VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden (3)

.

DE KERSTSPELEN

In de komende weken zullen vele kerstspelen worden opgevoerd, zowel oude als moderne. Eén ding hebben zij gemeen: door leken, ondeskundigcn dus, worden zij gespeeld.
Het gaat de spelers niet zozeer om fraai toneelspel. Het gaat meer om het opbouwen van een sfeer, waarin men de blijde geboorte van het Jesuskind niet alleen gezamenlijk kan herdenken, maar ook beleven.

Het kerstspel heeft een interes­sante geschiedenis. Pas in de 4e eeuw na Christus‘ geboorte is men deze geboorte gaan vieren. De oudste viering bestond uit een Hoogmis in de nacht van 24 op 25 december. Vrijwel geen enkele kerkganger was in staat deze mis te volgen. Men verstond immers geen Latijn!
Al spoedig kwamen er kerststal­len in zwang: in een nis van de kerk waren poppen opgesteld, Maria, Jozef en het heilige Kind in een kribje. De kerkgangers mochten meespelen en het kindje wiegen. Dit “kindjewiegen” werd het belangrijkste moment van de viering. Het ging er vrolijk toe: het Kind werd uitbundig toegejuicht en ….. men bespot­te de oude Jozef!
Later in de middeleeuwen gingen geestelijken zelf eenvoudige spelen schrijven, die door hen in de kerk werden opgevoerd. Het succes was groot. Tenslotte wer­den de  spelen ook buiten de kerk gespeeld. Zij kwamen in de han­den van leken, die met heilige ernst het hunne tot de kerststem­ming wilden bijdragen. Vele re­ligieuze lekenspelen ontstonden zo in West- en Midden-Europa, waarvan de meeste verloren zijn gegaan.

Een stel kerstspelen uit het mid­deleeuwse cultuurgoed is echter op merkwaardige wijze bewaard gebleven en tot ons gekomen. Dit zijn de kerstspelen uit Oberufer, een “paradijsspel”,  een “geboortespel” en een “driekoningenspel”.  Zij behoren bij elkaar en vormen een “drieluik” van grote zuiver­heid en schoonheid.
Oberufer is een klein boerendorp, gelegen op een eilandje in de Donau, niet ver van Presburg. De Duitse boeren, die er woon­den, waren als kolonisten in het Hongaarse land gekomen. Door hun isolement konden zij hun taal en tradities trouw bewaren. De leidende boerenfamilie in het dorp had de kerstspelen in handen, die als een kostbaar bezit van vader op zoon mondeling werden overgeleverd. De oudste boer studeerde de spelen in met een aantal boerenjongens (vrouwen mochten niet toneelspelen!). Ge­durende de kersttijd reisde men de dorpen in de buurt af en voerde de spelen op. Zo ging het vele eeuwen lang tot diep in de vorige eeuw. Juist in de tijd dat de jeugd de ware be­langstelling ervoor begon te verliezen, hoorde een fijnzinnig Duits taalgeleerde, Carl Julius Schröer, ervan. Hij begreep da­delijk welk een kostbare cul­tuurschat verloren dreigde te gaan. Hij tekende de spelen op en bracht zijn grote enthousiasme ervoor over op een van zijn leer­lingen, de toenmalige student Rudolf Steiner.

De laatstgenoemde bracht de spe­len over naar Domach, waar hij hen liet opvoeren. Al spoedig gingen de leraren van de steinerscholen hen spelen voor de kinde­ren, bij wijze van kerstgeschenk.

Het “Paradijsspel” gaat vooraf.
Een kort, fel drama tussen de vijf hoofdpersonen: Adam en Eva, hun Schepper, Engel en Duivel.

Het “Geboortespel” sluit daarbij aan.
Het Jezuskind is immers de “Nieuwe Adam”, die goed komt maken wat de “Oude Adam” misdeed! Wij zien in het “Geboortespel” de ver­kondiging, de tocht naar Bethlehem, de blijde Geboorte en de aan­bidding door de herders.

Het der­de spel laat de aanbidding der Drie Koningen zien, alsmede Herodes‘ boze dagen. Vanwege de hevige dramatiek wordt dit spel niet voor de jonge kinderen op­gevoerd.

In deze spelen zijn oerwaarheden van het Christendom op even eenvoudige als treffende wijze in beeld gebracht. Juist door dit sterke beeldkarakter kunnen zij een weg tot het kerstgebeuren wijzen, die juist voor de moderne mens belangrijk is.

Wij leven in een tijd, waarin alles “beeld” wil worden. In de tekst, die sober en boers is, vindt men een afwisseling van innige vroomheid en warme humor. Deze humor doet geen afbreuk aan de verhevenheid van het onderwerp, maar verhoogt deze.
De begroe­ting door de “Sterrezanger” is een studie in eerbied, maar plotseling ontdekt men, dat hij niet wil ophouden met groeten, want ..   .    dan is zijn rol uit; zo barsten de herders na de blijde Boodschap los in een grappig danslied; de sinistere Duivel blijkt óók toneelknecht te zijn en zo is er meer. De belangstelling voor de kerst­spelen uit Oberufer is in onze tijd groeiende. Dit is verheu­gend. Zij verdienen het ten volle. Oordeelt u zelf!

(P.C.Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens onbekend)

kerstspelen: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstspel  Kerstmis    jaartafel

.

395-373

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (21)

.

KERST EN KERSTSPELEN

Met een forse ruk gaat de blinkende ster aan de Jacobsladder omhoog. De spelers, waaronder vooral de ruige herders in groen, rood en blauw opvallen, groeten vrolijk de houtjes, die de ster overeind houden. De kundige sterrezanger zwaait met de hoed en er wordt gegroet: zon, maan en sterren, de Drieëenheid, de planten, de gehele natuur. Maar ook worden de geestelijke en wereldlijke autoriteiten gegroet. Dit alles geschiedt met veel eerbied, vrolijke eerbied, waarvan alleen middeleeuwse spelen het geheim schijnen te bezitten. Men moet het beleefd hebben om erover te kunnen spreken. Of men meespeelt of toehoorder is … er kan een gevoel ontstaan, dat er een werkelijk kerstgebeuren op handen is.

De middeleeuwen hadden een sterke gemoedscultuur, die in zijn naïviteit en primitiviteit, zuiverheid en oorspronkelijkheid, een sterke en gezondmakende werking op de menselijke ziel had. Onze tijd heeft een verstandscultuur, die juist zwak is in die middeleeuwse gemoedskwali­teiten.
Zo kan men middeleeuwse kerstspelen leren zien als een pedago­gisch medicijn voor onze kinderen. Maar ook de volwassene kan veel aan deze spelen hebben.
Vaak tonen nieuwe ouders hun verbazing, dat steeds dezelfde spelen worden opgevoerd. Is het niet nodig, dat er steeds iets nieuws wordt gebracht?
Een grote misvatting.
Even dwaas als de opvatting, dat iets ouds altijd iets goeds zou zijn, is de mening, dat iets nieuws altijd waarde zou hebben.
Op het stenen paard van de verstarde traditie kan men niet rijden, hoogstens zitten.
Maar op de wilde hengst van de ongedurigheid kan men noch rijden noch zitten.

Wie het ritme van de jaarfeesten en de jaargetijden innerlijk tracht te volgen, kan bemerken, dat hetzelfde steeds nieuwe inhoud kan krij­gen. Daaraan moet bewust gewerkt worden.
Zo is het met de jaarlijks opgevoerde Kerstspelen ook.

Deze tijd van het jaar heeft een heel bijzondere sfeer. Alles wordt donkerder, kouder en kaler. Donker en lang worden de nachten. Vaal en kort de dagen. Koud en doods is de aarde in onze hemelstreek. De bloeiende plantenwereld is verdwenen, kaal staan de bomen, de dierenwereld is grotendeels verborgen. Maar de terugkeer van licht en warmte wordt voorbereid. De nieuwe knoppen zitten al aan boom en heester.
Op 21 december is het de kortste dag, ook winterzonnewende of solstitium genoemd. Geleidelijk wint de zon aan kracht. Zegevierend keert hij terug.
Lange tijd voor de opkomst van het christendom vier­den de noordelijk cultuurvolken omstreeks 21 december het feest van de terugkerende, onoverwinnelijke zon.

Het christendom behoefde slechts aan te knopen aan de plaatselijke ‘heidense’ traditie, zegt men wel. Slimme geestelijken zouden gebruik hebben gemaakt van de traditionele heidense feesten om de christelijke feesten er bij de bevolking ‘in te krijgen.
Deze nog veel verbreide opvatting vindt geen steun in de cultuurhistorie en behoort in de rommelkamer der utilistische fabelen te worden opgeborgen.
Van Perzië tot IJsland wist men reeds duizenden jaren in de mysteriën, dat er een kind zou worden geboren als heiland en verlosser voor de mensheid. Bovendien wist men, dat de vereerde, onoverwinnelijke zon de mantel van dit goddelijk wezen – later met een Grieks woord ‘Chris­tus’ genoemd – vormde.
Rudolf Steiner bevestigt dat.
Een traditioneel adventslied zegt in een van zijn couplettent “De Zonne, voor wier stralen het nachtlijk duister zwicht … is Christus,’t eeuwig Licht”.
De dichter heeft deze woorden zonder twijfel symbolisch bedoeld. Maar dit symbool duidt op een werkelijk­heid, die grootser is dan hij waarschijnlijk zelf ooit gedacht heeft.

Hoe vierde men het kerstfeest in de eerste eeuwen van het christendom? Nu, men vierde Kerstmis in het geheel niet. Veel belangrijker vond men in die tijd de “Doop in de Jordaan”, waardoor de Christus zich als hoogste Geestwezen verbond met het lichaam van Jezus van Nazareth. Dit is de geboorte, waarmede het Markus- en Johannesevangelie beginnen. Volgens de overlevering vond deze plaats op 6 januari. Het feest werd Epiphanie (=goddelijke verschijning) genoemd. Om allerlei redenen werd in het begin van de middeleeuwen door de Kerk de geboorte van het Jezuskind in het middelpunt van de belang­stelling geplaatst. In theologisch opzicht betekende dat een voor­keur voor het Mattheüs- en Lucasevangelie, welke immers beginnen met de geboorte van een heilig kind.

Dit alles geschiedde niet zonder wijsheid. Want de dag voor de 25ste december was vanouds gewijd aan Adam en Eva. Was het Jezuskind niet de ‘nieuwe Adam’, gekomen om de zonde van de oude Adam goed te maken? Zo werden de lotgevallen van het oudste mensenpaar verbonden met de geboorte van Jezus.

Onze Kerstspelen bestaan dan ook uit een “paradijsspel”, een “Geboortespel” en een “Drie Koningenspel”.

Zoals gezegd wortelen zij in de middeleeuwen, een tijd van felle kleur, helder licht en duistere dramatiek. De felste hartstocht en meest brute wreedheid kwamen voor naast de diepste innigheid, trouw en geloof in God en mensheid. De goddelijke geestwereld was dichtbij en men keek meer naar het toekomstige hemelse dan naar het aardse leven. In onze tijd is het omgekeerde het geval. Vandaar dat voort­brengselen van Middeleeuwse cultuur in onze tijd een opwekkende en genezende uitwerking kunnen hebben.

Kerstspelen als element van kerstviering hebben zelf een lange ontwikkeling achter de rug.
In de vroege middeleeuwen bestond de kerstviering uit een nachtmis in het Latijn. Niemand bijna verstond de teksten. Gelukkig kwamen er in de kerken steeds meer gekleurde glazen en schilderijen, waarop, als in een beeldroman, de heilige kerstge­beurtenissen zichtbaar werden.

Maar de gelovigen verlangden het kerstgebeuren in steeds concreter gestalte voor zich te zien, ja er in te participeren. Aan dit verlangen werd tegemoet gekomen: zg.  “kerststallen” van hout, klei of metaal ontstonden. Ook kerststallen met levensgrote poppen. De kerkgangers mochten het kindje in de kribbe helpen wiegen. Het ging er vaak vrolijk toe ‘men juichte het kindje en moeder Maria uit­bundig toe en bespotte de ietwat sullige Jozef.’

Nog later begonnen geestelijken het kerstevangelie als een soort toneelspel in de kerk uit te beelden. Gezongen bijbelteksten werden als basis voor het spel gebruikt. Gesproken teksten zijn van nog jonger datum.
Zo ontstonden in West-Europa vele religieuze spelen, ook wel mysterie­spelen genoemd.

Tenslotte kwamen deze spelen”buiten de kerk”, waar zij door zich ernstig oefenende “leken”  (= niet-geestelijken) werden opgevoerd.

Het toneelspel als Kunst heeft zich in de late middeleeuwen losge­maakt uit de schoot der kerk, zoals alle kunsten, en is een steeds wereldlijker weg gaan bewandelen.

Tijdens de Renaissance vond een beïnvloeding plaats door de oervorm van toneeldrama, de Griekse tragedie, eveneens oorspronkelijk een religieuze aangelegenheid.

Onze Kerstspelen zijn in vrijwel gave toestand ontdekt in het dorpje Oberufer, waar Duitse emigranten al sinds de middeleeuwen zich hadden gevestigd. Oberufer ligt op een eiland in de Donau bij de stad Pressburg (Bratislava). Geïsoleerd in een Hongaars gebied bewaarden de boeren van Oberufer hun spelen als een kostbare schat. Zij werden in één boerengeslacht van vader op zoon opgeleverd. Na de oogsttijd zocht de leermeester-boer een stel geschikte jongens uit – vrouwen mochten niet meespelen – en studeerde de spelen met hen in. De regels voor de spelers waren zeer streng (bv. boetes voor elke fout in de tekst). Het was dan ook een heilige aangelegenheid. De boeren speelden deze Kerstspelen in Oberufer en omgeving vanaf de eerste adventzondag tot en met Driekoningen op iedere zon- en feestdag.

Professor C.J. Schroer ontdekte de spelen en gaf ze uit. Als taal­geleerde besefte hij de waarde in hoge mate. Het enthousiasme van Schröer werd overgedragen op zijn student, Rudolf Steiner. Laatstgenoemde stelde aan het lerarencollege van de Waldorfschool in Stuttgart voor om deze spelen door de leraren als kerst­geschenk voor de leerlingen te laten opvoeren. Dat gebeurde. Het is een opwekkende gedachte, dat deze waardevolle spelen thans in meer dan honderdveertig* Vrije Scholen en heilpedagogische in­stituten in de gehele wereld, van Canada tot Nieuw Zeeland worden opgevoerd in de komende dagen.

In de Kerstspelen uit Oberufer vindt men alle elementen uit de lekespelen terug die in het voorafgaande genoemd zijn. De drieledigheid van de Griekse tragedie, het koorzingen, het kindje-wiegen en de in de tekst verwerkte bijbelwoorden.
Op de inhoud van de spelen zelf hoop ik in een volgend artikel nader in te gaan.

Mogen deze Kerstspelen niet alleen bij de kinderen, maar vooral ook bij de ouders en de belangstellenden die waardering vinden die zij ten volle waard zijn.

(P.C.Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens onbekend)
*2017 zijn dat er ca 1100

.

Kerstmis: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

kerstspelen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:  advent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

394-372

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (20)

.

Mineralen ~, planten -, dierenrijk       

GESTOLDE FASEN IN DE EVOLUTIE

Steen, plant en dier, ze beho­ren tot onze directe omgeving. Tot ieder van de drie hebben we echter een andere ver­houding.
Hoe kunnen we ze zien in ‘de draad’ van de mense­lijke evolutie? Een beschouwing naar aan­leiding van de aanwezigheid van deze drie natuurrijken in de kerststal.

Wanneer tegen Kerstmis allerwegen onder kerstbomen kerststalletjes worden opgesteld, met het Jezuskind in het kribje en Jozef en Maria aan weerszijden, ziet men bijna altijd ook os en ezel.

Lange tijd geleden zag ik veel kerststallen in Bohemen, met veel meer dieren erom heen. Men kreeg de indruk dat het de bedoeling was het hele dierenrijk te vertegenwoordigen. Er waren ook rijkelijk veel planten te zien, terwijl stenen ook nooit ontbraken. Aanvan­kelijk heb ik daar niet bij stil gestaan, doch langzamerhand is het tot mij door gaan drin­gen dat dit op een traditie berust, waarin een vroegere wijsheid zich nog uitspreekt, die wij langzamerhand uit het oog dreigen te verlie­zen. Het Kerstkind wordt geboren en dieren, planten en stenen – de rijken der natuur -staan ‘peet’. Waarom?

Ik meen, dat slechts de onthullingen van Rudolf Steiner hier licht kunnen brengen.
De drie natuurrijken, stenen, planten en dieren, die vóór het verschijnen van de mens op aar­de ontstaan zijn worden gewoonlijk be­schouwd als deel van zijn evolutie, dat wil zeggen dat de mens tenslotte uit het dieren­rijk voortgekomen is. Dit laatste moet men dan weer uit het plantenrijk ontstaan denken en dit ten slotte weer uit het minerale rijk. Het is hier niet de plaats om deze gedachtegang ter discussie te stellen. Hoogstens kun­nen wij zeggen dat 200* jaar intensief weten­schappelijk denken voor het raadsel van de verhouding van de mens tot deze drie rijken, geen bevredigende oplossing heeft gevonden.

Belicht vanuit de antroposofie is de mens nooit een dier, nooit een plant en nooit een mineraal geweest, doch hij heeft het dierenstadium, plantenstadium en minerale stadium doorlopen.
Hier mag niet verzwegen worden dat een moderne onderzoeker, Erich Blechschmidt, onafhankelijk van deze gegevens, tot het inzicht gekomen is dat de mens nooit een dier, doch altijd een mens geweest is. Rudolf Steiner spreekt erover, dat de mens in een eerste stadium, dat het minerale ge­noemd kan worden, slechts een fysiek lichaam geschonken kreeg, dat uit een ‘warmte-vorm’ bestond.
In een volgende fase werd de mens het leven geschonken, terwijl zijn sub­stantie zich ten dele tot ‘lucht’ verdichtte.
In de derde fase werd de mens de ziel geschon­ken en de substantie verdichtte zich verder ten dele tot het ‘vloeistofachtige’.
In de vier­de fase tenslotte werd de mens zijn geest ge­schonken, terwijl de substantie zich ten dele nog verder verdichtte tot ‘aarde’, dat wat wij nu de minerale wereld noemen.
Wat hiernaast vermeld moet worden is, dat van elke fase een gedeelte zich afsplitst wat zich niet verder ontwikkeld heeft, zodat wij een rijk gekregen hebben dat alleen het ‘lichamelijke’ element bevat, een tweede rijk dat lichaam en leven vertoont en een derde rijk dat lichaam, leven en ziel bevat.
Het zal de lezer niet veel moeite kosten, te herken­nen dat wij hier met het mineralenrijk, plan­tenrijk en dierenrijk te doen hebben, waarbij men zich voor ogen moet houden, dat de ge­leidelijke verdichting, die van warmte naar lucht, naar water en naar aarde plaats heeft gevonden en heeft geleid tot het beeld van de rijken zoals zij nu zijn. Men kan begrijpen dat het minerale rijk dus het langste verleden heeft en de mens pas betrekkelijk aan het be­gin van zijn ontwikkeling staat.

Vreugde
Ik zou nu verder drie formules willen uitspre­ken, waarvan ik hoop dat men zal kunnen merken dat zij in een logisch verband met het voorafgaande gedacht kunnen worden en ook de rijken geleidelijk aan in een geheel nieuw licht doen zien.

Het dierenrijk is de belichaming van een over­maat aan begeerte, die voor de mens een be­lemmering geweest zou zijn zijn mensenfa­se te beginnen.
Het plantenrijk is de belicha­ming van een overmaat aan vitaliteit, die voor de mens een belemmering geweest zou zijn in zijn dierenfase te komen.
Het mine­ralenrijk is de belichaming van een verdichting, die de mens belemmerd zou hebben tot de plantenfase te komen. Wij kunnen nu ook zeggen: daardoor is de mens in staat te leven op het mineraal, van de plant, met de dieren, onder de mensen.
Wanneer dit over mineraal, plant, dier en mens gezegd is, moeten wij niet verzuimen te beseffen wat het zeggen wil, ons op de vaste grond te kunnen verheffen, wat een vreugde wij kunnen ondervinden door het ‘kunnen staan’.
De plant daarentegen is de bron van het menselijk leven. Wat een vreugde beleven wij niet aan het plantenrijk.
Op drievoudige wijze kennen wij de plantenzegen, die ik als volgt pleeg aan te geven:
wij hebben mooie planten om naar te kijken, dikke planten om van te eten en onvolledige planten – die nog, wat ‘te zeggen hebben’ – om mee te genezen.
Wat zijn dieren? Wezens die ons dienen, doch ook onze vrienden zijn. Er zijn weinig woorden voor nodig om ons eraan te herin­neren welk een vreugde wij aan dieren kun­nen beleven. Wanneer wij echter tevens den­ken aan de zo-even gegeven definitie, veran­dert dit gevoel vóór alles in een van dank­baarheid.

Wanneer tenslotte over het ‘onder de mensen’ leven ook als een bron van vreugde gespro­ken wordt, hoor ik in gedachten stemmen, die veel kritiek op hun medemens hebben en deze gedachte in twijfel zouden willen trek­ken. Laat men zich echter eens voorstellen wat het betekent, eenzaam te zijn, naast het samen-zijn met onze medemensen. Laten we niet vergeten hoe sterk de liefdeband met an­dere mensen zijn kan.

Verantwoordelijkheid
Men spreekt te veel over het slechte in de mens en vergeet daarbij het goede dat in alle mensen te vinden is, dat wij elk ogenblik van de dag meemaken. Doch wij moeten dan niet in de eerste plaats denken aan de regerings­leiders, de bekende staatslieden. Ik wil geen kwaad van hen zeggen, doch ik zou erop willen wijzen, dat het werkelijk goede ge­zocht moet worden in de kleine dingen, die zich voortdurend om ons heen afspelen, klei­ne attenties, kleine offers, een vriendelijke blik, een helpende hand. Waardoor kunnen wij dankbaar zijn? Door­dat in elk mens iets van dit goede leeft. Het is het zelfde mysterieuze iets in de mens, waardoor hij zijn vrijheid beleeft en zijn ver­antwoordelijkheid voelt, ook wanneer dit niet elk ogenblik aan den dag treedt. Het is er, in elk mens op de wereld. Vroeger was dat niet zo. Mag ik nog een keer in een enke­le formule uitdrukken hoe in vroegere tij­den de mensen met hun leiders, die destijds vaak koningen genoemd werden, leefden?
‘De volkeren hingen aan de koning, de ko­ningen hingen aan de hemel.’ Dit betekent, dat de mensheid tenslotte nog geheel afhan­kelijk was van richtlijnen, die direct vanuit de geestelijke wereld aangegeven werden. Niet alleen in mythologische verhalen, ook het hele Oude Testament getuigt van deze af­hankelijkheid van de mens. De mens was nog niet goed. ‘God was goed.’
Dit veranderde op dat ogenblik, dat datgene wat de mensheid eens van buitenaf geleid had, in de mens ging wonen: toen een godde­lijk wezen de mens volgde in datgene, wat altijd genoemd wordt ‘de zondeval’. Het is zelfs niet moeilijk om wat over het ontstaan van het dierenrijk gezegd is, ook hiermee in verband te brengen.

Offer
Door dit alles heen loopt ‘de draad’ van de menselijke evolutie. Het algemeen herkennen van deze evolutie in de natuur, een paar hon­derd jaar geleden, heeft een golf van enthousiasme in de wetenschappelijke wereld ver­oorzaakt. Wanneer we ons een ogenblik voor de geest halen dat mens-zijn onverbrekelijk verbonden is met ontwikkeling, met evolutie dan moeten we even terugdenken aan de rij­ken, die door hun achterblijven ons het mens-worden mogelijk gemaakt hebben.
Stenen, planten en dieren kunnen zich nooit ontwikkelen. Dit geldt zeker voor die wezens die de rijken geschapen hebben en ze in stand houden. Zij zijn daardoor buitengeslo­ten van de evolutie, doch men moet dit vóói alles zien als een grandioos offer.
Wat tot nu toe gezegd is, leeft in het gedicht van Christian Morgenstern

‘Die Fusswaschung’:

Ich danke dir, du stummer Stein,
und neige mich zu dir hernieder:
Ich schulde dir mein Pflanzensein.

Ich danke euch, ihr Grund und Flor,
und bücke mich zu euch hernieder:
Ihr halft zum Tiere mir empor.

Ich danke euch, Stein, Kraut und Tier,
und beuge mich zu euch hernieder:
Ihr halft mir alle drei zu Mir.

Wir danken dir, du Menschenkind,
und lassen fromm uns vor dir nieder:
weil dadurch, dass du bist, wir sind.

Es dankt aus aller Gottheit Ein-
und aller Gottheit Vielfalt wieder.
In Dank verschlingt sich alles Sein. *

Wat ‘mensenkind’ betekent, is hopelijk tus­sen de regels door uit het voorafgaande dui­delijk geworden. Het is datgene, wat met het woord ‘het goede’ aangeduid is. Dit alles heeft echter zijn gevolgen. De scheppende wezens die met de drie rijken verbonden zijn, kunnen weer opgenomen worden in de stroom der evolutie, wanneer zij daartoe bevrucht worden door hetgeen wat de mens tegenover de rijken doet, dat wil zeggen dat hij ze leert begrijpen, dat hij leert dankbaar te zijn en dat hij op de juiste manier met ze om leert gaan. Wat dit laatste betreft, wil ik hier liever niet in verwijten treden, die ons op de lippen kunnen komen wanneer wij er aan denken wat de mens dieren, planten en mineralen op het ogenblik aandoet. Laten wij terugkeren naar de eerste zinnen, toen gezegd werd dat de rijken ‘peet staan’ bij de geboorte van dat­gene, dat de bron kan worden van hun ‘be­vrijding’.

*Hoe dank ik U, Gij stille steen,
en neig ik nederig mij tot U:
aan U dank ik mijn planten-zijn.

Ik breng U dank, Gij plant en steen
en maak een buiging naar U heen:
het dieren-zijn viel mij ten deel.

Ik dank U, steen en plant en dier,
en buk mij diep voor U terneer:
door U pas kwam ik tot mij zelf.

Wij danken U, Gij mensenkind,
en knielen, liefdevol en vroom:
want door Uw komen zijn wij hier.

Zo dankt het een het ander steeds
en alles telkens weer elkander:
het zijn omvat slechts dankbaarheid.

(Leen Mees, Jonas 8/9, 14-12-1984)

.

Kerst: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Kerstmisjaartafel

.

393-371

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (19)

.

BONIFATIUS EN DE KERSTBOOM

Voordat Bonifatius in het jaar 755 bij Dokkum door Friese heidenen werd vermoord, had hij heel wat van hun mede-Ger­manen tot het christendom weten te bekeren. De heilige schuwde daarbij het spektakel niet. Zo hakte hij eens in de buurt van het Duitse Geismar een eeuwenoude, aan de don­dergod Thor gewijde eiken­boom om. De reusachtige eik vernielde nogal wat kleinere bomen en struiken bij het neerkomen, maar op miracu­leuze wijze bleef een klein den­nenboompje gespaard. De aanwezige Germanen wa­ren danig onder de indruk toen de missionaris niet ter plekke door de bliksem werd getroffen en bekeerden zich massaal. Bonifatius, die besefte dat twee wonderen altijd beter zijn dan een, wees zijn kersverse kudde op het dennenboompje dat te­midden van de omval­lende eik aangerichte puin­hoop nog fier overeind stond en verklaarde dat het hier ging om ‘de boom van het kindje Je­zus’ Aldus is het gebruik van de kcrstboom ontstaan.
Zo wil  althans de legende
Serieuze onderzoekers  twijfelen echter hier aan de waarheid van dit verhaal. Ze hechten al even weinig geloof aan de traditie die zegt dat het gebruik om de kerstboom met lichtjes te versieren teruggaat op Maarten Luther. De grote hervormer zou eens op een winternacht de sterren hebben zien schitteren tussen de takken van de naaldbomen. Dat zou een mooie manier zijn om de komst van het Licht te symboliseren dat met de geboore van de Heiland in de wereld was gekomen, bedacht hij. Luther zou vervolgens in zijn eigen huiskamer een met brandende kaarsen versierd sparretje hebben geplaatst.

Voor beide legenden be­staat geen enkel bewijs. Vast staat wel dat het plaatsen van kerstbomen in Duitsland is be­gonnen.
De eerste ver­melding van een kerstboom (nog zonder licht­jes) zou dateren uit 1521 in de Elzas (toen nog Duits). In de aantekeningen van een onbe­kende Straatsburger uit 1605 wordt melding gemaakt van ‘naaldbomen, die de mensen in hun woonkamers plaatsen en waaraan zij papieren bloemen, appels, koekjes, goudfolie en snoepgoed ophangen’.
Mogelijk is het gebruik de voortzetting van een oude Ger­maanse traditie, die wilde dat tijdens het winterse joelfeest naaldboompjes in huis werden gehaald. De altijd groene spar­ren en dennen symboliseerden de tijdelijke aard van de barre wintertijden. Als het inderdaad een oud Germaans gebruik be­treft, is echter niet duidelijk waarom er in de eeuwen tus­sen de kerstening van de Ger­manen, die rond het jaar 800 voltooid was, en de zestiende eeuw nergens melding van wordt gemaakt. Wellicht is het ontstaan van de kerstboomtraditie daarom eerder terug te voeren op de ‘mysteriespelen’ die vanaf de elfde eeuw in Eu­ropa werden opgevoerd. Dat waren een soort stichtelijke to­neeluitvoeringen waarin scè­nes uit de Bijbel werden nage­speeld ter lering en vermaak van het ongeletterde volk. Zeer in trek was het paradijsverhaal, waarin de geschiedenis van de zondeval werd verklaard met behulp van een ‘paradijsboom’ die prominent op de bühne werd geplaatst. De boom hing vol appels, waarvan ‘Eva’ er op het geëigende moment een plukte om met ‘Adam’ te de­len.

Omdat de mysteriespelen steeds meer gepaard gingen met losbandigheid (althans in de ogen van de kerkelijke ge­zagsdragers), werden zij aan het einde van de middeleeu­wen door de Kerk verboden. De gewone burgers zouden inmid­dels echter zozeer aan de
‘para­dijsboom’ gewend zijn geraakt, dat ze ze in hun eigen wonin­gen begonnen op te tuigen. Dat gebeurde op 24 december, de feestdag van Adam en Eva. Omdat op 25 december de ge­boorte van Jezus werd gevierd, werd de paradijsboom ook daarmee geassocieerd. Gelovige christenen herinnert de boom derhalve niet alleen aan de zondeval in het paradijs, maar ook aan het hout van het kruis waaraan Christus is gestorven. De kerstboom moet hoe dan ook een goed idee zijn geweest, want het gebruik heeft zich sinds de zestiende eeuw vanuit Duitsland over zowat de hele wereld verspreid.

(Martijn Hover, Brabants Dagblad, 17-12-2003)

.

Kerst: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Kerstmis     jaartafel
.

392-370

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (18)

.

GEDICHTEN

1)
Begin van Kerstnacht

De moeder Gods was nog niet
gekomen tot den stal,
de herders hielden nog rustig
hun nachtwacht in het dal.

Sint Joseph liep nog zoekend
de deuren af in ’t dorp,
de boeren bij den teerling
roerden nog worp om worp,

soldaten en afgereisden
zaten nog neer bij den wijn,
knechtjes en maagden schreden
nog over paden en plein,

de velden lagen nog ledig
de heuvelen stil daar omtrent,
Efrata was nog vergeten
Bethlehem niet bekend.

De Draak die rond ging op aarde
speurde zijn Winnaar nog niet,
het wijde gebied van de nacht had
nog geen lichtend verschiet,

ook brandde nog niet aan den hemel
Gods teken in de Ster,
nog stonden de blijde Engelen
fluisterende van ver,

het was de laatste avond
onder de oude bewind,
de eeuwen der eeuwen naderden
nu tot het uur van het Kind!

(bron onbekend)

2)
Ons ghenaket die avontstar

Ons ghenaket die avontstar,
Die ons verlichtet also claer,
Wel as haer doe.
Susa ninna susa noe,
Jesus minne sprac Marien toe.

Dat huus dat hadd so menich gat,
Daer Cristus in gheboren waa.
Wel was haer doe.
Susa ninna susa noe,
Jesus minne sprac Marien toe.

Si sette dat kint op haren schoot.
Si cussedet voor sijn mondekijn root,
Het was so soet.
Susa ninna susa noe,
Jesus minne sprac Marien toe.

Si sette dat kint op hare cnien.
Si sprac: groot eer moet u gheschien!
Wel was haer doe,
Susa ninna susa noe,
Jesus minne sprac Marien toe.

Si sette dat kint op haren aerm,
Mit groter vrouden sach sijt aan,
Het was so soet.
Susa ninna susa noe,
Jesus minne sprac Marien toe.

Die moeder makede den kinde een bat,
Hoe lieflic dattet daer
Wel was haer doe.
Susa ninna susa noe,
Jesus minne sprac Marien toe.

Dat kindekijn pleterde mitter hant,
Dattet water uten becken spranc.
Wel was haer doe,
Susa ninna susa noe,
Jesus minna sprac Marien toe.

Die os ende ooc dat eselkijn
Die aenbeden dat soete kindekijn.
Wel was haer doe.
Susa minna susa noe,
Jesus sprac Marien toe.

(Anonymi, 15e eeuw)

muziek

3

kerstfeest

De bloemen bloeiden in de warmte van de zomerzon.
De bijen dronken het edele vocht, dat de plant uit licht en warmte bereidde.
In het lichaampje van de bij werd de nectar tot was.
Onze kinderen trokken er kaarsen van.
Straks zal het vlammetje branden.
Ruikt u nog de bloemengeur?
Wat is zo’n kaars anders dan om­gewerkte zomerwarmte, zonnelicht en bloemenstof?

Is dit het licht, waarover wij spreken in de meest donkere tijd van het jaar?
Ontsteken wij dit licht vanuit een heimwee naar de zomerzon?
Of is er nog een diepere zin misschien?

Straks in het voorjaar zal de berk weer berkenblaadjes maken,
de appelboom haar bloesem en de rozenstruik haar rozen.
Uit welke sferen hebben zij hun vormen ontvangen?
Zingen wij niet met Kerst van de twaalf Heilige Nachten, waarin de hemel geopend is?
Zou het zaad ooit kunnen ontkie­men, de knoppen ontspruiten zon­der deze geopende hemel?

Wij zingen in deze tijd van Maria en haar heilige kind.
Wie voelt niet een zweem van vroomheid oplichten in onze nuch­tere en moderne ziel?
Dit zweempje vroomheid zou ster­ker kunnen worden,  zó sterk, dat wij – als Maria – onze engel zonden kunnen horen.

Maria met het kind, de engel, de ster – alleen maar ontroerende herinnering?
Of dieper werkelijkheid?
Een werkelijkheid in het leven van onze aarde en een werkelijk­heid in onze eigen ziel.

Hebben wij de ster ontmoet, die straalt boven de kribbe van ons eigen hart?
In het midden van de Twaalf Heilige Nachten wensen wij el­kaar een gezegend nieuwjaar.
Vóór ons ligt de toekomst.
Boven ons straalt de Christus­ster.

Mogen we ieder jaar iets meer meedragen van dit licht.

(Map Remmers, vrijeschool, nadere gegevens ontbreken)

4

KERSTLIEDJE

In  de donkere dagen van Kersttijd
is een kind van licht gekomen,
de maan stond helder over de dijk
en ijzel hing aan de bomen.

Onder de doeken in de krib
daar lag dat lief Jezuskindekijn
en spelearmde en van zijn hoofd
ging af een zuivere lichtschijn

Maria die was bleek en zwak
op de knieën neergezegen
en zag blij naar het kindeke;
en Jozef lachte verlegen.

En buiten in de bittere kou
en de stille Kerstnacht Iaat
de heilige driekoningen kwamen van ver
door de diepe sneeuw gewaad.

De heilige driekoningen hoesten en doen
en rood zijn beî hun oren,
een druppel hangt er aan hun neus
en hun baard is wit bevroren.

De heilige driekoningen in de stal
verwonderd zijn binnen getogen;
het licht, dat van het kind afging,
schijnt in hun grote ogen.

De heilige driekoningen staren het aan
en weten zich niet te bezinnen
en het kind ligt al te kijken maar
en tuurt in een denkbeginnen.

(J.H.Leopold)

.

Kerst: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Kerstmis     jaartafel

.

391-369

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (17-1)

.

MUIS BAARDE STILLE NACHT

Stille Nacht, inmiddels uitgebracht in 300 vertalingen en gezongen door miljoenen, zou volkomen overdrachtelijk gebaard zijn door een muis.
Dat zit zo.
In de donkere nacht van 23 december 1818 deed een muis zich in het Oostenrijkse plaatsje Oberndorf (bij Salzburg) tegoed aan het leer van de blaasbalg van het orgel in de Sint-Nicolaaskerk.
Organist Franz Gruber kon er geen fatsoenlijk geluid meer uit krijgen. Tijd voor reparatie voor de kerstmis was er niet meer.

Muzikaal dreigde de Kerst te verpieteren voor de boeren in het dorp.

Kapelaan Jozef Mohr bedacht samen met Gruber een oplos­sing.
Mohr had twee jaar gele­den een gedicht op Kerstmis gemaakt en vroeg Gruber er een melodie bij te maken, waarbij een gitaar voor de be­geleiding zou kunnen zorgen.
Gruber componeerde twee solo’s voor tenor en bas en een kinderkoor voor de zes cou­pletten.
Hun Stille Nacht was een re­gionaal succes, tot orgelbou­wer Karl Mauracher het mee­nam naar Fügen in Tirol. Via de muziekuitgevers Rainer en Strasser maakte het een op­mars naar Leipzig en New York.

Mohr en Gruber maakten het wereldsucces niet meer mee: zij stierven respectievelijk in 1848 en 1853.
De Nicolaas­kerk raakte door overstromin­gen vervallen en werd afge­broken. Vlakbij staat een ka­pel met in glas en lood Gru­ber, de componist.
Jaarlijks bezoeken 150.000 toeristen de geboorteplaats van Stille Nacht, een oecumenische we­reldhit, die evenzeer door katholieken als protestanten wordt gezongen.

kerst gruber

(Jan Meulemeester, Brabants Dagblad, nadere gegevens onbekend

.

 

Kerst: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Kerstmis     jaartafel

.

390-368

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Paradijsspel

.

HET OBERUFERER PARADIJSSPEL: EEN PLEIDOOI VOOR LIEFDE?

Een aspect, dat wij in deze statige, ja welhaast statische verbeelding van het scheppingsverhaal nu niet direct zullen verwachten. Te zeer ook is hierover vanuit een lange traditie de morele last van zonde, schuld en straf als een verstikkende deken uitgespreid.

Dit kan ons zicht op de oorspronkelijke kracht van de Genesisverhalen vertroebelen. We zien bijvoorbeeld in dit uitgelicht detail van Michelangelo hoe de vrouw zonder enige schroom de vrucht uit de hand van de slang aanneemt, terwijl Adam reeds beschuldigend zijn arm uitstrekt.

paradisspel
Een van de talloze taferelen, die het bekende schuld- en boetethema weergeven.
Het Oberufer Paradijsspel echter kan ons vanuit haar onbevangen eenvoud een verrassende wending opleveren in bovenstaande visie.

Hier klinkt het zuivere invoelingsvermogen van de vroege middeleeuwer met grote kracht, als wij het tenminste horen willen. Laten wij de tekst aan de hand van een aantal citaten op de voet volgen!

‘Soo het aen my lag, syde ick neen
soo ick eet, isset om u alleen’.

Gedenkwaardige woorden in het Paradijsspel op het moment vóórdat Adam in de appel bijt. Het wekt de suggestie, dat Adam zich bij voorbaat schoonpraat en de schuld omtrent de mogelijke gevolgen op Eva schuift. Eva, de vrouw, die hem even daarvoor de appel aanbiedt met de woorden: ‘Hier, neemt hem aen en proeft ereis als ghy my mint”.
Volgens de klassieke traditie haalt de verleidelijke Eva de onschuldige Adam over tot de zondeval. De vrouw als oorzaak van het verderf! Een thema, dat tot in onze tijd nog actueel is, zij het dan wellicht in een andere verschijningsvorm. Maar als we dit middeleeuws boerenspel eens goed op ons laten inwerken, stuiten we op onverwachte wijsheid. Adam had God goed verstaan, toen Deze hem gebood niet van de boom te eten. Hij zou gestraft worden met “de doot voor eeuwich” en “in ’t verderven plots geraken”.
Maar God had ook omtrent de vrouw tot hem gesproken:
“hebt haar lief weest trou vereend”.

Niet God zelf, maar Adam waarschuwt Eva voor het eten van de vrucht! Daarmee wordt in feite al ruimte geschapen voor het woord van de duivel, die als zodanig wel degelijk een hoogstaand wezen is.

In tegenstelling met het Driekoningenspel wordt de duivel hier dan ook veel meer met rood en geel uitgebeeld dan met zwart.

Als Eva hem dan de appel aanbiedt, staat Adam voor een onmogelijk dilemma. Kiest hij voor de overtreding van Gods gebod van de appel niet te eten, of laat hij Eva alleen staan met haar appel? Ook in het laatste geval gehoorzaamt hij niet aan Gods woorden……

Maar voor Adam bestaat dit dilemma helemaal niet. Hij heeft immers nog niet het besef van goed en kwaad! Dat is toch eigenlijk heel merkwaardig, dat wij hen die dramatische zondeval aanrekenen, terwijl zij zich van geen kwaad bewust konden zijn. Pas na het eten van de boom der kennis konden zij zich daarvan rekenschap geven.

Adam kiest niet! Hij doet wat hij moet doen: hij blijft Eva trouw. Hij heeft haar lief. Het is immers zijn wederhelft, een woord dat in dit verband een diepe betekenis heeft. Zij vraagt hem te eten om de liefde voor haar en hij eet “soo ick eet isset om u alleen”. Dan vallen hen de schellen van de ogen en zij beseffen plotseling het onherstelbare, dat de verwijdering uit de Hof van Eden ten gevolge zal hebben.
Eva beklaagt alle vrouwen die “om harentwille het moeten berouwen”, maar Adam kent geen wrok. Nu hij bewust kan kiezen, kiest hij opnieuw onvoorwaardelijk voor Eva:. “Comt maer by my, myn Eva soet”.
Zo vinden wij als rode draad door dit aloude spel een hartstochtelijk pleiten voor de liefde van mens tot mens en als zodanig is het een indrukwekkende voorbereiding op het kerstfeest, dat immers een feest van liefde is! Misschien kunt u zich voorstellen, dat vanuit dit gezichtspunt we Adam en Eva liever niet voorstellen zoals Michelangelo e.a. dat gewend waren, maar meer in de geest van deze afbeelding.

paradijsspel 2

 

(Harrie Vens, ouder – nadere gegevens onbekend)

.

Kerstspelen: alle artikelen

Antrovista: archief V.O.K    over de kerstspelen

VRIJESCHOOL in beeld: Kerstspelen

.

389-367

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (16)

.

DE TWEE KERSTKINDEREN: EEN THEOLOGISCH PROBLEEM

De komst van Christus op aarde valt samen met een belangrijke tijdenwende: het religieuze leven wordt losge­maakt van volks- en bloedverwant­schap. Wat is er toen eigenlijk ge­beurd?

In alle mysteriën van de oudheid was de epifanie van een god bekend. Een god vertoonde zich aan de ingewijde mens. Aan het begin van onze jaartel­ling gebeurt dat eveneens, maar nu niet aan ingewijden, maar aan ieder, die wilde waarnemen en bovendien niet als bovenzinnelijk schouwen, maar in een werkelijk met de zintuigen waar te nemen mensenlichaam.

‘En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond’.

De vraag hoe dit gebeurde heeft de christenen steeds bezig ge­houden en heeft zeer verschillende beantwoordingen gekregen, variërend van het gezichtspunt dat er geen wer­kelijke menswording heeft plaatsge­vonden tot het omgekeerde, dat er zich geen goddelijk wezen geïncarneerd heeft.
Van de eerste eeuwen af is deze tegenstelling, met alle varian­ten ertussen, aanwezig. Het is geen theologisch-theoretische vraag waarom het hier gaat. Immers als een god mens geworden is, is daarmee de mogelijkheid gegeven dat mensen goden worden. Daarom is de vraag hoe een god mens werd een belangrijke vraag voor ieder, die niet zonder meer geloven kan, dus voor ieder, die, om te kunnen geloven, inzicht en kennis nodig heeft.

Rudolf Steiner heeft hier mededelin­gen gedaan, die niet zonder meer in de Bijbel terug te vinden zijn, maar die de bijbelverhalen niet weerspreken en ze in een samenhang plaatsen waar­door ze veel duidelijker en samenhangender worden. Een belangrijk punt is hier dat de ge­boorteverhalen van Jezus in de twee evangeliën, die ze vertellen, Mattheüs en Lucas, geheel verschillend zijn. En niet alleen verschillend, maar ze sluiten elkaar uit.

Het meest opvallende verschil ligt in de beide geslachtsregisters. Mattheüs brengt er direct een in zijn eerste hoofdstuk.
Het begint bij Abraham (ca. 1800 v. Chr.), gaat over David (ca. 1000 v.Chr.) en de Babylonische bal­lingschap (587 – 538 v.Chr.) naar Jozef, de vader van Jezus.
Lucas brengt eveneens een geslachts­register en wel na de doop in de Jordaan (3e hoofdstuk). Dit begint bij Jozef en gaat terug in de tijd naar David maar met volkomen andere namen en zelfs een ander aantal en dan verder van David naar Abraham met dezelfde namen als Mattheüs en dan nog verder terug tot Seth, de zoon van Adam, de zoon van God.
Lucas stelt de geboorte van Jezus in een mensheidssamenhang en ziet
bo­vendien de lichamelijke afstamming als een afstamming van God.
Mattheüs brengt een volksamenhang en noemt in zijn geslachtsregister de koningen van Juda en legt zo de na­druk op de koninklijke afstamming. Verdere verschilpunten zijn: in Mat­theüs is Jozef de belangrijke persoon. Tot hem spreekt de engel.
In Lucas blijft Jozef op de achtergrond en is het Maria om wie alles draait.
In Mattheüs komen de magiërs uit het Oosten het kind vereren en treedt Herodes op met zijn kindermoord. De ouders vluchten met het kind naar Egypte. Als ze te­rugkomen na de dood van Herodes willen ze zich weer in Bethlehem ves­tigen, maar wijken uit naar Nazareth als ze merken dat Archelaos, de zoon van Herodes, koning is in Judea. Voor de geboorte is bij Mattheüs van Naza­reth geen sprake.
Lucas daarentegen situeert Jozef en Maria in Nazareth en gedwongen door een nieuw soort administratie vanwege Rome gaan ze naar Bethlehem, waar het kind geboren wordt. ‘Na de dagen van haar reiniging’ (volgens de wet van Mozes 40 dagen) gaan ze eerst naar de tempel in Jeruzalem en dan weer terug naar Nazareth.

Onverenigbaar
Hier ligt nu de absolute onverenigbaar­heid der beide verhalen. Al het andere kan men nog min of meer aan elkaar rijgen maar dit niet. Indien nl. de magiërs binnen deze 40 dagen naar Bethlehem zijn gekomen (en dat moet wel, want ze treffen het kind daar aan) en Herodes nog wat gewacht heeft op hun terugkeer, zijn er twee mogelijkheden. De ene is dat de 40 dagen nog niet voorbij waren toen de kindermoord plaats vond, maar dan zijn het kind en zijn ouders in Egypte en kunnen niet in de tempel in Jeruza­lem zijn geweest.

De andere mogelijkheid is dat Herodes na de veertig dagen kwam en het kind dus al weg was. Maar waarom dan de vlucht naar Egypte? Van hieruit kan men weer twee wegen gaan. De eerste is de weg die de theologie in de laatste eeuwen min of meer consequent is gegaan: tenminste één van de twee verhalen is onwaar, waarschijnlijk beide. Uiterste consequentie: wat moet ik met zulke verha­len anders beginnen dan ze als mythische beelden verstaan waaraan geen enkele historische werkelijkheid toe­komt en dus de gehele menswording van een god op losse schroeven komt te staan.

De andere weg is dat men voorlopig de verhalen in ernst neemt, hoewel men het niet begrijpt. Wie dit onbevangen doet kan alleen maar tot de conclusie komen dat er van twee verschillende kinderen sprake is.
De een stamt uit een koninklijk geslacht; magiërs komen om hem te aanbidden als de geboren koning der Joden. Herodes, koning bij de gratie van de keizer, niet door afstammingsrecht, krijgt angst voor de concurrent en wil hem doden. Het kind ontsnapt en na enige jaren van bezinking van de onrust, woont het in Nazareth.

Het andere kind stamt uit een priester­lijke stam. 2 Sam. 8,18 vertelt dat de zonen van David priester waren. Nathan treedt herhaaldelijk als tweede naast Salomo op, zelfs nog in veel la­tere tijd (Zacharia 12, 11 vlg.) Het is niet onwaarschijnlijk dat speciaal Nathan het priesterambt uitoefende als een recht van het koningshuis naast de priesterstam van de Levieten. Het gehele verhaal van Lucas past in deze priesterlijke tempel- en engelsfeer. Engelkoren maken de geboorte be­kend aan de herders (pastores!) Het kind wordt in de tempel gebracht waar een oude, wijze man, Simeon, een profetie over hem uitspreekt. Daarna woont het gezin weer in Naza­reth. Wie tot de nodige onbevangen­heid ten opzichte van de bijbelverha­len wil komen, moet wel eerst veel tra­ditioneel weten kritisch toetsen.
Een volgende stap is dan dat men het geheel eigen en verschillende karakter niet alleen van de beide kinderen, maar ook van de ouders in het oog vat. Het echtpaar van Mattheüs woont in Bethlehem. De magiërs treden daar het huis binnen. De profetieën, die de schriftgeleerden voor Herodes opzeg­gen, slaan op dit kind van bekende koninklijke afstamming.

Onaanzienlijk
Het gezin in Lucas is duidelijk arm: er is geen plaats voor hen in de herberg, ze brengen in de tempel het eenvou­digste offer. Ze zijn onaanzienlijk in de letterlijke zin van niet-opvallend. Een rustig leven met de resultaten van een onbevangen lezen van de evange­liën kan dan de ziel rijp maken voor wat Rudolf Steiner over deze beide kinderen zegt.

Hij schildert dat als volgt: de ene knaap, die uit Mattheüs, is een oude ziel, die grote aarde-ervaring en -wijs­heid meebrengt. Zijn ouders ontvan­gen hem als hun oudste zoon. Later komen er nog een aantal broers en zusters (Matth.  12,47; 13,55-56). Deze Jezus is een reïncarnatie van de stichter van de Perzische religie en cul­tuur, Zarathoestra. Deze Zarathoestra leefde ca 6000 v. Chr. De latere be­kende Zarathoestra (ca. 600 v.Chr.) – stond in dezelfde stroom. In zijn incarnatie als Jezus, geboren in Bethlehem, komen dan de magiërs hem vere­ren, omdat ze in hem de “ster* (Zoroaster) zagen. Hij droeg in zich de sa­menvatting van alle voorchristelijke wijsheid, ook van die wijsheid die cultuurvormend werkt. In de jaren in Egypte beleeft de ontvankelijke kin­derziel dan nog eens een deel van deze wereld van buiten.

De andere knaap, zo schildert Rudolf Steiner, is een ziel die nog nooit op aarde is geweest. Toen de mens zich met de aarde-stoffelijkheid ging ver­binden (wat in de Bijbel de zondeval wordt genoemd), werd een deel van de mensenziel ‘bewaard’ in hogere werel­den. In de legende heet dit deel Adam Kadmon. Men moet zich dit natuurlijk niet zozeer ruimtelijk als wel wezen­lijk denken. De ruimtelijke beelden zijn mythologie. Mythologie is echter noodzakelijk waar ons zintuigelijk voorstellingsvermogen tekort schiet. Dit deel van de mensenziel komt nu voor het eerst tot belichaming in het kind dat Lucas schildert. Het brengt geen aardeschuld mee, het heeft geen karma. Het is een lief kind. In vele Marialegenden komt dit kind voor als het uit stofresten levende bloemen maakt, uit de kelk van een winde een beker vormt om wijn uit te drinken, nadat het een zware wagen uit het vastgereden spoor laat trekken door sim­pelweg de teugels van de paarden in de hand te nemen, enz. Maar aarde-erva­ring en -wijsheid ontbreken. De geboorte van dit kind wordt overscha­duwd door het Nirmanakaya van Boeddha, d.i. de omhulling die een Boeddha in de geestwereld heeft na zijn laatste incarnatie. Daardoor
ver­bindt zich het edelste van het Boeddhisme met het kind dat Lucas schil­dert.

Deze twee kinderen ontmoeten elkaar in Nazareth waar ze gezamenlijk hun kinderjaren doorbrengen. Het was de gewoonte bij de Joden dat jongens van ongeveer twaalf jaar met Pasen in de tempel te Jeruzalem ge­bracht werden om daar door de wijze schriftgeleerden onderzocht te worden op hun kennis van de Wet. Een soort confirmatie vond plaats. Dat gebeurt nu ook als het Lucaskind twaalf jaar is. In de tempel raken de ouders hem kwijt en ze vinden hem pas na drie dagen weer terug en zij verbazen zich, evenals de schriftgeleerden, over de intelligentie waarmee hij vragen stelt en antwoordt.

Raadsel
Tot zover het verhaal uit de Bijbel, dat ons opnieuw met een raadsel laat zit­ten. Wat is daar gebeurd?
Rudolf Stei­ner schildert hoe beide jongens in de tempel aanwezig zijn. De oudste Zarathoestra wordt door een diep medegevoel met de jongste getroffen en offert nu zichzelf op. Zijn Ik verlaat het lichaam van de oudste Jezus en doordringt nu met alle ervaring en wijsheid van vele incarnaties de ziel die nog nooit op aarde was geweest. Deze oudste jongen kwijnt dan lang­zaam weg en de twee zijn tot één ge­worden. Liefde en wijsheid, reinheid en ervaring in het leven zo moeilijk verenigbaar, zijn nu verbonden in de Jezusgestalte, die later op zijn dertigste jaar de Christus in zich op zal ne­men.
Ook hier weer mededelingen die in niets in strijd zijn met het evangelie, maar die wel veel licht brengen in wat Lucas vertelt. De ouders en de leraren zijn verbaasd. Van dit kind verwachtte men geen ‘wetenschappelijk’ gesprek. Vlak voor dit verhaal staat een zin over het kind als de ouders met de on­geveer 50 dagen oude baby weer in Nazareth komen: ‘en het kind groeide en werd sterk, vervuld van wijsheid en het welgevallen van God was op hem’.
Als het verhaal van de twaalfjarige in de tempel is verteld, zegt het evange­lie: ‘en Jezus nam toe in wijsheid en leeftijd en welgevallen bij God en de mensen’. Zinnen die duidelijk met elkaar samenhangen.
Voor het gebeu­ren in de tempel is er wijsheid en god­delijke genade (welgevallen). De wijs­heid is de oerwijsheid, die we bij vele kleine kinderen ontmoeten. Het is mede dat wat bedoeld is met het worden als kinderen als het gaat om de vraag de hogere werelden te kunnen binnengaan.
Maar na de ge­beurtenissen in de tempel blijven wijs­heid en goddelijke welgevallen maar worden eraan toegevoegd ‘leeftijd’ en welgevallen bij de mensen. Toename in leeftijd is te vanzelfsprekend om vermeld te worden in zulk een context. Daarom kan alleen innerlijke leeftijd bedoeld zijn, rijpheid, en wordt hier dus uitgedrukt dat Jezus toenam in aarderijpheid en welgeval­len bij de mensen. Is hier niet precies uitgedrukt wat er gebeurde toen de Zarathoestra-individualiteit de jongere Jezus doordrong? Dat is niet op één ogenblik gebeurd. Het werd als het ware geïnaugureerd op dit moment maar kreeg dan 18 jaar lang de moge­lijkheid verder te werken.
In de beeldende kunst zowel als in de meer legendarische overleveringen is het thema steeds weer te vinden. Hier moge een van de bekendste afbeeldin­gen worden bijgevoegd, een schilderij van Borgognone (ca. 1 500), dat zich vroeger in de kerk Sant’Ambrosio in Milaan bevond en nu in het museum naast de kerk hangt. De gebaren en ge­zichten van de beide jongens spreken voor zichzelf. Deze afbeelding vindt men naast een 80-tal andere bij Hella Krause-Zimmer. Ook voor kritische opmerkingen en hun weerlegging moet naar dit zeer deskundige werk van een kunsthistorica verwezen worden. De legendenstof vindt men bij E.Bock.

Enige literatuur:
R.Steiner, de boeken over de evan­geliën. Vrij Geestesleven.
R. Steiner, Das fiïnfte Evangelium R.Steiner-Verlag, Dornach.
E.Bock, Kindheit und Jugend Jesu Urachhaus, Stuttgart  (één van de 7 delen)
H.Krause-Zimmer, Die zwei Jesusknaben. Freies Geistesleben, Stuttgart.

Borgognone 2 Jezuskinderen

kerst adam kadmon
(nadere gegevens onbekend)
,
(J.Knijpenga, Jonas 8/9/, 17-12-1976)

.

Kerst: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Kerstmis     jaartafel

.

388-366

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (13)

.

KERSTFEEST IN ZWEDEN

Keken we vorig jaar naar de viering van het kerstfeest in Engeland, nu richten we de blik meer naar het noorden: naar Zweden.

De Zweden worden in het buitenland vaak voor stijve en onge­naakbare mensen aangezien. Misschien terecht, maar éénmaal per jaar zeker onterecht. Dat is wanneer Kerstmis nadert. Er is geen land ter wereld waar men de Kerst zo intensief viert als Zweden. Vanaf de eerste advent hangt in de meeste Zweedse huizen een adventster voor het raam. Deze schijnt iedere avond, totdat de kersttijd voorbij is. Dit duurt in Zweden tot de 13e januari.
Dan is het Luciadag, op de 13e december. Genoemd naar de heilige martelares te Syracuse, die na martelingen op wonderbaarlijke wijze te hebben doorstaan, met een zwaard gedood werd. Haar feestdag viel tot de Gregoriaanse kalender­hervorming (1582) samen met de Midwinterdag en werd in geheel Europa met volksgebruiken gevierd.
Vroeg in de ochtend gaan de vrouwelijke leden van het huis rond en brengen koffie op bed. Eén van hen stelt Lucia voor, de lichtkoningin, met een licht­krans op het hoofd en het koffieblad in de hand. Na haar komen de anderen, allen gekleed in witte, lange hemden met kaarsen in de hand. Al rondgaand zingen zij het Lucialied. Ook is het een heel oude gewoonte dat er op deze dag peper­koekjes gebakken worden.

Op kerstavond (de avond voor de eerste Kerstdag) worden de kerstcadeaus uitgedeeld en eet men een maaltijd waarvan het menu elk jaar hetzelfde is. In elk huishouden is er een kerstham op tafel en verscheidene soorten haring en worst. Verder kunnen de tradities natuurlijk variëren in de verschillende gezinnen en in de verschillende delen van het land. Op de ochtend van de eerste Kerstdag gaan allen die kunnen naar de kerk. Een Zweed kan het hele jaar nóg zo onkerkelijk zijn, hij komt naar de vroege kerkdienst. De kerken zijn dan ook overvol en vaak moet men de vroege dienst herhalen, d.w.z. één dienst begint om 5 uur !s morgens en één om 7 uur.
Ook Driekoningen is een officiële zondag in Zweden. Tijdens de kersttijd worden er veel feesten gegeven voor vrienden en kennissen. Men danst en doet gezelschapsspelletjes voor kinderen en volwassenen.

De huizen zijn versierd met kerstkleden en massa’s kaarsen. In decoratieve kaarshouders en natuurlijk met de traditionele kerstboom. Alles ademt een kerst- en feestsfeer.

(bron onbekend)

.

385-363

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (12)

.

KERSTTIJD

De donkere dagen zijn begonnen.
Maar in de verte daagt het licht. En iedereen is bezig het licht een goede kans te geven. Waardoor? Door het binnenshuis aansteken van vele, vele kaarsen en kaarsjes.
Een merkwaardig ding is een kaars;  zijn stevig, vet lijf is verbonden met de ijle vlam door een pit. Men kan in een kaars het beeld van de mens zien. De vlam van de geest brandt op de pit van de ziel en wordt gevoed door het vet van het kaarslichaam.  Zelfs in zijn ontstaan heeft de kaars iets menselijks.
De pit komt van boven en wordt gedoopt in de vloeibare vetmassa. Zijn kaars en pit voldoende samengegroeid dan wordt de pit afgesneden,  zoals de mensenziel,  die in een fysiek lichaam gaat leven, van de geestwereld wordt afgesneden. Het uiteinde van de pit wordt hard en bros, wanneer de vlam eenmaal gebrand heeft. Die pit is gauw beschadigd en een te ruw behandelde pit kan de vlam van de geest niet of niet voldoende meer dragen.
Snuiten mag natuurlijk wel. Maar behandel de kaarsen met eerbied!

In de adventstijd – de vier weken tot Kerstmis – is het ook een goede gewoonte geworden om een “Kerststalletje” te maken. De kinderen zijn er dol op, maar oorspronkelijk was het een activiteit voor volwassenen. Volgens oude overleveringen zou Franciscus van Assisi de eerste kerststal hebben gemaakt, zo omstreeks het begin van de 13e eeuw. Sindsdien zijn er in Italië en daarna ook in Midden-Europese landen vele van deze kerststallen gemaakt. De beroemdste waren uit Napels. Vele kunstenaars werkten mee aan de figuren van de kerststal. Die vonden zich niet te min om een vette os of een slanke Maria te boetseren voor zo’n stal.

Wie zelf aan het werk gaat om met lapjes, was, klei of plasticine een kerststal te creëren,  zal er veel plezier aan beleven. Kinderen kunnen er niet genoeg van krijgen. Het gaat fijn, al moet men zorgen, dat er in één groep geen twintig Maria’s en één kameel ontstaan.

Een rolverdeling is dan ook geen luxe. Als centrale figuren komen natuurlijk in de eerste plaats Jozef en Maria in aanmerking. Maria met een wikkelkindje in de arm staande of zittend bij een in elkaar geflanst kribje, met een vlokje wol erin. Jozef mag steunen op een dun twijgje als staf.
Het kindje kan beter een “rolletje” met een kopje zijn, dan zo’n bloot spartelend arm- en beenspektakel, wat bovendien razend lastig te boetseren is. Ook in het stalletje is eenvoud het kenmerk van het ware.
Dan komen de befaamde Os en ezel. Zo’n os is niet zo moeilijk te boetseren wanneer hij ligt. Toch blijft het voor veel kinderen een vraagstuk of de horens nu onder de oren moeten zitten of andersom. Nu, de oren hangen een beetje en wel uit de wangpartij achter het oog. De horens steken op naar boven en zijn ingeplant op het bovenste deel van de schedel.

De ezel is moeilijker. Die heeft een dik buikje, maar dunne, elegante pootjes met kleine hoefjes. Ach, hoe vaak zijn ezels­oren afgebroken! En er valt niet veel te lijmen aan kleiwerk.
Zo’n stal die zich geleidelijk vult, ten slotte met drie herders en vele, vele schapen, dat is gezellig; en dan wat kleine waxinelichtjes eromheen.

Voor kleine kinderen is niet boetseerklei, maar gekleurde bijenwas ideaal. Want pootjes, oortjes, horentjes blijven heel in was. Het is een wonder om te zien, hoe kleintjes met hun roze garnalenvingertjes duidelijk herkenbare, minuscule figuurtjes uit de bijenwas peuteren. Wat een vreugde, wanneer de stal is gelukt!
Bij de kersttijd horen ook mooie Verhalen, waarvan het grootste deel is geïnspireerd door het eenvoudige geboorte­verhaal uit het Lukasevangelie.
Ook nieuwere kerstverhalen mogen best traditioneel zijn geworden. Grote schrijvers hebben er hun krachten op beproefd. Het is niet eenvoudig om zowel bij het schrijven als het ver­tellen de klippen van de sentimentaliteit te omzeilen.

Een van de mooiste kerstvertellingen is afkomstig uit “Merry Old England”. Voor kleintjes niet zo geschikt, voor grote kinderen en volwassenen des te meer. Het verhaal is in wezen niet sentimenteel, wel ‘gevoelig’ hetgeen niet het­zelfde is. Een kerstverhaal mag waarachtig wel gevoelig zijn. Dat mag best. Velen kennen het bedoelde verhaal; ‘A Christmas carol’ van Charles Dickens. Een oude, hardvochtige vrek, Scrooge, vindt Kerstmis “onzin”. Hij krijgt echter bezoek van de geest van zijn overleden compagnon, die hem, voor zijn bestwil, aankondigt, dat hij drie geestverschijningen zal ontmoeten: de geesten van Kerstmis in Verleden, Heden en Toekomst. Door de ontmoeting met deze geesten die hem ware beelden tonen uit de realiteit van Verleden, Heden en Toekomst, komt Scrooge tot inkeer. Hij weet zijn negatieve houding ten opzichte van mens en wereld om te zetten in een positieve. Daardoor gaat hij heel anders handelen. Het verhaal maakt een diepe indruk, ook op de volwassene, niet in het minst door de meesterlijke beschrijving van een stukje burgermaatschappij in de vorige eeuw, de kostelijke humor en de diepe menselijkheid van de verteller.

De T.V. heeft zich onlangs van dit verhaal meester gemaakt. Niet onverdienstelijk op zichzelf, maar veel te snel voor kinderen; -T.V. is tenslotte niet pedagogisch, omdat er commercie in het spel is, die géén tijd heeft. Commercie is nooit peda­gogisch tot in het Departement van Onderwijs toe.

Neem voor uw kerstviering met kinderen ruim de tijd.
En komt u vooral bij onze Kerstspelen kijken, want daarvoor
nemen wij ook alle tijd.

Overigens wensen wij u namens de redactie een héél goede kersttijd toe voor u en de kinderen.

Mitsgaders een Voorspoedig Nieuwjaar

(P.C.Veltman, nadere gegevens onbekend)

.

Kerstmis: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

kerstspelen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:  advent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

384-362

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (11)

.

RECEPTEN

Als het bijna Kerstfeest is, is het leuk om alvast met de kinderen wat te bakken: |
een tulband of koekjes,  bIJv. met behulp van vormpjes (sterren, boompjes, hartjes of ze zelf moie vormen laten maken. Ze kunnen dan weer versierd worden met nootjes of rozijnen of na het bakken met gekleurd glazuur

[5] anijskoekjes;   [1] borstplaat;  [8] borstplaat  [15] havermoutvlokkenmakronen [11] honingbrood   [10] Jan-in-de-zak  [14]kaneelsterren  [4] kruidkoek [2] kwarkdessert [13] pepperkakehus (Zweeds)  [3] peperkoekjes (Zweeds)  [6] stol
[7] ster: Lebkuchen  [12] volkorenkoek;

dranken:
[17] anijsmelk  [9] Glühwein  [16] warme wijn

1)borstplaat
250 gram suiker met 6 eetlepels water of melk op een lage vlam aan de kook brengen, zodat de suiker goed oplost, ongeveer 10 minuten zachtjes laten pruttelen. Halverwege er een scheutje room bij doen, roerend wat laten afkoelen en in de vorm gieten.

Hierbij kun je ook verschillende smaken maken,
bijv. 1 eetlepel water of melk vervangen door 1 lepel gemberstroop
of in plaats van water of melk koffie gebruiken.
Ook een beetje cacao erdoor is lekker en geeft een mooie kleur.
Allemaal heel zoet natuurlijk, maar wel lekker.

En dan is het eindelijk kerstavond en wordt de kerstboom versierd met allerlei mooie (zelfgemaakte) dingen, spannend om alles van het vorige jaar weer tevoorschijn te halen en weer te herkennen.

Een gedichtje van Rie Cramer:

Wij hebben een kerstboom,
wij hebben een boom
en wij mochten helpen versieren.
We hebben de zilveren sterren geplakt,
en slingers van gouden papieren.
We hebben appels en noten verguld
en dennenappels bij vrachten.
Vanavond steekt moeder de kaarsjes aan,
vanavond mogen wij binnen gaan,
ik kan haast zolang niet wachten!

Iedereen veel plezier en een heel goede kerstvakantie toegewenst!

(Bep Kroeze, nadere gegevens onbekend)

.

2)kwarkdessert
3 bakjes kwark a 250 gram,
3 eieren, 1 ci­troen (sap en schil),
6 ruime eetlepels suiker,
1 eetlepel orangeade,
1 eetlepel sukade,
1 eetlepel rozijnen,
een half kopje melk,
6 blad gelatine,
1/8 liter slagroom.

Gelatine meteen in ruim koud water — ieder blad apart erin — weken. Kwark, eigeel, citroen­sap en geraspte schil met een derde van de suiker krachtig roeren tot een homogeen ge­heel, daarna nog enkele minuten kloppen met de garde.

Gedroogde vruchten toevoegen.
Eiwit met de ene, slagroom met de andere helft van de resterende suiker stijfkloppen.
Melk goed heet laten worden, niet koken.
Pannetje van het vuur nemen en blad voor blad de gelatine uit het koude water halen, uitknijpen en onder voortdurend roeren in de melk laten glijden en oplossen.
Aan het einde van deze ceremonie zal de melk al behoorlijk zijn afgekoeld. Aan de an­dere kant lost gelatine alleen op in hete vloeistof — dus moet men nog even wachten alvorens het door de kwark te roeren.
Daarna het eiwit en als laatste de slagroom erdoorheen werken.
In kleine vormpjes doen en koud wegzetten.
Reken maar liefst 10 uur in de koelkast!

Deze lekkernij smaakt ook heerlijk zonder slagroom, dat is natuurlijk beter voor de lijn, vooral als je het geregeld serveert.
Als de slagroom verstek laat gaan, de suiker meteen in het begin gebruiken.
Erg droge kwark met een kopje yoghurt aanlengen.

(Katja Lobbe, Jonas 8/9/, 19-12-1975)

.

3)Zweedse peperkoekjes  ca. 125 stuks
150 gram bruine basterdsuiker
1 ½ dl. stroop
½ theel. gemberpoeder
½ theel. kaneel
½ theel. kruidnagelen
150 gram boter
1  ei
2  theel. bakpoeder
650 gram bloem

Breng suiker, stroop en kruiden aan de kook.
Voeg bakpoeder toe en doe het mengsel over in een schaal over de boter.
Roer daarin tot de boter smelt.
Meng dan het ei en het meel erdoor.
Kneed het deeg daarna op het aanrecht.
Rol het uit met een deegrol en maak koekjes in ronde vorm.

Leg ze op goed beboterde bakplaten en bak ze gaar in een middelmatig (225º) warme oven.

(bron onbekend)
.

4)kerstkruidkoek
250 gr boter
250 gr suiker
250 gr rozijnen
250 gr  krenten
120 gr citroensnippers
120 gr sinaasappelsnippers
500 gr meel

beetje kaneel, nootmuskaat, kardamon, 1 pakje bakpoeder, 4 eieren, 1/8 l melk

Boter en suiker schuimig roeren,
eieren toevoegen,
dan de vruchten,
ten slotte het gezeefde meel met de bakpoeder.

Het deeg ca. 5 mm dik op het bakblik uitrollen.
Bij 200 gr 40 à 60 minuten bakken.
Nog warm met sinaaaappelglazuur bestrijken en in stukken snijden
.

(bron onbekend)
.

5)Anijskoekjes       (voor kleine kinderen).
3 eieren
200 gr aardappelmeel
200 gr suiker
1 pakje vanillesuiker
250 gr meel
1 lepel anijs (gemalen anijszaad), ei en suiker schuimig roeren, dan meel met vanillesuiker en anijs, doormengen tot het een zeer stevig deeg is.
Vormen uitsteken en bakken bij matige hitte.
.

(bron onbekend)
.

6) bakerkindje om op te eten
Terwijl ik naar de kale boomtoppen en de grijze lucht kijk, denk ik aan het baksel van Duitse origine, dat beneden in de berging ligt te wachten, om op kerstavond bij een kop koffie ‘aangesneden’ te worden:
de echte Dresdner Christstollen.

Laat mij meteen een misverstand opruimen: De ‘echte’ is geen krentenbrood en dient dus beslist niet met boter te worden besmeerd. Alles wat hij nodig heeft aan vet zit in zijn deeg verwerkt — zuivere roomboter en (zeer) veel gemalen amandelen. De echte stolle is derhalve heel erg zwaar en marsepeinachtig (in zijn geheel, niet alleen als er spijs in zit als concessie aan een buitenlandse gewoon­te). Zonder een sterk bakje koffie is hij nau­welijks te nuttigen.

‘Dresdner Christstollen’ is een van de oudste aan ons bekende baksels. De naam is ont­staan uit het oud-Hoogduitse woord ‘stollo’, dat betekent onder meer stijl en stal en is een heilig symbool voor het bakerkindje in de krib van Bethlehem.
Omstreeks 1300 heeft men voor het eerst stollen gebakken in Saksen, dat toen al be­kend stond om zijn exquisiete keuken.

Het waren vooral Saksische fijnproevers — vorsten en geestelijken voorop — aan wie de uitvinding te danken is.
Door de eeuwen heen is de stolle geraffi­neerder geworden. De internationaal be­faamde naam is te danken aan bakker Jeremias Kreutzkamm. Zijn beroemde ‘Konditorei-café’ aan de oude Markt in Dresden was al in 1825 een rendez-vous plaats van kunste­naars en vooraanstaande burgers. Bakker Kreutzkamm was hofleverancier van de ko­ning van Saksen en Polen, die met Kerstmis een sympatieke gewoonte toepaste: Hij liet aan vrienden en trouwe ambtenaren een ech­te Dresdner Kreutzkammstolle overhandigen.
Ik zou u graag nog een heleboel willen vertel­len over knusse oude tradities in Saksen, waar ik als kind bij mijn grootmama in Dresden de zalige sfeer proefde.
Zo’n ‘bakerkind­je’ moet een bepaalde tijd rusten, totdat de heerlijke ingrediënten zich volop kunnen ontplooien. Van te voren even snoepen is er beslist niet bij. Geen kind, dat dit in zijn hoofd zou hebben gehaald. Na de mis, onder het beieren van de klokken, liepen de fami­lies door de besneeuwde kerstnacht naar huis. En als later de geur van de versgezette koffie door de kamer zweefde en zich meng­de met het aroma van de bijenwaskaarsen aan de kerstboom, pas dan mocht de eerste plak van de reuzenstol gesneden worden. Dit deed traditiegetrouw de heer des huizes. Een echte stolle moet in Saksen namelijk 8 pond wegen! Er zijn speciale snijplanken van helder ahornhout met een kribvormig onder­stel, daar ligt het op, het bakerkindje. Als u er ooit een proeft, geniet dan met kleine hapjes, zodat de subtiele smaak ten volle tot zijn recht komt.

Ieder met enige bakervaring kan met dit re­cept van een echte Duitse stol, een behoor­lijk resultaat op tafel brengen.

1000 gr bloem,
100 gr zoete amandelen,
50 gr bittere amandelen,
100 gr fijn gesne­den sukade,
500 gr boter,
200 gr suiker,
500 gr rozijnen (goud-geel van kleur),
de ge­raspte schil en het sap van een citroen,
gist of bakpoeder.

Bij gebruik van gist wordt 3 dl melk toege­voegd, bij bakpoeder minder melk gebrui­ken.
Vorm van deze ingrediënten een stevig deeg en zet de stol op een ingevet bakblik in een goed voorverwarmde oven.
Baktijd en ovenstand als bij zwaar cakedeeg.
Om te bestrijken en bestrooien: Een pond roomboter smelten en met zachte kwast op de korst strijken, ca 100 gr witte suiker er over strooien, daarna bestuiven met poeder­suiker.
.

(Katja Lobbe, Jonas 7, 5-12-1975)
.

7) Lebkuchensterren
125 gram honing
150 gram suiker
20 gram boter
1 klein ei

samen tot een schuimige massa roeren.

Dan 1 voor 1 de volgende ingre­diënten erbij doen, roerend:

20 gram gemalen hazelnoten
20 gram lebkuchen (of koek) kruiden
mespunt nootmuskaat
¾ deciliter koffie
20 gram cacao
10 gram hertshoornzout*(Duits)
of 2 flinke theelepels bakpoeder
400 gram meel

*het hertshoornzout moet in de koffie worden opge­lost. Het gaat pas werken bij verhitting;
Bakpoeder begint al te werken als het nat wordt.
Als het deeg klaar is moet het een paar uur rusten. Dan uitrollen tot ongeveer een halve cm en er koeken uitsteken in alle mogelijke vormen.
Ongeveer 20 minuten bakken in een hete oven,  200º.
Daarna ze of, als ze nog warm zijn, bestrijken met citroenglazuur, of als ze afgekoeld zijn, met cho­colade glazuur.

citroenglazuur –
100 gram poedersuiker zonder klontjes roeren met 1 eetlepel citroensap en 1 eetlepel hete melk of water.
De citroen kan ver­vangen worden door ander vocht!
Gedurende 5 minuten flink roeren.
Als je de koeken echt dekkend wilt glazuren moet je het wat dikker laten, anders iets verdunnen en dan krijg je een doorschijnend laagje.

Op de koude koeken kan

chocolade glazuur –
100 gram poedersuiker met 3 eetlepels hete melk roeren.
Intussen 100 gram chocola boven een pan heet water smelten samen met een klein klontje boter.
Dit mengen met de suikermassa.
Over de koeken strijken en hard laten worden.
Eventueel kan je er taartversiersel in drukken, bv. zilveren balletjes.

Andere mogelijkheid is om ze te versieren met eiwitglazuur.

Eiwitglazuur:
klop 1 eiwit stijf en roer daar zo­veel poedersuiker door tot het nog maar heel traag van de lepel afloopt.
Nu kan je er figuren mee spuiten.
Ook kan je er alle mogelijke versiersels mee opplakken.
Het wordt heel hard.

Lebkuchen moeten een tijdje liggen; daar worden  ze lekkerder van.  Ze worden wel zacht(er) maar niet oudbakken. Daarom zijn ze zo geschikt om er versierde koeken mee te maken!

Kerstboompjes:
een aantal sterren van verschillen­de grootte op elkaar plakken met eiwitglazuur. Laat ze daarbij iets verspringen en zet de grootste onder en de kleinste boven.  Zo ontstaat de vorm van een sparrenboom. Eventueel met wat poedersui­ker bestrooien.
.

(bron onbekend)
.

8) kerstkransjes
150 gram bloem
100 gram boter .
75 gram basterdsuiker
1  mespunt zout
1  ei
100 gram amandelen
1 eetlepel suiker

Breek het ei in een kopje,
klop het los met een vork en doe de helft in een deegkom
Doe de bloem, de boter, de basterdsuiker en het zout erbij.
Snij met twee messen de boter in kleine stukjes en kneed daarna met één hand alles door elkaar tot een bal (niet te lang kneden)
Leg de amandelen een paar minuten in kokend water en pel de bruine velletjes eraf.
Snij de amandelen in dunne flinter­tjes

Strooi wat bloem op een droog aanrecht en rol het deeg tot een overal even dikke plak, ongeveer zo dik als een gulden.
Steek met een koekjesring of een omgekeerd glas rondjes uit het deeg en maak daarna met een appelboor of dop van een fles in het midden van de koekjes een gat.
Maak van de deegresten een nieuwe plak en snij daar nog meer kransjes uit.
Bestrijk de kransjes met het losgeklopte ei en bestrooi ze met de gesnipperde amandelen en de suiker.
Leg de kransjes op een beboterd bakblik dat je in het midden van een niet te hete oven schuift.
Bak de kransjes in onge­veer 1  kwartier bruin.

9) Glühwein
1 fles rode tafelwijn
1 fles water
1 kleine citroen of 2 sinaasappels
5-6 kruidnagels
stukje pijpkaneel
ca. 150 gr. suiker

Was de citroen of de sinaasappels schoon en steek er de kruidnagels in.
Wijn en water met de suiker en de citroen of sinaasappels en de pijpkaneel in een gesloten pan tegen de kook aan brengen en 2 uurtjes laten trekken.
.

10) Jan-in-de-zak
300 gr. bloem
150 gr. krenten,
rozijnen en
sukade
1 ei
20 gr. gist
2 dl. lauwe melk
½ theelepel zout
1 linnen zak

Doe de bloem in een kom.
Voeg ei en melk toe tot een beslag.
Vervolgens de krenten, rozijnen en sukade, het zout en de met lauwe melk aangemaakte gist.
Laat het beslag 3 kwartier rijzen op een lauwwarme plek.
Spoel de linnen zak met lauw water en bestrooi hem van binnen met bloem. Vorm een brood van het deeg en doe dit in de zak.
Bind de zak zo dicht dat het deeg nog verder kan rijzen.
Kook de pudding gedurende ca. 2 uur in een pan met kokend water.
Plaats een diep bord omgekeerd op de bodem van de pan, zodat de zak niet aan de bodem van de pan gaat kleven.
De pudding is gaar als een breinaald er droog uitkomt.
Laat de pudding zonder zak opdrogen en geef er stroop, boter en basterdsuiker bij.

11)honingbrood
1 kop melk
1 kop honing
¼ kop zachte boter
2 geklopte eieren
2½ kop volkoren meel of half wit, half volkoren
1 theelepel zout
1 eetlepel bakpoeder
½ kop walnoten

Voeg melk en honing samen. Roer het boven de vlam tot een mengsel. Klop boter, eieren , bloem, zout en bakpoeder erdoor tot alles goed vermengd is. Vouw de noten in. Doe het in een ingevette broodvorm. Bak het één uur bij 160º; laat het 15 min. in de vorm afkoelen. Snij het pas als het koud is.

12)volkorenkoek
150 gr boter
150 gr rietsuiker
rasp en schil van een halve citroen
2 eieren
250 gr tarwemeel
3 theelepels bakpapier
snufje zout
1 dl melk
150 gr rozijnen
De eerste drie ingrediënten losroeren, de eieren erdoor kloppen en daarna het meel met bakpoeder en zout. Dan de melk. Rozijnen er doorheen en alles in een beboterde boterkoekvorm. Gaar bakken (als er niets aan de breinaald blijft plakken) in 30 à 40 minuten bij 200 in een voorverwarmde oven

13) We maken een “pepperkakehus”

In de Scandinavische landen is het een goede gewoonte om voor Kerstmis een huisje of kerkje van een soort speculaasdeeg te maken. Misschien ook eens een idee voor ons ? We proberen het – het geeft veel plezier en we komen helemaal in kerststemming.

We bedenken eerst wat voor huisje we gaan “bakken”, een eenvoudig vierkant huisje met schuin dak en schoorsteen of een ingewikkelde kerk.

Voor de eerste keer het huisje maar! We kunnen er een papiermodel van maken, de delen uitknippen – een soort bakpatroon dus.

Eerst het deeg. Niet helemaal ons speculaasdeeg, voor het huisje moet het harder zijn, het moet goed uit te rollen zijn, en te eten !

We hebben nodig:
3 dl suiker,
2 dl stroop,
125 gr margarine,
1 eetlepel kaneel,
1 eetlepel gemberpoeder,
1 theelepel kruidnagelpoeder (of speculaaskruiden)
½ eetlepel bicarbonaat (dubbele koolzuresoda),
3 dl water
17 dl meel – wit

1.Suiker en stroop gaan in een grote pan op het vuur, zacht pitje, en roeren totdat de suiker is opgelost – ongeveer 10-15 min. Het mengsel wordt nu dunner.

2.Kruiden en bicarbonaat in een kom mengen.

3.De margarine in de pan erbij totdat het smelt – daarna de kruiden en ten slotte het koude water. Vuur uit. Roeren totdat het afgekoeld is.

4. Nu het meel er beetje bij beetje door kneden. Als het deeg goed kneedbaar wordt, uit de pan halen en op de aanrecht of tafel verder kneden.

5.Het deeg uitrollen tot ongeveer 4 mm dik. De papieren patroondelen erop leggen en uitsnijden. Op de bakplaat leggen. Tussen de huisdelen wel ruimte laten voor het eventueel toch wat uitlopen van de koekdelen.

Kleine stukken samen op een plaat, baktijd ca 5 min.

Grote stukken samen, baktijd ca 9 min.

Ovenstand op 225°.

Zijn de delen toch wat rafelig uitgelopen, dan bijsnijden als het nog warm is.

Nu af laten koelen.

Om het huis in elkaar te zetten smelten we suiker in een pannetje op een plaatje op een zacht pitje. Het moet vloeibaar worden en warm gehouden worden, anders wordt het hard.

Dan de huisdelen aan elkaar “lijmen” met de vloeibare suiker. Gebruik een mes hiervoor, en pas op de vingers. Houdt de stukken vast totdat de suiker hard geworden is.

Als ondergrond kunnen we ook een groot stuk koek gebruiken.

Als alles er op en er aan zit, kan ons huis versierd worden.

We kunnen er ramen en deuren op “tekenen” met een mengseltje van eitwit met poedersuiker of water met poedersuiker (een heel klein beetje water voor heel veel poedersuiker). Poedersuiker eroverheen strooien als sneeuw staat heel echt.

Hebben we nog deeg over dan kunnen we bomen om ons huis maken of zomaar figuren die we versieren en ophangen aan een rood lint aan de kerstboom of voor het raam.

Ons “pepperkakehus” krijgt een plaats op de kersttafel, een kaarsje erbij en wij kunnen Kerstmis vieren. Veel succes !|.

Gonnie Kok, nadere gegevens ontbreken
.

14)kaneelsterren
9 eiwitten
500 gr. poedersuiker
sap van 1 citroen
500 gr. gemalen amandelen
125 gr. suiker om uit te rollen

Eiwitten tot stevige sneeuw slaan, de suiker ermee vermengen. Van deze massa ca. 10 eetlepels afnemen. In de rest van de sneeuw de andere ingrediënten doen en 20 min. laten rusten.
Van de massa steeds kleine delen op besuikerd blad 1 cm. dik uitrollen, sterren uitsteken op bakblik overbrengen dat goed ingevet en met meel is bestrooid. Twee uur goed laten drogen, dan de resterende eiwitmassa in een spuitzak doen mét een klein gat en dun op de sterren spuiten.
20 min. bakken bij 180°C.
.
15)havermoutvlokkenmakronen
 350 gr. havermoutvlokken
250 gr. suiker
3 eieren
50 gr. boter
1/16 l. melk
1 pakje bakpoeder
sap van 1 sinaasappel en 1 citroen
50 gr. citroensnippers
ronde ouwel
Suiker en eieren schuimig roeren,
boter en andere ingrediënten toevoegen,
dan beetje bij beetje de havermoutvlokken.
De massa met een koffielepel op kleine ronde, stukjes ouwel verdelen en bij 180 C. ca. 20 min. bakken.
.
 16)warme wijn
1 fles rode wijn
1 fles water
1 citroen
enige kruidnagelen
een stukje pijpkaneel
ca. 75 gr. suiker
De wijn met 1 fles water verdunnen. De kruidnagelen in de citroen steken en deze met de pijpkaneel een half uur of langer in de wijn laten trekken.
Zorgen dat de wijn niet kookt. De kruiden uit de wijn nemen en deze afmaken met suiker.
.
17)anijsmelk
1 liter melk
2 lepels anijszaad
40 gr. suiker
De melk aan de kook brengen. het zaad in een gaasje binden en in de melk laten aftrekken, een half uur of langer. Het aftreksel zo nodig zeven en de suiker er doorroeren
.
 Kerstmis: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Kerstmis    jaartafel

 383-361

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis ( 10)

.

DE BIJENSTAAT EN HET KERSTGEBEUREN

In de insectenwereld nemen de zoge­naamd sociaal levende insecten (bijen, hommels, wespen, mieren en termie­ten) als groep een heel bijzondere plaats in.

Elk individu vormt een deel van een samenlevingsvorm, die slechts als geheel kan bestaan. Binnen deze groep nemen de bijen wel een héél bijzondere plaats in. Hun samenleving is strikt gebonden aan een streng wetmatige drieledig­heid: een koningin, duizenden werk­sters (50 – 60.000) en enkele honderden darren.

Het bijenvolk, zoals wij het heden ten dage kennen, is de vrucht van eeuwen lange domesticering. De bijenteelt werd al 5000 jaar geleden door de Egyptenaren beoefend. Gedurende de middel­eeuwen stond zij in hoog aanzien in West-Europa.

Immers, honing was het enige zoetmiddel. Zowel de kerkelijke als de wereld­lijke heren hadden altijd meerdere im­kers in dienst, om kerkruimten en burchtzalen van kaarsen te voorzien. Heden ten dage is de imkerij als beroep nagenoeg verdwenen, maar de interesse in deze boeiende samenleving zeker niet.

Volgen we dit wonderbaarlijke bijenorganisme in zijn activiteiten door de vier jaargetijden heen, dan zien we in het vroege voorjaar, wanneer de lente de eerste lover en bloemenpracht tot ontwikkeling laat komen, een grote bedrijvigheid voor een kast of korf. De bijen zijn met hun reinigingsvlucht be­zig en brengen al de eerste stuifmeelkorrels (bijvoorbeeld van wilg, krokus) en wat nectar naar hun woning. De koningin begint, na haar winterrustperiode weer aan de vernieuwing en op­bouw van haar volk, bijgestaan door de werksters die haar de winter door trouw gebleven zijn. Eitje voor eitje wordt in de zeshoekige cellen gedepo­neerd en bij een temperatuur van 35° C opgekweekt. Na 21 dagen lopen de nieuwe werksters uit en zullen de oude gaan vervangen, die nu hun taak volbracht hebben en sterven.
Langzaam neemt de grootte, en daar­mee ook de activiteit van het volk toe. Tussen de werksters die zich vlijtig over hun raten bewegen, neemt men hier en daar ook darren waar. Deze on­beholpen, bedelende, dikke nietsnut­ten krijgen aan het begin van de zomer hun enige taak toegewezen: ze be­vruchten de jonge koninginnen, die elk voorjaar door het volk worden ge­kweekt ter vervanging van de oude. Deze oude koningin vliegt met een deel van het volk weg en zoekt een andere woning.

De nieuwe koningin zet het werk van de oude voort. Ze legt in het
hoogsei­zoen gemiddeld 2000 eieren per dag. Vlijtig vliegen de werksters in de zo­mermaanden op de zogenaamde drachtplanten en verzamelen de nectar en het stuifmeel voor broedsel en eigen ge­bruik. Gedurende deze tijd wordt te­vens een wintervoorraad aangelegd. Deze bestaat uit honing, die in een ein­deloos proces uit nectar  en kliersecreet bereid wordt.

Langzaam worden de dagen korter en koeler. De eerste najaarsstormen hui­len over de bijenbehuizing en het volk trekt zich uit de periferie (buitenwe­reld) in het centrum (behuizing) terug. De koningin legt nu bijna geen eitjes meer en het broednest verdwijnt. De darren, die hun taak gedurende de zo­mermaanden volbracht hebben wor­den nu onverbiddelijk uit het volk ge­stoten en sterven voor de kast. De eerste sneeuw daalt op aarde neer en bedekt alles met een glinsterend wit kleed. Dicht opeengedrongen, zacht pulserend gaat het bijenvolk de winter in.

Aanschouwen we het beeld van dit or­ganisme binnen de wanden van de be­huizing, dan valt het op dat de konin­gin altijd omgeven is door een aantal werksters, die haar gedienstig zijn. Het aantal is in het mooiste geval twaalf, nooit meer.

In de bedrijvige zomermaanden, wan­neer de koningin over de raten loopt, is deze hofhouding ongeordend om haar heen gegroepeerd. In het najaar neemt de activiteit van het hele bijen­organisme langzaam af en komt aan het begin van de winter tot rust. Was rond de Johannestijd het volk als totaliteit in een open, ontvangend gebaar naar de buitenwereld toe gericht, nu tegen de herfsttijd is het gebaar omhullend, van de buitenwereld afgekeerd. In het centrum van deze ronde vorm bevindt zich de koningin, die nu een regelmati­ge twaalfstralige ster van werksters om zich heen heeft staan. Het gevaar van naar buiten gericht leven in de zomer en naar binnen gekeerde rust in de winter, krijgt bij het waarnemen van dit stervormige beeld opeens meer inhoud. Men beleeft bij zichzelf niet al­leen deze zelfde beweging, maar wordt tevens bij het aanschouwen van deze twaalfstralige ster op een innerlijke houding gewezen: namelijk een hou­ding van naar binnen gekeerde rust. Een rust die nodig is om een inwen­dige ster, ontstaan door een uitwendig liefdevol benaderen van de wereld gedurende de lente-, zomer- en herfstmaanden, als een inwendige kracht in zichzelf te laten rijpen.

kerst bijen

(Gerard Copijn, Jonas 8/9, 15-12-1978)

.

Kerst: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: Kerstmis     jaartafel

.

382-360

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (9)

.

HET KERSTFEEST

Wat is het kerstfeest eigenlijk voor een feest? Is het een feest van herdenking? Een feest, waarbij wij willen terug­denken aan een gebeurtenis die bijna 2000 jaar geleden heeft plaatsgevonden en die vele mensen zo belangrijk vinden, dat zij hem graag  ieder jaar opnieuw in hun herinnering terugroepen om hem in eerbied, vreugde en dankbaarheid te gedenken? Natuurlijk is het kerstfeest eigenlijk het feest aller feesten, omdat er bovendien bij ieder mens die dat zou willen zoeken, iets gebeuren kan omdat er in hem zich iets voltrekken kan, waardoor hij niet meer helemaal dezelfde is die hij tevoren was, maar rijker is geworden?

In het Paradijsspel zien wij Adam staan tegenover God-vader. Hij beleeft de wereld van het goddelijke buiten zich, maar is er tegelijk zo in thuis, dat hij met God-vader kan spreken. En zo kan hij ook de goddelijke wil vernemen.

Maar dan komt de verdrijving uit het Paradijs en daardoor is Adam en met hem de mensheid, niet meer thuis in de wereld van God-vader en heeft hij de mogelijkheid om met God te spreken, verloren.

Alle voor-christelijke volkeren hebben de goddelijke wereld buiten zich beleefd, in de wonderen van de schepping en van de natuur. Zij beleefden het goddelijke in de sterrenhemel, in de afzonderlijke sterrenbeelden, de tekenen van de dierenriem of de planeten. Anderen beleefden het in de elementen: het water, de lucht, het vuur of de aarde. Weer anderen in de bossen of in de zee, in de meren of op de bergen. Of ook wel in bepaalde dieren of in bomen of planten.

Maar hoe groot die verscheidenheid ook geweest moge zijn, steeds was het in de wereld buiten hen, dat zij de ontmoeting met de goddelijke wereld zochten te vinden. En steeds ook beleefden zij in de loop der eeuwen, dat het moeilijker en moeilijker werd die goddelijke wereld te vinden en vandaaruit de stem te vernemen, die aan de mensen op aarde de goddelijke wil en de goddelijke leiding kon openbaren. Het was zeker niet zo, dat alle mensen de goddelijke stem konden horen. En op de duur waren het slechts weinigen, en hun aantal werd steeds kleiner in de loop van de eeuwen, die de goddelijke wil aan de mensen door konden geven. En deze koningen, pilas­ters of profeten hadden een langdurige en veelomvattende scholing doorgemaakt, voordat het hun mogelijk gemaakt was de stem uit de goddelijke wereld te vernemen.
En zo beleefden al deze volkeren steeds sterker, en bij ieder van hen heeft dat op hun wijze zijn neerslag gevonden in hun mythen, dat de wereld van de goden zich meer en meer van de mensen terugtrok, zich voor hen afsloot en ontoegankelijk dreigde te worden; dat ‘Adam uit het paradijs verdreven was’‘.
Deze ‘Götterämmerung’ moest hen op de duur met angst en wanhoop vervullen. Maar al deze volkeren beleefden ook, ieder van hen weer op hun wijze, dat er voor een verre, maar toch langzaam naderbij komende toekomst een straal van hoop verkondigd werd.

Dit was de alomvattende verwachting, dat eens de Messias zou komen, als wij ons willen uitdrukken in de vorm, waarin deze toekomstbelofte bij het Joodse volk leefde. Maar daar dus niet alleen, ook bij alle voor-christelijke volkeren.
De ver­wachting dat, nadat de mensheid zijn verbinding met de god­delijke wereld steeds meer verloren had zien gaan, er een goddelijk wezen zou zijn, dat door zijn onmetelijke offerkracht de goddelijke wereld naar de mensen toe zou brengen. Daardoor zou de onverbiddellijk voortgaande ontwikkeling, die tenslotte tot het totaal verloren gaan van iedere ver­binding van de mensen met de goddelijke wereld zou leiden, omgebogen kunnen worden, waardoor aan de mensheid een nieuw toekomstperspectief geschonken zou zijn.

Deze “komst van de Messias” nu voltrok zich aan het begin van onze jaartelling. Het is de ver boven alle andere historische feiten uitstekende, alles beheersende gebeurtenis die het eenmalige middelpunt van de mensheidsgeschiedenis als geheel vormt. Het is eigenlijk een reeks van gebeur­tenissen, die staan als mijlpalen langs de weg van een onbeschrijfelijk groots proces: de geboorte van Jezus van Nazareth, de doop in de Jordaan, de kruisiging op Golgotha, de Opstanding op de morgen van het Paasfeest, de Hemelvaart en het Pinkstergebeuren, om de voornaamste ervan te noemen. Maar de geboorte van het Jezuskind in Bethlehem is de eerste daarvan; het teken, dat dat proces zijn aanvang heeft genomen en zich voltrekken zal; het teken, dat de verwachting veler volkeren nu begonnen is in vervulling te gaan.

Wijze mensen wisten dit ook. Mensen als de heilige Drie Koningen uit het Morgenland; maar ook de oude wijze herder uit het kerstspel, die het zo uitspreekt:

Hij quam hier op ter aerden erm
opdat hij onser hem ontferm
en maek’ ons in sijnen hemelrijck
even selfs d’enghelen gelijck.

Nu de mogelijkheid van een weg uit de diepte omhoog hierdoor voor de mensheid geschapen was, betekent dit niet, dat eens een toestand, zoals die in het Paradijs bestond, weer terug zal keren. Ten koste van de verjaging uit het Paradijs had de mens zich een vrijheid verworven en deze vrijheid moet behouden blijven. Niet meer zal de mens de goddelijke wereld buiten zich kunnen ontmoeten. Het offer van het hoge Christuswezen, dat om de mensheid te redden als goddelijk wezen in vrijheid het mensenlot van de dood heeft willen ondergaan, bracht tot stand dat ieder mens, wanneer hij dat wil en deze wil tot een daad wil maken, de Christus kan ontmoeten binnen in zich, in zijn eigen hart. Daarmee is de ontmoeting van de mens met de goddelijke wereld een fundamenteel andere geworden. En men hoeft geen christen in de gangbare betekenis van het woord te zijn om dit te mogen beleven.

De buitengewone betekenis van het kerstfeest is nu, dat deze heilige feesttijd meer dan welke andere dag of tijd van het jaar het voor de mensen mogelijk maakt de kiem voor deze ontmoeting met de Christus te ontvangen. Men kan in alle realiteit zeggen, dat in de kersttijd het Chistuskind elk jaar opnieuw geboren wil worden in de harten van al die mensen die het daar ontvangen willen. En zo kan het kerstfeest dus nog oneindig veel meer zijn dan een feest van herdenking.

Toen in een ver verleden, na de zondvloed, God met Noah en­ het Joodse volk zijn verbond sloot, schonk hij de mensheid ten teken daarvan het wonder van de aan de hemel verschijnende regenboog. Wanneer in een verre toekomst de mensheid de tocht omhoog, waartoe de mogelijkheid met het mysterie van Golgotha geschonken werd, misschien een groot eind weegs gegaan zal zijn, wat zal er dan, zo kan men zich vragen, langzamerhand met de kleurenboog gaan gebeuren?

Die zal dan ongetwijfeld, een andere vorm, een metamorfose gaan vinden. Wellicht kan men daar reeds nu met Kerstmis iets van beleven. Misschien kan men een herinnering aan de kleurenboog terugvinden in de glanzende ogen van de kleine kinderen. Zij immers kunnen het heilige kerstfeest, het feest van de geboorte van het Kind, nog zo in overgave en in werkelijkheid beleven, als het nu in onze tijd buiten hen nog aan vrijwel niemand mogelijk is.
.

(C.R.Klinkenberg, vrijeschool Den Haag, geen verdere gegevens)

.

Kerstmis: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

kerstspelen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:  advent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

381-359

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden

.

OVER DE KERSTSPELEN

Velen hebben de Kerstspelen in de afgelopen weken gezien.  In een vorig artikel trachtte ik iets over ontstaan en historie van kerstfeest en kerstspelen in het algemeen te schrijven. Dit keer wil ik het over de kerstspelen van Oberufer in het bijzonder hebben.

Rudolf Steiners leermeester in de Duitse taal- en letterkunde, professor Schröer, ontdekte deze spelen, gaf de tekst uit en schreef er een kostelijk boekje over. Schröer meende, dat hij iets zeer bijzonders ontdekt had. Sindsdien zijn er in Duitsland, Oostenrijk en Frankrijk zeer veel lekenspelen gevonden, veel meer dan Schröer er in zijn tijd kende. De literaire wetenschap heeft hem in het gelijk gesteld: de spelen van Oberufer zijn verreweg de mooiste!

Rudolf Steiners verdienste is zeker, dat hij deze Kerstspelen behoedde voor bij­zetting in de ijskast der filologische wetenschap. Ondanks bepaalde wijzigingen – waarover later – zijn het schilderachtige beeldkarakter en de natuurlijke eenvoud springlevend gebleven door de opvoeringen in vrijescholen.

In Schröers tijd werden de kerstspelen in Oberufer en omgeving opgevoerd vanaf de eerste adventszondag tot en met Driekoningen. Eerst werd het Kerstspel gespeeld, daarna het Paradijsspel en vervolgens een klucht. Het Kerstspel bestond uit drie gedeelten: Jozefs tocht met Maria naar Bethlehem en de blijde Geboorte, het Herderspel en het Drie Koningenspel.                                                    \

Schröer geeft een levendige beschrijving, hoe de spelerstroep onder aanvoering van de ‘meesterzanger’, die kerstboom en ster droeg, op de grote dag uit het huis van de leermeester (regisseur) te voorschijn kwam. Lang niet ieder jaar was het mogelijk de geschikte spelers te vinden, zodat de verwachtingen steeds hoog gespan­nen waren.

Er bestond een vaste volgorde en ook was er een vast aantal dubbelrollen. Zoals gezegd, werd een vrouwenrol door een boerenjongen gespeeld, aangezien vrouwspersonen niet op de planken mochten verschijnen.

Achter de meesterzanger liep de engel Gabriël, die in alle spelen optrad. Daarna kwamen Jozef en Maria, die ook de Eva speelde. Vervolgens verschenen de drie Koningen: voorop de rode Koning Melchior, die steeds ook voor God-Vader in het Paradijsspel speelde, dan de blauwe Balthasar, ten slotte Caspar, de
Morenkoning. Hij had een zwarte lap voor het gezicht, die snel verwijderd kon worden, wanneer hij voor Adam moest spelen. Dan volgde de zwartbaardige Koning Herodes, die ook de overspelige schoenlapper in de Carnavalsklucht moest voorstellen. Vervolgens kwam de duivel, geheel  in het zwart, met, horentjes en een staart.  In de hand hield hij een koehoorn, waarop hij lustig toeterde. Achter hem liepen de hogepriester en de schriftgeleerden. Vervolgens, kwam de hoofdman van Herodes. Deze moest een knappe kerel zijn, want in de klucht moest hij de even fraaie als ontrouwe kleermakersvrouw voorstellen. Maar hij had ook nog andere nevenfuncties. Volgens traditie moest hij de ster dragen en naar voren treden, wanneer de kerstspelers een concurrerende spelerstroep van een ander dorp ontmoetten, (men trok ook naar de naburige dorpen om te spelen).
Dan ontspon zich een wedstrijd tussen de twee hoofdmannen, wie de meeste vragen van de ander kon beantwoorden. De winnaar mocht dan met zijn troep in het dorp spelen, de verliezer trok af met zijn schare. Achter de hoofdman kwamen de lakei, de page en de soldaten, die ook de rollen van waarden en geburen vervulden. Geheel achteraan kwamen de herders: de groene Gallas, de blauwe Witok, de rode Stichl alsmede de ruige, stokoude Crispijn, zo dik in het bont, dat hij wel een kreupele beer geleek.

Wanneer de spelers zich gereed maakten, liep de duivel naar buiten. Luid toeterend nodigde hij ieder uit naar de spelen te komen, zelfs sprong hij op voorbij rijdende wagens, maakte ieder aan het schrikken en bracht het dorp in rep en roer.
Spoedig vulden de banken in de herberg zich met toehoorders. Men zat aan drie
kanten om de open toneelruimte heen, de vierde kant was afgesloten met een gordijn, waarachter de spelers zich konden verkleden. Daarna kon het spel beginnen.
De buitengewoon belangrijke rol van de duivel  in de spelen verdient alle aandacht.
Wat heeft dit vreeswekkend personage niet allemaal te doen! Weliswaar slaat hij Adam en Eva in boeien en zet Herodes aan tot de afschuwelijke kindermoord, maar ook bewaart hij met zijn knuppel de orde in de zaal, zet tronen en stoel en neer, stoft ze keurig af, schuift ze weer weg, nodigt de spelers uit om op te staan, laat hen weer zitten, geeft zwaard en mandaat aan, haalt Adams jutezak weg, maakt grappen, kortom, hij is behalve duivel ook potsenmaker en vooral toneelknecht.
In deze duivelsrol ligt een even belangrijk kunstzinnig moment als een diepzinnige achtergrondfilosofie. Het volmaakt-boze kan op het toneel eigenlijk niet worden uitgebeeld, het is alleen dragelijk door humor, waardoor – en vooral voor kinderen – ook ontspanning mogelijk wordt. Maar al is een geheel, serieuze en onafhankelijke duivel onverdraaglijk, hij is ook onmogelijk en ondenkbaar in het licht van Gods Almacht. Hij moet:dan ook een taak in bet goddelijke wereldplan hebben: de duivel is een dienaar Gods, die weliswaar steeds het boze wil, maar desondanks de goede gang van zaken bevordert; een diepe gedachte over het boze, die o.a. zeer duidelijk in Goethes Faust te vinden is. De duistere duivelsrol geeft bovendien de lichtende figuren extra reliëf. De engel mag steeds de proloog en de epiloog spreken, dus: in eenvoudige woorden aan­kondigen wat men te zien zal krijgen en na afloop als echte lekenspeler veront­schuldigingen aanbieden voor datgene wat men gezien heeft.

Tussen engel en duivel, rechts en links van het toneel, speelt alles zich af. Alleen in het Paradijsspel wordt een tipje van de sluier opgelicht om deze licht-duisterpolarteit  in zijn oorsprong te verklaren.

Het eigenlijke Kerstspel
De engel Gabriel en het Jezuskind beheersen dit warme en kleurrijke spel. Het boze komt alleen om de hoek kijken bij de ongastvrije waarden. Zeer mooi gevonden is de aan het spel voorafgaande Verkondiging of Annunciatie: Maria blijft alleen achter, de de engel komt haar de blijde boodschap brengen. Daarna begint pas het eigenlïjke spel met de proloog van de engel. Liederen van de ‘Kompanij’ sluiten elke scène af. Met uiterst sobere middelen wordt de moeizame tocht van Jozef en zijn jonge vrouw Maria naar Bethlehem uitgebeeld.

De drie waarden waren oorspronkelijk man, vrouw en dienstmaagd. Deze laatste verwijst Jozef en Maria naar de stal. Later werden het drie aparte waarden, van wie de namen Rufinus en Titus luiden. De boze waard heet volgens een Pressburgs manuscript Servilus.
Bijzonder mooi en indrukwekkend is in het Oberuferspel, dat de engel de ster laat neerdalen boven Maria die de armen omhoog strekt en zo het kind naar de geest ontvangt.
Jozef beleeft deze geboorte slapend mee. Er is geen pop of enig echt kind. Het kind moet men zich voorstellen. In de traditionele kerstspelen bleef Jozef wakker en trachtte onhandig licht te maken, dat steeds weer uitging. Daardoor werd de aandacht van Maria afgeleid, die dan ineens het kind had.

De middeleeuwse traditie, die Jozef vaak als een oude, kuchende stoethaspel voor­stelde, is historisch niet juist en vindt ook geen steun in de Bijbel (die in die tijd ook niet gelezen mocht worden).

We zullen meer van dergelijke dingen tegenkomen, die dan ook niet essentieel zijn voor de spirituele kracht en het beeldend vermogen van deze kerstspelen. Na de geboorte komen de herders aan de beurt. Zij behoorden tot de onaanzienlijksten in het land. Zij lopen in de stoet ook geheel achteraan in Oberufer. Maar bij deze sociaal misdeelden komt de engel het eerst. Hoe warm wordt de boodschap ontvangen en wat kost het hun weinig moeite om van hun armoetje nog iets te offeren.
Interessant is het, dat in het spel de blijde boodschap van de engel al wordt voor­bereid, doordat de oude Witok tijdens het eten over de verwachting van de Messias spreekt, hetgeen de herders al spoedig doet springen van vreugde. Meestal hadden de middeleeuwse herdersscènes grote uitvoerigheid: er waren eindeloos veel klachten over koude, wolven en slechte tijden.  In het spel van Oberufer is dit duidelijk be­kort. Wat wij bij de opvoering niet meer doen, is het rondlopen van de engel op de lichamen der slapende herders. In Oberufer mochten de herders niets laten merken. Zo maakten zij de toeschouwers duidelijk, dat een engel geen aards gewicht heeft. De tocht van de herders naar Bethlehem wordt door hun vrolijke dans ingeleid. Liederen en tekst bij de aanbidding en offering in de stal zijn van een grote schoonheid en innigheid.
Het Herdersspel besluit met de merkwaardige scène, waarin de oude herder Crispijn aankomt. Deze vierde herder is doof, half blind en een beetje simpel. Hij heeft het wonder gemist, een beeld voor de mens die in zijn leven de hogere impulsen niet kan vinden.

Het Driekoningenspel
Zoals reeds gezegd is, vormde het Drie Koningenspel het slot van het Kerstspel. Rudolf Steiner maakte het daarvan los, een gerechtvaardigde maatregel, want het Driekoningenspel was oorspronkelijk even zeer een apart spel als het dat nu is.
Dat het een deel van het Kerstspel was, is hier en daar nog te merken.

Het Driekoningenspel mist de inleiding door de Sterrenzanger en het heeft ook geen openingslied. Er is alleen een korte proloog van de engel. De spelers die ‘af’ zijn, zitten toch duidelijk zichtbaar op de achtergrond. Rechts, de goede helft, wordt geaccentueerd door de blinkende koningsgestalten en de engel; links zitten de duivel, soldaten, schriftgeleerden en Herodes. ‘Lichte’ en ‘donkere’ helft van het toneel geven sterke accenten aan de felle dramatiek van dit spel, dat voor de kleine kinderen ook ongeschikt wordt geacht.
In het eerste gedeelte ontdekken de Drie Koningen elk voor zich de ster, besluiten op reis te gaan en ontmoeten elkaar niet ver van Jeruzalem. Opvallend is het, dat Koning Melchior zelf het heilige Kind en de Moedermaagd in de ster waarneemt, ter­wijl de door hem geraadpleegde wijze en sterrenwichelaar Viligratia dat niet kan en slechts over dit fenomeen de boeken kan raadplegen. Hier wordt als beeld het hogere, schouwende bewustzijn gesteld tegenover het traditionele weten, het schriftgeleerdenschap. Later herhaalt deze tegenstelling zich op negatieve wijze in de scène van Herodes met de schriftgeleerden.

De aandacht wordt verplaatst naar de linkerhelft, waar Herodes, de ‘vierde koning’, heerst. Verontrust door de lichtglans der Driekoningen, laat hij de schriftgeleerden komen om hen te raadplegen over de ‘nieuwgeboren conink’. Hij die uit historie of traditie bekend is met de waardige houding, der échte joodse priester, kan grote moeite hebben met de drie trappelende en drukdoende nerveuzen uit het Oberuferspel. Men moet dan ook weten, dat deze schriftgeleerden duidelijk niet historisch zijn, maar een traditioneel middeleeuwse voorstelling uitbeelden. Het is eigenlijk verbluffend om uit de tekst te horen, dat deze schriftgeleerden weten: de geboorteplaats en het Messiaanse karakter van het heilige kind, het niet-wereldlijke van Christus’ Koninkrijk en de kruisdood. Toch worden zij er niet koud of warm van, het is “wetenschap”, geen ervaring van schouwend beleven. Daardoor krijgt ondanks het onhistorische deze scène als beeld een diepe betekenis: vanuit het intellect en de traditie kan men de levende Christus niet vinden. De brullende en dan weer vosachtige Koning Herodes is in het spel wel grotendeels historisch. Men leze er Flavius Jozefus’ biografie van Herodes maar eens na. Herodes was geen Jood, maar een Arabier, die zich als satelliet van de Romeinse Keizer tot Koning van Judea wist op te werpen. Bijzonder mooi is het lied na de duistere scène, waarin Herodes zich definitief met de duivel verbindt. Alles straalt van licht. De heilige familie komt op, niets kwaads vermoedend, en de drie Koningen brengen hun offer en aanbidden het kind, tot welks dood Herodes al besloten heeft. Na dit schone middengedeelte van het spel volgt dan de kindermoord en de duistere dood van Herodes en zijn hoofdman.

In Oberufer moest de duivel met groot geweld tussen de soldaten met getrokken zwaarden (echte) springen om Herodes te halen.

Een aantal soldaten stond met gekruiste zwaarden voor de troon om hun koning te beschermen. De duivel kreeg zo menig bloedige schram en hij mocht zich dan ook tevoren met een flinke slok moed indrinken! De duivel haalde ook de hoofdman tot slot.
Een prachtig lied ‘Wilt singhen en jubileren’, daterende uit 1328, sloot het spel af.

Het Paradijsspel
Dit korte felle drama van Adam en Eva tussen engel en duivel, met God-Vader op de achtergrond, behandelt de schepping en de zondeval van het eerste mensenpaar. In zijn soort is dit spel misschien wel het meest gave van de drie. Vooral de slotbeelden zijn zeer mooi en indrukwekkend.
De duivel slaat Adam en Eva in kettingen na hun uitdrijving uit het paradijs – geen Bijbels, wel een traditioneel gegeven.
Na het neerwerpen van de duivel vallen de kettingen van Adam en Eva af. Door het eten van de ‘Boom der Kennis’ zullen zij het goed en kwaad kunnen beseffen. De ‘Boom des Levens’ echter zal hun verborgen blijven. Daarin kan pas verandering komen, wanneer de Christus op aarde komt, gelijk de engel  in zijn epiloog aankondigt. Over de achtergronden van het Paradijsspel zou nog zeer veel meer te zeggen zijn, dat nu achterwege moet blijven.

Evenals na een trilogie van Griekse tragedies een zeer uitbundig en realistisch
Satyrspel werd opgevoerd, zo had men in Oberufer de Vastenavondklucht van de ontrouwe kleermakersvrouw. Haar minnaar, de schoenmaker, sluipt steeds het huis binnen en vermomt zich als spook, hetgeen allerhande primitieve grapjasserij met zich meebrengt.

Alleen op de eerste adventszondag werd dit kluchtige spel niet opgevoerd. Men zong onder aanvoering van de meesterzanger gewijde liederen. Dit werd zolang volgehouden totdat de laatste gast uit de herberg was verdwenen.

Men zou nog veel meer van de Kerstspelen kunnen zeggen. Voorlopig moge dit volstaan. Wie interesse voor hen opbrengt, kan ervaren, dat zij ieder jaar in waarde stijgen.

(P.C.Veltman, nadere gegevens onbekend)

.

kerstspelen: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstspel  Kerstmis    jaartafel

.

380-358

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (8-1)

.

HET KERSTFEEST, SYMBOOL VAN HET LEVEN

De zomer is arm aan feestdagen, terwijl de winter er rijk mee gezegend is. De primitieve volken leefden in het algemeen van landbouw en zij hadden het te druk met maaien en oogsten om aan feestvieren te denken. ’s Winters echter ais vele arbeid rustte, haalden zij hun schade in: zij vierden het Midwinterfeest.
De vraag rijst wat onze feestdagen, die veelal een christe­lijk karakter dragen, te maken hebben met die heiden­se gedenkdagen. Het antwoord hierop is: de christe­nen verboden bij het brengen van hun evangelie, niet direct alle heidense gebruiken en gewoonten. Zij gaven aan die feesten alleen een christelijke betekenis.
Zo werd het grote Midwinterfeest gesymboliseerd tot het grootste van de christenheid: de geboorte van Gods zoon in Bethlehemsstal.

Door de kerstening van die oude feesten, vinden we nog in onze tijd overblijfselen van heidense gebruiken in de tegenwoordige feesten terug.

Herinneringen aan het verleden
Vele oude gewoonten leven ook thans nog op het platteland voort.
In de meeste steden, waar de techniek hoogtij viert, verdween al spoedig het geloof aan heksen en wonde­ren, aan geheimzinnige gebeurtenissen en aan oude legenden. Wanneer we dan toch nog hier en daar een oud gebruik tegenkomen, is dat een herinnering aan het verleden.

Het kerstfeest was ook vroeger al een feest met een eigenaardig huiselijk karakter. Wafels en pannenkoeken vormen ongetwijfeld het oudste gebak, dat door onze voorvaderen op feestdagen als Kerstmis werd geprefereerd.
’s Avonds voor de grote feestdag houdt men zich bezig met „koeken bakken” en „wafelgebak”. In de middeleeuwen waren reeds wafels en varkens­vlees bij de kerstviering vooral in Vlaanderen, onaf­scheidelijk, wat op menig Vlaamse miniatuur verdui­delijkt wordt. De wafel heeft zich als huiselijk gebak alleen voor Kerstmis en Nieuwjaar gehandhaafd. In de provincie Groningen (niet alleen in de stad) worden ronde Nieuwjaarswafels of z.g. „Piepertjes” aan de gelukwenser gegeven, meestal kinderen, die een kussensloop bij zich hebben om al de verzamelde lekkernijen in te bergen.

Het zou te veel plaatsruimte vragen om tot in de finessses na te gaan waarvan die gebruiken afkomstig zijn. We volstaan met te vertellen dat ze van Germaanse oorsprong zijn. De Germanen slachtten omstreeks het einde van het jaar dieren en offerden deze. Later werden diervormen van brood gemaakt en deze werden bij een gemeenschappelijke offermaaltijd ge­nuttigd. Doch los van alle offermaaltijden heeft zich het gebruik om op christelijke feestdagen dergelijke koeken te bakken en te eten, in het geloof aan wonder­dadige kracht gehandhaafd.

Heidense gebruiken, die volgens de christelijke ziens­wijze onschadelijk waren, heeft men laten voortbe­staan. Zo bakte men tot in het midden van de 19e eeuw op Allerzielen in Vlaanderen en Zuid-Limburg steeds zogenaamde „zieltjeskoeken”. In de buurt van Oudenaarde moet nog het gebruik in zwang zijn op Kerstmis de eerste pannenkoek te verbranden. Geloof en bijgeloof hebben steeds een grote rol ge­speeld bij de gebruiken op bepaalde feestdagen en niet in het minst op Kerstmis en Nieuwjaar. Er zijn in Vlaanderen verschillende bedevaartsplaatsen, waar men brood laat wijden om het als voorbehoedsmiddel tegen ziekte aan te wenden. In onze zuidelijke provincies geschiedt dit nog elk jaar op 3 november, Sint-Hubertusdag. Daar wijdt men broden die door mens en dier genuttigd worden om stuipen tegen te gaan; de honden worden daardoor tegen hondsdolheid behoed.

Een zeer bijzonder kerstbroodje is dat van Geleen. Op Kerstdag werpt de koster dat uit de toren en de jeugd van Geleen, Lutterade en Krawinkel vecht er jaarlijks om. Wie de meeste broodjes machtig wordt, is de broodjeskoning. De koster mag in eik huis een brood halen, het zogenaamde korsbrood dat onder de behoeftigen wordt uitgedeeld.

In de duivekater of deuvekater bezitten we in ons land het merkwaardigste offerbrood. De duivekater gaat op de oudste vorm van het offer terug, tot de eerste tijd van de akkerbouw. Toen riepen de mensen de vruchtbaarheidsdemon aan en deze dacht men steeds als een haas, bok, zwijn of kat. Bij ons schijnt de kater het meest als Vruchtbaarheids­geest vereerd te zijn, aan wie men – na het bloedige offer – tenslotte het broodoffer bracht. zie Sinterklaas 23

Vuren in de kerstnacht
Bij het kerstvuur ontbrak vroeger nooit het kerstblok. Zo’n blok dat soms zeven dagen brandde, werd weken van te voren uitgezocht en klaar gelegd. Als de jongens in de omgeving van Hasselt (O.) het kerstblok binnen brachten zongen ze:

„Kerstavondje, Kerstavondje
Dan kookt mijn moeder rijstebrij
Mijn vader is naar Hasselt toe
En haalt er pekelhering bij.”

In Friesland was het „achteraanblok” bekend; dit blok diende als achterwand van het grote hout- of turfvuur en het werd vaak jaren achtereen gebruikt. Dit ge­beurde ook in andere delen van het land. Wat de bete­kenis van dit houtvuur betreft, verdient het wel de aandacht, dat juist in de geheimzinnigste periode der twaalf nachten (van Kerstmis tot Driekoningen) en met het later gekerstende Joelfeest dit vuur werd gestookt. Mythologen hebben verklaard, dat het sto­ken van vuren in die tijd terug te brengen is op het geloof der heidenen, dat de zon op het kritieke mo­ment, als haar kracht het zwakst is, kan worden ge­holpen door de magische handeling van vuren branden op aarde. Later dacht men dat deze aardse vuren de boze geesten konden verdrijven.

Dat eerste, de zon willen helpen, vinden we ook terug in het houden van „ommetochten”, die vroeger heel veel en nu nog een enkele maal in de midwintertijd op het platteland worden gehouden.

Vaak speelt het paard daarbij een rol. De Sint-Stephanus- of Steffensritten op de 2e Kerstdag (in Groningen en de Achterhoek) zijn nog het meest bekend. Men beschrijft met zo’n tocht een kring rond een dorp, of een groep dorpen, gelijk aan de kring die de zon be­schrijft. Paarden waren heilige dieren en werden ge­bruikt voor het brengen van offers en ook in het ver­haal van de zonnewagen komen zij voor. Door de ver­meende zonbeweging na te bootsen trachtte men de zon te helpen.

In de kerstnacht werd men ingelicht over de gebeur­tenissen, die in het nieuwe jaar zouden plaatsvinden. Voor het naar bed gaan legde menige Friese boer twaalf vers gesneden uienschijfjes op een rij naast elkaar en op ieder een klein hoopje zout. Zij stelden de twaalf maanden voor. De volgende morgen kon men zien, welke maand van het a.s. jaar droog of nat weer zouden zijn. Iets van die zegenbrengende kracht schijnt ook de kerst- of midwinterhoorn te bezitten, waarop de Twentse boer van de eerste adventszondag (vier weken vóór kerstfeest) af tot Driekoningen boven de waterput blaast. Een boer uit Weerselo zei mij eens: „ik blaas op mijn hoorn om de kracht, die nodig is voor leven en sterven”.

De boom des levens
We kunnen ons thans het kerstfeest niet meer voor­stellen zonder dat eenvoudige symbool: de kerstboom, en toch is het nog geen eeuw* geleden, dat in Neder­land de kerstbomen geheel onbekend waren. Dat een dergelijk symbool heden ten dage eigenlijk door heel Europa zo dankbaar wordt aanvaard, is een van de treffendste bewijzen van de universaliteit van dit decemberfeest. Nooit is die universaliteit duidelijker gebleken dan in de laatste wereldoorlog, toen de vrede tussen de mensen van deze aarde verder verwijderd scheen dan ooit, doch de soldaten voor een enkel etmaal de vijandelijkheden staakten, voor zover dat mogelijk was, om ook in de loopgraven nog iets van een kerststemming te beleven.

Vrij algemeen is onder het volk de mening verbreid, dat de gewoonte om met Kerstmis een kerstboom te versieren, stamt van een heidens gebruik om bomen te vereren. Deze mening is ongegrond en historisch onaanvaardbaar.

Deskundigen beschouwen de kerstboom als een stammeling van de middeleeuwse „boom des leven”, die de toenmalige kerkbezoekers in portaal of voor­plein der kerk, aantroffen. Deze „boom des levens” werd nagebootst in het woonhuis, maar dan aanvan­kelijk niet als kerstboom; eerst de later eraan ge­hechte symboliek van christusboom deed hem regel­matig met Kerstmis terugkeren, waardoor hij „kerst”-boom werd en tevens zijn versiering met sterretjes, klokjes en blinkende snuisterijen kreeg. Om meer dan één reden laat zich vermoeden, waarom juist de den werd uitverkoren als de feestboom. In het koude, sombere jaargetij, waarin alle leven uit de natuur gebannen schijnt, staat de den als de eeuwig groene, altijd levende boom. Hierom hechtte men aan de den al gauw een symbolische waarde. Symbool van het leven en na de kerstening teken van het nieuwe leven.

Om praktische redenen heeft de den het gewonnen van de ook wel altijd groenende maar spichtige en stekelige hulststruik, die later wel fragmentarisch als mistletoe en als kersttafelversiering werd aangewend. Reeds de oude Germanen zagen blijkbaar in de den een bijzonderheid.
De runentekens en de ornamenten op urnen uit die tijd vertonen vaak de dennentakfiguur. De denneboom zal de geliefde boom voor Kerstmis blijven, nu de traditie en de christelijke symboliek hem hebben aanvaard als de kerstboom bij uitstek.

(J. H. Kruizinga, Vacature, *08-12-1977)

.

Kerstmis: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Kerstmis    jaartafel

.

379-357

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.