VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (16)

.

DE TWEE KERSTKINDEREN: EEN THEOLOGISCH PROBLEEM

De komst van Christus op aarde valt samen met een belangrijke tijdenwende: het religieuze leven wordt losge­maakt van volks- en bloedverwant­schap. Wat is er toen eigenlijk ge­beurd?

In alle mysteriën van de oudheid was de epifanie van een god bekend. Een god vertoonde zich aan de ingewijde mens. Aan het begin van onze jaartel­ling gebeurt dat eveneens, maar nu niet aan ingewijden, maar aan ieder, die wilde waarnemen en bovendien niet als bovenzinnelijk schouwen, maar in een werkelijk met de zintuigen waar te nemen mensenlichaam.

‘En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond’.

De vraag hoe dit gebeurde heeft de christenen steeds bezig ge­houden en heeft zeer verschillende beantwoordingen gekregen, variërend van het gezichtspunt dat er geen wer­kelijke menswording heeft plaatsge­vonden tot het omgekeerde, dat er zich geen goddelijk wezen geïncarneerd heeft.
Van de eerste eeuwen af is deze tegenstelling, met alle varian­ten ertussen, aanwezig. Het is geen theologisch-theoretische vraag waarom het hier gaat. Immers als een god mens geworden is, is daarmee de mogelijkheid gegeven dat mensen goden worden. Daarom is de vraag hoe een god mens werd een belangrijke vraag voor ieder, die niet zonder meer geloven kan, dus voor ieder, die, om te kunnen geloven, inzicht en kennis nodig heeft.

Rudolf Steiner heeft hier mededelin­gen gedaan, die niet zonder meer in de Bijbel terug te vinden zijn, maar die de bijbelverhalen niet weerspreken en ze in een samenhang plaatsen waar­door ze veel duidelijker en samenhangender worden. Een belangrijk punt is hier dat de ge­boorteverhalen van Jezus in de twee evangeliën, die ze vertellen, Mattheüs en Lucas, geheel verschillend zijn. En niet alleen verschillend, maar ze sluiten elkaar uit.

Het meest opvallende verschil ligt in de beide geslachtsregisters. Mattheüs brengt er direct een in zijn eerste hoofdstuk.
Het begint bij Abraham (ca. 1800 v. Chr.), gaat over David (ca. 1000 v.Chr.) en de Babylonische bal­lingschap (587 – 538 v.Chr.) naar Jozef, de vader van Jezus.
Lucas brengt eveneens een geslachts­register en wel na de doop in de Jordaan (3e hoofdstuk). Dit begint bij Jozef en gaat terug in de tijd naar David maar met volkomen andere namen en zelfs een ander aantal en dan verder van David naar Abraham met dezelfde namen als Mattheüs en dan nog verder terug tot Seth, de zoon van Adam, de zoon van God.
Lucas stelt de geboorte van Jezus in een mensheidssamenhang en ziet
bo­vendien de lichamelijke afstamming als een afstamming van God.
Mattheüs brengt een volksamenhang en noemt in zijn geslachtsregister de koningen van Juda en legt zo de na­druk op de koninklijke afstamming. Verdere verschilpunten zijn: in Mat­theüs is Jozef de belangrijke persoon. Tot hem spreekt de engel.
In Lucas blijft Jozef op de achtergrond en is het Maria om wie alles draait.
In Mattheüs komen de magiërs uit het Oosten het kind vereren en treedt Herodes op met zijn kindermoord. De ouders vluchten met het kind naar Egypte. Als ze te­rugkomen na de dood van Herodes willen ze zich weer in Bethlehem ves­tigen, maar wijken uit naar Nazareth als ze merken dat Archelaos, de zoon van Herodes, koning is in Judea. Voor de geboorte is bij Mattheüs van Naza­reth geen sprake.
Lucas daarentegen situeert Jozef en Maria in Nazareth en gedwongen door een nieuw soort administratie vanwege Rome gaan ze naar Bethlehem, waar het kind geboren wordt. ‘Na de dagen van haar reiniging’ (volgens de wet van Mozes 40 dagen) gaan ze eerst naar de tempel in Jeruzalem en dan weer terug naar Nazareth.

Onverenigbaar
Hier ligt nu de absolute onverenigbaar­heid der beide verhalen. Al het andere kan men nog min of meer aan elkaar rijgen maar dit niet. Indien nl. de magiërs binnen deze 40 dagen naar Bethlehem zijn gekomen (en dat moet wel, want ze treffen het kind daar aan) en Herodes nog wat gewacht heeft op hun terugkeer, zijn er twee mogelijkheden. De ene is dat de 40 dagen nog niet voorbij waren toen de kindermoord plaats vond, maar dan zijn het kind en zijn ouders in Egypte en kunnen niet in de tempel in Jeruza­lem zijn geweest.

De andere mogelijkheid is dat Herodes na de veertig dagen kwam en het kind dus al weg was. Maar waarom dan de vlucht naar Egypte? Van hieruit kan men weer twee wegen gaan. De eerste is de weg die de theologie in de laatste eeuwen min of meer consequent is gegaan: tenminste één van de twee verhalen is onwaar, waarschijnlijk beide. Uiterste consequentie: wat moet ik met zulke verha­len anders beginnen dan ze als mythische beelden verstaan waaraan geen enkele historische werkelijkheid toe­komt en dus de gehele menswording van een god op losse schroeven komt te staan.

De andere weg is dat men voorlopig de verhalen in ernst neemt, hoewel men het niet begrijpt. Wie dit onbevangen doet kan alleen maar tot de conclusie komen dat er van twee verschillende kinderen sprake is.
De een stamt uit een koninklijk geslacht; magiërs komen om hem te aanbidden als de geboren koning der Joden. Herodes, koning bij de gratie van de keizer, niet door afstammingsrecht, krijgt angst voor de concurrent en wil hem doden. Het kind ontsnapt en na enige jaren van bezinking van de onrust, woont het in Nazareth.

Het andere kind stamt uit een priester­lijke stam. 2 Sam. 8,18 vertelt dat de zonen van David priester waren. Nathan treedt herhaaldelijk als tweede naast Salomo op, zelfs nog in veel la­tere tijd (Zacharia 12, 11 vlg.) Het is niet onwaarschijnlijk dat speciaal Nathan het priesterambt uitoefende als een recht van het koningshuis naast de priesterstam van de Levieten. Het gehele verhaal van Lucas past in deze priesterlijke tempel- en engelsfeer. Engelkoren maken de geboorte be­kend aan de herders (pastores!) Het kind wordt in de tempel gebracht waar een oude, wijze man, Simeon, een profetie over hem uitspreekt. Daarna woont het gezin weer in Naza­reth. Wie tot de nodige onbevangen­heid ten opzichte van de bijbelverha­len wil komen, moet wel eerst veel tra­ditioneel weten kritisch toetsen.
Een volgende stap is dan dat men het geheel eigen en verschillende karakter niet alleen van de beide kinderen, maar ook van de ouders in het oog vat. Het echtpaar van Mattheüs woont in Bethlehem. De magiërs treden daar het huis binnen. De profetieën, die de schriftgeleerden voor Herodes opzeg­gen, slaan op dit kind van bekende koninklijke afstamming.

Onaanzienlijk
Het gezin in Lucas is duidelijk arm: er is geen plaats voor hen in de herberg, ze brengen in de tempel het eenvou­digste offer. Ze zijn onaanzienlijk in de letterlijke zin van niet-opvallend. Een rustig leven met de resultaten van een onbevangen lezen van de evange­liën kan dan de ziel rijp maken voor wat Rudolf Steiner over deze beide kinderen zegt.

Hij schildert dat als volgt: de ene knaap, die uit Mattheüs, is een oude ziel, die grote aarde-ervaring en -wijs­heid meebrengt. Zijn ouders ontvan­gen hem als hun oudste zoon. Later komen er nog een aantal broers en zusters (Matth.  12,47; 13,55-56). Deze Jezus is een reïncarnatie van de stichter van de Perzische religie en cul­tuur, Zarathoestra. Deze Zarathoestra leefde ca 6000 v. Chr. De latere be­kende Zarathoestra (ca. 600 v.Chr.) – stond in dezelfde stroom. In zijn incarnatie als Jezus, geboren in Bethlehem, komen dan de magiërs hem vere­ren, omdat ze in hem de “ster* (Zoroaster) zagen. Hij droeg in zich de sa­menvatting van alle voorchristelijke wijsheid, ook van die wijsheid die cultuurvormend werkt. In de jaren in Egypte beleeft de ontvankelijke kin­derziel dan nog eens een deel van deze wereld van buiten.

De andere knaap, zo schildert Rudolf Steiner, is een ziel die nog nooit op aarde is geweest. Toen de mens zich met de aarde-stoffelijkheid ging ver­binden (wat in de Bijbel de zondeval wordt genoemd), werd een deel van de mensenziel ‘bewaard’ in hogere werel­den. In de legende heet dit deel Adam Kadmon. Men moet zich dit natuurlijk niet zozeer ruimtelijk als wel wezen­lijk denken. De ruimtelijke beelden zijn mythologie. Mythologie is echter noodzakelijk waar ons zintuigelijk voorstellingsvermogen tekort schiet. Dit deel van de mensenziel komt nu voor het eerst tot belichaming in het kind dat Lucas schildert. Het brengt geen aardeschuld mee, het heeft geen karma. Het is een lief kind. In vele Marialegenden komt dit kind voor als het uit stofresten levende bloemen maakt, uit de kelk van een winde een beker vormt om wijn uit te drinken, nadat het een zware wagen uit het vastgereden spoor laat trekken door sim­pelweg de teugels van de paarden in de hand te nemen, enz. Maar aarde-erva­ring en -wijsheid ontbreken. De geboorte van dit kind wordt overscha­duwd door het Nirmanakaya van Boeddha, d.i. de omhulling die een Boeddha in de geestwereld heeft na zijn laatste incarnatie. Daardoor
ver­bindt zich het edelste van het Boeddhisme met het kind dat Lucas schil­dert.

Deze twee kinderen ontmoeten elkaar in Nazareth waar ze gezamenlijk hun kinderjaren doorbrengen. Het was de gewoonte bij de Joden dat jongens van ongeveer twaalf jaar met Pasen in de tempel te Jeruzalem ge­bracht werden om daar door de wijze schriftgeleerden onderzocht te worden op hun kennis van de Wet. Een soort confirmatie vond plaats. Dat gebeurt nu ook als het Lucaskind twaalf jaar is. In de tempel raken de ouders hem kwijt en ze vinden hem pas na drie dagen weer terug en zij verbazen zich, evenals de schriftgeleerden, over de intelligentie waarmee hij vragen stelt en antwoordt.

Raadsel
Tot zover het verhaal uit de Bijbel, dat ons opnieuw met een raadsel laat zit­ten. Wat is daar gebeurd?
Rudolf Stei­ner schildert hoe beide jongens in de tempel aanwezig zijn. De oudste Zarathoestra wordt door een diep medegevoel met de jongste getroffen en offert nu zichzelf op. Zijn Ik verlaat het lichaam van de oudste Jezus en doordringt nu met alle ervaring en wijsheid van vele incarnaties de ziel die nog nooit op aarde was geweest. Deze oudste jongen kwijnt dan lang­zaam weg en de twee zijn tot één ge­worden. Liefde en wijsheid, reinheid en ervaring in het leven zo moeilijk verenigbaar, zijn nu verbonden in de Jezusgestalte, die later op zijn dertigste jaar de Christus in zich op zal ne­men.
Ook hier weer mededelingen die in niets in strijd zijn met het evangelie, maar die wel veel licht brengen in wat Lucas vertelt. De ouders en de leraren zijn verbaasd. Van dit kind verwachtte men geen ‘wetenschappelijk’ gesprek. Vlak voor dit verhaal staat een zin over het kind als de ouders met de on­geveer 50 dagen oude baby weer in Nazareth komen: ‘en het kind groeide en werd sterk, vervuld van wijsheid en het welgevallen van God was op hem’.
Als het verhaal van de twaalfjarige in de tempel is verteld, zegt het evange­lie: ‘en Jezus nam toe in wijsheid en leeftijd en welgevallen bij God en de mensen’. Zinnen die duidelijk met elkaar samenhangen.
Voor het gebeu­ren in de tempel is er wijsheid en god­delijke genade (welgevallen). De wijs­heid is de oerwijsheid, die we bij vele kleine kinderen ontmoeten. Het is mede dat wat bedoeld is met het worden als kinderen als het gaat om de vraag de hogere werelden te kunnen binnengaan.
Maar na de ge­beurtenissen in de tempel blijven wijs­heid en goddelijke welgevallen maar worden eraan toegevoegd ‘leeftijd’ en welgevallen bij de mensen. Toename in leeftijd is te vanzelfsprekend om vermeld te worden in zulk een context. Daarom kan alleen innerlijke leeftijd bedoeld zijn, rijpheid, en wordt hier dus uitgedrukt dat Jezus toenam in aarderijpheid en welgeval­len bij de mensen. Is hier niet precies uitgedrukt wat er gebeurde toen de Zarathoestra-individualiteit de jongere Jezus doordrong? Dat is niet op één ogenblik gebeurd. Het werd als het ware geïnaugureerd op dit moment maar kreeg dan 18 jaar lang de moge­lijkheid verder te werken.
In de beeldende kunst zowel als in de meer legendarische overleveringen is het thema steeds weer te vinden. Hier moge een van de bekendste afbeeldin­gen worden bijgevoegd, een schilderij van Borgognone (ca. 1 500), dat zich vroeger in de kerk Sant’Ambrosio in Milaan bevond en nu in het museum naast de kerk hangt. De gebaren en ge­zichten van de beide jongens spreken voor zichzelf. Deze afbeelding vindt men naast een 80-tal andere bij Hella Krause-Zimmer. Ook voor kritische opmerkingen en hun weerlegging moet naar dit zeer deskundige werk van een kunsthistorica verwezen worden. De legendenstof vindt men bij E.Bock.

Enige literatuur:
R.Steiner, de boeken over de evan­geliën. Vrij Geestesleven.
R. Steiner, Das fiïnfte Evangelium R.Steiner-Verlag, Dornach.
E.Bock, Kindheit und Jugend Jesu Urachhaus, Stuttgart  (één van de 7 delen)
H.Krause-Zimmer, Die zwei Jesusknaben. Freies Geistesleben, Stuttgart.

Borgognone 2 Jezuskinderen

 

kerst adam kadmon
(nadere gegevens onbekend)
,
(J.Knijpenga, Jonas 8/9/, 17-12-1976)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis     jaartafel

.

388-366

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

3 Reacties op “VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (16)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – Kerstmis – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (30) | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – Kerstmis (16-2) | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s