VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf – GA 58

.

Uit de voordrachten GA 34  GA 52  GA 53  GA 54  GA 55  GA 56  GA 57  GA 58  GA 59  nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam. Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58GA 59  over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.

 In het onderstaande artikel gebeurt dit nu voor het astraallijf.

Steiner gebruikt steeds bepaalde gevoelswoorden waarvan het astraallijf ‘drager’ is.
Die woorden vind je hier verder uitgewerkt doordat er verschillende vertalingen van zijn gegeven.

GA 58

Metamorphosen des Seelenlebens Pfade der Seelenerlebnisse

Metamorfose van de ziel Ervaringen van de ziel

Voordracht 2, München 5 december 1909

Die Mission des Zornes «Der gefesselte Prometheus»

De missie van de toorn De gekluisterde Prometheus

Blz. 47/48    vert. 16

So wie wir den Menschen ansehen, so stellt er sich dar als eine viel kompliziertere Wesenheit, als ihn die äußere Wissenschaft nimmt. Dasjenige, was die äußere physische Beobachtung vom Menschen kennt, ist für die Geisteswissenschaft nur ein Teil der menschlichen Wesenheit: der äußere physische Leib, den der Mensch gemeinschaftlich hat mit allem Mineralischen unserer Umgebung. Da drinnen herrschen dieselben Gesetze, wirken dieselben Substanzen wie in der äußeren, mineralisch-physischen Welt. Aber über das hinausgehend, anerkennen wir in der Geisteswissenschaft nicht bloß durch logisches Schließen, sondern durch Beobachtungen ein zweites Glied der menschlichen Wesenheit: dasjenige, was wir nennen den Ätherleib oder Lebensleib.

Zoals wij de mens bezien, verschijnt hij als een wezen dat veel ingewikkelder in elkaar zit dan de gewone wetenschap hem opvat. Wat het gewone fysieke onderzoek van de mens kent, is voor de geesteswetenschap maar een deel van het menselijk wezen: namelijk het uiterlijke fysieke lichaam, dat de mens gemeen heeft met alles wat om ons heen mineraal is. Daarin heersen dezelfde wetten en zijn dezelfde substanties werkzaam als in de minerale, fysieke wereld buiten ons. Maar, daarboven uitgaand, kennen we in de geesteswetenschap niet alleen door logische gevolgtrekkingen, maar ook door waarnemingen, een tweede wezensdeel van de mens: wat wij noemen het etherlijf of levenslijf.

Blz. 48/49

Dann unterscheiden wir ein drittes Glied der menschlichen Wesenheit: den Träger von Lust und Leid, von Freude und Schmerz, von Trieben, Begierden und Leidenschaften, von alledem, was wir im Grunde genommen schon als Seelisches bezeichnen; aber eben den Träger, nicht dieses Seelische selber. Ihn hat der Mensch mit all den Wesen um ihn herum gemeinschaftlich, welche eine gewisse Form des Bewußtseins haben, mit den Tieren. Dieses dritte Glied der menschlichen Wesenheit nennen wir den astralischen oder Bewußtseinsleib.

Dan onderscheiden wij nog een derde deel van het menselijk wezen: de drager van lust en onlust, van vreugde en verdriet, van driften, begeerten en hartstochten, van alles wat wij in feite al uitingen van de ziel noemen – maar hier is de drager daarvan bedoeld, niet het zielenleven zelf. Deze heeft de mens gemeen met al die wezens om hem heen die een zekere vorm van bewustzijn hebben, met de dieren. Dit derde deel van het wezen van de mens noemen wij het astrale lichaam of bewustzijnslichaam. En daarmee hebben we alles samengevat wat wij de lichamelijke organisatie van de mens noemen. Deze bestaat uit drie delen: fysiek lichaam, ether- of levenslichaam en astraal lichaam oftewel bewustzijns-lichaam.
GA 58/48-49
Vertaald/16-17

Voordracht 3, Berlijn 22 oktober,1909

Die Mission der Wahrheit (Goethes «Pandora» in geisteswissenschaftlicher Beleuchtung)

De missie van de waarheid

Blz. 77   vert. 39

Seinen physischen Leib hat der Mensch gemeinsam mit den Mineralien, Pflanzen und Tieren, den Ätherleib nur mit den Pflanzen und Tieren, den Astralleib endlich nur mit den Tieren.

Zijn fysieke lichaam heeft de mens immers gemeen met mineralen, planten en dieren, zijn etherlichaam alleen met planten en dieren, zijn astrale lichaam ten slotte met de dieren.
GA 58/77
Vertaald/39

Voordracht 5, München,14 maart 1910 (i.p.v. Berlijn 29 okt. 1909

Der menschliche Charakter

Het karakter van de mens

Blz. 147  vert. 93

Alles das am Menschen, was uns gegenüber der äußeren Sinneswelt zutage tritt, was wir mit Augen sehen können, mit Händen greifen können, was die äußere Wissenschaft allein betrachten kann, das nennt Geisteswissenschaft den physischen Leib des Menschen. Das aber, was diesen physischen Leib des Menschen durchzieht und durchwebt, das, was diesen physischen Leib zwischen Geburt und Tod verhindert, ein Leichnam zu sein, seinen eigenen physischen und chemischen Kräften zu folgen, das nennen wir in der Geisteswissenschaft den Äther- oder Lebensleib. Im Grunde setzt sich der äußere Mensch aus dem physischen und Ätherleibe zusammen.

Alles wat van de mens in de uiterlijke, materiële wereld aan de dag treedt, wat wij met onze ogen kunnen zien en met onze handen kunnen aanraken, alles wat het object is van de gewone wetenschap, dat wordt in de geesteswetenschap het fysieke lichaam van de mens genoemd. Maar wat dit fysieke lichaam doortrekt en doorgolft, wat in het leven tussen geboorte en dood verhindert dat dit lichaam zijn eigen fysische en chemische krachten gehoorzaamt en een lijk wordt, dat noemen wij in de geesteswetenschap het etherlichaam of levenslichaam. In feite bestaat de mens als uiterlijke verschijning uit fysiek lichaam en etherlichaam.

Dann haben wir ein drittes Glied der menschlichen Wesenheit; das ist der Träger von alledem, was wir hinuntersinken sehen mit dem Einschlafen in ein unbestimmtes Dunkel. Dieses dritte Glied der menschlichen Wesenheit bezeichnen wir mit dem Ausdruck astralischer Leib. Dieser astralische Leib ist der Träger von Lust und Leid, Freude und Schmerz, von Trieben, Begierden und Leidenschaften, von alledem, was eben im Wachleben auf und ab wogt in der Seele. Und in diesem Astralleibe ist der eigentliche Mittelpunkt unseres Wesens: das Ich. Für unseren gewöhnlichen Menschen gliedert sich aber dieser Astralleib weiter, denn in ihm finden wir als Unterglieder gleichsam dasjenige, was Ihnen aufgezählt worden ist als die Seelenglieder: die Empfindungsseele, die Verstandesseele, die Bewußtseinsseele.

Dan is er een derde deel van de menselijke natuur, dat de drager is van alles wat wij bij het inslapen zien wegzinken in een onbestemde duisternis. Dit derde deel van de menselijke natuur noemen wij het astrale lichaam. Het is de drager van lust en onlust, vreugde en pijn, van driften, begeerten en hartstochten, kortom van alles wat in het waakleven in de ziel op en neer golft. En in dit astrale lichaam huist het eigenlijke middelpunt van ons wezen: het ik. Afgezien daarvan is het astrale lichaam op zichzelf nog eens onderverdeeld, en wel in de componenten van de ziel die u al beschreven zijn: de gewaarwordingsziel, de verstandsziel en de bewustzijnsziel.
GA 58/147-148
Vertaald/93-94

Voordracht 6,  Berlijn, 11 november 1909 

Die Askese und die Krankheit

Ascese en ziekte

Blz. 183

Es ist ja schon im Verlaufe dieser Vorträge darauf aufmerksam gemacht worden, daß im Sinne der Geisteswissenschaft dasjenige, was sozusagen am Menschen mit Augen zu sehen, mit Händen zu greifen ist, der physische Leib, nur eines der Glieder der menschlichen Wesenheit ist. Als ein zweites  Glied dieser Menschennatur haben wir dann zu betrachten den sogenannten Äther- oder Lebensleib.

In de opvatting van de geesteswetenschap is dat wat we van de mens met onze ogen kunnen zien, met onze handen aanraken, het fysieke lichaam en dat is maar een van de delen van het wezen mens. Als een tweede wezensdeel van de mens moeten we dan kijken naar het zogenaamde ether- of levenslijf.

Von diesen Gliedern unterscheiden wir sodann dasjenige, was wir Bewußtseinsleib oder – stoßen wir uns nicht an dem Ausdruck – Astralleib nennen, den Träger von Lust und Leid, Freude und Schmerz, von Trieb, Begierde und Leidenschaft,

Naast deze wezensdelen onderscheiden we dan wat wij bewustzijnslijf of – laten we ons niet aan de naam storen – astraallijf, de drager van zin en leed, plezier en pijn, van drift, begeerte en hartstocht.
GA 58/183
Niet vertaald

Voordracht 7, Berlijn 25 november 1909

Das Wesen des Egoismus

Blz. 224

Im geisteswissenschaftlichen Sinne betrachten wir den Menschen nicht bloß als einen physischen Leib, den ja der Mensch gemeinschaftlich hat mit der ganzen mineralischen Natur, sondern wir sprechen davon, daß der Mensch in sich trägt als ein höheres Glied seiner Wesenheit zunächst den Ätherleib oder Lebensleib, den er mit allem Lebenden gemeinschaftlich hat; daß er sodann mit
dem gesamten Tierreich gemeinsam hat den Träger von Lust und Leid, Freude und Schmerz, den wir den astralischen Leib oder den Bewußtseinsleib nennen.

In de geesteswetenschap zien wij de mens niet alleen als een wezen met een fysiek lichaam, dat hij immers gemeen heeft met de hele minerale natuur, maar zeggen wij dat de mens ook hogere wezensdelen in zich draagt. Allereerst is daar het etherlichaam of levens-lichaam, dat hij gemeen heeft met alles wat leeft; dat wat hij dan de drager van zin en leed, vreugde en verdriet samen heeft met het totale dierenrijk, noemen wij dan het astrale lijf of het bewustzijnslijf.
GA 58/224
Vertaald/124

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het astraallijf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2976-2793

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – 11e – 12e klas – handenarbeid

.

kartonnage en boekbinden
.

Rudolf Steiner hechtte veel waarde aan het ‘werken met de handen’.
Daar zijn verschillende verklaringen voor te vinden:
=over het handwerken – breien e.d. – zei hij letterlijk dat het ‘de intelligentie bevordert’, iets waar we nu met de resultaten van het moderne hersenonderzoek niet meer van opkijken.

=zijn opvatting dat de mens het meest mens is zijn handen, niet in zijn hoofd.

=zijn gezichtspunt dat de mens eigenlijk niets in zijn leven zou moeten gebruiken, waarvan hij niet weet hoe het gemaakt is. 
Een soort concretisering van het feit dat Steiner ‘mens en wereld in een vorm van eenheid’ wilde verbinden. 
In Steiners tijd waren er ongetwijfeld veel minder gebruiksvoorwerpen dan nu en wat er werd gefabriceerd, was in het procesmatige nog te volgen.

Ik was eens met een 3e klas naar een steenfabriek. Je kon er precies zien hoe een homp klei een baksteen werd. [1985]
Later viel het niet mee nog een fabriek te vinden waar je dat kon zien. In de meeste steenfabrieken verdween de homp klei in een groot apparaat en kwam er als steen uit. Van het hele proces was niets meer te volgen.

Het grapje dat sommige kinderen denken dat chocolademelk uit een bruine koe komt, is niet helemaal bedacht: er is een veel grotere vervreemding ontstaan tussen wat de mens in zijn leven gebruikt en wat hij daarvan weet.

Het leerplan had daarom tot in de hoogste klas activiteiten die de leerlingen inzicht moesten geven in hoe hun alledaagse gebruiksvoorwerpen gemaakt worden. Je kan hier denken aan bijv. kleding, schoenen, koken e.d.
En voor klas 11, 12 was dat o.a. boekbinden.

En hoewel er minder gelezen wordt en er veel via pc en/of laptop wordt gewerkt, vrijwel alle leerlingen dragen iedere dag een tas vol boeken met zich mee. 

Daarom is ‘boekbinden’ zeker geen ‘nostalgische bezigheid’, zoals ik eens las bij iemand die meende op een bepaalde manier kritiek te kunnen leveren op deze vrijeschoolactiviteiten, ‘want niemand maakt toch zijn eigen boeken meer? Of breit zijn sokken?’
Misschien is de criticaster er inmiddels achter dat hij/zij met zijn kritiek hopeloos naast de essentie zat, waarom het hier gaat.

Ik heb geen idee hoe het in de Nederlandse 11e- en 12e-vrijeschoolklassen is gesteld met ‘boekbinden’, dit artikel van een Duitse vrijeschool geeft aan dat het daar nog naar waarde wordt geschat.

.

Gundula Hahn-Keuler, Rudolf Steinerschule Nürtingen
.

In de 11e en 12e klas krijgen de handarbeidlessen een geheel nieuw aspect door het werken met papier en karton. In de vorige schooljaren werd dit materiaal vooral gebruikt voor ontwerpwerk en patronen. Nu moeten de leerlingen papier en karton als zelfstandig materiaal leren kennen en hun mogelijke toepassingen begrijpen. Als alledaags handelsartikel en verbruiksartikel is papier nu vanzelfsprekend voor iedereen in elke gewenste hoeveelheid beschikbaar. Voor vouwwerk, van sterren of geometrische vormen tot papieren vliegtuigjes, konden leerlingen in de onderbouw al veel ervaring opdoen met papier zonder zich echt bewust te zijn van de bijzondere eigenschappen van het materiaal. Meestal merk je er nauwelijks iets van, wordt het gezien als een uitgesproken wegwerpmateriaal, lijkt het niet erg duurzaam en is de gebruikswaarde uiterst beperkt.
Kartonwerk en boeken kunnen tegenwoordig industrieel zeer goedkoop geproduceerd worden, dus het kan niet de bedoeling zijn dat het boekbindwerk daarmee concurreert. Het gaat om het effect dat voortkomt uit een juiste omgang met het materiaal. De leerlingen worden op een heel specifieke manier uitgedaagd; het pedagogische doel zit niet alleen in het eindproduct, maar ook in het ontwikkelingsproces.

Kartonwerk in de 11e klas

De twee perioden van kartonwerk in klas 11 en boekbinden in klas 12 bouwen op elkaar voort. De nieuwe materialen leren kennen en hun eigenschappen leren waarnemen en onderscheiden, betekent een aanscherping van de zintuigen en het beoordelingsvermogen. De strikte techniek van het boekbinden, met zijn onderling afhankelijke en opeenvolgende handelingen, vereist en traint discipline in denken en doen. Het biedt de leerlingen de mogelijkheid om alle stadia van een ontwikkelingsreeks te zien, die vooruit en terug na te lopen, ze te kunnen controleren en verbeteren. De volgende stap kan niet worden uitgevoerd als de vorige fout is. Uit de zaak zelf herkent de leerling de wetmatigheden volgens welke de werkprocessen moeten worden ingericht.

Op het eerste gezicht lijkt het werken met karton en papier voor de meeste leerlingen eenvoudig. Als kant-en-klaar product vereist het materiaal geen grote fysieke inspanning, zoals bij hout-, klei- of steenbewerking. Aan de andere kant mist het op het eerste gezicht het levendige, expressieve karakter dat bekend is van natuurlijke materialen.

Als je de leerlingen aan het begin van de periode papier en karton geeft zonder specifieke opdracht, weten ze vaak niet wat ze ermee aan moeten. Ze buigen, kreuken, scheuren de stukken zonder ze in detail te onderzoeken. Als hen wordt gevraagd om de materiaalmonsters gericht te onderzoeken, bijvoorbeeld om ze aan te raken of met water te bevochtigen, onthult het materiaal toch enkele van zijn eigenschappen.
Een van de eerste dingen die leerlingen bij boekbinden doen, is een portfolio of fotoalbum. Naast het exacte vakmanschap wordt waarde gehecht aan de kleur en het formele ontwerp. Evenwichtige verhoudingen zijn net zo belangrijk als de kleurafstemming van papier en stof. Het maken van een doos is een stap verder, omdat de leerlingen de juiste maat en vorm moeten vinden voor een specifieke, zelfgekozen inhoud. Omdat dozen ruimtelijke structuren vertegenwoordigen en bovendien uit een groot aantal verschillende afzonderlijke onderdelen zijn samengesteld, ontstaan ​​er in dit werk geheel nieuwe problemen, die alleen kunnen worden beheerst door een zeer grondige voorafgaande planning. Fouten zijn echter zowel hier als in de andere werken heilzaam. Ze maken wakker en vestigen de aandacht op de zaak, en de leerlingen worden erdoor gecorrigeerd.

Tijdens de uitvoering van het praktijkwerk wordt de omgang met de nieuwe materialen karton, papier, stof en lijm uitgelegd. Verder leren de leerlingen de nodige gereedschappen en machines (persen en snijmachines) kennen en hanteren.

Boekbinden in de 12e klas

Terwijl de focus van het werk in de kartonperiode van de 11e klas op de zorgvuldig maken van alledaagse voorwerpen ligt, gaat het in de periode in de 12e klas om het eigenlijke boekbinden. Hoewel de materialen hetzelfde zijn als in klas 11, is dit een geheel nieuwe taak. Terwijl de inhoud van bijv. het portfolio  veranderd kan worden en nauwelijks gerelateerd is aan de kaft, vormen de inhoud en het kaft van het boek een hechte verbinding die blijft en die als een samenhangend geheel wordt ervaren.

Als het om boekbinden gaat, is het pedagogische doel niet het voltooide boek, maar het werken op zich, de eigen activiteit. De leerling kan de vele werkstappen van het nieten van het boekblok tot het maken van de omslag begrijpen en uitvoeren. Pas als hij dit langdurige werkproces onder de knie heeft, verschijnt het boek als eindproduct.

Aangezien kant-en-klare onbewerkte vellen bijna niet te verkrijgen zijn, werken de leerlingen met blanco vellen en maken ze een schrijfboek. Het wordt naar keuze bewerkt met half- of vollinnen binding. Ondanks zijn uiterlijke perfectie is dit boek niet af, omdat het de essentie, de inhoud mist. Hoewel de leerlingen worden aangemoedigd om het als dagboek of dichtbundel te gebruiken, is er vaak schroom om in het eerste zelf gebonden boek te schrijven. Als de lengte van de periode het toelaat, worden ook andere boekvormengemaakt, zoals gelijmde boeken, Japanse stiktechnieken of middeleeuwse boeken, zogenaamde coperten.
In de periode kan tegelijkertijd aangeknoopt worden bij het ontstaan van de boekdrukkunst en de geschiedenis van de papierproductie.
.

Handenarbeidalle artikelen

Klas 11alle artikelen

Klas 12: alle artikelen

.
Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

2975-2792

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/12)

.

Russisch sprookje

.
Verteltijd ca. 4 min.
.

De rechtvaardige beloning
.

In een zeker rijk reed de koning eens door zijn residentie en verloor daarbij zijn naamring van zijn vinger. Hij liet terstond in alle kranten bekend maken dat degene die hem vond en bij hem terugbracht, een grote geldelijke beloning zou ontvangen.
Nu had een gewoon soldaat het geluk de ring te vinden. ‘Wat moet ik doen,’ dacht de soldaat. ‘Als ik het bekend maak in het regiment, dan komt de zaak bij de overheid terecht en gaat van de sergeant naar de

compagniecommandant, van de compagniecommandant naar de bataljonscommandant, dan naar de overste en van hem naar de brigadecommandant – daar komt zo gauw geen eind aan. Ik kan beter rechtstreeks naar de koning gaan.’

Hij kwam bij het paleis en de soldaat van de wacht zag hem. ‘Wat wil je?’ ‘Ik heb de ring van de koning gevonden,’ zei de soldaat. ‘Goed, broeder. Ik zal je bij de koning aandienen, maar alleen op deze voorwaarde: wat de koning je ook voor beloning geeft – de helft daarvan is voor mij.
De soldaat dacht: daar zul je nu eens een gelukje hebben en dan moet je het nog delen. ‘Goed,’ zei hij tegen de wacht, ‘maar geef het me op schrift dat de ene helft van jou is en de andere voor mij.’ De wacht gaf het hem op een briefje en diende hem aan bij de koning.

De koning prees de soldaat om zijn eerlijkheid. ‘Dank je wel, brave jongen. Ik zal je hiervoor met tweeduizend roebel belonen.’ ‘Nee, koninklijke majesteit, dat is geen beloning voor een soldaat. De beloning voor een soldaat zijn stokslagen.’ ‘Stommerd die je bent!’ zei de koning, en liet stokken halen. De soldaat begon zich uit te kleden, knoopte zijn jas los en het papiertje viel er uit. ‘Wat is dat voor een papiertje?’ vroeg de koning. ‘Op dat papiertje staat geschreven dat deze beloning alleen voor de helft van mij is, maar voor de andere helft van de soldaat van de wacht.’
De koning lachte, riep de wacht binnen en beval hem honderd stokslagen te geven; en daarop werd hij dus getrakteerd. Maar toen ze de laatste tien aan het tellen waren, wendde de soldaat zich tot de koning en zei: ‘Uwe majesteit, als hij zo begerig is en zoveel nodig heeft, dan wil ik hem mijn helft ook nog wel offeren.’
‘Kijk eens aan, wat ben je goed,’ zei de koning, en liet nog eens tweehonderd aan de wacht geven.

Na zo’n beloning kon deze ternauwernood op handen en voeten naar huis kruipen, maar de soldaat werd door de koning geheel uit de dienst ontslagen en kreeg als toegift nog drieduizend roebel om van te leven.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2974-2791

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf – GA 57

. Uit de voordrachten GA 34  GA 52  GA 53  GA 54  GA 55  GA 56  GA 57  GA 58  GA 59  nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam. Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58GA 59  over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.  In het onderstaande artikel gebeurt dit nu voor het astraallijf. Steiner gebruikt steeds bepaalde gevoelswoorden waarvan het astraallijf ‘drager’ is. Die woorden vind je hier verder uitgewerkt doordat er verschillende vertalingen van zijn gegeven. GA 57

Wo und wie findet man den Geist? Waar en hoe vind je de gerest?

Voordracht 1, Berlijn 15 oktober 1908 Blz. 16 Den physischen Leib hat der Mensch mit allen Wesen der physischen Welt gemeinsam. Der Ätherleib ist zunächst rein logisch in folgender Form zu erkennen. Nehmen wir einen Bergkristall, so bleibt die Form erhalten, bis sie von außen zerstört wird. Das ist das Wesentliche des Minerals. So ist es nicht bei Pflanze, Tier und Mensch. Wir haben wohl dieselben Stoffe im Menschen, aber diese sind hier so kompliziert zusammengesetzt, daß der menschliche Leib sofort auseinanderfallen würde, wenn er nicht einen Kämpfer gegen den Zerfall des physischen Leibes in sich trüge: das ist der Äther- oder Lebensleib. Ist der Ätherleib draußen, wie nach dem Tode, dann erst zerfällt der physische Leib. Was aber zwischen Geburt und Tod den Zerfall verhindert, das ist der Äther- oder Lebensleib. Ihn hat der Mensch mit Pflanze und Tier gemeinsam, den astralischen Leib nur mit dem Tiere. Hier bei dem Astralleib kommen wir schon zu immer feineren geistigen Gliedern, wir kommen schon ins Seelische. Het fysieke lichaam heeft de mens met alle wezens van de fysieke wereld gemeenschappelijk. Het etherlijf is in een eerste instantie puur logisch te begrijpen op de volgende maner. Als we een bergkristal hebben,. blijft de vorm intact, tot die van buitenaf kapot gemaakt wordt. Dat is het wezenlijke van het mineraal. Dat is niet zo bij plant, dier en mens. We vinden in de mens wel dezelfde stoffen, maar die zijn hier zo gecompliceerd in samenhang, dat het menselijk lichaam direct uiteen zou vallen, wanneer hij niet een strijder tegen dat uiteen vallen in zich mee zou dragen: dat is het ether- of levenslijf. Als het etherlijf erbuiten is, zoals na de dood, dan pas valt het fysieke lichaam uiteen. Wat tussen de geboorte en de dood dit uit elkaar vallen verhindert, dat is het ether- of levenslijf. Dat heeft de mens met plant en dier gemeenschappelijk, het astraallijf alleen met het dier. Hier bij het astraallijf komen we dus bij steeds fijnere geestelijke wezensdelen, we komen hier in wat bij de ziel hoort. Denken wir, wir haben einen Menschen vor uns stehen, so haben wir zunächst den physischen Leib, insofern man ihn physisch sehen kann. Aber wir haben auch den Ätherleib, den Kämpfer gegen den Zerfall. Das ist aber noch nicht das Ganze des Menschen.  Schon der primitivste Mensch weiß, daß Freude und Leid, Lust und Schmerz in ihm leben. Der Träger von alledem, was da abläuft im Innern, wird von uns astralischer Leib genannt. Als we een mens voor ons hebben staan, dan hebben we voor zover we hem kunnen zien, het fysieke lichaam voor ons. Maar we hebben ook nog een etherlijf, de strijder tegen het uiteenvallen. Dat is echter nog niet de totale mens. De meest simpele mens weet al dat vreugde en verdriet, lust en pijn in hem aanwezig zijn. De drager van alles wat in het innerlijk van de mens zich afspeelt, is het astraallijf. GA 57/16 Niet vertaald  Voordracht 5, Berlijn 14 november 1908

Bibel und Weisheit II

Bijbel en wijsheid ll

Blz. 123 Wir werden es in den verschiedenen Stellen immer wieder hervorzuheben haben, daß der Mensch besteht aus den verschiedenen Gliedern seiner Wesenheit, daß wir in dem, was wir den physischen Leib nennen, nur einen Teil des Menschen vor uns haben, daß wir außer diesem höhere Glieder haben, die übersinnlich sind, die die eigentlichen Grundlagen, die schöpferischen Prinzipien sind. Wir müssen hinzufügen dem physischen Leib den Äther- oder Lebensleib, dann den Astralleib We zullen het op verschillende plaatsen steeds weer moeten zeggen dat de mens in zijn wezen uit verschillende delen bestaat en dat wij in wat we het fysieke lichaam noemen, maar een deel van de mens voor ons hebben; dat we hiernaast hogere wezensdelen hebben die bovenzintuiglijk zijn, die de eigenlijke basis, de scheppende principes zijn. We moeten bij het fysieke lichaam het ether- of levenslijf voegen, en het astraallijf. Den physischen Leib hat der Mensch gemeinschaftlich mit den scheinbar leblosen Wesen, mit den Mineralien, den Ätherleib mit den Pflanzen und allen lebendigen Wesen, den Astralleib mit den tierischen Wesen, mit dem, was Leidenschaften und Begierden haben kann  Het fysieke lichaam heeft de mens samen met de schijnbaar levenloze natuur, met de mineralen; het etherlijf met de planten en alle levende wezens, het astraallijf met de dierlijke wezens, met dat wat hartstochten en begeertes kan hebben. GA 57/123 Niet vertaald Voordracht 7, Berlijn 17 december 1908

Ernährungsfragen im Lichte der Geisteswissenschaft

Voedingsvraagstukken in het licht van de geesteswetenschappen

Blz. 173 Wir müssen uns wieder über die vielgliedrige menschliche Wesenheit klarwerden. Für den Geistesforscher ist der Mensch nicht nur das physische Wesen, das man mit Augen sehen, mit Händen greifen kann, sondern dieser physische Leib ist nur ein Teil der menschlichen Wesenheit. Dieser physische Leib besteht allerdings aus denselben chemischen Stoffen, die in der Natur ausgebreitet sind. Aber die menschliche Natur hat höhere Glieder. Schon der nächste Teil der menschlichen Wesenheit ist übersinnlich, hat eine höhere Realität als der physische Leib. Er liegt dem physischen Leib zugrunde, er ist durch das ganze Leben hindurch ein Kämpfer gegen den Zerfall des physischen Leibes. In dem Augenblick, wo der Mensch durch die Pforte des Todesschreitet, ist der physische Leib nur seinen eigenen Gesetzen unterworfen und zerfällt. Im Leben kämpft der Lebensleib gegen den Zerfall. Er gibt den Stoffen und Kräften andere Richtungen, andere Zusammenhänge als sie haben würden, wenn sie nur sich selber folgten. Für das hellseherische Bewußtsein ist dieser Leib ebenso sichtbar wie der physische Leib für das Auge. Diesen Lebensleib oder Ätherleib hat der Mensch mit der Pflanze gemeinsam. Maar de menselijke natuur heeft hogere wezensdelen. Het volgende wezensdeel is al bovenzintuiglijk, is van een hogere realiteit dan het fysieke lichaam. Het ligt aan het fysieke lichaam ten grondslag, gedurende het hele leven is het een strijder tegen het uiteenvallen van het fysieke lichaam. Op het ogenblik waarop de mens door de poort van de dood gaat, wordt het fysieke lichaam aan zijn eigen wetten onderworpen en valt uiteen. In het leven strijdt het etherlijf tegen dit verval. Het geeft aan de stoffen en krachten andere richtingen, andere samenhangen dan ze zouden hebben, als ze hun eigen weg zouden gaan. Voor het helderziende bewustzijn is dit lijf net zo zichtbaar als het fysieke lichaam voor het oog. Dit levenslijf of etherlijf heeft de mens gemeenschappelijk met de planten. We moeten weer duidelijkheid krijgen over de vierledige mens. Voor degene die de geest zoekt, is de mens niet alleen maar het fysieke wezen dat je met je ogen kan zien, met je handen kan beetpakken, maar dit fysieke lichaam is maar een deel van het menselijk wezen. Dit fysieke lichaam bestaat in eerste instantie uit chemische stoffen die ook in de natuur te vinden zijn. Blz. 174/175 Wir wissen aus anderen Vorträgen, daß der Mensch noch ein drittes Glied seiner Wesenheit hat, den astralischen Leib. Wie ist er? Er ist der Träger von Lust und Leid, Begierden, Trieben und Leidenschaften, von alledem, was wir unser inneres Seelenleben nennen. Alles das hat seinen Sitz im astralischen Leib. Er ist geistig wahrnehmbar, wie der physische Leib für das physische Bewußtsein. Diesen astralischen Leib hat der Mensch mit den Tieren gemeinsam. We weten dat de mens nog een derde wezensdeel heeft, het astrale lijf. Het is de drager van lust en leed, begeerten, driften en hartstochten, van alles wat we ons innerlijke gevoelsleven noemen. Dat zit allemaal in het astraallijf. Het is bovenzintuiglijk waarneembaar, zoals het fysieke lichaam voor het fysieke bewustzijn. Dit astraallijf heeft de mens met de dieren gemeenschappelijk.  Dieser physische Leib könnte in sich nicht die Glieder haben, die der Nahrung, der Fortpflanzung, die dem Leben überhaupt dienen, wenn er nicht den Ätherleib hätte. Alle Organe, die zur Ernährung und Fortpflanzung dienen, die Drüsen und so weiter, sind der äußere Ausdruck des Ätherleibes. Sie sind das, was der Ätherleib am physischen Leibe baut.  Dit fysieke lichaam zou niet die delen in zich kunnen hebben die dienstbaar zijn aan de voeding, de voortplanting, aan het leven in het algemeen, als het niet een etherlijf zou hebben. Alle organen die de voeding en voortplanting dienen, de klieren enz. zijn de uiterlijke uitdrukking van het etherlijf. Dat bouwt het etherlijf in het fysieke lichaam op. Rein physisch sind die Sinnesorgane; die Drüsen sind der Ausdruck für den Ätherleib. Unter anderem ist im physischen Leibe das Nervensystem der Ausdruck des astralischen Leibes. Hier ist der astralische Leib der Akteur, der Aufbauer. Wir können uns vorstellen, gerade wie eine Uhr oder eine Maschine von einem Uhrmacher oder von einem Maschinenbauer auf gebaut sind, so sind es die Nerven von dem astralischen Leibe De zintuigorganen zijn puur fysiek; de klieren zijn de uitdrukking voor het etherlijf. Onder andere is in het fysieke lichaam het zenuwsysteem de uitdrukking van het astrale lijf. Hier is het astrale lijf actief, hier bouw het iets op. We kunnen ons voorstellen hoe een horloge of een machine door een horlogemaker of een machinebouwer gefabriceerd zijn, en op deze manier zijn de zenuwen dat door het astrale lijf. Das Sonnenlicht und der menschliche astralische Leib sind in gewisser Weise zwei entgegengesetzte Dinge. Für den, der mit hellseherischem Bewußtsein des Menschen astralischen Leib kennenlernt, für den ist der astralische Leib ein inneres Licht, das geistiger Art ist, für das äußere Auge unsichtbar. Ein geistiger Lichtleib ist dieser astralische Leib. Er ist der Gegensatz zu dem äußeren, äußerlich leuchtenden Licht. Denken Sie sich einmal das Sonnenlicht immer schwächer werdend, bis es erlischt, und lassen Sie es jetzt noch weiter nach der anderen Seite gehen, lassen Sie es negativ werden, so haben Sie inneres Licht. Und dieses innere Licht hat die entgegengesetzte Aufgabe als das äußere Licht, das aus anorganischen Stoffen den pflanzlichen Leib aufbauen soll. Das innere Licht, das die partielle Zerstörung einleitet, durch die allein Bewußtsein möglich ist, bringt den Menschen zu einer höheren Stufe, als die Pflanze sie einnimmt, dadurch, daß der Prozeß der Pflanzen in einen entgegengesetzten verwandelt wird. So steht der Mensch durch sein inneres Licht in einem gewissen Gegensatz zur Pflanze. Het zonlicht en het menselijke astrale lijf zijn op een bepaalde manier twee tegenstrijdige dingen. Voor wie met een helderziend bewustzijn het menselijke astrale lijf leert kennen, is het astrale lijf een innerlijk licht, van een geestelijke soort, voor het uiterlijk oog onzichtbaar. Dit astrale lijf is een geestelijk lichtlijf. Het is het tegendeel van het uiterlijke, buiten stralende licht. Probeer eens zo te denken dat het zonlicht steeds zwakker wordt, tot het uitdooft en laat het dan nog verder weg naar de andere kant gaan, laat het negatief worden; dan heb je innerlijk licht. En dit licht heeft de tegenovergestelde opdracht van het uiterlijke licht, dat uit anorganische stoffen het plantenlichaam moet opbouwen. Het innerlijke licht dat de gedeeltelijke afbraak inleidt en waardoor er alleen bewustzijn mogelijk is, brengt de mens op een hoger niveau dan de plant, omdat het plantenproces in een tegendeel verkeerd wordt. Op die manier staat de mens door zijn innerlijk licht op een bepaalde manier tegenover de plant.  Al dikwijls kon ik erop wijzen dat Steiner zijn onderwerpen telkens van een andere kant belicht, waardoor wij als lezers er weer nieuwe gezichtspunten bij krijgen. Enerzijds is het astrale te verbinden met de meer naar de lichamelijk-levende neigende kant in de mens, anderzijds naar de kant van het bewustzijn, waarmee we de dingen leren kennen. In dat leren kennen gaat ons a.h.w. ‘een licht’ op.  fysiek hebben we daarvoor de zenuwen en de hersenen nodig. Het hoeft dus niet te verbazen dat Steiner de fysieke uitdrukking van het astrale als de zenuwen bestempelt, in sterkere mate gezegd: Blz. 178 Das Geistige des Lichtes arbeitet in uns innerlich am Aufbau unseres Nervensystems. Het geestelijke van het licht werkt in ons innerlijk aan de opbouw van ons zenuwsysteem.  GA 57/175-178 Niet vertaald Voordracht 11, Berlijn 18 februari 1909 

Die unsichtbaren Glieder der Menschennatur und das praktische Leben

De onzichtbare wezensdelen van de mens en het praktische leven

Blz. 269 Man kann durchaus sagen, der Menschenleib ist ein komplizierter Mechanismus, wenn man Physisches und Chemisches mit in das Mechanistische hineinbeziehen will. Aber wie hinter jeder Maschine ein Erbauer und Erhalter stehen muß, so auch hier, und das ist der Äther- oder Lebensleib, der ein treuer Kämpfer ist gegen den Verfall. Erst im Tode trennt er sich vom physischen Leibe, und dann folgt der physische Leib als Leichnam seinen physischen Gesetzen. Aber dann ist er eben auch Leichnam. Der Ätherleib ist eine sicherere Realität als der bloße physische Leib. Verfolgen wir den Menschen nun weiter, so kommen wir zu einem anderen Gliede seiner Wesenheit, das jeder Mensch sich schon klarmachen könnte, wenn er sich sagte: Vor mir steht ein Mensch, physischer Leib und Ätherleib. Wäre nun Je kan goed zeggen dat het mensenlichaam een gecompliceerd mechanisme is, wanneer je wat fysisch en chemisch is bij dat mechanistische wil betrekken. Maar zoals achter iedere machine een constructeur en een onderhoudsmonteur moet staan, zo ook hier en dat is het ether- of levenslijf dat een trouwe strijder is tegen het verval. Pas met de dood maakt het zich los van het fysieke lichaam en dan volgt dit als lijk zijn fysische wetten. Dan is het dus ook een lijk. Het etherlijf is een werkelijkheid die zekerder is dan alleen het fysieke lichaam. Als we de mens nu verder volgen, dan komen we bij een ander wezensdeel dat iedere mens kan kennen als hij zou zeggen: er staat een mens voor me, fysiek lichaam en etherlijf. Als het nu zo was Blz. 270 in diesem Menschen nichts anderes enthalten, als was von außen gesehen werden kann, was die Physiologie und so weiter uns erschließt? Oh, es ist noch etwas anderes da, etwas ganz anderes: die Summe von Gefühlen, Empfindungen, Begierden und Wünschen, Schmerzen und Leiden, Trieben und Leidenschaften. Alles dies macht den astralischen Leib aus. Nun könnte man sagen: Man kann sich doch nicht denken, daß diese Dinge eine abgeschlossene Realität bilden. – Aber der Geisteswissenschaftler kann das feststellen durch die Gabe des Hellsehens. Es ist da der Astralleib ebenso, wie das Physische da ist. Aber der gesunde Menschenverstand könnte sich auch so schon sagen, daß so etwas wie ein astralischer Leib da sein muß. Warum könnte man sich das sagen? Ich will Ihnen ein Beispiel geben, wo sozusagen mit Händen zu greifen ist, wie der astralische Leib eigentlich arbeitet. Es gibt Menschen, die sagen: Wenn der Mensch die physische Welt betritt, so ist er noch nicht so ausgebildet wie später.  dat er niets anders in deze mens aanwezig zou zijn dan wat van buitenaf te zien is, wat de fysiologie enzovoort ons onthult? Maar er is nog iets, iets heel anders: de som van gevoelens, sensaties, begeerten en verlangens, pijn en lijden, driften en passies. Dit alles vormt het astrale lichaam. Nu zou je kunnen zeggen: je kunt je toch niet voorstellen dat deze dingen een op zichzelf staande werkelijkheid vormen. – Maar de geesteswetenschapper kan dit vaststellen door de gave van helderziendheid. Het astrale lichaam is er net zoals het fysieke er is. Maar het gezond verstand zou ook kunnen zeggen dat er zoiets als een astraallijf moet zijn. Waarom zou u dat kunnen zeggen? Ik wil u een voorbeeld geven waaruit je a.h.w. vanzelf kunt begrijpen hoe het astrale lijf eigenlijk werkt. Er zijn mensen die zeggen: als een mens de fysieke wereld betreedt, is hij nog niet volledig ontwikkeld zoals later. Die äußere Wissenschaft kann feststellen, daß zwar die Sinne und die dazugehörenden Nervenorgane im Gehirn vorhanden sind, daß aber alles das, was die einzelnen Sinnesorgane im Gehirn verbindet, sich verhältnismäßig erst spät ausbildet. Man kann förmlich verfolgen, wie sich die Verbindungsstränge von der Gehörs- zur Gesichtssphäre erst ausbilden, die Nervenbahnen, die den Menschen erst zum Denker machen. Also – schließt der Materialist — sieht man, wie die inneren Teile sich allmählich entwickeln und dann erst im Menschen aufblitzen lassen die Welt von Empfindungen, Vorstellungen, Leiden, Freuden, Gedankenkomplexe und so weiter.-Stellen wir einmal vor unser Nachdenken hin diesen Gang der Entwickelung des menschlichen Gehirns. Die komplizierten Gedankengänge, welche die Welträtsel lösen, werden allmählich ausgebildet. Stellen wir das vor unser Nachdenken hin. Sind De alledaagse wetenschap kan vaststellen dat weliswaar de zintuigen en de bijbehorende zenuworganen in de hersenen aanwezig zijn, maar dat alles wat de individuele zintuigen in de hersenen verbindt, zich pas relatief laat ontwikkelt. Je kunt letterlijk volgen hoe de verbindende strengen van de auditieve naar de visuele sfeer zich het eerst ontwikkelen, en de zenuwbanen die de mens pas tot denker maken. Dus – concludeert de materialist – je ziet hoe de innerlijke delen zich geleidelijk ontwikkelen en dan pas in de mensen laten opvlammen de wereld van sensaties, ideeën, lijden, vreugde, gedachtecomplexen, enz.  Laten we zo eens nadenken over deze gang van de ontwikkeling van het menselijk brein. De ingewikkelde gedachtegangen die de mysteries van de wereld oplossen, worden geleidelijk gevormd. Blz. 271 wir imstande, das, was sich da herausbildet, einen bloßen Mechanismus zu nennen, der sich selber aufbaut? Man kann ebenso den Wunderbau bewundern, wie bei einer Uhr. Aber der wäre ein Tor, der glauben wollte, die Uhr sei von selbst geworden. Wer etwas kann, kann auch nur wieder ausbilden, was er kann. Einer, der die Sekunden, Minuten, die Gesetze der Uhr in sich gehabt hat, der hat sie erst zusammengefügt; einer hat vorausgedacht, was wir zuletzt nachdenken. Ist nichts da, was diese Verbindungsfäden im Gehirn so zusammenfügt, daß Sie zuletzt ein Denker werden? Ich meine, ein gesundes Denken müßte einsehen, daß für das, was da sich ausbildet, ein Baumeister da sein muß, der die Fäden zusammenfügt, damit Sie dann ein Denker werden können. Wir sind nur uns und unserm gesunden Menschenverstand treu, wenn wir sagen, ein astralischer Leib muß aufgebaut haben das physische Gehirn. Kunnen we, wat daar vorm krijgt, louter een zelfconstruerend mechanisme noemen? Je kunt ook de prachtige constructie bewonderen, zoals die van een klok. Maar hij zou een dwaas zijn die zou geloven dat de klok zichzelf had gemaakt. Als je iets kan, kan je alleen maar doen wat je kan. Iemand die de seconden, minuten, de wetten van de klok kende, zette die pas in elkaar; iemand heeft vooruit bedacht waar we nu over nadenken. Is er niet iets dat deze verbindingsdraden in de hersenen zo aan elkaar knoopt dat je uiteindelijk een denker wordt? Ik bedoel, gezond denken zou moeten beseffen dat er een bouwmeester moet zijn voor wat daar wordt ontwikkeld, die de draden met elkaar verbindt, zodat je vervolgens een denker kan worden. We zijn alleen trouw aan onszelf en ons gezond verstand als we zeggen dat een astraallijf het fysieke brein moet hebben opgebouwd. Blz. 271 In den ersten Wochen und Monaten und Jahren des Kindes baut der astralische Leib erst das Werkzeug auf, das imstande ist, später die Welträtsel zu lösen. Wer das nicht glaubt, handelt ebenso wie der, der eine Maschine gebrauchen will, aber leugnet, daß ein Konstrukteur da war, der sie gebaut hat. Es wird schon die Zeit kommen, wo wiederum gesundes Urteilen in den Menschen waltet, wo sie sich sagen, daß zuerst der geistige Baumeister da sein muß, wenn etwas werden soll. Vor des Menschen Geburt ist er schon da, dieser Baumeister. Das dritte Glied des Menschen ist dieser astralische Leib, das, was wieder dem Materiellen zugrunde liegt. In de eerste weken, maanden en jaren van het kind bouwt het astrale lijf het gereedschap op dat in staat is om  later de mysteries van de wereld op te lossen. Wie dat niet gelooft, doet net als iemand die een machine wil gebruiken maar ontkent dat er een ontwerper was die deze heeft gebouwd. De tijd zal wel komen dat de mensen weer gezonde oordelen krijgen waarin ze tegen zichzelf zeggen dat er eerst een bouwmeester moet zijn die de dingen uitdenkt, voor er iets tot stand komt. Voordat de mens wordt geboren, bestaat deze bouwmeester al. Het derde wezensdeel van de mens is dit astrale lijf dat ook weer ten grondslag ligt aan het stoffelijke. GA 57/271 Niet vertaald  Den physischen Leib hat der Mensch gemeinsam mit allen Mineralien, den Ätherleib mit allen Pflanzen, den Astralleib mit den Tieren. Het fysieke lichaam heeft de mens gemeenschappelijk met alle mineralen, het etherlijf met alle planten,. het astraallijf met alle dieren. GA 57/274 Niet vertaald Voordracht 12, Berlijn 4 maart 1909

Das Geheimnis der menschlichen Temperamente

Het geheim van de temperamenten

Blz. 285 Wir kennen den Mensch als eine viergliedrige Wesenheit. Zuerst kommt der physische Leib in Betracht, den der Mensch gemeinsam hat mit der mineralischen Welt. Als erstes übersinnliches Glied erhält er den Ätherleib eingegliedert, der,das ganze Leben hindurch mit dem physischen Leib vereinigt bleibt; nur im Tode tritt eine Trennung der beiden ein. Als drittes Glied folgt der Astralleib, der Träger von Instinkten, Trieben, Leidenschaften, Begierden und von all dem, was an Empfindungen und Vorstellungen auf- und abwogt. We kennen de mens als een vierledig wezen.  Eerst komt het fysieke lichaam dat de mens gemeenschappelijk heeft met de minerale wereld. Als eerste bovenzintuiglijk wezensdeel krijgt hij er het etherlijf bij dat het hele leven lang samenblijft met het fysieke lichaam; alleen bij de dood worden ze van elkaar afgezonderd. Als derde wezensdeel volgt het astraallijf, de drager van instincten, driften, hartstochten, begeertes en van alles wat er aan gevoelens en voorstellingen opwelt en wegebt GA 57/285 Vertaald  . Algemene menskunde: voordracht 1 – over het astraallijf Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen Algemene menskundealle artikelen Rudolf Steineralle artikelen op deze blog Menskunde en pedagogie: alle artikelen .
2973-2790
. . . . .

VRIJESCHOOL – Gymnastiek (2-2)

.
Pieter HA Witvliet: bewerking en eigen vertaling van ‘over de gymnastiek’ in ‘Erziehung zur Freiheit‘  Vertaald 
.

BOTHMERGYMNASTIEK
.

Veel mensen leiden een zittend bestaan

Veel mensen in het arbeidsproces hebben ‘zittend’ werk en de mensen die bv. in een fabriek werkzaam zijn, kunnen veel werk al overlaten aan machines, robots, waarbij zij alleen maar – zittend – het proces via monitoren e.d. in de gaten hoeven te houden.
De compensatie is vaak een zoeken naar lichamelijk bewegen, wanneer het werk voorbij is of in het weekend. Sportscholen zitten overvol en op straat kom je voortdurend hardlopers tegen. En ook ‘op de velden’ wordt heel wat getraind.
Omdat ‘het fysiek’ in conditie en zeker ook ‘in vorm’ moet blijven, is het niet verwonderlijk dat vrijwel alle activiteiten bedoeld zijn voor het lichaam.
Expressie, zoals bv. bij de dans is vrijwel afwezig.

Op de vrijescholen neemtbewegingeen belangrijke plaats in.
Dat is vanzelfsprekend bij een pedagogie die uitgaat van het kind: wie kinderen op school observeert, ziet het kind in zijn ware wezen….in de pauze. Zitten in de klas is eigenblijk heel on-natuurlijk voor een kind.
Uiteraard hebben jongere kinderen er meer behoefte aan dan oudere, maar een school zonder bewegingsmogelijkheden is een straf voor de kinderen.

In de eerste klas kun je al bewegend leren rekenen; in de 6e klas kun je hexameters lopen – beweging die niet alleen uit is om het fysieke te onderhouden, maar ook het ritmische leven en het kunstzinnige aspect.

Naast een ‘lichamelijke’ gymnastiek introduceerde Rudolf Steiner ook een ‘zielengymnastiek door het vak euritmie.

Ook voor de lichamelijke gymnastiek wilde hij nog een ander aspect aan bod laten komen dan alleen de lichamelijke oefening.

De gymnastiekleraar aan de 1e vrijeschool in Stuttgart was Fritz Graf von Bothmer die op vraag van Rudolf Steiner een gymnastiekmethode ontwierp met allerlei oefeningen die het beleven van de ruimte zouden kunnen versterken en tevens de wilskrachten zouden kunnen cultiveren.

Een paar karakteristieken

Wie kinderen waarneemt vóór hun 9e jaar, ziet dat ze nog veel meer opgaan in hun wereld, dan de kinderen die hun 9e, 10e jaar bereiken.
Voor Rudolf Steiner was dat o.a. aanleiding om bv. in de heemkundelessen anders met de lesstof om te gaan, dan bv. in de dierkundelessen in klas 4.
Zo vond hij het beter dat vóór het 9e jaar de kinderen voor het gerichtere bewegen, helemaal op zouden kunnen gaan in de ritmische kinderspelletjes en de kringspelen e.d.
Pas in klas 3 – de kinderen zijn of worden 9 jr .- komt er vanuit het kind een grotere afstand tot de wereld, dus ook tot het eigen lichaam. 
Maar als dan in de 3 klas de ‘gymles’ begint, ook dan moet in die eerste drie volgende jaren er veel plezier kunnen zijn bij de oefeningen, ook die aan de toestellen. Belangrijk daarbij zijn belevings- en fantasieoefeningen waarbij het niet alleen maar gaat om pure lichamelijkheid, prestaties en ‘wie is de beste’. 
Wat er gebeur(t)(de) bij het lichamelijke handwerk of bij de bewegingen van de dieren kan een mogelijkheid zijn: hindernissen nemen in de toestellen: erop klimmen, eroverheen springen, bv. staand in een gefantaseerd landschap waarin avonturen worden beleefd. Je moet elkaar bijstaan. Dat moet bloed- en spierkracht doen tintelen. 
Vanaf klas 6 wordt de uiteenzetting met de zwaartekracht steeds belangrijker. Botten en pezen komen in een nieuwe ontwikkeling (worden langer) en vragen eigenlijk aangesproken te worden, maar daarbij ook de beheersing. Dan gaat het ook om kracht en vastbeslotenheid, om concentratie. je moet iets durven, zelfs als je dat beleeft als iets ondergaan. De wil is sterk aanwezig bij springen en zwaaien om dynamisch het ruimtegevoel bij het balanceren met de zwaartekracht te gaan beheersen.

Licht atletische oefeningen, balspelen, lopen, oefenen met de gangbare gymnastiektoestellen: in de bovenbouw moet er een bewust evenwicht gevonden worden tussen licht en zwaarte, tussen zelf gestelde doelen en de eisen van het gemeenschappelijk oefenen. 
Meisjes en jongens oefenen samen, maar bij het ouder worden vraagt dit wel om individualisering en dus differentiatie. En tegelijkertijd gaat het ook om respect voor het anders-zijn, het zwakker zijn, maar hulp nodig hebbend: zo wordt de gymnastiek een sociaal oefenveld. 
Ook in deze leeftijden gaat het om het plezier bij het oefenen, veel minder om de prestaties t.o.v. de ander.
Het doel is: zekerheid in de beweging in de ruimte; gezonde versterking van de wil en de besluitkracht; sociale sportiviteit en wakkerheid.

Een Bothmerstudent beschreef het eens zo:

In de bovenbouw kon je de verwantschap van deze lessen met de geometrie ervaren. De krachten in de omgevende ruimte voelde je op je inwerken en daarop antwoordde je met de wil door te bewegen.

Na het gym-uur was je niet alleen verfrist en warmer geworden zoals bij lichamelijk bezig zijn, maar de grootste winst was dit wakker worden van het eigen innerlijk aan de weerstand van het lichaam. 

Ik realiseer me dat foto’s niet veel verduidelijken zonder toelichting. Bij deze foto’s werd geen uitleg gegeven:

Uit het leerplan van de Hiberniaschool Antwerpen:

De Bothmergymnastiek, die in de derde klas zijn intrede doet, sluit volledig aan bij deze periode [heemkunde – bouwen] , waarbij ze via bewegingen samen het huis bouwen: wij komen uit de verte aangelopen en gesprongen …
En ook hier worden de voorwaarden voor een goed huis met het lichaam uitgedrukt:
Zuilen zo hoog (stevig met de voeten op de grond)
Vensters zo wijd (handen en armen horizontaal)
En voor het eerst laten ze de wereld toe; vanuit het geborgene van het huis, kijken ze naar buiten:
Open het venster
Open en nog verder
Hemelhoog
Vleugelwijd

En ze weten: jij bent zo en ik ben anders, maar samen zijn we wij:
Jij en ik
Ik en jij
Zoeken elkaar
Vinden elkaar
Ik en jij

Website Bothmergymnastiek

Veel voorbeelden bij Tineke’s doehoek

Leven in beweging

Op deze blog: vrijeschoolpedagogie

Reader

Gymnastiek: alle artikelen

.

2972-2789

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf – GA 56

.

Uit de voordrachten GA 34  GA 52  GA 53  GA 54  GA 55  GA 56  GA 57  GA 58  GA 59  nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam.

Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58GA 59  over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.

 In het onderstaande artikel gebeurt dit nu voor het astraallijf.

Steiner gebruikt steeds bepaalde gevoelswoorden waarvan het astraallijf ‘drager’ is.
Die woorden vind je hier verder uitgewerkt doordat er verschillende vertalingen van zijn gegeven.

GA 56

Die Erkenntnis der Seele und des Geistes

Kennis van ziel en geest

Voordracht 3, Berlijn, 24. oktober 1907

Die Erkenntnis der Seele und des Geistes

Kennis van ziel en geest

Blz. 73

In jedem Augenblick des Lebens wirkt gegen den Zerfall der physischen Leiber ihr sogenannter Äther- oder Lebensleib. Ein immerwährender Kampf findet statt in ihnen. Und in dem Augenblick des Todes, wo sich der Äther- oder Lebensleib trennt von dem physischen Leib, da folgen die Stoffe und Kräfte des physischen Leibes ihren eigenen Gesetzen. Daher sagen wir in der Geisteswissenschaft: der physische Leib ist physisch und chemisch eine unmögliche Mischung, er kann
sich nicht in sich selbst erhalten. Was in jedem Augenblick gegen den Zerfall des physischen Leibes kämpft, das ist der Ätherleib.

Op ieder moment van het leven werkt het zogenaamde ether- of levenslijf tegen het verval van de fysieke lichamen. Er vindt een voortdurende strijd in hen plaats. In op het ogenblik van de dood waarbij het ether- of levenslijf zich losmaakt van het fysieke lichaam, volgen de stoffen krachten van het fysieke lichaam hun eigen wetmatigheden. Vandaar dat we in de geesteswetenschap zeggen: het fysieke lichaam is fysisch en chemisch een onmogelijke vermenging, het kan zichzelf in zichzelf niet bewaren. Wat op ieder ogenblik tegen het vervallen van het fysieke lichaam strijdt, dat is het etherlijf.

Das dritte Glied in der menschlichen Wesenheit ist das, was wir oft genannt haben den Träger von Lust und Schmerz, von Freude und Leid, von Instinkten
und Leidenschaften. Wenn das Leben anfängt, innerlich zu werden, dann fangen wir in der Geisteswissenschaft an, von einem sogenannten Astralleib zu sprechen. Das ist das dritte Glied der menschlichen und das dritte Glied der tierischen Wesenheit.

Het derde deel van het mensenwezen is wat we al dikwijls genoemd hebben, de drager van lust en pijn, van vreugde en leed, van instincten en hartstochten. Wanneer het leven zich begint te verinnerlijken, gaan we in de geesteswetenschap spreken van astraallijf. Dat is het derde wezensdeel van de mens het derde wezensdeel van de dieren.

Blz. 73-74

Wann sprechen wir von einer tierischen oder menschlichen Seele oder von einem Astralleib? Dann, wenn zu der äußeren Erscheinung inneres Leben, inneres Erleben hinzukommt. Auf das Innere kommt es an. Wenn Sie eine Pflanze sehen, sie berühren, und diese Pflanze zieht ihre Blätter zusammen, so ist ein Reiz auf die Pflanze ausgeübt, und diese zeigt Ihnen eine gewisse Antwort auf diesen Reiz. Diese Antwort eine Seelenäußerung zu nennen, ist der unglaublidiste Dilettantismus. Nicht dann schon darf man von Seele oder Astralleib sprechen, wenn irgendeine Gegenwirkung stattfindet; sonst müssen Sie auch dem Lackmuspapier, wenn es sich in der Säure rötet, Seele zuschreiben. Nicht auf irgendeine äußere Reaktion kommt es an, sondern ob im Innern eines solchen Wesens etwas geschieht. Wenn Sie ein Wesen anstoßen und es zeigt Ihnen eine Formveränderung oder sonst irgendeine äußere Reaktion, so mögen Sie das Lebenserscheinung nennen; aber da von Empfindung oder Seele zu reden, heißt alle Begriffe auf den Kopf stellen.

Wanneer hebben we het over een dierlijke of menselijke ziel of over een astraallijf? Wanneer er bij de uiterlijke verschijning innerlijk leven, innerlijk beleven bijkomt. Op het innerlijk komt het aan. Als je een plant ziet, aanraakt en deze plant trekt zijn bladeren samen, dan is er een prikkel op de plant uitgeoefend en dit toont je een bepaalde reactie op deze stimulus. Dit antwoord een uitdrukking van de ziel te noemen is het meest ongelooflijke dilettantisme.  Als er een tegenactie plaatsvindt, kan je niet al spreken van ziel of astraallijf; anders moet je ook het lakmoespapier als het in het zuur rood wordt, een ziel toedichten. Het hangt niet af van een externe reactie, maar of van binnen in zo’n wezen iets gebeurt. Wanneer je een wezen aanstoot en het toont je een verandering van vorm of een andere externe reactie, mag je dat een levensverschijnsel noemen; maar om daar te spreken van gevoel of ziel, betekent alle begrippen op zijn kop zetten.

Von Seele oder Astralleib kann man erst sprechen, wenn zu dem, was äußerlich vorgeht, im Innern ein neues Ereignis, eine neue Tatsache hinzukommt, wenn auf einen Stoß oder Druck Schmerz oder ein anderer Reiz hinzukommt, etwas, was als Freude erlebt wird. Das, was ein Wesen zum Seelenwesen macht, sind nicht die Äußerungen, die es nach außen kundgibt, sondern die Vorgänge, die es in seinem Innern erlebt. Erst wo die Empfindung anfängt, wo das Leben sich innerlich umwandelt in Lust und Leid, wo irgendein Gegenstand draußen nicht bloß eine Anziehung ausübt auf irgendein Wesen, sondern wo im Inneren des Wesens ein Erlebnisgegenüber dem äußeren Gegenstand auftritt, erst da können wir von Seele oder Astralleib sprechen. Wenn eine Pflanze sich spiralförmig um einen Stab oder Stock windet, so sind das Wirkungen, die die Antwort auf Reize sind: Lebenserscheinungen. Selbst wenn es bei manchen Pflanzen vorkommt, daß wenn Sie einen Finger in ihre Nähe 

Van ziel of astraallijf kan je pas spreken, wanneer er, bij wat uiterlijk gebeurt,  innerlijk er een nieuw effect is, er een nieuw feit bijkomt; wanneer er na een duw of druk, pijn of een andere prikkel bijkomt, of iets dat als vreugde wordt beleefd. Wat een wezen tot een zielenwezen maakt, zijn niet de uitingen die het naar buiten vertoont, maar de processen die het in zijn innerlijk doormaakt.
Pas waar de gewaarwording begint, waar het leven innerlijk wordt omgezet in plezier en verdriet, waar een of ander object buiten, niet alleen maar een aantrekkingskracht uitoefent op een ander willekeurig wezen, maar waar in het innerlijk van dat wezen een beleving t.o.v. dat uiterlijke voorwerp optreedt, dan pas kunnen we van ziel of astraallijf spreken. Wanneer een plant zich spiraalvormig rond een staak of stok windt, zijn dat effecten die het antwoord zijn op prikkels: manifestaties van het leven. Ook al komt het bij sommige planten voor, dat als je een vinger in de buurt houdt,

Blz. 74

bringen, sie dem Finger und nicht dem Stabe folgt, so haben Sie es nicht mit einem inneren Vorgang zu tun. Von einem solchen kann erst die Rede sein, wenn ein Trieb im Inneren des Wesens sich regt und es dann mittels dieses Einflusses dem Reize folgt. Wer diese Dinge nicht strikt unterscheidet, ist unfähig, sich zu dem Begriffe der Seele, des Astralleibes, zu erheben. Diese hat der Mensch gemeinschaftlich mit den Tieren, nicht mehr aber mit den Pflanzen.

ze de vinger en niet de stok volgt, dan heb je ook niet met een innerlijk proces te maken. Daarvan kan alleen worden gesproken als er een aandrift in het innerlijk van het wezen in beweging komt en dat die middels deze invloed de prikkels volgt. Wie deze dingen niet strikt onderscheidt, is niet in staat, bij het begripsniveau van ziel, van straallijf te komen. Dit heeft de mens gemeenschappelijk met de dieren, echter niet meer met de planten. 

Voordracht 4, München 18 maart 1908 (i.p.v. Berlijn 14 november 1907)

Mann und Weib im Lichte der Geisteswissenschaft

Man en vrouw in het licht van de geesteswetenschap

Blz. 93

Denn das, was man physisch-sinnlich am Menschen sieht, ist der Geisteswissenschaft nur ein Glied der ganzen Wesenheit, der physische Leib.
Darüber hinaus unterscheidet Geisteswissenschaft den ätherischen Leib oder den Bildekräfteleib, den der Mensch mit Pflanzen und Tieren gemein hat.
Als drittes Glied der menschlichen Wesenheit erkennt sie dasjenige,
was Träger ist von Lust und Leid, was da lebt in unseren Empfindungen und Gefühlen, den Astralleib oder Seelenleib, den der Mensch mit den Tieren gemein hat.

Wat men fysiek-zintuiglijk aan de mens ziet, is in de geesteswetenschap maar een onderdeel van het hele wezen van de mens, het fysieke lichaam.
Daar boven onderscheidt de geesteswetenschap het etherisch lichaam of vormkrachtenlichaam dat de mens gemeenschappelijk heeft met planten en dieren.
Als derde deel van het mensenwezen onderkent ze dat wat de drager is van plezier en verdriet, wat er in onze gewaarwordingen en gevoelens leeft: het astraallijf of zielenlijf dat de mens gemeenschappelijk heeft met de dieren.
GA 56/93
Niet vertaald 

Voordracht 7, Berlijn 9 januari 1908

Mann, Weib und Kind im Lichte der Geisteswissenschaft

Man, vrouw en kind in het licht van de geesteswetenschap

Blz. 161

Nach der Geisteswissenschaft ist der physische Leib nur ein Kleid der
ganzen menschlichen Existenz.
Den Ätherleib hat der Mensch gemeinsam mit dem, was lebt als Tier und Pflanze.
Der Astralleib, den auch die Tiere haben, umfaßt alles Seelische, vom niedersten Trieb bis hinauf zu den höchsten moralischen Ideen.

Volgens de geesteswetenschap is het fysieke lichaam slecht een omhulsel van de totale menselijke existentie.
Het etherlijf heeft de mens gemeenschappelijk met dat wat als dier en plant leeft.
Het astraallijf dat ook de dieren hebben, omvat alles wat de ziel betreft, van de laagste drift tot aan de meest hoogstaande morele ideeën.
GA 56/161
Niet vertaald

Voordracht 9, München s december 1907 (i.p.v. Berlijn 13 februari 1908)

Der Krankheitswahn im Lichte der Geisteswissenschaft

De waan van ziek te zijn in het licht van de geesteswetenschap

Blz. 196

Für die Geisteswissenschaft ist das, was uns entgegentritt, nur ein Äußeres. Der menschliche Leib ist ein Glied unter anderen Gliedern der menschlichen Wesenheit, das er gemein hat mit allen andern ihn umgebenden Wesen. Darüber hinaus hat er den Ätherleib, der den physischen Leib wie bei jedem Lebewesen durchdringt, der ein Kämpfer ist gegen den Zerfall des physischen Leibes.
Das dritte Glied ist der astralische Leib, der Träger von Lust und Unlust,
Freude und Schmerz, Leidenschaft und Begierde, der niedrigsten Triebe sowie der höchsten Ideale. Ihn hat der Mensch nur gemeinsam mit der Tierwelt.

Voor de geesteswetenschap is dat wat we onder ogen komen, slechts iets uiterlijks. Het menselijk lichaam is een deel naast andere delen van het mensenwezen, dat het gemeenschappelijk heeft met andere wezens die hem omringen.
Daar bovenuit heeft hij het etherlijf die het fysieke lichaam zoals bij elk wezen dat leeft doordringt, dat een strijder is tegen het verval van het fysieke lichaam.
Het derde deel is het astrale lijf, de drager van lust en onlust, vreugde en verdriet, passie en begeerte, de laagste driften alsook de hoogste idealen. Dat heeft de mens alleen samen met de dieren.
GA 56/196
Niet vertaald

voordracht 10, München 5 december 1907, i.p.v. Berlijn 27 februari 1908

Das Gesundheitsfieber im Lichte der Geisteswissenschaft

Koortsachtig streven naar gezondheid in het licht van de geesteswetenschap

Blz. 213

Der physische Leib ist nur ein Teil der menschlichen Wesenheit. Diesen hat er gemeinschaftlich mit der ganzen leblosen Natur.
Aber er hat als zweites Glied den Äther- oder Lebensleib, den er gemeinsam hat mit allem, was lebt. Dieser ist ein fortwährender Kämpfer gegen alles, was den physischen Leib zerstören will. In dem Augenblicke, wo der Ätherleib den physischen Leib verlassen würde, wäre der physische Leib ein Leichnam. 

Das dritte Glied ist der astralische Leib, den er mit den Tieren
gemeinschaftlich hat, der Träger von Lust und Leid, von jeder Empfindung und Vorstellung, von Freude und Schmerz, der sogenannte Bewußtseinsleib.

Het fysieke lichaam is maar een deel van de het menselijk wezen. Dit heeft hij gemeenschappelijk met de hele levenloze natuur.
Maar als tweede wezensdeel heeft hij het ether- of levenslijf dat hij gemeenschappelijk heeft met alles wat leeft. Dit is een voortdurende strijder tegen alles wat het fysieke lichaam wil verstoren. Op het ogenblik dat het etherlijf het fysieke zou verlaten, zou de mens een lijk zijn.

Het derde deel is het astrale lijf dat hij gemeenschappelijk heeft met de dieren, de drager van plezier en leed, van ieder gevoel en elke voorstelling, van vreugde en smart, het zogenaamde bewustzijnslijf.
GA 56/213
Niet vertaald

Hierboven maken we kennis met een nieuw karakteristiek van het astraallijf: het bewustzijnslijf.

.

Voordracht 12, Berlijn 26 maart 1908

Sonne, Mond und Sterne

Zon, maan en sterren

Blz. 261

Weil der Astralleib hineingegliedert ist in die viel leichtere Substantialität der astralen Welt, kann die Sternenwelt ihn stärker beeinflussen. Wie im Wachen die physischen Kräfte auf den physischen Leib wirken, so wirkt nun die nähere und weitere Sternenwelt auf den Astralleib, denn der Mensch ist herausgeboren aus dem Weltenall, aus demselben Weltengeiste wie der Sternenraum.

Omdat het astraallijf geïntegreerd is in de veel lichtere substantie van de astrale wereld, kan de sterrenwereld dit sterker beïnvloeden. Zoals bij het ontwaken de fysieke krachten op het fysieke lichaam inwerken, zo werkt de sterreenhemel van dichterbij en verder weg op het astraallijf, omdat de mens werd geboren uit het universum, uit dezelfde kosmische geest als de sterrenhemel.
GA 56/261
Niet vertaald

Hoewel niet met die woorden gezegd, zien we in deze opmerking weer de relatie van het woord ‘astrale, astraal’, met de wereld van de sterren. 
Astra is het meervoud van astrum dat ster betekent, ook onsterfelijkheid.
Ook in het dagelijks leven is astra gekozen als naam om iets met de hemelruimte aan te duiden.

Voordracht 14, Berlijn 16 april 1908

Die Hölle

De hel

Blz. 298

Den Träger von Lust und Leid, von Instinkten und Leidenschaften, von auf und ab wogenden sinnlichen Empfindungen nennen wir den astralischen Leib,

De drager van lust en leed, van instincten en hartstochten, van opkomende en wegebbende gevoelens noemen we het astrale lijf ( )
GA 56/298
Niet vertaald

Blz. 301

Fassen wir jetzt ins Auge, wie der astralische Leib, der Träger von Trieben, Begierden und Leidenschaften, wirken kann. Wir können uns aus logischen Erwägungen heraus eine Vorstellung dieses Wirkens des astralischen Leibes
bilden. Nehmen wir einmal eines der gewöhnlichen Erlebnisse, das Erlebnis eines Feinschmeckers, der Genuß an einer leckeren Speise hat. Wodurch kommt der Genuß zustande? Leicht könnte ihn jemand bloß dem physischen Leib zuschreiben wollen. Das wäre aber ein Unding. Nicht der physische Leib, sondern der astralische Leib ist der Träger von Begierden, von Lust und Leid. Den Genuß hat der astralische Leib, und er ist es auch, der die Begierde nach
der leckeren Speise entwickelt. Der physische Leib ist ein

Laten we eens kijken hoe het astrale lijf, de drager van driften, begeertes en hartstochten kan werken. We kunnen met logische overwegingen een voorstelling maken van hoe het astrale lijf werkt. Laten we eens een gewone ervaring nemen, de ervaring die een fijnproever heeft, die van een heerlijk eten geniet. Hoe komt dat genieten tot stand? Makkelijk zou iemand dat maar zo aan het fysieke lichaam kunnen toeschrijven. Maar zo zit het niet. Niet het fysieke lichaam, maar het astrale lijf is de drager van begeerten, van plezier en verdriet. Het astrale lijf geniet en dit ontwikkelt ook de zin in dat lekkere eten. Het fysieke lichaam is een

Blz. 302 

Apparat von physischen Stoffen, von physischen und chemischen Kräften. Er liefert das Werkzeug dafür, daß der astralische Leib diese Begierden befriedigen kann. Das ist das Verhältnis im Leben zwischen dem astralischen Leib und dem physischen Leib. Der astralische Leib schreit nach Befriedigung seiner Begierden, und der physische Leib liefert ihm die Werkzeuge, den Gaumen, die Zunge und so weiter, durch die er seine Begierden befriedigen kann.

apparaat van fysische stoffen, van fysische en chemische krachten. Het levert het werktuig zodat het astrale lijf deze begeerten kan bevredigen. Dat is de relatie in het leven tussen het astrale lijf en het fysieke lichaam. Het astraallijf schreeuwt om de bevrediging van zijn begeerten en het fysieke lichaam levert hem het gereedschap, het verhemelte, de tong enz., waardoor hij zijn begeerten kan bevredigen.
GA 56/301-302  
Niet vertaald

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het astraallijf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2971-2788

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 9e – 11e klas – boetseren

.

9e – 11e klas – boetseren
.

In de mens leeft de innerlijke drang, het innerlijke verlangen om vormend in de ruimte, scheppend bezig te zijn. Dit plezier in het omgaan met het natuurlijke materiaal klei is ook al in de kindertijd duidelijk te ervaren. Onervaren, met volledige overgave vormt het kleine kind zijn innerlijke beelden. Of het nu een schelp is of een dier, de vraag is niet: is dat mooi, klopt dat? In plaats daarvan doet het gewoon en leeft het in het doen en is het blij met wat er is gebeurd. De situatie is later bij het ingaan van de puberteit anders, wanneer de jongere zijn werken intellectueel en emotioneel bekijkt en beoordeelt.

9e klas

Na enkele plastische oefeningen is het hoofdthema van het 9de leerjaar het boetseren van dierfiguren. De leerlingen hebben nog steeds een natuurlijke, oprechte sympathie voor de wereld van de dieren. Door dit thema kan een aanvankelijke afkeer van het materiaal en het doen overwonnen worden. Het tweede oefengebied is de draaischijf: het bewegen en het omhoog werken van het werkstuk, het creëren van een binnenruimte die zowel binnen als buiten oppervlaktespanning heeft.

10e klas

In het 10e leerjaar maken de leerlingen kennis met een ander materiaal, namelijk speksteen. In tegenstelling tot natte klei, die transformaties mogelijk maakt, is serieuze vormverandering beperkt. Het betekent dat de leerling een idee moet hebben van de vorm zodra hij de steen uitkiest.
Een tweede leergebied is het modelleren van “menselijke figuren”.
Het boetseren van een figuur betekent tegelijkertijd het eigen lichaam ervaren en meer bewust worden van hoe het menselijk lichaam is gevormd.

11e klas

Het laatste onderwerp, “het menselijk hoofd”, is een uitdaging, maar de meeste leerlingen kunnen zich in dit werk vinden. Na het bespreken van de verhoudingen en gelaatstrekken van het gezicht, werkt elke leerling zonder model voor zich, waardoor een fantasiehoofd ontstaat. De leerling bepaalt zelf de menselijke trekken en de leeftijd. 

Nu wordt duidelijk welke vaardigheden zich kunnen ontwikkelen in het omgaan met de stof klei.

Het gevoel voor vorm: door het creëren van vormen zie en voel je de wereld van vormen meer gedifferentieerd en intenser.

De kracht van observatie: het oog volgt actief het artistieke proces en onderzoekt en wordt getraind om goed te kijken.

De beleving van de omgeving: Door artistieke creatie leert de leerling de omgeving bewuster waarnemen.

De vorming van de wil: De eerste impuls van de wil ontstaat in het begin wanneer je voor de vormloze massa staat en verondersteld wordt iets uit niets te vormen. Dan is er veel doorzettingsvermogen nodig, ook als je al lang wil stoppen voor het artistieke proces echt afgerond is.

Zelfkritiek: je leert vormfouten herkennen en veranderen.

Fijne motoriek: Het belangrijkste werk wordt gedaan met de vingertoppen.

Creativiteit: het ontwikkelt zich tijdens het doen en blijft als ervaring. Je krijgt steeds meer vertrouwen in je eigen creativiteit.

.

Foto’s: Rudolf Steinerschool Nürtingen – Duitsland.

Deze school heeft als praktische vakken:

boekbinden, scheikunde-practicum, tuinbouw, handwerken, handenarbeid, informatica, koperslaan, schilderen, boetseren, kleding maken, spinnen.

.

Handenarbeidalle artikelen

Klas 9: alle artikelen

Klas 10: alle artikelen

Klas 11: alle artikelen

.
Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

2970-2787

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf – GA 55

.

Uit de voordrachten GA 34  GA 52  GA 53  GA 54  GA 55  GA 56  GA 57  GA 58  GA 59  nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam.

Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58; GA 59  over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.


. In het onderstaande artikel gebeurt dit nu voor het astraallijf.


Steiner gebruikt steeds bepaalde gevoelswoorden waarvan het astraallijf ‘drager’ is.
Die woorden vind je hier verder uitgewerkt doordat er verschillende vertalingen van zijn gegeven.


GA 55


Die Erkenntnis des Übersinnlichen in unserer Zeit und deren Bedeutung für das heutige Leben


Het inzicht in het bovenzintuiglijke in onze tijd en de betekenis voor het leven van nu


Voordracht 2 Berlijn, 25 oktober 1906


Blut ist ein ganz besonderer Saft


Bloed is een heel bijzondere vloeistof


Blz. 46


In der geisteswissenschaftlichen Weltanschauung sehen wir, daß der Mensch, insofern er uns in der Außenwelt für unsere Sinne entgegentritt, insofern er Form und Gestalt ist, nur einen Teil der menschlichen Wesenheit ausmacht, und daß sogar hinter dem physischen Leibe viele andere Wesenheiten sind. Diesen physischen Leib hat der Mensch mit allen um ihn herumliegenden mineralischen, sogenannten leblosen Dingen gemeinschaftlich. Das zweite Glied des Menschen ist also der Ätherleib, den der Mensch gemeinschaftlich mit der Pflanzenwelt hat.


In de geesteswetenschappelijke wereldbeschouwing zien we dat de mens, voor zover hij ons in de buitenwereld tegemoet treedt, in zoverre hij vorm en gestalte is, slechts een deel van het menselijk wezen uitmaakt en dat er zelfs achter het fysieke lichaam vele andere wezens staan. Dit fysieke lichaam heeft de mens samen met alle minerale, zogenaamde levenloze dingen die zich om hem heen bevinden. Het tweede deel van de mens is dan het etherlijf dat de mens gemeenschappelijk heeft met de plantenwereld.


Das dritte Glied ist der sogenannte Astralleib, sehr schön und bedeutungsvoll so genannt,


Het derde wezensdeel is het zgn. astraallijf, heel mooi en zinvol om het zo te noemen


( )  Dem Astralleib obliegt es, im Menschen und im Tiere, das Lebendige zur Empfindungssubstanz aufzurufen, so daß sich innerhalb des Lebendigen nicht bloß Säfte bewegen, sondern daß sich darin dasjenige ausdrückt, was man Lust und Leid, Freude und Schmerz nennt. Damit haben Sie im wesentlichen auch den Unterschied zwischen Pflanze und Tier angedeutet, obwohl es Übergänge gibt.


Het is de taak van het astraallijf in mens en dier het leven tot gewaarwordingssubstantie tevoorschijn te roepen, zodat zich binnen het leven niet alleen vloeistoffen bewegen, maar dat daarin iets tot uitdrukking komt wat je lust en leed, vreugde en pijn noemt. Daarmee heb je in wezen ook het onderscheid tussen plant en dier aangegeven, hoewel er overgangen bestaan.


We zagen bij het etherlijf al, dat dit zo wordt beschreven dat het – als krachtencomplex in staat is, de fysieke stoffen bij elkaar te houden, dus als een aparte ‘zelfstandigheid’. Het brengt iets teweeg, het veroorzaakt iets. Ditzelfde zien we in de woorden over het astraallijf terug. Als een complex van (andere) krachten is het in staat ‘in het levende’ ‘iets’ om te vormen – zodanig dat we iets gewaarworden, iets merken, iets voelen – Steiner noemt het hier ‘gewaarwordingssubstantie’.


Blz. 48


Eine neue naturwissenschaftliche Forschergruppe hat geglaubt, auch den Pflanzen im direkten Sinne Empfindung zuschreiben zu sollen. Das ist aber nur ein Spiel mit Worten. Es ist für gewisse Pflanzen selbstverständlich, daß sie Erregungszustände haben, wenn etwas in ihre Nähe kommt, wenn etwas auf sie einwirkt. Das ist aber keine Empfindung. Es muß im Innern des Geschöpfes ein Bild auftauchen als Reflex der Erregung. Wenn auch bei gewissen Pflanzen eine Gegenwirkung auf einen äußeren Eindruck geschieht, so ist das doch noch kein Beweis dafür, daß die Pflanze auch innerlich einen solchen Reiz zu einer Empfindung erhebt, daß sie ihn innerlich erlebt. Dasjenige, was man innerlich erlebt, hat seinen Sitz im Astralleibe. So sehen wir also, daß das, was bis zum Tier heraufkam, aus dem physischen Leib, dem Äther- oder Lebensleib und dem Astralleib besteht.


Steiner spreekt hier over een ‘nieuwe onderzoeksgroep’. Dat nieuwe was er dus in 1906, t.t.v. de voordracht. Nu, zo’n kleine 120! jaar later, zijn er ook weer onderzoekers die beweren wat hieronder staat. Ze vonden dat er in de bodem een groot netwerk bestaat van m.n. schimmels, die – als ware het internet – met elkaar ‘communiceren’. Het wordt wel het ‘wood wide web’ genoemd. In deze context wordt aan (planten)schimmels dan ook ‘gevoel’ toegedicht.


Een nieuwe natuurwetenschappelijke onderzoeksgroep gelooft aan de planten in directe zin ‘gewaarwording’ te kunnen toeschrijven. Maar dat is slechts een spel met woorden. Voor bepaalde planten is het vanzelfsprekend dat ze in een staat van geprikkeldheid, van ‘gevoelig voor’ kunnen raken, wanneer er iets in hun omgeving komt dat op hen van invloed is. Maar dat is geen gewaarwording. In het innerlijk van het wezen moet een beeld kunnen ontstaan als reflex op de geprikkeldheid. Ook al vindt bij bepaalde planten een tegenwerken plaats als antwoord op een bepaalde indruk, dan is dat nog geen bewijs dat de plant ook innerlijk zo’n prikkel tot een gewaarwording maakt, dat hij deze innerlijk beleeft. Wat je innerlijk beleeft, is gelegen in het astraallijf.  We zien dus dat wat tot dier geworden is, bestaat uit het fysieke lichaam, het ether- of levenslijf en het astraallijf. 
GA 55/46-47
Vertaald /46-48


Sehen wir uns die Pflanze an als das Wesen, das schon den Ätherleib hat, welcher die physischen Stoffe heraufholt zum Leben, das heißt dasjenige, was sinnliche Materie ist, in Lebenssäfte verwandelt. Was ist es, das so die sogenannten leblosen Kräfte in die Lebenssäfte umgestaltet? Wir nennen es den Ätherleib, und dieser Ätherleib tut dasselbe im Tier und dasselbe auch im Menschen; er ruft dasjenige, was bloß sinnlich ist, zu lebendiger Konfiguration, zu lebendiger Gestaltung auf. Dieser Ätherleib wird wieder durchsetzt von dem Astralleib.


Beschouwen we de plant als een wezen dat het etherlijf bezit dat de fysieke stoffen om te leven in zich opneemt, d.w.z. wat zintuiglijke materie is, om te zetten in leven. Wat verandert de zogenaamde levenloze krachten in levenssappen? Wij noemen dat het etherlijf, en hetzelfde doet het dier en ook in de mens; het roept dat wat slechts zintuiglijk is, te voorschijn tot een levende opbouw, tot een levende gestalte. Dit etherlijf wordt op zijn beurt weer doordrongen door het astraallijf. 


Der Ätherleib wandelt unorganische Substanz in Lebenssäfte um.


Het etherlijf vormt de organische substantie in levenssappen om.


dieser Ätherleib tut dasselbe im Tier und dasselbe auch im Menschen; er ruft dasjenige, was bloß sinnlich ist, zu lebendiger Konfiguration, zu lebendiger Gestaltung auf. Dieser Ätherleib wird wieder durchsetzt von dem Astralleib. Und was macht dieser Astralleib? Er ruft die bewegte Substanz zum innerlichen Miterleben des Kreislaufs der stofflichen Säftebewegung auf, so daß sich die äußere Bewegung in innerlichen Erlebnissen spiegelt. Wir sind damit so weit gekommen, daß wir den Menschen begreifen, insofern er in das Tierreich hineingestellt ist. Alle Substanzen, aus denen der Mensch zusammengesetzt ist, finden Sie auch draußen in der leblosen Natur: Sauerstoff, Stickstoff, Wasserstoff, Schwefel, Phosphor und so weiter. Soll das, was umgewandelt ist durch den Ätherleib in lebendige Substanz, zu innerlichem Erfassen, zur Schaffung innerer Spiegelbilder von dem, was außen vorgeht, aufgerufen werden, so muß der Ätherleib von dem, was wir Astralleib nennen, durchdrungen werden. Der Astralleib ruft die Empfindung hervor. Aber jetzt, auf dieser Stufe ruft der Astralkörper die Empfindung in ganz besonderer Weise hervor. Der Ätherleib wandelt unorganische Substanz in Lebenssäfte um, der Astralleib wandelt diese lebendige Substanz in empfindende Substanz um.


( ) dit etherlijf doet in het dier en in de mens hetzelfde (als in de plant); het roept dat wat slechts zintuiglijk is, te voorschijn tot een levende opbouw, tot een levende gestalte. Dit etherlijf wordt op zijn beurt weer doordrongen door het astraallijf. En wat doet het astraallijf? Het stimuleert de substantie die beweegt tot een innerlijk meebeleven van de circulatie van de  bewegingen van de stoffelijke vloeistoffen, zodat zich die uiterlijke beweging spiegelt in innerlijke belevingen. Nu zijn we hier gekomen dat we de mens begrijpen, voor zover hij in het dierenrijk staat. Alle stoffen waaruit de mens is opgebouwd, vind je ook buiten in de levenloze natuur: zuurstof, stikstof, waterstof, zwavel, fosfor enz. Wil dat wat door het etherlijf omgevormd is in levende substantie, gestimuleerd worden tot het vormen van spiegelbeelden van hetgeen er buiten zich afspeelt, dan moet het etherlijf doordrongen worden door wat we astraallijf noemen. Het astraallijf roept de gewaarwording op. Maar op dit niveau roept het astrale de gewaarwording op een heel bijzondere manier op. Het etherlijf verandert anorganische stoffen in levenssappen, het astraallijf verandert deze levende substantie in gewaarwordende substantie.
GA 55/50-51
Niet vertaald


Voordracht 3 Berlijn, 8 oktober 1906


Der Ursprung des Leides


De oorsprong van het lijden


Blz. 73


Wir wissen aber auch, daß dieser physische Körper aufgerufen wird zum Leben durch das, was wir den sogenannten Äther- oder Lebensleib nennen; (  ) Wir betrachten den zweiten Teil der menschlichen Wesenheit, den Ätherleib, als etwas, was der Mensch gemeinschaftlich hat mit der übrigen Pflanzenwelt. Als das dritte Glied der menschlichen Wesenheit betrachten wir den Astralleib, den Träger von Lust und Unlust, von Begierde und Leidenschaft, den der Mensch mit der Tierheit gemeinsam hat


We weten echter ook dat in dit fysieke lichaam het leven tevoorschijn wordt geroepen door wat wij het zogenaamde ether- of levenslijf noemen; ( ) Wij zien het tweede deel van het mensenwezen, het etherlijf, als iets wat de mens gemeenschappelijk heeft met de verdere plantenwereld. Als derde menselijk wezensdeel kijken we naar het astraallijf, de drager van lust en onlust, van begeerte en hartstocht, dat de mens gemeenschappelijk heeft met het dierenrijk. 
GA 55/73
Niet vertaald  


Voordracht 5, Berlijn 13 december 1906


Wie begreift man Krankheit und Tod?


Hoe kan je ziekte en dood begrijpen?


Blz. 104-105


Das physische Prinzip arbeitet nur teilweise am physischen Organismus des Menschen, in einem anderen Teil ist im wesentlichen der Ätherleib tätig,


Het fysieke principe werkt maar voor een deel aan de fysieke organisatie van de mens; in een deel is hoofdzakelijk het etherlijf werkzaam.


Blz. 105


( ) erstens haben wir den äußerlich sichtbaren physischen Körper, als zweites den Äther- oder Lebensleib, sodann den Astralleib,


ten eerste hebben we het uiterlijk zichtbare fysieke lichaam; als tweede het ether- of levenslichaam, en dan het astraallijf ( ) 


Dann müssen wir uns klar sein, daß im physischen Leibe dieselben Kräfte und Stoffe vorhanden sind wie in der physischen Welt draußen und daß in dem Ätherleib das liegt, was diese Stoffe zum Leben aufruft, und daß der Mensch seinen Ätherleib mit der ganzen Pflanzenwelt gemeinschaftlich hat. Der Astralleib, den der Mensch mit den Tieren gemein hat, ist der Träger des ganzen Gefühlslebens, von Begierden, Lust und Unlust, Freude und Schmerz


Dan moeten we helder hebben dat in het fysieke lichaam dezelfde krachten en stoffen aanwezig zijn als in de fysieke wereld buiten ons en dan dat er in het etherlijf datgene zit wat deze stoffen tot leven wekt en dat de mens zijn etherlijf met de hele plantenwereld gemeenschappelijk heeft. Het astraallijf dat de mens met de dieren gemeenschappelijk heeft, is de drager van ons gevoelsleven, van begeerten, lust en onlust, vreugde en smart.


Blz. 106


Der Astralleib ist der Schöpfer des ganzen Nervensystems, bis hinauf zum Gehirn und zu den Strängen, die in Form von Sinnesnervensträngen zum Gehirn gehen.


Het astraallijf is de vormgever van het hele zenuwsysteem, tot aan de hersenen en de strengen in de vorm van zenuw-zintuigstrengen die naar de hersenen lopen aan toe. 
GA 55/104-106
Niet vertaald


Voordracht 6, Berlijn 10 januari 1907 (zie nadere opmerkingen. N.B. dit is niet het bekende boekje met dezelfde titel, vertaald bij Pentagon): dat is een geschreven artikel uit GA 34)


Die Erziehung des Kindes vom Standpunkt der Geisteswissenschaft


De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie


Blz. 119


Ihm zeigt sich als zweites Glied im Menschen der Ätherleib, ein geistiger Or­ganismus, der wesentlich feiner ist als der physische. Er hat nichts mit dem physikalischen Begriff von Äther zu tun und wird besser nicht als ein Stoff, sondern als eine Summe von Kräften, als eine Summe von Strömungen, von Kraftwir­kungen beschrieben. Er ist aber der Architekt des aus ihm heraus kristallisierten physischen Leibes, welcher sich aus ihm herausentwickelt wie etwa das Eis aus dem Wasser. So müssen wir uns vorstellen, daß alles, was am Menschen physischer Leib, physischer Organismus ist, herausgebildet ist aus dem Ätherleib. Diesen haben wir gemeinsam mit allen lebenden Wesen, mit der Pflanzen- und Tierwelt. Er hat eine ähnliche Form wie der physische Leib, seine Form und Größe schließen sich der Form und Größe desselben an. An den unteren Teilen aber ist er verschieden, bei den Tieren ragt er weit heraus. Man beschreibt hiermit, was man als Ätherkörper kennt, etwa so, wie man einem Blinden sagt, eine Farbe ist blau oder rot. Ebensowenig wie dem Sehenden dies phantastisch erscheint, ist für den, welcher die in jedem Menschen schlummernden Fähigkeiten entwik­kelt, Phantasie in dem Beschriebenen.


( ) Het tweede deel van de mens, het etherlijf, is een geestelijk organisme, dat wezenlijk fijner is dan het fysieke. Het heeft niets te maken met het natuurkundige begrip ether en het is beter niet over stof te spreken, maar over een totaliteit van krachten, een totaliteit van wat stroomt, van krachtwerkingen. Het is echter de architect van het uit hem gekristalliseerde fysieke lichaam, dat zich uit hem ontwikkelde, zoiets als ijs uit water. Zo moeten we ons voorstellen dat alles wat aan de mens fysiek lichaam, fysiek organisme is, zijn vorm krijgt vanuit het etherlijf’. Dit hebben wij gemeen met de planten- en dierenwereld. Het heeft net zo’n vorm als het fysieke lichaam; de vorm en de grootte sluiten aan bij de vorm en de grootte daarvan. De onderste delen echter verschillen; bij de dieren bevindt het zich ver daarbuiten. Wat men als etherlijf kent, beschrijft men net zo, als wanneer men aan een blinde zegt dat een kleur blauw of rood is. Net zo min als dit voor iemand die zien kan, onzin is, zo is voor degene die de in ieder mens sluimerende vaardigheden ontwikkelt, deze beschrijving onzin.


Als drittes Glied des menschlichen Wesens erkennen wir den Astralleib, den Träger von all dem, was wir Leidenschaften, niedere und zum Teil auch höhere nennen, alles, was der Mensch an Lust und Leid, Freude und Schmerz, Begierde und Trieb in sich trägt. Der Astralkörper ist Träger auch der gewöhnlichen Gedankenwelt, der Willensimpulse. Er wird wiederum durch die Entwicklung höherer Sinne geschaut.Er umgibt den Menschen wie eine Art Wolke, die den physischen und Ätherleib durchsetzt. Ihn haben wir mit der ganzen Tierwelt gemein. Alles in ihm ist Bewegung, alles spiegelt sich in ihm ab, was an Gemütsbewegungen sich vollzieht. Warum hat er den Namen «Astral»? Wie


Als derde deel van het mensenwezen onderkennen we het astraallijf, de drager van alles wat wij lagere en voor een deel ook hogere hartstochten noemen, alles wat de mens aan lust en leed, vreugde en verdriet, begeerte en drift in zich draagt. Het astraallijf is de drager van de alledaagse gedachtewereld, van de wilsimpulsen. Ook dit wordt door de hogere zintuigen waargenomen. Het bevindt zich om de mens heen als een soort wolk die het fysieke en het etherlijf doordringt. We hebben het gemeenschappelijk met het hele dierenrijk. Alles is in het astraallijf beweging; alle gemoedsbewegingen spiegelen zich daarin af.  Waarom heet het ‘astraal’? 


Blz. 120


der physische Körper durch seine physischen Stoffe mit dem ganzen Erdenkörper zusammenhängt, so steht der Astralleib mit der ganzen die Erde umgebenden Welt der Sterne in Verbindung. Alle die Kräfte, die den Astralleib durchdringen und des Menschen Schicksal und Charakter bedingen, sind deshalb so benannt worden von solchen, die tief hineingeschaut haben in den geheimnisvollen Zusammenhang mit der ganzen die Erde umgebenden Astralwelt.


Zoals het fysieke lichaam door de fysieke stoffen met de hele aarde samenhangt, zo staat het astraallijf met de hele sterrenwereld die rondom de hele aarde is, in verbinding. Al die krachten die het astraallijf doordringen en het lot van de mens en zijn karakter veroorzaken zijn daarom zo genoemd door degenen die diep konden waarnemen in de mysterieuze samenhang van de astraalwereld met de hele aarde waaromheen het zich bevindt. 
GA 55/119-120
Niet vertaald


voordracht 7 Berlin, 24. januari 1907


              Schulfragen vom Standpunkt der Geisteswissenschaft 


Schoolvragen vanuit het standpunt van de geesteswetenschap


Blz. 133


Mit der physischen Geburt wird nur der physische Leib frei; zur Zeit des Zahnwechsels wird der Ätherleib geboren, zur Zeit der Geschlechtsreife der Astralleib.


Met de fysieke geboorte komt alleen het fysieke lichaam vrij; tegen de tijd van de tandenwisseling wordt het etherlijf geboren, tegen de tijd van de geslachtsrijpheid het astraallijf.
GA 55/133
Op deze blog vertaald /133


Voordracht 8. Berlijn, 31 januari 1907


                   Der Irrsinn* vom Standpunkt der Geisteswissenschaf


*Irrsinn heeft verschillende vertalingen: absurditeit, krankzinnigheid, idioterie bijv.


Waanzin* vanuit het standpunt van de geesteswetenschap


Blz. 142/143


Wir unterscheiden folgende physische Teile am Menschen, ( ) erstens rein Physisches, was nach rein physischen Gesetzen gebaut ist, vor allem die Sinnesorgane ( ) zweitens alles das, was mit Verdauung, Wachstum, Fortpflanzung zusammenhängt. Das, was die Kristalle aufbaut, könnte auch den menschlichen Leib aufbauen, aber er wäre dann ein toter Organismus. Der Ätherleib ist der Bildner, der die Verdauungsorgane und so weiter aufbaut. Drittens Nervensystem (Gehirn und Rückenmark): sein Bildner ist der Astralleib,


We onderscheiden de volgende fysieke delen aan de mens, als eerste puur fysiek wat volgens puur fysieke wetten gebouwd is, met name de zintuigorganen ( ) als tweede alles wat met vertering, groei, voortplanting samenhangt. Wat de kristallen opbouwt, kan ook het menselijk lichaam opbouwen, maar dan zou het een dood organisme zijn. Het etherlijf is de vormgever die de spijsverteringsorganen enz. opbouwt. Als derde het zenuwsysteem (hersenen en ruggenmerg): de vormgever daarvan is het astraallijf.
GA 55/ 142-143
Niet vertaald


.


Algemene menskunde: voordracht 1 – over het astraallijf


Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen


Algemene menskundealle artikelen


Rudolf Steineralle artikelen op deze blog


Menskunde en pedagogiealle artikelen


.


2969-2786

.

.

.


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


 


.


                      .

VRIJESCHOOL – 7e klas – tekenen

.

Voor tekenen in klas 7 gaf Rudolf Steiner aan het tekenen van lichamen die elkaar doordringen: 

Zie voor meer voorbeelden: vrijeschool in beeld

7e klasalle beelden

Vrijeschool in beeldalle beelden

7e klas: alle artikelen op vrijeschoolpedagogie

.

2968-2785

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/11)

.

Russisch sprookje

.

Verteltijd ca. 7 min.

.

De tsaritsa als speelman
.

In een zeker land, in een zeker rijk leefden eens een tsaar en een tsaritsa.
Toen hij geruime tijd met haar geleefd had, besloot de tsaar naar het verre, vreemde land te trekken, waar de joden Christus hadden gekruisigd. Hij gaf zijn bevelen aan de ministers, nam afscheid van zijn vrouw en ging op weg.

Na lange of korte tijd kwam hij in het verre vreemde land, waar Christus door de joden was gekruisigd. Daar regeerde echter in die tijd een goddeloze koning. Toen deze de tsaar zag, liet hij hem grijpen en in de gevangenis werpen. In zijn kerkers bevonden zich gevangenen van allerlei slag; ’s nachts waren ze geketend, maar ’s morgens kregen ze op last van de goddeloze koning een haam om hun hals en moesten ze tot de avond de akkers ploegen.
In zulke kwellende omstandigheden bracht de tsaar volle drie jaren door, zonder te weten hoe hij zich moest bevrijden en hoe hij bericht aan de tsaritsa kon sturen. Maar door een toeval kon hij haar toch een briefje doen toekomen. ‘Verkoop ons gehele bezit,’ schreef hij, ‘en koop me los uit de gevangenschap.’

Toen de tsaritsa de brief had ontvangen en gelezen, brak ze in tranen uit: ‘Hoe kan ik de tsaar loskopen? Als ik er zelf heenga, zal de goddeloze koning me zien en me zogenaamd tot vrouw nemen. En de ministers eropaf zenden? Op die valt geen staat te maken.’ En wat bedacht ze erop? Ze knipte haar lange, bruine vlechten af, kleedde zich als een muzikant, nam een goesli, (een mandoline), en ging zonder tegen iemand iets te zeggen op weg naar het verre land.

Ze kwam bij het paleis van de goddeloze koning en speelde daar zo mooi op de goesli, dat je er wel eeuwig naar had kunnen luisteren. Toen de koning deze verrukkelijke muziek hoorde, liet hij de goesli-speler terstond binnenroepen. ‘Gegroet, speelman. Uit welk land en uit welk rijk kom je?’ vroeg de koning. De speelman antwoordde: ‘Al sinds mijn kinderjaren trek ik door de wijde wereld, maak de mensen blij en verdien er mijn brood bij.’ ‘Blijf bij mij een dag, en een tweede, en een derde. Ik zal je er rijkelijk voor belonen.’ De speelman bleef, speelde iedere dag voor de koning, en deze kreeg nooit genoeg van het luisteren. Wat was dat een verrukkelijke muziek! Alle somberheid en alle zwaarmoedigheid werden er terstond als met de hand door weggewist!

Drie dagen bracht de speelman bij de koning door, daarna kwam hij afscheid nemen. ‘Wat kan ik je voor je moeite geven?’ vroeg de koning. ‘Majesteit, geef mij een van uw gevangenen, u hebt er toch zoveel in uw kerkers. En ik heb een makker nodig voor onderweg: altijd trek ik door vreemde, verre landen en dikwijls heb ik dan geen mens om een woord mee te wisselen.’ ‘Alsjeblieft, zoek er maar een uit die je aanstaat,’ zei de koning, en bracht de speelman naar de kerker. Deze bekeek de gevangenen en zocht de gevangen tsaar uit. Samen vertrokken ze, en ten slotte kwamen ze in hun eigen rijk. Daar zei de tsaar ‘Laat me gaan, brave man, want ik ben geen gewone gevangene: ik ben een tsaar. Vraag zoveel losgeld van me als je wilt, ik zal niet zuinig zijn met geld of met boeren.’ ‘Ga met God,’ zei de speelman, ‘ik heb niets van je nodig.’ ‘Wees dan tenminste mijn gast.’ ‘Als het zo eens uitkomt, zal ik komen.’ Daarna namen ze afscheid van elkaar en ieder ging zijns weegs.

De tsaritsa sloeg vlug een kortere weg in en was nog voor haar man thuis; hier trok ze de speelmanskleren uit en kleedde zich weer zoals het behoorde.
Een uur later ontstond er in het paleis veel drukte en rumoer van heen en weer lopende hovelingen die schreeuwden: ‘De tsaar is gekomen!’ De tsaritsa snelde hem tegemoet, maar hij begroette iedereen en gunde haar geen blik. Bij de begroeting van zijn ministers zei hij: ‘Nu ziet u, mijne heren, hoe mijn vrouw is: hier vliegt ze me om de hals, maar toen ik in de gevangenis zat en haar schreef dat ze mijn gehele bezit moest verkopen, deed ze helemaal niets. Waar dacht ze wel aan, dat ze haar man vergat?’
De ministers berichtten: ‘Uwe majesteit, zodra de tsaritsa uw brief had ontvangen, verdween ze op dezelfde dag, en het is niet bekend waar ze zich verborgen heeft gehouden en wat ze al die tijd heeft gedaan. Pas vandaag heeft ze zich weer in het paleis laten zien.’

De tsaar werd zeer boos en beval: ‘Heren, oordeelt mijn ontrouwe vrouw volgens recht en waarheid. Waar mag ze in de wereld hebben rondgezworven? Waarom wilde ze me niet loskopen? U zoudt uw tsaar in der eeuwigheid niet meer hebben gezien als die jonge speelman er niet was geweest. Voor hem zal ik altijd tot God blijven bidden, en het zou me niet te veel zijn hem de helft van mijn rijk af te staan.’
Intussen had de tsaritsa zich weer in de kleren van de speelman kunnen steken; ze ging naar buiten het erf op en begon de goesli te bespelen. Toen de tsaar dit hoorde, snelde hij er heen, nam de muzikant bij de hand, bracht hem in het paleis en zei tegen zijn hovelingen: ‘Dit is de speelman die mij uit de gevangenis heeft bevrijd.’
De speelman wierp zijn bovenkleding af, en allen herkenden terstond de tsaritsa. Toen was de tsaar zeer verheugd; uit vreugde liet hij een feestmaal aanrichten en zette dat een hele week voort.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2967-2785

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf – GA 54

.

Uit de voordrachten GA 34  GA 52  GA 53  GA 54  GA 55  GA 56  GA 57  GA 58  GA 59  nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam.

Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58; GA 59  over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.


 In het onderstaande artikel gebeurt dit nu voor het astraallijf.


Steiner gebruikt steeds bepaalde gevoelswoorden waarvan het astraallijf ‘drager’ is.
Die woorden vind je hier verder uitgewerkt doordat er verschillende vertalingen van zijn gegeven.


GA 54


Die Welträtsel und die Anthroposophie
De wereldvragen en de antroposofie


Voordracht 5, Hamburg, 17 november 1906


Die Frauenfrage


Het vrouwenvraagstuk


Blz. 122


Im Sinne dieser Geisteswissenschaft sprechen wir deshalb von einem zweiten Glied der menschlichen Wesenheit. Es ist dasselbe, was wir in der christlichen Religion bei Paulus als geistigen Leib bezeichnet finden. Wir sprechen vom Äther- oder Lebensleib. Niemals würde sich eine gewisse Summe von chemischen und physikalischen Kräften zum Leben kristallisieren, wenn sie nicht vorzüglich geformt würde von dem, was jeden lebendigen Leib als Lebens- oder Ätherleib durchzieht. So bezeichnen wir dieses zweite Glied als Lebensleib oder Ätherleib. Es ist das, was der Mensch mit der gesamten Pflanzen- und Tierwelt gemeinschaftlich hat


Overeenkomstig met deze geesteswetenschap spreken wij daarom over een tweede deel van het mensenwezen. het is hetzelfde wat wij in de christelijke religie bij Paulus als het geestelijk lichaam benoemd vinden. (: I. Kor. 15, 44 ff.) Wij spreken over ether- of levenslijf. Nooit zal zich een bepaalde hoeveelheid chemische en fysische kracht tot leven kristalliseren wanneer deze niet bij uitstek gevormd zouden worden door wat ieder levend lichaam als levens-, of etherlijf doortrekt. Dus wij noemen dit tweede wezensdeel levenslijf of etherlijf. Dat heeft de mens met de totale planten- en dierenwereld gemeenschappelijk.


Aber eine Pflanze hat nicht dasjenige, was wir Triebe, Begierden und Leidenschaften nennen. Eine Pflanze empfindet keine Lust und kein Leid, denn von Empfindung kann man nicht sprechen, wenn man sieht, daß ein Wesen auf etwas bloß Äußeres reagiert. Man kann von Empfindung nur sprechen, wenn der äußere Reiz sich im Inneren


Maar een plant bezit niet wat wij driften, begeerten en passies noemen. Een plant ondervindt geen lust en geen leed, want je kan niet over gewaarwording spreken, wanneer je ziet dat een wezen op iets reageert dat alleen maar iets uiterlijks is. Je kan van gewaarworden alleen spreken, wanneer de uiterlijke prikkel zich in het innerlijk


Blz. 123


spiegelt, wenn er da ist als inneres Erlebnis. Dieser Teil der heutigen Physiologie, der von einem Empfindungsleib der Pflanze spricht, zeigt nur einen ungeheuren Dilettantismus in der Auffassung solcher Begriffe. Da nun, wo das tierische Leben beginnt, wo Lust und Leid, wo Triebe, Begierden und Leidenschaften beginnen, spricht man vom dritten Gliede der menschlichen Wesenheit, von dem astralischen Leib. Ihn hat der Mensch gemeinschaftlich mit der ganzen Tierwelt. 


spiegelt, wanneer die daar een innerlijke beleving wordt. Die tak van de huidige natuurkunde die over een gewaarwordingslichaam bij de plant spreekt, laat slechts een ongelooflijk amateurisme zien bij hoe dergelijke begrippen worden opgevat. Waar het dierlijke leven begint, waar lust en leed, waar drift, begeerte en hartstocht begint, spreek je over het derde wezensdeel van de mens, van het astrale lijf. Dat heeft de mens samen met de hele dierenwereld.
GA 54/122-123
Niet vertaald


Voordracht 9, Berlijn 7 december 1905


Innere Entwicklung


Blz. 216


Der physische Leib ist in hohem Maße dem Rhythmus unterworfen, dem die ganze äußere Natur unterworfen ist. Wie das Pflanzen- und Tierleben in seiner äußeren Form rhythmisch abläuft, so verläuft auch das Leben des physischen Körpers. Das Herz schlägt rhythmisch, die Lunge atmet rhythmisch und so weiter. Alles dies verläuft so rhythmisch, weil es geordnet ist von höheren Gewalten, von der Weisheit der Welt, von dem, was die Schriften den Heiligen Geist nennen.


Innerlijke ontwikkeling


Het fysieke lichaam is in hoge mate onderworpen aan het ritme waaraan de hele uiterlijke natuur onderworpen is. Zoals het planten- en dierenleven in zijn uiterlijke vorm ritmisch verlopen, zo verloopt ook het leven van het fysieke lichaam. Het hart klopt ritmisch, de longen ademen ritmisch enz. Alles verloopt ritmisch omdat het geordend is door hogere krachten, door wereldwijsheid, door wat de heilige geschriften de Heilige Geest noemen.


Die höheren Leiber, und namentlich der Astralleib, sind, ich möchte sagen, in gewisser Weise von diesen höheren geistigen Mächten verlassen und haben ihren Rhythmus verloren. Oder können Sie es leugnen, daß Ihre Betätigung in bezug auf Wünsche, Begierden und Leidenschaften unregelmäßig ist, daß sie gar keinen Vergleich aushält mit der Regelmäßigkeit, die im physischen Leibe waltet? Wer den Rhythmus lernt, der in der physischen Natur liegt, der findet darin immer mehr das Vorbild für die Geistigkeit. Wenn Sie das Herz betrachten, dieses wunderbare Organ mit dem regelmäßigen Schlag und seiner eingepflanzten Weisheit, und vergleichen es mit den Begierden und Leidenschaften des Astralleibes, die alle möglichen Aktionen gegen das Herz loslassen, dann werden Sie erkennen, wie nachteilig die Leidenschaft auf den regelmäßigen Gang desselben wirkt. Ebenso rhythmisch aber, wie die Verrichtungen des physischen Leibes sind, müssen die Funktionen des Astralleibes werden.


De hogere wezensdelen en met name het astraallijf, zijn op een bepaalde manier door deze hogere krachten verlaten en hebben hun ritme verloren. Of kan je ontkennen dat je activiteiten m.b.t. verlangens, begeerten en passies onregelmatig verlopen, dat deze helemaal geen vergelijking kan doorstaan met de regelmaat die in het fysieke lichaam heerst? Wie het ritme leert kennen dat in de fysieke natuur ligt, vindt daarin steeds meer het voorbeeld voor het geestelijke. Wanneer je naar het hart kijkt, naar dit wonderbaarlijke orgaan met de regelmatige hartslag en de wijsheid die daar in gelegd is en je vergelijkt dat met de begeerten en passies van het astraallijf die allerlei aanvallen op het hart plegen, zal je inzien hoe nadelig de hartstocht op de regelmaat van invloed is.  De functies van het astraallijf zouden net zo ritmisch moeten worden als die van het fysieke lichaam.
GA 54/216-217
Niet vertaald


Om het astraallijf meer in het ritme te krijgen, geeft Steiner aanwijzingen. In deze voordracht zegt hij iets over de werking van het vasten.


Voordracht 23, Berlijn 15 februari 1906


Wiederverkörperung und Karma


Reïncarnatie en karma


Blz. 295


Wenn wir mit geistigem Sinn den Menschen betrachten, so steht er nicht als dieser physische Körper vor uns, sondern wir wissen, daß dieser physische Körper nur ein Teil der großen Wesenheit ist, daß hinter ihm etwas ist, was Paulus den geistigen Leib und was der Geisteswissenschafter den Ätherleib nennt. Wie ein Abbild des physischen Leibes ist der Ätherleib, oder besser umgekehrt, der physische Leib ist ein Abbild des Ätherleibes. Das


Wanneer we met een gestemdheid de mens bekijken, staat hij niet voor ons als dut fysieke lichaam, maar weten we dat dit fysieke lichaam slechts een deel is van een groot wezen, dat er achter hem iets is wat Paulus het geestelijke lichaam noemt en wat de geesteswetenschap het etherlijf noemt. Het etherlijf is als een weerspiegeling van het fysieke lichaam of beter: omgedraaid: het fysieke lichaam is een weerspiegeling van het etherlijf.


Blz. 296


ist das zweite Glied der menschlichen Wesenheit, der Ätherleib. Das dritte Glied ist der Astralleib, dasjenige, was der Mensch in sich trägt als Lust und Leid, Freude und Schmerz, Instinkte, Triebe, Leidenschaften und Begierden, alles, was vor uns steht, wenn ein Mensch vor uns steht, was wir aber nicht mit sinnlich-physischen Mitteln sehen, wahrnehmen können. Was sehen wir, wenn ein Mensch vor uns steht? Wir sehen die Haut, deren Farbe und so weiter. Der Anatom kann mit physischen Mitteln noch Knochen, Muskeln, Nerven und so weiter betrachten, aber Lust und Schmerz, Instinkte, Begierden und Leidenschaften, die auch in demselben Räume sind, sind nicht sinnlich wahrnehmbar. Das nennt man den Astralleib ( ). Den Astralleib hat schon das Tier. Es hat Lust, Freude und Schmerz ( )


Dat is het tweede deel van het wezen mens, het etherlijf. Het derde deel is het astraallijf, dat wat de mens in zich heeft als lust en leed, vreugde en verdriet., instinct, drift, hartstocht en begeerte, alles wat we voor ons hebben al er een mens voor ons staat, maar wat we niet met zintuiglijk-fysieke middelen kunnen zien, kunnen waarnemen. Wat zien we als er een mens voor ons staat?  We zien de huid, de kleur ervan enz. De anatoom kan met fysieke middelen nog botten, spieren, zenuwen enz. waarnemen, maar lust en smart, instincten, begeerten en hartstochten die ook binnen diezelfde ruimte aanwezig zijn, zijn niet zintuiglijk waarneembaar. Dat heet het astraallijf. Ook het dier heeft een astraallijf. Het kent ook lust, vreugde en pijn ( )
GA 54/295-296
Niet vertaald


Voordracht 13, Berlijn 22 februari 1906


                                                             Luzifer


                                                            Lucifer


Blz. 319


Zunächst haben wir den physischen Leib des Menschen, dann das Prinzip des Ätherleibes, das belebende, das formende, dann seine Triebe, Begierden und Leidenschaften, das Tierische in ihm;


Allereerst hebben we het fysieke lichaam van de mens, dan het principe van het etherlijf, het leven gevende, het vormende, dan zijn driften, begeerten en hartstochten, het dierlijke in hem.
GA 54/319
Niet vertaald


Voordracht 15, Berlijn 8 maart 1906


 Germanische und indische Geheimlehre


Germaanse en Indische verborgen leer


Blz. 362


Die erste Unterabteilung ist der sogenannte physische Leib, der Leib, den man mit den Augen sehen und mit den andern Sinnen wahrnehmen kann. Das zweite Glied ist der sogenannte Ätherleib. Das ist der Körper, in dem das Leben wohnt. Er ist ungefähr von derselben Gestalt wie der physische Leib, aber als Träger des Lebensprinzips ist er das, was dem physischen Körper zugrunde liegt.


Het eerste deelaspect is het zogenaamde fysieke lichaam, het lichaam dat je met je ogen kan zien en met de andere zintuigen kan waarnemen. Het tweede deel is het zogenaamde etherlijf. Dat is het lichaam waarin het leven woont. Het heeft ongeveer net zo’n vorm als het fysieke lichaam, maar als drager van het levensprincipe is het dat wat aan het fysieke lichaam ten grondslag ligt. 


Das dritte Glied ist der Träger der Gefühle von Lust und Leid, von den Instinkten und Leidenschaften. Wir nennen ihn den Astralleib, und zwar deshalb, weil die Kräfte, die in ihm wirksam sind, für denjenigen, der tiefer in die Welt hineinzuschauen vermag, sich als die Kräfte erweisen, die draußen im Sternenraum, im Astralen, leben und wesenhaft sind.


Het derde wezensdeel is de drager van de gevoelens van lust en leed, van de instincten en hartstochten. We noemen dat het astraallijf en wel omdat de krachten die daarin werken voor degene die intensiever in de wereld kan doordringen, zich als krachten vertonen die buiten in de sterrenruimte, in het astrale, leven en werkelijk zijn.


Blz. 363


Jedes Mineral hat einen physischen Leib. Die Pflanzen haben physischen Leib und Ätherleib, die Tiere haben physischen Leib, Ätherleib und Astralleib.


Ieder mineraal heeft een fysiek lichaam. De planten hebben fysiek lichaam en etherlijf, de dieren hebben een fysiek- ether- en astraallijf.
GA 54/362-363
Niet vertaald


.


Algemene menskunde: voordracht 1 –  over het astraallijf


Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen


Algemene menskundealle artikelen


Rudolf Steineralle artikelen op deze blog


Menskunde en pedagogiealle artikelen


.


2966-2784

.

.

.


 


 


 


 


 


 


 


 


.


                    .  

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (84)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

DE ROEMRUCHTE DADEN VAN robin hood

.

De avonturen van Robin Hood. De daden van de legendarische ‘vogelvrije’ Robin worden door Rosemary Sutcliff in prachtig beeldende taal verteld.
Een kenmerk van een goed verteld verhaal is, dat je allerlei sterk voor je ziet. Als Sutcliff de natuur beschrijft, ruik je bijna de geuren van het bos!
Het zijn spannende avonturen; er is vreugde, humor, maar ook angst en verdriet.
Maar vooral toch ook een soort rechtvaardigheid: Robin hevelde a.h.w. de over de hoofden van de armen verkregen rijkdom van de rijken weer over naar zij die wel wat meer welvaart konden gebruiken.
Dat werd hem door de geestelijkheid en de adel bijv. niet in dank afgenomen, maar onder de armen was hij geliefd en velen sloten zich dan ook bij hem aan.
En zo ontstonden er hechte vriendschappen en zien we wat ‘trouw’ kan betekenen.
Een kunstig geschreven boek, met sfeervolle zwart/wit illustraties.

Rosemary Sutcliff

Ill. Niet aangegeven van wie, behalve van deze omslag: C. Dematons

Uitg. Wolters Noordhoff in de serie ‘Gouden Lijsters’

Boek

Leeftijd rond 11 jr.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs.

.

2965-2783

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf – GA 53

.
Uit de voordrachten GA 34  GA 52  GA 53  GA 54  GA 55  GA 56  GA 57  GA 58  GA 59  nam ik de uitspraken van Rudolf Steiner over het fysieke lichaam.

Omdat Steiner bij zijn uitleg van de dingen vaak ‘het ene op het andere betrekt’, in ‘tegenstellingen’ de verschillen probeert duidelijk te maken waardoor het ‘wezenlijke’ eruit springt, voegde ik de uitspraken uit GA 34GA 52GA 53GA 54GA 55GA 56GA 57GA 58; GA 59  over het fysieke lichaam samen met die over etherlijf.
.


In het onderstaande artikel gebeurt dit nu voor het astraallijf.


GA 53 


Ursprung und Ziel des Menschen; Grundbegriffe der Geisteswisschenschaft


Oorsprong en bestemming van de mens; basisbegrippen van de geesteswetenschap


Voordracht 2, Berlijn 13 oktober 1904                                          


 Die menschliche Wesenheit  


Het wezen van de mens


Blz. 51


Nun ist der Mensch aber subjektiv noch etwas Höheres, er ist auch eine Summe von Gefühlen, von Trieben, von Leidenschaften. Ebenso wie Sie verdauen, fühlen Sie, begehren Sie. Das sind auch Sie! Das nimmt ein Mensch unter gewöhnlichen Verhältnissen aber nicht objektiv wahr. Wenn er seinem Mitmenschen gegenübertritt, sieht er nicht äußerlich sein Gefühl, seineBegierde, seine Leidenschaft, seine Triebe. Wäre der Mensch blind, so würde er eine ganze Summe von physischen Tätigkeiten nicht sehen. Nur dadurch, daß er eine physische Sinnestätigkeit ausüben kann, ist das Physisch-Subjektive für ihn auch objektiv wahrnehmbar. Und weil er eine seelische Sinnestätigkeit zunächst nicht ausübt, ist das Seelisch-Subjektive, das Gefühl, sind die Triebe, die Leidenschaften, die Begierden zwar subjektiv in jedem Menschen vorhanden, wenn er aber seinen Mitmenschen gegenübertritt, kann er das nicht wahrnehmen. 


Nu is de mens, subjectief gezien, nog iets hogers; hij is ook een verzameling van gevoelens, van driften, van hartstochten. Net zoals je voedsel verteert, begeer je. Dat ben je ook! Onder gewone omstandigheden neemt een mens dit niet objectief waar. Wanneer je zijn medemens tegenkomt, ziet hij uiterlijk niet zijn gevoel, zijn begeerten, zijn hartstochten, zijn driften. Als de mens blind zou zijn, zou hij een heleboel fysieke activiteit niet zien. Omdat hij gebruik kan maken van fysieke zintuigactiviteit, is het fysiek-subjectieve voor hem ook objectief waarneembaar. En omdat hij vooralsnog geen activiteit met de zintuigen van de ziel uitoefent, is wat subjectief in de ziel leeft, het gevoel, de driften, de hartstochten, de begeerten, weliswaar subjectief in iedere mens aanwezig, maar wanneer hij zijn medemens tegenkomt, kan hij dat niet waarnemen.


Nun kann er, ebenso wie er ein Auge ausgebildet hat auf physischem Wege, um die Körpertätigkeit wahrzunehmen, sein seelisches Auge ausbilden und die Welt der Triebe, Begierden, Leidenschaften wahrnehmen, kurz, es dahin bringen, das Seelische auch objektiv als Wahrnehmung vor sich zu haben.Diese Welt, in der der Durchschnittsmensch von heute zwar lebt, ohne daß er sie wahrnimmt, die er aber wahrnehmen kann, wenn er durch die entsprechenden Methoden die geeigneten Kräfte bei sich ausbildet, diese Welt nennen wir mit einem theosophischen Ausdruck die astrale oder mit einem deutschen Wort die seelische Welt. Das, was unsere landläufige Psychologie als Seele beschreibt, ist nicht das, was die Theosophie unter seelischem Leben versteht, sondern nur der äußere Ausdruck davon.


Nu kan hij, net zoals hij het oog heeft gevormd langs fysieke weg om de activiteit van het lichaam waar te nemen, ook een oog voor de ziel ontwikkelen en de wereld van de driften, begeerten, hartstochten waarnemen, kortom: hij kan zo ver komen de ziel ook objectief als waarneming voor zich te hebben. Deze wereld, waarin de doorsneemens van nu weliswaar leeft zonder deze waar te nemen, kan hij echter waarnemen, wanneer hij door de daarvoor geschikte methoden de vereiste krachten bij zichzelf ontwikkelt. Deze wereld noemen wij met een antroposofische uitdrukking de astrale wereld of de zielenwereld Wat de alledaagse psychologie als het gevoelsleven beschrijft, is niet hetzelfde als bij de antroposofie, die daaronder slechts alleen de uiterlijke verschijning daarvan verstaat.
GA 53/51
Niet vertaald


Blz. 53


Wenn Sie ein Mineral betrachten, einen toten, leblosen Körper, und ihn mit der Pflanze vergleichen, dann werden Sie sich sagen — und das haben sich alle Menschen gesagt bis um die Wende des 18. zum 19. Jahrhundert, denn da ging der Streit wegen des Ätherkörpers los -, der Stein ist leblos, die Pflanze aber ist lebenerfüllt. Das, was also dazukommen muß, damit die Pflanze nicht Stein sei, das nennt die Theosophie Ätherkörper. Dieser Ätherkörper wird wohl besser mit der Zeit bloß Lebenskraft genannt werden, denn die Äther- oder Lebenskraft ist etwas, wovon die Naturwissenschaft bis ins 19. Jahrhundert hinein gesprochen hat. Die neuere Naturwissenschaft leugnet so etwas wie die Lebenskraft.


Wanneer je een mineraal bekijkt, een dood levenloos ding en dat vergelijkt met een plant, dan zal je zeggen – en dat zei iedereen tot aan de overgang van de 18e naar de 19e eeuw, want toen begon de strijd vanwege het etherlichaam – de steen is levenloos, de plant daarentegen zit vol leven. Dus, wat erbij moet komen, wil de plant geen steen zijn, dat noemt de antroposofie* etherlichaam. Langzamerhand is het wel beter om ‘etherlichaam’ gewoon levenskracht te noemen, want de ether- of levenskracht is iets waar de natuurwetenschap tot in de 19e eeuw over sprak. De natuurwetenschap van de laatste tijd, ontkent zoiets als levenskracht.


Blz. 54


Und je weiter die Naturwissenschaft vorrückt, desto mehr wird sie auch erkennen, daß die Pflanze schon einen solchen Ätherkörper hat, denn sonst könnte sie nicht leben. Auch das Tier und der Mensch haben einen solchen Ätherdoppelkörper. 


Hoe verder de natuurwetenschap zal komen, des te meer zal deze ook erkennen dat de plant al zo’n etherlichaam heeft, want anders zou ze niet kunnen leven. Ook dier en mens hebben zo’n etherdubbellichaam.


Blz. 55


Der physische Leib hat aber noch einen dritten Bestandteil. Den habe ich den Seelenleib genannt. Eine Vorstellung davon können Sie sich machen, wenn Sie sich denken, daß nicht jeder Körper, der lebt, auch empfinden kann. Ich kann mich nicht auf den Streit einlassen, ob die Pflanze auch empfinden kann, das steht auf einem anderen Blatt. Sie müssen das, was man im groben Sinne Empfinden nennt, ins Auge fassen. Was in dieser Art die Pflanze vom Tier unterscheidet, das wollen wir festhalten. Ebenso wie die Pflanze


Het fysieke lichaam bevat echter nog een derde bestanddeel. Dat heb ik het zielenlijf genoemd. Je kan je er een voorstelling van maken door te denken dat niet ieder lichaam dat leeft, ook kan voelen. Ik kan niet op het dispuut ingaan of de plant ook kan voelen, dat is een ander hoofdstuk. We moeten kijken naar wat we grofweg gewaarworden noemen. Wat hier de plant van het dier onderscheidt moeten we vasthouden. Net zoals de plant


Blz. 56


vom Stein unterschieden ist durch den Ätherdoppelkörper, so ist der Leib des Tieres als empfindender Leib wieder verschieden von dem bloßen Pflanzenkörper. Und dasjenige, was im Tierkörper ebenso hinausragt über das bloße Wachsen und Fortpflanzen, dasjenige, was die Empfindung möglich macht, das bezeichnen wir als den Seelenkörper. In dem physischen Leib, in dem Ätherleib und drittens in dem Seelenleib, dem Träger des Empfindungslebens, haben wir nur die äußerliche Seite des Menschen und des Tieres. Damit haben wir das beobachtet, was im Räume lebt. Nun kommt dasjenige, was im Inneren lebt, dasjenige, was wir als empfindendes Selbst bezeichnen. Das Auge hat eine Empfindung und führt sie dahin, wo die Seele die Empfindung wahrnehmen kann. Wir gewinnen hier den Übergang vom Körper in die Seele, wenn wir aufsteigen vom Seelenleib in die Seele, in das unterste Glied der Seele, das bezeichnet wird als Empfindungsseele. Empfindungsseele hat auch das Tier, denn es setzt das, was der Körper ihm zubereitet für die Empfindung, das, was die Seele ihm zubereitet, in inneres Leben, in Seelenleben, in Empfindungen um.


verschillend is van de steen door het etherdubbellichaam, net zo is het lichaam van het dier als gewaarwordend lichaam verschillend van het gewone plantenlichaam. En wat in het dierenlichaam net zo boven het gewone groeien en voortplanten uitgaat, dat wat het gewaarworden mogelijk maakt, bestempelen wij als het zielenlichaam. In het fysieke lijf, in het etherlijf en ten derde in het zielenlijf, de drager van het gewaarwordingsleven, hebben we alleen maar de uiterlijke kant van de mens en het dier. We hebben daarmee bekeken wat in de ruimte leeft. Nu komt, wat innerlijk leeft, dat wat we het gewaarwordende zelf noemen. Het oog wordt gewaar en leidt de gewaarwording naar daar waar de ziel die kan waarnemen . Hier komen we achter de overgang van lichaam naar – tot in – de ziel; we gaan van het zielenlijf naar de ziel, naar het onderste deel van de ziel, dat we gewaarwordingsziel noemen. Die heeft het dier ook, want dat zet, wat het door het lichaam krijgt als gewaarwording, door wat het van de ziel krijgt, in innerlijk leven, gevoelsleven, om.


In de Duitse tekst worden de begrippen ‘Körper’ en ‘Leib’ afgewisseld. ‘Körper’ meestal in de betekenis van ‘omhulling’ en ‘Leib’ meestal als het krachtencomplex. Maar niet altijd en daarom is het lastig vertalen.


Nun kann man aber in der Wahrnehmung beim seelischen Schauen den Seelenleib und die Empfindungsseele nicht getrennt wahrnehmen. Diese stecken sozusagen ineinander und bilden ein Ganzes. Grob kann man vergleichen das, was hier ein Ganzes bildet – den Seelenleib als äußere Hülle und die darin steckende Empfindungsseele -, mit dem Schwert, das in der Scheide steckt. Das bildet für die seelische Anschauung ein Ganzes und wird von der Theosophie Kamarupa oder Astralleib genannt. Das höchste Glied des physischen Leibes und das niederste Glied der Seele bilden ein Ganzes und werden in der theosophischen Literatur Astralleib genannt.


Maar als je met de ziel waarneemt, kun je het zielenlijf en de gewaardingsziel niet gescheiden waarnemen. Die zitten a.h.w. ineen en vormen een geheel. Grofweg kan je wat hier een eenheid vormt  – het zielenlijf als omhulsel en de zich daarin bevindende gewaarwordingsziel – vergelijken met het zwaard dat in de schede zit. Voor de bovenzintuiglijke waarneming vormt dat een geheel en dit wordt in de theosofische literatuur kamarupa of astraallijf genoemd. Het hoogste deel van het fysieke lichaam en het laagste deel van de ziel vormen een eenheid en worden in de theosofische literatuur astraallijf genoemd. 


Blz. 57


Das zweite Glied der Seele ist dasjenige, was das Gedächtnis und den niederen Verstand umfaßt. Das höchste Glied ist dasjenige, was im eigentlichen Sinne das Bewußtsein enthält. Aus drei Gliedern besteht sowohl die Seele wie auch der Leib. Wie der Leib aus physischem Körper, Ätherdoppelkörper und Seelenleib oder Astralkörper besteht, so besteht die Seele aus Empfindungsseele, Verstandesseele und Bewußtseinsseele. Den richtigen Begriff davon kann nur derjenige bekommen, der durch die geisteswissenschaftlichen Methoden die Fähigkeiten ausbildet, die zum wirklichen Schauen führen. Was wir empfinden von den Dingen von außen, das haftet an der Empfindungsseele. Und was wir Gefühl nennen, Gefühl der Liebe, Gefühl des Hasses, Gefühl des Verlangens, also Sympathie und Antipathie, das haftet an dem zweiten Glied der Seele, an der Verstandesseele, an Kamamanas.


Het tweede deel van de ziel is het deel dat het geheugen en het primitievere verstand omvat. Het hoogste deel is het deel dat in de eigenlijke betekenis het bewustzijn omvat. Zowel de ziel als het levende lichaam bestaat uit drie delen. Zoals het levende lichaam bestaat uit fysiek lichaam, etherdubbellichaam en zielenlichaam of astraallichaam, zo bestaat de ziel uit gewaarwordingsziel, verstandsziel en bewustzijnsziel. Een juist begrip daarvan kan alleen degene krijgen die door de geesteswetenschappelijke methoden de vermogens ontwikkelen die tot een werkelijk waarnemen leiden. 
Wat we gewaarworden van de dingen buiten ons, bindt zich aan de gewaarwordingsziel. En wat we gevoel noemen, gevoelens van liefde, van haat, verlangens, dus sympathie en en antipathie, bindt zich aan het tweede deel van de ziel, aan de verstandsziel, aan kamamanas. 


De verstandsziel noemt Steiner vaker in één adem met de ‘gemoedsziel’.


Das dritte Glied, die Bewußtseinsseele, ist dasjenige, was der Mensch nur an einem einzigen Punkte beobachten kann. Das Kind hat in der Regel nur ein
Bewußtsein von den zwei ersten Seelengliedern. Es lebt nur in den zwei Gliedern der Seele, die ich genannt habe, in der Empfindungsseele und in der Verstandesseele, aber es lebt noch nicht in der Bewußtseinsseele. In dieser Bewußtseinsseele fängt der Mensch zu leben an im Verlaufe seines
Kindheitsalters, und dann wird diese Bewußtseinsseele zur selbstbewußten Seele.


Het derde deel, de bewustzijnsziel, is dat wat de mens maar op bepaald ogenblik kan waarnemen. Het kind heeft in de regel slechts bewustzijn van de twee eerste delen van de ziel. Het leeft alleen maar in die twee delen die ik heb genoemd, in de gewaarwordingsziel en in de verstandsziel, maar nog niet in de bewustzijnsziel. Daarin begint de mens pas gedurende zijn kinderleeftijd in te leven en dan wordt deze bewustzijnsziel tot een zelfstandige ziel.
.


Die Seelenwelt


De wereld van de ziel


Voordracht 6, 10 november 1904


Blz. 133


Über der gewöhnlichen Welt liegt eine seelische Welt, die für denjenigen, dessen geistiges Auge erschlossen ist, eine Wirklichkeit bedeutet. Diese seelische Welt wird in der theosophischen Literatur auch die astrale Welt genannt. Man hat viel eingewendet gegen den Ausdruck astrale Welt, weil man glaubte, ein mittelalterliches Vorurteil anzutreffen. Aber nicht umsonst ist diese Welt
astral genannt worden von denjenigen, welche ein Sehvermögen im Seelischen haben. Denn genau ebenso wie Farben und Töne den physischen Sinnen erscheinen, so erscheinen zunächst in dieser astralen Welt als wahre Wirklichkeiten alle diejenigen Tatsachen, die wir zusammenfassen mit den
Ausdrücken: Begierden, Instinkte, Leidenschaften, Triebe, Wünsche und Gefühle. Genau ebenso wie der Mensch verdaut, wie er sieht und hört, so wünscht er, so hat er Leidenschaften, so hat er Gefühle. Er lebt in der Welt der
Leidenschaften, der Triebe und Begierden, der Gefühle und Wünsche, so wie er in der physischen Welt lebt. Und wie das physische Auge, wenn es einem anderen Menschen gegenübertritt, seine physischen Eigenschaften sieht, so sieht das erschlossene geistige Auge das, was wir als seelische Eigenschaften zusammenfassen. Genau ebenso wie die physischen


Boven de gewone wereld bevindt zich de zielenwereld die voor degene bij wie het geestesoog ontsloten is, een realiteit betekent. Deze zielenwereld wordt in de antroposofische literatuur ook astrale wereld genoemd. Er is veel bezwaar gemaakt tegen de uitdrukking astrale wereld, omdat men dacht te maken te hebben met een middeleeuws vooroordeel. Maar door degenen die een vermogen hebben in de ziel waar te nemen, is deze wereld niet voor niets astraal genoemd. Want net zoals kleuren en tonen voor de fysieke zintuigen aanwezig zijn, zo zijn in deze astrale wereld als echte realiteiten al die feiten die wij samenvatten met de uitdrukkingen: begeerten, instincten, hartstochten, driften, wensen en gevoelens, aanwezig. Precies zo als de mens z’n voedsel verteert, hoe hij kijkt en luistert, heeft hij zijn verlangens, zijn passie, zijn gevoelens. Hij leeft in de wereld van de hartstochten, de aandriften en begeerten, van de gevoelens en verlangens, zoals hij in de fysieke wereld leeft. En zoals het fysieke oog, wanneer het een ander mens voor zich ziet, zijn fysieke eigenschappen ziet, zo ziet het geopende geestelijke oog dat wat wij als de zieleneigenschappen samennemen. Net zoals de fysieke


Blz. 132


Sinne die Elektrizität unterscheiden können von dem Licht oder das Licht von der Wärme, so kann das seelisch geöffnete Auge unterscheiden zwischen einem Trieb, einer Begierde, die in der Seele des anderen vorhanden sind, und
dem Gefühl der Liebe, der Hingabe, dem Gefühle des religiösen Frommseins. Wie Wärme und Licht verschieden sind, so sind Liebe und religiöses Frommsein in der Welt des Seelischen verschieden. Und weil für das seelisch geöffnete
Auge diese Eigenschaften aufglänzen wie Farbenerscheinungen, die durchtönt sind wie das Astrale, deshalb sind sie astral genannt worden.


zintuigen elektriciteit kunnen onderscheiden van licht of licht van warmte, zo kan het voor de ziel geopende oog onderscheiden tussen een drift, een begeerte die in de ziel van de ander aanwezig is en het gevoel van liefde, de toewijding, het religieus ernstige gevoel. Zoals warmte en licht verschillend zijn, zo zijn liefde en religieuze ernst dat in de zielenwereld. En omdat voor het oog dat openstaat voor de ziel deze eigenschappen oplichten als kleurverschijnselen waar klanken in doorklinken zoals in het astrale, worden ze astraal genoemd.


Wat dit ‘klinken’ betreft: er zijn voordrachten waarin Steiner beschrijft dat het astraallijf in de nacht in ‘de sterren = astraal’ is, in de sfeer van wat de ‘sferenharmonie’ genoemd wordt:


Wenn man bewuβt in dieser Welt lebt, dann hört man die Sphärenharmonien, dann hört man klingen die Kräfte und Verhältnisse der Sterne zueinander. (Goethe: Die Sonne tönt nach alter Weise)


Wanneer je bewust in de wereld leeft, dan hoor je de sferenharmonieën, dan hoor je de krachten en verhoudingen van de sterren onder elkaar klinken.
Daarover  dichtte Goethe: 



 




De zon wekt met fanfaretonen
het stemmenkoor van het heelal,
en kroont haar omloop door aeonen
met daverend klaroengeschal;
GA 100/37        
Niet vertaald


(Dat het niet om klanken gaat die de fysieke oren kunnen horen, legt Steiner uit in voordracht 12 van GA 53 waarin de astrale wereld vanuit kosmisch perspectief wordt bekeken. En in voordracht 1 van het 2e deel van GA 53)


Wanneer er sprake is van ‘Theosophie’, heeft dat te maken met het feit dat Steiner toen nog deel uitmaakte van de Theosofische Vereniging’. Toen hij zich daarvan had losgemaakt, noemde hij, wat hij voordien theosofie noemde, antroposofie.
De naam veranderde, de inhoud niet.


.


Algemene menskunde: voordracht 1 –  over het astraallijf


Antroposofie: een inspiratie: over het etherlijf [1]   [2]


Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen


Algemene menskundealle artikelen


Rudolf Steineralle artikelen op deze blog


Menskunde en pedagogiealle artikelen


.


2964-2782

.

.

.

.

 


 


 


 


 


 


 


 


 


.




 



 

VRIJESCHOOL – Handenarbeid klas 10 – koperslaan

.

koperslaan

.

Leerlingen van de 10e klas doen in het handenarbeidlokaal de eerst ervaringen met de bewerking van metalen, alsmede het plastisch omvormen daarvan.
Wanneer zij de vorm hebben getekend en uitgesneden hebben uit een plaat koper, hebben ze dus een plat stukje voor zich liggen dat ze door een gestaag hameren tot een bloemblad of bloeivorm moeten omvormen.
Langzaam wordt het metaal door de reeksslagen ‘gedreven’. Daarbij mag het en niet te dun worden en niet al te veel opgedrukt worden.
Het koperslaan schoolt het vormgevoel.
In vroegere klassen kan het ook tot een schaaltje of een beker worden omgevormd.

Foto: Rudolf Steinerschool Nürtingen – Duitsland.

Deze school heeft als praktische vakken:

boekbinden, scheikunde-practicum, tuinbouw, handwerken, handenarbeid, informatica, koperslaan, schilderen, boetseren, kleding maken, spinnen.

.

10e klas: alle artikelen

Handenarbeid: alle artikelen

.
Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle artikelen

.

2963-2781

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (90)

.
Blauwe tekst van mij. Zwart uit het interview.

.

Kijk naar het kind, en laat die toetsen zitten’

.

zegt ex-juf Nicole Hanegraaf in een interview in het Eindhovens Dagblad van 15-10-2022

‘Ongelukkige leraren, gestreste kinderen: scholen lopen tegen hun grenzen aan. Het moet anders.
Onze kinderen zijn niet stuk. Ons systeem is stuk.”

Tijdens haar werk experimenteerde ze met onderwijsvormen ‘die meer ruimte maken voor individuele behoeftes en talenten.’

‘Minder accent op toetsen en tabelletjes, maar meer aandacht voor mensen van vlees en bloed’.

Weer een toets

Ze richtte de ‘leef-leer-school van-Binnenuit’ op, waarover ze ook een boek schreef: Onderwijs van Binnenuit:
We moeten stoppen met onderwijsvernieuwingen van buitenaf. We moeten hervormen van binnenuit, kijken naar wat leerkrachten en leerlingen willen leren en nodig hebben.

‘Welke 9-jarige wil er nou uren op een dag stil aan een tafeltje zitten? En welke leerkracht wordt blij van wéér een toets?’

In verschillende scholen in het land wordt er druk aan gewerkt: Van-Binnenuit helpt scholen opnieuw te bepalen: wat hebben onze kinderen echt nodig en hoe bieden we dat? Dat kan op elk schooltype.”

‘Dat betekent soms: dat groepjes worden samengesteld op basis van gedeelde interesses in plaats van op leeftijd of maken lokalen met rijen tafels plaats voor ruimtes vol ‘hoekjes’, waar kinderen zelf de plek kiezen waar ze willen lezen of sommen maken. Dat kan ook op een schommel of in de tuin zijn. Of er zijn plekken waar leerlingen op ontdekkingstocht kunnen: keukens, ateliers, proefjestafels.’

Of dat niet tegen bestaande onderwijsvormen aanschuurt, vraagt degene die interviewt,zoals vrijescholen en montessorischolen?’
„Onderwijs van binnenuit is een verzamelnaam voor scholen die mensgericht zijn. Dat kan een montessori- of vrijeschool zijn, maar ook een reguliere school.

Het is mooi, vind ik, dat juf Hanegraaf de vrijeschool ziet als ‘mensgericht’.

Wat wij doen staat niet naast zulke onderwijstypes: het zit eronder.”

Dat is voor de vrijescholen wel iets te kort door de bocht: daar zit nog zoveel meer onder en/of achter.
Daar staat deze blog vol mee!
En we vinden elkaar natuurlijk door ‘de mens centraal

Burn-outklachten

De behoefte aan verandering is groot. Ruim een kwart van de leraren in het basisonderwijs kampt met burn-outklachten. Het aantal leerlingen in het speciaal basisonderwijs steeg de afgelopen jaren. „Als je ziet dat steeds meer mensen moeite hebben om te functioneren in het reguliere onderwijssysteem, is er volgens mij niks mis met die mensen. Dan is er iets mis met het systeem.”

‘Bij onderwijs van binnenuit is niet ‘het gemiddelde’ leidend, maar de individuele kinderen zijn dat. „Lesmethodes en toetsen gaan massaal uit van het idee dat je op een bepaald moment, op een bepaalde leeftijd, iets moet doen of kunnen. Ik vind dat raar. Wat maakt het nou uit welk niveau Jantje deze maand precies haalt, als-ie pas over drie jaar naar de middelbare school gaat?”

‘Laat toetssysteem los:  leerkrachten hebben geen grafiekjes en tabelletjes nodig om te weten wat een kind kan. Dat kunnen ze elke dag zien.”

„Het idee van onderwijs van binnenuit is niet dat je maar een beetje achter kinderen aanhobbelt: je loopt met ze mee, je neemt ze bij de hand. Dat kinderen stil zouden vallen in hun ontwikkeling als je ze ruimte geeft voor hun eigen tempo staat daar haaks op. Wij willen juist dat je kinderen de hele tijd blijft prikkelen en voeden, zodat ze elke dag nieuwe dingen leren. We zeggen alleen: accepteer dat ze niet allemaal op hetzelfde moment dezelfde stap zetten.”
Ook dit kennen we in de vrijescholen als iets wezenlijks: lesstof is ontwikkelingsstof!

En hier zien we iets van wat lang in de vrijescholen – op aanwijzing van Rudolf Steiner – in de praktijk werd gebracht: een klassenleerkracht gaat zes jaar met zijn klas mee, juist om de ontwikkeling optimaal te kunnen ondersteunen.

‘Om te zien of een kind zich goed blijft ontwikkelen, zouden scholen volgens van-Binnenuit moeten kijken hoe het zich ontplooit ten opzichte van zijn eigen startpunt in een schooljaar. Zit daar te weinig beweging in, dan weet je dat je in actie moet komen.’

‘Nu vergelijken we kinderen meestal vooral met anderen. Dat maakt het lastiger te zien wie ze zelf zijn’.

Juf Hanegraaf weet wel wat er nodig is in het onderwijs. Wij ook, maar we kunnen zeker van haar leren (vooral als ze hier – onbewust denk ik – op de vrijheid van inrichting wijst:

„Jij weet wat goed voelt, wat er nodig is om die kinderen te geven wat ze nodig hebben. Ga dat gewoon doen. En laat die toetsen lekker zitten.”

.

Opspattend grindalle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2962-2780

.

.

.

.