VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 310)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn ‘wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

In GA 305 zien we dat Steiner – wat bij ons vroeger de ‘nuttige handwerken’ heette, ‘Handarbeitsunterricht’ noemt en al het andere (houtbewerking bijv.) ‘Handfertigkeitsunterricht), wij zouden dus zeggen ‘handenarbeid’.

Het kan enigszins verwarrend zijn als ik de uitspraken van Steiner dan samenvat onder ‘handvaardigheidsonderwijs’, waarbij het dus én om handwerken gaat én om handenarbeid.

In GA 310 gaat het opnieuw over handen en denken:

Der pädagogische Wert der Menschenerkenntnis und der Kulturwert der Pädagogik
Menskunde, pedagogie en cultuur

Voordracht 9, Arnhem 24 juli 1924

Gymnast, Rhetor und Doktor
Gymnast, retor en doctor. – De betekenis van de pedagogie voor de wereld

Blz. 154      vertaling blz. 160/161

Alles was im Menschen sogenannte geistige und seelische Bildung ist, die zur Abstraktion hin will, die geht ja nur auf unnatürliche Weise hervor aus einem direkten Unterricht. Bildung sollte hervorgehen aus der Art und Weise, wie man sich mit dem Körper bewegen kann. Daher ist unsere Zivilisation ja so abstrakt geworden. Es gibt heute Männer, die können keinen Strumpf stricken, können nicht einmal einen Hosenknopf, wenn er abgerissen ist, wieder annähen. Bei uns in der Waldorfschule sitzen Knaben und Mädchen untereinander, und die Knaben bekommen einen richtigen Enthusias­mus zum Stricken und Häkeln; sie tun es – und dabei lernen sie ihre Gedanken handhaben. Es ist gar kein Wunder, daß ein Mensch, wenn

Alles wat in de mens aan geestelijke en psychische ontwikkeling naar het abstracte neigt, komt toch op onnatuurlijke wijze voort uit met name een bepaalde vorm van onderwijs. Ontwikkeling zou moeten voortkomen uit de manier waarop je je met je lichaam kunt bewegen. Daarom is onze beschaving immers zo abstract geworden. Je hebt tegenwoordig mannen die nog geen sok kunnen breien, ze kunnen niet eens een knoop die van hun broek afgegaan is, weer aannaaien. Bij ons in de vrijeschool zitten de jongens en de meisjes door elkaar heen, en de jongens worden echt enthousiast voor breien en haken. Ze doen het – en daarbij leren ze goed met hun gedachten om te gaan. Het is helemaal niet verwonderlijk dat iemand, al

Blz. 155    vert. 162

er noch so viel logisch geschult ist, nicht ordentlich denken kann, wenn er nicht weiß, wie man strickt. Dabei bemerken wir in unserer Zeit, wieviel leichter beweglich die Gedankenwelt der Frauen ist. Man gehe nur nach der Zulassung der Frauen an die Universität und schaue nach, wieviel leichter beweglich das Geistig-Seelische der Frauen ist als das der Männer, das versteift, abstrakt geworden ist an einer abgezogenen Tätigkeit. Und am schlimmsten ist das bemerkbar bei der kommer­ziellen Tätigkeit. Wenn man einem Kaufmanne zuschaut, wie er seine Dispositionen trifft, so möchte man an den Wänden heraufkriechen.
Das sind die Dinge, die man wieder verstehen muß. Man muß wis­sen, daß ein Knabe, selbst wenn ich noch so viel auf die Tafel zeichne, viel besser spitze und stumpfe Winkel unterscheiden lernt, man muß wissen, daß man viel besser als durch alles Begreiflichmachen die Welt verstehen lernt, wenn man den Kindern angewöhnt, zwischen der großen und der nächsten Zehe den Bleistift zu halten und auch da noch leidlich gutgeformte Buchstaben zustande zu bringen, das heißt also, wenn aus dem ganzen Körper heraus das Geistige des Menschen fließt.

heeft hij goed onderwijs in logica gehad, niet geordend kan denken als hij niet kan breien. Daarbij merken we in onze tijd hoeveel beweeglijker de gedachtewereld van vrouwen is. We hoeven maar te kijken naar de toelating van vrouwen aan de universiteit om te zien hoeveel beweeglijker het geestelijk-psychische is bij vrouwen dan bij mannen. Bij mannen is het verstijfd, abstract geworden door een geabstraheerde activiteit. Dat is nog het beste te zien bij verrichtingen op commercieel gebied. Als je soms ziet hoe een koopman zijn plannen maakt, dan zou je wel uit je vel kunnen springen!
Dat zijn dingen die men weer moet gaan begrijpen. Men moet weten dat het kind, zelfs al teken ik nog zoveel op het bord, veel beter scherpe en stompe hoeken zal leren onderscheiden, en veel beter dan door alle uitleg de wereld leert begrijpen, als je hem aanleert om het potlood tussen de grote teen en de teen ernaast vast te houden en ook dan nog redelijk goed gevormde letters te maken; dat wil zeggen, als uit het hele lichaam het geestelijke stroomt.

In der griechischen Kultur hat man darauf gesehen, wie ein Kind sich bewegen lernt, wie es Hitze und Kälte ertragen lernt, wie es sich hineinfügen lernt in die körperliche Welt, weil man ein Gefühl dafür hatte, wie aus einer richtig entwickelten Körperlichkeit auch das Geistig-Seelische richtig herauswächst. Der Grieche hat, als Gym­nast erzogen, den ganzen Menschen ergriffen und daraus die andern Fähigkeiten sich entwickeln lassen. Wir wissen heute mit unserer ab­strakten Wissenschaft eine sehr wichtige Wahrheit, aber wir wissen sie abstrakt: Wenn wir Kinder haben, die leicht mit der rechten Hand schreiben lernen, so weiß man heute, daß dies damit zusammenhängt, daß beim Menschen das Sprachzentrum in der linken Gehirnhälfte liegt; so daß also Sprechen und Schreibenlernen auf diese Weise inner­lich zusammenhängen. Wir merken den Zusammenhang der Handgesten mit dem Sprechen; ebenso können wir auch, wenn wir weiter­gehen, durch die Physiologie den Zusammenhang zwischen Bewegung und Denken kennenlernen. Also man weiß heute schon etwas abstrakt davon, wie aus der menschlichen Bewegungsfähigkeit Denken und Sprechen hervorgehen: der Grieche aber wußte das im umfänglichsten

In de Griekse cultuur lette men erop hoe een kind leert bewegen, hoe hij hitte en koude leert verdragen, hoe hij zich leert invoegen in de lichamelijke wereld. Want men had er gevoel voor hoe uit een goed ontwikkeld lichaam zich het geestelijk-psychische ook goed ontwikkelt. De Griek pakte, als gymnast opgevoed, de hele mens aan en daaruit ontwikkelde hij de andere vermogens. Wij kennen tegenwoordig met onze abstracte wetenschap een heel belangrijke waarheid, maar we kennen die op een abstracte manier: als we kinderen hebben die makkelijk met de rechterhand leren schrijven, dan weet men tegenwoordig dat dit samenhangt met het feit dat bij de mens het spraakcentrum in de
linker hersenhelft zit. Leren spreken en leren schrijven hangen op deze wijze innerlijk samen. We merken het verband tussen de gebaren van de hand en het spreken.
Net zo kunnen we, als we verdergaan, in de fysiologie het verband leren kennen tussen bewegen en denken. Tegenwoordig heeft men er al weet van hoe uit het menselijk bewegingsvermogen het denken en spreken voortkomen. Maar dat weten is nog abstract. Voor de Griek echter was dit iets vanzelfsprekends

Blz. 156  vert. blz. 163

Sinne. Daher sagte der Gymnast: Der Mensch wird schon ordentlich denken lernen, wenn er nur ordentlich gehen und springen lernt; wenn er ordentlich Diskus werfen lernt. – Und wenn er lernt, über das Ziel hinauszuwerfen, so wird er auch noch den Schildkrötenschluß lernen, wird auf all die merkwürdigen logischen Dinge kommen, die man in Griechenland aufgezählt hat. Und dadurch lernt man, sich in die Wirk­lichkeit hineinzustellen. Heute wird bei uns gewöhnlich so gedacht:
Hier ist ein Advokat, dort ein Klient, der Advokat weiß die Dinge, der andere weiß sie nicht. – Weil man aber in Griechenland gewohnt war, über das Ziel hinauszuwerfen, so wußte man: Wie ist es nun, wenn einer als Rechtskundiger einen Schüler hat in der Rechtskunde, und dieser Schüler wird von ihm so gut unterrichtet, daß er jeden Prozeß gewinnen muß? Dann entspinnt sich aber der Prozeß zwischen ihm und seinem Lehrer, und dann kommt die Sache heraus: Du wirst den Prozeß unter allen Umständen gewinnen und unter allen Umständen verlieren. – Sie kennen den Schluß: er steht in der Luft. So entwickelte sich also alles Denken und Sprechen aus der gymnastischen Erziehung; sie ging auf den ganzen Menschen.

Daarom zei hij, als gymnast: de mens zal behoorlijk leren denken als hij behoorlijk leert lopen en springen, en als hij behoorlijk leert discuswerpen. – En als hij leert verder te gooien dan het doel, dan zal hij ook nog de ‘paradox van de schildpad’ leren begrijpen,3 dan zal hij al die vreemde zaken uit de logica snappen die men in Griekenland maar kan bedenken. Door de gymnastische oefeningen leer je jezelf in de werkelijkheid te plaatsen. Vandaag de dag denken wij gewoonlijk als volgt: je hebt een advocaat en een cliënt. De advocaat is degene die de dingen weet, de cliënt niet. – Maar omdat men in Griekenland gewend was om verder dan het doel te gooien, wist men: hoe is het wanneer iemand als jurist een student in de rechten heeft,4 en die wordt door hem zó goed onderwezen dat hij elk proces moet winnen? Nu ontspint zich het gesprek tussen hem en zijn leraar. Daaruit komt voort: jij zult het proces onder alle omstandigheden winnen en onder alle omstandigheden verliezen. – U kent het slot: de rechter verdaagt de zitting en de uiteindelijke uitspraak hangt in de lucht. Zo ontwikkelde zich dus alle denken en spreken uit de gymnastische opvoeding; ze was op de gehele mens gericht.
GA 310/154-156
Vertaald/160-163

.

Handvaardigheid: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3090-2904

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19 -12/4)

.

Onderwijs zonder schermen

.

Een actuele verklaring van de Karolinska Universiteit leidt in Zweden tot een politieke heroverweging van de digitalisering in kleuterscholen, meldt de vereniging Diagnose-Funk.

Dit jaar presenteerde de Zweedse Onderwijsautoriteit haar voorstel voor een nationale digitaliseringsstrategie voor het schoolsysteem. Kleuterscholen moeten onder meer verplicht worden uitgerust met digitale apparaten.

Dit werd gerechtvaardigd met het doel de digitale vaardigheden te bevorderen die later in het leven in de vroege kinderjaren nodig zijn en de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren met behulp van digitale opties.

Minister van Onderwijs Lotta Edholm heeft dit besluit nu echter teruggedraaid.

Vooral kleuterscholen moeten expliciet beeldschermvrij blijven.

 De reden hiervoor is een verklaring van de Zweedse Karolinska Universiteit, waarin verschillende hoogleraren psychologie, ontwikkelingspsychologie, neonatologie en cognitieve neurowetenschappen duidelijke kritiek uiten op het gebruik van schermen in de vroege kinderjaren. Zij wijzen erop dat de door het ministerie van Onderwijs aangeprezen voordelen van het digitaliseren van scholen niet op feiten zijn gebaseerd. Integendeel: uit een groot deel van het onderzoek blijkt duidelijk dat het gebruik van digitale apparaten een negatief effect heeft op de kennisverwerving van leerlingen.
De auteurs verwijzen ook naar een rapport van de Zweedse Mediaraad uit 2022, waarin een direct verband wordt beschreven tussen schermtijd en verminderde geestelijke gezondheid. Als conclusie van het statement bevelen de hoogleraren aan om de focus in onderwijszaken weer te leggen op gedrukte leerboeken en de specialistische kennis van docenten.

Bron: Diagnose: funk (via das Goetheanum, 14 september 2023)

Opvoedingsvragen over media: [19] media

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Kunstzinnig onderwijs

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3089-2903

.

.

.

VRIJESCHOOL – Mededeling Driegonaal

.

Denn die wirklich erzieherischen und unterrichtenden Kräfte des Lehrers können sich nur entwickeln in der freien Schule.

de echte opvoedkundige en onderwijskundige vermogens van de leerkracht kunnen zich alleen ontplooien in de vrije* school.

*Een vrije school is die school die alles voor de onderwijsgevenden en opvoeders mogelijk maakt om wat zij vanuit hun menskunde, vanuit hun kennis van de wereld, uit hun liefde voor het kind, voor het echt wezenlijke houden en dat dit geïntegreerd moet worden in ons onderwijs en onze opvoeding.
Een onvrije school is een school waarin de leraar moet vragen: wat is er voor de eerste klas voorgeschreven, wat voor de tweede, hoe moet ik het uur organiseren volgens de wet?
Een vrije school is een school waarin de leerkrachten een heel bepaalde kennis hebben die aan hun werk ten grondslag ligt, van hoe een kind zich ontwikkelt, over welke lichamelijke en psychische krachten het beschikt, welke lichamelijke en psychische krachten in het kind ontwikkeld moeten worden.
GA 298/126
Op deze blog vertaald

Bericht ‘Driegonaal’

John Hogervorst
Waar vrijheid begint

In een tijd waarin vrijheid onder druk staat, worden wij uitgenodigd scherper te krijgen wat wij onder vrijheid verstaan. Wat dat betreft leven wij in interessante tijden!

Vrijheid is als een onderaardse bron die we in onszelf moeten ontsluiten. In de artikelen die in deze uitgave zijn verzameld, wordt aan de hand van maatschappelijke verschijnselen een poging gedaan bloot te leggen ‘waar vrijheid begint’. Daarbij wordt ook beschreven wat wij voor elkaar, in de samenleving, kunnen doen opdat ieder in vrijheid kan bijdragen aan het geheel dat wij samen vormen.
ISBN 9789083325620
95p. / € 10,00

En dit was de eerste uitgave:

Marc Desaules / John Hogervorst / Rudolf Steiner
Basisinkomen – er is een beter alternatief

Met het basisinkomen, zo hopen de voorstanders, krijgt ieder mens een financiële bestaansbasis die hem/haar meer ruimte geeft voor eigen afwegingen over werk, ontplooiing, tijdsbesteding.
Dat zou je ook ieder mens toewensen.
Maar er is een betere weg om die gewenste situatie te scheppen. Die weg wordt beschreven in de artikelen in deze uitgave.
ISBN 9789492326874
67p. / € 10,00

Mail uw bestelling naar: info@driegonaal.nl

DRIEGONAAL

Sociale driegeleding: alle artikelen

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 306)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn ‘wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

In GA 305 zien we dat Steiner – wat bij ons vroeger de ‘nuttige handwerken’ heette, ‘Handarbeitsunterricht’ noemt en al het andere (houtbewerking bijv.) ‘Handfertigkeitsunterricht), wij zouden dus zeggen ‘handenarbeid’.

Het kan enigszins verwarrend zijn als ik de uitspraken van Steiner dan samenvat onder ‘handvaardigheidsonderwijs’, waarbij het dus én om handwerken gaat én om handenarbeid.

GA 306

Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis

Die Erziehung des Kindes und jüngeren Menschen

Op deze blog vertaald:

                     De praktijk van de pedagogie bezien vanuit                                                            geesteswetenschappelijke menskunde

Behalve voordracht 7, deze is uitgegeven onder de titel: Motivatie en kompromissen in de vrije school

Uit deze voordracht van Dornach 21 april 1923:

Blz. 142   vert. 22/23

Aber dann ergibt sich einfach durch eine solche Menschenerkennt­nis, wie ich sie geschildert habe, wie notwendig es ist, daß der Unter­richt und die Erziehung, angefangen von dem 12. Jahre, hintendie­rend zur Geschlechtsreife und namentlich nach der Geschlechtsreife, übergehe in einem hohen Grade in das Praktische. Das wird nun bei uns in der Waldorfschule so gehandhabt, daß es vorher vorbereitet wird. In der Waldorfschule sitzen ja Knaben und Mädchen nebenein­ander. [ ] Nicht wahr, heute wissen viele Männer wirklich gar nicht, was man für ein gesundes Denken, für eine gesunde Logik hat, wenn man stricken kann.
Viele Männer können das gar nicht beurteilen, was man für das Leben hat, wenn man stricken kann. Bei uns in der Waldorfschule stricken die Knaben neben den Mädchen, stopfen auch Strümpfe. Dadurch wird natürlich, wenn später differenziert werden muß, diese Differenzie­rung als etwas Selbstverständliches sich ergeben, aber es wird da­durch auch eine Erziehung erreicht, welche mit dem Leben, in das sich der Mensch hineinstellen muß, wirklich rechnet.

Vanuit menskundig inzicht, zoals ik dat heb beschreven, blijkt hoe nodig het is dat het onderwijs en de opvoeding vanaf het twaalfde jaar rekening gaan houden met de puberteit en met name zich vanaf de puberteit richten naar het praktische leven. Op de vrije school bereiden wij voor op die puberteit. Meisjes en jongens zitten immers bij elkaar in de klas. [  ]
Tegenwoordig beseffen veel mannen echt niet dat je gezond leert denken, dat je logisch leert denken van breien! Veel mannen kunnen helemaal niet beoordelen wat het voor het leven betekent als je kunt breien. Bij ons op de vrije school leren zowel de meisjes als de jongens breien, en kousen stoppen leren ze ook. Het differentiëren zal daardoor later vanzelfsprekender zijn. Maar belangrijk is dat op deze wijze de school echt rekening houdt met het leven, waarin de leerlingen later terecht komen.

Die Leute sind immer furchtbar erstaunt darüber, wenn ich eine Behauptung aufstelle, die nicht bei mir nur Überzeugung, sondern psychologische Erkenntnis ist: ich kann einmal nicht den für einen guten Professor ansehen, der nicht, wenn es nötig ist, sich seine eige­nen Stiefel flicken kann. Wie soll man denn überhaupt über das Sein und über das Werden etwas Ordentliches wissen, wenn man nicht einmal seine Stiefel flicken kann, wenn es notwendig ist! Es ist das natürlich etwas paradox und extrem gesprochen. Aber heute gibt es

De mensen verbazen zich echt verschrikkelijk wanneer ik iets beweer wat niet alleen mijn overtuiging is, maar wat een psychologisch inzicht is. Ik kan nu eenmaal niet iemand een goede leraar vinden die niet, wanneer dat nodig is, zijn eigen laarzen kan verzolen. Hoe kan men dan überhaupt iets behoorlijks weten over het zijn en over het ontstaan als men niet eens, wanneer nodig, schoenen kan verzolen! Dit is natuurlijk enigszins paradoxs en extreem uitgedrukt. Maar vandaag de dag heb je

Blz. 143   vert. blz. 23/24

selbst Männer, die sich nicht einmal im nötigen Falle einen Hosen­knopf richtig annähen können. Ja, das ist etwas Furchtbares! Man kann wirklich nichts Ordentliches über Philosophie wissen, wenn man nicht in der Hand eine bestimmte Geschicklichkeit für gewisse Dinge hat. Das gehört zum Leben. Und man muß sagen: Nur derjenige kann ein guter Philosoph sein, der, wenn es sein Schicksal gewesen wäre, auch ein guter Schuhflicker geworden wäre. Manchmal werden ja so­gar Schuhflicker Philosophen, wie es die Geschichte der Philosophie zeigt. Nun, die Menschenerkenntnis fordert eben, daß man durch eine richtige Vorbereitung in das praktische Leben hinein die ganze Füh­rung der Erziehung leitet. Und so ergibt es einfach das Lesen in der Menschenwesenheit, daß zum Beispiel in einer bestimmten Schul­klasse die Kinder – nein, die jungen Herren und jungen Damen – her­angeführt werden an das Weben, daß sie den Webstuhl beherrschen lernen; daß sie herangeführt werden an das Spinnen; daß sie lernen auch einen Begriff sich aneignen, wie Papier gemacht wird zum Bei­spiel; daß sie lernen, wenigstens die einfachen Verrichtungen der me­chanisch-chemischen -nicht nur Mechanik und Chemie -, sondern der mechanisch-chemischen Technologie zu begreifen und auch im Klei­nen zu handhaben, so daß sie wissen, wie es im Leben geschieht. Die­ser Übergang zu einer wirklich praktischen Unterrichts- und Erzie­hungsführung, er muß gefunden werden. Und das wird eben gerade angestrebt werden müssen, wenn man in Ernst und Ehrlichkeit auf wirklicher Menschenerkenntnis eine Pädagogik und Didaktik insbe­sondere für die höheren Klassen aufbauen will.

zelfs mannen die niet eens, wanneer nodig, een knoop aan hun broek kunnen aanzetten. Dat is toch vreselijk! je kunt echt niets behoorlijks over filosofie weten als je niet een bepaalde behendigheid voor zekere zaken hebt. Dat hoort bij het leven. En we moeten zeggen dat alleen diegene een goede filosoof kan zijn, die, als het zijn lot was geweest, ook een goede schoenlapper had kunnen worden. Soms worden zelfs schoenlappers filosoof, zoals de geschiedenis van de filosofie laat zien. Welnu, menskundig inzicht brengt ons ertoe dat ontwikkelen van praktische vaardigheden een richtsnoer wordt in de opvoeding. Als je het menselijk wezen in z’n ontwikkeling kunt lezen, dan zie je eenvoudigweg dat bijvoorbeeld in een bepaalde klas de kinderen – nee, de jonge dames en heren – zouden moeten weven. Dat ze het weefgetouw zouden moeten leren bedienen. Of dat ze leren spinnen. Of dat ze leren enig begrip te krijgen bijvoorbeeld van hoe papier wordt gemaakt. Of dat ze leren de eenvoudige mechanisch-chemische – niet alleen maar mechanica en chemie – maar de mechanisch-chemische technologie te begrijpen en ook in het klein ermee om te kunnen gaan, zodat ze weten hoe dat in het leven toegaat. Deze overgang naar een werkelijk praktisch lesgeven en opvoeden moet worden nagestreefd. Dat zal moeten worden nagestreefd als men serieus en in alle oprechtheid een pedagogie en didaktiek speciaal voor de hogere klassen wil opbouwen op basis van werkelijk menskundig inzicht.
GA 306/142-142
Vertaald/22-24 

Blz. 147/148   vert.  27

Aus dem, was ich jetzt gesagt habe, ersehen Sie aber, daß gerade für den Zeitpunkt, der mit der Geschlechtsreife heranrückt im menschlichen Leben, auch der Übergang in das äußere wirkliche Leben ge­funden werden muß; daß da immer mehr und mehr dasjenige in die Schule hineinspielen muß, was den Menschen nach Leib, Seele und Geist in einem höheren Sinne zum lebensbrauchbaren Menschen macht. In dieser Beziehung haben wir ja gar nicht genügend psycho­logische Einsichten. Denn die feineren Geistzusammenhänge im menschlichen geistig-seelisch-leiblichen Leben, die ahnt man ja zu­weilen gar nicht. Die ahnt nur derjenige heute noch, der es sich gera­dezu zur Aufgabe setzt, das Seelenleben kennenzulernen. Und ich kann Ihnen aus einer gewissen Selbsterkenntnis in bescheidener Weise durchaus sagen, daß ich gewisse Dinge, die ja heute vielleicht – sogar gewiß – manchem als unnütz erscheinen, auf dem Gebiete der Gei­steswissenschaft nicht in der Weise vorbringen könnte, wie ich sie vorbringe, wenn ich zum Beispiel nicht in einem bestimmten Lebens­alter – nicht durch Waldorfschul-Pädagogik, aber durch das Schick­sal – Buchbinderarbeiten gelernt hätte. Die besondere menschliche Betätigung beim Buchbinden, die ergibt auch für das intimste Gei­stig-Seelische, besonders wenn es im richtigen Lebensalter auftritt, etwas ganz Besonderes. Und so ist es gerade für die praktischen Betätigungen.

Want uit wat ik hier heb gezegd kunt u opmaken dat in de puberteit het maatschappelijk leven een belangrijke rol in het onderwijs gaat spelen. Dan moet steeds meer in de school gaan gelden wat de mens naar lichaam, ziel en geest in een hogere zin tot ’n bruikbaar mens voor het leven maakt. In dit opzicht hebben we nog te weinig psychologische gezichtspunten. Want van de fijnere geestelijke samenhangen in het menselijk leven van geest, ziel en lichaam, daarvan heeft men weinig tot geen notie. Alleen hij die zich tot taak stelt het zielenleven te leren kennen, heeft daar vandaag de dag nog ideeën over. Inzicht in m’n eigen wezen, zo kan ik in alle bescheidenheid zeggen, leerde mij het belang inzien van bepaalde vakken, die menigeen tegenwoordig van generlei nut acht. Dankzij het feit dat ik op een bepaalde leeftijd – niet door middel van vrije schoolpedagogie, maar door het levenslot – heb leren boekbinden, heb ik allerlei zaken op geesteswetenschappelijk gebied naar voren kunnen brengen. De speciale menselijke activiteit bij boekbinden levert, vooral als het op de juiste leeftijd wordt gedaan, ook voor het innigste psychisch-geestelijke, iets heel bijzonders op. En zo is dat voor alle praktische vakken.

Und ich würde es als eine Sünde betrachten gegen die Menschenwesenheit, wenn bei uns in der Waldorfschule nicht in ei­nem bestimmten Zeitpunkte, der eben der Menschennatur abgelesen wird, der Handarbeits unterricht auch das Buchbinden und das Schach­telnmachen, die Kartonagearbeiten, aufnehmen würde. Die Dinge gehören dazu, wenn man ein ganzer Mensch werden soll. Nicht daß man diese oder jene Schachteln fabriziert hat, oder dieses oder jenes Buch eingebunden hat, ist wesentlich, sondern daß man die Verrich­tungen gemacht hat, die dazu gehören, – daß man diese bestimmten Empfindungen und Denkprozesse durchgemacht hat. Die Differenzierung zwischen Knaben und Mädchen tritt dann schon von selber ein. Dafür muß man auch wiederum ein Auge haben, ein Seelenauge nämlich. Zum Beispiel tritt etwas ein, dessen Psycho­logie, weil ich ja doch nicht genug Zeit in der Waldorfschule selber zubringen kann, noch nicht erforscht ist, aber noch erforscht werden wird. Es tritt das Eigentümliche ein, daß beim Spinnen es sich herausstellt,

Ik zou het beschouwen als ’n zonde tegen het menselijk wezen wanneer bij ons op de vrije school niet in een bepaalde periode, die aan de menselijke ontwikkeling kan worden afgelezen, naast de handwerklessen ook boekbinden en kartonnage zou worden opgenomen. Deze dingen horen erbij als we kinderen zich zo volledig mogelijk willen laten ontplooien. Niet het feit dat je deze of gene doos hebt gemaakt, of dit of dat boek hebt gebonden is wezenlijk, maar wel dat je de handelingen die daarbij horen, hebt verricht, dat je die specifieke gevoelens en denkprocessen hebt doorgemaakt. Het differentiëren tussen jongens en meisjes ontstaat dan vanzelf. Daar moet je natuurlijk oog voor hebben, namelijk ’n zielenoog. Er ontstaat bijvoorbeeld iets waarvan ik de psychologische achtergrond nog niet heb onderzocht, omdat ik niet voldoende tijd in de vrije school kan doorbrengen; maar het wordt nog onderzocht. Het eigenaardige feit treedt op dat bij het spinnen blijkt

Blz. 148  vert. 29

daß die Mädchen sehr gerne spinnen; die Knaben wollen auch ganz gerne dabei sein, aber sie wollen nur den Mädchen die Dinge zutragen, sie wollen Ritterdienste leisten. Sie bringen gerne alles herbei, was dann die Mädchen verspinnen; sie machen lieber die vorbereitenden Arbeiten. Das hat sich herausgestellt, und das muß nun erst psychologisch erforscht werden, daß sich in dieser Weise die Dinge differenzieren. Aber auch aus dieser – wenn ich mich so ausdrücken darf – besonderen Weichenstellung des Handarbeitsunter­richts, auf den sehr viel gehalten wird in unserer Waldorfschul-Pädagogik, aus dieser Weichenstellung des Handarbeitsunterrichtes nach dem Buchbinden, nach den Kartonagearbeiten hin, zeigt sich eben auch, wie überall, gerade wenn man es auf den Geist absieht, das Praktische des Lebens zu berücksichtigen sich als eine Selbstver­ständlichkeit ergibt. Es haben ja schreckliche Unpraktiker die Me­thoden hervorgerufen, die eigentlich die Lebenspraxis glauben mit dein Löffel gegessen zu haben. Es kommt am wenigsten Lebenspraxis heraus, wenn man von pädagogischen Theorien ausgeht. Die ergeben gar nichts, nur Vorurteile ergeben sie eigentlich. Dagegen ist die wirkliche Pädagogik Menschenerkenntnis Und richtige Men­schenerkenntnis ist es schon, wenn sie nach dieser besonderen Rich­tung hin ausgebildet wird, wie ich es angedeutet habe. Sie ist schon Pädagogik, und sie wird zur Didaktik in der lebendigen Handhabung des Unterrichts und der Erziehung; sie wird eben zur pädagogisch-didaktischen Gesinnung, und auf diese kommt es an. Und dem muß natürlich das ganze Wesen der Schule angepaßt sein.

dat meisjes heel graag spinnen; jongens willen er ook heel graag bij zijn, maar ze willen de meisjes slechts de dingen aanreiken, ze willen ridderdiensten verlenen. Ze brengen graag alles aan wat de meisjes vervolgens verspinnen. Ze doen liever de voorbereidende werkzaamheden. Dat is gebleken en we moeten nu eerst psychologisch doorzien waarom de zaken zich op deze manier differentiëren.\
Maar uit deze – als ik me zo mag uitdrukken – nieuwe oriëntering op het handwerkonderwijs, waaraan wij in onze vrije schoolpedagogie zeer veel waarde hechten; nieuwe oriëntering ook in de richting van het boekbinden en de kartonnage-werkzaamheden, blijkt dat het uit de aard van onze menskunde vanzelfsprekend volgt dat wij ons onderwijs in de richting van het praktische sturen. Er zijn verschrikkelijk onpraktische mensen, die onderwijsmethoden maken: zij menen dat ze de praktijk van het leven in pacht hebben. Er komt nog het minst van de praktijk van het leven te voorschijn als men uitgaat van pedagogische theorieën. Die leveren helemaal niets op, alleen maar vooroordelen. Daarentegen is werkelijke pedagogie: menskundig inzicht. En het menskundig inzicht is juist wanneer die in deze speciale richting, die ik heb aangeduid, wordt uitgebouwd. Pedagogie is het al, en het wordt tot didaktiek in het levendig omgaan met onderwijs en opvoeding; het wordt zelfs tot een pedagogisch-didactische gezindheid. En daar gaat het om. Daar moet natuurlijk heel het wezen van de school op zijn gericht.
GA 306/147-148
Vertaald/27-29

Handvaardigheid: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3088-2902

.

.

.

VRIJESCHOOL – Michaëlsverhaal (10-17)

.
Naar een oude legende

Michaël en de graalskelk
.

Toen God de Heer de wereld schiep, vormde hij uit de vurige ethersubstantie van de kosmos de zuivere geesten, zijn helpers en boodschappers: de engelen.
Te midden van deze namen zeven eerstgeschapenen een bijzondere plaats in, want zij belichaamden de oerbeelden en oerkrachten van de gehele schepping. Deze zeven mochten te allen tijde het onverhulde aangezicht van hun schepper aanschouwen, want zij stonden van de aanvang af in het licht van zijn heerlijkheid.
Tot leider nu van deze zeven was Samaël benoemd, die ook Satanaël of Lucifer — dat is ‘lichtdrager’ — wordt genoemd. Hem had de Heer als zijn speciale geliefde engel uitverkoren. Op de dag dat hij geschapen werd straalde zijn lichtgestalte in de schijn van veelkleurige juwelen. Een schitterende kroon looide zijn hoofd. In deze kroon was op de plaats boven het voorhoofd de kostbaarste edelsteen ingelegd, die leek op een uit licht gevormde smaragd. En alles wat door de lichtstralen uil deze steen werd getroffen glansde helder in een goddelijk licht.

Voor de zeven eerstgeschapenen, voor hun leider Samaël < u voor alle andere engelen ontvouwde de Heer nu het grote plan van de aardse schepping en hij verkondigde de geesten van zijn rijk, dat de mens een bijzondere plaats te midden van alle schepselen zou krijgen. De mens zou naar het beeld en de gelijkenis van de schepper gevormd worden, en de engelen moesten hem dienen.

Doch dit goddelijke plan deed de machtigste aller engelen, de lichtbrenger Lucifer, in toorn ontsteken. Hij, de stralende, meende dat God hem hiermee ten voordele van de mensen groot onrecht had aangedaan.

Vanaf dat moment begon Satanaël aan de wijsheid van God te twijfelen en er ontbrandde haat in hem tegen het gehele mensengeslacht. Vervuld van afgunst besloot hij, de Heer niet meer te gehoorzamen, en in zijn trots begon hij ook de andere engelscharen tot ongehoorzaamheid tegen de Heer op te zetten. En een derde deel der engelen volgde hem.

De Heer echter wist wel van de gedachten en listen van de engel die eens zijn meest geliefde was geweest en hij besloot, de trotse met zijn hele aanhang uit de hemel te verjagen. En uit de scharen van de engelen die hem trouw gebleven waren riep hij Michaël en beval hem, met de kracht van het goddelijk vuur, met het vlammenzwaard, Satanaël — die voortaan alleen nog Satan zou heten — te verblinden en hem tezamen met de opstandige schare uit de hemel te jagen. En zo geschiedde.

En terwijl Satan met zijn scharen hals over kop de duisternis tegemoet tuimelde, sloeg Michaël hem met het vlammenzwaard de stralende steen, de onvolprezen smaragden juweel uit zijn kroon.

Uit deze steen vormde Michaël, die na Gods richtspreuk over Satan en zijn schare tot opperste engel was benoemd, een wonderlijke, kelkachtige schaal. Dit prachtige voorwerp werd tot heilige schaal, die ertoe was voorbestemd de zonne-hostie in zich op te nemen. Toen de schaal klaar was bracht Michaël haar naar de aarde die inmiddels voltooid was; aldaar werd zij vanaf oertijden in speciale heiligdommen bewaard. Van heiligdom tot heiligdom werd zij in de loop der tijd door de ingewijden verder gereikt en ten slotte kwam zij naar Tyrus, de stad van de bouwmeester Hiram. En vandaar leidde haar weg naar het koninkrijk van Saba, waar de koningin van de sterrenwijsheid heerste. Ook daar werd de schaal een bepaalde tijd behoed. Met de koningin van Saba reisde zij vervolgens mee naar Jeruzalem, en zo kwam zij in het paleis en de tempel van de wijze Salomo.

Juist op die plaats werd in de tijd die volgde de komst van de Mensenzoon voorbereid. Het ‘keerpunt der tijden’ dat oude geschriften hadden voorzegd, naderde. De Zoon Gods werd met hulp van de kracht van de aartsengel Michaël, via het lichaam van de jonkvrouw Maria op aarde geboren.

Jezus werd door de doop tot Christus, zijn woord en zijn kracht verbreidden zich door hem en zijn discipelen onder de mensen. En toen de tijd gekomen was dat Christus en zijn volgelingen aan het laatste avondmaal zaten, toen bevond zich ook de schaal, die Michaël van de steen uit Lucifers kroon had gevormd, onder hen. En daar ging de bestemming van de heilige kelk in vervulling, want de kracht die Christus in zijn leerlingen liet indalen, vulde ook de schaal en was voortaan voelbaar voor ieder die haar op de juiste wijze naderde.

Uit het huis van het avondmaal kwam de kelk vervolgens bij Pilatus, die hem bewaarde. En toen na het Mysterie van Golgotha Jozef van Arimathea, die ook een geheime leerling van Jezus was, naar Pilatus ging en hem toestemming vroeg, Jezus’ lichaam van het kruis te mogen nemen, toen gaf Pilatus hem de kostbare kelk, waardoor zijn bestemming vervuld werd.

Jozef van Arimathea behoedde de kelk trouw, en toen hij van het Oosten naar het Westen reisde kwam de schaal als Graalskelk naar de Berg des Heils, Montsalvats. Daar werd de schaal als het kostbaarste, kracht schenkende testament van de Zoon Gods behoed.

De lichtbrengende heerlijkheid van Lucifer werd zo door Michaëls zwaard en kracht tot heilige schaal, die Christus met zijn offerkracht vulde. De sporen van deze graalsstroom echter doortrekken als een onderaardse ader onze geschiedenis tot op de huidige dag.

.

Michaël: alle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

3087-2901

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-10)

.
Loïs Eijgenraam, Antroposofisch magazine nr. 13 februari 2019

.

Aan tafel!

Een onzichtbare schijf van vijf voor een maaltijd zonder gedoe

Samen eten, het liefst aan tafel en zonder al te veel gedoe.
Misschien ben jij een ouder die, voordat je kinderen kreeg, dit als ideaal voor je zag. Zonder gezeur dat het eten niet lekker is, kinderen die niet willen eten, of die elkaar op de huid zitten tijdens het schaarse moment van gezellig samenzijn. In veel gezinnen is de realiteit echter anders. Hoe kun je het gedoe tijdens de maaltijd beperken?

Sinds 1953 wordt in Nederland de schijf van vijf gebruikt om zichtbaar te maken wat goede en gezonde voeding is. Groente en fruit, granen en aardappels, vetten, dierlijke producten en vocht vormen gezamenlijk deze schijf van vijf.
Vele boeken zijn geschreven over gezonde en goede voeding voor zowel kinderen als volwassenen, voor vleeseters, vegetariërs of veganisten. Met of zonder gluten, suiker, kleur- en smaakstoffen. Het is tot ons doorgedrongen dat het van belang is stil te staan bij dat wat ons lichaam van buitenaf binnendringt. Nog nooit hebben de supermarkten en natuurvoedingswinkels zoveel keuze aan producten gekend. Betekent dit dat het in ieder gezin iedere avond feest aan tafel is? Nee! Goede en gezonde voeding gaan niet alleen over de visueel zichtbare schijf van vijf.
Een niet zichtbare en misschien essentiëlere schijf van vijf wil gehoord worden zodat vijf plus vijf een tien voor een gezonde én gezellige maaltijd wordt.

Waaruit bestaat die andere schijf van vijf?
Uit gewoontevorming, aandacht, duurzaamheid, eerbied en gezinswezen.

Gewoontevorming

In een maatschappij waarin veel zich in vliegende vaart voltrekt, lijkt gewoontevorming saai en niet hip te zijn. Gewoontevorming in relatie tot het eten in een gezin betekent vanaf de geboorte van een kind werken aan gewoonten: als de baby de borst of fles krijgt, dan gebeurt dit bijvoorbeeld overdag zittend op de bank of ’s avonds liggend in bed. De houding en plaats zijn altijd hetzelfde. Het voeden in een ritme ook. De voeding wordt begeleid met rituelen die meegroeien met de leeftijd van het kind. Als de tijd daar is voor vastere voeding, krijgt je kind de tijd aan nieuwe smaken te wennen. Een week lang is het pompoenfeest totdat het er oranje van kleurt. Daarna komen de worteltjes om kennis mee te maken. Dit vroege kennismaken met ons aardse voedsel gebeurt op dezelfde plaats, met dezelfde rituelen. Tijdens het fruithapje eet de volwassene ook iets van fruit zodat het kind vanuit nabootsing de heerlijkheid van al deze aardse rijkdommen mee geniet. Tegen de tijd dat het kind tijdens de avondmaaltijd nog wakker is, geniet het van dit gezinsritueel aan de tafel mee. Kinderen leven een leven dat van het ene moment naar het andere moment stroomt. Voor hen is het heerlijk als in de dag de overgangsmomenten gemarkeerd worden. De speeltijd sluiten we af door op te ruimen, de maaltijd beginnen we met een lied, spreuk, gebed of ander duidelijk begin. Zo sluiten we de maaltijd ook weer af. Hoe krachtiger deze gewoontevorming, hoe minder kinderen ‘mag ik van tafel?’ hoeven te vragen, of gewoon van tafel lopen omdat ze dachten dat dit al mocht. Tot in de volwassenheid draagt een begin- en afsluitritueel onze gewoonte.

Aandacht

Waarom kunnen kinderen zo zeuren over eten, terwijl er vele kinderen zijn die van de honger omkomen? Zeuren onze kinderen werkelijk om het eten, of om iets anders? Kinderen kennen nog niet zo veel taal en woorden als volwassenen. Misschien zeuren onze kinderen aan tafel omdat zij eigenlijk aan ons willen vertellen: liefde gaat door de maag. Ik weet dat je van mij houdt, maar toch wil ik dit iedere dag ook werkelijk voelen én zien. Heb je vandaag echt ongedeelde aandacht voor mij gehad?’ Alle elektronische middelen als smartphone, radio en tv leiden in een gezin de aandacht af van in verbondenheid gezamenlijk genieten van de maaltijd.

Duurzaamheid

Voeding die de natuurlijke tijd heeft gekregen te groeien en bloeien, schenkt een duurzaamheids-beeld. Geen uit de ‘grond-met-lamp-erboven’ getrokken krop sla, maar krachtige bladeren, die echt naar sla smaken en waar je op moet kauwen. Als ouders kunnen wij met deze beelden onze kinderen de onuitgesproken boodschap meegeven: ‘zoals ons voedsel duurzame tijd kreeg te rijpen, zo nemen wij de tijd om deze maaltijd tot ons te nemen’.

Eerbied

Eerbied is een deugd die wereldwijd van waarde is. Een duurzame, geglobaliseerde toevoeging op de maaltijd met onze kinderen.

Gezinswezen

Als je leeft met de gedachte of het weten dat achter ieder van ons een engel staat, dan is er misschien ruimte om te leven met het idee van een gezinswezen of gezinsengel. Ouders die leven met deze schijf van vijf, kunnen ervaren dat de maaltijd met het gezin een maaltijd is waar een ongenode gast aan deelneemt. Een gast die zich verheugt over de verbondenheid, de levenslust, vitaliteit en zin in het aardse voedsel die aan tafel te proeven zijn. Eet smakelijk! 

.

Boeken van de auteur

Website Loïs Eijgenraam

School voor antroposofische kinderopvang
.

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3086-2900

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde 5e klas – krokus

.
Omdat de krokus bij de plantkunde in klas 5 meestal (even) ter sprake komt, zijn hier nog enige aanvullende gezichtspunten.
De geneeskundige aspecten zijn niet voor in de klas.

Petra Essink, Antroposofisch Magazine, februari 2019 nr. 13
.

De krokus

.

Krokus

Latijnse naam: krokus
Engelse naam: flower of St Valentine

Familie: Iridacea (lissenfamilie)

Standplaats: zonnig, humusrijke, goed waterdoorlatende bodem

Bloei: februari-maart

Kenmerken: de krokus is geen bolgewas (zoals het sneeuwklokje, de tulp of de narcis), maar een knolgewas. De krokus houdt van het getal drie: hij heeft drie stampers en drie meeldraden, drie binnenste bloemblaadjes en drie buitenste bloemblaadjes.

Herkomst: krokussoorten zijn inheems in Zuid- en Zuidoost-Europa, Noord-Afrika, Turkije, Centraal Azië en China. Van daaruit zijn ze vanaf de 16e eeuw naar West-Europa gebracht.

De krokus is een voorjaarsverkondiger bij uitstek, alleen het sneeuwklokje bloeit eerder. Met zijn lila, paars, geel of witgekleurde kelkje veroorzaakt hij gemakkelijk gevoelens van blijdschap en opluchting; de winter is voorbij!
Er bestaan minstens honderd verschillende krokussoorten. Een daarvan is de saffraankrokus. Een unieke krokus die met zijn bloedrode stampers niet alleen eten kan kruiden en kleuren, maar ook een bijzondere medicinale werking heeft, die je zou kunnen samenvatten als: het in beweging brengen van het bloed.

Als je de groei van een krokus goed bestudeert, vallen er een paar dingen op. Allereerst volgt het braaf aandoende plantje, dat het best tot zijn recht komt in een grote groep andere krokussen, niet de normale van-blad-naar-bloem-groeivolgorde. Zeker, net als alle andere planten vormt hij eerst een paar kleine groene blaadjes, maar dan lijkt het of hij zijn bladontwikkeling stilzet om al heel vroeg in zijn ontwikkeling een of meerdere witte bloeistengels – die bestaan uit vergroeide bloemblaadjes – te vormen. Hij begeeft zich dus al heel snel in bloeisferen, alsof hij haast heeft zijn bloempje te tonen. Er gaat veel werk zitten in het vormen van die opvallend lange bloembuis. Daardoor duurt het toch nog een poosje voor hij daadwerkelijk kan gaan bloeien. Anders dan de meeste andere planten die hun vruchtbeginsel direct onder de gekleurde bloemblaadjes aanleggen, moet je het bij de krokus ondergronds zoeken, helemaal onderin die bloemstengel. Als je eens heel behoedzaam een krokus [gedeeltelijk] uitgraaft en je die witte bloeisteel van boven naar beneden aftast tussen je duim en wijsvinger, kun je vlak onder het aardoppervlak dat vruchtbeginsel (en in een later stadium de zaadjes] voelen als een piepklein bobbeltje. Het stuifmeel, dat de bijen bij de bloeiende krokus achterlaten, heeft er nog een hele klus aan om zich een weg te banen naar dit vruchtbeginsel. Al met al wordt de haastige krokus in het proces van tot bloei komen en bevrucht worden in zijn bloeidrift dus beproefd met een paar ‘vertragende obstakels’. Als de krokus bij voldoende warmte en zonlicht eenmaal zijn bloempje(s] opent, doet hij dat vol overgave, zo’n acht dagen lang. Om ze steeds ’s nachts en bij donker weer weer even te sluiten. Pas na de bloei groeien de parallelnervige miniblaadjes, waarvan sommige soorten een mooie zilverkleurige middennerf hebben, uit tot volwaardige krokusblaadjes. 

Antroposofisch arts Zoltan Schermann

“De krokussoort die meestal gebruikt wordt in de geneeskunde, zowel de antroposofische, de oosterse als de reguliere geneeskunde, is de saffraankrokus [Lat. crocus sativus].
De saffraankrokus bloeit, eigenwijs genoeg, niet in de lente, maar in de herfst. Saffraan kennen de meeste mensen alleen als specerij. Het zijn de opvallende,
bloedrode stampers – drie per bloem – die daarvoor worden gebruikt. De oogst en verwerking van saffraan is geweldig arbeidsintensief. Daardoor is het een heel kostbare specerij, ook wel ‘het rode goud’ genoemd.

Saffraan als ‘bloedbeweger’

“In de oosterse geneeskunde noemt men de krokus een ‘bloedbeweger’. Hij wordt bijvoorbeeld toegepast bij zogenaamde veneuze stuwingen die heel pijnlijk kunnen zijn. De krokus heeft de kracht om het bloed weer in beweging te brengen op plaatsen waar de bloedstroom stagneert. Zoals bij bepaalde menstruatieklachten, met name wanneer de menstruatie pijnlijk is. Als het menstruatiebloed zwart is of klontert wijst dat ook op het stagneren van de bloedstroom. In de antroposofische medicinale toepassing wordt gewoonlijk de hele krokus gebruikt. Het plantje wordt niet alleen bij menstruatieklachten maar ook bij spijsverteringsproblemen, zoals maagklachten (een maagzweer bijvoorbeeld) en diarreeachtige ontregeling van de darmen voorgeschreven. In de regel schrijf ik een samengesteld medicament voor waarin de krokus verwerkt is. Een ander voorbeeld van een gestagneerde bloedstroom zijn spataderen, die – met name als ze ontstoken zijn – ook bijzonder pijn kunnen doen. In dat geval schrijf het genoemde middel voor als zalf.
Goedaardige gezwelvorming, zoals vleesbomen’ (myomen) in de baarmoeder en zwellingen in de schildklier, hebben ook te maken met het stagneren van het bloed. Bij dergelijke problemen, waarbij de stagnatie nog ‘fysieker’ is, gebruik je alleen de knol van de krokus, in gepotentieerde vorm.

In de Chinese geneeskunde wordt de saffraan, vanwege de hoge kostprijs, soms vervangen door de goedkopere saffloer die een vergelijkbare werking heeft. De saffloer is een astersoort (carthamus tinctorius) die wel de medicinale aspecten van de saffraan heeft, maar niet de specerij-eigenschappen.”

Bij hormoongerelateerde stemmingsschommelingen

“Vanuit de reguliere geneeskunde, waar men zich richt op de concrete inhoudsstoffen van de plant, zijn er aanwijzingen dat de saffraankrokus iets doet bij depressie. Zowel in de klassieke homeopathie als in de antroposofische geneeskunst wordt hij voorgeschreven aan vrouwen met hormoongerelateerde stemmingsklachten, zoals het premenstruele syndroom. Of bij de uitvergrote versie daarvan: de postnatale depressie.’

Zoltan Schermann is consultatief antroposofisch arts 

.

Planten: vele afbeeldingen en beschrijvingen uit Weledaberichten

Plantkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 5e klas: plantkunde

.

3085-2899

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kunstmatige intelligentie (7-2/2)

.

Wie zich verdiept in het werk van Steiner – of het nu het geschreven werk is of in wat hij met zijn voordrachten bracht – het begrip ‘Ahriman’ komt – meestal in één adem met ‘Lucifer’ – veelvuldig voor.

Op deze blog gaat het om de pedagogische achtergronden van het vrijeschoolonderwijs. En omdat de menskundige achtergronden wortelen in het antroposofisch mensbeeld zou je kunnen verwachten dat ook in de pedagogische voordrachten over Ahriman (en Lucifer) wordt gesproken.

En dat is inderdaad zo: in bepaalde voordrachten roert Steiner het onderwerp aan.
Wat hij daarover zegt, zal op deze blog worden weergegeven.

Voor wie dit onderwerp ( bijna) nieuw is, is dit artikel een inleiding tot meer begrip.

In dit artikel is o.a. sprake van ‘kunstmatige intelligentie’, En in onderstaand artikel wordt daarover ook weer een en ander gezegd.

Als leerkrachten/opvoeders krijgen wij te maken met wat ‘de tijd’ met zich meebrengt. 
Nu is ‘de tijd’ echter een heel abstract begrip. Als we echter daarbij aan ‘de tijdgeest’ denken, zoals dat in dit artikel wordt gedaan, kunnen we in de kunstmatige intelligentie dus een inspiratie zien van de ahrimanische tijdgeest.
Die herkennen, leren kennen en doorzien is een van onze eerste opdrachten.

Vandaar dit artikel:

Jesse Mulder, Antroposofisch Magazine
.

Kunstmatige intelligentie

Gedachten organiseren onze menselijke leefwereld. Maar het ene denken is het andere niet. Het soort denken dat onze menselijke leefwereld meer en meer begint te organiseren is het kunstmatige denken, artificial intelligence. Die intelligentie verschilt buitengewoon van ‘echt’ denken. Maar dat is de meeste mensen niet zo duidelijk. Je hoort vaak redenaties als de volgende: “Computers worden steeds slimmer, ze winnen het al van ons mensen met schaken [recenter ook al met Go). Straks worden computers net zo slim als mensen, dat is slechts een kwestie van tijd. En daarna komen er misschien wel supercomputers die nog veel slimmer zijn.” De meer gestudeerde versies van deze redenatie voegen dan nog getallen toe over de miezerige rekencapaciteit van de menselijke hersenen in vergelijking met die van de voorspelde supercomputer. Maar wie zo denkt, heeft niet in de gaten dat hij daarmee iets denkt wat zo’n supercomputer nooit zal kunnen denken. En het is eigenlijk helemaal niet moeilijk om dat in te zien. Denk maar eens mee.

Stel, je programmeert een eenvoudige rekenmachine: je zorgt dat als iemand ‘2 + 2 =’ intoetst, er ‘4’ op het schermpje verschijnt. Maar dat hoeft natuurlijk niet. Je kunt ‘m ook zo programmeren dat het resultaat ‘5’ is. En nu komt het: het maakt voor de rekenmachine niets uit of er een zinnige samenhang is tussen de input en de output of niet. Terwijl dat juist de essentie is van het ‘echte’ denken waartoe wij als mensen in staat zijn. Stel, je bent al een tijdje op reis. Je weet dat je kamerplant het niet lang overleeft zonder water, en er is niemand die je plant verzorgt in jouw afwezigheid. Dus: je kamerplant is reddeloos verloren. Je kunt die conclusie trekken omdat je inziet hoe die samenhangt met de genoemde situatie. Kunstmatige intelligentie berust daarentegen op het blind toepassen van regels – of die nou zinnig zijn of niet. We kunnen die regels nog zo vernuftig maken, meta-regels toevoegen die de regels kunnen aanpassen enzovoort – het blijft meer van hetzelfde. Net zoals je geen brood kunt maken van meel door er nog meer meel bij te doen, kun je van het blinde toepassen van regels geen op inzicht gebaseerd denken maken door te versnellen of er meer regels aan toe te voegen. Het krijgt hoogstens de schijn van ‘echte’ intelligentie. 

In ‘De filosofie van de vrijheid‘, GA 4, vertaald, gaat Steiner diep in op wat denken eigenlijk is.

Ahriman in het onderwijs: alle artikelen

Algemene menskunde: alle voordrachten

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3084-2898

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (90)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

GEKAAPT!

Dit boek is het laatste dat Thea Beckman in haar leven schreef. Ze heeft  spannende historische romans geschreven, waaronder ook deze.
Het verhaal speelt zich af in de Hanzetijd, in de Hanzestad Kampen en natuurlijk veel op zee. Daar wordt de jonge hoofdpersoon Gerlof Eekhout op zijn eerste zeereis al door gevaarlijke zeerovers gekaapt en beginnen zijn avonturen. 
Hij ontmoet schipper Simon van Utrecht die een oogje heeft op zijn zus Gese. Maar Gerlofs vader is streng. Hij verbiedt hem op wraakexpeditie mee te gaan. Gerlof is koppig en krijgt de kans de zeerovers hun verdiende straf te doen toekomen. 
Naast de vele historisch interessante feiten is het in deze tijd ook boeiend om te zien hoe de verhoudingen ouder-kind waren. 
Dit alles roept sterk het besef op, dat in de eeuwen die volgen het bewustzijn verandert, maar dat de ‘eeuwig’ menselijke gevoelens: trouw, dapperheid en de liefde door alle eeuwen blijven bestaan. 

Thea Beckman
Omslag: Martijn v.d. Linden

Boek

Uitgeverij Lemniscaat

ca 12jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbespreking: alle titels

Kinderboekbespreking: alle auteurs

.

3083-2897

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 307)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn ‘wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

In GA 305 zien we dat Steiner – wat bij ons vroeger de ‘nuttige handwerken’ heette, ‘Handarbeitsunterricht’ noemt en al het andere (houtbewerking bijv.) ‘Handfertigkeitsunterricht), wij zouden dus zeggen ‘handenarbeid’.

Het kan enigszins verwarrend zijn als ik de uitspraken van Steiner dan samenvat onder ‘handvaardigheidsonderwijs’, waarbij het dus én om handwerken gaat én om handenarbeid.

GA 307        Vertaald

Steiner spreekt in deze voordrachten uitgebreid over handvaardigheid. Hoe dit ertoe bij moet dragen dat je als mens sterker in het leven staat, m.n. ook in het sociale leven. Dat handvaardigheid voor alle leerlingen is, dus in de tijd vrij ongebruikelijk: voor meisjes en voor jongens.
Eveneens weer hoe handvaardigheid en denken met elkaar samenhangen.

Gegenwärtiges Geistesleben und Erziehung
Opvoeding en moderne cultuur

Voordracht 11 Ilkley, 15 augustus 1923

Begründung und Einrichtung der Waldorfschule
Grondslagen en inrichting van de vrijeschool

Blz. 195-196    vert. 251

Nun haben wir auf der einen Seite im Waldorfschul-Prinzip durchaus das Ziel, aus dem Menschen heraus den Lehrplan selbst zu schaffen. Sie sehen, wir beachten genau die Lebensepochen, setzen dasjenige in den Klassenunterricht für irgendein Lebensalter, was sich vom Menschen selber ablesen läßt. Auf der anderen Seite haben wir aber auch gar sehr das Ziel, daß der Mensch durch die Schulzeit in der rechten Weise in das soziale Leben hineingesetzt wird, daß er überhaupt in der richtigen Weise in die Welt hineinversetzt werde. Das erreicht man dadurch, daß man nun, wenn das Kind das vierzehnte, fünfzehnte Lebensjahr erreicht, gerade diesen physikalischen, den chemischen Unterricht in einen praktischen Unterricht überführt.
Daher haben wir in den Lehrplan unserer Waldorfschule für diese Lebensjahre solche Dinge aufgenommen, die durchaus den Menschen verständnisvoll in das praktische Leben hineinstellen: Spinnerei, Weberei, mit der Erlernung der entsprechenden Handgriffe. Der Schüler soll wissen, wie gesponnen wird, auch fabrikmäßig gesponnen wird, wie gewebt wird. Er soll die Anfangsgründe auch der chemischen Technologie kennenlernen, Farbenbereitung und dergleichen.

Nu hebben we aan de ene kant in het vrijeschoolprincipe in ieder geval het doel, vanuit de mens het leerplan zelf tot stand te brengen. U ziet, we houden ons precies aan de leeftijdsfasen, we plaatsen datgene in het onderwijs in de klas voor een of andere leeftijd wat zich aan de mens zelf laat aflezen. Maar aan de andere kant hebben we ook wel degelijk het doel dat de mens door zijn schooljaren op de juiste wijze in het sociale leven wordt geplaatst, dat hij überhaupt op de juiste wijze in de wereld wordt verplaatst. Dat bereik je doordat je nu, wanneer het kind het veertiende, vijftiende levensjaar bereikt, juist dit natuurkunde- en scheikundeonderwijs in praktijkonderwijs omzet. Daarom hebben we in het leerplan in onze vrijeschool voor deze levensjaren dingen opgenomen die volstrekt de mens vol begrip in het praktische leven plaatsen: het spinnen, het weven, met het leren van de erbij behorende handgrepen. De leerling moet weten hoe er wordt gesponnen, ook hoe er fabrieksmatig wordt gesponnen, en hoe er wordt geweven. Hij moet de beginselen ook van de chemische technologie leren kennen, het bereiden van kleuren enzovoort.

Er soll ferner durchaus einen praktischen Begriff bekommen von dem, was uns fortwährend im Leben umgibt und das heute noch für viele Menschen, weil die Schule nicht die Möglichkeit findet, im rechten Momente überzugehen von dem Menschlichen zu dem Lebensmäßigen und Weltgemäßen, etwas ganz Unbegreifliches, Unfaßbares ist. Für gewisse Dinge des Lebens geht das nicht, ohne daß der Mensch Schaden leidet an seiner ganzen seelischen Entwicklung.
Man denke nur daran, daß ja der Mensch organisch außerordentlich empfindlich ist, wenn, sagen wir, irgendein Stoff in der Luft ist, den er nicht assimilieren kann, den er nicht in sich aufnehmen kann, wenn irgend etwas, das ihm nicht gemäß ist, in der Luft ist.
Nun, im sozialen Leben, im Leben der Welt verhält es sich allerdings anders. Da müssen wir mancherlei Dinge erleben, die uns vielleicht weniger gemäß sind; aber sie werden uns gemäß, wenn wir ein Verhältnis zu ihnen dadurch gewinnen, daß wir im rechten Lebensalter in der richtigen Weise in sie eingeführt werden.
Denken Sie doch, wie viele Leute heute einen Straßenbahnwagen besteigen, ohne zu wissen, wie so etwas in Bewegung gesetzt wird, wie

Verder moet hij absoluut een praktisch begrip krijgen van dat wat ons voortdurend in het leven omgeeft en wat tegenwoordig nog voor veel mensen geheel onbegrijpelijk, niet te vatten is, omdat de school niet de mogelijkheid vindt op het juiste ogenblik over te gaan van wat overeenkomt met het menselijke naar wat overeenkomt met het leven en met de wereld. Voor bepaalde dingen van het leven gaat dat niet zonder dat de mens beschadigt in zijn hele zielenontwikkeling. Je hoeft er maar aan te denken dat de mens organisch uitermate gevoelig is als, laten we zeggen, de een of andere stof in de lucht zit die hij niet kan assimileren, die hij niet in zich op kan nemen, als het een of ander wat niet bij hem past, in de lucht zit. Welnu, in het sociale leven, in het leven in de wereld is het beslist anders gesteld. Daar moeten we allerlei dingen ervaren die misschien minder bij ons passen; maar ze zullen bij ons gaan passen als we een verhouding ertoe krijgen doordat we op de juiste leeftijd op de goede manier erin worden binnengeleid. Bedenkt u maar hoeveel mensen tegenwoordig in een tram stappen zonder te weten hoe zoiets in beweging wordt gezet,

Blz. 197  vert. 251

der Mechanismus ist. Ja, es gibt Menschen, die sehen jeden Tag die Eisenbahn an sich vorbeifahren und haben keine Ahnung davon, wie der Mechanismus einer Lokomotive ist. Das heißt aber, der Mensch steht da in der Welt und ist umgeben von lauter Dingen, die aus menschlichem Geiste kommen, die menschlicher Geist geschaffen hat, aber er nimmt nicht teil an diesem menschlichen Geiste.
Damit ist überhaupt der Anfang gemacht mit dem unsozialen Leben, wenn wir dasjenige, was menschlicher Geist geschaffen hat, in unserer Umgebung sein lassen, ohne ein entsprechendes, wenigstens allgemeines Verständnis davon zu haben.
Und so wollen wir im Waldorfschul-Prinzip gerade um das vierzehnte, fünfzehnte Lebensjahr herum den Unterricht einströmen lassen in das Lehren und auch in das Handhaben von durchaus lebenspraktischen Dingen.

 hoe het mechanisme werkt. Ja, er zijn mensen die elke dag de trein voorbij zien rijden en geen enkel idee hebben hoe het mechanisme van een locomotief is. Maar dat wil zeggen, de mens staat daar in de wereld en is omgeven van louter dingen die uit de menselijke geest voortkomen, die de menselijke geest heeft geschapen, maar hij neemt geen deel aan deze menselijke geest. Er is überhaupt hét begin gemaakt met het asociale leven als we dat wat de menselijke geest heeft gemaakt, in onze omgeving laten bestaan zonder een adequaat, althans algemeen inzicht erin te hebben. En zo willen we in het vrijeschool-principe juist rond het veertiende, vijftiende jaar het onderwijs laten binnenstromen in het doceren en ook in het hanteren van dingen die beslist in de praktijk van het leven staan.
GA 307/195-197
Vertaald/251-252

Voordracht 12, Ilkley 16 augustus 1923

In de 12e voordracht noemt Steiner – meestal gaat over handwerken – het ‘plastische’ als ‘handvaardigheid’, dat is niet uitsluitend boetseren, maar ook houtbewerking.

Blz. 222     vert. 284

 Auch das Plastische wird möglichst viel gepflegt, allerdings erst etwa vom neunten, zehnten Jahre an und in primitiver Weise. Aber es wirkt ungeheuer belebend auf das physische Sehvermögen des Kindes, auf die Beseelung des physischen Sehvermögens daß das Kind auch in das Formen von plastischen Gestalten in der rechten Weise im richtigen Alter eingeführt werde. Die Menschen gehen ja vielfach so durchs Leben: die Dinge und Ereignisse sind um sie herum und viele sehen das Allerwichtigste nicht. Sehen lernen so, daß der Mensch in rechter Weise in der Welt drinnen steht, das muß man ja auch erst lernen. Und für dieses richtige Sehenlernen ist es ganz besonders fruchtbar, die plastische Betätigung, die das Gesehene vom Kopf ableitet, von den Augen in die Fingerbewegung, in die Handbewegung ableitet, beim Kinde möglichst frühzeitig zu pflegen. Das Kind wird dadurch nicht nur in geschmackvoller Weise hinübergeleitet dazu, daß ihm in seiner nächsten Umgebung, ich will sagen, in seiner Zimmereinrichtung und dergleichen nur das Geschmackvolle gefällt, nicht das Geschmacklose, sondern es wird dadurch auch in der richtigen Weise dazu geführt, in der Welt dasjenige zu sehen, was von der Welt vor allen Dingen in Menschenseele und Menschengemüt hereinkommen soll.

Ook het plastische wordt zo veel mogelijk verzorgd, weliswaar pas ongeveer vanaf het negende, tiende jaar en op primitieve wijze.
Maar het werkt geweldig verlevendigend op het fysieke gezichtsvermogen van het kind, op de bezieling van de fysieke gezichtsvermogens dat het kind op de ware wijze op de juiste leeftijd ingevoerd wordt in het vormen van plastische gestalten. De mensen gaan immers veelal als volgt door het leven: de dingen en gebeurtenissen zijn om ze heen en velen zien het allerbelangrijkste niet. Zó leren zien dat de mens op een goede manier in de wereld staat, dat moet men immers ook eerst leren. En voor dit juist leren zien is het heel erg vruchtbaar de plastische activiteit die het geziene uit het hoofd wegvoert, bij het kind zo vroeg mogelijk te beoefenen. Niet alleen wordt het kind daardoor op smaakvolle wijze ernaar toegeleid dat hem in zijn naaste omgeving, laat ik zeggen, in de inrichting van zijn kamer en dergelijke alleen het smaakvolle bevalt, niet het smakeloze. Nee, daardoor wordt het ook op de juiste wijze ertoe gebracht datgene in te zien wat van de wereld vooral in ziel en gemoed van mensen binnen moet komen.
GA 307/222
Vertaald/284

Voordracht 13, Ilkley 17 augustus 1923

Blz. 227     vert. 294

Sie haben ja gesehen, wir legen einen großen Wert darauf, daß das
Kind nicht nur nach der Seite des Geistes und der Seele ausgebildet
wird, sondern daß es ausgebildet wird als ganzer Mensch nach Geist,
Seele und Körper. Deshalb pflegen wir auch die körperliche Betätigung,
jene körperliche Betätigung namentlich, durch die der Mensch richtig
verständnisvoll ins Leben hineingeführt werden kann.
Und so können Sie bei uns in der Waldorfschule in dem sogenannten
Handarbeitsunterricht Knaben und Mädchen strickend und häkelnd
nebeneinander sitzen sehen. Daß wir damit nichts Unmenschliches,
sondern etwas sehr Menschliches treffen, das können Sie dadurch wahrnehmen, daß tatsächlich mit einer gewissen Begeisterung bei uns die
Knaben Strümpfe stricken und auch Strümpfe stopfen lernen. Sie tun
das, ohne zu glauben, daß ihre männliche Würde dabei in irgendeiner
Weise einen Abbruch erleidet.

U heeft gezien, nietwaar, we hechten er grote waarde aan dat het kind niet alleen naar de kant van de geest en de ziel wordt ontwikkeld, maar dat het ontwikkeld wordt als gehele mens, naar geest, ziel en lichaam. Daarom beoefenen we ook de lichamelijke activiteit, met name die lichamelijke activiteit waardoor de mens echt vol begrip in het leven kan worden binnengeleid.
En zo kunt u bij ons in de vrijeschool in de zogeheten handwerklessen jongens én meisjes naast elkaar zien zitten breien en haken. Dat we daarmee niets onmenselijks, maar iets zeer menselijks doen, dat kunt u daaraan waarnemen dat bij ons de jongens werkelijk met een zeker enthousiasme kousen leren breien en ook leren stoppen. Ze doen dat zonder te denken dat hun mannelijke waardigheid daar ook maar enigszins onder lijdt.

Blz. 228  vert. 294

Nicht so sehr, um diese verschiedenen Künste den Knaben beizubringen, lassen wir sie pflegen, sondern vor allen Dingen darum, daß nach allen Richtungen hin Verständnis entstehe. Denn das ist ja einer der Hauptschäden unserer gegenwärtigen sozialen Zustände, daß der eine Mensch so wenig versteht, was der andere tut. Wir müssen tatsächlich dazu kommen, nicht als abgesonderte einzelne Menschen oder Gruppen dazustehen, sondern mit vollem Verständnis der eine dem anderen gegenüberzustehen. Und was die Hauptsache ist, eine Pflege solcher Handarbeiten macht den Menschen nach den verschiedensten Richtungen geschickt.
Es sieht ja vielleicht etwas paradox aus, aber dennoch bin ich der Überzeugung, daß niemand ein ordentlicher Philosoph sein kann, der nicht in der Lage ist, wenn es nötig wird, sich auch seine Strümpfe zu stopfen oder seine Kleider auszubessern. Wie soll man denn über die größten Weltgeheimnisse irgend etwas auf vernünftige Art wissen, wenn man nicht im Grunde genommen im Notfalle sich sogar seine Fußbekleidungen machen kann. Man kann ja wahrhaftig nicht mit innigem menschlichem Anteil in die Weltgeheimnisse eindringen wollen, wenn man für das Nächste überhaupt nicht die geringste Geschicklichkeit hat!

Niet zozeer om de jongens deze verschillende kundigheden bij te brengen laten we dat doen, maar vooral opdat er in alle richtingen begrip ontstaat. Want het is wel een van de belangrijkste nadelen van onze huidige sociale toestanden dat de ene mens zo weinig begrijpt van wat de ander doet. We moeten in feite zover komen dat we niet als geïsoleerde, afzonderlijke mensen of groepen erbij staan, maar vol begrip tegenover elkaar staan. En wat de hoofdzaak is, het beoefenen van zulk handwerk maakt de mens handig in de meest uiteenlopende richtingen. Het ziet er misschien een beetje paradoxaal uit, maar toch ben ik de overtuiging toegedaan dat niemand een behoorlijke filosoof kan zijn die niet in staat is, wanneer het nodig is, ook zijn sokken te stoppen of zijn kleren te repareren. Hoe kun je nu over de grootste wereldgeheimen iets zinnigs weten als je in de grond van de zaak niet in noodgeval zelfs je voetbekleding kunt maken. Je kunt heus niet met innige menselijke belangstelling in de wereldgeheimen willen binnendringen als je voor wat het dichtste bij ligt helemaal niet de geringste vaardigheid hebt!

Ich weiß, daß das paradox aussieht, aber ich glaube eben, daß sogar ein wenig Verständnis bei einem Philosophen vorhanden sein müsse, wie man Stiefel macht und dergleichen, weil sonst der Philosoph ein Abstraktling wird.
Nun, das sind extreme Fälle, aber ich will durch die extremen Fälle darauf hinweisen, wie das Hinaufsteigen in die höchste Geistigkeit auf der einen Seite, und auch das Hinuntersteigen zu körperlicher Behandlung, körperlicher Pflege, in unserem pädagogischen Prinzip vorhanden sein muß.
Nun, das sind extreme Fälle, aber ich will durch die extremen Fälle
darauf hinweisen, wie das Hinaufsteigen in die höchste Geistigkeit auf
der einen Seite, und auch das Hinuntersteigen zu körperlicher Behandlung, körperlicher Pflege, in unserem pädagogischen Prinzip vorhanden sein muß.

Het ziet er misschien wat paradoxaal uit, maar ik ben er toch van overtuigd dat een filosoof zelfs een beetje verstand zou moeten hebben van hoe laarzen worden gemaakt en dergelijke, omdat de filosoof anders een abstracteling wordt. Welnu, dat zijn extreme gevallen, maar door middel van die extreme gevallen wil ik erop wijzen hoe het opstijgen naar het hoogste geestelijke aan de ene kant en ook het afdalen naar behandeling van het lichamelijke, verzorging van het lichamelijke in ons pedagogische principe aanwezig moet zijn. kunst werkelijk wordt ontwikkeld.
GA 307/227
Vertaald/295

.

Handvaardigheid: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3082-2896

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (93)

.

Denken en het brein

Steiner heeft veel over ‘het hoofd’ gesproken en in samenhang daarmee over ‘het denken’.
Voor hem was het heel duidelijk: het brein is, de hersenen zijn een instrument, a.h.w. een voorwerp om te kunnen denken. 
De hersenen zelf brengen geen gedachten voort, zoals een piano ook uit zichzelf geen geluid voortbrengt, alleen als erop gespeeld wordt.

Met de titel van zijn boek: ‘Mijn brein denkt niet, ik wél‘ onderbouwt de auteur Arie Bos deze visie.

In Trouw schrijft columnist Bert Keizer regelmatig over ‘denken’, ‘geest’ en ‘hersenen.

Op 07-02-2020 reageert hij op een column van  Heleen Slagter.
Hij geeft zijn opmerkingen de kop:

Het brein kan niks

In haar column schreef ze, dat was kennelijk de bedoeling, iets over ons geestelijk functioneren waarbij ze de conclusie trekt dat ‘ons brein voorspelt en corrigeert’. Keizer stelt het wat preciezer: ‘ging het niet méér over de anatomische basis’?
Want, zegt Keizer, brein’ kan betekenen ‘geestelijke activiteit’ zoals in zinnetjes als: ‘Hij heeft een goed brein’ of ‘jij moet je brein eens wat beter gebruiken’. Maar ‘brein’ kan ook slaan op de ingewikkelde macaroni die in de benige doos van de schedel zit opgesloten, het orgaan. En daarover kun je zeggen: ‘Het brein woog 1150 gram’ of ‘in het brein vinden we neuronen’.

Keizer vraagt zich af of neuronen kunnen voorspellen of corrigeren. 

Neuronen zenden impulsjes uit langs draden die weer naar andere neuronen gaan. De hersenonderzoeker ziet die pulsjes en weet (op grond van heel andere informatie dan pulsjes), dat de breinbezitter zo meteen haar arm gaat optillen. Dat weet zij omdat in het verleden dat impulspatroon gevolgd werd door arm optillen. Voorspelt het brein dan?

Keizer is hier scherp in zijn analyse: neuronale gebeurtenissen kun je niet psychologiserend beschrijven. Slagter beweert dat het brein ‘denkt, voelt en handelt’.

Wie Steiners ‘Algemene menskunde’ bestudeert (en zijn andere uitspraken over de ‘drieledige mens’) weet dat hij al begin 20e eeuw beweerde, wat Keizer hier zegt: het orgaan ‘brein’ denkt, voelt en handelt niet.

Keizer: Ik heb drie maanden meegelopen met de neurochirurgen in het VU-ziekenhuis. En daar nogal eens breinen in de geopende schedel van heel dichtbij kunnen toespreken. En u ziet meteen dat dat onzinnig is.

Een terechte conclusie, lijkt mij, dat Keizer zegt:

We hebben het over het aloude geest-lichaam probleem en in de neurowetenschap legt men graag een krant over de afgrond tussen geest en lichaam.

Keizer voelt aan dat hij moet spreken over ‘geestelijk leven’. Voor Steiner is dit geestelijk leven een realiteit, voor Keizer een metafoor, die hij echter niet missen kan om het probleem rond het brein te ‘zien’.
En dan bevestigt hij – ik weet niet of hij Bos heeft gelezen: ‘het brein ziet niet. Nee, U ziet, met de nadruk op ‘U’.

Keizer: Lees hoe Slagter op twee breinen hinkt: ‘Het [brein] heeft immers geen ogen en oren, alleen kennis van de signalen die binnenkomen via de zintuigen, morsecodes die het moet leren duiden.’ Geen ogen en oren, prima, maar dit zintuigloze brein moet vervolgens kennis verwerven door morsecodes (de pulsjes) te leren duiden. Hoe doet het breinorgaan dat als het niet kan zien of horen of voelen of ruiken of betasten? En hoe zou een neurowetenschapper in die pulsjes-orkaan een specifiek pulsje-spatroon kunnen ontwaren waarvan ze durft te zeggen: kijk, daar worden de pulsjes ‘geduid’. Geduid? Hou toch op, neuronen kunnen niks duiden.

Wat Slagter beschrijft is de positie van de neurowetenschapper die naar het brein(orgaan) kijkt en tegelijkertijd naar het doen en laten van de breinbewoner. Die positie ligt in alle opzichten buiten het bestudeerde brein. Het verwarrende van haar uiteenzetting is dat ze net doet alsof dit duiden daar ergens in of bij of tussen de neuronen plaatsvindt. Er zit geen neurowetenschapper in het brein (orgaan). Wel in het brein (geest).

Dat ‘breinbewoner’ doet me denken aan de zin die ik dagelijks als oud-vrijeschoolleerkracht met de kinderen  uitsprak: ‘Ik zie rond in de wereld, waarin de mens, bezield, de geest een woning geeft’.

In zijn vele bijdragen zien we bij Keizer gezichtspunten die ons niet vreemd zijn en die ons ook weer verder kunnen helpen Steiners visie nog beter te begrijpen.

.
Algemene menskunde: alle artikelen

Over: denken, voelen, willen:

DRIELEDIGE MENS (1) lichaam, ziel, geest
Begripsbepaling; mens tussen 2 werelden

DRIELEDIGE MENS (2) lichaam, ziel, geest-vervolg
Meer begripsbepaling

DRIELEDIGE MENS (3) lichaam, ziel, geest-vervolg
Leven, gewaarwordings-verstand/gemoeds-bewustzijnsziel

DRIELEDIGE MENS (4)denken, voelen, willen
Voorstellen/denken; handelen/stofwisseling. Getekend schema

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3081-2895

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner in de vrijeschool – GA 298 (01-06-1924)

.

In de vertaling van GA 298 ‘Rudolf Steiner in der Waldorfschule‘- vertaald: ‘Beste ouders, lieve kinderen‘ zijn niet alle toespraken uit de Duitse uitgave opgenomen.

GA 298

Blz. 206

Vortrag, gehalten an der vierten Mitgliederversammlung des Vereins «Freie Waldorfschule»: «Der Verkehr des Lehrers mit dem Elternhause im Geiste der Waldorfschul-Pädagogik»

Voordracht, gehouden bij de vierde ledenvergadering van de Vereniging ‘Vrije School’ Stuttgart:

‘De omgang van de leerkracht met het ouderlijk huis in de geest van de vrijeschoolpedagogie’

Meine sehr verehrten Anwesenden! Von denjenigen Gesichtspunkten, von denen die Waldorfschule ausgeht, führt nicht nur ein, sondern es führen viele Wege wie von etwas heute der Menschheit und insbesondere dem sozialen Leben unnatürlich Aufgedrängtem zu etwas Natürlichem, zu etwas, was sozusagen von der Menschennatur in ihrem weitesten Umfange gefordert wird. Und ein solcher Weg soll gezeichnet werden in den Bemerkungen, die ich mir der heutigen Versammlung vorauszuschicken erlaube, der Weg von dem Lehrer zum Elternhaus. Man kann sagen, dieser Weg sei eigentlich ein selbstverständlicher. Und doch, meine sehr verehrten Anwesenden, der Weg, den die Lehrer und Erzieher brauchen zu dem Elternhaus, wurde nicht nur, wird nicht nur zuweilen recht schwer gefunden, sondern es gibt auch sehr, sehr bedeutsame pädagogische Anschauungen, in denen auf diesen Weg zum Elternhaus keine Rücksicht genommen wird.

Zeer geachte aanwezigen!

Van de gezichtspunten waar de vrijeschool vanuit gaat, leidt niet slechts één, maar leiden vele wegen -van zoiets als wat tegenwoordig de mensheid en in het bijzonder het sociale leven wordt opgedrongen – naar iets vanzelfsprekends, naar iets wat a.h.w. door de natuur van de mens in de breedst mogelijke zin, gevraagd wordt. En zo’n weg zal worden geschetst in de opmerkingen die ik mij veroorloof eerst te geven voor het begin van de vergadering van heden, de weg van de leerkracht naar het ouderlijk huis.
Je zou kunnen zeggen dat die weg eigenlijk een vanzelfsprekende weg is. En toch, beste aanwezigen, de weg die de leerkracht en opvoeder naar het ouderlijk huis nodig heeft, werd niet alleen, wordt niet alleen af en toe als heel moeilijk beleefd, maar er zijn ook heel, heel belangrijke pedagogische gezichtspunten waarbij met deze weg naar het ouderhuis geen rekening wordt gehouden.

Ich brauche da nur zu erinnern an etwas, was im Laufe der deutschen Geistesentwickelung erlbt worden ist als ein Größtes: das Auftreten Johann Gottlieb Fichtes auf jeglichem Gebiete. Aber wir wollen heute nur sprechen von seinem Auftreten auf pädagogischem Gebiete. Er hat ja in einer der schwierigsten Zeiten des deutschen Lebens seine «Reden an die deutsche Nation», diese eindringlichen Reden an die deutsche Nation gehalten, in denen er darauf aufmerksam machte, wie eine Gesundung, eine Wiederbelebung
des deutschen Daseins kommen müsse nach schwerer Erniedrigung 1806
durch die Erziehung. Und man kann sagen: über die Erziehung hat
Johann Gottlieb Fichte, einer der edelsten Deutschen, die allerschönsten
Worte und auch die allerbedeutsamsten Worte gefunden. Allein er
betrachtete es wie ein Grunderfordernis für die Durchführung seiner

Dan hoef ik alleen maar te herinneren aan wat er in de loop van de Duitse geestesontwikkeling gevoeld werd als iets heel groots: wat Johann Gottlieb Fichte op elk terrein liet zien. Maar nu willen we het alleen maar hebben over wat hij deed op pedagogisch gebied. Hij hield in een van Duitslands moeilijkste tijden zijn ‘Reden an de deutsche Nation’, die indringende toespraken aan de Duitse natie waarin hij de aandacht erop vestigde hoe er een gezondmaken, een opnieuw opleven van het Duitse bestaan moest komen na de heftige vernedering van 1806, door de opvoeding. En je kan zeggen: over opvoeding heeft Johann Gottlieb Fichte, een van de nobelste Duitsers, de mooiste en belangrijkste woorden gevonden. Hij beschouwde het slechts als een basiseis voor het doorvoeren van zijn

Blz. 207

pädagogischen Intentionen, daß die Kinder dem Elternhaus entnommen
werden, daß sie gewissermaßen zusammengepfercht werden in besondere Erziehungsanstalten, die von einem allseits geschlossenen Staat
allein nach starren Prinzipien geleitet werden. Aber wir haben ja auch
nachher die mannigfaltigsten Erziehungsexperimente erlebt, in denen
Kinder in besonderer Lage an besondere Orte gebracht werden sollen,
um eine sachgemäße Erziehung zu haben. Und wir haben insbesondere im Laufe der Entwicklung der Menschheit zahlreiche Beispiele, wo ein
solches Herausnehmen der Kinder aus dem Elternhause als notwendig
gefordert wird.
Obzwar die Waldorfschul-Pädagogik mit ihrem Geiste glaubt, mindestens ebenso eindringlich und ebenso aus den Tiefen der Menschenseele
heraus zu wirken wie die mit wenigen Strichen gekennzeichneten Erziehungsversuche, so schlug doch dieser Geist der Waldorfschul-Pädagogik
von Anfang an eine ganz andere Richtung ein. Dieser Geist der Waldorfschul-Pädagogik ging nicht von Äußerlichkeiten aus. Er sagte nicht, man
solle dieses oder jenes in sozialer Beziehung für die Kinder herbeiführen.

pedagogische bedoelingen, dat de kinderen uit huis geplaatst zouden worden, dat ze in gesloten internaten zouden worden ondergebracht, die door een volkomen ontoegankelijke staat alleen met starre principes geleid worden. Maar ook daarna hebben we de meest uiteenlopende opvoedingsexperimenten meegemaakt waarbij de kinderen in een bijzondere situatie in speciale plaatsen gebracht moeten worden om een adequate opvoeding te krijgen. En m.n. in de ontwikkeling van de mensheid kennen we talloze voorbeelden waarbij zo’n uithuisplaatsing van de kinderen als een noodzakelijke eis gold.
Hoewel de vrijeschoolpedagogie en wat deze voorstaat, gelooft minstens net zo intens en net zo vanuit de diepte van de mensenziel te werken als de met een paar streken geschetste opvoedingspogingen, dan sloeg wat we met de vrijeschool voorstaan deze vanaf het begin toch een andere richting in. De geestelijke instelling van de vrijeschoolpedagogie ging niet uit van uiterlijkheden. Er werd niet gezegd
voor de kinderen moet je dit of dat doen, met het oog op het sociale.

Er sagte nicht, man solle die Kinder in diese oder jene Verhältnisse, herausgerissen aus ihren gewöhnlichen Verhältnissen, bringen; sondern
der Geist der Waldorfschul-Pädagogik war von Anfang an ein rein methodischer, ein rein pädagogisch-didaktischer. Die soziale Lage, die Verhältnisse des Lebens, so wie sie sind, so werden sie hingenommen.
Und alles, was erreicht werden soll durch die Waldorfschul-Pädagogik,
wird angestrebt aus inneren geistigen Gründen der Pädagogik selber. So daß man etwa sagen kann: Wenn irgendwo durch die soziale Lage, in der
sich das Kind befindet, oder durch andere Vorbedingungen, Schwierigkeiten der Erziehung da sind, so werden diese von dem Geiste der Waldorfschul-Pädagogik eben als ein Schicksal hingenommen, und es werden eingerichtet Methodik und Didaktik so, daß aus dem Geiste, aus der Handhabung von Erziehung und Unterricht heraus die Schwierigkeiten besiegt werden, und zwar in möglichst auf das einzelne Kind gehender, individualisierter Art.Dadurch steht aber eine solche Institution, wie die Waldorfschule, mitten darinnen im sozialen Leben, wie es ist. Und in diesem sozialen Leben ist es nun einmal so, daß wenn man es mit einer Schule zu tun hat, die im heutigen schulpflichtigen Alter das

Er werd niet gezegd dat je de kinderen in deze of die omstandigheden moet brengen, weggehaald uit hun normale omstandigheden; maar de geestelijke instelling van de vrijeschool was van meet af aan puur methodisch, zuiver pedagogisch-didactisch. De sociale positie, de levensomstandigheden werden genomen zoals ze zijn. En alles wat met de vrijeschoolpedagogie moet worden bereikt, wordt nagestreefd vanuit innerlijke geestelijke grondslagen van de pedagogie zelf. Zodat je ongeveer wel zeggen kan: wanneer op de een of andere manier door de sociale positie waarin het kind zich bevindt of door andere randvoorwaarden er zich opvoedingsproblemen voordoen, dan worden deze door wat de vrijeschool is, als lot geaccepteerd en de methodiek en didactiek wordt zo vormgegeven dat van de instelling, vanuit het toepassen van opvoeding en onderwijs die moeilijkheden worden overwonnen en wel op een manier die geïndividualiseerd elk kind betreft.
Daardoor staat een school zoals de vrijeschool midden in het sociale leven zoals dat is. En daarin is het nu eenmaal zo dat wanneer je met een school hebt te maken die in de leerplichtige leeftijd een kind van nu

Blz. 208

Kind aufnimmt, also mit sechs oder sieben Jahren, so empfängt man das
Kind aus dem Elternhause, und da wir kein Internat haben, so bleibt das
Kind für die Zeit, die außerhalb der Schulzeit liegt, dem Elternhause und
seiner Sorgfalt erhalten. Damit ist von vornherein die ganze Richtung, die Erziehung und Unterricht in der Waldorfschule nehmen müssen, hingeordnet auf ein Zusammenarbeiten mit dem Elternhause, das aber insbesondere, wie wir sehen werden, bestehen muß in einem Zusammenfühlen, Zusammenempfinden und Zusammendenken auch mit dem Elternhause. Es ist ja gewiß vor vielen von Ihnen dasjenige, was Lebensepochen
im Dasein des Kindes sind, öfters schon auseinandergesetzt worden.
Diese Lebensepochen im Dasein des Kindes, es sind ja ihrer insbesondere zwei, drei, welche unsere Pädagogik angehen. Die eine beginnt mit der Geburt und endet mit dem Zahnwechsel, die zweite beginnt mit dem Zahnwechsel und endet mit der Geschlechtsreife, die dritte geht darüber hinaus bis ungefähr zum einundzwanzigsten Lebensjahre. Jede dieser Lebensepochen des Kindes zeigt uns sozusagen, wenn wir nur unbefangene Sinne haben in bezug auf die Dinge, wie sie sind, das Kind in einer ganz anderen Seelenverfassung und auch in einer anderen körperlichen Verfassung. Aber wir wollen zunächst die Seelenverfassung ins Auge fassen

dus op zes of zeven jaar opneemt, je het kind  dan vanuit het ouderlijk huis krijgt en omdat wij geen internaat hebben, blijft het kind de tijd buiten de schooltijd aangewezen op de zorg van de ouders. Daarmee is van begin af aan de hele richting die de opvoeding en het onderwijs in de vrijeschool nemen moet, gericht op samenwerking met het ouderlijk huis, wat echter vooral, zoals we nog zullen zien, moet bestaan in een gevoel van samen, het samen ervaren en er samen over denken, juist met de ouders.
Er is zeker aan velen van u al vaker iets over de levensfasen van het kind uitgelegd.
In het leven van het kind zijn er eigenlijk twee of drie fasen waarmee we in onze pedagogie te maken hebben. De ene begint met de geboorte en eindigt met de tandenwisseling, de tweede begint met de tandenwisseling en eindigt met de geslachtsrijpheid, de derde gaat verder tot ongeveer het eenentwintigste jaar.
Ieder van deze fasen laat ons zien, als we onbevangen naar de dingen kunnen kijken zoals ze zijn, dat het kind een heel andere zielenconstellatie heeft en ook een andere lichamelijke constellatie. Maar eerst willen we eens naar de ziel kijken.

Das Kind bis zum Zahnwechsel ist durchaus darauf angewiesen, alles, was es sich erzieherisch aneignet, sich anzueignen durch Nachahmung.
Was man dem Kinde vormacht, das wirkt auf das Kind wie ein äußerer
Reiz, der unmittelbar die ganze körperliche Organisation – an der einen
Stelle mehr sichtbar, an der anderen Stelle weniger sichtbar – zum Nachahmen des Eindrucks aufruft. Wir brauchen ja, um das zu erhärten, nur die schwerwiegende Tatsache ins Auge zu fassen, daß die Muttersprache vom Kinde ganz und gar durch Nachahmung errungen wird. Da geht die Nachahmung tief in die menschliche physische und seelische Organisation hinein. Da muß berücksichtigt werden, daß irgendein Laut, der gesprochen wird, in seiner Vibration, in seiner Wellenbewegung von dem Kinde noch viel intensiver empfunden wird als das später im Leben der Fall ist. Und alle Einstellung des Kehlkopfes, alle innere Durchseelung der Organe beruht selbst in der Sprache, wenn die Mut-

Het kind is tot de tandenwisseling volkomen aangewezen, op alles wat het zich vanuit de opvoeding eigen maakt, dat door nabootsing te doen. Wat het kind wordt voorgedaan, werkt op het kind als een uiterlijke prikkel die meteen het hele lichamelijke organisme – op de ene plaats zichtbaarder dan op de andere – aanzet de indruk na te bootsen. We hoeven om dat te onderbouwen slechts naar het belangrijke feit te kijken dat de moedertaal door het kind uitsluitend door nabootsing wordt aangeleerd. Daarbij gaat de nabootsing diep in het menselijk fysieke en de psyche naar binnen.  Daarbij moet wel in ogenschouw genomen worden, dat een bepaalde klank die wordt uitgesproken, met de bijbehorende vibraties, golfbewegingen door het kind nog veel intenser ervaren wordt, dan dat dit later in het leven het geval is. Het instellen van het strottenhoofd, alles wat bezieling is van de organen, berust zelfs bij de spraak,

Blz. 209

tersprache in Betracht kommt, auf Nachahmung; und so alles im Leben
des Kindes bis zum Zahnwechsel.
Heute, wo durch ein Mißverständnis oder durch zahlreiche Mißverständnisse, in unserer sonst so bewundernswerten naturwissenschaftlichen Weltauffassung große Irrtümer hervorgerufen werden, heute redet man vielfach davon, daß diese oder jene Dinge, die das Kind sich erwirbt in der ersten Lebensepoche bis zum Zahnwechsel hin, auf Vererbung beruhen
In dieses Fach Vererbung wird ja heute so viel, so viel hineingeworfen. Dem Kinde gegenüber beruht dieses Sprechen von Vererbung nur darauf, daß diejenigen, die davon sprechen, keinen richtigen Beobachtungssinn haben. Sonst würden sie herausfinden, daß im Grunde genommen vieles von dem, was heute der dunklen mystischen Vererbung zugeschrieben wird, eigentlich gesucht werden muß in der klar überschaubaren Nachahmung, zu der das Kind hinorientiert ist.
Aber bedenken wir, wie eng gerade das seelische Leben, das sich
heraushebt aus diesem ganzen Nachahmungsleben, wie eng dieses seelische Leben dadurch, daß das Kind ein nachahmendes Wesen ist, mit dem
elterlichen Leben zusammenwächst.

wanneer het de moedertaal betreft, op nabootsing en eigenlijk alles in het leven van het kind tot de tandenwisseling.
Tegenwoordig worden er door talrijke misverstanden van de anders zo te bewonderen natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing, grote vergissingen begaan, want men heeft het er vaak over dat wat het kind zich als het een of ander eigen maakt in de eerste levensfase tot aan de tandenwisseling, op erfelijkheid berust.
In het vakje erfelijkheid wordt vandaag de dag zo veel gestopt. Spreken over erfelijkheid berust, wat het kind aangaat alleen op het feit dat degenen die het over erfelijkheid hebben, niet over een goed waarnemingsvermogen beschikken.
Maar laten we wel bedenken hoe nauw verbonden juist het gevoelsleven dat uit dit hele nabootsingsleven naar buiten komt, hoe dit gevoelsleven omdat het kind een nabootsend wezen is, zo nauw met het leven van de ouders verweven is.

Gerade wenn man recht einsieht, wie stark die Neigung zum Nachahmen beim Kinde ist, so bekommt man im eminentesten Sinn die heiligste Scheu und die tiefste Schätzung für dasjenige, was der Zusammenhang des Kindes mit den Eltern ist.
Und sieht man gar im Sinne einer anthroposophischen Geisteswissenschaft auf das, was alldem in den geistigen Weltenzusammenhängen zugrunde liegt, dann sagt man sich erst recht: der Mensch kommt ja, da er, bevor er sein physisches Dasein antritt, ein geistiges Wesen ist, der Mensch kommt ja, trotzdem er ein freies Wesen ist, für die verschiedensten Gestaltungen des Lebens – ich sage nicht Verrichtungen, aber Gestaltungen – mit einem ganz bestimmten Schicksal in das Erdendasein hinein. Schaut man auf der einen Seite darauf, wie sich dieses Schicksal mit einer inneren Gesetzmäßigkeit aus den oft kleinsten Erlebnissen des Kindes herauszieht bis in das reife Alter, ja bis in das höchste Alter hinein, sieht man auf der anderen Seite, wie das Kind zusammenwächst
mit den Eltern dadurch, daß es ein nachahmendes Wesen ist, sieht man
dieses wirklich mit allen zugrunde liegenden geistigen Zusammenhängen
an, dann bekommt man Empfindungen, die einen, man darf schon sagen,

Want anders zouden ze wel ontdekken dat in de grond van de zaak veel van wat tegenwoordig aan de vage, mystieke erfelijkheid wordt toegeschreven, eigenlijk gezocht moet worden in de duidelijk te overziene nabootsing, waarop het kind gericht is. Juist wanneer je goed ziet hoe sterk bij het kind de hang naar nabootsen is, krijg je op een buitengewone manier de grootste eerbied en hoogste achting voor wat een innerlijke verbinding van het kind met zijn ouders is. En kijk je naar alles wat er ten grondslag ligt aan de geestelijke samenhang in de wereld vanuit de antroposofische geesteswetenschap, dan kun je pas met recht zeggen; de mens komt omdat hij vóór zijn aardeleven een geestelijk wezen is, hoewel hij een vrij wezen is, voor alle mogelijke levensvormen – ik zeg niet daden – maar vormen – met een heel bepaald lot op aarde. Kijk je aan de ene kant hoe dit lot zich met een innerlijke wetmatigheid uit de vaak kleinste belevingen van het kind tot op hoge leeftijd zichtbaar wordt, ja tot op zeer hoge leeftijd, dan zie je aan de andere kant hoe het kind een eenheid vormt met zijn ouders doordat hij een wezen is dat nabootst, je ziet dit werkelijk met heel de daaraan ten grondslag liggende geestelijke samenhang, en dan krijg je daardoor gevoelens die, je mag wel zeggen

Blz. 210

religiösen Charakter haben gegenüber dem, was man in dem Kinde gegeben hat, wenn man es als Lehrer oder Erzieher zur Erziehung, zum Unterrichte empfängt. Und man eignet sich gerade durch die fast religiösen Empfindungen eine starke Neigung dazu an, recht genau zu kennen: wie hängt das Kind, das uns im schulpflichtigen Alter übergeben wird, mit dem Elternhause zusammen?
Da darf man das Folgende sagen: Es sind wahrhaftig nicht theoretisch-pädagogische Erwägungen, es sind nicht abstrakte, prinzipielle Grundsätze, welche den Weg vorzeichnen sollen für den Geist der Waldorfschul-Pädagogik zu den Eltern der Kinder hin, sondern es ist etwas Lebendiges, wie alles in der Waldorfschule etwas Lebendiges sein soll.
Es ist etwas Lebendiges; es ist das lebendige Bedürfnis des Waldorfschullehrers, nicht nur das Kind im Geiste vor sich zu haben, sondern von jeder Seelenäußerung, die das Kind ihm entgegenbringt, von jeder
charakterologischen Triebfeder, von jeder in kindlicher Art wirksamen
Impulsivität, ja, von jeder Miene, von jeder Geste, von jeder Handbewegung den Weg zu finden vom Kinde zu den Eltern. 

een religieus karakter hebben, als je kijkt naar wat je met het kind gekregen hebt, wanneer je het als leerkracht of opvoeder als leerling of opvoedeling toevertrouwd wordt. En dan krijg je door die bijna religieuze ervaringen een sterke behoefte om precies te leren kennen: hoe hoort dit kind dat ons op de leeftijd dat het naar school moet en ons wordt toevertrouwd bij dit ouderlijk huis?
Dan mag je het volgende zeggen: dat zijn volstrekt geen theoretisch-pedagogische overwegingen; het zijn geen abstracte, principiële basispunten die de weg naar de ouders van de kinderen aan moeten geven als het om de vrijeschoolpedagogie gaat, maar het is iets levends zoals alles in de vrijeschool leven moet zijn.
Het is iets levends, het is het levende verlangen van de vrijeschoolleerkracht om niet alleen het kind geestelijk voor zich te zien, maar aan iedere gevoelsuiting die het kind hem toont, aan iedere drijfveer vanuit het karakter, aan iedere op kinderniveau werkende impulsiviteit, aan iedere gezichtstrek, aan ieder gebaar, iedere handbeweging, de weg te vinden van het kind naar de ouders. 

Man wird als Waldorfschullehrer befestigt in der Erkenntnis des Kindes, und die braucht man vor allen Dingen, wenn man das Kind so erziehen will, daß man die Impulse zu seiner Erziehung von seiner eigenen Natur abliest.
Man wird vor allen Dingen befestigt darinnen, das Kind in der richtigen
Weise anzuschauen, wenn man hinschauen kann auf die dahinterstehenden Eltern.
Und das ist nicht bloß dann so, wenn ein absolut harmonisches Verhältnis besteht zwischen dem Kinde und den Eltern. Im Leben zeigt sich ja das, was herauswächst aus dem Zusammenleben des Kindes mit den Eltern, in der allermannigfaltigsten Weise. Gewiß, wir sehen auf das Schicksal eines Kindes mit innerem Glücksgefühl, mit tiefer innerer Befriedigung hin, wenn das Kind die Möglichkeit hat, in einem völligharmonischen Verhältnisse mit musterhaft gearteten Eltern zu leben.
Aber darf man nicht auch eine Gegenfrage dem gegenüberstellen? Sieht nicht derjenige, der das Leben, das gegenwärtige Leben, das geschichtliche Leben unbefangen betrachtet, sieht nicht der, wie gerade die größten Geister, nicht nur die Genies des Verstandes, sondern auch die Genies der Tugend und des moralischen Handelns, oftmals hervorgegangen sind aus harten Disharmonien zwischen Kind und Eltern? Der Waldorfschul-

Je wordt als vrijeschoolleerkracht bevestigd in wat je van het kind weet en dat heb je in de eerste plaats nodig als je het kind zo wil opvoeden dat je de impulsen daarvoor afleest aan zijn eigen natuur.
Allereerst krijg je de bevestiging dat je het kind op een goede manier waarneemt, wanneer je de ouders achter hem kan zien.
En dat is niet alleen maar zo als er een absoluut harmonische relatie bestaat tussen het kind en zijn ouders. Het leven toont ons de meest uiteenlopende manieren wat er tevoorschijn komt uit het samenleven van ouders en kind. En ja, we kijken met een intiem gevoel van geluk, met een diepe innerlijke tevredenheid naar het lot van een kind wanneer dat de mogelijkheid krijgt in volledige harmonie met voorbeeldige ouders samen te leven.
Maar mag je nu ook een soort tegenvraag stellen? Ziet degene die het leven – het leven van nu en van toen – onbevangen waarneemt, ziet die, hoe juist de grootste geesten, niet alleen de verstandsgenieën, maar ook de groten van de deugd en van het morele handelen, dikwijls voortgekomen zijn uit sterke disharmonie tussen kind en ouders? De vrijeschool-

Blz. 211

lehrer muß sich gewöhnen, nicht Kritik zu üben an dem Verhältnis zwischen Kind und Elternhaus, sondern es objektiv hinzunehmen, weil er gewissermaßen von der Bekanntschaft mit den Eltern ein Licht ausgehen sieht, das ihm die Eigentümlichkeiten des Kindes beleuchtet.
So ist es nicht ein Grundsatz, nicht irgendein pädagogisches Prinzip, das den Waldorfschullehrer auffordert, den Weg zu den Eltern zu finden, sondern das innerste Bedürfnis des Herzens, wie überhaupt die Waldorfschul-Pädagogik in ihrem innersten Wesen eine Herzenspädagogik ist.
Sehen wir nun auf etwas anderes hin. Sehen wir darauf hin, wie einen Teil desjenigen, was früher einzig und allein die Eltern besorgt haben, für das volksschulpflichtige Alter nun der Lehrer übernehmen muß.
Wenn das Kind in die Volksschule hereintritt, steht es im Zahnwechsel.
Etwas zu früh werden die Kinder heute in die Schule hereingebracht; das wirkliche Volksschulalter beginnt eigentlich erst mit dem Zahnwechsel,
aber darauf kommt es ja weniger an.

leerkracht moet de gewoonte ontwikkelen geen kritiek uit te oefenen op hoe de ouders met het kind omgaan, maar het als feit te nemen, omdat hij in zekere zin door zijn relatie met de ouders de bijzondere aard van de kinderen krijgt belicht.
Dus het is geen basisregel, niet een of ander pedagogisch principe dat van de vrijeschoolleerkracht vraagt de weg naar de ouders te vinden, maar een innerlijk verlangen dat vanuit het hart ontstaat, zoals eigenlijk de vrijeschoolpedagogie in diepste wezen een pedagogie van het hart is.
Laten we eens naar iets anders kijken. Bijv. naar iets wat de ouders vroeger vóór de kinderen leerplichtig werden, alleen helemaal zelf deden en wat de leerkracht nu moet overnemen.
Wanneer het kind nu in de basisschool komt [toen in Duitsland op z’n 6e, 7e jaar] is het tandenwisselen bezig. De kinderen worden tegenwoordig iets te vroeg naar school gebracht; de echte basisschoolleeftijd begint eigenlijk pas met de tandenwisseling, maar daar komt het toch minder op aan.

Wenn das Kind nun in die Schule hereingeschickt wird, dem Lehrer übergeben wird, so muß er einen Teil der Erziehung übernehmen, der aber dadurch seinen besonderen Charakter erhält, daß das ganze Seelenleben des Kindes, die ganze seelische und geistige Verfassung des Kindes auch mit dem Zahnwechsel sich
wandelt. Das Kind ist fortan kein nachahmendes Wesen mehr, obwohl
sich das Nachahmungsprinzip noch einige Jahre in die Volksschulzeit
fortsetzt. Aber im wesentlichen ist das Kind kein nachahmendes Wesen Aber im wesentlichen ist das Kind kein nachahmendes Wesenmehr, sondern es ist ein Wesen, das nun gereizt wird, sozusagen angeregt wird durch dasjenige, was ihm im Bilde, ich möchte sagen, in entsprechender künstlerischer Gestaltung desjenigen, was wir an das Kind heranbringen wollen, entgegenkommt. Das Kind ist jetzt nicht mehr geneigt, mit dem ganzen Organismus sich nachahmend hinzugeben an das, was ihm vorgelegt wird, sondern das Kind geht über zu dem selbstverständlichen Autoritätsprinzip. War es früher der Wille, der in der ganzen kindlichen Organisation dem Vorgelebten nachahmend folgte, so ist es jetzt das Gefühl, das Gefallen oder Mißfallen findet an dem, was der Lehrer im Bilde, aber auch im Bilde seiner ganzen Persönlichkeit, seines eigenen Handelns, in der Gestaltung seiner Sprache und so weiter vor das Kind hinstellt. Und nicht eine willkürlich

Wanneer het kind nu naar school gaat, aan de leerkracht overgedragen wordt, dan moet hij een deel van de opvoeding overnemen dat echter een bijzonder karakter krijgt omdat het hele zielenleven van het kind, hoe z’n hele ziel en geest is, ook verandert bij de tandenwisseling. Voortaan is het kind geen nabootsend wezen meer, hoewel het principe van de nabootsing nog een paar jaar in de basisschool doorwerkt. Maar in de kern is het kind geen wezen meer dat nabootst, maar iemand die aangezet wordt, zogezegd gestimuleerd wordt in te gaan op wat wij hem beeldend, in een passende kunstzinnige vorm willen meegeven. Het kind is nu (na het 7e jaar) niet meer geneigd zich met heel zijn wezen nabootsend over te geven aan wat hem voorgedaan wordt, maar het kind gaat over op het principe van de vanzelfsprekende autoriteit.
Was het eerder de wil die in het hele organisme van het kind nabootsend volgde wat er om hem heen voorgeleefd werd, nu is het het gevoel dat sympathie of antipathie voelt voor wat de leerkracht in beeld, maar ook als beeld van zijn hele persoon, zijn eigen doen en laten, in hoe hij spreekt enz, aan het kind vertoont. En geen willekeurige

Blz. 212

eingesetzte, sondern die selbstverständliche Autorität muß in der Schule walten zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife.
Wer das nicht zugibt, der kann eben nicht den Blick hinwenden auf die Entfaltung des ganzen menschlichen Lebens. Man sagt so leicht, alles müsse Anschauungsunterricht sein. Gewiß soll gar nichts gegen den Anschauungsunterricht eingewendet werden, aber der Anschauungsunterricht soll nicht ein Mittel sein, alles Erziehen und allen Unterricht zu trivialisieren.
Man kann nicht das Prinzip haben, alles herunterzudrücken auf das Niveau, auf dem das Kind schon steht. Es kann sich nur darum handeln, dasjenige, was es unmittelbar durch die Anschauung fordert, in anschauliche Vorstellung zu kleiden. Aber man nehme ein Verhältnis des religiösen, des sittlichen Lebens; wie soll man da einen Anschauungsunterricht machen? Aber abgesehen davon, das Kind fordert durch seine innere Seelenwesenheit, daß etwas deshalb für es wahr ist, weil der in selbstverständlicher Autorität sympathisch empfundene Erzieher es wahr heißt. Das Kind empfindet, daß etwas schön ist, weil die selbstverständliche Autorität es schön findet; das Kind findet, daß etwas gut ist, weil die Autorität es gut findet. In dieser Autorität ist verkörpert das Wahre, Schöne und Gute.

maar de vanzelfsprekende autoriteit moet in de school centraal staan tussen de tandenwisseling en de puberteit. Wie dat niet toegeeft, kan zijn blik niet richten op de ontwikkeling van het hele mensenleven. Er wordt makkelijk gezegd dat alles aanschouwelijkheidsonderwijs moet zijn, maar dit moet niet een middel zijn om de hele opvoeding en het onderwijs triviaal te maken.
Je kan niet het principe koesteren alles naar het niveau van het kind te brengen waar het kind nu is. Het kan er alleen om gaan dat wat de aanschouwelijkheid direct van ons vraagt, in een aanschouwelijke voorstelling te kleden. Maar wat het religieuze leven, het morele leven betreft: hoe moet je daar aanschouwelijkheidsonderwijs van maken? Maar nog afgezien daarvan, het kind eist door hoe het innerlijk als gevoelswezen is, dat iets waar is, omdat de vanzelfsprekende autoriteit voor wie het kind sympathie heeft, het waar noemt. Ook wat het kind mooi vindt, goed vindt, is mooi en goed omdat de autoriteit het mooi en goed vindt. In deze autoriteit is het ware, mooie en goede belichaamd.

Und schlimm ist es für den Menschen, wenn er aus Prinzipien, aus abstrakten Geboten heraus, aus allerlei Verstandesgesetzmäßigkeiten heraus sich aneignen soll eine Empfindung für das Wahre, Gute, Schöne, bevor er es sich angeeignet hat im richtigen Kindesalter – und das ist das Alter zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife – dadurch, daß es ihm verkörpert in einem Menschen entgegengetreten ist. Wir sollen zuerst gelernt haben, etwas ist wahr, weil eine verehrte Persönlichkeit es wahr heißt, bevor wir die innere
abstrakte Gesetzmäßigkeit des Wahren einsehen, die eigentlich auf uns erst wirken kann, wenn wir über das Geschlechtsreifealter hinaus sind.
Sie werden mir nicht zumuten, daß derjenige, der vor mehr als dreißig Jahren seine «Philosophie der Freiheit» geschrieben hat, eine Lanze brechen möchte für das Autoritätsprinzip, wo es nicht hingehört. Aber das Autoritätsprinzip, wie es die kindliche Natur selber fordert, das gehört unbedingt in die Volksschule hinein. Da wird der Lehrer mit seinem Verstände, mit seinem Herzen, mit seinem Gefühl, mit seinem ganzen Menschentum Richtschnur für das Wahre, Gute, Schöne, wie das

En voor de mens is het verkeerd wanneer hij volgens principes, volgens abstracte geboden, volgens allerlei logica een gevoel moet krijgen voor wat waar, mooi en goed is, vóór het deze dingen op de geschikte leeftijd – en dat is de leeftijd tussen de tandenwisseling en de puberteit – belichaamd in een mens ontmoet heeft. We moeten allereerst geleerd hebben dat iets waar is, omdat een vereerde persoon het voor waar houdt, voordat we de inherente abstracte wetmatigheden van het ware inzien die eigenlijk pas op ons kunnen werken wanneer we de puberteit achter ons hebben gelaten.
U moet me niet voor de voeten werpen dat ik een lans breek voor het principe van de autoriteit – ik schreef meer dan dertig jaar geleden ‘De filosofie van de vrijheid’ al. Maar het autoriteitsprincipe dat de natuur van het kind eist, hoort zonder meer op de basisschool thuis. Daar wordt de leerkracht met zijn verstand, zijn hart, zijn gevoel, helemaal zoals hij als mens is, leidraad voor het ware, het mooie en het goede,

Blz. 213

Kind es annehmen soll; es entsteht ein menschliches Verhältnis bis in die Gestaltung des Wahren, Guten und Schönen. Das alles ist ja genauer ausgeführt in den verschiedenen pädagogischen Schriften, in denen man über die Waldorfschul-Pädagogik lesen kann. Aber nun bedenke man, in welcher Lage der Waldorfschullehrer dadurch ist, daß er dieses selbstverständliche Autoritätsprinzip anerkennt und in seiner ganzen Ausweitung üben will. Er ist darauf angewiesen, daß in keiner Weise diese selbstverständliche Autorität durchbrochen werde. Nun muß man bedenken, selbst in denjenigen Familien, in denen zwischen dem Kinde und den Eltern Disharmonie herrscht, ist dennoch gerade im Lebensalter, wo der Zahnwechsel auftritt, ein inniges Zusammengewachsensein des Kindes mit den Eltern vorhanden. Ein Zusammengewachsensein, das so stark ist, daß es im Grunde genommen überstrahlt alles übrige, was für die Wesenheit des Kindes in diesem Lebensalter in Betracht kommt. Damit ist aber auch dann, wenn das
Kind etwa durch die Verhältnisse, sagen wir selbst das schwerwiegende
Wort, mit Antipathien den Eltern gegenübersteht, in dem Unterbewußten ein zunächst ganz unerschütterliches Autoritätsverhältnis zu den Eltern vorhanden. Hier kann ich es nur anführen, aber die Sache kann in allen Einzelheiten bewiesen werden.

zoals het kind het op moet nemen; er ontstaat een menselijke relatie tot in de vorm van het ware, goede en mooie. Dit is verder uitgewerkt in de pedagogische boeken waarin je over de vrijeschoolpedagogie kan lezen.
Nu moeten we eraan denken in welke positie de vrijeschoolleerkracht zich bevindt door het principe van de vanzelfsprekende autoriteit te erkennen en in zijn volle omvang daarin bekwaam wil worden. Hij is erop aangewezen dat op geen enkele manier deze vanzelfsprekende autoriteit doorbroken wordt. En dan moet je denken dat er zelfs in de gezinnen waarin tussen het kind en zijn ouders geen harmonische sfeer heerst, toch juist in de leeftijd waarin de tandenwisseling plaatsvindt, het kind zich diep één voelt met zijn ouders. Een één voelen dat zo sterk is dat het in de aard van de zaak al het andere overstraalt wat voor het wezen van het kind op deze leeftijd van belang is. Maar ook dan, als het kind door de verstandhouding, laten we zelfs noemen het zwaarwegende woord antipathie voor de ouders voelt, is er toch die totale onaantastbare autoriteitsrelatie met de ouders aanwezig in het onderbewustzijn. Ik kan het hier slechts aanroeren, maar het kan in al zijn aspecten worden bewezen.

Eine richtige Psychologie, eine richtige Seelenkunde lehrt, daß selbst dann, wenn die Kinder im Lebensalter des Zahnwechsels und in den folgenden Jahren bewußt im Widerspruch zum Elternhaus sich entwickeln, sie in den feineren, aber unbewußten seelischen Adern ihres Wesens ganz und gar unter der Autorität der Eltern stehen. Wer wollte das anders wünschen? Das ist einfach das naturgegebene Verhältnis. Würde ich schildern, welchen Gang die Menschheitsentwicklung nehmen würde, wenn das nicht der Fall wäre, wir würden ein ganz greuliches Bild dieser Menschheitsentwicklung bekommen. Aber damit ist ja gesagt, daß der Lehrer auf dem ganz anderen Gebiet,
auf dem er wirken will, jetzt nicht als Vorbild, sondern als Vorsprecher,
als derjenige, der in seiner Autorität angibt, hinstellt dasjenige, was in
das Kind dringt, wie der Lehrer, ich möchte sagen mit einer feineren Art
der Wirksamkeit herankommen muß an dasjenige, was das Elternhaus
aus dem Kinde bis ins innerste Wesen hinein gemacht hat. Man kann gar

Een echte psychologie, een juist inzicht in de psyche leert dat zelfs dan, wanneer de kinderen op de leeftijd van het tandenwisselen en in de jaren daarna zich bewust anders ontwikkelen dan de ouders zouden willen, ze dan toch in de intiemere onbewuste aderen van hun wezen onder de autoriteit van de ouders staan. Wie zou dat anders willen? Dit is simpelweg de natuurlijke verhouding. Als ik zou schetsen hoe de ontwikkeling van de mensheid zou verlopen, wanneer dit niet het geval zou zijn, dan zouden we een echt afschuwelijk beeld van deze ontwikkeling krijgen.
Maar daarmee is gezegd dat de leerkracht op een heel ander gebied waar hij wil werken, nu niet als voorbeeld, maar als een hoger staand persoon die iets te zeggen heeft, als iemand die als autoriteit aangeeft, een plaats geeft wat in het kind naar buiten wil, hoe de leerkracht die met een fijnzinnigere manier van werken bij dat moet komen wat het ouderlijk huis tot in zijn diepste wezen van het kind heeft gemaakt. Als autoriteit

Blz. 214

nicht anders in seiner Autorität dastehen gegenüber der Kindesindividualität, als wenn man anknüpfen kann in vollbewußter Weise an das, was das Kind durch das Elternhaus geworden ist. Das ergibt wiederum instinktiv im Waldorfschullehrer den innersten Drang, mit den Eltern in Beziehung zu treten. Und dieser Drang wächst aus einem ganz bestimmten Grunde heraus.
Der Geist der Waldor schul-Pädagogik ist kein einseitiger; er umfaßt den Geist, die Seele und ebenso die Physis, das Körperliche. Es wäre ein vollständiges Verkennen des Geistes der Waldorf schul-Pädagogik, wenn man glauben wollte, daß das Physische dabei, und zwar in seinen gesunden und kranken Zuständen, irgendwie gegenüber dem Geistigen unterschätzt würde. Mit dem ganzen Menschen im Kinde rechnet der Geist der Waldorfschul-Pädagogik. Da er mit dem ganzen Menschen rechnet, aber nicht den ganzen Menschen hat, sondern das Kind nur hat in den Schulstunden und vielleicht in wenigem, was sich daranschließt, muß er das innere Bedürfnis haben, mit dem Elternhause, das das Kind in der anderen Zeit hat, in innigstem Kontakt zu stehen.

kan je zelfs niet anders, als het om de individualiteit van het kind gaat, dan volbewust aansluiting zien te vinden bij wat het kind door het ouderlijk huis geworden is. Dat doet in de vrijeschoolleraar weer instinctief het diepste verlangen ontstaan, met de ouders een relatie op te bouwen. En dit verlangen ontstaat vanuit een heel bepaalde reden. Het wezen van de vrijeschoolpedagogie is niet eenzijdig; daar maken geest, ziel en ook het lichaam deel van uit. Het zou een volkomen miskennen van het wezen van de vrijeschoolpedagogie zijn, als je zou willen geloven dat het fysieke daarbij en dat in een gezonde of ziekelijke toestand, op de een of andere manier wat de geest betreft, onderschat zou worden.
De vrijeschoolpedagogie houdt wezenlijk rekening met de hele mens. Omdat het rekening houdt met de hele mens, maar niet over de hele mens beschikt, maar alleen het kind in de schooluren heeft en misschien nog iets wat daarbij aangesloten is, moet hij de innerlijke behoefte voelen met de ouders die het kind op de andere tijd hebben, een heel goed contact te krijgen.

Wahrhaftig, bei uns ist es so, daß das wahr ist, was ich oftmals gesagt habe, besonders im Kreise der Waldorfschule selber: vor Klassen mit einer großen Schülerzahl braucht sich der Pädagoge nicht zu fürchten. Aus pädagogischen Gründen kleine Klassen einzurichten, rechnet mit einer pädagogischen Schwäche. Darum handelt es sich nicht. Wenn es in der Waldorfschule wünschenswert sein könnte, kleinere Klassen anzustreben, ist das aus dem Grunde, damit der Lehrer die Möglichkeit hat, für alle seine Schüler den Weg zum Elternhaus zu finden. Und den muß er finden! Den muß er finden aus dem ganzen Geiste der Waldorfschule heraus!
Aber betrachten wir noch etwas anderes. Ich will nur einige Etappen
hervorheben. Derjenige, der das Kind im Leben beobachten kann, findet
so ungefähr zwischen dem neunten und zehnten Lebensjahr einen
außerordentlich wichtigen Lebenspunkt. Man sieht ihn herannahen.
Eine gewisse innere Krisis macht sich da geltend. Nicht als ob das Kind besonders verstandesmäßige Fragen stellte, aber die Krisis deutet sich dadurch an, daß sonst lebhafte Kinder kopfhängerisch werden, stille Kinder laut werden, daß die Kinder allerlei krankhafte Zustände zeigen

Echt, bij ons is het zo als ik al dikwijls heb gezegd, in het bijzonder in kringen van de vrijeschool zelf: de pedagoog hoeft niet bang te zijn voor grote klassen. Om pedagogische redenen kleinere klassen te maken, calculeert een bepaalde zwakte in. Daar gaat het niet om. Wanneer het in de vrijeschool wenselijk zou kunnen zijn om naar kleinere klassen te streven, dan is dat om de leerkracht de mogelijkheid te bieden voor al zijn leerlingen de weg naar het ouderlijk huis te vinden. En dat moet hij! Vanuit het volle wezen van de vrijeschool moet hij die vinden!
Maar laten we nog naar wat anders kijken. Ik wil nog een paar fasen belichten. Wie het kind in zijn leven kan waarnemen, vindt zo ongeveer tussen het negende en tiende jaar een buitengewoon belangrijk punt in het leven.
Dat zie je dichterbij komen. Er ontstaat een bepaalde innerlijke crisis. Niet dat het kind bijzondere intellectuele vragen gaat stellen, maar de crisis kondigt zich aan dat kinderen die anders levendig zijn, nu hun hoofd een beetje laten hangen, en stille kinderen druk worden, dat de kinderen allerlei [Duits heeft hier krankhaft, ziekelijk, maar dat is wel sterk aangezet, misschien is het meer disharmonie] disharmonische toestanden vertonen,

Blz. 215

und so weiter. Da handelt es sich darum, daß im Unterbewußtsein des
Kindes – unendlich viel ist ja in der Wesenheit des Kindes im Unterbewußten, nicht im Bewußtsein – eine Frage auftritt, die aber nicht verstandesmäßig formuliert wird, sondern nur im Empfinden lebt: Die selbstverständliche Autorität hat mir angegeben bisher, was wahr, was gut, was schön war; diese selbstverständliche Autorität ist die Verkörperung von Wahrheit, Güte, Schönheit; ist sie es auch wirklich? Der Zweifel braucht gar nicht ausgesprochen zu werden, aber er ist da. Da ist er und greift in der gekennzeichneten Weise in das Leben des Kindes ein.
Da handelt es sich darum, daß man gerade in diesem Lebenspunkte,
für den man eine gesunde, freie Beobachtungsgabe haben muß, nun auch
das richtige Wort, das richtige Verhalten findet. Mannigfaltiges ist
notwendig. Der Takt, der Instinkt, die Intuition müssen es geben. Dann
kann man in diesem Lebenspunkte des Kindes etwas tun, was für das
ganze folgende Erdenleben von einer ungeheuer weittragenden Bedeutung ist. Findet man die Bemerkungen, die Handlungen, das Verhältnis, wodurch man dem Kinde in seiner Art begreiflich macht: Ja, du hast recht, daß du in mir die selbstverständliche Autorität siehst, – dann ist man ein aus der innersten Seele heraus wirkender wahrer Wohltäter des Kindes geworden.

enzovoort. Nu gaat het erom dat in het onderbewuste van het kind – in het onderbewuste van het wezen van het kind bevindt zich heel veel – niet in het bewustzijn, een vraag opkomt die echter niet intellectueel geformuleerd wordt, maar alleen in het gevoel leeft: tot nog toe heeft de vanzelfsprekende autoriteit mij aangegeven wat waar, wat goed, wat mooi was; deze vanzelfsprekende autoriteit is de belichaming van waarheid, goedheid en schoonheid; maar is hij dat ook werkelijk? De twijfel hoeft helemaal niet uitgesproken te worden, maar die is er wel. Die is er en grijpt op de geschetste manier in het leven van het kind in.
Nu gaat het erom dat je, juist op dit punt in het leven waarvoor je een gezonde aanleg van vrij te kunnen waarnemen moet hebben, je ook het juiste woord, de juiste houding moet vinden. Verschillende dingen zijn noodzakelijk. Er moet  tact, instinct, intuïtie zijn. Dan kun je iets doen wat voor het hele volgende leven op aarde van een buitengewoon verreikende betekenis is. Vind je de opmerkingen, de handelingen, de houding waardoor je het kind op zijn manier duidelijk maakt: Ja, het is goed, dat je in mij de vanzelfsprekende autoriteit ziet – dan ben je vanuit je diepste ziel werkend een echte weldoener voor het kind geworden.

Denn wohl dem Menschen, der, über diesen Lebenspunkt hinausgehend, um das neunte, zehnte Lebensjahr herum, zu einer selbstverständlichen Autorität verehrend hinaufblickt! Kein Mensch kann in seinem
Leben zu einem freien Wesen werden, der nicht zuerst vor seinem
geschlechtsreifen Alter sein Leben hat einrichten gelernt, wie ein hochgeschätzter Mensch sich verhält. Sich unterstellen in dieser Weise aus innerer instinktiver Freiheit, sich so gegenüberstellen einem solchen Menschen, sich sagen: Das ist das Rechte, zu tun, was er tut – das macht eigentlich erst etwas aus den Anlagen zur Freiheit, die der Mensch in sich birgt.
Kurz, wir müssen als Waldorfschullehrer in jeder Beziehung in der intimsten Weise die selbstverständliche Autorität aufrechterhalten. Wie können wir sie aufrechterhalten? Wenn wir durch einen solchen Verkehr mit dem Elternhaus in den Eltern das Gefühl hervorrufen: Wir dürfen auf unsere Kinder so einwirken, daß sie die selbstverständliche Autorität in dem Lehrer, in dem Erzieher sehen. Es kann trivial klingen, aber es ist

Want wat is het een weldaad voor de mens die uitstijgend boven dit punt in het leven rond het negende, tiende jaar, vererend op kan kijken tegen een vanzelfsprekende autoriteit! Niemand kan in zijn leven een vrij wezen worden die niet eerst voor zijn puberteit geleerd heeft zijn leven zo in te stellen naar de houding van een hoog gewaardeerd mens. Dit op deze manier, vanuit een innerlijke, instinctieve vrijheid, dit aannemen, zich zo naar zo’n mens op te stellen, en te zeggen: het is het beste om te doen wat hij doet – pas dat vormt eigenlijk iets uit de aanleg tot vrijheid die de mens in zich omdraagt.
Kortom, we moeten als vrijeschoolleerkracht in elk opzicht op de meest fijnzinnige manier de autoriteit waar maken. En hoe kunnen we dat? Wanneer we door de relatie met de ouders bij de ouders het gevoel oproepen: wij mogen zo op de kinderen werken dat zij in de leerkracht, in de opvoeder de vanzelfsprekende autoriteit zien. Het mag gewoontjes klinken, maar het is

Blz. 216

so: Der Waldorfschullehrer darf es nicht verschmähen, sich den Eltern des Kindes zu zeigen in seiner Wesenheit, das kann man ja manchmal in fünf Minuten, so daß die Eltern wissen, mit wem sie es zu tun haben. Und in dem Ton ihrer Stimme, in der Färbung eines jedes Satzes, der über die Schule gesprochen wird, soll hingewiesen werden nach der selbstverständlichen Autorität in der Schule. Es kann gar nicht innig genug das Band zwischen Schule und Elternhaus geknüpft werden.
Und ein drittes. Hat man ein, zwei, drei, vier Lehrpläne, Schulverordnungen, alles fein klug ausgedacht, vor sich, weiß man ja, was man zu tun hat. Man hat den Lehrplan, hat die Schulverordnung, muß das tun.
Aber so steht die Waldorfschule nicht da. Im Geiste der Waldorfschule ist es so richtig, zu denken, daß manches anders sein muß als in der öffentlichen Erziehung. Das können ja heute viele Menschen nicht einsehen. Und in unserem Zeitalter ist ja soviel Gescheitheit verbreitet.

zo: de vrijeschoolleerkracht mag er niet te gering over denken om het kind in zijn wezen aan de ouders te laten zien; dat kan soms in vijf minuten, zodat de ouders weten om wie het gaat. En in de klank van hun stem, in de kleur van iedere zin die over de school wordt gesproken, moet gewezen worden op de vanzelfsprekende autoriteit in de school. School en ouderlijk huis kunnen niet innig genoeg verbonden zijn.
En een derde iets. Als je een, twee, drie, vier leerplannen, schoolregels voor je hebt, alles fijn verstandig uitgedokterd, weet je wat je moet doen. Je hebt het leerplan, de schoolvoorschriften, dat moet je doen.
Maar dat is niet het gevoel op de vrijeschool. In de geest van de vrijeschool is het juist goed om te denken dat sommige dingen anders moeten dan in de gangbare opvoeding. Dat kunnen vele mensen vandaag de dag niet inzien. En in onze tijd is er overal heel veel knaps te vinden.

Man kann gar nicht stark genug betonen, wie in unserem Zeitalter gegenüber anderen Zeitaltern die Menschen gescheit sind. Nur, diese verstandesmäßige Gescheitheit – ich meine das ganz ernst, ich ironisiere nicht -, diese Gescheitheit von heute macht just die größten Dummheiten. Aber trotzdem, die Menschen sind gescheit. Das drückt sich in der verschiedensten Weise aus. Es können sich heute dreißig Menschen zusammensetzen, die können eine Schulreform ausmachen. Das kann so gescheit sein, unanfechtbar sein. Der laienhaft denkt, kann dann sagen: Das ist aber genial, bessere Schulen kann man gar nicht schaffen, als die mit dem 1., 2., 3., 4. – Aber man versuche nur weiterzugehen und sich die Schulen anzusehen, die man mit dem 1., 2., 3., 4. da schafft. Die Grundsätze, Paragraphen sind sehr gescheit; aber mit denen kann man im Leben nichts anfangen. Nur der kann etwas anfangen, der das Leben selber pulsieren fühlt und aus dem pulsierenden Leben heraus schaffen kann.
So steht der Waldorfschullehrer da: er hat keine Paragraphen, sondern
Ratschläge; Ratschläge, die er nach seiner eigenen Individualität gestalten muß. Jeder ist doch ein anderer Mensch. Und wenn man vorschreibt, was der Lehrer in der Schule zu tun hat, in strikter Weise, dann soll jeder so sein wie der andere. Bedenken Sie nur, zu welcher Konsequenz das führt. Wenn das ernst genommen würde, daß die Paragraphen streng durchgeführt würden, die bestgemeinten pädagogischen abstrakten

Je kan niet sterk genoeg benadrukken hoe knap de mensen in onze tijd zijn in vergelijking met andere tijden. Maar, deze verstandsknapheid – ik bedoel dit heel ernstig, ik spot niet – deze schranderheid van nu maakt juist de grootste fouten. Maar ondanks dat, de mensen zijn knap. Dat komt op de meest verschillende manieren tot uitdrukking. Als er nu dertig mensen bij elkaar gaan zitten, kunnen ze een onderwijsvernieuwing afspreken. Die kan zo slim in elkaar zitten, dat die niet aan te vechten is. De leek denkt en zegt dan: maar dat is geniaal, betere scholen dan met de punten 1, 2, 3, 4, kun je gewoon niet maken. Maar probeer nu eens verder te gaan en naar die scholen te kijken die men ten eerste, tweede, derde, vierde zo inricht. De uitgangspunten, paragrafen zijn heel knap; maar in het leven kan je er niets mee beginnen.  Alleen degene die het leven zelf voelt pulseren en hieruit kan scheppen, die kan iets beginnen. En dat is de plaats van de vrijeschoolleerkracht: hij heeft geen paragrafen, maar adviezen; adviezen die hij met zijn eigen individualiteit vorm moet geven. Iedereen is toch anders. En wanneer je voorschrijft wat de leerkracht op school moet doen in strikte zin, dan is ieder niet zo als de ander. Denk je eens in tot welke slotsom dat leidt. Wanneer serieus zou worden genomen dat de paragrafen streng doorgevoerd moeten worden, de bestbedoelde pedagogische abstracte

Blz. 217

Grundsätze durchgeführt würden, wonach die Leute der Ansicht sind, daß es nur einerlei gibt^wie man zu erziehen und zu unterrichten hat, dann könnte man den einen Lehrer nicht mehr von dem anderen unterscheiden. Dann würde man dem einen Lehrer begegnen und würde sagen, es sei der andere, weil er ganz nach denselben abstrakten Prinzipien erzieht und unterrichtet. Aber der Lehrer ist ein Mensch. Der Lehrer ist eine Individualität. Und er kann nur wirken, wenn er sich als Mensch einsetzen kann mit der vollen Selbständigkeit seines Wesens.
Nur dann kann er wirklich wirken. Dann aber muß er das Leben kennen. Man kann im Leben nur wirken, wenn man das Leben auf sich wirken läßt. Aber was hat man in der Schule für ein Leben? Die Fortsetzung des elterlichen Lebens im Kinde. Von den Paragraphen, Grundsätzen wird der Lehrer verwiesen auf alles dajenige, was unmittelbares Leben des Kindes ist. Das muß einfließen in Methodik, in die Handhabung des ganzen Unterrichtens und Erziehens. Daher, meine sehr verehrten Anwesenden, wenn Sie ein Mäuschen wären und manchmal zuhören würden bei unseren Lehrerkonferenzen, so würden Sie hören, wie da tatsächlich mit allen Einzelheiten Abrechnung getrieben wird, und wie intim zuweilen dasjenige besprochen wird, was aus dem Elternhaus herein auf das Kind hinleuchtet.

uitgangspunten uitgevoerd zouden worden, volgens welke de mensen van mening zijn dat er maar een manier is hoe je moet opvoeden en onderwijzen, dan zou je de ene leerkracht niet meer van de andere kunnen onderscheiden. Dan zou je de ene leerkracht tegenkomen en je zou zeggen dat het de andere is, omdat hij geheel volgens dezelfde abstracte principes opvoedt en lesgeeft. Maar de leraar is een mens. De leraar is een individualiteit. En hij kan alleen werken als hij zich als mens kan inzetten met de volle zelfstandigheid van zijn wezen. Dan kan de leraar pas echt werken. Maar dan moet hij het leven kennen. Je kan in het leven alleen maar werken als je het leven op je laat inwerken. Maar wat voor leven heb je op school? Op school heb je de voortzetting van het leven van de ouders. I.p.v. naar paragrafen, principes, wordt de leerkracht verwezen naar alles wat zonder omwegen het leven van het kind is. Dat moet de methodiek binnenstromen, in de uitvoering van het hele onderwijs en de opvoeding.
Vandaar, zeer geachte aanwezigen, als u een muisje zou zijn en soms eens zou luisteren in onze lerarenvergaderingen, dan zou u horen hoe er daadwerkelijk rekening wordt gehouden met alle details en fijngevoelig besproken wordt wat vanuit het ouderlijk huis op het kind overstraalt.

Und weiter würden Sie erfahren, wenn Sie ein solches Mäuschen wären und zuhören würden, wie diese Lehrerkonferenzen ein fortwährendes Lernen sind, ein fortwährendes Entwickeln der Pädagogik zu immer höherer und intimerer Wirkung hinauf. Es kann gar nicht anders sein, wenn die Schule ein lebendiger Organismus und nicht ein toter Organismus sein soll. Und so ist gerade die Waldorfschule, weil sie eine freie Schule sich nennt, eine solche Institution, die durch ihr innerstes Wesen den Weg zum Elternhause weist in Bezug auf die ganze Wesenheit des Kindes.Man lernt ein Kind kennen. Es hat, sagen wir, mangelhafte intellektuelle Fähigkeiten. Das kommt ja vor. Ja, mangelhafte intellektuelle Fähigkeiten können auf die mannigfaltigste Weise verbessert werden, entwikkelt werden zum Besseren. Aber man muß Anhaltspunkte haben. Sagen wir, man lernt den Vater oder die Mutter kennen; die sind sehr gescheit. Es kommt ja auch vor, daß intellektuell unbegabte Kinder sehr gescheite Eltern haben. Es kann auch das Gegenteil der Fall sein, daß intellektuell

En verder zou je merken als je zo’n muisje was en zou luisteren hoe deze lerarenvergaderingen een voortdurend leren betekenen, een voortdurend ontwikkelen van de pedagogie die steeds beter en fijnzinniger werkt. Het kan niet anders wil de school een levend organisme en niet een dood organisme zijn.
En zo is met name de vrijeschool, omdat ze zich een vrije school noemt, die instelling die door haar diepste kern de weg naar het ouderlijk huis wijst in relatie tot het hele wezen van het kind. Je leert een kind kennen. Het heeft, laten we zeggen, gebrekkige intellectuele vaardigheden. Dat komt nu eenmaal voor. Maar gebrekkige intellectuele vaardigheden kunnen op de meest uiteenlopende manieren verbeterd worden, ontwikkeld worden. Maar je moet aangrijpingspunten hebben. Laten we zeggen dat je vader en moeder leert kennen en die zijn heel knap. Het komt voor dat intellectueel onbegaafde kinderen zeer slimme ouders hebben. Het omgekeerde kan ook,

Blz. 218

unbegabte Eltern sehr intellektuell begabte Kinder haben. Aber in jedem Fall wird man ungeheuer viel lernen für die Behebung von Mängeln an intellektuellen Fähigkeiten, wenn man auf die Eltern hinschaut, die das Kind bis zum Zahnwechsel nachgeahmt hat. Dadurch wird man nicht nur eine theoretische Erklärung finden, sondern man wird eine Anleitung finden zur Handhabung dessen, was man zu tun hat. – Und das Gefühlsleben, das noch ins moralische Leben herüberspielt, das das Gute nur aus der Sympathie mit dem Guten im Lehrer erhält, das Gefühlsleben, das gerade im schulpflichtigen Lebensalter die bedeutsamste Rolle spielt, dieses Gefühlsleben, wie klärt es sich auf, wenn wir durch das Fühlen des Kindes hindurchschauen auf die besondere Art des Gefühlslebens der Eltern! Ebenso ist es mit dem Willensleben.
Wer aus seiner Gescheitheit heraus weiß, der Mensch muß so und so sein, weil das die richtige durchschnittliche Menschennatur ist, der braucht ja nicht auf die Eltern hinzuschauen. Wer aber weiß, daß die Dinge aus ihrem Ursprung und die Wesen aus ihrem Ursprung hervorgehen, wer nicht auf ein Abstraktes hinschaut, sondern auf den Ursprung hinschaut, der muß auf das Elternhaus hinschauen.

dat niet-begaafde ouders intellectueel zeer begaafde kinderen hebben. Maar in ieder geval zal je ongelooflijk veel leren om het gebrek aan intellectuele vaardigheden te herstellen, als je rekening houdt met de ouders die het kind tot aan de tandenwisseling nabootste. Daardoor zal je niet alleen een theoretische verklaring vinden, maar je zal er een aanleiding in vinden om te doen wat je moet doen. En het gevoelsleven dat nog tot in het morele leven doorwerkt, dat het goede alleen maar uit sympathie voor het goede in de leerkracht ontvangt, het gevoelsleven dat juist in de basisschooltijd de belangrijkste rol speelt, hoe je dit gevoelsleven leert kennen wanneer we door dit voelen van het kind heen kijken naar het bijzondere gevoelsleven van de ouders! En zo is het ook met het wilsleven. Wie door zijn schranderheid weet dat de mens zus of zo moet zijn, omdat dit de doorsnee mensennatuur is, hoeft niet naar de ouders te kijken. Wie echter weet dat de dingen uit hun oorsprong en het wezen uit hun oorsprong, wie niet naar iets abstracts kijkt, maar naar de oorsprong, die moet naar het ouderlijk huis kijken.

Weil die Waldorfschul-Pädagogik den Geist der Wirklichkeit, den Geist des Naturgemäßen, den Geist des Seelengemäßen atmen will, deshalb führt sie auf den Weg der Wirklichkeit. Und dieser Weg derWirklichkeit weist zurück aus der Schule ins Elternhaus. Daher geschieht ja auch alles, was das Interesse der Lehrer an den Eltern, der Eltern für den Lehrer der Schule erwecken kann. Die Elternabende, die von der Waldorfschule abgehalten werden, sind dazu da, um ein Band zu knüpfen zwischen der Schule und dem Elternhaus. Und das, was auf diesen Elternabenden getrieben wird, soll dazu geeignet sein, die Eltern
anschauen zu lassen, namentlich welcher Gesinnung, welcher Seelenverfassung die Lehrerschaft ist.
Das, meine sehr verehrten Anwesenden, ist die praktische Durchführung desjenigen, was ja schließlich als oberstes, ich kann nicht sagen, Prinzip, sondern als oberste Anschauung beim Geist der WaldorfschulPädagogik vorhanden ist. Aus tiefstem innerem Seelenleben heraus muß sich aus diesem Geiste der Waldorfschul-Pädagogik der Lehrer sagen: Die Eltern übergeben der Schule das Teuerste, was sie haben, in ihrem

Omdat de vrijeschoolpedagogie de geest van werkelijkheid wil ademen, de geest van wat in overeenstemming is met de natuur, de geest van wat in harmonie is met de ziel, leidt zij daarom naar de weg van de werkelijkheid. En deze weg leidt van school naar de ouders. Daarom gebeurt ook alles wat de belangstelling van de leerkrachten voor de ouders, van de ouders voor de leerkrachten van de school wekken kan. De ouderavonden die de vrijeschool organiseert, zijn er om een band te smeden tussen school en ouderlijk huis. En wat er op de ouderavonden aan de orde komt, moet geschikt zijn om met name aan de ouders te laten zien wat de opvattingen van de leerkrachten zijn, wat voor gevoelsstemming er heerst. Dat, geachte aanwezigen, is de praktische uitvoering van wat uiteindelijk het belangrijkste, ik kan niet zeggen principe is, maar als het belangrijkste gezichtspunt bij het wezen van de vrijeschoolpedagogie voorhanden is. Vanuit het diepste innerlijk van de ziel moeten vanuit dit wezen de leerkrachten zeggen: de ouders geven aan de school wat voor hen het meest kostbare is wat ze hebben, 

Blz. 219

Kinde. Die Eltern haben mancherlei im Leben erfahren. Sie möchten, weil sie selber vielleicht geprüft sind im Leben, sie möchten zwar nicht, daß das Kind ungeprüft bleibe, aber doch, daß ihm manche harte Erfahrung erspart bleibe, die sie haben durchmachen müssen. Aus diesem und vielem anderen heraus knüpfen sich ja viele, unendliche Hoffnungen des Elternhauses an den Augenblick, wo das Kind der Schule überliefert wird. Aus dem ganzen Geiste der Waldorfschul-Pädagogik weiß der Lehrer, der Erzieher, was ihm übergeben wird. Und er möchte aus solchen Anschauungen heraus, wie ich sie charakterisiert habe, an dem Kinde so wirken, daß er, wenn er das Kind aus der Schule wieder herausläßt und die Eltern einen neuen Entschluß fassen müssen und es wieder aus der Hand des Lehrers entgegennehmen, daß er hören könnte von den Eltern: Wir wußten es ja immer, als wir die Schule angesehen haben, unsere Hoffnungen mußten erfüllt werden. – Dieses Urteil kann sich aber nicht im letzten Augenblick bei der Reifeprüfung bilden, das kann sich nur bilden, wenn es heranreift an dem Umgang der Schule mit dem Elternhause.

hun kind. De ouders hebben in het leven van alles meegemaakt. Ze zouden, omdat ze zelf wellicht in het leven beproevingen hebben doorgemaakt, niet willen dat hun kind niet op de proef zal worden gesteld, maar wel dat het voor sommige harde ervaringen gespaard blijft die zij moesten doormaken. Hierdoor en door vele andere dingen verbindt het ouderlijk huis vele hoopvolle verwachtingen aan het ogenblik waarop het kind wordt overgedragen aan school. En door alles wat de vrijeschoolpedagogie inhoudt, weet de leerkracht, de opvoeder wat aan hem wordt toevertrouwd. En hij wil door dergelijke gezichtspunten die ik hier gekarakteriseerd heb, graag zo met het kind werken dat hij, wanneer het kind weer van school gaat, en de ouders opnieuw een besluit moeten nemen en het kind weer van de leerkracht overnemen, dat hij dan van de ouders zou kunnen horen: we hebben altijd wel geweten toen wij naar de school keken dat onze hoop vervuld zou worden. Dit oordeel kan echter niet op het laatste ogenblik bij het examen gevormd worden, dat kan alleen ontstaan als het groeit door de relatie van school en thuis.

Und so kann man von mancherlei Erziehungsversuchen, ja sogar von pädagogisch großartig gemeinten Idealen wegblicken, auf den Geist der
Waldorfschul-Pädagogik hinblicken und kann sich sagen: Es ist doch ein
ungeheuer gesunder Instinkt, der sich auslebt in dem Zusammensein des
Kindes mit den Eltern; es muß daher auch ein Gesundes sein, wenn die
Schule in dieses Verhältnis hineinwächst dadurch, daß sie den Weg findet
zu den Eltern hin. Unter den vielen Dingen, die in der Waldorfschule angestrebt werden und die alle dadurch zu charakterisieren sind, daß man sagt: Die
Waldorfschule möchte über abstrakte Grundsätze, über Gescheitheiten
zur lebensvollen Wirklichkeit hin -, ist vor allem dieses, daß die Waldorfschule den Weg finden möchte zu der allerlebensvollsten Wirklichkeit im Dasein des Kindes. Und diese Wirklichkeit im Dasein des kleinen Kindes, des schulpflichtigen Kindes, sind die Eltern.
Weil diese Schule mit ihrem Geiste eine Schule sein will nicht der
Theorie, nicht der Abstraktion, nicht des steifen, theoretischen Prinzips,
sondern des vollen Lebens, der vollen Wirklichkeit, sucht sie den Weg in
die Wirklichkeit des Elternhauses hinein.

En zo kan je van allerlei opvoedingsexperimenten, zelfs van pedagogisch groots bedoelde idealen, kijken naar de geest van de vrijeschoolpedagogie en je kan zeggen: het is toch een buitengewoon gezond instinct dat zichtbaar wordt in het samenzijn van ouder en kind; en daarom moet het ook iets gezonds zijn wanneer de school met deze relatie meegroeit wanneer die de weg naar de ouders vindt.
Onder de vele dingen die de vrijeschool nastreeft en die je allemaal kan karakteriseren door te zeggen: de vrijeschool wil verdergaan dan abstracte uitgangspunten, dan schranderheden, tot aan de levensvolle werkelijkheid, vind je vooral deze dat de vrijeschool de weg zou willen vinden naar de meest levensvolle werkelijkheid in het bestaan van het kind. En deze werkelijkheid in het leven van het kleine kind, het basisschoolkind, zijn de ouders.
Omdat deze school in haar verschijning geen school wil zijn van theorie, van abstractie, niet van onbuigzame, theoretische principes, maar van het volle leven, van de volle werkelijkheid, zoekt ze de weg naar de realiteit van het ouderlijk huis.
GA 298/207-219

Over GA 298 – inhoudsopgave  

Rudolf Steiner over pedagogie(k)

Rudolf Steiner; op deze blog

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3080-2894

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 305)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn ‘wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

In GA 305 zien we dat Steiner – wat bij ons vroeger de ‘nuttige handwerken’ heette, ‘Handarbeitsunterricht’ noemt en al het andere (houtbewerking bijv.) ‘Handfertigkeitsunterricht), wij zouden dus zeggen ‘handenarbeid’.

Het kan enigszins verwarrend zijn als ik de uitspraken van Steiner dan samenvat onder ‘handvaardigheidsonderwijs’, waarbij het dus én om handwerken gaat én om handenarbeid. 

GA 305        vertaald

Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst
Spirituelle Werte in Erziehung
und sozialem Leben

Opvoeding en onderwijs
Spirituele grondslagen

Voordracht 7, Oxford 23 augustus 1922

Die Waldorfschule als Organismus
De Waldorfschool als organisme

Blz. 141  vert. 130

Nun, außer diesem Handfertigkeitsunterricht haben wir einen eigentlichen Handarbeitsunterricht. Und da ist das zu bemerken, daß in der Waldorfschule immer für alles Knaben und Mädchen durchein­andersitzen. Wir haben durchaus bis in die höchste Klasse hinauf Knaben und Mädchen durcheinandersitzen. So daß in der Tat, mit geringen Varianten natürlich, und je weiter wir hinaufkommen wer­den in die höheren Klassen, so muß natürlich differenziert werden, aber es ist so, daß im ganzen tatsächlich der Knabe dieselben Arbeiten lernt, die das Mädchen lernt, und es stellt sich heraus in einer merkwürdigen Weise, wie gern die kleinen Knaben stricken oder häkeln, und wie die Mädchen auch Arbeiten machen, die man sonst nur die Knaben machen läßt. Dadurch wird auch sozial etwas erreicht: das gegenseitige Ver­ständnis der Geschlechter, was ja in erster Linie heute angestrebt wer­den muß, wo wir in dieser Beziehung sozial noch gar nicht vorge­schritten sind, wo wir unter den größten Vorurteilen leben [ ] Aber in der Waldorfschule, wie gesagt, arbeiten im Handarbeitsunterricht Knaben und Mädchen durcheinander. Da wird alles mögliche dann im Handarbeitsunterricht zustande gebracht. Knaben und Mädchen arbeiten da ganz friedlich zusammen. 

Goed, naast dit handvaardigheidsonderwijs hebben we nog het eigenlijke handwerken. En daarbij valt op te merken dat op de Waldorfschool jongens en meisjes altijd bij alles door elkaar zitten. Tot en met de hoogste klas zitten jongens en meisjes door elkaar. Af en toe wordt daar natuurlijk wel eens van afgeweken, en hoe hoger we komen hoe meer er in de klassen gedifferentieerd moet worden, maar over het geheel genomen krijgen de jongens les in dezelfde vakken als de meisjes. En opmerkelijk genoeg blijken de jongetjes heel graag te breien en te haken, en doen de meisjes ook graag het werk dat men anders alleen de jongens laat doen. Ook sociaal levert dat iets op, voor het wederzijds begrip tussen de geslachten, wat tegenwoordig toch ons allereerste streven moet zijn. Op dit terrein is maatschappelijk nog geen enkele vooruitgang geboekt en leven wij nog met de grootst mogelijke vooroordelen. [ ]
Maar op de Waldorfschool zitten, zoals gezegd, bij het handwerken jongens en meisjes door elkaar. In die handwerkles wordt van alles gemaakt. Jongens en meisjes werken daarbij heel harmonisch samen.

Steiner deelt dan nog een waarneming die hij deed bij het spinnen en weven, in een hogere klas:

Blz. 142   vert. 131

Das einzige, was sich i n merkwürdiger Art herausgestellt hat, das ist – wir gehen dann in der höchsten Klasse, die wir bis jetzt gebildet hatten, in der die sechzehn-, siebzehnjährigen Knaben und Mädchen durcheinander sind, über auch zu Spinnen und Weben, so daß tatsächlich die Menschen ins praktische Leben eingeführt werden, das Leben auch kennenlernen —, nun ist das Merkwürdige: spinnen wollen die Knaben nicht, dabei wollen sie nämlich den Mädchen helfen. Die Mädchen sollen spinnen, und die Knaben wollen dann Zuträger sein, sie wollen da eine Art Ritterschaft ausüben. Das ist das einzige, was sich bis jetzt herausgestellt hat, daß beim Spinnen die Knaben die Mädchen
bedienen wollen. Aber im übrigen haben wir gesehen, daß die Knaben alle möglichen Handarbeiten machen.

Er is maar één merkwaardigheid opgetreden. We gaan in de hoogste klas die we tot nog toe hebben, waarin jongens en meisjes van zestien en zeventien jaar door elkaar zitten, ook over op spinnen en weven, zodat mensen werkelijk met het praktische leven in aanraking worden gebracht, en ze het leven ook leren
kennen. Nu is het merkwaardige dat de jongens niet willen spinnen, maar dat ze wel de meisjes daarbij willen helpen. De meisjes moeten spinnen en de jongens willen dan de materialen aandragen, ze willen daarbij op een of andere manier hun ridderlijkheid tonen. Dat is het enige wat tot nog toe is gebleken, dat bij het spinnen de jongens de meisjes van dienst willen zijn. Maar voor het overige hebben we kunnen zien dat het handwerken in alle mogelijke vormen ook door de jongens wordt gedaan.
GA 305/141-142
Vertaald
/130-131

.

Handvaardigheid: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3079-2893

.

.

.

VRIJESCHOOL – Michaël (55)

.

Tineke Croese, Antroposofisch Magazine sept. 2017 nr. 7
.

Draken verslaan met Michaël

Strijdbaar de herfst in

Op vrijescholen vieren de kinderen op 29 september het Michaëlsfeest, een roerig en vrolijk herfstfeest gebaseerd op de legende van de aartsengel Michaël die de draak verslaat. Soms heeft het elementen van een oogstfeest, zoals een draak die van vruchten is gemaakt. De nazomer en vroege herfst stemmen ons vrolijk vanwege hun kleurigheid en overvloed. Maar die vrolijkheid is vermengd met weemoed, want ook de sterfprocessen in de natuur beginnen nu.

Elk jaar willen we de zomer liefst wat vasthouden. Elk jaar hopen we dat het feest van kleur nog lang mag duren en de zonnewarmte nog even niet opraakt. Maar uiteindelijk is de nazomer een tijd van afscheid nemen. In de rijkdom van de oogst en de vlammende kleuren van bomen en struiken laaien leven en licht nog één keer op voor ze zich terugtrekken, voor ze de bomen kaal en de akkers leeg achterlaten, voor de dagen korter worden en de nachten lang. Al sterft de natuur in schoonheid, het is toch een sterfproces. Licht en donker, leven en dood zijn eind september, begin oktober nog even in balans. Al eeuwenlang wordt die korte tijd van balans gemarkeerd door de feestdag van de aartsengel Michaël op 29 september. Een groot christelijk feest zoals Kerstmis of Pasen was ‘Sint-Michiel’ ook vroeger niet. Een groot volksfeest als Carnaval of Sint-Jan was het evenmin. ‘Sint-Michiel’ was niet meer dan een gewone heiligendag. Als er nu ergens een Michaëlsfeest gevierd wordt, dan is dat door antroposofen.

De engel met de weegschaal en het zwaard

De aartsengel Michaël werd al in de eerste eeuwen van het christendom overal in Europa vereerd. Kunstenaars gaven hem weer in steen, hout, brons en in verf. Ook in volksverhalen en legenden speelde hij een grote rol. Twee ervan springen eruit: ze tekenen Michaël als de sterke engel die de draak verslaat, en als de engel die na de dood de mensenzielen weegt. Volgens de legende van de drakendoder kwam de aartsengel Lucifer in opstand tegen God. Hij kon niet accepteren dat de mens naar Gods evenbeeld geschapen was. De trotse Lucifer had zelf willen zijn zoals God. Op Gods bevel stootte Michaël – zijn naam betekent: Wie is als God? – Lucifer uit de hemel. Lucifer viel op de aarde en veranderde in een afzichtelijke draak die nu de mens belaagt. De strijd met de draak is nu een strijd van de mens, al staat Michaël hem bij. In de tweede legende treedt Michaël op als zielenweger, als de engel die na de dood de balans opmaakt tussen ‘goed’ en ‘kwaad’ in de mensenziel. Beide legenden passen bij de herfst. Wat in de natuur licht en duisternis is, heeft een morele parallel in het innerlijk van de mens. Daar zien we licht en duisternis terug als goed en kwaad. Op de drempel naar de herfst roept Michaël de mens op om zich te bezinnen op het morele gehalte van zijn daden en gedachten, zich daar zo op te bezinnen alsof hij de drempel naar de dood al was overgegaan. Michaël roept ons op om net zo liefdevol, maar ook net zo eerlijk naar onszelf te kijken als hijzelf doet wanneer hij in het leven na de dood onze zielen weegt. Want alleen als je jezelf met je lichte en vooral ook met al je donkere kanten eerlijk en liefdevol onder ogen durft zien, kun je de ‘draak’ herkennen en verslaan. Die ‘draak’ heeft een dubbele gedaante. Aan de ene kant brengt hij je in de waan dat uitsluitend het goddelijke ertoe doet en dat je je alleen druk hoeft te maken om jezelf en je eigen ontwikkeling. Aan de andere kant houdt hij je juist voor dat er alleen een aardse werkelijkheid bestaat: er is geen goddelijke wereld. Michaël roept ons op om het evenwicht te zoeken tussen deze twee uitersten. Om een kompas te ontwikkelen waarmee we zelf onze weg kunnen vinden in goed en kwaad. De draak is geen fabeldier, maar moreel en spiritueel gezien een even reële als geduchte tegenstander.

In het voetspoor van Michaël

Het Michaëlsfeest bestond vroeger niet, het wortelt niet in een traditie. Toch bestond er wel zoiets als een Michaëlsgedachte, die in de middeleeuwen vorm kreeg in het ridderideaal. Michaël was de beschermheilige van de ridders die opkwamen voor de zwakken in de samenleving, zoals weduwen en wezen. Ridders trokken ten strijde tegen onrecht, het liefst als er een schone jonkvrouw in het spel was. Ridderverhalen lijken zich af te spelen op de grens van een concrete werkelijkheid en een wereld vol sprookjesachtige beelden die een innerlijke werkelijkheid weergeven. In die beelden is de draak ook een bewoner van het morele moeras waar goed en kwaad maar moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, en beschermt de ridder in de belaagde jonkvrouw de zuiverheid van zijn eigen ziel.

In onze tijd zijn we eigenlijk voor het eerst in staat om ook zonder zulke beelden te erkennen dat ‘het kwaad’ niet altijd een macht buiten onszelf is. In het voetspoor van Michaël als zielenweger richten we de blik naar binnen, om net als die middeleeuwse ridder ten strijde te trekken tegen de drakerigheid in onszelf. Daar is moed voor nodig. Een ridder moest bereid zijn te sterven in zijn strijd tegen draken en andere monsters. Wie het aandurft om zijn eigen duistere kanten onder ogen te zien, moet ook bereid zijn te sterven, al is het dan niet lichamelijk. Het is immers een van de moeilijkste dingen om te durven toegeven dat je door je tekortkomingen een ander onrecht hebt aangedaan. Om dat te kunnen, moetje een behoorlijk stuk ego opgeven, een stuk van je ego moet ‘sterven’ en dat vraagt een bijna bovenmenselijke, michaëlische moed.

Onze tijd: een grote herfst

De herfst is een roerige, stormachtige tijd waarin oude vormen verdwijnen om plaats te maken voor nieuwe. Want dat is sterven óók. In vroegere eeuwen riep het sterven van de natuur vooral gedachten op aan de eigen sterfelijkheid, en dat maakte de mensen bedroefd. Pas sinds het einde van de negentiende eeuw zijn we in staat om ook de schoonheid van de herfst te beleven. Toen pas begonnen mensen zich los te maken uit oude vormen en tradities die hun voorschreven wat ‘goed’ was en wat ‘kwaad’. Toen pas voelden ze zich innerlijk sterk genoeg om zelf uit te maken wat goed en kwaad is. Daarmee begon een zelfstandige morele ontwikkeling. Je zou kunnen zeggen dat door het loslaten van oude inzichten en het zoeken naar nieuwe, persoonlijke inzichten in goed en kwaad een ‘grote herfst’ is aangebroken in de mensheidsontwikkeling. Ook daar staat Michaël op de drempel, net zo strijdbaar als bij de jaarlijkse herfst. Het is terecht dat hij aandacht krijgt: hij wijst ons de weg naar een nieuwe tijd. Kan dat met een feest? Voor kinderen wel, natuurlijk. Zij vieren het Michaëlsfeest als een soort oogstfeest met heel veel beelden uit de legende. Maar voor volwassenen? Bij de strijdbaarheid van Michaël past volgens mij eerder een oproep dan een feest, de dringende oproep om tot handelen over te gaan. Michaël kan de draak niet voor ons verslaan. Dat moeten we zelf doen. 

.

Michaël– alle artikelen

Verhaal van Sint-Joris

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël

.

3078-2892

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over de levensgeest (GA 57)

.

In de ‘Algemene menskunde’ staat Steiner niet lang stil bij de begrippen ‘geest(es)zelf – levensgeest – geest(es)mens. Ze worden summier benoemd in de 1e voordracht – in de vertaling op blz. 23 – wanneer hij over de wezensdelen spreekt. Zie het artikel daarover
en in voordracht 4.
Hier worden de drie begrippen in verband gebracht met de drie vormen van (hoogste) wil.
De ‘wens’ met het geestzelf; ‘het voornemen’ met de levensgeest en ‘het besluit’ met de geestmens.

Wanneer hij in zijn boeken GA 9 en GA 13 over de wezensdelen spreekt, komen ze uiteraard aan bod.
Opmerkingen daaruit heb ik weergegeven in dit artikel.

Wanneer je mijn inleidingen op deze stof op je laat inwerken, zal, wat Steiner in de voordrachten zegt, makkelijker te vatten zijn.

Zoals ik voor het geestzelf heb gezocht naar omschrijvingen in andere voordrachten, wetend dat Steiner het telkens weer anders zegt of met nieuwe gezichtspunten komt, doe ik dit nu ook voor de levensgeest.

In het vorige artikel haalde ik Steiner aan met wat hij er op blz. 24 (vert.) over zegt:

Ein zweiter, höherer Bestandteil des Menschen ist das, was wir den Lebensgeist nennen. Dieser Lebensgeist ist schon sehr wenig wahrnehmbar innerhalb des gegenwärtigen Menschen. Es ist etwas sehr geistiger Art im Menschen, was sich in ferner Menschenzukunft entwickeln wird.

Een tweede en hoger bestanddeel van de mens is dat wat we de levensgeest noemen. Deze levensgeest kan men al heel weinig waarnemen in de huidige mens. Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomt van de mensheid zal ontwikkelen.
GA 293/65
Vertaald/66

‘Het is iets in de mens wat zeer geestelijk van aard is en zich in de verre toekomt van de mensheid zal ontwikkelen.’

Je zou dus nog kunnen denken: ‘O, dat gaat vanzelf, daar hoef ik in dit leven niets voor te doen.’
‘Ik heb er in dit leven nog weinig mee te maken’.
Maar als we beseffen dat ‘levensgeest’ omgewerkte ‘levenskracht’ is, ons etherlijf, dan kunnen we wél inzien dat het in dit leven veel meer gaat om de scholing van het etherlijf.
Het scholen van het astraallijf is al een moeilijke opgave; van het etherlijf is deze nog moeilijker. Die kost veel meer inspanning en tijd.

Als we aan het etherlijf willen werken, gaat die activiteit natuurlijk weer uit van het actieve Ik, zoals bij de ontwikkeling van het astraallijf, zoals blijkt uit wat er in o.a. de voordrachten GA 9; GA 34; GA 53; GA 54; GA 55; GA 56; GA 57; GA 58; GA 59 over staat.

INWIJDING EN HELDERZIENDHEID

In GA 56 gaat Steiner in op het verschil ‘ingewijde’ en ‘helderziende’.

Het gaat bij allebei om (een) inzicht in de niet stoffelijke wereld. In de boven-zintuiglijke wereld.

Die Erkenntnis der Seele und des Geistes

Kennis van ziel en geest

Voordracht 1, Berlijn, 10. oktober 1907

Die Mission der Geheimwissenschaft in unserer Zeit
De opdracht van de verborgen wetenschap in onze tijd

Blz. 24

Denken Sie sich, es gäbe Menschen, die in einer fernen Gegend wohnen, wo keine Eisenbahnen und keine Maschinen sind. Nun macht sich einer auf den Weg nach Europa und sieht, daß es Eisen­bahnen und Maschinen gibt. Er geht nach Hause und er­zählt seine Erfahrungen, dasjenige, was er selbst gesehen hat.

(Bij dit voorbeeld moeten we niet uit het oog verliezen dat dit in 1909 gesproken werd. We zouden misschien nu een voorbeeld moeten kiezen met iemand die op de maan is geweest.)

Stel je eens voor dat er mensen zijn die ver weg wonen en waar ze geen treinen en machines hebben. Nu gaat er iemand naar Europa en ziet dat er treinen en machines bestaan. Hij gaat naar huis en vertelt zijn ervaringen, dat wat hij zelf gezien heeft.

Blz. 25

Das ist dann ein in solche Dinge Eingeweihter. Solche Eingeweihte gibt es nun auch in Bezug auf übersinnliche Dinge.
.
Dat is dan iemand die in die dingen ingewijd is. Ook op het gebied van de bovenzintuiglijke dingen bestaan er dergelijke ingewijden.

In deze voordracht gaat Steiner ook terug naar het verleden waarin er bepaalde plaatsen op de wereld waren, waar mensen door ‘leraren’ (vaak priesters) een scholing kregen om in de bovenzintuiglijke wereld te kunnen waarnemen.

Sie werden in den Geheimschulen zu einem Einblick in die übersinnliche, unsichtbare Welt geführt und können erzählen von dem, was sie dort erfahren haben.

Zij (de ‘leerlingen’) worden in de mysteriescholen zover gebracht dat ze inzicht krijgen in de bovenzintuiglijke, onzichtbare wereld en zij kunnen dan vertellen van wat ze daar ervaren hebben.

De woorden ‘mysterieschool, inwijdingsplaats’ enzo, doen voor velen wat ‘zweverig’ aan. Wat gebeurde daar dan? Waren er rituelen en welke dan?
(In andere voordrachten vertelt Steiner er wel preciezer over.)
Vooral dat ‘geheim’school, is voor velen iets ‘geheimzinnigs’,  – moet je daar wel mee bezig willen zijn – en diezelfde gevoelens kunnen ontstaan, wanneer je de Duitse titel van GA 13 neemt: ‘Geheimwissenschaft (im Umriss) of in de vertaling: ‘De wetenschap van de geheimen der ziel’, waarbij het ‘der ziel’ – in zekere zin een gedateerde 2e naamval) het gevoel van ‘nou nee’ kan versterken.
Goethe brengt het wat dichterbij door ‘wat er achter de dingen’ ligt te bestempelen als iets waar we toegang toe kunnen krijgen: het is er niet in één oogopslag – dus in die zin wel ‘geheim’, maar het is er eigenlijk voor iedereen: ‘een openbaar geheim’.
Een van de vertalingen van het Duitse ‘geheim’ is ook ‘onzichtbaar’.

Steiner vervolgt dan:

Die auf diese Weise Eingeweihten teilt man wiederum in zwei Klassen: in eigentliche Eingeweihte und in hellsichtige Menschen.

De op deze manier ingewijde mensen worden in twee groepen onderverdeeld: de eigenlijke ingewijden en de helderziende mens.

Es ist nämlich so, daß, wenn die geheimwissenschaftlichen Wahrheiten einmal verkündigt, wenn sie vor den Menschen ausgesprochen worden sind, man nicht Hellseher zu sein braucht, um sie einzusehen und zu begreifen. Denn das Hellsehen ist wohl für das Auffinden, nicht aber zum Begreifen der geheimwissenschaftlichen Wahrheiten notwendig.

Het is namelijk zo dat wanneer de waarheden die de geheime wetenschap betreft eenmaal verkondigd zijn, wanneer ze voor de mens uitgesproken worden, je geen helderziende hoeft te zijn om ze te kunnen inzien en begrijpen. Helderziendheid is wel nodig om ze te vinden, maar niet om deze waarheden te begrijpen.

Alles, was [ ] als Ergebnis der Forschung in der höheren Welt gesagt werden wird, konnte nicht ohne hellseherische Gabe gefunden werden, nicht ohne daß die in jedem Menschen schlummernden geistigen Augen und geistigen Ohren entwickelt wurden. [ ]  Werden diese Ergebnisse aber einmal ausgesprochen und in solche Formen gekleidet, daß sie dem heutigen Denken entsprechen, dann kann sie jeder begreifen. Niemals kann der Einwand gelten, daß man hellsichtig sein müßte, um die Dinge zu begreifen, die aus der Geheimwissenschaft heraus mitgeteilt werden. Nicht demjenigen sind sie unverständlich, der nicht hellsichtig ist, sondern demjenigen, der seinen logischen Verstand nicht im ganzen Umfange anwenden will. Einsehen kann man alles, wenn es einmal ausgesprochen ist, bis in die höchsten Gebiete hinauf. 

Alles wat als resultaat van onderzoek van de hogere werelden gezegd kan worden, kan niet gevonden worden zonder helderziende gaven, niet zonder dat de geestelijke ogen en oren die in ieder mens latent aanwezig zijn, ontwikkeld worden. Zijn deze resultaten echter eenmaal uitgesproken en zo weergegeven dat ze bij het denken van deze tijd passen, dan kan iedereen ze begrijpen.
Nooit kan de tegenwerping gemaakt worden dat je helderziend moet zijn om deze dingen die over de verborgen wetenschap meegedeeld worden, te begrijpen.
Ze zijn niet onbegrijpelijk voor degene die niet helderziend is, maar voor degene die zijn logische verstand niet in de volle omvang wil gebruiken. Wanneer het eenmaal is uitgesproken, kan je alles inzien, tot in de hoogste gebieden.

Blz. 26

Derjenige nun, der, ohne selbst hellsichtig zu sein, alles einsieht, was die Geheimwissenschaft zu sagen hat, ist ein Eingeweihter. Wer aber selbst eintreten kann in diese Welten, die wir die unsichtbaren nennen, der ist ein Hellseher.

Degene die, zonder zelf helderziend te zijn, alles inziet wat de verborgen wetenschap te zeggen heeft, is een ingewijde.
Wie echter zelf in deze werelden de we onzichtbaar noemen, kan doordringen, is helderziend.
GA 56/24-26
Niet vertaald

In dit artikel kwam – een beetje in deze richting gaand – ook al iets ter sprake, waarbij het dan ging om ‘goede wil’ en ‘gezond verstand’.

Steiner zet vaker uiteen dat er een groot verschil bestaat tussen het bewustzijnsniveau van de mensen t.t.v. de mysteriescholen en van de mensen van nu.
Bewustzijnsverandering gaat hand in hand met de ontwikkeling van het Ik. En in de huidige tijd is de ontwikkeling van het Ik bij het grootste deel van de mensheid zover, dat de mens nu niet meer aan de hand hoeft te worden genomen door priesters e.d. om via inwijdingsrituelen (de tempelslaap bijv.) en andere handelingen ingewijd te worden, maar dat hij nu zelf degene kan zijn die zich verder op dit gebied ontwikkelt.
Dat is o.a. de reden waarom Steiner deze inzichten als ‘antroposofie’ in de openbaarheid heeft gebracht.
Door deze daad en door zijn eigen – tussen-de-regels-uitspraken, kunnen we Steiner beschouwen als een belangrijk helderziende – zo niet de belangrijkste – en ingewijde tegelijkertijd.

En de mensen die niet tot helderziendheid komen, maar wél door ‘goede wil’ en ‘logisch verstand’ met zijn inzichten verder willen, zijn dus in zekere zin bezig om zichzelf tot ‘ingewijde’ te ontwikkelen.

Dat is dus het verschil tussen vroeger en nu: van buitenaf naar van binnenuit. 
De kracht gaat dus uit van ons Ik, zoals we dat kunnen volgen in alles wat Steiner over de werking ervan op het astraallijf en etherlijf zegt.
Voor het astraallijf zie bijv. de voordrachten: 

GA 9; GA 34; GA 53; GA 54; GA 55; GA 56; GA 57; GA 58; GA 59
Voor het etherlijf de voordrachten:
GA 9 en 34; GA 13;  GA 53; GA 54; GA 55; GA 56;

In deze voordracht benadert hij het weer vanuit een ander gezichtspunt:

GA 57

Wo und wie findet man den Geist?
Waar en hoe vinden we de geest?

Voordracht 18, Berlijn 6 mei 1909

Die europäischen Mysterien und ihre Eingeweihten
De Europese mysteriën en hun ingewijden

Blz. 434

Alle Einweihung beruht ja darauf, daß der Mensch sich erhebt zu einem höheren Anschauen, zu einer höheren Entwicklung der Seele. Bevor er sich so erhebt, hat er drei Fähigkeiten in seiner Seele: Denken, Fühlen und Wollen.
Diese drei Seelenkräfte hat er in sich. So, wie er gewöhnlich lebt in der heutigen Welt, sind diese drei Seelenkräfte in einer innigen Verbindung. Mit seinem Ich ist er hineinverwoben in Denken, Fühlen und Wollen, weil der Mensch, bevor er durch die Einweihung aufsteigt, noch nicht vom Ich aus an der Entwicklung der höheren Leiber gearbeitet hat. Zunächst wird das, was im astralischen Leibe ist, das, was der Mensch an Gefühlen und Empfindungen, an Trieben und Begierden hat, geläutert und gereinigt. Dadurch entsteht das Geistselbst oder «Manas». Dann kommt der Mensch zunächst so weit, daß er jeden Gedanken mit einem

Alle inwijding berust erop dat de mens zich ontwikkelt tot een hoger waarnemen, een hogere ontwikkeling van zijn ziel. Vóór hij daartoe komt, heeft hij drie vermogens in zijn ziel: denken, voelen en willen.
Deze drie zielenkrachten draagt hij in zich. Zoals hij gewoonlijk op deze wereld zijn leven leeft, zijn deze drie zielenkrachten innig met elkaar verbonden. Met zijn Ik is hij vervlochten met denken, voelen en willen, omdat de mens, vóór hij door inwijding verder komt, nog niet vanuit zijn Ik aan de ontwikkeling van de hogere wezensdelen heeft gewerkt. Allereerst wordt dat wat in het astraallijf zit, wat de mens aan gevoelens en belevingen, aan driften en begeerten heeft, zuiverder, minder dwingend [er staat ‘gelouterd en gereinigd] Daardoor ontstaat het geestzelf of ‘manas’. Daarna komt de mens dan zo ver dat hij iedere gedachte met een

Blz. 435

bestimmten Gefühlston durchsetzt, daß jeder Gedanke kalt oder warm wird, daß er umwandelt seinen Äther- oder Lebensleib. Das ist die Umwandlung des Fühlens, und es entsteht so die «Buddhi». Dann folgt noch die Umwandlung des Wollens bis in den physischen Leib hinein zu «Atma» oder Geistesmensch. So wandelt der Mensch um sein Denken, Fühlen und Wollen und damit seinen Astralleib zu Manas oder Geistselbst, den Ätherleib zu Buddhi oder Lebensgeist, den physischen Leib zu Atma oder Geistesmensch. Diese Umwandlung ist der Ausdruck für das systematische Arbeiten des Eingeweihten an seiner Seele,
wodurch er sich hinaufhebt in die geistigen Welten.

bepaalde gevoelsnuance doordringt, dat iedere gedachte koud of warm wordt, dat hij zijn ether- of levenslijf lijf omvormt. Dat is de metamorfose van het gevoel en dan ontstaat ‘boeddhi’. [levensgeest] Dan volgt nog de omvorming van de wil tot in het fysieke lichaam, dan ontstaat ‘atma’ of geestmens.
Op deze manier verandert de mens zijn denken, voelen en willen en daarmee zijn astraallijf tot ‘manas’ of geestzelf, het etherlijf tot ‘boeddhi’ of levensgeest, het fysieke lichaam tot ‘atma’ of geestmens. Deze verandering is de uitdrukking van het systematisch werken door de ingewijde aan zijn ziel, waardoor hij verder komt in de geestelijke wereld.

Aber es tritt etwas ganz Bestimmtes ein, wenn die Einweihung in vollem Ernst betrieben wird, nicht als Spielerei.
Wird die Einweihung mit Würde gepflogen, so ist es, als ob des Menschen Organisation in drei Teile geschieden würde und das Ich als König über diesen drei Teilen thronte. Während gewöhnlich beim Menschen die Sphären von Denken, Fühlen und Wollen nicht deutlich getrennt sind, ist der Mensch, wenn er sich höher entwickelt, immer mehr imstande, Gedanken zu fassen, die nicht gleich zu Gefühlen gebracht werden, sondern die vom Ich in freier Wahl zu Sympathie und Antipathie gebracht werden. Nicht schließt sich das Gefühl gleich unmittelbar an einen Gedanken an, sondern der Mensch spaltet sich in Gefühlsmensch, Gedankenmensch, Willensmensch. Der Mensch fühlt
sich als Ich-König, der thront über einer Dreiheit. In drei Menschen zerfällt er. Das tritt ein auf einer bestimmten Stufe der Einweihung. Er fühlt, daß er durch den Astralleib erlebt alle die Gedanken, die sich auf die geistige Welt beziehen. Durch den Ätherleib erlebt er alles das, was als Gefühle die geistige Welt durchzieht, durch den physischen Leib alles, was als Willensimpulse die geistige Welt durchlebt und durchsetzt. 

Als er aan die ontwikkelingsinwijding met volle ernst wordt gewerkt en niet als iets vrijblijvends wordt gezien, gebeurt er iets bijzonders.
Als er waardig aan wordt gewerkt, is het alsof de organisatie van de mens in drie delen wordt gescheiden en dat het Ik als koning daarboven troont. Terwijl gewoonlijk bij de mens de sfeer van denken, voelen en willen niet duidelijk gescheiden is, is de mens wanneer hij zich verder ontwikkelt, steeds meer in staat gedachten te vormen die niet tegelijkertijd gevoelens worden, maar die door het Ik als vrije keuze tussen sympathie en antipathie wordt gebracht. Het gevoel volgt niet onmiddellijk op een gedachte, maar de mens deelt zich op in gedachtemens, gevoelsmens en wilsmens. De mens beleeft zichzelf als Ik-koning die boven de drieheid troont. Hij splitst zich in drie delen .
Op een bepaald niveau van de inwijding gebeurt dat.
Hij voelt dat hij door het astraallijf al die gedachten beleeft die betrekking hebben op de geestelijke wereld. Door het etherlijf beleeft hij alles wat er als gevoelens door de geestelijke wereld heengaat, door het fysieke lichaam alles, wat als wilsimpulsen in de geestelijke wereld leeft en er deel vanuit maakt.

Dat het proberen verder te komen een ernstige zaak is, blijkt aan het eind van deze passage: het kan ook mislukken, m.a.w. het is niet vrijblijvend.
Die mislukking koppelt Steiner hier aan een beeld uit de Parsival:

Blz. 436

Man sagt: Der Mensch fühlt sich selbst als König innerhalb der heiligen Dreizahl. Aber der, der nicht fähig und reif ist, zu ertragen, daß er also gespalten ist, wird nicht die Früchte der Einweihung haben können.
Er wird dadurch, daß ihm Leid über Leid entgegentritt, zurückgehalten von dem, wozu er noch nicht reif ist. Wer unwürdig in die Nähe des Heiligen Grals kommt, wird ein Leidender wie Amfortas und kann nur erlöst werden durch den, der die guten Kräfte in seine Nahe bringt.
Er wird befreit durch Parzival.

Men zegt: de mens voelt zichzelf als een koning binnen dit heilige drietal. Maar degene die niet in staat is en eraan toe is, te verdragen dat hij dus ‘gespleten’ is, kan de vruchten van de inwijding niet smaken. Omdat hij er nog niet rijp voor is, wordt hij door leed na leed wat hem overkomt, ervan weggehouden.
Wie onwaardig in de buurt van de Heilige Graal komt, moet lijden zoals Amfortas en kan pas verlost worden door wie de goede krachten in zijn omgeving brengt. Hij wordt bevrijd door Parsival.

De wat scherpere tegenstelling tussen ‘inwijding’ en ‘helderziendheid’ zoals hierboven aangehaald uit GA 56, is in wat in GA 57 staat, minder scherp. Want ook wanneer het om inwijding gaat, kan je niet volstaan met ‘de goede wil’ en het ‘logische verstand’. Wat zwart-wit: alleen maar antroposofie bestuderen, de kennis daarvan verzamelen, is niet genoeg. 
Als je bij wijze van spreken je laaft aan de mooie gedachten die je als waarheid beleeft, moet je tegelijkertijd ook die waarheid ‘leven’. In je leven moet ‘waarheid’ een grotere rol gaan spelen, dus niet alleen in je hoofd als gedachte, maar ook juist in je gevoel als beleving waar je naar streeft en wat je wil betreft: waar je naar handelt.
Het in je opnemen van antroposofie moet dus hand in hand gaan met een verandering van ons denken, voelen en willen.
(Dat is tegelijkertijd wel een soort vooroefening om een helderziend vermogen te ontwikkelen.)

Een interessante voordracht over ‘waarheid’ staat in GA 58 die als PDF hier is te vinden. Er zijn daarin meerdere hoofdstukken te vinden die te maken hebben met het metamorfoseren van de ziel.

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3077-2891

.

.

.