VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (7)

.

OS EN EZEL

Het kind in de kribbe en daarnaast Maria en Jozef en twee dieren. Twee domme dieren! – os en ezel. Een merkwaardig beeld: het hoogste mensenwezen, omge­ven door dieren, die bepaald niet bijdra­gen aan de verhevenheid van het geheel. Doen ze een beroep op ons sentiment? Daarvoor zijn de beelden te oud. Al heel vroeg worden ze bij de kribbe geschilderd. Is het de armoe van de stal die ermee wordt geaccentueerd? Russische legenden laten Maria, de gods­moeder, de dieren zegenen vanwege hun zware arbeidsleven. Komen we er zo iets dichter bij?
De ezel en de os waren in elk geval voor de boer onmisbare werkkrach­ten. Ze moesten het zware werk doen: lasten dragen, de ploeg trekken. Slechts voor latere geslachten, die paarden en machines kenden, was het ezeltje aan­doenlijk, de os dom. In oudere tijden waren zij voor de boer goedkope werk­krachten, niet al te gewillig, maar bruik­baar.

Ieder weet nog hoe Franciscus van Assisi (1182-1226) zijn lichaam betitelde als zijn broeder ezel, die weinig eten en veel slaag moest hebben. Franciscus had een grote liefde voor het kerstfeest en in 1224, toen hij tweeënveertig jaar oud was, liet hij een kribbe maken voor de Kerstmis met een levende os en ezel er­naast. Hij wilde alles ‘met lichamelijke ogen zo duidelijk mogelijk voor zich zien’.

Franciscus verachtte broeder ezel niet. De dieren waren voor hem schepselen die hij met liefde tegemoet trad. Wat een merk­aardige verhouding tot het lichaam: liefde ervoor te hebben en het tegelijkertijd weinig eten en veel slaag geven! Komt broeder ezel daardoor niet tot de hoogste prestaties? Hij voelt het als je van hem houdt, maar als je hem in de watten legt, wordt hij lui!

Het lichaam is er niet om ervan te genie­ten, maar om het te gebruiken — zoals de boer zijn ezel gebruikt. Het is een goed instrument, onder de schepselen het hoogste. Wat primitieve kunst vanaf de vierde eeuw in de aanwezigheid van de ezel uitdrukt, kan met moderne middelen worden begrepen.
Het lichaam van de mens is het hoogst ontwikkelde natuurlijke organisme. Alle organen ervan zijn bij de dieren ook te vinden.
De menselijke handen bijvoor­beeld, maar die zijn dan grijp- of klimorganen, vleugels of vinnen of voorpoten, instrumenten om de aarde te betreden of om te woelen. De menselijke handen zijn voor geen van deze taken volledig bere­kend, maar ze zijn het eigenlijke schep­pende orgaan van de mens. Met de han­den worden we ‘makers’; de Grieken noemden dat ‘potiètès’, poëet, dichter. Verdichten kan de mens ideeën door zijn lichamelijke orgaan. Zo is ons hele lichaam instrument voor de geest. Zou men er dan geen eerbied voor hebben? Maar dan toch een ezel? Ja, want het is eigenzinnig, wil om zich zelf verzorgd worden. Elk ogenblik dat het lichaam geen lastdier meer is voor de geest, gaat het doel op zich zelf worden. Daarom is de ezel een voortdurend ideaal-beeld: ‘Broeder ezel’.

De os is in de beeldende kunst even oud als de ezel, en komt steeds samen met hem voor bij de kribbe. Eveneens een merkwaardig beest — eigenlijk een stier. De stier is de uitdrukking van vruchtbaar­heid, van uitbundige levenskracht, maar ook agressief. De os is de tot rust geko­men stier, van zijn voortplantingskrachten beroofd. De voortplantingskracht heeft zich omgezet in werkkracht.
Mensen hebben deze kracht ook in zich. Het lichaam wordt tot leven gewekt, het plant zich voort, het geneest van ziekten – dit is allemaal stierkracht.
Deze scheppen­de kracht is bij de stier in dienst van het lichaam gesteld. Ook daarvoor heeft de mens organen. Ze behoren tot die, die het meeste gelijken op de overeenkomstige organen bij de hogere dieren. Maar een oude sterrenwijsheid deelde deze organen niet in bij het sterrenbeeld van de Stier. Men zag het hele lichaam als uitwerking van de krachten van de Dierenriem. Daarbij kwam het strottenhoofd bij de Stier: het orgaan waarmee wij het woord voe­ren.

Eens was het woord Schepperwoord. Maar het Woord heeft nooit iets stoffe­lijks geschapen – het Woord schept levens­vormen, voor ons uiterlijk oog onzicht­baar. De levensvormen, tesamen het zoge­naamde ether- of levenslichaam vormend, zijn bewegelijk, zoals ideeën bewegelijk zijn, zoals het woord er ‘is’ en dan weer voorbij is. Maar misschien heeft het zich ergens afgedrukt in de ziel en werkt daar verder. Zo werkt ons levenslichaam vor­mend, maar is zelf in eeuwige beweging en metamorfose.

De Stierkrachten kunnen bij de mens af­zakken. Ze kunnen uitsluitend in dienst worden gesteld van het nuttige, het prak­tische. Dan zijn ze een os geworden, dom­me krachten. Het grootse geweld is weg, het is domme trekkracht geworden. De os bij de kribbe? Is het ons vreemd? Als het woord dienstbaar wordt, zijn
ma­gische kracht opgeeft om te dienen tot onderling verstaan, als het woord ook stil en luisterend wordt, is het dan niet als de os, die met zijn adem warmte geeft aan het kind? Het grootse, machtige is weg, het kan gewoon, burgerlijk worden, maar het kan ook dienend warmte geven. Warmte geven de dieren door hun adem aan het kind in de kribbe. Wat de mens door erfelijkheid krijgt: zijn fysiek- en levenslichaam, zij vormen de warme dienstbaarheid voor wat van boven komt. Middeleeuwse beelden uit de tijd van de vierde tot de dertiende eeuw, maar ver­taald in onze tijd toch reëel beleefbaar.

(J.Knijpenga, Jonas 08-12-1971)

DE OS EN DE EZEL

In deze dagen voor Kerstmis verschijnen in en nabij ker­ken fraaie kerststallen. Franciscus van Assisi kreeg van paus Honorius III in 1223 toe­stemming om de geboorte van Jezus via kerststallen uit te beelden. Deze dierenvriend bouwde zijn eerste stal in een bos bij het Italiaanse Greccio. Bijzonder was de kerststal thuis. Voor de inrichting van de stal gingen we naar het bos om mos te halen. Daar
ver­dween deze illegaal verworven buit in de bruine fietstas. Een­maal thuis haalden we de kerststal van zolder en het feest kon beginnen. De stal werd op de drie koningen na ingericht. De engel kreeg een plek boven in de nok. Onder de gipsen beeldjes van schapen, honden en herders waren de namen van ons negen tellende gezin geschreven. Omdat de drie koningen met hun kameel pas op zes januari aan konden komen, maakten zij eerst een reis door ons huis. Dat wilde zeggen dat de konin­gen Melchior, Balthasar en de zwarte Kaspar nog even geduld moesten hebben. Ondertussen liepen ze trappen op, slaapka­mers in en via de zolder weer naar beneden. Na hun reis door het huis kwamen zij ver­moeid op zes januari bij de stal aan.
Een bijzondere positie in de kerststal namen de Os en de Ezel in. Een romantische ge­dachte, het kindje Jezus rillend van de kou in de kribbe op het
stro. Jezus wordt warm gehou­den door de adem van de os en de ezel. Het is een beetje te­leurstellend dat in geen van de Evangeliën überhaupt over de os en de ezel bij de kribbe wordt geschreven. Voor de oudste afbeelding van de os en de ezel in relatie tot Kerstmis gaan we terug naar het jaar 343. Op een marmeren sarco­faag staan een os en een ezel met het kindje Jezus afgebeeld.
In Spanje en Italië mag in een kerststal een ‘Caganer’ niet ontbreken. Het is een poepend mannetje dat in de achttiende eeuw door de Napolitanen in de kerststal werd geïntrodu­ceerd. Hij staat door de be­vruchting van de grond sym­bool als geluksbrenger.
.

(Hans van Eeden in een dagblad, nadere gegevens onbekend)

.

Kerst: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: Kerstmis     jaartafel

.

378-356

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (6-1)

.

DE DAG VOOR KERSTMIS

Het is koud als we buiten komen. We gaan op weg naar het bos om te zien wat we nog kunnen vinden aan padde­nstoelen en zwammen. Het is al zo laat in het jaar. We lopen onder de kale bo­men en merken hoe licht het bos is. Ij­verig speuren we tussen de natte brui­ne bladeren. We vinden er meer dan we dachten. De kinderen zien ze vaak eerder dan ik, paddenstoelen met een forse hoed, maar ook zo klein als een speldenknop. Op een bemoste stronk zelfs een hele zwerm stuifzwammen. In een blikje verzamelen we omgeval­len paddenstoelen, losgeraakte stukjes mos en een eikenblad met galappels. Ik ben iedere keer weer verrast met hoe­veel plezier de kinderen zo’n opdracht uitvoeren. Ze willen weten, ze willen de aarde leren kennen, en het is heer­lijk om door hun ogen de aarde steeds weer nieuw te zien.

Er stonden twee bomen in het para­dijs: de boom des levens en de boom der kennis. De eerste mensen aten van de verboden vrucht en hun ogen wer­den geopend, voor de aarde en voor hun eigen lichaam. Zij werden zich be­wust van goed en kwaad en met dat bewustzijn haalden zij de dood binnen. Het menselijk bestaan werd ein­dig. Maar niet alleen het einde, ook het begin kreeg duidelijk gestalte. Na­dat Adam en Eva verdreven waren uit het Paradijs, werden hen twee kinde­ren geboren, Kain en Abel, en later nog een derde zoon Seth. Toen de mens een sterfelijk wezen werd en het leven op aarde begrensd en gebannen tussen geboorte en dood – toen kreeg de vrouw haar naam: Eva, moeder van alle levenden.

In vroeger eeuwen werden Adam en Eva meestal afgebeeld, staande zoals God hen gemaakt had, naast de boom, ‘die in het midden staat’, elk aan een kant. De slang die Eva verleidde, slin­gert zich om de stam van de boom. Hoewel zij geen christelijke heiligen zijn in de eigenlijke zin van het woord, zijn zij toch opgenomen in de oude kerkelijke kalender en wel op een heel bijzondere dag: 24 december, de dag voor Kerstmis, is aan hen gewijd. Zo wordt een grote boog gespannen, een regenboog van belofte en hoop, over de hele mensheid vanaf de eerste schepping tot aan het begin van een nieuwe tijd.

Tot Adam wordt gezegd: ‘In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten’. De aarde wordt om zijnentwil ver­vloekt en zal alleen verlost kunnen worden door het werk van zijn han­den, door zijn liefde en belangstelling voor de grond die hem draagt. Vele van de geheimen van de aarde zijn ons zo bekend en vertrouwd, dat we de verwondering daarover verloren heb­ben. Maar het is niet vanzelfsprekend dat uit het zaad dat in de omgeploeg­de akker wordt uitgestrooid, straks goudgele korenaren opgroeien. En het is elke keer een wonder dat de onoog­lijke bloemen van de druivenranken vrucht zetten, zodat in de herfst de zware trossen geoogst kunnen worden. Het eten van de verboden vrucht is van verleiding tot opdracht geworden.

Met Eva is het anders gesteld. Tot haar werd gezegd: ‘Met smart zult gij voort­aan kinderen baren’. In het Paradijs had zij onbewust gegeten van de vruchten van de levensboom, de mo­gelijkheid om leven verder te dragen heeft zij behouden, toen de engel met het vlammende zwaard de weg terug afsloot. Iets van het Paradijs is in haar bewaard gebleven, maar ook op haar rust de vloek van de zondeval: leven schenken, ruimte maken voor nieuw leven, voor nieuwe vormen is een smartelijke ervaring geworden, een proces van bewustwording. Zo zou je Adam en Eva kunnen zien als de twee polen waartussen de mens zich voort­durend beweegt. De lange weg van lij­den, ervaringen en schuld maakt de mens pas werkelijk tot mens. Wat ons dan uiteindelijk de mogelijk­heid geeft om door te gaan en steeds weer opnieuw te beginnen – dat wordt uitgedrukt door de wijze waarop de Russische kerk Pasen beleeft. Niet het opengebroken graf zien we op de ikonen, een beeld dat we hier in het wes­ten zo goed kennen. We vinden de af­beelding van Stille Zaterdag, de zoge­naamde ‘Nederdaling ter Helle’. In het Grieks worden deze schilderingen aangeduid met ‘anastasis’, dat wil zeggen ‘opstanding’. Het is voor de Russische mens dé uitbeelding van Pasen. In een wervelende beweging verschijnt de lichtend witte gestalte van Christus voor de gestorvenen, de gebroken poorten van de hel onder zijn voeten tredend. Hij draagt het kruis in de ene hand en met de andere grijpt Hij Adam vast, niet bij de hand maar bij de pols, waar het leven klopt, en Hij laat hem opstaan. Eva ligt geknield aan de andere kant tot ook zij mag op­staan en verdergaan.

Op de avond voor de nacht waarin de Verlosser van de wereld wordt gebo­ren, worden we in gedachten terugge­voerd naar de geestelijke oorsprong van ons aardse bestaan: een stukje pa­radijselijke vrede daalt neer, niet van­zelfsprekend voor ieder voelbaar en herkenbaar, – alleen als wij het werke­lijk van harte willen.

kerst nederdaling ter helle
nadere gegevens onbekend

.

Kerst: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: Kerstmis     jaartafel

.

377-355

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Nicolaas – alle artikelen

.

[1] Verhalen

[2] St.-Nicolaas, een geschenk
Marieke Anschütz over: St.-Nicolaas door de jaren heen; gebrandschilderde ramen; kathedralen; karakter van het schenken en ontvangen.

[3] St.-Nicolaas en Advent
Jacobus Knijpenga over: advent; St.-Nicolaas als adventsheilige; Sint en Piet: eenheid; Michaël; confrontatie met ons eigen oerbeeld; verwachting; stilte; dood; Parcival, Sigune en Schionatulander.

[4] Op het spoor van Sinterklaas
A.Heering over: de historische Nicolaas, Myra, Bari; Gerardo Cioffari- nicolaaskenner; Nicolaas van Myra naar Bari.

[5] Sint-Nicolaas
Frans Everga over: historie, symboliek: wit/zwart, schoorsteen, pakje, schoen enz.

[6] Sint-Nicolaas
Henk Sweers over: zijn betekenis nu; (symbolen) beelden uit Germaanse mythologie.

[7] Sint-Nicolaas
Johanna Knottenbelt over: de historische Nicolaas; andere ‘Nicolazen’; wonderen: goudstukken aan meisjes, de vermoorde jongens, drie veldheren; schilders van nicolaastaferelen: Masaccio, Fesellino; ontstaan patronaten; over Zwarte Piet; Sinterklaas in verschillende landen; Spanje; twee bisschoppen Nicolaas; Peter v. Amiens en de nicolaascultus; graalsstroming; Bernard van Clairveaux, Nicolaaskerken;  Luther verbiedt het feest; ook in steden verbod; sinterklaasommegangen; verband met Germanen; Zwarte Piet als duivel; St.-Nicolaas en de elementen; schoen en gedicht.

[8] Saint Nicolas
Nicole Karèr en Jan Thjo over: Sint-Nicolaas in de Elzas geeft lekkernijen; zijn helper: Père Fouettard; Recpeten van Elzasser Lebkuchen, warme Sint-Nicolaasdrank (bisschopswijn), quiche lorraine.

[9] Sint-Nicolaas
Hans Jacobs over: historie; patronaten; symboliek; populariteit en verboden.

[10] Sint-Nicolaas
Nicolaas Matsier over: veruiterlijking van het feest door Kerstman?; Studies over hem: Meisen en Jones, Louis Janssen; zijn gang door Europa; op Ameland.

[11] De stoomboot uit Italië lijkt logischer
Spanje? Bari;  verleden en legendes; folklore in Nederland; 5 dec. is sterfdag; Rupert, voorloper van Zwarte Piet?

[12] De goedheiligman als bindmiddel
Jaap Huisman over: een bezoek aan Myra; verleden van de Sint; patronaten; Bari.

[13] Sint-Nicolaas, Nederlandser kan niet
Martijn Hover over: reformatieverbod; schilderij Jan Steen; de kleding van de Sint.

[14] De psychologische betekenis van Sint-Nicolaas
Kater
en Wielick over: pepernoten, vruchtbaarheidsrite; vergelijking met Wodan; geven en ontvangen; midwinter; Mithras; 5, 6 december? E.e.a n.a.v.  J. A. M. Meerloo in zijn essay over „Sint-Nicolaas en de psychologie van het geven”.

[15] Een heilige om van te snoepen
Hans Jacobs
over: professor Rita Chesquiere: ‘Van Nicolaas van Myra tot Sinterklaas’, symboliek: Germaanse invloeden; van straat naar huiskamer door protestants verbod.

[16] Sinterklaas bestond écht
Stad en Stree
k over: over zijn leven; Bari; Sint in Spanje, Zwarte Piet, geen neger;  ontstaan kerstman, symboliek.

[17] Sinterklaas en Père Noël
Bertrand Verhelst over: waarin verschillen ze: afkomst, heiligheid, kleding, manier van optreden; hun knechten: Zwarte Piet en Père Fouettard – streng en wat angstaanjagend; enkele anekdotes: een sanitaire stop van beide heren, een jongetje schrijft een brief om hulp.

[18] Sinterklaas
Lili Chavannes
over: Sint en Piet: tegenstellingen; surprises, gedichten.

[19] Marsepein
Lauren Toorians over: de oorsprong die niets met brood (pain, pane) heeft te maken;
Ray Simoen over boek: Ignace Proot ‘Marsepein, van modelleren tot proeven’
Puck Kerkhoven over: banketletter; chocoladeletter en runeteken.

Recepten: pepernoten: grote en kleine; worstletter; bisschopswijn; cakehart; chocoladelettertjes; dubbelspeculaas; suikerhart; borstplaat; marsepein; amandelspijs; gevulde speculaas

[20] Sint-Nicolaas
Theo Cremers, hulpsint, over: zo word je hulpsint; hoe gedraag je je; schminken; namen van de kleding.

[21] Cadeautjes
Dorry over: dreigen met Zwarte Piet? Te veel cadeautjes maakt ontevreden; cadeautjessuggesties voor vanaf 1 jr – 6jr; wat doe je op pakjesavond: verstopideeën;
surprises: voorbeelden van cadeautjes voor ‘de’ klas
Merit Zandee: potlodenetui;
Beppie en Karin: vulpenzakje;
Juultje v.d.Stok: surprisedoosje

[22]Het feest van het kind
Marika Ortmans over:  gedicht van Harriët Laurey; de sint; patronaten; zout; kindervriend.

[23] Lof der zoetheid
J.H.Kruizinga over: tradtioneel gebak in verschillende streken van ons land: Groningen-fieterknuten; Achterhoek-dikkevretsavond; duivekater; Drenthe/Achterhoek-nieuwjaar; Zuid-Limburg-weggeman; Brabant-nieuwjaarsplats; worstebrood, kersttimp en krentenkater.

[24] Sint-Nikolaas
Theo Holleman over: ontstaan van speculaas, koeken voor de goden in het verleden; Romeinen; Speculaas

[25] Snoepgoed
Froukje Hardam-v.Omme over: het snoepgoed van nu wortelt in oude gebruiken – Joelfeest; roe en vruchtbaarheid; koekjes; Odin en Sint-Nicolaas; huidig snoepgoed verwant met oude symboliek.

[26] Sint-Nicolaas in de poppenkast
Jenny Crum over: een eenvoudig poppenkastspel voor kleuters; voorbeeld van poppenkast en enkele kleding.

[27] Sint-Nicolaas bestaat niet
Wendela van Mansvelt over: jeugdherinneringen aan de twijfel’; kinderen gaan een keer twijfelen aan het bestaan van de goedheiligman
Hoe en wanneer vertel ik dat Sinterklaas niet bestaat; lieg je als je je kind laat geloven; tips om ‘het’ te vertellen (zie ook 28). 

[28] Hoe Sinterklaas stierf en toch voortleefde
Pieter HA Witvliet over: Een verhaal om het Sinterklaasgeheim te onthullen.
Jan de Bats: Hetzelfde motief in een ander verhaal.

[29] Zachtjes gaan de paardenvoetjes
Pieter HA Witvliet over: een domme fout: IK moet naar bedje toe, niet HIJ!

[30-1].Zwartepietdiscussie
Zwarte Piet is symbool; geen maatschappelijke realiteit.

[30-2] Zwarte Piet verbleekt

[30-3/1] Zwarte Piet krijgt de zwartepiet
In een artikel in Het Parool wordt de conclusie getrokken: Een vrolijk volksfeest kan en mag niet de bedoeling hebben dat mensen zich gediscrimineerd voelen. Maar om Zwarte Piet als slaaf af te schilderen, is historisch onjuist.

[30-3/2] Zwarte Piet krijgt de zwartepiet
De tegenstanders van Zwarte Piet zijn ervan overtuigd dat Zwarte Piet racistisch is en een symbool van de slavernij.
Maar historisch klopt dat niet: Piet Emmer in Trouw

[30-3] Ter verdediging van Zwarte Piet
Marcel Bas
over de historische Zwarte Piet; boekrecensie

[31] Vijf december ha dat is de blijde dag
Sint-Nicolaas in het verleden, in Nederland; hoe werd het gevierd; Sint-Nicolaas op de Waddeneilanden; in Friesland (Grouw).

[32] Sinterklaas
Dieuwke Hessels over: sinterklaas en andere heiligen in dit jaargetijde; Sinterklas en/in advent; Sinterklaas en Maria-Dan Udo de Haes; Sinterklaas thuis ontvangen?; ideeën hoe het thuis te vieren; Sinterklaas in de kleuterklas; liedjes; afbeeldingen; boeken; transparanten; knutselen: bakkerskist; suggesties geschenken; beschouwing over Sinterklaasfeest in deze tijd (2019) adventsprookje – Dan Udo de Haes; wichtelmannetje/wichtelen.


Drie feesten van de herfst
Hans ter Beek over: de 3 jaarfeesten van de herfst: Michael, Sint-Maarten, Sint-Nicolaas; 9 feesten van het jaar; ‘feesten van het lichaam’; Michaërl ‘denken’; Maarten ‘voelen’, Nicolaas ‘willen’.

Herfst – Michaël – Sint-Maarten – Sint-Nicolaas – herfst
Over: de 3 feesten van de herfst; sfeertekening; schenken; Sint en Piet als eenheid

.

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Sint-Nicolaas

.

376-354

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten Kerstmis (5)

.

HET FEEST VAN DE GEBOORTE

Er is in de laatste jaren*, binnen kerke­lijke kringen, wel eens overwogen het kerstfeest in tweeën te splitsen. Men wil dit doen uit verontrusting over de verregaande veruiterlijking, waarin het de laatste tijd is geraakt. Van de vie­ring op 25 en 26 december – zo zegt men – is toch niets meer te redden. Laat het dan maar blijven voortbe­staan waarin het langzamerhand is ontaard: het feest van de Horeca, van de relatiegeschenken – voor f. 150 miljoen per jaar – van de kerstkaarten – voor meer dan f. 60 miljoen per jaar – van de ‘happenings’ met popmuziek in de kerken. In plaats daarvan wil men het feest verschuiven van 25 – 26 de­cember naar Driekoningen op 6 janua­ri. ‘Laat dit voortaan het feest zijn van het Licht, in plaats van het feest van de lichtreclame’. Zo kan het, als feest van de Geboorte, worden beschermd tegen alle veruiterlijking. Met deze ver­plaatsing kan dan op 25 december weer zoiets als het oude Saturnaliafeest van de Romeinen worden ge­vierd, waarop de viering van Kerstmis tegenwoordig is gaan lijken.

Historisch gezien, is dit niet eens zo’n ingrijpende verandering. In de eerste twee en een halve eeuw na Christus werd Kerstmis niet gevierd op 25 december, maar op 6 januari, Epifanie, waarop niet de geboorte van Jezus werd gevierd maar de ‘Verschijning’ van Christus bij de Johannesdoop in de Jordaan. (Het Griekse woord Epifa­nie betekent verschijning.) Tevens is dit het feest van de Drie Koningen. Natuurlijk zullen er voor zo’n ver­schuiving over de drempel heen van de jaarwisseling, veel weerstanden moe­ten worden overwonnen. Niet alleen weerstanden op commercieel gebied maar ook op kerkelijk gebied. Het kerstfeest zal dan niet zozeer het feest van de Geboorte van het Jezuskind in de stal, of in de grot van Bethlehem zijn, maar van het verschijnen van het Christuswezen, als een geboorte. Min­der naar het verleden gericht en meer naar de toekomst gericht. Men kan daarbij denken aan de laatste woorden uit het Mattheüsevangelie: ‘En zie, Ik­zelf ben met u al de dagen, tot de vol­einding der wereld’. Natuurlijk zou dat een verlies zijn.

Voor veel mensen zijn juist de herin­neringen aan Kerstmis zoals jaar in jaar uit, in de familiekring werd gevierd, een kracht gebleven waaruit zij nog verder kunnen leven. Toch is vooral voor een moderne gene­ratie, een kerstviering tegenwoordig niet veel meer dan een ‘idylle’ bij het stalletje en de kerstboom, geheel ver­vreemd van de wereld waarin zij leeft, en waartegen eventueel zo hard moge­lijk geschopt moet worden. Maar of een verplaatsing naar een an­dere dag daarin enige verandering zal brengen?

Bovendien, de viering van het kerst­feest is niet een aangelegenheid van één of twee feestdagen. Het is het feest van de Geboorte, in de vier adventsweken voorbereid, zich voortzet­tend in de ‘twaalf heilige nachten’ – tussen 24 december en 6 januari – en uitlopend in het Epifaniefeest.

Waar het op aankomt is het beleven van deze continuïteit.

Dat is belang­rijker dan het kerstfeest ‘veilig te stel­len’ door het naar een andere dag te verplaatsen.
Kerstmis en Driekoningen vullen elkaar aan. Het feest waarop wij de aan­bidding van de herders gedenken en het feest waarop wij de verering van de koningen gedenken. De herders, die aan het Kind enkele gaven van de aarde offeren. De konin­gen die, geleid door sterrenwijsheid, vanuit het Oosten de weg naar het Je­zuskind in Bethlehem hebben gevon­den, en daar hun geheimzinnige offers, goud, wierook en mirre, schenken. Dat zijn de twee aspecten van het Ge­boortefeest die niet los van elkaar kunnen worden gezien, evenals het Lucasevangelie, waarin de komst van de herders wordt beschreven, niet kan worden losgemaakt van het
Mattheüs­evangelie, waarin de komst van de ko­ningen wordt beschreven. Herders en koningen staan niet op zichzelf. In de geschiedenis van Euro­pa hebben zij de sporen van tweeërlei ontwikkeling getrokken: de weg van de liefde en de weg van de wijsheid.
In de schilderkunst herkent men deze sporen: in de innige vroomheid en verstilde aandacht waarmee bijvoorbeeld een Vlaamse schilder zoals Hugo van der Goes het geboorteverhaal uit het Lucasevangelie heeft uitgebeeld, naast de feestelijke rijkdom van het wonder van knielende koningen, waarmee schilders zoals Gentile da Fabriano en Benozzo Gozzoli in Florence het ver­haal uit Mattheüs hebben afgebeeld. In de voorstelling die iets later Leonardo da Vinci hiervan geeft, krijgt de uitbeelding een haast apocalyptisch karakter. De Wijzen uit het Oosten brengen hun offers, maar in de donke­re schaduwen waaruit zij naar voren komen, speelt zich de tragiek af van al diegenen die de aanblik van het Kind, van ‘het Licht dat schijnt in de duis­ternis’, nauwelijks kunnen verdragen. ‘De tijd is vervuld, het Koninkrijk Gods is nabijgekomen, verandert uw gezindheid’.

Door dit schilderij van Leonardo ruist het woord van Johannes de Doper als stormwind, oproepend, ergens in een ver perspectief, visioenen van
ruï­nes, stijgerende paarden en strijdge­woel. Temidden daarvan het – kind, spelend met de geschenken der oude wijze koningen. Het beeld van de herders is innig en koesterend, maar in het beeld van de koningen wordt iets weerspiegeld van de impulsen die de loop van de ge­schiedenis beheersen…

Het Droomlied van Olaf Asteson
Daarmee is ook de overgang naar het Epifaniefeest aangeduid: de doop in de Jordaan met het ‘incarnatus est’ van de Christus op aarde.
‘Het Ko­ninkrijk Gods is nabijgekomen, veran­dert uw gezindheid’.

Hemelse wijsheid op aarde neergedaald om in mensenzielen te ontkiemen. Tegenover deze Verschijning, naar de toekomst gericht, wijkt iedere idylle, van een viering van het geboortefeest in de vertrouwde familiesfeer. Op dit contrast wijst een ander groot kunstwerk: het ‘Droomlied van Olaf Asteson’.

Enkele jaren geleden – 1975 – heeft in een kerstaflevering van Jonas hiervan een vertaling gestaan. Ik verwijs hierbij naar deze tekst. [niet op deze blog]

Dit lied werd in 1850 ontdekt door een predikant in Telemarken in een eenzaam dal in de bergen van Noorwe­gen. De naam Olaf Asteson is sterk met het verleden verbonden. Olaf be­tekent erfgenaam. Hij die van zijn voorouders geestelijk leven geërfd heeft. Aste is liefde, die zich door de bloedsbanden voortplant. Van genera­tie tot generatie.

Oeroud verleden. Duisternis in mid­wintertijd. Ruisend water. Sparren, sneeuwbergen.

Daaruit maakt zich het droomland van Olaf Asteson los. Hij is ingeslapen bij de kerkdeur op 24 december. Hij ont­waakt na de twaalfde dag. Hetgeen hij heeft beleefd, staat helder voor zijn geest: Wat de gestorvenen beleven, wanneer zij door de poort van de dood zijn gegaan. Het ontwaken na de dood. Maar Olaf Asteson is niet dood. Hij wordt wakker op aarde. Een initia­tie. Het woord komt van het latijnse ‘initium’ dat begin betekent. Dat heeft niets meer te maken met de geboorte­stroom vanuit de bloedsbanden, maar met het begin van een geestelijk ont­waken.

Drie beelden
Over wat hij heeft beleefd, geeft hij wéér in drie beelden, in drie episoden van zijn tocht door het hiernamaals.

Het eerste beeld speelt zich af, hoog in de wolken en in de diepte van de zee:
Ik ben geweest als de wolken zo hoog en dieper nog dan de zee… wie volgen wil het spoor van mijn voet vergaat er het lachen alree.

Dan komt hij voor de Gjallarbrug:
Die hangt daar heel hoog in de wind. Drie wachters bewaken de toegang: Een kwade slang en een bijtende hond in het midden een dreigende stier. Daarna komt de beproeving in de we­reld van de elementen; de duizeling­wekkende hoogte boven de afgrond, de diepte van het moeras, waar de grond onder je voeten wegzakt.

Het tweede beeld beschrijft ‘Broksvalin’, het land waar de zielen staan voor het wereldgericht. Waar iedere daad. die men vroeger gedaan heeft weer op je terugslaat. Een jonge man die een kind heeft vermoord moet dit in alle eeuwigheid op zijn armen dragen. De gierigaard moet rondwaren in een mantel van lood omdat hij in tijden van duurte enghartig was voor wie iets vroeg. Zijn loden ziel, zwaar van hebzucht, is hem nu tot een mantel geworden.

Ten slotte het derde beeld. Wie op aar­de ‘aan de armen schoenen heeft ge­geven, behoeft op de boze doornige heide geen doornen te vrezen’. ‘Wie brood heeft uitgedeeld, hem doet de hond op de Gjallarbrug geen kwaad. Wie koren heeft uitgedeeld, hij be­hoeft de hoorn van de stier niet te vre­zen. Wie armen kleren heeft gegeven, Hij hoeft niet te vrezen het rijk van de geest als het blauwende ijsveld wenkt.’

Apokalypse

Het ‘Droomlied van Olaf Asteson’.

Het lied van slapen en waken. Van slapen op aarde, van het ontwaken in de geestelijke wereld. Het is het lied van de twaalf heilige nachten tussen Kerstmis en Driekonin­gen, tussen Kerstmis en Epifanie. Een ander beeld dan dat van de idylle bij de kerstboom. Biedt deze tijd mis­schien een surrogaatbeeld daartegen­over? Men kan hierbij denken aan de film ‘Apocalypse now’, waarin de jeugd het vagevuur van een oorlog in het Verre Oosten, of.. .de hel van een andere oorlog die ons in de toekomst bedreigt, kan ondergaan. Dat alles, na de televisiebeelden van de Holocaust, zes maanden geleden, met de ver­schrikkingen van het tot het verleden behorende Derde Rijk van Hitler.

Apocalypse betekent letterlijk ‘onthul­ling’. Holocaust betekent brandoffer. Twee woorden die, losgemaakt van hun bijbelse achtergrond als namen van filmprojecten, die vele miljoenen dollars hebben gekost, vanuit Amerika over de wereld worden verspreid. Heb­ben zij misschien toch iets te maken met een ontwaken in een ‘apocalyp­tisch’ tijdperk, zoals de komende 21 jaar wel eens worden genoemd?
Met het overschrijden van een drempel tus­sen de 20e en de 21e eeuw? Of, het moge nog eens worden herhaald, met de woorden van Johannes de Doper: ‘Verandert uw gezindheid’?

Wie zich niet afsluit in het eigen gezin, binnen de eigen wereldbeschouwing, binnen de eigen politieke partij, bin­nen de eigen vakorganisatie, is zich van dit alles wel wat bewust. Bewust ook van de anonieme machten waar­achter de mens verborgen is geraakt. Bewust van de vele sluiers waarmee tegenwoordig menselijke verhoudin­gen worden toegedekt: de sluiers van een ‘vrije marktorde’, de sluiers van ‘het geld’.

Wat zou er niet allemaal ‘onthuld’ kunnen worden, om van achter al die sluiers de mens weer tot verschijning te brengen…?

Daarover zal in het komende jaar in Jonas nog veel kunnen worden ge­schreven, opdat zichtbaar wordt, niet alleen de mens maar vooral ook zijn onderlinge verbondenheid en weder­zijdse afhankelijkheid in de mensheid.

‘Wir sind auf einer Mission. Zur Bildung der Erde sind wir berufen.’

Woorden van Novalis, die twee eeu­wen geleden zijn geschreven en mis­schien pas over twee eeuwen ten volle zullen worden begrepen.

‘Bildung der Erde.’ Gestalte geven aan de leefbaarheid op aarde. Dat zag No­valis als een christelijke opgave. Daarin lag voor hem de betekenis van het Geboortefeest en de zin van de komst van Christus op aarde.

(Arnold Henny, Jonas 8/9, *14-12-1979)

.

Kerst: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: Kerstmis     jaartafel

.

375-354

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

­

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden

.
Carel Eckhart, nov. 1987, nadere gegevens onbekend
.

ACHTERGRONDEN VAN DE KERSTSPELEN

Gaarne wil ik trachten te voldoen aan het verzoek om iets te vertellen over de kerstspelen, zoals wij die nu kennen en zoals ze in honderden vrijescholen over de hele wereld en in andere ‘antroposofische’ instituten en werkverbanden, in vele talen, over de hele wereld worden gespeeld.
We spreken dan over de drie spelen: paradijsspel, kerstspel en driekoningenspel, waarvan het middelste ook een trilogie is. Het bestaat nl. uit een verkondiging (die zeer wel apart, bv. met advent zou kunnen worden gespeeld), een geboortespel en een herdersspel.

Zoals we de spelen nu kennen, zijn het noch typisch middel­eeuwse spelen, noch ‘primitieve’ spelen, in die zin dat men alleen met de juiste stemming ( ‘een vroom gemoed’) deze spe­len aankan. Men moet erop studeren, men moet met een zekere mate van kennis van zaken de spelen instuderen, en met name moet men de moeilijkheden die muziek en het zingen bieden, niet on­derschatten (vroeger werden de spelen helemaal gezongen).
Vooral moet men zich hoeden voor het gevaar van de routine, in de zin van: ‘de meeste spelers kennen hun rol nog van vorig jaar, dit maal zal het met een enkele repetitie ook wel gaan.’ Datgene waar het in de spelen om gaat, moet telkens weer nieuw ontstaan. Het laat zich  niet forceren.
Naast het zojuist genoemde ‘vroom gemoed’ is ook veel geduld, kennis van achtergronden en spirituele zin, alsmede een groeien naar een sociaal-kunstzinnig geheel in de groep waarin het wordt gespeeld, nodig. Eén ding moet van meet af aan duidelijk worden ge­steld: in oorsprong zijn de spelen niet voor kinderen bedoeld, maar voor volwassenen.
Het pedagogisch inzicht van Rudolf Steiner, de ver­anderde tijd waarin wij leven, (in geesteswetenschappelijke zin spreekt men van het ontwakende bewustzijnszielentijdperk) en zeker niet in het allerminst de bewerking die Rudolf Steiner zelf aan deze stukken heeft gegeven, maken het mogelijk en gewenst om ze regelmatig aan zoveel moge­lijk mensen te tonen. Men mag zeker stellen, dat hij ze van de grond af aan nieuw heeft willen schrijven en arrangeren, maar dat hij dit werk volgens eigen zeggen, niet helemaal heeft kunnen voltooien.
Als men de ons bekende versie vergelijkt met de teksten die Rudolf Steiner als student heeft gekregen van zijn leraar Karl Julius Schroër, dan vallen de verschillen duidelijk op (zie ‘Ansprachen zu den Weihnachtspielen aus altem Volkstum, gehalten in Dornach 1915 bis 1924, Rudolf Steiner Verlag, Dornach/Schweiz).
Rudolf Steiner over: de kerstspelen

Als nu de vraag gesteld wordt: hoe en waar zijn deze spelen ontstaan, dan moet men zeggen: in het verre verleden, met bepaalde wortels tot in de tradities van het Griekse drama. Als pogingen om elkaar als mensen onderling uiterlijk-fysieke gebeurtenissen, evengoed als innerlijke zielenbelevenissen in beelden te vertellen. Men leefde tot in het begin van onze jaartelling nog sterk in de sfeer van de ‘oerbeelden’, de platonische schouwingen, en minder in abstracte denkinhouden en gedachtegangen. Het ‘denkbeeld’ was nog heel levend. Op grond van in het begin van de vijftiger jaren en later, gevonden oude perkamenten rollen in de Dode Zee en in de Sinaï, heeft men kunnen vaststellen dat de gebeurte­nissen die in de spelen worden beschreven, ook uiterlijk op aarde heb­ben plaatsgevonden. Tegelijk echter waren het beelden voor ziele-ontwikkelingen en mensheidontwikkelingen (Paradijsspel !).
Men kan de spelen ook zo beleven, dat men ontdekt: iedereen is een beetje iedere uitgebeelde gestalte; het geheel zit in iedereen en iedereen is het geheel. De waard zit in ons, ook Adam c.q. Eva. We hebben de herders in ons, evenals de schriftgeleerde, enz. Men kan spreken van een beeldencanon, van apocalyptische beelden, van ‘runen’ in de wereldgeschiedenis, die men moet leren lezen.
Ook lag er later een poging aan ten grondslag om de Heilige Schrift, waarvan men in de kerk alleen in het Latijn vernam, in de eigen volks­taal in beelden te kunnen beleven.

Het werk dat Rudolf Steiner aan deze spelen heeft verricht, bestaat hoofdzakelijk uit het verwijderen van door tijd en plaats ontstane ‘aangroeisels’ en het terugzoeken van de oorspronkelijke oerbeelden.
Zo worden deze spelen verwant aan de mythe, sprookjes, sagen en legenden, die zo talrijk in de eerste duizend jaren van onze jaartelling zijn ontstaan. Door de bewerking van Rudolf Steiner werden ze als het ware ‘modern’, of beter nog: tijdloos.

Het Paradijsspel is voornamelijk episch van karakter. Het speelt zich duidelijk af in de sfeer van de Vader God. Het is het meest monumentale van de drie spelen. Wie regel voor regel overdenkt, ontdekt diep verborgen – soms maar even aangeduide – wetmatig­heden van mensheids- en wereldontwikkeling vanaf een oerverleden tot in een verre toekomst:
‘Tot ik U langzaam wederkeren heet!’
Het is het kortste spel, dat tegelijkertijd alles omvat. Het krijgt daardoor
boven­menselijke maatstaven. De oude Grieken zouden het zeker op kothurnen hebben gespeeld, hoge laarzen, waar­door de acteurs bovenmenselijk groot leken! Een spel dat om veel, maar sterk gevulde pauzes vraagt, om plechtigheid, om zeer duidelijk gearticuleerde taal, kortom om stijl. Geen woord mag er verloren gaan. Het is het verhaal van de grote belofte, waar Lucifer ingrijpt in een poging om het Goddelijke bestel te doorbreken. Lucifer is, in tegenstelling tot de Duivel uit het Drie Koningenspel: een vlammend verleidelijk licht-schaduwwezen, ijdel en hoogmoedig, overmoedig zelfs.

Het eigenlijke kerstspel is voornamelijk lyrisch van karakter. Hier staat de Zoon centraal. Eerst is er de Ver­kondiging (zie afbeelding, ets van Dürer):
kerst Dürer Verkondiging

die zoals onze kalen­ders ons leren, in het voor­jaar, nl. op 24 maart valt. De centrale zin, ja het oermotto, dat aan het opvoeren van alle kerstspelen ten grondslag ligt, zijn de woorden: “Ziet de dienstmaagd (de dienst­knecht) des Heren, mij ge­schiede naar uw woord!”
Wie zo een gesprek mocht voeren met de bode van de Heilige Geest, die kan niet meer zonder Godsvertrouwen zijn. Daarom is Maria altijd de opgewekte, troostende lichtgestalte. Nooit melancholisch. Zelfs de zwaarte van de aardse geboorte wordt overstraald door het licht, waarvan zij weet, omdat zij, zoals Rudolf Steiner eens uitlegde, kan schouwen in het rijk van de levenskrachten. Daarom beeldt Rafaël haar steeds uit met een glimlach, en vindt men in de kathedraal van Chartres een Madonna die in een boek leest, waar op de bladzijden duidelijk een alfa en een omega staan; een duidelijke rune is het gebaar van Josef, die zich afwendt bij de geboorte. Een oude legende zegt, dat Josef niet kon geloven dat Maria een kind zou krijgen van de Heilige Geest en niet vanuit de tradities van het Joodse volk. Hij wil haar verlaten, tot dat ook hem de Engel verschijnt (helaas niet in ons spel) en hij daarna haar volkomen kan aanvaarden.

Een rune is ook de tocht van de herders door het duister. Men kan niet
aan­nemen dat drie mannen die in hetzelfde dorp wonen, daar de weg niet zouden kennen. Het is een innerlijk licht dat zij zoeken, dat dan tenslotte in het ‘hardstikke donker’ in de verte voor hen verschijnt.

De waarden waren oorspronkelijk: een protserige waard, zijn gierige vrouw en zijn dienstmaagd. Men moet de teksten daar weer aan aanpassen. Een spiri­tuele regie leert dat men het veld met de herders rechts* op het toneel moet zien (gezien vanuit de toeschouwers) en de boom met de rozen en de kribbe, links op het toneel. [dit is een soort tegenspraak met wat de auteur bij het driekoningenspel zegt]
Een oerbeeld is dat ook de herders, evenals de waarden en andere groepen van figuren in de spelen, in drievoud verschijnen. Het beeld van de drieledige mens. Drie leeftijden, drie temperamenten, drie geschenken, enz. Het is ook als een geheimzinnige rune te beschouwen dat men de herders, evenals de drie koningen, daar waar dat kan, in een gelijkzijdige driehoek opgesteld ziet, evenals het feit dat de herders liggend slapen en de openbaring van de Engel ontvangen, terwijl de Koningen daarbij geknield zijn.
Al is dit spel een lyrisch spel genoemd, het mag nooit sentimenteel worden. De humor komt een ruime plaats toe, evenals de echte vroomheid.

Terwijl het middelste spel de gebeurtenissen weergeeft volgens het evangelie van Lucas, beschrijft het driekoningenspel de gebeurtenissen zoals Mattheüs die overlevert. Het driekoningenspel is voornamelijk dramatisch van karakter. Het ingrijpen van de Heilige Geest wordt hier op meerdere plaatsen duidelijk: in de wijsheid van de Drie Koningen, in de waarschuwing van de engel die Jozef en Maria maant te vluchten voor Herodes’ geweld, maar vooral in de verschijning van Maria voor Herodes met de woorden: “Machtige koning, gedenk aan barmhartigheid”.
In overeenstemming met de traditie is dit ouderpaar heel anders dan bij Lucas. Het kind ligt niet op stro zoals bij Lucas, maar zit op de knie bij de moeder en neemt de geschenken in ontvangst. Dit is het spel van licht (rechts) en van duisternis (links) met het Kind in het midden.

Het getal vier speelt in dit spel een geheimzinnige rol. In het kerstspel verscheen naast de drie herders een vierde, een geheel andere dan zij.
Zo ziet men hier naast de drie koningen als vierde of het Kind, of Herodes.
Het is alsof het spel in deze beeldenopzet als het ware de keuze aan de
toeschouwer laat. Naast de drie schriftgeleerden zien we een vierde, nl.
Viligratia. Het element van de vrijheid komt in zekere zin ook nog op een ander moment naar voren. Maria met haar kind stelt Herodes als het ware voor de keuze: zal hij uit inzicht het goede doen, of zullen boze krachten in hem triomferen. Als de heilige stem van het geweten spreekt zij tot hem in hem. Maar er is een geweldige strijd in en om de ziel van Herodes gaande.
Boven staan de drie schriftgeleerden, het uiterste van menselijk intellect, intolerantie, fanatisme levensvreemde paragrafendienaren, Ik-loze figuren die hun wensen aan hun schriftrollen hebben verpand. Het zijn, zeker in het Jerusalem van die dagen, machtige figuren. Zou Herodes hun anders wel om raad vragen?

Onder Herodes, als het ware zijn onderste mens zijnde, zijn driftleven aansprekend, staan de drie boze trawanten, lakei, hoofdman en soldaat, tot elke misdaad in staat, eveneens Ik-loze wezens, gewillige uitvoerders van Herodes’ opwellingen.
We mogen denken aan hetgeen reeds Schiller schreef over Formtrieb en Stofftrieb. In het midden wilde hij de ‘Spieltrieb’ als de bron van Goddelijke fantasie en scheppingskracht, als de bron ook van het geweten zien. In het vrijeschoolonderwijs spelen deze beschouwingen van Schiller een grote rol. In het midden heeft Herodes nu juist ………..een groot gat! Tevergeefs doet Maria bij hem een beroep op dat midden, op die bron van moraliteit. Onwillekeurig rijst bij mij bij deze scène steeds het beeld op dat Zadkine voor de stad Rotterdam heeft gemaakt; een wanho­pig mens wiens hart uit het lichaam is gerukt.
Is dat niet het beeld van Herodes? Is dat niet het beeld van vele tijdsziekten? Hoe veel wordt er in onze antroposofische therapeutica gewerkt juist aan de versterking van de krachten van het midden! Dat zijn de krachten van Maria! De duivel in dit spel draagt, vergeleken met de duivel van het paradijsspel, meer satanische trekken. Deze duivel is meer de cynische intrigant, de som­bere Heer des Doods.
De drie schriftgeleerden zijn niet in de eerste plaats karikaturen van Joden. Ook andere figuren in deze spelen zijn Joden! Zij zijn karikaturen, oerbeelden van menselijke eenzijdigheden. Pathologische verschijnselen van ‘zieke’ mensen, verschijnselen die bij ieder van ons in meerdere of mindere mate kunnen voorkomen, zoals Schiller al beschreef. Juist de krachten van het midden moeten de pathologieën overwinnen.
Iets dergelijks geldt ook voor hetgeen de drie boze trawanten symboliseren, zeker als hun driften ongebreideld kunnen voortwoekeren. Toch is er in de ziel van Herodes nog één sprankje menselijkheid overgebleven. Het berouw, de wens om het vreselijke dat gedaan is, gedeeltelijk althans weer ongedaan te maken door een tegendaad te stellen. De hoofdman, die ook in Herodes is, spreekt berouw uit en brengt het offer van zijn leven. In dit gedeelte van onze spelen is, zoals u ziet, het runekarakter sterk aanwezig. De beelden willen gelezen en dan begrepen worden!
In deze grootse en grote beeldencanon die door de drie spelen voor ons wordt uitgerold ligt – zoals Rudolf Steiner eens zei – de hele mensheidsontwikkeling uitgebeeld. Het spelen van deze spelen brengt ons in het grensgebied tussen toneel en cultus, als ik dat zo mag zeggen. Maar is niet al het toneel uit de cultus ontstaan, in oorsprong?
In de veelheid van beelden lijkt mij voor velen van ons direct van toepassing: de wil van de herders om met zijn drieën op weg te gaan, om door het donker heen het huis te vinden waar een licht brandt, om daar te vragen of zij ons “daorgunder mogten wijsen, hoe dat me moeten gaen, om dra comen bij dat kinde aen!’

*In Den Haag spelen de herders – vanuit de zaal gezien – links op het toneel. Veltman motiveerde die kant op basis van aanwijzingen in Steiners  Dramatische Kurs.

.

Kerstspelen: alle artikelen

Antrovista: archief V.O.K  over de kerstspelen

VRIJESCHOOL in beeld: Kerstspelen

.

374-353
.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (4)

.

KERSTMIS

Een nachtgebeuren vol tegenstellingen

De kersttijd is, ondanks het ideaal van rust en vrede, bij uitstek een tijd van haast en prikkelbaarheid. Het is niet de enige tegenstelling waar­mee Kerstmis ons confronteert. ‘Juist in het middernachtelijk uur, waar de duisternis het grootst is, valt de geboorte van de ‘God van het Licht’.

Zoals een geboorte niet mogelijk is zonder voorafgaande conceptie en zwangerschap, zo is Kerstmis – bij uitstek het ‘geboortefeest’  -niet denkbaar zonder de voorafgaande ‘ver-wachtings-tijd’ van advent. En zoals op een geboorte de doop kan vol­gen of op zijn minst de naamgeving als een bevestiging van de incarnatie, zo volgt – van­uit dezelfde harmonische wetmatigheid – aansluitend aan de kersttijd het feest van de epifanie (verschijning van boven) ook wel driekoningentijd genoemd. Op de zesde ja­nuari, wanneer dit feestgetijde begint, wordt de doop van Jezus in de Jordaan herdacht, waar hij in zekere zin zijn eigenlijke naam en wezen ontvangt, namelijk Christus. Aan het begin van het christelijke jaar, (daar­over schreef ik in Jonas van 1 april 1983 uit­voeriger in het artikel ‘Wanneer is het jaar ja­rig?’) staat dus een drieheid van feesten, die innerlijk zodanig met elkaar samenhangen, dat we zelfs van een drieëenheid kunnen spreken. Dat deze wat overmoedige woord­keuze wellicht toch gerechtvaardigd is, blijkt hopelijk uit het navolgende.

Avond

De schepping van de wereld, zoals deze in het eerste boek van Mozes (Genesis) is be­schreven, wordt voltrokken gedurende zes, respectievelijk zeven dagen. Hoewel we ons uiteraard van een dergelijke dag niet de voor­stelling van een etmaal van 24 uur moeten maken, heeft deze tijdspanne kennelijk toch het karakter van een dag: ‘En het was avond geweest, en ochtend geweest: een wereld­dag’.

Hoe groot en lang een dergelijke goddelijke werelddag ook is, zij gaat – zoals iedere dag – ten einde en wordt door een andere gevolgd. De avondschemering, het einde van een wereldomvattende tijdspanne zien wij bij­voorbeeld in verschillende voorchristelijke culturen, waar het licht van de godenwereld voor de mensen verduisterd werd. Of het nu in Egypte de ‘versluierde Isis ‘werd genoemd of in Griekenland ‘de grote Pan is dood’ of dat in de Germaanse mythologie sprake is van de ‘godenscheme­ring’, overal klinkt eenzelfde stemming van ondergang van het licht, van avondscheme­ring, van zonsondergang. Maar tegelijkertijd groeit in al deze culturen de verwachting van de komst van het godde­lijke licht op aarde. Om die reden spreekt men wel van ‘adventsculturen’. Over advent heerst de stemming van het ein­de van de dag, avondschemering. In dit ver­band is het tekenend dat bij de adventscultuur bij uitstek, het jodendom, de tempel zodanig is gebouwd, dat het allerheiligste in het westen is gelegen. Het religieuze leven is naar het westen, naar de zonsondergang ge­keerd.
Het is ook opvallend, hoe niet zozeer de zon, maar  juist de maan zo’n grote rol speelt in de joodse godsdienst. De volle maan werd als symbool gezien zowel van de hogepriester als ook van het volledig vervuld zijn van heilza­me wijsheid. Nog belangrijker is de nieuwe maan (n.b. juist in het westen te zien, even nadat de zon is ondergegaan!) omdat bij de nieuwe-maanbijeenkomsten aan de profeten de gelegenheid werd gegeven tot het volk te spreken. Meerdere malen lezen wij bij de profeet Ezechiël: ‘En het gebeurde op de eerste der maand (letterlijk, dus maan­maand), dat het woord van de Heer tot mij geschiedde, zeggende…’ Kennelijk heeft het wezen en de verschijning van de God der joden, Jahve, te maken met dat hemellichaam, dat door zijn schijngestalten aan de avondhemel een wassen, een wor­ding, dus ook een verwachting uitspreekt. Met advent – zo kunnen we zeggen – is onze innerlijke blik naar het westen gericht; avondstemming, einde van de dag. De wassende maan spreekt (of sprak?) een profe­tische taal van verwachting, van wording.

Nacht

Zoals op de avond de nacht volgt, zo volgt Kerstmis op advent, want is het kerstfeest niet inderdaad bij uitstek een gebeuren van de nacht?

De koude en de duisternis in deze tijd (al­thans op het noordelijk halfrond) drukken uit dat we ons in de ‘nacht van het jaar’ bevin­den. Kerstmis is het enige christelijke feest dat te middernacht wordt gevierd, hetgeen ook in het Duitse woord Weihnachten tot uitdrukking komt. Het is in dit verband nau­welijks een toeval te noemen, dat midden in deze tijd van de ’13 heilige nachten’ onze jaarwisseling valt: ook weer een midder-nachtsgebeuren.

Kortom, zoals advent avondkarakter heeft, zo is Kerstmis een nachtgebeuren. Tevens kunnen we ieder jaar waarnemen, dat het een feesttijd vol tegenstellingen is. Tegenover de duisternis en de koude wordt – meer dan welke tijd ook – licht en warmte beleefd. Het is zeer de vraag of dat van het vele kaars­licht komt, of dat juist het ontsteken van kaarsen een uitdrukking, een gevolg is van dit innerlijk beleefde licht. Ook andere tegenstellingen nemen we waar: ondanks het ideaal van de rust en de vrede van Kerstmis, is er nauwelijks een tijd te be­denken waarin zo veel gehaast wordt, zo prikkelbaar en gespannen nog van alles gere­geld moet worden.

Tegenover de vele goede wensen over en weer, zowel mondeling als schriftelijk als blijkt dat we aan elkaar denken, staat het feit dat er juist met Kerstmis zoveel bittere een­zaamheid wordt geleden. Kerstmis lijkt een feest van tegenstellingen te zijn, het geboor­teuur van het Christendom, dat wel ‘de gods­dienst van de paradoxen’ wordt genoemd. Juist in het middernachtelijk uur, waar de duisternis het grootst is, valt de geboorte van de ‘God van het Licht’. ‘Wanneer de nood het hoogst is, is de redd­ing nabij’. Dit is eenvoudig uitgedrukt (en zo bekend dat het als gemeenplaats klinkt) wat in werkelijkheid een machtig en heilig gebeuren is: het innerlijke, goddelijke licht wordt veelal pas zichtbaar in een tijd van nood, van ontbering, van duisternis. Bij bepaalde inwijdingmethoden wordt een belangrijke graad van ontwikkeling geken­merkt door deze paradox, namelijk het bele­ven van het goddelijke licht in de grootste duisternis. Om die reden wordt deze mijlpaal op de weg naar inwijding ook wel ‘het schou­wen van de zon te middernacht’ genoemd. Kerstmis vraagt een waakzaamheid in een tijd waarin wij normaal slapen, opdat het in­tieme,  ‘onzichtbare’ gebeuren toch ‘zicht­baar’ wordt, namelijk de geboorte van het licht in de duisternis, de zon te middernacht.

Dageraad

Op de dertien heilige nachten van de kersttijd volgt het feest van de epifanie (verschijning van boven). Wij kunnen deze overgang beleven als een dageraad, als een eerste ochtendgloren na de stille nacht.
In het Noorse epos ‘Het droomlied van Olav Asteson (oorspronkelijk reeds circa 400 n.C. ontstaan) wordt bezongen hoe Olav de heilige kerstnacht door een diepe slaap wordt bevangen en dan door de belevenis van een wonderlijke droom een inwijdingsweg gaat. ‘Hij ontwaakte eerst op de dertien­de dag, toen het volk reeds ter kerke ging’. Het lied waarin Asteson zijn middernachte­lijk schouwen – bij het licht van de dageraad – vertelt, eindigt met de woorden: ‘Sta op nu, gij Olav Asteson, lang hebt ge geslapen!’
Deze woorden doen me herinneren – temeer daar ze op driekoningendag zijn uitgespro­ken – aan een reliëf op een kapiteel in de kerk van Autun (Frankrijk) waarop de ‘drie wijzen uit het Morgenland’ slapend zijn afgebeeld, waarbij een engelgestalte met de ene hand hen behoedzaam maar duidelijk wekt en met de andere hand in de richting wijst waar de ster verscheen. Epifanie gaat met een ontwaken gepaard, een opstaan en een op weg gaan, de nieuwe dag tegemoet.

Het element van de ster zou ons weliswaar juist weer aan de nacht herinneren, maar bij nader inzien blijkt deze ster juist het karak­ter te hebben van de vroege morgen, van het ochtendgloren.

Het Mattheüsevangelie beschrijft hoe de ko­ningen of priesterwijzen uit het Oosten ko­men, dus uit het Morgenland, waar zij ‘Zijn ster hebben zien opgaan’. Het is ook begrij­pelijk dat na de allesoverheersende goden­schemering en de daaropvolgende nacht de geboorte van God op aarde wordt aangekon­digd in het teken van een nieuwe dag, in het opkomende licht van een ‘scheppingsdag’. De ster is sinds mensenheugenis het teken ge­weest van de individualiteit van de mens, zijn eigenlijke wezen, zijn ik. In het oude spijker­schrift van de Syriërs betekent het symbool de engel,

kerst Syrisch symbool

de genius die de mens leidt. De priesterwijzen uit het Oosten hebben ‘Zijn ster zien opgaan’, die ster namelijk waarmee Christus zijn eigen wezen tot uit­drukking brengt wanneer hij ons dat open­baart met de woorden: Tk ben de wortel en de stam van David, de blinkende Morgenster’ (Openbaringen 22).

Het wezen van Christus komt tot uitdruk­king bij de overgang van de nacht naar de dag, waar het eerste morgenrood de dag aan­kondigt en de zon in het oosten opkomt. Zo­als het allerheiligste van de joodse tempel in het westen is gelegen, aan de avondkant van zonsondergang, zo staat het altaar van de christelijke kerk naar het oosten gericht. Het altaar staat daarmee letterlijk en figuurlijk in het teken van Pasen, van dood en opstan­ding: ‘En zeer vroeg in de morgen van de eer­ste dag van de week, toen de zon opging, kwamen zij aan het graf’ (Marcus 16).

Mythe van de 20e eeuw

De drieëenheid van advent, Kerstmis en epi­fanie, die weerspiegeld is in avond, nacht en ochtend krijgt nog een bijzondere glans door het licht, dat van maan, zon en sterren daar­op schijnt.

In de zogenaamde kleine apocalypse, zoals deze onder andere in het Lucasevangelie is opgenomen en die volgens christelijke tradi­tie in de adventtijd wordt gelezen, wordt beschreven dat er ‘tekenen zullen verschijnen in zon, maan en sterren’ en hoe de mensen ‘in die tijd zullen schouwen de Zoon des Mensen’.
In de ‘grote’ apocalypse, de Openbaring van Johannes, wordt ook een teken beschreven, waar zon, maan en sterren een belangrijke rol spelen. Aan dat beeld wordt hier herinnerd omdat het tevens in het teken staat van de geboorte, dus van het kerstgebeuren. Johannes beschrijft daar:
‘En een groot teken werd zichtbaar in de hemel: een vrouw, gehuld in de zon, de maan onder haar voeten, op haar hoofd een kroon van twaalf sterren; en zij was zwanger en riep in de weeën en pijnen der baring’.

Tegenover dit beeld van de vrouw die gehuld is in drievoudig hemellicht, verschijnt ‘een ander teken…: zie een vuurrode draak met zeven hoofden en tien hoornen en op zijn hoofden zeven diademen; zijn staart veegde een derde van de sterren des hemels weg en wierp ze in de aarde’.
Hoewel een dergelijke beschrijving voor ons nuchtere 20ste-eeuwers meer van een sprookje weg heeft dan van de realiteit, mogen we anderzijds zeggen, dat het wellicht bij uitstek de mythe van de 20-ste eeuw genoemd mag worden.
Zelden heeft het denken van de mens zo’n eenzijdig intellectualistisch en verstard ka­rakter gehad als in deze tijd, zodat een man als Albert Einstein waarschuwend zegt: ‘Wanneer ons denken niet verandert, zijn de dagen van de geciviliseerde mensheid geteld’.
Ook de tegenoverliggende pool in ons zielenleven, de wil, leeft zich in vele opzichten eenzijdig en onbeheersd uit. De draak wordt beschreven met deze beide polen in hun ex­treem: de zeven koppen en de staart. Het harmoniserende, evenwichtscheppende mid­den ontbreekt daar volledig. De extreme een­zijdigheden bedreigen de verwerkelijking van grote idealen.

De grootste en belangrijkste impulsen kun­nen juist hun verwerkelijking vinden, kunnen ‘geboren’ worden wanneer dat ‘andere den­ken’ (om met Einstein te spreken) de veelzij­digheid en de helderheid heeft als een kroon van twaalf sterren. Wanneer de krachten, die vaak zo onbewust in ons wilsleven rumoeren souverein kunnen worden beheerst, dat we ze in handen krijgen, of ook ‘onder de voe­ten’, en wanneer ten slotte de krachten van het midden, die met het hart te maken heb­ben (en die juist bij het dreigende beeld van de draak ontbreken), groot en allesomvat­tend worden als een warme, stralende zon die ons omhult.

De volgorde van christelijke feesten blijkt onderworpen te zijn, of – beter gezegd -blijkt de uitdrukking te zijn van een wijs­heidsvolle orde: in de Michaëlstijd wordt met het zwaard en de weegschaal de draak bestreden en bedwongen. In de mate waarin dit laatste is gelukt, kan ook het geesteskind dat in onze ziel groeit, geboren worden.

Dit is Kerstmis

(Maarten Udo de Haes, Jonas 8/9/, 16-12-1983)

 .

Kerst: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: Kerstmis     jaartafel

.

373-352

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (15)

.

ADVENT IN DE 1E KLAS

Vrijdagmiddag (27 november*) kwamen enkele ouders de kerst­stal en kerstgroep brengen. Nieuwsgierig en blij heb ik alles bekeken. Nieuwsgierig, omdat ik niet wist hoe het eruit zou zien en blij omdat het een fijn gevoel is om te weten dat ouders je helpen en dingen voor je maken.

Hoe het eruit ziet? Kom maar kijken, ik ben er erg tevreden mee en wil iedereen die hieraan mee­gewerkt hebben heel erg bedanken.

Advent is voor mij de eerste keer, dat ik dit met een eigen klas beleef. Dit stukje werd aan de vooravond van de advent geschreven. Alles is voorbereid en doorgesproken, de klas ziet er gezellig uit en ik heb al zin om te beginnen.

Deze hele periode door hebben we iedere dag bij het begin een vast adventgebeuren.
‘s Morgens komen de kinderen de klas in. We beginnen met de spreuk. Dan mag de engel (iedere dag een ander kind) de kaars in de adventkrans aansteken. Op de grond van de klas ligt een spiraalvorm van dennengroen, die naar het midden toe voert, waar een grote kaars staat. Elk kind mag bij ’t zingen en spelen van adventsliederen een eigen kaarsje aan deze grote kaars (die door de engel wordt aangestoken) gaan aansteken. Als dit gebeurd is, mag de engel een poortje van de adventkalender open maken en een pak­je uitpakken van de “adventslinger”. Daarna wordt er een verhaal verteld uit “Ma­ria’s kleine ezel” van Gunhild Sehlin. Wanneer dit gebeurd is gaan de kaarsen uit en spelen we het kerstspel.
Dan pas begint het hoofdonderwijs.

(Dit artikel – van juffie Huls, *nadere gegevens onbekend – ging nog verder met een voorbeeld uit het schrijfonderwijs)
 .

Advent: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: advent spiralen e.d.    jaartafel

.

372-351

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (3)

.

ADVENT EN KERSTMIS

Het is nog donker ’s ochtends als we opstaan, de dagen worden korter en de nachten langer. De kinderen komen moeilijk uit hun bed, ze zouden eigenlijk de dag pas willen beginnen als de zon opkomt. Gelukkig komt er plotseling een morgen dat het gras wit is en er een flinterdun laagje ijs op het water van een oude bloempot ligt.
De winter is begonnen!
Vanaf nu wordt iedere morgen dit tastbare bewijs van de winter gecontroleerd en gemeten. Zou er sneeuw en ijs komen met Kerstmis? De natuur staat nu uiterlijk helemaal stil, de bladeren zijn van de planten en bomen af. Alleen de dennen staan fier met hun takken omhoog groen te zijn, alsof ze willen aantonen dat het leven doorgaat, heel klein teruggetrokken in de dunne naalden, zoals al het leven zich even terughoudt in de aarde.

In déze donkere koude tijd vieren we advent. Vier zondagen voor Kerstmis maken we van dennengroen een krans, waar we vier kaarsen op zetten. Iedere zondag wordt er een kaarsje meer aangestoken, hoe donkerder de dagen hoe meer we wachten op de komst van het heldere licht aan de hemel van Kerstmis. Op de eerste adventmaandag op school lopen de kinderen in de spiraal van de adventstuin, geleid door de engel, naar de grote kaars in het midden en ont­steken daar allemaal hun eigen kaarslichtje dat in een sterappel staat. In het paradijs groeide de levensboom, de boom van goed en kwaad, met zijn stralende appels. Nadat Adam en Eva van de vruchten gegeten hadden, doofde het licht en werden zij uit het paradijs verdreven. Door hard werken op aarde en met het vermogen steeds nieuw leven te scheppen zal de mens zelf dit licht weer bewust aan moeten steken. Dat sterappeltje met zijn sterretje binnenin symboliseert dat teruggetrokken paradijslicht dat de mens met behulp van de komst van Christus weer ontsteken moet.

Op de jaartafel in de klassen zien we nu de stal van Bethlehem en in de eerste adventweek liggen er mooie stenen en kristallen.
In de tweede week komt daar iets groeiends en bloeiends uit de plantenwereld bij.
De derde week verschij­nen de dieren bij de stal en de vierde week de mens, de herders op het veld. Zo maken we alle vormen van het bestaan op aarde nog eens zichtbaar en kunnen de kinderen eerbied en bewustzijn ontwikkelen voor al het leven op aarde.

In Scandinavië wordt op 13 december het Luciafeest gevierd, dit feest valt precies voor de twaalf donkerste nachten voor kerstmis. Met haar verlichte kaarsenkroon wekt zij !s ochtends vroeg de mensen voor het ontbijt al zing­end over God die in de duistere nacht zijn kinderen licht heeft gebracht. We zien dat de oude heidense lichtfeesten uit het noorden samenvallen met het kerstfeest. Dit Germaanse Julfeest werd ook op 25 december gevierd. Twaalf nachten rustte de zon en moest ook de mens rusten: er mocht niet gewerkt wor­den. Uit Scandinavië kennen we ook het Droomlied van Olav Asteson, die de in­wijding beschrijft die deze twaalf nachten duurde.

Diezelfde twaalf nachten zijn ook de twaalf heilige nachten van Kerstmis, die duren tot 6 januari als de drie wijzen uit het Oosten het kind bereiken.

Ook de adventkalender helpt ons bij de voorbreiding op de komst van het kind Jezus. Iedere dag een luikje openmaken, waarachter steeds weer iets zicht­baar wordt van het leven op aarde en het naderende grote gebeuren, maakt ons ook van binnen steeds stiller. Langzamerhand leggen we de haast, de onrust en het steeds jachtiger leven van alle dag naast ons neer. We krijgen behoefte aan een mooie wereld, wandelen in de natuur, behoefte aan een aarde bedekt met sneeuw. Een witte kerst bedekt het gewone “vuile” leven, het millieu, de onrust en de eenzaamheid op straat. De wereld is dan stiller, geluid dat we niet willen horen wordt letterlijk en figuurlijk gedempt.

Toch moet de mens zelf, op eigen kracht, al zijn innerlijke vermogens mee naar binnen nemen, zoals de aard, de natuur, dat ook doet, om ontvankelijk te zijn voor de grote vernieuwende kracht die het vieren van de kerstnacht en de geboorte van het kind Jezus ons wil schenken. De twaalf heilige nachten geven ons de tijd en gelegenheid ons klaar te maken voor de maanden daarna waarin we zelf deze nieuwe gaven weer door moeten dragen in de wereld.
“Vrede op aarde in mensen een welbehagen” is geen cadeautje van het Kerstkind, maar is de steeds terugkerende en moeilijker wordende opdracht aan ons allemaal.

Op alle vrijescholen wordt de kersttijd intensief gevierd. Dit feest zo in het onderwijs geïntegreerd te mogen meemaken, geeft onze kinderen misschien de gelegenheid later Kerstmis en zijn opgaven beter te begrijpen en in te voelen. En als de leraren van de school de kerstspelen als geschenk aan de kinderen opvoeren is dat meer dan een toneelstuk opvoeren, meer dan het kerst­verhaal in beeld brengen, dan is dat de verwezenlijking van een kerstopgave die zij met elkaar op zich nemen voor de aan hen toevertrouwde leerlingen.

In alle klassen staat een kerstboom met voor ieder levensjaar van Jezus een roos, dertig rode rozen en drie witte rozen voor de laatste drie jaren van de Christus. Laat het kerstfeest voor iedereen een Christusfeest zijn.

(Annemieke Zwart, nadere gegevens onbekend)

.

advent: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

kerstspelen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld:  advent    jaartafel       Kerstmis    jaartafel

.

371-350

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (2)

.

KOSMISCH BEELD VAN DE WINTER

KERSTMIS ALS KEERPUNT VAN ZON EN MAAN

Zoals de ritmen van de natuur in verband ge­bracht kunnen worden met de grote jaarfees­ten, zo kan men ook een samenhang zien tussen de verschijnselen aan de sterrenhemel en het kerstfeest.
De onderlinge standen van zon en maan spelen daarbij een belangrijke rol.
Doordat die verschijnselen elk jaar weer optreden in deze tijd, geven ze steeds op­nieuw de mogelijkheid de verbintenis tot stand te brengen met bepaalde geestelijke werkelijkheden.
De jaargetijden worden in de natuur vooral gekenmerkt door de wijze waarop de plan­tenwereld zich in haar cyclus van ontkiemen, opbloeien, zaaddragen en afsterven manifes­teert. Deze cyclus is in haar jaarritme in sterke mate afhankelijk van de invloeden die zij uit de kosmos ontvangt. De zon levert daartoe een belangrijke bijdrage door haar wisselende lichtstroom. Het zonnejaar hangt samen met de beweging van de zon door de twaalf tekens van de dierenriem:
Ram, Stier, Tweelingen, Kreeft, Leeuw, Maagd, Weegschaal, Schorpioen, Schutter, Steenbok, Waterman en Vissen.
Sommige van deze tekens, overigens niet te verwarren met de beelden die dezelfde naam dragen — de beelden en de tekens van de die­renriem zijn in de loop van 2000 jaar één plaats ten opzichte van elkaar verschoven —, sommige van deze tekens kunnen zich hoog boven de horizon verheffen. De Kreeft spant hierbij de kroon. Andere beschrijven maar een heel klein boogje boven de horizon, zoals de Steenbok. Eind december- begin ja­nuari doorloopt de zon het teken Steenbok. De dagen zijn kort, de nachten lang. Een paar dagen na het moment van de zonne­wende (22 december) valt het kerstfeest.
In de huiskamers branden de kaarsen. De lichtwereld is te ervaren als binnenwereld, de bui­tenwereld is donker en koud. Ook de aarde heeft zich, tenminste op het noordelijk halfrond, geheel in zichzelf terug­getrokken. In haar jaarlijkse lichtademritme beleeft de aarde het moment van diepe in­ademing. Niet de uiterlijke kosmische zon overstraalt het aardeleven; het is een naar binnen genomen zonlicht waardoor de aarde innerlijk doorlicht wordt.

In deze tijd van het jaar heeft de aarde zich geheel van de kosmos afgesloten. De mens kan dat mee beleven. Niet de wijde ruimte roept de aandacht van de zintuigen, het is de innerlijke aardewereld, waarmee de mens zich verbonden kan voelen.

Twee wegen
De herders uit het Lucasevangelie was het mogelijk om vanuit hun oude aardeverbondenheid inspiratief de verandering van de aardekwaliteiten te beleven ten tijde van het kerstgebeuren.
In deze tijd kan men vanuit het moderne bewustzijn weer een toegang zoeken naar datgene wat men ‘aardegeest’ zou kunnen noemen. Herders hoorden engelenstemmen die de geboorte verkondigden. De wereld van de geest sprak zich uit in de sfeer der elementen.
In het Mattheüsevangelie vinden we de ge­beurtenissen rond de geboorte van Jezus heel anders beschreven. Wijze koningen uit het Oosten lezen aan de sterrenhemel af dat een belangrijke geboorte op aarde heeft plaatsgevonden. Imaginatief wordt door hen een uiterlijke constellatie van Jupiter en Saturnus begrepen als een kosmisch teken.
Langs twee wegen vinden aankondigingen van een geboorte plaats, door twee poorten wordt een wezen zichtbaar dat hemel en aar­de verenigt.
Tot het kosmisch beeld van de kersttijd be­hoort ook de maan. In de bijbel staat be­schreven hoe de god Jahve de komst van het Christuswezen op aarde voorbereidde.
Het Christuslicht kon in de tijd van voorberei­ding nog niet direct door de mens ervaren worden. Indirect, als door een spiegel, wordt dit licht zichtbaar gemaakt door de oudtesta­mentische god van Mozes: Zoals de maan het zonlicht zichtbaar maakt. Ten tijde van de Kerst vindt ten aanzien van zon en maan een keer­punt plaats: na de kortste dag (22 december) zal de zon in kracht toenemen, de volle maan die in deze tijd zijn hoogste stand be­reikt, zal hierna elke maand lager aan de he­mel staan. Dit kosmisch fenomeen van het maan-zonkeerpunt in de wintertijd is te ver­staan als beeld voor het aanbreken van het tijdperk van het zonnewezen Christus, waar­mee de voorbereidende taak van Jahve ten einde is. Op welke wijze kan het dierenriemteken Steenbok, het teken waarin de zon in de kersttijd staat, iets zeggen over de kwalitei­ten van de kerstdagen en de twaalf heilige nachten daarna?‘

Das Künftige ruhe auf Vergangenem
Vergangenes erfühle Künftiges
Zu kraftigem Gegenwartsein’,
Zo begint de spreuk waarin Rudolf Steiner het teken Steenbok karakteriseert.
Steenbok, keerpunt der zon, keerpunt der tijden. Eerbied voor het verleden, de tijden der voorbereiding, strevend naar de toe­komst, bewust staan in het heden.

Kerst — jaarwisseling — heilige nachten van uiterlijke verstilling, vol innerlijk leven.

‘Das Künftige ruhe auf Vergangenem.
Vergangenes erfühle Künftiges . . . .’

Deze woorden klinken in de kersttijd van de etherische dierenriem.
.

Rinke Visser, Jonas 8/9, 19-12-1975

.

Kerst: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: Kerstmis     jaartafel

.

370-349

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent (14)

.

ADVENT, 1 JANUARI, PASEN

Wanneer is het jaar jarig:

Is advent, de eerste januari of Pasen het begin van het jaar?
‘Het jaar is een kringloop, zodat van een begin en einde in absolute zin geen sprake kan zijn.’

Maarten Udo de Haes doet in zijn artikel een poging tot het vinden van een beginpunt.

Wanneer een ring of de schakel van een ket­ting geen zichtbare naad vertoont of kenne­lijk niet gesoldeerd of gelast is, zal het onmo­gelijk, zelfs zinloos zijn een begin en einde aan te wijzen.

Ook bij de kringloop in de levende natuur, kunnen we moeilijk begin en einde bepalen. Wanneer we bijvoorbeeld naar de kringloop in de plantenwereld kijken, dan kunnen we terecht zeggen dat deze begint wanneer het zaad in de aarde valt. Maar is het bestaan van die zaadkorrel niet ondenkbaar zonder de vrucht, die daarvóór is ontstaan, terwijl die vrucht op zijn beurt ook weer het resultaat is van het ontkiemen van een vorige zaadkorrel en de groei en bloei die daar het gevolg van is? Kortom, het proberen te vinden van het begin staat gelijk met het bekende probleem van de kip en het ei. Wanneer ik bij een kringloop toch een begin moet bepalen – bij het natrekken van een cirkel bijvoorbeeld – dan zal ik ‘ergens moeten beginnen’, maar ik zal het zogenaamde beginpunt als absoluut willekeurig beschouwen. Het is namelijk geen objectief begin, maar subjectief door mij als zodanig aangewezen.

Ook het verloop van het jaar is een kring­loop, zodat van begin en einde in absolute zin geen sprake kan zijn. Ieder door ons be­paald ‘begin’ lijkt willekeurig te zijn. Zoals, bijvoorbeeld nu het burgerlijke jaar 1 januari begint, zo viel het begin vroeger kennelijk in maart, hetgeen wij nog uit de maandnamen september tot en met december (zevende tot en met de tiende maand!) kunnen afleiden. De gevolgtrekking ligt dan ook voor de hand dat of het jaar niet op een bepaald tijdstip een vanzelfsprekend begin of einde heeft, met andere woorden dat de jaren letterlijk eindeloos voortcirkelen, of dat het begin dat wij bepalen willekeurig is en dus toch geen echt beginkarakter heeft. Of – en dat is ook wel een mogelijke gevolgtrekking – is een begin wel degelijk als zodanig aanwijsbaar of ervaarbaar, terwijl tevens de mogelijkheid van andere momenten met beginkarakter niet uitgesloten wordt. Dat betekent dat een proces, een ontwikkeling, meerdere ‘begin­nen’ kan hebben. Een voorbeeld hiervan vin­den we in het Nieuwe Testament, wanneer we kijken naar de verschillende beschrijvin­gen van het evangelie.

De eerste woorden van het evangelie volgens Marcus luiden: ‘Begin van het Evangelie van Jezus Christus de Zoon van God,’ waarna de doop in de Jordaan wordt beschreven. Deze gebeurtenis ziet Marcus dus als het begin, en terecht, want daarmee begint inderdaad de werkzaamheid van Christus onder de mensen op aarde.

Lucas daarentegen plaatst aan het begin van het evangelie de geboorten van Johannes de Doper en Jezus. Ook dit is niet willekeurig, maar eveneens als het begin van het evangelie te beschouwen.

Het Johannesevangelie beschrijft nog weer een ander begin, namelijk de wereld van het scheppende woord van waaruit Christus stamt en wat Hij tegelijkertijd zelf ook is: ‘In den beginne was het Woord…’ Afgezien van het feit dat er zo drie ‘begin­nen’ van het evangelie aan te wijzen zijn, kan er zelfs nog een ander begin worden ervaren. Een begin dat weliswaar subjectief, maar daarom niet minder wezenlijk en beslist willekeurig te noemen is, namelijk het ‘begin van het evangelie’ valt op het moment dat ik ermee begin, het moment waarop het tot le­ven wordt gewekt in mijzelf. In dit verband moet ik denken aan het ge­dicht ‘Mein Jahr’ van Conrad Ferdinand Meyer, waarin hij tot uitdrukking brengt dat het tijdstip van zijn verjaardag niet zo zeer van buiten, door de kalender wordt bepaald, maar door het moment van een innerlijk be­gin, een initium. Het zijn die momenten in het leven waarop iets nieuws wordt geboren in de zin van een inspiratie of een besluit, een ontmoeting of een belevenis.

Mein Jahr

Nicht vom letzten Schlittengleise
Bis zum neuen Flockentraum
Zähl’ ich auf der Lebensreise
Den erfüllten Jahresraum.

Nicht vom ersten frischen Singen
Das im Wald geboren ist,
Bis die Zweige wieder klingen,
Dauert mir die Jahresfrist.

Von der Keiter nicht zur Keiter
Dreht sich mir des Jahres Schwung,
Nein, in Flammen werd’ich alter
Und in Flammen wieder jung.

Von dem ersten Blitze heuer,
Der aus dunkler Wolke sprang,
Bis zu neuem Himmelsfeuer
Rechn’ ich meinen Jahresgang.

Conrad Ferdinand Meyer

Drieslag
Misschien heeft de cyclus van het jaar of van de dag ook wel meerdere beginmomenten, ieder met een eigen karakter, met een be­paalde kwaliteit.
Wanneer we bijvoorbeeld naar het dagbegin kijken, zullen we in de eerste plaats aan de morgen denken, wanneer het licht wordt, de zon opgaat en over het algemeen de werk­dag begint. Vooral in het oude Babylonië werd het moment van de zonsopgang als dagbegin beleefd. Maar het begin van de burgerlijke dag valt op een heel ander tijdstip, namelijk te midder­nacht. Volgens de klok 24.00 uur of 0.00 uur, respectievelijk op het moment dat de zon onder de horizon het diepste punt heeft bereikt. Aangezien dit inhoudt dat het ‘grote licht van de dag’ op dat moment weer begint te stijgen, heeft dit tijdstip ook echt beginkarakter en is meer dan slechts een formele, min of meer willekeurige afspraak. (Hier is afgezien van het verschil tussen middernacht in astronomische zin en het tijdstip 24.00, dat voor een gehele tijdzone op aarde geldt.) Zelfs een derde dagbegin kan als zodanig worden beleefd, namelijk wanneer de dag ‘eindigt’ (’s avonds, respectievelijk bij zons­ondergang). Dit moment – dat onder andere in de joodse cultuur als begin van de dag wordt gezien – wordt gekenmerkt door het terugblikken op de dag die achter ons ligt en het vooruitzien, plannen maken of voorbe­reidingen treffen voor de volgende dag, die daarmee in kiem dus inderdaad begint. Ge­bruiken zoals sinterklaasavond op de avond vóór de eigenlijke verjaardag op 6 december of ook kerstavond of bijvoorbeeld het Duitse woord Sonnabend voor zaterdag wijzen nog op de realiteit dat de avond als einde van een dag eveneens de kiem van de nieuwe dag in zich draagt.

De innerlijke of religieuze dag begint ’s avonds en is te beschouwen als de kiemlegging, de astronomische of burgerlijke dag be­gint te middernacht, waar de dag als het ware geboren wordt, terwijl het begin van de werkdag in principe bij zonsopgang begint, waar deze kiemlegging en geboorte ten slotte tot verwerkelijking leidt. Deze drieslag, die in christelijke zin trinitarisch karakter heeft, vinden we eveneens te­rug in de opbouw van het jaar. Met advent, begin van het christelijk-religieuze jaar, wordt een kiem gelegd die ver­zorgd en beschermd wil worden. Met ver­wachting kijken wij uit naar het komende of zelfs naar De Komende. En niet slechts wij alleen leven ‘in verwachting’, maar er wordt ongetwijfeld ook iets van ons verwacht: dat wij innerlijk naar het komende toeleven, het mee-voorbereiden.

Het ‘tweede begin’ van het jaar is het meest exact aanwijsbaar, namelijk 1 januari 0.00 uur, het tijdstip waarop het burgerlijke jaar begint. Zoals advent de avond van het jaar genoemd kan worden, zo valt oudejaarsnacht in de middernachtstijd van het jaar. Daarbij is het opvallend dat dit moment tevens in het midden van de kersttijd valt, zodat in de feesttijd van de Geboorte kennelijk ook het jaar geboren wordt. Het aanvankelijk wille­keurig schijnende moment, blijkt bij nader in­zien diepere zin te hebben. Dit tijdstip geldt dan ook als het ‘officiële’ uitgangspunt voor onze jaartelling: Ab Incarnatione Domini.

Zoals bij de dag, kunnen we ook bij het jaar nog een derde begin aanwijzen of ervaren, namelijk Pasen. De opstanding uit het rijk van de dood is de verwerkelijking van datge­ne wat met kiemlegging en geboorte is voor­bereid. Met Pasen gaat al het voorgaande in vervulling. In die zin staat dit gebeuren on­der het motto: ‘Het is volbracht’. Maar dit draagt tevens een totaal nieuw begin in zich, vergelijkbaar met de schepping. De evangelist Marcus geeft een overduidelijke tijdsbepaling van dit gebeuren:

‘Toen de sabbat was voor­bijgegaan, kochten Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus, en Salóme geurige kruiden om hem te gaan zalven. En zeer vroeg in de morgen van de eerste dag der week, toen de zon opging, kwamen zij aan het graf’.

Aan het begin van de week – dus zondag – bij het aanbreken van de dag, bij zonsopgang, valt dit herscheppingsgebeuren. Hierbij worden we aan de woorden aan het begin van de Genesis herinnerd: ‘Er zij licht’. Naast het ‘Ab Incarnatione Domini’ als begin voor onze jaartelling, vinden we hier een heel ander uitgangspunt, dat we ‘Ab Ressurectione Christi’ kunnen noemen.
Pasen 1983* is dan te beschouwen als het begin van het jaar 1950, namelijk het 1950ste wederkerende jaar na het gebeuren van dood en opstanding van Christus. Op deze wijze is bovengenoem­de tijdsaanduiding ook weergegeven in de jaarlijks uitkomende Sternekalender van de mathematisch-astronomische Sektion aan het Goetheanum te Dornach. (‘Mit Ostern 1983 sind verflossen 1950 Jahre nach des Ich Geburt durch das Mysterium von Golgatha’).We kunnen bij het jaar dus ook drie begin­momenten onderscheiden, die alle als zoda­nig geldigheid hebben en qua karakter weer overeenkomen met de drie beginmomenten van de dag, die we kort kunnen weergeven met: kiemlegging, geboorte en verwerkelij­king.

Paradox
Ten slotte kunnen we ons met C.F. Meyer afvragen of het begin van mijn jaar nóg weer op een ander tijdstip valt, hoewel het onge­twijfeld in relatie staat met de overeenkom­stige momenten van het jaar. Want hoewel ik Pasen kan zien als de voleinding, namelijk de verwerkelijking van het opstandingslichaam van Jezus door Christus, ligt deze verwerke­lijking voor mij nog ver in het verschiet. Wat in Jezus is voltooid, ligt voor mij nog in een verre toekomst, is pas in eerste aanleg op mij van toepassing. Of, om met Christian Mor­genstern te spreken: ‘We staan niet aan het einde, maar aan het begin van het chris­tendom’.
Deze paradoxs dat de opstanding tegelijkertijd zowel een feit als ook nog toe­komst is, komt onder andere tot uitdrukking in de woorden van Jezus: ‘Het uur komt en is er reeds…’De verschillende momenten in het jaar waarop een duidelijk begin valt, kunnen we ook beleven in de innerlijke christelijke ontwikkeling. Pasen kan het adventskarakter van een eerste kiem in de menselijke ziel aannemen of als een volgend begin geboren worden, als het ware Kerstmis doorlopend. In navolging van Christus krijgt het na onzegbaar lijden uiteindelijk zijn eigenlijke paaskarakter. Dit feest, dit gebeuren, deze realiteit van dood en opstanding leeft in Vol’eind’ing in Jezus, is in ‘begin’sel voor ons en uit’einde’-lijk door ons voor de aarde bestemd.

(Maarten Udo de Haes, Jonas *16, 01-04-1983)

.

Advent: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: advent spiralen e.d.    jaartafel

 .

369-348

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Nicolaas (29)

.

ZACHTJES GAAN DE PAARDEVOETJES

Als kind heb ik dit liedje wat gezongen. Op de een of andere manier is het mijn lievelingssinterklaasliedje (mooi scrabblewoord)

De nieuwe spelling vraagt om ‘paardenvoetjes’, maar dit zingt voor mij net niet zo fijn als zonder de N. Was ik Groninger, het probleem speelde niet.

Ik kan het nog wel verdragen dat ‘stippel, stappel’ een keer met ‘trippel, trappel’ verwisseld wordt. Al naar gelang er veel of weinig sneeuw op de daken ligt, zal dat geluid ook wel enigszins verschillen.

Maar waar ik echt bezwaar tegen maak, is dat we de kinderen laten zingen: ‘paardje is nog lang niet moe, maar HIJ moet naar bedje toe.’

Je komt deze tekst tegen wanneer je ‘Zachtjes gaan’  googlet.

Kijk, dat de kinderen dit onbewust zingen, begrijp ik wel: die willen nog niet naar bed en dus moet dat paardje maar; wij trappen daar echter niet in.

We zingen eerst: ‘paardje is nog lang niet moe’  en dan zou het toch naar bedje moeten. Kom op! En dan: naar bedje: mag het niet eens in een gewone stal, na gedane arbeid, lekker genietend van al die in de schoen aangeboden wortels. Hoe eet een paard een wortel in bed – een bedJE, nog wel.

Nee, de kinderen zijn moe of horen dat te zijn en ZIJ gaan naar bed(je).

En het paard gaat verder, over de daken, met de Sint.

Hoe zou je, als kind in je bedje, anders nog kunnen zingen: ”k Hoor de vlugge paardevoetjes’  – in MIJN lekkere warme bedje. En daar mag je dromen – van Sinterklaas en zijn zwarte Pieterbaas.

Zachtjes gaan de paardenvoetjes
Trippel, trappel, trippel, trap
’t Is het paard van Sinterklaasje
Stippe, stappe, stippe, stap
’t Schimmeltje draagt met gemak
Sinterklaasje over ’t dak
’t Schimmeltje draagt met gemak
Sinterklaasje over ’t dak

’t Paardje kan de weg wel vinden
Trippel, trappel, trippel, trap
In het held’re maneschijntje
Stippe, stappe, stippe, stap
’t Paardje is nog lang niet moe
Maar ik moet naar bedje toe
’t Paardje is nog lang niet moe
Maar ik moet naar bedje toe

‘k Hoor de vlugge paardenvoetjes
Trippel, trappel, trippel, trap
In mijn lekker warme bedje
Stippe, stappe, stippe, stap
En ik droom van Sinterklaas
En zijn zwarte Pieterbaas
En ik droom van Sinterklaas
En zijn zwarte Pieterbaas

.

Pieter HA Witvliet

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Sint-Nicolaas

.

368-347

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (28)

.

De inleiding tot dit artikel is Sint-Nicolaas (27)

.

Pieter HA Witvliet
.

Onderstaand verhaal maakte ik om te voorkomen dat de kinderen zich bedrogen zouden voelen, voor de gek gehouden door de volwassenen wanneer ze erachter zouden komen dat Sinterklaas niet bestaat.

Een verhaal – een beeld – heeft de mogelijkheid tot inleven, tot begrijpen op nog een ander niveau dan de gewone mededelingen. Daarop kan slechts een ‘o, ja! ‘volgen. Het beeld geeft meer kans op ‘aha, zo dus’, je neemt het vooral ook op met je gevoel – dat kan zijn met warmte – iets wat bij de kalere opmerking ‘zo zit het’ meestal niet het geval is.

Onderstaand verhaal is niet HET verhaal. Er zijn andere te bedenken.

Maar dit is het motief: ‘wij zijn nu de Sint van toen’ !
Deze versie vertelde ik in de 4e klas, begin november, vandaar de woorden op het eind. Wanneer je het in een andere context vertelt, moet je dat natuurlijk daar aanpassen.
.

HOE SINT-NICOLAAS STIERF EN TOCH VOORTLEEFDE
.

“Wat moet ik nu doen,’ sprak de oude Nicolaas met beverige stem. Hij zei het zacht voor zich heen. ‘Er zijn nog zoveel kinderen die ik zou willen helpen; die ik blij zou willen maken. Maar ik heb die kracht niet meer ’s avonds door de kou langs de huizen te gaan. Ik geloof dat ik niet lang meer op de aarde zal zijn´

En hoewel er een knapperig vuur brandde in de open haard, voelden zijn handen, die bleek zagen, koud aan. In zijn voorhoofd stonden  diepe rimpels. Niet alleen door de ouderdom hadden zij zijn gelaat doorgroefd. Ook  zorgenrimpels waren daarbij.

‘Ik weet niet eens hoe oud ik eigenlijk ben: tachtig, negentig, misschien wel over de honderd. Ik kan het aanvaarden dat ik eenmaal sterven moet; niemand heeft het eeuwige leven. Maar wie zorgt er dan voor de kinderen, als ik dat niet meer kan doen.’

Zijn gedachten gingen terug naar de avond dat hij in een afgelegen oord langs de huizen was gelopen en stil was blijven staan bij het woninkje van de ouders die op het punt stonden één van de kinderen te verkopen, omdat het gezin in grote armoede verkeerde.

Nicolaas had de angst gezien op het gezichtje van het kind; en de tranen in de ogen van de moeder. De vader, die stil en bleek in een hoekje zat. Ongemerkt had Nicolaas een paar muntstukken door het kapotte glas van het raam op de vensterbank gelegd en de andere dag had hij de meubelmaker die in zijn straat woonde, bij zich laten roepen. Hij vertelde hem over het gezin. De meubelmaker die juist een goede knecht zocht, had de vader van de kinderen in dienst genomen. Vanaf die tijd had de man weer werk en het gezin geld om te leven. Er heerste grote vreugde in die familie: het meisje hoefde niet verkocht te worden.

Zo mijmerde Nicolaas verder. Het vuur in de haard ging langzaam uit en hij kreeg het zo koud dat hij zich in zijn bedstede ter ruste legde.

In een grote stad, in een prachtig huis, doofde in een ruime, gezellige zitkamer, ook het vuur in de haard. ‘Wat is er toch veel veranderd in ons leven’, dacht Alonso. ‘Waar is de tijd gebleven, dat ik geen werk had; dat we op het punt stonden, onze oudste dochter te moeten verkopen. Onze grote armoede. En dan: eerst een paar goudstukken in de keuken, waardoor we weer verder konden leven, zonder van ons lief kind te hoeven scheiden; daarna het bezoek van de meubelmaker en de vraag om knecht bij hem te worden. En nu ben ik zelf eigenaar van een grote meubelmakerij; het gaat ons goed; we zijn gezond en gelukkig.

Juan, mijn vroegere baas, heeft nog eens door laten schemeren aan wie ik dit alles te danken heb: de oude Nicolaas. Maar ik mocht aan hem niets laten merken: Nicolaas wilde niet geprezen worden.

Maar nu, nu zoveel jaren. Ik wil hem laten weten wat er van ons geworden is. Mijn besluit staat vast. Ik ga hem een bezoek brengen.’

De andere morgen al pakte Alonso een koffer in met spullen om een aantal dagen van huis te kunnen zijn en na afscheid genomen te hebben van zijn vrouw en zijn dochter – de enige die nog thuis woonde – vertrok hij met zijn rijtuig. Hij gaf de koetsier opdracht er flink de vaart in te zetten, dan konden ze vóór het donker werd de stad bereiken. Aanvankelijk verliep de reis voorspoedig en ze schoten flink op. Maar in de middag, rijdend over een hobbelige stenen weg, kraakte het onderstel van de koets heel hevig en even later zakte, met het geluid van versplinterend hout, de koets door één van zijn assen. Hortend en stotend kwam hij tot stilstand. ‘Die valt hier niet te repareren,’ zei de koetsier na een kort onderzoek.’ “We zullen hulp moeten zoeken!’  ‘Neem jij het paard,’ zei Alonso tot zijn koetsier en rijd vooruit om hulp. Neem je intrek in herberg “De gouden Sinaasappel”; ik zal me te voet verder begeven; het is nog wel ver, maar vroeg in de avond moet ik er toch kunnen zijn.’
De koetsier haastte zich op het paard om zijn verdere weg te vervolgen. Alonso begon te lopen. De weg werd slechter begaanbaar dan hij zich had gedacht. Door de vele regens, die er de afgelopen dagen waren gevallen, lagen er talloze plassen en de anders zo droge grond was op veel plaatsen veranderd in een modderpoel. Lang niet alle stenen waren te zien en vaak verzwikte Alonso zijn enkels. Heel in de verte zag hij wel de stad opdoemen, maar zijn tocht zou veel langer duren dan hij eerst dacht. ‘Ik kom nooit meer voor donker aan,’ dacht hij. Maar hij stapte dapper voort en ondanks de invallende duisternis, die het lopen niet gemakkelijker maakte, hield hij zijn blik gericht op de omtrek van de stad, die toch naderbij kwam. De maan kwam op en gaf hem het nodige licht om de juiste richting aan de houden. Het moest al wel laat zijn, toen hij eindelijk de eerste huizen van de stad bereikte: de luiken van vrijwel alle huizen waren dicht en slechts door een enkel hartje scheen het licht van een flakkerende kaars.

Gelukkig wist Alonso nog wel de weg, al moest hij af en toe even stilstaan om zich de goede richting te kunnen herinneren. “De Gouden Sinaasappel”, mompelde hij. ‘Rechtdoor en daar bij de brug linksaf, langs het water’.
Daar, even verderop, stond het statige huis van Sint-Nicolaas waar hij morgen op bezoek zou gaan. Nog iets verder de meubelmakerij van Juan waar hij zo lang had gewerkt. Daar zou hij natuurlijk ook even binnenlopen.

In zijn woning kwam de oude Nicolaas juist weer uit bed en bij het licht van een nog nauwelijks brandend kaarsje liep hij moeizaam door de kamer op en neer.

‘Dan moet ik het zo doen,’ sprak hij half dromend voor zich uit.

Hij pakte zijn mijter en liep er mee de koude, donkere gang in. Een klein streepje maanlicht verlichtte de ruimte net zo dat hij de deurknop kon vinden en hij opende de deur. Een koude nachtwind waaide hem tegemoet en deed hem huiveren. Op de stoep zette hij de mijter neer. Even later kwam hij terug met zijn staf en daarna volgden de tabberd, zijn onderkleed met het witte koord. Toen hij alles zorgvuldig op de stoep had gedrapeerd, sloot hij de deur – wetend dat hij die niet meer open zou doen…..

Met een tevreden glimlach om de mond sliep hij in om niet meer wakker te worden, in het volste vertrouwen dat iemand het zou begrijpen.

Alonso was bijna bij ‘De gouden Sinaasappel’ toen zijn oog getroffen werd door een kleine schittering verderop. Hij bleef staan en zijn ogen samenknijpend, keek hij wat die lichtspeling kon betekenen. Daar bewoog zich iemand; iemand met een bisschopsstaf in de hand waarop maan – of sterrenlicht weerkaatste. Wat gebeurde daar? Dicht tegen de huizen aan sloop Alonso naderbij. ‘Wie is dat op de stoep van het huis van Sint-Nicolaas?’ Half verscholen in een portiek zag Alonso hoe de wat krom lopende mens opnieuw naar buiten kwam en naast de mijter die hij in een hoekje op de stoep ontwaarde nu ook een wit en rood kledingstuk neerlegde. Alonso wiens ogen nu meer aan de duisternis gewend waren, zag in het flauwe schijnsel van de maan dat het een man was met een lange, zilverwitte baard.

Alonso vroeg zich vertwijfeld af wat dit te betekenen had en wachtte op wat verder komen ging. Maar er gebeurde niets meer. De grijsaard kwam niet opnieuw naar buiten. Het bleef stil in de straat. Alonso, nog altijd zo onopvallend mogelijk langs de huizen lopend, naderde het huis waar zo-even die geheimzinnige gebeurtenis had plaats gevonden.

‘Ja, dit is het statige herenhuis van Nicolaas, dat herinnerde hij zich heel goed. Maar wie legde dan de kleren van de bisschop buiten op de stoep. En waarom. Stel je voor dat iemand die meeneemt. Dan kan Nicolaas niet meer onder de mensen verschijnen en helpen, zoals hij mij en ons gezin ooit hielp. Zou hij dat trouwens nog wel kunnen, hij moet zo langzamerhand toch wel stokoud zijn geworden.’

In een opwelling pakte Alonso alle spullen van de stoep en droeg ze behoedzaam naar de herberg waar hij die nacht zou slapen. Maar van slapen kwam niet veel. Het ‘waarom’ van wat hij had gezien, hield hem klaar wakker. Hij wist het niet en tegen de ochtend viel hij van vermoeidheid toch in slaap. Hij schrok wakker toen er op de deur van zijn kamer werd geklopt: ‘Heer, het is tijd om op te staan’, klonk de stem van de herbergier. Met een schok kwam Alonso overeind. ‘Ik moet me haasten’, dacht hij, ‘ik moet Nicolaas helpen’. Die gedachte overrompelde hem: ‘Ik moet Nicolaas helpen!….. Natuurlijk, dat was de stille wenk die sprak uit de spullen op de stoep. De vinder moet zo zijn als Nicolaas! Maar kan ìk dat wel,’ dacht Alonso. ‘Ben ik wel waardig en ernstig genoeg om zo als Nicolaas door het leven te gaan. Ik ben het niet, maar als ik het wil, dan word ik het. En ik wil het. Zijn besluit stond vast. Niemand hoefde Nicolaas te missen’.

En zo gebeurde het dat Alonso – eigenlijk een Nicolaas de Tweede – voortging in de voetsporen van zijn voorganger.

Je begrijpt, dat ook deze Alonso niet het eeuwige leven had. En toen hij zijn einde voelde naderen, deed hij hetzelfde als de Nicolaas vóór hem: hij legde zijn spullen bij de voordeur.

En een derde Nicolaas kwam en een vierde en zo velen daarna.

En ook vandaag de dag. Wie een echte Nicolaas wil zijn, hult zich in de Sint- Nicolaaskleren en treedt met ernst en liefde de kinderen en de volwassenen tegemoet.

De eerste Nicolaas is lang geleden gestorven, maar de goede mens die hij was, leefde voort in Alonso en in alle anderen die na hem kwamen. En daarom mogen we gerust zeggen dat Sint-Nicolaas nog altijd leeft en zo langzamerhand honderden jaren oud is.

Toen je kleiner was, kon je dit allemaal nog niet zo begrijpen. Nu wel! Nu kun je zelf ook een Sinterklaas zijn!l Dat gaan we met elkaar in onze klas zo goed mogelijk proberen en daarom gaan we nu lootjes trekken en kunnen we aan de slag om voor de ander een waardige Nicolaas te zijn. Als je elkaar met ernst en liefde tegemoet treedt…..

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Sint-Nicolaas

.

367-346

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Nicolaas (27)

.

SINTERKLAAS BESTAAT NIET……

Het slaat een keer toe: het twijfelen aan het bestaan van Sinterklaas. Bij het ene kind wat eerder, bij een ander wat later. Dat hangt van veel factoren af: oudere kinderen – meestal niet de oudere broertjes en/of zusjes: als die ‘ingewijd’ zijn proberen ze het ‘grote geheim’ nog wel even te bewaren.

Het zijn vaak de andere (oudere) kinderen die het geheim bewust of minder bewust verklappen.

En kinderen zijn meestal  goede waarnemers.
Toon Hermans wees ons daar als geen ander op.

Een andere impressie:

Vol verwachting klopt ons hart

‘Op de hoge, hoge daken rijdt de bis­schop met zijn knecht’. Als vijfjarige loop ik te dromen over ’t paard en die schuine daken – nog geen probleem. Moeder legt aan een ouder kind uit: ‘Ja, bij de alleen­staande huizen stapt ’t paard even van ’t dak’. ‘O’.

’s Avonds staan de schoentjes klaar bij de warme zwarte potkachel – mijn blik volgt telkens de kachelpijp, die uitmondt in de kachel. ‘Nina, (kinderjuf) komt ’t lekkers dan niet in ’t vuur terecht?’ – ‘Dat moet je mij niet vragen kind, je vindt ’t lekkers toch in je schoen?’ Nu toch een probleem.

Een jaar later, na een bezoek van de Goede Sint op school meegemaakt te heb­ben, vraag ik thuiskomend: ‘Waarom heeft Sinterklaas watten op zijn wangen?’ Ant­woord: ‘Dat heb je niet goed gezien, ’t is zijn witte baard’. ‘Nee toch, ik heb ’t echt gezien, ’t zijn watten’.

Nog een paar jaar later, 5 december ’s middags om half vier. Starend over de grijze Scheveningse bosjes zie ik mijn vader zoals gewoonlijk gaan wandelen. Over de tafel ligt alleen deze dag een bruin-oranje kleed, een schaar erop, alles voor de pak­jes. Hevig is het verlangen naar vaders te­rugkomst, dan gaat ’t feest beginnen.

Een generatie verder. Op het raam hangt een adventskalender, er is nog niet veel op te zien. Sinterklaasfeest staat straks voor de deur. We zingen onder ’t naar bed brengen met de kinderen ‘Het daghet in het Oosten’. Met volle overtui­ging zingen de kinderen: ‘Hij komt de wol­ken troosten’. Als het liederenrepertoire uitgebreid wordt met ‘Midden in de win­ternacht, gaat de hemel open’, zingt een kind blijmoedig: ‘een engel met ivoren snuit’ (fluit) (geen probleem).

Sinterklaas vereert ons met een bezoek, klimt moeizaam de hoge trap van ’t bo­venhuis op. Een driejarige glipt door de kamerdeur de gang op, ziet de rode mijter steeds dichterbij komen. Als Sinterklaas in de gang staat, zegt de peuter: ‘Wat heeft die meneer een mooie hoed op!’ Na ’t bezoek hoor ik zeggen: ‘Wat lijkt Sinter­klaas op meneer Koos hè?’ Ik denk aan de wattenbaard van vroeger en kan het vol­mondig beamen.

(Wendela van Mansvelt, Jonas 6 13-11-1981)

 

Het is voor veel ouders een probleem:

HOE VERTEL IK DAT SINTERKLAAS NIET BESTAAT

Ik vond in een krant – naam en datum onbekend – het volgende artikeltje:

Het grote geheim van Sinterklaas:
‘Papa, denk je dat Sinterklaas het erg vindt dat ik niet meer in hem geloof?’
Deze vraag van een kind met een wankelend geloof raakt de kern van het dilemma waar veel opvoe­ders mee worstelen: hoe en wan­neer vertel ik mijn kind dat Sinter­klaas niet bestaat?
Pedagoog dr. Bas Levering, werk­zaam aan de Universiteit Utrecht en aan de Fontys Hogescholen, vindt dat kinderen zo lang als kan, recht hebben op het geloof in de goedheiligman: „Kinderen leven tot vier, vijf jaar in een magische wereld. Sinterklaas past daar pri­ma bij. Kinderen zwelgen in het verhaal. Het maakt voor hun ervaringen niet uit. Een grote man in zo’n pak en mijter, de Zwarte Pie­ten. De omgetoverde wereld vin­den ze fijn. Zelfs als ze al weten dat hij niet bestaat. Een volgend jaar zakken ze gerust weer terug in hun geloof Omdat ze dat prettig vinden.”

Levering vindt Sinterklaas – on­langs gekozen tot nummer één van de belangrijkste honderd tradi­ties in ons land – ‘het mooiste wat er is’. Ook om pedagogische rede­nen. „Het is fantastisch om te zien dat kinderen zelf langzaam door­krijgen dat Sinterklaas niet bestaat. Het is voor hun ontwikkeling zeer belangrijk. Als kinderen ‘het’ een­maal weten, komen ze aan de andere kant van de streep, bij de vol­wassenen te staan. Ze voelen zich groot. En kijken opeens heel an­ders aan tegen kinderen die wel ge­loven.”

Eigenlijk staat de hele sinterklaastraditie haaks op de huidige
opvat­tingen over opvoeden, stelt Leve­ring: „Tegenwoordig wordt alles gladgestreken. De ontwikkeling van een kind zou een doorgaande lijn moeten zijn. Maar dat is na­tuurlijk niet zo. Sprongen maken in de ontwikkeling is goed.”
Tegenstanders van liegen zijn er ook. De Amsterdamse pedagoge Channah Zwiep verklaart – op de website opvoeden doe je zo – dat ze haar eigen dochter al op 2-jarige leeftijd ‘op heel laag niveau’ vertelde dat Sinter­klaas niet echt bestaat maar dat het een mythe is. „Kinderen gelo­ven 110 procent in Sinterklaas, en dan blijkt dat verhaal later niet te kloppen. Ik ben nog steeds blij dat ik niet heb gelogen tegen mijn kind.”

En psychotherapeute Riekje Bos­wijk-Hummel schreef in 1988 al het boek De shock van Sinterklaas. Met verhalen van getraumatiseer­de volwassenen. Ouders logen te­gen hen over Sinterklaas en daar­om vertrouwen ze niemand meer. Levering herkent het, maar zo trau­matiserend is het natuurlijk zel­den. „De meeste kinderen ervaren het niet als bedrog.”

‘Goed kijken naar je kind’, is daar­om zijn advies. „Als het zo’n acht jaar is en nog steeds gelooft, moet je het een handje helpen en het wel vertellen. Anders komt het kind alleen te staan, wordt het uit­gelachen of gepest.” Een kind onnodig lang ‘gelovige ziel’ laten zijn, is evenmin goed. Le­vering: „Als een kind het door­krijgt, en ouders gaan het tegen­spreken, dan is er wel sprake van bedrog. Ouders vinden al die gelo­vige kinderen, de blijde gezichten zelf vaak veel te leuk. Maar dat mag geen reden zijn om te liegen tegen je kind.”

Er worden ook tips gegeven:

tips voor ouders van een (on)gelovig kind

Vertel niet in de sinterklaasperiode maar bijvoorbeeld in de zomer dat Sinterklaas niet bestaat. Dan komt het niet zo hard aan, en wordt de sintpret niet bedorven.

Vraag een twijfelend kind tussen neus en lippen door: ‘Weet je al van het geheim van Sinterklaas?’ en kijk hoe het reageert.

Houd er rekening mee dat kinderen vanaf groep vijf van de basisschool vaak al surprises voor elkaar maken. Er worden lootjes getrokken. Licht een leerkracht in, en be­denk een oplossing als een kind nog in Sinterklaas ge­looft.

Islamitische kinderen geloven niet in Sinterklaas. Thuis wordt het feest ook niet gevierd. Als uw kind (veel) met islamitische kinderen omgaat, kan dat verwarring opleveren.

Wees er alert op dat een kind wel­licht al langer niet gelooft maar be­wust zijn mond houdt uit angst om cadeautjes mis te lopen.

Bedenk of u zelf nog weet hoe en wanneer u erachter kwam dat Sinter­klaas niet bestaat. En was die ervaring traumatisch of niet? Het kan van nut zijn bij gesprekken met uw kind.

Betrek een kind dat niet meer gelooft, in het spel. Dat voelt zich daardoor heel erg groot.

Bamber Delver, algemeen directeur Stichting Kindercon­sument, schreef Het grote geheim van Sinterklaas. Het gaat over een jongen die boos is op zijn moeder omdat zij tien dagen voor de verjaardag van Sin­terklaas onthult dat sint niet bestaat. Het geeft zijn boze en verwarrende ge­voelens weer. Het boek Het grote ge­heim van Sinterklaas, een boek alleen voor grote kinderen kan helpen bij gesprekken over de onthulling. Er is een thuisversie en een schoolversje met tips.

0-0-0

Verschillende keren is hier sprake van ‘liegen’, ‘bedrog’. En dat is wel het laatste wat je wilt: tegen je kind liegen of het voor de gek houden.

Uit dit gedicht komt nog iets anders naar voren:

Voor alle OUDERS die twijfelen

 Sint-Nicolaas

Sint-Nicolaas, Goedheiligman,
die oud is, maar niet sterven kan,
zolang nog ergens op de aarde
een mensenkind zijn droom, bewaarde.

Maar kleine kinderen worden groot
en telkens moet hij dat beleven
en elke keer verschrikt hij even,
en telkens gaat hij even dood.

Totdat, van ver, een kleine stem
voor het eerst en huiverig gaat zingen
van de oude 5 decemberdingen.
En zie, dat lied betovert hem.

Zijn ogen worden groot en licht,
er komt een glans op zijn gezicht.
Hij mag dit jaar opnieuw bestaan,
dat heeft een kinderstem gedaan.

Laat in ons hart, waar dat mensenkind
van vroeger nog zijn plekje vindt,
de Goede Sint ook blijven leven,
zodat we daarvan kunnen geven.

Dááruit schenken het geloven
want dat gaat alles toch te boven,
In Sint en Piet en oude tijden,
Het is veel waard daarvoor te strijden.

Sint-Nicolaas, Goedheiligman,
die oud is, maar niet sterven kan,
zolang je als dat mensenkind
Sint steeds weer in je hart hervindt.

Harriët Laurey

Ook ik kreeg met dit verschijnsel te maken: als ouder, maar vooral ook als leerkracht.

Ik wilde iets vinden waarbij de kinderen helemaal niet het gevoel zouden hoeven krijgen dat ze ‘bedrogen’ werden. zoals hierboven door ouders ervaren. Dat ze niet het gevoel zouden hebben dat de ouderen tegen hen logen, hun voor de gek hielden.

Ze zouden moeten kunnen ervaren dat ze ‘nu zo groot geworden waren, dat ze HET kunnen begrijpen; en dat ze vanaf nu ook mee kunnen doen met de groten als geschenk aan de kleintjes.’

Ik had dus wel een ‘motief’, maar geen uitwerking daarvan. Nu weet ik niet meer of ik ‘iets’ heb gelezen of gehoord; het kan zijn dat mijn verhaal op de een of andere manier bestaat.

Want dat ik het geheim moest onthullen middels een verhaal, stond voor mij wel snel vast. Alle andere korte verklaringen blijven in wezen toch gewoon nuchtere mededelingen die het gevoel niet raken of toch juist dat gevoel van ‘bedrogen’ oproepen.

Ik heb het geluk gehad dit verhaal of een bepaalde vorm daarvan, aan verschillende kindergroepen te kunnen vertellen.

Na afloop was er steeds een diepe stilte en viel het begrip naar volle tevredenheid op zijn plaats:  ‘wij zijn het zelf – Sint Nicolaas –

En als je hem in de sinterklaastijd wilt zijn, dan doe je ook als Sinterklaas: in de keuze van je geschenkjes aan de ander heb je met aandacht op de ander gelet; in je gedicht heb je met een milde, maar liefdevolle spot, iets van de persoon opgemerkt, maar ook met bewondering zijn of haar te prijzen eigenschappen of daden. Is je surprise met zorg gemaakt (en niet pesterig met veel stroop, b.v.) Al mag een vaak te laat komend kind wel een grote wekker krijgen waarin het cadeautje zit verstopt.
Om grote cadeauverschillen te vermijden spraken we altijd een bedrag af: iets van rond de …..euro.

De verhalen over de twijfel die veel kinderen al hadden – ik vertelde het verhaal in de 3e klas – dan zijn de kinderen 9 à 10 jaar – waren kostelijk om aan te horen.

In die klas werden voor het eerst lootjes getrokken en surprises gemaakt.

Van een aantal oudleerlingen weet ik dat ze het verhaal indrukwekkend vonden en dat zij nooit het gevoel hebben gehad voor de gek te zijn gehouden.
.

Voor mijn verhaal zie Sint Nicolaas 28

Pieter HA Witvliet

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Sint-Nicolaas

.

366-345

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Nicolaas (26)

.

SINT-NICOLAAS IN DE POPPENKAST

Spelers:
Sint-Nicolaas, Zwarte Piet, Jan Klaassen en Katrijn.

Benodigdheden:
2 klei­ne klompen of poppenschoentjes,
1 grotere (bijvoorbeeld een kinderlaarsje),
een roe.

Het verhaaltje dat hieronder volgt, kan op allerlei manieren uitgewerkt en aangevuld worden. Het is bedoeld als stramien voor een eenvoudig poppenkastspelletje voor kleuters, dat zonder veel voorbereiding in een heel eenvoudige poppenkast gespeeld kan worden.

 

Jan Klaassen vertelt, nadat hij de kinderen begroet heeft, dat Katrijn en hij hun schoen gaan zetten. Hij roept met behulp van de kinderen Katrijntje, die haar schoen nog poetst.

Jan Klaassen wordt tegenstribbelend wegge­stuurd om zijn klomp van modder te ont­doen, die hij eerst met zijn mouw wil afve­gen. Katrijn zet intussen een bakje water neer voor het paard. Jan Klaassen komt te­rug met een grote wortel, en met een grote laars. Verbazing bij Katrijn. Jan Klaassen ver­telt wat verlegen dat hij zijn eigen klomp zo klein vindt. Katrijn vindt hem hebberig en onder druk van haar verontwaardigde argu­menten ruilt Jan Klaassen met wat spijt de grote laars voor zijn eigen klomp. Ze zingen nu (met de kinderen) een Sinterklaaslied, zeggen welterusten en gaan naar bed. Even later verschijnt Jan Klaassen opnieuw, vraagt fluisterend of de kinderen heel stil willen zijn, omdat Katrijntje anders wakker wordt en stilletjes, zonder iets te zeggen ruilt hij z’n eigen klomp toch weer voor de grotere laars. Hij fluistert nog even met de kinderen over wat er de volgende morgen allemaal in deze mooie grote laars zal zitten en besluit om heel vroeg op te staan. Jan Klaassen opnieuw naar bed. Even later komt Zwarte Piet poolshoogte nemen en brengt onder goedkeurend gepraat de wortel en het bakje water naar het paard. Hij legt iets in Katrijns schoen en verbaast zich dan over de enorm grote laars, die onmogelijk van Jan Klaassen kan zijn. Met behulp van de kinderen ontdekt hij wat er gebeurd is. Piet roept Sint-Nicolaas en deze besluit dat er niets anders op zit dan de roe in de laars te doen. Beiden gaan af.

Jan Klaassen komt ’s morgens vroeg opge­wekt zingend de kamer binnen, rent naar zijn laars en schrikt enorm. Hij jammert en huilt als hij ziet wat hij heeft gekregen. Katrijn, geschrokken van het lawaai, komt aanhollen, wil eerst Jan Klaassen troosten, maar als ze ontdekt wat er gebeurd is, wordt ze furieus en geeft Jan Klaassen een pak slaag met de roe. Als haar woede bekoeld is en Jan Klaassen getroost, bedenken ze samen hoe Jan Klaassen het weer in orde kan ma­ken, bijvoorbeeld door iets voor Sinterklaas te maken en dat ’s avonds bij de kachel neer te leggen.

Katrijn deelt haar lekkers met Jan Klaassen en hij belooft niet meer zo hebberig te zijn.

Wie nog andere ideeën voor een Sinterklaasspel zoekt, kan inspiratie vinden in de vol­gende boeken:

Het verhaal van Sinterklaas die zijn muts ver­loren had
W.G. van der Hulst, uitg. Callenbach.

Lichten van de Kersttijd
Hermien IJzerman. Eigen uitgave.

Sinterklaas en de struikrovers
Harriët Laurey, uitg. Holland.

Meer over het maken van poppenkastpoppen is te vinden in:

Speelgoed om zelf te maken – Freya Jaffke, uitg. Christofoor.
st.nicolaas poppenkastJan Klaassen en de poppenkast – A. Weissen-berg e.a., uitg. Christofoor.

Voor ’t hoofdje: stukje tricot, bijvoorbeeld hiel of teen van een sokje opvullen met ge­plozen schapenwol. Van stevig papier een ko­kertje maken dat ruim om de wijsvinger past en in het hoofdje gestoken wordt. Haren van uitgehaalde breiwol of gekleurde schapenwol. Onderkleed maken met handjes van dubbel vilt (duimpje boven), waar duim en middel­vinger in gestoken kunnen worden. Aan de hals vastnaaien. Hieroverheen een gekleurd capeje voor Piet, van voren kort zodat de handjes vrij blijven, en een kraag van gerim­peld wit crêpepapier.
Sint krijgt natuurlijk een wit onderkleed met daaroverheen een rode mantel; zelfde model maar met wijde mouwen en van voren open, goud afgebiesd.

(Jenny Crum en Annet Schukking, Jonas 6, 13-11-1981)

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Sint-Nicolaas

.

365-344

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Nicolaas (25)

.

SNOEPGOED

In het sintnicolaassnoepgoed kunnen we nog het beste waarnemen wat de oor­spronkelijke bedoeling van dit inleidende midwinterfeest was.

Teruggaand naar de tijd vóór het chris­tendom hier te lande betekenis kreeg, werd in deze streken een feest gevierd dat grote verwantschap toont met ons feest van de goed-heilig-man. In zekere zin was het ook een kinderfeest, zij het een afscheidsfeest van het kind-zijn.

Vóór de grote Joelfeesten begonnen, had­den de inwijdingsplechtigheden plaats, waarbij de jongelingen die de geslachtsrijp­heid hadden bereikt, beproefd werden op moedig gedrag, uithoudingsvermogen, e.d., waarbij de roede niet werd gespaard (zo werd de roede tot zinnebeeld van de vrucht­baarheid), om daarna bij de eerstvolgende Joelfeesten onder de mannengemeenschap te worden opgenomen. Ook de jonge meis­jes werden voorbereid op de taak van jonge vrouw in de aanstaande echtverbin­tenis en gezinsvorming.

Ernstig werden de jonge mensen onder­houden (de meisjes door de oudere vrou­wen, de jongens door de wijze mannen) over hun toekomstige taak in het leven van hun stam en familie. Ze werden ge­wezen op hun verhouding met de hun omringende wereld en de sterrenwereld boven hen. Het afsluitingsfeest van de proeftijd viel omstreeks 5 december.

Zoals bij ieder feest nam het gebak een grote plaats in bij de viering. Aan de vooravond van de grote gebeurtenis had de moeder op de haardplaat onder het rookgat, die de verbinding met de sterren­wereld vormde, in het midden van de hut, koekjes, — wel primitief van vorm, maar duidelijk te herkennen — neergelegd.

De volgorde waarin ze lagen was die zoals de schepping ze liet ontstaan: zon, maan, boompje, de dieren: vis, vogel en viervoeter.

Men riep ieder afzonderlijk bij de naam en wanneer de jonge mensen dan neerknielden om deze symbolen te bekijken en zich de zin er van voor de geest te halen, strooide één der ouderen zeer kleine koekjes over hen uit als een sterrenregen, als om eraan te herinneren, dat ze verbonden waren met de sterrenwereld waaronder ze leefden.

Gedichten in stafrijm ter ere van Odin werden aangeheven. Daarop legde men zich ter ruste en als de nacht over dit alles was heengegaan, werden ze ’s ochtends ver­blijd met een grote koek in de ‘onbeholpen’ vorm van een mens. De jongens kregen een vrouwenfiguur, de meisjes een koek in de vorm van een man.

Wederom symbolisch, werd aan de jonge man en de jonge vrouw gegeven, dat, wat hun mensenbeeld op aarde volledig kon maken. Zo gingen ze de Joeltijd tegemoet in een nieuwe waardigheid, om deel te ne­men aan de offer- en vereringsfeesten van Odin, de op zijn witte paard door de wol­ken rijdende grote geest (gehuld in een wijde mantel, dragende een eerbiedwaardi­ge witte baard).

Deze figuur werd later gekerstend en de heilige Nicolaas, bisschop van Myra bood een goede plaatsvervanger voor Odin. Vele oude gebruiken bleven in zwang, maar ver­loren op den duur hun diepe betekenis.

Gaan we bovengenoemde beelden nog eens na en vergelijken we die met elkaar: de schoorsteen, de naamroeping en tegen­woordige chocoladeletter, de roede, het snoepgoed zoals suikerbeesten, strooigoed, taaipop, vrijers en vrijsters, enz., dan blij­ken  gebruiken en symbolen zinvol samen te hangen.

(Fr.Hardam-v.Omme, Jonas, nadere gegevens ontbreken; hier en daar onleesbare zinnen, door mij aangevuld)

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Sint-Nicolaas

.

364-343

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.