt de kinderen flexibel en harmonieus. Zie het artikel van de arts Gisbert Husemann «Groei en opvoeding, een kwestie van hygiëne», in het tijdschrift «Erziehungskunst», deel 1948, nummer 3.[Niet op deze blog]

2Steiner ‘Von Seelenrätseln GA 21 [niet vertaald]
Steiner: ‘Algemene menskunde‘ GA 293, voordracht 2, vertaald 
Op deze blog besproken

Blz. 11

→geheel verborgen plaats in de ondermens. Daarom zal degene die zijn wil benadrukt ook met zijn voet stampen of met zijn vuist op tafel slaan. –
Tot zover slechts een aanwijzing zodat u het zelf kan navoelen en doordenken.

In termen van deze systemen ontwikkelt het kind zich fysiek van bovenaf, vanuit het hoofd. Dit is de belangrijkste trend in de eerste zeven jaar. In het tweede wordt vooral het ritmische systeem ontwikkeld, komen ademhaling en bloedritme in de juiste, blijvende verhouding (1:4); de ledematen zijn nog volledig onder controle van dit ritme, vandaar dat het kind van deze leeftijd schommelt, springt en huppelt. (Het wordt moe als het aan de hand van volwassenen moet ‘lopen’.) Pas in de derde zeven jaar zijn de ledematen volledig ontwikkeld en worden hun mechanische wetten geleidelijk begrepen: het ‘lopen’ van de volwassene begint en krijgt ten slotte zijn individuele, karakteristieke uitdrukking. De lichamelijke ontwikkeling vindt plaats van boven naar beneden, dat wil zeggen van het centrum van het zenuwstelsel, de pool van waarneming en denken, via het middelste, ritmische systeem, de zetel van het gevoel, naar de wilspool, het metabole ledematensysteem.

Vanuit het gezichtspunt van de drie zielsvermogens verloopt de zielen-geestelijke ontwikkeling in tegengestelde richting. De geestelijke ziel van het kind, die zich als een zelfstandige entiteit met het lichaam verenigt3, grijpt in eerste instantie in door de wil: in de eerste zeven jaar van het kind is dit vooral een wilswezen. De wil neemt bezit van het lichaam, dat als zodanig een volwaardig zintuig is, vanuit het hoofd. In de tweede zeven jaar leeft het voornamelijk in voelen, in de krachten van sympathie en antipathie, en pas in de derde zevenjaarsfase komt het tot een denkend opvatten van de wereld. Je kan dus ook zeggen: tot 7 jaar verovert het kind voornamelijk de controle over zijn lichaam door zijn wil, tot 14 jaar ontwikkelt het het gevoel van het zielenleven en van 14 tot 21 jaar verovert het het onafhankelijke mentale. – Zoals je kunt zien, ontmoeten tussen het 7e en 14e jaar de uiterlijke en innerlijke ontwikkeling elkaar in het midden: deze tijd is dus een periode van voelen die meer wordt gedragen door het ritme van ademhaling en bloed.

Dus wat vraagt dat van de opvoeding en ​​​​het in onderwijs? Als het kind in deze tijd vooral in zijn gevoel leeft, dan moet dit bij alles wat het gaat leren, worden aangesproken. Ik moet overal een beroep doen op de gevoelskrachten van het kind. Het is nog vreemd aan alles wat puur logisch is, aan alles wat conceptueel-intellectueel is, omdat het zijn denken als zodanig nog niet kan activeren. Als ik het er voortijdig uit wil lokken, kwijnt het gevoelsleven weg, wordt het gevoel niet ontwikkeld – en blijft bovendien 

3Zie hiervoor en voor het vraagstuk van de pre-existentie:
Steiner: Theosofie, GA 9, vertaald en ‘Wetenschap van de geheimen der ziel GA 13, vertaald

Blz. 12

→voortijdig “denken” afhankelijk, schematisch clichématig. Het blijft koud en levenloos omdat het niet warm wordt door het gevoel dat eraan vooraf gaat. Wat het kind van deze leeftijd moet leren, moet een kunstzinnige vorm hebben. Het begrijpt het abstracte begrip nog niet, maar heeft – als voorstadium van het begrip – het liefdevol vormgegeven beeld nodig dat tot zijn hart spreekt. “Het komt erop aan dat je precies gewaar wordt dat in de leeftijdsfase waar de tandenwisseling bij hoort, het kind een fantasieleven krijgt, geen verstandsleven, een fantasieleven. Dat moet je als leerkracht, als opvoeder kunnen ontwikkelen.”4.  De beelden van de externe objecten, gevormd in de eerste zeven jaar door de zintuigen, worden geen gedachten wanneer ze in de tweede zeven jaar meegaan naar het gevoel, maar worden fantasiebeelden. Dit kan net zo goed een sprookje zijn, een fabel, een legende, als een aanschouwelijke vertelling uit het leven of de geschiedenis, of een vrij metaforisch beeld van creatieve fantasie, als het maar “exact” is in de zin van Goethe5. Dit beeldelement, waarin al het opvoedings- en leermateriaal voor deze leeftijd moet worden ondergedompeld, tot aan het taalonderwijs aan toe, waarin iets wordt aangereikt, is de belangrijkste voorwaarde voor effectief onderwijs en – gezien vanuit het gezichtspunt van het kind – voor de voldoening van de ontwikkelingsbehoeften van het kind in deze tweede leeftijdsfase. Dit moet als een leidraad gelden ​​voor al ons werk. We zullen die ook moeten volgen als we zo’n abstract gebied als dat van de grammatica voor ons hebben.

Het gevoelskarakter van deze tweede fase laat ook zien dat het kind, dat zijn weg in het denken nog niet heeft gevonden, leiding nodig heeft en autoriteit zoekt. Net zoals het het beeld nodig heeft, zo ook het voorbeeld waarmee het zich met zijn hart verbindt. “Je kan niet vertrouwen op het intellectuele oordeel van het kind, maar je moet inzien hoe het kind wil accepteren wat hij ziet als waar, goed, mooi, omdat het een voorbeeld ziet in zijn opvoeder die dit voor waar, goed en mooi houdt.”  6
Tot nu toe hebben we alleen het karakter van de drie periodes van zeven jaar onderscheiden, dat wil zeggen, we hebben alleen een brede indeling vastgesteld. De tweede zevenjaarsfase, die ons hier moet interesseren, is niet eenzelfde soort kindertijd. Een zevenjarig kind leeft heel anders dan een tienjarige en weer anders dan een dertienjarige. Soortgelijke verschillen doen zich ook voor binnen de eerste zeven jaar en de derde. Is hier ook sprake van een wetmatige structuur? Rudolf Steiners studie van de mens geeft ons een verrassend antwoord, dat echter steeds duidelijker wordt naarmate je meer kijkt naar het ritmische karakter van alle levensvormen.

4Steiner: De kunst van het opvoeden vanuit het besef: wat is de mens, GA 311 blz. 30, op deze blog vertaald 

5Tittmann halt een gedichtje aan van Nikolaus Lenau waarin deze zegt dat bedachte beelden maar koud en leeg zijn
6Steiner: Opvoed- en onderwijsmethoden vanuit de antroposofie GA 304
Op deze blog vertaald

Blz. 13

Net zoals in het menselijk lichaam de indeling van het geheel weerspiegeld wordt in de delen – het hoofd heeft bijvoorbeeld een zenuw-zintuiglijke gebied aan de bovenkant, een ritmisch gebied in het midden en een ledemaat-stofwisselingsgebied (onderkaak-mond) onderaan, zo weerspiegelt ook elke zevenjaarsfase in de onderverdeling de betreffende fasen. De eerste zeven jaar bijvoorbeeld, die over het algemeen een wilskarakter hebben, zijn verdeeld in drie kleinere fasen (elk 2½ jaar), waarvan het eerste wilskarakter vertoont, het tweede gevoelskarakter en het derde denkkarakter. De incisies liggen in het 3e en 5e jaar. Dat vóór het derde jaar de wil ook relatief overheerst, is voor iedereen duidelijk die waarneemt hoe sterk het kind dynamisch bepaald is in al zijn levensuitingen. Tussen het 3e en 5e jaar ligt de periode die Jean Paul de vragende leeftijd van het kind noemt; het leeft daar in het spreken, gedragen door het ritmische systeem. De laatste jaren voor de tandenwisseling – volgens Jean Paul de “metafysische leeftijd” – maken het kind namelijk tot een kleine denker die al gauw met de laatste en diepste problemen bezig is7.

7In het werk van Caroline von Heydebrand

De tweede periode van zeven jaar vertoont dezelfde structuur. In het eerste derde jaar, tot aan de overgang van het 9e naar het 10e jaar, is het kind weer gewillig toegewijd aan de wereld en de mensen. Het ervaart zichzelf nog volledig in verbinding met de wereld en is vol vertrouwen en toewijding, onvoorwaardelijk en kritiekloos. Het verschil met de eerste zeven jaar ligt alleen in het basiselement van het gevoelsleven, waarin alles zich afspeelt. Dit komt nu tot zijn recht tussen de leeftijd van 9 en 12 jaar. Pas nu scheidt het kind zich af van zijn omgeving en begint het emotioneel te beoordelen. Op 12-jarige leeftijd wordt het echter bedachtzamer, het vraagt ​​naar oorzaken en redenen, maar nog steeds met de warme basiskleur, nog niet puur logisch-abstract.

Voor de derde periode van zeven jaar zou een soortgelijke driedeling kunnen worden aangetoond. Hier moet alleen de tijd van de eerste drie levensjaren van het kind worden aangegeven, die het prototype van deze ontwikkelingsgang vertegenwoordigt. In het eerste jaar verovert het door enorme en onvermoeibare inspanning van de wil de rechtopstaande houding, zitten, staan, lopen; in het tweede leert het met behulp van ademhaling en bloedritme puur gevoelsmatig door zijn omgeving het spreken, in het derde ontwikkelt het een eerste denken met behulp van taal, dat zich ontwikkelt tot het punt waarop het ‘ik’ plotseling wordt ervaren. Op deze manier worden alle drie de zielengebieden keer op keer doorlopen in grotere en kleinere rondes. Als je de kleinste verdeling buiten beschouwing laat, kan je ook zeggen: een bovenstroom verloopt in drie grote golven, de drie zevenjaarsfasen, met de opeenvolging van willen, voelen en denken, in de onderstroom

Blz. 14

In elke periode van zeven jaar lopen drie golven van 2½ jaar in dezelfde volgorde. De grootste ontwikkeling van de wil vindt plaats in het eerste derde deel van de eerste zeven jaar, de sterkste toename van het voelen in het midden van de tweede zeven jaar (9e-12e jaar) en de hoogste intensivering van het denken tussen het 19e en 21e jaar, natuurlijk allemaal relatief genomen voor deze periode van kindertijd en adolescentie. – Benadrukt moet ook worden dat deze hele ontwikkeling soms bedekt of versluierd is en ook enigszins gewijzigd door andere invloeden die hier niet besproken hoeven te worden. Geestelijke uitingen verschillen later naar geslacht, althans in hun oppervlakkige vorm. De 17-jarige jongen verbergt bijvoorbeeld zijn gevoelens, terwijl het meisje van dezelfde leeftijd ze op de vertrouwde manier benadrukt en blootlegt.

Om het juiste tijdstip voor het aanleren van de taaltheorie te herkennen, moeten we ook de aard van deze ‘stof’ begrijpen. Taal als zodanig is van groot belang in Rudolf Steiners studie van de mens: met een rechtopstaande houding aan de ene kant en denkvermogen aan de andere kant, vormt het de basispijlers van de mensen. In de hierboven beschreven eerste drie levensjaren zet het kind de drie stappen naar zijn eigen bestemming. Het verwerft taal door imitatie van zijn omgeving en maakt zich die gevoelsmatig in zoverre eigen, als het ware dromend in de eerste zeven jaar, dat aan het einde van deze tijd (als ze naar school gaan) ze die in wezen begrijpen en al op een elementaire manier kunnen gebruiken met een zekere instinctieve zekerheid (meestal in een min of meer dialectische tint). Wat de moedertaal ook is, de taal zelf heeft verschillende aspecten. Er is – als basis – het fonetische niveau, de vorming van de klanken, hun gebruik in het woord, er zijn accent, ritme, toonhoogte, spraakmelodie, artistieke vorm enzovoort en tot slot de grammatica in engere zin, waarin een mentaal element werkzaam wordt, de logica van de taal, om zo te zeggen, die het voor het kind mogelijk maakt om het eerste begin van het denken te verwerven. Wanneer kan deze kant van de taal aan het kind van de basisschool worden gebracht? Of is het misschien nog niet toe aan zo’n afstandelijk onderwerp? Sommige moderne opvoeders hebben deze mening gehuldigd, en herinneringen aan hun eigen ‘ervaringen’ in grammaticalessen lijken dit te bevestigen. In ieder geval zegt Klaudius Bojunga over de kinderen in de basisschool dat “ze op enkele uitzonderingen na nog geen sympathie, laat staan ​​vreugde, kunnen beleven aan dit materiaal”9. Wat kan de observatie van de aard van het kind op deze leeftijd ons hierover vertellen? 

9 In W.Hofstätter ‘Der neue Deutschunterricht

Blz. 15

Tot 9 jaar is het kind nog volledig verbonden met zijn omgeving. Omdat het willen, dat diep in de duisternis heerst, in deze tijd domineert, ontwikkelt het kind nog geen zelfbewustzijn en onderscheidt het zich nog niet van de wereld. Het kan zich daartegen nog niet beschouwend opstellen. Daarom worden bijvoorbeeld verhalen over de natuur hem zo verteld dat alle wezens sprekend en handelend lijken, zoals dat ook het geval is in sprookjes en fabels. Pas met de nieuwe ik-impuls rond het 9e jaar10, wordt het kind wakkerder, distantieert zich van de omgeving, komt er tegenover te staan. Alleen als op zich staand wezen kan het andere op zich staande wezens begrijpen. Vanaf nu kan het leren natuurlijke en culturele fenomenen te observeren, aanvankelijk nog verbonden met menselijke activiteit (het bewerken van de velden, brood bakken, een huis bouwen in de 3e klas “heemkunde” les), daarna in dierkunde (4e klas) en plantkunde (5e leerjaar) 11. Dit keerpunt rond het 9e jaar is nu ook het moment waarop het de confrontatie aan kan gaan met taal. Tot dan toe had het instinctief gesproken en werd het op school aangemoedigd om de taal naar believen te oefenen om alle klanken, vooral de medeklinkers, op een zuivere en plastische manier te leren vormen12. Pas nu kan het zijn aandacht richten op wat tot nu toe onbewust en onopgemerkt is gebleven, de innerlijke structuur van de taal. R. Steiner verwijst in alle pedagogische voordrachten naar dit tijdstip13. In de voordrachtenreeks “Opvoeding en moderne cultuur“, gehouden in Ilkley (augustus 1923) GA 307, vertaald, spreekt hij nadrukkelijk over de kwestie van de noodzaak van het onderwijzen van grammatica en het tijdstip waarop het begint (voordracht 11). Op basis van de lessen in niet-Nederlandse talen zegt hij:

‘En zo is het principe ontstaan, überhaupt niet meer iets grammaticaals te onderwijzen. Dat is opnieuw onzinnig. Want dat zou op een speciaal gebied weer niets minder betekenen dan: je moet de mens alleen maar bij bewustzijn laten, niet tot zelfbewustzijn laten komen. De mens komt nu eenmaal tussen het negende en tiende jaar van bewustzijn tot zelfbewustzijn. Hij onderscheidt zich van de wereld. Dat is immers ook het tijdstip waar je – weliswaar op voorzichtige wijze – kunt overgaan tot grammaticale, tot syntactische regels. Want daar komt de mens ertoe niet alleen over de wereld te denken, maar enigszins over zichzelf na te denken. Het nadenken over zichzelf, dat betekent bij de taal: niet alleen instinctief te spreken, maar de taal in een verstandelijke soort regels te kunnen brengen. Dus wederom: het is waanzin om bij talen helemaal zonder grammatica te onderwijzen. Je geeft de mens niet die innerlijke stevigheid die hij nodig heeft voor het leven als je van alle regels afziet. Waarmee daarbij echter vooral rekening moet worden gehouden, dat is dat juist in dat levenselement tussen het negende en tiende jaar de mens ertoe komt, uit het zuivere bewustzijn naar het zelfbewustzijn te willen, dat daarom alle grammaticale onderwijs vóór die tijd waanzin is. (  ) Ook voor de moedertaal moet dat zo zijn. Je bederft het zielenleven van het kind volledig als je grammaticale of syntactische regels vóór dit belangrijke moment in het leven bij het kind naar binnen propt.’

11 Tittmann verwijst naar werk van Grohmann: volg de links dier- en plantkunde
12 Steiner: Methode en aard van de spraakvorming GA 280 niet vertaald]
Tittmann: Hoe werkt de leerkracht van de basisschool door het element van de taal’, Erziehungskunst 13e jrg. 1949 nr 1 [niet op deze blog]

13 Uitvoeriger in ‘Gezond makend onderwijs‘ GA 303, Vertaald
en ‘De kunst van het opvoeden vanuit het besef: wat is de mens‘ GA 311, op deze blog vertaald

Blz. 16      

In deze verklaringen van Steiner is al gewezen op het belang van het behandelen van de taaltheorie voor de ontwikkeling van kinderen: het geeft de mens ‘innerlijke stevigheid’ door de overgang van bewustzijn naar zelfbewustzijn te bevorderen. In de “Algemene menskunde” wordt het grammaticale element aangeduid als het psychisch botstelsel, het psychisch hoofd15. In de voordrachten ‘methodisch-didactisch’16 staat: “Pas in de tweede fase, van het negende tot ongeveer het twaalfde jaar, gaan we het zelfbewustzijn meer ontwikkelen. En dat doen we met de grammatica. Dan is de mens al in staat om door de verandering die hij heeft doorgemaakt en die ik u geschetst heb, in zijn zelfbewustzijn op te nemen wat de grammatica hem in dat opzicht te bieden heeft. We behandelen vooral de woordsoorten.» (Dezelfde informatie wordt ook gegeven in de tabel bij voordracht 10.)

Zoals we zullen zien, is het uitgangspunt voor de  woordsoorten zeker de levende taal, dat wil zeggen vanuit de zin waaruit het individuele woord analytisch wordt afgeleid. Met de eigenlijke zinsleer (syntaxis) kan pas later worden begonnen. Om ze te begrijpen is het vermogen om logische onderscheidingen en structuur aan te brengen noodzakelijk, waarvoor het kind pas op 12-jarige leeftijd wakker wordt. Pas dan begint bijvoorbeeld het gevoel van causaliteit zich te ontwikkelen, en de vorming van het intellectuele oordeel in het algemeen17. We vonden dat rond deze leeftijd de periode van de tweede zevenjaarsfase begint, die wordt beïnvloed door het denken. In de voordrachten “GA 294” wordt het de derde fase genoemd: “Dan komen we bij de derde fase, die begint na de eigenlijke basisschoolperiode en loopt tot het veertiende, vijftiende jaar. Dan gaan we ook de zinsleer behandelen. Daarvoor worden de leerlingen eigenlijk pas tegen het twaalfde jaar rijp. Voor die tijd laten we de kinderen instinctief zinnen vormen” (voordracht 10.) Ook bij de syntaxis is het weer nodig om hoe je het aanbiedt, te verlevendigen met het beeldende element. Op een lerarenvergadering (3 juli 1923) zei Steiner over de theorie van zinnen, waaruit dan ook de interpunctieregels kunnen worden begrepen: “Het moet op een bijzonder stimulerende manier gebeuren, het mag niet saai zijn. Alleen maar grammatica verveelt de kinderen] het meest.  

Samenvattend:

Taalonderwijs kan pas plaatsvinden vanaf 9/10 jaar (niet vóór de 3e klas).

Het is vanaf dat moment wel nodig, omdat het het zelfvertrouwen van het kind ontwikkelt

15Algemene menskunde GA 293  voordracht 14, vertaald 
Op deze blog besproken
16Opvoedkunst GA 294. Vertaald17De praktijk van de pedagogie bezien vanuit geesteswetenschappelijke menskunde GA 306, op deze blog vertaald

Blz. 17

3.Tussen het 9e en 12e jaar worden de woordsoorten aangeleerd; pas na het 12e jaar de theorie van de zinnen.

4.Het geven van de taaltheorie moet altijd de gevoelens van het kind aanspreken en moet daarom door en door beeldend zijn. “Voor deze tijd is het van bijzonder belang dat we alles in een beeld transformeren, hetzij in een muzikaal beeld, hetzij in een sculpturaal beeld”18.

Hieruit volgt hoe de leraar zijn onderwijs moet vorm moet geven. Wat in het taalonderwijs naar voren komt, kan hij niet in de abstracte vorm op kinderen overbrengen die ze in zijn volwassen bewustzijn hebben aangenomen, en zeker niet in de dode schema’s van leerboeken; hij moet ze eerst volledig omvormen om ze in de vorm van beelden aan de fantasie van het kind over te dragen en ze zo in hun gevoelsleven te verankeren. Dit vereist echter nog meer voorbereidend werk. De leraar moet eerst een levende relatie tot stand brengen met de grammaticale verschijnselen, dat wil zeggen, hij moet elk afzonderlijk fenomeen zoeken waar het geworteld is in de mens. De taal groeide in bepaalde prehistorische tijden19 uit de zich ontwikkelende mens onder leiding van spirituele krachten en weerspiegelt haar vandaag de dag nog steeds, ondanks alle metamorfosen en verarming die zich in de tussentijd hebben voorgedaan. Het is van het grootste belang dat de leraar beseft hoeveel wijsheid er in de structuur van de taal leeft, dat hij zich inleeft in de structuur van de taal en zo leert van het “taalkundig genie”, de taalgenius. Alleen wanneer de leraar kan ervaren wat er ten grondslag ligt aan een grammaticaal verschijnsel, kan hij er een waar beeld voor vinden, niet slechts “een vergelijking, koud en hol” (Lenau). Het gaat er immers niet om de kinderen dingen “duidelijk” te maken door middel van een paar lukraak verzonnen vergelijkingen, zoals een zin door een spoortrein, waar de locomotief het onderwerp verbeeldt, enzovoort (een grotesk voorbeeld, maar niet verzonnen), maar om wat je als wezenlijk begrepen hebt, door fantasiekracht levendig, vol leven na te vormen. Over de eisen die het omwerken van de stof op deze manier van de leerkracht vraagt, zegt Steiner: ‘Er is natuurlijk een sterke betrokkenheid op het onderwijs noodzakelijk, wanneer je de dingen die je moet geven, daadwerkelijk altijd moet geven met het oog op dat het beeldend is.‘ En met een directe relatie tot de taallessen: “Vaak ontwerpen we de taallessen ook beeldend genoeg. Maar we moeten er duidelijk over zijn, als we beeldend ontwerpen, hoort daar een zekere onbaatzuchtigheid bij. Het is veel gemakkelijker om slim te denken, veel→

18Opvoedingsproblemen in de puberteit GA 302A , niet vertaald.
Steiner bedoelt met ‘het muzikale’ in ruimere zin, niet alleen wat in het oor zich uit als de eigenlijke muziek, maar ook alles van de taal/spraak; onder (‘beeldend’)-plastisch daarentegen alles wat zich aan het uiterlijke en het innerlijke oog vertoont.
Meer nog daarover in GA 283; en GA 243

19 Tittmann vermeldt dat Steiner daar veel over heeft gezegd, maar verwijt naar een artikel in het Goeteanum, 35e jaargang nr. 11 en 12.

Blz. 18

→ egoïstischer is het om slim te denken dan om beelden te creëren, en we zijn onbaatzuchtig tegenover het kind als we beelden in de klas creëren.»20

De leraar moet dus eerst ontsluiten wat er in een grammaticaal proces leeft, hij moet zich “verbinden met de taalgenius” en dan afstand doen van zijn kennis in deze vorm om het weer in een nieuwe beeldvorm voor de kinderen te laten verschijnen. – Natuurlijk kan het in dit werk slechts een eerste poging zijn om je weg in die richting te vinden. En wat hier wordt vermeld, moet alleen worden opgevat als een suggestie, niet als een leerboek, niet als een verzameling recepten. Elke leraar moet voor zichzelf de weg vrijmaken in vrije creatieve activiteit om tot zijn eigen vorm te komen. Hoe dan ook, sommige veranderingen in gewoonten zijn het gevolg van de behandeling van het taalonderwijs op deze manier. Je kunt geen gedrukt leerboek gebruiken voor de kinderen. Vroeger stond het symbool voor het feit dat er een streng systeem van wetten en namen was opgesteld over de levende taal, waar men zich als kind niet mee kon identificeren. Goethe karakteriseert dit in Dichtung und Wahrheit met de laconieke, maar veelzeggende zin: “Ik had een hekel aan grammatica omdat ik het als een willekeurige wet beschouwde.” Steeds weer vinden we zulke herinneringen in de biografieën van belangrijke mannen, vooral dichters die bijzonder met taal verbonden zijn21.
Steiner verwoordde het op een ouderavond van het eerste schooljaar (1920) van de vrijeschooll22: “Hier zien we heel duidelijk hoe er voor het kind geen levend mens staat, maar een dik boek, dat voor ons allemaal wel wat betekende in ons levenslot, het heet ‘grammatica” 

De taaltheorie moet in levendige gesprekken23 zo bij het kind gebracht worden dat het kind ervaart dat het al in het bezit is van alles waarover gesproken wordt24, het wordt er alleen bewust van gemaakt; het wordt duidelijker voor hem hoe het verbonden is met zijn eigen wezen en de wereld. Van de grote schat die het nietsvermoedend vergaarde in de vroege kinderjaren, kan het zelf alles bijdragen wat nodig is, en van jaar tot jaar komt er steeds meer orde in en wordt het een helder, overzichtelijk geheel.

De positie van de leraar is dezelfde als in alle andere onderwijsgebieden: hij is degene die helpt en geeft. Want we hebben gezien dat het kind in de tweede zevenjaarsfase nog niet zelfstandig zou moeten denken en oordelen, want het wil nog ontvangen van een autoriteit die het liefheeft en die het de ‘wereld’ meedeelt.
Van de uitgewerkte grammatica kan de leerkracht samenvattingen en afsluitende notities laten opschrijven, dat dan

20Opvoedingsproblemen in de puberteit GA 302A , niet vertaald.

21 Tittmann verwijst naar Fritz A. Kaufmann ‘Leonhard, Chronik einer Kindheit, Suttgart 1956, blz. 309

22 Beste ouders, lieve kinderen GA 298, deze passage vertaald op deze blog.

Blz. 19

voor de kinderen ook als een “beeld” dient en kan worden gecombineerd met een getekende beeldweergave. Daar worden ook de regels opgeschreven die moeten worden onthouden; maar niet de voorbeelden25. Wie heeft gezien hoe kinderen dwangmatig gebonden zijn aan voorbeelden door voorbeelden te onthouden, begrijpt dat Steiner veel belang hechtte aan het laatste: wat al tot de status van algemeen geldig was verheven, wordt in de regel weer gespecialiseerd.

Laten we nu het geheel van deze taalles overzien om de stijl en de doelen ervan duidelijk voor ons te zien. De kinderen moeten dus worden gewekt tot een besef van alle grammaticale verschijnselen, dat op gevoel is gebaseerd. Ze moeten niet louter kennis verwerven van bepaalde categorieën waarin alles moet worden ingedeeld en van hun benamingen, niet een zuiver intellectuele differentiatie van de elementen en de structuur van taal, maar ze moeten emotioneel ervaren wat anders is dan de mens en zijn relaties naar de wereld weerspiegeld in de processen van taal. Het moet niet uitmonden in definities en terminologie, maar er moet worden gestreefd naar een vertrouwd zijn met wat grammaticaal in de taal voorkomt, vanuit de beleving. Wat de terminologie betreft, verzette Steiner zich in de beginjaren van de vrijeschool herhaaldelijk tegen een onjuiste en verderfelijke methode die hij aantrof in sommige lessen die hij volgde. Hij had drie dingen om over te klagen: de leraren smeten met Latijnse uitdrukkingen, de kinderen begrepen niet waar het over ging en ze konden er niet echt in geïnteresseerd zijn.

Hij wees op de verstrekkende gevolgen die zo’n manier van lesgeven heeft op de gezondheid van latere jaren: “Je kunt bijvoorbeeld zondigen tegen de hele gezondheidstoestand van het kind als je het een uur bezighoudt met wat gewoonlijk grammatica wordt genoemd. Je hoeft de kinderen alleen maar bezig te houden met het onderscheid van alles wat subject, object, attribuut, indicatief, conjunctief enzovoort wordt genoemd, met al die dingen die hen maar half interesseren, en dan breng je het kind in een toestand waarin hij dan het verschil moet weten wanneer iets indicatief of conjunctief is, dat het zijn hele ontbijt in zijn organisme laat koken, niet beïnvloed door de ziel, en dan cultiveer je voor een tijd die misschien 15-20 jaar later ligt, echte maagklachten bij het kind. Darmziekten enzovoort. Darmziekten komen heel vaak voort uit grammaticalessen. Dat is buitengewoon belangrijk.’26 Steiner verbaast zich erover dat de kinderen nog gedisciplineerd zijn; het is alleen uit liefde voor de leraar. (“Ik zou

26In ‘Vergaderingen met de leraren, GA 300B, niet vertaald.

Blz. 20

ophef maken omdat ik niet zou weten waarom mensen me die dingen door de strot duwen») Met zeer drastische bewoordingen verwerpt hij wat de toenmalige schoolgrammatica’s voor niet-Nederlandse talen brachten27. “Er moet iets levends in zitten. En dan, nietwaar, de leerlingen snappen niet wat een voltooide tijd is, wat een tegenwoordige tijd is, terwijl ze die zin wel moeten snappen. Het genie van de taal moet in de leraar wonen. Dit is precies hetzelfde in de Duitse taal.  De studenten worden ook zo vreselijk gemarteld met deze onverwerkte terminologie… als men de wiskundige terminologie zou gebruiken op dezelfde manier als de grammaticale terminologie wordt gebruikt, dan zou je beseffen hoe afschuwelijk dat is.»28

 Als je wilt vermijden ‘altijd met kinderen te praten over dingen die ze niet begrijpen’, moet je hun

1. een levendig beeld geven van de zaak,

2. een naam die dit beeld doet ontwaken of op zijn minst suggereert – i.e. een Nederlandse uitdrukking29,

3. je moet je wat er geleerd is op een prikkelende, afwisselende en humoristische manier oefenen.

Er mogen ook geen belerende vragen zijn, maar de kinderen moeten worden aangemoedigd om zelfstandig te zijn. Wat Steiner zegt over het niet-Nederlandse talenonderwijs geldt ook voor het onderwijzen van de moedertaal: ‘De activiteit die een kind inzet om zelf voorbeelden te verzinnen, heeft een enorme pedagogische waarde. En u zult zien: u kunt de grootste bengels in de klas hebben, die nooit opletten, maar als u de kinderen zover krijgt – en dat lukt u best als u zelf maar levendig betrokken bent bij de les – dat ze zelf voorbeelden verzinnen bij de zinsleer, dan krijgen ze plezier in die voorbeelden, vooral in het zelf verzinnen daarvan.
(    ) Het gaat erom dat u niet, zoals het in de meeste grammatica’s gebeurt, de dingen alleen maar aan elkaar rijgt, maar dat u ze in levend onderwijs ontwikkelt.

Men had namelijk helemaal niet zoveel aandacht aan de banken en de tafels hoeven te besteden als men op de juiste manier les had gegeven. Dat men zoveel aandacht heeft moeten besteden aan de vorm van banken en tafels, bewijst alleen maar dat er niet op een verstandige manier onderwezen is. Want als de kinderen werkelijk betrokken zijn bij het onderwijs, dan komt er zoveel levendigheid in de klas dat de kinderen, als ze zitten, nooit helemáál zitten. En laat de leraar daar blij mee zijn, dat ze niet helemaal zitten. Alleen als hij zelf gemakzuchtig is wil hij een klas die altijd op zijn plaats blijft – en die na afloop geradbraakt naar huis gaat. ‘30 –
Als je later, misschien maanden later, op een bepaald grammaticaal fenomeen terugkomt, moet je – ook al is het maar met korte, maar pregnante aanwijzingen – de betekenis van de term in kwestie, nieuw leven in blazen. Want ook al bieden de Nederlandse aanduidingen meer aanwijzingen voor begrip dan de niet-Nederlandse woorden, ze kunnen toch in een soort verstarde formule vastlopen. In deze toestand zijn ze echter niet meer in staat een gevoelsbewustzijn van de taal over te brengen.

Tot slot willen we er nog eens op wijzen wat er in de vrijeschool- →

27In een vergadering met de leerkrachten van 15-01-1923, die echter niet in de GA is opgenomen. Steiner wees hier op grammatica’s die toen 30 à 40 jr oud waren, als ‘wezenlijk beter dan nu wat de indeling betreft en over het geheel van wat je leren moet’. Waarschijnlijk waren deze uit het begin van de jaren 1880, en kende hij deze wellicht door zijn hulp aan een kind in het gezin Specht, zie bijv. Mijn levensgang GA 28 , vertaald  

28In ‘Vergaderingen met de leraren, GA 300B, niet vertaald.

29De Duitse grammatica heeft [dat geldt ook voor het Nederlands] een aantal termen die je kan gebruiken, andere zijn te abstract of raken het wezenlijke niet; die moet je dan door andere vervangen. Pas vanaf de 6e klas kan je ook de Latijnse namen ernaast geven. 
Over de vraag van de terminologie staat van Tittmann een artikel in ‘Erziehungskunst, jrg. 22 nr. 12. Niet op deze blog.

30In ‘Opvoedkunst‘ GA 294, vertaald. [vdr.9]
(Het gaat hier weliswaar over “niet-Nederlandse talen”, maar volgens Tittmann is dat ook van toepassing op de moedertaal.  

Blz. 21

→ pedagogiek de basishouding ten opzichte van grammatica is. Onbekende lesstof mag niet van buitenaf in het geheugen van het kind worden geprent, maar de kinderen moeten bewust de wijsheid ervaren die verborgen ligt in wat al hun eigen, maar niet herkende bezit is. Deze overtuiging moet eerst in de leraar zelf leven: “We moeten ons er vooral van bewust zijn, dat het vernuft, het verstand niet alleen iets is, wat wij vormen, maar dat het iets is wat in het wezen zelf werkzaam is, wat in ons langer werkzaam is, alvorens het uit het bewustzijn op te halen.
Wat wij het kind aan grammatica bijbrengen, is in het kind allang actief, voor wij het bewust maken. We moeten het daarom niet met de bedoeling ophalen dat het kind daaraan zijn spreken of zijn schrijven richting leert geven, maar dat we het naar boven halen onder het gezichtspunt dat het kind wakkerder wordt, dat het zich bewust wordt wat onbewust in hem werkt. Of we de ene of de andere bedoeling hebben in het onderwijs en de opvoeding, daar komt ongelooflijk veel op aan.»31

In dit verband vestigt Steiner de aandacht op het feit dat “in het dialect daadwerkelijk meer innerlijke logica dan in de gevormde omgangstaal “32. Het dialect, legde hij uit, komt nog steeds voort uit het innerlijke gevoel van de mens. «zo’n innerlijk beleven dat toch de hele mens wat dat betreft dieper met die taal verbindt. .» Zo komt het dat “kinderen die dialect spreken een veel intiemere relatie hebben met taal dan kinderen die geen dialect spreken… dat dialect als zodanig, waarin woorden en zinnen worden gevormd, veel intensiever wordt gevoeld en gewild dan de zogenaamde geschreven taal genoemd, die meer berust op verbeelding, of op een gevoel dat voornamelijk door verbeelding wordt bezet… Het gevoelsleven zit minder in de geschreven taal, wanneer het kind die vanaf het begin spreekt, dan in het dialect. En ook de wilsimpulsen.” – Rud. Steiner raadt daarom aan om “elke gelegenheid die zich voordoet om uit het dialect te werken” te benutten, wat betekent dat we “onze grammaticale lessen altijd moeten koppelen aan wat de dialectsprekende kinderen ons geven“. –

Hij adviseert om de gesproken uitingen naast elkaar te leggen in het levendige samenspel tussen kinderen die de ontwikkelde omgangstaal spreken en kinderen die dialect spreken, door ‘niet abstract, maar gevoelsmatig één zin, de dialectzin, in de ander”. Hij gaat verder met dit motief als hij zegt dat men in zo’n vertaling ‘ in de directe beleving, in het levendige wisselspel met de kinderen hoe iets eigens van de taal wegvalt in de zogenaamde gevormde omgangstaal, in de schrijftaal. Alleen dan kunnen we echt verder gaan naar wat de geschreven taal ons ook eigen kan maken→

31 De vernieuwing van de pedagogisch-didactische kunst door geesteswetenschap  GA 301, op deze blog vertaald  [tussen  ʢ1    1ʡ ]

32 De vernieuwing van de pedagogisch-didactische kunst door geesteswetenschap   GA 301, op deze blog vertaald  [tussen  ʢ1    1ʡ ]

Blz. 22

→ Dan pas kunnen we goed overgaan naar wat de schrijftaal ons innerlijk laat eigen maken, een bepaalde ontwikkeling, een ontplooiing van het denken.’ 

Bij geschreven taal gaat het om de ontwikkeling van de onderliggende gedachte, het dialect laat zien dat de mens heeft leren denken door taal, observatie van taal heeft denken voortgebracht. “Spirituele dingen werken in taal.” Maar niet spiritueel in zijn abstracte vorm, zoals tegenwoordig wordt aangenomen33.

Al deze uitspraken over het gebruik van het dialect zijn alleen in de ene voordrachtenreeks terug te vinden; die werd gehouden in Zwitserland, waar het dialect, Schwyzerdütsch, een speciale rol speelt. Daar dient het dialect vaak als voertaal in de eerste klassen. In Nederland zou het waarschijnlijk alleen in een paar plattelandsgebieden mogelijk zijn om grammatica op dialect te baseren, op voorwaarde dat de leraar er zelf woont. Wat in de steden wordt gesproken, is noch een uniform, noch een zuiver dialect. Natuurlijk kan je ook daar wat putten uit het dialect, maar dat is niet genoeg. Hier moet als hulp erbij komen wat de geschreven taal meer leven in blaast, het kunstzinnige element. «Het dialect is ook het artistieke aspect in vergelijking met de geschreven taal; de geschreven taal is des te intellectueler, des te conventioneler. Als er geen dialect als basis is, moet de grammatica vooral kunstzinnig worden opgezet, appellerend aan stijlgevoel.’34
Zo wordt dit in dezelfde voordracht uitgelegd en toegepast op het onderscheid tussen verschillende zinnen. Je moet, zo staat daar, tot in het negende jaar stijlgevoel voor de taal ontwikkelen, daar kunstzinnig naar toe werken met behulp van het autoriteitsgevoel, bijvoorbeeld «als we het kind bewust maken van het verschil tussen een assertieve zin, een vragende zin, een gevoelszin … zoals de bevestigende zin neutraal, onverschillig wordt uitgesproken, de gevoelszin … met een bepaalde gevoelsnuance .. ,»35
Het gaat daar dus om het spreken (vóór het negende jaar kan er nog helemaal geen sprake zijn van grammatica), het kind moet bewust worden gemaakt van hoe deze verschillende zinnen klinken, zonder enige terminologie, puur in het horen en  zelf spreken: zo klinkt het als we vragen stellen, zo, als we blij zijn, zo, als we gewoon iets vertellen. Er wordt een bepaalde muzikale vorm bedoeld, waar de leraar bij alles op moet letten, ook als hij zelf spreekt. “Het is inderdaad zo dat een zekere toewijding aan spreken een goede ethische training is voor het leven in het algemeen. Maar het moet gevoel zijn; het mag niet van het soort zijn dat voortvloeit uit conventies.»36 Het muzikale dat in het onderbewuste, dromend aan het spreken ten grondslag ligt, behandelt Steiner uitvoerig in de XI. voordracht van dezelfde cursus. Hij

Blz 23

spreekt over de (muzikale) thema’s die in de slaap worden ervaren: «Als we ons er eenmaal van bewust zijn, pas dan kijken we naar de mens als geheel. Pas dan worden we ons bewust van wat het werkelijk betekent als we de taal actief oefenen met het kind, op zo’n manier dat we op zijn minst een spoor van het melodische element in de zin achterlaten, dat wil zeggen dat we niet droog prozaïsch spreken, maar dat we hier in de zin nog steeds iets reciterends hebben, iets dat weerklinkt vanuit het innerlijke melodische element en ook vanuit het ritmische element.”34

Hiermee hebben we de uitgangspunten geschetst van de studie van de mens en de pedagogiek, voor zover ze ons richting geven aan het taalonderwijs. Hoe dit in de verschillende klassen is opgebouwd, wordt in de volgende hoofdstukken weergegeven.

.

Inhoudsopgave

Nederlandse taal: alle artikelen

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3034-2849

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (2-5)

.
Loïs Eijgenraam, Antroposofisch Magazine, nr 14 2019
.

samen spelen, samen delen

Hoe wordt je kind een medemens?

Als ouder kan het je met trots vervullen als je hoort dat je kind zo veel oog heeft voor anderen. Veel kinderen in Nederland groeien op met het motto ‘Samen spelen, samen delen’ – een gevleugelde uitspraak die het kind vanaf een maand of zeven, acht oud thuis of op de kinderopvang hoort. Waarom vinden wij ‘samen en sociaal zijn’ zo belangrijk?

Tijdens een tienminutengesprek op school vertelt de leerkracht je dat jouw kind ‘het zo goed doet in de groep’: het heeft oog voor andere kinderen, het kan goed delen en is bereid een stapje terug te doen omwille van een positief effect op het groepsproces. Kortom, je kind functioneert prima in het sociale. Laten we eerlijk zijn, dit horen we als opvoeders maar al te graag over onze kinderen, toch? Maar op zijn verjaardagsfeestje weigert zoonlief zijn vriendjes te laten spelen met het zojuist gekregen speelgoed. Vreugde slaat om in tranen en een op de grond spartelende peuter… Herken je dit?

Van een eenheid naar enkeling

Het aardeleven van jouw kind kon pas beginnen nadat de symbiotische gehechtheiddraad, die een eenheid mogelijk maakte, werd doorgeknipt. Je kind werd een enkeling. Een kind wordt niet zomaar een enkeling. De eerste twee en een halfjaar is jouw kind hard aan het werk geweest. Het leerde lopen, spreken en denken. Het greep letterlijk alles in de wereld beet om deze te gaan begrijpen. Zo kreeg jouw kind grip op de wereld. Je kind ontdekte rond ongeveer tien maanden dat ‘weg’ niet weg is, maar tijdelijk niet zichtbaar. Door op zoek te gaan naar de bal die achter de kast rolde en deze terug te vinden, groeit in jouw kind het vermogen innerlijk voorstellingen te maken. Een voorstelling zoals de bal, jouw vertrouwde gezicht en de ervaring dat beide opeens weer verschijnen. Omdat jouw kind nog druk bezig is met het ontwikkelen van de eigen binnenwereld, waarin de wereld verschijnt en verdwijnt, passen daar nog geen andere kinderen in die ook die ene bal willen hebben. Jouw kind moet nog gaan ervaren wat een bal is en een verbinding met de bal aan gaan. Deze veilige, innerlijke binnenwereld wordt opgebouwd in een omgeving waar begrip is voor het solitaire, het op zichzelf gerichte gedrag en het solistische, ‘ik met mijn eigen spel’. Dit in vrijheid doorleefde egocentrisme vormt de bouwstenen voor de volgende leeftijdsfase.

Van enkeling naar speelgenoot

Tussen ongeveer twee jaar en vier maanden en vier jaar en negen maanden groeit in jouw kind een verlangen om alle ervaringen die het heeft opgedaan met anderen ‘te delen’. Je kind is ‘ik’ gaan zeggen. Dit geschenk maakt het mogelijk ‘mijn en dijn’ te ervaren. Dit is van mij en dat is van jou. Het solistisch spel groeit naar naast-elkaar- of parallelspel. Er ontstaan korte ontmoetingen. Wat fijn! In het spel verschijnt de fantasie. De ander is niet alleen een ander mens, maar verstaat ook de taal van mijn spel! ‘Dan was jij de vader en dan was ik de moeder en dan pakte jij mijn pop en dan gingen wij…’ Jouw kind bouwt steeds meer ervaring en vertrouwen op in het speelgenoot zijn. Betekent dit dat het alles deelt? Nee. Een dierbare pop of auto is een voorwerp waaraan ontwikkeld wordt wat het betekent om je te verbinden en te hechten aan iets. Tijdens een verjaardagsfeestje moeten toezien dat anderen met jouw geschenken spelen is nog steeds heel moeilijk. En laten we nog een keer eerlijk zijn; deel jij je nieuwe BMW met de buurman?

Van speelgenoot naar individu

Samenspelen is jouw kind steeds fijner gaan vinden. Wat nog fijner is, is samen plannen maken over wat we gaan spelen en hoe we alles vorm gaan geven. Je kind oefent dit vanaf ongeveer vijf jaar. Het ervaart hoe het voor zichzelf kan opkomen, hoe het zich voegt naar de plannen van anderen. Het zelfvertrouwen groeit als bouwsteen voor een gezonde ontwikkeling tot individu. “Van de kleuterjuf hoor ik dat mijn kind het niet altijd goed vindt dat anderen ook nog mee willen spelen. Moet ik mij hier zorgen over maken?” vraagt een vader van een zesjarige kleuterjongen. Vinden wij, volwassenen, het fijn als wij bij een project dat wij met anderen vormgeven halverwege het proces collega’s toegespeeld krijgen die ook nog mee willen doen? Ze zijn geen procesgenoot geweest en verstaan daardoor onze bedoelingen niet of moeizamer. Getuigt het bewaken van het spelproces door zes-, zevenjarigen juist niet van een serieus nemen van de unieke waarde van het samen-spelen en samen-delen?

Van individu naar medemens

Het samen spelen groeit eind kleuterleeftijd uit tot het vermogen coöperatief te willen zijn. Niet ‘ik voor mij eigen’ maar mijzelf inzetten ten dienste van het geheel. Zo is de cirkel rond. Onze kinderen leren ‘samen spelen, samen delen’ als zij in iedere leeftijdsfase mogen doen waar ze goed in zijn en van volwassenen kunnen nabootsen dat de gehechtheidsdraad aan het aardeleven gaat van eenheid -enkeling – speelgenoot – individu – medemens zijn. Een medemens die de aarde eerlijk deelt met alle andere bewoners. 

Loïs Eijgenraam werkt als adviseur bij BVS Schooladvies, gespecialiseerd in kinderen van nul tot zeven jaar. Daarnaast heeft ze haar eigen praktijk voor ouderbegeleiding en opvoedingsondersteuning, Ze is auteur van diverse publicaties over de opvoeding van [jonge] kinderen.

.

ontwikkelingsfasen: alle artikelen

menskunde en pedagogie: alle artikelen

opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3033-2848

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-9/1)

.

John Hogervorst, Antroposofisch Magazine nr. 14, juni 2019
.

het basisinkomen is niet genoeg
.

Op veel plekken waar ik kom, praten mensen over het basisinkomen. Het is een onderwerp dat velen diep raakt. Een eerlijker verdeling van welvaart, meer ruimte voor eigen ontplooiing en erkenning van bezigheden in de eigenkring, zijn globaal gezegd de argumenten die voorstanders noemen. Ik zou deze zaken stuk voor stuk graag gerealiseerd zien. Maar ik denk niet dat het basisinkomen werkelijk daaraan gaat bijdragen.

Ik krijg wel eens de indruk dat een deel van de voorstanders zich pas echt welkom in de samenleving voelt, wanneer het basisinkomen een feit is. Heel eerlijk gezegd: ik kan mij daar van alles bij voorstellen. We leven immers in een samenleving die hard, beperkend en lang niet altijd rechtvaardig is. Tegelijkertijd geldt wat mij betreft ook: wanneer we ons gedachten vormen over rechten, plichten of regelingen die we in de samenleving als geheel gestalte willen geven, is het de vraag of we daar op een vruchtbare wijze in slagen wanneer we het eigen, individuele perspectief als uitgangspunt nemen.

Verdeling van welvaart

De ongekende ongelijkheid in de verdeling van welvaart is wereldwijd een van de meest urgente vraagstukken van onze tijd. Die komt voort uit het feit dat winsten die in de economie ontstaan voor het grootste deel toevloeien naar degenen die eigenaar van de winstmakende onderneming zijn. Het is overigens deze praktijk die maakt dat ondernemingen vanuit een kaal winststreven worden gedreven. En dat gaat, zoals we weten, ten koste van de aarde, van werknemers, leveranciers en in veel gevallen ook van de consument.

Invoering van het basisinkomen verandert hier niets aan. Want ook als we dit invoeren, blijft de manier waarop we met het eigendom van bedrijven omgaan een vrijbrief voor het najagen van eigenbelang in de economie. Wat huishoudelijker gezegd: als het gaat om een eerlijker verdeling van welvaart is het basisinkomen een gevalletje ‘dweilen met de kraan open’.

Als we de kraan dichtdraaien, hoeven we niet te dweilen. Dat zou hier betekenen: we bepalen samen, en leggen wettelijk vast, dat bedrijven [en daarmee bedoel ik hier: grond, kapitaal, productiemiddelen] niet meer verhandeld kunnen worden. Bedrijven worden ‘van zichzelf’ en de leiding komt te liggen bij degenen die daartoe als ondernemer bekwaam zijn. Wil de ondernemer stoppen, dan wordt hij opgevolgd door de volgende. Zo is er geen ‘eigenaar’ meer: het eigendomsrecht wordt ongezet in een ‘gebruiksrecht’ en dat gebruiksrecht bevat niet de bevoegdheid om de winst onevenredig naar zich toe te trekken. Klinkt dat te mooi om waar te zijn? Het kan: binnen Stichting Sleipnir [1] werkt een aantal ondernemingen al decennia op deze manier.

Vrije ontplooiing

Het basisinkomen laat dus de oorzaak van de toenemende ongelijkheid in welvaart onaangetast. Maar biedt het misschien de gewenste ruimte voor vrije ontplooiing en zinvolle dagelijkse bezigheden? Een precair vraagstuk. Want wat zijn zinvolle activiteiten en wat is de betekenis van de ruimte om je vrij te ontwikkelen? Dat hangt af vanuit welk perspectief je kijkt en wilt handelen.

Is dat mijn eigen, individuele perspectief, of dat van de gemeenschap [de samenleving] waarvan ik deel uitmaak? De gemeenschap gedijt bij de ontplooiing, de ontwikkeling die ertoe leidt dat mijn inzet voldoet aan een behoefte van anderen. Dat wat ik uitsluitend voor mijzelf doe, is vanuit sociaal oogpunt niet heel relevant. Dat wordt het pas wanneer ik mijn ontwikkeling inzet voor anderen. En als de anderen datzelfde doen, zullen we allemaal ervaren dat de anderen in onze behoeften voorzien. Maar welke behoeften hebben de anderen? Wanneer ik in de economie werk, wordt dat snel duidelijk. Als ik iets maak en daar geen kopers voor vind, dan is helder dat mijn inzet niet aan een behoefte beantwoordt. Hetzelfde geldt wanneer ik in de dienstverlening werk, en zou eigenlijk ook mogen gelden in wat, in de sociale driegeleding[2], ‘het geestesleven’ wordt genoemd. Dat is het gebied van onderwijs, zorg, kunst, cultuur, wetenschap, religie enzovoorts. Nu wordt dit gebied bekostigd via de overheid, die de belastingbetalende burger daarvoor laat betalen, maar die tegelijkertijd ook bepaalt wát er bekostigd wordt. Dat is jammer, want als we wat in dit geestesleven gebeurt ‘uit eigen zak’ zouden betalen (en daarvoor dus ook geen belasting afdragen] dan zou ook daar gelden dat ieder die daar iets aanbiedt (als leerkracht, therapeut, kunstenaar e.d.] helder weerspiegeld krijgt of dat aansluit op een echte behoefte. Dat is ‘fijn’ werken voor de betrokkene, terwijl het ook ‘fijn’ is wanneer wij zelf kunnen aangeven waar onze behoeften in dit gebied liggen.

Recht op arbeid

Dus: eigendomsrecht omgevormd tot gebruiksrecht leidt tot een eerlijke verdeling van welvaart en financiering van het geestesleven uit eigen zak (die nog niet is leeggeplukt door de fiscus] leidt tot een vrij, aan werkelijke behoeften beantwoordend geestesleven. Wie zou, wanneer we de zaken zó geregeld hebben, nou niet willen werken? Dat brengt ons tot het laatste dat we nog moeten regelen. Volwaardig meedoen aan de samenleving is een mensenrecht. Werken is daarin een essentieel bestanddeel. Want werken is: je capaciteiten inzetten en daarmee de behoefte van anderen vervullen. Dat is bij uitstek iets dat zin en zelfrespect geeft.

Daarom moeten we het zó doen dat ieder mens die wil werken ook daadwerkelijk die gelegenheid krijgt. Arbeid is en mag geen plicht zijn, maar is wel een fundamenteel recht. Wanneer we daartoe zouden besluiten, zal blijken dat voor iedereen die wil, zinnig werk te doen is. Werk dat bijdraagt aan het scheppen van welvaart (dat is wat er in de economie gebeurt], of werk dat bijdraagt aan welzijn (dat is het werk dat bij overheden en in het geestesleven gebeurt].

Zo wordt wat met het basisinkomen wordt beoogd, het beste bereikt op basis van wat wel de sociale driegeleding wordt genoemd. Daarom moeten we verder denken dan het basisinkomen lang is. 

1 Zie stichtingsleipnir.nl en sleipnircooperatie.nl

2 De sociale driegeleding is een sociologisch ontwikkelingsconcept van Rudolf Steiner, dat de samenleving onderscheidt in drie gebieden: het geestesleven (cultuur), het rechtsleven en het economisch leven. Deze drie gebieden zouden in de samenleving op eigen benen moeten staan, dat wil zeggen dat in ieder gebied het eigen principe (respectievelijk vrijheid, gelijkheid en broederschap) nageleefd wordt. Meer info: driegonaal.nl/sociale-driegeleding/

Meer van John Hogervorst

Sociale driegeleding: alle artikelen  op deze blog, w.o.  bij [9..] over (basis)inkomen

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

.

3032-2847

.

.

.

.