VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof (1)

.

RUDOLF STEINER OVER VERTELLEN IN KLAS 2

In GA 295 spreekt Steiner op verschillende plaatsen over ‘vertellen’.

In de 6e werkbespreking gaat hij uitgebreid in op de FABEL, dé vertelstof voor klas 2.

Strikt beschouwd behandelt Steiner hier het lezen van een fabel. Ik ben van mening dat zijn aanwijzingen ook gelden voor het vertellen van een fabel.
In mijn 2e klassen waar de druk van tests en toetsen en dreiging ‘zwak genoemd’ te worden, vrijwel afwezig waren, m.a.w. toen je nog oorspronkelijker ‘vrijeschool’ kon zijn, waren de kinderen in het begin van de 2e klas nog niet in staat een fabel te lezen; wel tijdens dat schooljaar. Een fabelboekje maken lijkt me met de huidige kopieermogelijkheden niet zo moeilijk. Af en toe kunnen de kinderen er een in opschrijven en bij iedere fabel kunnen ze illustreren – zo kan er een mooi werkje ontstaan. 

GA 295 6e werkbespreking blz. 60   vert. blz. 58

Lesen einer Fabel von Lessing.
Rudolf Steiner: Sie müssen bedenken, daß Prosa je nach der Per­sönlichkeit in verschiedener Stimmungslage gelesen werden kann.
Den Titel läßt man möglichst fallen bei so etwas und betont ihn nicht besonders.

Die Nachtigall und der Pfau

Eine gesellige Nachtigall fand unter den Sängern des Waldes Neider die Menge, aber keinen Freund. « Vielleicht finde ich ihn unter einer anderen Gattung», dachte sie und floh vertraulich zu dem Pfau herab. «Schöner Pfau, ich bewundere dich!» – «Ich dich auch, liebliche Nach­tigall.» – «So laß uns Freunde sein», sprach die Nachtigall weiter. « Wir werden uns nicht beneiden dürfen, du bist dem Auge so ange­nehm, als ich dem Oh re. » Die Nachtigall und der Pfau wurden Freunde.
Kneller und Pope waren bessere Freunde als Pope und Addison.

Er wordt een fabel van Lessing gelezen.

Rudolf Steiner: U moet bedenken dat proza, afhankelijk van degene die leest, op verschillende toonhoogte gelezen kan worden.
Bij de titel laat men zijn stem dalen als het kan, en geeft de titel geen bijzondere nadruk.

 De nachtegaal en de pauw

Onder alle dieren van het bos was ook een nachtegaal. Er waren heel wat zangers in het bos die jaloers op hem waren, maar een vriend had de nachtegaal niet. ‘Misschien vind ik een vriend bij een andere soort,’dacht de nachtegaal en vloog vertrouwelijk naar de pauw onder hem. ‘Mooie pauw, ik bewonder je!’ ‘Ik be­wonder jou ook, lieflijke nachtegaal.’ ‘Laten we vrienden zijn,’sprak de nachte­gaal. ‘We hoeven niet jaloers te zijn op elkaar, want zo mooi als jij bent om te zien, zo mooi ben ik om te horen.’De nachtegaal en de pauw werden vrienden.
Kneller en Pope waren betere vrienden dan Pope en Addison.

6e werkbespreking blz. 61   vert. 59

Rudolf Steiner sagte statt dessen scherzweise: Frankreich und Italien sind bessere Freunde als Italien und England. So kann man auch sagen; die Anwendung kann nämlich in der verschiedensten Weise gemacht werden.

Rudolf Steiner: Jetzt möchte ich mit Ihnen ein Stück Unterricht besprechen. Ich möchte darauf aufmerksam machen, daß Sie niemals den Inhalt eines Lesestückes – ich will es prosaisch so nennen – dadurch für das Gefühl und die Empfindung verderben sollten, daß Sie das Lesestück lesen, oder mit den Zöglingen durchlesen, und es dann pedan­tisch erklären. Der einsichtige Psychologe wird es nicht so machen, son­dern er wird das Gefühl dafür haben, daß ein Prosastück oder ein Gedicht auf die Seele so wirken muß, daß diese Seele, wenn sie es erlebt hat, mit dem Eindruck zufrieden sein kann; von dem Eindruck befriedigt sein kann, könnte man auch sagen. Man wird aber das nicht ausschließen dürfen, daß man gerade diese Befriedigung, welche aus dem Inhalte eines Lesestückes hervorgehen soll, für den Zögling da­durch erhöht, daß der Zögling vollständig alle Nuancen versteht, daß er dem Gefühl nach wenigstens, instinktiv, versteht, was in dem Ge­dichte darin ist. 

Rudolf Steiner zegt in plaats daarvan bij wijze van grap: Frankrijk en Italië zijn betere vrienden dan Italië en Engeland. Dat kan men ook zeg­gen. Men kan deze fabel namelijk op de meest verschillende manie­ren toepassen.

Nu zou ik een stuk onderwijs met u willen bespreken. Ik zou u erop willen wijzen dat u nooit de inhoud van een leestekst – ik zal het prozaïsch maar zo noemen – moet bederven voor het gevoel en de ervaring door het stuk voor te lezen of samen met de leerlingen te lezen, en het dan als een schoolmeester te verklaren. Iemand met psy­chologisch inzicht zal het niet zo doen, hij zal aanvoelen dat juist een prozatekst of een gedicht in moet werken op de ziel, en wel zo dat de ziel na die ervaring tevreden kan zijn met de indruk, voldaan kan zijn door de indruk, kan men ook zeggen. Maar men zal niet mogen uit­sluiten dat men juist die voldoening die uit de inhoud van een tekst moet ontstaan, voor een leerling verhoogt doordat hij alle nuances begrijpt, althans gevoelsmatig, instinctief begrijpt wat er in het ge­dicht staat.

Man braucht keine Spintisiererei, keinen gelehrten Kommentar an einem Gedicht oder Lesestück zu entwickeln, aber man soll das Kind vollständig heraufheben zum gefühlsmäßigen Verständ­nis eines Lesestückes. Daher versuche man immer, das eigentliche Lesen eines Lesestückes zu allerletzt vorzunehmen, und alles das, was man tun will um des Verständnisses willen, das schicke man voran. Wenn man einigermaßen entsprechend das Richtige voranschickt, dann wirkt man nicht schulmeisterlich pedantisch, sondern man trägt dazu bei, daß nichts unerklärlich bleibt an dem Lesestück. Dann erhöht sich d& Genuß und die Befriedigung des Kindes.
Ich würde daher – Sie würden das etwas ausführlicher machen -etwa folgendes in der Klasse mit den Schülern vornehmen. Ich würde sagen:
«Seht einmal, liebe Kinder, ihr habt ganz gewiß schon einmal Hunde gesehen! Nun, wer hätte unter euch nicht schon Hunde gesehen! Der müßte ja hinter dem Ofen sich verkrochen haben. Und ihr habt bemerkt,

Men hoeft geen hersenspinsels, geen geleerd commentaar vast te knopen aan een gedicht of een prozatekst, maar men moet een kind zo ver brengen dat het een tekst gevoelsmatig begrijpt. Men kan daarom het beste proberen om het eigenlijke lezen van de tekst pas het allerlaatst te doen; en alles wat men wil doen omwille van het begrip, dat doet men van tevoren. Als men op een geschikte manier het juiste van tevoren vertelt, dan treedt men niet schoolmeesterach­tig op, maar dan draagt men ertoe bij dat niets van de tekst onver­klaarbaar blijft. Dan genieten de kinderen er meer van en is hun vol­doening groter.
Ik zou bijvoorbeeld – u zou het wat uitvoeriger doen – het volgen­de in de klas vertellen.
‘Luister eens, beste kinderen, jullie hebben vast en zeker wel eens een h o n d gezien! Ja, wie van jullie zou er nog nooit honden hebben gezien? Die zou zich wel achter de kachel verstopt moeten hebben. En jullie hebben natuurlijk gezien

6e werkbespreking blz. 62   vert. 59/60

daß nicht alle Hunde gleich sind. Sie sind sehr, sehr vonein­ander verschieden. Es gibt winzige Hunde, ganz kleine Hunde, grö­ßere Hunde und ganz große Hunde. Ihr habt euch schon manchmal vor den ganz großen Hunden gefürchtet. Vor den ganz kleinen, winzigen, fürchtet ihr euch nicht; vielleicht aber doch, weil sie einen manchmal in die Waden beißen.
Nun wollen wir uns heute einmal ein paar Hunde ansehen. Da habt ihr wohl schon oft auf der Straße einen Wagen mit Fleisch gesehen und davor einen Fleischerhund. Wenn ihr genau aufgemerkt habt, werdet ihr gesehen haben, daß er sonst vor der Fleischerbude sitzt und achtgibt, daß niemand das Fleisch stiehlt. Wenn jemand kommt und das Fleisch nimmt, der kein Recht hat dazu, so muß er ihn beißen, oder wenigstens muß er bellen. Nun werdet ihr einsehen, daß der Fleischerhund nicht ein kleines Tierchen sein darf. Nein, das ist ein großer Hund! Ihr werdet auch immer gesehen haben, kleine Knirpse sind nicht eingespannt vor den Fleischerwagen, sie sind auch nicht vor die Fleischerbude gesetzt.
Nun, solch einen Fleischerhund kann man vergleichen mit einem Menschen, der auf etwas achtzugeben hat. Man kann oft Tiere ver­gleichen mit den Menschen. 

dat niet alle honden hetzelfde zijn. Er zijn heel veel verschillende honden. Er zijn petieterige hondjes, van die hele kleine hondjes, grotere honden en hele grote honden. Jullie zijn vast wel eens bang geweest voor hele grote honden. Voor die hele kleine petieterige hondjes ben je niet bang; maar misschien ook wel, omdat ze soms in je kuiten bijten. Maar laten we vandaag eens een paar honden bekijken. Je hebt op straat vast al wel vaak een wagen met vlees gezien en daarvoor de slagershond. Als je goed hebt opgelet heb je gezien dat hij verder al­tijd voor de slagerij zit en oplet dat niemand het vlees steelt. Als er iemand komt en vlees wegpakt die het niet mag, dan moet de hond hem bijten, of in ieder geval moet hij blaffen. Je zult wel begrijpen dat een slagershond geen klein beestje kan zijn. Nee, dat is een grote hond! Jullie zullen wel gezien hebben dat er voor de slagerswagen geen keffertjes staan, en ook niet voor de slagerswinkel.
Nou, zo’n slagershond kun je vergelijken met een mens die op iets moet letten. Je kunt vaak dieren met mensen vergelijken.

Was die Tiere aus Instinkt zu tun haben, das müssen die Menschen oft aus Pflicht tun. Ähnliche Sachen müssen so die Menschen und die Tiere tun, und deshalb kann man sie auch vergleichen.
Wenn zum Beispiel ein Mensch auf etwas aufzupassen hat wie der Fleischerhund vor der Fleischerbude, dann wird der Mensch sich etwas angewöhnen. Wenn einer kommt und etwas nehmen will, so wird er ihn beim Kamm nehmen – ja, so sagt man, wenn man jemand aufmerksam macht, daß er etwas nicht tun darf; so sagt man. Man sagt: , wenn man den Betreffenden hält. Beim Menschen sind es die Haare, es ist nicht ein richtiger Kamm. Man nimmt ihn bei den Haaren. Das tut ihm weh, daher reißt er nicht aus; daher tut man das. Und solche Sachen sagt man nicht so geradewegs, denn wenn man geradewegs so sagt: , so klingt es zu wenig spaßig. Es muß immer im Leben ein wenig Spaßiges beigemischt sein, daher sagt man: . Der Mensch hat Haare;

Wat de die­ren uit instinct moeten doen, moeten de mensen vaak uit plicht doen. Mensen en dieren moeten dezelfde soort dingen doen en daarom kan men ze ook met elkaar vergelijken.
Als een mens bijvoorbeeld op iets moet passen, net als de slagers­hond voor de slagerij, dan zal hij een bepaalde gewoonte krijgen. Als er iemand komt die iets weg wil nemen, dan zal hij hem bij zijn kraag grijpen. Ja, zo zegt men dat, wanneer men iemand erop wijst dat hij iets niet mag doen. Zo zegt men dat. Men zegt “bij de kraag grijpen” als men iemand vasthoudt. Je houdt iemand natuurlijk niet echt al­leen bij zijn kraag vast, je houdt hem bij zijn nekvel vast. Dat doet pijn en daarom gaat hij er niet vandoor. Daarom doet men dat. En die dingen die zegt men niet zo rechtstreeks, want als je zegt: “Ik grijp je bij je nekvel,” dan klinkt dat te weinig grappig. Er moet in het leven altijd een grappig element bij zitten, daarom zegt men “bij de kraag grijpen”.

6e werkbespreking blz. 63   vert. 60/61

der Mensch ist manchmal etwas frech. Der Hahn ist fast immer frech; er hat einen Kamm. Deshalb sagt man: So könnte man sich schon ganz gut vorstellen, wenn zum Beispiel ein anderes freches Vieh kommt und will sich aus der Fleischerbude ein Stück Fleisch holen, da könnte der Fleischerhund sagen: – Da hätte man einen ganz guten Vergleich gemacht zwischen dem Menschen und dem Hund.
Nun, ihr wißt, Kinder, es gibt auch noch andere Hunde, kleine, sie sind meist Faulenzer, elende Faulenzer! Sie liegen auf Kissen, sie liegen manchmal auch auf dem Schoß der Herrin. Kurz, es sind faule Kerle. Das sind die Polsterhündchen, die Schoßhündchen. So nützlich sind sie nicht wie der Fleischerhund. Der Fleischerhund, der dient zu etwas; die Polsterhündchen, die spielen nur, sind unnütz im Grunde. Aber der Fleischerhund wird, wenn irgend jemand etwas macht, was er nicht soll, ihn beim Kamm nehmen, das heißt ihn anfassen, packen und ordentlich durchschütteln. Das wird nützlich sein, denn das andere Tier wird dann das Fleisch nicht stehlen können. Das Polster- oder Schoßhündchen tut so etwas Nützliches nicht, das kläfft nur. Es kläfft jeden an, und namentlich, wenn andere große Hunde kommen, flugs ist das Schoßhündchen hinterher und kläfft und kläfft und kläfft. 

De mens is wel eens wat brutaal. Daarom moet hij wel eens bij zijn kraag worden gepakt. Zo kun je je ook heel goed voorstellen, als er een ander brutaal beest komt dat een stuk vlees uit de slagerij wil pakken, dat de slagershond dan zegt: “Maar ik grijp je in je kraag!” Dan zou men een heel goede vergelijking hebben ge­maakt tussen mens en dier.
Nu, jullie weten wel, er zijn ook nog andere honden, kleine, dat zijn vaak van die luiwammesen, verschrikkelijk luie wezens. Ze lig­gen op kussens, ze liggen soms ook op de schoot van het vrouwtje, kortom: luiwammesen. Dat zijn schoothondjes. Die zijn niet zo nuttig als de slagershond. De slagershond is ergens goed voor. Schoothond­jes spelen alleen maar, die zijn eigenlijk nergens goed voor; maar de slagershond zal iemand die iets doet wat hij niet mag bij de kraag grijpen, dat wil zeggen hem aanschieten, vastpakken en een flink pak rammel geven. Dat is nuttig, want het andere dier zal het vlees dan niet kunnen stelen. Het schoothondje doet niet zoiets nuttigs, dat keft alleen maar. Het keft naar iedereen, en vooral als er andere, grote honden komen, hup, gaat het schoothondje erachter aan en keft en keft en keft.

Aber Hunde, die bellen, die beißen nicht, so sagt das Sprichwort; so denken auch große Hunde, wenn sie vorbeigehen. Daher kann man auch sehen, wie große Hunde ganz gelassen vorbeigehen, die kleinen Kläffer kläffen lassen und sich denken: kläffende Hunde, die beißen nicht. – Mutig sind sie nicht, feig sind sie. Ein Fleischerhund muß im­mer schon Mut haben. Die Schoßhündchen, ja, die laufen nach und kläffen, aber wenn der andere sie anschaut, dann reißen sie gleich aus. Nun ja, seht ihr, diese Hündchen sind jedenfalls Faulenzer, machen nur Unnötiges auf der Welt und taugen zu nichts. Sie gleichen denjenigen Menschen, auf welche man nicht hören soll, wenn auch solche Men­schen einen sehr oft ankläffen.
Diese Polsterhündchen sind ganz klein, der Fleischerhund ist groß. Nun gibt es aber auch so mittelgroße. So einer ist nicht so groß wie der Fleischerhund, aber er ist größer als der Schoßhund. Von solch mitt­lerer Größe ist der Schäferhund. Dieser Schäferhund muß das Vieh

Maar blaffende honden bijten niet, zegt het spreek­woord; en dat denken ook grote honden als ze erlangs lopen. Je kunt dan ook zien dat grote honden er heel rustig langs lopen en de kleine keffertjes laten keffen en bij zichzelf denken: keffende honden bijten niet. – Moedig zijn ze niet, ze zijn laf. Een slagershond moet in ieder geval moedig zijn. De schoothondjes, ja, die lopen achter je aan en keffen, maar wanneer je alleen maar naar ze kijkt, gaan ze er onmid­dellijk vandoor. Nou ja, je ziet wel, die hondjes zijn in ieder geval grote luilakken, ze doen alleen maar onnodige dingen en deugen ner­gens voor. Ze lijken op mensen waar je niet naar moet luisteren, ook al blaffen ze je heel vaak toe. Die schoothondjes zijn heel klein, de slagershond is groot. Maar nu zijn er ook van die middelgrote. Zo’n hond is niet zo groot als de slagershond, maar groter dan een schoothondje. Zo’n hond er tussen­in is de herdershond. Een herdershond moet het vee

6e werkbespreking blz. 64   vert. 61/62

hüten. In manchen Gegenden ist das schwerer als bei uns. In manchen Gegenden, wie zum Beispiel in Rußland, da kommen die Wölfe. Und der Hund muß achtgeben, daß kein Wolf kommt oder ein anderes Tier; da muß er immer um die Herde herumlaufen. Daher hat sich die Ge­wohnheit gebildet, daß der Hund immer um die Herde herumläuft. Es ist ja auch bei uns gut, daß der Hund um die Herde herumläuft, denn der Hirt schläft oft, und da könnte etwas Böses kommen und etwas von der Herde wegholen. Deshalb läuft der Schäferhund herum und hütet die Herde. Auch wenn kein Wolf da ist, ist es gut, wenn der Schäfer­hund herumläuft und die Herde hütet, und manchmal auch den Hir­ten hütet und ihn aufweckt. Es könnte manchmal auch vorkommen, daß ein Hirte gestohlen würde, wenn er schläft.
Also ein Hirtenhund, ein Schäferhund ist ein taugliches Wesen, ein nützliches Tier. Man kann sie auch vergleichen mit Menschen, die recht zum Leben stehen, die nicht unnütz sind wie die Faulenzer, die Polsterhündchen, die Schoßhündchen. Ja, es gibt solches auch im menschlichen Leben, diesen Unterschied zwischen solchen Menschen, die sind wie der Schäferhund, und solchen, die sind wie der Fleischer­hund. 

hoeden. In som­mige gebieden is dat moeilijker dan bij ons. In sommige streken, bij­voorbeeld in Rusland, komen de wolven. En de hond moet erop let­ten dat er geen wolf of ander dier bij komt. Daarom moet hij steeds om de kudde heen lopen. Zo is de gewoonte ontstaan dat de hond steeds om de kudde heen loopt. Ook bij ons is het goed dat de hond om de kudde heen loopt, want vaak slaapt de herder en dan zou er iemand met boze bedoelingen kunnen komen en iets van de kudde kunnen weghalen. Daarom loopt de herdershond om de kudde en hoedt de kudde. Ook als er geen wolven zijn is het goed dat de her­dershond rondloopt en de kudde hoedt, en soms ook de herder hoedt en hem wakker maakt. Het zou misschien wel eens kunnen gebeuren dat een herder gestolen wordt in zijn slaap. Een herdershond is dus een nuttig dier, een dier dat nuttig werk verricht. Je kunt hem ook vergelijken met mensen die op een juiste manier in het leven staan, die geen nutteloos leven leiden zoals die luilakken, die schoothondjes. Ja, en dan is er ook in het menselijk leven dat verschil tussen mensen die als een herdershond zijn en men­sen die  als een slagershond zijn.

Nützlich sind sie beide, wenn auch die, wie der Fleischerhund, manchmal grob sind. Manchmal sind sie so, daß sie ganz das Richtige sn kurzer, treffender Rede sagen; daß sie so das Gefühl haben, man muß etwas bewachen, etwas hüten, man muß den Feind abwehren. Man kann den Schäferhund auch vergleichen mit Menschen, die mehr still ihre Arbeit verrichten, aber abwarten müssen, bis gerade die schweren Dinge ihrer Arbeit eintreten. Der Schäferhund läuft herum. Lange hat er nicht zu tun, aber er muß sich bereithalten, dann stark zu sein, mutig zu sein, gerüstet zu sein, wenn der Wolf oder ein anderer Feind kommt, um im rechten Augenblick zuzufassen. So sind auch manche Menschen verpflichtet, zu warten und wachsam zu sein, bis sse aufgerufen werden. Da dürfen sie sich nicht durch allerlei Kleinlich­keiten des Lebens kleinlaut machen lassen, müssen gerüstet bleiben bis zu dem Augenblick, wo sie das Richtige zu tun haben.»
Sehen Sie, so würde ich mit Kindern sprechen, damit sie auf die Tierwelt in einem besonderen Fall hingewiesen werden und ihre Ge­danken auf die Analogien zwischen Tieren und Menschen lenken.

Nuttig zijn ze allebei, ook al zijn die als de slagershonden wel eens wat grof. Soms zijn ze zo dat ze precies het goede in heel weinig, treffende woorden zeggen; dat ze het gevoel hebben dat ze iets moeten bewaken, iets moeten beschermen, een vijand moeten afweren. Een herdershond kun je vergelijken met men­sen die meer in stilte hun werk doen, maar moeten wachten tot het moment dat de moeilijke dingen van hun werk moeten worden ge­daan. De herdershond loopt rond. Veel werk heeft hij niet, maar hij moet zich steeds gereed houden om sterk te zijn, moedig te zijn, voor­bereid te zijn, wanneer de wolf komt of een andere vijand, om op het juiste ogenblik toe te happen. Zo zijn ook sommige mensen verplicht om te wachten en waakzaam te zijn tot hun optreden nodig is. Dan mogen ze zich niet laten afleiden door allerlei kleinigheden in het leven, maar ze moeten paraat zijn tot op het moment dat ze het juiste moeten doen.’
Ziet u, zoiets zou ik de kinderen vertellen, om een bepaald dier onder hun aandacht te brengen en hun gedachten te richten op de analogieën tussen dieren en mensen.

6e werkbespreking blz. 65   vert. 62/63

Wenn man so etwas besprochen hat, dann wird man das Folgende vor­lesen können, ohne daß man nötig hat, hinterher Erklärungen dazu abzugeben. Wenn man folgende kleine Erzählung erst ohne Erklärung den Kindern geben würde, dann würden sie nicht die volle Vorberei­tung haben, weil ihre Empfindungen und Gefühle nicht auf alles hin­gelenkt sind. Wenn man erst hinterher Erklärungen geben würde, würde man es pedantisch zerzausen, und sie würden es auch nicht richtig lesen können.

Als men zoiets heeft besproken, dan zal men het volgende kunnen voorlezen zonder dat men achteraf verklaringen hoeft te geven. Als men dit kleine verhaaltje eerst zon­der verklaring zou voorlezen, dan zouden de kinderen niet ten volle voorbereid zijn, omdat hun gewaarwordingen en gevoelens niet op alles gespitst zijn. Zou men pas achteraf verklaringen geven, dan zou men het als een schoolmeester uit elkaar rafelen en dan zouden ze het ook niet goed kunnen lezen.

Ik leerde tijdens mijn onderwijzersopleiding het zo te doen als Steiner hier afwijst. Wij moesten achteraf verklaren en d.m.v. vragen kijken of de kinderen ‘het’ begrepen hadden. Dat kan in een hogere klas als taaloefening z’n nut hebben: begrijpend lezen.
Een fabel is kort en is eigenlijk gauw klaar. Mijn ervaring is nu ook zo dat ik kan zeggen dat door er van te voren mee bezig te zijn, de kinderen aandachtiger luisteren. Vooral, wanneer het lukt om in ‘gesprek’ de kinderen van alles te laten vertellen, wat ze weten bijv. van het dier waarover je iets wilt vertellen, maar ook, belangrijker nog, over de inhoud van de fabel, zonder deze met name te noemen of te verklaren.

Zo vroeg ik eens aan een klas – ik had de fabel ‘De vos en de raaf’ op het oog: de mooipraterij, of de kinderen wisten wat ‘vleien’ was. De een wel, de ander niet – al doende wordt de woordenschat vergroot – . Het bleek dat veel kinderen weten – zonder het woord te kennen! – dat ze dat af en toe doen om hun zin te krijgen. Als zo’n gesprekje goed loopt, vertrouwen de kinderen je heel veel toe. En krijg je weer een beetje meer inzicht in hun belevingswereld.
De kunst is om niets te veroordelen: geen moraal!.
Als dan alles wel zo’n beetje is gezegd, zeg jij: ‘En nu we dit besproken hebben, wil ik jullie deze fabel vertellen.
Als deze klaar is: laat je niet verleiden om nog een soort (morele) conclusie te trekken. Dat is de pedante schoolmeester met het vingertje: ‘Dus kinderen, weet wel…..’
Heb er vertrouwen in dat het beeld doorwerkt

Der Schäferhund

Ein alter Hirtenhund, der seines Herrn Vieh treulich bewachte, ging abends heim. Da kläfften ihn die Polsterhündchen auf der Gasse an. Er trabt vor sich hin und sieht sich nicht um. Als er vor die Fleischbank kommt, fragt ihn ein Fleischerhund, wie er das Gebell leiden könne, und warum er nicht einen beim Kamm nehme. «Nein», sagte der Hir­tenhund, «es zwackt und beißt mich ja keiner, ich muß meine Zähne für die Wölfe haben.»

Dann braucht man gar nichts mehr zu den Kindern zu sagen; man muß vorher vorbereiten, daß es die Kinder verstehen.

De herdershond

Een oude herdershond, die de kudde van zijn baas trouw bewaakte, ging ’s avonds naar huis. De schoothondjes keften naar hem op straat. Hij loopt
rus­tig door en kijkt niet om. Als hij bij de slagerij komt, zegt een slagershond tegen hem: ‘Dat je daar tegen kunt – tegen dat gekef! Waarom grijp je er niet eentje in zijn kraag?’ ‘Nee,’ zei de herdershond,’niemand plaagt of bijt me toch? Ik moet mijn tanden sparen voor de wolven.’

Dan hoeft men de kinderen niets meer te vertellen; men moet er van tevoren voor zorgen dat de kinderen het begrijpen.

Ein anderes Mal sprechen Sie zu den Kindern das Folgende: «Meine lieben Kinder! Ihr seid schon öfter spazierengegangen, seid spazieren­gegangen auf der Wiese, zwischen den Feldern, aber auch im Wald, auch manchmal so am Rand, wo der Wald an die Wiese grenzt. Wenn ihr im Wald drinnen geht, dann geht ihr ganz im Schatten; aber wenn ihr so am Rande des Waldes geht, dann kann von der einen Seite auch noch recht scharf die Sonne scheinen. Dann könnt ihr, wenn an den Wald eine Wiese angrenzt, ganz ruhig betrachten, wie die Blumen wach­sen. Es wird immer ganz gut für euch sein, wenn ihr besonders die Plätze aussucht für eure Spaziergänge, wo Wald und Wiese aneinander grenzen. Dann könnt ihr immer bald im Wald, bald auf der Wiese etwas aussuchen. Da könnt ihr immer von neuem betrachten, wie das Gras wächst, und wie die Pflanzen und die Blumen im Gras drinnen wachsen.

(Het viooltje)

Een andere keer vertelt u de kinderen het volgende. ‘Beste kinde­ren! Jullie hebben al wel vaak een wandeling gemaakt, soms door de weilanden, tussen de velden, maar ook wel eens in het bos, en soms ook zo aan de rand, waar het bos grenst aan de weilanden. Als jullie in het bos lopen, dan loop je helemaal in de schaduw; maar als je langs de rand van het bos loopt, dan kan van de ene kant de zon nog heel fel schijnen. En als het bos grenst aan een weiland, dan kun je heel rustig bekijken hoe de bloemen groeien. Het zal altijd heel goed voor jullie zijn, als je juist die plekken uitzoekt om te wandelen waar bos en weiland aan elkaar grenzen. Dan kun je altijd of in het bos of in de wei iets uitzoeken. Dan kun je steeds opnieuw zien hoe het gras groeit en in het gras de planten en bloemen groeien.

6e werkbespreking blz. 66   vert. 63

Aber seht, ganz besonders lieblich und angenehm ist es, wenn man nicht bloß durch den Wald und auf die Wiesen gehen kann, sondern wenn die Wiesen noch besonders zwischen Bergen gelegen sind, in Tälern. Auf solchen Wiesen findet man noch viel Interessanteres als auf Wiesen, die zuviel von der Sonne beschienen werden. Talwiesen, die von den Bergen beschützt werden, die haben sehr schöne Blumen, und diese Blumen, die wachsen sehr häufig so, daß man sie auch zwi­schen dem Moos sieht, das da ganz besonders wächst in solchen Wiesen-tälern. Besonders die Veilchen, die sind gerade dort, wo das Moos benachbart ist.»
Jetzt kann man dann weiter mit den Kindern von Moos und Veil­chen sprechen, kann vielleicht ein Kind aufrufen, das Veilchen zu be­schreiben, ein anderes, das das Moos besprechen soll. Man kann sogar versuchen, wenn es gerade welche gibt, an dem Tage Veilchen und Moos mitzubringen. Sie sind ja beide zu gleicher Zeit zu haben.

En het is wel heel lieflijk en heerlijk als je niet alleen door het bos en door de weilanden kunt lopen, maar als die weilanden dan ook nog tussen de bergen liggen, in dalen. Op zulke weiden vindt men nog veel interessantere dingen dan op weilanden die te veel zonnestralen krijgen. Weilanden in het dal, beschut door de bergen, die hebben heel mooie bloemen, en die bloemen groeien heel vaak zo dat je ze ook tussen het mos ziet dat daar in zulke dalen met weilanden veel groeit. Vooral de viooltjes, die vind je altijd in de buurt van het mos.’
En dan kan men het verder hebben over het mos en het viooltje, men kan een kind misschien een viooltje laten beschrijven en een an­der kind het mos. Men kan zelfs proberen om op die dag viooltjes en mos mee te nemen, als ze er dan zijn. Ze zijn immers in dezelfde tijd te vinden.

Dann fährt man etwa fort: «Aber seht mal, liebe Kinder, wenn ihr solch ein Wiesental in der Nähe habt, dann könnt ihr erleben, daß ihr hinausgeht, und ihr seht nur Moos. Ja, dann geht ihr in acht Tagen wieder hinaus. Was seht ihr dann? Im Moos die Veilchen! Ja, die sind erst herausgewachsen, die waren früher im Moos drin versteckt. Ihr merkt euch das. Und wenn ihr das nächste Jahr hinausgeht, dann könnt ihr noch eine größere Freude haben. Da denkt ihr: – Nun ver­sucht ihr, das Moos auseinander zu machen. Aha, da ist das Veilchen darin!
Es ist in der Natur, meine lieben Kinder, oftmals gerade so, wie es unter den Menschen ist. Da ist oftmals auch manches Gute und man­ches Schöne verborgen. Mancher Mensch wird nicht bemerkt, weil das Gute in ihm versteckt ist, weil es noch nicht gefunden ist. Man muß sich ein Gefühl dafür aneignen, die guten Menschen unter der Menge herauszufinden.
Ja, seht, liebe Kinder, man kann noch weiter das menschliche Le­ben mit der Natur vergleichen. Denkt euch einmal selbst so ein ganz gutes Menschenkind, dann werdet ihr auch finden, daß ein solches Menschenkind auch immer ganz gute, brave Worte redet. Nun gibt es

En dan gaat men verder: ‘Maar kijk beste kinderen, als je zo’n weidedal in de buurt hebt, dan kan het je overkomen dat je erop uitgaat en alleen maar mos ziet. Ja, en een week later ga je nog eens kijken. En wat zie je dan? Viooltjes in het mos! Die zijn uit het mos gegroeid, die hadden zich eerst in het mos verstopt. Dat moetje goed onthouden. En als je het volgend jaar weer gaat kijken, dan zul je er nog meer vreugde aan kunnen beleven. Want dan denk je: “In de lente waren hier nog geen viooltjes! We hebben er nog geen gezien.” En dan probeer je het mos wat uit elkaar te halen. Aha! Daar zit het viooltje in!
In de natuur, beste kinderen, is het dikwijls precies zoals bij de mensen. Ook daar zijn vaak heel wat goede en mooie dingen ver­borgen. Heel wat mensen worden over het hoofd gezien omdat het goede in hen is verstopt, omdat het nog niet is gevonden. Je moet er een gevoel voor ontwikkelen om onder alle mensen de goede te vin­den.
Kijk, kinderen, we kunnen het leven van de mens nog verder ver­gelijken met de natuur. Stel je eens zo’n echt goed mensenkind voor. Jullie zullen ook wel vinden dat zo’n kind ook altijd heel goede, brave dingen zegt. En nu zijn er

6e werkbespreking blz. 67   vert. 63/64

bescheidene Menschenkinder und unbescheidene Menschenkinder. Be­scheidene Menschenkinder, die wird man weniger bemerken. Unbe­scheidene Menschenkinder, die werden aber bemerkt sein wollen.
Seht, das Veilchen ist ja recht schön, aber wenn ihr so dieses Veil­chen anschaut, wie es seine ganz lieblichen Veilchenblätter so hinauf­strafft, so werdet ihr doch merken: das Veilchen will bemerkt werden, es will angeschaut werden. Ich kann das Veilchen nicht vergleichen mit einem bescheidenen Kindchen, das sich zurückzieht und in der Ecke bleibt. Ihr könntet es nur vergleichen mit einem Kinde, das eigentlich sehr gerne gesehen wird. Ja, aber es zeigt sich doch nicht, wenn es im Moos versteckt ist? Ja, seht ihr, wenn ihr das Veilchen so anseht zwi­schen den Blättern, wie das herauskommt, und das Ganze wieder da aus dem Moose herauskriecht, das ist doch gerade so, als wenn das Veilchen ja gar nicht bloß gesehen sein möchte, als wenn es nicht bloß sich rie­chen lassen möchte; das ist doch so, als wenn es sich suchen lassen möchte:

bescheiden en onbescheiden mensenkinde­ren. Bescheiden mensenkinderen zullen je niet zo snel opvallen. Maar onbescheiden mensenkinderen, die willen gezien worden.
Tja, dat viooltje is natuurlijk heel mooi, maar als je dat viooltje zo eens bekijkt, hoe het die schattige blaadjes zo ophoudt, dan zul je toch wel merken: het viooltje wil gezien worden, wil bekeken worden. Ik kan het viooltje niet vergelijken met een bescheiden kindje dat zich terugtrekt en in een hoekje blijft zitten. Je kunt het alleen maar ver­gelijken met een kind dat eigenlijk heel graag gezien wordt. Ja, maar het laat zich toch niet zien als het in het mos verstopt is? Ja, kijk, als je dat viooltje zo bekijkt tussen de blaadjes, hoe het te voorschijn komt en hoe alles dan uit het mos kruipt, dat is toch precies zo alsof het viooltje niet alleen gezien wil worden, niet alleen geroken wil wor­den; dat is toch zo alsof het zich wil laten zoeken:

– Dieses Veilchen, das ist so etwas wie ein nicht ganz bescheidenes Menschen­kind, aber auch so etwas wie ein schalkhaftes Menschenkind.»
Es ist ganz gut, wenn man mit den Kindern solche Parallelen, solche Analogien zwischen Natur und Menschenwesen durchspricht, damit sich alles, was in der Nähe des Kindes ist, belebt.
Es wird gut sein, alle solche Besprechungen mit den Kindern als Vorbereitung zu halten, um von den Kindern irgend etwas genießen zu lassen. Nach dem Lesestück sollen überhaupt Erklärungen nicht mehr gegeben werden. Nicht wahr, es wäre doch Unsinn, wenn ich anfangen wollte, Ihnen jetzt auf chinesisch etwas vorzutragen. Sie würden sagen: Na, das hat doch keinen Sinn; Chinesisch haben wir doch nicht gelernt. – Wenn Sie aber alle Chinesisch kennen würden, und ich zu Ihnen sprechen würde, würden Sie es höchst langweilig finden, wenn ich Ihnen hinterher alles erklären wollte. So soll man es aber auch mit einem Lesestück halten: alles tun, was es zum Genuß bringen kann.
Etwas ausführlicher, indem Sie die Kinder recht viel mittun lassen, reden Sie so über Bescheidenheit der Menschen und Unbescheidenheit und Koketterie, und dann lesen Sie ihnen vor:

“Ja, ja, ja, ja, ja, daar ben ik al! Maar je moet me wel zoeken!” Dat viooltje, dat is zoiets als een niet heel bescheiden mensenkind, maar ook zoiets als een schelm.’
Het is heel goed als men met de kinderen zulke parallellen, zulke analogieën tussen natuur en mens bespreekt, opdat alles in de nabij­heid van het kind tot leven komt.
Het zal goed zijn om dat soort besprekingen met de kinderen te hebben als voorbereiding om de kinderen van iets te laten genieten. Na het lezen van de tekst moeten er in geen geval nog verklaringen worden gegeven. Het zou toch ook onzinnig zijn als ik u nu iets in het Chinees zou gaan voordragen. U zou zeggen: ‘Dat heeft geen enkele zin; we verstaan toch geen Chinees.’ Maar als u allemaal Chinees zou verstaan, en ik zou iets in die taal tegen u zeggen, dan zou u het ui­terst saai vinden als ik u achteraf alles zou willen uitleggen. Maar zo moet men ook een leestekst aanpakken: alles doen waardoor van de tekst genoten kan worden.
Iets uitvoeriger, en terwijl u de kinderen heel veel mee laat doen, heeft u het zo over bescheidenheid en over onbescheidenheid en ko­ketterie, en dan leest u voor:

6e werkbespreking blz. 67   vert. 64/65

Ei, was blüht so heimlich am Sonnenstrahl?
Das sind die lieben Veilchen, die blühn im stillen Tal,
Blühen so heimlich im Moose versteekt,
Drum haben auch wir Kinder kein Veilchen entdeckt.

Und was steckt sein Köpfelein still empor?
Was lispelt aus dem Moose so leise, leis’ hervor?
‘Suchet, so findet ihr! suchet mich doch!’
Ei, warte, Veilchen, warte! wir finden dich noch!

Hoffmann von Fallersleben

Wenn Sie das Kind die Sprache des Gedichtes gelehrt haben, dann kann das Kind in allen Nuancen mitmachen, dann brauchen Sie nicht hinterher durch einen Kommentar und Pedanterie ihm den Eindruck zu verderben. Das ist es, was ich Ihnen zur Behandlung von Lese­stücken empfehlen möchte, weil Sie dadurch die Gelegenheit haben, vieles mit den Kindern zu besprechen, was dem Schulunterricht über­haupt angehören soll, und weil Sie dem Kinde ungeteilte Befriedigung geben können in solchem Lesestücke. Das ist es also, was ich Ihnen mit Bezug auf die Behandlung des Lesestückes ans Herz legen möchte.

Als de kinderen de taal van gedichten hebben geleerd, dan kunnen ze in alle nuances meedoen, dan hoeft u niet achteraf door commentaar en pedanterie hun indruk te bederven. Dat is het wat ik u zou willen aanraden bij de behandeling van leesteksten, omdat u daardoor de gelegenheid hebt om veel met de kinderen te bespreken wat hoe dan ook in het onderwijs thuishoort en omdat u er zo voor kunt zorgen dat zo’n tekst onverdeeld voldoening kan schenken aan de kinderen. Dat is het dus wat ik u allemaal op het hart wilde drukken met be­trekking tot de behandeling van leesteksten.
GA 295/60-67
vertaald/58-65

7e werkbespreking 28 augustus 1919 blz. 73  vert. 69

Lesen einer Fabel von Lessing.

                                                           Das Roß und der Stier

Auf einem feurigen Rosse flog stolz ein dreister Knabe daher. Da rief ein wilder Stier dem Rosse zu: «Schande! Von einem Knaben ließ ich mich nicht regieren!» «Aber ich», versetzte das Roß, «denn was für Ehre könnte es mir bringen, einen Knaben abzuwerfen?»

Rudolf Steiner (nachdem alle die Fabel vorgelesen haben): Sie wer­den wohl, nachdem Sie das schon so oft gehört haben, das Gefühl ha­ben, daß das so geschrieben ist, wie man Fabeln und viele Dinge im 18. Jahrhundert eben geschrieben hat. Man hat so das Gefühl, daß sie nicht ganz fertig geworden sind, wie manche Dinge damals nicht ganz fertig geworden sind.
Rudolf Steiner verliest die Fabel noch einmal und sagt dann: Jetzt, im 20. Jahrhundert, würde man die Fabel etwa in folgender Weise fortführen können:
Stierehre! Und suchte ich die Ehre, indem ich störrisch stehen bliebe, so wäre das nicht Pferdeehre, sondern Eselsehre.
So würde man es in der jetzigen Zeit machen. Dann würden die Kin­der auch gleich merken, daß es drei Ehren gibt: eine Stierehre, eine Pferdeehre und eine Eselsehre. Der Stier wirft ab, das Pferd trägt den Knaben ruhig weiter, weil es ritterlich ist, der Esel bleibt störrisch stehen, weil er darin seine Ehre sieht.

Er wordt een fabel van Lessing gelezen.

Het paard en de stier

Op een vurig paard vloog trots een drieste knaap. Daar riep een wilde stier het paard toe: ‘Schande! Door een knaap liet ik mij niet regeren!’ ‘Ik wel,’ zei het paard, ‘want wat voor eer zou het voor mij betekenen om een knaap af te werpen?’

Rudolf Steiner (nadat allen de fabel hebben voorgelezen): Nu u dit zo vaak hebt gehoord, zult u wel het gevoel hebben dat dat typisch zo geschreven is als fabels en veel dingen in de achttiende eeuw geschreven zijn. Men heeft zo het gevoel dat ze niet helemaal af zijn, zoals heel wat dingen in die tijd niet helemaal zijn afgerond.

Rudolf Steiner leest de fabel nog een keer voor en zegt dan:

Nu, in de twintigste eeuw, zou men de fabel een vervolg kunnen geven, bijvoorbeeld zo:

Stiere-eer! En zou ik eer zoeken door koppig te blijven staan, dan was dat geen paarde-eer, maar ezelseer.

Zo zou men het in deze tijd doen. Dan zouden de kinderen ook meteen merken dat er drie vormen van eer bestaan: de eer van een stier, van een paard en van een ezel. De stier werpt af, het paard draagt de jongen rustig verder omdat het een edel dier is en de ezel blijft koppig staan omdat hij dat als zijn eer beschouwt.
GA 295/73
vertaald/69

GA 295 8e werkbespreking 29 augustus 1919 blz. 89  vert. 83

Jetzt noch ein Prosastück, eine Fabel von Lessing:

                                                                          Die Eiche

Der rasende Nordwind hatte seine Stärke in einer stürmischen Nacht an einer erhabenen Eiche bewiesen. Nun lag sie gestreckt und eine Menge niedriger Sträuche lagen unter ihr zerschmettert. Ein Fuchs, der seine Grube nicht weit davon hatte, sah sie des Morgens darauf. 
Worin besteht denn die Fabelmoral?
T.:    Daß man erst beim Tode bemerkt, wie groß ein Mensch war.
H.:    Daß ein Kleiner erst merkt, wenn ein Großer gestürzt ist, was er war.

Rudolf Steiner: Aber warum wird gerade der Fuchs verwendet, der doch schlau ist?
H.:    Weil die Fuchsschlauheit an die Erhabenheit des Baumes nicht herankommt.

Rudolf Steiner: In welchem Satz würde mit Bezug auf die Fuchs-schlauheit die Fabelmoral stecken? – «Hätte ich doch niemals gedacht, daß er so groß gewesen wäre!»
Er hatte eben nie hinaufgeschaut. Er hatte ihn nur immer unten an­geschaut, war nur unten um ihn herumgegangen, und da hatte der Baum einen kleinen Raum eingenommen. Er hatte nur das gesehen, trotz seiner Schlauheit, was man unten von dem Umfange sieht.

Nu nog een stuk proza, een fabel van Lessing:

De eik

De woedende noordenwind had in een stormachtige nacht zijn krachten beproefd op een eerbiedwaardige eik. En met succes. De eik was geveld en een massa lage struiken waren door zijn val verpletterd. Een vos, die niet ver daarvandaan zijn hol had, zag de eik de volgende morgen. ‘ Wat een boom!’ riep hij. ‘Ik had nooit gedacht dat-ie zó groot was!’

Wat is de moraal van deze fabel?

T.: Dat je pas bij iemands dood ontdekt hoe groot die persoon was.

H.: Dat een klein mens pas merkt wat een groot mens was wanneer hij ten val is gekomen.

Maar waarom wordt juist de vos gebruikt, die toch slim is?

H.: Omdat de slimheid van een vos geen greep heeft op de grootsheid van de boom.

In welke zin zou wat deze vosseslimheid betreft de moraal van de fabel zitten? – ‘Ik had nooit gedacht dat-ie zo groot was!’

Hij had namelijk nooit omhoog gekeken. Hij had de boom altijd alleen van de onderkant bekeken, was alleen maar om de stam heen gelopen en daar aan de onderkant had de boom maar weinig ruimte ingenomen. Ondanks zijn slimheid had hij van de omvang alleen dat gezien wat men aan de onderkant ziet.

Ik wil u erop wijzen dat fabels, al spelen ze zich in een bijzondere wereld, in een fabelwereld af, realistisch gelezen mogen worden. Gedichten nooit.
GA 295/89
vertaald/83

Steiner komt nog terug op de fabel van de hond; en het viooltje zie boven.

GA 293  9e vdr. 30 augustus 1919 blz. 148/149    vert. 144/145

Man kann das auch noch anders ausdrücken. Wenn der Mensch aus der geistig.seelischen Welt heraustritt, sich mit einem Leibe umkleidet, was will er da eigentlich? Er will das Vergangene, das er im Geistigen durchlebt hat, in der physischen
Welt verwirklichen. Der Mensch ist gewissermaßen vor dem zahnwechsel ganz auf das Vergangene noch eingestellt. Von jener Hingabe, die man in der geistigen Welt entwickelt, ist der Mensch noch erfüllt. Daher gibt er sich auch in seine Umgebung hin, indem er die Menschen nachahmt. Was ist denn nun der Grundimpuls, die noch ganz unbewußte Grundstimmung des Kindes bis zum Zahnwechsel? Diese Grundstimmung ist eigentlich eine sehr schöne, die auch gepflegt werden muß. Es ist die, welche von der Annahme, von der unbewußten Annahme ausgeht: Die ganze Weft ist moralisch. Es ist bei den heutigen Seelen nicht umfassend so; aber es ist im Memlsen veranlagt, wenn er die Welt betritt, dadurch daß er ein pbysisches Wesen wird, von der unbewußten Annahme auszqehen: Die Welt ist moralisch. Daher ist es gut für die ganze Erziehung bis zum zahnwechsel und noch darüber hinaus, daß man etwas Rechnung trage dieser unbewußten Annahme: Die Welt ist moralisch. Ich habe darauf Rücksicht genommen, indem ich Ihnen zwei Lesestücke vorgeführt habe, für die ich zuerst die Vorbereitung gezeigt habe, und diese Präparation lebte ganz unter der Annahme, daß man moralisch charakterisiert. Ich versuchte zu charakterisieren bei dem Stück, wo es sich um das Hirtenhündchen, das Fleischerhündchen und das Polsterhündchen handelt, wie im Tierreiche Menschenmoral widergespiegelt sein kann. 

Wanneer de mens uit de geestelijke wereld afdaalt en zich met een lichaam omhult, wat wil hij dan eigenlijk? Hij wil dat wat hij voorheen in de geeste­lijke wereld ervaren heeft, realiseren in de fysieke wereld. In zekere zin is de mens voor de tandenwisseling nog volledig gericht op het verleden. Men is nog vervuld van de overgave die men in de geestelijke wereld ontwikkelt. Daarom geeft de mens zich over aan zijn omgeving door de anderen na te bootsen. En wat is nu de grondimpuls, de onbewuste grondstemming van het kind tot aan de tandenwisseling? Deze grondstemming is eigenlijk heel mooi en moet ook gekoesterd worden. Het is de stemming die er – onbewust – van uitgaat dat de hele wereld goed is. Tegenwoordig is dat niet bij alle zielen zo, maar in aanleg gaat de mens, door op aarde fysiek gestalte aan te nemen, er onbewust van uit dat de wereld moreel goed is.
Daarom is het voor de hele opvoeding tot aan de tandenwis­seling, en later nog, goed om rekening te houden met deze onbewuste grondstemming dat de wereld goed is. Toen ik twee teksten behandelde, (zie boven) met name de voorbereiding daarvan, heb ik daar ook rekening mee gehouden: deze voorbereiding stond volledig in het teken van een morele karakterisering. Bij het gedeelte over de herdershond, de slagershond en het schoot­hondje heb ik geprobeerd te karakteriseren hoe de mensenmoraal weerspiegeld kan zijn in het dierenrijk.

Und ich versuchte es auch, in dem Gedicht über das Veilchen von HoI!mann von Faiiersieben, ohne Pedanterie Moral auch über das siebente Lebensjahr hin- aus an das kindliche Leben heranzubringen, damit man dieser Anwthme, die Welt ist moralisch, entgegenkommt. Das ist ja das Erhebende und Große im Anblick der Kinder, daß die Kinder eine Menschenrasse sind, die an die Moral der Welt glaubt und daher glaubt, daß man die Welt nachahmen dürfe. – Das Kind lebt so in der Vergangenheit und ist auch vielfach ein 0ffenbarer der vorgeburtlichen Vergangenheit, nicht der physischen, sondern der geistig-seelischen.

Ik heb bij het gedicht van Hoffmann von Fallersleben over het viooltje geprobeerd om, zonder pedant te worden, ook aan kinderen boven de zeven iets moreels bij te brengen, opdat men tegemoetkomt aan deze veronderstelling dat de wereld goed is. Dat is ook het inspirerende en grootse van kinderen, dat ze mensen zijn die geloven in het goede van de wereld en die geloven dat men daarom de wereld mag nabootsen. – Het kind leeft ook in het verleden en openbaart ons zo ook in veel opzich­ten het voorgeboortelijke verleden – niet het fysieke, maar het geestelijke verleden.
GA 293/148-149
vertaald/144-145

>

Caroline von Heydebrand:
2e klas:
Bij het vertellen en navertellen zoekt men de overgang van het sprookje naar de fabel en dierenverhalen. Het kind is op deze leeftijd nog zo met zijn omgeving verbonden, dat het de dieren het beste begrijpt, wanneer deze als mensen optreden. Dat nu zit in de fabel. Legenden brengen harmonie voor wat aan het dier beleefd is, wanneer het kind door de legenden hoort hoe de mens naar volmaaktheid streeft. Deze zijn daardoor een noodzakelijke aanvulling op de dierenfabel en het dierenverhaal.[1]

In de passages uit Steiners voordrachten hierboven wordt (nog) niet gesproken over ‘legenden’.
Ik heb het altijd als een evenwichtige afwisseling ervaren: de ondeugden van de dieren tegenover de deugden van de heiligen.
Die afwisseling is belangrijk en mag volgens mij niet zo gehanteerd worden als ik weleens heb gezien, in een ‘periode’ fabels vertellen (gedurende  (een paar ) weken, en dan weer veel legenden). Om en om, lijkt mij.
[1] Caroline von Heydebrand Vom Lehrplan der freien Waldorfschule, 1965

.

Rudolf Steiner over vertellenalle artikelen

Vertellenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

2e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas 

.

296-277

.

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – spelling/grammatica

.

Onze taal is, wat spelling betreft, niet zo eenvoudig. Voor de kinderen valt er dan ook heel wat te leren. Er moet heel veel geoefend worden. Als leerkracht moet je dus ook heel goed weten hoe bepaalde spelling(s)regels zijn. Hieronder volgt een beknopte hulp: (uitbreiding volgt van tijd tot tijd)    

 (47)

Zie ook woordenallerlei

(35) aan/aan de gevolgen
(45) aan elkaar of streepje
(39) aanhalingstekens en komma
(37) aantal
(6) actieve zin
(2)   alle of allen;
(33) -allig
(3)   als of dan;
(30) als-bepalingen
(6) bedrijvende zin
(21) bepaling van gesteldheid: verkeerd gebruik;
(22) beknopte bijzinnen
(42) bijv. naamw. afgeleid van voltooid deelwoord
(28) denk/denk niet
(8)   die, dat of wat;
(17) dubbele ontkenningen;
(43) enkelvoud/meervoud
(10) ervan af/ ervanaf;
(41) haar of hem? hij of zij?
(41) hem of haar? hij of zij?
(1)   hen of hun;
(16) het zij/ zij het;
(41) hij of zij? Hem of haar?
(46) hoofdletters
(27) -ing of -atie
(34) ’t kofschip
(39) zodat of opdat
(40) leenwoorden
(5)   leestekens (punt, komma, puntkomma, aanhalingstekens);
(6) lijdende zin
(25) meervoud: stapel-; algemene regels; woorden op -ik; van samengestelde woorden;
(43) meervoud/enkelvoud
(14) meewerkend voorwerp;
(23) met betrekking tot; ten aanzien van
(11)  mits/tenzij;
(12) nadat;
(28) negatieverplaatsing
(13) niet (in) het minst;
(7)   omdat of doordat; reden/oorzaak;
(17) ontkenningen (dubbele);
(47) opdat of zodat
(6)   passief of actief;
(36) perifrase;
(18) pleonasme;
(19) samentrekking – foutief;
idem: ‘Tante Betje’
(29) stoffelijke bijv.naamw.
(45) streepje of aan elkaar
(44) streepje of trema
(20) tangconstructie;
(18) tautologie;
(24) te, ten ter
(23) ten aanzien van; met betrekking tot
(44) trema of streepje
(4) tweede naamval-S en meervoud-S;
(17) verhaspelingen; dubbele ontkenningen;
[38] verleden tijd of voltooide
(26) vervoeging Engelse werkwoorden
(31) verzwegen onderwerp
(42) voltooid deelwoord als bijv. naamwoord
(33) -voudig
(47) werkwoorden: samenkoppelingen
(32) werkwoorden sterk-zwak
(9)   wiens, wier, waarvan of wie;
(16) zij het/ het zij;
(41) zij of hij? hem of haar?
(47) zodat of opdat

(1) HEN  OF  HUN
X  Hun moeten aanvullen en dan kunnen wij op de counter spelen. Als je zo’n zin zwart op wit ziet staan, heb je waarschijnlijk direct door dat hier zij had moeten staan in plaats van hun. In spreektaal wordt deze fout echter verbazingwekkend vaak gemaakt. Nog veel groter (en niet alleen in spreektaal) is de verwar­ring rond hun en hen. Voor het correcte gebruik van hun en hen is enige grammaticale kennis nodig. hun mag eigenlijk alleen gebruikt worden als meewer­kend voorwerp hen wordt gebruikt als lijdend voorwerp en na voor­zetsels Ik heb hun de grammatica uitgelegd. Ik heb aan hen de grammatica uitgelegd. Ik heb hen op grammaticale kennis getoetst. Als je streeft naar zo verzorgd mogelijk taalgebruik, is het raadzaam om in de schrijftaal deze regel te volgen. Maar blijft het onderscheid tussen meewerkend en lijdend voor­werp je parten spelen, dan is er een in brede kring geaccep­teerde, eenvoudige oplossing: gebruik het woordje ze. Ik heb ze de grammatica uitgelegd. Ik heb ze op grammaticale kennis getoetst. Lees meer over hen en hun in paragraaf 4.2.3 van de Beknopte grammatica van het Nederlands in het Kramers woor­denboek Nederlands.

Kom je hun of hen tegemoet?

Tegenwoordig kiezen mensen vaker voor ‘hen’, omdat ‘hun’ besmet is door ‘hun hebben’, en qua ontleding kun je van ‘tegemoet’ een achterzetsel maken (net als ‘voorbij’) en dan past er ‘hen’ bij, of je stelt dat ‘hun’ lijdend voorwerp is van ‘tegemoetdrijven’, en dan zou het ook ‘hen’ zijn.  Tegemoet’ komt van ‘te ghe-moete’ (om te ontmoeten), en ‘Hij kwam haar tegemoet’ was dus oorspronkelijk iets als ‘Hij naderde om haar te ontmoeten’. Vroeger hoorde hier een derde naamval bij, en vandaar de keuze voor ‘hun’.
‘Volgens de strikte regel van Taaladvies bij het werkwoord  ‘tegemoetkomen’ past de vorm ‘hun’  want het zou gaan om ‘een soort meewerkend voorwerp’. Ik denk dat hier die uitgestorven derde naamval bedoeld is, en officieel is het dus ook ‘hun’. Wat zegt de taalwerkelijkheid? Daar is het chaos: in de literatuur kiezen schrijvers als A. Roland Holst, Louis Couperus en alle kinderboekenschrijvers rond 1900 voor ‘hen tegemoet’, maar ongeveer evenveel (Vondel, Van Schendel, Boudier-Bakker) schrijven ‘hun tegemoet’. Er zijn er ook die het door elkaar gebruiken. Het lastige is dat die naamval alleen in de keuze voor hen/hun zichtbaar is. Elke nieuwe generatie taalgebruikers heeft dus maar weinig aanknopingspunten. Ik denk dat het langzaam ‘hen’ wordt. p.a.coppen@let.ru.nl

(2) ALLE OF ALLEN? ENKELE OF ENKELEN?

Woorden als alle, andere, beIde, deze, eerste, enige, enkele, laatste, meeste, sommige, verscheidene, wei­nige moeten soms met een n aan het eind worden geschre­ven (allen, anderen enz.), maar het is niet altijd duidelijk wanneer ze die slot-n krijgen. Hiervoor bestaan de volgende vuistregels: -Deze woorden krijgen nooit een n als ze terugslaan op dieren of dingen: Alle eendjes zwemmen in het water. Ik zie ze alle zwemmen. Er staan hier te veel stoelen. We moeten er enkele op de gang zetten. Als deze woorden terugslaan op personen, gelden de vol­gende twee regels: Ze krijgen geen n als ze worden gevolgd door het zelfstandig naamwoord waar ze op terugslaan of als dit zelf­standig naamwoord er makkelijk achter gedacht kan worden: De meeste lezers haten moeilijke boeken. Vele toeristen keerden na de ramp terug naar huis, maar som­mige bleven toch in het land. -Ze krijgen wel een n als ze niet worden gevolgd door een zelfstandig naamwoord en als er ook moeilijk een zelf­standig naamwoord achter gedacht kan worden: Velen kennen de woorden van ons volkslied niet meer uit het hoofd tegenwoordig. Sommigen juichen de maatregel toe, maar anderen vrezen dat deze weer niets zal uithalen. De bestuurders hadden beiden schuld. De spelers protesteerden allen bij de scheidsrechter.

Nog een voorbeeld:
“Nu zijn eindredacteuren het eindstati­on van de kopijstroom. En ja, die hebben enige opleiding genoten, de meeste hebben die zelfs afge­maakt”.

De meeste had, meenden de critici, de meesten moeten zijn. Nu is dat synoniem van de meerderheid hier niet fout. Maar de meeste kun je evengoed gebruiken, omdat je er­achter een zelfstandig naamwoord kunt invullen dat iets eerder in de tekst staat: eindredacteuren. Ter vergelijking eenzelfde constructie: alle kandida­ten slaagden, de slordige inbegrepen.

(3) ALS   OF   DAN
Het woordje als is aan een ware zegetocht bezig. Steeds va­ker hoor je zinnen als: X  Duitse hooligans zijn nog erger als Engelse.Pele was een betere voetballer als Cruijff. Vooral in spreektaal wordt in dit soort zinnen zeer fre­quent als gebruikt, waar het volgens de traditionele regels dan hoort te zijn. In schrijftaal verdient het de voorkeur de traditionele regels te volgen: -na een vergrotende trap volgt dan: 

Zij kan beter leren dan haar broer. Mijn haar is langer dan dat van jou.

 -in een vergelijking waarin sprake is van een overeen­komst, gebruik je als:

Mijn moeder is even oud als mijn vader. Ik houd net zoveel van Bach als van Mozart. Soms is juist de angst om te zondigen tegen deze als-dan-regel de oorzaak van een andere fout: X   De rechter heeft net zo goed naar de ene partij geluisterd dan naar de andere In deze zin was als uitstekend op zijn plaats geweest. De hier gemaakte fout wordt wel hypercorrectie genoemd. Een ander struikelblok is de woordcombinatie niet dan nadat, die regelmatig wordt verminkt tot niet nadat: De Tweede Kamer ging akkoord, maar niet dan nadat de minis­ter aanvullende maatregelen had aangekondigd. Als hieruit dan wordt weggelaten, ontstaat er een zin met een tegengestelde betekenis: de Kamer gaat dan niet ak­koord, juist vanwege de aanvullende maatregelen.

 ‘voor iemand als ik’
Moet ‘ik’ hier niet ‘mij’ zijn?
Net als in het Duits na für (für mich, vierde naamval) ge­bruiken we in het Nederlands na het voorzetsel voor niet de vormen van de eerste naamval ik, jij, hij enz., maar mij, jou, hem enz.
Maar dat is hier de kwestie niet. De vraag is of het voorzetsel in het voorbeeld ook de vorm van het persoonlijk voornaamwoord (ik of mij) bepaalt. Dat is niet het geval: (voor iemand) als ik moeten we hier opvatten als een verkorting van (voor iemand) als ik ben – vandaar ik in plaats van mij.

(4) TWEEDE NAAMVAL: DE ES
Loek’s café’s of Loeks cafés Wanneer plak je des aan een woord vast en wanneer zet je er een apostrof voor? Het gaat hier om twee kwesties: de tweede-naamvals-s en de meervouds-s. De tweede-naamvals-s schrijf je in principe aan het woord vast: Loeks café, Annies liedje, Irenes broer, moeders rokken, Italiës kunstschatten, Renés praatjes, Renees fiets, Mickeys hond Alleen bij woorden die eindigen op een medeklinker ge­volgd door een a, i, o, u of y, moet voor de s een apostrof worden geplaatst om uitspraakproblemen te voorkomen: Anna’s liedje, Cupido’s pijlen, Kitty’s poes, opa’s sigaar, Mimi’s feestje, Edu’s geboorte Voor de meervouds-s gelden precies dezelfde regels: baby’s, auto’s, ski’s, paraplu’s, azalea’s; abonnees, Zoeloes, cafés, koekjes, bureaus.
Bij een ‘stomme e’ -de toonloze e – komt geen apostrof: tantes boek. Maar is de e lang, dan wel: Antigone’s ongeluk. Bij cliché zorgt de e accent aigu al voor een lange ee, dus is de apostrof overbodig. In het dagelijks taalgebruik zie je toch veel afwijkingen (die eigenlijk niet juist zijn)
Een bijzondere moeilijkheid doet zich voor bij de tweede-naamvals-s bij namen die al op een sisklank eindigen. Deze krijgen alleen een apostrof: Mies’ depressie, Cortez’ veroveringen, Marrakech’ marktleven, Max’ moppen Het maakt dus verschil of je schrijft over Jansens blunder of Jansens’ blunder: in het eerste geval gaat het om de blunder van Jansen, in het tweede om die van Jansens. Dit onder­scheid is alleen merkbaar in geschreven taal, je kunt het niet horen. Laat je in deze kwesties dus niet in de war brengen door de in veel Nederlandse geschriften constateerbare neiging om, net als in het Engels, altijd een apostrof te gebruiken in dit soort constructies. Huizen, luizen, muizen hebben een ‘Z’ in het meervoud, kruisen een ‘S’.* Al heel lang geleden werd de stemloze slot-s van een enkelvoud (huis) (Middelnederlands huus) in het meervoud tussen twee klinkers die stemhebbend zijn, een stemhebbende ‘Z’: huis/huizen enz. Dat is met kruis niet gebeurd, want de middeleeuwse voorloper daarvan eindigde niet op een ‘S’: het was cruce (naar het Latijn crux) Naar analogie van huizen is een tweede meervoud kruizen ontstaan. In sommige woordenboeken vind je beide betekenissen; het werkwoord is wel kruisen –  kruiste – gekruist *bron: dagblad Trouw)

(5) LEESTEKENS
Er wordt heel wat afgeworsteld met komma’s, dubbele punten en puntkomma’s: wanneer wel, wanneer niet, wan­neer de een, wanneer de ander?
Hier volgen in ’t kort de karakteristieken van deze veel misbruikte leestekens.
Een komma geeft een korte rust aan binnen een zin en is bedoeld om de leesbaarheid te vergroten. De komma kan een veelzeggend leesteken zijn. Hij kan aan een zin een volstrekt andere betekenis geven:
De spelers, die nog niet in vorm waren, presteerden matig.
De spelers die nog niet in vorm waren, presteerden matig.
In de eerste zin presteerden alle spelers matig, in de tweede zin alleen de spelers die nog niet in vorm waren.
In de eer­ste zin zou je het gedeelte tussen komma’s ook weg kun­nen laten zonder dat dat afbreuk doet aan de mededeling; in de tweede zin kan niets worden weggelaten.
Er moet altijd een komma als de persoonsvorm van een bijzin en de persoonsvorm van een hoofdzin pal naast el­kaar staan: Als je wint, krijg je een woordenboek. Er hoeft geen komma in zinnen als: Kok verklaarde dat de formatie naar wens verliep.
De dubbele punt gebruik je: -bij opsommingen: Ik riep iedereen: Sauder, Maarten, Laurens en Frank.
-bij citaten (hierbij zijn ook aanhalingstekens noodzake­lijk): Ik riep: ‘Sander, Maarten, Laurens, Frank!’
-ter introductie van een toelichting, verklaring, conclu­sie, omschrijving. De conclusie luidt dus: alles met mate.
De puntkomma gebruik je om twee zinnen die inhoude­lijk sterk met elkaar samenhangen, als een geheel te pre­senteren: De regering kondigde nieuwe bezuinigingen aan; vooral de zorgsector wordt getroffen. Overigens is het verschil tussen een punt en een punt­komma erg klein; vaak zijn ze onderling uitwisselbaar.
De aanhalingstekens Volgorde punt – aanhalingsteken Vraag: Komt de punt binnen het aanhalingsteken te staan in de volgende zin? Hij zei: ‘Ik heb dat boek allang gelezen.’ Antwoord Ja.
Toelichting: De punt komt binnen het aanhalingsteken te staan, als hij hoort bij het citaat of bij de directe rede die als geheel binnen de aanhalingstekens geplaatst worden.
Bijvoorbeeld: (1) Zij antwoordde: ‘Ik denk niet dat ik nog langer met je om wil gaan.’
Hoort echter de punt niet bij het deel dat tussen aanhalingstekens staat, dan wordt hij geplaatst na het aanhalingsteken. Bijvoorbeeld: (2) Zij fluisterde iets van ‘eeuwig trouw’ en ‘altijd blijven houden van’.
Als vuistregel kun je stellen dat bij het citeren van een hele zin of hele zinnen de punt binnen de aanhalingstekens komt, terwijl je hem bij het citeren van delen van zinnen erbuiten plaatst.
Wat doen we als de regels leiden tot meer dan twee leestekens na elkaar? In zin (1) hoort er na het laatste aanhalingsteken eigenlijk nog een punt te volgen. Immers, de eerste punt sluit alleen het citaat af; de tweede punt de gehele zin. Toch plaatsen we die tweede punt niet. Het principe is dat we bij voorkeur niet drie of meer leestekens op elkaar laten volgen. Op dit principe bestaan echter uitzonderingen. In de volgende zin kan het vraagteken duidelijk niet gemist worden: (3) ‘Heb je dat boek al gelezen?’, vroeg hij. Hier nemen we voor lief dat er wél drie leestekens naast elkaar staan. Sommige schrijvers vinden die opeenhoping van leestekens zo lelijk dat ze de komma weghalen (‘Heb je dat boek al gelezen?’ vroeg hij.). Bijzonderheid Een noot komt na het aanhalingsteken. Voorbeeld: (4) De auteur vermeldt: ‘Deze opvatting van het vorstendom heeft lang doorgewerkt.’5

(6) PASSIEF OF ACTIEF?
De bedrijvende (actieve) vorm van een zin ziet er zo uit: De directie zette de koffiejuffrouw in het zonnetje. Je moet het wiel van je fiets nog repareren. Deze zinnen kun je in de lijdende (passieve) vorm zetten: De koffiejuffrouw werd door de directie in het zonnetje gezet. Het wiel van je fiets moet nog (door jou) worden gerepa­reerd. Een actieve zin legt het accent op de handelende persoon (directie resp. je), waar deze in een passieve constructie naar de achtergrond wordt gedrongen of zelfs helemaal wordt verzwegen. Een lijdende vorm kan een heel duidelijke functie hebben. Hij maakt een zin minder persoonlijk, geeft er een algeme­nere strekking aan en suggereert objectiviteit (om die rede­nen wordt er in ambtelijke stukken waarschijnlijk veelvul­dig gebruik van gemaakt). Ook als de handelende persoon niet bekend is of als de schrijver zichzelf niet nadrukkelijk als handelende persoon op de voorgrond wil plaatsen, kan de lijdende vorm uitstekend van pas komen: Er wordt geklopt. Bezoekers wordt aangeraden tijdig aanwezig te zijn. Er worden tegenwoordig veel slaapmiddelen gebruikt. Asielzoekers worden eerder over de grens gezet. Het is de kunst om de lijdende vorm gedoseerd te gebrui­ken. Als je een levendige tekst wilt schrijven die makkelijk leesbaar is, verdient de bedrijvende vorm de voorkeur. Ver­gelijk: Een zware nederlaag werd door het Nederlands elftal geleden. De inbreker werd door mij betrapt. met: Het Nederlands elftal leed een zware nederlaag. Ik betrapte de inbreker.

Een zin als ik spreek Jan morgen mag je ook volgens taalkundigen niet omzetten in Jan wordt morgen door mij gesproken. In grammaticale termen: deze bedrijvende of actieve zin laat zich niet passief of lijdend maken. Nog anders gezegd: het lijdend voorwerp (Lv.) in de actieve zin (Jan) kan geen onderwerp van de bijbehorende passieve zin worden.
Dat lijkt misschien vreemd, omdat andere werkwoorden met een lijdend voorwerp (overgankelijke of transitieve werkwoorden) zo’n omzetting wél toelaten. Vergelijk X slaat/benadeelt Y en Y wordt door X geslagen/benadeeld. Maar die truc gaat niet altijd op. Probeer ik heb een fiets (l.v.) en ze krijgt een cadeau (l.v.) maar eens passief te maken. Trouwens, is Jan in ik spreek Jan morgen wel een lijdend voorwerp? Meer te vinden op Taalprof

(7) OMDAT OF DOORDAT
XDe wegen lagen bezaaid met grote takken, omdat het de nacht ervoor hevig stormde. Nauwkeurige lezing van deze zin leidt tot de conclusie dat de grote takken in de storm van de afgelopen nacht een goede reden hebben gezien om op de weg te gaan liggen. De schrijver heeft ongetwijfeld iets anders willen meede­len. De onjuiste interpretatie ontstaat door het verkeerd gebruik van het woordje omdat. In de spreektaal worden omdat en doordat vaak door elkaar gehaald zonder dat iemand er een punt van maakt. Maar in de schrijftaal kun je alle mogelijke misverstanden beter vermijden: gebruik omdat wanneer je een reden aan wilt ge­ven en doordat wanneer het om een oorzaak gaat. Een reden is het gevolg van willen of denken: Frank heeft een hekel aan muziekles, omdat hij de juf nietaardig vindt. Omdat het er altijd regent, ben ik maar niet naar Galicië ge­gaan. Bij een oorzaak treedt het gevolg automatisch op, zonder dat er van een wil of een beslissing sprake is: Frank kon niet naar muziekles, doordat zijn juf ziek was. De brug stortte in, doordat de rivier buiten haar oevers trad. Daar omdat in de spreektaal veel gebruikelijker is dan door­dat, wordt in zinnen als deze laatste door sommigen het woordje omdat ook wel aanvaardbaar geacht, vooral als het onderscheid tussen reden en oorzaak niet erg scherp is. In de schrijftaal blijft het gebruik van doordat echter voorge­schreven in geval van oorzaak. Tot slot: na ‘dat komt’ volgt altijd een oorzaak: dat komt doordat…

REDEN/OORZAAK Toen oud-minister Els Borst dood werd aangetroffen in haar garage­box, kon ‘de reden van het overlij­den (…) door de politie niet direct worden vastgesteld,’ schreef een nieuwssite. De reden? De vraag naar de reden van iemands overlijden is een bijna filosofische waarom-vraag. De poli­tie zal waarschijnlijk geen belang­stelling hebben voor het antwoord daarop. Daarentegen is de politie bij verdachte sterfgevallen wel geïnteresseerd in de vraag waar­dóór iemand gestorven is. De oor­zaak van iemands overlijden kan immers strafrechtelijke consequen­ties hebben. De aangehaalde formulering is geen incident. Ook in kranten zijn wel zinnen te vinden waarin spra­ke is van de ‘reden van iemands dood’. Nog vaker worden berichten aangetroffen waarin het woord ‘re­den’ ontbreekt, maar waarin wel sprake is van ‘waarom’ iemand is gestorven. Of er wordt geschreven dat iemand overleden is ‘omdat’ hij besmet was geraakt met een dode­lijk virus. Wordt er gezocht naar de oorzaak van iemands dood, dan zijn echter de woorden ‘doordat’ en ‘waardoor’ op hun plaats: ‘Waar­door is hij gestorven?’ ‘Doordat hij besmet was geraakt met het ebolavirus.’ Alleen als wordt gevraagd naar de reden van een sterfgeval waarin iemand zelf de hand heeft gehad, is het gebruik van ‘omdat’ en ‘waarom’ op zijn plaats: ‘Waarom sprong iemand van een flat?’ ‘Omdat hij dood wilde.’ Terug naar het bericht over de oud­minister. In dit geval zou het dus beter zijn geweest als daarin had gestaan dat ‘de politie de oorzaak van het overlijden niet direct had kunnen vaststellen’.

(Trouw)

(8) DIE, DAT OF WAT?
Wie wel eens een interview met Johan Cruijff heeft ge­volgd, zal vertrouwd zijn met formuleringen als: “… de rechterverdediger wie regelmatig langs de zijlijn op­komt…” Dit gebruik van het woord wie is vrij specifiek voor het taalgebruik van Cruijff. Algemener is de verwarring rond de vraag of je nu dat of wat moet gebruiken om terug te verwijzen naar een voorafgaand zelfstandig naamwoord. In het algemeen geldt dat je als betrekkelijk voornaam­woord die of dat moet gebruiken om te verwijzen naar een voorafgaand zelfstandig naamwoord: De vrouw die daar loopt, was mijn vriendin. Ik kocht het huis dat daar onlangs gebouwd is. Nigeria, dat al Olympisch kampioen was, was ook kanshebber bij de Wereldkampioenschappen. In de spreektaal wordt in deze laatste gevallen vaak wat ge­bruikt in plaats van dat. Dit wordt veelal afgekeurd: X Nigeria, wat al Olympisch kampioen was. Wel correct is het gebruik van wat na woorden als iets, niets, alles, veel, weinig, het enige, datgene, het mooiste: Het mooiste wat ik ooit heb gelezen, is een gedicht van Rutger Kopland. Het enige wat Orpheus niet mocht doen, was achteromkijken. Wat gebruik je ook als het slaat op een hele zin; het kan dan vervangen worden door hetgeen. Let op het verschil met het gebruik van die of dat: Zij zongen luidkeels een Italiaans lied, dat hij vreselijk vond. Zij zongen luidkeels een Italiaans lied, wat hij vreselijk vond. In de eerste zin vond hij alleen het lied vreselijk, in de tweede zin het luidkeels zingen.

(9) WIENS, WIER, WAARVAN OF VAN WIE?
Wier en wiens zijn oude naamvalsvormen van wie; we be­zigen ze vooral in schriftelijke taal. Ze slaan terug op perso­nen: wier op een vrouwelijk persoon of op meer personen, wiens op een mannelijk persoon. In plaats van wier en wiens kun je ook van wie gebruiken (maar niet: waarvan):  Gerard, wiens auto wij mochten lenen, was niet thuis, of: Gerard, van wie wij de auto mochten lenen, was niet thuis. Haar nichtje, wier vader operazanger was, kwam dit weekend logeren, of: Haar nichtje, van wie de vader operazanger was, kwam dit weekend logeren. Verkeersovertreders, wier auto in beslag is genomen, kunnen beroep aantekenen, of: Verkeersovertreders, van wie de auto in beslag is genomen, kunnen beroep aantekenen. Samentrekkingen van waar met een voorzetsel (zoals waar­aan, waarmee) kunnen alleen worden gebruikt om te ver­wijzen naar dieren en dingen. In gesproken taal worden ze ook vaak gebruikt om te verwijzen naar personen. Kies in geschreven taal echter altijd voor een constructie met wie bij verwijzing naar personen (aan wie, met wie enz..): De man achter het loket, aan wie ik het pakje overhandigde, had een scheur in zijn overhemd. X De man achter het loket, waaraan ik het pakje overhandigde, had een scheur in zijn overhemd. Mijn beste vriend, met wie ik op vakantie ben geweest, gaat verhuizen naar Utrecht. Mijn beste vriend, waarmee ik op vakantie ben geweest, gaat verhuizen naar Utrecht. Onze oude kat, waaraan ik de beste herinneringen bewaar, is vorige week overleden. De trein waarmee ik naar Alkmaar zou reizen, had vertraging. 

(10) Er vanaf of ervan af? Achterop of achter op?

Wat is er mis met de volgende zinnen? Het hangt er vanaf wat je bedoelt. Hij gaat er altijd maar vanuit dat jij het oplost. Voorlopig zien wij ervanaf. Ik keek ervan op. Alleen de laatste zin is in orde. De moeilijkheid in dit soort zinnen schuilt in de vraag of je een combinatie als er + van + af aan elkaar of los moet schrijven: er vanaf ervan af of er­vanaf! Voor de oplossing moet je kijken naar het volledige werk­woord. In de bovenste zin is dat afhangen van. Af  hoort niet bij van, maar bij hangen. De correcte zin is dus: Het hangt ervan af wat je bedoelt. In de tweede en de derde zin gaat het om de werkwoorden uitgaan van, resp. afzien van. De juiste schrijfwijze is derhalve: Hij gaat er altijd maar van uit dat jij het oplost. Voorlopig zien wij ervan af. Een verwant probleem wordt gevormd door combinaties als achter + op, onder + in e.d. Hier luidt de regel: als er achter zo’n combinatie een zelf­standig naamwoord staat, schrijf je ze los, anders aan el­kaar: Ik zit achter op de fiets. Ik zit achterop. Het boek ligt onder in de kast. Het ligt onderin. Het is vlak bij de grens. Het is vlakbij.
Ervan, ertegen e.d. worden tegenwoordig aan elkaar geschreven.

(11) TENZIJ/MITS Mits en tenzij worden vaak ten on­rechte verwisseld, waardoor een zin het tegenovergestelde betekent van wat wordt bedoeld. Die verwis­seling hangt ermee samen dat ten­zij en mits vaak als pendanten wor­den gebruikt. Zo is de formule ‘Ja, mits het nut van de maatregel kan worden aangetoond’ de positieve tegenhanger van ‘Nee, tenzij het nut van de maatregel kan worden aangetoond’. Mits bestaat in de huidige beteke­nis sinds het midden van de 19de eeuw, maar tenzij is veel ouder. Het woord is in de late middeleeu­wen ontstaan uit de woordgroep ‘het en zij’, waarin ‘en’ niet bete­kent. Tenzij betekent dus letterlijk ‘zij het niet dat’ oftewel ‘indien het … niet het geval is’. Dat tenzij gere­geld verkeerd gebruikt wordt, wijst erop dat dit woord, hoewel stok­oud, veel taalgebruikers niet meer eigen is. Tenzij betekent ‘behalve als’. mits: ‘op voor­waarde van’.

(Trouw)

(12) NADAT
Hoeft niet meer per se gevolg te worden door de voltooide tijd

(13)  NIET (IN) HET MINST
Zo schreef Trouw laatst over Henk Bleker: ‘Populistische oneliners [werden] niet in het minst ge­voed door de staatssecretaris zelf. Daarmee werd beweerd dat zulke one­liners helemaal niet door Bleker gevoed (of gedebiteerd?) werden. Dat kan niet de bedoeling zijn geweest. Misbruik van niet in het minst is een oude bekende van de taalpolitie. Strikt genomen betekent de uit­drukking inderdaad ‘niet voor het minste deel’ oftewel ‘helemaal met’, zoals in ‘de schrijver was zich er kennelijk niet in het minst (vol­strekt niet) van bewust dat hij vol­gens sommige lezers onzin ver­kocht’. In de geciteerde zin over Bleker fungeert niet in het minst als syno­niem van ‘niet in de laatste plaats, vooral’. Voor die betekenis beschik­ken we sinds jaar en dag over een uitdrukking die op één woordje na gelijkluidend is: niet het minst, zoals in ‘na de nederlaag was heel Twen­te van de kaart en de trainer niet het minst’. Onze Taal heeft al eens vastgesteld dat niet het minst ‘in de praktijk steeds minder gebruikt’ wordt. Ve­len voegen altijd het woordje in toe, met het gevolg dat het beteke­nisverschil met niet in het minst ver­dwijnt. De taaladviseurs van het blad verwachtten dan ook dat de twee uitdrukkingen ‘in de toe­komst synoniem’ worden. Allebei zou je ze dan mogen opvat­ten m de zin van ‘vooral’. Intussen kunnen kranten beide uitdrukkin­gen maar beter vermijden. Per slot van rekening zijn er alternatieven genoeg die niemand op het ver­keerde been zetten.

 (14) MEEWERKEND VOORWERP
In de zin ‘Piet werd op de fout ge­wezen’, kun je ‘Piet’ als meewerkend voorwerp beschouwen, schreef u vorige week. Is dat wel juist? Vervang je ‘Piet’ door een voornaamwoord, dan luidt de zin toch ‘hij (niet: hem) werd op de fout gewezen’? ‘Hij’ is dan onderwerp – en ‘Piet’ dus ook. Andere lezers blijken deze mening te delen. Toch is een zin als hem/ mij/jou/ons/hun (meewerkend voor­werp, hierna m.v.) werd op de fout gewezen vanouds onberispelijk. Wij­zen op kun je hier vergelijken met meedelen: (aan) Piet of‘hem werd de fout meegedeeld \ (ten behoeve van) Piet of hem werd op de fout gewezen. Tegenwoordig geldt zo’n zin met hem als ouderwets of formeel. Ve­len geven er, met de e-mailende le­zers, de voorkeur aan Piet als on­derwerp te beschouwen en dus ook hij werd… gewezen te zeggen. Een treffende illustratie van wat ‘de leegloop van het m.v.’ heet. Voor een m.v. moet je aan of voor kunnen zetten, schreven sommi­gen: ze gaf (aan) hem een boek, de kwestie is (voor) mij te duister. Dat lukt niet met Piet in het voorbeeld en ook daarom zou dat geen m.v. kunnen zijn. Dit bezwaar verwijst naar een vuistregel die nuttig is, maar niet altijd opgaat. Probeer hem maar eens toe te passen op dat stuit haar (m.v.) tegen de borst of op de haren rezen hem (m.v.) te berge. Rest de vraag hoe je een m.v. dan kunt herkennen. Welnu, het moet, zegt een veelgebruikte grammati­ca, een zinsdeel zijn dat op een of andere manier meedoet aan de handeling die door het werkwoord (en het lijdend voorwerp) wordt uitgedrukt. Dat ‘meedoen’ moeten we wel ruim opvatten; het hoeft niet actief of vrijwillig te zijn.

(15) ABSOLUUT VERGROTENDE TRAP Als 66-jarige ben ïk een oudere man, maar ïk wil vooral niet aange­zien worden voor oud. Het is opmerke­lijk dat ‘oudere’ hier minder oud is dan ‘oud’. Doorgaans geven de zogeheten trappen van vergelijking inderdaad een opklimmende reeks aan: oud (stellende trap of positief) – ouder ‘ (vergelijkende trap of comparatief) – oudst (overtreffende trap of super­latief). Maar een oudere man in de zin van ‘een man op enigszins ge­vorderde leeftijd’ neemt inderdaad een aparte positie in. In een geval als dit berust oudere niet op een expliciete vergelijking, maar is -ere eerder een graadaanduiding (‘min of meer’). Onder taalkundigen is hiervoor de term absolute of onechte vergrotende trap in omloop. Het gebruik ervan beperkt zich niet tot ouder(e), getuige uitdruk­kingen als een hogere (boven ons ge­stelde) macht, de lagere inkomens, de mindere man en de rijpere jeugd. Het Duits kan hier het Nederlands als voorbeeld hebben gediend, met constructies als seit längerer Zeit (sinds vrij lange tijd) en ein grösserer Betrag (een tamelijk groot be­drag).

Sommige van de Nederlandse vormen worden overigens wel opgevat als een verkapte superlatief. Met de hogere standen bijvoorbeeld zijn dan de hoogste bedoeld. Zo ook zal Trouw zich met de slag zin ‘de betere krant’ niet als ‘een min of meer goede krant’ hebben willen kenschetsen, maar minste] als ‘een van de beste’. Wanneer de onechte comparatie­ven ontstaan zijn, is onbekend.

(16) ZIJ HET OF HET ZIJ
‘De bank zet (…) de groei van de af­gelopen jaren voort, hetzij wat minder snel dan voorgaande jaren.’ Hetzij?
Tegenwoordig is hetzij een nogal formeel synoniem van ‘ofwel’ en ‘of’. Doorgaans wordt hetzij gebruikt om woorden of woordgroepen met elkaar te verbinden die samen een alternatief of een regelrechte te­genstelling vormen: ‘We komen hetzij morgen, hetzij overmorgen’; ‘Je moet hetzij koken, hetzij de af­was doen.’ Hetzij functioneert met andere woorden als een voeg­woord. Een stokoud voegwoord, want hetzij is al in de middeleeu­wen ontstaan (in de vorm ‘het si’) door samenvoeging van het voor­naamwoord ‘het’ en de aanvoegen­de wijs van het werkwoord ‘zijn’. In het gebruik werd het daarna sy­noniem met ‘of’. In de aangehaalde zin over de bank is hetzij niet op z’n plaats. Hier wordt geen tegenstelling of al­ternatief genoemd. Na de komma wordt de mededeling in het vooraf­gaande zinsdeel genuanceerd. De formulering die daarbij hoort, is niet hetzij maar zij het: ‘De bank groeit nog steeds, zij het wat minder snel dan voorheen.’ De verwisseling van hetzij en zij het (waarin ‘zij’ eveneens de aanvoe­gende wijs van ‘zijn’ is) is in de media tamelijk zeldzaam, maar enig zoeken op internet leert dat zij het in andere teksten wel vaker ten onrechte wordt vervangen door het zij. Dat komt vermoedelijk doordat steeds minder mensen vertrouw zijn met zij het als een versteende uitdrukking waarmee je een voorafgaande mededeling mooi kunt nuanceren. En dat is best jammer.

(17) VERHASPELINGEN EN DUBBELE ONTKENNINGEN
Soms kom je zinnen tegen als:
Wij moeten ons goed beseffen wat de gevolgen zijn.
X De ondernemingsraad had bij de fusiebesprekingen weinig melk in de pap te brokkelen.

Je voelt wellicht dat er iets mis is met deze zinnen. Een uit­drukking als zich beseffen is een onjuiste vermenging van beseffen en zich realiseren. In dezelfde sfeer ligt het door veel taalgebruikers verfoeide zich irriteren (zich ergeren en ir­riteren). In de uitdruking weinig melk in de pap te brokkelen hebben worden de zegswijzen niets in de melk te brokke(le)n hebben en een vinger in de pap hebben op een wonderlijke wijze vermengd.

Dit type foutieve vermenging heet contaminatie.
Contaminatie doet zich ook voor op woordniveau. De middenstand heeft ons een tijdlang geplaagd met brouw­sels als boektiek en broektiek (b(r)oek en boetiek). Dat een be­wust gemaakte contaminatie ook kan slagen, blijkt uit een woord als smog (uit het Engelse smoke = rook en fog = mist), dat zich inmiddels een vaste plaats in onze woordenschat heeft verworven.

Contaminaties kunnen ook ontstaan door het verkeerd ge­bruik van woorden die verkapt ontkennend zijn:
X Met dit handige boekje kunt u voorkomen dat u zo min mogelijk fouten maakt.
X   In de lift geldt een niet-rookverbod.

Wees op je hoede voor dergelijke opeenstapelingen van ontkenningen. Je loopt het risico het omgekeerde te bewe­ren van wat je eigenlijk bedoelt en in ieder geval maak je het de lezer flink lastig.

(18) PLEONASME/TAUTOLOGIE

Witte sneeuw en groen gras
Witte sneeuw dwarrelde gestaag neer op de groene velden.

Deze zin bevat overbodige informatie. Vallende sneeuw is immers altijd wit en dat velden veelal groen zijn is ook ge­noegzaam bekend. Dat had dus niet extra vermeld hoeven worden. Maar wellicht wilde de schrijver het tafereel zo beeldend mogelijk in taal vangen en koos hij welbewust voor deze stijlfiguur die pleonasme heet.
Pleonasmen, en ook tautologieën, zijn uitdrukkingen waarin twee keer hetzelfde wordt gezegd. Bij een tautologie gaat het om twee dezelfde woordsoorten (enkel en alleen), bij een pleonasme om twee verschillende woordsoorten (witte sneeuw).
Maak alleen gebruik van tautologie of pleonasme als ze een duidelijke functie hebben, bijvoorbeeld om  een medede­ling kracht bij te zetten:

Hoe je de zaak ook wendt of keert, jullie zaten fout.

Dat zal hij nooit ofte nimmer meer doen.
Het vee deed zich tegoed aan liet sappige, groene gras.

Dikwijls worden pleonasme en tautologie echter ten on­rechte, en vaak onbewust, gebruikt:
Door veel te trainen zullen de atleten zo optimaal mogelijk presteren.
Zij bezit het vermogen om heel snel tot de kern van de zaak te kunnen doordringen.

Optimaal betekent al zo goed mogelijk, dus de toevoeging zo…mogelijk is overbodig. Het vermogen bezitten betekent iets kunnen, dus het woord kunnen kan achterwege blijven.

Zie voor meer informatie over dit onderwerp paragraaf 4.3.3 van de Beknopte grammatica van het Nederlands in het Kramers woordenboek Nederlands.

(19) FOUTIEVE SAMENTREKKING

Hier zet men koffie en over
Dit standaardgrapje over een opschrift dat bij een veerpont zou hebben gestaan is het bekendste voorbeeld van een foutieve samentrekking. Vergelijk de volgende zinnen: Paul heeft griep gekregen en Paul heeft zijn afspraak afgezegd. Paul heeft griep gekregen en zijn afspraak afgezegd.

In de tweede zin zijn het onderwerp en bovendien de per­soonsvorm, Paul resp. heeft, weggelaten, waardoor de zin veel vlotter leesbaar is. Dit verschijnsel heet samentrekking. Je mag echter alléén een zinsdeel weglaten als in de eerste zin een zinsdeel met dezelfde functie staat:

Paul heeft griep en zijn afspraak afgezegd.

In dit geval kon heeft in het tweede zinsdeel niet worden weggelaten, omdat het daar hulpwerkwoord was en in het eerste zinsdeel niet. Dit is dezelfde fout als die bij de veer­pont, waar men zet heeft weggelaten, terwijl het de eerste keer sloeg op koffie zetten en daarna op overzetten. Ook zinnen als: Bij het bombardement verloor ze haar man en een been kan men beter vermijden. Het werkwoord verlie­zen heeft wel grammaticaal dezelfde functie, maar er is toch verschil tussen het verliezen van een been en van een man!

Ook de zgn. Tante Betje lijkt op een verkeerde samen­trekking; dit is de populaire naam van een fout die ge­maakt wordt als het onderwerp na de persoonsvorm staat, terwijl het ervóór zou moeten staan:

Het gras was groen en dansten de koeien in de wei. Goed is:

Het gras was groen en de koeien dansten in de wei. Het onderwerp kan wel achter de persoonsvorm staan, maar dan moet daar een ander zinsdeel voor staan: Het gras was groen en daarom dansten de koeien in de wei.

Zie verder paragraaf 4.1.5.1 van de Beknopte grammatica van het Nederlands in het Kramers woordenboek Nederlands.

(20) TANGCONSTRUCTIE
‘Houd je zinnen kort’ is een veelgehoord schrijfadvies en onervaren schrijvers kunnen zich daar ook maar het beste aan houden. Korte zinnen zijn nu eenmaal makkelijker leesbaar dan lange zinnen. Toch heelt dit advies slechts een beperkte geldigheid. Er zijn auteurs die zinnen van een halve bladzij lang kunnen maken zonder dat de zinslengte afbreuk doet aan leesgemak of begrijpelijkheid. Het probleem bij veel lange zinnen schuilt in de ondoor­zichtige zinsstructuur. De lezer raakt verstrikt in een net­werk van bijzinnen en aan het eind weet hij niet meer hoe de zin ooit begon:

Morgen werk ik mijn nieuwe collega, die eerst via een uit­zendbureau als tijdelijke kracht zal beginnen en na de zomer bij gebleken kwaliteiten vast in dienst zal kunnen treden, in.

Deze zin is moeilijk leesbaar door de zogenaamde tang­constructie die erin wordt gebruikt: de woorden werk en in horen bij elkaar, ze vormen als het ware een tang waar­tussen zich maar liefst 23 woorden hebben weten te wur­men. De zin is weliswaar grammaticaal correct, maar vraagt veel van het geheugen: het woordje werk moet je vast zien te houden tot je bij in bent. In dit geval is het probleem eenvoudig Te verhelpen:

Morgen werk ik mijn nieuwe collega in, die eerst via een uit­zendbureau als lijdelijke kracht zal beginnen en na de zomer bij gebleken kwaliteiten vast in dienst zal kunnen treden.

Streef ernaar om zinsdelen die bij elkaar horen ook dicht bij elkaar te plaatsen. Soms, zoals hierboven, is een kleine herschikking afdoende, soms is splitsing van een lange zin in enkele afzonderlijke zinnen de oplossing. Maar zadel je lezers nooit op met puzzels als:
De schrijver die in teksten die zijn lezers, die gesteld zijn op hel­dere zinnen, moeten boeien, dit soort constructies gebruikt, faalt volledig.

(21) BEPALING VAN GESTELDHEID:  VERKEERD GEBRUIK

Staande op een heuvel trok het schip voorbij

X Slingerend in een jeep heeft de politie in de nacht van vrijdag op zaterdag een dronken man aangehouden.
Voor sommigen is bovenstaande zin misschien op het eer­ste gezicht aanvaardbaar, maar wie nauwkeuriger leest, ziet dat volgens deze mededeling de politie in een jeep aan het slingeren was en ondertussen ook nog even een dronken man aanhield.

Hoe is een dergelijke fout ontstaan? Dit ligt aan het ver­keerde gebruik van de bepaling van gesteldheid.

Dit is een zinsdeel dat aangeeft in welke toestand iets of ie­mand in de zin zich bevindt, bijv.:

Mijn moeder lag ziek in bed. De lakens lagen schoon in de kast.

Ik zag mijn hondje druipend en met kroos in zijn vacht de sloot uit kruipen.

Als zo’n bepaling ergens midden in de zin staat, heeft zij betrekking op de persoon, het dier of het ding dat er het dichtst bij staat; staat de bepaling echter voor in de zin, dan heeft zij altijd betrekking op het onderwerp. Tegen deze regel wordt nogal eens gezondigd, wat kan leiden tot komische zinswendingen als:

Druipend en met kroos in de vacht zag ik mijn hondje de sloot uit kruipen.
Bonkend in zijn hok hield mijn buurman het konijn voor een inbreker.
Na een welverdiende vakantie nam de Here tot zich mijn lieve echtgenoot…

Echt abstract wordt het als de persoon waarop de bepaling betrekking zou moeten hebben, helemaal niet in de zin voorkomt:

X Staande op een heuvel trok het schip voorbij.

(22) BEKNOPTE BIJZINNEN
 ‘Lopend over de Bund in Shanghai verrijst aan de overkant van de rivier het Chinese zakendistrict Pudong’ .
Wordt hier niet gesuggereerd dat het zakendistrict zowel verrijst als over de Bund loopt?
Lopend t/m Shanghai
is een beknop­te bijzin met een verzwegen onder­werp. De lezer vindt dat dit onder­werp gelijk moet zijn aan dat van de hele zin: het Chinese zakendistrict P. Op deze zienswijze zijn drie re­acties mogelijk:
Geen zinnig mens zal het zaken­district zien lopen. Iedereen ziet meteen dat de bijzin naar ‘je’ of ik’ verwijst. De constructie verschilt niet van, bijvoorbeeld, eerlijk gezegd héb je gelijk, die niemand op het idee zal brengen dat het veronder­stelde onderwerp van eerlijk gezegd elders in de zin te vinden is.
Het taalgevoel van velen en de stilistiek vereisen dat het onder­werp in beide gevallen (beknopte bijzin en de rest) hetzelfde is. Het voorbeeld met eerlijk gezegd is een uitzondering: voor een aantal vaste uitdrukkingen geldt de eis niet.
Zo streng hoeven we nou ook weer niet te zijn, zeg ik de grammaticabijbel ‘Algemene Nederland­se Spraakkunst’ na. Het verzwegen onderwerp van de bijzin mag ook een lijdend of een meewerkend voorwerp zijn. Even­eens acceptabel is dus een zin als lezend in de krant viel mij iets vreemds op, waarin het verzwegen onder­werp van de bijzin overeenkomt met mij, het meewerkend voor­werp van de hele zin. Helaas redt deze redenering de voorbeeldzin in de aanhef niet, want die bevat alleen een onder­werp en geen lijdend of meewer­kend voorwerp.

(23) TEN AANZIEN VAN; MET BETREKKING TOT
Vooruitlopend op de besluitvorming inzake de wet aangaande het vandalisme alsmede de bestrijding daarvan stelt de wethou­der voor aan de hand van een noodverordening alvast aan te vangen met versterking betreffende de regiokorpsen.

Van zo’n zin wordt niemand vrolijk. Toch kom je derge­lijke gedrochten nog regelmatig tegen. Sommige schrijvers menen indruk te kunnen maken met een aaneenschake­ling van aangaandes, inzakes, met betrekking tots en aan de hand vans.
Toegegeven, dergelijke woorden zijn niet altijd te vermijden. Maar als je je lezers te vriend wilt houden, gebruik ze dan spaarzaam en denk altijd even na over een minder bombastisch alternatief. Hierbij enkele suggesties:

Te vermijden:Vervangen door:
aan de hand vanmet
als gevolg vandoor
alsmedeen
hedenvandaag
in de richting vannaar
in het kader vanbij, in, om
inzakeover
met betrekking totover
mijns/onzes/inziens Volgens mij/ons/hem
omtrentover
op het gebied vanop, over
quawat betreft
te allen tijdealtijd
ten aanzien vanop, over, tegen, van, voor
ten behoeve vanvoor
ter zake vanover
thansnu
uit hoofde vandoor
welkedie, dat
zulksdat

(24) TE, TEN of TER
Alles waar te voor staat, is onderwerp van onzekerheid. Moet het los of aan elkaar, moet het te, ten of ter zijn? Een regel is moeilijk te geven; daarom volgen hier twee lijstjes.

Eerst een lijstje met woorden waarbij, afhankelijk van de spelling, betekenisverschillen optreden:
tegoed: mijn tegoed was 60 gulden
te goed: hij is te goed voor deze wereld
tekort: het tekort bedraagt miljoenen guldens
te kort: de ene broekspijp is te kort
ten einde: de voorstelling was ten einde
teneinde: ik ga vroeg naar bed teneinde morgen goed uitge­rust te zijn
teveel: geef mij het teveel maar terug
te veel: ik heb te veel ijs gegeten
tenminste (‘althans’): zeg haar gedag, als je haar tenminste kent
ten minste (‘minimaal’): hij is ten minste drie keer ge­trouwd geweest
tenslotte (‘immers’): hij heeft daar tenslotte niets mee te maken
ten slotte (‘uiteindelijk’, ‘in de laatste plaats’): ten slotte ging hij weg

Ook de volgende uitdrukkingen en woorden leveren vaak

spellingproblemen op:

te allen tijde                         tekeergaan

te(r) elfder ure                    tekortschieten, tekortkomen

te eniger lijd                         temeer

te goeder trouw                 tenietdoen

ten eeuwigen dage            terzijde

ten enenmale                      tevoren

ten gevolge van                  teweegbrengen

te midden van                     te zamen

[25STAPELMEERVOUD
We hebben in onze taal een paar afwijkende meervoudsvormen: bv. eieren, lammeren, kalveren en kinderen, runderen, raderen.
In bepaalde dialecten, bv. in het Twents en in de Achterhoek, maar ook in Brabant spreekt men nog van ‘eier, lammer, kaalver en keender of keinder’.
Ei had vroeger als meervoud een R, eier of eyer. Dat gold dus ook voor bovenstaande woorden. Kennelijk werd deze meervoudsvorm later niet meer zo aangevoeld en kreeg deze nog een ( de gangbare) uitgang: EN: eieren; kalveren; kinderen, hoenderen, lammeren.
Aan de overeenkomstige Duitse woorden kun je het oorspronkelijke meervoud herkennen: Hühner, Kinder, Kälber, Lämmer, Rinder.
In het Engels: child(e)r + en en brethren (waarin – en werd toegevoegd aan brether, het oorspronkelijke meervoud van brother).
Ook het woord schoenen is een zo’n meervoud. Het oude woord is sc(h)oe, het meervoud was sc(h)oen; later werd dit ook schoenen. ‘Schoen’ als meervoud zou nog te zien zijn in ‘schoenmaker’, verg. ‘manden- stratenmaker’.
Teen was vroeger meervoud van ‘tee’. Nog terug te zien in ‘van top tot teen=van de kruin tot aan de voeten.

Dit wordt een stapelmeervoud genoemd.

[25-1] MEERVOUD
Uï moet ontstaan zijn toen het enkelvoud ‘uien’ als meervoud werd opgevat  Dit gebeurt nog steeds. Iedereen die het over scampi’s (grote garna­len), panini’s (langwerpige brood­jes), railsen/railzen of zelfs musea’s en media’s heeft, gaat eraan voorbij dat scampi, panini, rails, musea en media al meervoud zijn. Ook ui is er inderdaad een gevolg van dat een oorspronkelijk enkel­voud (uyen) als meervoud werd geïnterpreteerd, in dit geval in de zeventiende eeuw. Zo zijn ook de oude enkelvoudsvormen seisene en raven opgevat als meervoud van wat nu zeis en raaf is. Het vroegste woord voor ‘ui’ moet look (als in bies- en knoflook) zijn ge­weest. Het verloor zijn positie aan een Romaans leenwoord (in het Frans oignon) dat in Holland en Utrecht uyen werd en in Brabant, Zeeland en Vlaanderen ajuin. Daarnaast kwam, voor hetzelfde bolgewas, siepel (Middelnederlands chïbole) in zwang, dat nog in het noordoosten van Nederland wordt gebruikt. Dit gaat uiteindelijk te­rug op het Laatlatijnse caepulla (‘ui’). Ook het Duits (Zwiebel) en deze talen hebben dat overgeno­men.

[25-2MEERVOUD – WOORDEN OP -ERIK-
Waarom heeft ‘hospikken’ twee k’s en ‘bangeriken’ maar één?
Een miniprobleem maar je zult er maar mee zitten. Het Groene Boek­je (GB) verklaart het verschil met een merkwaardige regel. Deze: een slotmedeklinker wordt niet ver­dubbeld “in verbogen en vervoegde vormen van woorden die eindigen op onbeklemtoond -el, -es, -et, -ik, -il, -it-, -em”. Vandaar engel-en, bajes-en, lemmet-en, monnik-en, sten­cil-en, kievit-en, vadem-en. ‘Onbeklemtoond’ betekent hier, blijkens de toelichting in het GB, dat de e of i van bajes, monnik enz. verklankt wordt als /uh/. In hospik hoor je die /uh/ niet (en het woord eindigt bovendien niet op -ik maar op -pik). Maar in bangerik spreek je toch ook /ik/ uit en niet /uhk/?, zal de lezer tegenwerpen. Tja, ik doe dat inder­daad en vermoedelijk velen met mij. Met viezeriken en zwezeriken bij­voorbeeld is het niet anders. Daar­om is die GB-regel misleidend. Je kunt het er maar beter op houden dat het woordeinde -erik in het meervoud altijd -eriken wordt. Voor survivalen (‘een overlevings-tocht ondernemen’) gaat de regel” wel op, althans nadat -al aan het rijtje uitgangen is toegevoegd. Mercedessen als normaal meervoud van Mercedes strookt er weer niet mee, als we ervan uitgaan dat de gebruikelijke uitspraak /mersee-dus/ en /merseedussen/ is. En pre­sessen, als meervoud van preses? Blijkbaar is alleen /preezes/ gang­baar onder de spellingregelaars, zegt niemand in hun kring /preez-us/ en /preezussen/ en verkiest ie­dereen /preezessen/. Of, wie weet, kent men daar uitsluitend presides.

[25-3MEERVOUD SAMENGESTELDE WOORDEN
Het meervoud van rechter-commissaris is rechters-commissarissen; dit omdat de twee aparte woorden gelijkwaardig zijn. Dus bv. ook: acteurs-regisseurs; geneesheren-directeur.
Wanneer de delen niet gelijk in waarde zijn: leerling-journalist is het mv.: leerling-journalisten; kandidaat-notarissen; aspirant-leden.
In proces-verbaal is verbaal een bijv.nw en dit komt niet in het mv.”processen-verbaal.

[26] VERVOEGING ENGELSE WERKWOORDEN
Je kunt een woord als ingeburgerd beschouwen wanneer vrijwel ieder­een het volgens de regels van de Nederlandse grammatica behan­delt. Een werkwoord krijgt dan een Nederlandse vervoeging (shoppen, shopte, geshopt, niet shop, shopped, shopped zoals in het Engels); een zelfstandig naamwoord een dito meervoud (rally’s, niet rallies); een bijvoeglijk naamwoord een dito su­perlatief (highst of meest high, niet highest). Een teken van inburgering kan ook zijn dat een samenstelling-die in het Engels los wordt geschre­ven (speed date) in het Nederlands één woord vormt. Maar daarvoor moet je wel vaak woordenboeken raadplegen (en die zijn het onder­ling niet altijd eens).

zie ook 34

[27] -ING of -ATIE
Bij werkwoorden op -eren horen wel vaker zelfstandige naamwoorden op -atie en op -ing. Complicering, complicatie; isolering-isolatie. Bij betekenisverschil geldt voor de handeling de vorm op -ing.

[28DENK/DENK NIET
‘Ik denk niet dat X komt’.
Als de spreker be­doelt dat hij denkt dat X niet komt, waarom zegt hij dat dan niet?”
Omdat ‘ik denk niet dat X komt’ en ‘ik denk dat X niet komt’ dezelfde betekenis hebben. Iedereen kan dus kiezen als hij de gedachte in kwestie wil uitdrukken. Beide constructies zijn mogelijk met meer werkwoorden die een mening, gevoelen of voorkeur uit­drukken, zoals geloven, vinden, me­nen, hopen en graag of‘liever hebben.
De ‘Algemene Nederlandse Spraak­kunst’ geeft als voorbeeld o.a. ‘we hebben liever niet dat hier hasj ge­rookt wordt’ en ‘we hebben liever dat hier geen hasj gerookt wordt’. De vakterm voor dit verschijnsel is negatieverplaatsing: het ontken­nende woord kan verplaatst wor­den van de bijzin (‘ik denk dat het niet waar is’) naar de hoofdzin (‘ik denk niet dat…’) en andersom. Het verschil is hooguit dat de spre­ker een wat zekerder indruk maakt wanneer niet in de bijzin staat.

[29] UITGANG STOFF. BIJV.NWM.
stofadjec­tieven
1. Op namen van natuurlijke stof­fen volgt doorgaans -en: ijzeren, ko­peren, tinnen, wollen, zilveren. Maar naast gouden is bij het-woorden ook goud mogelijk: een goud horloge. En voor ‘gemaakt van jute’ is zowel ju­te als juten aanvaardbaar; ook kasjmier laat twee adjec­tieven toe: kasjmier en kasjmieren.
2. 
Stofnamen die als adjectief on­veranderd blijven, zijn meestal nieuwere woorden van vreemde komaf: aluminium, celluloid, corduroy, plastic. Maar voor bakeliet geldt dit niet (een bakelieten telefoon) en bij plastic komt ook het adjectief plastieken
3. 
Of je een jute(n) zak dan wel een jutezak schrijft, kan een kwestie van klemtoon zijn. Gebruik je twee hoofdaccenten, dan schrijf je een juten zak, kunststoffen ramen. Bij één hoofdaccent wordt zo’n combinatie één woord: jutezák, kunststofrámen. Ook kan verschil in beteke­nis de schrijfwijze bepalen. Een rubber(en) boot legt de nadruk erop dat het ding van rubber is; met een
rubberboot wordt vooral een bepaald type (opblaas)boot bedoeld. Een eigenaardigheid van stofadjec­tieven is verder dat ze het zonder vergrotende en overtreffende trap moeten stellen en alleen voor een zelfstandig naamwoord gebruikt kunnen worden (een jurk kan wel mooi zijn, maar niet wollen). Binnen hun woordsoort vormen ze een gehandicapt(e) mengelmoes.

[30ALS-BEPALINGEN
‘Als onderzoeker van radicalisme gaan alle alarmbellen af bij het vol­gen van de ontwikkelingen in Isra­ël’ – zo begon afgelopen zaterdag een artikel op de opiniepagina in deze krant. De zin herinnert aan een klassieke fout uit de grammati­caboeken: ‘Als kind was alles mooi in mijn ogen’.
Grammaticaal gezien hoort de als-bepaling in zo’n zin bij het onder­werp. In ‘Als kind was alles mooi in mijn ogen’ is ‘alles’ het onderwerp. Hier staat dan ook letterlijk dat ‘al­les’ vroeger ‘kind’ was. Onzin dus. De schrijver bedoelt: ‘Als kind vond ik alles mooi’ (in deze constructie is ‘ik’ het onderwerp, waar ‘als kind’ wél naar kan verwijzen). Ontleden we de zin van de radicalismeonderzoeker, dan staat er let­terlijk dat ‘alle alarmbellen’ (onder­werp) ‘onderzoeker van
radicalis­me’ zijn en ‘afgaan’ (persoons­vorm) ‘bij het volgen van de
ont­wikkelingen in Israël’ (bepaling). Onzin dus. En dat terwijl er legio grammaticaal correcte alternatie­ven zijn, zoals: ‘Als onderzoeker van radicalisme word ik gealar­meerd door de ontwikkelingen in Israël’. Of eventueel: ‘Bij mij als onderzoeker van radicalisme gaan alle alarmbellen rinkelen bij het volgen van de ontwikkelingen in Israël’.

[31VERZWEGEN ONDERWERP
Zojuist teruggekeerd van va­kantie blijkt de inhoud van mijn inbox met een kleine zestig taai­mails te zijn aangevuld. Een ervan hekelt, met een voorbeeld uit de krant, het euvel waaraan de vorige zin mank gaat. Terecht. Het ver­zwegen onderwerp van terugge­keerd van vakantie (ik) zou gelijk moeten zijn aan het onderwerp van de hoofdzin, maar dat is de inhoud van mijn inbox. 

[32] WERKWOORDEN STERK-ZWAK
Is een werkwoord als ‘wreken, wreekte, gewroken’ sterk of zwak?
Het is in feite beide (wreekte is zwak, gewroken sterk) en wordt daarom wel tot de groep van de ge­mengde of tot die van de
onregel­matige werkwoorden gerekend. Van oorsprong werd het alleen sterk vervoegd, met een verleden tijd wrook (soms wrak). Maar “nu zeit men meestal wreekte, in plaats van wrook”, schreef
taalkundige Lambert ten Kate omstreeks 1720, “dog egter niet gewreekt, maer wel gewroken”.
Er zijn meer werkwoorden van dit gemengde type, zoals bakken, bakte (vroeger biek), gebakken en lachen, lachte (voorheen loech, laegen), gelachen.

[33] WOORDEN OP – ALLIG
Adjectieven op -vallig zijn schaars: angstvallig, schroomvallig (‘timide’), wisselvallig, Gewestelijk moet boetvallig (‘verplicht een boete te betalen’) nog bekend zijn.
Angstvallig (aanvankelijk ‘bevreesd’, later ‘nauwgezet’) lijkt voor de rest model te hebben gestaan. Er is wel verondersteld dat vallen hier opge­vat is als een synoniem van zijn, zo­als het nog steeds wordt gebruikt in over smaak valt niet te twisten. Van angstvallig kon men zich ken­nelijk makkelijker een voorstelling vormen dan van het woord dat het in de vijftiende eeuw verving: angstvoudig, met de varianten angstvuldig en angstvoldig. Aan het element -voudig-vuldig, af­geleid van vouwen, danken we ook woorden als eenvoudig (oorspronke­lijk ‘eenmaal gevouwen’), tweevou­dig, veelvuldig en zorgvuldig. Zorg­vuldig kan oorspronkelijk iemand geweest zijn die door zorg ‘vou­wen’ (plooien, rimpels) in het voorhoofd had, opperde de taalkundige Jan de Vries. Zo zou ook angstvoudig verklaard kunnen worden.

[34] ’t KOFSCHIP
Voor wie over dat kofschip nog bij­gepraat wil worden: de medeklin­kers erin, t, k,/enz. kun je gebruiken om d/t-fouten te vermijden. Eindigt de stam van een werk­woord op een van die medeklin­kers {plant-, ko(o)k, besef enz.), dan krijgen de verleden tijd en het vol­tooid deelwoord een -t en geen -d (geplant, gekookt, beseft enz.). Je moet wel de stam nemen zoals je hem schrijft: de stam van beloven is dan ook belo(o)v- en van verhuizen verhuiz-, met beloofd(e) en verhuisd(e) als gevolg, want de v en de z zitten niet in ’t kofschip. ’t Schip is al eerder op de helling gegaan, zij het meestal met serieu­ze bedoelingen. Zo is het omgebouwd tot ’t sexy fokschaap, xtc-kof-fieshop en kofschiptaxietje. Alle drie bevatten ze een of meer medeklinkers die in ‘t kofschip ont­breken.

De x kun je nodig hebben voor de spelling waxte en gewaxt of mixte en gemixt (stam wax- en mix-). De c kan van pas komen voor aerobicte en geaerobict (aerobiccen, stam aero­bic-); de sh voor crashte en gecrasht (stam crash-); en de sj (van wie shop uitspreekt als sjop) voor vervoegde vormen als verramsjte en verramsjt (stam verramsj-) of roetsjte en ge­roetsjt (stam roetsj-).

zie ook 26

[35] AAN/AAN DE GEVOLGEN
Op de website van Trouw stond deze week dat in Amerika jaarlijks 23.000 mensen sterven ‘aan de gevolgen van bacteriën die resis­tent zijn geworden. Kun je sterven aan de gevolgen tan bacteriën? Of sterf je aan de gevolgen van een ziekte die door bacteriën veroor­zaakt is?
Mensen sterven gewoonlijk aan een ziekte, aan verwondingen of aan ouderdom. Maar er wordt ook wel gezegd dat ze sterven aan de gevolgen van een aandoening. Zo lees je in de media geregeld dat ie­mand gestorven is ‘aan de gevolgen van kanker’, of, zoals afgelopen week in Trouw stond, ‘aan de ge­volgen van een beroerte’. Zo’n for­mulering lijkt wat omslachtig. Im­mers, de doodsoorzaak is op het eerste gezicht kanker of een be­roerte. Toch kun je ook aan de complicaties daarvan sterven. Dan sterf je dus niet aan kanker, maar aan de gevolgen daarvan. Wel lach­wekkend wordt het als een krant schrijft dat iemand is gestorven ‘aan de gevolgen van een hartstil­stand’. Als men een hartstilstand heeft, is die hartstilstand de doods­oorzaak, en niets anders.

In sommige gevallen is de formulering ‘sterven aan de gevolgen van…’ dus correct. Zo ook in het geval van een beet van een dier of een besmetting met een bacterie. Zulk onheil leidt eerst tot ziekte waaraan men ten slotte doodgaat. Ook ‘overlijden aan de gevolgen van een ongeval’ is een correcte formulering.

[36] PERIFRASE
Omschrijving, zoals bv. van de zee als ‘het zilte nat’; de kameel als ‘het schip der woestijn’. De ware gelovigen als ‘de leeuwen van de islam’.

[37] AANTAL
Ondanks allerlei beweringen is het niet zo dat er per se een enkelvoudige persoonsvorm verplicht is na ‘een aantal’. De officiële regel volgt de logica dat je bij de betekenis van een groep mensen het enkelvoud gebruikt en bij de betekenis van enkele afzonderlijke mensen het meervoud. Na het aantal wel enkelvoud.

[38] VERLEDEN TIJD OF VOLTOOIDE
Wat is het verschil tussen ‘Het regende gisteren’ en ‘Het heeft gisteren geregend’? Niet veel, zou je zeggen. Je bent in beide gevallen waarschijnlijk nat geworden. Misschien dat de ontleedtijgers onder u nog opmerken dat de eerste zin in de ‘onvoltooid verleden tijd’ staat en de andere in de ‘voltooid tegenwoordige tijd,’ maar voor de meeste mensen (en leerlingen) zijn dit onbegrijpelijke etiketjes die met inzicht in de taalwerkelijkheid weinig te maken hebben.
Maar wat is dan het verschil tussen onvoltooid verleden tijd en voltooid tegenwoordige tijd? Welnu, in de basis is dit erg eenvoudig: verleden tijd wil zeggen dat iets in het verleden gebeurde of het geval was, en voltooide tijd betekent dat iets op een zeker moment afgelopen (voltooid) is.
Allemaal goed en wel, de zinnen betekenen toch nagenoeg hetzelfde? Inderdaad, en dat komt omdat wat gisteren plaatsvond heel waarschijnlijk ook gisteren afgelopen is. Om het verschil te zien moet je dat punt uit het verleden dichterbij halen.
Neem de zin ‘Het regende vijf minuten geleden’. Dit zegt iets over de weerstoestand van vijf minuten geleden. Maar de zin zegt niets over dit moment. Misschien is de regen opgehouden, misschien regent het nog, de zin doet geen uitspraak over de voltooidheid van de regen.
En nu ‘Het heeft vijf minuten geleden geregend’. Nu zegt de zin wel degelijk dat de regen voltooid is. Omdat het onwaarschijnlijk is dat het tussen nu en vijf minuten geleden weer begonnen is, zegt deze zin wél dat het nu droog is.

[39] ZODAT of OPDAT
Opdat en zodat betekenen hetzelfde, maar dan met een modaal verschil. In het gedicht ‘Steen’ van de dichteres Vasalis, gebruikt ze de twee woorden ‘opdat’ en ‘zodat’ . ‘Ik denk dat de twee woorden opvallen omdat ze zowel in betekenis overeenkomen alsook subtiel verschillen. Beide woorden kondigen namelijk een gevolg aan, maar ze verschillen in de modale laag van de betekenis. De dichteres schrijft in de eerste twee versregels: ‘Verdriet kit al mijn krachten samen/zodat ik roerloos word als steen.’ Het woord ‘zodat’ markeert hier een oorzakelijk verband, dat als een constatering wordt uitgesproken. Hoofdzin en bijzin zijn beide een feit, en het eerste feit is oorzaak van het tweede. De laatste zin van het gedicht luidt ‘O sla de rots, opdat ik ween.’ Even voorbijgaand aan de bijbelse beeldspraak van het slaan op een rots waardoor er water uit komt, kun je van het woordje ‘opdat’ opmerken dat het ook een oorzakelijk verband aangeeft tussen het slaan van de rots en het wenen, maar nu is het gevolg een gewenst gevolg.
Constatering (of zekerheid) en wenselijkheid zijn de klassieke twee dimensies van de modaliteit. Het betekenisverschil tussen ‘zodat’ en ‘opdat’ is dus een modaal verschil. Een kanttekening is nog dat het woordje ‘zodat’ gebruikelijker lijkt dan ‘opdat’. Dat betekent dat je ‘zodat’ ook weleens zult tegenkomen met een gewenst gevolg (‘Ik schrijf u nog eens zodat ik nu dan eindelijk antwoord krijgt’). Het omgekeerde, ‘opdat’ met een geconstateerd gevolg, zal niet zo gauw voorkomen.

[40] LEENWOORD
Menigeen ergert zich aan het overbodig gebruik van buitenlandse woorden of leenwoorden in het Nederlands en sommigen willen deze woorden zelfs zo veel mogelijk uitbannen. Het gebruik van vooral Engelse woorden als er een goed, of soms zelfs beter, Nederlands woord voor de hand ligt, is vaak ergerlijk; we denken hierbij aan woorden als award in plaats van prijs, company voor bedrijf, plane voor vliegtuig en security voor beveiliging. Vooral volledig vreemdtalige reclame-uitingen als Let’s make things better stuiten veel taalliefhebbers tegen de borst.
Maar het overnemen van leenwoorden is een verschijnsel dat zich in iedere taal voordoet. Het Nederlands kent vele leenwoorden die inmiddels algemeen zijn geaccepteerd en die soms niet meer als leenwoord worden herkend: uit het Latijn (zolder, kelder), het Grieks (telefoon, catastrofe), het Arabisch (algebra, koffie), het Frans (kathedraal, portemonnee), het Italiaans (spaghetti, allegro) en het Engels (baby, computer). Sommige leenwoorden zijn niet te vertalen: Weltschmerz, brainstormen, timing. Andere zijn korter: drugs, tutoyeren, lobbyen.
Soms heeft het Nederlandse woord een andere gevoelswaarde:
happening – gebeurtenis transpireren – zweten
finishing touch – de laatste hand souffleren – voorzeggen
Het Engels lijkt een sterke invloed te hebben op het Nederlands, maar ontwikkelingen in de taal rond voetbal en computer tonen aan dat Nederlandse woorden soms in staat zijn om hun vreemdtalige equivalenten te verdringen: vrije schop (free kick), hoekschop (corner), strafschop (penalty), buitenspel (offside), tekstverwerker (word processor), uitdraai (print), beeldscherm (display).

[41HIJ OF ZIJ? HEM OF HAAR
De regering heeft haar eigen verantwoordelijkheden, maar zij moet wel voeling houden met de maatschappelijke ontwikkelingen.

In deze zin wordt met haar en zij verwezen naar de regering; dat is correct, want regering is een vrouwelijk woord. Vaak echter worden haar en zij ten onrechte gebruikt. Daarom een korte uitleg.

Alle zelfstandige naamwoorden hebben in het Nederlands een woordgeslacht: mannelijk (lidwoord: de), vrouwelijk (lidwoord: de) of onzijdig (lidwoord: het).

Bij verwijzing naar een mannelijk zelfstandig naamwoord gebruik je hij en zijn. Bij verwijzing naar een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: zij en haar. En bij verwijzing naar een onzijdig zelfstandig naamwoord: het en zijn:

De minister en zijn staf.
De regering en haar verantwoordelijkheden.
Het comité en zijn aanhangers.

Vaak zul je niet weten of een woord mannelijk of vrouwelijk is: is een kast een hij of een zij? Daar kun je alleen maar achterkomen door het woordenboek te raadplegen. In het Kramers woordenboek Nederlands staat bij mannelijke woorden de (m) en bij vrouwelijke woorden de (v). Bij een woord als kast zul je alleen maar de aantreffen; dat betekent dat kast zowel mannelijk als vrouwelijk is. Je hebt dus de keus.

Soms kun je ontkomen aan het mannelijk/vrouwelijk-dilemma door uit te wijken naar woorden als die of deze: De fractieleider verdedigde de motie fel, maar deze werd toch weggestemd.

Tot slot: namen van plaatsen, landen, (sport)clubs e.d. zijn meestal onzijdig (het huidige Ajax, het naoorlogse Portugal): Portugal is trots op zijn ontdekkingsreizigers.

[42] VOLTOOID DEELWOORD ALS BIJV. NAAMW.
Het verbre(ed)de tuinpad?
De schrijfwijze van een woord als bevoorrade in de volgende zin levert veel schrijvers hoofdbrekens op:

De vanuit de lucht bevoorrade grondtroepen vormden een langgerekt front.

Het woord bevoorrade is een voltooid deelwoord dat als bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt. Dergelijke bijvoeglijk gebruikte voltooid deelwoorden komen vaak voor in het Nederlands en meestal levert de schrijfwijze geen moeilijkheden op: de gewerkte uren, de bewonderde zanger, de gemiste kans

De problemen ontstaan vooral bij werkwoorden waarbij het voltooid deelwoord hetzelfde klinkt als de verleden tijd, zoals bevoorraden, bepleiten, verbreden e.d.:

Verleden tijd: Het vliegtuig bevoorraadde de grondtroepen. Bijv. naamw.: De vanuit de lucht bevoorrade grondtroepen.
Verleden tijd: De regering bepleitte een ontmoedigingsbeleid.
Bijv. naamw.: Het door de regering bepleite ontmoedigingsbeleid.
Verleden tijd: De buurman verbreedde zijn tuinpad.
Bijv. naamw.: Het verbrede tuinpad.

Laat je bij de spelling van bijvoeglijk gebruikte voltooid deelwoorden dus niet misleiden door de vorm van de verleden tijd.

[43] ENKELVOUD OF MEERVOUD?
Het onderwerp en het bijbehorende werkwoord staan altijd beide óf in het enkelvoud óf in het meervoud. In eenvoudige zinnen als De koe staat in de wei / De koeien staan in de wei zal niemand deze wet overtreden. Maar zodra er veel informatie tussen het onderwerp en het bijbehorende werkwoord staat, gaat het makkelijk mis:

X De oproerpolitie, die gealarmeerd was toen de koeien uit de wei braken en oprukten in de richting van het nabijgelegen winkelcentrum, moesten proberen ze te vangen.

Moesten moet hier in het enkelvoud staan, maar onder invloed van het meervoud van koeien is het misgegaan.

Ook de constructie een van de zorgt in dit verband voor verwarring:

X Een van de koeien die in de wei staat, rent weg.

Er is één koe die wegrent, maar er staan meer koeien in de wei. Het moet dus zijn:

Een van de koeien die in de wei staan, rent weg.

Bij woorden voor hoeveelheid, soort, maat, gewicht en tijd komt de persoonsvorm soms in het enkelvoud, soms in het meervoud:

Een kudde kamelen staat in de woestijn.

Een tiental boeren protesteerde(n).

Dat type/soort/slag voetballers spreekt mij aan.

Honderd kilo appels was/waren uit de vrachtauto gerold.

Na een aantal kan zowel enkelvoud als meervoud volgen, maar na het aantal staat de persoonsvorm altijd in het enkelvoud:

Een aantal kinderen bleef/ bleven thuis vanwege de griep.

Het aantal kinderen dat griep kreeg, was niet groot.

[44] TREMA OF STREEPJE
Een trema zet je op een letter als het woord zonder trema verkeerd kan worden uitgesproken:

materiële (maar: materieel); ideeën (maar: idee); variëren (maar: gevarieerd); reële (en: reëel)

De meervoudsvorm van een woord dat eindigt op ‘ee’, krijgt een extra ‘e’, die bovendien een trema krijgt: slee – sleeën; zee – zeeën

De meervoudsvorm van een woord dat eindigt op ‘ie’, krijgt ook een extra ‘e’ met trema als de klemtoon op de laatste lettergreep valt:
industrie – industrieën; melodie – melodieën; knie -knieën

Maar valt die klemtoon niet op die ‘ie’, dan krijgt het woord alleen een trema zonder extra ‘e’: olie – oliën; kolonie – koloniën

Uit de volgende voorbeelden blijkt dat er alleen een trema komt als de uitspraak dat noodzakelijk maakt: buiig, ontplooiing, lawaaiig, ooievaar, truien, geuit Maar: smeuïg, reünie, ruïne, mozaïek, efficiënt, vacuüm, coördinatie, geëvenaard, geüniformeerd
Het trema wordt niet gebruikt tussen delen van samenstellingen; dan schrijven we een streepje: na-apen, toe-eigenen, zee-egel, zo-even, twee-eenheid Een uitzondering hierop vormen de voluit geschreven telwoorden: drieëndertig, tweeëntwintig

[45] STREEPJE of AAN ELKAAR
Bommelding in het centrum van Amsterdam.
Een dergelijke kop in de krant zal veel lezers in verwarring brengen. Wat is dat voor een ding, een bommelding? Uiteindelijk zullen ze er wel achter komen, maar de verwarring had direct voorkomen kunnen worden door de delen waaruit de samenstelling is opgebouwd door een streepje te scheiden: bom-melding. Om dezelfde reden is een streepje aan te bevelen in samenstellingen als kers-tomaatje, kwarts-lagen en balk-anker.
Heb je bij bovenstaande woorden nog de keuze om al dan niet een streepje te zetten, er zijn ook gevallen waarin je een streepje moet zetten tussen de delen van een samenstelling:
– als er twee klinkers achter elkaar komen te staan die samen één klank kunnen vormen:
auto-ongeluk, reserve-eenheid, politie-inspecteur, drie-eenheid,
zee-egel, zo-even, milieu-invloed, lila-achtig
Maar: politieagent, modeontwerper, milieuorganisatie
– als een samenstelling uit gelijkwaardige delen bestaat: zanger-dichter, Fanny Blankers-Koen, woon-werkverkeer, glas-in-loodramen
– als een samenstelling uit twee niet-gelijkwaar-dige delen bestaat, bijvoorbeeld uit een zelfstandig naamwoord en een andere woordsoort:
sociaal-democratie, privé-leven, vice-voorzitter, niet-roker, oud-speler, commissie-Van Traa, regering-Kok, Sint-Nicolaas
– als een samenstelling uit drie delen bestaat en het tweede deel een hoofdletter bevat: Tweede-Kamerfractie, Rode-Kruispost
– als een samenstelling een aardrijkskundige naam (of aan afleiding daarvan) vormt: Noord-Brabant, Groot-Brittannië, Nieuw-Zeeland, West-Fries, Zuidoost-Aziatisch

[46] HOOFDLETTERS
Hoofdletters kunnen voor hoofdbrekens zorgen: wanneer gebruik je ze wel, wanneer niet?
Iedereen weet dat een zin begint met een hoofdletter. Velen zullen ook weten dat het tweede woord de hoofdletter krijgt als de zin begint met een apostrof:
’t Doet er niet toe.

De twijfel slaat toe bij woorden die niet aan het begin van een zin staan. Vandaar de regels nog eens op een rijtje.

Een hoofdletter krijgen:
– personen en zaken die als heilig worden beschouwd:
God, de Profeet, het Koninkrijk Gods
– persoonsnamen, (afleidingen van en samenstellingen met) aardrijkskundige namen, straatnamen, namen van gebouwen, kunstwerken, bedrijven, instellingen, feesten, tijdperken en historische gebeurtenissen:
Marcel, de heer Van Dam, de heer M. van Dam, mevrouw Barneveld-van Breukelen, Engelse, Fransman, Euromast, Kerstmis, de Nachtwacht, de (Tweede) Kamer, Provinciale Staten, de Senaat, Tweede Wereldoorlog, Middeleeuwen, Gouden Eeuw

Een kleine letter krijgen:
namen van maatschappelijke, culturele en religieuze stromingen en hun aanhangers, aardrijkskundige namen, merk- en eigennamen die als soortnaam worden gebruikt, samenstellingen met en afleidingen van feesten, tijdperken e.d.: liberalisme, humanisme, rooms-katholieken, edammer, amerikanisme, walkman, braille, calvinist, freudiaans, kerstnacht, middeleeuws, kamerlid

Voor het hoofdlettergebruik bij afkortingen bestaan geen bindende regels. Veelvoorkomende afkortingen kun je het best met kleine letters schrijven (zonder punten): wc, tv, bh, havo, pvc, aids, cd-rom.

Ook titulatuur gaat in kleine letters: drs., mr., prof.

[47] WERKWOORDEN; SAMENKOPPELINGEN
Stofzuigen lijkt qua vorm op samenkoppelingen als koffiedrinken en haatzaaien. Die ontstaan wanneer een woordgroep (koffie en drinken of haat en zaaien) uit oogpunt van betekenis als eenheid wordt ervaren. We zijn geneigd koffiedrinken en haatzaaien (hij is veroordeeld wegens haatzaaien) als woorden te spellen. Maar zodra we zulke woorden gaan vervoegen, behandelen velen van ons ze als woordgroepen en spellen we de delen los van elkaar (hij heeft haat gezaaid). Als je stofzuigen als samenkoppeling opvat, vervoeg je ook dit werkwoord als een woordgroep: ‘ik zoog stof’ en ‘ik ben bezig stof te zuigen’.
De afspraak is dat als we bij het stofzuigen een stofzuiger gebruiken we het werkwoord anders vervoegen: ik stofzuigde, heb gestofzuigd. Anders dan zuigen (ik zoog, heb gezogen) wordt stofzuigen dus zwak vervoegd. Dat komt doordat stofzuigen geen samenkoppeling van stof en zuigen is, maar het resultaat van ‘omgekeerde woordvorming’ (back-formation) op basis van het zelfstandig naamwoord stofzuiger.

Stofzuigen is niet uniek: ook bloemlezen en beeldhouwen worden als resultaten van back-formation (van bloemlezing respectievelijk beeldhouwer) zwak vervoegd: ik bloemleesde in plaats van ik bloemlas of ik las bloem en ik beeldhouwde, heb gebeeldhouwd in plaats van ik hieuw beeld, heb beeldgehouwen.
Zweefvliegen – zweefvliegde-gezweefvliegd

 

Zie ook woordenallerlei

Nederlandse taal: alle artikelen

.

295-276

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-5)

.
D.Udo de Haes, Zonnegeheimen 4

.

Het verhaal van een vlieger
.

Een jongen had met zijn vader een vlieger gemaakt. Dat was een waar kunstwerk geworden, waar zij de hele winter aan gewerkt hadden. Het lichte houten kruis was omgeven door mooie doorzichtige kleuren die in levendige vormen omhoog golfden. Toen de jongen de vlieger in de zomer opliet, had de zon zoveel plezier in die heldere tinten, dat hij het niet kon laten, er voortdurend naar te kijken en er zijn lichtste stralen heen te zenden. Het allermeest genoot hij van het rood en het geel en dat liet hij ook helderder dan alle andere kleuren oplichten en zo kwam het dat de vlieger wel een vlammend kruis leek dat daar boven aan de hemel stond. De jongen genoot niet minder van de zon en hij liet zijn vlieger zo hoog opstijgen als maar enigszins mogelijk was. Helaas was het touw al gauw afgewikkeld en de vlieger kon niet verder.
Wat jammer was dat!
De jongen keek en keek en in zijn gedachten liet hij de vlieger steeds hoger gaan. Maar ach, dat was immers alleen maar verbeelding. Hoesch… ! kwam daar een grote windvlaag! Die brak het touw en… daar dwarrelde de vlieger werkelijk de hemel in! De jongen tuurde hem na en hij zag hoe hij aldoor maar hoger ging. Al spoedig was hij zo hoog gestegen dat de jongen niet goed kon zien wat er met hem gebeurde; maar voor de vlieger viel daar heel wat te beleven!

Het eerst ontmoette hij een kraai en er ontstond dadelijk een gesprek. ‘Goedemorgen!’,  kraste de kraait. ‘Goedemorgen!, antwoordde de vlieger.
‘Ben jij ook een vogel met je vlammende vleugels en je lange staart?’
‘Nee, ik ben geen vogel!’
‘Wat ben je dan en waar kom je vandaan?’
‘Ik kom van dat jongetje dat daar staat te kijken; die heeft me geloof ik zelf gemaakt.’
‘Zo, zo en waar ga je naar toe?’
‘Dat weet ik niet. Ik wil alleen maar de hemel invliegen! ‘Dan hoor je hier niet thuis. Hier boven weten alle wezens precies waar zij vandaan komen en waar zij naar toe gaan. Ik trek zelf elke winter naar het Zuiden en elke zomer naar het Noorden. Ik zou je raden weer naar de mensen terug te gaan, want als je niet weet waar je heen moet, verdwaal je in de hemel.’

Maar de vlieger was eigenwijs en ging verder omhoog. Toen ontmoette hij een zaadpluisje. Dat was nog hoger gezweefd dan de kraai. ‘Goedemiddag’, fluisterde het zaadpluisje. ‘Goedemiddag’, antwoordde de vlieger. ‘Ben jij ook een zaadpluis met al die wonderlijke uitsteeksels en kleuren?’ ‘Nee, ik ben iets dat door de mensen is gemaakt en ik kom van dat jongetje dat daar staat te kijken.’ ‘Waar moet je dan heen?’ ‘Dat weet ik niet. Ik wil zo maar de hemel in!’
‘Dan hoor je hier niet thuis! Iedereen weet hier wat het doel is van zijn tocht. Ik ga de lucht in om op te vangen wat van Oost naar West gaat: dat is de zonnewarmte. En als ik die gekregen heb, daal ik weer neer om hem aan de aarde te brengen en dan laat de aarde daaruit een nieuwe bloem groeien. Maar als jij niet weet wat je te doen hebt, zou ik maar liever weer omlaag gaan, want anders verlies je de koers in deze hoge werelden!’ Maar de vlieger bleef eigenwijs en steeg nog hoger. Toen kwam hij voorbij een wolk gezweefd. ‘Goedenavond! zoemde de wolk. ‘Ook goedenavond!’, zei de vlieger. ‘Ben jij een wolk met al je vlammende avondrood?’, vroeg de eerste weer. ‘Nee ik ben van de mensen. Ik kom van dat kleine jongetje daar beneden.’ ‘Waar ga je heen?’ ‘ Zomaar de hemel in.’ ‘Dan hoor je hier niet thuis. Iedereen kent hier zijn bestemming. Ik ver­zamel het laatste avondrood; dat maak ik in de nacht tot morgenrood; dat geeft water in de sloot! Daar regen ik zelf mee neer om de aarde te zegenen en als ik dat gedaan heb, draagt de zon me weer omhoog om nieuw avondrood te maken. En zo ga ik maar steeds op en neer. Maar jou geef ik de goede raad, terug te gaan naar dat jongetje, want zonder doel verdwaal je hierboven!’
Maar de vlieger liet zich niet van zijn stuk brengen en steeg nog hoger. Toen kwam hij bij de sterren. ‘Goedenacht!’, zongen de sterren in koor met klare hoge stemmen. Goedenacht!”,  zong de vlieger mee.
Wat voor konde kom je ons brengen, staartster van de aarde?’ zongen de sterren weer. ‘Ik ben geen staartster, ik kom van dat jongetje, dat daar op de aarde ligt te slapen, zong de vlieger. ‘Dat heeft mij laten opstijgen, maar ik ben van hem weggevlogen. Toen wachtte hij tot ik terug zou komen, maar ondertussen is hij in slaap gevallen en nu droomt hij van mij.’
‘Dan zullen we je onze zegen meegeven voor die jongen’, zeiden de sterren en elk van hen gaf hem iets van zijn heldere glans.

Maar toen kwam daar de engel Michaël uit de hemel.

Die nam een grote ster in zijn handen, wierp die suizend op de vreemde  indringer neer. De ster trof de vlieger en op hetzelfde ogenblik sloegen de vlammen eruit en brandende stortte hij omlaag!

Toen de jongen ontwaakte, vond hij dat hij een wonderlijke droom had gehad en hij was met een schok wakker geworden. Maar toen hij om zich heen keek, merkte hij dat zijn droom geen gewone droom was geweest, want naast hem lag het kruis van zijn vlieger, waarvan het papier was verbrand. Dat kruis was echter niet meer van hout, het was van lichtend hemelijzer! Hoe verbaasd was de jongen dat te zien! Maar hij was toch ook een beetje verdrietig….Nu was hij immers zijn mooie vlieger kwijt!
Maar toen hij met zijn kruis thuis kwam, sprak zijn vader: ‘Mijn jongen, laten we blij zijn! Als je vlieger niet verbrand was, had je nooit dit kruis van hemelijzer gekregen. Dit ijzer is sterker dan het hardste staal. We maken hieruit een vlieger die nog veel mooier is dan de vorige.’
Dat deden zij in de winter en toen de nieuwe vlieger werd opgelaten in de volgende zomer, ontmoette hij in de hemel opnieuw wat daar ging van Noord
naar Zuid, van Oost naar West en van de hemel naar de aarde. En toen hij bij
de sterren kwam, werd hij opnieuw door Michaël getroffen, waardoor hij
brandend ter aarde stortte. Maar het kruis van het hemelijzer dat de jongen vond, was nog glanzender dan tevoren.

Zo ging het vele jaren achtereen en ieder jaar werd het kruis stralender en sterker. Maar toen de jongen groot geworden was, veranderde het kruis van gedaante en werd tot een machtig zwaard, dat nog glinsterde van het sterrenlicht. Daarmee trok de jongeling door de wereld en hij werd een dappere ridder. Maar hij was geen gewone ridder, want zelfs bij de grootste overwinningen die hij behaalde vloeide er geen bloed. Andere ridders die hij ontmoette, bewonderden zijn zwaard en zijn daden en zij wilden zich tot hem scharen. Maar de jongeling sprak: ‘Het zwaard dat gij aan uw zijde draagt, is niet het zwaard, waarmee gij met mij door de wereld kunt gaan. Daartoe moet gij u een ander zwaard verwerven. Laat alles wat ge op aarde gemaakt en geleerd hebt verbranden door de sterren die uit de hemel vallen. Uit de as kan het zwaard groeien, waarmee gij mij volgen kunt.’
De jonge ridders verbaasden zich. ‘Tot welke orde behoort gij dan?’

De jongeling toonde het gevest van zijn zwaard. Daarin glinsterde een naam.
De ridders moesten zich inspannen om de lichte letters ter lezen.
Toen herkenden zij de naam:…..Michaël.
.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

.

.

294-275

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (37)

.

OP 29 SEPTEMBER VALT HET JAARFEEST VAN MICHAEL

In het westen kennen wij sinds de vijfde eeuw op 29 september het feest dat oorspronkelijk herinnerde aan de wijding van de kerk van Michaël aan de Via Salaria in Rome. Alhoe­wel niet overal bekend, is het het feest van Michaël geworden. In het oosten leeft de herinnering voort aan het wonder van Cho-nai. Bij dit Phrygische stadje in het westen van Klein-Azië stond al in de vierde eeuw een aan Michaël gewijd heiligdom. Dat dreigde door geweldige watermassa’s te wor­den weggespoeld. Door het ingrijpen van Michaël verdween het water in de aardbo­dem en kwam het als geneeskrachtige bron weer omhoog. In het oosten wordt dit be­schouwd als het eerste grote wonder van Mi­chaël en dit wordt op 6 september gevierd. Wij kunnen Michaëls spoor volgen langs grote heiligdommen die in Europa van oost naar west ontstonden. De aartsengel ver­scheen aan het einde van de vijfde eeuw na Christus in het zuidoosten van Italië op de Monte Gargano. Van deze plek gaat zijn weg naar het westen. Daarvan getuigen heilig­dommen als op de Mont Saint-Michel aan de westkust van Frankrijk en op St. Michaels Mount voor de zuidkust van Cornwall. En in de oude Ierse kerk was het eiland Skellig Mi­chaël in het zuidwesten van Ierland een cen­trum van kloosterlijk leven. Het zijn allemaal hooggelegen plaatsen die aan Michaël werden gewijd en zij bevinden zich vaak aan de grens van land en water. Bo­vendien vindt men vele aan Michaël gewijde kapellen hoog in de westelijke toren van ker­ken. Michaël wilde men vroeger ontmoeten aan de overgang van de vaste grond naar de beweeglijker elementen van water en lucht, net iets boven de aarde. Tegenwoordig gaan wij in het teken van Michaël van de wat rusti­ger en gezapige zomer naar de stormachtige herfst.

Michaëls werkzaamheid is steeds grensover­schrijdend. Hij brengt als de goddelijke bo­de uit de hoogten de boodschap van Gods bedoelingen met de mens naar beneden. Hij staat de ziel terzijde, als het voorbije leven na de dood wordt beoordeeld. Hij helpt als zie­lenweger de gestorvene het evenwicht tussen goed en kwaad vinden. Hier op aarde helpt hij het menszijn behoeden en genezen. Juist daar, waar de mens mens moet worden, is zijn bijstand groot. Hij of Sint-Joris, die zijn aardse evenbeeld is en hem op aarde verte­genwoordigt, beschermt de mens tegen de lagen en listen van de boze macht die zich in de draak manifesteert.

Niet zo maar een mens
In een apocrief geschrift uit de eerste helft van de derde eeuw, de zogenaamde ‘Open­baring van Paulus’, wordt verhaald dat Mi­chaël dag en nacht ononderbroken bidt voor het menselijk geslacht. Hij kan dus ook wor­den aangeroepen als de engel, die het voort­bestaan van de aarde ter harte gaat. ‘Want omwille van uw gebeden blijft de aarde be­staan.’

Een heel bijzondere uitspraak. Want hierin komt de essentie van het gebed naar voren. Het gebed is, aldus opgevat, zeker niet zo­maar een wens, maar tegelijk verwerkelij­king. De innerlijke intentie van de mens schept in diens bede hier op aarde heel even de realiteit, die biddend wordt uitgesproken. Die is dan door het gebed even aanwezig. Als hemelse machten bidden, scheppen zij een duurzame werkelijkheid. De aarde bestaat voort dankzij Michaëls ‘gebed’.
Zo helpt Michaël de mensen tijdens hun le­ven op aarde. Hij is de bode van hun hemelse vaderland. Hij helpt om de gevolgen van het aardse bestaan te dragen. Hij geeft de mens vaste grond onder de voeten. Hij staat hem bij, wanneer de mens verstrikt dreigt te raken in het aardse bestaan.
Met de draak is het eigenaardig gesteld.
De Openbaring van Johannes, het laatste boek van de bijbel, beschrijft hoe de draak juist door een strijd in de hemelen op de aarde te­rechtkwam. Michaël en zijn engelen strijden tegen de draak en zijn engelen en overwin­nen hen. In de hemelen bedreigde de draak Maria en haar zoon om hen, nog voor ze op aarde kunnen verschijnen, te vernietigen. Om hen te behoeden werd de draak omlaag geworpen op de aarde. Daar belaagt hij de mensen nu.

Wij leren uit de Openbaring dat de mensen op aarde, om der wille van de hemelse mens, telkens voor zware opgaven worden gesteld. Geen wonder, dat Michaëls inzet voor de aarde en voor de mensen die daarop leven, na de val van de draak zoveel sterker is ge­worden.

Geloof voor mooie dagen
Hoe de draak op de aarde kwam, beschrijft een Oost-Europees sprookje. Ik ken het in een Engelse vertaling uit het boek Gypsy Folk Tales door M. Voriskova. Dat de draak op de aarde terecht kwam, was te wijten aan nieuwsgierigheid, maar vooral aan onderne­mingsgeest. Zo verhaalt althans het sprookje van ‘Kalo Dant en de zevende wereld’. Maar er kwamen ook nog wel wat verbroken belof­ten bij te pas, zoals het vervolgsprookje ‘Hoe Sjarkan onheil stichtte’ vertelt. Het sprookje zegt dat de draak degene die al­le werelden wilde leren kennen naar de aar­de terugbrengt. De mens, in dit verhaal de persoon van Kalo Dant, is er samen met de heerser in de bovenste wereld verantwoorde­lijk voor dat de draak op aarde terecht is ge­komen. De Openbaring van Johannes ver­telde in het beeld van de hemelse strijd het bovenmenselijke aspect; hier vinden we een menselijke betrokkenheid. Want Kalo Dant komt alleen terug naar de aarde dankzij de bemiddeling van een macht, die op aarde onheil brengt.

Gewoonlijk menen we min of meer instinc­tief, dat het kwaad er eigenlijk helemaal niet zou mogen zijn. Wij zijn nauwelijks geneigd het kwaad een positieve rol toe te kennen. De wereld zou, zonder het boze, beslist leefbaar­der zijn… Maar is het kwaad in zijn verschil­lende verschijningsvormen en gestalten al­leen maar negatief? In het Oude Testament laat het boek Job zien, dat deze vraag niet zo­maar met een ‘neen’ kan worden beant­woord. Het beschrijft op een dramatische en bijzonder menselijke manier, hoe een boze macht ingrijpt in het leven van Job. De satan mag met toestemming van God, Job binnen bepaalde grenzen op de proef stellen. Dan zal blijken of Jobs godsvertrouwen onder al­le omstandigheden sterk blijft. Of dat het al­leen maar een geloof is voor mooie dagen, dat bij tegenspoed verdwijnt. Als enige voor­waarde heeft God gesteld, dat de satan niet aan Jobs leven komt. En Job komt dankzij leed en beproevingen, uiteindelijk gesterkt uit zijn beproevingen te voorschijn. Het zijn niet de minste eigenschappen, die Kalo Dant ertoe brachten ten slotte de hulp van de draak nodig te hebben: nieuwsgierig­heid, die volgens de oude man de eerste stap is op de ladder die wij kennis noemen, on­dernemingsgeest, en een goede dosis gezond verstand en humor. Die beide laatste trekjes gingen hierboven wel verloren bij de korte weergave in dit sprookje, het verhaal van de mens op zijn zwerftocht door de zeven werel­den, dat werd overgeleverd door een zwer­vend en vrijgevochten volk!

Vrijheid
‘Het kwaad ontstaat dus ter wille van de mens’, concludeert Hans-Werner Schroeder in zijn boek De mens en het kwaad. In zijn uit­eenzettingen betoogt hij, dat het kwaad in de wereld is omdat de mens zonder het boze niet werkelijk vrij kan worden. In de heme­len, binnen de sfeer van de goddelijke al­machtigheid, kan vrijheid niet bestaan. Er moest een plek in de wereld zijn, waarbin­nen de werking van het goddelijke zich niet rechtstreeks laat gelden. Waar machten ac­tief zijn, die de mens in de richting van het anti-goddelijke drijven, om zo zijn sterkste krachten op te roepen. Vrijheid is een inner­lijke kwaliteit die bevochten moet worden. Velen vragen zich tegenwoordig af of de toe­name van het kwaad de menselijke moge­lijkheden niet te boven gaat. Schroeder geeft op deze vragen behoedzame en verhelderen­de antwoorden. Hij onderzoekt, welke rol het kwaad in de ontwikkeling van de mens­heid heeft gespeeld. Schroeder stelt ook de vraag naar de overwinning en verlossing van het kwaad. Hij doet dit vanuit beleving van de helpende nabijheid van Christus en diens dienende geesten. Na het sleutelwoord van de ‘vrijheid’ verschijnt aldus de even essen­tiële gedachte van ‘helpende nabijheid’. Hierboven beschreef ik welke impressies mensen in het verleden van de aartsengel Michaël hadden, hoe zij hem vonden bij de grenzen die het leven ons stelt. Dit is sinds­dien mogelijk gebleven. Hij vertegenwoor­digt het beginsel van de ‘openheid naar bo­ven’. Een mens die alleen maar zichzelf wil zijn, is nog lang niet ‘zichzelf’ in de ware zin van het woord. Wie tevreden is met zichzelf zoals hij is, met de wereld die hij aantreft, ne­geert ook de toenemende macht van het kwaad in de wereld. Het complementaire begrip van de ‘openheid naar boven’, die Mi­chaël vertegenwoordigt, heet ‘vrije kracht’. Met vrije kracht kunnen wij de grenzen van ons bestaan naderen. Met de vrije kracht die in het denken wordt gewekt door de moed, het geestelijke in ons toe te laten. In het ge­bed hebben we de mogelijkheid de werke­lijkheid van de geest in onze wereld te laten binnenstralen.

Wij kunnen het feest van Michaël maken tot een feest van het wordende. En zijn de eerste stappen daartoe niet de ondernemingsgeest en de nieuwsgierigheid, waarmee we ons afvragen hoe het met onze wereld werkelijk is  gesteld?

(Arie Boogert, Jonas nr. 2, 18-09-1987)                                        
Gypsy Folktales, M.Vorisková. Uitg. Paul Hamlyn, Londen 1967
De mens en het kwaad, Hans-Werner Schroeder. Uitg. Christofoor, Zeist 1967
Het tijdperk van Michaël, Emil Bock. Uitg. Christofoor, Zeist 1986

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldMichaël       jaartafel
.

293-274

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over vertellen – alle artikelen

.

Het vak vertellen neemt op de vrijeschool een belangrijke plaats in.
Rudolf Steiner sprak er herhaaldelijk over in zijn pedagogische voordrachten GA 293 t/m 311

De belangrijkste opmerkingen vind je hier uit:

GA 34     GA 294      GA 295     GA 297    GA 303    GA 305    GA 309   GA 311

vertellen met een boek in de hand

.

Vertellen: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

292-273

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – alle artikelen

.

Rudolf Steiner over vertellen
De voornaamste passages uit de pedagogische voordrachten GA 293-311

Vertelstof algemeen (1-1)
Ruud Gersons over: wat betekent het behandelen met kinderen van maatschappelijke problemen; de vertelstof van iedere klas.

Vertelstof algemeen (2)
Frans J. Lutters over: de vertelstof van iedere klas vanuit een bijzonder perspectief bekeken: de mens tijdens zijn leven tussen dood en nieuwe geboorte; leren en etherlijf; kracht van het beeld(ende); hoe vertel je – je voorbereiding; astraallijf en astrale wereld; astrale sfeer met planeten; vertelstof in samenhang met planeten.

Vertelstof algemeen (3)
Johanna Behrens over: de keuze van de vertelstof door de verschillende leerjaren; ze probeert een link te leggen naar de ontwikkelingsfasen van de mensheid; wat betekent de vertelstof voor de ontwikkeling van de ziel van het kind.

De zinrijke vertelling
Pieter HA Witvliet
over: vertaling en bewerking van een artikel; ook: de zinvolle vertelling; in beelden vertellen om kinderen iets te leren wat met ‘gewone’ woorden veel moeilijker is.

De zinrijke vertelling
Rudolf Steiner: het viooltje
Rudolf Steiner: de ruiker

De zinrijke vertelling tussen sprookje en fabel
Inge Finkbeiner
over: wat is een zinrijke vertelling; waarom vertel je hem;

:Over de drieheid van legende, fabel en natuurlegende
M.Mathijssen (uitgeverij Paidos)

Het beleven van beelden en de kracht van de fantasie
Jakob Streit over: wat zijn ‘ware’ beelden en wat ‘valse’. De werking van gezonde fantasie en ongezonde fantasie in/op de ontwikkeling van het (jonge) kind.

VERTELSTOF KLAS 1
Sprookjes, alle artikelen

De drie vragen
Leo Klein:; een prins gaat op weg om de antwoorden te vinden.

VERTELSTOF KLAS 2
Vertelstof klas 2  (1)
Steiners voorbeelden; afwisseling fabel/legende

Vertelstof klas 2 ( 2)
Leerplanaanwijzingen van Caroline von Heydebrand; Wil van Houwelingen

Vertelstof klas 2 (3)

Vertelstof klas 2 (4)
Ierse legende

[3] Legenden
[3-1] Martinus van Tours – bewerking Jacob Streit
[3-2] De heilige Brigitta en de wolf van de koning
[3-3De koe van de heilige Launomarus
[3-4] De heilige Kentigernus en het roodborstje
[3-5] De heilige Blasius en zijn dieren
[3-6] De gelofte van de heilige Cuthbertus
[3-7] De heilige Prisca (en de leeuw)
[3-8] De heilige Gudwalus en de vissen
[3-9] De heilige Gilles en de hinde
[3-10] De wolfsmoeder van Sint-Elvius
[3-11] De maaltijd van Sint-Rigobertus

VERTELSTOF KLAS 3
Vertelstof klas 3 (groep 5)
Maak een tijdsverdeling voor de vele verhalen van het oude testament
Abraham
Het leven in het Oude Testament
David en Goliath -uit een kinderbijbel met illustraties. Wie waren de Filistijnen

VERTELSTOF KLAS 4
Vertelstof klas 4 (groep 6)
Na de Edda

Vertelstof klas 4
Achtergronden Edda en verklarende namenwoordenlijst

Thrymslied (Hoe Thor zijn hamer terughaalde)
Scheppingslied (In het begin was er geen wereld) Eventueel als opmaat voor de eerste aardrijkskundeperiode

VERTELSTOF KLAS 6
Over de kalevala

KLAS 7/8
Over de vormende werking van de biografie
Wolgang Suchhardt over: Werner von Siemens; hoe in zijn jeugd bepaalde personen een onuitwisbare indruk maakten en wat dat voor hem betekende; hoe dit voorbeeld kan zijn voor de jeugd.

kroniek of biografie?

125 Biografieën van bekende persoonlijkheden

KLAS 11
Over Parcival:

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg
[1]   [2]   [3]

Parcival
Groots en meeslepend wil ik leven – uit een periode Parcival 11e klas

Parcival
Het netwerk van Parcival: een spiegel voor de mens en leerschool voor het leven
.

Paaslegende
[1]  De legende van de drie haasjes
[2] Het haasje in de maan

.
Is het echt gebeurd?
G. Blankesteijn over: verhalen uit de kinderliteratuur. De achtergronden, zijn ze echt gebeurd, hebben de figuren echt bestaan?
[1] Inleiding en loflied op het vertellen
[2] Jan Klaassen en Hans Brinker
[3] Ot en Sien en Afkes tiental
[4] Dik Trom
[5] Tijl Uilenspiegel
[6] Von Münchhausen
[7] Buffalo Bill
[8]

Star Wars
Ook films kunnen beelden bevatten die niet ‘zo maar’ zijn.
Ingo Hoppe belicht Star Wars vanuit de antroposofie; lucifer en ahriman;

291-273

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde – alle artikelen

.

Een kleine inhoudsopgave bij de opmerkingen die Rudolf Steiner in de pedagogische voordrachten maakte over dierkunde. Toevoegingen in blauw zijn van mij. 

GA 294    vertaling: Opvoedkunst
3e voordracht
blz. 50                               vert.  blz.60
In de natuur wandelend genieten, geen uitleg. In de klas de natuur als lesstof.

7e voordracht blz. 96                               vert.  blz. 101
Vóór het 9e jaar vertel je anders over de dieren dan erna; mens synthese van natuurrijken; menselijke gestalte: hoofd (bol), romp (fragment van bol) ledematen (stralen); hoofd: zintuigen, romp: ademhaling; ledematen stofwisseling; ‘dienen om’ of ‘ten dienste van’; verschil armen/handen – benen/voeten; vrijheid en zelfzucht; kunstzinnig vertellen over inktvis (hoofd); muis (romp); handen en moraliteit

14e voordracht blz. 189                         vert. blz. 190
Vóór het 9e jaar kind anders t.o.v. dieren en planten; volgorde dier- plantkunde.

GA 295 vertaling: Praktijk van het lesgeven 
3e voordracht  blz. 37                            vert. blz. 37
Alle dieren: de hele mens.

blz. 46                                                          vert. 45-46
Dieren uitgebreid beschrijven, gedetailleerd bekijken.

14e voordracht  blz. 152                        vert. 145-146
Waarnemen van de Egyptenaren; zij tekenden dierenkoppen.

GA 297        vertaling  3e voordracht
3e voordracht                             vert. blz. 50-51
Dieren vergelijken met de mens: hoofd-lagere dieren, bijv. inktvis; mens uniek in ledematen; dit besef is van invloed op de moraliteit; 

GA 300B   blz. 14  niet vertaald             vert. blz. 14
Dierkunde na het 9e jaar; mens samenvatting hele dierenrijk

GA 300C blz. 98    niet vertaald             vert. blz. 98
Het gaat om hoofddieren, ritmische dieren en stofwisselingsdieren

GA 301       vertaald: De vernieuwing van de pedagogisch-didactische kunst door geesteswetenschap
8e voodracht blz. 127-129                          vert. blz. 127-129
Vooreerst geen indeling in klassen, orden e.d., maar levendige verbinding met mens: eerst pedagogie, dan wetenschap; Oken; dier één aspect, mens alle aspecten bij elkaar; gevoel voor de wereld; niet vóór het negende jaar

blz. 131-132                                                     vert. 131-132
mens synthese, dier eenzijdig

GA 303       vertaald: Gezondmakend onderwijs
9e voordrachblz. 162-163                         vert. blz. 175
Vertellen als kunstenaar

10e voordracht
blz. 188-192                                                      vert. 211-216
Dierenwereld betrekken op de mens; hoofd en lagere dieren; vis: ruggengraatdier, middendier; leeuw en kameel: stofwisseling-ledematendieren; diervorm begrijpen die als een eenzijdige ontwikkeling van een menselijk orgaansysteem te beschouwen; het hele dierenrijk is een uitgebreide mens; de mens is een samen­stelling van het hele dierenrijk; een juist wereldgevoel geven

blz. 227                                                               vert. blz. 256
Het dier in verband brengen met de mens; over het beschrijven.

GA 304       niet vertaald 
7e voordracht 
blz. 170 – 173                         vert. blz. 170-173 
Dierenrijk synthese: mens; innerlijke houding t.o.v. de wereld = liefde voor de wereld;

GA 305      vertaaldOpvoeding en onderwijs
5e voordracht
blz. 107- 108                                                        vert.107-198
Mens synthese van dierenrijk; kind en wereld verbinden

GA 306     niet vertaald
4e voordracht blz. 93 – 94                                vert. blz, 93-94
Mens synthese van dierenrijk, dier eenzijdig ontwikkeld in bepaald orgaan;

5e voordracht blz. 97 – 98                                vert. blz. 97-98
iedere diervorm op te vatten als een stukje mens dat eenzijdig gevormd is.

blz.101                                                                   vert. blz.101
beeldend neerzetten;

blz. 109                                                                  vert. blz. 109
in de gestalte zit al wat een dier doet; wat het kind verlangt.

GA 307    vertaald: Opvoeding en moderne kultuur 
9e voordracht  
blz. 167-173                             vert. blz. 211-220
De planten naar de aarde, de dieren bij de mens gebracht, dat moet onderwijsprincipe worden; drieledige mens; hoofd, ritmisch systeem, stofwisseling/ledematen; lagere dieren: ons hoofd, ‘middelste’ dieren – vissen – onze romp, hogere dieren: bewegingsorganen; dierenwereld als eenzijdige ontwikkeling; dierenrijk: uit elkaar gelegde mens; mens: samenvatting van hele dierenwereld; vogels; door kunstzinnig presenteren; mens dichter bij dier; versterking van de wil; verbinding mens en wereld

GA 308     vertaald: De wordende mens
4e voordracht blz. 69 – 72                               vert. blz. 104-108
leeuw, stier, adelaar, engel – de mens; rund; leeuw; adelaar; mens als synthese; Oken; dieren ‘losse toon’ – mens ‘symfonie’; eerbied, religieus gevoel voor schepping

GA 309    Vertaald: Uitgangspunten van het vrijeschoolonderwijs
4e voordracht blz. 71 – 73                                  vert. 71 – 73
koe – menselijke stofwisseling; leeuw – menselijke borstgebied; vogel – hoofd; dieren: stukjes mens – mens in harmonie; Oken; biologie: verhouding van het kind met de aarde (plantenrijk) en de dieren: moraliteit; deze aanpak: je thuis voelen op de wereld

GA 310   Vertaald:  Menskunde, pedagogie en kultuur
4e voordracht blz. 77 – 79;                                vert.  blz.  81 – 83
relatie mens – dier; Oken;  mens samenstelling van de afzonderlijke diervormen; fundament leggen voor een relatie tot de wereld

GA 311  Vertaald: De kunst van het opvoeden vanuit het besef: wat is de mens 
3e voordracht blz. 48 – 55                                  vert. blz.48-55
dieren worden gekarakteriseerd door zieleneigenschappen; bij de mens veel minder uitgesproken eigenschappen; mens: synthese; dierenrijk is uitgebreide mens en mens een gecomprimeerd dierenrijk; hond en reukzenuw;

6e voordracht blz. 101 – 102                              vert. blz. 101-102
door plant- en dierkunde het kind verbinden met zijn wereld

.

Dierkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld4e klas dierkunde

.


290-273

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (2)

.  vliegerliedjse bij vlieger

voor veel meer (knutsels en liederen) :      Tineke’s doehoek en Antroposofie en het kind    vrijeschoolliederen
vliegerliedje bij vlieger

bladeren zie spatwerk;
dierenfiguren met vruchten/fruit, bv. voor verjaardagspartijtje;
draak van grillige tak;
draak vliegende;
grasmatje;
herfstknutsels: niet nader beschreven meerdere knutsels;
herfsttafel;
kaars met draak;
kastanjes en eikels: marionet, hertje, pijp, spin;
kijkdoos; koffertje;
kransen en slingers;
mozaïek van zaden, met kleine beschouwing over het zaad;
schimmenspel van een michaëlsverhaal;
slang; slingers zie kransen;
spatwerk met bladeren;
transparant (Sint-Joris en de draak), herfsttransparant;
versieringen op het raam met: bladeren, bijenwas, fietswiel, vloeipapier;
vlieger, (draken)vlieger (2); tunnelsleevlieger;
vrouwtje appelwang;
waaiewindje;
weegschaal;

.

.
KNUTSELEN

draak van grillige tak
Van een grillige tak kun je met bladeren en dennenappels een mooie draak maken, vooral als je een krabbenpoot als staart (of kop) gebruikt.

Jonas 4, 21-10-1977
.
grasmatje weven
Een raamwerk maken van 4 stokken, spandraden worden er gewoon omheen geslagen. Voor de inslag nemen wij materiaal uit het bos zoals takjes, grassen, riet,  bladeren, hei enz. Wanneer het matje klaar is, kunnen we het verder versieren met trosjes bessen, rozebottels, hazelnoten en al wat verder het seizoen nog biedt.
.
herfsttafel
De herfst is een dankbaar jaargetijde voor onze seizoenen­tafel. De nieuwe ouders onder u zullen zich misschien afvragen: wat is dat en hoe moet dat, zo!n seizoenentafel? Welnu, op een mooie plaats in uw kamer of hal zet u een lage tafel, plank of kist, die u bekleedt met een lap stof, waarvan de kleur en het materiaal aangepast zijn aan het seizoen.

Hierop kunnen we nu alles wat het seizoen ons biedt uit­stallen. Nu, in de herfst bijvoorbeeld: eikels, kastanjes, beukennootjes, korenaren,  zonnebloemen etc.
Een boomstronk kan dienst doen als kabouterhuis, maar ook kunnen we met St. Michaël daar de draak in verstoppen. Boven de tafel hangen we een mooie plaat of ansichtkaart met een herfsttafereel.
Het fijne van zo’n tafel is, dat de kinderen ook hun ge­vonden schatten bij b.v. een boswandeling hierop kunnen uitstallen en zo het hele jaar door ook binnenshuis mee kunnen’leven met alles, wat zich in de natuur afspeelt. Kaboutertjes voor het kabouterhuis zijn makkelijk zelf te maken.
Materiaal: restjes gekleurd vilt en schapewol. Knip het manteltje van het dwergje. Naai de naad van de capuchon dicht en haal er op de aangeduide plaats een draad door om te rimpelen. Doe een plukje goed uitgeplozen wol in het manteltje, trek de draad aan en knoop die vast. Knip aan de onderkant de wol weg, waardoor een plat vlak ontstaat: nu kan het dwergje staan. Hierop kunnen we nu alles wat het seizoen ons biedt uit­stallen. Nu, in de herfst bijvoorbeeld: eikels, kastanjes, beukennootjes, korenaren,  zonnebloemen etc.
De draak kunnen we maken van gekleurd papier en zijn lijf opvullen met appeltjes en andere vruchten. Met het St.-Michaëlsfeest kunnen de kinderen dan met zelf gemaakte zwaarden en schilden op zoek gaan naar de draak, deze verslaan en opeten.
.
bron onbekend
.
In het gelijknamige artikel is sprake van allerlei knutsels die hieronder verspreid zijn te vinden. Het artikel gaf als voorbeelden:

herfstknutsel 7
herfstknutsel 6
herfstknutsel 4

Het genoemde droogpersje:

herfstknutsel 5 droogpersje

herfstknutsel 3

herfstknutsels
Jonas 4, 21-10-1977

 

michael 6
 
Annet Schukking/ Hanneke v.d. Bij, Jonas, 18-09-1981)
 (bron onbekend)
.
kaars voor de Michaëlstijd
Neem hiervoor een dikke witte kaars en versierwas in allerlei kleuren: een groen-oranje draak kronkelt zich om de kaars heen – onderaan donkergroen en blauwpaars – naar boventoe worden de kleuren lichter; uit de muil komt vuur.
(Als we lang kneden zijn de kleuren goed te mengen, maar als de handen door het kneden té warm worden, blijft de was niet meer plakken – dan deze afkoelen onder de kraan).
Met het branden van de kaars wordt de draak langzaam verteerd. Geef kleinere kinderen een kleinere kaars. Ook zij kunnen dan hun eigen draak laten verbranden.
Michael kaars

kastanjes en eikels|
Ritsel, ’n herfstdanseresje is een heuse marionet van een kastanje en eikels, aan elkaar rijgen, neus een bosbes, rokje van blaadjes.

Michaël herfstknutsel 1

Michaël herfstknutsel 2

Het gewei van dit hert is gemaakt van twee esdoornvruchtjes

Michaël herfstknutsel 3

kastanje uithollen; stokje erin. Klaar is de pijp.

Michaël herfstknutsel 4

Een spin. Prikstokjes zig-zag in een kastanje; knoop een draad aan één van de stokjes, wikkel de draad om en om rond de stokjes. einde van de draad vasthouden, spin loslaten en…roets, daar gaat hij naar beneden.

Vrijeschool Leiden, nadere gegevens ontbreken)
.

kijkdoos
Een (schoenen)doos
Gewoon met lijm in de doos plakken zodat het een gezellig tafereeltje wordt. Wanneer u de deksel van de doos vervangt door een vel transparant gekleurd papier (rood of oranje), ziet het er helemaal betoverend uit.

herfstknutsel 8

Ideeën:
eikeltjes, kastanjes, herfstbladeren, paddenstoeltjes van bijenwas, kaboutertjes van vilt of bijenwas, droogbloempjes, takjes boerenwormkruid, trossen besjes, rozenbottels, grassen en granen.
.
koffertje om in te verzamelen
Beplak een kartonnen kinderkoffertje met gedroogde bladeren, bestrijk het met blanke lak en verzamel hierin herfstschatten.
.
kransen en slingers

lantaarntje
Op een feestelijk aangeklede Michaëlsherfsttafel kan een klein tafellantaarntje een gezellig lichtje zijn.
Een reep goudkarton van ca 60 cm lang en 20 cm hoog.
drie of vier raampjes erin uitknippen, transparant papier erachter en versieren met wat gedroogde bloemen, gras of blad.
.

mozaïek van zaden
Een zeldzaam zonnige zomer was het. In een bijna tropische warmte heeft het fruit zich overvloedig rijp laten stoven. Nu is het geoogst, gegeten, verwerkt of opgeslagen. Al eerder zijn de vele kleurige bessen verdwenen, de meeste waarschijnlijk in vogelmagen. Ver­dwenen voor het oog weliswaar, maar niet uit de kringloop van de natuur, waar het nu juist spannend wordt. Want in bessen zit zaad en in het zaad zit de toekomst van de plant. Het hangt er maar van af wat er met het zaad gebeurt, maar als het goed terecht komt, zal het in het voorjaar ontkiemen en uitgroeien tot een nieuwe boom of struik.
Ja, waar komt het terecht? Een boom als de lijsterbes bijvoorbeeld zou natuurlijk dom­weg z’n vruchtjes kunnen laten vallen in de verwachting dat daar dan wel nakomelingen uit opgroeien. Dat zou natuurlijk een on­voorstelbaar gedrang geven aan de voet van de boom en al die kleine lijsterbesjes zouden het ook niet zo best doen in de schaduw van de oude. Dat gebeurt dus niet. Als je over een heide-achtig terrein loopt, zie je dat de lijsterbessen verspreid staan. Hoe komen die bomen daar? Ze groeien in ’t wild, zijn niet door mensen geplant. Het zijn inderdaad de vogels die voor de verspreiding zorgen. Ze eten de bessen, verteren wel het vruchtvlees maar niet het zaad. Integendeel, het zaad on­dergaat in de vogelmaag een proces dat de kiemkracht bevordert. Daarna wordt het met een beetje mest op een of ander plekje gede­poneerd, waar het na de winter ontkiemen kan.
Het is trouwens interessant om te ontdekken hoe veelzijdig en inventief de verspreidings­technieken van zaden zijn. Behalve vogels doen ook mieren hieraan mee en helpen zo bijvoorbeeld het wilde viooltje. Maar veel bo­men en planten zorgen ook zelf voor de ver­spreiding van hun zaadjes door ze te voorzien van allerlei vernuftige voortbewegingshulp­middelen en hun dan snel de vrijheid te ge­ven. Zo zijn er de vliegers, zoals de gevleu­gelde (berk), de parachuutjes (paardebloem), de molentjes (esdoorn), de pluizen (distel), die zich op de wind laten meevoeren. Weer anders doen de klitten het, die zich met klei­ne haakjes aan dierenvachten vasthechten en dan bij het reinigen van de vacht afgeworpen worden, de zwemmers die het water verkiezen (kokosnoot) of de schutters zoals de springbalsemien!
Maar een echte zaaier is de mens: hij kiest bewust, veredelt, verzorgt en oogst, zaait weer en heeft zo zijn aandeel in de kringloop van de natuur. Daarnaast heeft hij ook zijn fantasie, zijn creativiteit. Een klein deel van de oogst mag gebruikt worden voor versie­ringen. Zo kun je bijvoorbeeld kettingen rij­gen van diverse boontjes, zoals kapucijners en kievitsboontjes: eerst een paar uur weken tot je er een scherpe stopnaald door kunt prikken. Of je kunt een sierknoop maken van de afgezaagde onderkant van een dennenappeltje. De achterkant gladschuren en een klein schroefoogje indraaien of een broche­speldje aan bevestigen. Een wat preciezer werkje is het maken van mozaïeken van zaden, heel mooi als je ze in hout inlegt en later met een stevige transpa­rante lak verglanst, als versiering van houten voorwerpen. Maar ’t kan ook eenvoudiger, bijvoorbeeld een deksel van een rond spanen doosje met zaden beplakken en dan eveneens, als ze goed vastzitten, lakken, waardoor ze ook niet meer losgestoten kunnen worden. Snij een aantal donkere jeneverbessen in twee helften, één plak je in het middelpunt van het deksel. Daaromheen straalsgewijs acht on­gepelde rijstkorrels. Knip nu twee mallen uit dun karton, één voor de binnenkring en één voor de gegolfde rand, dat wil zeggen van bin­nen open. Leg de eerste mal op het dekseltje (even vastzetten met prittstift), smeer lijm op de open ruimte en strooi er bijvoorbeeld gierst (goudgeel) op, goed alle gaatjes vullen. Neem de mal weg en leg de tweede er op. Halve jeneverbessen in de golven lijmen, de rest als boven vullen met bijvoorbeeld ra­dijszaad (paarsachtig). Mal wegnemen en de buitenrand vullen met zaad van koekoeks­bloemen of maanzaad (zwart). Probeer zelf andere zaden, andere figuren en andere combinaties. De tuin, het veld en de markt bieden volop materiaal!
.
Annet Schukking, Jonas 3, 01-10-1982
.
slang
Knip of scheur twee even lange repen papier. Leg de beide repen haaks op elkaar en maak de op elkaar liggende uiteinden vast met plakband of lijm. Vouw beurte­lings de repen over elkaar heen, tot het papier op is. De eindjes maakt u weer vast met plakband of lijm. Vouw een neus en plak van een stukje papier een tong vast. De slang kan gekleurd worden of van gekleurd papier gevouwen worden. Met dezelfde techniek kunt u allerlei dieren maken door de breedte van de repen papier te variëren.

herfstknutsel 2
Michaël herfstknutsel 5 weegschaal
Michaël herfstknutsel 5   1   weegschaal

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e Klas (12)

.

BUIZERD EN ADELAAR

Om een dier te begrijpen, moet je ook steeds naar zijn omgeving kijken. Want dieren zijn innig één met hun leefwereld. De drie grote leefgebieden zijn het land met de vele afzonderlijke gebieden, vlakten, bergen, bossen, open landschappen; de ruimte, wijdten van het water in de zeeën en oceanen en de stromen van het land en ten slotte de grootste van alle zeeën: de lucht. Haar substantie is het tegendeel van het dichte, harde gesteente; ze is in hoge mate opgelost en zonder die begrenzing. Juist tegenovergesteld: de lucht heeft de neiging te vervluchtigen. Hier staat de aarde volledig open tegenover de kosmos. De atmosfeer wordt intens door het licht doorstroomd. Zij neemt de warmte veel sterker in zich op en reageert op opwarming en afkoeling heel gevoelig door uitzetting en verdichting, d.w.z. met op- en neergaande stromingen en winden. Deze geweldige ruimte is het thuis van de vogels.

dierkunde buizerd adelaar 1

vluchtbeeld van een zwevende buizerd

Wanneer je bij het waarnemen van de dierenwereld niet in eenzijdigheden terecht wil komen, mag je niet vergeten, dat de hogere dieren door hun bouw nooit met alle gebieden van de aarde zijn verbonden. Één van deze treedt altijd op de voorgrond, bij de vogels die van de atmosfeer die doorstraald wordt door de zon.
Maar er zijn wel vogels die meer gebonden zijn aan de aarde – de hoenders, de struisvogel, de nandoe, emoe, de kasuaris en vooral de kiwi – en aan het water, zoals de eenden, futen en pinguïns. Wanneer je het rijk van de vogels wil leren begrijpen, moet je bij die vogels beginnen waarbij de verbinding van  de luchtzee en de zon bijzonder duidelijk is, zoals bv. bij de roofvogels. Indrukwekkende vormen zoals van de valk, de havik, de sperwer, de verschillende buizerds, de wouw en de kiekendief. De belangrijkste verschijning is de adelaar. We zullen aan het einde van deze beschouwing een paar opmerkingen over hem toevoegen.

Wanneer je in de zomer in een bepaald gebied met afwisselend bos of een open vlakte de blik omhoog richt, zul je meer dan eens een vogel zien, die urenlang rondjes vliegt. Zelf is hij volkomen rustig. Soms stijgt hij op, dan weer zweeft hij een stuk verder in een bepaalde richting en begint weer te cirkelen. De vleugels zijn wijd uitgespreid als in een volledige overgave aan de omgeving. De vogel laat zich dragen door opstijgende luchtstromen die door opwarming boven de velden en steppe-achtige vlakten gevormd worden. Wanneer hij daar boven door de lucht zweeft, ontstaat er boven zijn vleugels een zuiging. De vleugels hebben namelijk een lichte kromming. Daarom stroomt de lucht erboven sneller dan eronder. Deze zuiging is driemaal sterker dan de druk waarmee de vleugels op de lucht liggen. Op deze manier wordt de vogel door de atmosfeer gedragen. Zou hij alleen maar vleugels hebben, dan zou hij weleens nooit naar de aarde kunnen komen.
Wat je ziet, is een korte kop, de brede vleugels en een brede, ronde staart. Dat is de buizerd, de meest voorkomende roofvogel in Europa en Noord-Azië – en in zijn overgave aan de luchtzee ook één van de mooiste.

Het oog en het bewustzijn van de vogel
Wanneer hij ’s morgens vanuit zijn nest de hoogte ingaat en daar in hoge mate aan de werking van de zwaartekracht van de aarde onttrokken is, is hij met zijn bewustzijn tot in de verre omtrek aanwezig. Een wezen dat zo in de ruimte van het licht leeft, heeft grote ogen. Ze zijn groter dan de hersenen. Hun vorm is karakteristiek anders dan die bij de zoogdieren en de mens. Ze hebben geen kogelvorm, d.w.z. een in hoge mate in zichzelf besloten bol. De achtergrond van het oog met het netvlies verwijdt zich. Hij wordt als een schaal; hoornvlies en lens, de brug tussen de lichtsfeer buiten en inwendig, zijn opvallend groot en duidelijk naar buiten gericht. Het zijn ogen waarin het licht sterk naar binnenstroomt en waaruit de blik ver in de omgeving reikt. Wanneer wij zo’n goede blik als de buizerd zouden willen hebben, dan zouden we een verrekijker te hulp moeten nemen die 6 keer versterkt. Hoe wakker en scherp het bewustzijn is, kun je meten, wanneer je bedenkt dat een mens iets van 18 beelden per seconde kan onderscheiden, de buizerd echter zo’n 150*. Dat hangt zeker ook samen met een van de vele bijzonderheden van het vogeloog. Het netvlies is ongewoon dik, omdat er zenuwverbindingen inzitten die bij de hogere zoogdieren en de mens in de hersenen ontstaan. Een deel van de functies van het bewustzijn die voor de hersenen karakteristiek zijn, lijkt wel naar buiten toe in het oog aangelegd te zijn, direct samenhangend met de licht-, kleuren- en vormenwereld van de omgeving. Bovendien heeft ieder oog in het netvlies niet een, maar twee inzinkingen (foveae). Door de ene kan de buizerd scherp naar voren, door de andere scherp naar beide kanten kijken en zo een verre omtrek wakker overzien.

dierkunde buizerd adelaar 2

links: beide ogen in de kop van een dagroofvogel.
Fc: fovea centralis
fl: fovea lateralis
1: optische as voor het gezamenlijk kijken met beide ogen
2: optische as voor apart kijken van beide ogen
(Remane e.a. Systematische zoologie)

rechts: het linkeroog van een adelaar. Je ziet de wijd geopende vorm en de sterke overgave aan de omgeving; bij het naar binnengaan van de oogzenuw zie je de bloedrijke filters.
Zwart: de harde oogrok die het oog in de voorste helft omsluit
(King/Mc.Lelland: Anatomie van de vogel)

Aan deze ongewone ogen zijn de bewegingszenuwen maar zwak gevormd. De mens kan wanneer hij zijn hoofd stil houdt, door de oogbewegingen goed overzien wat in zijn blikveld ligt. De vogel voert de overeenkomstige bewegingen in verregaande mate met zijn nek uit, met heel zijn kop. Het kijken neemt de vogel veel meer in beslag dan de mens. Hoe intensief dat gaat, kun je begrijpen, wanneer je je de volgende vraag stelt: wat is het vliegen van de buizerd? De mens dringt bij het kijken met zijn bewustzijn naar buiten in de door licht gevulde ruimte. De buizerd begeeft zich met zijn hele wezen in deze ruimte. Het vliegen behoort heel nauw bij het zo hoog ontwikkelde oog en de wijdte van zijn bewustzijn samen.

*De zgn. flikkerfusiefrequentie is geen vaste grootheid. In een heldere omgeving is deze groter dan in een donkere. Het hangt er ook vanaf of het beeld in het bereik van de gele vlek (fovea) of op een andere plek van het netvlies ontstaat.

De veren – waarneming van de lucht
We zullen eens kijken in hoeverre deze opvatting door de verdere fenomenen versterkt wordt. Wat aan de vogel zo bijzonder typisch is, zijn z’n veren. De grote veren vormen het verenkleed van de vleugels en van de staart. Talrijker nog zijn de kleine veren die de rest van het lichaam bedekken. De buizerd spreidt bij het zweven de slagpennen, dan ziet elk van deze veren eruit als een kleine vleugel. Wanneer je een enkele slagpen van een grote roofvogel snel door de lucht beweegt, ervaar je een onverwachte grote weerstand. Het is net of je met een vlakke hand tegen een waterstroom in wilt bewegen. Door zijn vleugelveren neemt de vogel de lucht waar die de mens doordat ze zo ijl is normaal niet waarneemt. De vogel dringt met zijn waarnemen binnen in een gebied dat voor de mens bijna geheel gesloten is. Wij ervaren weliswaar de warmte van de lucht, niet haar substantie. Zo is het cirkelende zweven van de buizerd eigenlijk een gevoelig waarnemen van de lucht en de luchtstromen. Bij het zgn. klapwieken en het bidden is naast de waarneming van de lucht ook het waarnemen van de eigen activiteit verbonden.

dierkunde buizerd adelaar 3

Structuur van een veer. Deel van de schacht met 2 baarden en hun stralen.
1.schacht (rhachis)
2.baard (ramus)
3.haakstraal (distale radius)
4.haak
5.boogstraal (proximale radius)
6.rand van de boogstraal waarin ter versteviging van de vlag de haken in elkaar grijpen
(Portmann: ‘Inleiding in de vergelijkende morfologie van werveldieren)

Hoe komt het echter dat slag- en staartveren ten dienste staan bij het waarnemen van de lucht?

We moeten om deze vraag te beantwoorden, kort op de bouw van zo’n veer ingaan. Ieder weet dat een veer bestaat uit een spoel en een vlag (spoel: het doorzichtige onderste deel van de schacht; vlag: de baarden ter weerszijde van de schacht). De spoel is zo licht, omdat ze in het ronde, onderste deel heel hol is; de schacht waaraan de vlag vastzit, bevat met lucht gevulde kamertjes. Vanuit deze centrale as lopen in een scherpe hoek de zgn. baarden en van hieruit weer talrijke stralen; naar achter gericht de boogstralen, naar voren de haakstralen, die met nietige haakjes precies in een gleufje van de boogstralen zitten. De veer is een meesterwerk van de scheppende natuur. Deze tot in het allerfijnste gaande structuur heeft de massa bijna overwonnen. Hoe licht is een veer en de veren samen! Bij een huismus wegen de ongeveer 3500 veertjes minder dan 2 gram.

In de vorming van de veren is een naar buiten stralende tendens werkzaam. Allereerst stralen vanuit de schacht de baarden naar de omgeving toe en daaraan dan weer de stralen. Toch is de veer door het in elkaar grijpen van de haak en boogstralen één geheel. Zo treedt in de veer als afgestorven structuur op wat we daarnet als een wezenlijke eigenschap van de lucht genoemd hebben: de tendens op te lossen en in de omgeving op te gaan. Als variatie op een formulering van Goethe kun je zeggen: de veer is voor de lucht door de lucht gevormd. En omdat bij het ontstaan van de veer bij het verdichten van de substantie tot hoorn al het leven dooft, worden de vleugel- en staartveren tot zintuig. Wanneer een zintuigorgaan ontstaat, wijkt op bepaalde plaatsen van het organisme het leven en de wetmatigheid van een bepaalde wereldkwaliteit doet zich gelden – bij de slag – en staartpennen van de vogel die van de lucht.

Ook de dekveren van de kleine vogels staan in een innige betrekking tot het element lucht. Lucht neemt warme sterk in zich op en houdt die vast; ze is een slechte warmtegeleider. Zo vormen de dekveren en het dons samen met de lucht een warmteomhulsel om de hele vogel heen.

Dit alles spreekt van een diepe verbinding van de buizerd met de atmosfeer. Zijn vliegen en zweven is slechts de meest volmaakte uitdrukking van deze samenhang. Daardoor kan de buizerd in de sfeer van het licht leven.

Een wezen zonder poten, doortrokken van lucht
Wanneer hij vanuit de hoogte naar beneden komt, gaat hij naar zijn nest of op een boom zitten aan de rand van het bos. Je ziet buizerds ook op paaltjes of grensstenen.

dierkunde buizerd adelaar 4

Daar, op wacht met het overzicht, zit hij vaak verscheidene uren volledig in rust. Zijn bewustzijn is in de omgeving. Hij ziet iedere beweging en hoort het fijnste geluid. Dan vliegt hij plotseling een stuk verder en grijpt daar zijn prooi, meestal muizen, met name veldmuisjes, met de scherpe nagels van zijn klauwen.

Je kunt steeds weer lezen dat de buizerd en de andere vogels poten zouden hebben. Maar dat is een onjuiste manier van uitdrukken. Maar wat doet de buizerd met de ‘poten’, de klauwen. Hij grijpt de tak ermee vast waarop hij zit; hij grijpt muizen, mollen, egels, slangen, hagedissen, gaaien, fazanten en andere dieren en draagt ze naar een boom, waar hij ze opvreet of naar zijn nest als voer voor de jongen. Dat zijn geen activiteiten die je met poten en voeten verricht, maar eerder met armen en handen. De klauwen zijn eigenlijk vingers. De hand is met een deel van de handwortelbeentjes tot een groepje staafachtige botjes verkommerd. De buizerd is dus een wezen zonder poten. Hij komt door zijn bouw ook helemaal niet op dat stukje wereld naar beneden waar bv. het paard met zijn benen de bewegingskracht ontwikkelt, in de zwaarte, de gravitatie; ook dan niet wanneer hij zich zo nu en dan op de grond bevindt.

Wanneer de buizerd op een tak zit, houdt hij zijn lijf tussen de beide ledematen. Bij het paard of de kat spant zich de romp tussen de voor- en achterpoten en is aan de invloed van de zwaarte overgeleverd. De vogel draagt zijn romp vrij. Deze is door de botvergroeiing van zijn wervelkolom en de steun van de borstkas (zie afbeelding skelet) in zich gestabiliseerd. Hij is, zoals anders alleen de kop, aan de zwaartewerking onttrokken.

dierkunde buizerd adelaar 5

Skelet van een steenarend. Het vleugelskelet en de klauwen zijn ongewoon groot. Aan de ribben van de borstkas zijn de haakuitgroeisels goed te zien

Wanneer je nu de mogelijkheid zou hebben door het verenkleed en de dunne huid in het inwendige van de romp te kijken, zou je zien, dat deze voor een groot gedeelte uit met lucht gevulde ruimten bestaat. De buizerd ademt zoals alle vogels niet alleen in de longen in, maar door de long heen in het hele lijf. De lucht stroomt bij het inademen door de long in de tere luchtzakken die zich zelfs tot in het binnenste van de grote ledematen- en vleugelbeenderen voortzetten. Bij de mens en vele zoogdieren zijn maar een paar beenderen van de schedel met lucht gevuld, maar bij de vogel zelfs de beenderen van de ledematen. Daardoor horen deze bij de atmosfeer. Wat spreekt zich in het feit uit dat de vogel zich zo diep met lucht doordringt?

In zijn organisme heeft het geïntensiveerde vormproces van één orgaan binnen het geheel invloed, vooral daar waar een inwendige relatie tot dit orgaan bestaat. We hebben gezien hoe sterk de ogen van de vogel door hun vorm en grootte het licht opnemen. Dit zich zo intensief verbinden met de omgeving, strekt zich ook uit tot de romp, echter, aangepast. Bij het ademen neemt de romp de lucht op zoals in de kop het oog het licht. Volgens R. Steiner kun je de zintuigorganen als golven beschouwen waarin bepaalde kwaliteiten van de omringende wereld in het organisme binnenstromen, het oog dus als een golf voor licht en kleur. Dienovereenkomstig is de long een rijk gedifferentieerde golf voor de lucht. Bij de vogel wordt de luchtgolf breder in de luchtzakken. Daardoor wordt de vogel van binnenuit licht. Ook wordt het ademen iets anders. Bij het uitademen doorstroomt de lucht uit de luchtzakken namelijk voor de tweede keer de long en ook nu neemt het bloed de zuurstof op. Zo wordt het lijf van de vogel versterkt doorademd. De levende verbrandingsprocessen worden intensiever en de lichaamstemperatuur wordt hoger. Deze bedraagt bij de buizerd 40,5 º. In het ‘vuur’ van zijn inwendig verbrandingsproces brandt hij voortdurend zijn lijf op. Dat heft hij op wanneer hij per dag ongeveer een zesde van zijn gemiddelde gewicht van 900 gram als voedsel neemt. Dat zijn ongeveer 5 veldmuizen. Die slokt hij in zijn geheel op. De vertering verloopt in de warmte van de levensprocessen zeer snel. De onverteerbare resten kotst hij als braakbal uit.

Bij de buizerd zijn de spijsverteringsorganen zoals bij de andere vogels eigenaardig gebouwd. Op een kliermaag volgt de sterke spiermaag die het voedsel ook mechanisch bewerkt. Deze heeft dezelfde functie als de bek met de tanden bij de zoogdieren .

Dominantie van vormprocessen van de kop.
Wanneer je je de kenmerken van de romp van de buizerd voorstelt: vrij gedragen, het stabiele door de botten, het diep kunnen inademen van de lucht en de mechanische bewerking van het voedsel, dan ontstaat het beeld dat aanvankelijk verrassend kan zijn. Deze romp is tegenover die van de zoogdieren en de mens omgevormd. Hij heeft eigenschappen die je anders in de kop vindt. Dat betekent dat hij door vormprocessen van de kop doortrokken is en het karakter heeft als van de kop. Uiterlijk bezien ziet deze er natuurlijk niet als een kop uit. Maar je vindt er kwaliteiten die voor de kop karakteristiek zijn. Daarmee staat de vogel als geheel anders in de samenhang van de natuur dan de overige dieren.

Door de krachtig gevormde ogen is de buizerd niet alleen maar met de weidsheid van de door de zon doortrokken atmosfeer verbonden, maar wordt daar  in zijn bouw ook door bepaald. We hebben erop gewezen dat bij het ontstaan van een zintuigorgaan de vitaliteit in hoge mate teruggedrukt wordt. Dat proces heeft invloed op de vorming van de kop en laat de mondpartij tot snavel verstarren en verkommeren. Die zintuigen die nauw met de stofwisseling zijn verbonden, de smaak en het ruiken ontwikkelen zich maar matig. En daarmee worden de lust- en onlustgevoelens die ermee verbonden zijn, ook gedempt; de buizerd is zoals veel andere vogels in hoge mate vrij van affectieve binding aan de materie. De sterke overgave aan de omgeving door het oog strookt met de lange in de veren verborgen beweeglijke hals. De samenhang van het krijgen van bewustzijn door het zien met de verruiming van de waarneming tot in de vorming van de veren en het vliegen hebben we al geschetst. Nu moet je er nog bij betrekken dat het oog voor een niet gering deel uit de hersenen ontstaat. Daarmee krijgt het zenuw-zintuigorganisme een groot overwicht. En dat werkt door in heel de vorming van het hele lijf; romp en ledematen worden zoals anders alleen de kop uit het gebied van de zwaarte weggehaald. In de romp ontstaat slechts een korte darm. In het vogelei ontwikkelt zich allereerst de kop met de grote ogen. Al het andere functioneert als een onbelangrijk aanhangsel dat dan onder invloed van de dominerende vorming van de ogen verder groeit. Dat speelt zich in het verborgene af. In de eerste helft van april legt de buizerd twee tot vier eieren. Het nest bevindt zich in het bos in een hogere boom. 28 tot 31 dagen, zo ongeveer de duur van een synodische maand, broedt in de eerste plaats het vrouwtje. Onmiddellijk nadat de jongen uitgekomen zijn hebben ze een bijna witte dons, dat echter snel gewisseld wordt. Vanaf de derde week vormt zich het blijvende verenkleed en na ongeveer 7 weken kunnen de jonge buizerds vliegen. Geheel zelfstandig worden ze in de tweede helft van augustus. Dan gaat ook de familie uit elkaar. Dan leeft de buizerd ongeveer 6 of 7 jaar dagelijks en jaarlijks met het ritme van de zon mee. Wanneer de zon tussen april en september de lucht vlak boven de grond verwarmt en als thermiek doet opstijgen, kun je hem cirkelend aan de hemel zien. ’s Morgens vroeg verlaat hij zijn slaapplaats in het bos en keert dikwijls pas tegen zonsondergang terug. Van de buizerds van Midden-Europa en de middengebieden van Oost-Europa blijven er vele van de oudere, ’s winters in hun vaderland. Je ziet ze dan in de bomen of op een lagere hoogte vliegen. De Noord-Europese buizerds trekken echter een paar maanden naar gebieden waar ook de dagen in de winter helder zijn, naar Midden-Europa, naar Nederland, vooral naar België en Noord-Frankrijk.

De steenadelaar –  een nog hogere majesteit
Is de buizerd al een belangrijke verschijning in het rijk van de vogels, dan is de steenarend nog majesteitelijker en verhevener. Hij leeft in het hooggebergte, d.w.z. waar de aarde zelf als het dichtst bij de zon komt en in het noorden waar volgens A.von Humboldt de aarde net zo is als het op de midden- en hooggebergten is. Wanneer hij zijn nest verlaat, stijgt hij tot grotere hoogten dan de buizerd en trekt daarboven, bijna aan de menselijke blik onttrokken in het stromende licht van de zon zijn cirkels. De overgave aan de atmosfeer overtreft met een spanwijdte van de vleugels van 2.30 m die van de buizerd (1.20-1.40 m). de scherpte en het ver reiken van zijn bewustzijn drukt zich in zijn fysiognomie uit, zijn kracht in zijn klauwen. Wanneer hij prooi zoekend op geringe afstand over het land zweeft, grijpt hij plotseling een marmot, maar ook jonge steenbokken, jonge gemzen en reekalfjes. Zijn prooi die in de greep van de klauwen sterft, draagt hij naar zijn nest dat hij op een uitstekend stuk van een rots heeft gebouwd. Daar legt het vrouwtje per jaar 2 eieren en broedt deze uit. De jongen komen na 43 tot 45 dagen uit het ei gekropen, d.w.z. na anderhalve synodische maan. Het duurt 11 weken tot hun vleugels zo ver ontwikkeld zijn dat ze zich in de vrije ruimte kunnen begeven. In de eerste winter zijn ze nog bij de ouders die hun hele leven bij elkaar blijven.

E.M.Kranich, Erziehungskunst, 58e jrg. nr.5, 1994)

Over de arend

dierkunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: over dierkunde

.

288-272

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (36)

.

SINT-MICHAËL: EEN FEEST VAN DE TOEKOMST

Vele mensen zijn nog verknocht aan oude vormen van beschaving. Ten onrechte. Veel uiterlijke vormen moeten verdwijnen en zijn reeds verdwenen. Er zullen nieuwe gevon­den moeten worden. Zo is het ook met de jaarfeesten. Er is nog van enkele oude fees­ten iets uiterlijks overgebleven: een Sinter­klaas die snoepgoed en geschenken brengt, een kerstboom met elektrische lichtjes, eitjes en hazen en kippetjes met Pasen.
Wat kunnen wij er nog voor wezenlijks en werkelijks aan beleven?

Toch is het vieren van feesten een noodza­kelijkheid. Zoals een werkweek van zeven dagen zonder een zondag onleefbaar is, zo is een jaar zonder feestdagen niet om dóór te komen. Voor kinderen niet en voor volwas­senen niet. De vakantie is achter de rug. Of hij werkelijk geslaagd is, dat heeft op de eer­ste plaats van ons zelf afgehangen. Zoals voor de meeste mensen de vakantie iets is waar je naar uit kijkt als naar een oase in de dorheid van de dagelijkse sleur, zo zouden er door het hele jaar verspreid feestdagen moeten zijn als lichtpunten van vreugde en troost, waar je naar toe kunt leven. Die feesten zijn er altijd geweest. Maar de mens is in deze tijd zo zelfstandig geworden, zo op zichzelf aangewezen, dat geen en­kel feest, geen enkel ‘vrij-zijn’ hem van bui­tenaf die troost en vreugde kan verschaffen. (Vakantie betekent vrij zijn, de Duitsers noe­men het nog ‘Ferien’, dat betekent feest).
In vroeger tijden werd er door de feesten iets gegeven. De goddelijke wereld schonk zijn gaven aan de aarde. In de feesttijden ontving de mens van de hemelse machten de kracht en de vreugde die hij in zijn aardse leven no­dig had. Waarvoor dienen de feesten nu? De mens kan zich bezinnen. Hij kan zichzelf herinneren aan dat wat hij volbrengen wil. Hij kan zichzelf zijn opdracht inprenten. Verschillende aspecten heeft die opdracht. Ieder jaargetijde kan voor de mens de aan­leiding zijn, om een ander aspect van zijn taak in zichzelf te beleven. Zijn levenstaak ligt op de aarde. De opdracht echter ontvangt hij uit die wereld, die in en achter alle zintuigelijk waarneembare, stoffelijke dingen ver­borgen is. Als de mens die goddelijke wereld niet erkent, dan staat hij alleen tegenover de wereldslang ‘Nijdhouwer’, het monster van de genotvolle hebzucht, de draak van de zelf­zucht. Hoe kan hij dat gedrocht overwin­nen? Lukt hem dat niet, dan betekent dat voor hem de dood. Op de eerste plaats een geestelijke dood, die erger is dan de lichame­lijke.

Onze middelen tot zintuigelijke waarneming zijn uitermate geperfectioneerd. De telescoop laat ons dingen zien in het heelal, die ons blote oog niet kan waarnemen. Dat is niet de geestelijke wereld. De microscoop laat ons een onzichtbaar klein levend wezen zien. Dat is niet de geestelijke wereld. Die vergroting is een leugen. Ik rek dat wezentje een paar duizend maal uit… Dat is geen wer­kelijkheid meer. Het is een spook, een mon­ster geworden. Een vlieg van zo’n tien meter lang is toch ook geen werkelijkheid? Geluk­kig niet! Op stoffelijk gebied kan deze ‘geperfectioneerde’ waarneming ons onschatba­re diensten bewijzen. Maar toch zou zo’n microscopisch monster ons moeten stem­men tot nadenken over de werkelijkheid der dingen. In symbolische taal gesproken: dat monster, die draak moet ons uitdagen om hem te overwinnen, omdat wij anders zelf een prooi worden van hem. En zijn wij al niet hard op weg om aan die draak ten offer te vallen? Is dit geen tragi­sche tijd, waarin lucht en water en voedsel door de adem en de uitwerpselen van die draak worden vergiftigd? Men merkt het, maar de diepste oorzaak ziet men niet. Wat houdt de mens tegenwoordig ervan terug, het goddelijk-geestelijke in alle dingen te er­kennen? Nog steeds wil de mens alles passief slikken. De microscoop, de telescoop, de chemische analyse moeten hem alles vertel­len. Hij gaat voor de wereld zitten als voor een televisiescherm. Het instrument van zijn eigen geest, zijn eigen ziel wil hij niet vol­doende perfectioneren. Hij lijdt aan een soort psychische moedeloosheid, als het geen psychische lafheid is.

Het nieuwe stoelt op het oude. De jaarfees­ten in hun nieuwe vorm zullen moeten terug­gaan op oeroude vormen, die ontstaan zijn toen de mensheid nog kon schouwen in de geestelijke wereld; toen zij de goddelijke we­zens, die in de aarde, in de lucht, in het zon­licht belichaamd zijn, nog kon ontmoeten. Helder en duidelijk neemt de mens de wisse­ling van de seizoenen waar met zijn fysieke ogen. Als hij nog niet geheel van de natuur is afgesnoerd, beleeft hij in zijn gevoel nog iets van wat er zich afspeelt in weer en wind, in de opeenvolging der jaargetijden. Maar ach­ter deze fysiek en psychisch waarneembare wereld strekt zich nog een veel wijdsere gees­telijke wereld uit, die slechts met geestelijke vermogens waarneembaar is. Die geestelijke vermogens bezit ieder mens. Ze zijn alleen nog meestal versluierd door wat hij zo helder waarneemt met zijn zintuigen en vertroebeld door de onbewuste emoties die hij daarbij beleeft. De geestkracht die in alles en door alles werkt zullen wij niet alleen moeten aan­vaarden, maar ook gewaar worden en steeds meer gaan kennen.

De bomen worden kaal. De dorre bladeren dwarrelen neer. De vlinders, de kevers zijn verdwenen. Vele dieren beginnen hun win­terslaap. De hele natuur, die in het voorjaar en in de zomer haar krachten aan ons mee­deelde, schijnt te gaan sterven. De mens is nu aangewezen op zichzelf. Nu zal hij in zijn geest actief moeten worden. Nu heeft hij zielenmoed nodig. Want er is moed voor nodig om jezelf als normatieve derde geplaatst te zien midden tussen twee polen, om je eigen wereld te zien in twee werelden: opkomst en ondergang, goed en kwaad, licht en duister­nis, leven en dood. Hebben wij genoten van de zomerzon, dan moeten wij ook af kunnen dalen in de winterkou. Hoe intensiever men in voorjaar en zomer het bloeiende leven kan ervaren, hoe dieper men ook het sterven en de dood in najaar en winter beleeft. Wat blijft de mens anders over dan mee te ster­ven? Dit verwelken, dit verlammen, dit dood­gaan kan niet verder gaan dan zijn sensitiviteit. Moet hij dan zijn bewustzijn laten opgaan in de natuur, zoals in de hoogzomer? Nee. Hem blijft over zijn zelfbewustzijn. Dit moet de mens in de herfst stellen tegenover de stervende natuur. Weer is hier sprake van strijd en overwinning. Strijd tegen hebzucht en zelfzucht, strijd tegen de dood van je eigen geest.

Tegenover Kerstmis staat in de krans van de jaarfeesten het Sint -J ansfeest. Tegenover de helderste zonnedag de diepste winternacht. Wat staat er tegenover het lentefeest, het feest van de opstanding uit de dood? De on­dergang in de dood. Kan dát een feest zijn? Er zou helemaal niet meer sprake kunnen zijn van welk feest dan ook, als in de mid­winternacht niet het zonnekind geboren werd, dat de drager werd van het goddelijk wezen: Christus. Christus heeft zich verbon­den met het aardewezen. Door Hem, met Hem, in Hem kan de mens zijn eigen zelf, zijn onsterfelijk geestelijk wezen wedervinden.
En zo moet het vroegere Herfstfeest, het oogstfeest, het Dankfeest verdiept worden en een plaats gaan veroveren in de tijdkrans van de feesten als één van de vier hoogte­punten van het jaar: Kerstmis en Sint-Jan, Pasen en Sint-Michiel.
Met een soort profe­tische blik stelde men in de middeleeuwen op de 29e september het feest in van de aartsengel Michaël. Over hem wordt in het boek der Openbaringen (12:2-12) verteld, dat hij de draak versloeg en uit de hemel verdreef. Daar wordt de draak ook genoemd: de Slang van het Oerbegin, Diabolos en Sata­nas. Hoewel veel kerken en kloosters aan Sint-Michaël gewijd zijn en hoewel zijn feest in de Rooms-Katholieke kerk een feest is van de hoogste rang, in de volksoverlevering neemt het bijna geen plaats in. Dat kan ook niet, omdat het ‘zelf’, het bewuste ‘ik’ van de mens eerst in deze tijd ontwaakt. Het is dan ook een feest voor de tijd van nu en voor de toekomst. Dit nieuwe feest moet ons er aan herinneren, dat wij, met hulp van de Christus, nu zelf de leiding moeten zoeken van de geestelijke wereld, zelf de strijd moe­ten opnemen tegen de machten, die ons de hemelse wereld willen ontnemen en op aarde ten prooi doen vallen aan de dood der mate­rie. Daar is bewustzijn voor nodig en moed en vooral ook een wilsbesluit. De wil om te trachten bewust inzicht te krijgen in de bo­venzinnelijke wereld. In abstracte gedachten zal ons dat niet lukken. Wij zullen zó concreet moeten denken en ons de werkelijk­heid van die wereld zó reëel moeten maken, dat wij nieuwe sociale vormen en nieuwe feesten kunnen scheppen.

Geestelijke feiten kunnen slechts in beelden worden weergegeven. Daarom komt in dit feest van zielenmoed en wilskracht ons het beeld te hulp van Michaël die over de draak zegeviert of van Sint-Joris die de draak over­wint en zo de prinses (de menselijke ziel), redt van de dood.

Met Pasen is Christus in het graf gelegd en is Hij opgestaan uit het graf. Met Sint- Michiel staat de mens op. Hij kan gerust in het graf worden gelegd, want hij heeft ingezien, dat hij in dit aardse leven wel sterft, maar dat zijn ziel kan verrijzen uit de dood. Hij heeft ervaren, dat, als hij innerlijk levend wordt in dit stoffelijke leven, dat innerlijk leven de aardse dood overwint.

Wanneer dag en nacht weer aan elkaar gelijk zijn bij de intrede van de herfst en de nacht de dag gaat overwinnen, dan staat vóór ons Sint-Michiel-die-de-draak-overwint als een geweldige uitdaging om méé te strijden. Dan spoort de kracht van Sint-Michiel ons aan om niet slechts de fysieke en chemische krachten te leren kennen en dienstbaar te maken, maar veel meer nog om met werke­lijke geestdrift die kracht te leren kennen, waardoor wij de verrezen Christus tijdens ons aardeleven in onze ziel kunnen opnemen. De kracht van Michaël zal ons helpen om in Christus het reële eigen-leven te vinden, ook als wij gestorven zijn. Deze kracht zal de aarde zuiveren van het kwaad, zodat het Christuskind met Kerstmis in haar geboren kan worden.

Sint-Michielsfeest. Een feest van nu en van de toekomst. Het feest van de nieuwe mens vol wezenlijk enthousiasme. Een feest van ware Mensenmoed.

(Henk Sweers,Jonas 2, 24=09-1976)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

287-271

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (35)

.

DE HERFST EN HET MICHAËLSFEEST

Jaargetijden en jaarfeesten doordringen elkaar, maar zijn toch in zekere zin tegengestelde bewegingen. Jaargetijden bewegen zich in de ons omringende wereld en doordringen ons van daaruit, mits we de wereld van de natuur dan wel ontmoeten natuurlijk. Jaarfees­ten daarentegen moeten we van binnenuit vieren en de wereld indragen als cultuurgoed.
In de jaargetijden staat de inwerking van de zon op de aarde centraal, in de jaarfeesten, is het universele Godswoord de spil waarom alles draait. Kerst en Pasen en ook Johanni dui­den dit onverbloembaar aan. Michaëli is daarin een minder eenvoudig te doorgronden feest.

Wanneer we eerst kijken naar het jaargetijde, de herfst, dan bespeuren we hoe de zonnekracht aan de hemel afneemt, maar hoe ze zichtbaar wordt op de aarde in de rijping der vruchten, de kleuring der bladeren, de bloei van zonnebloemen, de maïs­kolven, pompoenen; kortom in alles wat een eindstadium is van plantaardige groei. Voor de aardse plantenwereld is het werk volbracht, maar vanuit het sterven van de plant in uiterlijke zin nemen aarde en mens kiemen, zaden op voor een nieuw leven dat na de winter weer zal ontspruiten. De plantenwezens ballen samen in de vaak uiterst kleine zaden, die zich weer terugtrekken in de aarde. De stoffelijke plant neemt af, de idee plant neemt daarmee juist toe.

Met deze beweging in de natuur gaat ook de mens mee. Vanuit de zomer vol expressie en beweging keren we weer in onszelf terug. Van buiten naar binnen, ook heel reëel van het eten in de tuin weer naar het zitten rond de haard. Het meedrijven op de getijdenstroom, kan echter geheel onbewust gebeuren: de mens kan dromen in het weer van de dag. Of hij leeft zo inge­kapseld in geconditioneerde ruimten, auto’s, tussen apparatuur en allerlei andere mechanische geluidenmakers,  dat hij de stem van de natuur nog maar heel flauwtjes opnemen kan. Voor de mens die zijn verbinding met de loop van de natuur wil bekrachtigen bestaat er de Zielekalender* van Rudolf Steiner waardoor men zich in het eenvoelen met de natuurbeweging kan laten inspireren, en kan komen tot zelfkennis.

Nu de jaarfeesten.
We noemden Kerst als geboortefeest. Pasen als Opstandingsfeest, Johanni  als geboortefeest en Michaëli. We kunnen vanuit de andere jaarfeesten inzien hoe Michaëli ons oproept als mens om ook een opstanding door te maken; “Stirb und Werde”. We kunnen bij het naar binnen keren in deze tijd het gevaar lopen te verharden, innerlijk net zo te worden als het uiterlijke zaad in de wereld. We verliezen de zomerse beweeglijkheid en komen niet tot een in ons opgewekt enthou­siasme, tot een beleving van ons ik, onze persoonlijke kiemkracht waarmee we tot scheppers en herscheppers kunnen worden, niet slechts uiterlijk, doch ook in onze eigen ziel. Dit ge­vaar lopen we ook wanneer we Michaël te eenzijdig benaderen. Ik denk zelf bij Michaël altijd aan twee metalen: ijzer en koper. IJzer hangt samen met het zwaard dat Michaël draagt; het is symbool van strijd, van onverzettelijkheid en kracht. Het metaal hangt ook samen met de Marskrachten die bijvoor­beeld in het Romeinse Rijk zo sterk inwerkten. Het ijzeren zwaard kan ons juist doen vervallen tot verharding en egoïsme. Michaëls opgave vinden we slechts dan, wanneer we ook de ko­peren weegschaal in onze beleving betrekken; symbool van evenwicht, harmonie, in zekere zin ook genezing.
Wanneer we deze weegschaal op ons eigen zieleleven betrekken en zoeken naar een innerlijk evenwicht tussen denken en handelen, dan ont­staat ook genezing doordat ons voelen zich vult met kunst­zinnigheid. Met het koper hangt Mercurius** samen. We zien hier door de sterkende Michaëlskrachten heen de helende krachten van Rafaël stralen.

Krachtig en moedig trekken wij door de wereld, maar wij doden niet, ook niet de draak van de materialistische gezindheid, maar wij temmen, wij houden de dingen terug en scheppen een evenwicht, wij genezen ons zelf en de wereldordening door in onze ziel het beeld van Michaël en de draak in moed en har­monie, genezing;  in ijzer en koper  in zwaard en weegschaal te laten oplichten.

(Reyer Ploeg, nadere gegevens onbekend)

.

*Rudolf Steiner ‘Weekspreuken‘.
Bij ‘Antrovista‘ staat iedere week de nieuwe spreuk

**De auteur gaat er niet verder op in; meestal wordt het koper in samenhang gezien met Venus.

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

286-270

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (34)

.

DE KRACHTEN VAN MICHAËL

‘De krachten van Michaël kan de mens zich alleen verwerven, doordat hij met zijn van liefde doordrongen wil zichzelf omvormt tot een instrument voor de geestelijk -goddelijke krachten’.

(Rudolf Steiner)

Het is een warme en zonnige dag in de late zomer, de lucht is helder en de hemel toont zijn prachtige diepblauwe welving. Tussen het donkergroen geboomte liggen korenvelden; het milde geel van de halmen, die zich in de zachte wind heen en weer bewegen, zodat het lijkt alsof er golven doorheen stromen en het hele veld leeft, laat zien hoeveel zonlicht er is opgenomen, dat het koren rijp is en wacht op de mens die het oogst.

Hoeveel menselijke arbeid is er nodig geweest, dat het koren zo rijk tot wasdom kon komen en wat moet er nu nog allemaal door mensenhand gedaan worden om de vruchten der aarde te verwerken? Met verbazing en eerbied benaderen wij de intense rijkdom van de natuur. Overal roept zij ons op om haar veelvuldige kwaliteiten op te zoeken en de geheimen, die haar leven in zich draagt in iedere verschijning te ontdekken. Hier helpt kennis ons niet, hier moeten wij bewegen, ons hele organisme in beweging brengen, het willen in ons waarnemen brengen, onderduiken in de wereld buiten ons, proeven, ruiken, aanvoelen in het aanschouwen, zodat iedere verschijning iets uitspreekt van haar wezen en voor ons zichtbaar wordt als een gebaar van het leven en weven van het wereldwoord. Wat in dit waarnemen spiritueel beleefd kan worden is euritmie! Hetzelfde geldt voor iedere handeling, die de werkende mens verricht aan de aarde om in de natuur cultuur te laten ontstaan. Onze handelingen worden tot gebaren, die zich willen geven aan de aardeprocessen, gebaren, die door de aarde worden opgeroepen en die wij verrichten als dienst aan haar. Een handeling, die afgelezen is aan de levenskrachten in de natuur werkt opbouwend en cultuur scheppend. Een beweging, die de processen in de natuur navoltrekt wordt euritmisch. Als zodanig wordt werkelijk euritmisch bewegen arbeid aan de aarde.

Tussen ronde met mos begroeide granietrotsen staan enkele witte recht omhoog strevende slanke berkenbomen met hun in de wind wiegende bladerkroon die van binnenuit al goud wordt nu in de late zomer. De slanke, naar boven strevende takken geven het zonlicht de kans om tot op de aarde te schijnen dicht bij de stam. Aarde en hemel worden juist door deze boom, die zo oneindig veel water in de lucht afgeeft, met elkaar verbonden. De bladeren in de toppen zijn nog groen, zij zullen het laatst afvallen. De gouden bladeren stralen vanuit het binnenste van de kroon, het licht van de zomer wegschenkend. Het oog kan kwaliteiten proeven, zoals het frisse groen van het berkenblad, of het geel van de totale berkengestalte, dat straalt als licht. De omgeving van de berk heeft iets vrolijks, wat men als lichtrood kan ervaren. Het gebaar in zijn geheel is warm blozend, men voelt zich opgeheven en perifeer gehouden. Recht en strevend, maar heel levend, niet streng, verschijnt de boom; het oog tast en voelt een harde kwaliteit.

De nieuwe weg in de kunst is niet te vinden in het voelend dromen of het dromend vormen van de dingen.

Veeleer wil het het gebied van de ziele-geesteswereld met het gebied van het stoffelijk gevormde verbinden; zo een weg vormend voor de mens, die deze verbinding tot stand wil brengen en opnieuw op de fenomenen van de natuur afgaan. Het leven in de kunst als spirituele kracht kan eerst door het werken van de geest in de natuur, wetenschappelijk fenomenologisch ontdekt, de mensen weer enthousiast maken. Men moet weer kunnen ontdekken hoe de geest in de natuur levend werkzaam is, in de fenomenen het openbare geheim zien, want dat is de bron, die de kunst onmiddellijk waarneembaar wil maken. Het opvoeden van de zintuigen in het waarnemen van de wereld en het doorlichten van de innerlijke nacht zijn de twee zuilen, waar de weg op gebouwd is, die men kan gaan en die aan de tijdgeest gehoor geeft. Dat betekent scholing, voortdurend omwerken, bereid zijn alles weer opnieuw aan te pakken, ontwikkeling. Dat wederom vraagt beweging van de mens, van zijn gehele organisatie, van de wil, die vloeiend en beweeglijk wordt. De euritmische beweging werkt in directe zin aan het veranderen van de menselijke wezensdelen.

In het hart heeft de mens op aarde zijn houvast, daar leven wij tussen aarde en kosmos in ons spirituele zwaartepunt. Ons aardse bewustzijn houdt in het hart zijn evenwicht; wanneer wij te sterk in onszelf verkrampt raken, dan ervaren wij smart; verliezen wij ons te sterk, dan krijgen wij de neiging ons bewustzijn te verliezen. Onze aardse oriëntering in de ruimte hangt heel intiem met het hart samen. In een andere ‘ruimte’ en in een ander bewustzijn leven de gestorvenen, in de voor ons aardse bewustzijn aangrenzende wereld.

De kunst vormt de brug tussen materie en geest, de brug tussen het innerlijk beleven en het uiterlijk aanschouwen. De kunst wil het (uiterlijk) zintuiglijk waarneembare gespiritualiseerd laten verschijnen, en het innerlijk in de ziel waarneembare uiterlijk vormen zodat een levende gestalte kan verschijnen. In de euritmie beweegt de mens zo, dat het ziele-geesteswezen in de beweging verschijnt. Wij hebben dus in de euritmische bewegingen in de ruimte verbonden tijdskwaliteit, die doordrongen is van het geestes-zielewezen. Dat maakt euritmie tot een kunst, die de brug kan vormen tot de gestorvenen.

Rudolf Steiner noemt de euritmie als kunst een initiatie-impuls. In deze zin wordt dagelijks gewerkt aan de transsubstantiatie van het woord door de euritmie. Wij beschouwen het als onze opgave voor dit werk een omhulling te scheppen zowel materieel als ook spiritueel.

(W.BarFod in Mededelingen Avin, nr.10, 1982)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

285-269

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 2e Klas – herfstspelletje

.

Dit spelletje van Udo de Haes, in Zonnegeheimen deel 4, heb ik vaak gespeeld met een 2e klas.

Met wat crêpepapieren hesjes verkleedde ik de kinderen in bladeren (groen/bruin en daaronder geel/rood), bomen (groen), wind (rood), zon (geel, met kroontje). Je kunt op de hesjes van de bladeren ook echte bladeren nieten, maar dan moet je ze eerst goed gedroogd hebben, anders drogen ze krullend op en gaan ze  snel stuk. Je kunt ook wachten met de echte bladeren tot je dit spelletje opvoert voor anderen.

Hier en daar is de taal wat ‘ouderwets’: bladers gebruiken we toch niet; ook ‘gij’ ; ‘blinkt’ de zon? Ik vind ‘stralen’ mooier, enz. Je kunt e.e.a. natuurlijk altijd naar eigen wens en inzicht aanpassen.

De muziek is voor een 2e klas moeilijk; ik moest altijd wel meezingen. Als je ondersteunend mee moet zingen, doe het dan niet te luid, want dan zingen de kinderen helemaal niet meer mee.

GEEL EN GOUD

Een herfstspelletje voor kinderen tot 9 jaar.

spelers: de zon, de wind, bladeren, enkele bomen, kinderen.

De spelers komen op in een lange stoet en zingen:

Allen:

Michaël herfstspel 1

(Dan gaat de zon aan de hemel staan stralen (het kind dat de zon voorstelt, gaat b.v. boven op een tafel staan); de wind legt zich ergens op de loer, de bomen gaan te midden van de bladeren staan, die zich met één hand aan hen vasthouden; de „kinde­ren’ ‘ stellen zich opzij in een koor op).

Kinderen, bladeren en bomen spreken (terwijl de bla­deren het licht van de zon opvangen):

Heel de wereld blij gemoed
Drinkt de warme zonnegloed;
Wie op aard kan droevig zijn
In deez’ lichte zonneschijn?
Heerlijk wiegen zich in droom
De groene blaad’ren aan de boom.

Kinderen:

O bladers met uw groen gezicht.
Wat doet gij met dat zonnelicht?
Zijt gij tot dromen slechts geboren?
Zo gaat dat zonnelicht verloren!

Bladeren (wevende bewegingen makende):
O mensenkindren groot en sterk.
Ook blaadjes doen hun levenswerk.
Hun kleine handjes teer en fijn
Weven goud uit zonneschijn.

(De wind doet zich horen en vliegt voorbij; de bla­deren schommelen heen en weer).

Bladeren, bomen en kinderen:
Huuuuu ……… !

Wie blaast zo wild daar over ’t veld?
Wij rillen voor dat ruw geweld!

(De wind komt dichterbij; de bladeren wapperen angstig dooreen).

Kinderen:

O bladers. bladers opgepast!
Houdt stevig j’aan de takken vast!

Bladeren (met moeite zich vasthoudend):

Het is de wind, die wilde klant,
Die blaast de zomer uit het land!
(De wind loeit en rukt aan de bladeren).
Ga weg! — jij ruwe ruige wind!
Elk blad is toch een zonnekind!
Ons levenswerk is niet volbracht,
Beteugel toch die wilde kracht!

(De wind kan de bladeren nog niet afrukken en verdwijnt.)

Bomen:

De wind is wild door ’t woud gesneld.
Hij heeft verspild zijn woest geweld
En ieder blad in ’t ganse land
Neemt fluks zijn gouddraad weer ter hand
En zie: bij ’t einde van zijn leven
Is al het licht tot goud geweven!

(De bladeren werpen hun groene huid af en prijken in hun rode en gele gewaden).

Nu komt gelokt door ’t glanzend goud
De jeugd al zingend door het woud.

(De kinderen trekken zingend hand aan hand door het bos)

Kinderen:

Michaël herfstspel 2

Zon (tot de wind):

Nu hoort uw werk. gij wilde wind:
Waait ijlings naar mijn aardekind.
Naar ’t goud, dat straalt uit heg en kruid
En strooi het in de wereld uit!

(De wind komt opnieuw aangewaaid en strooit de bladeren rond. De kinderen dansen met de bladeren in een kring om de zon heen en allen, behalve de zon en de wind zingen):

Michaël herfstspel 3

(Dit liedje wordt één of meerdere malen herhaald en bij het afgaan zingen ook de zon en de wind mee).

.

Over de herfst in: jaarfeestenalle artikelen

2e klas: alle artikelen

.

284-268

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – woordenallerlei

.

 
Nederlandse taal: alle artikelen

.

Hier volgen herkomst en betekenis van allerlei woorden. Het kan interessant zijn om op sommige woorden in te kunnen gaan.                     (120)
.

Zie ook spelling
.

Tenzij anders vermeld:  (bron: dagblad Trouw)
.

(94) Algoritme
(18) Als zijnde
(102) Anderhalvemetersamenleving
(58) Armzalig
(46Bakken/braden
(67) Bang te moede
(54) Bedacht/beducht
(77Behapstukken
(44Bengel
(21) Beroerte
(56) Bevallen
(96Bingen
[111] Biljoen
(11)  Blijkbaar/schijnbaar
(43) Blunderen
(71) Bot vangen
(42Breidel
(6)   Bres
(17) Brief
(104) Cycloon
(39Deemoed
(57) Dementie
(74) Deur (looien en gek als)
(75) Dij (als achtervoegsel)
(88Door de helft
(25) Duh
(7)   Eengezinswoning
(89Extravert/extrovert
(53Falen/failliet
(79Fan
(51) Fitty
(65) Gast
(108) Geitenwollensokken
(37Gelach/gelag
(19)  Gelauwerd
[112] Gelukkig nieuwjaar
(9)   Gênant
(4)   Gevlij
(49) Gierig
(116) Grafisch
[114] Grooming
(100) Half (uitspraak bijv, (5,5)
(16)  Herberg
(103)Hoeveel keer zoveel
(66) Huldebiet
(64) Hygiëne
(87) Hysterisch
[105]Inflatie
(22)  Inlopen
(10)  Jok
(107) Kamikaze
(90Kennen
(24) Kersvers
(32) Kissebissen, harrewarren, bakkeleien
(44Knaap
(23) Koptisch
(28Lange tenen
[86Lazarus/lazer(ij)
(31)  Leenwoorden
(48Lente
(81Lijden/overlijden
(33Loomen
(13)  Mankeren
(15)  Mail
(115) Martelaar
(88Middendoor
(70Moor
(73) Mum
(91Muzelman, moslin, mohammedanen
(20Nachtmerrie
(14) Omwaaien
(113) On-
(16) Onherbergzaam
(72) On (t) roerend
(5) Onverveerd
(39Ootmoed
(27) Opening van zaken
(117) Opeisen
(104) Orkaan
(50) Oubollig
(29Oud(ere)
(30) Overnieuw
(12)  Pallet/palet
(61) Parket
(80) Past(o)or, pastorie
(76Peentjes
(60) Persoonlijk
(55) Piemel
(62) Piepelen
(26) Poedelprijs
(59) Pollen
(45)Proppen(121) punt en komma
(97) Quarantaine
(68Quotum/quota/quota’s
(92) Religie
(110) Rins
(72) Roerend
(93) Sabotage
(120) Skeptisch/sceptisch
(84) Schelden
(11)  Schijnbaar
(106) Slaaf
(1)   Slib(p)tong
(85Souterrain
(47) Spitsroede lopen
(52) Statiegeld
(40Steil
(38Stiefmoeder
(40Stijl
(101) Stol
(8)  Tartaar/Tataar
(85Terriër
(78Tifosi
(99) Tijdslot
(36Tropisch
(104) Tyfoon
(35Uitbrander
(100) Uitspraak uur/uren; week/weken enz.
(2)  Vaccineren
(3)  Vakantie  op / met vakantie
(63) Van zessen klaar
(77Verhapstukken
(41Verstoken/verstokt
(98Viraal
(44Vlegel
(5)  Vrij onverveerd
(34Vrijster
(69) Weids/wijds
(118) Wil/wilt
(119) Wou
(90Weten
(109) Zappen
(95) Zweren
.

[1] SLIP(B)TONG
Er is een tijd ge­weest dat zowel slibtong als slip­tong in het woordenboek stond. In 1992 definieerde Van Dale slibtong als ‘tongschar’ en sliptong als
1) on­dermaatse zeetong en
2) (verkeer­delijk voor) slibtong.

In de volgende editie van het woordenboek (1999) werd na con­sultatie van de branche het tref­woord slibtong geschrapt en be­hield het trefwoord sliptong één betekenis: ‘ondermaatse zeetong’. Rond die tijd werd sliptong ook op­genomen in het ‘Groene Boekje’. De spelling slibtong bleek echter hardnekkig. Zowel op menukaar­ten als in de krant en op internet is de verhouding tussen beide taalvor­men ongeveer 1:2. Zo stond slib­tong sinds 2000 189 keer in een Nederlandstalige krant, sliptong 379 keer.

De schrijfwijze slibtong suggereert dat de sliptong in het slib leeft. Weliswaar heeft de sliptong een voorkeur voor ondiep zeewater met een zanderige of modderige bodem, maar dat is niet bepalend voor zijn naam. Die is namelijk af­komstig uit de visserswereld. In hun ‘visserslatijn’ noemden be­roepsvissers ondermaatse zeetong sliptong, omdat deze vis gemakke­lijk door de mazen van het net slipt. Sliptong is dus een samenstel­ling van het werkwoord slippen (wegglijden, wegglippen, ontsnap­pen) en tong. Elke andere spelling is incorrect.

[2] VACCINEREN
Net na 1800 verschenen in Nederland­se media berichten dat in Frankrijk werd geëxperimenteerd met een entstof tegen koepokken. Daarbij werden mensen ingeënt met een ‘vaccin’, een entstof tegen ‘vaccine’ (het Franse woord voor koepok­ken).

Het Nederlands nam vaccin, vaccine en – wat later – vaccineren over uit het Frans. In die taal was vaccine een verkorting van variole vaccine, een verfransing van de Neolatijnse medische vakterm variote vaccinx, het geleerde woord voor koepokken. Letterlijk betekent vaccine niets meer of minder dan ‘van koeien’.
Aanvankelijk verwees ook ons werkwoord vaccineren alleen naar het inenten tegen koepokken. Pas vanaf 1950 werd de definitie uitge­breid en beschreef Van Dale vaccine­ren als ‘inenten tegen een bepaalde ziekte’. Zo kan het zijn dat kinde­ren tegenwoordig worden gevacci­neerd tegen de bof, mazelen en de rodehond (de beroemde BMR-prik) hoewel de gebruikte entstoffen niets met koeien, laat staan met koepokken te maken hebben.

[3] OP VAKANTIE OF MET VAKANTIE
Er wordt geen onderscheid meer gemaakt

[4] IN HET GEVLIJ KOMEN
Gevlij is afgeleid van vlijen = ordelijk naast elkaar schikken of van zich vlijen = zich schikken (naar), zich onderwerpen aan.
Bij iemand in het gevlij komen betekent: iemand (met woord en daad) behagen, bij iemand in de gunst komen. Vleien betekent onder meer: iemand naar de mond praten. Vleien en vlijen verschillen weliswaar van herkomst, maar lijken qua klank en betekenis sterk op elkaar. Ze worden dan ook vaak door elkaar gehaald. Dat geldt helemaal voor ‘in het gevlij komen’.

[5] VRIJ ONVERVEERD
In het Wilhelmus betekent dit vrij niet tamelijk, maar in de oude betekenis: zeer, heel erg.
Een van de functies van ons volkslied is dat het woorden in leven houdt die eigenlijk al lang en breed uit de omgangstaal zijn verdwenen. Het vaderland getrouw(e) bijvoorbeeld, wie zegt dat nog? Als woorden niet meer courant zijn, prikkelen ze de fantasie en gaan ze in de verbeelding van de burger soms een eigen leven leiden.

Zo vertelde iemand dat hij altijd had gedacht dat het woord onverveerd in ons volkslied (‘een Prinse van Oranje, ben ik, vrij, onverveerd’) iets te maken heeft met het werkwoord veren en dus onbuigzaam betekent. Dat is niet het geval.
Onverveerd heeft een totaal andere betekenis en een andere etymologie. Het woord is een oude variant van onvervaard, dat onbevreesd betekent. Onvervaard zelf is met het ontkennende element on afgeleid van vervaard, dat we nog aantreffen in de uitdrukking ‘voor geen kleintje vervaard zijn’ (veel durven, niet gauw bang zijn). Net als gevaar, gevaarlijk en vervaarlijk (‘vervaarlijk kijken’) is vervaard terug te voeren op het oude woord vaar, dat angst of vrees betekent en dat verwant is met het Engelse woord fear (gevaar). In de Vlaamse literatuur tref je vaar nog weleens aan, vooral in de combinatie ‘zonder vaar of vrees’. Zo typeerde Louis Paul Boon in een van zijn romans een moderne donquichot als ‘een ridder zonder vaar of vrees’: een ridder die alles durft. In Nederland zouden we zo’n koene ridder een ‘ridder zonder vrees of blaam’ noemen. Dat ons volkslied de Prinse van Oranje ‘onverveerd’ noemt, wil zeggen dat hij eveneens onverschrokken is en dus niet terugschrikt voor gevaar.

[6] BRES
Je kunt zowel in of op de bres staan voor iemand (‘klaarstaan om het voor hem op te nemen’) als voor iemand in of op de bres springen (‘hem met woord of daad verdedi­gen, vooral tegen aantijgingen’). Een bres was een opening in een vestingmuur, veroorzaakt door ge­schut, stormrammen of mijnen van belegeraars. Hun voorhoede sprong of stond in dat gat of op de restanten van de muur.

[7] EENGEZINSWONING
‘Eengezinswoning’? Inderdaad. Weliswaar mag je een tussen-s schrijven als je die ook uit­spreekt, zoals in geluid(s)arm, -hin­der, -opname enz., maar niet na een telwoord in drieledige samenstel­lingen als eengezinswoning, eenmans­fractie, eenpansgerecht, tweepersoons­bed, driepuntsgordel enz. Mogelijk is eensgezinswoning beïnvloed door eensgezind.

[8] TARTAAR of  TATAAR
Volgens het Groene Boekje zijn Tataar en Tar­taar gelijkwaardige varianten, dus beide spellingen zijn strikt geno­men correct. Van Dale geeft, net als de kranten, de voorkeur aan Tataar, mede op grond van de etymologie van het woord. De voorouders van de huidige Tataren waren namelijk een Mongools volk, dat in de mid­deleeuwen grote delen van Centraal-Azië en Oost-Europa verover­de. De Perzen noemden hen tatar. Europeanen associeerden de Tata­ren echter met de Tartaros, in de Griekse mythologie het schimmen­rijk waar Hades heerst en waar de grootste misdadigers door wrede wraakgodinnen worden bewaakt en gepijnigd. De Griekse Tartaros was dus zo ongeveer wat de hel voor de Europeanen was en omdat de Tataren bekendstonden om hun wreedheid, zullen de Europeanen hen als baarlijke duivels hebben beschouwd. Zo werd Tataar haast ongemerkt Tartaar. Het tartaartje dat we bij de slager kunnen kopen, hebben we trou­wens ook aan de Tataren te dan­ken. Tartaar heette aanvankelijk biefstuk/steak d la Tartare: fijnge­hakte rauwe biefstuk die slechts licht gebakken wordt en dus half-rauw wordt gegeten. Het tartaartje kreeg zijn naam op grond van oude verhalen over Tataren die met lap­pen vlees onder hun zadel zouden hebben gereden, zodat ze mals werden en verder onbereid konden worden opgegeten.

[9] GÊNANT
‘Gênant’, zo noemde Trouw giste­ren filmpjes op internet over kin­deren die gepest worden. Ze zijn dus beschamend, die filmpjes. Net als gêne is gênant een Frans leen­woord. Dat is te zien aan het accent circonflexe (het ‘dakje’) op de e. Taalkundigen zijn het er echter niet over eens of dat accent wel no­dig is. Gênant wordt in het Neder­lands immers meestal niet op z’n Frans uitgesproken (als zjènant), maar op z’n Nederlands (als zju-nant). Maar blijkbaar spreken de makers van de Woordenlijst het woord nog wel op z’n Frans uit; vandaar de spelling gênant. De ver­wante woorden gegeneerd, ongege­neerd en zich generen zijn trouwens al zo vernederlandst, dat ze ook in de Woordenlijst geen accent heb­ben.
Uit etymologisch perspectief is gê­nant eveneens interessant. Het woord is rond 1850 courant gewor­den in onze taal, maar in het Frans bestaat het al veel langer. In die taal is gênant het tegenwoordig deelwoord van het werkwoord ge­tier (hinderen), dat op zijn beurt is afgeleid van gêne (hinder, verlegen­heid). Oorspronkelijk betekende gene echter kwelling of marteling. Gêne is ontstaan onder invloed van een Frankisch woord voor ‘onder marteling bekennen’ én het chris­telijk Latijnse woord gehenna, dat ‘kwelling’ of’hel’ betekent. Bijbel­vaste christenen herkennen daarin misschien het Gehenna, een Bijbel­se naam voor de hel, afgeleid van de Hebreeuwse plaatsnaam gëhinnöm (het dal van Hinnom, nabij Jeruzalem). Volgens Jeremia 7:31 werden daar ooit kinderen ge­offerd aan de Moloch (een afgod). Dat was nog wel wat erger dan gênant.

[10] JOK
Waar komt om ’t jok ((om niet’, ‘zonder inzet’) spelen vandaan? Voor jok heeft het Latijnse iocus (o.m. ‘scherts’) model gestaan. Het woord werd vroeger in allerlei uit­drukkingen gebruikt, zoals in jok (‘in scherts’), alle jok op een stokt (al­le gekheid op een stokje’) en om ’t jok (‘voor de grap’ of, toegepast op een spel, ‘niet om winst’) .Jokken, dat in de Middeleeuwen doorgaans ‘schertsen’ betekende, is van de­zelfde oorsprong. Een eeuw gele­den constateerden woordhistorici dat varianten van dit jok nog te vinden waren in het dialect van Oud-Beijerland en in de Zaanstreek, waar geknikkerd kon worden ‘uit (de) juks’ (‘om niet’) of ‘uit den waars’ (‘met een inzet’).

[11]  BLIJKBAAR/SCHIJNBAAR
Afgelopen zaterdag stond in de krant ‘dat de AIVD en Plasterk schijnbaar niet op de hoogte waren dat Nederland zelf de 1,8 miljoen gegevens aan de Amerikanen had gegeven’. Die formulering is intri­gerend, want is ‘schijnbaar’ hier niet suggestief? En zou ‘blijkbaar’ niet beter zijn geweest? Blijkbaar en schijnbaar drukken ver­schillende houdingen van de schrij­ver uit ten opzichte van het ge-schrevene. Een ‘blijkbaar noncha­lante persoon’ is iemand die er blijk van geeft nonchalant te zijn, terwijl een ‘schijnbaar nonchalante persoon’ iemand is die slechts in schijn nonchalant is (maar in wer­kelijkheid niet). Zou schijnbaar in de aangehaalde zin ‘in schijn’ (oftewel ogenschijn­lijk) betekenen, dan zou de formu­lering suggestief zijn. Maar schijn­baar fungeert hier als bijwoordelij­ke bepaling en in die functie kan het woord niet alleen
‘ogenschijn­lijk’ betekenen, maar ook ‘naar het schijnt’ oftewel ‘klaarblijkelijk’, ‘kennelijk’ en… ‘blijkbaar’. Bij de interpretatie van schijnbaar is de plaatsing in de zin vaak essen­tieel. Zo betekent schijnbaar in ‘Hij komt niet, want schijnbaar is hij ziek’ zonder twijfel ‘klaarblijke­lijk’.
Maar in ‘Hij komt niet, want hij is schijnbaar ziek’ kan schijnbaar ‘klaarblijkelijk’ betekenen, maar ook ‘ogenschijnlijk’. Wie elk misverstand wil uitsluiten, vervangt in zo’n zin het meerduidi­ge woord schijnbaar door een een­duidiger synoniem ah kennelijk of blijkbaar. Ook de zin over de AIVD en Plasterk zou aan eenduidigheid hebben gewonnen als niet schijn­baar, maar bijvoorbeeld kennelijk was gebruikt.

[12] PALLET/PALET
Op internet tref je geregeld combi­naties aan als ‘een pallet aan maat­regelen’ en ‘een pallet aan emo­ties’. In plaats van pallet (laadbord) is in deze contexten palet (‘schake­ring’ oftewel ‘scala’) bedoeld. Pallet en palet worden wel vaker door el­kaar gehaald, want elders lees je dat een transporteur ‘kartonnen dozen op een palet’ stapelt. In zo’n geval is juist pallet de correcte spel­ling. Zelfs in kranten tref je deze verwisseling nu en dan aan. Zo schreef Trouw afgelopen zaterdag op de voorpagina dat het niet vreemd is dat de overheid zorgta-ken naar de gemeente overhevelt, omdat die ‘een pallet aan organisa­ties kan inschakelen’. Een misser natuurlijk, maar uit etymologisch perspectief is deze fout niet zo heel vreemd.

Pallet en palet zijn namelijk nauw verwante woorden. Palet (schil­dersplankje’, vervolgens ‘kleur­menging’ en vandaar figuurlijk ‘scala’) is een leenwoord uit het Frans. Al in de 15de eeuw heeft het Nederlands dit woord overgeno­men, aanvankelijk ter aanduiding van een hakbord of slaghout. Pallet (‘laad-‘ of’stapelbord’) daar-entegen is een Engels leenwoord, dat pas in de tweede helft van de 20ste eeuw in onze taal courant is geworden. Op hun beurt hebben de Engelsen pallet ontleend aan het Franse woord palet, waarvan de oerbetekenis niet veel anders is dan ‘vlak voorwerp’: een plaat of schijf.

Hoewel pallet en palet teruggaan op dezelfde taalvorm, hebben beide woorden een aparte ontwikkeling doorgemaakt, waardoor ze nu niet alleen verschillende betekenissen hebben, maar ook verschillend ge­speld moeten worden.

[13] MANKEREN
Is het ‘ik mankeer niets’ of ‘mij mankeert niets’
Die tweede formulering is in elk geval veruit de oudste. In de Mid­deleeuwen kon je heel wat meer werkwoorden op die manier ge­bruiken. In plaats van ik droom en ik gruw bijvoorbeeld zei en schreef men mi dromet en mi gruwet. De ik­figuur van het Egidiuslied zegt niet ‘ik verlang naar je, mijn kameraad’ maar ‘mi lanct na di, gheselle mijn’. Dromen, gruwen, (verlangen en an­dere werkwoorden) hebben de mogelijkheid van die constructie ver­loren. Dat zou ook met mankeren kunnen gebeuren. ‘Van Dale he­dendaags Nederlands’ etiketteert ik mankeer niets nog als spreektaal, maar ‘Koenen’ ziet kennelijk geen verschil met mij mankeert niets.

[14] OMWAAIEN
betekent vooral ‘door de wind omvallen’; vandaar ‘omwaai­ende bomen’. Zulke bomen kunnen omgewaaid zijn voordat ze de grond hebben bereikt. Vandaar ook dat de voor­zitter van de Maatschappij der Ne­derlandse Letterkunde in 2007 in een jaarrede kon zeggen dat Wil­lem Kieft, gouverneur van wat New York zou worden, zou zijn ‘verplet­terd door een omgevallen molen’.

[15] MAIL
Mail is een van de vele Engelse woorden die in de Middeleeuwen ontleend zijn aan het Frans, in dit geval aan malle ‘tas’ (nu vooral Frans voor ‘reis-, hutkoffer’). Ook een Engelse mail was aanvankelijk een tas of zak; pas in de zeventien­de eeuw werd het een zak voor het vervoer van brieven en nog weer later kwam het woord in gebruik voor de brieven zelf. De middeleeuwse Fransen hadden malle overigens niet zelfbedacht. Ze ontleenden het op hun beurt aan een van de Frankische (West-Germaanse) talen. De samenstel­lers van het Oudnederlandse Woor­denboek houden het er zelfs op dat die taal het Nederlands is geweest. Een buidel, zak of reistas noemden ‘onze verre voorouders mala. Dat is in de loop der eeuwen afgesleten tot male en vervolgens tot maal. Zo’n maal kon een tas of zak in het algemeen zijn, maar ook een her­derstas, een knap- of bedelaarszak, een ransel – of een brievenzak. In de laatste betekenis is ook brieven­maal gangbaar geweest, dat zowel naar de zak als de brieven in kwestie kon verwijzen.
In de roman ‘De opstandigen’ van Jo van Ammers-Küller, verschenen in 1925, komt brievenmaal nog voor als synoniem van postbestelling): ‘Met één brie­venmaal per dag zijn wij (…) altijd tevreden geweest’. Dit maal mogen we dan in het mo­derne Nederlands kwijt zijn ge­raakt, we hebben er in de vorm van (e-)mail, dankzij het Frans en het Engels, een nauwe verwant voor teruggekregen.

[16] HERBERG ONHERBERGZAAM
Het element herberg in onherberg­zaam  combineert een woord voor ‘leger’ (dat nog voor­komt als heer, lange tijd gespeld als heir, en in
her-tog ‘legerleider’) met berg als in het werkwoord bergen ‘in veiligheid brengen’, ‘opbergen’. Heel lang geleden was een herberg dan ook een onderkomen voor een menigte of een leger. Later werd het een nachtverblijf voor vreem­den en vervolgens een eet- en drinkgelegenheid. Geen wonder dat herbergzaam een synoniem werd van gastvrij (‘zijt herberghsaem tegen malkande­ren’- Statenbijbel). De oudste bete­kenis van onherbergzaam is dan ook ‘niet gastvrij’; zo dichtte Bilderdijk over “t onherbergzaam dak van d’ongastvrije koning’. Toegepast op plaatsen is het vooral in zwang ge­komen voor ‘woest, ruig, ontoegan­kelijk’.
Ook in andere talen leeft het oude herberg voort. In het Engels is het harbour geworden, ooit als here-beorg eveneens ‘onderkomen voor een menigte of een leger’ en sinds de zestiende eeuw ‘onderkomen voor schepen, haven’. Franse ver­wanten, ontleend aan een Ger­maanse taal, zijn auberge ‘herberg’ en héberger ‘herbergen’.
 Bergachtig gebied is vaak onher­bergzaam (‘ruig en moeilijk toe­gankelijk’), maar dat hoeft natuur­lijk niet. Het idee dat de twee woorden berg dezelfde oorsprong hebben, is een misvatting. Berg (mountain) gaat terug op een oeroud woord voor ‘groot, hoog’.

[17] BRIEF
Het Engelse en het Nederlandse brief  gaan terug op het Latijnse brevis (‘kort’), dat in ettelijke talen zijn sporen heeft nagelaten. Andere voorbeelden zijn ons brevet (‘ge­tuigschrift’) en brevier (oorspronke­lijk ‘verkort getijdenboek’) en het Engelse abbreviate (‘bekorten’) en brevity (‘beknoptheid’). Het Engelse brief is niet alleen een bijvoeglijk naamwoord (I’ll be brief. ik zal het kort houden), maar ook een zelfstandig naamwoord (o.a: ‘samenvatting, instructie voor een advocaat’) en een werkwoord (‘in­strueren, inlichten’, vandaar ons briefen).
Ook in betekenis zijn die woorden verwant aan het Nederlandse brief. Dat zit zo: in het middeleeuwse La­tijn werd het van brevis (‘kort’) afge­leide breve gebruikt voor ‘brief’ of ‘samenvatting’. Hieraan moet zo­wel het Engels als het Nederlands de diverse betekenissen van brief hebben ontleend. Diverse, want ons brief kon in de Middeleeuwen naar verschillende geschriften en documenten verwijzen: ook naar een opschrift, een boekje en een akte of bewijsstuk. Nog in de ze­ventiende eeuw was de nu gangba­re betekenis lang niet de enige. Daarom werd wat nu een brief heet, vaak een zendbrief genoemd. Verdwenen zijn de vroegere toepas­singen van brief nog niet. Je vindt ze bijvoorbeeld terug in een briefje (‘bewijs, attest’) van de dokter, een briefje van duizend, de oudste brieven hebben (nu gebruikt in de figuurlij­ke zin van de oudste rechten kun­nen doen gelden), adelbrieven (‘ze­kere oorkonden’) en geloofsbrieven (‘over te leggen bewijsstukken’).

[18] ALS……….ZIJNDE
‘Als Nederlander zijnde hoop je na­tuurlijk dat Oranje de finale haalt’ – in de spreektaal is zo’n zin doodgewoon, maar in de krant tref je zulke formuleringen niet vaak aan. Niet vanwege de inhoud, maar vanwege ‘als… zijnde’. Die constructie wordt al decennia­lang aangemerkt als een klassieke taalfout, als contaminatie van ‘als Nederlander/vrouw/voetballer’ en ‘Nederlander/vrouw/voetballer zijn­de’. Die laatste constructie is ar­chaïsch – ouderwets dus – en het enige echte alternatief voor ‘als… zijnde’ is dan ook ‘als …’: ‘Als Nederlander hoop je dat Oranje de fi­nale haalt.’

[19] GELAUWERD
Gelouwerd is een vaak gemaakte spelfout (cor­rect is: gelauwerd), die bovendien niet op zichzelf staat. Zo schreef Trouw vorige week donderdag over de Belgische broers Dardenne, een filmmakersduo, dat ze ‘niet op hun louweren’ rusten. De correcte uitdrukking luidt op zijn lauweren rusten. Lauweren is het meervoud van lauwer, een sy­noniem van laurier. Een oud syno­niem, want laurier hebben we rond 1500 via het Frans uit het Latijn overgenomen, maar lauwer is al in de dertiende eeuw direct ontleend aan het Latijnse laurus (laurier). Gelauwerd en op zijn lauweren rusten verwijzen naar de oude ge­woonte iemand die gezegevierd heeft een lauwerkrans op het hoofd te zetten. Zo bekroonden de oude Grieken, die de lauriertak beschouwden als symbool van de Olympische god Apollo, winnaars van de Olympische Spelen met kransen van laurierbladeren. De Romeinen namen dit gebruik over en bekroonden hun succesvol­le veldheren met lauwerkransen.
Nadien bleef de lauwerkrans in de Europese geschiedenis de traditionele beloning voor mensen die zich verdienstelijk hadden gemaakt, ( onder andere op literair vlak, en die daarom laureaten werden ge­noemd. De lauwerkrans zelf werd intussen vaak vervangen door een ornament of ander voorwerp dat zo’n krans voorstelt. Het verband met laurierbladeren raakte zo enigszins op de achtergrond. Op­vallend is wel dat lauwerkrans, in tegenstelling tot gelauwerd en op zijn lauweren rusten, toch eigen­lijk nooit fout gespeld wordt.

[20] NACHTMERRIE
Een oudere vorm van het woord is nachtmare, een combina­tie van nacht en mare in de beteke­nis ‘nachtspook’. Zo’n spook zou slapende mensen zo kwellen dat ze het gevoel hadden te stikken. Later ging de betekenis over op de kwel­ling zelf. Toen mare niet meer be­grepen werd, kwam merrie ervoor in de plaats. Een kwestie van volks­etymologie: de vervanging van een onbegrepen woord door een dat wel gesnapt wordt. Daaraan danken we bijvoorbeeld ook hangmat (Spaans hamaca) en hondsdraf
(Mid­delnederlands gonderave of onder-have ‘onkruid’). In het Engelse nightmare is het oude mare be­waard gebleven, al zie en hoor je dat er niet aan af. Het Engelse mare met de betekenis ‘merrie’ is er im­mers mee samengevallen.

[21] BEROERTE
Etymologen leggen verband met beroerd in de vroegere betekenis ‘aangeraakt’ in de zin van ‘door de hand Gods met een plotseling ( optredende, heftige aandoening opgezadeld’. Dat kon een emotie zijn maar ook een herseninfarct.

[22] INLOPEN
Ze waren het bos ingelopen. 
Zo geschreven wekt de zin de in­druk dat het werkwoord in kwestie inlopen is. Welnu, schoenen kun je inlopen, een achterstand ook, maar een bos niet. In hoort hier bij het bos, niet bij lo­pen, en daarom mag je het niet aan dat werkwoord vastklinken: voor­dat ze doornat het huis in liepen, wa­ren ze in de stromende regen het bos in gelopen.
Los schrijven we in (van erin) en ge­lopen of getrapt ook in een zin als de val was heel slim opgezet en ze is er dan ook in gelopen / getrapt. Inge­trapt worden bijvoorbeeld een deur en kruimels op een vloerkleed, een val niet.
‘Kijk eens of er misschien fouten inzitten’. Ook in dit geval is het nuttig je af te vra­gen waar in deel van uitmaakt: van er of van zitten. Wanneer je de geci­teerde bijzin herformuleert (‘om­dat in de tekst misschien fouten zitten’) zal meteen duidelijk zijn dat in niet bij zitten hoort en dat in­zitten hier dus minder correct is.
Goed geschreven is het wel in een uitdrukking als ermee of erover inzit­ten: hij heeft er nooit over ingezeten of zijn zoon zou slagen. Vergelijk ook: Hoewel Piet het deksel er verkeerd op gedraaid had, is Jan er­voor opgedraaid.

[23] KOPTISCH
Koptisch gaat terug op het Koptische woord gypt(e)ios, dat ontleend is aan het Griekse woord Aiguptios (Egypte­naar), een afleiding van Aiguptos, de naam van Egypte. Dat land zelf is op zijn beurt vernoemd naar de oude hoofdstad, Memphis, die in het oude Egyptisch ha-ka-ptah heette.
Behalve een godsdienst is Koptisch ook een taalnaam. Het verwijst naar de taal die tussen circa 250 en 1500 gesproken werd in Egyp­te.
In onze woordgeschiedenis speelt die taal geen rol van betekenis. Er is één uitzondering. Zonder het Koptisch zouden wij nu geen an­dijvie eten, of die groente in elk geval niet zo noemen. Andijvie gaat namelijk via het Latijn en Grieks terug op het Koptische woord voor januari. In Egypte was dat de oogstmaand voor andijvie.

[24] KERSVERS
de oudste vorm moet kars(ch) ende vars(ch) ge­weest zijn. Var(sch) was ons vers en kars(sch) een nu verdwenen woord voor ‘fris, gezond, levenskrachtig’. Bij Bredero kon iets dat twintig jaar oud was, nog kars enne vars zijn. Hieruit ontstond de samen­stelling kars(ch)vars of‘kars(ch)vers, toegepast niet alleen op etenswa­ren, maar ook op gedrag en ideeën, zoals in uwe karsvarsche (zeer recen­te) naauwgezetheid (Wolff en Deken, 18de eeuw). Toen kars(ch) in de oor­spronkelijke betekenis teloor was gegaan, werd het aangezien voor kers (de plant, zoals in waterkers, en/of de vrucht), dat vaak als kars uitgesproken en geschreven werd.

[25] DUH
Het moet in deze eeuw uit het En­gels zijn overgenomen. Je spreekt het uit als dù of dù-ù . Vaak gaat ja eraan vooraf: ja, duh. Van Dale hedendaags Neder­land uit 2008 kent alleen de spelling duh (elders kom je ook dûh tegen: en geeft als betekenis ‘minachtend commentaar als ie­mand iets zegt wat voor de hand ligt’. Een goed voorbeeld bevatte een recente tweet: “Geloofsafval. resulteert in ‘kerkverlating’- Duh. Het is hier min of meer synoniem met nogal wiedes, maar drukt ver­moedelijk wat sterker (gespeelde) twijfel aan andermans geestelijke vermogens uit.
Overigens wordt duh niet alleen uitgelokt door wie open deuren intrappen. Voor sommigen is het ook een passende sarcastische re­actie op andere dom geachte be­weringen.
In het Engelse taalgebied was duh aanvankelijk een equivalent van ons eh, dat aarzeling uitdrukt. In de jaren tachtig lijkt het in Ameri­ka de nieuwe betekenis te hebben gekregen. De internationale ver­spreiding dankt het misschien aan de animatieserie ‘The Simpsons”, waarin volgens kenners heel wat afgeduh-d wordt. Een vergelijkbare, maar nog niet geïmporteerde vorm van ietwat primitief taalgebruik is het Engel­se doh niet in de betekenis van ‘grondtoon van de toonladder”. Sommigen luchten er hun gefrus­treerd gemoed mee wanneer het dagelijks leven niet naar wens ver­loopt of ze iets doms gedaan of gezegd hebben.

[26] POEDELPRIJS
Heeft het woord poedelprijs (‘beloninkje voor wie in een wed­strijd als laatste eindigt’) iets met poedel (‘hond’) te maken?
Vermoedelijk niet, luidt het oor­deel van woordhistorici. De poedel in kwestie is een misser, een mis­lukt schot of dito worp; vandaar dat een kegelclub in het Zuid-Lim­burgse Genhout zich De poedelha­ters noemt. Het woord komt moge­lijk van poedelen in de zin van ‘knoeien, morsen’ en dat lijkt een andere voorgeschiedenis te hebben dan poedelen in de betekenis ‘water heen en weer bewegen, spetteren’. De voorouders van alle poedelwoorden moeten we in het Duitse taalgebied zoeken, waaruit dus ook de hondennaam afkomstig is. De Pudel/poedel heet zo omdat hij, af­gericht voor de jacht op watervo­gels, graag spetterend te werk ging oftewel pudelte/poedelde.

[27] OPENHEID VAN ZAKEN
Kun je ‘openheid van zaken geven’? Die formulering kom je herhaalde­lijk tegen. Zo riep Oxfam Novib vo­rige maand een voedselfabrikant ertoe op ‘openheid van zaken’ te geven over de herkomst van zijn grondstoffen. Kennelijk is niet al­leen bij deze organisatie onbekend dat de vaste uitdrukking al sinds de zeventiende eeuw opening van zaken (onthulling van de ware stand van zaken) is.

[28] LANGE TENEN
Wie lange tenen heeft, is snel bele­digd en wie op iemands tenen gaat staan, is daar de veroorzaker van. Wie zijn moedertaal beheerst, kent dat idioom. Lange tenen hebben en op iemands tenen gaan staan zijn dan ook als courante uitdrukkin­gen opgenomen in het woorden­boek.
Dat geldt niet voor varianten als ge­voelige tenen hebben en op gevoelige te­nen gaan staan, zoals die soms in de krant te vinden zijn. Zo schreef Trouw afgelopen woensdag over een Poolse regisseur die met een film ‘in zijn vaderland Polen op gevoelige tenen’ trapt. Eerder ‘stamp­voette’ al eens iemand ‘op
gevoeli­ge tenen’ en was er sprake van de ‘lange gevoelige tenen’ van Poetin. Uit de contexten kan de betekenis worden afgeleid: gevoelige tenen heb­ben is een variant op lange tenen heb­ben en op gevoelige tenen trappen bete­kent ‘iemand die gauw beledigd is irriteren of kwetsen’. Maar zijn die uitdrukkingen nieuw of ontbreken ze ten onrechte in de woordenboe­ken.
Het laatste is het geval. Informatie uit de krantendatabase Delpher van de Koninklijke Bibliotheek (www.delpher.nl) geeft een aardig inzicht in de populariteitsgeschiedenis van woorden en uitdrukkin­gen. Hieruit blijkt dat de uitdruk­kingen met ‘gevoelige tenen’ kort na de Tweede Wereldoorlog cou­rant zijn geworden. Maar de oudste vindplaats in Delpher dateert van voor de oorlog. In 1935 schreef het socialistische weekblad De Tribune over het Franse protest tegen de Duitse herbewapening. Het blad dacht dat de Engelsen dat wel zou­den steunen, maar vreesde ook dat ze ‘Hitler’s gevoelige tenen wil(den) ontzien…’.

[29] OUD(ERE)
Doorgaans geven de zogeheten trappen van vergelijking een opklimmende reeks aan: oud (stellende trap of positief) – ouder ‘ (vergelijkende trap of comparatief) – oudst (overtreffende trap of super­latief). Maar een oudere man in de zin van ‘een man op enigszins ge­vorderde leeftijd’ neemt een aparte positie in. In een geval als dit berust oudere niet op een expliciete vergelijking, maar is -ere eerder een graadaanduiding (‘min of meer’). Onder taalkundigen is hiervoor de term absolute of onechte vergrotende trap in omloop. Het gebruik ervan beperkt zich niet tot ouder(e), getuige uitdruk­kingen als een hogere (boven ons ge­stelde) macht, de lagere inkomens, de mindere man en de rijpere jeugd. Het Duits kan hier het Nederlands als voorbeeld hebben gediend, met constructies als seit längerer Zeit (sinds vrij lange tijd) en ein grösserer Betrag (een tamelijk groot be­drag).
Sommige van de Nederlandse vormen worden overigens wel opgevat als een verkapte superlatief. Met hogere standen bijvoorbeeld zijn dan de hoogste bedoeld. Zo ook zal Trouw zich met de slagzin ‘de betere krant’ niet als ‘een min of meer goede krant’ hebben willen kenschetsen, maar minstens als ‘een van de beste’.

[30] OVERNIEUW
‘Overnieuw’, gehekeld als verhaspeling, hoeft niet fout te zijn.
Overnieuw kan een contaminatie zijn van ‘over’ en ‘opnieuw’.
Onze Taal heeft al eens uitgelegd dat een vraag als ‘mag ik even overnieuw beginnen?’ niet precies hetzelfde hoeft te betekenen als ‘mag ik even opnieuw beginnen’? Het gebruik van overnieuw kan in­houden dat de spreker het de
tweede keer anders wil doen. En toen de rechtsgeleerde C. van Vollenho­ven in 1920 schreef dat ‘het Haagsche werk’ (conferenties over vrede en ontwapening) ‘overnieuw dient te worden gedaan’, bedoelde hij méér dan dat het overgedaan in de zin van ‘herhaald’ moest worden: het moest ‘totaal anders’ worden ‘aangevat’.

[31] LEENWOORDEN
Menigeen ergert zich aan het overbodig gebruik van bui­tenlandse woorden of leenwoorden in het Nederlands en sommigen willen deze woorden zelfs zo veel mogelijk uit­bannen. Het gebruik van vooral Engelse woorden als er een goed, of soms zelfs beter, Nederlands woord voor de hand ligt, is vaak ergerlijk; we denken hierbij aan woorden als award in plaats van prijs, company voor bedrijf, plane voor vliegtuig en security voor beveiliging. Vooral volledig vreemd­talige reclame-uitingen als Let’s make things better stuiten veel taalliefhebbers tegen de borst.
Maar het overnemen van leenwoorden is een verschijnsel dat zich in iedere taal voordoet. Het Nederlands kent vele leenwoorden die inmiddels algemeen zijn geaccepteerd en die soms niet meer als leenwoord worden herkend: uit het Latijn (zolder, kelder), het Grieks (telefoon, catastrofe), het Arabisch (algebra, koffie), het Frans (kathedraal, portemon­nee), het Italiaans (spaghetti, allegro) en het Engels (baby, computer). Sommige leenwoorden zijn niet te vertalen: Weltschmerz, brainstormen, timing. Andere zijn korter: drugs, tutoyeren, lobbyen.
Soms heeft het Nederlandse woord een andere gevoels­waarde:

happening gebeurtenis                              transpireren zweten

finishing touch de laatste hand                souffleren voorzeggen

Het Engels lijkt een sterke invloed te hebben op het Neder­lands, maar ontwikkelingen in de taal rond voetbal en computer tonen aan dat Nederlandse woorden soms in staat zijn om hun vreemdtalige equivalenten te verdrin­gen: vrije schop (free kick), hoekschop (corner), strafschop (pe­nalty), buitenspel (offside), tekstverwerker (word processor), uit­draai (print), beeldscherm (display).

[32] KISSEBISSEN
Kissebissen en bakkeleien zijn twee van de vele woorden in onze taal die verwijzen naar kibbelen of­tewel onenigheid hebben over on­beduidende zaken. Andere woor­den met dezelfde betekenis zijn bij­voorbeeld hakketakken, harrewarren en hassebassen.
Hakketakken, harrewarren, hasse­bassen en kissebissen lijken uiterlijk behoorlijk veel op elkaar, maar zijn – vaak in een ver verleden – toch op verschillende manieren ontstaan. Zo hebben we hakketak­ken eraan te danken dat hakken (kri­tiek leveren op iemand) werd geas­socieerd met het nu verouderde werkwoord hakketeren (kibbelen). Hassebassen en harrewarren daaren­tegen zijn door toevoeging van een rijmend woorddeel (reduplicatie) gevormd van de oude werkwoor­den bassen (snauwen) en warren (onenigheid hebben). Over de her­komst van kissebissen willen etymo­logen nog weieens bakkeleien, maar een aannemelijke verklaring is dat kissebissen al in de 17de eeuw is samengesteld van de oude werkwoorden kissen (sissen) en bissen (zich druk maken).
Deze vier woorden hebben ge­meen dat ze in het Nederlands zijn gevormd. Daarin verschillen ze van bakkeleien. Dat leenwoord hebben we overgehouden aan ons kolonale verleden. Bakkeleien is – in de vorm bakkelaayen en in de beteke­nis vechten – namelijk al rond 1700 ontleend aan het Maleise woord berkelahi, dat ‘bezig zijn met vechten of twisten’ betekent.

[33] LOOMEN
Sinds begin mei (2014) heeft Nederland er een rage bij – loomen – en wordt de Nederlandse taal bijna dagelijks verrijkt met woorden die daarmee te maken hebben: loombord, loombandje, loomsieraad. Loomen (spreek uit als loemen) lijkt op het aloude punniken (koordjes vlechten), maar verschilt daarvan doordat het niet wordt gedaan met stukjes garen op een klosje, maar met elastiekjes op een loombord. Dat woord is ontleend aan loom board, een Engelse term voor weefbord.

De vervoeging van verse aan het Engels ontleende werkwoorden levert altijd weer problemen op. Zo schrijven kinderen op internet dat ze hebben ‘geloomed’. Ook al heeft loomen in het Nederlands een Engels aandoende uitspraak, het werkwoord wordt vervoegd volgens Nederlandse regels: jij loomt, zij loomde, wij hebben geloomd.
Het loomen resulteert vaak in loombandjes. Een paar weken geleden waren die armbandjes slechts po­pulair bij kinderen, maar inmid­dels is Louis van Gaal met een WK-loombandje gesignaleerd. Geen wonder, ook ouderen schijnen het loomen te hebben ontdekt. In het Nederlands krijgt de naam loombandje de laatste weken wel wat concurrentie. Steeds vaker worden de armbandjes band it-bandjes genoemd, dat dankzij alliteratie misschien wat beter in het gehoor ligt. Dat woord berust op een merknaam: Band-it! Gelukkig is loomen een rage en dus van vluchtige aard. Dat geldt ook voor de bijbehorende woor­den. Hoewel, sommige, zoals loomen en loombandje, zullen wel­licht beklijven.

[34] VRIJSTER
In de loop der eeuwen heeft vrijster diverse betekenissen ontwikkeld, waaronder ‘ongetrouwde jonge vrouw’. Zo iemand kon ook een jon­ge vrijster heten. Tegen deze achter­grond is begrijpelijk dat daarnaast, minstens al in de achttiende eeuw, oude vrijster in omloop kwam. Voor velen lijdt deze combinatie vermoedelijk aan innerlijke tegen­spraak. Met vrijen, waarvan het woord uiteraard is afgeleid, wordt nu immers vooral een bezigheid bedoeld waarnaar vroegere genera­ties alleen verwezen met zogehe­ten moeilijke woorden als copuleren en coïre of met schuttingtaal. Zo ver gingen onze voorouders niet, in taalkundig opzicht. Voor hen was vrijen onder andere ‘het hof maken’, ‘liefhebben’ (‘Adam vrijde Eva’), ‘minnekozen’ (‘kussen, strelen en knuffelen’) en ‘verkering hebben’.
In  Couperus’ ‘Eline Vere’, waarin Georges en Lili ‘in den sa­lon (…) met elkaar liggen te vrijen’ is dit in bovenstaande betekenis bedoeld. Oorspronkelijk, in het Germaans, moet vrijen van seksuele connota­ties verstoken zijn geweest, ‘lief­hebben’, in algemene zin, was de betekenis. Het tegenwoordig deel­woord van het werkwoord is ons vriend geworden.

[35] UITBRANDER
Is afgeleid van uitbranden ‘de mantel uitvegen’, dat regionaal nog in gebruik moet zijn. Verklaard als een figuurlijke toepassing van de betekenis ‘door middel van vuur ontdoen van ongerechtigheden, reinigen’. Iemand uitbranden kon je vanaf de achttiende eeuw. Uitbrander lijkt in de negentiende eeuw ontstaan; het oudste citaat is van Multatuli.

[36] TROPISCH
Er zijn heel wat manieren om te zeggen hoe warm het is. Het is broeierig, drukkend, zweterig, plakkerig, pufferig, pufheet, broei­end heet, gloeiend heet, benauwd, bloed- of bloedjeheet, schroeiend heet, smoorheet, snikheet, stikheet of zelfs stervensheet.
En als het kwik in de zomer een beetje op­loopt, vinden we het al snel ‘tro­pisch’. Dat woord is aan het begin van de negentiende eeuw via het Duits in onze taal terechtgekomen. Het gaat terug op het Latijn, waarin tropicus ‘met betrekking tot de zon­newende’ betekent. Het woord verwijst dus naar de keerkringen, de denkbeeldige cirkels aan het he­melgewelf waartussen de zon keert bij haar schijnbare beweging om de aarde. Aanvankelijk betekende tropisch niets meer of minder dan ‘als in de tropen’. Pas later ging dat woord ‘heel erg warm’ betekenen. Die betekenis berust dus eigenlijk op de vergelijking ‘zo heet als in de tropen’.
Ook mensen die nog nooit in de tropen zijn geweest, en het weer tussen de keerkringen dus niet uit eigen ervaring kunnen vergelijken met het weer in onze gematigde streken, deinzen er niet voor terug een warme zomerdag als ‘tropisch te typeren. Meteorologen hebben het pas over een tropische dag als de temperatuur boven de dertig graden uitkomt.

[37] GELACH/GELAG
Drinkgelag en ook drankgelag moe­ten  met een g worden gespeld. Beide woorden zijn samen­stellingen met gelag. Dat is vooral bekend dankzij de uitdrukking ‘het gelag betalen’, die nu niet vaak meer met drinkgelagen in verband wordt gebracht. Meestal wordt de­ze uitdrukking gebruikt in de
bete­kenis ‘de straf dragen voor wat an­deren hebben misdreven of voor wat men samen met anderen heeft misdaan’. Gelag verwijst letterlijk naar de (kosten van de) gezamenlij­ke consumpties van een of meer personen in een
horecagelegen­heid. Het is een woord dat in de 13de eeuw is afgeleid van het nu al lang verdwenen werkwoord gelig-gen (samenliggen) en betekende oorspronkelijk in het algemeen ‘wat bijeen is gelegd’ en in het bij­zonder ‘de kosten van een (ge­meenschappelijke) maaltijd of drinkpartij’. Geliggen kon figuurlijk ook ‘in een bepaalde toestand zijn betekenen. Daarvan is gelag afge­leid in een betekenis (toestand of lot) die we nog steeds aantreffen in een andere uitdrukking: ‘een hard gelag’ (‘een moeilijk te dragen lot’).

[38] STIEFMOEDER
Van oudsher kennen we ze als ‘stiefouders’: vaders en moeders in relatie tot een kind uit het vorige huwelijk van hun partner. Woor­den als stiefmoeder, stiefvader, stiefdochter en stiefkind zijn dan ook al stokoud.
Het zijn afleidingen met het voor­voegsel stief-, dat eigenlijk ‘zonder bloedverwantschap’ betekent. Stief-wordt – soms in de variant stiep – al in de dertiende eeuw aangetroffen in onze taal en is verwant met het Engelse voorvoegsel step-, zoals in stepfather en stepmother, en het Zweedse voorvoegsel styv-, zoals in styvdotter en styvsyster. De woorden stiefvader en vooral stiefmoeder hebben naast hun neu­trale ook een uitgesproken negatie­ve betekenis gekregen. Behalve ‘tweede moeder’ betekent stief­moeder ook ‘liefdeloze moeder’. De ‘boze stiefmoeder’ is een bekend motief in sprookjes als Assepoester en Sneeuwwitje. Maar de vlek op haar imago heeft de stiefmoeder niet meegekregen van sprookjes­schrijvers als Charles Perrault en de gebroeders Grimm. Al veel eer­der had de stiefmoeder een slechte reputatie. Zo moet rond 1600 de ‘boze stiefmoeder’ een gangbaar begrip zijn geweest, want in 1604 schreef Carel van Mander in zijn ‘Schilderboeck’ over motieven uit de klassieke mythologie in termen van een ‘boose’ respectievelijk een ‘quade stiefmoeder’. Door dat negatieve imago van de woorden stiefmoeder (en -vader) gaan stiefouders en -kinderen nog­al eens op zoek naar een alternatie­ve benaming, zoals bonusmoeder, bonusvader en plusmama en plus­papa. Vooral die laatste twee begin­nen concurrenten te worden van stiefmoeder en -vader.

[39] DEEMOED/OOTMOED
Worden woorden als ‘ootmoedig’ en ‘deemoedig’ nog wel gebruikt buiten de kerk en wie kent nog het onder­scheid tussen ootmoed en deemoed? In oorsprong is er zeker verschil tussen de twee, nu voor menigeen beide synoniem met nederigheid, onderworpenheid. Ootmoed koppelt het verdwenen woord ode ‘gemakkelijk, licht’ aan moed ‘gezindheid’. Het verwijst al eeuwen naar een ‘gemakkelijke, d.i. niet stugge of stuursche, dee­moedige gezindheid van iemand te­genover anderen die boven hem verheven zijn’, zegt ons grootste woordenboek. In deemoed, dat aan het Duits ontleend is, behoort dee tot de familie van dienen. Is er ook verschil in betekenis nu? J.V. Hendriks meende in 1922 in zijn handwoordenboek van syno­niemen nog van wel. Deemoedig as­socieerde hij met schuld; ootmoedig met onderworpenheid, vandaar dat dit ‘vooral gebruikt wordt met be­trekking tot het gevoel van onder­worpenheid voor God’.

[40] STEIL/STIJL
Het spellingverschil tussen steil en stijl is niet gebaseerd op de uit­spraak, maar op de verschillende herkomst van deze woorden. Stijl (paal, schrijfwijze, richting in de 
kunst e.d.) gaat terug op het Latijnse woord stilus, terwijl steil is afgeleid van een oud woord voor stoep, stegel, dat op zijn beurt teruggaat op stijgen. Het element ege werd ei en zo werd stegel steil. Iets vergelijkbaars zien we bij peil (afgeleid van pegel) en dweil (afgeleid van dwegel). Die kennis helpt echter niet veel bij het spellen. Wie steil en stijl correct wil schrijven, kan dan ook  het best onthouden dat het sub­stantief met een lange ij en het adjectief met een korte ij moet worden geschreven.

[41] VERSTOKT/VERSTOKEN
 ‘Verstoken’ komt slechts in één combinatie voor: ‘verstoken (blij­ven, zijn) van…’. Iemand die versto­ken is van aardgas, heeft dat niet verstookt, maar moet het simpelweg zonder gas stellen. ‘Verstoken van…’ betekent namelijk in essen­tie ‘zonder’.
De verwarring van ‘verstoken van met het werkwoord ‘verstoken’ en het bijvoeglijk naamwoord ‘ver­stokt’ (als in ‘een verstokte roker’ komt door de onbekende herkomst van ‘verstoken van’. Dat is van oorsprong een vervoeging van het incourante werkwoord ‘versteken’, dat vroeger de betekenis beroven, ontnemen had. Je ziet het helaas vaker: als de etymologische verankering van een woord niet meer duidelijk is, worden er steeds meer fouten mee gemaakt.

[42] BREIDEL|
persbreidel: het beperken van de persvrijheid. Dat woord, persbreidel, is in de jaren twintig van de twintigste eeuw cou­rant geworden. Destijds werd het gebruikt in verband met de beper­king van de persvrijheid in Nederlands-Indië. Daar voerde de overheid in 1931 zelfs een ‘persbreidel-ordonnantie’ in.
Persbreidel is samengesteld op ba­sis van de woordcombinatie ‘de pers breidelen’, die al veel ouder is. Hierin betekent breidelen niet let­terlijk ‘rij- of lastdieren voorzien van een breidel (een combinatie van teugel, bit en leidsel)’, maar
fi­guurlijk ‘in zijn vrije uiting of loop beperken’ oftewel ‘bedwingen’. Net als de verwante woorden (in)tomen en beteugelen wordt breidelen ook nu vrijwel alleen nog maar fi­guurlijk gebruikt. Breidelen is afgeleid van breidel, dat uit de dertiende eeuw dateert en verwant is met het werkwoord breien. Vroege breidels of toompjes waren kennelijk vlechtwerkjes. Breidelen ligt ten grondslag aan twee bijvoeglijke naamwoorden die nu gewoner zijn dan dit werkwoord zelf: breidelloos en ongebreideld. Met beide woorden wordt ook allang niet meer verwezen naar een rij- of lastdier dat zonder toom loopt. Deze woorden worden net als  tomeloos  en onbeteugeld figuurlijk gebruikt in de betekenis ‘onbedwingbaar’ en soms ‘onbeperkt’. 

[43] BLUNDEREN
Blunderen gaat volgens etymologiewoordenboeken via het Engelse woord blunder terug op het Oud-noorse woord blunda, dat verwant is met ons woord blind en ‘de ogen sluiten’ betekent. Wie blundert, had zijn ogen dus in zijn zak.

[44] KNAPEN, VLEGELS EN BENGELS
De lezer zal wel niet vermoeden, dat al die woorden in verband staan met afranselen. De middeleeuwse knaap werd opgevoed met stokslagen. Het woord „knaap” komt van het Germaanse knab=stok, knup­pel. Maar in de Middeleeuwen was de knaap „ouder” dan nu, het betekende ook jongeling, jonge man. We vinden dit bij edelknaap, schildknaap, een adellijke jongeling in dienst van een ridder. Hij moest het zware schild dragen als zijn heer ten oorlog trok of naar een toernooi ging. En werd zijn heer gewond of gedood, dan moest de schildknaap zorgen dat de gewonde heer of zijn lijk weer thuis kwam. Was de ridder in een toernooi overwonnen, dan moest de schildknaap met de overwinnaar onderhandelen over het inleveren van paard, wapens en harnas of onderhandelen over een losprijs om één en ander terug te kopen. Dat was geen jongenswerk en men ziet wel dat de schildknaap een jonge man was. Wie zich interes­seert over de toernooien en de „vaktermen”, vindt dit in „Jvanhoe” van Walter Scott uitvoerig beschre­ven.

Het Duits kent het woord „Knappe”. Dat waren mijn­werkers welke in het gesteente gangen hieuwen op zoek – In de eerste plaats – naar zilveraders. Daar in Nederland geen erts in het gesteente voorkomt, hebben wij geen woord voor „Knappe”.
Een merkwaardige instelling aan de vele Duitse vorstenhoven was de „Prügelknabe”. Hij was de zoon van een lijfeigene of slavin en hij genoot de twijfel­achtige eer de tuchtiging in ontvangst te nemen die het zoontje van de vorst verdiende. Hij was altijd te­zamen met het prinsje. Had het prinsje kattekwaad uitgehaald, dan kon men de prinselijke billen geen stokslagen geven. Dan moest de Prügelknabe de blote billen presenteren en de stokslagen incasseren. Aan het „rechtsgevoel” was voldaan, het kattekwaad was bestraft.
Merkwaardigerwijze is er geen vrouwelijk pendant. Blijkbaar moesten stoute prinsesjes zelf de straf in ontvangst nemen. Hierop wijst het feit, dat in het Engeland van de 18e en 19e eeuw zowel burgerlijke als
hoog-adellijke jongens en meisjes met de karwats op de blote billen kregen. Er waren zelfs speciale bank­jes in de handel om de schuldige daarop vast te bin­den. Ook op de Engelse kostscholen werd de roede vaak gehanteerd. Dan is er nog de schandknaap. In de Statenvertaling van de bijbel vinden we, dat met deze knapen in de tempel ontucht werd bedreven. Zie 2 Kon. 23 „Daartoe brak hij de huizen der
schand-jongens af die aan het huis des Heeren waren”. Deut. 23:17 „er zullen geen schandjongens zijn onder de zonen van Israël”. En 1 Kon. 14:24 „er waren ook schandjongens in het land”. De Statenvertalers
be­keken de ontucht met jongens door de 1 7e eeuwse bril en kwamen zo tot het woord schandjongens. Maar eigenlijk waren het „gewijden in dienst van de godheid van Kanaan”.
Ook bengel betekent stok, knuppel. Dit leeft nog in het Engels: bangle = stok om te tuchtigen en to bang = afrossen, afranselen.
De jongens hadden hun vlegel­jaren en waren vlegels. En vlegel komt van het Latijn: flaggellum is gesel, zweep. De Germanen namen dit over als „flegil”. Later ging dit dorsvlegel beteke­nen, waarbij de graankorrels uit de aren werden ge­slagen. Nu heet dorsen in het Duits „dreschen”. Hier­van komt het woord „ausdreschen” voor afranselen. We vinden dit bij Hans Sachs (1494-1576), de be­langrijkste Duitse dichter van de 16e eeuw, in zijn stuk „der fahrend Schuler mit dem Teufelbannen”. De pastoor komt bij de boerin om te vrijen als de boer van huis is. Hij is bang een pak slaag van de boer te krijgen als de boer het paar in bed betrapt: „dasz nicht dein Mann komm in das Haus Und dresch mir den Hundshaber aus”. Hundshaber — belasting die de horige boer aan de adellijke grondbezitter moet betalen om voer voor de meute, de jachthonden van de heer, te kopen. Sachs vestigt hier ongewild de aandacht op de Middeleeuw­se wijze waarop een belastingaanmaning werd ver­zonden. Immers, een briefje had geen zin, de hoog adellijke heer kon niet schrijven, de boer niet lezen. Derhalve ontving de boer op het zitvlak vele stok­slagen om hem er aan te herinneren, dat de belasting nog betaald moest worden.

(J.C.Alders, ‘De Vacature’, ca 1976/77)
.

[45] PROPPEN
Woordhistorici denken aan de betekenis ‘benen’. In de acht­tiende eeuw kon je (weer) op de proppen komen, wanneer je na ge­slapen te hebben of ziek te zijn ge­weest, (weer) op de been kwam. Tegen de achtergrond van dit nu verouderde woordgebruik ont­stond de figuurlijke betekenis ‘voor den dag komen (met iets)’, ‘(van iets) melding maken’.

[46] BAKKEN/BRADEN
Bakken is vooral in gebruik voor het proces van snel, op hoog vuur
ga­ren van voedsel: vlees en vis, ei­eren, aardappels of groenten. Het gaat om kleine hoeveelheden.
Bra­den wordt vrijwel uitsluitend bij vlees gebruikt; het draait dan om grotere stukken die langzaam ga­ren, op laag vuur of in de oven.

[47] SPITSROEDE LOPEN
Spitsroeden lopen betekent nu ook op eieren lopen.
Van Dale vermeldt dat ‘spitsroeden lopen’ van oorsprong verwijst naar een militaire straf waarbij de ver­oordeelde met ontblote rug tussen twee rijen met puntige stokken ge­wapende soldaten moest lopen. Dat was niet alleen een vernederende, maar ook zware straf. Sommige
soldaten vonden zo de dood.
Sinds lang wordt ‘spitsroeden lo­pen’ echter niet meer in die bete­kenis gebruikt, maar in een twee­de, figuurlijke betekenis: ‘een openbare vernedering moeten on­dergaan omdat men iets verkeerds gedaan heeft’.
‘spitsroeden lopen’  blijkt nu echter iets anders te betekenen: ‘behoedzaam te werk gaan’.

[48] LENTE
Lente hangt samen met  lengen -‘langer worden’.
Voorjaar: vroeg in het jaar. Duits: Frühling.
Frans: printemps via Latijn: primus tempus, de eerste periode in het seizoen.
Hierin groeit de primula, ook afgeleid van primus.
Het Engelse ‘spring’ is verbonden met het ‘openspringen’. In het Nederlands weer verwant met ontluiken, het tegenovergestelde van ‘luiken’, dichtdoen, sluiten. De ogen luiken: sterven. Voltooid deelwoord: geloken, waarin nog verwantschap zit met het Engelse ‘lock’.
(Wim Daniëls)

[49] GIERIG
De oudste betekenis van gierig is ‘begerig’, niet per se in ongunstige zin. Zo werd het in de dertiende eeuw al gebezigd: machot hin gire- gan thes ewigan rïhduomes (‘maak hem begerig naar de eeuwige rijk­dom’). Al spoedig moet gierig ook gebruikt zijn in de zin van ‘heb­zuchtig, overdreven begerig naar geld en goed, vrekkig’, nu de enige betekenis. Maar de oudste leeft voort in samenstellingen als eer-, leer-, nieuws-, weet- en wraakgierig.

[50] OUBOLLIG
‘Flauw’, ‘kneuterig’ en ‘ouderwets’ lijken nu de overheersende betekenissen te zijn. Er is vaker losjes met het woord omgesprongen. Het begon zijn bestaan als nevenvorm van het Middelnederlandse abolghig, ‘toornig’. Die was afgeleid van abolghe, ‘toorn’. Het voorvoegsel a had daarin waarschijnlijk een versterkende functie, menen woorhistorici. Bolghe is verwant aan belgen ‘kwaad maken’, waaraan we ook gebelgd en verbolgen danken. Van ‘toornig’ veranderde de betekenis in ‘dwaas, gek’ (misschien dankzij associaties met ‘zinneloos, opgevat als buiten zichzelf van emotie’?). In de achttiende eeuw werd het vooral opgevat als ‘koddig’, kluchtig’, een betekenis die Van Dale nu als verouderd labelt.
Van recente datum is de overgang naar ‘flauw, ‘melig’ en ‘ouderwets’. Vandaar de spelling oudbollig

[51] FITTY
Woord voor ‘ruzie’ in straattaal. In populair Engels kan het ook verwijzen naar seksueel aantrekkelijke (jonge) vrouwen. Van fatty naar fitty (als vermageringsideaal)

[52] STATIEGELD 
Statiegeld is eigenlijk gewoon staangeld.
Statie en staatsie worden nogal eens door elkaar gehaald. Vooral in samenstellingen, zoals staatsieportret (dus niet statieportret) en statiegeld. Statie en staatsie klinken dan ook vrijwel identiek. Toch zijn het woorden met zeer verschillende betekenissen én met een verschillende herkomst.
Staatsie betekent pracht en is afgeleid van het Franse woord stage (verhoging, podium). Dat woord gaat terug op het Oudfranse woord estage (verhoging), waarvan ook het woord etage (verdieping) is afgeleid. Waarschijnlijk is het Franse woord stage onder invloed van ons woord staat in de betekenis
‘uiterlijk vertoon dat bij iemands rang of stand hoort’ vernederlandst tot staatsie. Hoe dan ook, staatsie kreeg bij ons de betekenis pracht en praal en het zijn sindsdien vooral koningen en koninginnen die ‘veel staatsie voeren’. Vaak zijn het ook vorsten die op staatsieportretten prijken.
Statie betekent niets anders dan standplaats. We kennen het in ondermeer van de statiën «letterlijk ‘plaatsen waar stilgestaan wordt’) langs de kruisweg van Jezus. Statie is afgeleid van het Latijnse woord statio, dat het stilstaan of standplaats betekent. Statiegeld, dat hiermee is samengesteld, betekent daarom letterlijk staangeld: geld voor iets dat men in bruikleen heeft staan. Geen wonder dat sta- en staangeld vroeger vaak als synoniemen van geld werden gebruikt.

[53] FALEN/FAILLIET
De woorden vals, falen en faillissement hebben etymologisch gezien hinnige banden met elkaar. Falen en faillissement hebben dezelfde basis. Ze gaan namelijk – direct of indirect – terug op het Franse werkwoord faillir. Dat werkwoord heeft diverse betekenissen, waaronder mislukken, ontbreken en tekortschieten.
In de 13de eeuw heeft het Nederlands faeiliren ontleend aan het Franse werkwoord faïllir. Later ontwikkelde dit woord zich tot falen en feilen (dat eveneens falen betekent en waarvan onfeilbaar is afgeleid). Een paar eeuwen later, in de 16de eeuw, ontleende onze taal het woord faillissement aan het Frans, dat in die taal was afgeleid van faillir. Ook het Franse woord faillite is daarmee verwant, al wordt dat ook wel teruggevoerd op het Italiaanse woord faillito (bankroet). Dat Italiaanse woord gaat op zijn beurt – net als het Franse werkwoord faillir – terug op het Latijnse werkwoord fallere, dat onder meer bedriegen, misleiden, afspraken niet nakomen betekent. Dit Latijnse werkwoord kennen we in onze taa als de basis van falsus (bedrieglijk, misleidend), waarop ons woord vals terug te voeren is.

Eigenlijk zit de wereldgeschiedeni dus dóódsimpel in elkaar, althans voor wie zich interesseert voor woordgeschiedenis.

[54] BEDACHT/BEDUCHT
Er is wat raars aan de hand met het woord beducht. Die afleiding van het oude werkwoord beduchten (vrezen voor) betekent bang of bevreesd en wordt volgens woordenboeken en grammatica’s (vrijwel) alleen gebruikt in combinatie met het voorzetsel voor: mensen zijn beducht voor iemand of iets.
Die beschrijving staat echter op gespannen voet met de taalwerkelijkheid. Niet alleen wordt beducht soms abusievelijk gebruikt wanneer geducht (vrees of ontzag inboezemend) wordt bedoeld (‘een beduchte tegenstander’), ook wordt beducht vaak gecombineerd met een ander voorzetsel dan voor, namelijk op: ‘De autoriteiten zijn extra beducht op aanslagen’.
Beducht verschilt maar één letter van bedacht, dat onder meer voorkomt in de woordgroep ‘bedacht zijn op iets’ (voorbereid zijn op). Sommige taalgebruikers kennen beide woorden en gebruiken ze volgens het boekje. Zoals schrijver Koos van Zomeren, die over onze voorouders schrijft: ‘De mensen zelf waren harder, minder bedacht op frustraties, minder beducht voor pijn, zowel bij zichzelf als bij een ander, laat staan bij dieren. Als ‘beducht op’ wordt gebruikt, is vaak ‘bedacht op’ bedoeld, ook iets waarvoor men beducht is.  Je bent nooit beducht op iets leuks, maar altijd op iets naars.

[55] PIEMEL
Piemel is een van de vele namen van het mannelijk geslachtsdeel. Van Dale vermeldt er daarvan ruim honderd die min of meer courant zijn. De meeste hebben een seksuele connotatie. Slechts een enkeling, zoals piemel, verwijst gewoonlijk naar een andere functie van dit lichaamsdeel, namelijk de urinelozing. Samen met de ‘geleerde’ termen fallus, penis en roede is piemel daarom een relatief onbeladen woord.
Piemel is een betrekkelijk jong woord. Het dateert uit de tweede helft van de 19e eeuw en is afgeleid van het werkwoord piemelen, dat volgens het Woordenboek der Nederlandsche taal ‘droppelings wateren’ betekent. Het zou een woord uit de kindertaal zijn. Piemelen heeft diverse verwanten, zoals het Duitse woord pinkeln. In de oudste geregistreerde vindplaats van piemelen, uit 1867, komt ook piemel al voor (in de spelling pimel), maar nog niet in de huidige betekenis. In die eerste bron betekent pimel urine. Pas later, in een tekst uit 1875, wordt piemel voor het eerst als naam van het mannelijk lid aangetroffen.
Hoe heette dat lid dan voordien? Vrijwel zeker geen plasser, want dat woord maakte pas in 1961 zijn debuut in Van Dale. Die definieerde plasser als pissertje, een woord dat al sinds de 17e eeuw courant was. Tegenwoordig vinden we
pisser(tje)  een informeel woord, maar een halve eeuw geleden – én ver daarvoor – was dat dé neutrale naam voor wat we nu piemel of plasser noemen.

[56] BEVALLEN
In Het Middelnederlands (1200-1500) kon bevallen vele betekenissen hebben, waaronder ‘neervallen’, ‘bezwijken’ maar ook ‘bedlegerig worden’. Voor ‘bevallen, van een vrucht verlost worden’ werd wel ‘genesen‘ gebruikt. Een uitdrukking als bevallen ende van enen kinde genesen moet, zeggen etymologen, schuilgaan achter de gewoonte om alleen bevallen op te vatten als ‘een kind baren.’
Bevallen in de zin van ‘behagen’ herleiden woordhistorici tot een uitdrukking waarvan middeleeuw­se dobbelaars zich bedienden. Als het lot voor hen gunstig (uit)viel, zeiden ze wel het bevallet mi wale (‘goed’, ‘wel’).

[57] DEMENTIE
Door de vergrijzing is het fenomeen dementie in de 20ste eeuw een steeds groter maatschappelijk probleem geworden. Dat verklaart waarom het woord dementie in diezelfde periode algemeen gangbaar is geworden.
Aanvankelijk was dementie een medische vakterm, die gewoonlijk werd aangetroffen in de Latijnse vorm dementia. In 1924 maakte deze variant zijn entree in de Dikke Van Dale. Het woordenboek verklaarde dementia als krankzinnigheid. Die betekenis was in lijn met de herkomst van het woord: dementia gaat terug op het Latijnse woord demens, dat afgeleid is van de (weg) en mens (verstand) Letterlijk betekent demens ‘geen verstand (meer) hebbend’. Later werd het: ‘blijvende verzwakking van de intellectuele vermogens en het ethische gevoel’, later aangevuld met ‘geestelijke aftakeling’.
Aanvankelijk lag de klemtoon net als in dementia op de tweede lettergreep deméntie, maar tegen het einde van de 20e eeuw werd ook de uitspraak dementíé gewoon. De laatste tijd hoor je steeds vaker een andere uitspraak; démentie gewoon.

[58] ARMZALIG
 Armzalig (‘armoedig’) is ontleend aan het Duitse armselig, dat met selig (‘zalig’) niets van doen heeft. Het is afgeleid van een zelfstandig naamwoord armsal (‘armoede, ellende’). Daarin is -sal een achtervoegsel, dat overeenkomt met -sel in beginsel, mengsel enz. Op dezelfde manier zijn het Duitse mühselig (‘heel moeizaam’) en triïbselig (‘triest, mistroostig’) gevormd uit Miïhsal (‘moeite, last’) en Trübsal (‘ellende; droefheid’).

Zalig komt wel voor in rampzalig. De oorspronkelijke betekenis van dit zalig is ‘rijkelijk voorzien van’. Ze moet ontstaan zijn onder invloed van woorden als gelukzalig (‘uiterst gelukkig’).
In hun oudste toepassingen gaan zalig en selig terug op een Germaans woord voor ‘goed, gunstig, gelukkig’. Als christelijk equivalent van het Latijnse beatus kwamen ze al vroeg in de Middeleeuwen in ge bruik voor ‘gezegend, deelachtig aan het eeuwig heil’.

Later kon zalig ook svnouien: zin met ‘onschuldig:, onnozel’ Die betekenis is her Nederlands kwijtgeraakt; etymologen nemen aan dat het christeli; ke gebnnk areraan d bet was. Het znaaeleer. ae Enne!’ sedy. van dezelfde oonproog ris zalig, had daar Geen last van. Van ‘gezegend’ ontwikkelde zich dat achtereenvolgens tot ‘vroom’, ‘onschuldig’, ‘meelijwekkend en zwak’, en ten slotte werd het ‘dom’, dwaas’ oftewel silly.

[59] POLLEN
Pollen is enkelvoud, net als stuifmeel. Hiermee heeft het ook gemeen dat het een het-woord zonder meervoud is.
Het woord is ontleend aan het Latijn, waarin het ‘zeer fijn meel’ of ‘tarwebloem’ betekent. De gelijkenis met (gras)pollen is bedrieglijk; de twee zijn etymologisch niet verwant.
Het gebruik als meervoud is verre van zeldzaam. Soms laat een instantie de keus aan de lezer. Neem het Leids Universitair Medisch Centrum. Het bepaalt volgens zijn site ‘wekelijks hoeveel pollen er (…) in de lucht zaten’. Maar het bericht ook dat hiermee niet wordt aangegeven ‘in hoeverre het pollen hooikoortsklachten kan veroorzaken’.

[60] PERSOONLIJK
We worden als we schrijven blijkbaar graag persoonlijk. Althans, het woord persoonlijk duikt vaak op in zinnen als ‘Persoonlijk denk ik dat er toch geen Grexit komt’ en ‘Ik persoonlijk voel er niet zoveel voor andermans schulden te betalen’.
Het woord persoonlijk suggereert dat de schrijver vertrouwelijk wordt met de lezer, maar benadrukt toch vooral dat hij zijn eigen mening geeft. Duikt dit woord op in een zin in de gewone woordvolgorde (waarbij het onderwerp vóór de persoonsvorm staat), dan legt persoonlijk de nadruk op ‘ik’. Vaak is ‘persoonlijk’ dan verwisselbaar met ikzelf of – wat informeler – ik voor mij: ‘Ik persoonlijk (ikzelf, ik voor mij) vind dit niet zo’n ramp’. In zinnen met inversie (omkering van de gewone woordvolgorde) is er altijd een bepaling nodig op de eerste positie in de zin en dan is persoonlijk simpelweg een goed alternatief voor (modale) woorden als eigenlijk of misschien: ‘Persoonlijk/eigenlijk/misschien vind ik dit niet zo’n goed idee’.

In combinatie met werkwoorden die – anders dan denken, vinden, voelen e.d.- een uiterlijke handeling benoemen zoals schrijven, slaan of timmeren, heeft persoonlijk vaak een sterker effect. Het is dan soms, afhankelijk van de zinsbouw, te vervangen door nóg nadrukkelijker formuleringen, zoals hoogstpersoonlijk of zelfs eigenhandig: ‘Ik persoonlijk (ikzelf) heb dat hok getimmerd’. ‘Ik heb dat hok persoonlijk (hoogstpersoonlijk/eigenhandig) getimmerd.’ Als schrijvers te vaak het woord persoonlijk gebruiken, gaat het accentuerende effect trouwens al snel verloren.

[61] PARKET
Uitdrukkingen kunnen gemakke­lijk van vorm veranderen als een element ervan niet meer begrepen wordt én erg lijkt op een ander, be­kender wóórd. Een voorbeeld daar­van stond onlangs een paar keer in Trouw. Op 5 augustus schreef de krant dat de regering-Merkel ‘in een lastig pakket’ zat en op 20 au­gustus werd over de financiële steun aan Griekenland gezegd: ‘Een tegenstem zou Nederland bin­nen Europa isoleren en (…) premier Mark Rutte in een lastig pakket brengen.’

Als je er goed op let, tref je in de media elke week wel ‘een lastig’ of ‘moeilijk pakket’ aan. De correcte uitdrukking luidt echter anders, namelijk ‘in een lastig, moeilijk parket (zitten, komen, zich bevin­den)’.

Parket, ontleend aan het Franse woord parquet (‘klein parkje of perkje’), is lang bekend geweest als naam voor de afgeperkte ruimte in de rechtszaal waar het openbaar gezag zat en nog steeds wordt het woord wel gebruikt ter aanduiding van het Openbaar Ministerie zelf. In de 17de eeuw was parket echter een afgesloten ruimte waar men niet uit kon ontsnappen. Wie daarin zat, verkeerde dus in een lastige situatie: hij zat in het nauw. Zo ontwikkelde zich de uitdrukking ‘in een lastig, moeilijk parket zitten’, die dat op internet in meer dan tien procent van de gevallen wordt verhaspeld tot ‘in een lastig, moeilijk pakket zitten’. Of ‘in een rotpakket zitten’, dat op internet zelfs gewoner is dan ‘in een rotparket zitten’. Als het zo doorgaat, is ‘een lastig, moeilijk pakket’ over niet al te lange tijd zelfs een geaccepteerde variant van ‘een lastig, moeilijk parket’.

[62] PIEPELEN
‘Zijn we gepiepeld’ door de Fran­sen? vroeg Trouw zich vorige week af. Frankrijk heeft er immers voor gezorgd dat het Rijksmuseum niet exclusief eigenaar kan worden van Rembrandts Maerten en Oopjen? Piepelen is een informeel woord. Daarom stond het in het verleden vaak tussen haakjes in de krant, om te benadrukken dat het woord deel uitmaakt van een uitspraak van iemand die wordt geciteerd. Maar nu is het kennelijk een krant­waardig woord.

Piepelen is afgeleid van piepel. Bei­de woorden maakten in 1984 hunopwachting in de Dikke Van Dale. Piepelen was destijds een
schut­tingwoord. Het werd in de Dikke Van Dale omschreven als een Bar­goens woord voor geslachtsge­meenschap hebben. Geen wonder: piepel, waarvan piepelen is afge­leid, betekent onder meer ‘manne­lijk geslachtsorgaan’.
Maar piepel betekent in de volks­taal ook ‘kereltje’ en ‘iemand die altijd de pineut is’. Van die beteke­nis is piepelen in de nu gewone
be­tekenis ‘in de maling nemen’, ‘be­lazeren’ of ‘bedonderen’ afgeleid. Wat de herkomst van piepel is, staat niet vast. Vermoedelijk is er een verband met het oude regiona­le woord piepel ter aanduiding van ‘iets wat klein en zwak is’. In de be­tekenis ‘mannelijk geslachtsor­gaan’ heeft piepel wellicht een an­dere herkomst en is het een ver­kleinvorm van piep, dat als variant van pijp ook wel werd gebruikt ter aanduiding van het mannelijk lid. Mogelijk zorgt de erotische conno­tatie die nog steeds aan piepelen kleeft ervoor dat dit werkwoord ook in de alledaagse betekenis ‘be­lazeren’ nog steeds als informeel wordt ervaren.

[63] VAN ZESSEN KLAAR
Van zessen klaar zijn (van aanpakken we­ten)
De uitdrukking komt van paarden met twee goe­de ogen en vier dito benen.

[64] HYGIËNE
De meest voor de hand liggende uitspraak van het Nederlandse woord is /hiegiejééne/ of /hiegjééne/. De e met een trema staat in open lettergrepen immers meestal voor de klinker /ee/. Daarnaast komt /hiegiejèène/ nogal eens voor, al past dat beter bij de spelling hy­giène, vroeger ook in Nederland niet zeldzaam.

[65] GAST
Toen de oorlog in Syrië in 2011 losbarstte werden de vluchtelingen in Turkije consequent ‘onze gasten’ genoemd, schreef Trouw afgelopen dinsdag. Gast is een gastvrij woord voor vluchtelingen, maar in het Nederlands gebruiken we het woord meestal niet in die betekenis. Wij reserveren gast gewoonlijk voor mensen die wijzelf hebben uitgenodigd. Voordat gast in die hedendaagse betekenis courant werd, had het woord een veel bredere betekenis. In het Middelnederlands betekende gast nog ‘vreemdeling”. Het woord is echter terug te voeren op een proto-Indo-Europese taalvorm voor ‘iemand die komt mee-eten’.
In het Romeinse rijk werden vreemdelingen automatisch als vijanden beschouwd. Het Latijnse woord hostis, waar ons woord gast verwant mee is, betekende dan ook niet alleen vreemdeling, maar ook vijand. Op dat Latijnse woord is ook ons woord hostiel (vijandig) terug te voeren. Romeinen beschouwden vreemdelingen weliswaar als vijanden, maar sommigen waren blijkbaar welkom. Ze werden dan in bescherming genomen door een hospes, een gastheer. Germanen stonden in de Romeinse tijd bekend om hun gastvrijheid. Zij waren goede gastheren voor hun ‘vreemdelingen’, die ze – anders dan de Romeinen -niet per definitie als vijanden beschouwden. In de Germaanse talen had het woord gast dan ook een andere lading dan hostis bij de Romeinen had. Iedereen die op bezoek kwam, heette een gast. Pas later kreeg het woord specifiekere betekenissen, zoals ‘betalende bezoeker in een herberg’ en ‘iemand die op uitnodiging op bezoek komt’.

[66] HULDEBIET
Een huldebiet is een onopzettelijk verhaspelde zin, meestal een onbegrepen versregel. We danken het woord aan een jongetje en een taalkundige. Uit de gezangregels ‘Neem mijn stem, opdat mijn lied / U, mijn Koning, hulde bied’ had het ventje het bestaan van ene koning Huldebiet afgeleid.
De Engelse term is mondegren, gemunt door een Amerikaanse schrijfster. Als kind had ze een gedicht misverstaan waarin van een gedode graaf gezegd werd: ‘They laid him on the green (grasveld)’. Ze had dit opgevat als een mededeling over the Lady Mondegreen.
‘Hoe huppelt zijn paardje, gedekt op en neer’. ‘Midden in de winternacht ging de Hema open’. ‘Tot des Heeren lof en prei’.

[67] BANG TE MOEDE
Moed gaat terug op een Oudgermaans woord voor ‘geest, gemoed, ziel’ of ‘wil’. Later werd het vooral gebruikt voor sterke gemoedsbewegingen: woede en (zoals nu nog steeds) onverschrokkenheid. Wel bleef ook de betekenis ‘gemoed, stemming’ lang gehandhaafd. De moet is haer te vol, sy kan niet langer spreken, schreef Cats in de zeventiende eeuw. Deze betekenis is overgegaan op het woord gemoed, maar leeft voort in bang te moede (‘benauwd van gemoed’). Dat geldt trouwens ook voor vele samenstellingen met -moedig. Een onvolledige opsomming: blijmoedig, deemoedig, edelmoedig, gelijkmoedig, goedmoedig (oorspronkelijk ‘opgewekt’), grootmoedig (‘groot, edel van gemoed’), lankmoedig (‘lang van gemoed’, een leenvertaling van het Latijnse longanimus), mismoedig, weemoedig, zachtmoedig, zwaarmoedig. Uitzonderingen zijn kleinmoedig (‘met geringe moed of durf’) en manmoedig (‘met de moed van een man’), die na de Middeleeuwen in omloop zijn gekomen.

Sterk van betekenis veranderd is in arren moede. Het ontstond als een combinatie van het Middeleeuws erre of arre (‘in de war, wanhopig met moed in de zin van “wil, verlangen’. De uitdrukking was aanvankelijk synoniem met in toorn. Onbekendheid met de oorspronkelijke toepassing moet de fantasie de vrije loop hebben gegeven. Tegenwoordig betekent ze vooral ‘ten einde raad, door teleurstelling bijvoorbeeld’ of ‘bij gebrek aan beter’.

[68] QUOTUMS/QUOTA/QUATA’S
Quotum en quota zijn gemakkelijk te verwarren woorden. Quota heeft in onze taal de oudste rechten. Het woord komt al sinds de 14de eeuw voor als leenwoord uit het Latijn. Het raakte in het Nederlands ingeburgerd als verkorting van de Latijnse uitdrukking quota pars  (het hoeveelste deel). Hierin is quota de vrouwelijke vorm van het Latijnse woord quotus hoeveelste’), dat zelf een afleiding is van quot (hoeveel). Het meervoud van dit woord quota is quota’s.
In de 19de eeuw kreeg quota concurrentie van quotum, dat eigenlijk de onzijdige vorm is van het Latijnse woord quotus. In tegenstelling tot het de-woord quota is quotum dan ook een het-woord. Quotum heeft twee meervouden: het Latijnse meervoud quota en het vernederlandste meervoud quotums. Beide meervouden zijn correct, maar mensen die hebben doorgeleerd geven meestal de voorkeur aan quota. De betekenis van quotum is grofweg identiek aan die van quota: evenredig aandeel. In de media komen samenstellingen als melkquotum/melkquota en mestquotum/mestquota naast elkaar voor. Beide varianten zijn correct. Dat geldt eveneens voor de meervoudsvormen melkquota melkquotums (meervoud van melkquotum) en melkquota’s (meervoud van melkquota).

[69] WEIDS/WIJDS
Afgelopen dinsdag werd in de krant betoogd dat we ‘de weidse vergezichten’ langs onze kust niet ‘moeten willen dichtbouwen’. De combinatie ‘vergezichten dichtbouwen’ is een interessante vorm van metonymie waarbij oorzaak (het bebouwen van de kust) en gevolg (verdwenen vergezichten) zijn versmolten. Maar daar gaat het nu niet om. Het gaat om weids.

‘Weidse vergezichten’ is in dit geval correct gespeld, maar een op de vijf keer waarin weids had moeten zijn geschreven, wordt dit woord abusievelijk gespeld als wijds. Dat komt doordat weids (groots, luisterrijk) ten onrechte wordt verward met wijd (ruim). Vorige week maandag gebeurde dat in Trouw bij de beschrijving van een nieuwjaarsritueel waarbij over vuur gewandeld werd en iemand ‘met een wijds gebaar’ kruiden over de vlammen wierp. Daar had ‘met een weids gebaar’ moeten staan.

Weids is afgeleid van weide: grasland, vooral grasland waar vee op graast. Net als wei(de) hield weids van oorsprong verband met de jacht. Zo betekende weids in de 16e eeuw ‘belust op jagen’. Weide (van oorsprong gebied waar dieren rondlopen, dus met name het jachtgebied) heeft de oorspronkelijke betekenis (‘jacht’) behouden in jagerstermen als weiman (jager) en weitas (wildtas). Dat weids in de loop der tijd een volstrekt andere betekenis heeft gekregen, komt door de invloed van weidelijk, dat al vroeg groots en geweldig betekende, en wijd (ruim).
Wie twijfelt tussen weids en wijds kan overigens het best onthouden dat wijds geen Nederlands woord is, behalve in ‘iets wijds’ (een wijd kledingstuk).

[70] MOOR
Moren waren vroeger zowel zwarten als islamieten
Is ‘moor’ (‘zwarte, neger’) een verbastering van ‘moriaan’ (als in ‘moriaantje, zo zwart als roet’) of is het omgekeerde waar?
Beide woorden zijn, los van elkaar, ontleend aan het Frans (Maure respectievelijk morien). Via het Latijn (Maurus) gaan ze terug op het Griekse mauron ‘donker maken’. Dat ze ‘zwarte’ gingen betekenen, lijkt logisch. Een Moor was immers oorspronkelijk iemand uit Mauretanië en dat ligt in West-Afrika, ten zuiden van Marokko. Maar in de Romeinse tijd waren de Mauri bewoners van wat nu Marokko en Algerije is. Door Arabieren onderworpen en tot de islam bekeerd, wisten ze in de vroege Middeleeuwen Spanje en Zuid-Portugal te veroveren. Ofschoon niet al te donker van huid, werden ze voor een variëteit van de zwarten aangezien. Vandaar dat Moor en Moriaan synoniem konden worden met neger. Een ‘Rookend Moortje’, een zwarte met een pijp, fungeerde nog in de negentiende eeuw als uitHangbord van tabakswinkels. Voor vergeefs werk doen kwam de Moriaan wassen of schuren in zwang. Sommigen zullen zich de uitdrukking zo zwart als een moor herinneren, die in Van Dale verouderd heet.
Aan de middeleeuwse oorlog tussen islamitische Moren en christenen op het Iberisch schiereiland dankte Moor een tweede betekenis: ‘moslim uit Noord-Afrika, Spanje of Portugal’. Zelfs moslims in Nederlands-Indië werden ooit zo genoemd. Een dominee, daarheen uitgezonden, schreef omstreeks 1725: “Behalve de Heydenen heeft men hier te lande ook zeer veel Mooren of Mohammedanen.”

[71] BOT VANGEN
De uitdrukking is vaak met de platvis geassoci­eerd, getuige diverse woordspelingen al in de negetiende eeuw. Maar daar had ze volgens taal­historici oorpspronkelijk niet mee te maken.
Ze moeten gissen wat dan wel bedoeld is met bot.
Er doen twee theo­rieën de ronde. Volgens de eerste is dit bot een oud woord voor ‘stoot, schok’, zoals ook in botjes vangen, ‘een plat steentje al op­springend over het water­oppervlak laten scheren’, ook wel keilen, kiskassen ol plisjeplasje gooien ge­noemd.
Bot vangen zou dan ooit een klap krijgen’ hebben betekend.

De tweede hypothese gaat uit van bot in de zin van ‘uiteinde van een touw’, oorspronkelijk ‘dat van hel ankertouw buiten boord’. De eersten die bot vingen, kunnen volgens de taalgeleerde Jan de Vries hengelaars zijn ge­weest die ‘bij het ophalen van de hengel alleen het uiteinde van het hengelsnoer’ zagen. Aan deze betekenis van bot danken we in elk geval botvieren (letterlijk ‘een touw tot aan het einde vieren’ en vervolgens, in figuurlijk gebruik, ‘vrij spel laten’, aan hartstocht bijvoorbeeld).

Op weer een andere betekenis van bot, ‘knop, uitspruitsel van planten’, gaat het uitbotten terug van bomen en struiken die knoppen krijgen of uitlopen.

Ten slotte: als een oude munt ter waarde van een halve stuiver leeft botje voort in de uitdrukking botje bij botje leggen (‘samen betalen’). Op zo’n botje stond een leeuw met een helm, die schert­send botte (‘korf, muil­korf’) genoemd werd.

[72] (ONT)ROEREND
Hoe kan het dat ‘roerend’en ‘ontroerend’allebei ‘aandoénlijk’kunnen betekenen, terwijl het voorvoegsel ‘ont’ op een tegenstelling met ‘roerend’ wijst?
Een begrijpelijke vraag wanneer je werkwoorden als ontbinden, ontdoen, onterven, ontkomen enz. enz. als maatstaf neemt. Dat zijn er nogal wat en allemaal drukken ze iets heel anders uit dan het werkwoord dat op ont-volgt, vaak zelfs het tegendeel ervan.
Maar neem nou ontkiemen en ontwaken. Hieraan geeft ont- de betekenis ‘beginnen te (kiemen, te waken)’. Tot deze categorie behoort ook ontroeren (‘emotioneel treffen’).
De emoties in kwestie konden vroeger niet alleen positief zijn, zoals nu nog steeds, maar ook negatief (schrik, angst, verwarring). Wanneer in de 17e eeuw je ‘sinnen ontreoert’ werden, verkeerde je in verwarring.

Roeren, zonder ont , werd al eerder in vergelijkbare zin gebruikt. De grondbetekenis ervan is ‘(doen) bewegen’.
Dat doen we nu vooral wanneer we stoffen met een draaiende beweging mengen, maar teloorgegaan is de oude toepassing niet. Maart roert nog steeds zijn staart en wie zijn mond roert, kan soms al sprekend anderen tot tranen toe roeren.
Van roeren (‘bewegen’) afgeleid is roer ‘drukte, opwinding’, dat voortleeft in de uitdrukking in rep en roer.
Roer (‘stuurmiddel’) is een heel ander woord. Het ontstond toen de d verdween uit roeder (vergelijk bijvoorbeeld het Duitse Ruder), naaste familie van een werkwoord dat we nu kennen als roeien.
(On)roerend goed is letterlijk ‘goed dat (niet) beweegt’, een vertaling van het Latijnse res (im)mobilis.

[73] MUM
Mum is een verkorting van minimum (Latijn voor ‘kleinste ding’), maar het wordt tegenwoordig uitsluitend aangetroffen in de uitdrukking in een mum van tijd.
Het kwam eens voor in de nu verdwenen uitdrukking ‘in de tijd van een mum’, waarin mum ogenblik lijkt te betekenen.
In feite is ‘een mum’ echter niets. In een mum van tijd is namelijk niet gevormd met de woorden mum en tijd, maar in z’n geheel ontstaan als verkorting van in een minimum van tijd. Die uitdrukking is vanaf het einde van de r9de eeuw tot ver in de twintigste eeuw gangbaar geweest.

[74] DEUR
 ‘Zo link als eem looie(n) deur’
moet ontstaan zijn als een variatie op zo zot, dwaas of gek als een deur. Deur is hier familie van duizelen en heeft de bete­kenis ‘zot, dwaas’ (Mid­delnederlands door of do- re, Duits Tor). ‘Menich door spreect wise woort’. schreef een vijftiende-eeuwer.
Link (‘leep, gevaarlijk’), ontleend aan het Bar­goens, is verwant aan links (oorspronkelijk ‘linkshan­dig’, ‘onhandig’). Links zijn gold als minderwaar­dig en het woord ontwik­kelde dan ook diverse on­gunstige betekenissen. Ter wille van de alliteratie met link zal de deur, opge­vat in nu gangbare zin, looie(n) of  loden (‘van lood’) zijn geworden.

[75] DIJ (als achtervoegsel)
Bijv. in makelaardij.
Het achtervoegsel, -dij, werd al in de Middeleeuwen aan make- laer toegevoegd . Het werd destijds uitgespro­ken en geschreven als die-, maekelaardie.
De ie-kiank, vroeger ook als ij geschreven, is in de standaarduitspraak vaak ‘ei’ geworden zonder dat de (ij-spelling verander­de.
Dit -dij is een van de varianten van het achter­voegsel -ij dat het Neder­lands in de Middeleeuwen ontleende aan het Frans (en soms aan het Latijn), zoals in loterij (Frans lote- rie).
In plaats van makelaar­dij zou je misschien make­larij verwachten, dat trou­wens ook sinds de Middel­eeuwen voorkomt. Make­laardij moet gevormd zijn naar het voorbeeld van woorden als voogd ij. die een d plus het achtervoeg­sel -ij/hebben.

[76] PEENTJES
De oorsprong van peentjes moet worden gezocht in pintjes. Een pint, nu nog een glas pils, was vroeger een vochtmaat, meestal een halve liter. Toen die maat in onbruik was geraakt, begon men peentjes te zweten in plaats van pintjes. Het beeld van grote druppels die in de vorm van peentjes uitlopen, kan de verandering hebben bevorderd of, als de pinttheorie niet klopt, het ontstaan van de uitdrukking verklaren.
Peen is trouwens een curieus woord. Het was oorspronkelijk meervoud (enkelvoud pee), net als schoen en teen. Stapelmeervoud

[77] BEHAPSTUKKEN/VERHAPSTUKKEN
Behapstukken is een contaminatie van ‘iets kunnen behappen’ (iets aankunnen) en het werkwoord ‘verhapstukken’ (iets regelen). Net als behappen wordt behapstukken niet of nauwelijks vervoegd. Ook de betekenis van behapstukken sluit aan bij die van behappen en is te omschrijven als ‘haalbaar, uitvoerbaar zijn’.
Van oorsprong betekende behappen ergens een hap uit nemen, maar al in de 19de eeuw raakte ‘iets (niet) kunnen behappen’ regionaal in zwang ter aanduiding van ‘iets niet aankunnen’
Verhapstukken heeft een andere herkomst. Oorspronkelijk luidde het werkwoord ‘verhakstukken’. Het verwees naar het ambacht van de schoenmaker en betekende zoiets als: andere hakstukken aan de schoen zetten. Vanuit die ambachtelijke betekenis ontwikkelde zich de figuurlijke betekenis ‘iets in orde brengen’.

Contaminaties worde: vaak stijlfouten genoemt Impliceert dit dat behapstukken fout is? Niet per definitie. Als een contaminatie geregeld gebruikt wordt zonder dat er bezwaar tegen wordt gemaakt, kan het een algemeen geaccepteerd wordo worden.

[78] TIFOSI
In het Nederlands heten de bewonderaars van een sport, club, ploeg of speler supporters, maar als de media berichten over de Giro d’Italia of wanneer een Italiaanse voetbalclub het goed doet in een competitie, duikt vroeg of laat altijd wel weer het woord tifosi in de krant op, het Italiaanse woord voor supporters.
Tifosi is een merkwaardig woord. Het is het meervoud van het Italiaanse woord tifoso, dat letterlijk tyfuslijder en figuurlijk supporter betekent. Ook tifo, waarvan tifoso is afgeleid en dat letterlijk tyfus betekent, heeft een tweede, sportieve figuurlijke betekenis: fanatisme.
De figuurlijke betekenissen van tifo en tifoso berusten op een van de symptomen van tyfus: hoge koorts. Het sportfanatisme van de supporters wordt voorgesteld als een ziekte, als een koortsaanval, waar geen kruid tegen gewassen is. Zoals de tyfuspatiënt zijn koortsaanval niet kan onderdrukken, zo kunnen supporters het maar niet laten hun club te steunen.

[79] FAN
Eenzelfde [78] associatie ligt ten grondslag aan het woord fan. Fan is in het Engels verkort uit fanatic (fanatiek of fanatiekeling), dat via via teruggaat op het Latijnse woord
fanaticus (dweperig), een afleiding van fanum (tempel). Oorspronkelijk waren fanatici mensen die van een godheid bezeten waren. Bezetenen dus.

[80] PASTOR
het Engelse woord pastor kun je niet klakkeloos vertalen als pastoor.Om katholieke geestelijken in het Nederlands pastoor te noemen en de term pastor te reserveren voor andere zieleherders is te kort door de bocht: in de rooms-katholiek kerk blijken er behalve pastoors (parochiepriesters) en bijvoorbeeld kapelaans ook andere theologisch geschoolde pastoraal medewerkers m/v en bedienaars van sacramenten te zijn die pastor (meervoud pastores) worden genoemd.
Pastorie: In het Middelnederlands betekende pastoorije pastoorschap (het ambt van pastoor), parochie of kerk. Pastoorije is mogelijk afgeleid van pastoor zoals kosterij van koster, maar kan ook direct ontleend zijn aan het middeleeuws-Latijnse woord pastoria (plaats waar de herder woont).
Vroeg in de 16de eeuw was pastorie nog courant in de betekenis pastoorschap. De hervormers veranderden weliswaar de leer die in de kerken werd verkondigd maar namen een deel van het kerkelijk jargon over. Zo werd pastorie behalve pastoorschap ook predikantsplaats. De betekenis ambtswoning (eigendom van de kerkelijke gemeente) van dominee of pastoor dateert uit de 18de eeuw. In de zuidelijke delen van ons taalgebied bleef naast pastorie ook pastorij gewoon, vooral ter aanduiding van de pastoorswoning.

[81LIJDEN/OVERLIJDEN
Onlangs vertelde een uitvaartleider dat degene die gestorven was ‘over zijn lijden heen’ was. Het was een mooi voorbeeld van volksetymologie en de uitvaartleider zal zeker niet de enige zijn die het werkwoord overlijden in verband brengt met lijden in de betekenis pijn hebben of in ellende verkeren.
In werkelijkheid is overlijden afgeleid van lijden toen dat werkwoord nog niet pijn hebben, maar simpelweg (weg)gaan betekende. Overlijden wil dus niet zeggen dat het leed geleden is, maar dat de gestorvene is ‘overgegaan’ naar een andere toestand.
In het Oudnederlands (ongeveer tot de 10de eeuw) betekende lijden uitsluitend gaan, maar in het Middelnederlands (vanaf de 12de eeuw) kreeg het woord al snel de betekenissen waarin we het nu gebruiken, zoals verdragen, pijn hebben en verdriet ondervinden. Regionaal is lijden nog wel tot rond 1900 in gebruik gebleven in de betekenissen voorbijgaan en duren (‘het zal nog een hele tijd lijden, eerdat de schapen over de brug zijn’).
De oorspronkelijke betekenis van lijden ligt behalve aan overlijden ook ten grondslag aan diverse tijdsaanduidingen. Het voltooid deelwoord van lijden was aanvankelijk leden en hiermee zijn woorden als verleden (de tijd die voorbijgegaan is, de historie) en jongstleden gevormd. Ook geleden, zoals dat voorkomt in combinaties als lang, kort, pas, een eeuwigheid, drie dagen of een jaar geleden, is afgeleid van lijden in de betekenis ‘(voor-bij)gaan’. In die combinaties wil geleden dus eigenlijk zeggen dat er zoveel tijd overheen gegaan is sinds het genoemde is gebeurd.

[82] HERFST
Waarom staan er in herfst vier medeklinkers achter elkaar
Dat is een gevolg van slijtage. Oorspronkelijk werd tussen die medeklinkers een klinker uitgesproken. Je kunt dat zien aan een Oudnederlands woord dat een kleine duizend jaar geleden moet zijn opgetekend: hervistmanoth, ‘herfstmaand’. Volgens de schrijver was dat november. Misschien vergiste hij zich, menen commentatoren: september (waarnaar het Oudhoog-duitse woord voor ‘herfstmaand’ verwijst) lag meer voor de hand. Ook een paar honderd jaar later had herfst nog steeds een tweede klinker: ‘het begin van de herfst ‘ was in de dertiende eeuw des her-vests beghin en voor ‘herfstbelasting’ was hervestbede in gebruik.
De oudste betekenis van herfst moet, te oordelen naar verwante woorden in o.a. het Grieks en het Latijn, ‘tijd waarin men plukt’ zijn geweest. Ze is, net als de twee klinkers trouwens, beter bewaard gebleven in het Engelse harvest (‘oogst’ maar ook ‘oogsttijd’).
Een record vormt de aaneengesloten reeks van vier consonanten in woorden als herfst en ernst (Oudnederlands ernost ‘intensiteit’) niet. Angstschreeuw heeft er zes op een rij. In zijn ‘Opperlans woordenboek’ telde Battus (Hugo Brandt Corstius) hierin ‘acht medeklinkers’ maar dat zijn er twee te veel: de /ng/ vertegenwoordigt immers, net als de /ch/, maar één spraakklank. Eentje meer heeft Battus’ herfstschroeforchis (een orchidee) en dat wordt overtroffen door het nog zeldzamere borsjtsjschranser (‘iemand die zich gretig te goed doet aan een Russische soep’).

[83] RENDIER
De Germaanse geschiedenis van ren in rendier begon met een woord dat meer dan duizend jaar geleden in diverse vormen in Germaanse talen voorkwam: hrains in het Gotisch, hran (met een lange a) in het Oudengels en hrein in het Oudnoords (de moeder van de Scandinavische talen). Die woorden benoemden het dier naar zijn gewei, want ze betekenden letterlijk ‘gehoornd (dier)’.
In het Oudnoords werd daar ter verduidelijking ‘dier’ aan toegevoegd: hreindyri. Het was deze samenstelling die onder andere het Duits en het Engels overnamen: Reenthier (Duits) en rayne-dere of reyndere (Engels, nu reindeer). Omdat ze ten onrechte een verband met rennen veronderstelden, maakten de Duitsers er in de zeventiende eeuw Rennthier (nu Rentier) van. In navolging hiervan is, niet veel later, rendier in het Nederlands terechtgekomen. Engelstaligen begingen de vergissing niet. Hun reindeer, ‘betekent in feite hert-hert’. Rein gaat immers terug op het oeroude woord voor ‘dier met een gewei’ en deer heeft dezelfde betekenis. Hierbij past wel een kanttekening. Deer lijkt sterk op ons dier en dat is geen toéval. Aanvankelijk betekende het ook ‘dier’. Pas in de loop van de Middeleeuwen werd de toepassing beperkt tot ‘hert’, vanwege de populariteit van de Engelse jacht op dat dier.

[84] SCHELDEN
Schelden is een fysieke uitlaatklep van emoties. 
Is het toeval dat mannen die niet willen deugen nogal eens worden aangeduid met een woord dat met sch begint?  Schavuit, schelm, schoft, schooier, schorremorrie, schurk,  schobbejak, schoelje, schorem. Vaak dienen zulke woorden als scheldwoord. De legendarische taalletterkundige C.G.N. de Vooijs schreef dat de klank dch  ‘willekeurig gerekt’ kan worden, waardoor het uitspreken van deze scheldwoorden ‘doet denken aan sissen en spuwen, uitingen van minachting en afkeer’. De extra inspanning die de ‘rekking’ bij het uitspreken van zulke scheldwoorden vergt, is met andere woorden dus de fysieke uitlaatklep voor het gevoel van afkeer en afkeuring.
Maar niet alleen sch, ook andere medeklinkers waarvan het uitspreken gepaard gaat met een wrijvend, sissend of fluitend geluid, de zogeheten wrijfklanken of fricatieven (zoals ch, f en s), zijn populair in de scheldwoordenschat. Of beter gezegd in dat deel van de woordenschat dat bestaat uit scheldwoorden, vloeken en andere krachttermen. Dat verklaart ook waarom we de geleende krachttermen fuck en shit de laatste jaren zo gemakkelijk in onze taal hebben geïntegreerd: dankzij hun beginklanken zijn ze immers ideaal om met de gewenste afkeurende expressie te worden uiigesproken

[85] SOUTERRAIN/TERRIËR
‘Souterrain’ (verdieping die [half] onder de begane grond ligt) wordt soms gespeld als ‘sousterrain’. Dat lijkt logisch want het Franse woord voor ‘onder’ is ‘sous’. Waarom laten we in onze spelling de tweede s weg? Omdat de Fransen dat al gedaan hadden, toen Nederlanders een eeuw of twee geleden het woord van hen overnamen. Souterrain was toen al heel lang de gangbare Franse vorm.
In de geschiedenis van het Frans heeft sous (onder) als voorvoegsel wel vaker zijn tweede s verloren. Vergelijk soumettre (o.a. onderwerpen) en soutenir (o.a. ondersteunen) met sous-entendre (te verstaan geven) en soustraire’ (o.a. aftrekken)
Een achttiende-eeuws woordenboek gaf als regel dat je de slot -.s van sous weglaat als het woorddeel erna met een medeklinker begint, zoals in sou-maître (hulponderwijzer). Maar er waren toen al uitzonderingen en het zijn er sindsdien meer geworden. Fransen die het nu nog over een hulponderwijzer hebben, moeten sou-maitre spellen.
Souterrain was aanvankelijk een Frans adjectief (‘ondergronds’). Omstreeks 1700 werd het een zelfstandig naamwoord. Als zodanig kwam het in de negentiende eeuw ook in het Nederlands terecht, voor een ‘onderaardsch gewelf of vertrek’.

Terrain gaat terug op het Latijnse terra (aarde). Het is bij ons meestal terrein geworden. Terra ligt ook ten grondslag aan ons terras, terrarium (bak voor o.a. reptielen en planten) en zelfs terriër. Terriër, hond van aardewerk)? Nee, dat niet. We plukten het woord uit het Engels, dat op zijn beurt het Franse chien terriër (‘hond die dieren uit hun holen – terriërs -jaagt) gehalveerd had.

[86] LAZARUS
Dankzij welke Bijbelse Lazarus heten mensen die te veel gedronken hebben soms ‘lazarus’?
Het Nieuwe Testament kent twee figuren met de naam Lazarus. Een arme man met lepra die figureert in Jezus’ gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. En Lazarus, de broer van Maria en Martha, die door Jezus uit de dood wordt opgewekt.

Aan de leprapatiënt Lazarus hebben we de uitdrukkingen zich het ape-lazarus schrikken en zich het leplazarus werken te danken, evenals de enigszins in onbruik rakende vergelijking zo arm als Lazarus.
Lazaret, een oude naam voor een ziekenhuis, gaat ook terug op deze Bijbelse figuur, evenals lazer en lazerij -oorspronkelijk een ziektenaam, later een woord voor het al dan niet door ziekte aangetaste lichaam – in de uitdrukking iemand op zijn lazer(ij) geven: een pak slaag geven.
Aan de uit de dood opgewekte Lazarus danken we onder meer het woord lazarussoort (diersoort waarvan werd aangenomen dat hij uitgestorven was als er toch weer een representant van wordt aangetroffen).

Ook lazarus zijn in de betekenis dronken zijn gaat vermoedelijk op deze Lazarus terug. Soms wordt lazarus/Lazarus verklaard door twee associaties ervan door elkaar te husselen: opgewekt in de betekenis uit de dood opgestaan en opgewekt in de betekenis vrolijk als gevolg van dronkenschap. Een aannemelijker uitleg is gebaseerd op een overeenkomst tussen de dronkenman en de dode: beiden hebben geen bewustzijn meer en zwalken na hun opstanding (Lazarus) dan wel hun roes (de dron-lcenman) eerst suf rond voor ze weer gewoon kunnen functioneren.

[87] HYSTERISCH
De man wordt hysterischer per uur’, zo typeerde Mark Rutte de Turkse president Erdogan nadat dit bevriende staatshoofd afgelopen dinsdag in het Turkse parlement Nederlanders een ‘verdorven karakter’ had toegedicht en ons land ervan had beticht 8ooo Bosniers te hebben ‘afgemaakt’.
Hoewel hysterisch onmiskenbaar een negatieve lading heeft, was Ruttes typering nog behoorlijk diplomatiek. In deze context betekent hysterisch immers niet veel anders dan ‘overdreven emotioneel’ of‘overspannen’.
Tegenwoordig kun je van zowel mannen als vrouwen zeggen dat ze zich hysterisch gedragen, maar toen het woord nog maar net courant was, werd het vooral voor vrouwen gebruikt
Geen wonder, want hysterisch is afgeleid van hysterie en oorspronkelijk was dat een medische term voor een ‘met het geslachtsleven samenhangende zenuwziekte bij vrouwen’. Aan het begin van de 20ste eeuw omschreef Van Dale hysterie zelfs nog als een vorm van ‘sexueele overspanning’. Hysterie is dan ook afgeleid van de Laatlatijnse term hystericus (‘lijdend aan kramp in de baarmoeder’), die via via teruggaat op het Griekse woord voor baarmoeder (hustera).
Al vrij snel na de introductie in onze taal, aan het begin van de 19de eeuw, werd hysterisch steeds vaker figuurlijk gebruikt in de betekenis ‘overdreven emotioneel’. In die betekenis is hysterisch weliswaar een sekse-of genderneutrale typering, maar in de praktijk wordt deze typering nog steeds vaker gebruikt voor vrouwen dan voor mannen. Dat maakt de typering hysterisch voor de macho Erdogan toch enigszins opmerkelijk.

[88] DOOR DE HELFT
Een plank halveren -zo, simpel is dat nog niet. Althans niet in taal. Want zaag je de plank dan doormidden, door midden (in twee woorden) of middendoor?
Volgens het woordenboek betekenen al deze varianten dat een voorwerp ‘in tweeën’, dat wil zeggen in twee ongeveer gelijke stukken, wordt verdeeld. Wat daarin niet staat, is wat de timmerman zegt. Die meet wat ‘het’ midden van de plank is en zaagt het hout dan door ‘de’ midden.
‘Door de midden’ is typisch spreektaal. Misschien zegt u het zelf ook wel. Maar zodra u erover schrijft, laat u ‘de’ weg.
‘Door de midden’ is een spreektalige contaminatie van ‘door midden’ en ‘door de helft’, maar ook die laatste uitdrukking wordt soms bekritiseerd.
‘Iets door de helft delen’ is van oorsprong mogelijk een contaminatie van ‘iets door midden delen’ en het archaïsme ‘iets in de helft doen’, maar omdat we ‘door de helft delen’ nu al een eeuwlang gebruiken, heeft kritiek geen zin. Als iets door de helft gaat, gaat het dus in tweeën en zijn er twee helften, wellicht zelfs een grootste en een kleinste helft.

[89] EXTRAVERT
‘Een extraverte vrouw’, zo werd Adèle Bloemendaal afgelopen zaterdag in de bijlage Tijd genoemd. Niet één keer, maar liefst drie keer spelde de krant extravert als extravert. Dat was dus geen toevallige, maar een systematische verschrijving, die bovendien verklaarbaar is.
Extravert is samengesteld van extra (Latijn voor buiten) en het voltooid deelwoord van het Latijnse werkwoord vertere (keren). Letterlijk betekent extravert dus naar buiten gekeerd. Het woord duikt rond 1930 op in onze taal dankzij belangstelling voor de psychologie, vooral van Jung. Aanvankelijk werd in plaats van extravert soms geëxtraverteerd gebruikt maar dat woord is nooit courant geworden. Dat extravert vaak met een o gespeld wordt, komt mede doordat het een tegenstellingenpaar vormt met introvert, dat wél met een o geschreven moet worden. Bovendien spellen sommige omringende talen (Italiaans, Zweeds) het woord met een o, terwijl enige andere talen (Engels en Spaans) varianten met a en o kennen, waarvan die met een o (bv. extrovert in het Engels) het gewoonst is. Dat zijn verzachtende omstandigheden voor onze, eigenlijk onjuiste spelling van extravert met een o.

[90] WETEN/KENNEN
Op het eerste gezicht is ‘ik weet iets’ ruwweg hetzelfde als ‘ik ken iets,’ maar ‘weten’ kun je met een bijzin gebruiken en ‘kennen’ niet (wel: ‘Ik weet dat het regent’; niet: ‘Ik ken dat het regent’). Met een onbepaalde enkelvoudige zelfstandigheid kan het vaak allebei (‘ik ken een loodgieter’ en ‘ik weet een loodgieter’) maar bij bepaald of meervoud loopt het weer uit elkaar (wel ‘ik ken die loodgieter,’ maar ‘ik weet die loodgieter’ of ‘ik weet loodgieters’ is gek).
Het lijkt erop dat ‘kennen’ betekent dat je kennis hebt van eigenschappen van een complexere zelfstandigheid. Bij ‘weten’ gaat het erom dat je enige kennis hebt als resultaat van onderzoek (‘weten’ is etymologisch ontstaan uit ‘gezien hebben’). Zeg je ‘ik weet een loodgieter,’ dan zeg je dat je een loodgieter gevonden hebt. Bij ‘ik ken een loodgieter’ zeg je alleen dat je kennis hebt van nadere details (naam, adres, reputatie). Er hoeft geen sprake te zijn geweest van een zoektocht.

[91] MUZELMAN, MOSLIM, MOHAMMEDAAN
Muzelman is een archaïsch woord. Onderwijzers gebruikten het tot in de ja-ren zestig bij de behandeling van historische gebeurtenissen zoals de slag bij Poitiers. Hoewel het destijds nog niet de schertsende of licht negatieve bijklank van nu heeft, benadrukte dit woord wel de exotiek van de gelovigen die we destijds behalve moslims meestal mohammedanen noemden.
Etymologisch gezien is muzelman een variant van moslim. Dat laatste woord wordt pas sinds het einde van de r8de eeuw in onze taal aangetroffen en is rechtstreeks ontleend aan het Arabische woord muslim (letterlijk ‘hij die zich onderwerpt’). Muzelman is veel ouder. Het is een i6de-eeuwse vernederlandsing van het Franse woord musulman, dat in Frankrijk nog altijd courant is ter aanduiding van een moslim. Het Frans heeft dat woord rond 1550 ontleend aan de Turkse meervoudsvorm müslüman, die op zijn beurt teruggaat op een min of meer gelijk klinkende Perzische woordvorm die met het achtervoegsel -dn (dat in het Perzisch personen en andere bezielde wezens aanduidt) afgeleid is van het Arabische woord muslim.

In het Frans werd de Turkse meervoudsvorm müslüman geherinterpreteerd als enkelvoud. Dat kwam het Nederlands goed uit, want hierdoor kon het laatste deel van muzelman worden opgevat als ons woord man en kon een grapjas Sheherazade dus schertsend omdopen tot ‘de schoonste aller muzelvrouwen’.

[92] RELIGIE
De oude Romeinen verschilden al van mening over de etymologie van religio. De meest aannemelijke verklaring gaf de Romeinse filosoof Cicero (106-43 v. Chr.), die in ‘De Natura Deorum’ (‘Over de aard van de goden’, ca. 45 v. Chr.) religio afleidde van het werkwoord relegere (herlezen). Wie deze uitleg volgt, kan religie opvatten als een vorm van (collectieve óf individuele) reflectie of meditatie of als naleving van goddelijke voorschriften.
Veel populairder onder theologen is de uitleg – onder meer te vinden bij de vroegchristelijke schrijver Lactantius (ca. 250-320) en kerkvader Augustinus (354-430) – waarbij religie wordt teruggevoerd op het werkwoord religare, dat (samen)binden of verbinden betekent.

Met deze woordverklaring kunnen gelovigen én ongelovigen letterlijk alle kanten op. Sommigen leggen de nadruk op de verticale richting van de ‘verbinding’ en beschouwen religie als (een poging tot het leggen of herstellen van) een verbinding of band met God of althans het hogere. Anderen – zowel gelovigen als ongelovigen – leggen juist het accent op de horizontale richting en benadrukken dat het in religie gaat om de samenhang tussen mensen: in godsdienstige zin om de geloofsgemeenschap, in seculiere zin om de sociale cohesie tussen de leden van een maatschappij.

[93] SABOTAGE
Het woord ‘sabotage’ is afkomstig van het Franse woord ‘sabot’ (klomp, schoen). 
Tijdens de industriële revolutie werd weleens een klomp in een machine gegooid om de boel te vertragen.

[94] ALGORITME
Algoritmen hebben we te danken aan een wijze uit het Oosten. 
In de krant lezen we geregeld dat ons leven meer en meer wordt beheerst door algoritmes. Of algoritmen, al neemt de populariteit van dat meervoud de laatste jaren enigszins af.
Hoewel we bij een algoritme (een rekenschema ofwel een systematische manier om iets te berekenen) nu meteen geneigd zijn te denken aan computernetwerken die op basis van de gegevens die wijzelf op internet achterlaten razendsnel berekenen in welke producten of mensen we mogelijk geïnteresseerd zijn, bestond het woord algoritme al eeuwen voordat het computertijdperk aanbrak.
Het Nederlands heeft het woord ontleend aan het middeleeuws Latijnse woord algorithmus, dat een nevenvorm is van het Latijnse woord algorismus. In de Middeleeuwen was dat de naam voor rekenkunde met Arabische cijfers. Die Arabische cijfers zijn trouwens niet in de Arabische wereld ontstaan, maar in India.
Europa kwam met de Indische cijferkunst in aanraking via een Arabische wetenschapper: Aboe Ja’far Mohammed ibn Musa Al-Chwarizmi (780-850). Deze wiskundige stond in de Middeleeuwen bekend als Al-Chwarizmi, letterlijk ‘de man uit Chwarizmi’ (een nu in Oezbekistan gelegen stad in het voormalige Perzische rijk). Zijn verhandelingen over de Indische cijferkunst werden in het Latijn bekend als Algorismi de numere Indorum, dat je zou kunnen parafraseren als ‘Al-Chwarizmi over het rekenen met Indische cijfers’. Onder invloed van het Griekse woord arithmos (getal) werd Algorismi verbasterd tot Algoritmi. Die term werd vervolgens uitgelegd als ‘manier van rekenen’, waardoor algorithmus de Latijnse naam werd voor rekenkunst.

[95] ZWEREN
Uit het oogpunt van vervoeging zijn zweren, afzweren en samenzweren beruchte werkwoorden. Als zweren verwijst naar een abces of een ontsteking luidt de verleden tijd zwoor (of zweerde), maar als zweren verwijst naar een plechtige belofte of eed, luidt de verleden tijd zwoer (of zweerde). Het voltooid deelwoord is in beide gevallen afgezworen.
Naar analogie hiervan zou je verwachten dat afzweren op vergelijkbare wijze mag worden vervoegd, maar volgens het Groene Boekje mag je afzweren zowel sterk (zwoor af) als zwak (zweerde af) vervoegen wanneer het om ledematen gaat die door verzwering afvallen (‘Zijn vingers zworen/zweerden af’), maar mag je afzweren alleen sterk vervoegen als het een gewoonte betreft die je opgeeft (‘ik zwoer al jong de drank af’). Samenzweren, dat net als afzweren in de betekenis ‘een gewoonte opgeven’ gevormd is met zweren in de betekenis ‘een eed doen’, mag volgens het Groene ’ Boekje alleen sterk worden vervoegd.
In de praktijk tref je allerlei varianten aan. In kranten wordt samenzweren bijvoorbeeld geregeld zwak vervoegd (‘…dat hij met militairen samenzweerde’). Die variant is zelfs zo ingeburgerd, dat het wachten alleen nog is op erkenning ervan door de Woordenlijst en de woordenboeken. Afzweren wordt vooralsnog in de media nauwelijks zwak vervoegd, maar vaak wordt wel ‘zwoor af’ gebruikt als ‘zwoer af’ bedoeld is. Zo schreef Trouw afgelopen maandag over iemand die was afgestapt van zijn idee dat Je voor het huwelijk niet mag zoenen: ‘hij zwoor zijn oude boodschap af’. Die vervoeging leidt bij lezers nog wel tot irritatie.

[96] BINGEN
Bingen kun je op allerlei manieren doen
V
oor veel mensen was de kerstvakantie de ideale tijd om te bingen. Niet in de zin van bingedrinken (coma-zuipen), maar van binge-watchen: een complete serie bekijken op Netflix, dvd of video in enige lange sessies. Marathonkijken heette dat vroeger. Critici noemen deze activiteit nu comakijken.
Toen bingen (uitgesproken als binzjen) ruim tien jaar geleden courant werd, fungeerde dit werkwoord aanvankelijk, geheel in lijn met to binge in het Engels, ter aanduiding van onmatige consumptie van voedsel of sterke drank (binge-eten of bingedrinken). Aangenomen wordt dat het Engelse origineel eerst een vakterm voor bevochtigen of doorweken was: houten vaten of boten werden vroeger soms langdurig bevochtigd met of geheel ondergedompeld in water om het hout te laten uitzetten, waardoor de vaten en boten waterdicht werden. Pas later werd to binge figuurlijk gebruikt voor zuipen. Het Engelse dialectwoordenboek (‘Leicestershire Words, Phrases, and Proverbs’ uit 1848) dat dit werkwoord als eerste uitvoerig omschreef, veronderstelt dat to binge is terug te voeren op het Duitse woord benetzen (bevochtigen).
Net als in het Engels is het werkwoord in onze taal volop in ontwikkeling. Zo is bingen volgens Van Dale onovergankelijk (‘we zitten te bingen’), terwijl het de afgelopen tijd in de media vaak – in navolging van het Engels (‘binging Netflix’) – overgankelijk werd gebruikt (‘we zitten Netflix/Twin Peaks/een nieuwe serie te bingen’). Ook treffen we het eerste deel van bingedrinken en -kijken nu ook aan in andere samengestelde werkwoorden, zoals bingegamen, bingelezen en bingeluisteren. tdb@taalbank.nl

[97] QUARANTAINE
Van oorsprong heeft het woord quarantaine betrekking op een periode van veertig dagen. Dit Franse leenwoord, dat rond 1650 onze taal kwam verrijken, is namelijk afgeleid van het Franse telwoord quarante (veertig) en betekent in essentie periode van veertig dagen. Het raakte rond 1600 in zwang ter aanduiding van de isolatie van mogelijk besmette personen, zaken of dieren. Dat gebeurde onder invloed van het Venetiaanse woord quarante-na (een variant van Italiaans quaranta giorni: veertig dagen). Dat diende sinds de veertiende eeuw ter aanduiding van de isolatie van schepen uit verre landen die de haven van Venetië aandeden. Zulke schepen werden – geïnspireerd op de veertigdaagse vastenperiode – veertig dagen geïsoleerd om verspreiding van besmettëlijke ziekten te voorkomen. 

[98] VIRAAL
Het bijv.nw. van virus. Tegenwoordig veel gebruikt om aan te geven dat iets (met de snelheid waarmee een virus zich verspreidt) zich razendsnel over het internet verspreidt. Een bericht(je) gaat dan viraal; Engels ‘to go viral’. Ook in het Nederlands hoor en lees je dat iets ‘viral’ (vairel) gaat.

[99] TIJDSLOT
Wie nu naar een museum wil, de dierentuin, een pretpark of in een restaurant wil eten, krijgt te maken met een tijdslot (tijd-slot: meervoud: tijdslots).
Het is de tijd waarop je naar binnen mag – bijv. vanaf 11.00u tot 11.30u.

Daaruit kan je al opmaken dat het woord =slot= niet slaat op ‘gesloten zijn’.

Er is natuurlijk wel een tijdslot met de betekenis van gesloten zijn, bijv. bij een kluis: het duurt enige tijd voordat het slot eraf is, dus de kluis kan na enige tijd geopend worden.

Het andere tijdslot is een vertaling uit het Engels: timeslot, waarbij ‘slot’ verwijst naar een opening tussen perioden dat iets gesloten is: een periode waarin een deel van het luchtruim open is voor een vliegtuig of waarin een locatie (of de trein) geopend is voor een specifieke groep.

Het aan het Engels ontleende woord tijdslot heeft niets te maken met ons oude vertrouwde woord slot en is ook niet etymologisch verwant met sluiten. De oorspronkelijke betekenis van het Engelse woord slot is namelijk holte, gleuf, groef en vervolgens opening. Het Engels heeft slot ontleend aan esclot (hoefafdruk van een paard of hert) in het Oud-Frans.
Je treft dit woord ook aan in slot-machine (gokautomaat, trekkast). Daarin verwijst slot naar de gleuf waar je een munt in gooit.

[100] UITSPRAAK UUR/UREN E.D.

Hoe spreek je 5,5 maanden uit? We zijn geneigd te zeggen: vijf en een halve maand. Maar fout is het niet om te zeggen ‘vijf en een halve maanden’.
Bij getallen met decimalen, als je die door een naamwoord kan vervangen wordt bijv.  1,5 of 2,5 dagen anderhalve respectievelijk twee en een halve dag, 3,25 weken wordt drie en een kwart week, 4,5 jaren wordt vier en een halfjaar en 5,75 eeuwen wordt vijf (en) driekwart eeuw. Zelfs 3,2 eeuwen zou je kunnen uitspreken als drie en twee tiende eeuw.
Als voor dag, week, maand en eeuw een getal met decimalen staat, zullen deze woorden meestal in het meervoud staan: 13,5 dagen, weken, maanden, eeuwen. Het woord jaar vormt een uitzondering: 13,5 jaar is minstens zo gewoon als 13,5 jaren. Dat komt omdat jaar in het meervoud onveranderd kan blijven. Je zegt immers ook dat iemand vijftig jaar is.
Bij uren en minuten is het gebruikelijk om het enkelvoud aan te houden: 4, 5 uur, maar het meervoud kan ook.

[101] STOL 

De kerststol werd voor het eerst genoemd in een krant in 1875. De Amsterdamse bak­ker A. Katterfeld prees zijn ‘Sachsische Thühringer Weihnachts-Stollen’ aan. Naar verluidt bakte hij die aan­vankelijk uit nostalgie naar de Hei­mat, want Katterfeld was Duitser van geboorte.
Het Duitse woord Stollen (ook wel: Stolle) vormt de oorsprong van ons woord (kerst)stol. Meestal wordt daarmee verwezen naar een langwerpig halfrond kerstbrood. Die tunnelvormige gedaante heeft de kerststol wellicht te danken aan een andere betekenis van Stollen: mijngang of tunnel. Stollen zelf gaat trouwens terug op het Oud- Hoogduitse woord stollo, waarmee een paal of stut werd aangeduid.
In de twintigste eeuw heeft het leenwoord kerststol veel oudere namen verdrongen die voor onze traditionele kerstbroden in omloop waren, zoals kerstmik, kersttimp, kerstwegge of-wikke, deuvekater en het misschien hier en daar nog gebruikte woord kerststoet. Tradi­tionele broden die met deze namen werden aangeduid, worden al sinds de Middeleeuwen gebakken en gegeten. Op Duitse websites wordt een verband gelegd tussen de ge­vulde Weihnachts- of Christstollen en offergaven in de vorm van met vruchten gevulde broden die onze verre Germaanse voorouders rond de zonnewende (circa 21 decem­ber) aan hun goden brachten. Dat die offergaven tevens vruchtbaarheidssymbolen waren, zou blijken uit de overlangse kerf die onze moderne kerststol nog altijd siert. 

[102] ANDERHALVEMETERSAMENLEVING

Anderhalve meter

De woordgroep anderhalve meter hebben we te danken aan een eeuwenoude manier van tellen. In de Middeleeuwen werden niet alleen de hele, maar ook de halve getallen apart geteld: 0,5 was het eerste ‘half’, 1,5 heette anderhalf, 2,5 was het derdehalf (in het Middelnederlands: derdalf), 3,5 heette vierdehalf, 4,5 heette vijfdehalf enzovoorts. Hieruit valt op.te maken dat ‘ander’ tweede moet hebben betekend: 1,5 was dus het ‘tweede half’ (anderhalf) tussen 0,5 en 2,5 in.

Deze oorspronkelijke betekenis van ‘ander’ is terug te vinden in aardig wat samenstellingen en uitdrukkingen die we nog altijd gebruiken. Zo verwijst ‘de een en de ander’ eigenlijk naar de ene (of eerste) en de tweede persoon. Ook in de formule ‘eenmaal, andermaal’ (een eerste keer en een tweede keer) betekende ‘ander’ van oorsprong tweede, net als in ‘ten enenmale en ten anderen male’ (letterlijk: voor de eerste en de tweede keer), ‘om de andere dag’ (om de tweede dag, dus steeds een dag overslaand) en ‘enerzijds, anderzijds’ (aan de ene en aan de tweede kant).

De oude manier van tellen waarbij 2,5 derdehalf en 3,5 vierdehalf heette, is lang geleden in onbruik geraakt. Alleen anderhalf in de betekenis 1,5 is hiervan overgebleven. Dat anderhalf korter en couranter is dan een en een half, verklaart waarom we de 1,5-metersamenleving nu geen een-en-een-halvemetersmenleving gaan noemen, maar een anderhalvemetersamenleving.

[103] HOEVEEL KEER ZOVEEL

Hoeveel keer zoveel is tien keer meer?

Is tien keer meer hetzelfde als tien keer zoveel?
Hoe duur is iets dat drie keer duurder is dan iets anders?
Sommige taalgebruikers redeneren dat ‘een keer meer’ een keer en vervolgens nog een keer is, dus in totaal twee keer. Vanaf dat startpunt zou ‘twee keer meer’ volgens hen driemaal zoveel zijn, en ‘drie keer meer’ vier keer zoveel, enzovoorts.

Nu we ons met rekenkunst in plaats van taalkunde bezighouden, kunnen we deze redenering ook toepassen op ‘… zoveel’. Ook ‘één keer zoveel’ kan namelijk duiden op een verdubbeling. Misschien wel omdat ‘een keer’ synoniem is met ‘eens’, dat zowel eenmaal als tweemaal (‘eens zoveel’) betekent. Toch zal niemand de mogelijke verdubbeling van ‘een keer zoveel’ of ‘eens zoveel’ meetellen als hij verder telt: twee keer zoveel is het dubbele, driemaal zoveel het drievoudige.

Taal is geen algebra en ook geen rekenkunde. In de praktijk gaan taalgebruikers ervan uit dat tien keer meer net als tien keer zoveel het tienvoudige is, en dat iets wat drie keer duurder of drie keer zo duur wordt met drie vermenigvuldigd wordt. Beide type constructies – met zoveel en met meer – betekenen hetzelfde en zijn correct, al is er in schrijftaal wel een lichte voorkeur voor de combinatie met zoveel.
Dan de vraag of combinaties als tien keer meer/minder nieuwlichterij zijn. Nee, ‘duizendmaal meer’ en vergelijkbare combi’s tref je al in de 17de eeuw aan. Wel wijzen
frequentiegegevens erop dat combinaties als ‘twee, drie, tien keer meer/minder’ de laatste decennia meer ingeburgerd zijn geraakt.

[104] ORKAAN, TYFOON, CYCLOON

Het woord ‘cycloon‘ is afgeleid van het Griekse woord voor ‘cirkel’. Cyclonen zijn enorme, ruwweg cirkelvormige wervelstormen van vaak honderden kilometers doorsnee, die onstaan boven tropisch oceaanwater als dat warmer wordt dan 27 graden celsius.

Een ‘orkaan‘ is een cycloon die ontstaat boven de Atlantische Oceaan, met name boven het Caraïbisch gebied. Het woord is afgeleid van Huracan, de naam van een oude Mexicaanse dondergod.

Treedt een cycloon op boven de Stille of de Indische Oceaan, dan spreken we van een ‘tyfoon‘. Dat is de Engelse verbastering van een Chinese term die je ongeveer uitspreekt als ‘tai foeng’ en die zoveel betekent als ‘grote wind’. ‘Taifoen’zou dus eigenlijk een betere Nederlandse spelling zou zijn.

Overigens is ‘tyfoon ‘mogelijk ook afgeleid van de Griekse god Typhon, de ‘vader der winden’.

‘Orkaan’ en ‘tyfoon’ zijn dus verschillende namen voor hetzelfde verschijnsel die gebruikt worden in verschillende gebieden op aarde.

[105] INFLATIE

In deze tijd (januari 2022) horen we hoe de inflatie in vergelijking met afgelopen jaren, opmerkelijk hoog is. En regelmatig lezen we iets over het ‘inflatiespook’ dat rondwaart.

Nu betekent het geldontwaarding en is een economische term.

Oorspronkelijk kwam het in het Nederlands terecht vanuit het Frans en was het een medische term voor ‘opgeblazenheid van de buik’. In Frankrijk kwam het woord vanuit het Latijn: inflare = opblazen.
Het ‘waardevermindering van geld’ kwam echter vanuit het Amerikaans-Engelse taalgebied, echter…door een Engelse vertaling vanuit het Frans

Inflatie is de inspiratiebron voor tal van woorden geworden:

deflatie (waarde-vermeerding van het geld),
reflatie (stimulering van de geldcirculatie),
stagflatie (economische stagnatie terwijl er inflatie optreedt)
en exotischer termen als agflatie (inflatie door stijging van voedselprijzen) en slumpflatie (plotselinge economische crisis die gepaard gaat met inflatie).

En zoals dat gaat in een taal: het  woorddeel flatie (meestal in de betekenis inflatie) wordt nu ook met inheemse woorden gecombineerd tot nieuwe samenstellingen, zoals krimpflatie, laagflatie, nulflatie en onlangs nog gasflatie (inflatie door stijgende gasprijzen). De kans is groot dat andere combinaties zullen volgen.

[106] SLAAF

We lezen wel dat ‘het Nederlandse woord verslaving verwijst’ naar het overbrengen van ‘slaafgemaakte Afrikanen naar Amerika’ door ‘verslaafde Europeanen’, maar slaven waren er al in de middeleeuwen.
Uit die prekoloniale periode dateert niet alleen ons woord slaaf, maar ook esclave (Frans), esclavo (Spaans, Portugees), schiauo (Italiaans) en slaue (Engels). Al deze taalvormen gaan terug op het middeleeuws Latijnse woord sclauus (‘onvrije persoon’), dat is afgeleid van Slavus. Letterlijk betekent Slavus iemand van Slavische herkomst, dat wil zeggen Balkanbewoner. Slavus is terug te voeren op het Oudkerkslavische woord slouo, dat woord of taal betekent.

De Balkanbewoners werden dus Slaven genoemd naar de taal die ze spraken.
In de middeleeuwen ontwikkelde deze naam van de Balkanbewoners zich tot een soortnaam voor onvrije mensen. West-Europeanen en heersers in het Midden-Oosten namen in de negende en tiende eeuw tijdens oorlogen en plundertochten vaak Balkanbewoners (Slaven) gevangen om hen als lijfeigenen (slaven) te verkopen: ze waren zeer in trek als arbeidskrachten. Zo werd Slavus in de betekenis ‘(tot lijfeigene gemaakte) Balkanbewoner’ ten slotte sclavus (lijfeigene, onvrije persoon). De eersten die slaaf werden genoemd, waren dus (witte) Europeanen.
Weliswaar zijn verslaafd en verslaven terug te voeren op slaaf, maar deze woorden hadden van meet af aan een figuurlijke betekenis: ‘afhankelijk’ respectievelijk ‘afhankelijk maken’. Slechts incidenteel is verslaven aangetroffen in de betekenis ‘tot slaaf maken’.

[107] KAMIKAZE

Het woord kamikaze komt uit het Japans. Het is een samenstelling is van kami (god) en kaze (wind). Kamikaze betekent letterlijk ‘goddelijke wind’ en diende vóór de oorlog als naam van een tyfoon die Japan in 1281 behoedde voor een aanval van de Mongolen. De naam van de in 1944 opgerichte zelfmoordeenheid van de Japanse luchtmacht verwijst bewust naar die ‘goddelijke wind’, omdat ook deze eenheid Japan moest behoeden voor de vijand.
In het Nederlands was kamikaze vooral een verkorting van kamikazepiloot: een Japanse piloot die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog met zijn vliegtuig vol explosieven in zijn doelwit boorde. 
Nu verwijst kamikaze in veel samenstellingen naar een op zelfvernietiging gerichte of risicovolle handeling, zoals kamikazeseks (onveilige seks, bijvoorbeeld met iemand met een geslachtsziekte), kamikazesprong (sprong van grote hoogte), kamikazestrategie of-tactiek (gevaarlijke strategie). Als het tweede deel van de samenstelling een onbezield voorwerp aanduidt, komt de zelfvernietiging sterker naar voren kamikazekomeet (die op ramkoers ligt met een groter hemellichaam), kamikaze-robot en kamikazesoftware (die zichzelf onbruikbaar maakt na het uitvoeren van een taak.
En nog sterker: zelfmoordacties: zoals kamikazeaanslag en kamikazeterreur.

Onbemande, op afstand bestuurbare luchtvaartuigen die bij hun doelwit exploderen en daarbij ook zichzelf vernietigen, heten nu kamikaze-drones. 

[108] GEITENWOLLEN SOKKEN

De dragers ervan zijn in de ogen van anderen die niet de mening of leefwijze van die anderen delen, vaak ‘wollige’ types, alternatief, links, gespeend van de nodige realiteitszin enz. Er is een tijd geweest dat ook vrijeschoolouders versleten werden voor ‘geitenwollen sokkendragers’.

Kijken we naar het woord op zich dan doet zich iets merkwaardigs voor: een geit levert geen wol.
Schapenwollen sokken kan wel, de geit heeft haar. Daar kun je wel wat van maken, natuurlijk, maar geen wollen sokken. Van dat haar kun je wel (brei)garen spinnen en dat wordt dan in de volksmond weer wel wol wordt genoemd.

Zo worden de haren van de angorageit gesponnen tot, nee niet tot angorawol (want dat komt van een konijn), maar tot mohair. Dat heette vroeger trouwens kemelshaar (kameelhaar), want de angorageit heette in oudtestamentische tijden een kemelsgeit, welk woord u niet moet verwarren met kameelgeit, want daar werden vroeger lama’s mee aangeduid.
Zeker, wel verwarrend.

[109] ZAPPEN

Zappen is een Engels leenwoord, dat in de brontaal afkomstig is uit de wereld van de comics (komische stripverhalen). Net als ‘floep’ en ‘zoef’ is zap van oorsprong een klanknabootsend woord. In strips diende het onder meer ter aanduiding van het geluid van iets dat snel verdwijnt of snel passeert. Van de naam van een geluid veranderde het in de naam van een handeling: snel ergens langs gaan. Door die betekenisontwikkeling konden ‘to zap’ in het Engels en ‘zappen’ in het Nederlands de huidige rtv-betekenis krijgen: steeds een ander tv-kanaal kiezen en daar maar kort naar kijken. Kanaalzwemmen werd dat ook genoemd, maar dat woord hoor je nu niet vaak meer in deze betekenis.

Zappen zelf heeft zich diep in onze woordenschat genesteld en is nu niet alleen een onderdeel van ons kijkgedrag, maar van ons gedrag in het algemeen. Onze cultuur, gekenmerkt door vluchtige informatieoverdracht tussen mensen met slechts een korte aandachtsboog, wordt niet voor niets een zapcultuur genoemd.

[110] RINS

Wat rinse appelstroop te maken heeft met panta rhei

Rins is een variant van Rijns, dat soms nog wordt aangetroffen in de combinatie Rijnse wijn (Rijnwijn, d.w.z. wijn uit het stroomgebied van de Rijn). Die wijn stond vroeger bekend om de enigszins zure, maar aangename smaak. Naar analogie daarvan werden sommige andere levensmiddelen met een licht- of friszure smaak vervolgens ook ‘rijns(ch)’ of ‘rins’ genoemd: rinse appels, peren, druiven, marmelade.
Rins verwijst dus naar de smaak van appelstroop, niet naar de consistentie (vast of vloeibaar).
Tot pakweg 1950 had rins trouwens een breder betekenispalet en werd het woord ook gebruikt ter omschrijving van gewaarwordingen met het reukorgaan: rinse geuren. Dichters breidden de betekenis van het woord zelfs nog verder uit. Zo schreef Jan Greshoff ooit te hunkeren ‘naar wat rinsche lucht’, dat wil zeggen: naar frisse lucht.
Rins gaat dus terug op de naam van een rivier, maar tussen die riviernaam en rennen/rinnen is er wel een connectie, althans als je diep graaft in de ontstaansgeschiedenis van beide woorden. Die zijn namelijk allebei terug te voeren op de veronderstelde Indogermaanse taalvorm rei of ri (vloeien, stromen). De Rijn is dus genoemd naar de voortdurende beweging van het water in de rivierbedding. Via de Indogermaanse taalvorm rei is onze Rijn zelfs verwant met de godinnennaam Rhea (de moeder van Zeus). Én met de uitspraak ‘panta r(h)ei’ van de Griekse filosoof Herakleitos. Die uitspraak, die we kennen als metafoor voor de gedachte dat alles voortdurend aan verandering onderhevig is, betekent namelijk ‘alles stroomt’.

[111] BILJOEN en het Engelse TRILLION

In het Nederlands noemen we een 1 met 12 nullen biljoen.
De reeks 1, 10, 100, 1000, 10.000, 100.000, heeft vanaf 6 nullen miljoen; 9 nullen miljard; 12 nullen biljoen en 15 nullen biljard, 18 nullen triljoen, 21 nullen triljard, 24 nullen quadriljoen, 27 nullen quadriljard.
In Angelsaksische landen (VS, VK),wordt miljard a.h.w. overgeslagen en krijgt billion 9 nullen; trillion 12) en quadrillion 15.
De Europese notatie van miljoenen en miljarden is in de vijftiende eeuw bedacht door de Franse wiskundige Nicolas Chuquet en verfijnd door zijn landgenoot Jacques Peletier du Mans. Zij bedachten het systeem waarbij een miljoen tot de tweede een biljoen werd (van bis, een miljoen keer een miljoen (106 x 106), is een biljoen (1012). En evenzo werd een miljoen tot de derde (tre of trois, een miljoen keer een miljoen keer een miljoen) 1018, ofwel een triljoen.
Dit heet de lange schaal. Voor de tussenliggende stappen werd het achtervoegsel ‘-ard’ ingevoerd, voor duizend maal. Duizend keer een miljoen werd zo een miljard. Duizend keer een biljoen werd een biljard, etcetra.
Heel Europa gebruikte deze methode, behalve… Frankrijk zelf. Die hanteerde de zogenoemde korte schaal (miljoen: 6 nullen, biljoen 9 nullen, triljoen 12 nullen etc). Pas in 1961 accepteerden ook de Fransen de Europese ‘lange’ manier van tellen, maar dat was nadat hun ‘korte’ variant de oceaan was overgestoken en vaste voet aan de grond had gevonden in de VS.
De Britten keerden uiteindelijk in 1974 de rest van Europa de rug toe om aansluiting te vinden bij de Amerikaanse notatie. 
Helaas is in de financiële wereld het Engels de lingua franca, en daarmee ook de Brits-Amerikaanse manier van het gebruik van de termen miljard en biljoen (ofwel: billion en trillion). 

[112] GELUKKIG NIEUWJAAR

(113) ON

Bv. in ondenkbeeldig. Dan is het nauwelijks voor te stellen. Soms wordt daar weer een ontkenning bijgevoegd: ondenkbeeldig. Dat maakt het dan weer wél voor te stellen. Bij onmogelijk heb je hetzelfde: het is niet mogelijk; niet onmogelijk is dan weer: wel mogelijk. 
Ondenkbeeldig kan beter vervangen worden door niet ondenkbaar.

[114] GROOMING

‘Grooming’ vond zijn oorsprong in de stallen van paarden. Nu is het Amerikaans, althans in de beteke­nis ‘(digitaal) kinderlokken’. Het moet de Chicago Tribune zijn ge­weest die in 1985 als eerste groo­ming bezigde voor de activiteiten van ‘vriendelijke monsters’, belust op seks met kinderen. Het woord is afgeleid van groom, dat in het middeleeuwse Engels ‘jongen’ en vervolgens ‘bediende’ betekende. Later werd die groom exclusief een paardenverzorger of een palfrenier en als zodanig be­landde hij ook in het Nederlands.
Van het werkwoord to groom (van­ouds ‘paarden verzorgen’) heeft on­ze taal ook een toepassing overge­nomen die buiten de werksfeer van stalknechten ligt. Iemand met een gesoigneerd uiterlijk kun je desge­wenst beschrijven als goed ge-groomd (ongeveer uit te spreken als /gegroemt/, met de tweede g als die van goal).
In het Engels verwijst to groom ook naar de bezigheden van wie ande­ren voorbereidt op een functie. Zo kan een politicus groomed (‘ge-groomd’) worden voor de rol van president. Groomed worden zelfs terroristen. Het hoofd van de Britse binnenlandse veiligheidsdienst constateerde in 2006 dat jonge Britse moslims groomed werden om zelfmoordaanslagen te plegen. Maar het zijn ook in Engeland en de VS vooral kinderlokkers, al dan niet via internet opererend, die grooming in het nieuws houden. Zelfs de makers van de tv-soap ‘Eastenders’ konden er niet om­heen: ze introduceerden een groomende pedofiel in de persoon van een vriend van de volwassen Bianca die het op haar tienerdoch­ter Whitney gemunt had.

[115] MARTELAAR

De neiging om martelaar te verwar­ren met folteraar, beul (en gijzelaar met bijvoorbeeld gijzelnemer) lijkt onuitroeibaar. Begrijpelijk is ze wel. Inwonersnamen als Brusselaar en Nijmegenaar daargelaten, verwij­zen de meeste woorden op -aar die voor mensen worden gebruikt im­mers naar doeners – van aarzelaar tot strompelaar. Tot de schaarse uit­zonderingen behoren bochelaar, kluizenaar, molenaar – en vanouds martelaar en gijzelaar. Ook de laatste twee zijn niet van werkwoorden afge­leid, maar van zelfstandige naam­woorden, die ‘folteraar’ en ‘gegij­zelde’ betekenden. Denk aan ‘de martela­ren van Gorcum’ en/of de zegswijze ‘het bloed der martelaren is het zaad der kerk’.

[116] GRAFISCH

‘Grafische beelden’ kunnen choquerend zijn. Sinds YouTube kunnen we onge­censureerd kennisnemen van de gruwelijkheden van de oorlog. ‘Onthoofdingsfilmpjes’ zijn een be­grip geworden en fungeren als wa­pen in de psychologische oorlog­voering van de djihadistische rebel­len in Syrië. Je hoeft de video’s zelf niet te zien om te snappen dat ze weerzinwekkend zijn. Bovendien, de typeringen op Facebook en el­ders op internet spreken boekde­len.
Daarbij valt nogal eens het woord ‘grafisch’. Er wordt gerept van ‘gra­fische beelden’, ‘video’s met veel grafische details’ en een filmpje waarin iemand ‘op grafische wijze wordt afgeslacht’.
Volgens het woordenboek betekent grafisch ofwel ‘betrekking hebbend op de druk- en prentkunst’, ofwel ‘in tekening’. Daarmee zijn de ‘filmpjes met grafische inhoud’ niet te verklaren. Grafisch is in de genoemde contexten dan ook een leenbetekenis, geïnspireerd op het Engelse woord graphic, dat ‘aan­schouwelijk’ en in het bijzonder ‘expliciet’ en zelfs ‘choquerend’ kan betekenen. De ‘grafische beel­den’ laten in dit geval niets aan de verbeelding over. Ze zijn wreed en bloederig.
Een anglicisme? Toch is er een gerede kans dat dit ‘anglicisme’ op termijn ingeburgerd raakt, al was het maar omdat het ook al figureert in tame­lijk officiële documenten Zoals de vertaalde ‘communitystandards’ van Facebook, dat onder het kopje ‘Grafische inhoud’ foto’s en video’s betitelt als ‘grafische beelden’ en zegt dat we daar niet al te scheutig mee moeten zijn.

[117] OPEISEN

Er wordt vaak gezegd: ‘de aanslag is opgeëist door’. Maar een aanslag kun je niet opeisen, de verantwoordelijkheid ervoor wel. Toch wordt een aanslag opeisen vaak gebruikt. En zelfs als de verantwoorde­lijkheid er wel bij vermeld wordt rijst de vraag waarom er zo weinig op die zinswending gevarieerd wordt. Keus genoeg: X stelt zich voor de aanslag verantwoordelijk. X meldt de aanslag te hebben gepleegd, X zegt de dader te zijn, enz.

[118] WIL of WILT

Waarom de t in ‘hij of zij wilt’ niet op zijn plaats is. Vondel gebruikte hij wilt al. De vorm was in de zes­tiende en zeventiende eeuw ‘tame­lijk frequent’ en in Vlaanderen en Nederlands Limburg nog ge­woon. De t is na hij of zij bijna altijd nor­maal (hij/zij fietst, geeft, loopt enz.). Vandaar ook hij wilt, maar daarin hoort hij vanouds – en in heden­daags verzorgd Nederlands – niet thuis. Dat zit, ietwat vereenvoudigd uitgelegd, zo. Vele eeuwen ge­leden werd willen niet gebruikt in de indicatief of aantonende wijs (die van hij fietst, leeft enz.) maar in de zogeheten wensende wijs of op­tatief, die we nog kennen in con­structies als lang leve de koning en moge hij komen. In die wensende wijs had, zoals de voorbeelden illu­streren, hij wil(le) geen t en zo is het, in verzorgde taal, gebleven. Nogmaals: naar analogie van hij fietst enz. is hij wilt niet zo vreemd. De vertalers van de Statenbijbel moeten zelfs tussen hy wilt en hy wil hebben geaarzeld. Was hun keus op de t gevallen, dan zou nu wellicht niemand over hij of zij wilt struikelen.

[119] WOU

Hij wou. Wou gaat terug op (hij) wolde, een oude nevenvorm van wilde. Lang geleden is de groep ald/old in het Nederlands oud geworden. Vandaar bijvoorbeeld koud, goud en houden naast de Duitse vormen kalt, Gold en halten. Zo is wolde veranderd in woude, dat sindsdien afgesleten is tot (hij/zij) wou. In plaatsnamen als Oldebroek en Oosterwolde leeft de oorspronkelijke vorm nog voort.

[120] SKEPTISCH/SCEPTISCH

‘Sceptisch wordt vaak als /skepties/uitgesproken. Op school leerden we al dat de c alleen voor een a, o of u als een k klinkt (cadeau, code, curator) en voor een i of e als een s (ci­troen, celibaat). Skeptisch en scepsis worden in ver­zorgd Nederlands inderdaad als /skep…/ of /sep…/ verklankt. Moet je dan niet /septies/ en /sepsis/ zeggen omdat op de c een e volgt?
Achter die vraag zit het idee dat de spelling de uitspraak behoort te be­palen. In feite is het omgekeerd: de gesproken taal bepaalt de spelling (tot op zekere hoogte, want er gel­den nog een paar andere criteria). Generaliserend gezegd: we zeggen niet wat we schrijven, maar we schrijven wat we zeggen. In de vorige eeuw gaf de spelling van /s(k)epties/ hier ook blijk van, want je mocht kiezen tussen skep­tisch en sceptisch. Het geciteerde voorschrift voor de verklanking van de c is dus niet meer dan een een vuistregel. Hij gaat meestal op (en is daarom nut­tig voor wie het Nederlands nog moet leren) maar niet altijd. Historisch bezien valt voor beide uitspraakvormen wat te zeggen. Sceptisch en scepsis gaan terug op een Grieks woord met /sk/. Als wij dat uit het Frans of het Latijn heb­ben overgenomen, ligt /sep-/ voor de hand, want daarin was de /k/ verdwenen. Maar hebben we de woorden uit het Duits (Skepsis enz.), wat ook mogelijk is, dan is /skep-/ weer alleszins verklaarbaar.

 

Volgorde punt – aanhalingsteken
Komt de punt binnen het aanhalingsteken te staan in de volgende zin? Hij zei: ‘Ik heb dat boek allang gelezen.’
Antwoord: Ja.

De punt komt binnen het aanhalingsteken te staan, als hij hoort bij het citaat of bij de directe rede die als geheel binnen de aanhalingstekens geplaatst worden. Bijvoorbeeld:

(1) Zij antwoordde: ‘Ik denk niet dat ik nog langer met je om wil gaan.’

Hoort echter de punt niet bij het deel dat tussen aanhalingstekens staat, dan wordt hij geplaatst na het aanhalingsteken. Bijvoorbeeld:

(2) Zij fluisterde iets van ‘eeuwig trouw’ en ‘altijd blijven houden van’.

Als vuistregel kun je stellen dat bij het citeren van een hele zin of hele zinnen de punt binnen de aanhalingstekens komt, terwijl je hem bij het citeren van delen van zinnen erbuiten plaatst.

Wat doen we als de regels leiden tot meer dan twee leestekens na elkaar? In zin (1) hoort er na het laatste aanhalingsteken eigenlijk nog een punt te volgen. Immers, de eerste punt sluit alleen het citaat af; de tweede punt de gehele zin. Toch plaatsen we die tweede punt niet. Het principe is dat we bij voorkeur niet drie of meer leestekens op elkaar laten volgen. Op dit principe bestaan echter uitzonderingen.

In de volgende zin kan het vraagteken duidelijk niet gemist worden:

(3) ‘Heb je dat boek al gelezen?’, vroeg hij.
Hier nemen we voor lief dat er wél drie leestekens naast elkaar staan. Sommige schrijvers vinden die opeenhoping van leestekens zo lelijk dat ze de komma weghalen (‘Heb je dat boek al gelezen?’ vroeg hij.).

Bijzonderheid
Een noot komt na het aanhalingsteken. Voorbeeld:
(4) De auteur vermeldt: ‘Deze opvatting van het vorstendom heeft lang doorgewerkt.’5

 


Zie ook spelling

Nederlandse taal: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

283-267

.

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – alle artikelen

.

TAALONDERWIJS

kleuterklas*
een sprekend voorbeeld van een dag in de kleuterklas

Spraak- en taalontwikkeling
Goed leren spreken doe je vóór je zevende.
Het belang van goed waarnemen hoe het met de taalontwikkeling van het kleine kind gaat; eventuele fysieke stoornissen en de gevolgen;

taalspelletjes vanaf klas 1

klas 1 (1)*
Korte karakteristiek 1e-klasser. Iets over het leerplan
Dit geldt voor alle volgende klassen
klas 1 (2)**
over taalonderwijs algemeen en in ’t bijzonder klas 1; temperamenten; aanleren letters

klas 2 (1)*
klas 2 (2)**

Klas 3 (1)*
Klas 3 (2)**

Klas 4 (1)*
Klas 4 (2)**

Klas 5 (1)*
Klas 5 (2)**

Klas 6 (1)*
Klas 6 (2)**

Klas 6 (3) Zinsbouw in de 6e klas
Johannes Geyer over: zinsbouw met hoofd- en bijzin; hoe dit fantasievol en beeldend aan te pakken; voor- tussen- en nazin

Klas 7 (1)*
Klas 7 (2)**

Klas 8 *
klas 9*
Literatuur: rationalisme en romantiek; humor; spreekbeurt; nieuwe aandacht voor handschrift, verzorging periodeschrift enz.; spreken en spraakklanken;

klas 10*
Literatuur: Middeleeuwen; poëzie; spreekbeurt; over boeiend vertellen; poëtica; verschil proza poëzie;
.

De roos
Jelle van der Meulen over: poëzie; Gerrit Achterberg en Arie Gerlderblom; beleven van een gedicht; denken en waarheid; roos; subjectief en objectief; Xavier Villauruttia; Rilke; .

*Uit: (Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)
**Uit (Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)
.

Raadpleeg vooral ook: Luc Cielen

Oefenen/aanleren
komma; spatie; dictee (UI)

Grammatica
“Gevallen” en “naamvallen” in de hedendaagse taal
P.C.Veltman
over: ontleden, de structuur van een zin; ‘gevallen’: het 1e, het 2e, of hoofdgeval, genitiefgeval, datiefgeval, beschuldigingsgeval

spelling

woordenallerlei

.
Waarom taal het enige communicatiemiddel is

P.A.Coppens over: wat communicatie genoemd wordt bij planten en dieren of via plaatjes, valt in het niet bij taal als communicatiemiddel.

282-266

.

 
 
 
 
 
 
 
 
 
.