VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (8-1)

.

HET KERSTFEEST, SYMBOOL VAN HET LEVEN

De zomer is arm aan feestdagen, terwijl de winter er rijk mee gezegend is. De primitieve volken leefden in het algemeen van landbouw en zij hadden het te druk met maaien en oogsten om aan feestvieren te denken. ’s Winters echter ais vele arbeid rustte, haalden zij hun schade in: zij vierden het Midwinterfeest.
De vraag rijst wat onze feestdagen, die veelal een christe­lijk karakter dragen, te maken hebben met die heiden­se gedenkdagen. Het antwoord hierop is: de christe­nen verboden bij het brengen van hun evangelie, niet direct alle heidense gebruiken en gewoonten. Zij gaven aan die feesten alleen een christelijke betekenis.
Zo werd het grote Midwinterfeest gesymboliseerd tot het grootste van de christenheid: de geboorte van Gods zoon in Bethlehemsstal.

Door de kerstening van die oude feesten, vinden we nog in onze tijd overblijfselen van heidense gebruiken in de tegenwoordige feesten terug.

Herinneringen aan het verleden
Vele oude gewoonten leven ook thans nog op het platteland voort.
In de meeste steden, waar de techniek hoogtij viert, verdween al spoedig het geloof aan heksen en wonde­ren, aan geheimzinnige gebeurtenissen en aan oude legenden. Wanneer we dan toch nog hier en daar een oud gebruik tegenkomen, is dat een herinnering aan het verleden.

Het kerstfeest was ook vroeger al een feest met een eigenaardig huiselijk karakter. Wafels en pannenkoeken vormen ongetwijfeld het oudste gebak, dat door onze voorvaderen op feestdagen als Kerstmis werd geprefereerd.
’s Avonds voor de grote feestdag houdt men zich bezig met „koeken bakken” en „wafelgebak”. In de middeleeuwen waren reeds wafels en varkens­vlees bij de kerstviering vooral in Vlaanderen, onaf­scheidelijk, wat op menig Vlaamse miniatuur verdui­delijkt wordt. De wafel heeft zich als huiselijk gebak alleen voor Kerstmis en Nieuwjaar gehandhaafd. In de provincie Groningen (niet alleen in de stad) worden ronde Nieuwjaarswafels of z.g. „Piepertjes” aan de gelukwenser gegeven, meestal kinderen, die een kussensloop bij zich hebben om al de verzamelde lekkernijen in te bergen.

Het zou te veel plaatsruimte vragen om tot in de finessses na te gaan waarvan die gebruiken afkomstig zijn. We volstaan met te vertellen dat ze van Germaanse oorsprong zijn. De Germanen slachtten omstreeks het einde van het jaar dieren en offerden deze. Later werden diervormen van brood gemaakt en deze werden bij een gemeenschappelijke offermaaltijd ge­nuttigd. Doch los van alle offermaaltijden heeft zich het gebruik om op christelijke feestdagen dergelijke koeken te bakken en te eten, in het geloof aan wonder­dadige kracht gehandhaafd.

Heidense gebruiken, die volgens de christelijke ziens­wijze onschadelijk waren, heeft men laten voortbe­staan. Zo bakte men tot in het midden van de 19e eeuw op Allerzielen in Vlaanderen en Zuid-Limburg steeds zogenaamde „zieltjeskoeken”. In de buurt van Oudenaarde moet nog het gebruik in zwang zijn op Kerstmis de eerste pannenkoek te verbranden. Geloof en bijgeloof hebben steeds een grote rol ge­speeld bij de gebruiken op bepaalde feestdagen en niet in het minst op Kerstmis en Nieuwjaar. Er zijn in Vlaanderen verschillende bedevaartsplaatsen, waar men brood laat wijden om het als voorbehoedsmiddel tegen ziekte aan te wenden. In onze zuidelijke provincies geschiedt dit nog elk jaar op 3 november, Sint-Hubertusdag. Daar wijdt men broden die door mens en dier genuttigd worden om stuipen tegen te gaan; de honden worden daardoor tegen hondsdolheid behoed.

Een zeer bijzonder kerstbroodje is dat van Geleen. Op Kerstdag werpt de koster dat uit de toren en de jeugd van Geleen, Lutterade en Krawinkel vecht er jaarlijks om. Wie de meeste broodjes machtig wordt, is de broodjeskoning. De koster mag in eik huis een brood halen, het zogenaamde korsbrood dat onder de behoeftigen wordt uitgedeeld.

In de duivekater of deuvekater bezitten we in ons land het merkwaardigste offerbrood. De duivekater gaat op de oudste vorm van het offer terug, tot de eerste tijd van de akkerbouw. Toen riepen de mensen de vruchtbaarheidsdemon aan en deze dacht men steeds als een haas, bok, zwijn of kat. Bij ons schijnt de kater het meest als Vruchtbaarheids­geest vereerd te zijn, aan wie men – na het bloedige offer – tenslotte het broodoffer bracht. zie Sinterklaas 23

Vuren in de kerstnacht
Bij het kerstvuur ontbrak vroeger nooit het kerstblok. Zo’n blok dat soms zeven dagen brandde, werd weken van te voren uitgezocht en klaar gelegd. Als de jongens in de omgeving van Hasselt (O.) het kerstblok binnen brachten zongen ze:

„Kerstavondje, Kerstavondje
Dan kookt mijn moeder rijstebrij
Mijn vader is naar Hasselt toe
En haalt er pekelhering bij.”

In Friesland was het „achteraanblok” bekend; dit blok diende als achterwand van het grote hout- of turfvuur en het werd vaak jaren achtereen gebruikt. Dit ge­beurde ook in andere delen van het land. Wat de bete­kenis van dit houtvuur betreft, verdient het wel de aandacht, dat juist in de geheimzinnigste periode der twaalf nachten (van Kerstmis tot Driekoningen) en met het later gekerstende Joelfeest dit vuur werd gestookt. Mythologen hebben verklaard, dat het sto­ken van vuren in die tijd terug te brengen is op het geloof der heidenen, dat de zon op het kritieke mo­ment, als haar kracht het zwakst is, kan worden ge­holpen door de magische handeling van vuren branden op aarde. Later dacht men dat deze aardse vuren de boze geesten konden verdrijven.

Dat eerste, de zon willen helpen, vinden we ook terug in het houden van „ommetochten”, die vroeger heel veel en nu nog een enkele maal in de midwintertijd op het platteland worden gehouden.

Vaak speelt het paard daarbij een rol. De Sint-Stephanus- of Steffensritten op de 2e Kerstdag (in Groningen en de Achterhoek) zijn nog het meest bekend. Men beschrijft met zo’n tocht een kring rond een dorp, of een groep dorpen, gelijk aan de kring die de zon be­schrijft. Paarden waren heilige dieren en werden ge­bruikt voor het brengen van offers en ook in het ver­haal van de zonnewagen komen zij voor. Door de ver­meende zonbeweging na te bootsen trachtte men de zon te helpen.

In de kerstnacht werd men ingelicht over de gebeur­tenissen, die in het nieuwe jaar zouden plaatsvinden. Voor het naar bed gaan legde menige Friese boer twaalf vers gesneden uienschijfjes op een rij naast elkaar en op ieder een klein hoopje zout. Zij stelden de twaalf maanden voor. De volgende morgen kon men zien, welke maand van het a.s. jaar droog of nat weer zouden zijn. Iets van die zegenbrengende kracht schijnt ook de kerst- of midwinterhoorn te bezitten, waarop de Twentse boer van de eerste adventszondag (vier weken vóór kerstfeest) af tot Driekoningen boven de waterput blaast. Een boer uit Weerselo zei mij eens: „ik blaas op mijn hoorn om de kracht, die nodig is voor leven en sterven”.

De boom des levens
We kunnen ons thans het kerstfeest niet meer voor­stellen zonder dat eenvoudige symbool: de kerstboom, en toch is het nog geen eeuw* geleden, dat in Neder­land de kerstbomen geheel onbekend waren. Dat een dergelijk symbool heden ten dage eigenlijk door heel Europa zo dankbaar wordt aanvaard, is een van de treffendste bewijzen van de universaliteit van dit decemberfeest. Nooit is die universaliteit duidelijker gebleken dan in de laatste wereldoorlog, toen de vrede tussen de mensen van deze aarde verder verwijderd scheen dan ooit, doch de soldaten voor een enkel etmaal de vijandelijkheden staakten, voor zover dat mogelijk was, om ook in de loopgraven nog iets van een kerststemming te beleven.

Vrij algemeen is onder het volk de mening verbreid, dat de gewoonte om met Kerstmis een kerstboom te versieren, stamt van een heidens gebruik om bomen te vereren. Deze mening is ongegrond en historisch onaanvaardbaar.

Deskundigen beschouwen de kerstboom als een stammeling van de middeleeuwse „boom des leven”, die de toenmalige kerkbezoekers in portaal of voor­plein der kerk, aantroffen. Deze „boom des levens” werd nagebootst in het woonhuis, maar dan aanvan­kelijk niet als kerstboom; eerst de later eraan ge­hechte symboliek van christusboom deed hem regel­matig met Kerstmis terugkeren, waardoor hij „kerst”-boom werd en tevens zijn versiering met sterretjes, klokjes en blinkende snuisterijen kreeg. Om meer dan één reden laat zich vermoeden, waarom juist de den werd uitverkoren als de feestboom. In het koude, sombere jaargetij, waarin alle leven uit de natuur gebannen schijnt, staat de den als de eeuwig groene, altijd levende boom. Hierom hechtte men aan de den al gauw een symbolische waarde. Symbool van het leven en na de kerstening teken van het nieuwe leven.

Om praktische redenen heeft de den het gewonnen van de ook wel altijd groenende maar spichtige en stekelige hulststruik, die later wel fragmentarisch als mistletoe en als kersttafelversiering werd aangewend. Reeds de oude Germanen zagen blijkbaar in de den een bijzonderheid.
De runentekens en de ornamenten op urnen uit die tijd vertonen vaak de dennentakfiguur. De denneboom zal de geliefde boom voor Kerstmis blijven, nu de traditie en de christelijke symboliek hem hebben aanvaard als de kerstboom bij uitstek.

(J. H. Kruizinga, Vacature, *08-12-1977)

.

Kerstmis: alle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis    jaartafel

.

379-357

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

2 Reacties op “VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (8-1)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – Kerstmis – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – kerstmis (8-2) | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.