VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (18)

.

DE ENGEL VAN DE GOEDE WIL

De reiniging
Het overvalt me ieder jaar weer: de ‘opruimwoede’ eind augustus, als we terug zijn van vakantie. Alles wat in het afgelopen jaar is blijven liggen, si­tuaties in het huis die allang veranderd hadden moeten worden, maar waar ik niet de tijd voor vond – ineens heb ik er geweldig veel zin in om dat allemaal aan te pakken en opnieuw vorm te ge­ven. Het is als met de dakgoot: eens in het jaar moet je de ‘proppen’ oprui­men, zodat het regenwater weer kan stromen, anders krijg je lekkage. Het is of je een soort bezinksel van het afge­lopen werkseizoen moet opruimen, voordat je aan het nieuwe kunt begin­nen. Dat ‘bezinksel’ ontstaat in de zo­mervakantie, in een tijd die ogenschijn­lijk met leegte en nietsdoen te maken heeft. Je ondergaat een soort ‘reini­ging’, je bekijkt alles met een frisse blik, met ‘andere’ ogen.
Zolang het gaat om het verschuiven van kasten in je huis of het uitzoeken van kinderkleren, is het vrij gemakke­lijk om je goede voornemens in een daad om te zetten. Zodra het echter intermenselijke relaties betreft, wordt de zaak ingewikkelder. Want ook dat treedt op in deze tijd: het scherp zien van vastgelopen situaties, van hoe het eigenlijk allemaal zou moeten, en vooral de ergernis over de onaangena­me eigenschappen van andere mensen die datgene, wat jij van plan bent te verwezenlijken, in de weg staan. Gebrek aan geduld, aan zelfbeheersing en een zeker wijs inzicht doet de goe­de wil in on-wil verkeren.

Wachter op de drempel
Na deze roerige begintijd ontmoeten we op de drempel naar de herfst toe een machtige gestalte, die ons kan hel­pen onze goede wil gericht te hanteren. Van oudsher is de 29ste september gewijd aan de aartsengel Michaël, de aanvoerder van alle engelen in de strijd tegen het boze, zoals dat beschreven staat in de legenden. We komen zijn naam tegen in het boek Daniël uit het Oude Testament en in de Openbaring van Johannes. Alle volkeren van het Avondland hebben door de eeuwen heen de strijdende engel afgebeeld, in steen, in hout, als schildering. Zijn attributen zijn het zwaard en de weeg­schaal. Het zwaard lijkt ons vanzelf­sprekend voor een strijdend wezen. Het werkt vernietigend, het kan de dood brengen. Toch heeft het ook an­dere eigenschappen, die ons te denken geven. Het zwaard glanst, het is scherp, het loopt spits toe, en als de strijdende het hanteert, gelijkt het een flitsende, stekende zonnestraal. In de taal vinden we uitdrukkingen, die ontleend zijn aan deze eigenschappen van het zwaard, zoals: ‘Dat woord stak hem’ .of ‘Die gedachte flitste door me heen’ of ‘Dat is een scherp denker’.
Daar waar de mens gedachten wil uiten in woorden, daar gebruikt de taal het beeld van het zwaard. Gedachten kun­nen messcherp zijn en helder en recht op de man af, maar we weten allemaal ook hoe diep je iemand kwetsen kunt met een enkel woord! Het andere werktuig dat Michaël bij zich heeft, is de weegschaal. In zijn functie is dit instrument volkomen te­gengesteld aan het zwaard. Het wijst op bezonnenheid, op het wikken en wegen van voor en tegen. Een goed voorbeeld van Michaël als zielenweger is te zien in de Bourgondische plaats Beaune. Daar hangt in het juweel van een gasthuis het reusachtige schilderij van Rogier van der Weijden (15e eeuw), dat een hele muur in beslag neemt. Michaël als stralend middelpunt van het schilderij, houdt de weeg­schaal moeiteloos tussen duim en wijs­vinger. In de koperen schalen zitten kleine, naakte mensfiguren, wat altijd aanduidt dat er sprake is van mensen­zielen, vrijgekomen van het aardse li­chaam. In de ene schaal, die hoger hangt dan de andere, knielt een reine ziel, de handen biddend opgeheven, de blik omhoog gericht; in de andere schaal, vlak boven de grond, zit een klagende gestalte, bestemd voor hel en vagevuur. De blik van de engel is niet op de zielen gericht, maar recht naar voren: de grote weger is even objectief als het instrument dat hij hanteert. Zijn vleugels zijn bezaaid met ‘pauwen­ogen’ ten teken dat de ogen van vele geestelijke wezens dit wegen van zie­len volgen met hun aandacht. Ook in 3 hymnen en liederen wordt Michaël zo beleefd, als wachter op de drempel van de geestelijke wereld.

Wat geeft de doorslag?
Toch blijft bij dit alles een vraag han­gen: wat wordt er eigenlijk gewogen, en wat geeft de doorslag? Want dat wordt niet duidelijk op het schilderij in Beaune.

Nu bestaat er in Noord-Europa een an­dere afbeelding van dit gebeuren, die ons kan helpen een antwoord te vin­den. In het zuiden van het eiland Gotland voor de Zweedse kust staat een kerk in de plaats Vamlingbo. Op de noordelijke wand van deze kerk is een groot fresco geschilderd, dat een ver­rassend levendig beeld geeft van Mi­chaël als zielenweger. We zien de Duitse keizer Hendrik II op zijn sterfbed. Tij­dens zijn leven heeft deze keizer veel gedaan voor de innerlijke versterking van de kerk. Als symbool van dit stre­ven schenkt hij de vijf priesters aan zijn sponde een gouden kelk.
Naast dit gebeuren hangt de weegschaal van het oordeel. In de ene schaal zit de ziel van de gestorven keizer (met kroon op) en bij de andere schaal zijn allerlei duiveltjes druk bezig ‘be-zwaren’ aan te dragen tegen het opnemen van deze ziel in de hemel, in de vorm van ge­bundelde gewichten. Twee duistere fi­guren zijn zelfs bij machte om de schaal met Hendrik erin met stokken omhoog te duwen, zodat de verzwaar­de schaal omlaag dreigt te gaan. Dan grijpt Michaël in. Het is of hij op het laatste moment komt binnenvlie­gen met ruisende vleugels en waaiend gewaad. Licht pakt hij het midden van de weegschaal tussen duim en wijsvin­ger. In de andere hand draagt hij iets dat ten slotte de ‘door-slag’ blijkt te ge­ven: de gouden kelk die de keizer bij zijn leven schonk aan de kerk. Echter niet de aartsengel zelf, maar een heili­ge legt uiteindelijk de kelk in de schaal bij de ziel van de keizer, die bijna te licht bevonden werd. Hendrik II be­hoorde tot die innerlijk gedrevenen, die van tijd tot tijd opstonden om de zuivere kern van het Christendom te beschermen tegen de uiterlijke pracht en praal van Rome. Het heeft hem be­zield, zijn leven lang. En dit streven, dit willen van het goede, dat is de in­houd van de kelk die de doorslag geeft. Doet de kelk ons niet denken aan een mens, rechtop staande op de aarde, de armen iets gebogen geheven naar de hemel? Het is het oeroude gebaar waarmee de priesters als vertegenwoor­digers van de mensen door de eeuwen heen de wisselwerking tussen hemel en aarde mogelijk maakten.

Zij die van goeden wille zijn
Een kind tekent een huis: een vierkant met een driehoek erop. Ik kijk ernaar en het boeit mij. Vier hoekpunten heeft het huis, vier hoekpunten heeft ook het jaar dat je iedere keer moet opbouwen als een huis, van Kerstmis tot aan de volgende Michaëlsdag. In het natuurlijke verloop van het jaar ligt Michaël tegenover Pasen. Beide feesten vallen vlak na de dag- en nacht­evening. Er is ook een diepere samen­hang, waar een oude Russische legen­de van vertelt. In een soort lofzang wordt beschreven hoe de engel Micha­ël als enige bij het kruis van Golgotha achterblijft om de wacht te houden. Hij kan niet weggaan, maar hij mag ook niets doen om het ontzaglijke lij­den ongedaan te maken. De duisternis wordt dichter, zoals ook in de evange­liën verhaald wordt, en ten slotte slin­gert Michaël zijn speer, die als een bliksemschicht de voorhang van de tempel doormidden scheurt. Het god­delijke mysterie is van nu af aan een ‘openbaar geheim’. De machtige vleu­gels van de aanvoerder der engelen rui­sen van heilige toorn over het onschul­dige lijden aan het kruis. Zijn liefde voor de zoon Gods is onmetelijk groot, maar ‘de wet moest worden vervuld’. Zo staat Michaël voor ons als de strij­der tegen het duister, tegen het boze in dierengedaante, tegen de draak. Zo­lang je jong bent, is dit een heerlijk beeld om mee te leven: de heilige ver­ontwaardiging over allerlei onrecht en misstanden om je heen krijgt daardoor een schone vorm. Maar als je ouder wordt, merk je dat de draak in jezelf nog het moeilijkste te temmen is. De moed uit vroeger jaren verkeert in dee­moed. Je bent niet meer tevreden als het je eens lukt om een bepaalde heb­belijkheid terug te houden of om te vormen. Die hebbelijkheid steekt bij de eerstvolgende gelegenheid weer de kop op, en als je dan niet op je hoede bent, gaat het mis. Het is als in de sprookjes: voor iedere afgeslagen drakenkop groeit weer een nieuwe op! Wat geeft dan het houvast om de moed niet op te geven, om niet te ver­twijfelen? Dat is de overtuiging dat de goede wil uiteindelijk de doorslag geeft. Wat wij in het diepst van ons hart volbrengen willen: dat werkt. Merkwaardig genoeg leer ik dat in de omgang met mijn kinderen. En wie staat er dichter bij de geestelijke we­reld dan een jong kind?

Ten slotte
Iedere keer dat je je over een wieg heenbuigt, waarin een klein mensen­kind ligt te slapen, komt de vraag in je op: wat wil jij hier doen op de aarde? Vaak immers wordt dit pas duidelijk bij het afsluiten van de biografie, na de dood, als de levensloop van de ge­storvene overdacht wordt door de mensen die hem hebben gekend. En misschien is dat wel de moeilijkste opgave die Michaël ons stelt in deze tijd: ook tijdens het leven in andere mensen die goede wil leren herkennen, die je zelf in je hart voelt branden. Want dan pas houden zwaard en weeg­schaal elkaar in evenwicht.

(Marieke Anschütz, Jonas nr. 2, 21-09-1979)
.

Vamlingbo: fresco

bron

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

265-250

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (17)

.

KOSMISCHE ACHTERGRONDEN VAN HET MICHAËLSFEEST

Meteoren aan de sterrenhemel

Het Michaëlsfeest is voor de meeste mensen onbekend en aan weinig traditie gebonden. Het kan alleen zinvol gevierd worden als men zoekend is naar de impuls die de ach­tergrond van dit jaarfeest vormt.|

Waar het gaat om het Michaëlsfeest voor de kinderen, is de ons omringende natuur een goed uitgangspunt. Ook het oude boeren Michaëlsfeest droeg het karakter van een jaargetijdenfeest: een oogstfeest. Vanuit de natuurervaring kan men zo tot zinvolle jaar­feestvieringen komen.

Een andere mogelijkheid om enige toegang te vinden tot de achtergronden van de jaar­feesten, in dit geval het Michaëlsfeest, wordt geboden door gebeurtenissen die zich aan de sterrenhemel afspelen. In juni valt het Sint-Jansfeest op het mo­ment waarop de zon op onze breedte haar grootste hoogte bereikt heeft en juist weer aan de afdaling in de dierenriem is begon­nen. De dagen zijn lang, het etmaal wordt overheerst door het licht. Men kan in die dagen het gevoel krijgen dat de zon de mens mee omhoog trekt, en buiten zichzelf voert. De processen waaraan mens en natuur in de zomertijd onderhevig zijn, kan men zwavelprocessen noemen; onder zwavel wordt dan niet de chemische stof verstaan, maar — in navolging van een oude traditie — warmteprocessen.

Om de weg naar de aarde terug te vinden en in de wintertijd de aardse taak weer op te nemen, is een tegengesteld proces nodig, aan te duiden als ijzerproces. IJzer is de stof die ook in het bloed wordt aangetroffen en een mens mogelijkheid geeft als persoonlijk­heid op aarde te leven.

Wanneer men dan de waarneming van de sterrenhemel bij de beschouwing betrekt, dan blijkt hoe men ver van de storende stadslichten in augustusnachten kan genie­ten van een rijke ‘sterrenregen’. Kosmische vonken schieten langs de hemel. Deze ‘vallende sterren’, meteoren, vluchten uit één punt van de sterrenhemel: het ster­renbeeld Perseus. Vandaar de naam voor de­ze elk jaar terugkerende ‘sterrenregen’: de Perseïden. Deze meteorenvlaag kan in ver­band worden gebracht met de naderende Michaëlstijd. Kosmisch ijzer wordt door de fel oplichtende meteoren naar de aarde ge­bracht. Het vluchtpunt, radiant, van de Per­seïden, het sterrenbeeld Perseus, is een Michaëlisch beeld: Perseus verricht een Michaëlische daad als hij Medusa het hoofd af­slaat. Het wezen dat over het derde oog be­schikte, het oude orgaan der helderziend­heid, wordt gedood. Aan de atavistische ver­mogens van de mens komt een einde; de weg naar de ontwikkeling van het vrije den­ken wordt geopend. De kosmische vonken die de zomernachten verlichten, vinden hun oorsprong in het geheven zwaard van Per­seus.

De kosmische oorsprong van de Perseïden is ook op nog andere wijze met de Michaëlische impuls verbonden. Astronomisch is vastgesteld dat de banen van deze meteorie­ten voordat zij op de aarde terecht komen, dezelfde zijn als de baan van een komeet die in 1862 gezien is, de komeet Swift-Tuttle. Men heeft berekend dat deze ko­meet een elliptische baan rond de zon had, met een omlooptijd van 120 jaar. Uit het jaarlijks verschijnen van de Perseïden mogen we afleiden dat de komeet Swift-Tuttle een komeet in afbraak is.

Wat is nu de achtergrond van dergelijke af­braakprocessen die ook andere kometen kennen? Om op deze vraag een antwoord te kunnen vinden, is het nodig daarbij gees­teswetenschappelijke gezichtspunten te be­trekken.

Rudolf Steiner heeft kometen beschreven als kosmische verschijnselen die ook nog aan andere impulsen gehoorzamen dan aan de bekende wetten van de aantrekkings­kracht, waaraan ons zonnestelsel zijn be­rekenbaarheid ontleent. Hij karakteriseert ze als kosmische reinigers van de astrale atmosfeer: kometen nemen, zegt Steiner, slechte astraliteit in zich op, ontlasten daarmee de kosmos. Kometen verschijnen als de kosmos gereinigd moet worden. Elke komeet vervult daarmee een zuiverende taak, daarbij kunnen kometen dragers zijn van spirituele impulsen die hun uitwerking op de geschiedenis van de mens­heid hebben.

De oorspronkelijk geheel onverwacht ver­schijnende komeet kan een deel van zijn kometenkwaliteit verliezen door geheel in de sfeer van de berekenbaarheid gevangen te raken: de komeet ondergaat een verande­ring in zijn gedrag, hij gaat zich in een vaste, elliptische baan bewegen, waardoor zijn terugkeer berekend kan worden. Daarmee is weer een stukje kosmos vastgelegd in de wereld van maat, gewicht en getal.

Geestelijke tegenmachten kunnen zich van de komeet meester maken en daarmee de aanvankelijke positieve zending van de ko­meet doen omslaan in het tegendeel. De in­teresses van deze tegenmachten liggen daar waar de mensheidsontwikkeling omgebo­gen kan worden, waar de mens gevangen kan worden in onvrijheid. Een kosmische draak bedreigt de menselijke ontwikkeling.

Michaël heeft zich in de strijd om de vrij­heid van de mens verbonden met het lot van de mensheid.

In de kosmos speelt zich een geestelijke strijd af die op aarde in de fysieke wereld zichtbaar wordt doordat wij kunnen waar­nemen hoe kometen in brokstukken uit el­kaar vallen, opdat zij niet langer kunnen bij­dragen tot de macht van die wezens die zich tegen de vrijheid van de mens keren. Michaël bereidt uit het gif van de tegenstan­der een kosmisch medicijn dat de mensheid te hulp komt op haar weg naar de vrijheid. Het kosmische ijzer daalt in lichtende me­teoren op de aarde neer. IJzer waaruit de mens zich het Michaëlisch zwaard kan sme­den.

Geen uiterlijk wapen geeft Michaël in de hand: het is het wapen van de menselijke moed.

(Rinke Visser, Jonas nr. 2, 26-09-1975)

Michaël Perseus

Memling Laatste oordeel

Hans Memling: Laatste oordeel

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

264-249

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (16)

.

MICHAËLSTIJD

Het was warm deze* zomer. Veel mensen hebben het nauwelijks aangekund, die overvloed van licht en warmte. Je wordt er moe van als het lang duurt. Het is alsof een soort koorts je te pakken krijgt. Heel sterk kun je dat ervaren als je een tijdje geen echt dak boven je hoofd hebt, in een tent woont. Van lezen komt niks, je ergens in verdiepen lukt ook niet.

De buitenwereld zuigt je naar buiten, bijna gewelddadig.

Wat we deze zomer zo sterk hebben ervaren, is elke zomer wel te merken, zelfs in zomers met veel regen. Je leeft buiten jezelf, je bent wakker in de buitenwereld. Om vandaaruit weer goed aan het werk te komen heb je een tegenwicht nodig, iets dat je van binnen uit wakker maakt.

In ons bloed komt een element voor dat onmisbaar is voor ons menselijk bewustzijn: het ijzer. IJzerkrachten zijn het die ons na een zomer vol buitenwereld weer houvast van binnen kunnen geven. Deze ijzerprocessen worden in onze streken ingeleid door een ster­ke ijzerimpuls die onze aardedampkring vanuit de kosmos krijgt: in groot getal schiet in de loop van de zomer een regen van kosmische ijzervonken langs de hemel. Deze “sterrenregen” die wij elke zomer weer kunnen waarnemen, kunnen we zien als een eerste inzet van de naderende Michaëlstijd. De Perseïden trekken hun lichtende sporen langs de nachthemel, ontspringend uit het reddende zwaard van Perseus de grote held, die de ko­ningsdochter Andromeda uit de macht van een vreselijk zeemonster bevrijdde.

In de herfst beleven we het moment waarop de tijd van het uiterlijke licht korter wordt dan de duisternis. De nacht wordt langer dan de dag.

De tijd is gekomen om ons te richten op het innerlijk licht. Maar tevens is het tijd om met de kracht van het ijzer geen uiterlijke veldslagen te winnen, maar sterk te staan tegen be­dreigingen die ons menszijn willen aantasten. Het slagveld is in ons. In beelden spreken we dan over de “strijd tegen de draak”. Aan ons is het om die beelden te vertalen in de taal van ons bewustzijn: de draak te herkennen.

(Rinke Visser, vrijeschool Haarlem, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

263-248

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (15)

.

HET MICHAËLSFEEST

Onder de vele dingen waaraan je als ‘nieuweling’ -ouder of leraar- moet wennen in de vrijeschool is de manier waarop de ‘juffies’ en de ‘meneren’ spreken en vertellen over elven en kabouters, draken, goden, reuzen enzovoort, wel het merkwaardigste.

Als je goed luistert naar die leraren, lijkt het precies, of ze zelf aan al die verzinsels geloven. Nu, beste lezeressen en lezers, dat is ook zo. Wij geloven daaraan, omdat het geen verzinsels, maar realiteiten zijn,  realiteiten die je niet met je gewone ogen kunt zien en met je handen kunt pakken, maar waar­over je toch een zekerheid kunt hebben, waarover je iets kunt weten.

Je moet je alleen wel – maar dat is met iedere wetenschap het geval – de moeite geven je in die zijde van de wekelijkheid te verdiepen. Als je ervan uitgaat dat werkelijkheid alleen maar is wat je kunt zien en pakken, dan ben je net als iemand die met zijn rechtervoet op zijn linkervoet gaat staan en dan zegt: ‘Zie je wel, dat ik niet kan lopen!’

De werkelijkheid heeft een uiterlijke zijde die voor onze ogen verschijnt en een innerlijke zijde die in eerste instantie zich wel verbergt, maar die wij mensen,  omdat wij ook een innerlijk leven hebben, toch kunnen ontdekken. En zoals we alleen met twee gezonde benen die elkaar niet vastklemmen, kunnen lopen, zo kunnen we ook alleen maar echt leven als mens, wanneer we met die twee zijden van de werkelijkheid leren omgaan.

De kinderen, vooral de kleine, zijn thuis in die innerlijke of geestelijke werkelijkheid. Zij moeten door hun opvoeding, door het onderwijs, leren de uiterlijke zijde van de wereld te betreden om daarin te werken.

De grote mensen die zo verschrikkelijk thuis zijn in de harde uiterlijke werkelijkheid (soms voel je je daar helemaal niet thuis) zouden die innerlijke zijde niet moeten vergeten.

Nu zijn er ten allen tijde mensen geweest die omtrent de innerlijke, geestelijke werkelijkheid niet alleen een uitgebreid weten bezaten, maar die deze
geest­wereld ook konden waarnemen. Hun weten kwam voort uit hun waarnemingen. Dergelijke waarnemingen zijn vaak in geschriften opgetekend of in kunstwerken uitgebeeld. Eigenlijk is alle kunst, is alle literatuur uit deze bovenzinnelijke waarnemingen ontstaan. Dat waren dus geen verzinsels, maar beelden van realiteiten.
Lange tijden is de mensheid gevoed en geleid door deze geestelijke, reële beelden, door de godsdienst, de kunst en de wetenschap die vroeger nog een geheel vormden. Het mensengeslacht is opgevoed met „beelden van geestelijke realiteiten”.

Maar het mensengeslacht moest vrij worden en daarom moesten de geestelijke beelden gaandeweg verdwijnen om plaats te maken voor uiterlijk zintuiglijke beelden van de wereld. Toen ontstond de natuurwetenschap met in haar gevolg de techniek. Deze hebben de mens van de nieuwe tijd vrij gemaakt. Vrij van godsdienst, vrij van de oude leidinggevende beelden.

De mens werd geestelijk zo vrij, dat hij nu de geest kan verloochenen. Hij kan alle realiteiten van de innerlijke zijde ontkennen, tot bijgeloof en verzinsel verklaren. Hij kan zeggen, dat God niet bestaat en God doet niets terug. Hij geeft de mens niet een draai om zijn oren zeggend: ‘Zie je wel, voel je wel, dat ik wél besta!” De goddelijke wereld respecteert de menselijke vrijheid.

Maar er is een macht in de wereld die deze vrijheid mis­bruikt. Omdat deze macht ook onzichtbaar is, hebben de mensen hem niet in de gaten. Ze merken niet dat deze macht hen voortdurend inspireert, influistert: alles is materie, alles is alleen uiterlijke werkelijkheid, geest bestaat niet, God is dood.

Wanneer men deze macht in een beeld zou kunnen waarnemen, geen verzinsel dus, maar een realiteit in beeldvorm, dan zou men iets heel lugubers aanschouwen, iets gluipends, loerends, afschuwelijk lelijk en vraatzuchtig, dof van kleur met een soort huidpantser, harde uitsteeksels, klauwen, kortom een draak.
Deze draak wil verhoeden, dat de mens werkelijk vrij wordt als geestelijk wezen. Hij wil de ziel van de mens totaal verdoffen, de geest mechaniseren en het lichaam verdierlijken. Dan heeft hij de mensen en de aarde in zijn macht. Deze draak treedt een andere, hoge geestelijke macht tegemoet om hem te bestrijden.

Wanneer wij deze macht in beeld zouden kunnen waarnemen dan zouden wij een gestalte zien, die licht uitstraalt met een edel en heel ernstig gelaat. In zijn hand houdt hij iets wat op een zwaard lijkt. Daar schieten voortdiurend stralende vonken van af, als gloeiende meteoren die door de hemelruimte vliegen. Deze macht hebben de mensen vroeger reeds gekend en ze noemden hem Indra, Marduk of Michaël, de drakenbestrijder.

Michaël is geen verzinsel, maar een reëel geestelijk wezen, de dienaar van de Allerhoogste.

Hij wil verhoeden, dat de mens alle verbinding met het goddelijke verliest. Hij wil de ziel van de mens door­gloeien en doorstralen, de geest bevleugelen en het lichaam veredelen. Maar hij respecteert ten volle de menselijke vrijheid.

Hij dwingt niet, hij wijst alleen en wacht zwijgend tot de vrije mens zijn inspiratie wil opnemen. Hij wil geen macht voor zichzelf; hij is de dienende geest van Christus die de mens zichzelf wil laten vinden.

Wanneer de mens wil luisteren naar Michaël, dan in­spireert deze hem tot moed. Moed om geestelijke ge­dachten te koesteren, moed om het gevoel zonnig en edel te maken, moed om de verlamming in de wil te over­winnen.

Het feest van Michaël is het feest van de moed. In onze tijd is het nodig dit christelijke feest (niet zozeer in kerkelijke zin) aan het Kerst- Paas- en Sint-Jansfeest toe te voegen.

In het jaargetijde waarin de uiterlijke zichtbare wereld tot een sterven en vergaan verkeert, roept Michaël ons tot innerlijke wakkerheid. Alleen de geestelijke wakkerheid is in staat de gluipende macht van de draak te onderkennen en te overwinnen.

Hoewel wij onze kinderen moeten leren zich thuis te voelen op de aarde, in de zintuiglijk uiterlijke wereld te werken en te leven, moeten wij zorgen, dat zij niet vervreemden van de innerlijke geestelijke realiteiten. Ons middel daartoe is hetzelfde wat in de grote wereldopvoeding van het mensengeslacht ge­bruikt is: het kunstzinnige beeld, dat wortelt in een geestelijke werkelijkheid.

Wanneer de kinderen wat ouder zijn geworden, kunnen zij dergelijke beelden met hun verstand begrijpen, want er is niets geestelijks wat het gezonde verstand niet begrijpen kan, al kan het dit niet verzinnen of uitdenken.

Later als het kind volwassen is en de school heeft verlaten, werken zulke beelden en het begrip dat men daaraan tegemoet gedragen heeft als een gezonde kracht, ook al zou men niet meer aan Michaël en de draak ‘geloven’, zoals men als kind daaraan ‘geloofde’.
Van deze gezonde kracht uit kan men in een later stadium van de persoonlijke ontwikkeling een nieuwe, veel bewustere relatie zoeken met het hierboven beschrevene; men kan dit ook nalaten: de mens is vrij! Men realisere zich dan echter wel, dat nalaten niet neutraal is. De keuze is altijd vrij, de consequenties van de keuze niet meer.

(W.F. Veltman, vrijeschool Den Haag, nadere gegevens onbekend)

.

HET MICHAELSFEEST OP 29 september.
De viering van het Michaelsfeest begint maandag 29 sept. om 8.30 uur met een schoolfeest in het gebouw aan de Waalsdorperweg voor alle klassen.
De klassen 1 t/m 6 hebben van 8.30u tot ± 10.30 u. een programma in de grote zaal. Er wordt een Michaélsverhaal verteld en de klassen laten elkaar zien wat zij in deze Michaëlstijd hebben gedaan; liedjes, taal, rekenen, toneel worden op het toneel opgevoerd. Vanaf 10.30u. is er een heel feestprogramma in de school waar de kinderen uit deze klassen aan kunnen meedoen. Er zullen 25 à 30 spelletjes en moeilijke spelen in en rondom de school uitgezet zijn, die een beroep doen op moed, durf en behendigheid. Draken zullen beschoten worden met pijl en boog, boegsprietlopen, ringsteken op step en fiets, reis om de wereld, en vele andere spelen zullen de feestvreugde verhogen. Ouders zijn bij dit tweede gedeelte van het feest welkom, niet alleen als toeschouwer, maar ook ter assistentie. Moeders en vaders die het leuk vinden een spel te leiden, kunnen zich opgeven bij mej. v.d. Mark.

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

262-247

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (14)

.

MICHAËLSTIJD

De Michaëlstijd is aan de gang. De warme mooie zomer – een echte dit jaar* – gaat over in de herfst. Grilligheid en afwisseling kenmerken deze overgang. Nu een verrukkelijk helder zoel en windstil weer waarin felgekleurde dahlia’s en chrysanten wedijveren met afrikaantjes, petunia’s en late rozen. De hemel is blauwgewassen, maar pas op! Achter je rug stapelen zich loodgrijze wolken op. Pats! een hagelsteen, nog meer hagel, een wolk grijswitte hagelstenen komt op je af, ranselen en tikken, roffelen en rrrrt! ineens is het weer uit. Een venijnige wind steekt op. Maar tegen de vuile lucht is een regenboog zicht­baar. Verderop prijkt nog een stukje prachtig blauwe lucht tussen de gore room­gele kammen van dikke wolkgevaarten.

In de morgen stille, grijze nevelsluiers, een warme zon boort zich erdoorheen. Maar al gauw stortregent het uit effen donkergrauwe lucht, uren lang. In de stille, zeer heldere nacht jagen de vallende sterren langs de hemel als een verstild en vertraagd vuurwerk. En zo gaat het door. De bomen gaan kleuren, blade­ren dwarrelen rood,  geel, bruin. De natuur sterft. Wat een tijd voor overpeinzing, twijfel, angst. Toch ook een tijd om krachtig en met moed aan het werk te gaan. Maar is het niet al jaren en jaren lang in de wereld herfst? Een wereldherfst waarin alle tegenstellingen tussen mensen en volken, tussen religies en wereld­beschouwingen voortdurend scherper schijnen te worden, waarin alles dwingt om al voortrennende partij te kiezen:   vooruit, vooruit, tempo, tempo: Nu, die wereldherfst is dan ook een Michaëlstijd. Michaël? Wat heeft dit wezen ons nog te zeggen? Nog? Of nog niet? Of misschien juist weer?

In de afgelopen zomer door Frankrijk toerend, kwam ik enige malen met Michaël in aanraking. Rijdend naar de Loire, kwamen we langs Angers, een flinke stad, iets groter dan Leiden. Op een hoek van het stadscentrum staat een machtige burcht met zeventien ronde, dikke torens van blauwzwarte leisteen. In dit geduchte bouwwerk bevindt zich een van de grootste en meest interessante wandtapijten van de we­reld .

Op dit wandtapijt – oorspronkelijk waren er 98 tonelen, in 7 groepen van 14, met een totale lengte van 144 meter – is de gehele openbaring of Apokalypse van Johannes in beeld gebracht.

De ontwerper was een Zuidnederlander, Heiniken van Brugge, de wever Nicolas Bataille, die vijf jaar aan dit geweldige kunstwerk besteedde voor het in 1380 klaar was.

Het aangrijpende en boeiende verhaal op de voet volgend, zag ik het tapijt met de vrouw die een kind moet baren. Zij wordt bedreigd door de “grote draak”. Het kind wordt geboren en ook bedreigd door het ondier. En vervolgens kwam het tapijt met Michaël.

Hij duikt op uit een azuurblauwe hemel. Een schare opgewekte engelen heeft onder zijn aanvoering de bewolkte hemelranden opengerold en steekt en prikt naar omlaag, waar de zevenkoppige draak en een brutaal opspringend drakenjong zich bevinden, ter aarde geveld.

Een engel links wijst goedig op een fraai gekronkelde banderol aan, wat er alle­maal gebeurt. Johannes kijkt er peinzend naar. De tekst uit de Openbaring luidt:

“En er ontstond strijd in de hemel. Michaël en zijn engelen streden tegen de draak; en ook de draak streed met zijn engelen tegen hem, maar behaalde de overwinning niet en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden.

Vervolgens werd hij neergeworpen, de grote draak, de oude slang die men Duivel en Satan noemt, hij die de gehele wereld verleidt, neergeworpen op de aarde en zijn engelen met hem”, Op. 12: 7-8. Interessant en veelbetekenend is het dat het beeld van de hemelse strijd waarin Michaël als veldheer optreedt, onmiddellijk volgt op dat van het bedreigde kind en de bedreigde moeder.

Het is dus nog zo gek niet dat de vrijescholen Michaël als hun schutspatroon beschouwen. Het kind wordt steeds bedreigd en zeker in onze tijd. De Openbaring is een toekomstbeeld en wordt dan ook steeds actueler. Het is misschien wel moeilijk om de oude beeldentaal te “lezen” en in verband te brengen met hoogst moderne strevingen en middelen. Want de drakenkrachten kunnen zich heel intelligent vermommen als “algemeen welzijn”, “algemene opinie” of “moderne en progressieve visie”.

Michaël is juist die kracht, die ontmaskeren kan.

Het is niet zo eenvoudig in te zien dat de drakenkrachten zich juist van het zo hoog geschatte en vereerde menselijke verstand hebben meester gemaakt! Wat wil dat verstand allemaal niet voor het kind doen: Het is echter niet terstond duidelijk dat al dit verstand, al deze intelligentie, ontmaskerd kan worden als dienaar van het meest krasse egoïsme, dat zich opsiert en opblaast als “sociale gerechtigheid”, “moderne, wetenschappelijke pedagogie”; dat spot en verachting afroept over “oude, verouderde, slome aanpak”; en dat vooral ieder wil inprenten, dat er zo weinig tijd is dat men vooral moet opschieten, “dat er geen tijd te verliezen is”.
Michaël ontmaskert deze drakenkrachten met een ander soort intelligentie die ook tot de menselijke mogelijkheden behoort.

Krachtig houdt hij de weegschaal vast, waarvan de ene schaal naar boven wil en de andere naar beneden.

Het doorzien van de krachten, die de mensenziel steeds omhoog willen trekken in opgeblazen hoogmoed, leidt tot inkeer, eenvoud en bescheidenheid. Het doorzien van de krachten, die de ziel in tijd en ruimte willen kluisteren, leidt tot warm en­thousiasme, innerlijke rust en moed.

Door zelf naar deze andere intelligentie te zoeken krijgt men deel aan de Michaël-kracht, die de draak verdrijft en het kind behoedt.

(P.C.  Veltman, vrijeschool Leiden, *nadere gegevens onbekend)

Michael 25 uit Angers

Bron: Remi Jouan – Photo taken by Remi Jouan, CC BY-SA 3.0,

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.
261-246

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (13)

.

GRENZEN VAN DE GROEI EN GROEI VAN DE GRENZEN

 De Michaëlgedachte in deze tijd

De vraag naar de zin van het bestaan is voor steeds meer mensen gelijk aan de vraag naar de overlevingskansen van de mensheid, vooral sinds de Club van Rome halverwege de jaren zestig het geruchtmakende rapport ‘Grenzen aan de groei’ publiceerde. Veel mensen be­leefden dit als de zwanenzang van de
in­dustriële maatschappij, als het slotak­koord van het loflied op de ongeremde vooruitgang.

Het ‘doemdenken’ stak de kop op, het spook van het fatalisme, dat Rudolf Steiner het meest bedenkelijke symptoom van deze tijd heeft genoemd [1]. Tegelijk met het fatalisme diende zich een twee­de verschijnsel aan: de angst.

‘Wo Gefahr ist, wächst das Rettende auch’, heeft Hölderlin eens gezegd. (Waar gevaar is, neemt ook ‘het reddende’ toe). Om dit ‘reddende’ te herkennen is echter een innerlijk, grensoverschrijdend ge­baar nodig. Het kan niet onze bestem­ming zijn om eenmaal gegeven grenzen voor lief te nemen. Het gaat erom dat we die grenzen die we graag aan de externe omstandigheden toeschrijven, maar die we onszelf meestal opleggen voort­durend verruimen, dat we werken aan de ‘groei van die grenzen’.

De ‘grenzen van de groei’ wijzen op de bestemming, het wezen, van de mate­rie. De ‘groei van de grenzen’ wijst op de tegenpool daarvan: de werkzaamheid van de geest. Wie zich aan de ene of de andere pool vastklampt, gaat stagnatie en verstarring tegemoet. We moeten juist in en met de tegenstelling van geest en materie leren leven.
In zijn autobiografie zegt Rudolf Steiner dat dit hetzelfde is als ‘begrip voor het leven hebben [2].

Kijken we naar het veranderende beeld van de natuur in de loop van het jaar, dan is de zomer de tijd waarin we sterk in de natuur opgaan, de tijd van ‘natuurbewustzijn’. In de herfst spelen zich in de natuur veranderingen af, waar we al­leen bij aan kunnen sluiten als we ons bewustzijn veranderen. Zelfbewustzijn in plaats van natuurbewustzijn is nu aan de orde, aldus Rudolf Steiner in zijn voordracht van 5 oktober 1923 (de zogenoemde Michaël-imaginatie [3]. Het signaal tot die verandering gaat van de natuur zelf uit. In de nazomer doortrekken de vallende sterren de hemel met meteoorkrachten, met meteoorijzer. Hetzelfde proces dat daar tussen hemel en aarde plaatsvindt, speelt zich ook af in de mens: “wanneer in ieder bloedli­chaampje de ijzerverbinding schiet. Daarbij gebeurt “heel in het klein, minutieus hetzelfde als wanneer de meteoor­steen lichtend, stralend door de lucht naar beneden suist”, heet het in de ge­noemde voordracht.

Zo is het meteoorijzer de bemiddelaar tussen natuurbewustzijn en
zelfbewust­zijn, en het is tegelijkertijd de substantie die in het menselijk organisme de angst te lijf gaat [4]. De dichte materie van het ij­zer roept in de mens namelijk de tegen­beweging op: de beweging naar de geest. Het is het ijzer dat we smeden en aan ons uiterlijke bestaan dienstbaar maken. En het is hetzelfde ijzer dat in ons innerlijk de redding brengt: dat in plaats van angst en fatalisme, onze ini­tiatiefkracht doet groeien.

[1]   ‘Der Fatalismus als Zeitschädling’ in Aufsätze über die Dreigliederung des
sozialen Organismus, GA 24, blz. 163 e.v.
[2]  Mijn levensweg, Zeist 1993, hoofdstuk 22. Nederlandse vertaling
[3]  Das Miterleben des Jahreslaufes in vier kosmischen Imaginationen, GA             229. Nederlandse vertaling
[4] Rudolf Steiner spreekt hier van ‘Entangstigung’ van het bloed.

Michaël illustratie

(Weledaberichten nr.163, sept. 1994, vrij vertaald en bewerkt naar Walter Kugler, Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, Dornach)

Michaël meteoorijzer 2

Meteoorijzer (Ferrum sidereum).
Tot de verschillende vormen van ijzer die in sommige Weleda geneesmiddelen worden verwerkt, behoort ook een zeer bijzondere ijzersoort. Deze is niet op de aarde ontstaan maar heeft een kosmische oorsprong.

IJzer is een zeer verbreid element. De bruine kleur van de grond is bijvoorbeeld hieraan te danken. In de natuur vindt men echter alleen de roestbruine verbindingen en zouten van het ijzer. Het zuivere metaal treft men praktisch nergens aan. Een uitzondering is het meteoorijzer. Er zijn op vele plaatsen kleine en grote, soms vele tonnen zware exemplaren gevonden, die vroeger door de mensen vol eerbied werden bekeken.

In de oudere literatuur wordt dit “uit de hemel gevallen” ijzer zelfs “menslievend” genoemd, omdat er nooit iemand door een vallend stuk meteoorijzer zou zijn gewond.

Meteoorijzer bevat behalve ijzer en nikkel nog een kleine hoeveelheid kobalt. Een kenmerk ervan is zijn grote hardheid en taaiheid, het is moeilijk te bewerken. Vroeger, toen men gelegeerd staal nog niet kon vervaardigen, was meteoorijzer de enige beschikbare grondstof. Het zwaard van Siegfried, de moedige legendarische held die geen vrees kende, was uit dit kosmische metaal gesmeed.

Er bestaat een beproefde methode om zich van de echtheid van meteoorijzer te overtuigen: men slijpt het ijzer ergens een beetje glad, polijst die plek en bedruppelt die met een verdund zuur. Als het echt meteoorijzer is, worden er heel typerende lijnen zichtbaar, de zogenaamde figuren van Widmannstatten.

(Weledaberichten, nr.142, sept. 1987)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

(Meteoor)ijzer

Meteoorijzer: in mineralogie

.

260-245

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (12)

.

IJZER, ZWAVEL EN HET MICHAËLSFEEST

Dit stukje moet u niet alleen met uw intellect willen begrijpen. Probeert u de beelden mee te beleven en u alles levendig voor te stellen, dan kunt u zelf het verband tussen ijzer, zwavel en het Michaëlsfeest aan­voelen.

Het is een zomerdag. De lucht trilt van hitte. Ik lig in het bloedhete zand en voel me volkomen opgenomen in de zomerse warmtesfeer. Bewust denken doe ik niet meer, ik ben één met vurige warmte.
Een ander beeld: ver van de storende stadslichten op een verlaten landweg kijken wij naar de augustushemel. Stille stralende heldere sterren. Opeens schiet daar een lichtende streep door het luchtruim en weer een en weer een. Meteorenregen, een adembenemend gezicht!
Het wordt september. Een krachtig blauwe lucht met scherp afgetekende wolken. Dan weer zien wij donkergrijze, bijna zwarte grillige vormen. Als dreigende duistere monsters bewegen zij langs de hemel. Maar daar breekt weer het licht door en de zon straalt ons weer toe.
Een machtig beeld dat ons doet denken aan draken en Michaël.

Zwavel
Sulpheros in het Grieks, solferus in het Latijn, dat is zonnedrager. Maar u herinnert zich wel uit oude sprookjes: ik loop op een eenzaam heidepad. Daar ontmoet ik een wonderlijk heer. Ik ruik een rare zwavellucht en zie een staart onder zijn jas uitkomen, en zijn voeten zijn eigenlijk hoeven. Gauw sla ik een kruis en zeg een gebed. Met een donderend geweld opent zich de grond en de duivel verdwijnt. – Van oudsher is de zwavel ook in verband gebracht met duivel en hellevuren.

Zwavel vinden wij als mooie gele kristallen of zachtgele stenen in de buurt van vulkanen. Met een geweldige chaos en verzengende hitte breekt het vuur uit de aarde, dood en vernietiging brengend, giftige gassen verspreidend. Maar als alles tot rust is gekomen is er een vruchtbare grond ontstaan. Wij zien hier de zonne- en duivelse kant van de zwavel.

Wanneer wij mooi geel zwavelpoeder verhitten, smelt het eerst, de kleur wordt steeds donkerder en duisterder, dan komt er een geheimzinnige blauw-paarse vlam, en een giftig gas slaat op onze keel. Gieten we deze brandende vloeistof snel uit in water, dan kan daar een luguber monster ontstaan dat onder water nog dreigend beweegt. Eenmaal hadden wij het beeld van een echte draak, met kop en vleugels.
In het menselijk lichaam speelt de zwavel een rol bij de eiwitstofwisseling. Hij activeert de levens­processen, helpt mee zodat het geestelijk mensenwezen kan leven in het fysieke lichaam. Maar wanneer deze zwavelkrachten te sterk worden en ook gaan werken in het gebied van het hoofd, verliest de mens het vermogen, bewust waar te nemen en helder te denken. Het bewustzijn wordt dof. De mens leeft dan teveel in zijn begeerteleven. De zwavel moet in toom gehouden worden.

IJZER
Als kind woonde ik bij een smidse. Dat was een feest! Laaiende loeiende vlammen! En als de smidshamer toesloeg sprongen de vonken alle kanten uit! Wij blazen op school ijzerpoeder in de vlam. Eerst veel. Een fantastische meteoren­regen. Nu wat voorzichtiger. Wat zien we? Oranjegele streep­jes, niet overal even dik, als we goed kijken lijken het zwaardjes. U zou dat zelf kunnen zien wanneer u een beitel slijpt.

IJzer komt in grote hoeveelheden in onze aardkorst voor, bovendien wordt de aarde vooral vanaf half augustus verrijkt door een stroom kosmisch ijzer dat als fijn stof- of ook in grotere stukken als meteorietenregen de aarde be­reikt. Zonder aanwezigheid van ijzer zou de plant geen groene bladkleurstof kunnen vormen. Onder de invloed van het zonlicht maken de groene plantenbladeren voor ons steeds nieuwe zuurstof die wij inademen. In onze rode bloedkleurstof zit ijzer. Dit ijzer brengt de zuurstof naar ons hele lichaam. Wij kunnen slechts enkele minuten zonder zuurstof leven. IJzer maakt dat wij als mens ons bewustzijn niet verliezen. IJzer is direct verbonden met ons Ik. Het ijzer in ons bloed beteugelt de zwavelkrachten.

Michaël wil dat de mens in bewuste vrijheid kiest tussen goed en kwaad. Michaël helpt met zijn kosmisch ijzerzwaard de mens in zijn strijd tegen de draak. En misschien als ver toekomstideaal lukt het niet alleen de draak te temmen, maar zelfs hem te verlossen uit het boze en om te vormen tot het goede, zoals wij ook in de zwavel-ijzer verbinding pyriet zien hoe zwavel en ijzer in volkomen harmonie een goudglanzend prachtig kristal gevormd hebben.         

(Emmy de Groot-Klomp, vrijschool Den Haag, nadere gegevens ontbreken)

zwavel

 

Zwavel (Sulfur)
vertoont in het mineralenrijk een sterke relatie met de zware metalen waarmee hij de belangrijkste, meestal mooi gekleurde, metaalachtig glanzende verbindingen, de sulfieten, vormt. Op enkele plaatsen echter, waar bijzondere omstandigheden dat mogelijk maken, komt de zwavel in gedegen, dat wil zeggen zuivere, door geen andere stoffen beïnvloede vorm voor. Wij zien dan stralend gele kristallen, die doen denken aan bevroren vuur. Door hun eigenschappen passen zij evenwel niet goed in de voorstelling die wij van een stabiel kristal hebben.

Zwavel is een element dat slechts tegenstrevend de vorm van een kristal aanneemt; het lijkt wel of het elke gelegenheid te baat neemt om zich van die meer aardse wetmatigheden ontdoen. Het is bijvoorbeeld heel zacht en bros en men kan het zonder moeite vergruizen. Als men in een stukje zwavel knijpt en het bij zijn oor houdt, hoort men het duidelijk knerpen, waaruit de onstabiele structuur van dit mineraal blijkt. Maar niet alleen voor druk is het gevoelig. Deze “steen” is ook gemakkelijk ontvlambaar. Hij brandt dan met een klein helderblauw vlammetje -bij een mineraal wel een heel ongewone eigenschap! Bij het verwarmen verandert op allerlei manieren de structuur van het kristal. Tijdens dit proces wordt de zwavel eerst heel vloeibaar, daarna stroperig en taai om kort voor het verdampen nog een keer uiterst vloeibaar te worden. Maar ook de kleur verandert: eerst heldergeel, dan honing- tot barnsteenkleurig, vervolgens donkerbruin tot bijna zwart om tenslotte oranje op te lichten.

De mooiste zwavelkristallen worden op Sicilië en op verschillende plaatsen in Spanje gevonden. Louisiana en Texas in de Verenigde Staten hebben de rijkste vindplaatsen.
Therapeutisch heeft de zwavel een duidelijke relatie met alle stofwisselings- en ontstekingspro­cessen. Daardoor is hij een belangrijk medicament in handen van de ervaren arts.

(Ekkehard Wagner, apotheker, Weledaberichten,nr. 147, maart 1989;  nr.158, december 1992,)

Michaël meteoorijzer 1

Meteoorijzer (Ferrum sidereum)
is een materie van kosmische oorsprong die voortdurend als een heel fijne regen op de aarde neerdaalt. De meeste meteorieten verbranden bij het binnentre­den van de aarde-atmosfeer en slechts zelden vindt men op de aarde een groot stuk. In de oudheid werd het zeer harde en bijzonder taaie ijzer hoog gewaardeerd. De grote helden die voor onover­winlijk golden, smeedden hieruit hun zwaarden.

Wanneer men een stuk meteoorijzer slijpt, polijst en etst worden zeldzame structuren zichtbaar die voor dit kosmische ijzer typerend zijn, wat bij andere metalen niet het geval is.

(Weledaberichten, nr.139, sept.1986)

.

Michaël: alle artikelen

.
Jaarfeesten: alle artikelen
.

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

259-244

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-5)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES: woud en woestenij

Het woud
Wie een bos in gaat wordt onmiddellijk door een heel bijzondere sfeer geboeid. De schemerige lucht die in het groene halfdonker en donker overgaat, het zachte gefluister en geruis van de zich bewegende bomen – ademend leven is het bos, een getuige van alle leven, zelfs de afgestorven naalden en bladeren onder je voet. Maar wel geheimzinnig leven, want de bomen versperren je zoekende blik en je kunt makkelijk verdwalen.

Ook wanneer er over ’t algemeen genomen geen wilde dieren meer huizen en geen rovers meer vanuit de struiken tevoorschijn springen, dan nog blijft er een lichte vrees bij ons achter. Het is voor ons zo, dat in het bos alles mogelijk is, geheimzinnig en duister.

De naam bos – het Duits heeft hier ‘Wald’ wijst daar al op. Vroeger lag aan de andere kant van de beschermwal die de alleenstaande hofstede omgaf, de ‘wal’-ding (Wal-dung). Het was het onbeschermde land waar alles mogelijk was: het gevaar van wilde dieren en mensen, maar ook een veilige beschutting wanneer je achtervolgd werd. De wijze zieneres leefde in het woud en de kluizenaar die raad gaf. Wie het juiste pad niet kende, kon verdwalen en liep eindeloos.

Wanneer de mens zich uit het rijk van het bekende in het onbekende moet begeven, wanneer hij zich voor nieuwe opgaven gesteld ziet, nieuwe wegen moet vinden, misschien op weg naar een nog onbekend doel, komt makkelijk in dat zielengebied, dat zielenlandschap dat in het sprookje ‘woud’ heet. Het is de wereld van het onbestemde in hem waar hij moedig door heen moet. Hij vindt misschien lange tijd geen ‘uitweg’ en moet aan allerlei gevaar het hoofd bieden. Want in deze toestand doen zich graag bepaalde driften gelden. De mens moet de natuurlijke wijsheid ervan leren begrijpen, zoals domme Hans de bonte kat in het het bos begrijpt. Maar hij moet ook opletten, dat wilde driften hem niet gaan beheersen, dat hij, net zoals in het mooie sprookje van de twee broers tot jager wordt en tot heer over de dieren.

Maar ook de vegetatieve krachten van het lichaam kunnen beeld zijn van het woud.
Wanneer kinderen bv. geplaagd worden door dromen over een bos, waar ze steeds verkeerd lopen (natuurlijk kan er ook een uiterlijke oorzaak zijn, dat moet je onderzoeken) dan dringt zich de groei- en levenskracht te sterk op aan het bewustzijn. Zo’n kind moet bepaalde opdrachten krijgen, het moet leren te durven en in zijn innerlijke houding sterker worden, het heeft de weg en het doel nodig.
Hieruit kunnen we begrijpen wat het betekent wanneer de arme houthakker onder invloed van de boze stiefmoeder zijn kinderen het bos in stuurt. ‘De arme houthakker’  is het beeld van die mens die iets levends omhakt en het laat sterven.

Goethe zegt: ‘Grauw, goede vriend, is alle theorie, maar groen de gouden boom van het leven.’

Wie niet meer met het uitbundig groeiende leven, vol wijsheid te maken heeft, maar met te veel grauwe theorie, diens denken verschrompelt. Wat hij produceert is dor. Theoretici analyseren graag, ze ‘kloven’ en maken kleiner. De taal zegt: ‘Ze maken er hakhout/splinters van’. Weliswaar moet dit ook geleerd worden en is op vele levensgebieden nodig, daarom schetsen de sprookjes het houthakken ook van een positieve kant. Maar wanneer de mens enkel en alleen houthakker is – een arme houthakker zoals in Hans en Grietje -, dan levert hij de jeugdkrachten van zijn wezen, het actieve mannelijke willen – Hans genaamd – en het meevoelende van de vrouwelijke ziel – Grietje genaamd – uit aan het woud. En ze komen dan pas weer uit het woud terug, als ze hebben leren kennen dat het zoete brood van de heks niet het echte brood van het leven is en na dat het boze vernietigd is. Maar ook hier moet lering uit worden getrokken. Wie de situaties die in een woud zich voordoen uit verschillende sprookjes bekijkt, kan meteen dit beeld begrijpen. Dan ziet hij ook in dat de graalsburcht in onze grote sagen door een woud omringd is en dat ook Dante in zijn goddelijke komedie de overgang naar de andere wereld in het beeld van het woud schetst.

De woestenij in het sprookje.
Het Duits heeft ‘Wüste’ dat ook woestijn betekent.

‘Hij heeft zijn leven verwoest’, hij is een ‘woesteling’ geworden, en in mij is alles ‘woest en leeg’. Iedereen kent deze uitdrukkingen en weet wat daarmee bedoeld wordt. Wanneer al het leven in ons gestorven is, wanneer verlatenheid en eenzaamheid overheersen en elke scheppende kracht uitgeput is, dan bevinden we ons in de ‘woestenij. In deze woestenij moeten leven, kan door schuld zijn, maar ook door het lot.

In het Russische sprookje ‘Het water des levens’ trekken de drie zonen van de koning weg, om het levenswater voor hun zieke vader te zoeken. De oudste wil ‘de mensen zien en zelf gezien worden’. Ook trekt hij eropuit met vele soldaten. Het duurt niet lang of hij bevindt zich in ‘eenzame streken’ waar niets te zien is, behalve de hemel en de aarde. Wie het water des levens – de scheppende kracht van de ziel, de scheppende wijsheid – wil verkrijgen, mag geen ijdelheid in zijn hart meedragen en niet naar eer en roem verlangen. Boven alles moet hij een onzelfzuchtig Ik ontwikkelen, actief en strevend. Hij mag ook niet vertrouwen op strijdkracht en geweld gebruiken. Wie in het teken van de strijdt leeft, roept vijandige krachten in het leven en deze vijandigheid maakt ons bestaan leeg en ons tot eenzame mensen.

In het Russische sprookje ‘Johannes uit de erwt’ ligt het rijk van de gruwelijke draak tussen ‘bergen en zandsteppen’. Maar is de draak niet het beeld van die luciferische kracht die de mens weliswaar tot zelfstandigheid brengt, maar hem ook tot egoïsme en hoogmoed aanzet? Dit zijn echter de krachten die een liefdevolle verbinding van de mens met zijn medemens in de weg staan en de bodem van de ziel dor en onvruchtbaar maken. De koningszoon Johannes trekt door deze zandige steppen en bevrijdt zijn door de draak gevangen zuster. Hij neemt in zekere zin de woestenij op zich om daar het boze te overwinnen en de ziel te redden.

(Friedel Lenz, Der Elternbrief, nr.8, 1965)

.

Sprookjes: alle artikelen

.

Vertelstof: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL in beeldsprookjes

.

258-243

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (11)

.

HOE SPREEKT MICHAËL NU TOT ONS?

‘En er kwam oorlog in de hemel. Michaël en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen de draak; ook de draak en zijn engelen voerden oorlog, maar hij kon geen stand houden, en hun plaats werd in den hemel niet meer gevonden.’

‘En de grote draak werd op de aarde geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem.’ (Openb. 12:9.)

Gedurende het Michaëlsfeest vieren we de overwinning van de aartsengel Michaël op de draak. Door ons leven te verweven met dit gebeuren, kunnen wij een innerlijke kracht oproepen om het nieuwe jaargetijde met moed en ook met vreugde in te gaan. De uiterlijke warmte van de zomerzon zal ons steeds minder warmen en minder helpen, het gaat om de innerlijke zon.

Hoe moeten we ons echter in deze tijd een beeld van Michaël scheppen? Mogen we ons vastleggen aan de oude voorstellingen en beelden van Michaël zoals die eens in vroegere eeuwen gehanteerd werden? Wanneer wij ons een kant en klaar op een mens gelijkende voorstelling’ van hem maken, die ons met een zwaard de weg vrijmaakt van “ongedierte” dan zitten we mis, dan zal dit ons slechts afleiden van het elementaire van het werken van Michaël.

Op welke manier moeten we naar hem luisteren en hoe spreekt hij tot ons? Michaël zal zeker geen woorden influisteren, die ons uit onze herfstmelancholie zullen moeten halen.

Wie hier ontvankelijk en passief op zal wachten, zal eeuwig moeten wachten. Zijn taal moet onze wilsgezindheid zijn.

Nimmer zal Michaël gebieden. Nimmer zal hij bevelen. Hij laat ons onze eigen meester zijn, zowel ten goede als ten kwade. Als vrije mensen leert hij ons ons eigen lot in handen te nemen. Op onze eigen wens alleen wil hij ons helpen, onze levensgang te vormen en ieder heeft zelf te bepalen of hij al dan niet een dienaar van Michaël wil zijn. Wat men weet of al kan, is dan niet belangrijk. Belangrijk wordt dan wat men van binnen uit wil en wat men met offers, energie en volharding zich nieuw verwerft. Michaëlstijd is het feest van het wordende!

Ook in de ‘KALEWALA’, het Finse heldenepos, komt ditzelfde thema voor over de mens die zijn eigen lot in handen neemt. In de 9e rune wordt verteld hoe een oude man, die toverkracht bezit, de kracht heeft om het bloed te stelpen dat uit een wonde van de held Väinämöinen komt. Doordat Väinämöinen een jonkvrouw begeert, ontstaat er een vertroebe­ling in zijn bewustzijn. Hij ziet het verkeerde ervan niet in als hij werft om de jonkvrouw. Hij misbruikt zijn bijl dan; hij ontwijdt het ijzer om deze voor zijn begeerte te gebruiken, wanneer hij er een boot mee wil maken voor de jonkvrouw.
Als straf raakt de Godenzanger met de bijl zijn eigen scheenbeen en er ontstaat een diepe wond, waaruit het bloed (het IK) wegstroomt. De oude tovenaar kan hem helpen, maar zijn genezing kan slechts door eigen activiteit tot stand worden gebracht. Väinämöinen moet de biografie van het ijzer vertellen, waardoor er weer voor hem een bewustszijnsvorming optreedt. Daarna kan de oude man zalf op de wonde aanbrengen en zal het been weer genezen.

In het verhaal zelf wordt al aangeduid dat goede en kwade krachten hun invloed op het ijzer hebben.

Hetzelfde ijzer waaruit het zwaard van Michael gevormd is, waarmee hij de draak bestrijdt!!!

 

(E.Plessen, Vrijeschool Brabant, 09-1982)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

257-242

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-1-1)

.

Wanneer  op gezette tijden de mazelen weer eens uitbreken, ontstaat ook steevast de discussie over vaccineren.

Ik ben geen arts en voel mij niet geroepen hierover een oordeel te geven.

In mijn bewaarde artikelen vond ik er een over ‘mazelen’ uit 1988 van de hand van huisarts Arie Bos, bekend van o.a. zijn :Hoe de stof de geest kreeg‘ en ‘Mijn brein denkt niet, ik wel

Ik vroeg hem of hij nog achter zijn artikel stond en of ik het mocht publiceren.

Hij had daartegen geen bezwaar, maar voegde deze  opmerkingen toe waarvan ik de strekking als volgt weer geef:

Ouders van nu geven aan hun kinderen geen antistoffen meer mee. Daarmee is de situatie een andere geworden. Dokter Bos vindt vaccineren daardoor heel begrijpelijk en raadt het zeker niet af.

De reden dat ik hier zijn artikel en zijn opmerkingen plaats, ligt vooral in de opdracht die dokter Bos nu aan de pedagogie stelt:
‘de ontwikkeling van het kind moet nu van de pedagogie komen’.

Dit vraagt m.i. niet meer of minder om een nieuwe bezinning op de ontwikkeling van kinderen, in samenhang met mazelen of kinderziekten in het algemeen.
.

Arie Bos, Jonas 13, 19 februari 1988
.

ANGST VOOR MAZELEN
.

In de zomer van 1956 waarschuwde de akela van ons groepje welpen dat we niet te wild mochten spelen. We moesten vooral niet be­zweet raken, meende ze, want voor je het wist kon de kinderverlamming toeslaan. In mijn herinnering was het een prachtige zomer, zoals alle zomers in de jeugd, die in een on­kinderlijke rust moest worden doorge­bracht. Zwemmen was er zeker niet bij: het water borg het grootste gevaar in zich. Er werden dat jaar meer dan tweeduizend kin­deren ziek. In het jaar daarop gingen we op een dag met de hele klas naar het gebouwtje van de ggd waar we in een onafzienbare rij klaar stonden om in de arm te worden ge­prikt. Er was niemand op deze gereformeer­de school die zich niet liet vaccineren. Nooit eerder was er een polio-epidemie (kinderver­lamming) van een dergelijke omvang ge­weest. Een aantal kinderen had blijvende verlammingen overgehouden. We weten nu dat het poliovirus de paradoxa­le neiging heeft pas ziekte en verlammingen te veroorzaken wanneer de hygiëne in een land groter wordt. In landen waar een min­der hoge hygiënische standaard is, vormt verontreinigd water een alom tegenwoordig reservoir van poliovirussen. Ieder kind wordt al vroeg in zijn leven besmet, in een tijd dat het nog door van de moeder afkomstige afweerstoffen wordt beschermd. De antistof­fen die het daardoor ontwikkelt, bescher­men het weer tegen een eventuele latere be­smetting die dan in een milde vorm of vol strekt ongemerkt voorbij gaat. Epidemieën krijgen zo geen kans om te ontstaan omdat iedereen over afweerstoffen beschikt. Een heel andere situatie ontstaat wanneer door een grotere hygiëne het virus niet meer circuleert. Oudere kinderen die vrijwel geen afweerstoffen meer van hun moeder over hebben, zijn dan onbeschermd en kunnen erg ziek worden wanneer incidenteel de ziekte in de vorm van een epidemie toeslaat. Deze situatie bestond in onze streken voor het jaar 1957, toen een systematische inen­ting tegen polio myelitis op gang kwam. Al vrij snel was een percentage van 98 procent gevaccineerden bereikt, wat tot de dag van vandaag nog steeds het geval is. De hoop bestond dat de hoge vaccinatie­graad van de bevolking de verspreiding van het virus effectief zou voorkomen zodat ook de niet gevaccineerden onder de ‘vaccinatie­paraplu’ van de anderen zouden kunnen meeschuilen. Dat bleek niet het geval te zijn. In 1971 en in 1978 ontstond er in enkele streng gereformeerde gemeenschappen, waar om principiële reden niet wordt in­geënt, een polio-epidemie die relatief veel verlammingsslachtoffers eiste. Het lijkt er al­dus op dat naarmate een bevolking door vac­cinatie beter is beschermd tegen een ziekte, de ongevaccineerden door het ontbreken van antistoffen een groter risico lopen om de ziekte op volle sterkte te moeten doormaken.

Zes sterfgevallen

Het is indertijd een geniale gedachte geweest van Edward Jenner, de dokter uit Berkely in Engeland die omstreeks 1798 de vaccinatie uitvond, en een goed voorbeeld van een vruchtbare samenwerking die het waarne­men met het denken kan aangaan, wanneer niet uitsluitend bij een esthetische ontroe­ring wordt stilgestaan. Jenner vroeg zich na­melijk af waarom hij boerenmeisjes aantrek­kelijker vond dan burger- of adellijke meis­jes. Dat kwam omdat de eersten in tegenstel­ling tot de laatsten meestal over gave gezichtjes beschikten. De pokken, destijds een alge­mene (kinder)ziekte, hadden bij de anderen dikwijls een extra reliëf in het gezicht achter­gelaten. Een boerin wees Jenner er op dat de boerenmeisjes wel pokkenlittekens op hun handen hadden die ze hadden overgenomen van de uiers van de door hen gemolken koeien. Dat waren de zogenaamde koepok­ken. Jenner begreep dat de relatief onschul­dige koepokken (vaccinia, van vacca is koe) beschermden tegen kinderpokken. Daar­mee is de term vaccinatie ontstaan. Het kwam echter voor dat na inenting ie­mand toch over het gehele lijf koepokken kreeg. Al waren het dan in dit geval koepok­ken, de gevolgen waren niet minder ernstig. Een vergelijkbaar probleem kan zich nog steeds voordoen wanneer met een levend maar verzwakt virus wordt gevaccineerd, zo­als bij voorbeeld via het ‘suikerklontje’ tegen polio. Zo’n verzwakt virus kan zich toch, wel­iswaar langzaam, vermenigvuldigen, weer uitgescheiden worden en sterker besmette­lijk zijn dan in zijn oorspronkelijke, afge­zwakte vorm. In Nederland gebruikt men daarom tegen polio liever het met formaline gedode virus.

Ook nu nog leveren sommige inentingen problemen op, zoals de dktp-prik, vooral door de kinkhoesttoxinen, en de mazelenprik met het afgezwakt maar levend virus. (dktp is: difterie, kinkhoest, tetanus en po­lio). In 1986 werden zes sterfgevallen van kin­deren na vaccinatie gemeld aan het Rijksin­stituut voor Volksgezondheid en Milieuhy­giëne (rivm). Vijf gevallen betroffen van te voren niet-zieke kinderen, van wie vier na een dktp-enting overleden en het vijfde na een mazelenvaccinatie. Het zesde kind leed aan een ernstig hartgebrek. Een verband tussen vaccinatie en overlijden kon niet wor­den bewezen omdat geen sectie werd ver­richt; zij werden als ‘wiegedood’ geduid. In hetzelfde jaar werd twee maal een hersen­vliesontsteking gemeld — één maal na een mazelenprik en één maal na een dktp-inenting — en verder nog tweeënveertig andere ernstige bijwerkingen van een van beide vac­cinaties. De melding is vrijwillig, zodat vol gens het rivm moet worden aangenomen dat lang niet alle gevallen bekend worden. Dat dit soort bijwerkingen voorkomen, is al­gemeen bekend in de medische wereld en heeft, hoezeer het ook ernstig moet worden genomen, nooit geleid tot een door kranten en televisie aangewakkerde angstgolf. Wat kan er dan de reden van zijn dat bij de laatste mazelenepidemie breeduit de publiciteit is gezocht? De aanleiding werd gevormd door het overlijden van een zesjarig jongetje en een week later een vijfjarig meisje aan, zo werd bericht, een complicatie van mazelen. Het is opmerkelijk dat nooit is bekend ge­maakt aan welke complicaties de kinderen zijn overleden en of er nog andere omstan­digheden hierbij een rol hebben gespeeld. Het is namelijk al jaren bekend dat bij de zeldzame gevallen van overlijden na maze­len vrijwel altijd sprake is van een vooraf­gaand lijden, zoals bij voorbeeld een hartge­brek of mongolisme. De longontsteking als complicatie is in het algemeen goed te be­handelen.

Indringer

Nederland beroemt zich er op met 95 pro­cent tot de landen met het hoogste percenta­ge ingeënten te behoren. De volkswoede naar aanleiding van de sterfgevallen richtte zich dan ook gemakkelijk op de overblijven­de vijf procent. Opvallend is dat deze volks­woede werd aangewakkerd en verwoord door enkele hoogleraren. De hoogleraar ge­zondheidsrecht Roscam Abbing uit Maas­tricht meent dat ouders die hun kinderen niet tegen mazelen laten inenten uit de ou­derlijke macht moeten worden ontzet. Professor Dupuis, hoogleraar ethiek te Leiden, die vaker blijk geeft van een zekere hang naar dwangmaatregelen, vindt dat inenten ver­plicht moet worden. En Professor Huisman, sociaal geneeskundige te Rotterdam, be­weert zelfs dat een derde van de kinderen die de mazelen hebben gehad daar psychische schade van overhoudt of spasticiteit! Het lijkt een duidelijke zaak: de twee sterfgeval­len die het gevolg zouden zijn van een tot voor kort onschuldige kinderziekte, zijn de schuld van de ouders die hun kind geen ma­zelenvaccinatie hebben gegund. De zaken liggen echter iets genuanceerder. Vroeger kwamen complicaties bij mazelen in de westerse wereld maar zelden voor. De enige ernstige complicatie die moet worden gevreesd, is de encefalitis, immers de long­ontsteking is goed te behandelen. In het be­gin van de jaren zestig gold bij voorbeeld in Duitsland een getal van 1:14500 gevallen van mazelen waarbij encefalitis als complicatie van mazelen optrad. Er wordt aangenomen dat vijftien procent van de kinderen met en­cefalitis overlijdt. Inmiddels, sinds de vacci­naties, geldt een getal van 1:1000 a 1:2000. Het is overigens de vraag of dit ernstiger ver­loop alleen te wijten is aan het gebrek aan an­tistoffen bij de niet gevaccineerden, of dat ook de behandeling van de ziekte er een rol in speelt.

Een onderzoek van de Haarlemse arts B. Witsenburg in Afrika, waar mazelen een ernstiger verloop heeft dan in Europa, liet zien dat overlijden aan complicaties bij ma­zelen statistisch beduidend vaker voorkomt bij kinderen die koortswerende middelen krijgen. Dat is ook te verwachten, want koorts is een van de manieren waarop het li­chaam zich tegen een dergelijke indringer verweert.

Mazelen vormde eigenlijk nooit een pro­bleem. Het was een ziekte die je gehad moest hebben en die ook vrijwel iedereen van bo­ven de vijftien jaar heeft doorgemaakt. Het betekende een paar dagen ziek thuis blijven met koorts, hoesten en rode vlekken op ge­zicht en lijf, vertroeteld worden door je moe­der en weer beter worden. En beter worden kon je heel letterlijk nemen. Je moeder vond dat je veranderd was en dat vond je zelf ook. Je armen staken verder uit je mouwen en broekspijpen, je keek anders uit je ogen, je was minder kind en meer mens geworden. Hoge koorts betekent een inspanning voor het lichaam; er moet tenslotte een ziekte worden overwonnen. Iedereen weet dat je door inspanning sterker wordt. Dat geldt ook voor het afweersysteem. Nu de kinderziekten al bijna volledig zijn uitgeroeid, overspoelt een grote golf van ver­kouden, hoestende en benauwde kindertjes het spreekuur van de huisarts. Vooral huid­- en luchtwegproblemen — de gebieden waar de klassieke kinderziekten de strijd laten af­spelen — nemen bij kleine kinderen enorm toe. Een ‘kinkhoest’ die vaak serologisch (wat betreft antistoffen) niet tot de echte kinkhoest is te herleiden en ook ‘vlekjesziekten’, die lijken op de klassieke kinderziekten maar het niet zijn, vormen een vrijwel dage­lijks beeld. Het lijkt wel of een kind niet zon­der kinderziekten kan. Het belang van het doormaken van kinder­ziekten wordt vanuit de antroposofische ge­neeskunde als volgt verduidelijkt. In het kort gezegd komt het er op neer dat een mens als geestelijk wezen zijn ouders heeft uitgezocht om een lichaam voor hem te vormen. Dat ge­boren lichaam heeft echter aanvankelijk meer de kwaliteiten en eigenschappen van de ouders dan van het kind dat er in woont. Het lichaam moet worden omgebouwd om eigen te kunnen worden. Daarvoor moet grote kracht worden gemobiliseerd. Koorts bij voorbeeld. Alle kinderziekten hebben een eigen terrein waar ze ‘verbouwingswerk­zaamheden’ mogelijk maken: de huid, de luchtwegen, de slijmvliezen en het zenuw­weefsel. Na roodvonk, dat met langdurige hoge koorts gepaard gaat, vervelt een kind zelfs en komt als nieuw weer te voorschijn. In het medisch tijdschrift The Lancet van 5 januari 1985 is een artikel verschenen waarin de resultaten van een veertig jaar durend on­derzoek naar de gevolgen van mazelen wer­den gepubliceerd. Er bleek een statistisch significant verband te bestaan tussen het niet doorgemaakt hebben van mazelen en het op latere leeftijd ontstaan van immuniteitsziek-ten, bot- en kraakbeenziekten en tumoren. Het rivm heeft het op zich genomen om be­halve de ernstige ziekten difterie, tetanus en polio en de niet zo ernstige kinkhoest, ook de voor kinderen onschuldige bof, rode hond en mazelen weg te vaccineren. Dit is voor veel, vooral antroposofische ouders, die om nog weer andere overwegingen dan streng gereformeerde ouders kinderziekten positief waarderen, geen reden om zich te laten wijs­maken dat deze ziekten uiterst gevaarlijk zijn. Ze zijn hoogstens erg lastig. Wanneer door het hoge vaccinatiepercenta­ge en de daardoor ontstane afwezigheid van afweerstoffen, mazelen in de toekomst een gevaarlijke ziekte zou worden, zal dat voor veel antroposofische ouders een nieuw ele­ment betekenen in de overweging wel of niet te vaccineren. Ze zijn dan wel gedwongen te­gelijkertijd tegen de bof en de rode hond te laten enten. Of deze ‘vooruitgang’ ook een verbetering van de gezondheidstoestand van de Nederlandse bevolking zal betekenen, is echter de vraag.

Het lijkt meer zo te zijn dat de vaccinatiepa­raplu waaronder ook de niet gevaccineerden kunnen schuilen, het karakter van een sterie­le broeikas gaat aannemen waarin kwetsba­re plantjes opgroeien. Zo schept de techno­logische gezondheidszorg zijn eigen proble­men.

.

JAAP V/D WEG  IN TROUW, 08-08-2013

Het geloof in reïncarnatie* speelt ook een rol in de beslissing om kinderen niet in te enten, schrijft Jaap van de Weg.

Ieder mens leeft vanuit een be­paald mens- en wereldbeeld. De uitbraak van mazelen, doordat er mensen zijn die hun kind niet inenten, heeft duidelijk gemaakt hoe moei­lijk het is voor de ene groep om de andere te begrijpen. De reac­ties op de uitbraak zijn divers, vaak emotioneel en veroordelend. Die
di­versiteit wordt gevormd door drie verschillende mens- en wereldbeel­den waarnaar mensen leven.

Het eerste is het mens- en wereld­beeld in de sfeer van de orthodox protestant christelijke georiënteerde bevolking. Overwegingen om niet te vaccineren: God heeft de mens ge­schapen en beschikt over wat er met het leven gebeurt. Zij aanvaarden Gods wilsbeschikking. Zijn wijsheid is van een hogere orde dan de mens kan overzien. Uit eerbied wordt deze sturing aanvaard.

Het tweede mens- en wereldbeeld is dat van antroposofen. Antroposo­fie is een geesteswetenschap, waarin wetenschappelijke methoden ge­bruikt worden om het onzichtbare te onderzoeken. Dat is ruimer dan ‘an­troposofie is de leer van Rudolf Steiner’. Overwegingen om niet te vacci­neren: het leven op aarde is een ervaringsweg die op ontwikkeling is gericht. In die ontwikkeling is alles van belang, ook ziekte. Na het leven op aarde volgt een evaluatie van dat leven in de geestelijke wereld, om la­ter met een nieuw levensplan een nieuw aardeleven aan te gaan.

Vanuit een dergelijke visie wordt ge­nuanceerd gekeken naar wat voor ri­sico aanvaard wordt voor het leven, en wat niet.

Het derde mens- en wereldbeeld voert nu de boventoon, al wordt dat zelden expliciet genoemd en be­schreven. Het is het geloof in de vrije markteconomie. Ik noem het een ‘geloof omdat er nergens bewezen is dat dit de beste manier van samen­leven is. We hebben er vertrouwen in en leven ermee. We nemen de voor- en de nadelen. Ook dit geloof heeft consequenties voor ziekte en gezondheid. De markt is open, alles mag aangeboden worden. Het is nor­maal dat in de supermarkt veel uitgestald ligt waarvan bekend is dat het ongezond is. Niet omdat er een primaire vraag was, maar omdat de markt moet groeien. De consequen­ties: kinderen die te dik worden, dia­betes, hart- en vaatziekten.

Ouders die hun kinderen de maze­len laten ondergaan, krijgen kritiek dat dit kindermishandeling is. Is het dan ook geen kindermishandeling om kinderen te dik te laten worden? Als inenten verplicht wordt, verbied dan ook ongezonde voedingsmidde­len. Maar dat is geen optie, vanwege het geloof in de vrije markt.

In het spanningsveld tussen de ver­schillende mensbeelden zie je dat bij antroposofisch geïnspireerde men­sen de nadruk op gezonde voeding groot is en er minder problemen met zaken als obesitas zijn.

Strijdpunt

Een tweede aspect van het algemene hedendaagse geloof is dat je maar één keer leeft, en dus: geniet daar­van. Ook dit is een strijdpunt tussen mensbeelden. Het maakt nogal ver­schil of je leeft vanuit het beeld dat er meerdere levens zijn en dat je met de consequenties van je leven, zowel positief en negatief, verbonden blijft. De vraag of er meerdere levens zijn, is gedelegeerd naar de religie, of wordt gezien als een persoonlijke en subjectieve zaak. Wetenschappelijk gezien kun je echter ook stellen dat het hier ook om feiten gaat. Maar hoe onderzoek je die feiten?

Op de achtergrond van de mazelen­epidemie zie ik een tipje van de
te­genstrijdigheid die er tussen verschil­lende mens- en wereldbeelden bestaat. Als ieder mens vanuit een bepaald mensbeeld leeft, kunnen we daar ruimte voor maken en daarin de ontmoeting met elkaar aangaan?

(Jaap van de Weg, arts en antroposoof)

*dat zegt v.d. Weg in dit artikel NIET

Over mazelen en andere uitdagingen

antroposofie en wetenschap

ik en reïncarnatie

.

256-241

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (9)

.

MICHAËL

Aarde en mensheid

Bij engelen denken we in de eerste plaats aan hogere wezens, die in hogere werelden verblij­ven. Engelen zijn in de hemel. De hemel is ver weg en een hemel op aarde is een uitzon­dering voor korte tijd, of een toekomstbeeld. Wat stellen we ons eigenlijk voor als we over de engel Michaël spreken? We vieren zijn feest in de herfst en dus heeft hij misschien iets met de herfst te maken? We zien dat in be­paalde eeuwen hele reeksen Michaëlkerken en – kapellen worden gesticht. Bijzonder zijn daarbij de vele Michaëlkapellen, die altijd in een westelijk deel van de kerk op een balkon zijn gebouwd. Toeval? Of hebben bepaalde historische tijdperken meer met Michaël te maken dan andere? Heeft Michaël iets te ma­ken met het westen? En voor alles denken we aan het bekende beeld van Michaël in de strijd met de draak. Wat is die draak en wie is de prinses die bevrijd moet worden door de ridder Joris, die in dienst van Michaël strijdt? Allemaal vragen die niet gemakkelijk te beantwoorden zijn. Maar we kunnen be­ginnen naar een antwoord toe te werken, om inzicht te krijgen in het wezen van Michaël, de aartsengel. Voor menigeen, die nog wel een algemeen goddelijk wezen kan beleven, begint hier een moeilijkheid: er is dus niet slechts één God; bij hem zijn nog andere wezens, die een goddelijk karakter hebben. Bovendien heerst onder die wezens onder­scheid in rang en status. Beginnen we – om een begrip van engelen te krijgen – bij het enige waar een modern mens beginnen kan, bij ons zelf. We zien vaak dat in de levensloop dingen gebeuren die be­langrijke gevolgen voor het verdere leven hebben en waarvan het ‘waarom’ eerst dui­delijk wordt op latere leeftijd. Deze gebeur­tenissen zijn vaak niet bewust gewild, maar passen toch in een lijn of ritme van de ge­hele biografie. Het kan bijvoorbeeld zo zijn, dat een vader voor zijn zoon een studie of beroepsopleiding wenst, die eigenlijk hele­maal niet bij hem past, maar die later vrucht­baar of noodzakelijk blijkt te zijn voor zijn wordingsgang. Zo besliste een eenvoudig spoorwegbeambte, dat zijn zoon meer moest worden bij het spoor dan hij zelf bereikt had. Hij maakte het mogelijk dat de zoon voor in­genieur werd opgeleid. Zo ging de jongen eerst naar een middelbare school met wiskunde-opleiding en daarna naar de Techni­sche Hogeschool. Daar ontmoette deze jon­geman – zijn naam was Rudolf Steiner – pro­fessor Schröer, die zijn belangstelling voor Goethe wekte. Hoe zou de antroposofie van­daag in de wereld hebben gestaan, wanneer Rudolf Steiner geen natuurwetenschappelij­ke vorming zou hebben gehad?

Een andere jongeman wordt door aanleg en de aandrang van een muziekleraar naar het beroepsmatige uitoefenen van muziek gedreven. Op de och­tend van de dag, waarop hij voorspelen zal op het conservatorium, valt hij op school uit de ringen en krijgt een hersenschudding, die hem verhindert muziek te maken voor een langere tijd. Zijn latere beroepsleven toont duidelijk aan dat hij geen musicus had moe­ten worden.

Zo kan vrijwel iedereen in zijn leven draden vinden, bijvoorbeeld ook in de ontmoetingen met mensen, die duidelijk doorlopen in de biografie, maar waarvan hij niet kan zeggen, dat hij deze ontmoetingen heeft gewild. Het kan bijvoorbeeld zo zijn, dat iemand zó lang zijn hoofd stoot op bepaalde punten tot hij zijn les heeft geleerd en dan houdt dit soort tegenslagen op. ‘Het is alsof de duvel er mee speelt’. Ja, waarschijnlijk speelt er iemand mee, maar is het de duvel of misschien een genadige geest, die ons helpen wil ons leven op de juiste wijze te vormen?  *

Een zeer bijzonder karakter hebben in dit opzicht de gebeurtenissen rondom geboorte en dood. Wanneer men leert erop te letten welke mensen er in het leven van een wor­dende moeder komen gedurende de tijd van verwachting en leert zien hoe dat samen­hangt met het latere leven van het kind dat geboren wordt, kan men vaak zien dat er achter de schermen een duidelijke ‘leiding’ is. Dit gaat vaak nog enkele jaren door in het leven van het kind. Hoeveel ouders hebben beslissende stappen gedaan onder invloed van mensen en gebeurtenissen die in hun le­ven kwamen door hun kinderen? Wanneer we naar de andere pool zien, komt het vaak voor dat een mens kort voor het sterven nog iets beleven moet dat belangrijk is voor zijn verdere ontwikkeling. Een vrouw wordt kunstmatig met zuurstof in het leven
gehou­den. Waarom eigenlijk? Ze was welvarend en had de gewoonte veel geld te geven voor lief­dadige doeleinden. Op zichzelf iets goeds, maar bij haar was het de basis voor haar zelf­bewustzijn. De echtgenoot ging failliet; het geven van geld was niet meer mogelijk. In de laatste twee jaren van haar leven, terwijl ze kunstmatig met zuurstof in het leven werd gehouden, leerde ze op een andere wijze ge­ven en ze leerde te ontvangen, afhankelijk te moeten zijn, dank-je-wel te moeten zeggen. Was daarvoor dat faillissement nodig? Dat is teveel gezegd, maar het was het middel er­toe. – Een ander had een leven lang alles nauwkeurig geregeld en zelf beslist. Het ster­ven kwam en op het moment dat iedereen het verwachtte en ook hijzelf er voor klaar was (‘zo, nu wil ik heengaan’) gebeurde het niet en het leven hield nog enige tijd stand.

Deze mens leerde dat men niet alles kan re­gelen en beslissen.

Deze dingen bewijzen niets, maar de mens die ervoor wakker is kan de vleugelslag voe­len van een wezen dat men als het hogere zelf kan beleven. Men kan dat ook de engel noemen, omdat het niet identiek is met wat we in ons wakker bewustzijn als onszelf be­leven, alhoewel het er wel mee verwant is. Nog een enkel ander gebied kan hier worden aangeduid. Vaak kunnen we in slapeloze nachten iets beleven, dat een oordeel lijkt te zijn over gedachten en daden van onszelf, die we in het morele dagbewustzijn anders be­oordelen. Wanneer we dat oordeel niet uit de weg gaan, maar er van aangezicht tot aan­gezicht tegenover willen staan, slapen we in en na een korte slaap worden we verfrist weer wakker, alsof we een hele nacht gesla­pen hebben. Zo kun je de aanraking van een engel beleven.

Het Oude Testament vertelt het verhaal van Jakob, die op het punt staat zijn broer, die hem wel iets te verwijten heeft, na eenen­twintig jaren opnieuw te ontmoeten. Hij blijft die nacht aan de grens alleen, gescheiden van gezin en bezit. Hij droomt dat een engel met hem strijdt. Als hij ontwaakt is hij een ander geworden en draagt vanaf dat moment een andere naam. Dat wil zeggen dat hij iets meer diegene is geworden, die hij worden moest.

Zo kun je beleven dat het lot van een mens geleid wordt door een hoger wezen, ook al kunnen tegelijkertijd de meeste van deze be­levenissen ‘verklaard’ worden binnen de zintuigelijk waarneembare wereld. Het één sluit het andere niet uit.

Ook groepen van mensen kennen gemeen­schappelijke ervaringen, die de biografie van zo’n groep bepalen, zelfs in wisselende sa­menstelling. De redactie van Jonas is bijvoor­beeld zo’n groep. Wie tien jaar lang de ont­wikkeling van Jonas mocht volgen, ziet dui­delijk de lijn die de redactie zelf aangeeft in haar ‘Concreet’ van het eerste nummer van de elfde jaargang. Het ‘opstaan van de ware Jonas’ is ‘geen eenvoudige klus’. Nee, dat is het werkelijk niet.
De oudtestamentische Jonas beleefde het dan ook niet als een klus, maar als een werk van hogere machten. Wan­neer de redactie van een klus spreekt, drukt ze daarmee uit dat de leiding, die de oude Jonas beleefde, in onze tijd steeds meer be­geleiding wordt van wat we zelf doen. Veel van wat de redactie als ‘per definitie willend orgaan’ tot stand heeft gebracht is bewust gewild en gekund. Maar hoeveel is er achter de schermen gebeurd bijvoorbeeld in de vorm van mensen die ‘toevallig’ de redactie kwamen versterken (of misschien ook wel eens uit de koers brachten)?
Groepen, volken en staten zijn altijd uit mensen samengesteld. In een kleine groep kan men waarnemen hoe de levensloop van een enkeling de biografie van een groep sterk kan bepalen, maar hoe de groep toch ook zijn eigen lot heeft. Dat wordt met name duidelijk wanneer de enkelingen niet steeds dezelfden zijn. In grotere samenhangen lijkt vaak het lot van de groep, van het volk meer bepalend te zijn voor het lot van de enkeling. Maar wanneer men de biografie van een aan­tal enkelingen ziet, kan men vaak zien hoe de wisselwerking is.
Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog werd in Europa het lot van Joodse mensen bepaald door factoren uit het geheel van de Europese situatie, maar het paste bij alle overeenkomstigheid toch individueel in het leven van iedere Joodse mens anders.
Hetzelfde kan men zeggen van de groepen en mensen die in Duitse of in
Ja­panse kampen gezeten hebben. In de biogra­fie van Janus Korczak, die een stralende en zingende kinderschaar naar de gaskamers voerde, liggen heel andere elementen dan in het afgevoerd worden van vele anderen. Een oude Joodse vrouw, die steeds onrustig was, werd rustig op de ochtend dat ze werd opge­haald. Had ze haar bestemming bereikt?
En toch is er tegelijk het lot van de tijd waar­in men leeft, en het volk waarvan men deel uitmaakt. Grote raadsels doen zich daar aan ons voor. Het Duitse volk werd in twee we­reldoorlogen verslagen. Het staat er economisch beter voor dan de overwinnaars! Het is goed zoiets eens onbevooroordeeld te overdenken. Dan kan men zich tevens afvra­gen of dit volk van Goethe en Schiller (en van de antroposofie) niet nog een heel ande­re taak heeft, die het als geheel helemaal niet ziet. In het niet zien van zijn werkelijke taak zou de economie wel eens een belemmeren­de factor kunnen zijn. Toch zijn in Duits­land de meeste mensen te vinden die Rudolf Steiner hebben onderkend. Hier staan we voor het karakter van een volk, waarvan vele individuen een sterke drang ontwikkelen geestelijke realiteiten te zien, en die ook te willen laten doorwerken in het maatschappe­lijke leven. Maar tevens ontwikkelen zich in dit volk het sterkst de krachten, die alle heil van uiterlijke maatregelen verwachten. Be­ginnen we hier iets te vermoeden van Michaël en de draak?

In elk geval kan ons het volgende duidelijk worden. Zoals er grote verschillen zijn in de biografieën van enkelingen, juist daar waar het gaat om wat men niet zelf bewust gewild heeft, maar waar toch een lijn in zit, zo zijn er eveneens grote verschillen in de biografieën van groepen, volken en opeenvolgende tijd­perken. Je kunt bijvoorbeeld zien dat het vanaf de vijftiende tot de negentiende eeuw van groot belang wordt van wie men afstamt. Het erfelijke koningschap komt op. In de middeleeuwen en in de antieke oudheid speelt dat eigenlijk geen rol. Ook de nationaliteit is in het middeleeuwse Europa niet be­langrijk. Het ‘Heilige Roomse Rijk der Duit­se natie’ was in de eerste plaats Romeins. De keizers werden gekozen. Na de middeleeu­wen valt de nadruk op de nationaliteit. In onze tijd treden heel andere krachten op. Na de blunder van Wilson in 1918 – 1919 om Europa te ordenen naar nationaliteiten, gaat de ontwikkeling gewoon een andere weg. Er ontstaan wereldbeschouwelijke- en belangenblokken, die met de nationaliteit niet veel te maken hebben. Hier werken vooral economische theorieën en maatstaven. Europa wordt geordend naar de maatstaven van uiterlijke bestaansbehoeften en intellectueel uitgedach­te ideologieën die behoren tot de wereld van de draak, die het tere zielenleven van de maagd helemaal verslinden wil. Wat zich
spi­ritueel in de zielen wil ontwikkelen wordt voortdurend bedreigd door de gepantserde machten van economische en politieke noodzakelijkheid.

Maar ook andere krachten worden in onze tijd duidelijk. Uit onbevredigdheid en angst wanneer men vaak alleen de draak nog maar in de verte waarneemt, komt de behoefte naar een spiritueel leven. Dat dit in hoofd­zaak gezocht wordt in stromingen die uit het verleden komen en opgepoetst worden aan­geboden aan zielen die eigenlijk wat anders zoeken, is weer een manoeuvre van de draak die volgens het beeld van de Openbaring van Johannes twee zijden heeft: de verleidende, naar grootheid, glans en macht strevende Diabolos-Lucifer en de verhardende Satan-Ahriman, die op alles een stempel wil druk­ken vóór het mag functioneren. Naast deze behoefte aan het spirituele leven, komt de behoefte mensen te leren kennen. Niet langer is belangrijk wat iemand zegt, maar wie het is die iets zegt. Wie ben jij als mens, zonder je beroep, je afstamming, zon­der je titels? Dit vormt een wonderlijke te­genstelling met de bewondering voor de vele mooie titels van mensen als Bhagwan. Al zulk soort mooie namen zijn eigenlijk titels. Deze zelfde behoefte om als mens de andere mens te ontmoeten, leidt ook tot de vele en verre reizen. Ook hier steekt de draak de kop op in de protserigheid van het steeds verder en steeds duurder, in de verharding van het alleen maar zintuiglijke waarnemen, of in het helemaal niet meer waarnemen door de veel­heid en onbegrijpelijkheid van de indrukken. Maar de impuls zelf is een uiting van een nieuwe tijdgeest: het komt niet meer aan op de natie, maar op de mensheid als geheel en op de enkeling.

Nog een ander kenmerk van onze tijd is de waarde die gehecht wordt aan het eigen oor­deel, de inspraak in de dingen waarin men in­geschakeld is. De voorafgaande eeuwen leef­den uit de autoriteit, eerst die van de kerk, daarna die van de bijbel en weer later die van de wetenschap. Al deze autoriteiten vallen weg, de enkeling wordt op zichzelf teruggestoten. Is hij sterk genoeg om alleen te kun­nen staan of zoekt hij nieuwe autoriteiten in Poona of Dornach? Tot het veertiende jaar heeft een kind autoriteit nodig om later zelf­standig te kunnen zijn. De ene gestalte van de draak heeft bewerkt dat men kinderen au­toriteitsloos ging opvoeden, zodat ze later te zwak waren en autoriteit zochten waar ze zelf moeten oordelen. Daarmee heeft de tweede gestalte van de draak ze in de tang. Maar ook weer hier: de vorming van een zelf­standig Ik, dat zijn eigen autoriteit is, is de ware drang van onze tijdgeest. Een laatste punt: in de middeleeuwen werd de aarde zo gebruikt, dat er een
vanzelfspre­kend evenwicht was. In dezelfde tijd waarin het nationalisme hoogtij gaat vieren, begint steeds sterker de uitbuiting van de aarde. Steeds sterker wordt nu de roep om bescher­ming van het milieu. Ook dat is een kant van de eigen verantwoordelijkheid van de enke­ling. Deze verantwoordelijkheid kan alleen worden uitgeoefend in gemeenschap met an­deren. Deze gemeenschappen zijn enerzijds regionaal, anderzijds naar alle kanten toe grensoverschrijdend. Alleen mensheidsbewustzijn kan hier helpen. Maar niet alleen dat: de enkeling moet bereid zijn offers te brengen. De draak van de techniek maakt ons duidelijk dat zoiets niet eenvoudig is. Valse bescheidenheid zegt: wat ik doe is zo weinig in het geheel, dat het geen rol speelt. Vals ontzag voor de draak zegt: we kunnen de klok niet terugdraaien. En beide hebben nog gelijk ook. Mogelijk is echter individuele inspanning voor gezamenlijk werk; het zien van de eigen bescheiden plaats in het ge­heel en het innemen en vullen ervan. Dit alles is herfststemming: de bloei is voor­bij, een slechte zomer gaf ons vele rotte cul­tuurvruchten. Menselijke krachten zijn nodig. De mens is het enige wezen dat uit slechte vruchten nog een toekomst kan vormen door inventiviteit, geloof in innerlijke kracht en innerlijk licht. Het westen is de richting van de ondergang, van de zon, van de verharding in taal en techniek. Het is ook de richting van het zelfbewustzijn van eigen kunnen. Om dit eigen kunnen in de juiste wijze te ge­bruiken voor de geestelijke groei van de mensheid, hebben we inzicht nodig in ontwikkeling van aarde en mensheid, en goe­de wil om in vrijheid dit inzicht in daden om te zetten.

Dat is onze ware tijdgeest. Die kan men Michaël noemen. Van de dertiende tot de vijftiende eeuw beleefde men hem in beelden, sagen en legenden.

In onze tijd wil hij in ons denken en willen worden opgenomen.

(Jacobus Knijpenga, Jonas, nr.2, 19-09-1980)

.

* wanneer je op zulke verschijnselen let, zul je ze vaak genoeg aantreffen in wat mensen uit hun leven vertellen.
Zo oud-huisarts Hans Moolenburgh: (91)
December 1944 omsingelden de Duitsers Haarlem en pakten tijdens die zogeheten Sinterklaasrazzia honderden jongens en mannen op. Terwijl de Duitsers bij ons op de voordeur bonsden, ontsnapte ik samen met een vriend via de achterdeur. We renden op blote voeten het besneeuwde Naaldenveld in. Ik nam toen ineens een gekke slingerweg. Ik had het idee dat ik werd geleid, alsof ik niet zelf rende. Door die slingerweg ontweken we exact de Duitse wachtposten, bleek later. Een wonder. Ik heb daarna altijd het gevoel gehad dat ik leefde in geleende tijd. Ik moest wat van mijn leven maken. Ik was niet voor niets gespaard.”

“Op 31 augustus 1981 hoorde ik midden in de nacht een stem, die me vertelde: ‘Jij gaat vanaf nu iedere patiënt in je praktijk vragen of die ooit een engel heeft gezien.’ Ik vond het een vreemd voorstel, maar vertrouwde die stem en vroeg de eerstvolgende patiënt die ochtend of zij ooit een engel had gezien. ‘Zeker dokter, gisteren op tv’. Dat was natuurlijk niet wat ik bedoelde. Nadat ik die vraag aan vierhonderd patiënten had gesteld, had ik genoeg stof voor mijn boek ‘Engelen als beschermers en als helpers der mensheid’. Dat boek en ook het vervolg ‘Een engel op je pad’ werden onverwacht internationale bestsellers. Die boeken hebben mij zo veel gebracht. Niet alleen kennis over engelen, maar ook bijzonder veel contacten en correspondentie met mensen van over de hele wereld. Ik ben daardoor zelfs mijn haat tegen Duitsers kwijtgeraakt, omdat ik in die tijd Duitsers ontmoette die mij vertelden hoezeer zij zelf geleden hadden tijdens de oorlog.”
(Trouw, Tijd 27-08-2106)

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

255-240

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (8)

.

LOSMAKINGSPROCES

‘Zal ik er maar twee kilo van maken?’, vraagt de groenteboer, peren afwegend, waar je drie pond van hebt gevraagd. Nou, dat hangt ervan af: voor hoeveel personen koop je, zijn ze erg duur, erg rijp – je kunt zelf nog allerlei factoren verzinnen die je ‘ja’ of ‘nee’ zullen bepalen. Geen mens zal slapeloze nachten hebben over de uiteindelijke beslissing: wordt deze ‘ja’ dan bestaat bijvoorbeeld de kans dat je een te rijpe peer moet weg gooien, je beurs gauwer leeg wordt dan je dacht, of dat je een peer moet delen met een ander als je besluit ‘nee’ wordt en alle denkbare varia­ties op dit geval.

We zijn als moeder toch steeds bezig met het afwegen van voor- en nadelen gedurende de opvoeding van onze kinderen. ‘Zou je je trui niet meenemen? Vanavond zal het koud worden’, vraag je aan je twaalfja­rige zoon of dochter die een hele dag gaat fietsen, “t Is om te stikken, je denkt toch niet dat ik dat ding de hele dag ga meesle­pen?’, zal het antwoord wel luiden. Blijkt je kind de volgende dag kou te hebben gevat, dan was je raad zinvol geweest; voelt het zich lekker fit dan onderschatte je zijn eigen warmte.

‘Kunnen we haar zo maar laten gaan? We kennen die jongen nauwelijks’, verzucht je tegen je man als je zeventienjarige dochter te kennen heeft gegeven een paar dagen met een vriend op stap te gaan.
‘Zou de baby het niet te warm of te koud hebben’, vraagt de bezorgde grootmoeder zich af, die een kleinkind te logeren heeft.
Wat wegen we allemaal af en hoelang moeten en willen we ons eigen oordeel als doorslag­gevend zien? Hoe zijn we in die weegschaal-rol gegroeid?

Het wegen begint al bij de zwangerschap: de aanstaande moeder wordt op haar gewicht gecontroleerd: bij te veel of te weinig zwaar­te moet haar dieet tijdelijk gewijzigd worden. Na de geboorte van het kind wordt het ge­wicht dadelijk genoteerd en de uitslag bepaalt meteen het voorlopige leefpatroon van
moe­der en kind. De schrale vijfponder zal zeven voedingen nodig hebben, ja, ook maar ’s nachts een voeding; terwijl de zeven-en-een-half-ponder best aan z’n trekken komt met zes voedingen. Wat kun je je als moeder ver­slagen voelen als de wekelijkse weegceremo­nie aangeeft: een paar gram afgevallen of je uiterst voldaan voelen als een half pond zwaarte aan ’t gewicht blijkt toegevoegd te zijn! Lengtegroei speelt bij mijn weten geen rol. Die periode van wegen gaat al snel voorbij – heel andere kwaliteiten moeten af­gewogen worden.

Door de loop van de jaren heen – van liever­lee – moet je het gewicht van je eigen beslis­singen in de gaten houden, namelijk het over­wicht van jezelf bij zoveel kleine beslissingen tegenover de gewichtige argumenten van je kind. Hoe ga je zelf om met al die soorten gewichten? Verbindt zich met dat woord ook het begrip ‘binding’ en ‘invloed’ ja zelfs ‘pressie’ en hoort er dan bij dat je moet leren die begrippen steeds wat losser, ruimer en lichter te maken en hoe voelt dat dan voor je zelf?

Misschien is de grootste uitdaging van het moeder-zijn wel de noodzaak om te leren de situatie steeds te her-waarderen. Wat eerst goed en nodig is voor een kind is later slecht en overbodig, ook omgekeerd. Nog een paar voorbeelden. Een kind van an­derhalf jaar wil zelf eten: ’t wordt natuurlijk een hele toestand. De maaltijd eindigt met een volgemorst kind, kinderstoel en vloer. Je zult tot een compromis moeten komen: ’t kind kan wel al zelf stukjes brood of vrucht eten – verder moet je ’t handje toch wat bijsturen. Wil een kind van drie jaar plotseling niet meer zelf eten dan grijp je misschien te gauw in en voert het. Kijk je niet uit, dan voer je zo’n kind nog op z’n vijfde jaar, als de bedtijd nadert en ’t bordje nog halfvol is. Je voelt je handen jeuken, als je peuter zich zelf tracht aan te kleden: hoeveel sneller en handiger kun je het zelf even aankleden. In hoeveel gevallen moet je jezelf niet toeroe­pen: geduld, handen thuis, afblijven, mond houden, wil je het zelfstandig worden van je kind de volle kans geven. In de lange periode van baby tot volwassene blijft de vraag gelden: helpende hand bieden of zelf laten tobben, maar ook van geven of nemen, winnen of onderspit delven. Dat een vierjarig kind onmogelijk alleen de rijweg kan oversteken, is voor iedereen dui­delijk. Maar alleen een hoge trap of ladder opklauteren? Daar sta je dan met kloppend moederhart, terwijl je oogappel halsbreken­de toeren uithaalt. Heb je genoeg vertrouwen in de klimkunst van je kind, sta je dicht ge­noeg in de buurt om hem bij misstap op te vangen? Kan je meegenieten van de overwinningsblik in z’n ogen als de expeditie is ge­slaagd of kun je het niet aanzien en begeleid je hem van sport naar sport? Een stukje ver­antwoordelijkheid overdragen – een beetje loslaten – dat is toch best moeilijk. Heel helder komt in mijn herinnering boven het eerste blokje-om lopen van het kind, helemaal alleen: denk er aan, op de stoep blijven hoor! ’t Lijkt een eeuwigheid voor je je kleuter weer ziet aan komen stappen. ‘Wat een agitatie om niets’, denk je later, over dit tafereel, als je je tienerkind vraagt of het heus z’n pas en het adres van de familie, die het in het buitenland gaat bezoeken, wel bij zich heeft.

Waar klamp je je als moeder aan vast als je je kind niet meer aan de hand, soms niet meer in de hand kunt houden?

Een sprong terug nu naar het eerste begin – het weten, dat je een kind verwacht. In mijn herinnering was dat een beseffen dat iets heel groots over je kwam, iets dat jouzelf van de kaart veegde. Dan, bij ’t zien van je pas geboren kind de vraag; wie ben je toch, hoe leer ik je kennen? Die indrukken verva­gen later – toch zou je ze steeds in je herinne­ring terug moeten roepen. Dat je de begeleid­ster mag en moet zijn, dat de band moeder­-kind geleidelijk aan anders moet worden, dat ‘wie ben je toch’ zichzelf kenbaar gaat ma­ken en dat je dat wezen moet respecteren in de verschillende vormen waarin het zich openbaart – dat is, in één zin geperst, wellicht de essentie van de moedertaak. Meende ik iets te vermoeden van een groot wezen dat naar mij toekwam, in de hier bo­ven beschreven situatie, kan ik dan ook zeg­gen: ik werd iets gewaar van het engelwezen van het kind; zijn beschermengel? Voor mij­zelf luidt het antwoord: ja. Kan ik mij dan tot dat engelwezen richten en het vragen, te waken over het lot van mijn kind, wélke leef­tijd het ook heeft, wáár op de wereld het ook mag zijn? Natuurlijk zijn daarmee niet alle twijfels, angsten, het verlangen naar be­richt verdwenen – maar soms lukt het om de telefoon te laten liggen en niet te informeren of hij, zij al aan is gekomen op de plaats van bestemming. ’t Is net als bij biljartspelen: je probeert de bal te raken via de band van de biljarttafel – naar gelang je dit spel beheerst, zal je contact lukken. De gedachtesprong naar het beeld van de aartsengel Michaël, die de draak overwint, of Michaël die de weegschaal draagt lijkt me nu niet meer zo groot. Op oude iconen valt op, dat Michaëls zwaard veelal lang, dun en heel spits toelopend wordt afgebeeld, het raakt het monster kennelijk op z’n zwakke plek. Geen bloederige taferelen krijgen we te zien met afgehouwen drakenlijfstukken. Geen woest rondmaaien met het zwaard, maar het feilloos richten van de zwaardpunt op de vitale plek van de vijand. Wordt hiermee aangeduid dat het gevecht Michaël-Draak zich in ons denken afspeelt, dat onze wakkerheid de plek herkent, waar de draak geraakt moet worden en dat ons ge­richte denken de overwinning in zich draagt? Michaël met de weegschaal, een andere ma­nier om uitdrukking te geven aan de grens tussen goed en kwaad. Deze beelden kunnen ons een hulp zijn bij het zoeken van een weg, die je als moeder met je kind schoorvoetend gaat.

(Wendela van Mansvelt, Jonas, 19-09-1980)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

254-239

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (7)

.

In de kring van de jaarfeesten is het Michaëlfeest een heel bijzondere gebeurtenis. Het wordt gevierd op 29 sep­tember en niemand weet eigenlijk hoe het gevierd zou moeten worden.

Dat zou sommigen onzinnig lijken. Anderen weer zullen ge­boeid zijn door de uitdaging. Een feest vieren, waarbij men eigenlijk totaal niet kan rekenen op een traditionele inhoud!
Het kerstfeest, Pasen, Sint – Jan zijn sterk bepaald door de traditie, gebonden als zij zijn aan gebeurtenissen die zich op aarde hebben afgespeeld en waarvan de dragers menselijke wezens waren. Het Jezuskind en Johannes de Doper waren menselijke wezens. En dat geldt tot op zekere hoogte voor de Christus op Golgotha ook.

Goed, drie feesten vóór menselijke wezens en dóór menselijke wezens, kunnen we globaalweg zeggen. In de cirkelgang van het jaar staan Kerstmis en het Sint  – Jansfeest (resp. 25 december en 24 juni) diametraal tegen­over elkaar. Pasen valt in het voorjaar, het is een bewege­lijker feest, afhankelijk als de datum is van de stand van zon en maan. Maar steeds in maart of april. De samenhang van deze feesten met de seizoenen is eveneens duidelijk: winter, lente, zomer.

Het herfstfeest, zo voelt men wel, ontbreekt; er is geen mens die ons dat heeft voorgeleefd. En Michaël dan? Nu, al spreekt men van Sint – Michaël, dat is helemaal geen mens, dus ook geen “heilige”. Michaël is een hoger wezen, een engelwezen.

Sommigen hebben daar moeite mee, anderen juist weer niet en weer anderen hebben vanuit de traditie in het geheel geen moeite.

Voor velen is het duidelijk dat, indien de mens het hoogste (= het meest gecompliceerde) wezen op aarde zou moeten voor­stellen, men in het algemeen zeer veel te kort komt in de menselijke rol en in het menselijke wezen.

Logischer is het eigenlijk, dat de grens van de natuurrijken (mineraal, plantaardig, dierlijk en menselijk) naar boven toe niet door het oog wordt bepaald, maar door het wezen.

En zo is Michaël de aartsengel als patroon van het herfst­feest goed denkbaar.

De herfst is de tijd van de vruchten, van het gerijpte werk van mens en natuur. De zon vertrekt naar de landen ten zuiden van de evenaar; dat mag dan astronomisch niet gezegd worden, maar voor gewone mensen op aarde ziet het er hier zó uit. Er is een kentering van het weer. De oogst moet binnengehaald en heel veel zichtbaars in de natuur sterft af. De mens als landbouwer staat machteloos tegenover het weer. Een paar grillige hagelbuien kunnen een jaar van hard werken teniet doen. Enzovoort: te mooi droog weer is ook niet goed, te nat, vochtig weer helemaal niet.

Goede oogst betekent: vermijden van het “te”. Het evenwicht is eigenlijk een wonder, want het treedt veel vaker op dan de kansrekening zou toestaan!

Géén wonder is het, dat de oude volken, veelal landbouwers en ook de boeren tot op de huidige dag de goede oogst toe­schreven aan de hulp en invloed van een geestelijk wezen. Dat geestelijke wezen – de naam doet er wel wat toe, maar niet alles – wordt vanaf de vroege middeleeuwen in Europa “Michaël” genoemd. En de Israëlieten, oorspronkelijk ook landbouwers, kenden dit wezen heel goed als “aangezicht van God”.
Michaël staat dichter bij de mens dan “God”, Michaël heeft het karakter van een bemiddelaar. Hij beschermt de oogst. Maar ook heeft hij toezicht op een geheel ander soort oogst, een innerlijke oogst. Deze oogst bestaat uit de daden die een mens in de loop van zijn leven volbracht heeft. De Michaëlstijd komt bij het zwaaien van de weegschaal. Michaël houdt de schaal en weegt de daden der mensen. Het is duidelijk, dat het afwegen van goede en kwade daden een nauw­keurig iets is, waarvan ’s mensen verblijf na de dood de gevolgen zal ondervinden.*

Michaël is ook vanouds de hemelse strijder tegen het Kwade. Want, vergis u niet, ook het Kwade heeft zijn oorsprong in de Hemel! Zie de Openbaring van Johannes.

Voor de kinderen is de strijd tegen het kwade die door Michaël geleverd wordt een boeiende zaak. Met speerstoot of zwaardhouw wordt de boze Draak geveld.

Voor de volwassene ziet het er heel wat gecompliceerder uit. Men kan vlug uitvinden, dat Michaël weliswaar de hemelse dreven heeft bevrijd van de Draak, maar het kan ook duidelijk zijn, dat de Draak op aarde is geworpen, dat zijn eerste slachtoffer het echtpaar Adam en Eva was en dat de Draak zich heel gemakkelijk verschuilt en zich thuis voelt in de menselijke ziel.

Het eerste wat de drakenkracht doet, is de ziel infecteren met onwaarachtigheid. We kennen deze leugenkrachten in de huidige tijd heel goed: van de nuchtere, verkeerd interpre­teerbare statistiek tot de mening, dat de verkrachter in actie kwam, omdat de vrouw “het ernaar gemaakt had” en zo voort en zo voort.

Een Michaëlsfeest en het zich bewust maken van Michaëlkrachten in de samenleving als gigantische noodzaak is be­paald geen luxe.

Men leze vooral het sprookje van Plato in dit nummer**, waar Sokrates zijn gesprekspartner vangt op zijn eigen woorden. Iets is waar, omdat het waar is; niet omdat Klaas, Piet of Poesje het gezegd heeft.

Wie daarop gaat letten, wordt een goede bondgenoot van Michaël. Vroeger hielpen de goden de mensen. Nu zijn de mensen zo ver in bewustzijn en inzicht, dat zij de goden moeten helpen. De volgende zet kan dan weer aan de goden zijn. Zo komt de wereld toch verder. Daarom: vier een Michaëlsfeest!

(P.C. Veltman, nadere gegevens ontbreken)
.

•   Een viertal weken na Sint-Michaël is het de Dodenherdenking Allerheiligen (1 nov.) en Allerzielen (2 nov.)
** van de schoolkrant waarin dit stukje stond
.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

253-238

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (6)

.

VIEREN WIJ WERKELIJK EEN MICHAEËLSFEEST?

‘Mens, ken u zelve’, zo klinkt het woord in elk mens, die zijn zielenontwikkeling daadwerkelijk ter hand neemt. Wie zich bewust wordt van zijn zielenroerselen, weet dat het hier niet gaat om een egocen­trisch kennen. Niet is bedoeld de kennis van hoe we door de medemen­sen in uiterlijke zin gezien wor­den. Uit onzekerheid zoeken we soms op gespannen wijze naar ken­nis omtrent onszelf: “Zal die an­der mij wel krachtig vinden, kom ik wel over als een gelovig devoot mens, vindt men mij wel origineel, kortom ben ik een persoonlijkheid?” Deze weg langs de buitenkant is kil en vals. Zo leren wij alleen ons, niet -zelf kennen. Deze kennis helpt ons niet op de weg naar waarachtigheid. Het gaat niet om de hoog vibrerende zintuig-denk-kennis. Hier is het hartekennen bedoeld. Alleen met het hart kan men werkelijk leren kennen.

Een voelend beleven van het jaarverloop door het vieren van de jaarfeesten is een weg door vele jaren heen die voert tot ons eigen mensenzelf. De mensenziel werkt, leeft, ademt in ritmen die we in het jaarverloop in de natuur, de aardeziel zien weerspiegeld. Wie een antroposofische weg wil gaan, of proberen te gaan, kan grote steun vinden bij de zielenkalender, een verzameling weekspreuken die de aardeziel met de mensenziel verbindt. Men kan zich over de hulp daarvan, volgens mijn ervaring, pas na een jaar of drie enigszins uitspreken. Wellicht pas na zeven jaar echt. Een paar keer proberen heeft geen enkele vaste gewaarwording tot gevolg.
Wie herkent niet het zielengebaar van de zomer? Iedereen gaat er (op) uit! We doen in sterke mate wat menigeen ook na de werkweek op vrijdag en zaterdag (en zondag ….) doet: alles loslaten, ontspannen, afleiding zoeken, uitslapen. De mensenziel is uitgeademd, zoals de aardeziel. In de natuur herken­nen we deze staat van uit zijn, in de bloei van bomen, bloemen, insecten, enzovoorts: alles leeft in een overgave aan het zonlicht.
De natuurmens doet eraan mee; ook wij geven ons graag over aan zon en warmte, aan geur en kleur, aan wijde vlakten, aan zang en spel. De weg van het mensenhart is geen weg daartegenin. Motto  van de spreuk is: “Verlies jezelf
om juist jezelf te vinden”.
Daarin schuilt gevaar. We verliezen onszelf in de zomerse rijkdom van kleuren, geuren, klanken, beweging, gesprekken, verliefdheden: alles een
op
gaan in de zintuigindrukken. Dit alles voert naar enerzijds een sterkere verbinding met de zintuigwereld, de aardse materie, in al z’n pracht. Anderzijds is er de mogelijkheid om in deze min of meer dromende toestand (is de zomer niet een roes?) zich te verbinden met de wereldgeest die zich door de aardse stof heen kenbaar maakt.
Het beeld van de zonne
bloem was, voor ons leraren, de ingang in het nieuwe schooljaar. In die machtige bloem, die zich zo hevig overgeeft aan de zon, wordt sterk zichtbaar dat in het hart een nieuw stadium volgt op die overgave. Er worden kiemen, zaden gevormd die leven de toekomst indragen. In het mensenhart wordt ervaren dat er een appèl gedaan wordt aan onze eigen wil: we zullen weer vorm moeten brengen in ons leven. We zullen de vruchten van de vakantie beleven in een nieuw begin van het arbeidsjaar. Een jaar dat met nieuw elan, boordevol beloften begonnen kan worden. Het enthousiasme dat we nodig hebben om er weer tegenaan te gaan, moet echter gewonnen worden. In de natuur heerst ook moeheid; de herfst begint voor velen van ons met bloedarmoede.
Het wereldwoord, dat in de natuur tot ons gesproken heeft, wil in ons naklinken; wie heeft rond Michaël niet dikwijls keelpijn?
Zo werkelijk is dit appèl.
Wie na de zomer blijft hangen in de uiterlijke wereld, zal balen van de herfst. Zal opzien tegen het jaar. Zal verharden in de vormen die hij schept. Zal zich voornemen dit jaar een strak schema te hanteren. Zal tegen zichzelf zeggen: ‘ Dit jaar zullen ze leren lezen, en dit jaar moet ik elke donderdag thuis zijn, en dit jaar moet de ouderoverlegvergadering tot stand komen. Dit jaar zal ik hem de waarheid zeggen.’ Een ver­krampt willen, koud “enthousias­me”, spreekt hierin door. Dit zijn de uiterlijke kiemen, harde noten. Of men verzinkt in moede­loosheid, apathie: “Het leven is leeg, zinloos, weer zo’n jaar voor de boeg. Weer dezelfde fouten maken, weer met dat afgezaagde beeld van mijn ei­gen persoon door de wereld. “Bah!” Dit kunnen we in ons­zelf leren kennen. Hoe voelen we ons nu? “Mens, ken u zelve”  wordt tot “Mens, ken de draak in u”. Ken het vuur dat niet tot leven wekt, maar vernie­tigt. Ken de harde schubben op de opper­vlakte van de ziel waarmee we
ons­zelf van de medemens, van het leven afsluiten. Ken de bloedeloosheid van de apathie. Ken de kilte van de ondankbaarheid jegens de vruchten van de zomer. Het beeld van de draak is niet een uiterlijk beeld.
De draak leeft in ons allen als de zin­tuiggebonden denker, de harteloze doener. De materialist in ons is draak. Vooropgestelde oordelen en denkbeelden, harde eisen die we aan het leven en medemensen stellen, eenzijdige standpunten, afgesloten voor de visie van anderen. En dan komen we in de onwaarheid: in de schijnzekerheden van het bestaan. In de angst om het leven open en vrij tegemoet te treden. Bang voor het levenslot dat als kiem in ons willen leeft.
In de Michaëlstijd wordt niet van ons verlangd de draak te doden, noch de draak die we in anderen menen te zien te bestrijden. “Mens, ken de draak in u”. En daarmee voeren we de Michaëlsstrijd in ons. “Mens, ken de draak in u”. Bestrijdt hem met het lichtend zwaard van het kos­misch bewustzijn, met het ent­housiasme voor de geest der wereld met de kracht van het zoeken naar levende waarheid, met het vaste vertrouwen in de kracht der enge­len. Elke stap op deze weg is een hapje geestesvoedsel voor de aartsengel Michaël; Hij kan schenken wat hij de zoekende mens te bieden heeft: moed om de leugen in de wereld in de ogen te zien en haar kennende te be­strijden. “Mens, ken de draak in u” en gij wordt tot Michaëlsstrijder. Een Michaëlsfeest, dat gevierd wordt vanuit de uiterlijkheid: drakenbroodjes, vruchtentafels, pompoenensoepen, vlier­sappen omdat dat moet en toch zo gezellig is, is een leugen, een misplaatst Johannesfeest, minder nog. Wie de draak niet kent, kan geen Michaëlsfeest vieren. Wie de draak wil zien, en de kracht en moed voelt groeien hem te bestrijden, kan niet anders dan in waar enthousiasme het feest vieren van de opstanding van de mens in zichzelf. Dan is het vuur-geestesvuur, dan is het zwaard de waarheid, dan is de mens mens. En dan zijn voor onze kinderen de broden, tafels, soepen en sappen geestesbroden, dankbaarheidsta­fels, waarheidssoepen en levens­sappen.

(Reijer Ploeg, nadere gegevens onbekend)

.

Michaël, alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.
VRIJESCHOOL in beeld: Michaël

 

252-237

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (4)

.

MICHAËLVIERING

                                                                                                  

Omwille van enthousiasme en moed

Michaëlsdag op 29 september is als kerkelij­ke feestdag heel oud maar in de meeste stre­ken niet meer dan een van de vele gedenkda­gen van de kalender. Er zijn enkele streken in Europa waar de verering van Michaël meer op de voorgrond getreden is, bijvoor­beeld Bretagne, Normandië en Ierland, maar ook de Monte Gargano in Italië. Daarnaast zijn in grote delen van Europa in vele romaanse kerken Michaëlkapellen geweest. Ze waren in het westelijke deel van de kerk tegenover het altaar.

Het hoogtepunt van alle Michaëlvereringen ligt tussen de dertiende en vijftiende eeuw, dus in de tijd dat in Europa een nieuw be­wustzijn begon te ontstaan, waarin de ridder­cultuur met grote landgoederen plaats maak­te voor de stadscultuur van de burgerij, waarin de theologie het veld begon te ruimen voor de natuurwetenschappen, waarin het innerlijk oog, gericht op het zielenleven en zielenheil zich metamorfoseerde tot het uiter­lijke waarnemen, gericht op de wereld en op de stoffelijke welvaart.
Michaël werd vereerd toen de mens begon te ontwaken tot een zelfstandig wezen met eigen verantwoorde­lijkheid en eigen denken. Michaël is in die tijd vooral de strijder tegen de draak en degene die de zielen weegt na de dood en bij het laatste oordeel. Men kan vermoeden dat de mensenzielen de gevaren van de komende tijd beleefden en die gestal­te gaven in de draak, waarbij de ernst van de strijd met de macht van Het boze zijn uit­drukking vond in de weegschaal. Vaak zien we afbeeldingen waarop de duivel de ene schaal naar beneden trekt.

In de late middeleeuwen verdwijnt de Michaëlverering, al blijft ze in bepaalde streken fragmentarisch bestaan met behulp van oude legenden. Daar wordt het een traditie waar­aan niets nieuws wordt toegevoegd, maar die wel leeft.

Pas in de twintigste eeuw wordt Michaël weer belangrijk in de antroposofie. Het is eigenlijk pas in de laatste jaren van zijn leven dat Rudolf Steiner uitvoerig over Michaël spreekt. Hij zei daarbij dat wij nog aan het begin staan van de viering van het Michaëlsfeest.

De Christengemeenschap ontvangt in die tijd het Michaëlsepistel (gebeden aan het begin en het einde van de Mensenwijdingsdienst en een invoegsel na het credo). In de Vrije Scholen krijgt het Michaëlsfeest hetzelfde accent als Kerstmis, Pasen en Pinksteren en wordt zelfs vaak als het bijzondere feest van het jaar gevierd.

Wat is er gebeurd? Ik heb het vermoeden dat, wat er eigenlijk gebeurt in de wereld, voor ons bewustzijn slechts langzaam duide­lijk wordt, dat wil zeggen dat we nu pas, na meer dan een halve eeuw beginnen te begrij­pen waarom de verering van Michaël zo centraal kwam te staan bij Steiner. Als men terugblikt kan men tot het volgen­de komen.
In dezelfde tijd dat Steiner uit­voeriger over Michaël en de met hem
ver­bonden mensenzielen gaat spreken, komen vele jonge mensen naar hem toe. Drie ken­merken kon men aan hen waarnemen. Ze werden niet in de eerste plaats gedreven door behoefte aan inzicht, maar ze wilden iets doen. Het waren degenen die later art­sen, priesters, landbouwers, (heil)-pedagogen werden. Alleen wanneer men deze beschrij­ving niet eenzijdig als definitie vastnagelt, kan men het zo uitdrukken. Natuurlijk zochten ze ook inzicht voor hun doen. Hun tweede kenmerk was dat ze tot Steiner en tot elkaar kwamen door een innerlijke drang die uit het voorgeboortelijke leven kwam. Het derde kenmerk was de sterke drang naar eigen bovenzinnelijke ervaring.

De toen oudere generatie zocht boven alles inzicht in wat de meester kon meedelen over de hogere werelden. Bij de jongere generatie ging het om eigen ervaring. Ook dit moet men niet weer eenzijdig in een schema wringen. Het gaat meer om tendenties in een bepaalde richting.

Wanneer we nu onze eigen tijd bezien (meer dan een halve eeuw later), bemerken we dat de behoefte aan daden alleen maar is toege­nomen en vooral aan daden die op de toe­komst zijn gericht. Toegenomen is ook het vertrouwen op de innerlijke drang. Voor veel jonge mensen is het nu vanzelfsprekend dat ze impulsen hebben meegenomen uit het voorgeboortelijke en uit vroegere levens. Ook is de drang naar eigen bovenzinnelijke ervaring niet meer weg te denken uit onze cultuur.

Er komt dus een beeld te voorschijn van dat­gene wat de geestesstroming wilde die omstreeks 1920 opdook. Men kan trachten dat een naam te geven; men kan ook de beschrij­ving als zodanig laten staan. In de beschreven verschijnselen is een duide­lijke lijn zichtbaar, waardoor men zich een beeld kan vormen van de metamorfose die Michaël in zijn werken doormaakt. Aan een duidelijke lijn in een biografie leert men de individualiteit, het Ik van een mens kennen. Aan een duidelijke lijn in een tijdperk kan men de individualiteit leren kennen die in dat tijdperk leeft, de geest van die tijd. Die kan men met de oude naam Michaël aandui­den.

De middeleeuwse legenden geven een be­paald beeld van Michaël. Ze verbinden hem als strijder met de draak, als rechter met de weegschaal. Als we de fenomenen van onze tijd nog wat nader bezien kunnen we mis­schien inzicht krijgen in het wezen van Michaël.

Inzicht is gericht op het verleden. Wat voor­bij is kunnen we overdenken. Maar we kunnen ook zo leren denken dat we ideeën ont­wikkelen voor wat er nog niet geweest is.

Daarvoor is kennis van het gewordene nood­zakelijk. In onze cultuur zijn vooral sinds het einde van de negentiende eeuw enorm veel nieuwe ideeën ontwikkeld. Daaruit is onze industrie ontstaan, ons verkeer, onze productie en onze technische communicatie. Wat verloren ging is ons werk en ons werkelijk communiceren met elkaar. Nu wordt er verlangd naar werk waarmee we ons menselijk kunnen verbinden. Ook het vormen van gemeenschappen, waar de mens de andere mens kan ontmoeten en waarin hij een echte communicatie kan hebben wordt van levensbelang. Het mislukken van vele kleine pogingen tot gemeenschapsvorming en kleinschalig werk heeft een heel tragische kant. Het is daarbij duidelijk dat bewust­zijnsvorming nodig is. Wat hierboven als eerste en tweede kenmerk is genoemd van de jongeren van de jaren twintig vraagt in onze tijd versterking door het denken. Het is waar dat iets goeds in de wereld alleen tot stand kan komen als de drang ertoe uit diepe ondergronden van ons wezen komt en niet uit nuttigheidsoverwegingen van het ver­stand. Maar het is wel nodig dat in een wak­ker bewustzijn overzien wordt wat er diep in ons leeft, opdat we dat die vorm kunnen geven die echt vruchtbaar is. Maar wat is dat anders dan inzicht zoeken in het bovenzinnelijke? De wereld waaruit onze impulsen komen, is die van het onderbewus­te, maar deze uitdrukking zegt alleen iets over ons bewustzijn en niets over die impul­sen zelf. Die impulsen ontstaan in ons leven als individualiteit voor onze geboorte en dat is een hogere wereld, geen lagere.

Hier loeren echter ook de gevaren en wel van twee kanten. We kunnen ons in een verheven stemming heel gemakkelijk illusies maken en voor een hogere wereld houden wat alleen maar in onze wensen leeft. Dat is het gevaar van Lucifer, de verleider. Aan de andere kant ligt de zorg op de loer, in de vorm van de vraag of het wel zal kunnen, of de praktijk van het leven zich niet verzet tegen onze goede impulsen, de vraag of ‘de mensen’ er wel aan toe zijn, enzovoort. Hier horen ook onze eigen egoïsmen thuis, of we onze eigen levensbehoeften of wat we daarvoor houden, wel zullen kunnen vervullen. In de vraag of het wel mogelijk is dat een mens echt toe­gang krijgt tot een geestelijke wereld, ligt Ahriman op de loer.

In de beelden van de middeleeuwen werden deze verleidende machten van Ahriman en Lucifer samengevat als de Draak. Deze draak moet duidelijk gezien worden. Anders jaagt hij ons angst aan. Maar onze tijd vraagt niet alleen duidelijk zien. Ze vraagt voor alles moed, moed om te strijden. Daarom worden de zielen gewogen. Ze kunnen te licht zijn of te zwaar, illusionair of overmoedig zijn, maar ook te zorgelijk en te bang, of te veel aan de welvaart gehecht, aan onze zogenaamde behoeften.

Hoe verkrijgen we de moed? Die is niet altijd aangeboren maar kan wel geoefend worden. De kracht die moed wekt is het enthousias­me. Dit woord betekent: doordrongen zijn van het goddelijke, ook wel het in God zijn. Het is het goddelijke in ons dat de moed te voorschijn roept. Als we ons slechts op de uiterlijkheid van de wereld richten kan deze ons alleen maar verlammen. De blik wil weer gericht worden op een hogere wereld die niet alleen in de geestelijke wereld maar ook op aarde te vinden is. Het is die hogere wereld die Rudolf Steiner bekend maakte in een taal die onze tijd kan verstaan en die gevonden kan worden door mensen die durven te vertrouwen op hun diepere impulsen, die ze willen voeden door inzicht, werkelijke religie en kunst. De naam van Michaël betekent: Wie is als God? Vroeger werd dat vaak beleefd als een waarschuwing tegen hoogmoed. Nu klinkt die naam als een roep: wie durft het aan God in zich te beleven en dienovereenkomstig te leren handelen?

Michael  5

 

(Jacobus Knijpenga, Jonas nr. 2, 18-09-1981)

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

 

250-235

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.