Op een ochtend hing er mist tussen de bomen. Alle scherpe vormen waren verzacht. De lucht was zuiver en tintelend fris. Straks zou de zon komen en de mist verjagen. Hoog boven de bomen zou de hemel zijn, blauw en helder, en later zouden er grote witte wolkenmassa’s langs drijven. Wattige luchtkastelen, steeds wisselend van vorm, voortdurend veranderend, terwijl ze statig voorbij zeilen.
Eind augustus, de tijd van de prachtige wolkenluchten en ook van het
plotseling opkomende onweer. Dan flitst de bliksem omlaag, een daverende klap, en de donder rommelt over de weilanden.
Buiten in het veld, in het vlakke wijde land van Holland kan je die hemelhoog opgestapelde wolkentorens op je af zien komen, donkergrijs of krijtwit van de hagel. Heel klein voel je je dan, een nietig mens tegenover dat enorme brok samengebalde kracht. Dan besef je pas in hoe hoge mate wij onze zekerheid ontlenen aan het feit, dat we stenen omhullingen hebben gebouwd met een dak erop. We schuilen weg in onze huizen, en voelen ons veilig voor de elementen. Maar zijn we werkelijk innerlijk bestand tegen zulke elementaire krachten? Kunnen we rustig blijven bij het felle licht van de bliksem, bij een knetterende donderslag?
Vaak zijn de dreigende lucht en de onheilspellende stilte van te voren
angstaanjagender dan het onweer zelf. De eigenlijke bevrijding van al deze
elementaire spanningen komt met de neerstromende regen. Iedereen ademt verlicht op en na een uur breekt de zon weer door. De wolken drijven verder, de lucht is hoog en blauw. Al gauw zie je tussen de struiken en planten geheimzinnige dampsliertjes omhoog kringelen: kleine vreugdevuren worden ontstoken, elven dansen in een ringelrei over het gras. En wij, wij doen de deuren van onze huizen open en laten de zon binnen!
Voorboden van de Michaëlstijd, weerspiegeld in de natuur, en ook tussen de mensen onderling.
Na zeven lange weken gaat de school weer beginnen. Niet alleen een leerschool voor de kinderen, maar ook voor de ouders, of ze nu willen of niet. Aan de ene kant vinden de kinderen het heerlijk weer hun klasgenootjes te zien; aan de andere kant worden ze in het begin doodmoe van die hernieuwde confrontatie met de klas. Er zijn nogal eens ruzies en vechtpartijen, vriendschappen verschuiven, de kibbelarijen zijn niet van de lucht. Maar na enige weken wordt dat langzamerhand weer een geheel, een eenheid, een klas. Dan heeft ieder zich min of meer gevoegd. Iedereen is weer gewend aan elkaars hebbelijk- en vooral onhebbelijkheden. En de moeders? Zij moeten zich weer instellen op de ijzeren regelmaat van de klok. Bovendien zijn er altijd wel kinderen die de eerste weken over de schooldrempel geholpen moeten worden. En we zien weer zo haarscherp wat ons niet bevalt in de meesters en juffies. Zijn ze wel lief genoeg voor onze kinderen? En die andere ouders – alla, moedig de schouders er onder. We moeten toch weer een jaar met elkaar optrekken. Laat ik maar even een praatje gaan maken. En bij nader inzien valt het allemaal best mee. Het is even wennen, maar na enige tijd weet ik weer waarom ik juist die moeder zo waardeerde, en ik zie weer hoe gezellig juist die ene vader met zijn kind omspringt.
Woorden gaan over en weer, zoekend en tastend naar die ander. Wie ben jij? Wat zoek je, wat wil je? Hoe was je ook weer? Soms ontdekken we na de vakantieweken ineens bepaalde kwaliteiten in een ander, die je meende goed te kennen. Soms ook vervelende eigenschappen, die je tevoren niet had opgemerkt, en die je nu gaan hinderen. Hoe ga ik daarmee om? Blijkbaar vindt er toch een verschuiving plaats in de samenwerking tussen mensen, als het nieuwe schoolseizoen inzet. Dat gaat overigens niet altijd ongemerkt. Er worden soms harde noten gekraakt, we zeggen elkaar flink de waarheid, we vegen elkaar de mantel uit, en allerlei opgekropte emoties en spanningen botsen op elkaar. Zo moet het misschien ook gaan, overal waar mensen proberen samen te werken, en misschien juist in deze tijd, dat iedereen weer bij elkaar komt, en alles weer begint en vorm krijgt.
Aan het eind van deze eerste moeilijke maand wordt op de Vrije Scholen het Michaëlsfeest gevierd. Met heilige ernst zingen de kinderen hun liederen ter ere van de strijdende aartsengel. Zij zien het spel van Sint-Joris, de ridder met de rode mantel op zijn glanzend witte paard. Met kracht stoot hij zijn lans in de muil van het ondier, dat zich kronkelt aan zijn voeten. Het beest ligt gekromd in een ontzaglijke schaduw, maar achter de gestalte van de ridder straalt een bovenaards licht. Het is vooral dat aspect van het zwaard, waar we veel over horen in de Michaëlstijd. Het is voor de kinderen ook zeer sprekend; de strijd tegen de draak. Het wordt gespeeld en getekend en geschilderd. En de moed van dat zwaard te hanteren zullen we ook nodig hebben in allerlei situaties. Maar mij ligt toch meer dat andere werktuig waarmee de aartsengel Michaël vaak staat afgebeeld: de weegschaal. Het afwegen van de verschillende dingen die op je weg komen, het voortdurend zoeken van het juiste midden: het zijn toch handelingen die voor ons als moeder, als kleuterleidster, voor ieder die in een verzorgend beroep staat, herkenbaar zijn.
Het steeds weer moeten zoeken naar een oplossing die aanvaardbaar is voor allen, dat is: de schalen van de weegschaal in evenwicht houden. En die schalen zijn meestal van koper, het metaal dat van oudsher te maken heeft met de hartewarmte, met de liefde tot de medemens. Van koper worden je handen warm als je erover wrijft, en het glanst als goud als je het oppoetst.
Het ijzer heeft andere kwaliteiten. Het heeft meer met kracht te maken. De ridder op zijn paard baant zich een weg door de wereld met zijn ijzeren zwaard. Hij verovert zich daarmee een ruimte waarin hij zich bewegen kan. Ik meen, dat je als moeder en als ieder die op een plaats staat die lijkt op die van de moeder, ook voortdurend bezig bent ruimte te scheppen, maar dan op een manier, die in de eerste plaats op anderen is gericht. Je schept ruimte, zodat anderen kunnen gedijen. Dat hoort vanzelf bij de beweging van de weegschaal: hier een beetje bij, daar een beetje af. Iedereen komt aan de beurt, niemand hoeft zich te kort gedaan te voelen. Zo blijkt het moederzijn een Michaëlische taak bij uitstek te zijn!
De dag is voorbij – lange schaduwen vallen over het gras. De hoge zonnebloemplant vangt met zijn dikke knop de laatste stralen van de ondergaande zon. Een warm oranje licht schijnt tussen de bomen door. Daarboven merkwaardig klaar en helder de bijna doorschijnend blauwe lucht. De schemer zet in, dat geheimzinnige halfduister waarin zoveel gebeuren kan. Het roezige van de dag ebt weg. Het is een uur van bezinning en overpeinzing. Wat is de oogst van deze dag? Pijnlijk scherp komen altijd het eerst de dingen naar voren, die niet zijn gelukt. We moeten toch meestal een innerlijke verlegenheid overwinnen om ook te kijken naar de dingen die goed waren, waar je vrede mee hebt. Ook dat hoort bij het Michaëlsfeest. Daar put je moed uit om te blijven staan op de plaats die je toegemeten is.
Rogier v.d. Weyden: Michaël
Michaël: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
VRIJESCHOOL in beeld: Michaël jaartafel
.
.
Rudolf Steiner over plantkunde: alle artikelen
Leesboek voor de plantkunde (Nederlandse vertaling)
Inhoudsopgave van dit boek van Gerbert Grohmann met links naar ieder hoofdstuk.
Grohmann: Leesboek voor de plantkunde
Omdat het boek geen genummerde hoofdstukken heeft, kun je vanaf deze links op de genoemde bladzijden komen.
7 9 11 17 22 23 27 28 31 35 37 38 44 46 50 52 59 67 70 74 79 81 84 90 93
97 102 106 110 113 114 117 119 121 122 125 132 135 138
140 143 149 154 164 168 171 173 174 179 184 186 190 192 193 202 211
Over de eerste dier- en plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner (Nederlandse vertaling)
Inhoudsopgave van dit boek van Gerbert Grohmann met links naar ieder hoofdstuk
Plantkunde in klas 5 (1)
Uit de Geert Grooteschool over: samenhang ontwikkeling plant-kind met uitgebreide voorbeelden; planten en elementen; planten in de tijd van het jaar; voorbeeld van wat je in een plantkundeperiode kan doen
Plantkunde in klas 5 (2)
Elisabeth Klein over: wat kun je doen; hoe doe je het; elementen; paardenbloem; kool; cactus; plant in haar omgeving;
Plantkunde in klas 5 (3)
De bloemenklok van Linnaeus: klok kijken met bloemen;
Plantkunde klas 5 (4)
Onbekend over: het plantenkleed over de aarde van pool tot pool; woestijn, hooggebergte, oceaan; plant en omgeving; plant en element; plant en ziel;
Plantkunde klas 5 (5)
Peter Brul over: tarwe
[6-1] Plantkunde
Roy Wilkinson over: over je voorbereiding; de aard van vertellen; aansluiten bij de ontwikkeling van het kind; Goethe als hulp; Engelse uitdrukking uit de plantenwereld; voorbeelden van waar je bij kan aansluiten of uitgaan; plantenrijk over de aarde; de seizoenen; plantendelen; geometrie in de planten; bloemen en insecten; metamorfose; ontwikkelingstrappen van plant en kind.
[6-2] Plantkunde klas 5
Roy Wilinson over: vegetatie van de aarde; classificatie van planten; kruiden; bomen en houtsoorten; Engels gedicht.
Plantkunde
Over Goethes metamorfose
Artikel over o.a. de 4 elementen en de plantendelen in sterrenkunde
zie ook: Goethes fenomenologische methode
Planten:
In “Weledaberichten”, een periodiek van de firma Weleda werden in de jaren 70, 80 en 90 van de vorige eeuw, allerlei (geneeskrachtige) planten gekarakteriseerd en voorzien van kunstzinnige afbeeldingen. Deze zijn heel goed te gebruiken als bordtekening, wanneer de betreffende plant om welke reden dan ook, in de klas wordt besproken. Ook kunnen zij een inspiratie zijn voor het kunstzinnig weergeven van de plant in de schilderles in de 5e klas (en hoger).
Over de berk
Plantendelen
Hoe heten de verschillende delen van een plant. Gedetailleerde benamingen:
wortel (pen-knol-peen enz)
stengel
blad
bloem
bloeiwijze
vrucht
Bij voedingsleer:
korte karakteristiek over de elementen:
aarde [6-4/1] water [6-4/2] lucht [6-4/3]
Wilde vruchten in bossen en langs wegen
Nikole Karrèr over: vruchten verzamelen en verwerken tot o.a. jam
Goethes fenomenologische methode
Waarnemen van planten
Willen Beekman over: het waarnemen van pastinaak en peen.
Planten en dieren
Korte beschrijvingen van natuurwaarnemers.
.
Algemene menskunde: alle artikelen
Menskunde en pedagogie: alle artikelen
VRIJESCHOOL in beeld: plantkunde
.
.
.
.
.
Geplaatst in plantkunde
Michaëls symbolen voor een innerlijke strijd
Wanneer je na de zomer je werk weer oppakt, kan je de spanning ervaren tussen nieuwe plannen die je op wilt pakken en het besef van de beperkingen en weerstanden waarmee je zal worden geconfronteerd. Michaël toont ons deze twee polen door de ene keer de weegschaal te hanteren voor het zoeken naar evenwicht en de andere keer het zwaard voor de strijd.
De kringloop van het jaar is op natuurlijke wijze in vier gedeelten in te delen door daarin de seizoenen lente, zomer, herfst en winter te onderscheiden. In oeroude symbolen als de swastika (hakenkruis), het zonnerad of ook het Ierse zonnekruis komt deze viergeleding tot uitdrukking. Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze natuurlijke vierheid de mensheid steeds weer heeft geïnspireerd om ook het spirituele leven en de religieuze praktijk daarop af te stemmen. Of anders uitgedrukt, dat de twee markante momenten in het jaar waarop de zon haar hoogste en laagste punt heeft bereikt en de tussenliggende tijdstippen waarop zij in het midden staat (dag- en nachtevening) de vier ankerplaatsen vormen waaromheen de religieuze feesten geordend zijn.
Hoewel wij ons (zeker in de westerse beschaving) in hoge mate hebben geëmancipeerd van de invloeden van zon, maan en sterren en ons daar niet zo vanzelfsprekend meer naar richten, behoeft dit niet tot gevolg te hebben dat wij er ons geheel voor afsluiten (zo dat al zou kunnen). Het kan integendeel ook aanleiding zijn om er bewust en hernieuwd weer toegang toe te vinden. De feesten zijn dan niet – zoals in vroeger tijden – ingegeven aan de mensen, maar weergegeven door de mensen. In deze zin willen de christelijke jaarfeesten niet slechts een ‘verlengde’ zijn van de taal die zon, maan en sterren spreken, maar een antwoord daarop. Dit antwoord kan des te krachtiger en vreugdevoller klinken naarmate wij ons ieder jaar opnieuw meer verdiepen in het karakter en de waarden van de feesten; er regelmatig oefenend in en mee leven, zoals dit bijvoorbeeld in de godsdienstoefening in praktijk kan worden gebracht.
Evenwicht in uitersten
Wanneer na de zomertijd de dagen steeds sneller korter worden, bereiken we het ogenblik (dit jaar – 1983 – op 23 september) waarop dag en nacht even lang zijn. De plaatsen van zonsopgang en -ondergang staan dan precies lijnrecht tegenover elkaar. Het zichtbare gedeelte van de zonnebaan overdag is dan nauwkeurig even lang als de onzichtbare nachtelijke helft, terwijl – wat hier dan ook mee samenhangt – het hoogste punt van die baan even hoog boven de horizon ligt als het laagste punt eronder. We kunnen daar nog aan toevoegen, dat deze beide punten op hun beurt weer nauwkeurig in het midden liggen tussen de uiterste standen die beide innemen in zomer en winter. Kortom, alles spreekt een taal van evenwicht, van afgewogenheid, van het midden. Opvallend in overeenkomst daarmee is het feit dat de aartsengel Michael, die sinds oudsher als genius van de herfsttijd van het jaar wordt gezien (29 september is ‘zijn dag’) vaak wordt afgebeeld met een weegschaal in de hand. Het goed en het kwaad, het licht en de duisternis in de menselijke ziel worden afgewogen; tenminste dat deel dat we zelf niet hebben kunnen of willen afwegen. Wanneer wij na de zomer het nieuwe ‘seizoen’ beginnen en het werk weer aanpakken of oppakken, gaat dit vaak gepaard met een bewust of onbewust afwegen van de mogelijkheden. We staan in het spanningsveld tussen twee polen. De idealen en verplichtingen aan de ene kant die we – na wat afstand genomen te hebben – weer helderder en duidelijker voor ogen zien; aan de andere kant de beperkingen, innerlijke en uiterlijke weerstanden, waarmee we hernieuwd – ondanks opgedane krachten – worden geconfronteerd. We staan weliswaar altijd min of meer in dit spanningsveld tussen nieuwe impulsen en de opgelegde beperkingen, tussen vertrouwen en zorg, tussen het opnieuw met iemand proberen in een vruchtbare, harmonische relatie te komen en de zwakheden en onhebbelijkheden die ik bij mijzelf en de ander ontmoet.
Maar de beide uitersten lijken in deze tijd van het jaar nog verder uit elkaar te liggen dan anders het geval is. Het spanningsveld is daardoor des te groter. En voordat ik het goed besef heeft de weegschaal, die dient om de uitersten harmonisch tegen elkaar af te wegen, plaats gemaakt voor het andere ‘attribuut’ waarmee Michaël veelvuldig wordt uitgebeeld, namelijk het zwaard waarmee uitersten elkaar bestrijden of – en daar komen we straks op terug – dat dient om zelf uitersten te bestrijden.
Er bestaan ook afbeeldingen van Michaël waarbij hij zowel de weegschaal als het zwaard draagt, een combinatie die aanvankelijk verwondering wekt omdat het tegelijkertijd hanteren van een precisie-instrument dat een stille en rustige hand vraagt en van een zwaard dat met grote krachtige bewegingen wordt gezwaaid tegenstrijdig lijkt te zijn. Toch kunnen we uit waarnemingen die in het voorgaande zijn beschreven wel degelijk ervaren dat weegschaal en zwaard heel dicht bij elkaar kunnen staan; dat ze beide te maken hebben met uitersten, die tegen elkaar worden afgewogen ofwel tegen elkaar strijden.
Vechten op twee fronten
Dat zwaard en weegschaal inderdaad samen kunnen worden gehanteerd, hoewel dat op het eerste gezicht niet verenigbaar lijkt, kan misschien ook nog duidelijk worden vanuit een heel ander gezichtspunt.
Veel wordt tegenwoordig gesproken over vrede. Velen zetten zich actief in voor de vrede. De toenemende oorlogsdreiging, de harder wordende agressie, de criminaliteit brengen velen ertoe om hetzij individueel of in vredesbewegingen zich tegen dit toenemende geweld te verzetten of om er de waarde van de vrede of van de geweldloosheid tegenover te plaatsen. Daarbij wordt meestal uitgegaan van de overtuiging dat vrede het tegenovergestelde is van oorlog; dat vrede staat tegenover strijd en confrontatie. Vanuit die overtuiging is het dan ook geheel onbegrijpelijk waarom nu juist Jezus, die – zoals in het evangelie wordt beschreven – de discipelen uitzendt om de vrede die hij aan hen geeft verder uit te dragen tot de uitspraak komt: ‘Ik ben niet gekomen om de vrede te brengen, maar het zwaard’.
Dit lijkt in scherpe tegenstelling te staan tot de uitspraak zoals deze ons is overgeleverd door het Johannesevangelie: ‘Vrede schenk ik u; de vrede die in mij is geef ik aan u’. Wat is dit voor een soort vrede, of wat betekent dit zwaard?
Wanneer ik geconfronteerd word met andermans mening is het gevaar groot, dat ik óf deze tracht te onderdrukken en mijn mening aan de ander opdring, óf integendeel, dat ik niet eens naar de ander luister, zijn of haar mening volledig negeer en de betreffende daarbij in de kou zet.
Al naar gelang het onderwerp of de persoon of mijn gesteldheid kan een van beide tegengestelde neigingen bij mij opkomen. Wanneer in het eerste geval de ‘zwakkere’ zich gewonnen geeft is de strijd ten einde, er wordt vrede gesloten. In het tweede geval is er niet eens sprake van strijd, want deze wordt vermeden, zodat die situatie een ‘vredige’ genoemd kan worden. In beide gevallen is er geen strijd (meer) en kan dus vanuit de beschreven overtuiging in zekere zin van ‘vrede’ worden gesproken. Toch voelt dit onbevredigend of zelfs onbehagelijk aan, omdat we bij vrede toch nog een andere kwaliteit vermoeden of verwachten dan alleen maar een soort wapenstilstand of ‘koude vrede’. Misschien moet ik wel degelijk het zwaard voeren en ten strijde trekken. Maar dan niet tegen de ander of diens mening, maar tegen die beide neigingen die ik bij mijzelf kan ontdekken en steeds weer voel opkomen. Ik moet in mijzelf als het ware aan twee fronten tegelijkertijd vechten, namelijk tegen de heetgebakerdheid, tegen de neiging om het mij bedreigende te willen onderdrukken, en aan de andere kant tegen de onderkoeling, tegen de neiging de ander te negeren en zo buiten spel te zetten.
In het laatste boek van het Nieuwe Testament, de Apocalypse, wordt gesproken van een tweesnijdend zwaard, hetgeen misschien ook in de richting wijst, dat ik niet zo zeer moet strijden tegen een macht buiten mij, maar tegen twee machten in mij.
En ik merk dat, hoe meer het gelukt deze twee machten meester te worden, hoe vrijer en opener ik tegenover de medemens kom te staan, ook al vertegenwoordigt hij een andere mening of reageert hij anders in een bepaalde situatie dan dat ik zou doen. Ik merk dat ik mijn eigen standpunt veel minder absoluut als het enig juiste beschouw, maar dat mijn zienswijze wellicht aanvulling behoeft, die een ander mij kan geven. Ik ben dan bereid innerlijk meer te omvatten. En dat is vrede.
De strijd buiten mij aangaan blijkt tot twist, ruzie, oorlog of in het beste geval tot wapenstilstand of schijnvrede te leiden. Het strijdtoneel in mijzelf te zoeken blijkt tot opener, evenwichtiger relaties te leiden, waarbij ruimte is voor meerdere standpunten. Zo blijkt het zwaard niet in tegenspraak te zijn met vrede, maar integendeel strijd met het tweesnijdend zwaard zelfs voorwaarde is tot vrede, hoe gevaarlijk deze uitspraak uit het verband genomen ook is. Ik zou ook kunnen zeggen: strijd buiten mij leidt tot oorlog; strijd in mij tot vrede.
Actief antwoorden
De aartsengel Michaël kan ons – vooral juist in de herfsttijd – inspireren en helpen bij deze innerlijke strijd. De strijd voor meer ruimte en openheid in de ziel, voor de bereidheid meer te willen omvatten dan tot nu toe in mij leefde, dus ook voor innerlijke groei boven de mens uit die ik nu ben. Wanneer wij van onszelf zeggen dat we tot grote, misschien wel goddelijke hoogten kunnen groeien, kan dit door hoogmoed worden ingegeven. De verleidende macht, zoals deze in het begin van het Oude Testament in het beeld van de slang wordt beschreven, zet de mens tot die hoogmoed aan door uit te spreken: ‘Gij zult als God zijn’. Hoewel deze uitspraak – wanneer deze op onwaardige wijze of op een onjuist tijdstip klinkt – tot hoogmoed leidt, is de inhoud van die woorden niet in tegenspraak met de feiten zoals deze in de Genesis worden beschreven, namelijk dat de mens inderdaad geschapen is ‘naar Gods beeld en gelijkenis’.
Wij dragen als mens het goddelijke in ons. Jezus herinnert de mensen op radicale wijze aan deze goddelijke oorsprong, of aan de goddelijke kern die zij in zich dragen, met de woorden: ‘Gij zijt Goden’.
De genius, de engel van de herfsttijd, herinnert ons ook aan deze oorsprong door de betekenis van zijn naam Michaël: Wie is als God? Van alle met name genoemde engelwezens is hij de enige wiens naam een vraag inhoudt. En zoals iedere vraag, zo zet ook deze tot innerlijke activiteit aan. Een vraag vraagt namelijk om beantwoording. En wanneer wij aannemen of beleven dat deze vraag aan de mensen, aan ons gesteld is, dan zal toch ook van ons het antwoord verwacht worden. Wie is als God? Aan de ene kant kunnen we hoogmoedig zeggen, het antwoord is al lang gegeven, namelijk de mens, zodat de vraag niet eens meer gesteld behoeft te worden. Aan de andere kant kunnen we onszelf (en vooral de ander!) wel degelijk beleven als een onaf, zwak, soms zelfs nietig en in ieder geval een onvolmaakt wezen, kortom, zeker niet in aanmerking komend om met God vergeleken te worden!
Het antwoord vinden we misschien juist dan, wanneer we het midden vinden (evenwichtig!) tussen deze uitersten van hoogmoed en ‘laagmoed’. Wanneer wij namelijk de moed vinden om weliswaar onder ogen te zien dat er een brede, diepe kloof ligt tussen menszijn en godszijn, maar anderzijds dat deze afgrond overbrugd en de beide werelden met elkaar verbonden kunnen worden. In deze zin staat Michaël bij uitstek in dienst van Diegene die, zelf God zijnde, mens is geworden, daarmede de mogelijkheid scheppend dat de mens tot God wordt. ‘Gij zijt Goden’ houdt dan een belofte, een verwachting in die in de toekomst – mede door ons actieve antwoorden op de vraag: Michaël -verwerkelijkt kan worden. Behalve de eigen, unieke waarde van de Michaëlstijd heeft deze kennelijk ook een
voorbereidend karakter voor de advent- en kersttijd: de geboorte van God in de mens.
Hans Holbein, Michaël met zwaard en weegschaal
.
Jaarfeesten: alle artikelen
VRIJESCHOOL in beeld: Michaël jaartafel
.
.
Geplaatst in jaarfeesten
Getagged dag-en nachtevening, evenwicht, Michaël, seizoenen, vrede, weegschaal, zwaard
Hebben de kinderen in de 4de klas kennis gemaakt met de dierenwereld, in de 5de klas voeren we ze in het plantenrijk.
Waar ligt dat eigenlijk, het plantenrijk?
Deze vraag sticht een algemeene verwarring en verbazing.
Natuurlijk ligt het op aarde! Maar waar? En na een kort overleggen en samenvoegen van de verschillende gedachten, die uit de klas naar boven komen, zien we dat moeder aarde gekleed is in een breed plantenkleed, waar alleen ,,hoofd” en “voeten”, de beide polen, uit te voorschijn komen.
Wel zijn er in het kleed groote gaten of plaatsen waar het heel dun geweven is: de oceanen, de woestijnen en de hooggebergten. Om ’t middel draagt de aarde een dichte gordel: de tropencirkel, zwaar van oerwouden; naar ,,boven” en naar ,,onderen” toe wordt het kleed dunner, om eindelijk in een schraal kantwerk te eindigen.
Laten we de verschillende streken eens nauwkeuriger bezien. Zijn de woestijnen open plaatsen? Neen, geheel open zijn ze niet, want bijna overal zijn ze gewoonlijk bedekt met een heel dun laagje van miniem kleine bleekgroene plantjes; bovendien vinden we bij de oase’s wat palmen, sterke taaie planten, met stevige, droge, diep groene bladeren; of ook wel cactussen, die even droog en taai zijn als de woestijn zelve en met hun zeldzame, vurig-bloeiende bloemen ook antwoorden op de hitte van de woestijn.
En de hooggebergten? Ja, wel breede ruimten zijn hier kaal, hetzij door ijs en sneeuw, hetzij door de gladde, harde steenvlakten. Maar toch vinden we overal nog wel plantjes: de rotsplantjes. Doch hoe anders zijn ze dan wij ze kennen. Klein en vet en inééngedrongen zijn ze, en ze verstoppen zich graag onder en tusschen de steenen voor het schelle licht van de hooge streken. De rotsen en steenen houden het water voor hen vast, dus zelf moeten ze van den regen en de smeltende sneeuw profiteeren en hun blaadjes dik opvullen met sap, om iets over te hebben voor de droge dagen.
De oceanen? Vinden we daar niet de wieren? Dus ook planten. Maar planten, die zich gewillig en onderdanig naar het water gevoegd hebben: hun stelen en dunne slierende blaadjes zijn zoo buigzaam en bewegelijk dat ze elke gril van de golven kunnen volgen en zelfs de aarde volkomen kunnen loslaten als ’t water dit eischt.
Uit dit alles zien we dat de planten heel nauw samenhooren met hun omgeving: allereerst en ’t meest met de aarde, maar ook met het water, de lucht en het licht.
Zon, regen, wind en aarde vormen met de plantenwereld één groot, schoon geheel, waarin de planten, met een onuitputtelijke vindingrijkheid en een taai uithoudingsvermogen, steeds nieuwe vormen en nieuwe mogelijkheden vindend, zich buigen en voegen naar het onderling spel van deze vier.
Is de aarde sterk, de zon dichtbij en stroomt rijkelijk de regen, dan vormen zich de geweldige reuzen, met de eenvoudige gladde, diepgroene bladeren en de overvloedige vruchtenrijkdom van de tropen. Is de zon maar zwakjes, doch wordt de aarde geholpen door koelen, vochtigen wind, dan vinden we een plantenwereld, die een keur van blad en bloem ten toon spreidt.
In de lage landen van de gematigde luchtstreken komen zelfs vele soorten voor, die aan één exemplaar wel drie verschillende bladeren vertoonen. naar mate deze aan lucht en licht zijn blootgesteld; verschillend dikwijls zoowel naar vorm als naar kleur. (De boterbloem e.a..)
Deze gegevens, het onderling spel van zon, regen, wind en aarde in onze gedachten dragend, gaan we nu de planten nader bekijken en reizen van den evenaar naar de pool. Van palmen, vijgen, rijst en suikerriet gaan we langs sinaasappels, olijven, amandelen, perziken, en kersen, langs beuken en eiken, door weidebloemen en graanvelden naar de dennen en sparren van de noordelijke landen. Spar en berk houden ons, van de boomen, het langst gezelschap, tot we eindelijk, vlak bij het pool-ijs, het rendiermos, de allerlaatste, ook achterblijft. — Een zelfde reis kunnen we doen van het lage land naar de hooggebergten. —
Zoo hebben de kinderen een overzicht van het heele plantenrijk gekregen, waarmee metéén een basis is gelegd voor de economische aardrijkskunde, die ook op het programma van dit leerjaar staat.
Maar nuttig is natuurlijk ook dat. verschillende planten, vooral die van de onmiddellijke omgeving, nader bekeken en gekend worden.
Hoe dit te doen.
We blijven nu dus in ons eigen land en verzamelen in een onderling gesprek alles wat de kinderen van onze planten weten. Karakteristieke planten grijpen we er uit: de eik en het viooltje. Men. voelt de tegenstelling!
Al gauw geven de kinderen zelf de eigenaardige karaktertrekken aan. We zien in de eik moed en kracht uitgedrukt: moed en kracht in de wortels, den stam, de takken en bladeren; in het viooltje spreekt de bescheidenheid.
Deze ontdekking, dat de planten de uitdrukking geven aan verschillende ziele-eigenschappen, wordt een vreugde voor de kinderen en het stroomt van voorbeelden: de vroolijke, frissche brutaliteit van de paardebloem, de vrome reinheid van de lelie, de behaagzucht, van anjeliertjes, de eenvoud en trouw van de den, de ijdele, luie zelfgenoegzaamheid van de waterlelie, enz. enz.
De planten worden beschouwd naar wortel, stengel, blad en bloem, naar omgeving en beweging.
Ten slotte een proef of we de planten goed begrepen hebben: enkele kinderen komen voor de klas één of meer planten voorstellen, in de hun eigenaardige bweging, die ontstaat of bij het zich ontwikkelen, óf door den invloed van de omgeving; en de anderen moeten raden. En in ons midden gaan leven, eik en beuk en treurwilg, de sneeuwklokjes, de paardebloem, wat men wil; een bonte verscheidenheid van planten. Het plantenrijk leeft in ons midden, wij leven in het plantenrijk.
Dit voorstellen van planten door een typeerende beweging, bleek de klas zoo gegrepen te hebben, dat het kon doorwerken in de Nederlandsche
Taalperiode, die op de plantkunde-methode volgde. De kinderen kwamen er toe, aan de hand van bewegingen, het eigenaardige van een plant of bloem uit te drukken in kleine gedichtjes. Hoewel deze echter pas ten volle tot hun recht komen wanneer de bewegingen erbij gezien worden, mogen enkele hier gegeven worden, zoodat men eraan kan aflezen hoe de kinderen zich met de planten één gevoeld hebben:
De sneeuwklokjes (door een meisje; leeftijd 11 jaar).
Fijn wiegelen de sneeuwklokjes hun hoofdjes heen en weer:
De zon die had geschenen, nu sliepen ze niet meer!
Ze luiden in den zuidenwind het lieve voorjaar in.
De and’re bloempjes slapen nog, zij maken het begin.
Kling-kling.
De Crocusjes (van een ander meisje).
Hoor! de vogels fluiten!
Het is niet meer koud!
Dan kom ik gauw naar buiten:
Ik krijg het zoo benauwd.
Heusch het is niet dolletjes In die donkere bolletjes!
(Een jongen over hetzelfde:)
De crocusjes, geel, wit en paars
Steken recht als een kaars
Hun kopjes naar boven,
Om de lente te loven.
De Paardebloem (van een jongen):
Op het dak daar staat een bloem,
Hij heeft een echte schooiers-roem.
Want hij is zoo taai en sterk,
De boeren bezorgt hij het meeste werk.
Van boven geel, van onder groen,
Men noemt hem ook wel: paardebloem.
.
Veel van wat hier is genoemd, wordt gedetailleerder uitgewerkt in Grohmann’s ‘leesboek voor de plantkunde
.
Plantkunde: alle artikelen
VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas – plantkunde\
.
Geplaatst in plantkunde
Getagged 5e klas, hooggebergte, plantendek, plantkunde 5e klas, woestijn
‘Bloemen zeggen hoe laat het is. Stop zaadjes van klaprozen, anjers, strobloemen en goudsbloemen in een pot. Te zijner tijd openen en sluiten de planten hun bloemen op gezette tijden. Je kunt de klok erop gelijkzetten.’
Aldus een krantenartikel.
Dat laatste is niet helemaal waar. Als de zon niet schijnt, gaan sommige bloemen niet open.
Toch een prachtige illustratie hoe de plant reageert op het licht.
Voor meer informatie:
kijk hier of hier of zoek via google onder bloemenklok: er zijn veel doorverwijzingen.
Ooit was het zaad ‘als klok’ te koop; nu heb ik het nog niet kunnen ontdekken.
Als jij het weet, geef het even door:
pieterhawitvliet apenstaartje gmail punt com
.
.
Plantkunde: alle artikelen
VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas – plantkunde
.
Geplaatst in plantkunde
Getagged 5e klas, bloemenklok, Linnaeus, plantkunde 5e klas
Mijn klas en ik begonnen de plantkunde met de paardenbloem. Tweeënveertig meisjes en jongens zaten vol verwachting voor me. Ik zocht een groep van de wildste kinderen uit, voor wie flink aanpakken echt goed was en zei hun: ‘We hebben twee mooie paardenbloemplanten nodig, met wortel en al – want anders is het geen hele plant! -uit de schooltuin, en wel van de paden, waar ze veelvuldig groeien, maar eigenlijk storen. Je krijgt ze daar niet uitgeroeid, omdat ze een wortel hebben die heel diep de grond ingaat. Op het pad is het heet en droog en alleen diep in de aarde vinden ze water. Haar lange wortel heet penwortel en ze heeft ook kleine zijworteltjes. En,’ zo zei ik, ‘ik wil geen afgebroken wortels zien, maar alleen volledig gave. Begin dus ver van de plant te graven!’
Onze tuinbouwlerares was verbaasd toen zij ’s middags de ijverige arbeid van deze groep bemerkte. Door overmaat van ijver, en omdat de kinderen toch te dicht bij de plant groeven, brachten ze eerst alleen verminkte plantenwortels aan de dag. Maar ze waren volhardend en zo hadden ze, nadat het pad op die manier van ongeveer vijftien paardenbloemen bevrijd was, toch twee volledige planten voor de volgende morgen, die ze trots als trofee in het klaslokaal brachten.
Een groep rustige kinderen had ik op dezelfde middag naar de wei naast de school gestuurd, uiteraard met toestemming van de boer. Zij hadden het gemakkelijk om hun paardebloem uit te graven, omdat de planten op de vochtige wei niet van die lange wortels hebben.
Nu vergeleken we de planten en de kinderen ontdekten dat, waar de aarde helemaal droog is de wortel heel lang is maar de plant zelf laag blijft. De bladeren van de bladrozet hebben scherp gezaagde bladranden, de bloemstelen zijn kort. De plant zit in elkaar gedrukt op de grond. In de vochtige wei zijn de bladeren en de bloemstelen veel langer, de bladeren zijn aan de rand minder gezaagd, de wortels zijn maar net zo lang als de bladeren.
Dat was al een interessante vergelijking. En nu was het geluk ons op een excursie ook nog goed gezind. Toen wij langs een moeras kwamen, hoorde ik een indianengehuil en dan kwamen een paar kinderen met van opwinding rode hoofden aangehold met een paardenbloemplant die ze in het moeras gevonden hadden, waar ze maar zelden groeit en zich helemaal niet thuis voelt. Hoewel we anders op onze uitstapjes naar buiten alleen kijken en niets bespreken, riepen de kinderen hier zelf, omdat ze al zoveel met belangstelling over de paardenbloem geleerd hadden: ‘Deze heeft geen paardenbloembladeren meer!’ En inderdaad waren de ongeveer 40 cm lange bladeren helemaal niet meer gezaagd, maar alleen nog een beetje golvend gewelfd. Verder had de paardenbloem in het moeras slechts een heel klein worteltje. Hij was dus precies het tegenovergestelde van de plant op het droge pad met zijn lange wortel en de kleine, scherp gezaagde bladeren en lage bloemen.
De volgende dag in de klas vonden we nog, dat het water en het licht iets met de bladrand uit te staan moesten hebben. Waar veel licht is ontstaat een scherpgetande bladrand, waar veel water is kan het licht, zo meenden we, geen mooie vormen uitsnijden. Wij droogden de grote gewelfde bladeren en hebben ze lang bewaard, tot de tand des tijds ze verkruimelde!
levend inzicht vanuit het geheel
Het denken in een levendige samenhang leert men vooral ook goed door de vele gedaanteverwisselingen of metamorfoses van de planten. De ouders zouden zich de moeite moeten getroosten het klassieke boekje van Goethe ‘Metarmorfose der plant’ zelf te lezen. Daarin leren we de plant zo te aanschouwen dat we de kinderen tot een levend inzicht ervan kunnen brengen.
Er is een plantenfamilie die ons de mogelijkheid van gedaanteverwisseling van de levende plant op prachtige wijze laat zien. Dat is de familie kool, die tot de kruisbloemigen behoort. Wanneer de hele kracht van de plant in de wortel schiet krijgen we de knolraap. Maar wanneer de stengelknop overheerst en tot een dikke kop wordt, dan wordt het een rode of witte kool of een savoyekool. De kinderen merkten ook meteen, dat de bloemkool een omgevormde machtige groente-bloem is. Men ziet nog de kleine roosjes erin zitten! Dat de bladeren de ogen van de plant vormen wisten de kinderen al. De tuinman kan door zijn kweekkunst de planten bij hun omvormingen helpen. En als dan aan een heel lange stengel vele kleine okselknoppen zitten, wat is dat dan? Dat zijn de spruitjes!
De koolrabi had ik bij deze bespreking verstopt en buiten beschouwing gelaten. Nu hield ik in elke hand drie grote koolrabi’s omhoog en vroeg: ‘Maar wat is er nu aan de hand met de koolrabi?’ Diep zwijgen en nadenken. Dan plotseling, je ziet het gebeuren, gaat één van de jongens een licht op en hij roept: ‘Ik weet het! Hij heeft immers bladeren. Dat moet dus een verdikte stengel zijn.’ Voor de klas was het een gezamenlijk avontuur, want in feite had één het voor allen gevonden. Het werd dan ook ten volle doorproefd, want de koolrabi werd in kleine stukjes verdeeld en heerlijk opgegeten.
Het hart moet aangesproken worden
Opvoeden is tegenwoordig altijd een genezen, omdat de capaciteiten van de kinderen zich niet meer harmonisch en gezond ontwikkelen, maar zich ten dele verminderen of voorbijgaand ongezonde veranderingen vertonen. Zo neemt het geheugen bij de kinderen tegenwoordig meer en meer af. Hierbij moeten we ook wel bedenken dat alleen datgene in de herinnering levend blijft wat met het hart opgenomen kon worden, of het nu een rekenkundige regel, grammatica of aardrijkskunde is. Ook het waarnemingsvermogen verdwijnt steeds meer om plaats te maken voor een vroegrijp intellect. Juist met plantkunde kunnen we nu een wezenlijke heilpedagogiek beoefenen!
Ik ging nu over tot de planten die door het klimaat, d.w.z. het samenspel der elementen, sterke veranderingen ondergaan. Ik moest me behelpen met mooie afbeeldingen, want het ging om bergbloemen en in Hannover, dat in een landschap ligt dat zo plat is als een bord, zijn geen bergen. Ik wilde echter de kinderen de polvormende planten van het gebergte laten zien: de heerlijke sleutelbloemgewassen, zoals het Mannsschild (Aretia Alpina L.) en uit de familie der kruisbloemigen het ‘Steinschmückel’, letterlijk het steensieraad, een mooie passende naam voor de vriendelijke rose bloemetjes (Petrocallis Pyrenaica), het bekende stengelloze lijmkruid uit de anjerfamilie en tenslotte de Himmelsherold, hemelheld, de bergvergeetmijniet uit de familie der ruwbladigen. Deze polplanten groeien alleen op een hoogte van 1800-3500 m.
Wat is voor deze planten nu het karakteristieke? Ze zitten alle als kussens heel laag op de grond, hebben heel lange wortels, die vaak de rotsspleten volgen en stralende, helder gekleurde bloemen. De kinderen overlegden nu: licht hebben deze planten hoog in de bergen genoeg, vandaar de stralende bloemen die altijd bij het licht horen. Steen en aarde hebben ze ook genoeg, vandaar de lange wortels. Maar wat ontbreekt er, want zonder reden veranderen de planten zich niet. Het water ontbreekt, omdat het van de berg afloopt en deze planten staan dus op droge grond. En direct antwoordt de levende plant en trekt haar bladeren en haar waterige stengel terug en – hup! -daar zitten ze allemaal op de aarde. En dat doet niet alleen één familie, maar alle die op deze hoogte leven kunnen.
Het lag voor de hand nu ook nog de cactus uit de woestijn te bespreken. De stengel is hier dik en reusachtig geworden. De kandelabercactus bereikt zelfs de hoogte van een telegraafpaal. De kleur is groen en hij houdt de plant in stand. Maar waar zijn de bladeren gebleven? Hoe is het klimaat in de woestijn? Er is daar een overvloed van licht en warmte. En bepaald ook genoeg aarde, d.w.z. zand! Maar het water ontbreekt geheel. De bladeren hebben zonder uitzondering water nodig. We weten hoe ze, als ze door ons op een wandeling geplukt worden, al vaak op weg naar huis verwelken. In de woestijn laat de plant haar bladeren geheel verdwijnen en heeft ze omgevormd tot doorns.
De meeste kinderen kenden de broeikas. Het is daar benauwd, omdat het heet is en er veel waterdamp in de lucht zit. Een beetje waterdamp zit ook nog in de lucht van de bergen, waar de polgewassen groeien, die kleine blaadjes hebben. Maar hier in de woestijn ontbreekt ieder spoortje van waterdamp in de lucht en er is geen regenwater. Ik vertelde de kinderen, dat in de woestijn die ik achter Los Angeles gezien had, vele sanatoria waren. Want deze droge lucht is geneeskrachtig voor tuberculose, astma en kinkhoest.
De stengel van alle planten groeit van de aarde naar het licht, ook de stammen van de bomen. Bij het vermolmen van de boomstammen bemerkt men dat daar eigenlijk aarde in de stammen omhooggetrokken is, want de stam wordt nu opnieuw tot aarde. En zo is ook de cactus eigenlijk een stuk aarde boven de aarde, uitgestulpte aarde.
De cactusplant met haar heerlijke vuurrode bloemen is als de pendant van zo’n landschap. Zoals de droge hete lucht en het licht direct op de hete bodem knallen, zo zit hier de vuurrode bloem direct op haar aardbodem, de cactusstam.
Er konden hier natuurlijk alleen enkele suggesties gegeven worden op dit gebied. Gelukkig is er juist hierover uitstekende literatuur, die de ouders helpen kan zelf te leren waarnemen. Een levendige belangstelling voor het plantenrijk is daarbij een eerste vereiste.
Wat echter op deze manier in de kinderjaren opgenomen wordt, leeft verder in het kind als een geschenk voor later, omdat het steeds een levendige en goede verbinding met de planten, de tuin en het landschap zal behouden.
.
Plantkunde: alle artikelen
VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas – plantkunde
.
.
Geplaatst in plantkunde
Getagged 5e klas, cactus, kool, paardenbloem, plantkunde 5e klas
De verschijningen van het plantenrijk kunnen we vergelijken met de groeistadia van een pasgeboren kind tot puber. De geaardheid van de plant vergelijken we met het karakter van de mens.
De plantenwereld is een eenheid en elke plant is verbonden met zijn omgeving. Elke plant is afhankelijk van de zon, de lucht, de aarde of het water en dus ook gebonden aan het jaargetijde of het klimaat.
Bekijken we de plant in haar omgeving, dan volgt hieruit dat plantkunde sterk samenhangt met aardrijkskunde. De plant bezien we altijd in haar geheel, om dan vervolgens te kijken welke delen zij heeft: wortels, stengel, blad, bloem, vrucht en zaad. De bloeiende plant, die al deze delen heeft, noemen we de hoogste plantensoort. De laagste plant is die, welke het minst van deze kenmerken heeft.
De leerkracht stelt de planten voor als de begroeiing van de aarde, te vergelijken met de haren van de mens. Zonder planten was de aarde kaal. Zomers, als er aan de buitenkant van de aarde alles groeit en bloeit, is het in het binnenste der aarde stil. De aarde zelf “slaapt”. Daaraan tegengesteld is de winter: in de winter is het in het binnenste van de aarde heel actief en bewegelijk, de winter bereidt zich als het ware voor op de lente. De aarde waakt dan, net als de mens die wakker is en waarin van alles gebeurt. Deze voorstellingen probeert de leerkracht bij het kind op te roepen.
De laagste plant is de paddenstoel, [1] deze bloeit immers niet, heeft geen wortels, stengel, groene bladeren, bloem, vrucht of zaad. De paddenstoel heeft wel veel water, aarde en schaduw nodig en groeit heel dicht bij de grond. De opening van de paddenstoel is naar de aarde gericht, niet naar de zon, in tegenstelling tot de bloeiende plant. De fijne stof, die uit de hoed van de paddenstoel in de aarde valt, zorgt voor een netwerk van draden. Het stof is vrucht, bloem en stuifmeel tegelijk. We vinden paddenstoelen in alle kleuren, maar het zijn “kleuren van de aarde” en niet van de zon.
De geweldige uitbreiding die bij de boom boven de aarde plaatsvindt, blijft bij de paddenstoel in de grond. De paddenstoel vergelijken we met een zuigeling. Net als deze moet hij gevoed worden en heeft fijne voeding nodig. Beide gebruiken hun kracht om het voedsel te verteren en om te groeien, verder slapen ze.
We gaan dan over naar de korstmossen. Het korstmos heeft nog weinig vorm en ordening. Het steekt een heel klein beetje boven de aarde uit en de stengeltjes staan allemaal dicht tegen elkaar aan, het steunt op elkaar. Het korstmos is sterk. We zoeken de plaatsen op waar het groeit. Dit mos heeft een stengelprincipe. We vergelijken het korstmos met een kind van enkele maanden, dat nog ongecontroleerd met armen en benen beweegt, dat grijpt en om zich heen kijkt, maar verder hulpeloos is.
We gaan naar de algen en wieren, die meebewegen in het water. Ze hebben licht en water nodig-, alleen in de lucht kunnen ze niet leven. Ze hebben bladgroen en kunnen daardoor zelf voedsel produceren. Hoewel ze veel op een groene plant lijken, hebben algen de ondersteuning van water nodig. We vergelijken ze met het kind dat kan zitten en kruipen, maar nog niet alleen kan staan.
Het mos is eigenlijk al een echt plantje. Het is groen, heeft stengel en blaadjes en komt in vele verschillende vormen voor. Het heeft veel vocht nodig en maar een beetje zon. Het mos steunt echter nog geheel op de aarde, de stengels zijn nog niet krachtig en zelfstandig. Zo kunnen we dan mos vergelijken met een kind dat net kan staan en zijn eerste woordjes stamelt.
De volgende stap is naar de varens en de paardenstaarten. We ontdekken, dat deze wortels en groene bladeren hebben. De bladeren groeien al een flink eind boven de grond en komen in allerlei vormen voor. Bloemen hebben de varens niet, dus ook geen zaad of vruchten, doch slechts eenvoudige sporen die op de bladeren groeien. De varen kan haar voedsel voor haar bladeren gebruiken, zodat deze in volle pracht kan groeien. De varen is een echte plant en staat met haar wortels stevig in de grond. Varens en paardenstaarten beschouwen we als de middelste soorten uit het plantenrijk. We vergelijken ze met het kind omstreeks het derde jaar: het loopt en staat stevig, zegt “ik” en wordt zelfbewuster.
Vervolgens vertellen we over de naaldbomen, de altijd groene bomen die een rechte, sterke stam hebben waarmee ze tot hoog in de lucht kunnen rijken. Met hun naalden lijken ze de blaadjes van een boom te willen nadoen. Hoewel deze boom geen bloemen heeft, behoort hij toch al tot de bloeiende planten. Hun bloeiwijze bestaat uit ” kleine boompjes” op de takken. Als we goed kijken zien we zelfs in het midden van deze boompjes een klein stammetje. Daaraan zitten de schubben van de kegel, die tevens zaadjes bevat, vast. Met de geur van zijn hars wedijvert de naaldboom met de bloemen. De naaldboom vergelijken we met een kleuter: hoewel deze flink en zelfstandig is, leeft hij nog sterk in de nabootsing. Van de naaldbomen gaan we over naar de parallelnervige planten, de planten met een enkelvoudige bloeiwijze ( monocotyledonen). Voorbeelden hiervan zijn de bolgewassen tulp, hyacint, krokus en het sneeuwklokje, maar ook de grassen en granen.
We gaan hier in op de bolgewassen. De bloem van de bolgewassen is meestal in drieën gedeeld. Het lange gladde blad omvat van onderaf de stengel. In de grond verbergen ze een bloembol. In het vroege voorjaar laten deze planten zien, hoe snel ze kunnen groeien. Bij de eerste zonnestralen steken ze hun groene sprieten boven de aarde en ook de bloem volgt dan snel. Aan deze bloem kunnen we geen aparte kelk onderscheiden. De bloem opent zich in het zonlicht. We vergelijken de monocotyledonen met het kind omstreeks het zevende jaar tot en met het kind van tien jaar. In deze jaren staat het kind open voor wat het leert. Het wordt als het ware door nieuwe kennis verlicht. In het kind is nog veel verborgen dat niet uit de verf komt.
Nu gaan we over tot de eenvoudige dicotyledonen. Hiertoe behoren de meeste planten die wij kennen van de hei, het bos en van ’t veld, zoals het viooltje, de boterbloem, de dotterbloem, de anemoon en de paardenbloem. Al deze planten hebben veel licht en lucht nodig. Het kind echter nog als de bloem in knop: groene en gekleurde blaadjes zijn nog niet te onderscheiden, bloeien zal het pas later. Kinderen tussen elf en veertien jaar vergelijken we met de dicotyledonen.
Het zijn de planten met een dubbele bloeiwijze: ze hebben én kelkblaadjes én kroonblaadjes, (onder andere de ranonkelsoorten). We laten het kind zien waar het naartoe zal groeien. Het kind zal worden als een bloeiende roos. In hemzelf zullen groene kelkbladeren en kleurige bloembladeren te onderscheiden zijn. Heftige gevoelens en eigen gedachten en ideeën maken het persoonlijke van het kind kleurrijker.
Een plantkundeperiode in de vijfde klas.
Het lokaal ziet er heel anders uit dan anders op de eerste dag van de plantkundeperiode. Aan de wanden en kastdeuren hangen grote kleurige aquarellen waarop onder andere dennenbomen, paddenstoelen, berken, varens, een tulp en een roos te zien zijn. Met uitbottende forsythia- en kornoeljetakken, zoet geurende hyacinten en een bakje gevuld met kussentjes mos, geven de tafel onder het bord een feestelijk aanzien. Fossielen en barnstenen met overblijfselen van planten, grote en kleine zaden en takjes katoenpluizenbollen liggen er los naast. Een stapeltje plantenboeken om in te snuffelen completeert het geheel. Zo, nu weten de kinderen zeker dat een plankundeperiode begint.
De lerares vertelt enkele inleidende bijzonderheden over planten, bijvoorbeeld dat de plant graag naar de zon wil groeien, dat het lijkt alsof de zon de planten naar zich toetrekt. Zij vertelt wat de klas in deze periode zal gaan doen: Ze zullen planten bekijken en bespreken, ze zullen veel planten schilderen en er ook over schrijven. Nadat het volgende gedichtje door een van de kinderen is voorgelezen, schrijven zij het van het bord over in de kersverse periodeschriften:
Ik wou dat ik zo wijd
mijn armen kon strekken.
Ik wou dat ik verblijd
mijn lichaam hoog kon rekken.
Ik wou dat ik zo rein
kon groeien en kon bloeien.
Ik wou dat ik zo fijn
mijn kleuren kon doen gloeien,
zodat iedereen kon zien
wat ik zo lang gemaakt heb.
(geschreven door de lerares)
Op de overgebleven ruimte op de bladzijde wordt een voorjaarsbloem getekend. Wanneer de schriften en de kleurdozen weer in de kastjes liggen, volgt de klas de ontwikkeling van de paardenbloem door de seizoenen heen. De weg begint in de warme zomerlucht waardoor kleine parachuutjes zweven. Zij komen uit de witte pluizenboel. ’s Winters rust het zaad in de donkere aarde. Alle zaadjes “weten” precies wanneer het voor hen warm genoeg is om te ontkiemen. De lerares vertelt over de kiemworteltjes en de kiemblaadjes, over de bladvorming, over de knop en de bloem. Iedereen heeft weleens een paardenbloem geplukt, dus kunnen de kinderen zelf beschrijven hoe de bloem er vanbinnen uitziet. Heel kort horen zij iets over de bevruchting, het verleppen en het overblijven van het vruchtbeginsel. Wanneer de rol van de seizoenen aan de orde komt, wordt de aarde in de zomer vergeleken met de slapende mens, terwijl de aarde in de winter, als alles wordt voorbereid, van binnen wakker is.
Twee vragen krijgen de kinderen mee naar huis om over na te denken: Waar zouden onze gedachten en gevoelens zijn als wij slapen?
Wat is je vroegste herinnering?
Penselen, waterpotten, voorgeweekt papier en gele en blauwe verf worden uitgedeeld. Licht en water komen van boven – en van onderaf naar elkaar toe. Zij zoeken elkaar als het ware op. Het daarvoor gebruikte geel en blauw raken elkaar slechts even aan. Daar ontstaat een vleugje groen, net alsof op die plaats de eerste lentesprietjes uitkomen.
Dit gedichtje komt de volgende dag in hun schriften te staan:
De vier elementen
Zo vast en droog de aarde is,
Zo nat en vloeiend het water is.
Zo licht en vluchtig is de lucht,
De warmte rijpt de vrucht.
(lerares)
De verschillende stadia van de paardenbloem en de daarbij behorende jaargetijden vatten de kinderen zelf samen, in teruggaande lijn:
pluisje – eind zomer
bloem – zomer
knop – lente
wortel, steel, blad – lente
kiembladeren,
kiemwortel – lente
zaadje – winter, herfst
Wanneer zij vertellen over hun allereerste herinnering, blijken deze vaak met schrikbelevingen te maken hebben: een gat in je hoofd, in het water gevallen, een kop thee over je benen, een vechtpartij op straat…….
Een meisje meende zich zelfs te herinneren uit de kinderwagen te zijn gevallen. Over de vraag waar je gedachten en gevoelens zijn als je slaapt, hebben de kinderen nauwelijks nagedacht, dat vonden ze zo’n stomme vraag. Het eenvoudigste antwoord leek hen: ” Die slapen ook!”
De juf gaat er dan verder maar niet op in. Een jongen heeft spontaan enkele takken met katjes meegebracht die al helemaal geel zijn. Voor de klas vertelt hij er van alles over en tekent zelfs een dwarsdoorsnede van een katje op het bord. De lerares gaat door op zijn verhaal. Zij vertelt over de bloei van bomen, over stuifmeel en het bijenbezoek, over de verschillende zaadvormen, over het verspreiden van het zaad door de vogels en de wind. Het water en het licht worden weer geschilderd, maar ze weten nu al beter wat ze met elkaar kunnen doen. Met behulp van de aarde vormen ze een plant, die omhoog naar de zon groeit en haar blaadjes één voor één uitstrekt naar beide kanten. Wanneer deze per kind zo verschillende planten de volgende dag bekeken worden, lijkt de ene plant in een moeras te staan, de andere op een berg of in een woestijn. De kleursterkte en de hoeveelheid lucht en water in de schilderingen maken deze verscheidenheid aan planten mogelijk.
Nadat de leerstof van de vorige dag heel kort met behulp van de kinderen herhaald is, vertelt de lerares uitgebreid over paddenstoelen. Tot slot maakt zij een vergelijking met een volledige plant: Bij de paddenstoel blijft alles onder de aarde, behalve de top. Hij wil niet veel weten van de zon. Thuis moeten de kinderen een gedichtje over de paddenstoelen maken.
Nogmaals schildert de klas de plant van gisteren, maar nu met vier kleuren. De aarde geeft stevigheid aan de wortels en een lichte waas van warmte die de knop omhult, brengt de rode bloem tot bloei. Weer ontstaat bij ieder kind een ander soort bloem: een strobloem, een rode zonnebloem, een pioenroos, een cactus…..
Enkele paddenstoelgedichtjes worden voorgelezen. Daarna schrijven de kinderen hun eigen vers stilletjes in hun schrift. Sommige vinden andermans gedicht zo leuk, dat ze die ook op schrijven:
Paddestoel klein
en paddestoel rond,
jij staat zomaar op de grond,
op het zachte groene mos
in het grote dennenbos.
(leerling)
Kleine tekeningetjes in de opgespaarde ruimtes laten geheime plekjes in het bos zien, waar paddenstoelen het naar hun zin hebben. De lerares leest nog eens enkele herinneringen van de kinderen voor. Dan merkt zij op dat een baby eigenlijk net zo afhankelijk en hulpeloos is als de paddenstoel. Beiden kunnen zich niet zelf voeden en toch groeien zij allebei heel snel en zijn even rond van vorm.
In de paarsblauwe schaduw van een boomstam sparen de kinderen de vorm van paddenstoelen uit.
De donkere aarde biedt de nodige beschutting. De stemming op de schilderbladen is die van een geheimzinnige vollemaansnacht. Nadat de kinderen hebben gehoord over de korstmos en diens reacties op water en zon en diens voorzichtige pogingen blad te vormen, schrijven zij dit gedichtje van het bord over:
Korstmos zo hoog op de rots
leef je van water en zon.
Jij groeit daar zo trots,
waar niets meer leven kon.
Jij bent zo kleurig en klein,
maar je kunt niet veel
meer dan een paddenstoel zijn,
zonder wortel en zonder steel.
( lerares)
De diepzee en haar oerwouden van veelkleurige en veelvormige algen en wieren zijn nu het onderwerp van de les. In het water gevormd en nog net niet verstoken van het licht, deinen deze wortelloze planten mee met de beweging van het water. Zij worden als het ware door het water gedragen, maar kunnen zich nog wel aan de zeebodem vasthechten. De lerares vertelt nu over de ontwikkeling van het kleine kind, hoe het leert eten, zitten, kruipen en staan.
Wouden van wier en algen in vele kleurschakeringen en vormen, die zacht onder water bewegen, verschijnen op het vochtige papier. Eerst schilderen de kinderen het blauwe water en daarna de planten. Daartussen zwemmen kleine felgekleurde vissen, octopussen en kwallen.
Die dag hebben de kinderen thuis gedichtjes gemaakt. De volgende ochtend worden enkele voorgelezen, waarna er een wordt uitgekozen om naast het eigen gedicht op te schrijven in de schriften:
Daar staat een alg diep onder zee,
zijn bladeren gaan met de golven mee.
Een alg heeft een ontzettend groot blad,
en die voelt natuurlijk heel erg nat.
De vissen zwemmen tussen de bladeren door
en bijten soms in een rechteroor,
want vissen eten graag algen.
Mij lijkt het om te walgen!
( leerling )
Ranke algen en kleurige visjes op de lichtblauwe zeebodem versieren de rest van de bladzijde. Op het volgende blad komt te staan:
We hebben een vergelijking gemaakt tussen de plantenstadia en de ontwikkeling van het kind:
paddestoel – baby: rond, hulpeloos, afhankelijk,
korstmos – enkele maanden oud: het kind leert zich bewegen, grijpen en kijken,
algen – ongeveer een jaar oud: het kind kan zitten en kruipen, maar nog niet alleen staan,
mossen – na het eerste jaar; het kind kan alleen staan en begint woordjes te zeggen.
Nu zijn de mossen aan de beurt. Onder de bomen in het bos die nu nog helemaal kaal zijn, vind je de prachtigste groene plekken. Je vindt daar een soort mininatuur van heel veel kleine plantjes. Deze hebben veel van de vormen die we ook in het plantenrijk onder de “grote” planten tegenkomen: struiken, palmen, bomen. De kinderen horen over het bloemetje, de bestuiving, het sporendoosje op zijn lange stengel, over zijn behulpzaamheid aan de bomen, over de vroegere moerassen in ons land en het ontstaan van turf.
Dan wordt het mos geschilderd: op een licht plekje in het bos, waar de zon net tussen de bomen door kan schijnen, groeien kleine kussentjes mos in allerlei groene tinten. Daar bovenuit groeien de prachtigste lichtgroene varens met hun lange bladeren en hun krullen.
De lerares vraagt de kinderen thuis een herinnering over de eerste tijd op school op te schrijven. Wanneer zij deze een dag later aan elkaar hebben verteld, wijst de lerares hun op het verschil tussen de tijd van hun vroegste herinnering en die toen ze een jaar of zes waren. Hoeveel meer weten, voelen en kunnen ze al…. Zij geeft een beschrijving van een kind dat iedereen in zijn omgeving nabootst en op een gegeven moment beseft dat het zelf een ” ik ” is. Wanneer de kinderen de mos – en varenschilderingen van de vorige dag bekijken, krijgen zij meer over de varens te horen. Deze hebben samengestelde veernervige bladeren, waarop aan de achterkant sporen groeien.
Wanneer je zou proberen ze uit te graven, merk je dat ze stevig in de aarde staan: ze hebben wortels. De varens hebben geen echte stengels en ook geen bloemen.
De lerares beschrijft de sfeer van, het dennenbos met de roodachtige gloed van de afgevallen naalden, de donkere zwijgzaamheid van de streng gevormde bomen.
Achter het bos kleurt de avondhemel rood….. ‘Een uur later zijn deze bossen geschilderd en liggen de schilderingen te drogen in het waterige voorjaarszonnetje.
De volgende dag worden de belangrijke dingen over de varens nog eens aangestipt en daarna schrijven de kinderen zelf wat ze nu over de varens weten:
De varens zijn bladeren, gelijk uit de grond. In warmere landen zijn ze net zo hoog als een boom. Daar leven de wortels een halve meter onder de grond. Het samengestelde blad heeft tientallen blaadjes aan de zogenaamde steel. Varens zijn er hier in Noord – Holland. Er zijn vele soorten varens. Ze hebben sporen op hun bladeren en leven van water en licht.
( uitwerking leerling )
Besproken wordt de ontwikkeling van het kind van drie tot zes jaar, het eerste “ik”- zeggen, zijn spel en zijn grenzeloze fantasie. Wanneer de kinderen de bijzonderheden van de dennenboom hebben gehoord, kondigt de lerares aan dat ze morgen over de dicotyl en de monocotyl zullen praten en dat ze nu een van die planten gaan schilderen.
Ze beginnen met blauw van onderen en geel van bovenaf. Onder de aarde heeft de tulp haar bruine bol met de kleine witte worteltjes. Het lange blad omvat van onderaf de stengel. Om de bloem heen schilderen de kinderen de lichte, roodachtige waas van de warmte. Na een korte herhaling over de naaldbomen schrijft de klas er weer een stukje over. Ze mogen dat ook in gedicht – of gespreksvorm doen. Ook eigen ervaringen en herinneringen die met naaldbomen te maken hebben, mogen in het schrift komen.
De dennen hebben geen bladeren, maar naalden. Aan de takken groeien dennenappels. Die zijn roodbruinig. De stam is kaarsrecht en in het voorjaar zit er veel hars aan. Er zijn vele soorten naaldbomen: sparren, fijnspar en nog, veel meer. De grove den of pijnboom is een bijzonder taaie naaldboom, die men herkent aan de lichtrode schors en de blauwgroene naalden. De naalden van een den ruiken naar citroen en prikken. In de herfst en in de winter blijven ze groen.
(uitwerking leerling)
De kinderontwikkeling van het zesde tot veertiende jaar wordt nu beschreven: het voor het eerst naar de grote school gaan, het willen leren, de gevoelens van eenzaamheid rond het negende jaar en dan het langzaam bewuster worden van de eigen gevoelswereld en het komen tot eigen gedachten en ideeën. Zo horen de kinderen niet alleen wat ze zelf kunnen herkennen, maar tevens wat nog komt, waarnaar ze kunnen uitkijken.
Op het bord staat een wilde roos getekend. Een uitgebreid wortelnet houdt de plant stevig in de aarde. De verschillen worden behandeld tussen de tulp, die al in het voorjaar uitschiet en de roos, die geduldig werkt aan haar steeds fijner en uitgewerkter samengestelde blaadjes en die rustig de tijd neemt voor de knop, waar zij in de groene kelk de gekleurde kroonbladeren verborgen houdt. Tenslotte ontvouwt zij haar bloem in de vorm van een vijfster. Alle elementen, de lucht, het water, de aarde en de zon, werken ten volle met haar mee.
Wanneer de kinderen de roos gaan schilderen, vraagt de lerares hun net zo veel geduld en nauwkeurigheid uit te oefenen als de roos zelf doet. Zij hebben tijdens deze periode veel plezier gekregen in het steeds terugkerende schilderen, maar nu zoemt het in het lokaal van de ijver. De prachtigste rozen, van verfijnd tot uitbundig, ontstaan op de vochtige schilderbladen. De laatste periodeweek is bestemd voor allerlei uitstapjes. De eerste dag gaat de klas op de fiets naar het Jacques P. Thijssepark, waar ze in groepjes langs kronkelpaadjes, bruggetjes en slootjes komen om het park te verkennen. Sommige kinderen gaan meteen Indiaantje spelen als ze de bosjes zien, anderen kletsen meer dan ze kijken, maar er zijn er ook die met de juf willen meelopen en haar van alles aanwijzen wat ze van de plantkundelessen herkennen. Weer terug in de klas schrijven de kinderen een verslagje.
Het tweede uitstapje leidt naar het Amsterdamse Bos. Van tevoren is de klas in tweeën gesplitst en deze helften zijn elk in vijf groepjes van drie personen opgedeeld. Beide helften krijgen een geheim woord op dat uit vijf letters bestaat. Elk drietal krijgt een letter tot zijn beschikking en moet een vraag bedenken, waarvan het antwoord met deze letter begint. De vragen moeten met plantkunde te maken hebben. Op een groot ruig veld, dat omringd wordt door bosjes en sluippaden,worden de fietsen neergezet. De groepjes van de ene klassenhelft krijgen vijf minuten de tijd om zich in het struikgewas te verbergen, de groepjes van de andere helft gaan even later op zoek en moeten bij elke gevonden post een vraag beantwoorden of een opdracht uitvoeren, bijvoorbeeld:
– Wijs een mini- oerwoud aan.
– Zoek twee bladeren: een veernervig en een parallelnervig.
– Zoek een boom met witte schors. Hoe heet deze boom?
Bij elk goed beantwoorde vraag of uitgevoerde opdracht krijgt de zoekgroep een letter dat in het geheime wachtwoord past.
Op deze wijze zijn de kinderen tijdens hun spel toch in gedachten bezig met de plantkunde, terwijl ook de mistige maartstemming, het uitbottende groen om hen heen en de drijvende planten in de sloot hun niet zijn ontgaan.
In het Vondelpark gaat de klas eerst bomen bekijken en daarna ook natekenen. Op een veld staan twee reusachtige kastanjebomen. Die willen de kinderen tekenen. Al gauw zoeken zij een plekje in het gras om te beginnen. Meegebrachte plastic vuilniszakken moeten de broeken beschermen tegen het vochtige gras.
Maar helaas, het begint te druppelen. “We gaan gewoon door hoor!”, laten de kinderen weten. Toch worden zij door een lange plensbui het park uitgejaagd. Daar gaan ze weer, dwars door de stad, koude regen op hun hoofd, rode handen aan het stuur, gemopper…… Terug in de klas moeten zij bijkomen bij de kachel met warme chocolademelk. Slechts zeven tekeningen hebben de terugtocht overleefd. Na deze koude belevenis willen de kinderen de dag daarna niets liever dan in alle rust schrijven en tekenen in de behaaglijkheid van het lokaal.
Een mooie gelegenheid om het gedicht van de roos en de tulp, dat al een paar dagen op het bord stond, over te schrijven. Natuurlijk hoort daar een tekening bij.
Over de tulp en de roos.
De tulp, zij heeft verborgen
al haar delen in het klein.
Zo vlug als de zon in de morgen
kan zij er in de lente zijn.
En de roos is zo voorzichtig.
Diep wortelt zij in de aarde.
Alle elementen evenwichtig
benut zij hun waarde.
(lerares)
In een bijna transparant geschilderde achtergrond van lichtgeel en rose worden drie witte boomstammen uitgespaard. In heuvelachtige landschappen staan even later drie berkenbomen bij de één met korte, dikke stammen, bij de ander smal en rank.
De hangende en opwaaierende bladersluiers hebben alle nuances tussen geel en donkergroen. Donkerbruine vlekken verlevendigen de witte bast.
Tijdens de laatste les leggen de kinderen hun schilderingen op de juiste volgorde, maken van dun karton een kaft, die van een opschrift en een tekening wordt voorzien en zetten het boekwerk met een klemmetje vast.
Tenslotte reciteren de kinderen nog eens alle gedichten uit deze periode. Tussendoor vertelt de juf nog iets nieuws over sommige plantensoorten. “Wie heel goed kijkt, kan heel veel bijzondere dingen over de planten aan de weet komen.”
[1] Zie de opmerking in de reactieruimte
De ontwikkeling van het kind en de samenhang met de plantenladder vind je vooral in het leesboek voor de plantkunde
.
Plantkunde: alle artikelen
VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas – plantkunde
.
.
Op 7 februari 1966. is te Dornach de bijna 82-jarige componist Leopold van der Pals overleden.
Welhaast ieder van ons kent deze naam door zijn muziek voor de
Kerstspelen en de vele composities voor euritmie.
Niet zo velen onder ons kenden de markante geheel met Dornach samengegroeide persoonlijkheid die deze naam droeg.
Hoewel Nederlander van geboorte was hij geen Nederlander en hij beheerste de taal ook niet, die hij wel graag hoorde spreken. Hij had belangstelling voor Nederland, zoals hij zich interesseerde voor alle landen van Europa, waarvan hij er verscheidene naar landschap en volksaard goed kende. Want hij had Europa lief.
Zijn rijzige, in vroeger jaren kaarsrechte gestalte met het edel gevormde hoofd riep een beeld op van de voorname en innerlijke fijnzinnige levensstijl die in de St. Petersburgerkring heerste, waar hij werd geboren en zijn jeugd doorbracht, aan het eind van de vorige eeuw. Aan zijn hel-blauwe ogen, die hij klaar en vol aandacht op de hem omringende wereld richtte, scheen niets te ontgaan. En alleen deze blik verried dat hij al jong een zelfstandig zoeker naar de Geest was.
Zijn lot voerde hem in 1907, na beëindiging van zijn muziekopleiding, naar Berlijn, waar uit alle richtingen de kunstenaars samenstroomden en het muziekleven bloeide. Daar maakte een bevriende pianist hem opmerkzaam op de voordrachten van Rudolf Steiner in het “Architekten-Haus”. Hij nam de geestesroep in zich op en reeds in 1909 — 25 jaar oud — werd Leopold van der Pals in de kring van persoonlijke leerlingen door Rudolf Steiner opgenomen. Zo was het vanzelfsprekend dat hij naar Dornach ging toen het centrum van de beweging daarheen verplaatst werd om mee te werken aan de bouw van het eerste Goetheanum. Hier groeide zijn diepe verbinding met de euritmie: waaraan wij o.a. de parelend reine muziek voor Rudolf Steiners lyrische gedicht “Frühling” te danken hebben en de zo boeiende euritmische “Auftakte”.
Van der Pals nam zelf ook deel aan de euritmiecusussen. Rudolf Steiner droeg hem menigmaal op een inleidend woord voor een opvoering te spreken wanneer hij zelf daartoe verhinderd was. — Toch trad Van der Pals nooit op de voorgrond, integendeel: hij leidde een teruggetrokken bestaan, ook op zijn vele reizen en toen hij zich na de dood van zijn vrouw in de dertiger jaren voorgoed in Dornach vestigde, werd hij zeer eenzaam. Hij wijdde zich geheel aan de muziek en zo ontstond een rijk gevarieerd oeuvre, waarin hij steeds weer trachtte zich te vernieuwen. Daarbij had hij een veel omvattende kennis van de moderne muziek en de hedendaagse componisten. Dat zijn muziek zo weinig weerklank vond in en buiten de antroposofische kringen vervulde hem met diepe smart. Wie hem in de laatste jaren zag, kon getroffen worden door de smartelijk berustende trek op zijn gezicht. Nog treffender doordat ook de vrije, rechte gestalte werd gebogen door een gecompliceerde schouderbreuk, waaronder hij zeer leed.
Met Leopold van der Pals ging een zeer bijzondere vertegenwoordiger van twee tiidperken heen: een beminnelijk aristocraat uit Midden-Europa van de vorige eeuw en een geesteszoeker die stil en onverschrokken de door Rudolf Steiner gewezen weg de toekomst in volgt.
.
Op een dag in de herfst van 1909 of 1910 vertelde Dr. Steiner me, dat hij een oud kerstspel wilde laten opvoeren door leden van de Berlijnse afdeling van de Antroposofische Vereniging en hij vroeg, of ik daarvoor de muziek zou willen componeren. Natuurlijk nam ik dat aanbod aan!
Dat was het geboorte-uur van mijn muziek bij de verschillende Kerstspelen. De keus viel allereerst op een klein spel uit Ober-Pfalz. Waarschijnlijk wilde Dr. Steiner eerst eens kijken hoe dat ging, voor hij zich aan de grote spelen uit Oberufer waagde. Ik toog meteen aan het werk en zocht om te beginnen naar de oude oorspronkelijke melodieën die vroeger bij dit soort spelen werden gebruikt. Ik kon echter niets vinden, behalve twee kleine liederen, die ik voor de slotzang gebruikte. De rest componeerde ik dus zelf. Van de repetities en de opvoering van dit kleine spel kan ik me niets meer herinneren. In ieder geval moet het resultaat Dr. Steiner niet zijn tegengevallen, want een jaar later vatte hij het plan op, het Geboortespel uit Oberufer in te studeren, wat een aanzienlijk zwaardere opgave was. Ook voor dit spel moest ik de muziek schrijven.
Ik besloot om niet opnieuw en waarschijnlijk wederom tevergeefs, naar de originele muziek op zoek te gaan, maar alle liederen nieuw te componeren.
Eén ding was mij volkomen duidelijk: ondanks het populaire karakter van dit soort liederen zou ik elk spoor van banaliteit en zoetelijkheid moeten vermijden en toch zouden de liederen gemakkelijk in het gehoor moeten liggen. Een paar jaar later gaf Dr. Steiner mij de opdracht liederen voor het Oberuferse Driekoningenspel te componeren. Dat was nog moeilijker, want dit spel is zo onuitsprekelijk dramatisch, dat je niets kunt beginnen met eenvoudige, goed in het gehoor liggende muziek. Ik probeerde me aan te passen aan de stijl van het spel en componeerde dus ook de muziek voor het Driekoningenspel.
De opvoeringen vonden plaats in het zaaltje van de Berlijnse afdeling op een toneeltje zonder gordijnen en met heel primitieve kostuums van papier, maar niettemin veroorzaakten ze bij het publiek een stemming van diepe, innerlijke aandacht.
Intussen was men te Dornach begonnen met de bouw van het Goetheanum. Ook ik ging in het jaar 1915 naar Dornach, om daar mee te werken aan de bouw. Hier ontstond de muziek voor het laatste van de drie spelen, het Paradijsspel. Aan deze tijd heb ik een veel levendiger herinnering dan aan de Berlijnse opvoeringen. Er was grote haast bij het componeren van deze muziek, want het was al laat in ’t seizoen. Ik componeerde de hele dag, tot in de trein naar Bazel toe!
Het was de gewoonte van Dr. Steiner om, voordat de repetities begonnen, de teksten voor te lezen aan allen, die mochten meespelen. Hij deed dat ieder jaar. Eén van die leesavonden staat me nog heel duidelijk voor de geest. Wij, die in welke hoedanigheid dan ook aan de spelen moesten meewerken, verzamelden ons in Villa Hansi, Dr. Steiners huis in Dornach. Toen kwam Rudolf Steiner binnen en begon te lezen. De manier waarop hij de tekst las was zo volmaakt, dat wij het stuk dat we toch goed kenden, nauwelijks nog herkenden; het leek wel of we naar iets heel nieuws luisterden. Hij vereenzelvigde zich letterlijk met de persoon wiens rol hij las, hij was Maria, hij was de vrolijke herder, de ruwe waard, de vrome Jozef. Niet lang daarna begonnen de repetities. Met mijn zangers moest ik vaak urenlang oefenen, tot ze de melodieën in hun hoofd hadden. Ieder zette zich tot het uiterste in en bij de uitvoering klopte het gelukkig helemaal. Omdat er overdag aan de bouw van het Goetheanum werd gewerkt, waren de gezamenlijke repetities altijd ’s avonds en ze duurden vaak tot diep in de nacht. Steiners vrouw was er altijd bij, wees de spelers op hun fouten en gaf aanwijzingen ‘hoe je het dan wél moest doen’. Vaak ook was Dr. Steiner zelf aanwezig en kwam dan waar nodig persoonlijk tussenbeide. Hij las dan niet alleen de tekst, maar vaak stond hij met één sprong op het toneel en speelde de rol zelf, als een volleerd acteur.
Met Kerstmis vonden dan de opvoeringen plaats. Als regel hield Dr. Steiner eerst een inleiding, waarin hij iets vertelde over het ontstaan van de spelen, over zijn eigen relatie tot Karl Julius Schröer en diens werk en hoe hij de spelen aan de vergetelheid had ontrukt.
Bij één van deze uitvoeringen hadden we ieder jaar het hele dorp op bezoek. Dan waren alle notabelen van het dorp uitgenodigd en het publiek bestond hoofdzakelijk uit dorpsbewoners en een geweldig groot aantal kinderen, wier grootste plezier het was, de duivel aan z’n staart te trekken. Mijn melodieën kenden ze uit ’t hoofd, en ik heb ze vaak door straatjongens in Dornach en Arlesheim horen zingen.
Alle spelers waren leden van de Antroposofische Vereniging, die meestal nog nooit op de planken hadden gestaan. Dankzij de onvermoeibare inzet van Dr. Steiner en zijn vrouw leerden ze al gauw hoe ze zich op het toneel moesten bewegen en spraken ze het Oostenrijkse dialect. Doordat iedereen met hart en ziel meedeed ontstond er een sfeer van grote innigheid en warmte, waardoor deze uitvoeringen verre de gebruikelijke toneelvoorstellingen overtroffen.
.
.
Kerstspelen: alle artikelen
.
.
Geplaatst in kerstspelen
Getagged kerstspelmuziek, Leopold van der Pals, muziek bij het Kerstspel, Pals Leopold van der
.
Bij de notulen van de kerstspelbijeenkomsten eind 1979 in Den Haag is ook een literatuurlijst gevoegd.
Waar een doorverwijzing staat, is dit artikel opgenomen in het artikel waarnaar de link leidt.
De Oberufererspelen worden genoemd op de volgende plaatsen in de literatuur:
Rudolf Steiner: “Ansprachen zu den Weihnachtsspielen aus altem Volkstum” (gehalten in Dornach 1915 bis 1924). GA 274. Rudolf Steiner Verlag. Dornach. 1974.
K.J.Schroer: “Uber die Oberuferer Weihnachtsspiele”.
Denken-Schauen-Sinnen Nr. 28/29. Verlag Freies Geistesleben. Stuttgart, 1963»
“Weihnachtspiele aus altem Volkstum. Die Oberuferer Spiele”. Mitgeteilt von Karl Julius Schroer. Szenisch eingerichtet von Rudolf Steiner. Mit einem Aufsatz von Rudolf Steiner. Rudolf Steiner Verlag. Dornach, 1972.
“Die Oberuferer Weihnachtsspiele im Urtext”.
Herausgegeben von Helmut Sembdner.
Verlag Freies Geistesleben. Stuttgart, 1977.
Günther Wachsmuth: “Rudolf Steiners Erdenleben und Wirken”. 2e Auflage 1951. S.300 ff.
Heinz Müller: “Spuren auf dem Weg”, J.Ch,Meilinger Verlag, Stuttgart 1970. S.49 ff.
“Erinnerungen an Rudolf Steiner und die Arbeit am ersten Goetheanum”. Verlag Freies Geistesleben 1972.
In “Das Goetheanum” stonden de volgende artikelen:
01- 01-1922 Albert Steffen: “Uber die Weihnachtsspiele in Dornach”.
10- 20-1929 Albert Steffen: “Über das kultische Bild, das kultische Wort, die kultische Handlung”.
22-12-1929 Herbert Hirschberg: “Vom Mysteriencharakter der Weihnachtsspiele”.
In “Natura” stond het volgende artikel:
April/Mei 1927 Walter Johannes Stein: “Die Mysteriën der Asklepios”.
In de Mededelingen van de Antroposofische Vereniging in Nederland stonden de volgende artikelen:
drie herdenkingsartikelen over de vertaalster van de Oberuferer spelen Mej.J.M.Bruinier (1875-1951) door dr F.W. Zeylmans van Emmichoven, W.Kuiper en A.C.Henny. dec.1951
een herdenkingsartikel over de componist Leopold van der Pals (1884-1966) door mevr.C.C.Rens-Portielje. mei 1966
Th.Onnes van Nyenrode-Smits: “Het Paradijsspel”. nov.1968
Th.Onnes van Nyenrode-Smits: “Het Paradijsspel” (vervolg).dec.1970
Mej.L.Gerretsen: “Iets over de Kerstspelen”. nov.1974
Mej.Joh.Knottenbelt: “Nog iets over de Kerstspelen”. jan. 1975
W.Lofvers: “Over het kerstspel” jan. 1979
.
Kerstspelen: alle artikelen
.
Geplaatst in kerstspelen
Getagged kerstspelen literatuurlijst, literatuurlijst kerstspelen
De notities van deze kerstspelregiebijeenkomst zijn niet compleet. Ze beginnen bv.’ ergens verderop’.
Maria, hoe levendig ook, is in een lichte sfeer. Ze moet nooit uit de verticale komen, dat is lelijk; iedere uitslag uit de verticale zie je als een storing. Nora von Baditz zei destijds: Maria mag niet zo ver voorover buigen in het kribje. Dit zijn zulke wezenlijke dingen die met het wezen van Maria te maken hebben. Daarom is bij ons de krib iets verhoogd.
Voor de warmte van Maria moet veel met de stem gebeuren. Maria is licht, lieftallig en met warmte. Men zie de Isis-voordrachten van 1920 (Rudolf Steiner: “Die Brücke zwischen der Weltgeistigkeit und dem Physischen des Menschen – Die Suche nach der neuen Isis, der göttlichen Sophia” GA 202) en verschillende Madonna’s van Raphael en anderen. Maria is de centrale rol.
Belangrijk is ook het zingen van Maria, dit is werkelijk zó belangrijk, speciaal in het Driekoningenspel, waar ze alléén maar zingt. Daarom niet al te vaak wisselen van rol.
Het hoogtepunt van de Kerstspelen in Den Haag is geworden de (iets bekorte) uitvoering door de 12de-klas voor de kleuters. Fluisterend gezegd: die is vaak mooier dan de uitvoerig door de leraren.
Opmerking mej.Gerretsen: het zingen van Maria is in het Kerstspel veel minder gewichtig dan in het Driekoningenspel. Te goed zingen is ook niet goed.
Veltman vervolgt:
Soms kijkt Maria met de ogen niet naar het gebeuren, dat is uitermate storend.
Het sleutelwoord voor de rol van Maria is: “en Maria bewaarde al deze woorden in haar hart” (Lucas 2:51). De kompany neuriet de herhaling van nr.3. Jozef loopt iets vooruit, niet te veel, en niet te weinig (anders kan Maria niet zeggen: “0 Josef en haest U so ras niet voort”).
Als Maria zegt: “So efter vreemden waren gecomen, En al de plaetse waar in genomen ?” maakt Jozef een gebaar van “ik weet het niet”. Als Maria zegt: “ick vreze het mogt my qualick vergaan”, loopt Jozef, die op dat moment rechts op het toneel staat, weer helemaal terug naar Maria links op het toneel. De waarden mogen Jozef en Maria niet ”wegspelen”. De waarden stammen regelrecht uit de zondeval. Rufinus is niet onvriendelijk, maar wel een botterik. Servilus, de boze waard, is een rotzak. Hij komt van links achter op. Titus, de zogenaamde goede waard, lijkt vriendelijk, maar laat het kind net zo goed in de kou staan (“siet selfs hoeghe u met dat kinde redt’!.). Niet te overdreven spelen. “Postuur” betekent zoveel als “standing”.Bij “Erbarmen mooch hem den rycken god” gaat Maria iets naar voren. Daarna komt Titus van rechts achter tussen Jozef en Maria in. In de zin “thuys tot de nok vol vreemdelingen” zie je de patser.
Deze waard wordt meestal gespeeld door een vrouw, en ‘ach baeslief’ wordt dan ‘ach vrouwlief’.
Als Titus het lantaarntje heeft neergezet, rechts voor de kribbe, gaan Jozelf en Maria nog niet direct zitten. Jozef helpt Maria met de sluier bij het gaan zitten op het krukje. Als Jozef zegt: ’t can syn als dat ick iet overhoudt’, went hij zich iets af.
Jozef is niet meer bij dit geboortemysterie aanwezig.
Opm. Nordlohne: in Middelburg pauzeert Maria na ‘hieromme’ heel even en in die kleine pauze kijkt Jozef op en om en dan ziet hij het kind voor het eerst.
Veltman:
Bij de geboortescene staat de Engel op een kleine verhoging. De melodie van ‘de witte wolken zweven’ wordt geneuried. (PHAW: het is de melodie van ‘Een roze fris ontloken‘)
Het is zó moeilijk dat Maria vaak een strak gezicht heeft, terwijl ze eigenlijk moet glimlachen naar de baby, zoals een moeder doet. Direct oefenen met de sluier! De ‘spot’ (rood en blauw) op de Engel moet niet te fel zijn, anders ontstaan te zware schaduwen.
Na de geboorte kijkt Maria bij haar eerste zinnetjes naar het kind.
Bij ‘legh ’t tusschen os en eselken in de krebbe’ schermt Jozef het inleggen met zijn mantel af. De kleine kinderen hebben dan toch een armpje of beentje van het kind gezien: dan is het goed gespeeld!
Verslag van de bijeenkomst van Kerstspelregisseurs op Zaterdag 29-9-1979 in de Vrije School te ‘s-Gravenhage.
W.F.Veltman heet allen welkom, en vervolgt met:
Noor (Gerretsen) heeft gevraagd of ik maar eventjes dat overgebleven deel van het Kerstspel zal doen, want zij is nog bezig met de dingen op te hangen, dat is vorige keer iets misgelopen, daar had U al erg op gerekend, dat spijt ons nog steeds, maar goed, nu kunnen we de schade inhalen, zodat we straks in de pauze met elkaar die kostuums eens kunnen bekijken, en daar kunnen we dan gezamenlijk over praten.
Nu hebben we afgesproken dat we van 2 tot 5 zouden werken, en daar moeten we het hele Herdersspel in doen en het hele Driekoningenspel, dus dat is toch wel even hard werken. En nu is de vraag: hoe doen we dat? De vorige keer hebben we ’s middags zo’n beetje gespééld. Ik heb gehoord dat verschillenden dat juist erg fijn vonden. Voor mij zelf is dat een beetje moeilijker toch, want ja, als je daar dan zelf staat, heb je de neiging als je ziet dat iemand iets aan het doen is, om te zeggen: eigenlijk zou je dat zus of zo moeten doen. Maar ’s avonds heb ik dat dus anders gedaan – en dat was voor anderen weer een teleurstelling – toen heb ik meer vertéld. Nu ja, hoe wilt U het. Zouden we het zo kunnen doen, dat we voor u het Herdersspel door drie mensen laten spelen ?
Hiertoe wordt besloten: tot 14-45 uur, en dan een pauze maken, klaar of niet, dat zien we dan wel, en we krijgen nog thee geloof ik, en dan kunnen we daarna nog twee uur besteden aan het Driekoningenspel.
Het Herdersspel wordt nu (zonder Herdersstaven) gespeeld door Wyna Meenk (Stiechel) Jo Hass (Witok) en Ruud Gersons (Gallus).
Veltman:
We spelen het dus in Haagse Fassung: links op het toneel. Maria en Jozef zitten bij de kribbe rechts op het toneel. Bij de laatste ommegang (Nr.8) zijn er twee achtergebleven, dat zijn dus Gallus en Stiechel, en Witok is mee het toneel opgegaan. Er wordt afgesproken dat Veltman zo nodig het spel zal onderbreken. Stiechel komt van rechts achter in de zaal, mag niet op het toneel voor Maria en Jozef heen lopen, maar loopt voor het toneel naar links, en gaat daar het toneel op, zorgt meteen dat hij in de linker helft van het toneel komt.
Veltman:
De Herders mogen absoluut niet over het midden van het toneel heen komen, ze mogen dus niet komen op de helft van Maria en Jozef: zoveel mogelijk toch in die linker hoek blijven. Maria en Jozef zitten in het gedeelte van Bethlehem, die stal, dat is een kwart gedeelte. Jullie spelen zoals dat in de middeleeuwen altijd was: met die twee plaatsen die naast elkaar liggen.
De herders moeten van begin af aan goed zorgen in de driehoek te blijven, en niet op een rijtje gaan staan, dat is heel belangrijk.
Stiechel vraagt bij ”ei vrund Gallus, wat zeght ghe daor’ of ze nu mag changeren of dat ze stokstijf in haar punt van de driehoek moet blijven staan.
Veltman antwoordt: ‘Nee, stokstijf niet.’
Veltman: ‘Stiechel moet bij “seght dan op, gy ouwe wouwelaer” niet te ver naar voren komen, want dan springt hij uit het beeld.’
Opmerking van de notulist: ‘In Middelburg schrikken Stiechel en Witok heftig bij het woord “wollef” (omdat de wolf een imaginatie van het Boze is): ze deinzen terug.’
Veltman (bij “Lestent wierdt me in der brêe vertelt”): ‘Nu, dat is meteen even een vraag, ik zou het eigenlijk beter vinden dat jullie eerder opstonden, niet tegelijk. Ik herinner me dat van de keren dat ik daar heb meegedaan, dat we opstonden als Witok het woord “Messias” zegt. Gallus en Stiechel denken eerst: hij gaat weer wat kletsen, maar dan blijk het een belangrijke mededeling te zijn, dus daar ga je bij staan. Anders komt er een dode plek in tussen zijn tekst en de volgende tekst van Gallus.’
Bij “In Betlehem wort hy geboren” wijst Witok naar Bethlehem.
Bij “Nu hoort ‘reis hier goê broeders myn,” begint Gallus met een geeuw.
De Herders liggen helemaal languit plat op de aarde.
(De Koningen slapen knielend, laten eigenlijk nooit de hemelbol los).
Vraag: ‘En met het hoofd welke kant uit: naar het publiek toe, of er vanaf?’ Antwoord:’Je moet het wel zo doen, dat als je de tekst moet zeggen, je naar het publiek toe kan spreken, want als je dat met je hoofd naar de achterkant zegt, dan verstaat natuurlijk niemand het, trouwens, de mensen verstaan het toch niet…’
Vraag: ‘Moet bij het slapen de driehoek gehandhaafd blijven?’
Antwoord: ‘Nee, de engel moet er doorheen kunnen lopen.’
Veltman: ‘De engel moet wel ruggelings ook weggaan (na Nr,10), zoals een euritmiste dat zo mooi kan.’
Veltman: ‘Dat is altijd een groot raadsel voor mij geweest, waar de pens bij die herders zat. De pens is namelijk je maag, dus dan moet die vent op zijn buik vallen, en niet op zijn achterste, want ik heb dat vroeger vaak gezien, dat ze zeiden “dat ‘k myn pens hebbe bont ende blau gestooten” en daarbij op hun achterwerk voelden, dat is natuurlijk onzin, er staat nu eenmaal pens, en dan moet je dus voorover vallen. Volgens Wijna geldt het woord “pens” voor het hele lijf. In de Duitse tekst staat: “Ranzen” – ransel, buik, bast, pens.
Veltman: ‘Stiechel is bij “wat hebt ghy wel gedroomt” niet zo flegmatisch!’
Na “dat can ick u vry segghen” doen wij het zo, dat Gallus in die linker hoek komt.
Witok en Stiechel blijven met de rug naar hem toe, in de driehoek, en de punt van de driehoek blijft achter!
Nu komt Witok, en jullie draaien één punt verder, tegen de klok in. Dan Stiechel.
Bij Nr.14 komt dat draaien om je eigen as pas in het tweede deel, dat komt pas bij “David een kloecken herder was”.
Opmerking van de notulist: zou dit draaien om de eigen as niet moeten beginnen juist halverwege de drie coupletten, bij “wie salt weren, d’ruggh’ er toe keeren?
We hoeven de drie coupletten van Nr.14- niet te zingen, want de tijd dringt.
De driehoek moet bij Nr.14 wel precies blijven, die moet beslist aangehouden worden, dus absoluut niet in een kring ronddraaien, maar de hoeken scherp maken, duidelijk keren op een hoek, en met de stokken pas in het tweede gedeelte. Het tweede couplet wordt herhaald op deze manier.
Opmerking Veltman: ‘Ja, dat is een dronkemanstroep van totaal onmathematische herders.’
‘Nou ja, ’t geeft niet, ga maar doo.r’
Nu komt de tocht van de herders in het donker naar Bethlehem.
Veltman: ‘Er zijn mensen, die de herders nu in de zaal laten afgaan, maar wij laten ze links achter afgaan, en dan komen ze weer terug op het toneel, dan wordt de belichting inmiddels donkerder, en dan loopt Stiechel voorop. Niet te ver naar achter, hoor, zo halverwege, tussen de tweede en derde poot, en dan moet je weer iets naar voren komen.’
Het spel op het toneel wordt nu beëindigd.
Enkele opmerkingen van Veltman:
‘De driehoek wordt tot een vierkant door Crispijn. Dit kunnen we in samenhang zien met de driehoek op het voorhoofd van God-Vader, en het driehoeksteken in de kerstboom. Dit is de oude drievoudige voorbereiding. De herders hebben te maken met de fase vóór Christus, met de drie Hüllen van het Ik:
Witok: denken. Hij is de oudere, de wijze.
Stiechel: willen. Hij is een doe-vent, wat driftig.
Gallus: voelen. Hij is een gemoedsman, de eerste herder.
Bij de Koningen is het juist andersom:
Melchior, de eerste Koning: denken (Perzie)
Balthasar: voelen
Kaspar: de donkere Koning: willen (Morenland)
Het gebaar.
De vorige keer heb ik het gehad over het boer zijn. Daaruit vloeit niet alleen de spraak voort, maar ook het gebaar. Ons zit het intellect dwars, maar daar heeft zo’n oude boer geen last van (een jonge boer misschien wel!). Hij maakt een expressief gebaar, een breed gebaar, een rond O-gebaar, liefdevol omvattend. Armen en handen dus niet te dicht bij je houden!
De herders in de driehoek.
Wijnand Mees heeft vorige keer vanuit de euritmie gezegd dat de driehoek met de punt naar achter een vrolijke indruk geeft, met de punt naar voren een tragische stemming. Dit kan een steun zijn om het te begrijpen. Toneeltechnisch is het ook de beste opstelling.
Nel v.d.Kroef: ‘De punt naar achteren: kosmisch
de punt naar voren: aards.’
De aanbidding.
De tekst van de aanbidding is zo interessant. Witok heeft het over een Koning,
Gallus heeft het over “U bleke koontjen, u neuzeken fyn”.
Gallus moet zich niet te ver omkeren bij het spreken: toch zo veel mogelijk “en face”.
Er voor te zorgen dat het bij de aanbidding niet te veel “en profil” wordt, is heel moeilijk. Het bewustzijn moet bij de zaal zijn, ook bij de aanbidding, dat is de overwinning op het naturalisme.
.
.
Nu de tijd waarin vele groeperingen weer kerstspelen gaan opvoeren, nadert, wil ik graag iets naar voren brengen over het z.g. spel van Christi geboorte. Indertijd heeft Rudolf Steiner voor de drie Oberufer Weihnachtsspiele regie-aanwijzingen gegeven. Deze aanwijzingen zijn aan de Nederlandse groep van kerstspelers in het begin van de twintiger jaren overgebracht door J. Stuten.
De toen gegeven aanwijzingen zijn m.i. te splitsen in twee categorieën. Tot de eerste (of liever juist tweede) behoren die, welke betrekking hebben op het brengen van bepaalde scènes, zo, dat ze door een publiek met aandacht en genoegen opgenomen kunnen worden. Ik denk hierbij o.a. aan sommige grapjes uit het herdersspel, die Rudolf Steiner in verschillende groepen van spelers, verschillend voorspeelde. Zulke regievondsten, die dikwijls ontstaan op het moment dat men aan het repeteren is, kunnen tamelijk vrijblijvend gehanteerd worden.
Tot de voornaamste categorie behoren aanwijzingen van een geheel ander soort, namelijk die betrekking hebben op de achtergrond van deze spelen. Zo was ik verleden jaar enigszins verbaasd, toen ik merkte, dat er groeperingen zijn (niet alleen in Nederland maar in de hele wereld), die in het ‘geboortespel’ de z.g. Verkondiging plaatsen ná de proloog van de engel. Nader hierop ingaande begreep ik al heel gauw waar de oorzaak hiervan te vinden was. In de gedrukte Duitse tekst van de Oberufer Weihnachtspiele is de volgorde in het spel van Christi-geboorte: Sterre-gesanck, proloog van de engel, verkondiging. Daarna volgt dan de dialoog tussen Jozef en Maria.
Ik was ervan overtuigd, dat dit niet goed was. Maar daar ik ten tijde dat de eerste kerstspelopvoeringen hier in Nederland plaats vonden, nog in de peuterleeftijd verkeerde, meende ik er goed aan te doen mij eerst eens nader hierover te oriënteren en er met iemand over te spreken, die deze ‘begintijd’ iets bewuster meegemaakt had. Mevrouw Thea Onnes van Nijenrode leek mij hiervoor de aangewezen persoon. Omdat ik haar adres kwijt was belde ik Harry Polderman uit Zutphen en kreeg van hem te horen dat zij juist de vorige dag overleden was. Ik legde hem uit, waarover ik haar had willen spreken. Toen vertelde hij mij het volgende: Thea Onnes had in de tijd van hun kerstspelrepetities een keer een repetitie bijgewoond om de pianiste die ziek was, te vervangen. Op die repetitie werd, hoewel nog niet iedereen aanwezig was, toch maar vast begonnen. Na het ‘Sterregesanck’ bleek Maria nog afwezig.
Daarom sprak de engel de proloog vóór de verkondiging. Intussen was Maria gearriveerd en werd de verkondiging gespeeld. Na de repetitie vroeg Thea Onnes aan Harry Polderman, enigszins ongerust, of zij altijd in deze volgorde speelden. Op zijn verklarend en ontkennend antwoord vertrok zij gerustgesteld. Hetgeen Polderman mij daar vertelde, was een indirect maar duidelijk antwoord op mijn vraag. Als ik haar zelf gesproken had, zou ik haar verzocht hebben nog eens iets te schrijven over de kerstspelen, zoals zij die in haar jeugd, door Rudolf Steiner geregisseerd, gezien had. Nu zij dit niet meer kan doen, wil ik graag zelf op het volgende wijzen: Voor zover mij bekend, is de ‘verkondiging’ een scène die nog niet bij het eigenlijke spel hoort, een voorspel. Tijdens deze scène is de hele kompany niet op het toneel, terwijl bij alle andere scènes deze steeds zichtbaar ergens opgesteld is, zoals dat ook bij het Paradijs- en Driekoningenspel het geval is. In de muziekteksten, waar steeds de wachtwoorden aangegeven zijn. waar de liederen moeten aansluiten krijgt men na het sterregesanck (in de vertaling van mej. Bruinier):
Toen het woord wierdt vervult
So God verkondight hadt
quam daer een enghel snel
van naôme Gabriel
tot Nazaret die Stadt
uit lant Galilea
t’eener maecht Maria enz.
In deze vertaalde tekst staat dan: de hele kompany gaat nu af en Maria blijft alleen. Dit lied geeft duidelijk aan, dat nu de verkondiging plaats zal hebben. Na de verkondiging komt de kompany weer op en zingt:
Als Maria jongfrou rein Swanger wierdt bevonden enz.
Dit lied wijst er duidelijk op, dat de verkondiging plaats gehad heeft. Nu pas treedt de engel naar voren en spreekt de proloog. Het eigenlijke spel van Cristi Geboorte is begonnen. Carl Julius Schröer beschrijft dit in zijn boekje ‘Uber die Oberufer Weihnachtsspiele’ net zo. Hij vermeldt er nog bij dat Maria tijdens het voorspel in het wit gekleed is. In dit boekje beschrijft Schröer nog veel meer over de oude gebruiken, die vroeger in Oberufer in zwang waren. Rudolf Steiner heeft ze lang niet allemaal overgenomen; waarschijnlijk omdat veel van deze gebruiken met de omstandigheden van de dorpsherberg in een dorpsgemeenschap te maken hadden. Maar men zou toch wensen, dat hetgeen wel in zijn regie naar voren gebracht is, zoveel mogelijk in stand gehouden zou mogen worden. Een raadsel blijft, hoe het mogelijk is dat in genoemde Duitse tekst, deze volgorde verwisseld is, maar de drukpers heeft ons wel meer eigenaardige verrassingen bezorgd.
Nog iets over de Kerstspelen
Op hetgeen mevrouw L. Gerretsen in het novembernummer van dit blad over de Kerstspelen naar voren heeft gebracht zou ik graag, in zover ik dat vermag, wat nader ingaan. Het was mij uit het hart gesproken ‘dat de regie van Rudolf Steiner inderdaad zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden’. Evenzeer was het verhelderend er op te wijzen dat naast de vele exacte aanwijzingen – Dr. Steiner heeft indertijd in Dornach elke speler zijn rol geheel en al voorgespeeld! – er toch nog ruimte genoeg blijft voor de grapjes en spontane regievondsten, die mevrouw Gerretsen terecht in een aparte categorie geplaatst wil zien. Juist uit zulke originele invallen kan blijken, dat er vanuit de ware gemoedsstemming wordt gespeeld. Uitgedachte, ‘interessante’ novums worden dan direct ontmaskerd, want die verdragen de spelen niet.
De Nederlandse musicus Jan Stuten kreeg van Dr. Steiner in die oertijd de rollen van Adam, Gallus en Herodes te spelen, ook werd hem van het begin af aan de leiding toevertrouwd. Ik heb het voorrecht gehad hem nog jaren lang in de spelen te mogen beleven. Onvergetelijk hoe hij kort voor zijn dood, oud en ziek, plotseling in moest springen en een Adam gaf zo stralend nieuwgeschapen als ik later nooit meer heb meegemaakt.
In deze regie nu, die onveranderd is gebleven, spreekt de engel eerst de begroeting uit en daarna heeft de verkondiging plaats.* Daarom staat dit zo afgedrukt in de pas veel later in boekvorm verschenen tekst, waarin meer aanwijzingen anders zijn dan in het boekje van K. J. Schröer. Volgens deze inmiddels ontstane traditie wordt het in Dornach en elders zo opgevoerd, dat de company zingend binnenkomt – in tegenstelling tot de zwijgend binnentrekkende stoet van het paradijsspel – en zich opstelt vóór het toneel (behalve Jozef en Maria, die hun plaats op de krukjes óp het toneel innemen). Hierop wordt het ‘sterrengesank’ gesproken, waarna de company terzijde gaat zitten mét Jozef en Maria. Terwijl de engel hierop het toneel opgaat voor de begroeting, blijft de sterrenzanger beneden (eveneens in het midden) staan en buigt met alle buigingen van de engel, die hij dus niet zien kan, mee. Na de begroeting nodigt de engel de company uit het toneel op te komen en wordt ‘toen het woord wierdt vervult” gezongen (nr. 2). De engel houdt zich daarna ongemerkt schuil achter de boom, Maria blijft vóór de boom staan en als de company nog zingend het toneel heeft verlaten vindt de verkondiging plaats. Hierbij zijn zeer merkwaardige gebaren voor Maria aangegeven, waaruit blijkt dat zij in deze scène moet staan.
Daarna gaan engel en Maria het toneel af en de company zingt ‘Als Maria jongfrou reyn’ (nr. 3). Direct hierop aansluitend volgt ‘Keyser Augustus’ (nr. 4) wat door de abrupte wisseling in de andere toonaard een sterk effect geeft. Ik zou dit alles hier niet zo uiteen durven zetten als ik slechts op mijn herinnering zou steunen. Toen ik echter in de jaren vijftig zelf in Den Haag met de kerstspelen begon, heb ik mijn licht opgestoken bij iemand, die alle repetities met Rudolf Steiner heeft meegemaakt en zijn aanwijzingen toen heeft genoteerd. Dit was de musicus Edmund Pracht, die sedertdien 33 jaar lang aan de spelen heeft meegedaan. Zijn ‘boze waard’ was elk jaar weer anders en steeds onovertrefbaar. Hij heeft mij veel gebaren voorgedaan en ik mocht al zijn notities en tekeningetjes overnemen. Hierdoor heb ik gemerkt hoeveel hiervan in de Nederlandse traditie verloren is gegaan, dat veel anders is, is op zichzelf natuurlijk geen bezwaar en kan zelfs zeer overtuigend werken, maar nu moet ik mijnerzijds vragen: hoe komt het, dat men hier te lande de kribbe meestal vlak voor Maria’s knieën plaatst, die zelf pal en face naar het publiek zit, wat op zichzelf al geen goed toneelbeeld geeft? Hoe licht gaat Maria dan wat krom zitten, vooral tijdens het herdersspel, met die krib vlak voor haar. Ik herinner mij hoe ik zelf in deze regie reeds in 1928 daarmee te kampen had, te meer, daar men mij niet had gezegd, dat Maria de handen gekruist voor de borst moet houden (als grondstemming). Hoezeer komt deze edele houding tot zijn recht als men, zoals het in Dornach het geval is, Jozef en Maria aan weerszijden van de kribbe plaatst – Marias ‘kruksken’ is wat lager dan dat van Jozef! – waardoor de herders ook de mogelijkheid krijgen bij de aanbidding gedrieën achter de kribbe te knielen met het gezicht naar het publiek, beschenen door de goudglans van het strooien dakje boven het kind.
De oorspronkelijke Maria, Emica Mohr-Senft, heeft mij alle gebaren van Maria voorgedaan. Bij de geboorte gaf Rudolf Steiner een beweging aan alsof zij met de rechterarm voorzichtig iets uit de grond opheft, eigenlijk opschept, wat dan overgaat in ‘die Gebärde des Kindhaltens’. Van boven af laat de Engel de ster in haar armen schijnen. De prachtige map met gekleurde platen van Assja Turgenjeff, die helaas sinds jaren niet meer te krijgen is, illustreert duidelijk de diverse scènes. Dat Dr. Steiner het voor de huidige tijd nodig vond van de traditie, die Schröer heeft opgetekend, af te wijken blijkt het duidelijkst uit het feit, dat hij de musici niet heeft gevraagd de oude muziek op te zoeken, die trouwens bekend was. In Graz worden de spelen nog jaarlijks van de kerk uit volgens de oorspronkelijke melodieën met het vastgelegde aantal schreden opgevoerd. Dr. Steiner verzocht integendeel Leopold van der Pals om voor deze oude spelen een nieuwe muziek te schrijven. Wie de oude kent weet hoezeer die, mét of zonder versieringen, ons in een bewustzijn lokt dat niet meer het juiste is voor deze tijd.
Hoe gaarne zou ik besluiten met het aanbod aan ieder, die daar belangstelling voor heeft, de notities van Edmund Pracht verder te geven … als ik wist waar het tekstboekje, waarin ik ze overschreef, is gebleven! Men moge het mij vergeven dat ik van deze gelegenheid gebruik maak om een dringend appèl te doen horen: moge degene, die dit boekje reeds jaren geleden van mij heeft geleend het mij nu direct terugzenden! De betrokkene kan het riskeren: ik zal hem of haar laten leven en nog dankbaar zijn bovendien.
* Zie ook de reactie van Dr. Lehrs aansluitend aan dit artikel.
Wij ontvingen, eveneens als reactie op het artikel van L. Gerretsen, een schrijven van Dr. E. Lehrs, waaruit we het volgende ontnemen.
Dr. Lehrs zag tijdens R. Steiners leven tweemaal de opvoering van het Kerstpel in Dornach. Hij speelde jaren mee onder de leiding van Karl Schubert, die onder R. Steiners regie in Dornach had meegewerkt. Bovendien heeft Dr. Erich Schwebsch Steiners aanwijzingen de regie van het Kerstspel betreffend overgeschreven (zijn in Stuttgart nog voorhanden). Zonder enige twijfel liet R. Steiner de verkondiging na de proloog van de engel spelen. Dr. Lehrs is van mening dat de reden hiervoor was dat in de huidige tijd de mensen uit het ‘Alltagsempfinden’ eerst geleid moeten worden in de spirituele ruimte, waar de spelen pas echt beleefd kunnen worden. De deur die leidde tot de ‘Alltagsraum’ moet, nadat hij is verlaten, eerst gesloten worden, dan wordt de deur naar een nieuwe ruimte geopend; de zielen treden binnen in deze nieuwe ruimte door het aanspreken, de begroeting van de engel. Wij zouden het niet verdragen de spelen zo te zien als ze destijds door de boeren gespeeld en gezongen werden.
Kerstspelen: alle artikelen
.
Geplaatst in kerstspelen
Getagged herdersspel, Maria in het kerstspel, verkondiging van de engel
Met grote belangstelling las ik het korte artikel van Mevrouw L. C. M. Blok-Elink Sterk onder het opschrift ‘Enkele regels in verband met het Kerstspel’ in het novembernummer van dit blad. Mevrouw Blok-Elink Sterk vraagt zich af wie toch ooit op de gedachte is gekomen om een ‘Vrouw Titia’ als waardin te laten optreden, in plaats van Baas Titus. Zij meent dat het beslist onjuist is om naast Maria nog meer vrouwelijke wezens in de kompanij op te nemen. Zodat er verder dus alleen mannen te zien zouden zijn.
Over het al of niet juiste van dit betoog wil ik niet discussiëren, ook al omdat men over een kunstwerk eigenlijk nooit zou moeten ‘discussiëren’ in de zin van het plaatsen van argumenten over en weer, en tegen elkaar. Wel wil ik enkele gezichtspunten onder woorden trachten te brengen, die de lezer wellicht ook zou kunnen betrekken bij zijn eigen oordeelsvorming.
In de eerste plaats verwijs ik naar het boekje: ‘Ansprachen zu den Weihnachtspielen aus altem Volkstum’ (Dornach, 1974), waar in 19 bijdragen van Rudolf Steiner zelf, twee bijdragen van Karl Schubert en Leopold van der Pals, plus een reeks van ‘Hinweise’, een schat aan inzichten en achtergrondinformatie over de drie kerstspelen, waar het hier om gaat, wordt geboden. In de toespraak van 7 januari 1917 zegt Rudolf Steiner onder meer: ‘Wir können nach keiner Richtung hin selbstverständlich irgend etwas Abgerundetes oder Vollkommenes bieten’. Dit aspect van het onvoltooide en wordende Kerstspel, dat nog verder kan groeien, benadrukt ook Karl Julius Schröer in zijn boekje ‘Ueber die Oberuferer Weihnachtsspiele’. Rudolf Steiner onderstreept telkens weer dat zowel de teksten, als het speelarrangement van de oude versie, die hij van zijn leraar Schröer had ontvangen, onvolledig, onbruikbaar en soms zelfs onjuist waren. Hij voelde de noodzaak om zelf de drie spelen geheel te herschrijven, en betreurt het dat hij dit werk onaf heeft moeten laten liggen. Men leze o.m. de toespraken van 25 december 1923 en van 29 december 1923. Frau Marie Steiner bevestigt dit later in een toelichting bij een herdruk van de teksten. Er is sprake van een ‘Wiederherstellung’. Een oud monument wordt gerestaureerd en daarbij als het ware ook van oneigenlijke aangroeisels ontdaan, als ik deze beeldspraak mag gebruiken. Bij een vergelijking van de ons bekende teksten met de publicatie van K. J. Schröer, kan men ook in een aantal concrete details de kunstenaarshand van Rudolf Steiner direct aanvoelen. Hij heeft de volgorde van spelen, zoals die in Oberufer gebruikelijk was, veranderd, heeft een proloog voor de Boompjesdrager van het Paradijsspel geschreven, heeft op talloze plaatsen woorden in de tekst door andere vervangen, enz. Men mag misschien zeggen dat er gezocht is naar het spirituele oerbeeld van betreffende figuren en scènes.
Voor wat nu in concreto de waarden betreft, citeer ik uit de toespraak van 30-12-1917 o.m.: ‘Sie werden von den zwei ersten Wirten abgewiesen, von dem dritten in den Stall geführt’. (‘Ze worden door de eerste twee waarden geweigerd, door de derde in de stal gebracht.
Dat kan duiden op drie verschillende herbergen! En verder: ‘Das war ursprünglich anders, aber in Oberufer durchaus noch so dargestellt: ursprünglich war da ein Wirt, eine Wirtin und deren Magd. Und damit wurde noch die Idee verknüpft: der Wirt weist Joseph und Maria ab, wie auch die Wirtin, nur die Magd bietet eine Unterkunft im Stall. Weil es wahrscheinlich schwierig geworden ist bei den Aufführungen die nötigen jungen Leute zu finden, um eine Wirtin und deren Magd darzustellen, wurden dann die Rollen übertragen auf zwei andere Wirte, sodass wir jetzt drei Wirte haben’.
(Dat was oorspronkelijk anders, maar in Oberufer zeker nog zo uitgevoerd: oorspronkelijk was er een waard, een waardin en hun meid. En daaraan werd de opvatting verbonden: de waard wijst Jozef en Maria af, zo ook de waardin, alleen de meid biedt onderdak aan in de stal. Omdat het waarschijnlijk moeilijk geworden is om voor de opvoeringen de benodigde jongelui te vinden om een waardin en hun meid te vertolken, werden de rollen dan aan twee andere waarden gegeven, zodat we er nu drie hebben.’)
In de toespraak van 6 jan. 1918 wordt dit herhaald. Nergens een woord van Rudolf Steiner dat, en om welke reden, hij zo een verwisseling van waard en dienstmaagd onjuist zou vinden. Men kan zich nu afvragen: is deze scène reeds door Rudolf Steiner omgewerkt, in de zin van reeds in haar oorspronkelijke gestalte teruggebracht, of nog niet, of vond hij dit in dit geval niet nodig? Is het ‘ursprüngliche’ waar hij over spreekt, dus het oerbeeld? . . ‘Aber ursprünglich war es anders’ herhaalt hij verder op. . . En voorts: als de oude versie van waard, waardin en dienstmaagd inderdaad juist is, dan kan dat wijzen op de aanwezigheid van één grote herberg. Daar wordt in de tekst ook op gezinspeeld, en die kan best naast de hoofdingang, nog een keukendeur en een staldeur hebben gehad, door welke laatste dan de maagd met haar lampje nieuwsgierig komt kijken, en Josef en Maria verlaten vindt. . . . Hoe dit ook zij, ik heb in de vele malen dat ik dit spel met een groep instudeerde, nooit zo veel moeite ermee gehad om het als het ware van het ‘aanbod’ van spelers te laten afhangen of we het in de ene of in de andere vorm speelden. In Oberufer had men te maken met de regel dat alleen mannen mochten meedoen. Mannen moesten ook de rollen van Eva, Maria, Engel enz. spelen. Dat was toen vermoedelijk geen praktische, maar een principiële overweging. Heden ten dage is de situatie meestal omgekeerd: men heeft de grootste moeite om mannen te vinden die bereid zijn om mee te spelen, en men heeft als regel een ruim aanbod van vrouwelijke spelers.
Nu zou ik aan dit man- of vrouwzijn minder zwaar willen tillen, te meer niet naar de mate waarin het om stukken of rollen gaat, waarin het geestelijke element sterker is dan het uiterlijk-fysieke. Zo heb ik zeer overtuigende engelvertolkingen van een man gezien. Ook is bekend, dat bij de eerste uitvoering van de mysteriedrama’s van Rudolf Steiner de rol van Johannes Thomasius door een vrouw is gespeeld.
De vergelijking met Astrid, Luna en Philia uit de Mysteriedrama’s, die Mevrouw Blok-Elink Sterk maakt, overtuigt mij minder. De drie waarden in onze spelen zijn duidelijk gestalten in onze fysieke wereld, die er ook geen geheim van maken hoe belangrijk voor hen de materiële wereld is. Dat maakt hen juist zo bot voor al het geestelijke, zo blind voor de verschijning van Maria, zo doof voor de impulsen van naastenliefde, van medeleven. Zij zijn door en door egoïstisch (‘Blijf bedelvolk mij van het lijf!. Ziet zélf hoe ge U met dat kindeken redt!. Van anderen heb ik meer gewin!” enz!!) De drie gestalten Philia, Astrid, Luna daarentegen zijn: ‘Geistige Wesenheiten, welche die Verbindung der menschlichen Seelenkräfte mit dem Kosmos vermitteln’. Dat speelt zich in een totaal andere, geestelijk-morele wereld af, dan de wereld waarin de waarden denken en handelen heersen. Wel ben ik het geheel met de schrijfster eens dat sentimentaliteit niet in onze Kerstspelen thuis hoort. Als toneelspeler ben ik van mening, dat het heel goed mogelijk is dat ook een vrouwelijke rol in het spel, zodanig wordt uitgebeeld, dat het geheel daardoor geen sentimentele nuance behoeft te krijgen. Dat geldt zeer in het bijzonder voor de rol van de Maria. Als die sentimenteel-melancholisch wordt, dan werkt dat fysiek-realistisch. Na haar gesprek met de Engel kan geen Maria meer melancholisch zijn!
Vrouw Titia in het Kerstspel
In het november nummer van dit blad (p. 332) wordt de vraag gesteld waar toch Vrouw Titia vandaan komt.
Het antwoord vinden we in de voordracht van Rudolf Steiner van 6 januari 1918, afgedrukt in het boekje ‘Kerstspelen’, Vrij Geestesleven 1979 pag. 13: ‘In het oorspronkelijke spel was het de waard, die voor Jozef en Maria geen plaats had en ze zelfs weer op straat zette; ook de waardin nam hen niet op. Alleen de dienstmaagd wees Jozef en Maria de stal. Toen ze in Oberufer begonnen met het opvoeren van de Kerstspelen, waren er bijvoorbeeld niet altijd genoeg geschikte spelers. Iemand die Maria of de waardin speelde, moest een jonge jongen zijn. Die waren er vaak niet en deze rollen moesten dan ook door oudere knapen worden bezet. Naar alle waarschijnlijkheid heeft men daarom de waard, de waardin en de dienstmaagd maar veranderd in één waard en nog twee andere.’ Het Kerstspel is aldus in overeenstemming met het Evangelie van Lucas, dat niet van drie herbergen spreekt, maar enkel vermeldt, dat er voor hen geen plaats was in ‘de herberg’.
Mogen wij aannemen, dat met deze herberg de mens zelf is bedoeld en dat Paulus, in meer abstracte vorm, het zelfde uitdrukt met de woorden:
‘Weet gij niet dat gij God’s tempel zijt (I Cor. 3 en 6). In deze tempel (alias herberg) wordt de dienst uitgemaakt door drie aspecten van de ziel, waarvan we in de boze waard de trekken van de verstandsziel kunnen herkennen, terwijl de jeugdigste zielekwaliteit, die nog als dienstmaagd ondergeschikt is en pas in de toekomst tot volle ontwikkeling zal komen, de Heer binnensmokkelt. Niet in de herberg van het hoofd, maar in de kribbe van het hart.
Kerstspelen: alle artikelen
.
.
.
De tijd van kerstmis nadert. Ieder jaar trekken weer de kerstspelen aan ons voorbij en verbinden ons met ons innerlijkste zijn. Ondanks het nauwe verband van Paradijs – en Christusgeboortespel is er een hemelsbreed verschil tussen deze twee spelen. Het ene beeldt een historisch gebeuren uit, de personen hebben werkelijk op aarde geleefd, het andere beweegt zich helemaal in de sfeer der imaginatie, die in aardse zin niet werkelijk is. En toch ondergaan wij als toeschouwer aan het paradijsspel een aangrijpende realiteit. Omdat wij door de antroposofie vertrouwd worden met het wordingsproces van mens en kosmos, kunnen wij steeds meer herkennen, wat uit deze beelden spreekt. Het zal waarschijnlijk iedereen wel eens zo gaan, dat bij de studie van een of ander geesteswetenschappelijk boek hij op een zin stoot, die hem bij blijft, omdat hij hem verbaast, omdat hij hem niet goed kan plaatsen. Zo bijv. een zin in de ‘Geheimwissenschaft‘, waar bij de beschrijving van de luciferische verleiding gezegd wordt, dat als gevolg ervan de voedselopneming, die tot die tijd door de hem beschermende goddelijke wezens werd geleid, in het bereik van de willekeur van de mens kwam, waardoor hij met meer vaste materie doortrokken werd dan oorspronkelijk was voorzien. Als je met zo’n zin als vraag in je rondloopt en dan weer het Paradijsspel ziet, ervaar je ineens de diepe wijsheid, die erin besloten is. De mens eet de vrucht van de boom der kennis. Het is het wezen van de echte imaginatie, dat zij natuurgetrouw d.w.z. geestgetrouw is. Een symbool betekent iets, een imaginatie is iets.
De uitwerking van het grandioze Bijbelse oerbeeld in de onopgesmukte boerentaal doet in niets geweld aan dit oerbeeld, integendeel, het verdiept het, brengt het tot leven, getuigt van diepe wijsheid en een psychologische kijk. Men zou zich bijv. kunnen afvragen: waarom houdt Adam Eva niet tegen als zij hem vertelt, dat zij de vrucht wil proeven. Want dat zou toch natuurlijk zijn, nadat hij haar verteld heeft dat het niet mag. En dan komt men er op dat in Adams ziel de bereidheid tot de daad al leefde, ook al had hij de verleidelijke stem van de duivel afgewezen. Had de duivel niet eerst Adam benaderd, dan zouden de daarop volgende ontwikkelingen niet aanvaardbaar zijn. Er komt nog bij, dat Eva hier voor het eerst spreekt, en zij spreekt een andere taal dan tot nu toe gebezigd was. Een persoonlijke taal zou men het kunnen noemen. Zij zegt: „Ik lust de vrucht”. En het merkwaardige is, dat zij hem niet als schadelijk beleeft. Waarschijnlijk omdat de mens in een deel van zijn wezen Lucifer nodig had. Adam ervaart de schadelijke kant, nl. het afsnoeringsproces van de goddelijke wereld. Deze beschouwingen belichten misschien, hoe de mens onschuldig – schuldig werd, een van de grote mysteries, waardoor ook weer de verlossing mogelijk werd. Dit feit van het onschuldig-schuldig worden komt heel zuiver in het spel tot uitdrukking, daar waar Eva de appel aan Adam rijkt. Ik citeer hier de oorspronkelijke tekst met de regie-aanwijzingen van Rudolf Steiner, die hij bijzonder zorgvuldig gaf.
Eva:
I bi dei Weib und du mei mon.
I bitt ,schau nur den baamer an:
Er tragt die ollerschenste fruacht
Desgleichen hob i nia versuacht. –
I wüll ihn kosten, wiar er schmeckt.
Siet hier Adam, ick ben u vrouw
en ghy myn man. Ick bid, beschouw
die schoonste daer van alle boomen
daervan ick gheen vrugt noyt heb genomen.
Het lust my, voort er van te eten.
(Sie streckt die Hand nach dem Apfel aus, aber der Teufel reisst ihn ab und lässt ihn in ihre Hand fallen, und sie beisst hinein)
(Zij steekt haar hand uit naar de appel, maar de duivel rukt hem eraf en laat hem in haar hand vallen en zij bijt erin)
So i die Wahrheit sagen soll,
Schmeckt miar die fruacht von Herzen wol.
I bitt, du wellst a kosten ihn (Adam wehrt ab!)
Host du mia liab ? (Adam nickt!) so nimm ihn hin.
Er schmecket so fürtrefflich wol.
Adam, wilt ghy de waerheidt weten.
dit is de alderbeste spys.
Hier, neemt hem aen en proeft ereis
als ghy my mint. Het is een lust
dit sap te smaeken. Eet gerust!
Adam:
So i den Apfel essa soll
So iss I ihn durch deine bitt,
Um meinenthalben iss i ihn nit.
Soo het aen my lag, syde ick neen,
soo ick eet, isset om u alleen.
(Adam beisst in den Apfel und schmeisst ihn weg)
(Adam byt in den appel en smyt hem wegh)
Oh, wia is mei gemüat verwandelt !
Ach, hoe dat ’t myn gemoet verwandelt…..
Nach der Rede des Teufels sagt er nochmals:
Na de rede van de duivel zegt hij nog een keer:
Oh, wia is mei gemüat verwandelt,
O Weib, i hob sehr übel gehandelt
Dass i hob gefolget dia . . . e.z.v.
Ach, myn gemoet is gansch verwandeld!
o vrouw, seer qualyck heb ick gehandeld
deur dien ick volleghde u raet.
Daar ik de spelen in de oorspronkelijke door Rudolf Steiner geregisseerde vorm nog gezien heb (hij speelde iedere rol voor) is juist deze scène bijzonder zuiver in mijn herinnering aanwezig. Hier lijkt mij nu de — anders zo uitstekende — Nederlandse vertaling niet in overeenstemming met het oorspronkelijke. Soms kan een verschuiving van regels, een iets andere klemtoon een situatie vertekenen. Bij dit belangrijke punt der geschiedenis zou naar de meest mogelijke overeenstemming met het origineel gestreefd moeten worden. Eva mag niets van een femme fatale krijgen. Dit spel nog in de oervorm gezien te hebben is een kostelijke herinnering. Heel oorspronkelijk, kernachtig, met een heuse rib. en toch heel doorzichtig en zuiver en van enorme dramatische kracht. Eerst Adam die met de arm om de schouders van Eva geslagen, haar het Paradijs laat zien, zij zijn dan nog een twee-eenheid. Daarna, nadat zij gescheiden verder wandelen, heeft de duivel kans hen te benaderen, daarna de boomscène met haar gevolgen. Eva’s grote smart nog iets ingetogen geuit, de uitbarsting van de duivel enz., de cherub en ten slotte een heel andere Adam, die zienderogen groeit in het besef van de verantwoording van zijn menszijn.
De regie-aanwijzingen verkreeg mijn zuster, Frau L. Maier-Smits, van Dr. Karl Schubert, die een der spelers onder Dr. Steiner was en later de regie in de Waldorfschule te Stuttgart had. Zij zijn niet opgenomen in de gedrukte Duitse tekst, en ik meen dat juffrouw Bruinier, had zij ze gekend, er rekening mee zou hebben gehouden. Zij was taalkundig zeer goed op de hoogte en gewetensvol.
Overigens dient vermeld te worden dat vier spelers van de zes Nederlanders waren. Godvader, de Engel. Adam en de duivel.
Men zal zich misschien herinneren, dat ik twee jaar geleden een artikeltje over het Paradijsspel in de Mededelingen plaatste. Dit behoeft nog een aanvulling. Er was namelijk bij mij iets gebleven, daar ik niet kon begrijpen, waarom mejuffrouw Bruinier bij de zo belangrijke appelscène plotseling afgeweken was van de oorspronkelijke tekst. Om wat ik bedoel duidelijk te maken plaats ik de twee teksten hier onder:
Eva:
I bi dei Weib und du mei mon.
I bitt ,schau nur den baamer an:
Er tragt die ollerschenste fruacht
Desgleichen hob i nia versuacht. –
I wüll ihn kosten, wiar er schmeckt.
Siet hier Adam, ick ben u vrouw
en ghy myn man. Ick bid, beschouw
die schoonste daer van alle boomen
daervan ick gheen vrugt noyt heb genomen.
Het lust my, voort er van te eten.
So i die Wahrheit sagen soll,
Schmeckt miar die fruacht von Herzen wol.
I bitt, du wellst a kosten ihn (Adam wehrt ab!)
Host du mia liab ? (Adam nickt!) so nimm ihn hin.
Er schmecket so fürtrefflich wol.
Adam, wilt ghy de waerheidt weten.
dit is de alderbeste spys.
Hier, neemt hem aen en proeft ereis
als ghy my mint. Het is een lust
dit sap te smaeken. Eet gerust!
Ik ben de zaak nagegaan en heb mij een exemplaar van de eerste druk laten sturen, die de vertaalster als voorbeeld diende, een uitgave van een Leipziger firma. Het blijkt, dat in deze eerste druk op de vierde regel staat: ,,Host du mia liab so nimm ihn hin”, wat zoveel is als „Nimm ihn hin, wenn du mich lieb hast”.
Rudolf Steiner heeft dus ook het vraagteken erin gezet. Hij wilde blijkbaar de verstandelijke redenering er niet in hebben en heeft, om de zaak goed duidelijk te maken, nog de regie-aanwijzingen voor Adam erbij gezet. Zonder twijfel mankeerde in het boekje van mejuffrouw Bruinier dit vraagteken, het zou anders niet goed te begrijpen zijn, waarom zij de veel mooiere directe vraag, die veel overtuigender is, niet gebezigd heeft. Zij heeft feitelijk juist vertaald: neem hem aan, als ge me mint. Alleen is op deze manier datgene, wat Rudolf Steiner eruit gebannen heeft toch weer in de Nederlandse vertaling terecht gekomen. Het merkwaardige is, dat de hele Eva bij deze passage een verstandelijke nuance gekregen heeft. Men lette alleen al op de vele tandklanken. De Duitse Eva spreekt hier in vocalen, de Nederlandse duidelijk in consonanten. Daarbij komt, dat de twee eerste regels niet helemaal juist zijn vertaald. De Duitse regels zeggen: So i die Wahrheit sagen soll schmeckt miar die Fruacht von Herzen wol. Zij geeft haar smaakgewaarwording weer. De Nederlandse zegt: Adam, wilt ge de waarheid weten, dit is de allerbeste spijs. Zij geeft een oordeel af. De ene is gewaarwordingsziel, de andere verstandsziel.
Er is nog iets waar ik op attent wilde maken. Als men de tekst leest, valt op, dat alles op elkaar rijmt, zelfs als het van de ene op de andere persoon gaat, iets waaraan mejuffrouw Bruinier zich ook gehouden heeft, voorzover als ik dit zonder tekstboek beoordelen kan. Alleen op vier plaatsen is deze regel doorbroken. De eerste keer, als God Vader tegen Adam zegt: Ich habe dir das Leben gegeben, ich kann es wieder nehmen: de tweede keer, als Adam dit aan Eva doorvertelt. De derde keer, als de duivel tot Eva zegt: Und gib dem Adam auch davon, de vierde keer, als Eva zegt: Ich will ihn kosten wie er schmeckt. Viermaal gaat het om het kardinale punt. Telkenmale als het rijm plotseling uitvalt gaat er het rode lichtje branden. Het kan geen toeval zijn, dat de tekst zo gecomponeerd is. Het zou m.i. beter zijn, dit dramatische effect ook in de Nederlandse vertaling te brengen. — Als men de twee regieaanwijzingen van Rudolf Steiner op de bestaande tekst overbrengt wordt Adam wel wat levendiger, maar overtuigend is dit compromis niet, want ,,als ge me mint” is geen vraag. Een vraag in dit stukje is ,,Adam, wilt ge de waarheid weten ?” Overigens heeft Rudolf Steiner nog meer gedaan. Hij laat de duivel Eva aanspreken met: Rosige Eva (Nederlands: rooswangige) in plaats van ..Grosse” zoals in het boekje staat, en hij laat de duivel daar, waar hij de twee in ketenen geslagen heeft, nog heel wat zeggen in plaats van de stippeltjes in het boekje. Hij heeft bijzonder zorgvuldig het hele spel doorgewerkt, juist ook wat regieaanwijzingen betreft.
Kerstspelen: alle artikelen (w.o. regie-aanwijzingen voor het Paradijsspel)
.