VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Hildegard von Bingen (1)

.

Hildegard von Bingen 1098-1179

bazuin van het levende licht

Hildegard von Bingen, een opvallende en intrigerende middeleeuwse vrouw. Ze was zieneres, arts, natuurkundige, dichteres en componiste.

Hildegard, een wonderbaarlijke vrouw die streefde naar liefde in de meest sublieme vorm.

De abdis Hildegard von Bingen (1098-1179) geniet in steeds bredere kring belangstelling. Het is de moeite waard de vraag te stellen naar het waarom van die ontwikkeling. Vooral sinds haar achthonderdste sterfjaar in 1979 is zij regelmatiger onder de schijnwerpers geplaatst dan voorheen en is het aantal publicaties over haar toegenomen. Voorop staat dat dit geheel en al past binnen de huidige tendens om grote vrouwen uit het verleden alsnog de plaats te geven die zij verdienen en dat er met name een groeiende belangstelling is voor creatieve en mystieke vrouwen. In niet alle gevallen blijkt wat vanuit dit streven onder het stof vandaan gehaald en opgepoetst wordt van even grote waarde. In het geval van Hildegard, die door haar tot dusver merendeels rooms-katholieke en theologisch geschoolde biografen wat in de verdrukking werd gebracht – verbijsterd als men was door zo’n veelomvattend, vrouwelijk talent – is dat zeer zeker wel het geval geweest. Dankzij een enigszins modieuze beweging is ‘een achterstand’ op algemeen cultuurhistorisch gebied ingehaald.

Tot voor kort werd Hildegard hoofdzakelijk als heilige, als Sint-Hildegardis benaderd en zelfs het meest recente onderzoek van betekenis was en is in handen van monialen, geleerde nonnen uit het Hildegardklooster te Eibingen. In tegenstelling tot hun voorgangers hebben zij ‘het erotische’ in het
wereldconcept van Hildegard niet geschuwd en daaraan aandacht gegeven in diverse toelichtingen op moderne uitgaven van haar werk. Deze ‘erotische’ levenshouding dient in de oorspronkelijke, platonische zin te worden uitgelegd. Haar vijftien boeken, driehonderd brieven, talrijke gedichten en een kleine tachtig muziekwerken getuigen in beginsel allemaal van hetzelfde: of Hildegard nu over de vissen in de Rijn, de structuur van de kosmos, een besmettelijke ziekte of muziek schrijft, zij getuigt van haar opgenomen zijn in het Al, haar verbondenheid met de oerkrachten van het leven, het mysterie dat zich in visioenen aan haar openbaart als de christelijke God, als iets dat tot haar spreekt met, zoals ze zegt ‘de stem van het levende licht’.

De muziek die zij zo van boven ‘ontvangt’ noemt ze ‘de klank van het levende licht’. Het licht klinkt in en door haar, en met deze kruising van zintuiglijke categorieën bevindt zij zich op het terrein dat wij heden ten dage omschrijven als synesthesie. Zelf noemt zij zich ‘de bazuinklank van het levende licht’. Zij is het instrument, de bazuin, die uit zichzelf niets vermag en uit zichzelf niet kan klinken en die alleen door adem (van God) geluid kan voortbrengen. Zij is in haar wezen en werk een instrument Gods. Maar wie zich de vrijheid permitteert haar niet enkel en alleen vanuit christelijke hoek te interpreteren (wat nauwelijks mogelijk is) zou voor wat dit aspect betreft ook kunnen zeggen dat ze getuigt van haar kosmische verbondenheid met de diepste essenties van het bestaan. Wat haar in de meest letterlijke zin beweegt is dus een erotische kracht, een allesomvattend en alles insluitend streven naar ‘het schone’, naar integratie, eenwording, genezing en ook naar dat wat in de zo courante term ‘heelwording’ ligt besloten. Liefde in de meest sublieme vorm.

Mystica

De hernieuwde en geprofaniseerde belangstelling voor Hildegard in kringen van de alternatieve leefgewoonten heeft haar vooral geprofileerd in haar hoedanigheid als arts en als deskundige op het gebied van kruiden. Naast dit eenzijdig gekleurde beeld werd een niet minder beperkte visie ontwikkeld van Hildegard als ‘onze eerste vrouwelijke componist’. Het is echter onjuist om haar anders te interpreteren en etiketteren dan met de enige omschrijving die al haar activiteiten (als arts, natuurkundige, briefschrijfster, dichteres en componiste) insluit, namelijk mystica.

Daarnaast is het ook van belang om te beseffen dat de al ingesleten en ten aanzien van haar ingeburgerde term componist als aanduiding van schrijver of schrijfster van muziek in de twaalfde eeuw (nog) niet mag worden gebruikt. Wat betreft haar scheppende muzikale activiteiten hoort Hildegard geplaatst te worden ‘in het beeld van haar tijd’. Dat wil in de praktijk zeggen: in schril contrast tot dat beeld en tot die context, omdat haar muziek en ook de bedoeling van haar muziek in het geheel niet past binnen welke twaalfde-eeuwse mode dan ook, of het zou de op diverse fronten groeiende hang naar verzelfstandiging, individualisering moeten zijn. Het enige dat Hildegard als ‘componist’ met haar collega’s uit haar eigen tijd gemeen heeft, met de troubadours en trouvères in Frankrijk en met de minnezanger in haar eigen land is het feit dat ook zij haar eigen teksten schrijft en dat haar muziek, althans in manuscript eenstemmig,
vocaal is geconcipieerd. Voor zover het Latijnse componere (samenstellen) op Hildegard betrekking kan hebben en voor zover ze het woord ook zelf gebruikt, duidt het op een veel bredere dan louter muzikale activiteit, namelijk het samenstellen of beter gezegd het herrstellen van een ‘oorspronkelijke’ eenheid (in Christus).

Dat Hildegard aan de muziek een zeer hoge kwaliteit toekent wanneer er van dit kosmische ‘herstel’ en op ‘de grote samenhang der dingen’ gerichte creativiteit sprake is, moet opgevat worden als heel veelzeggend. Zij noemt muziek niets minder dan ‘samenklank (symphonia) van de harmonie der hemelse openbaringen’. Zij volgt met die omschrijving eigenlijk tamelijk exact de opvatting van het begrip musica binnen het systeem van de middeleeuwse artes liberales: de zeven vrije kunsten, waarbinnen de muziek toendertijd tot het ‘wiskundepakket’ behoorde. En waarbinnen, althans wat betreft enkele aspecten ervan, de muziek gelieerd was met ‘de structuur van de kosmos’, de grote wetmatigheden die door middel van trillingsverhoudingen de hemellichamen ‘zoemend’ elkaar in evenwicht houden, overeenkomstig de in deze tijd verbreide idee van ‘de harmonie der sferen’. De diepste wetmatigheden binnen de kosmos zijn niet zichtbaar maar hoorbaar en uit te drukken in getalsverhoudingen. De kosmos klinkt en de harmonie is van een in hoge mate wiskunstige kwaliteit. De grondwet van het heelal ligt op het grensgebied van muziek en wiskunde.

Bron van jaloezie

Het is van belang om te benadrukken dat de muziek van Hildegard is geschreven vanuit een mystieke inspiratie en het is evenzeer van belang om het verband tussen mystiek en muziek, mystiek en kunst, respectievelijk mystici en kunstenaars te benadrukken. Bij allen is sprake van een verlangen naar het overschrijden van de grenzen van het ik, van een inspiratie, een receptieve, op de ‘binnenwereld’ gerichte houding en van een drang tot omvormen, transformeren van de puur zintuiglijke ervaring.

Hildegard schreef zevenenzeventig liederen en een allegorisch muziekspel (ordo virtutum: het spel der deugden) overgeleverd in diverse handschriften, waarvan een aantal alleen teksten geeft zonder aanduiding van muziek. Aan de liederen werd pas in 1913 voor het eerst enige aandacht gegeven in een facsimile uitgave ervan. Maar het echte onderzoek naar de karakteristieken van deze muziek, de transcriptie van de neumen en de vertaling van de bij de muziek horende teksten moest toen nog bijna een halve eeuw op zich laten wachten.

Een enorme vertraging werd veroorzaakt door het werk dat in de jaren vijftig verricht moest worden naar aanleiding van vele aantijgingen als zou het totale Hildegard-oeuvre een vervalsing zijn, de muziek incluis. Nadat de zusters uit het Hildegardklooster de echtheid van het werk en het auteurschap van Hildegard op wetenschappelijk onweerlegbare wijze hadden aangetoond, schaarden diverse deskundigen zich aan de zijde van de geleerde nonnen om – eindelijk – een ‘Kritische Ausgabe’ te verzorgen.

Dat het noodzakelijk is geweest om het betreffende onderzoek naar het auteurschap te doen plaats vinden is een teken aan de wand en spreekt boekdelen omtrent de argwaan die in de loop der eeuwen binnen de
wetenschapstradities is gevoeld, gekweekt en gekoesterd ten opzichte van een geniale, non-conformistische vrouw. Een vrouw die zich tijdens een groot deel van haar leven weliswaar mocht verheugen in de goodwill van de allerhoogste kerkelijke instanties, de paus en diverse bisschoppen, maar die op het niveau van haar meest directe ‘broeders’, getuige de briefwisseling met haar klerikale buurt- en streekgenoten, een bron van jaloezie en ergernis is geweest. Men zou zich in dit verband kunnen afvragen waarom niemand ooit op het idee gekomen is om de aan Hildegards allergrootste collega, de mysticus Bernardus van Clairveaux, toegeschreven werken op het auteurschap te gaan onderzoeken, of om te betwijfelen of zijn talrijke brieven eigenlijk wel echt door hem geschreven zijn.

Het is niet eenvoudig om een indruk van Hildegards muziek te geven omdat zij zich, zoals gezegd, ook wat betreft dit creatieve aspect van haar persoon nogal aan de heersende normen heeft onttrokken. De liederen, waarvan een opvallend groot aantal aan Maria is gewijd en waarvan enkele teksten erg moeilijk toegankelijk, zeer ‘hermetisch’ zijn, werden in gregoriaanse notatie overgeleverd en dragen voor een deel ook binnen het liturgische repertoire passende aanduidingen zoals antifoon, responsorium, hymne en sequens. Vaak echter vertonen deze liederen nauwelijks enige overeenkomst met wat men in strikte zin onder deze vormen placht en pleegt te verstaan.

Hildegard schreef deze melodieën ter aanvulling op de bestaande liturgische gezangen zoals die dagelijks in haar eigen klooster ten gehore werden gebracht. Het hoofdkenmerk ervan, dat door elke zelfs oppervlakkige toehorende luisteraar wordt opgemerkt, is de enorme ambitus (soms in de orde van anderhalf octaaf). Hieruit moet worden geconcludeerd dat Hildegard op de Rupertsberg te Bingen kon beschikken over een uitzonderlijk geoefend koor, en dat de zangpraktijk in haar klooster op een even indrukwekkend niveau gestaan moet hebben als de miniatuur – en schrijfkunst die – eveneens onder haar leiding – gericht was op het ‘in beeld brengen’ respectievelijk het in woorden weergeven van haar visioenen van de ‘heilsgeschiedenis’ van de mens, de oorsprong en de ondergang van het leven, de dag des oordeels, de kerk en vele andere thema’s.

Vermogen tot zien

Zoals met meer grote persoonlijkheden uit de middeleeuwen het geval is, en in tegenstelling tot wat opgaat voor vele grootheden van recenter datum, is het vrijwel onmogelijk om directe verbanden te leggen tussen Hildegards leven en haar oeuvre. Een uitzondering geldt hier voor de honderden brieven waarin zij een voortdurende dialoog voerde met talrijke, al dan niet vooraanstaande, tijdgenoten. Onder hen waren de pausen Eugenius en Anastasius, een bekend wereldheerser als Frederik Barbarossa, aartsbisschoppen, bisschoppen, maar ook veel lagere functionarissen in de klerikale of seculaire wereld. Vanuit een duidelijke behoefte aan wat wij heden ten dage zouden omschrijven als engagement maar vooral uit de roeping van ‘de stem van het levende licht’ heeft Hildegard van zich laten horen, bemoedigend, vermanend, al naar gelang de aard van de situatie.

Voor haar overige geschriften is een poging tot koppeling van haar biografie aan haar werk niet aan de orde. Wat zich hier doet gelden is onze geconditioneerdheid op premissen uit de Romantiek, waarin haast vanzelfsprekende dwarsverbindingen tussen de mens, zijn leven en zijn werk aan te geven zijn. Dergelijke dwarsverbindingen kunnen in andere cultuurtijdperken, met name de middeleeuwen, niet gemaakt worden. Dit houdt echter niet in dat er in het leven van Hildegard geen hoogtepunten aan gegeven kunnen worden, of dat haar biografie niet de moeite waard zou zijn. Integendeel, maar hij staat los van haar geestelijke nalatenschap. De enige, zeer belangrijke melding van biografische aard in haar eigen tekst is te vinden in het begin van haar visioenentrilogie die opent met het Liber Scivias, het boek ‘ken de wegen’, waar zij zegt dat zij tweeënveertig jaar en zeven maanden oud was toen ‘de hemel openbarstte in een vurig licht’, en toen zij, in een flits de diepste betekenissen van de christelijke doctrine doorschouwde. In diverse brieven meldt zij echter dat zij dit vermogen tot zien al vanaf haar kinderjaren bezat. Het beangstigde haar omdat zij – hier bedient zij zich wellicht van een cliché – immers ononderwezen en ongeletterd was, te meer nog beklagenswaardig’ in haar hoedanigheid als vrouw’, zodat zij zich als het ware verpletterd voelt door ‘het weten’ dat tot haar doordringt vanuit de hemel.

Met nadruk herhaalt ze in brieven, onder meer aan Bernardus van Clairveaux, dat ze bij dit proces van zien nooit in extase is, maar geheel bij zinnen. Ze ziet slapende en wakende, zegt ze; zowel overdag als ’s nachts. Ze ziet niet met haar lichamelijke ogen, maar met de ogen van haar ziel. Als een verterende vlam beroert het vermogen haar ziel, en wat haar aldus ‘overkomt’ is zó overweldigend dat het haar ziek maakt, of ook klachten aan haar ogen bezorgt die pas verdwijnen wanneer ze aan haar opdracht om neer te schrijven wat ze zag, voldaan heeft. De gedeeltelijke blindheid waarvan ze melding maakt moet misschien in overdrachtelijke zin worden geïnterpreteerd: ze is ziende blind…

De Kosmosmens, visioen van Hildegard von Bingen. Hildegard zelf zit links
onder.
.

Bloeiend klooster

Wanneer men probeert Hildegard te vergelijken met andere mystici uit de loop der tijden ofwel zich tracht te bezinnen op de vraag waarom zij een mystica genoemd moet worden dan is opvallend dat zij in tegenstelling tot vele collega’s nergens getuigt van een ontmoeting, een metafysisch of lichamelijk beleven van de goddelijke aanwezigheid. Hildegard voelt zich bovenal kosmisch instrument: het goddelijke spreekt in haar en door haar terwijl ze daarvan zelf deel uitmaakt.

Seksuele aspecten die bijvoorbeeld bij de dertiende-eeuwse Hadwijch of de zestiende-eeuwse Teresa van Avila een rol spelen in het ondergaan van een confrontatie met een goddelijk persoon, spelen bij Hildegard geen rol. Zij is niet minder extatisch van toon in het registreren van haar ‘beelden’, die voor ons nauwelijks nog zijn te verstaan dan haar mystieke zusters, maar zij baadt minder in lichamelijke gevoelens, is rationeler. Ze legt zo helder mogelijk getuigenis af en voegt daarbij – wat geheel uniek is – ook nog eens de uitleg die ‘de stem van boven’ haar geeft omtrent haar visioenen. Een uitleg die ons weinig verder helpt in het werkelijk doorgronden van wat zij ziet. Om deze tekens, acht eeuwen geleden geschreven en geschilderd, beter te verstaan dan nu mogelijk is, zou een diepgaand, gecombineerd iconologisch-dieptepsychologisch onderzoek moeten worden verricht. Zolang dit niet is geschied, is een niet door theologische condities bepaalde verklaring van Hildegards visioenen onmogelijk, hoe intrigerend ze ook zijn wanneer de leek er voor het eerst mee geconfronteerd wordt.

Een van de meest in het oog springende biografische feiten is gelegen in de moeizame wijze waarop zij zich, alweer gedreven door ‘de stem’, met de onder haar gezag ressorterende nonnen los maakte van het mannelijke kloostergezag. Rond 1150 besloot zij een zelfstandig vrouwenklooster te stichten en verliet de mannelijke Benedictijnen voor wie haar nonnen land dienden te bewerken. Met hulp van de aartsbisschop van Mainz (opvallend is, zoals gezegd, dat Hildegard vrijwel steeds de hogere clerus aan haar zijde weet te krijgen en met de lagere conflicten heeft) verwerft zij landerijen te Bingen. (De voormalige ‘standplaats’ van haar vrouwenafdeling was het klooster op de Disibodenberg, nabij Böckelheim.) Na deze escapade en vooral nadat het Hildegard is gelukt om met haar bloeiende klooster in het middelpunt van de belangstelling te komen, blijven er spanningen tussen de kloosters te Disibodeberg en Rupertsberg. Vanuit de voormalige vestigingsplaats van de vrouwelijke monialen blijft de abt proberen hen weer onder zijn gezag terug te krijgen.
Zonder succes.
Hildegard zoekt zelfs nog verdere expansie. Een aantal jaren na de conflictueuze kloosterverhuizing annexeert zij leegstaande gebouwen, oorspronkelijk bezit van Augustijner monniken, aan de andere kant van de Rijn te Eibingen en sticht daar een soort filiaal dat zij wekelijks te paard bezoekt. Het is dit klooster te Eibingen waar het voornaamste Hildegardonderzoek nog steeds in volle gang is en het zijn de hier wonende en werkende nonnen die haar werk al gedeeltelijk uitgaven, haar muziek transcribeerden, op de plaat uitbrachten en die, naar het zich laat aanzien ook in de komende jaren in het Hildegardonderzoek althans in veelzijdigheid niet voor hun voorgangster zullen onderdoen.

Literatuur: Hildegard, een vrouwelijk genie in de late middeleeuwen. – Etty Mulder. Uitg. Ambo.
.

Etty Mulder, Jonas 5, 29-10-1982

.

Biografieënalle biografieën

.

1716-1610

.

.

VRIJESCHOOL – Spel (4-1)

.

KINDERSPELEN EN JAARGETIJDEN
.

Een overstelpende fantasie in vorm- en kleurencombinaties spreidt zich ieder jaar weer, vooral in het voorjaar met al zijn bloemen en bloesems, voor onze ogen uit. In iedere plantenfamilie is een rijkdom van vorm, die zich in iedere soort weer anders openbaart.

Wat in een plant het meest in verschijning treedt, is enerzijds het groeien en bloeien en anderzijds het verwelken. Geweldige groeikrachten kunnen uit een eikel een reus van een boom laten ontstaan. Uit iedere bladknop komen ieder jaar weer een aantal bladeren en zo vermenigvuldigt zich 100-, ja 1000-voudig het geheel der bladeren, zo komen b.v. bij een linde uit één knop 5 nieuwe bladeren. En hoeveel knoppen zal hij hebben? Ieder jaar in de herfst vallen deze bladeren weer af en verwelken. Een geweldige dood vaart omstreeks november door de plantenwereld. De groeikrachten die zich in het voorjaar op zo’n grandioze wijze in de planten hebben geuit trekken zich nu weer terug. Leven- en doodskrachten werken in de natuur voortdurend en wisselen elkaar af.

Ook wij mensen zijn ingeschakeld in deze grote stroom van levens- en doodskrachten, opbouwende en afbrekende krachten.

Het kind is in de eerste plaats in de opbouwende stroom ingeschakeld, de grijsaard leeft in het “verwelken”. Als men het kind gadeslaat, dat aan het bouwen is met gewone blokken hout, dan ziet men hoe als een natuurlijke behoefte het verlangen optreedt het ontstane kunstwerk, dat echter veel gevoel voor evenwicht en juiste verhoudingen kan vertonen, dit bouwsel weer overhoop te gooien. De vreugde van het overhoop gooien, is uiterlijk gezien vaak groter dan de vreugde van het opbouwen. Spanning en ontspanning zijn hier de elementen, die het spel beheersen.

Ik heb een tijdlang een kind meegemaakt dat een opgetrokken bouwwerk niet in elkaar wilde gooien. Hoe men het ook probeerde, dit van het kind gedaan te krijgen, het lukte niet. Ik wilde er achter komen, wat er gebeurde, als men dit toch deed. Het kind scheen een innerlijke smart of pijn te ervaren, want het begon te huilen, wat het overigens zelden deed. Het is haast overbodig te vermelden, dat dit een ziek kind was.

Opbouwen en afbreken, dit zijn de natuurlijke levenselementen van een gezond kind. Waar dit niet in harmonische opeenvolging kan gebeuren, wordt het kind ziek.

Overigens treedt dit element bij allerlei spelletjes zeer gevarieerd op.

Neemt men b.v. een van de allerbekendste kringspelen “In Holland staat een huis”. Alle kinderen vormen eerst een kring. Nu wordt de heer gekozen, hij staat in het midden, de vrouw, het kind enz., de kat en de koe, allen komen in het midden te staan, tot de hele kring is opgelost en naar het midden is verdwenen. In het tweede deel van het spel wordt iedereen uit het huis gejaagd zodat nu de een na de ander weer in de kring terugkeert, weer in de kring is opgenomen,. Cirkel wordt middelpunt, middelpunt wordt cirkel… het is één grote ademhaling wat zich daar in de beweging van buiten naar binnen en van binnen naar buiten afspeelt. Nadat dit gebeurd is, wordt ook nog het hele huis verbrand. En wat is het einde van dit spel? … en we bouwen het huis weer op…!

HET VOORJAAR en het ontkiemen en ontspruiten der planten

Ieder jaar verschijnt prompt, nog vóór alle planten uit de aarde te voorschijn komen, het knikkeren (soms nog een keer in de herfst). Er zijn streken waar de meisjes met bonen spelen op dezelfde wijze als hier met knikkers.

En de jongens? De knikkers worden naast elkaar geplaatst in een rij, en met een grotere knikker, die meestal uit lood is gegoten (dat gieten doe je dan zelf) uit de rij gemikt. Bij een voltreffer rollen alle knikkers naar alle richtingen uiteen. Je kunt het wel zelf aanvoelen: het is een spannender gebeuren dan het spel van de meisjes (de bonen in een kuil rollen). Het heeft iets van dat open scheuren b.v. van de kastanjeknoppen, dat soms in één nacht kan gebeuren, na een zachte voorjaarsregen. – Iets later, wanneer de hele natuur zich vol ontplooit, komt het touwtjespringen van de meisjes, dat zeer ritmisch verloopt: ook heden ten dage nog een geliefd spel. Het kan door kinderen van verschillende leeftijd worden gespeeld, in ’t bijzonder door de iets oudere meisjes met verschillende variaties, aangepast aan de concentratiemogelijkheden. Is het niet alsof er in de machtige groei-atmosfeer, die overal in deze tijd buiten aanwezig is en in het opkomen van duizenden plantenkiemen zichtbaar wordt, een verborgen transformator schuilt? Het zich losmaken van de aarde bij het springen is een bevrijdend gebeuren. Eigenlijk hoort hier ook het hinkelen bij, waarover ik in het vorige verslag alleen een aspect beschreven heb. Het is een oeroud spel, dat in veel variaties voorkomt.

IN DE ZOMER zijn het de reidansen, die in vroegere tijden in vele landen door jong en oud gedaan werden in de tijd vóór de langste dag van het jaar.

Het is steeds weer een opvallend gebeuren hoe het ene of het andere volk deze dansen tot uiting brengt. Een meer oostelijk volk zal zijn “volksdansen” met een sterk cholerische inslag en daarbij de liederen veel meer consonantisch ten gehore brengen. Een ander volk, b.v. de Grieken zullen hun dansen veel harmonischer in wijde kringen, waarbij deze in wisselende ritmen een grote ademhaling vormen van systole en diastole, ten tonele brengen. Deze spelen kan men ook tegenwoordig met veel vreugde zien dansen. Met hun zeer gevarieerde aankleding wordt door verschillende kleuren in de volksdracht het karakter van deze landstreken onderstreept.

Het feest van dc zomerzonnewende in de voor-christelijke tijd en later het SINT- JANSFEEST worden gevierd wanneer de zon het hoogste aan de hemel staats als de dagen niet willen eindigen en de nacht heel kort is. Er zijn nog vele streken waar nog heden op de bergen en heuvels vuren worden ontstoken, als het ware om de toch al zo korte nacht nog te verlichten. De langste dag wordt met de kortste nacht en de daarop volgende dag tot één grote dag verbonden (dag-nacht-dag).

Zelf heb ik in deze tijd tijdens een tocht naar huis, ’s avonds vóór het donker worden, vele kleine lichtjes zien zweven en dansen. Het zijn de ‘Johanneskevertjes’, die vooral aan de rand van het bos hun reidansen uitvoeren. Het is een. fascinerende gewaarwording wanneer je dit nooit te voren hebt gezien. – Een andere keer heb ik in juni ’s morgens vroeg bij het opkomen van de zon de roze flamingo’s hun wonderlijke dans zien uitvoeren. Het is een even schoon als in zijn soort wonderlijk gebeuren.

Volgens een bericht van een ooggetuige voeren ook de olifanten op open plekken in het oerwoud bij maneschijn midden in de nacht wonderlijke dansen uit.
U begrijpt wel dat deze dansen van de juni-kevertjes, de flamingo’s en die van plompe olifanten in hun karakter heel verschillend zijn.

Bij het hoog oplaaien van het vuur worden meestal liederen gezongen die bij deze feestdag horen. St.-Jansliederen en oude zonnewende-liederen. Daarna werden stropoppen, ook wel eens st.-janskruid in het vuur gegooid als
zinne
beeld voor het verbranden van persoonlijke slechte eigenschappen (en wie zal die niet hebben?), die door het louterende vuur worden opgenomen en verbrand. De genezende kracht van het st.-janskruid zal daarbij helpen. Met het “over het vuur springen” dat de moedkrachten oproept, wordt dit mooie jaarfeest afgesloten.

VLIEGEREN IN DE MICHAËLSTIJD

De herfst brengt weer andere spelen, bij voorbeeld het vliegeren. Na een hete zomer is het loslaten van de vliegers bij de opkomende winden een bijzonder geliefd spel. Wat een gewaarwording! je ziet ook de vaders meedoen: wat is het heerlijk met je vader erop uit te trekken om te vliegeren! Nu eens je blik te richten, niet alleen naar de aarde… om dubbeltjes te zoeken, maar nu gericht naar boven, naar de hemel. Wat zou dat goed zijn voor een melancholische jongen. Wat een hoogte kan zo’n vlieger bereiken! Aan de rand van Amsterdam heb ik er vaak naar gekeken, hoe dan het snoer, het touw van de vlieger door een stuk papier werd getrokken en dan in ijltempo langs het touw omhoog zweeft, totdat het uiteindelijk terecht komt bij de vlieger, die dan alle ‘berichten verzamelt’. Dit ‘briefschrijven’ is een ware ‘luchtpost’. – Het zelf maken van de vlieger gaat aan deze luchtvaart vooraf, want de handvaardigheid hoort nu eenmaal bij het spel.

DE TOLLEN
Wanneer de bladeren van de bomen vallen, alle zaden van de planten neergevallen zijn en door de aarde zijn opgenomen, de plantensappen weer teruggaan naar de wortels in de aarde, de aarde als het ware weer inademt, dan verschijnen in zonnige herfstdagen de tollen, die dan in wijde kringen of in spiralen ‘onvermoeid’ over de grond dansen, (in verschillende streken worden de tollen ook Tanzer genoemd.) De speler moet steeds actief met zijn zweep in beweging blijven, zodat de tol niet ‘moedeloos’ omvalt.

Buiten wordt het in het bos al kil en bij het wandelen aldaar krijg je ieder ogenblik een spinnendraad over je gezicht, een akelige gewaarwording. ‘Hoe komt dat zo?’ vraag je je dan af… De spinnen zijn bezig zich uit de bomen aan draden neer te laten, om op de aarde gekomen, zich in te graven om daar in een of ander holletje zich voor hun winterslaap tegen de kou te verbergen. De spiralende draaibewegingen (boorbewegingen) van de tol, zijn ze niet een beeld voor de kosmische krachten, die nu terugkomen en zich weer verbinden met de aarde? Die uit de hemelsferen neerdalende kosmische krachten hebben nu de opgave de aarde voor te bereiden op een nieuwe zomer. Dit gebeuren wordt in de sprookjeswereld tot het beeld van het nijvere smeden van de kabouters .

Nog laat in november, wanneer alleen nog enkele plat op de grond groeiende planten kantachtige rozetten vormen, die streng uitgeciseleerd zijn en meer een kristalachtig dan een plantachtig karakter hebben, of nog later wanneer sterk kosmische werkingen nog duidelijker op aarde zichtbaar worden: de eerste sneeuwkristallen, dan wordt een soort meetkundig spelletje gespeeld: van een touwtje worden de uiteinden aan elkaar geknoopt en zo tot een cirkel gevormd. Met beide handen wordt dit touwtje op de vingers vastgehouden, door overnemen ontstaan velerlei speelvormen en variaties.

De kinderen zijn vol van deze spelletjes, en wie zou hieraan ook niet willen meedoen? Deze spelen hebben een internationaal karakter en zijn als zodanig niet de uitvinding van een enkeling, maar volksspelletjes, die gevarieerd, naar gelang van verschillende klimaten, over wijde gebieden verspreid zijn.

Er zijn nog veel meer spelen, die ik had moeten beschrijven, ik heb hier alleen de doe-spelen aangehaald. Voor de winter binnen in de verwarmde huiskamer worden dan de denkspelen, dammen, halma, schaken en vele andere spelen gespeeld.

Daarnaast nemen de gezelschapsspelen een belangrijke plaats in, ze worden meestal in de familiekring met vrienden gespeeld en hebben een
gemeenschapsvormende sociale opgave te vervullen.

A.J. Miedaner, vrijeschool Zeist, nadere gegevens onbekend. In de reactieruimte: zie aanvullende informatie over de schrijver.

.

Spel: alle artikelen

Aftelversjes  bikkelen   hinkelen   touwtjespringen

 vliegeren

.

1715-1609

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-6)

.

Oneigenlijke polarisering in het arbeidsbestel

werkgever / werknemer

Iedereen kent de vraagstelling: werk je voor jezelf of voor een baas? Je bent in dienstverband bij een ander of je bent zelfstandig. Beide situaties zeggen iets over de rechtspositie.

De vraag voor wie ik eigenlijk werk is met geen van beide aangereikte alternatieven te beantwoorden. In een tijd van wereldwijde arbeidsverdeling is het enige correcte antwoord: ik werk voor de behoeften van een medemens. Toch is deze vraagstelling, in de vorm van de twee genoemde mogelijkheden, karakteristiek voor onze tijd. De consument is uit het zicht verdwenen en de arbeidswereld zelf is uiteengevallen in twee kampen: zij die in dienstverband werken, de zogenaamde werknemers, en zij die als zelfstandige, als ondernemer, als manager leiding geven: de zogenaamde werkgevers.

Het sociaal-economische leven, en daarmee het politieke leven in wijdere zin, is gekleurd door deze tegenstelling: werkgever-werknemer, ofwel kapitaal-arbeid. Een polariserende belangentegenstelling die tot sociaal ontwrichtende arbeidsonlusten, stakingen, loon-prijs-spiralen, bedrijfssluitingen en dergelijke voert. Hoe is dat zo gekomen en in welke richting is een positieve ontwikkeling mogelijk?

Wanneer we in dit artikel ingaan op de kloof in het arbeidsbestel moeten we wel bedenken dat deze slechts een van de verschijningsvormen is van de vele kloven die deze wereld doortrekken: tussen oost en west, tussen producent en consument, tussen industrielanden en grondstoflanden, enzovoort.

Al die kloven beginnen te ontstaan sinds met het begin van de nieuwe tijd (zestiende eeuw) de moderne natuurwetenschap opkomt. Aan die natuurwetenschap ligt een heel nieuw denken ten grondslag: het onderscheidend, analyserend, ja-nee en zwart-wit denken. Dat denken en het soort wetenschap waartoe dat denken leidt, maakt techniek en industrie mogelijk en levert ons de uiterlijke welvaart waar we zo moeilijk weer afstand van kunnen doen. Sociaal gezien werkt dit denken als een splijtzwam. Het verstoort natuurlijke sociale verbanden, maakt mensen tot object, plaatst ze tegenover elkaar en ordent ze in technocratische systemen.

In het natuurwetenschappelijk denken plaatst de mens zich als toeschouwer; als onderzoeker buiten de natuur. Hij maakt de natuur tot object. Zo leert hij de natuur beheersen, manipuleren, uitbuiten. Deze natuurwetenschap is alle levensgebieden zodanig gaan doordringen dat ook haar grondhouding alom aanwezig is. Voor de werkgever is de werknemer object, voor de producent is de consument een afzetkanaal, voor de industriële landen is de derde wereld grondstofleverancier.

Wij staan nu voor de taak om in al deze polariserende sociale velden zelf een midden te scheppen. Dat vraagt om een nieuw denken, een denken in samenhangende gehelen, een denken dat steeds beide polen kan omvatten.

‘Caput’-alisten en ‘proles’-tariërs

Over het ontstaan van de kloof in het arbeidsbestel valt het volgende te zeggen. Tot aan het begin van de industriële revolutie is het economische leven hoofdzakelijk van agrarische aard. Daarnaast is er handel en ambachtelijke productie. Techniek speelt een geringe rol. De arbeid speelt zich af in directe wisselwerking met de natuur, het materiaal, het product. De samenleving had het karakter van een standenstaat, zeker niet zonder ‘politieke’ spanningen, maar toch nog gedragen door een zekere natuurlijke, geaccepteerde sociale orde. Een totaal nieuwe situatie ontstaat op het moment dat menselijke intelligentie zich op het arbeidsproces richt; geestkracht en vernuft worden aangewend om arbeid te delen, te organiseren, te mechaniseren. Dit leidt tot samenballing van grote groepen mensen die tot object worden van deze organiserende intelligentie. In fabrieken staan de machines, staan de lopende banden, staan de intelligente arbeidssystemen centraal.

Dit alles is resultaat van het denken van het hoofd, Latijns ‘caput’. In dit nieuwe aspect van het ondernemingsgebeuren leeft de ‘caput’-alist zich uit. Voor degene die dit soort bijdrage niet kan leveren blijft niets anders over dan zijn werkkracht te leveren. Hij noemt zich proletariër. Dat komt van het Latijnse ‘proles’: nakomeling. Het enige wat hij bezit is zijn reproductie-vermogen, zijn vitale kracht. Zo begint de onderneming als het ware menskundig uiteen te vallen in hoofd en leden, in ‘caput’-alisten en ‘proles’-riërs, in een bovenpool en een onderpool, in mensen die hun arbeidskracht op de natuur, de stof, de materie aanwenden (steeds meer met hulp van machines en mensen die hun geestkracht aanwenden om de arbeid intelligent te organiseren).

Nu is ieder mens – zij het in verschillende mate – tot beide soorten arbeid in staat. En ook arbeidskundig is het niet zo dat er door een organisatie een streep loopt, links waarvan alleen arbeidskracht op natuur aangewend zou worden en rechts geestkracht op arbeid.

Eigendomsverhoudingen

Het verschijnen van de ‘caput’-alist op het arbeidstapijt zou op zichzelf nog niet hebben hoeven leiden tot polarisatie van het arbeidsbestel. Een andere factor heeft daartoe bijgedragen, namelijk de eigendomsverhoudingen. Ten tijde van de opkomst van de moderne industrie was het Romeinse recht het algemeen geldende. Dat recht kende een onderscheid in publiekrecht en privaatrecht. Wat nu het eigendomsrecht betrof kende men eigenlijk maar twee objecten: grond en gebruiksgoederen. De grond was eigendom van de kerk of van de vorst, die het kon uitlenen of in erfpacht geven. Al het andere kon object van particulier eigendom zijn. Het ‘ius utendi et abutendi’ (het recht om te gebruiken en te misbruiken) was een belangrijke verworvenheid in het Romeinse rijk.

Met de industriële revolutie treden totaal nieuwe objecten de rechtssfeer binnen: machines, fabrieken, industriële complexen, patenten, markten en dergelijke. Op dat moment zou ook het rechtsleven een stap in haar ontwikkeling hebben moeten maken. Dat gebeurt niet. De nieuwe economische wijn wordt in oude juridische zakken gegoten. Productiemiddelen worden – evenals tafels en stoelen – tot object van privaatrecht: men kan ze bezitten, verkopen, verhandelen en ze voor persoonlijke doeleinden gebruiken en eventueel misbruiken. Dat geldt zowel voor de persoonlijke ondernemer als voor een groep aandeelhouders die tezamen een onderneming bezitten. Als later Marx deze situatie aan de kaak stelt als oorzaak van alle sociale ellende, wordt in het oosten de andere mogelijkheid gekozen die het Romeinse recht biedt: de staat wordt eigenaar van alle productiemiddelen. In wezen maakt dat geen verschil.

Wanneer de ‘nieuwe’ ondernemer-industrieel zich eigenaar mag noemen van een fabriek en van de daaruit voortvloeiende winsten, ligt het voor de hand dat de proletariër, die zijn arbeidskracht aanbiedt, zich eveneens eigenaar waant van dit ‘goed’. Zoals de ondernemer het rendement van zijn eigendom zo hoog mogelijk probeert op te voeren, zo probeert de arbeider dat ook. Hij probeert zijn arbeidskracht zo duur mogelijk te verkopen. Vroeger werd de hele mens verkocht. Nu alleen nog maar de arbeidskracht.

Morele krachten en sociale vaardigheden

Zo leiden beide vormen van kapitalisme (staatskapitalisme in het oosten, privé-kapitalisme in het westen) tot een polarisering in het arbeidsbestel, een menselijk, sociaal en organisatorisch uiteenvallen van twee belangengroepen: de haves en de have-nots, de werkgevers en de werknemers, de bureaucratische leiders en de beambten, de verantwoordelijke (dat wil zeggen aan het kapitaal verantwoording verschuldigde) managers en de cao-werkers.

Deze polarisering leidt er toe dat de oude standenstaat in een nieuw gewaad voortleeft. Ook geeft hij voeding aan anti-sociale impulsen die op zich zelf een natuurlijk gevolg zijn van de emancipatie van groepen en individuen, maar die juist uit het economische leven gebannen zouden moeten worden.

In het economische leven werken we – door de arbeidsverdeling – voor elkaar. In ons handelen zijn we door die arbeidsverdeling al altruïst. Uit dat gebied zouden de anti-sociale impulsen van de zich emanciperende mensen zorgvuldig moeten worden uitgebannen. Het wekken van de morele krachten en de sociale vaardigheden, waardoor mensen het ‘objectieve altruïsme’ van het economische leven ook leren willen en kunnen, is alleen mogelijk in een werkelijk vrij geestesleven. Op dat aspect van de sociale driegeleding kan in dit artikel niet verder worden ingegaan.

Het scheppen van de sociale inrichtingen, de afspraken, de wetten die het mogelijk moeten maken dat de gepolariseerde situatie tot een levende polariteit wordt waarbij de polen elkaar niet dialectisch bestrijden, maar in echte dialoog met elkaar komen, is een taak voor het rechtsleven.

Een werkplaatsje

Om een idee te krijgen van wat we ons hierbij kunnen voorstellen volgt nog een korte beschrijving van een fictief, concreet geval.
Jan neemt het initiatief een werkplaatsje voor kinderspeelgoed te beginnen. Hij leent geld bij de bank. Een kring geïnteresseerden heeft het krediet door een persoonlijke borgstelling gedekt. Veel meer dan het minimumloon blijft er voor Jan en voor de eerste medewerkers die zich met het initiatief verbinden niet over. Zij treden niet in dienst bij Jan, maar associëren zich als vrije medewerkers. Zij maken onderling een afspraak over hun rechten en plichten, met name over het minimuminkomen dat zij elkaar in deze beginfase toestaan uit de gemeenschappelijk verworven inkomsten.

Als de onderneming groeit en er meer kapitaal moet worden aangetrokken, wordt een stichting opgericht, die de productiemiddelen ‘bezit’. Op de balans is het vermogen min of meer in evenwicht met de uitstaande schulden. De juridische eigenaar kan zich met dit ‘bezit’ op geen enkele wijze persoonlijk verrijken. Deze heeft alleen het recht – en de plicht – er op toe te zien dat bekwame mensen met het productiemiddel werken. Door de neutralisering van het eigendom kan nu ook risicodragend kapitaal worden aangetrokken voor verdere investeringen. Het zal de verstrekkers geen macht over de onderneming verschaffen, hoogstens een extra vergoeding wanneer de zaken goed gaan.

De medewerkers overleggen met elkaar – en maken daarover steeds opnieuw harde afspraken – welk deel van de bruto inkomsten zij als gemeenschappelijk inkomen zullen beschouwen en volgens welke criteria zij deze pot zullen verdelen. Daarbij kunnen zowel behoefte, arbeidsduur, prestatie, als onder-nemerskwaliteiten een rol spelen. Wat als rechtvaardige beloning beleefd wordt, kan alleen door de betrokkenen – c.q. hun vertegenwoordigers – worden bepaald.

Er bestaat in deze situatie geen werknemerschap, c.q. dienstverband. Alle medewerkers verbinden zich persoonlijk tot een vorm van medewerkerschap. Sociale verzekeringen kunnen persoonlijk bij externe instanties worden ondergebracht of middels een gemeenschappelijk opgerichte eigen voorziening worden geregeld. Bij dit alles blijven grote verschillen bestaan in het soort bijdrage dat de medewerkers leveren (met geestkracht arbeid organiseren of met arbeidskracht materiaal bewerken en alle mengvormen daartussen), in de mate van identificatie met en trouw aan de onderneming, en in deskundigheid. Deze verschillen kunnen echter constructief tot gelding worden gebracht in het overleg binnen de onderneming, in de dialoog tussen de polen. De voorwaarde voor deze dialoog is geschapen doordat noch door het bezit van productiemiddelen, noch door het collectief looneisen stellen van de werknemers, macht kan worden uitgeoefend.

Of binnen deze voorwaarden de dialoog ook werkelijk constructief verloopt en de onderneming slagvaardig blijft, wordt natuurlijk mede bepaald door de sociale vaardigheden en de persoonlijke inzet van de medewerkers. Het blijkt dat nieuwe initiatieven, waar met bovenbeschreven nieuwe sociale vormen ervaring wordt opgedaan, even zovele oefenplaatsen zijn voor deze vermogens.

Volgende kloven

Ten slotte nog een kort perspectief, dat ik niet verder heb kunnen uitwerken in het bestek van dit artikel. Wanneer langs de boven beschreven weg binnen de onderneming geen sprake meer kan zijn van uitbuiting van de ene groep door de andere, wanneer met andere woorden de kapitaal-arbeid kloof is overbrugd, wacht de volgende kloof: die tussen producent en consument. Waarom zouden de werkers van een onderneming niet samen de consumenten kunnen uitbuiten? Ook de overbrugging van deze kloof vraagt om nieuwe inrichtingen. Rudolf Steiner noemt ze in zijn driegeledingsgeschriften associatief. Ook naar de kant van de grondstof-leveranciers hebben deze hun betekenis (kloof industrielanden – derde wereld).

En dan rest de grootste kloof te overbruggen: waarom zou het geassocieerde economische leven niet gemeenschappelijk het geestesleven (bijvoorbeeld onderwijs, wetenschap, gezondheidszorg) uitbuiten, knechten, voor zich gebruiken? De overbrugging van deze kloof verwijst naar een stroom van vrije schenkingsgelden die uit de winsten van de ondernemingen naar het geestelijke culturele leven vloeien. Opdat van daaruit het economische leven weer opnieuw met begaafdheden en capaciteiten bevrucht kan worden.

.

Lex Bos, Jonas 15, 18-03-1983

Sociale driegeleding: alle artikelen    kapitaal – arbeid onder nr. 9

.

1714-1608

.

.

VRIJESCHOOL – 6e/7e klas – Natuurkunde – licht (3-4)

.

Om licht te kunnen karakteriseren zijn de vorige artikelen  [3-1]  en [3-2]  een goede hulpbron. 
Er is nog veel meer over ‘licht’ te vertellen. [3-3]
Hieronder een ouder artikel, waarin nog interessante gezichtspunten. 
Het onderzoek staat niet stil en sommige bevindingen van toen, moeten wellicht weer wat worden genuanceerd.

De mens kan het daglicht niet missen

Daglicht heeft een belangrijke invloed op het functioneren van mens en dier. De intensiteit van het licht, de lengte van de dag en de seizoensgebonden verschillen daarin hebben invloed op de „biologische klok’’ en op de ritmische levensprocessen die deze klok stuurt.

Is het moderne leven onder kunstlicht, dat het natuurlijke ritme verstoort, daarom schadelijk voor de mens? Niet meteen ( ) Toch blijft het daglicht voor de mens onmisbaar.

Tijdens de industriële revolutie werd een toenemend aantal gevallen van een typische kinderziekte waargenomen die later bekend werd als de Engelse ziekte. Deze uitte zich in een zwak bottenstelsel, waardoor de benen en de rug van de kinderen krom groeiden. De oorzaak van de ziekte was aanvankelijk onbekend, zodat artsen niets konden doen om het groeiend aantal zieke kinderen te genezen. Men merkte op dat de Engelse ziekte vooral in dichtbevolkte industriegebieden voorkwam, waar weinig zonlicht was. Later bleek dat de ziekte eenvoudig te genezen was door de kinderen aan zonlicht bloot te stellen.

De Engelse ziekte is een van de voorbeelden waardoor onder medici het besef groeide dat zonlicht voor het lichaam van aanzienlijk belang is. Zonlicht is straling die bestaat uit elektromagnetische golven met uiteenlopende golflengten. De hele korte golven vormen ultraviolette straling. Het ultraviolet ligt net onder de grens van de zichtbare straling. De kortste zichtbare golven geven violet en blauw licht, de iets langere zijn groen, geel of oranje en de langste golven die we nog kunnen zien zijn rood. In het natuurlijke daglicht komen al deze golflengten meestal in een zodanige verhouding voor dat wij wit licht zien.

Naast door de golflengte wordt licht gekenmerkt door intensiteit. In onze normale omgeving varieert de intensiteit sterk, in de eerste plaats door de draaiing van de aarde om haar as. Hierdoor is het elk etmaal ’s nachts donker. Tijdens de omloop van de aarde om de zon zijn er in de loop van het jaar bovendien verschillen in daglengte. Terwijl rond de evenaar de daglengte vrij constant is, zijn in de Noord- en Zuidpoolgebieden de daglengteverschillen tussen winter en zomer soms zo extreem dat de zon een etmaal lang niet ondergaat of opkomt.

Zonnig

Ook het weer beïnvloedt de hoeveelheid licht die wij zien. De intensiteit op een zonnige dag is ongeveer tien maal groter dan bij bewolking. Toch is op een bewolkte dag de lichthoeveelheid altijd nog circa honderd maal groter dan in een kamer met kunstlicht. Van de grootte van deze verschillen zijn we ons maar nauwelijks bewust.

Hoewel we goed kunnen zien onder al deze lichtomstandigheden is het de vraag hoe licht andere functies van ons lichaam beïnvloedt. Deze vraag was het thema van het congres „Medische en biologische invloeden van licht”, dat vorige week* door de New Yorkse Academie van Wetenschappen werd georganiseerd.

De Engelse ziekte, die vooral voorkwam in verstedelijkte gebieden met straten en huizen waar weinig licht door kon dringen, is een sprekend voorbeeld van de gevolgen van tekort aan zonlicht. Hoewel het al meer dan 60 jaar bekend is dat de ziekte hierdoor ontstaat, bleek op het congres dat men het waaróm pas onlangs is gaan begrijpen.
Ultraviolette straling van de zon zet de biologische grondstof voor vitamine D in de huid om in vitamine D3. Het bloed brengt vitamine D3 naar de lever en de nieren waar de uiteindelijk biologisch werkzame vorm van vitamine D gemaakt wordt. Dit vitamine D zorgt ervoor dat de darmen calcium opnemen wat vooral bij groeiende kinderen noodzakelijk is voor de botvorming.

Er zijn meer processen in de huid die onder invloed van zonlicht staan. Bij zonaanbidders is natuurlijk het verbranden en bruin worden bekend. Een huidpigment, melanine, veroorzaakt de bruine tint om de huid tegen nog meer zonlicht te beschermen. Het bruin worden is een normale functie van de huid. Op het congres in New York rapporteerde men hoe daarentegen ook huidziekten als psoriasis en huidallergieën met zonlicht geheel onder controle gebracht kunnen worden.

Leukemie

Een zeer opmerkelijk resultaat werd gebracht door Dr. R. Edelson van de
Columbia Universiteit in New York, die licht gebruikt bij de behandeling van leukemie. Hij zei: „Bij immuunziekten zoals leukemie is het zelden of nooit mogelijk de ziekte te genezen door de oorzaak weg te nemen. Het enige wat we kunnen doen is de ziekte onder controle brengen en zo het leven van een patiënt te verlengen”.

Bij leukemie gebeurt dit vaak met chemotherapie, die aanzienlijke bijwerkingen heeft. Deze bijwerking probeert Edelson te omzeilen door de natuurlijk in het lichaam voorkomende stof, 8-methoxypsoraleen, te binden aan een medicijn. De combinatie van beide stoffen heeft in het lichaam geen enkele invloed maar kan werkzaam gemaakt worden door het plaatselijk in de huid met ultraviolet licht te activeren. Zo wordt de rest van het lichaam gespaard van schadelijke bijwerkingen. Bij de eerste leukemiepatiënt, die met deze lichttherapie werd behandeld, had Edelson onlangs aanmerkelijk succes.

Fluctuaties in de lichtintensiteit die veroorzaakt worden door de beweging van de aarde hebben grote gevolgen voor de manier waarop mensen en dieren hun bezigheden in de tijd indelen. In de evolutie heeft zich een biologische klok ontwikkeld die ervoor zorgt dat dieren op die momenten actief zijn die voor hen — om uiteenlopende redenen. — het meest gunstig zijn. Deze klok staat in verbinding met de ogen, zodat hij de wisselingen van dag en nacht waarneemt en bovendien de daglengte kan meten. Onderzoekers van de Groningse en Leidse Universiteit lieten in New York zien hoe dit in zijn werk gaat.

Door veranderingen in de daglengte te meten is de klok in staat om het organisme op de jaargetijden voor te bereiden. De biologische etmaalsklok kan dus ook seizoensritmen tot stand brengen. Dit is een bijzonder belangrijke functie, omdat er tegelijk met de veranderingen in daglengte ook grote veranderingen in temperatuur en in de beschikbare hoeveelheid voedsel optreden. Deze laatste twee factoren vereisen een aanzienlijke aanpassing van de meeste diersoorten. De meest in het oog lopende aanpassingen zijn wel de vogeltrek en de winterslaap.

Dr. I. Zucker van de Berkeley Universiteit in San Fransisco liet op het congres zien dat het lichaamsgewicht van Canadese veldmuizen afneemt als in de herfst de dagen korter worden en dat hun vacht wel twee maal zo dik wordt. De geslachtsorganen van de hamster worden kleiner zodat de dieren zich niet meer kunnen voortplanten in het ongunstige winterseizoen.

Zucker vatte zijn bevindingen als volgt samen: „De daglengte is bepalend voor seizoensgebonden aanpassingen in lichaamsgewicht, temperatuurregulatie en voortplanting bij muizen. Deze aanpassingen (…) worden alle geregeld door de daglengte, wat de overlevingskansen van verschillende kleine zoogdieren vergroot”. Onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen, die de jaarritmiek bij veldmuizen in de Lauwersmeer bestuderen, bevestigen hoezeer deze dieren hun gedrag aan de seizoenswisselingen aanpassen.

Zelfmoord

Bij mensen zijn zowel psychologische als biologische jaarritmen waargenomen onder meer in groeisnelheid, agressie en het aantal verkrachtingen. Het sterftecijfer bereikt op het Noordelijk halfrond zijn hoogtepunt rond januari. Zelfmoordpogingen en bevruchtingen komen het meest in de vroege zomer voor. Bij de evenaar zijn jaarritmen vrijwel afwezig, terwijl ze op het Zuidelijk halfrond 6 maanden verschoven zijn ten opzichte van het Noordelijk halfrond.

Dr. Aschoff van het Max-Planck-Instituut voor gedragsfysiologie in Duitsland stelt dat hoewel sociale en culturele factoren de jaarritmen beïnvloeden, een biologische basis voor deze ritmen onmiskenbaar is, gezien hun kenmerkende en stabiele samenhang met de jaargetijden. Dus ook bij de jaarritmen van mensen blijkt de daglengte van belang.

Op grond van dit inzicht is op het Nationale Instituut voor Geestelijke Volksgezondheid van de Amerikaanse regering een therapie ontwikkeld om de jaarlijks terugkerende „winterdepressie, waaraan tal van mensen lijden, te genezen. Deze aandoening, die pas sinds enkele jaren ten volle wordt onderkend, kenmerkt zich door een diepe neerslachtigheid, prikkelbaarheid en een sterk verminderde behoefte aan sociaal contact. Bovendien eten en slapen de patiënten in deze maanden overmatig.

De behandeling bestaat hieruit dat patiënten ’s morgens en ’s avonds aan sterke belichting worden blootgesteld. Op deze manier proberen de Amerikaanse psychiaters de korte winterdag kunstmatig te verlengen’. Tijdens de behandeling geven de patiënten een aanzienlijke verbetering te zien.

In tegenstelling tot dieren is de mens door het gebruik van vuur, olielampen, kaarsen en met name de elektrische verlichting nooit volledig afhankelijk geweest van het daglicht. Het is echter een betrekkelijk recente gewoonte om een groot deel van de dag onder kunstverlichting door te brengen. Daarom is het belangrijk om na te gaan hoe dit de lichtafhankelijke functies van de huid en de biologische ritmiek beïnvloedt.

Kunstverlichting verschilt in meerdere opzichten van natuurlijk licht: de verdeling van golflengten is anders en de lichtintensiteit is veel lager. Bovendien zijn we met kunstverlichting minder onderhevig aan veranderingen in de daglengte.

Een vergelijking van de jaarritmen bij de mens over de laatste honderd jaar laat zien dat de ritmen steeds minder uitgesproken zijn geworden. Dit is misschien een gevolg van te lage lichtintensiteiten binnenshuis, maar ook het terugdringen van de invloed van de daglengte door het altijd beschikbare kunstlicht kan een rol spelen. Jaarritmen zijn het meest uitgesproken in gebieden met weinig industrialisatie en verstedelijking. Het lijkt er dus op dat de sterkte van de ritmen afneemt naarmate we ons meer kunnen onttrekken aan de natuurlijke belichting in onze omgeving.

Geen van de deelnemers van het congres rapporteerde echter dat deze tendens schadelijk zou zijn. Mensen zijn immers veel minder dan dieren afhankelijk van grote lichamelijke aanpassingen om de winter te overleven.

Kunstlicht verschilt bovendien van daglicht doordat er een andere verdeling van golflengten is. De gevolgen van een langdurig verblijf in kunstlicht op de aanmaak van vitamine D is onderzocht op een onderzeeboot waar de bemanning drie maanden in door moest brengen. De bemanningsleden die geen extra vitamine D tabletten kregen vertoonden een aanzienlijke afname in de hoeveelheid vitamine D. Dit heeft gevolgen voor de sterkte van de botten.

Heupbreuk

Uit ander onderzoek bleek dat bijna alle mensen die met heupbreuken in het ziekenhuis worden opgenomen te weinig vitamine D hebben. Mensen die niet of nauwelijks buitenkomen, zoals veel bejaarden, zouden daarom geholpen zijn met extra vitamine D tabletten. Het is de vraag of dit alle problemen oplost.

Dr. M. Holick, die werkzaam is aan de Harvard Universiteit, heeft onlangs een nieuw type vitamine D in de huid gevonden, dat net als het bekende type ook door zonlicht geactiveerd wordt. De functie van dit nieuwe vitamine D is nog onbekend maar het staat wel vast dat we dit noch via ons voedsel, noch door middel van klassieke vitamine D tabletten binnen krijgen.

Omdat de mens beter dan dieren in staat is de invloeden van de
seizoenwisselingen op te vangen, heeft het leven onder kunstlicht geen nadelige invloed op de door de biologische klok geregelde levensprocessen. Toch blijft een zekere dosis „echt” licht nodig voor andere lichtafhankelijke functies, zoals de aanmaak van vitamine D in de huid.

Joke Meijer, destijds studente neurobiologie en deelneemster aan de conferentie, Volkskrant 10-11-1984

.

Uiteraard zijn alle mogelijke onderzoeken voortgezet:

Leukemie en vitamine D

Meer info over genoemde onderzoeken en wetenschappers via Google

.

Natuurkundealle artikelen

.

1713-1607

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-10)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 44-45     vert.

In de 1e voordracht [blz. 21/22] zegt Steiner over het kind dat wordt geboren: ‘het is een voortzetting van het leven vóór de geboorte’het is nu een ander leven, want het kind is op aarde gekomen. De dood noemt hij de geestelijke voortzetting van het fysieke leven.

blz. 21/22 [vert.]

Wanneer de mens fysiek geboren wordt, sterft hij voor de geestelijke wereld en wanneer hij fysiek sterft, wordt hij voor de geestelijke wereld geboren.

Het fysieke bestaan hier is een voortzetting van het geestelijke leven en dat wij hier door opvoeding moeten voortzetten wat zonder ons toedoen door hogere wezens is vervuld.

Onze pedagogie zal pas de juiste stemming ademen, wanneer we ons van het volgende bewust worden: hier in dit mensenwezen dien je door jouw handelen voort te zetten, wat hogere wezens voor de geboorte hebben gedaan.

In de 2e voordracht krijgt dit een vervolg:

Wir nehmen gewissermaßen, indem wir erziehen, die Tätigkeiten, die vor der Geburt mit uns Menschen ausgeübt werden, wieder auf. 

Wij nemen in zekere zin met de opvoeding weer op, wat er voor de geboorte met ons mensen is gedaan.

Da ist mit uns von den geistigen Mächten so verfahren worden, daß Bildtätigkeit in uns gelegt wurde, die in uns nachwirkt noch nach der Geburt.

Toen hebben geestelijke machten zo aan ons gewerkt, dat we een beeldvor­mend vermogen hebben gekregen dat nog na de geboorte in ons nawerkt.

Indem wir den Kindern Bilder überliefern, fangen wir im Erziehen damit an, diese kosmische Tätigkeit wieder aufzunehmen. Wir verpflanzen in sie Bilder, die zu Keimen werden können, weil wir sie hineinlegen in eine Leibestätigkeit.
Wir müssen daher, indem wir uns als Pädagogen die Fähigkeit aneignen, in Bildern zu wirken. das fortwährende Gefühl haben: du wirkst auf den ganzen Menschen, eine Resonanz des ganzen Menschen ist da, wenn du in Bildern wirkst.

Door kinderen beelden mee te geven, maken we er in de opvoeding een begin mee om deze kosmische werkzaamhe­den weer op te nemen. We planten beelden in de kinderen die tot kiem kunnen worden, omdat we ze in een activiteit van het lichaam planten. Wanneer we ons als pedagoog het vermogen eigen maken in beelden op het kind te werken, moeten we daarom het voortdurende gevoel hebben: je werkt in op de gehele mens, de gehele mens resoneert wanneer je met beelden werkt.

En wij gaan verder met of nemen weer deze kosmische werkzaamheden op, door dit beeldvormend vermogen niet te laten verkommeren, maar we voeden dit door de kinderen beelden te geven.

Beelden zijn nog geen begrippen, werken niet alleen op de voorstelling. Ze geven ruimte – je kan er bij fantaseren; ze kunnen op allerlei manieren op je gevoel werken: je blij maken, maar je ook met antipathie vervullen; je aanzetten tot activiteit en spreken daarmee de wil aan.
Dat is het werken op de ‘hele mens’. ‘De hele mens resoneert mee, wanneer je met beelden werkt.

En net zoals Steiner de 1e voordracht afsluit met een soort oproep om je houding in de klas, voor de klas en naar de kinderen, naar het kind te bepalen, zo doet hij hier aan het eind van deze 2e voordracht ook een soort oproep:

Dieses in das eigene Gefühl aufnehmen, daß man in aller Erziehung eine Art Fortsetzung der vorgeburtlichen übersinnlichen Tätigkeit bewirkt, dies gibt allem Erziehen die nötige Weihe, und ohne diese Weihe kann man überhaupt nicht erziehen. 

Wanneer men dit in het eigen gevoel opneemt: dat men in elke opvoeding een soort voortzetting bewerkstelligt van de werkzaamheden die geestelijke machten voor de geboorte verricht hebben, dan verleent dat elke opvoeding de wijding die nodig is, en zonder deze wijding kan men volstrekt niet opvoeden.
GA 293/44
Vertaald/44

Deze gedachten kunnen een bepaalde stemming in je oproepen van grote eerbied voor het kind, van grote betrokkenheid bij zijn jonge leven.
Immers, uit deze opvattingen blijkt dat we met bijzondere wezens hebben te maken, zoals wij allemaal zijn. Door onze individualiteit, door ons Ik,zijn we  geestelijke wezens; geen hogere dieren of naakte apen, geen klomp genen of een brein, maar uit een wereld gekomen wezens die op aarde hun weg gaan en met wie wij een tijdje mogen optrekken.
En tijdens die begeleiding moeten we ze geven wat ze voor die weg nodig hebben.

Op opvoedkundig gebied, op schoolgebied is er veel wat ze kunnen meegeven.

De inhoud van dit vele vinden we o.a. in de pedagogische voordrachten van Rudolf Steiner.

Als steun voor het in jezelf wakker roepen van die benodigde stemmen, deed Steiner ‘tussen de regels’ vele uitspraken:

Man muß gerade mit dem arbeiten, was in den Tiefen unten in der Menschennatur sich abspielt, wenn man erziehend und unterrichtend arbeiten will.

Wil men als opvoeder en pedagoog werken, dan moet men juist werken met dat wat zich diep in de menselijke natuur afspeelt.
GA 293/75   
Vertaald/75

Die uitspraken staan hier als ‘wegwijzers‘.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.
.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1712-1606

.

.

 

VRIJESCHOOL – 6e/7e klas – Natuurkunde – licht (3-3)

In de 6e en/of 7e klas van de vrijeschool komt in het vak natuurkunde ‘licht’ aan de orde.
Hier enige wetenswaardigheden, gesignaleerd door Piet Vroon

.

licht

Wat heeft licht met ons doen en laten te maken 

Veel licht werkt kortdurende topprestaties en het voeren van harde
onderhandelingen in de hand. Hoe minder licht, hoe humaniserender u gaat denken. Van dat laatste worden wij blijkens proefnemingen ook minder gauw moe. De hoeveelheid licht beïnvloedt tevens de manier waarop wij elkaar in ander verband bejegenen. Men heeft de helft van een groep bloeddonors na de aderlating in een zee van licht gezet en de andere helft in een schaars verlichte ruimte. De leden van de laatste groep hadden de neiging bij elkaar te gaan zitten en te gaan kwekken, terwijl de in letterlijke zin verlichten met barse gezichten gingen zitten lezen.

De lichthoeveelheid heeft ook invloed op de stemverheffing: de conversatie in de gangen die lesruimten in de zulo’s met elkaar verbindt, kan met vele decibels worden getemperd door wat lampen te slopen. Wat de geluidshinder betreft zouden we dus moeten terugverlangen naar de energiecrisis toen de ene televisiepersoonlijkheid na de andere ons aanraadde Derde Wereld-peertjes te kopen.

Een gematigde hoeveelheid licht is niet alleen aangenaam, het wordt allemaal nog beter als de boel langs indirecte weg waarneembaar is. Mensen werken graag in zo’n omgeving maar gaan, zoals aangestipt, hun stembanden sparen en zij schrikken zich een beroerte van de telefoon en ander ongerief. Het is dus blijkbaar altijd wat.

Een modern probleem met verlichting is overigens dat TL-buizen flikkeren met een frequentie die u net niet kunt zien. Niets aan de hand dus, maar dit interfereert op een vervelende manier met de beeldschermen waarop wij van alles en nog wat schijnen te moeten ontwaren. Daar moet dus ook weer iets op gevonden worden.

Natuurlijk is het licht ook in de medische wereld doorgedrongen. Er schijnen mensen te zijn die tijdens de herfst en de winter buitengewoon chagrijnig worden, hetgeen wel een depressie wordt genoemd. Zeer fel licht zou deze ramp kunnen afwenden. Hoe dat werkt is niet helemaal duidelijk. Sommigen beweren dat neerslachtigheid indirect te maken heeft met de pijnappelklier die bij dieren overduidelijk gevoelig is voor licht. Felle lampen zouden deze klier aanzetten tot de productie van een in dit verband tamelijk heilzaam hormoon.
Anderen zeggen dat depressieve mensen in het zonnetje moeten worden gezet omdat hun dag-nachtritme is verstoord, wat door middel van veel licht zou kunnen worden bijgesteld. Ook kennen we allemaal het ritueel om gele zuigelingen onder een blauwe lamp te leggen. Deze zou heilzaam zijn voor de afbraak van het vele bilirubine, maar waarom dat werkt weet niemand. Wie zegt daar dat alternatieve geneeswijzen niet deugen omdat we niet weten waarom het eventuele effect tot stand komt?
Aardig is ook de vraag waarom operatiekamers, alsmede de kleding van de aldaar werkzame personen als regel groen zijn gespoten. Als u langdurig naar een bloedbad staart en vervolgens de ogen op een witte wand richt, ziet u een groen nabeeld. Dat is niet zo leuk, maar een dergelijk nabeeld is uiteraard onzichtbaar tegen een groene achtergrond.

Wat de woonkamer betreft kunt u de schijnbare grootte door middel van kleuren variëren: een blauwe kamer lijkt groter dan een rode. Dat komt misschien omdat we scheef door onze pupillen kijken, met als gevolg dat het oog als een prisma werkt dat verschillende kleuren in een verschillende mate breekt. Dat een rode kamer ook geschikt is voor het nemen van risico’s van allerlei aard, zal bekend zijn.

Een uitgesproken dom voorbeeld van het gebruik van kleuren heb ik meegemaakt toen ik nog iets nuttigs deed en de zeeën bevoer. Men zette de brug van een schip ’s nachts vaak in rood licht om de donkeraanpassing van het oog optimaal te maken. Minder optimaal was dan wel eens het navigeren. Een bureaucraat had namelijk bedacht dat je de zeekaarten het best met rode, en dus onzichtbare, lijnen kon bedrukken.

.

Gedeelte van een artikel van Piet Vroon, Volkskrant, Het hele artikel is hier te vinden.

.

Natuurkundealle artikelen

.

1711-1605

.

.

.

VRIJESCHOOL – 6/7e klas – Natuurkunde – licht (3-2)

.
In de 6e en/of 7e klas van de vrijeschool komt in het vak natuurkunde ‘licht’ aan de orde.
Omdat verschijnselen zo veel mogelijk fenomenologisch benaderd worden, is onderstaand artikel een hulpmiddel voor de leerkracht het fenomeen ‘licht’ dieper te doorgronden. Tevens geeft het een heldere uitleg over de samenhang waarnemen – denken.

Wat doet het licht

In september of oktober, soms vroeg, soms later, begint het loof te verkleuren. Als een van de eerste laat de Afrikaanse eik op de hei zijn spits gezaagde bladeren vlammend rood worden. Daarna verkleurt de kroon van de witte berkenboom tot goudgeel. En later pas (dit jaar* was het begin november) is de grond bedekt met de geel-bruine beukenbladeren, met daartussen het eikenloof.

De boom stond, tijdens de zomer, met al zijn duizenden bladeren in het licht, leder blad heeft zonnelicht opgenomen. In het blad werd het tot substantie, zoals in een orgaan stoffen worden opgenomen en verwerkt.
Hoe kan licht tot stof worden?
Dat is evenzeer een geheim als hoe een mens uit voedingstoffen energie wint. De gecompliceerde processen, die van licht tot stof optreden, kunnen slechts gedeeltelijk chemisch-stoffelijk worden vastgesteld. In het loofblad, dat licht heeft opgenomen, bevindt zich zetmeel. Ook hier moeten echter tussen licht en zetmeel overgangen zijn, waarvan pas het zetmeel chemisch gemeten kan worden.
Zodra in het voorjaar het bleke sprietje van de bloembol boven de aarde aan het licht komt, wordt het groen. Kleuren horen bij het licht. Misschien is groen een verschijnsel in de metamorfose van licht tot zetmeel.
(Wetenschappelijk geldt chlorofyl als de drager van het groen dat in ieder bladdeel bij de lichtopname is betrokken).

Waaraan kunnen wij de herfst zien komen?

Bijvoorbeeld doordat het licht verandert. Het is alsof de achtergrond donkerder wordt. Inmiddels begint de boom zich stilletjes terug te trekken van al zijn bladeren, er groeit een scheiding tussen bladsteel en tak, die geen water meer doorlaat.
Daarna kunnen wij zien hoe het groen dat de plant als een levenskleed draagt, wordt weggetrokken; daaronder verschijnen de kleuren van het licht zelf: geel en rood. Het lichtproces, steeds aanwezig, maar in het blad verborgen, wordt in de herfst even zichtbaar. De bomen dragen verwerkt zonnelicht in hun kruinen. Hun goudgeel of vlammend rood stamt uit de kwaliteit van het licht dat zij hebben opgenomen. Of zoals men in het Duitse tijdschrift ‘Kosmos’ in een artikel over herfstkleuren kan lezen: anthocyanen, stoffen waardoor de kleur rood tot stand komt, ontstaan onder een licht van bepaalde golflengte (anders dan carotine, de stof voor geel).
Verder geeft het genoemde artikel met zijn chemisch onderzoek een bewijs voor onze ontdekking van het zichtbaar geworden lichtproces.
Het zegt: ‘de herfstkleur ontstaat niet uit een chemische omzetting van chlorofyl, want carotine en anthocyanen zijn al in het groene blad aanwezig. Maar zij komen pas te voorschijn als het chlorofyl wordt afgebroken of als het suikergehalte in het blad toeneemt.’ (Hierbij moet worden vermeld dat het zetmeel in het blad ’s nachts tot suiker wordt omgezet). ‘In het afgevallen blad, aldus het artikel, is nog veel suiker te vinden, maar geen zetmeel meer.’
Alleen in de vorm van suiker kan ‘lichtsubstantie’ aan het water in de aarde worden doorgegeven. Wat je weet, kun je ook zien: ieder blad valt, een kleurrijk verschijnsel, op de grond.
Het brengt iets mee voor de aarde. In de herfst lopen wij over een goudgeel en groen lichtende grond. Het is het licht dat uit de verte kwam toen wij ons ’s zomers naar de zon keerden.
Boven ons, in de boomkruinen, is het opnieuw zichtbaar geworden en voor onze ogen naar de aarde gedaald.
De geur van de vermolmde bladgrond op een regenachtige novemberdag laat ons weten dat de aarde aan een vernieuwingsproces onderhevig is.

Anders denken

‘Het licht is in de aarde getrokken’ — terwijl wij het denken, voelen wij het ook (zie het hoofdartikel in Jonas 2).[niet op deze blog] Hoe ontstaat zo’n gedachte, die ons als een meditatie kan vervullen?

Eerst zijn het de Afrikaanse eik in het vlammend rood, de berkenboom met zijn goudgele kroon enz., die als herinneringsbeelden de herfsttijd weer in ons oproepen. Wat wij elkaar mededelen zijn begrippen (geel, kroon). We ervaren dat ze met waarneming zijn vervuld. Hoe nauwkeuriger wij de goudgele berkenboom hebben waargenomen, des te rijker is het begrip ‘gele kroon’ voor ons.
Maar ik zie toch eerst ‘boom’ en pas dan ga ik hem nauwkeurig bekijken?
Ja, dat komt omdat het begrip bij de eerste waarneming (het eerste ‘ogen-blik’) al mee naar binnen schiet. Maar is het dan niet te zien dat je éérst waarneemt? Ja, bijvoorbeeld bij een kind. Als het voor het eerst iets ontdekt, komt het ons daarna om het daarbij passende begrip vragen.
Of, als wij zelf voor een onbekend verschijnsel staan; dan gaan wij ook naar de verklaring ervan zoeken.

Laat ons nog even terugkijken naar wat wij hebben gedaan: de boom in de zomer: het blad heeft zonlicht opgenomen en tot substantie laten worden, zoals een orgaan stoffen opneemt en verwerkt. Het is onze denkactiviteit, die de verschillende begrippen zo bij elkaar voegt, dat er een bepaalde verhouding, een gedachte ontstaat. Ons denken vraagt (naar de weg van licht tot zetmeel), het vergelijkt (met de spijsvertering) en wint daaruit een volgende gedachte, zoals: ‘de overgang van niet-stof tot stof kan alleen gedeeltelijk op chemische weg worden vervolgd, terwijl er nog wel kwaliteiten kunnen worden waargenomen (groen)’. Zodoende haalt ons denken de verschillende begrippen bij elkaar en kijkt of zij een eenheid worden. Daardoor kan ons denken ineens waarnemen wat achter het verschijnsel schuilgaat. In ons geval: het gele herfstblad toont het licht-proces, dat zich in het blad steeds heeft voltrokken.

Het denken is als een licht in ons, het laat de dingen te voorschijn komen.

Wel hebben wij hier nog niet stap voor stap bij elkaar gevoegd wat een ‘feit’ pas wetenschappelijk kan rechtvaardigen. Maar wij hebben het verschijnsel ‘in zijn geheel’ te pakken: de boom in het zomerse licht, de boom in zijn herfstkleed, onder de boom de lichte grond — wij hebben dit als één enkel beeld op ons laten inwerken, als een fenomeen, en daaruit gelezen: de idee van het nederdalende licht. Wij hebben het fenomeen nader onderzocht aan de hand van veranderingen die het blad ondergaat, om te zien of deze idee zich ook in de verschijnselen uitdrukt. Net zoals men in de wetenschap de ‘these’ stelt, als de richtlijn volgens welke de verschillende fenomenen worden verzameld en met de ‘these’ worden geconfronteerd. En waarom is het resultaat over de herfstkleuren in ‘Kosmos’ anders dan het onze? Omdat de idee niet tot de werkelijkheid wordt gerekend.

Men bleef daar bij de chemisch aan te tonen feiten staan en zag deze niet meer in het geheel van waaruit zij werden gehaald. En toch zijn zij beide, idee én feitenkennis, door dezelfde activiteit van ons denken tevoorschijn gekomen. Omdat wij onze activiteit daarbij beleven, geloven wij dat de gedachte niet uit de wereld maar uit ons komt en daarom steunen wij alleen op ‘objectief aan te tonen’ feiten. Terwijl de feiten een gehéél vormen met de idee en aantonen waar wij als denkend mens de idee onvoldoende hebben herkend. De verhouding van het denken tot de mens en tot de wereld is een levensvraag . .

Licht in de mensen

‘Het zonlicht uit de ruimte is de aarde binnengetrokken.’ — Laten we deze gedachte even op ons inwerken, dan voelen wij ons getroost. Meer nog: onze wil wordt erdoor aangesproken. Als de aarde zich ‘naar binnen keert’ en innerlijk werkzaam wordt om het nieuwe jaar voor te bereiden, dan kunnen wij ons aangespoord voelen, ook zelf innerlijk waakzaam te worden.

Door de achteloosheid van de mens gebeurt er veel met de aarde. Geen reden om aan te nemen dat er ook door zijn aandacht veel met haar zou kunnen gebeuren! Als in ons geen licht kan binnen dringen — zou de aarde daarvan leed kunnen ondervinden?

Waarom wacht een mens erop, dat hij in zijn beste mogelijkheden wordt herkend? Dat een medemens hem liefdevol blijft waarnemen en hem tegelijkertijd toch vrijlaat, omdat hij alleen vanuit zichzelf de zaak voor elkaar moet krijgen?

Hoe is het mogelijk dat mensen deze liefde kunnen voelen, erop hopen, daarvan schenken? Omdat in ons datgene werkzaam kan worden, waarop de gehele mensheid rust. Vaak herkent zij niet van wie het uitgaat. Men kan het als ‘scheppen’ ervaren, dat wil zeggen: steeds opnieuw moet het worden geboren.

Licht wil liefde worden in de mens. Als wij ons vrij kunnen maken, kunnen in de nachten tussen Kerstmis en Epifanie, de ‘twaalf heilige nachten’, waarin het licht en de liefde nabij zijn, mens en aarde van binnenuit nieuw worden.

.

Cordula Zeylmans, Jonas, 19-12-1970

.

Natuurkundealle artikelen

.

1710-1604

.

.

VRIJESCHOOL – 6e/7e klas – Natuurkunde – licht (3-1)

.

In de 6e en/of 7e klas van de vrijeschool komt in het vak natuurkunde ‘licht’ aan de orde.
Omdat verschijnselen zo veel mogelijk fenomenologisch benaderd worden, is onderstaand artikel een hulpmiddel voor de leerkracht het fenomeen ‘licht’ dieper te doorgronden.

licht

Licht is de zon, te fel om in te kijken. Het licht kan niet direct gezien worden, wel indirect via voorwerpen. Licht, waar is het? Als er geen voorwerpen zijn dan is er geen ‘zien’. In een lege ruimte is er geen licht zichtbaar. Het is er zwart, donker. Alleen de zon is zichtbaar. Tussen de voorwerpen is niets. Toch zijn ze licht. Licht is van voorwerp tot voorwerp. Als het donker wordt verlies je de voorwerpen, het contact. De afgrond begint. Het zoeken naar houvast. Licht kan overstralen; het maakt dingen kleiner, verder weg maar ook detailrijker. Het onderdeel gaat spreken. Licht kan onderstralen; het maakt voorwerpen groter, dichterbij, maar ook armer. De contouren gaan spreken. Licht is overal tegelijk, kent geen grenzen. Het verblindt, vernauwt de pupil, doet samentrekken. Licht is ongrijpbaar, weegt niets. Is warm noch koud. Het maakt je meestal ‘licht’. Het tilt op, het zuigt, het trekt. Het trekt aan planten. Het trekt planten de grond uit, naar zich toe. Het vormt. Planten vormt het. Het vormt planten in de aarde, het plant vormen in de aarde.
Licht dwingt soms door stoffen heen, meestal niet. Het laat contouren zien, structuren, vormen. Doorvallend licht laat materie verdwijnen, geeft het glans van bijna niets te zijn. Een boomblad, doorvallend licht.

Twee soorten licht: Indirect en lichtzelf of beter geformuleerd: Opvallend licht en direct licht (dit is bijna alles. Alle voorwerpen, dieren, planten, mensen).
Doorvallend licht (dunne voorwerpen, bladeren, water, een mineraal, een kristal).
Licht wordt steeds meer geremd, gevangen: Lucht, water, mineralen, bladeren, dichte voorwerpen.
Waar vind je direct licht in de natuur, waar komt het vandaan? Van de zon, de sterren, de planeten (heel soms), van vallende sterren, van vulkanen, van vuurvliegjes, van de lichtende zee, van het vuur.
De zon laat ons niet alleen, de maan houdt het contact. Soms ook niet, maar dan komen sterren lichten als vertrouwenslichten, als houvast. Zelfs wolken houden het licht vast, heel weinig maar. Het is nooit helemaal donker, altijd is de zon er, direct of indirect.
Is licht rechtlijnig? Je kunt het bewegen. Ieder voorwerp beweegt licht, door het overal heen te sturen. Een voorwerp sproeit licht alom, wordt zelf stralend, een zon in het klein, zo zijn er ontelbare zonnen.
Een kristal beweegt licht door het te ‘breken’. Is het dan stuk? Nee, het gaat elders heen, het vermenigvuldigt zich, het voegt zich samen. Mijn ooglens kan dat ook. Het licht wordt gevangen in mijn oog, in de ruimte van mijn oog. Even in mijn hoofd gevangen. Ik krijg daar een geweldige wereld voor terug; een wereld van voorwerpen, vormen, contouren, details. Vang ik het licht, of vangt het mij? Ik vang het door mijn ogen te openen. Licht wordt gevangen, een activiteit. Ik werp mijzelf om het licht, de voorwerpen, de wereld.

Licht is in beweging, in ritme. Grote en kleine ritmes, regelmatige en onregelmatige ritmes. Een wolk voor de zon, een verduistering. Dag en nacht, ochtendschemering en avondschemering.
Ochtend: Het licht schiet de wereld in, duwt zich binnen. Avond: Het licht ontglipt, trekt zich terug, weg naar boven. Winter en zomer, Kerstmis en St. Jan. Verschil van licht, kwaliteitsverschil, intensiteitsverschil. Groeiend licht in het voorjaar, stijgende zon. Krimpend licht in het najaar, dalende zon.

Maar ook de maan draagt een ritme als zonnegeschenk, afnemen en wassen, nieuw en vol. Wel een andere kwaliteit dan zonlicht. Krachtelozer, transparanter, nadenkender, bespiegelender. Licht staat nooit alleen. Het komt samen met lucht op aarde. Waar licht is, is lucht (niet andersom). Het breekt door de wolken, breekt ze open, duwt ze vaneen. Doorlichte lucht.
En het water? Het is transparant, laat licht door, maar soms niet. Spiegelende vlakken, rimpelingen, glinsteringen. Spel van het water en licht. Spel op grensvlakken. Wervelend, flonkerend, speels, schitterend. Doorlicht water, oplichtend water.

Begeertig zuigt de zwarte aarde het licht op. Verovert het totaal, schijnbaar onberoerd. Het speelt er niet mee, het doet in zijn innerlijk iets met de kwaliteit van het licht, maar houdt het geheim. Aarde slokt het op, water speelt ermee, licht laat het zichzelf zijn, vuur geeft het zelfs terug. Vuur schenkt licht. Tussen verteren en schenken werken de elementen met licht.

Dan is er nog kleur! En innerlijk licht, zielelicht!

Nieuwe kwaliteiten dienen zich aan. Nieuwe vergezichten, diepere lagen, een andere taal.

.

Willem Beekman, Jonas 23, 14-07-1978

.

Natuurkunde: alle artikelen

.

1709-1603

.

.

VRIJESCHOOL – Biografieën – Elisabeth Kübler Ross

.

Elisabeth Kübler Ross

Mijn vader* stierf toen ik zestien was. Onvoorbereid, onbewust, beleefde ik aanvankelijk een gevoel van bevrijding, en dan bedoel ik de bevrijding die hij beleefde om verlost te zijn van zijn zieke lichaam. Toen daarna de pijn en het verdriet van het gemis kwamen, wist ik daar geen raad mee. Flink zijn en niet huilen was het devies waarmee ik was groot gebracht. Jaren later vertelde ik met veel tranen het hele verhaal aan iemand die niet bang was om ‘pijnlijke’ vragen te stellen, en daarmee begon het bevroren verdriet te ontdooien. Daarna begon ik te lezen over sterven, het rouwproces. Het baanbrekende boek van Elisabeth Kübler Ross ‘Lessen voor levenden, gesprekken met stervenden’ heeft toen al veel voor mij betekend. Door het lezen en nadenken over zowel de praktische problemen (‘Moet ik de zieke vertellen dat hij stervende is?’) als de spirituele betekenis van de dood was ik veel beter voorbereid toen mijn moeder binnen drie maanden overleed, waardoor wij haar zo goed mogelijk konden begeleiden tot aan de poort van de dood. Werkende met rouwgroepen (dit zijn kleine groepen waarin mensen die hun partner of kind hebben verloren elkaar helpen om hun rouwproces, hun gevoelens te uiten, te herkennen en te accepteren) bleef ik met de vraag rondlopen hoe een synthese te vinden tussen het emotionele niveau in ons, dat vol tegenstrijdige gevoelens kan zitten van woede, angst, schuld en nog veel meer, en het spirituele niveau waarin we weten dat de dood de poort is naar de geestelijke wereld, waarin we onze dierbaren met vertrouwen kunnen laten gaan en waarbij het gevoel van bevrijding en diepe verbondenheid hoort, dat we kunnen voelen als we kijken naar het gezicht van iemand die pas gestorven is. Ontzag ook voor een groot mysterie waar je niet bang voor hoeft te zijn en wat op een wonderlijke wijze doet denken aan een geboorte.

Op zoek naar die synthese nam ik samen met ongeneeslijk zieke mensen, ouders die een kind verloren hadden, artsen, huisvrouwen, verpleegkundigen enzovoort, deel aan een vijfdaagse workshop die Elisabeth Kübler Ross enkele maanden geleden* hier in Nederland hield. Zij heeft ons die synthese voorgeleefd door beide niveaus in ons onvoorwaardelijk te accepteren en door ons veel te vertellen van haar eigen ervaringen.

Drieling

Elisabeth Kübler Ross wordt op 8 juli 1926 in Zwitserland geboren als een van een drieling. Erika en zij zijn identiek en piepklein, het zusje Eva heeft een normaal gewicht en ziet er heel anders uit. Zeer tegen de zin van de ziekenhuisstaf neemt moeder de kindertjes mee naar huis om ze zelf te voeden, dag en nacht om de twee uur, dus aan slapen komt zij nauwelijks toe. Het mondje van Elisabeth is te klein om bij haar moeder te kunnen drinken en daarom wordt zij met een poppenzuigflesje gevoed.

Als de drieling opgroeit trekken zij met hun gelijke kleertjes sterk de aandacht. Erika en Elisabeth lijken zó op elkaar dat zelfs de ouders ze vaak niet uit elkaar weten te houden. De kindertjes worden overal aangestaard en zelfs gebruikt voor reclame. Elisabeth trekt een knoop van haar jurk om het gemakkelijker te maken haar te herkennen. Wat is zij blij als iemand haar bij haar eigen naam noemt.

Het gezin (er is nog één ouder broertje) is hecht, vrolijk en gezellig. Het chalet waar zij wonen staat op een zonnige helling, de tuin is groot, de alpenweiden vlakbij, ’s Zomers ruikt het naar hooi en ’s winters naar houtvuren. Binnen is alles netjes op z’n plaats, alles glimt en glanst, de geraniums bloeien op het balkon. Vader gaat elke dag met de trein naar Zürich (hij zit in de handel) en moeder wijdt al haar energie aan het huishouden en de moestuin. De kinderen werken vanzelfsprekend mee, de regels zijn duidelijk en er wordt absolute gehoorzaamheid verwacht. Omdat Elisabeth eigengereider en brutaler is dan haar zusjes, krijgt zij heel wat keren een pak slaag met de mattenklopper. Vieze voeten op het kleed of ruzie maken wordt gestraft met opsluiting in de kelder, een straf die Elisabeth welgemoed ondergaat want zij is graag alleen, zodat zij haar fantasie de vrije loop kan laten. Maar vader die zo streng kan zijn, blijft nooit lang boos. Vaak gaat hij dan aan de piano zitten en met zijn mooie bas zet hij een loflied op de bergen in, en al gauw zingt het hele gezin mee. Er wordt trouwens heel veel gezongen, vooral met Kerstmis, wat ieder jaar weer een hoogtepunt is, met de echte kaarsjes in de boom en het heerlijke gebak van moeder.

Als vierjarig kind is Elisabeth zó onder de indruk van een boek over Afrika, dat zij een taaltje bedenkt dat voor haar Afrikaans is en dat haar zusjes ook leren. Vlak na haar vijfde verjaardag komt een groep Afrikanen muziek maken in Zürich. Elisabeth weet ongezien met de trein mee te rijden en geniet intens van de Afrikaanse drums. Thuisgebracht door een familielid, die het verbaasde kind gevonden heeft, krijgt zij een flink pak slaag. Kort daarop krijgt zij een ernstige longontsteking. Wekenlang zweeft zij tussen leven en dood, achter glas geïsoleerd, samen met een stervend meisje van zeven jaar. Hoewel zij de kracht niet hebben om veel te praten is het gevoel van verbondenheid tussen de twee kinderen groot en wanneer het andere meisje sterft heeft Elisabeth daar vrede mee, hoewel zij de angst ziet in de ogen van de volwassenen. Uiteindelijk komt haar vader naast haar liggen om haar wat van zijn eigen bloed te geven. Met zijn krachtige warme stem belooft hij haar een negerpopje wanneer zij weer beter is. Dat wordt voor haar een begin van herstel, en na enkele weken keert zij naar huis terug met het negerpopje in de armen, het mooiste cadeau dat zij ooit gehad heeft en eindelijk iets wat haar zusjes niet precies hetzelfde hebben.

Omdat Eva veel contact heeft met moeder en Erika veel met vader voelt Elisabeth zich vaak eenzaam. Dan gaat zij naar haar konijntjes die zij knuffelt en streelt. Zo af en toe moet zij een van haar konijnen naar de slager brengen, buiten wachten, en het pakje vlees weer mee terug nemen. Onbeschrijfelijk is haar verdriet wanneer de slager haar vertelt dat haar zo juist geslachte lievelingskonijn over een paar dagen jonkies gehad zou hebben.

Elisabeth is een mager en erg actief kind, onmiddellijk fel partij kiezend voor ieder die in een onderdrukte positie verkeert. De dominee, die zijn eigen kinderen zo slaat dat zij nauwelijks kunnen zitten, maakt haar zo woedend, wanneer hij Eva onterecht straft, dat zij hem haar gebedenboek naar het hoofd slingert.

Van heel jongs af aan geniet Elisabeth intens van de schoonheid van de natuur, en zij deelt deze liefde met haar vader. Actiever en energieker dan haar zusjes, maakt zij met haar vader bijna ieder weekend grote bergtochten, van hütte naar hütte klimmend, ’s winters skiënd. Er is een rots, door bos omgeven die niemand ziet en waar Elisabeth vaak naar toe gaat, dat is haar ‘heilige plaats’ en spontaan strekt zij haar armen omhoog naar de zon in een soort ritueel dat voor haar volkomen natuurlijk is.

Dan komt de oorlog en Elisabeth hoort over de radio van de inval van de Duitsers in Polen en zij doet zichzelf de plechtige belofte dat zij de Polen zal gaan helpen zodra zij dat kan.

Wanneer de meisjes zestien zijn, beslist vader over hun verdere opleiding. Elisabeth mag bij hem in de zaak een opleiding in de handel volgen. Dat is het laatste wat zij wil, zij wil arts worden. Duidelijk zegt zij ‘nee’, woedend stuurt vader haar het huis uit, moeder helpt haar een dienstje te zoeken bij een weduwe in Frans-Zwitserland en enkele dagen later verlaat ze dapper het ouderlijk huis.

Bij de weduwe heeft zij een afschuwelijke tijd. Zij moet werken van ’s morgens zes tot ’s avonds twaalf. Zij besluit de dag met het brengen van een kopje thee naar mevrouw en haar minnaar. De drie kinderen, waar zij voor moet zorgen, betekenen tenminste nog een beetje menselijke warmte. Zij krijgt zo weinig te eten dat zij vaak staat te zwaaien op haar benen, maar haar trots verbiedt haar om hierover ook maar te reppen in haar opgewekte brieven naar huis.

Na een paar maanden geeft mevrouw een groot diner. Na de afwas zit Elisabeth uitgeput aan de keukentafel de restjes op te eten als een vriendelijke oude man binnen komt, die zich voorstelt als professor Fouché. Belangstellend vraagt hij wat een intelligent meisje als zij hier doet. Met trillende lippen vertelt zij hoe zij hier terecht is gekomen en dat zij eigenlijk medicijnen wil studeren. Hij geeft haar zijn naamkaartje en belooft haar te helpen een baantje te vinden als laboratoriumassistente.
Vijf dagen later vertelt madame haar dat professor Fouché is gestorven.

Op kerstavond wordt een grote kerstboom gebracht en Elisabeth helpt de kinderen met versieren. Als madame dat ziet stuurt zij Elisabeth streng terug naar de keuken. Dit is voor Elisabeth de laatste druppel en zij besluit weg te lopen, maar zij heeft maar een paar francs. Diep in de nacht verlaat zij stilletjes het huis en kan nog net een kaartje naar Genève betalen, waar zij een zuster van madame opbelt die haar in huis neemt, verkleumd en hongerig.

Werkkampen

Eenmaal weer thuis blijft Elisabeth weigeren om bij haar vader te komen werken. Vader geeft toe en zij gaat werken als laboratoriumassistente in de afdeling dermatologie van het ziekenhuis. Zij is net achttien als daar, ten gevolge van de invasie in Normandië, een niet aflatende stroom vluchtelingen uit Frankrijk aankomt, die juist in haar afdeling ontluisd en opgevangen moet worden. Zij werkt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en voelt zich in haar element. Na een paar weken is zij zo bleek en mager dat haar ouders haar verbieden op zondag ook nog te gaan werken. Zij bedenkt een smoes, zegt dat zij naar haar vrienden gaat, gaat tóch naar de vluchtelingen en zegt later thuis: ‘dat zijn toch mijn vrienden?’

Na de oorlog is haar verlangen om te helpen in de getroffen gebieden zo sterk dat zij de professor, voor wie zij werkt, vraagt haar verlof te geven de hele zomer weg te gaan. Zo werkt zij enkele jaren achter elkaar ’s zomers in werkkampen in Frankrijk, België en Polen. In die kampen ontmoet zij jongens en meisjes uit alle landen die gedreven worden door hetzelfde idealisme en dezelfde werkkracht. Elisabeth werkt meestal als kok, en wat is het moeilijk om iedere dag weer wat eten bij elkaar te scharrelen, ’s Avonds zingen zij om het kampvuur volksliedjes uit de verschillende landen.

In Polen bezoekt zij het concentratiekamp Maidanek. Het eerste wat zij ziet is een wagon, vol met schoentjes van kinderen die vergast zijn. Door de verlaten barakken dwalend staart zij ontroerd naar de wanden die vol gekrast zijn met laatste boodschappen. Tot haar verbazing ziet zij dat er talloze vlinders getekend zijn, voor haar het symbool van hoop en bevrijding. (Later zal zij, aan het bed van een doodziek kind zittend, vaak een tekening van een vlinder maken en vertellen hoe die vlinder de hemel in vliegt, terwijl hij de cocon als een lege huls achterlaat). Die zomer in Polen werkt zij met twee meisjes in een soort eerste-hulp-post en elke dag verzamelen zich tientallen uitgehongerde mensen voor het schamele hutje om hulp te vragen aan de ‘dokters’, maar de hulpmiddelen en medicijnen zijn volslagen ontoereikend.

Op een nacht ligt Elisabeth buiten te slapen. Zij wordt wakker van een zacht kreunen. Naast haar zit een moeder met haar doodzieke kind op schoot. De moeder vertelt dat zij drie dagen en twee nachten met haar driejarige Janek op de arm is komen lopen om de hulp te vragen van de ‘dokter’. Elisabeth herkent meteen aan de hoge koorts en de raspende ademhaling de symptomen van tyfus en verdrietig zegt zij dat zij niet helpen kan, zij hebben geen medicijnen.

Na een lange stilte zegt de moeder: ‘Dokter, je moet het leven redden van dit kind want hij is de laatste van mijn dertien kinderen. Janek is de enige die de gaskamers van Maidanek heeft overleefd’.
De enige hoop is het ziekenhuis in Lublin, dertig kilometer verder. Samen gaan zij op weg, om de beurt het kind dragend. Als zij eindelijk het ziekenhuis bereiken weigert de dokter het stervende kind op te nemen. In een mengelmoes van Duits en Pools schreeuwt Elisabeth hem woedend toe hoe onmenselijk zij hem vindt en de dokter geeft toe. Over drie weken kan de moeder terug komen, het kind zal dan óf begraven zijn, óf gered. Terug in de kliniek werkt de moeder mee en ’s nachts slapen zij onder dezelfde deken. Na drie weken is zij weg. Na nog een week vindt Elisabeth bij het ontwaken een zakdoek met aarde. Er is een briefje bij: ‘van de moeder van Janek, het laatste kind van de dertien, dat jij gered hebt, een beetje gewijde Poolse aarde.’

Aan het einde van de zomer gaat Elisabeth op weg naar huis. Een militair vliegtuig heeft opdracht haar mee te nemen naar Berlijn, een belangrijke Zwitserse, die opvallend goed werk heeft gedaan in Oost-Europa’.
Ze kijken wel verbaasd als een kinderlijk meisje in versleten kleren, en met al haar bezittingen in een rugzakje, aan boord stapt. In Berlijn moet zij de ‘muur’ passeren, en een moedige vrachtwagenchauffeur vouwt haar op in een kistje, timmert het deksel dicht en adviseert haar niet te ademen als er controle komt. Na acht uur mag zij uitstappen maar zij kan zich niet meer bewegen. Die nacht krijgt zij tyfus, ligt doodziek in een bos, verliest telkens het bewustzijn. Een oud sprokkelvrouwtje vindt haar. In een ziekenhuis zweeft zij tussen dood en leven, na een maand zet de dokter haar zelf op de trein naar Basel.

Het volgende jaar gaat Elisabeth weer naar een werkkamp dit keer in Italië (‘als je maar niet in je hoofd haalt om naar een land achter het ijzeren gordijn te gaan’ waarschuwt haar vader haar). Iets eerder terug dan verwacht, wordt Elisabeth gevraagd twee kinderen naar Warschau te brengen. Zij vertrekt meteen, laat een briefje thuis achter. Na een paar dagen komt zij terug, vrolijk trekt zij aan de bel, maar haar vader gooit de deur or haar neus dicht, woedend dat zij
ongehoorzaam is geweest. Zij is dan 22 jaar. Verbijsterd zwerft Elisabeth over straat. Dan ontmoet zij haar vriendin Cilly, die juist nog een klein kamertje weet in het huis waar zij zelf ook een kamer huurt. De volgende ochtend, als vader weg is, haalt Elisabeth wat van haar spulletjes op. Moeder huilt, maar kan niet tegen vader op; hij eist van Elisabeth een excuus. Elisabeth kan dat niet want zij heeft voor haar eigen geweten niets fout gedaan. Trouwens, zij vindt het heerlijk om op eigen benen te staan en niet langer als een klein kind gecommandeerd te worden.

Medicijnenstudie

Haar droom om medicijnen te studeren is sterker dan ooit. Maar zij heeft geen geld en geen eindexamen. Na een jaar sparen kan zij de opleiding volgen voor het examen. Overdag werkt zij acht uur in een oogkliniek.
’s Nachts leert zij. Na een jaar slaagt zij voor het examen, en vader neemt haar weer in genade aan: ‘die Elisabeth is wel jong, maar ze is net zo koppig en taai als ik!’
Toch moet zij haar hele medische studie zelf betalen, en zo leeft zij de komende jaren: overdag een baan, ’s nachts studeren. Intussen hebben Elisabeth en haar vriendin Cilly heel wat gezellige avonden waarop zij vaak buitenlandse studenten uitnodigen en er wordt heel wat muziek gemaakt en gezongen. Maar voor ‘vriendjes’ heeft Elisabeth geen tijd. Tot zij in de snijzaal Emanuel Ross leert kennen, een Amerikaan die in Zürich studeert. Aan het eind van hun studie is hun vriendschap zo hecht dat zij willen trouwen. Maar hun beeld van de toekomst is totaal verschillend. Elisabeth wil naar ‘donker Afrika’, in de voetsporen van Albert Schweizer. Manny piekert daar niet over, hij wil terug naar Amerika. ‘Ik ga niet naar Amerika’, zegt Elisabeth, ‘nooit, nooit, nooit’. De beslissing wordt uitgesteld omdat zij een jaar eerder afstudeert dan Manny. Zij geniet ervan om een huisartsenpraktijk te doen op het platte land. In die tijd groeit het gevoel in Elisabeth dat zij, ondanks haar persoonlijke antipathie, naar Amerika geleid wordt en dat het haar daar ook duidelijk zal worden waarom.

Getrouwd vertrekken Manny en Elisabeth naar New York. Elisabeth vindt het er vreselijk. Cocktail-parties, plastic kerstboomlichtjes, opgemaakte verpleegsters die over het hoofd van de patiënt heen babbelen over hun vriendjes, vervullen haar met ontzetting. Zij besluit zich te specialiseren in kindergeneeskunde, en zij wordt aangenomen op voorwaarde dat zij de eerste twee jaar geen kinderen zal krijgen. Wanneer zij zwanger blijkt te zijn gaat het plan niet door, en krijgt zij een baan in een oud vervallen psychiatrisch ziekenhuis. Wanneer zij enkele weken later een miskraam krijgt is haar leven tóch door dit ongeboren kind in de richting van de psychiatrie geleid.

Het lijkt een wanhopige opgave om op te roeien tegen de stroom van vuil, verwaarlozing, shock en chemische therapie, maar uiteindelijk lukt het haar het vertrouwen van de staf en de patiënten te winnen en weet zij talloze hervormingen door te voeren.

In de volgende jaren krijgen Elisabeth en Manny twee kinderen, Kenneth en Barbara. Een lief meisje uit Zwitserland, dat bij hen inwoont, neemt de zorg voor de kinderen over wanneer Elisabeth werkt.

Wanneer zij een paar jaar later als psychiater in een groot ziekenhuis in Chicago werkt, trekt zij zich meer en meer het lot van de ongeneselijk zieke patiënten aan; zij is diep verontwaardigd over de kille en onmenselijke manier waarop stervende mensen alleen worden gelaten. Eenzaam liggen zij daar, omringd door de knapste apparatuur, worstelend met hun angst, hun onzekerheid, hun zorgen. Als Elisabeth rustig naast hen komt zitten en vraagt: ‘hoe gaat het nou eigenlijk?’, voelen de patiënten dat hier een mens is die niets gek vindt en die zelf niet bang is en die rustig de tijd neemt om naar hen te luisteren. Wanneer zij dan vraagt of de mensen het goed vinden om de studenten in de collegezaal mee te laten luisteren, zodat zij kunnen leren wat er in een ernstig zieke omgaat, stemmen de meesten daarmee in. En zo praat zij met honderden stervende mensen, terwijl de studenten en verplegenden in een propvolle zaal achter een screen (een spiegel waar je van één kant doorheen kan kijken) ademloos luisteren.

Na het gesprek geeft Elisabeth alle aandacht aan de gevoelens van de toehoorders en praat zij met hen over hun vragen. De patiënten vertrouwen haar en houden van haar omdat zij een echte band met hen heeft en erg veel voor hen over heeft. Zo gaat zij, na een lange dag hard werken, altijd nog even bij de stervende mensen langs. Zij weet dat ’s nachts, zo tussen 12 en 4 uur de eenzaamheid het grootst is, en heel wat nachten heeft zij aan het bed van een zieke gezeten. ‘Als je me nodig hebt, kan je me altijd roepen’, en zo is zij dan ook werkelijk daar, als het moment van sterven is aangebroken.

Reportage

Op een dag vraagt een team van het tijdschrift ‘Life’ of zij een reportage mogen maken van een gesprek met een stervende. Als de oude man, die had toegezegd mee te werken, die nacht gestorven blijkt te zijn, vraagt Elisabeth een jong meisje, Eva, die aan leukemie lijdt. Het artikel met de foto’s van Eva, die zo rustig over haar naderende dood praat, roept een storm van reacties op. De artsen in het ziekenhuis, van wie Elisabeth tóch al niet veel collegiale steun had gekregen, zijn woedend, en één zegt verbitterd: ‘Ik had gehoopt dat ons ziekenhuis beroemd zou worden om de uitstekende geneeswijze van kanker, en nu maakt zij ons beroemd om onze stervende patiënten!’ Zij verbieden dat patiënten nog langer ‘voor publiciteit’ mogen worden gebruikt, en daardoor wordt het verdere werk eigenlijk onmogelijk gemaakt.

Aan de andere kant heeft het artikel tot gevolg dat duizenden mensen over heel Amerika gegrepen worden, hun situatie herkennen en eindelijk iemand vinden die hun verdriet zal begrijpen, die ze om raad kunnen vragen. Het taboe rond de dood is doorbroken. In een stroom van brieven storten de mensen hun hart uit, nodigen haar uit voor lezingen, vragen haar hun stervende familieleden te bezoeken. En zo wordt zij van de ene dag op de andere een beroemdheid, altijd op weg om volle zalen toe te spreken, om werkbijeenkomsten te leiden. Tussendoor vindt zij het heel normaal om uren in het vliegtuig te zitten om iemand in de laatste uren bij te staan. Haar privéleven, (en zij vindt het zó heerlijk om thuis te zijn) heeft zij volkomen opgeofferd voor de vragen om hulp, die als een constante stroom op haar afkomen. Alleen de zondag tracht zij voor zichzelf te houden.

Het meeste aandacht geeft Elisabeth de laatste jaren aan stervende kinderen. Zij helpt de ouders om hun kind zo mogelijk uit het ziekenhuis te halen en thuis te verplegen, liefst in de huiskamer, voor het raam en met de poes op bed.

Voor Elisabeth is de hulp vanuit de geestelijke wereld heel reëel en heel nabij. Zij vertelt daar graag over. Op een keer stond zij op een vliegveld op het punt om de controle door te gaan, toen een jong echtpaar haar achterna kwam rennen en om een gesprek vroeg: zij hadden zojuist gehoord dat hun kind kanker had. Elisabeth denkt: ‘O, had ik maar één uur om met deze mensen te praten!’ en op dat moment zegt een stem door de luidspreker: ‘Het vliegtuig van San Francisco heeft één uur vertraging.’ En zo zijn er talloze voorbeelden: een vliegtuig dat niet kan landen vanwege de mist, brengt haar juist op die plaats waar zij op dat moment erg nodig is, zij krijgt geld als zij niets meer heeft (zij vraagt nooit één cent van de patiënten),‘toevallige’ ontmoetingen blijken een belangrijke betekenis te hebben.

Honderden, duizenden mensen heeft Elisabeth begeleid tot aan de poort van de dood. Zij kan met haar volle bewustzijn door die poort heen gaan. Zo weet zij dat ieder mens aan de andere kant ontvangen wordt door diegene die voor hem of haar het meest betekent. Dat zal voor de één Christus zijn, voor de ander de eigen beschermengel, of iemand waarmee je je heel diep verbonden voelt, een dierbaar familielid of een goede vriend. Zij zegt dit met zo’n grote zekerheid dat er een diepe troost vanuit gaat voor allen die hier achter blijven.

*Bepke Engelhard, Jonas 3, *02-10-1981

Boeken van Elisabeth Kübler Ross:

Lessen voor levenden, gesprekken met stervenden;
Intens leven en sterven
Over de dood en het leven daarna
Over rouw
Levenslessen
Dood;
Leven tot we afscheid nemen.
De cirkel van het leven

Elisabeth Kübler Ross

.

Biografieën op deze blog

Vertelstof: alle artikelen

.

1708-1602

.

.

VRIJESCHOOL – Wetenschap

.

Aan de grens van de kennis begint het leven

De moderne natuurwetenschap wordt in toenemende mate door de methodes van de zogenaamde exacte natuurwetenschappen gevormd en dienovereenkomstig bepaald — met als voornaamste vertegenwoordigers de fysica en de chemie.
Rangschikken we de methodes die worden toegepast om de doelstellingen van het wetenschappelijk onderzoek te bereiken, dan tekenen zich drie door interne samenhangen verbonden groepen af, een trilogie van methodes.

Allereerst is er de mechanistisch-deterministische zienswijze: daarmee tracht men de natuur terug te brengen tot de causaliteit van natuurkundig-chemische wetten en haar als een mechanisme te zien.

In het systematisch-reproduceerbare experiment — de eigenlijke en laatste ‘instantie’ van de moderne natuurwetenschap — wordt geprobeerd de mechanistisch-deterministische voorstelling in het laboratorium als een proefmodel, als apparaat te laten ontstaan. Alleen wat in het experiment systematisch-reproduceerbaar kan worden voortgebracht, wordt binnen het bereik van de chemie en de fysica als wetenschappelijk bewezen beschouwd. Al het andere geldt als hypothesen, die overigens — en wel naar gelang de experimentele moeilijkheden toenemen — steeds meer bladzijden in de vaktijdschriften vullen.

De derde methode kan het beste worden omschreven als het differentieel-causale principe-, ze brengt tot uitdrukking, dat de mathematiek een instrument van toepassing moet zijn. Het blijkt, dat de natuurkundige wetten kunnen worden beschreven met differentiaalvergelijkingen, waarvan de integratie wordt nagestreefd om te komen tot registratie van afmetingen in ruimte en tijd.

Het is goed nota te nemen van het feit, dat de voornaamste methode, het systematisch-reproduceerbare experiment (de moderne natuurwetenschap is een ervaringswetenschap), een tweesnijdend zwaard is: het dient namelijk zowel tot middel als tot grens van de kennis. Wat men tijdens het experiment niet kan laten ontstaan, ligt buiten het bereik van de kennis van de chemie en fysica, dus van de moderne natuurwetenschap. Haar vertegenwoordigers staan onder de reële dwang van de maakbaarheid; door de uitsluitendheid, waarmee de moderne natuurwetenschap de voor de chemie en fysica succesrijke methodentrilogie op de hele wereld wil toepassen, is ze materialistisch geworden. Oorzaak voor het geloof aan deze eenzijdigheid zijn voor een groot deel de op de kennis van fysisch-chemische wetten berustende successen van de techniek. Daarmee werd een civilisatie geschapen, die zich in een dergelijke reële dwangpositie bevindt, nu de technocraten beweren dat alles maakbaar is.

Met uitsluitend fysisch-chemische processen kan geen leven worden voortgebracht, het laat zich er alleen door beïnvloeden en…vernietigen. Het is een experimenteel bewezen feit: we kunnen alles wat we weten op het gebied van de chemie en de natuurkunde bij elkaar optellen, zoveel als we maar willen, nooit ontstaat er ergens een levend wezen. Er bestaat geen differentiaal van het leven, die zich tot de afmeting van een levensvorm zou laten integreren. Het systematisch-reproduceerbare experiment als middel tot kennis in de moderne natuurwetenschap toont dus aan, dat de grens van het bereik van haar kennis daar loopt, waar het leven begint. Natuurlijk zijn er zeer vele hypothesen, die streven naar een uitsluitend fysisch-chemische verklaring van het leven. Maar let wel: het gaat daarbij uitsluitend om hypothesen en niet om experimenteel bewezen feiten. Een beoefenaar van de wetenschap, die de kennistheorie ernstig neemt, kan op de vraag ‘wat is leven?’ alleen maar een wetenschappelijk antwoord geven: de wetenschap weet niet, wat leven is.

De materialistische beoefenaars van de natuurwetenschap, die geloven aan de vergelijking ‘leven is chemie plus fysica’ zijn het slachtoffer van een kennistheoretische drogreden. Men kan namelijk alle fysisch-chemische meetinstrumenten, die er maar bestaan, aan alle levende wezens aanleggen, altijd wijzen ze een bij dat instrument passende meetwaarde aan. Daaruit mag echter niet de conclusie worden getrokken, dat fysisch-chemische processen voor het leven toereikend zijn. Deze metingen en het onvermogen om leven te doen ontstaan in het laboratorium bewijzen iets anders: fysisch-chemische processen zijn noodzakelijk, maar niet voldoende voor het bestaan van een levend wezen. Door de mogelijkheid gebruik te maken van het differentieel-causale principe zijn op het gebied van de chemie en de fysica vele dingen berekenbaar. Maar iets kunnen berekenen betekent nog absoluut niet, dat men dat iets dan ook kan begrijpen; dat moet in de eeuw van de computer in alle duidelijkheid worden gezegd. Een voorbeeld: met behulp van de gravitatiewet kunnen de banen van planeten, satellieten of ook projectielen zeer nauwkeurig worden berekend. Wat echter ondanks deze berekeningen niet kan worden begrepen, is het wezen van de gravitatie. Geen enkele fysicus kan zeggen, wat deze kracht nu eigenlijk is, die de appel op de aarde doet vallen. Men geeft dit ‘iets’ een naam: gravitatieveld of veld der zwaartekracht. Er zijn zelfs wetenschapsmensen, die zeggen dat de zwaartekracht ten enenmale iets mystieks is. —

Een juiste berekening kan, wat het leven betreft, zelfs vernietigend zijn; bijvoorbeeld de juist berekende kogelbaan van een projectiel, dat een stad treft. Aangezien op het gebied van het leven fysisch-chemische processen slechts deelaspecten zijn van een mechanistisch-deterministisch en differentieel-causaal niet registreerbare totaliteit, is bij de toepassing van exact-natuurwetenschappelijke methodes op het leven terughoudendheid op zijn plaats. Bijzondere voorzichtigheid is geboden bij extrapolaties, die, uitgaand van fysisch-chemische metingen, als basis voor medische overwegingen dienen. Levensfuncties, in het bijzonder die van de mensen, kunnen alleen door generaties-lange ervaringen ook wetenschappelijk worden verklaard.

De verleiding is natuurlijk groot, tijd te besparen door datgene wat in de toekomst zal gebeuren met de in de chemie en natuurkunde beproefde methodes te berekenen. Zulke extrapolaties zijn echter — zoals de begrensdheid van de kennis van de moderne natuurwetenschap aantoont — alleen toelaatbaar op het gebied van het niet-levende (en soms met succes). Een bijzonder problematisch gebied bij de toepassing van de mathematica om fysisch-chemische processen te beschrijven is de statistiek-, des te verwonderlijker, dat de geneeskunde vaak juist een royaal gebruik daarvan maakt.

In verschillende landen was en is sprake van een wetsontwerp, dat alleen die medicamenten toelaat, waarvan de werking met fysisch-chemische methodes meetbaar is. Nu zijn echter gezondheid en ziekte kwaliteiten van dat fenomeen, dat nu juist met de kwantiteiten van de chemie en de fysica niet te doorgronden is: het leven. Bij een dergelijke wetgeving zouden onvermijdelijk die geneesmiddelen, die ziekte met leven genezen, de natuurgeneesmiddelen, verboden worden. Ook de homeopathische geneesmiddelen zouden dan worden uitgesloten, aangezien de concentraties van de werkzame stoffen meestal fysisch-chemisch niet meetbaar zijn — hoewel de artsen melding kunnen maken van vele miljoenen genezingsgevallen.

Het bewijs wordt dan gevormd door een ervaring, opgedaan door vele generaties heen, een ervaring die een mechanistische – deterministisch niet vatbaar feit opbrengt. Dit is begrijpelijk, want de zich hierbij openbarende fenomenen liggen buiten het bereik van de fysische en chemische kennis. Ze daarom te ontkennen zou dogmatisch zijn en daarom onwetenschappelijk. Het gevaar bestaat, dat ten gevolge van de overschatting van synthetische farmaceutische producten een rijke schat van onvervangbare natuurgeneesmiddelen tegelijk met degenen, die daarvan weten, in het graf daalt. Een vooruitstrevende geneeskunde blijft niet koppig aan het een of ander vasthouden, maar zou juist op weloverwogen wijze natuurlijke en synthetische geneesmiddelen moeten toepassen.

Ook op het gebied van de profylaxis — dus bij maatregelen ter voorkoming van ziekte en tot behoud van de gezondheid — is een extrapolatie van statistische metingen problematisch. Zo is bijvoorbeeld bij de omstreden cariës profylaxis door fluoridering van het drinkwater wetenschappelijke terughoudendheid op zijn plaats. Buitengewoon bedenkelijk is daarbij het feit, dat het om een medicatie onder dwang gaat. Wie ervan overtuigd is, dat fluor zijn tanden beschermt, kan fluortabletten of chocolade met toevoeging van fluor eten (een tip voor de producenten van snoepgoed). Je zou daarbij aan Orwell kunnen denken en je kunnen afvragen, voor welke andere diensten de drinkwaterleiding van een stad gebruikt zou kunnen worden. Een regering, die op dergelijke wijze zorgt voor het welzijn van de bevolking, zou in de geest van Frederik de Grote — ‘Rust is de eerste plicht van de burger’ — uit de waterkraan psychofarmaca met librium- of valiumwerking kunnen laten geven. Dit zou, wat de dwangmaatregel betreft, ten opzichte van de drinkwaterfluoridering geen principieel, maar alleen een gradueel verschil zijn.

Met het systematisch-reproduceerbare experiment als voornaamste middel van kennis van de moderne natuurwetenschap wordt degenen, die geen andere kennisbronnen laten gelden, in de reële dwangpositie van het maakbare van een materialistische wereldbeschouwing gebracht. Met uitsluitend fysisch-chemische methodes zijn echter alleen machines, apparaten en chemische substanties maakbaar. Welke machines kunnen worden gebouwd? Alle machines, die niet in tegenspraak zijn met de wetten van de chemie en de natuurkunde. Met de wetten van het leven mag een machine zonder meer in tegenspraak zijn. Iedere machine, die wat betreft haar grootte (bijvoorbeeld atoomcentrales of supertankers) of haar aantal (bijvoorbeeld auto’s of televisietoestellen) mateloos is, is in tegenspraak met de wetten van het leven, omdat al het leven aan strenge maten is gebonden. De vraag, of een machine of een chemische substantie goed is of slecht, is niet steekhoudend, beslissend is de maat bij de toepassing.

Het gefascineerd zijn door de techniek laat vele mensen geloven dat degenen, die in staat zijn om vliegtuigen, camera’s en telefoons te bouwen, in principe ook bekwaam zijn om vogels, ogen en oren voort te brengen. Maar vliegtuigen beleven hun vlucht niet, camera’s en telefoons zien en horen niet. En nog iets heel wezenlijks: vogels, ogen en oren ontstaan zonder medewerking van de mens — geen enkele machine ontstaat zo maar vanzelf. Machines moeten door mensen worden gemaakt; zijn door de geest bestuurde handen produceren haar uit de mineralen van de aardkorst. Daarom is geen enkele machine (met inbegrip van de computer) zekerder dan de mensen, die haar bouwen en exploiteren.

De bedreiging van het leven door de moderne natuurwetenschap en de daaruit voortgekomen techniek is duidelijk geworden. De oorzaak ligt in de pretentie, het leven met de wetten van de levenloze materie te begrijpen en in de hand te krijgen. Een dergelijke beschouwingswijze is een materialistische. Ze vooronderstelt de prioriteit van de materie, de geest is slechts een product (een soort emanatie) van de stoffelijke vorm hersens. Maar zelfs bij de veronderstelling ‘In den beginne was de waterstof’ is de prioriteit van de materie onhoudbaar. Om ook maar één enkele waterstofatoom voort te brengen, zijn er fysische wetten nodig, waaraan het waterstofatoom gehoorzaamt. Wetten echter zijn altijd iets geestelijks; chemie en fysica — als ze ten einde worden gedacht — bewijzen de prioriteit van de geest. Een natuurwetenschap, die de natuur liefheeft en haar niet als middel tot het doel beschouwt, kan de gevaren van het materialisme aan; de moderne natuurwetenschap moet dat worden, wat ze eigenlijk is — een geesteswetenschap.
.

Max Thürkauf, Jonas 2, 28-09-1977

(Een uitvoerige beschrijving van deze gedachten is te vinden in: Max Thürkauf: Sackgasse Wissenschaftsglaubigkeit. Strom Verlag, Zürich 1975)

1626

Menskunde en pedagogie:

Antroposofie en wetenschap

Anderen over wetenschap

.

1707-1601

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-9)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

*GA 293

Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

 

VOORSTELLING – BEELD                                       OUD EN NIEUW

VERLEDEN EN TOEKOMST

We hebben allemaal weleens meegemaakt, denk ik, dat we ons samen met een groep mensen in een slecht geventileerde ruimte bevonden. Op den duur krijg je moeite met je te concentreren. Luister je dan ook nog naar een saaie lezing, dan slaat een vorm van geestelijke vermoeidheid (we laten de vraag buiten beschouwing of de geest wel moe kan worden) toe: we gaan geeuwen, de oogleden worden zwaar en de kans op knikkebollen wordt steeds groter.
De fysische verklaring daarvoor luidt dat er te weinig zuurstof in de ruimte aanwezig is: die wordt al ademend door de groep ingeademd en ervoor in de plaats komt het koolzuur.
Te veel koolzuur heeft uiteindelijk een dodelijke werking. 

Als we rustig zitten, is onze ademhaling minder diep dan wanneer we bijv. hardlopen.
Dat geldt ook voor de kinderen in de klas. Als ze rustig zitten, nemen ze minder zuurstof op in hun bloed – door de minder diepe, en langzamere ademhaling – dan wanneer ze naar hartenlust op het schoolplein kunnen rennen.
Wanneer dan ook de ramen potdicht zijn, zal het koolzuurgehalte in hun bloed toenemen.
Veelvuldig in deze situatie verkeren, betekent eigenlijk  ‘met te veel koolzuur’ leven, met een stukje ‘op weg naar de dood’ – via het slaperig worden, de slaap, wat zich uit in het bleek worden en gaan we geeuwen:

mogelijk is het een spontane reactie op een onvoldoende doorbloeding of zuurstofvoorziening van de hersenen. Wanneer mensen vermoeid zijn of zich vervelen gaan ze vaak langzamer ademen, waardoor minder zuurstof de longen bereikt en het bloed meer koolstofdioxide (CO2) bevat. Door te gapen verbetert de longventilatie en krijgen we extra zuurstof naar binnen waardoor het zuurstofgehalte in het bloed verhoogt en het koolstofdioxidegehalte daalt.’ bron

Lesgeven wordt vanuit verschillende visies vooral gezien als ‘kennisoverdracht’.
En dat al jaren!
Ik herinner me levendig hoe de juf in de 1e klas – nu groep 3 – ons leerde lezen.
Op een bepaalde manier hoorden bij de klanken nog plaatjes: het befaamde leesplankje: aap, noot, mies. Juf liet de klank horen, wees het plaatje aan en wij moesten het nazeggen. De blokletter verscheen op het bord en wij moesten zeggen: dat is de ……

In deze methode is de werkwijze niet veranderd, slechts de plaatjes van ‘aap, noot, mies’ ontbreken.

Dat betekent vanuit de visie ‘Algemene menskunde’ dat ‘het beeld’ is verdwenen en dat betekent dat alleen de abstractie is overgebleven. Het plaatje dat hier wordt getoond is de abstractie drukletter. De kinderen horen eigenlijk alleen: dit is de – en dan volgt de klank van de letter.
Die moeten ze leren en onthouden. Met de voorstelling die wordt getoond, hebben de kinderen geen enkele verbinding: die had voor hen net zo goed anders kunnen heten, zoals dat bijv. in een andere taal het geval is.
Om zich die voorstelling eigen te maken en te onthouden, moeten ze niet alleen mooi
rechtop zitten, maar ook goed opletten, wakker erbij zijn.

Dat gebeurt met het spiegelende orgaan, de hersenen, die daarvoor zuurstof nodig hebben.
Maar door een verminderde ademhaling – zie boven – wordt deze niet optimaal aangevuld; de kans dat het bloed koolzuurrijker wordt, neemt toe. (De kans dat de kinderen gaan geeuwen dus ook)

Hoe anders moet dat zijn, wanneer de fantasie wordt ingeschakeld; wanneer een beroep wordt gedaan op de scheppende krachten; hoe anders wanneer een kind  kan bewegen, zich in moet spannen. Dan wordt de ademhaling dieper, meer zuurstof komt het lichaam binnen, dus ook in de hersenen.

En wanneer kinderen meegenomen worden in hun fantasie, wanneer ze geboeid raken door een verhaal bijv. is er veel meer aandacht: ze zijn er meer bij.
Meer bij betrokken.
Alsof je Arie Bos hoort zeggenAls de zenuwen niet onderbroken zouden zijn geweest, zouden wij niet ingeschakeld kunnen zijn in de werking van de hersenen. Daardoor zijn we er zelf bij. [2-7]

Ik wil hiermee niets bewijzen, alleen wijzen op. En als vraag meenemen: maakt het uit of we er via de voorstelling ‘bij zijn’ of via de beweeglijkheid van de fantasie of wat op een ander niveau hetzelfde is: via de beweging van de ledematen: veroorzaken deze nieuwe synapsverbindingen?
Komen we hier weer in de buurt van: ‘handen en intelligentie‘?

Vooral met deze voordracht wordt een menskundige basis gelegd voor de manier waarop we kinderen kunnen lesgeven. Een methode die we op verschillende manieren, al naar gelang ons standpunt, kunnen karakteriseren als: via het denken of via het doen; d.w.z. via de abstracte voorstelling of via de fantasie, of wel via het zenuwzintuigstelsel of het stofwisselings-ledematenstelsel, of wel via antipathie of sympathie.

Wat hier aan de hand is en onder [2-2] aan de orde kwam, vat Steiner op blz.  43 samen:

Sie werden daher auf Grundlage solcher Betrachtungen leichter einsehen, daß ein großer Unterschied ist zwischen der Willensbildung und der Vorstellungsbildung. Wirken Sie besonders auf die Vorstellungshildung, wirken Sie einseitig auf die Vorstellungsbildung, so weisen Sie eigentlich den ganzen Menschen auf das Vorgehurtliche zurück, und Sie wer- den ihm schaden, wenn Sie ihn rationalistisch erziehen, weil  Sie dann seinen Willen einspannen in das, was er eigentlich schon absolviert hat: in das Vorgeburtliche. Sie dürfen nicht zuviel abstrakte Begriffe in das einmischen, was Sie in der Erziehung an das Kind heranbringen. Sie müssen mehr Bilder darin einmischen. Warum? Das können Sie an unserer Zusammenstellung ablesen. Bilder sind Imaginationen, gehen durch die Phantasie und Sympathie. Begriffe, abstrakte Begriffe, sind Abstraktionen, gehen durch das Gedächtnis und durch die Antipathie, kommen vom vorgeburtlichen Leben. Wenn Sie also beim Kinde viele Abstraktionen anwenden, werden Sie fördern, daß das Kind sich besonders intensiv verlegen muß auf den Prozeß des Kohlensäurewerdens, Kohlensäurebildens im Blute, auf den Prozeß der Leibesverhärtung, des Absterbens. Wenn Sie dem Kinde möglichst viele Imagiaationen beibringen, wenn Sie es möglichst so ausbilden, daß Sie in Bildern zu ihm sprechen, dann legen Sie in das Kind den Keim zum fortwährenden Sauerstoffbewahren, zum fortwährenden Werden, weil Sie es auf die Zukunft, auf das Nachtodliche hinweisen. Wir nehmen gewissermaßen, indem wir erziehen, die Tätigkeiten, die vor der Geburt mit

U zult op basis van dergelijke beschouwingen gemakkelijker inzien dat er een groot verschil bestaat tussen de vorming van de wil en de vorming van de voorstelling. Werkt u voornamelijk op de vorming van de voorstelling, werkt u eenzijdig op de vorming van de voorstelling, dan wijst u ei­genlijk de hele mens terug naar het bestaan voor de geboorte; u zult hem schade berokkenen wanneer u hem rationalistisch opvoedt, omdat u zijn wil vastbindt aan hetgeen hij eigenlijk al afgesloten heeft: het bestaan voor de geboorte. U mag niet te veel abstracte begrippen opnemen in hetgeen u in de opvoeding aan het kind aanbiedt. U moet meer beelden gebruiken. Waar­om? Dat kunt u uit ons overzicht afleiden. Beelden zijn imagi­naties, zij gaan via de fantasie en de sympathie. Begrippen, abstracte begrippen zijn abstracties en gaan via het geheugen en de antipathie; zij komen van het leven voor de geboorte. Wanneer u nu bij het kind veel abstracties gebruikt, dan zult u dus bevorderen dat het kind in zichzelf het proces van kool- zuur-worden, van koolzuurvorming in het bloed bijzonder in­tensief moet stimuleren en dit is een proces van verharding van het lichaam, een sterfproces. Wanneer u het kind zoveel moge­lijk imaginaties bijbrengt, wanneer u het kind zoveel mogelijk ontwikkelt door in beelden te spreken, dan legt u in het kind de kiem voor een voortdurend behoud van de zuurstof, de kiem voor een voortdurend ‘worden’, omdat u het wijst naar de toe­komst, naar het leven na de dood.
Wij nemen in zekere zin met de opvoeding weer op, wat er voor de geboorte met

Blz. 44

uns Menschen ausgeübt werden, wieder auf. Wir müssen uns heute gestehen: Vorstellen ist eine Bildtätigkeit, die herrührt von dem, was wir vor der Geburt oder Empfängnis erlebt haben. Da ist mit uns von den geistigen Mächten so verfahren worden, daß Bildtätigkeit in uns gelegt wurde, die in uns nachwirkt noch nach der Geburt. Indem wir den Kindern Bilder überliefern, fangen wir im Erziehen damit an, diese kosmische Tätigkeit wieder aufzunehmen. Wir verpflanzen in sie Bilder, die zu Keimen werden können, weil wir sie hineinlegen in eine Leibestätigkeit.
Wir müssen daher, indem wir uns als Pädagogen die Fähigkeit aneignen, in Bildern zu wirken. das fortwährende Gefühl haben: du wirkst auf den ganzen Menschen, eine Resonanz des ganzen Menschen ist da, wenn du in Bildern wirkst.

ons mensen is gedaan. We moeten tegenwoordig onderkennen: het voor­stellen is een beeldactiviteit die haar oorsprong vindt in onze belevenissen voor de geboorte of conceptie. Toen hebben geestelijke machten zo aan ons gewerkt, dat we een beeldvor­mend vermogen hebben gekregen dat nog na de geboorte in ons nawerkt. Door kinderen beelden mee te geven, maken we er in de opvoeding een begin mee om deze kosmische werkzaamhe­den weer op te nemen. We planten beelden in de kinderen die tot kiem kunnen worden, omdat we ze in een activiteit van het lichaam planten. Wanneer we ons als pedagoog het vermogen eigen maken in beelden op het kind te werken, moeten we daarom het voortdurende gevoel hebben: je werkt in op de gehele mens, de gehele mens resoneert wanneer je met beelden werkt.
GA 293/43-44    
Vertaald/44-45

De voordracht wordt besloten met:

So haben wir uns zwei Begriffssysteme angeeignet: Erkennen, Äntipathie, Gedächtnis, Begriff – Wollen, Sympathie, Phantasie, Imagination; zwei Systeme, die uns dann im speziellen Anwenden für alles dienen können, was wir praktisch auszuüben haben in unserer pädagogischen Tätigkeit. 

Zo hebben we ons twee begripssystemen eigen gemaakt: kennen, antipathie, geheugen, begrip enerzijds en willen, sym­pathie, fantasie en imaginatie anderzijds; twee systemen die ons van dienst kunnen zijn, doordat we ze gericht toepassen in alles wat wij in de praktijk van onze pedagogische werkzaamheden moeten verrichten.
GA 293/45  
Vertaald/45

In Rudolf Steiner over schrijven en lezen, vind je veel terug van ‘voorstelling – beeld’.

In GA 302A karakteriseert Steiner weer vanuit andere gezichtspunten wat zuurstof en koolzuur voor de mens betekenen en wat dit voor het lesgeven betekent. [via ctrl+F en het woord sauerstoff in het zoekblokje kom je bij de betreffende passages.
In de vertaling vind je deze op de pagina’s:

Over de vertaling van GA 302A
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1706-1600

.

.

VRIJESCHOOL – 8e -12e klas – meetkunde

.

Dit is een overzicht van onderwerpen die in de verschillende klassen van de bovenbouw aan de orde komen.
Of wellicht kwamen. Het is mij niet bekend hoeveel mogelijkheden de middelbare vrijescholen nog hebben om, door exameneisen, het vrijeschoolleerplan nog te kunnen uitvoeren.

MEETKUNDE KLAS  8 T/M 12

8e klas

In 7 weken periodeonderwijs kan heel wat gedaan worden. Meestal worden deze 7 weken verdeeld in 2 periodes van resp. 3 weken, bijv, één in de herfst en één in de lente voor zover dit roostertechnisch mogelijk is.

In de eerste periode komen de bekende meetkundige figuren aan de orde zoals vierkant, rechthoek, parallellogram, ruit, vlieger, trapezium waarvan de oppervlakte nu berekenbaar is zo ook van de driehoek.

De oppervlakte van een rechthoek is lengte x breedte.

Wat is nu de oppervlakte van een driehoek? Deze blijkt de helft van de basis x hoogte te zijn:

Hebben twee driehoeken dus dezelfde basis en dezelfde hoogte maar voor de rest zijn ze verschillend, dan is toch hun oppervlakte gelijk:

Verder komen aan de orde het meetkundig vermenigvuldigen van een figuur ten opzichte van een punt. Gelijkvormigheid van figuren vloeit hier als vanzelf uit voort:

Een begin wordt gemaakt met de ruimtelijke meetkunde door de vijf platonische lichamen knippend en plakkend van papier te maken.

In de tweede periode staan de “puntverzamelingen” centraal. Dit houdt het volgende in. Tot nu toe is een lijn een lijn, een cirkel een cirkel. Nu komt het moment om een lijn als een verzameling punten te zien die op een rij liggen. Zo is de cirkel te beschouwen als een verzameling punten die alle even ver van één centraal punt af liggen. Ais je alle punten neemt die even ver van een lijn L als van een punt P liggen dan krijg je een kromme die we de parabool noemen:

Alle punten die even ver van een centraal punt P liggen, vormen een cirkel

Alle punten die even ver van een punt P als van een lijn l af liggen vormen een parabool.

Op soortgelijke wijze kun je nu komen tot geheel nieuwe meetkundige figuren, nl. de ellips, de hyperbool, de cassinische curven met name de lemniscaat en de cirkels van appollonius. Dit alles wordt door de leerlingen met grote nauwgezetheid geconstrueerd.

Cassinische curven i.h.b. de lemniscaat

9e klas

Zoals in de periode Nederlands de tegenstelling sentimentaliteit – rationaliteit behandeld wordt zo wordt in de meetkunde het thema cirkel-lijn aangeroerd.

De omtrek van een cirkel blijkt 3 à 4 keer zo lang te zijn als zijn straal. Bij nadere bestudering blijkt het 3,14 keer zo lang te zijn. Maar ook dit getal blijkt niet nauwkeurig. Uit de geschiedenis is bekend dat reeds de oude Egyptenaren en de Grieken zochten naar dit getal, (het zgn. getal pi =  π). Het aantal decimalen waarin men kon vastleggen werd steeds groter totdat in onze tijd de computer in staat is tot op 1,  2 miljoen decimalen te berekenen. Met dit getal kunnen we ook de oppervlakte van een cirkel uitrekenen.

Verder maken we in deze periode kennis met begrippen als middelpuntshoeken, omtrekshoeken, booggraden, de stelling van Thales enz. dit alles in het kader van de cirkelmeetkunde:

Alle hoeken waarvan het hoekpunt op de omtrek van de cirkel ligt, zgn. omtrekshoeken, zijn alle even groot, omdat ze dezelfde cirkelboog snijden.

De platte meetkunde wordt nu verlaten en de ruimte-meetkunde, de stereometrie, wordt betreden. In de 8e hebben we de platonische lichamen geknipt en geplakt; nu worden ze getekend alsmede uitslagen ervan gemaakt. Onderlinge samenhangen worden ontdekt en samengevat in de stelling van Euler. Het begrip dualiteit krijgt inhoud. Ook de ontdekking van Keppler in de 15e eeuw dat ons planetenstelsel opgebouwd is volgens platonische lichamen wordt behandeld.

Kubus en achtvlak zijn onderling duaal, d.w.z. dat de kubus evenveel zijdevlakken als de oktaeder hoekpunten heeft en omgekeerd.

10e klas

De stereometrie wordt nu verder verkend. Lichamen met platte vlakken, kubus, blok, piramide, prisma laten we doorsneden worden door willekeurige platte vlakken. De doorsnijdingen kunnen we nauwkeurig construeren. Punt, lijn en vlak zijn de elementen waarmee we de fysieke ruimte ai denkende doordringen, parallel aan de natuurkunde waarin de fysische processen met name de mechanica nu denkend verkend worden. Ook de periode landmeten sluit hier goed op aan. Op de aarde staand van je omgeving een nauwkeurige plattegrond maken luidt hierbij de opdracht. Technische hulpmiddelen zijn meetlint en theodoliet (hoekmeter). Wiskundige hulpmiddelen zijn hierbij de goniometrie en de trigonometrie de z.g. driehoeksmeetkunde. Deze is in de algebraperiode en in de vaklessen flink geoefend om nu toegepast te kunnen worden.

Constructie ter bepaling van de doorsnijding van het scheve prisma door een vlak dat door de grondlijn en door P gaat.

We meten de hoeken A1, A2, B1 en B2 en de afstand tussen A en B en met de cosinusregel en de sinusregel zijn we in staat de afstanden tot het torentje en de antenne alsook de onderlinge afstand tussen beide te berekenen. Rekenmachientje toegestaan, waarna op schaal de plattegrond gemaakt kan worden.

11e klas

In de 11e klas wordt het assenkruis ingevoerd, ofwel het coördinatenstelsel, uitgevonden door de Fransman Descartes. Lijn, parabool, hyperbool, cirkel, figuren die we in de 8e klas als puntverzameling hebben leren kermen, zijn nu te vangen in een algebraïsch verband tussen 2 coördinaten, een formule. Algebra en meetkunde ontmoeten elkaar hier en het oplossen van vergelijkingen, ontbinden in faktoren, merkwaardige producten waarmee de leerlingen jarenlang gepijnigd zijn in de vaklessen, blijken hier zichtbaar gemaakt te kunnen worden en uiterst nuttig te zijn.

parabool                                                                                                      lijn

Y= X  – 4                                                                                               Y = X + 2

Snijpunten van parabool en lijn vinden we door gelijkstelling:
x2 – 4 = x + 2
verder uitwerken:

x2 – x – 6 = 0
(x + 2) (x – 3) = 0
x = 2           x = 3
↓                 ↓

y = 0          y = 5

Dus punt A ( -2,0)  en B (3,5) zijn de snijpunten van parabool en lijn.

Dezelfde bovengenoemde figuren komen ook weer te voorschijn als de kegelsneden behandeld worden. Daarmee wordt het volgende bedoeld.

Als we een kegel laten snijden door een plat vlak dan is de doorsnijding van dit vlak met de kegel een meetkundig figuur, welk figuur hangt af van de stand van het vlak t.o.v. de kegel. Hiermee wordt de “Griekse” meetkunde afgesloten

Verder is het streven om in deze klas een begin te maken met de projectieve meetkunde*

Omdat hier nog ervaring mee moet worden opgedaan, gaan we hier niet verder op in.

De 12e klas

De 12e klas zet als het goed is een kroon op een ontwikkeling die 12 jaar duurt. Van een meetkunde periode is echter niet meer sprake, wel van een
bouwkundeperiode, waarin veel meetkundige vaardigheid toegepast wordt.

De opdracht luidt namelijk: ontwerp je eigen huis.

Wel degelijk is er een wiskunde-periode dit jaar, doch deze weken worden gebruikt om ingewijd te worden in de geheimen van het differentiëren en integreren.

L. Bronkhorst, Karel de Grote College, Nijmegen, datum onbekend

.

Meetkunde: alle artikelen

.

VRIJESCHOOL  in beeld: meetkunde klas 6

.

1705-1599

.

VRIJESCHOOL – (Kunst)geschiedenis – Delphi

.

Onderstaande gezichtspunten over het Griekse Delphi kunnen je een beeld geven van een verleden waartoe we niet gemakkelijk toegang meer hebben. 
Wanneer je geschiedenis geeft in klas 5 of in de bovenbouw kan het helpen je in te leven en je inzicht in dit verleden te vergroten.
Voor mij zou het bezoeken van Delphi zonder deze achtergronden anders zijn geweest, dan kijkend vanuit de inhoud van dit artikel. 

DELPHI

Inspiratieplaats van sociale kunst in het oude Griekenland

Hij die de wereld op zijn grondvesten doet trillen, bliksems in het rond slingert en wolkenmassa’s samenbalt, hij, -Zeus-, liet volgens de Griekse mythologie, om het middelpunt der aarde te bepalen, twee adelaars uit tegengestelde richtingen van het heelal op elkaar toevliegen. De ontmoeting tussen de adelaars vond plaats op de zuidelijke helling van de Parnassus, in Delphi, de navel van de wereld. Daar woonde de draak Python, zoon van aarde-moeder Gaia. Vanuit de kloof verhief hij zich uit de opstijgende nevelsluiers die de Parnassus omhullen.

Toen Apollo, in Delos geboren, naar een plaats zocht om zijn tempel te bouwen, verbleef hij eens in Haliartos bij de bronnimf Thelpoussa, maar door haar misleid, verliet hij de plaats en bereikte bij Delphi de helling van de Parnassus. De door licht omstraalde God stootte hier op de Python en met zijn pijlen doodde hij de draak. Boven de kloof waar Python huisde, werd de tempel van Apollo opgericht. Vanaf deze tijd sprak hier Apollo, indien het gevraagd werd, door de mond van de Pythia.

De Pythische orakelspreuken werden het middel waarmee aan het staats-, volks-en familieleven van de Grieken gestalte werd gegeven en van waaruit de uitbreiding van hun cultuur naar Klein-Azië en het zuidelijke en zuidwestelijke Europa werd geleid. Wat zich in het sociale leven van de afzonderlijke Griekse volkeren als levensvorm moest openbaren, werd hier geïnspireerd. De onderlinge strijd van de Griekse volkeren werd vanuit Delphi langzamerhand beslecht en door de inauguratie van snarenspel en poëzie verlegd naar het gebied van de kunst. Zo werkte Apollo, de leider der muzen en de stichter van de Pytische spelen, waarin te zijner ere de pracht van de muzische wedstrijd werd ontplooid.

Dat is zo ongeveer wat heden ten dage over de ontwikkeling en de sociaal-kunstzinnige betekenis van Delphi in het oude Griekenland nog bekend is.

George Roux [1] heeft werkelijk zeer verdienstelijk alle overgeleverde details bijeen gebracht, geordend en op eigen wijze tegen elkaar afgewogen. Dit boek zou ieder, die zich nader bezig zou willen houden met het Delphische heiligdom, moeten lezen.

Wat de lezer echter niet zal vinden, is een overtuigende verbinding tussen de tastbare feiten en de inhoud van de Griekse godenleer.

Bij diegene, in wiens fantasie Delphi levend aanwezig is, zal het bezoek aan de geografische plaats een merkwaardig gespleten gevoel in de ziel veroorzaken. De aanblik van het door gouden avondzon overgoten monumentale landschap en de grootse steile rotswanden van de Phaedriadea, die ook nu nog, net als vroeger gloeien in het licht, wekt in de ziel iets als een vertrouwd gevoel van geborgenheid. Maar het reeds vóór onze tijd, op barbaarse wijze vernielde heiligdom, waarvan de brokstukken op zeer gebrekkige wijze geordend zijn, werken bevreemdend en halen de ziel in het heden terug.

De brede geasfalteerde verkeersweg, die het heiligdom doorsnijdt en het noordelijke Lamia, over de Parnassus heen, met het zuidoostelijk gelegen Levadia en verder met Athene verbindt, is een bode van de huidige civilisatie, die ook hier al de natuur geweld aandoet; een voortzetting van tempelvernietigende barbaarsheid in onze tijd. Het heiligdom maakt door de weg een verdeelde indruk. In het door de weg begrensde hoger gelegen gedeelte: het heilige gebied en het stadion; in het aan de overkant van de weg liggende lagere deel: het gebied van de ‘Athene Proneia’, de Athene-voor-de-tempel. Hier moet de Griekse wandelaar, komende van de haven Kirrha en door het dal van de bergbeek Pleistos omhoog stijgend, zijn voet gezet hebben op de drempel van het heiligdom.

Vanaf dit diepst gelegen geografische punt van het tempelgebied voerde de weg hem naar de bron Castalia waar hij, in een cultische handeling tegelijk met het stof ook de zonden van hoofd en voeten waste. Dan eerst betrad de bezoeker de heilige weg, die hem langs wijgeschenken en rotonden in het heilige gebied binnen voerde, dat door de heilige muur omsloten wordt. Tussen de tempel van Apollo en het theater eindigt deze weg. De eerst om de acht jaar, daarna om de vier jaar, georganiseerde Pythische Spelen, oorspronkelijk gehouden aan de oever van de Pleistos, ver beneden het Athene-Proneiagebied, worden later gehouden in het stadion, dat niet zo ver boven het heilige tempelgebied ligt als het heiligdom van Athene-Proneia daaronder.

De blik, gericht door het vermoeden, hier niet iets toevalligs voor ogen te hebben, deelt allereerst de drie gebieden van het Delphische heiligdom geografisch in: in de diepte, tegen de helling leunend, naar de beek Pleistos gewend, het heiligdom van de Athene-Proneia; midden op de helling, door de westelijke Phaedriadea omhuld, het heilige gebied met de Apollotempel en het theater; bijna boven aan de geëgaliseerde grond van het stadion, plaats van muzische en lichamelijke bekwaamheid.

De topografische schets geeft een indruk van de ruimtelijke samenhang van de drie architectonische delen, geeft echter geen beeld van de hoogteverdeling.

Op het heilige gebied, dat het middelpunt van het geheel vormt, valt architectonisch bijzonder de nadruk; het vormt het zwaartepunt van het gehele complex. Twee bouwwerken zijn erin tot een geheel verbonden: dieper gelegen, de tempel van Apollo; naar het stadion gekeerd, hoger gelegen, het theater. Wanneer men de blik richt op de ligging van beide bouwwerken ten opzichte van elkaar, dan beleeft de toeschouwer een gespannen-harmonische, maar niet symmetrische relatie. De assen van beide bouwwerken staan loodrecht op elkaar, het toneel van het theater ligt naar de lengtezijde van de tempel gekeerd. Beide liggen echter zo ten opzichte van elkaar verschoven, dat het symmetrievlak van het theater de tweede zuil van de lange zijde van de tempel snijdt, gerekend vanuit het westen. Deze onderlinge ligging van de beide bouwwerken verliest de toevalligheid die aanvankelijk gegeven lijkt, wanneer men let op de ligging ten opzichte van het stadion en van de tholos, de ronde tempel en het centrum van het Athene-Proneiaheiligdom: het middelpunt van de tholos, het middelpunt van tempel en theater, evenals de noordoostelijke hoek van het stadion liggen op een rechte lijn, die ook op de topografische schets werd getekend. Nu staat de middenas van de tempel echter niet loodrecht op deze rechte lijn en het symmetrievlak van het theater valt hier weer niet mee samen. Meet men de hoek die beide maken, dan komt men op 23½° (zie schets).

Dit kan nauwelijks toeval zijn. Hiermee ontstaat de opgave naar het kunstzinnige motief te zoeken dat de drie complexen van het gehele heiligdom tot een eenheid verbindt en waarvan de alle bouwwerken verbindende rechte lijn en de hoek van 23½° een uitdrukking zijn.

De polariteit, die tot uitdrukking komt in de spanning tussen de zo essentieel verschillende architectuur van tempel en theater willen we eerst nader bekijken.

Het motief van de polariteit schijnt aan alles, wat er hier te ontdekken valt ten grondslag te liggen, het lijkt het heilige gebied te beheersen. Zo valt uit de berichten van Pausanias op te maken, dat de tempel, waarvan de ruïne voor ons ligt, gewijd was aan twee goden, die met het wisselen van de jaargetijden ritmisch in- en uitgaan. Gedurende de lange zomertijd, negen maanden, is de zonnegod Apollo de heer van de tempel. Met het invallen van de winter trekt hij naar de Hyperboreeërs in het noorden en begint Dionysos zijn heerschappij. Zo moeten er twee grote jaarfeesten geweest zijn, die cultisch gevierd werden. Het ene: de intocht van Apollo, de god, die door licht omstraald uit de geest vervulde natuur de Griek tegemoet treedt, evenwicht en harmonie stichtend. Het feest van zijn jaarlijkse wedergeboorte werd in het vroege voorjaar, in de bloeiende natuur gevierd. Het andere: het feest van Dionysos vierde men aan het begin van de winter. Hij is de god, die in het binnenste van de menselijke ziel woont. Over hem zegt de Griekse mythologie veelbetekenend: – hij werd door de mens beleefd, als hij door de diepste diepte van zijn eigen ziel naar beneden heersende goden afdaalde, tot de goden van het schimmenrijk, waarin de doden leven. Wat aan driften en hartstochten in zielendiepte leeft, doet zich aan de ziel voor bij die afdaling en roept huivering en verschrikking op. Voor deze ontmoeting met Dionysos moet de mens zo voorbereid zijn, dat hij sterk in zichzelf weet te rusten. Dionysos onvoorbereid te zien zou betekenen, tegenover hem het onderspit te delven. Geheel anders treedt de Griekse ziel de zonnegod Apollo tegemoet, die het middelpunt vormt van de boven heersende kring van goden en die zij begroette, als zij door de zintuiglijke wereld de weg had gezocht tot de goden van de hogere geestelijke wereld. Aan hem kan zij zich zonder strenge zedelijke scholing overgeven, want Apollo sticht harmonie, vrede en evenwicht.

Andermaal kunnen wij de polariteit ontmoeten, als wij onze blik richten op de Pythia, door wier mond Apollo kon spreken. Zittend in het adyton van de tempel, vermoedelijk op de plaats waar de as van het theater de tempel snijdt, geeft ze wijze antwoorden, die zowel in Apollinische als ook in Dionysische zin uitgelegd kunnen worden. Een van de bekendste orakelspreuken gaf ze aan Croesus: “Wanneer gij de rivier de Halys oversteekt, zult ge een groot rijk vernietigen”. Dit kan men dan Apollinisch verstaan, wanneer de zielenhouding: “Van buitenaf treedt de wereld op mij toe”, wordt aangenomen. In dat geval zou Croesus erop opmerkzaam geworden zijn, dat zijn eigen rijk bedoeld werd. Hij heeft echter de orakelspreuk vanuit een Dionysische zielenhouding opgevat: “Ik treed vanuit mijn innerlijk de wereld tegemoet”. Slechts in de laatste van de gegeven orakelspreuken, een eeuw na Christus, vallen beide opvattingen tragisch samen:

“Zegt het de Heer: Vernield is de heilige plaats van gezegende kunst.
Phoibos Apoll’ heeft geen huis meer,
verwelkt is de profetische laurierboom.
Verdroogd is de bron,
verstomd zijn de murm’lende waat’ren.

Niet alleen het tempelgebeuren is tweeledig, ook voor de verhouding tussen tempel en theater geldt dit motief. De tempel, waarin zich op ademende wijze, het ritme van het jaar volgend het goddelijke gebeuren zich voltrekt, staat tegenover het toneel van het theater waarop het lot der mensen in voorbeelden wordt vertoond. Hier werden de grote drama’s van Aeschylus, Sophokles en Euripides opgevoerd.

Het lot der mensen, door de goden bestuurd, ontroert de harten van de toeschouwers, die met uitroepen en gebaren het noodlotsgebeuren op het toneel begeleiden. Volgens de mythe was Delphi al vroeger de woonplaats van Dionysos dan van Apollo. Er wordt in gesproken over vuuroffers op zijn altaar, en over nachtelijke feesten, waarbij dienaressen van Dionysos met fakkels in de hand in een wilde vaart door de bergwouden van de Parnassus trokken.

Misschien stond het altaar van Dionysos daar, waar later het theater gebouwd werd, het architectonisch jongste deel van het Delphische heiligdom. Later werd ten tijde van het Dionysosfeest midden op het toneel van het theater, vuur ontstoken, waar omheen de koren op ritmisch gezang schrijdend, het geboorte-uur van het lk-bewustzijn vierden, het feest van de zich individualiserende mens. Goddelijke wereldadem in de tempel en menselijk hartenvuur in het theater, een tweeheid, die zich uitspreekt in de architectonische polariteit van tempel en theater.

Een geheel andere indruk krijgt men van het complex van het Athene-Proneiaheiligdom. Het verbazingwekkendste bouwwerk is wel de tholos, hier het architectonisch jongste deel. Het ligt tussen twee oudere tempels in, die beide aan de Athene-Proneia gewijd zijn. De jongste diende nog voor cultische handelingen, toen de tholos in de 4e eeuw voor Christus opgericht werd. Ze is in de Dorische stijl gebouwd, had aan de buitenkant twintig zuilen, die zich om de ronde tempel bevonden. Merkwaardigerwijs vond men in het binnenste tien Korinthische halfzuilen. Zie reconstructie(s)

Het deel boven de met leeuwenkoppen bezette Gaison is niet te reconstrueren.

Het raadsel van de tholos komt in de grote Oudgriekse heiligdommen driemaal voor.

In Delphi en in Epidauros bestaat twijfel over de godheid, aan wie ze gewijd zijn. In Olympia is het zeker, dat in de tholos geen godheid vereerd werd. Een feit dat aanvankelijk vreemd aandoet, Pausanius vertelt, dat in de tholos van Epidauros de heilige slangen gehouden werden. Enige jaren geleden, toen de cellavloer van de tholos in Delphi nog niet dicht gegooid was, werd een vierkant gemetselde schacht ontdekt, precies in het centrum van de cella, die in de Griekse tijd, al dan niet afgedekt, hier eveneens een plaats geweest kan zijn, waarin slangen gehouden werden. Het slangenmotief is überhaupt nauw verbonden met de gestalte van Athene. Athene werd uit het hoofd van Zeus geboren. In het museum op de Acropolis in Athene bevindt zich een doek, waarvan de randen een slangenmotief vertonen. Een soortgelijke Athene bevindt zich in Napels. De Athene die door Phidias voor het Parthenon gemaakt werd, heeft slangen op de helm.

Over het symbolische gebruik van het slangenmotief in het oude Griekenland maakt Rudolf Steiner de opmerking, dat de Griekse mens hierin het uit de toekomst komen – het individuele intellect, de individuele gedachtekrachten gezien heeft. Hierdoor raakt de mens van de goden vervreemd, wordt hij op zichzelf teruggeworpen, aan de aarde geketend. Voor zo’n toekomst ervoer hij angst en huivering. Voor de cultische plaats, waar deze toekomstkrachten in de architectuur zichtbaar geworden zijn, stond de Griekse mens die vanuit Kirrha Delphi bereikte.

Het stadion, dat bijna ter hoogte van de Phaedriadea is gelegen, dicht bij de goden, is de plaats van de wedstrijden. Hier meet zich de een met de ander in het spel op de kithara, het snareninstrument van Apollo en in de poëtische voordracht die vooral hier in Delphi beoefend werd. Wedstrijden in gymnastische oefeningen, hardlopen en discuswerpen werden gehouden. Er moet hier onbezorgde levenslust, vreugde en impulsiviteit geheerst hebben. Een muurinscriptie, waarschijnlijk uit latere tijd, verbiedt zeker niet voor niets het meebrengen van wijn. Dit stadion, het best bewaard gebleven bouwwerk in Delphi, is aan beide lengtezijden en aan een van de twee korte zijden omgeven door tribunes, die aan 6000 mensen zitplaats bieden.

In het omgaan en leven met zulke gedachten, drong zich steeds sterker de indruk op dat het geheim, dat verborgen ligt in de harmonie van alle architectonische onderdelen van het Delphische heiligdom, één en dezelfde idee is, die zich in heel Delphi uitdrukt. Is de spanning, die tempel en theater verbindt, niet dezelfde die in de microkosmos, in het menselijke lichaam, tussen hart en longen tot uitdrukking komt?

Zijn het niet dezelfde vormkrachten die in het menselijk lichaam hart en longen gestalte geven en die aan de architectuur van tempel en theater ten grondslag liggen? Zoals de menselijke adem in de longen in- en uitgaat, zo gaan in de wereldadem Apollo en Dionysos in en uit de tempel van Delphi. Zoals de naar de omgeving toe zich openende long zich verhoudt tot het meer in het eigen organisme besloten liggende hart, zo verhoudt zich ook de voor de goden openstaande tempel tot het theater, waarin de tragedie van het menselijke lot in zijn oerbeeld wordt uitgebeeld.

Deze overeenkomsten tussen de hart- en longenorganisatie van het menselijk lichaam en het heilige gebied van Delphi riepen de vraag op, of de architectuur van Delphi niet evenzeer een evenbeeld van de macrokosmos zou kunnen zijn als het menselijk lichaam. De reeds genoemde hoek van 23½° waaronder tempel en theater ten opzichte van de hoofdas van het gezamenlijke heiligdom verschoven zijn, geeft daarvoor een aanwijzing. Het is dezelfde hoek waaronder in de macrokosmos de zon op- en ondergaat, in het menselijk lichaam het hart gelegen is ten opzichte van de hoofdas van het heiligdom staan. Tot zover de overeenkomsten.

Een duidelijke polaire verhouding is te vinden in de betrekking die het menselijk lichaam enerzijds, en het Delphische heiligdom anderzijds, tot de macrokosmos hebben. Terwijl het menselijk lichaam een door de goden en dus door de kosmos voor het menselijk Ik geschapen natuurlichaam is, is het Delphische heiligdom daarentegen een door de mensen voor de goden gebouwd cultuurlichaam. Het ene: woonplaats van de menselijke ziel, het andere: woonplaats van de goddelijke geest.

Ook de andere onderdelen van de Delphische architectuur kunnen zo gezien worden. Zoals het hoofd gedragen wordt door de romp, waarin tegenwoordig het individuele ik zich beleeft, zo wordt de Athene-Proneiatempel gedragen door het heilige gebied. Haar ronde tempel is een architectonisch beeld van de krachten van de geestelijke wereld, die de ronde vorm aan de menselijke schedel hebben gegeven. Zoals de in het hoofd levende individuele gedachtekrachten de mens aan de aarde ketenen, zo bevindt zich in het centrum van de tholos, ingelaten in de aarde, de slangenkuil. Bovendien ligt de tholos dichter bij de aarde namelijk, vanuit het heilige gebied in de richting van het dal gaande. Het stadion daarentegen is de hemel nabij, met de goden verbonden, zoals het onbewuste leven van de ledematen. Dit beeld werpt ook een licht op het wezen van het kunstzinnige en de gymnastische wedstrijden in het oude Griekenland. Ook hierbij ging het om een cultische handeling, een godsdienst. Zoals de Griek bij de aanblik van de rustende tholos zijn toekomstig intellect voelde oplichten en vermoedde dat dit deel van zijn wezen de goddelijke draad, de binding met de geestelijke wereld zou verliezen, zo ervoer hij in de bewegingen tijdens de oefeningen in het stadion de innig duurzame verbinding met de geestelijke wereld, die hem de zekerheid gaf, dat ook de toekomst daaraan niets zou veranderen. De idee van het menselijk organisme, dat zich drieledig in de lichamelijke gestalte uitspreekt, ligt ook ten grondslag aan de architectuur van het Delphisch heiligdom.

Maar de overeenkomst gaat nog een stap verder. Zoals de spraak het menselijk strottenhoofd tussen borst- en hoofdorganisatie vormt, zo vormt het water het ravijn van de Castalische bron in Delphi. Het bronhuis vertoont een merkwaardige stroming van het water, die uit de natuurlijke gegevens niet is te verklaren. De volgende tekening geeft een overzicht van de toestand. De onmiddellijk uit de rots ontspringende bron wordt achterlangs een uit de rots gehouwen wand buitenom het verzamelbekken gevoerd. Eerst vanuit de diagonaal tegenovergestelde zijde stroomt het bronwater in het bekken. Zoals het kraakbeenschild van het strottenhoofd ervoor zorgt dat de ademstroom niet in de mondholte terecht komt en deze van voor-onder naar achter-boven leidt, zo wordt ook het water van de Castalische bron in de holte van het waterbekken geleid, voordat het uit de geweldige kloof naar buiten komt, die de beide Phaedriadea scheidt, zoals de spraak uit de mond.

Topografische schets van de Castalische bron.

Geheel anders staat het met de blijkbaar sterk druipsteen vormende bron Cassotis, die zich tussen theater en heiligdom bevindt. Men kreeg onder de aarde vat op haar; werd langs de westelijke zijde van het theater gevoerd, in het adyton van de tempel binnen geleid en diende daar de cultische voorbereiding van de Pythia.

Alvorens ze de goddelijke inspiratie kon ontvangen, ging ze vanaf het Athene-Proneiaheiligdom op tot de Castalia en verrichtte daar de cultische wassingen. Ze brak de lauriertwijg af, betrad het adyton, nam plaats op de drievoet, kauwde op de taaie laurier, dronk van het water uit de Cassotis en ademde de dampen in die uitstroomden van het lichaam van de aardemoeder.

Zoals de mens door zijn strottenhoofd al sprekend de wereld bevrucht met wat als idee in zijn ziel geboren wordt, zo drukt zich in de gebeurtenis van lichamelijke geboorte door de tussen ledematen en borst gelegen organisatie uit, wat als fysiek lichaam, als omhulling van een naar de aarde afdalend ik dient. Ook deze polariteit lijkt in Delphi architectonisch verwerkelijkt en in de cultus toegepast te zijn. De werking van de Castalische bron die de ziel reinigt en door de kracht van de Cassotische bron die het lichaamsvuur ontsteekt, schept de Pythia de voorwaarden waaronder de twee geestelijke werelden, de achter de zintuiglijke wereld liggende Apollinische en de beneden de menselijke ziel liggende Dionysische, op vragen naar volks- en mensenlot kunnen antwoorden. Delphi heeft het organisme van de Griekse volkeren gevormd en ontwikkeld.

Het sociale organisme van het oude Griekenland had hier zijn broncentrum van inspiratie; architectonisch als cultische plaats op dezelfde wijze drieledig als het lichamelijke organisme van de mens.

Deze gedachte belicht ook het “Ken U zelve”, een overgeleverde kernspreuk van Delphi. Het drieledige heiligdom spreekt echter meer uit dan dit woord alleen. Het “Ken U zelve”behelst wat in het Athene-Proneiagebied architectonisch verwerkelijkt is. Het woord, dat zich in het heilige gebied van Delphi, in tempel en theater openbaart voor de aanschouwende mens, moet een ander geweest zijn. Het moet met de belevenis van het midden, met de harmonie tussen de beide polen samenhangen. Een woord als “houd maat” drukt uit, wat ook de architectuur zegt. Voor het stadion zou een inhoud te verwachten zijn die, tegengesteld aan het “Ken U zelve”, de verhouding van de mens tot de wereld uitdrukt. Zoiets als: “Vorm de wereld”.

Een opnieuw uitgegeven werkje van Carl Gustav Carus, de bekende arts en Goetheanist uit de eerste helft van de vorige eeuw [2], bracht de blijde verrassing, dat er werkelijk drie Delphische spreuken geweest zijn. De tweede spreuk: Van niets teveel” behelst het verwachte. De derde spreuk, de letter ypsilon, door enkele schrijvers met “Gij zijt” vertaald, was niet onmiddellijk te begrijpen. Wat immers, zo kon men zich afvragen, is de voorwaarde waaronder de mens de wereld kan vormen, om uit datgene wat door de goden in de natuur gegeven is, een verantwoorde cultuurschepping te maken. De krachten van Athene moeten zijn binnengegaan door de poort waar voor ze in de Griekse tijd nog bleven toeven. Dat was voor de Griek nog toekomst. Zoals de uitnodiging “Ken U zelve” op het herscheppen van de natuur. “Vorm de wereld” is de uitnodiging, waar wij in deze tijd voor staan. Want het vormen der wereld, dat niet tot de dood van de natuur mag leiden, stelt zelfkennis als voorwaarde. Hoe moet de mens de wereld vormen, als hij niet weet wat hij zelf is?

Pas de antroposofie verbindt beide. Zij is de methode, waardoor de mens van deze tijd zich in de zelfkennis als microkosmos kan begrijpen, voordat hij begint de wereld te vormen, naar het beeld van zichzelf en van de goden: drieledig!

Zoals de mens van deze tijd, die niet alleen de natuur om moet vormen, maar reeds voor de opgave staat, haar van de dood door de huidige civilisatie te redden, het ik in het hoofd beleeft, zo beleefde de Griek, in wie het zelfbewustzijn pas in “Gij zijt” op de aarde aangekomen was, het ik een verdieping lager in het organisme. Hij beleefde het tussen hart en longen. In het drieledige, door de Griekse cultuur geschapen godenlichaam van het Delphische heiligdom ligt deze plaats tussen theater en tempel, op de as, die het stadion, het theater en de tempel met de tholos verbindt. Hier stond de voor ons behouden gebleven, geweldige bronzen plastiek van de wagenmenner. Hij draagt een band om zijn voorhoofd, beteugelt de paarden en heeft de stola kruislings over zijn rug bevestigd. De mens tussen Apollo en Dionysos, op de geografische plaats die het Griekse cultuurtijdperk als de navel van de wereld beleefde. De plaats, van waaruit de geestelijke wereld het sociale leven van Griekenland inspireerde en tot ontwikkeling bracht. Wij, in onze tijd, die het ik in ons hoofd beleven, hebben de van buiten komende hulp van de goden niet meer, maar dragen in ons de kiemen, die ontwikkeld moeten worden, als wij dit werk zelf willen volbrengen.

[1] George Roux: Delphi – “Het orakel en de cultusplaatsen   (blz. 44)
[2]  C.G. Carus: Over de levenskunst volgens de drie opschriften van de tempel te Delphi”,

.

Artikel lijkt een bewerking – auteur onbekend – van een hoofdstuk uit ‘Die Quellen der Kunst, Thomas Göbel

.

Kunstgeschiedenis: alle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

.

1704-1598

.

.

VRIJESCHOOL – (Kunst)geschiedenis – Epidauros

.

Onderstaande gezichtspunten over het Griekse Epidauros kunnen je een beeld geven van een verleden waartoe we niet gemakkelijk toegang meer hebben. 
Wanneer je geschiedenis geeft in klas 5 of in de bovenbouw kan het helpen je in te leven en je inzicht in dit verleden te vergroten.
Voor mij zou het bezoeken van Epidauros  zonder deze achtergronden anders zijn geweest, dan kijkend vanuit de inhoud van dit artikel. 

EPIDAUROS

het heilige centrum van imaginatieve geneeskunst in het oude Griekenland

De Griekse cultuur heeft ons een grote hoeveelheid archeologische voorwerpen nagelaten, die min of meer gerestaureerd, geordend, van commentaar voorzien en tentoongesteld, in de gehele wereld en vooral natuurlijk in Griekenland zelf zijn te bezichtigen. Daartoe behoren ook de architectonische overblijfselen van oude tempels, waarvan in het navolgende het heiligdom van de god Asclepios te Epidauros zal worden besproken.

Willen wij een antwoord zoeken op de vraag, hoe het uiterlijk van deze heiligdommen in de oudheid geweest kan zijn, dan kunnen geschriften uit de Romeinse tijd ons daarbij helpen. In dit verband zijn de reisberichten van Pausanias te noemen of de beschrijvingen van Plutarchus. Bij de laatste zijn ook aanduidingen over het verloop van rituele handelingen te vinden, maar deze berichten zijn schaars en als men naar de oorsprong van de rituelen vraagt, laten de historische bronnen ons helemaal in de steek.
Wij zijn hier op de beeldentaal van de mythologie aangewezen, die met ons eigen abstracte, niet-beeldende denken zo moeilijk valt te begrijpen. Hoe meer zich het voor ons begrijpelijke, in deze beeldentaal kleedt, als wij de berichten tot in de tijd van de mythologische periode terug vervolgen, hoe meer de teksten ervan spreken dat de goden in het leven van de mensen ingrijpen en de loop van het lot van enkelingen en volkeren besturen. Zich in overeenstemming te weten met bepaalde wezens van de geestelijke wereld was voor de mens van het oude Griekenland tot in de hellenistische periode een na te streven doel. Voor een dergelijke levenshouding ontbreekt ons het bewustzijn aan ervaring en begrip. Het constateren van dit feit maakt ons er echter op attent, dat er voor ons begrip van de Griekse cultuur twee niveaus bestaan. Het ene vinden wij bij het aanschouwen van de archeologische overblijfselen, het tweede in de mythologische beelden. Het eerstgenoemde niveau lijkt ons daarom begrijpelijk, omdat wij objecten voor ogen hebben die wij gewend zijn te onderzoeken. Dat het mythologische niveau en het andere echter elkaar niet dekken, zou ons voorzichtig moeten maken, want voor de oude Grieken waren immers de objectief waarneembare en de met de uiterlijke zintuigen niet te bevatten geestelijke wereld onafscheidelijk met elkaar verbonden. Voor ons zijn ze dat niet. Wat aan de Griek zich ongescheiden openbaarde, verbinden wij niet meer met elkaar. Als wij voor de zichtbare overblijfselen van de Griekse cultuur een enigszins juist begrip willen krijgen, moeten zij – niet op de oude, maar voor ons hedendaagse bewustzijn geschikte wijze – met een geestelijke wereld in verband gebracht worden. Want een volkomen misverstand zou ontstaan, indien men zou vergeten, dat de oude culturen in eerste instantie in deze dualiteit verschijnen. Indien men een begrip voor Epidauros wil ontwikkelen, is het dus nodig bij dat, wat aan materiële overblijfselen is bewaard gebleven, het geestelijke te voegen.

theater van Epidauros

Het heiligdom van Asclepios ligt aan de noordoostelijke kant van de Peloponnesos en vormt samen met Delphi en Olympia de hoeken van een ongeveer gelijkzijdige driehoek. Delphi ligt in het noorden, aan de punt van de gelijkbenige driehoek, op het vasteland tegen de achtergrond van het indrukwekkende hooggebergte van de zuidelijke Parnassos. Epidauros vormt de oostelijke punt van de driehoek en ligt in een landschap van zacht glooiende bergtoppen van een middelgebergte. Het Olympische heiligdom aan de westelijke punt ligt in de laagvlakte van het Alpheiosdal in de noordwestelijke Peloponnesos.

In de Griekse mythologie is Asklepios bekend als zoon van de zonnegod Apollo. Zijn moeder is de Thessalische koningsdochter Coronis. Het kind van Apollo onder haar hart dragend, wordt zij de God ontrouw. Vertoornd geeft Apollo aan zijn zuster Artemis de opdracht om Coronis met haar pijlen te doden. Op het ogenblik dat de ouders de dode dochter in het vuur verbranden, herinnert Apollo zich zijn zoon en redt hem uit het lichaam van de brandende Coronis. Hij brengt de jonge Asklepios naar het Peliongebergte naar de centaur Chiron, de grote opvoeder, die, zoals Pindarus zegt, vol liefde voor de mensen was. Volgens een andere, uit Epidauros stammende legende, baart Coronis haar kind heimelijk op de berg Myrtio bij Epidauros, die sindsdien de naam Titthio draagt, d.w.z. de berg waar gezoogd werd. Coronos legde hem daar te vondeling en hij werd door een geit gevoed en door een hond bewaakt, totdat hij gevonden werd door een herder, Aristenas, die zijn goddelijke afkomst herkent. Asklepios, god en mens tegelijk, wordt de genezer van ziekten. Geen andere god uit de kring der Griekse goden buigt zich met zo’n mildheid en met zo’n sterke wil om te helpen tot de mensen als hij. Weliswaar is uit sommige van de beschreven gevallen van genezing op te maken, dat hij bij gebrek aan belangstelling, onnauwkeurig en gebrek aan medewerking bij de hulp die hij biedt, met een zekere listigheid weet te straffen. Een vrouw bijvoorbeeld, die een zwangerschap wenst, helpt hij, maar zij kan gedurende drie jaar niet baren. Naar Epidauros teruggekeerd, moet zij zich door Asklepios laten zeggen, dat zij een kind had moeten wensen. Na het brengen van een offer mag zij haar kind baren. De gevallen van genezing werden in Epidauros op grote zuilen opgetekend en in het heiligdom opgesteld. Pausanias beschrijft, dat er in zijn tijd nog slechts zes zuilen aanwezig waren. Twee ervan werden gevonden, zij zijn in het museum van Epidauros tentoongesteld.

Laten wij ons thans tot de architectuur van het heiligdom van Epidauros wenden; de restanten en fragmenten en de bouwfundamenten, die nog bewaard zijn gebleven. Het gehele complex kreeg zijn definitieve vorm in de tijd van de hoogste bloei van het Hellenendom, in de periode toen Perikles in Athene heerste en de Griekse cultuur haar hoogtepunt overschreed. De naam van de architect die de ronde tempel, de tholos, ontwierp, is ons bekend, het was Polykletos de jongere.

Wij mogen verwachten dat de afzonderlijke bouwcomplexen niet willekeurig in het landschap werden neergezet, maar dat de sociale taak van het heiligdom, nl. de plaats van genezing voor de ziekten van de mens, ook in het geheel van de architectuur ligt verborgen. Laten wij de zieke volgen die van de haven, twee uur te voet, of van de istmus bij Korinthe komend, het heiligdom van Asklepios bereikt. Als men vóór de Propyleeën van het heiligdom staat, blijft al het andere voor het oog van de beschouwer verborgen. Slechts het theater zal, al naar gelang van het toenmalige boombestand, zichtbaar geweest kunnen zijn. Een opgeworpen heuveltje, dat door de architect bewust is aangebracht, verbergt het abaton, de zaal, waar Asklepios de zieken in hun slaap verschijnt. Verborgen blijft ook de tempel van Asklepios en de tholos, een merkwaardig rond bouwwerk. Pas wanneer de woorden die op de Propyleeën staan zich in de ziel van de intredende hebben gevestigd en de drempel van het heiligdom is overschreden, wordt het complex van gebouwen stapsgewijs aan hem onthuld. Pausanias heeft de woorden van de Propyleeën opgetekend:

“Rein, zij een ieder die de van wierook geurende tempel betreedt.
Rein zijn betekent, in gedachten het goddelijke koesteren.”

De reinheid van de peinzende ziel, zoals wij uit het motto van het heiligdom kunnen opmaken, moet wederom gevonden worden, want al het denken, voelen en willen dat de goden onwaardig is, ligt aan de ziekten van het lichaam ten grondslag. Dat lichaam en ziel een samenhang hebben, daarvan zijn wij ons ook bewust. Deze eenheid van lichaam en ziel werd echter in de Griekse cultuur au sérieux genomen. In het belangrijkste centrum van genezing werd alleen de terug verkregen reinheid van de ziel tot therapie van het lichaam.

Misschien laat zich het beeld dat men in de oudheid van de mens had, ontraadselen, wanneer wij trachten alles tot eenheid te brengen, wat voor de genezing van de mens in Epidauros architectonisch werd geschapen. Laten wij proberen daarbij in het oog te houden, dat voor het Griekse bewustzijn het uit de ziel komende het lichaam schaadt, wanneer het ongoddelijk wordt – echter het lichaam ook kan genezen, wanneer het zich weer met het goddelijke verbindt.

Epidauros is wel het meest vernielde heiligdom van het oude Griekenland. Alleen het theater bleef behouden

en de weinige noodzakelijke restauratiewerkzaamheden worden met een gevoel voor het mogelijke door Griekse archeologen uitgevoerd. Het is een van de weinige klassieke plaatsen die door de Grieken wordt uitgegraven. (Schets nr. 1 geeft de topografische situatie weer; houd er echter rekening mee, dat het noorden links beneden ligt).

Het opgerichte kleine museum biedt ondanks de bescheiden middelen die ter beschikking stonden een indruk van hetgeen er van architectuur eens voorhanden was. Bijzondere moeite werd besteed aan de restauratie van een sector van de tholos, die eens buiten de cella door 26 Dorische zuilen en binnen door 14 Korinthische zuilen werd gedragen. Onder de tholos bevindt zich een crypte, die als labyrint is gebouwd, bestaande uit drie cirkelvormige gangen, die naar verhouding goed bewaard zijn gebleven. In het midden daarvan werden de heilige slangen gehouden, zonder welke Asklepios niet goed denkbaar is. De overleveringen zeggen, dat aan Epidauros een van de heilige slangen werd gevraagd, wanneer in een stad of streek van het oude Griekenland een Asklepeion zou worden opgericht. Een gezantschap ging naar Epidauros en wanneer de god zijn toestemming gaf, brachten de afgezanten een van de heilige slangen terug, die de stammoeder van het slangengeslacht van het nieuwe Asklepeion werd.

Hier vele voorbeelden van een reconstructie. In dit artikel worden ze aangeduid met schets 2.

Zuidelijk van de tholos ligt het stadion, ten noordoosten ervan de tempel van Asklepios. Als men in het midden van de naar de tholos toegekeerde kant van de tempel gaat staan, is men verrast het midden van de tholos en de meest westelijke hoek van het stadion op een rechte lijn te zien liggen. Een blik op het kaartje bevestigt deze observatie. Men krijgt het gevoel dat met deze ontdekte ruimtelijke samenhang ook een culturele zou kunnen overeenkomen. Voordat wij op een dergelijk aspect ingaan, zal worden onderzocht, of niet nog meer ruimtelijke samenhangen tussen de genoemde bouwwerken: tempel van Asklepios, tholos, stadion en theater bestaan. De twee op een cirkelvormige plattegrond staande gebouwen zijn de tholos en het theater.

Als men de hoek meet tussen het middelpunt van de tholos, de meest oostelijke hoek van het stadion en het middelpunt van het theater, vindt men een waarde van 120°, de driedeling van de cirkel. De benen van deze hoek staan in een verhouding van 1:5. Het traject 1 is de afstand, middelpunt van de tholos – meest oostelijke hoek van het stadion. Traject 5 is de afstand tussen de meest oostelijke hoek van het stadion tot het centrum van het theater. Als men deze hoek zodanig om zijn hoekpunt draait, dat hij een tangent aan het theater vormt, vormt hij ook een tangent aan de tholos. Dus hebben de diameters van de tholos en ’t theater een verhouding van 1:5, ( zie hiervoor, alsmede voor de volgende beschouwingen, deze schets 3):

Een tweede keer is de hoek van 120° in de architectonische compositie te vinden, wanneer men het middelpunt van de tempel van Asclepios weer met de meest oostelijke hoek van het stadion en deze op de oostelijke zijde ervan met de meest zuidelijke verbindt. Draait men deze hoek zodanig om zijn hoekpunt dat het op de tempel gerichte been tot tangent aan de tempel wordt, dan zal het andere been tot diagonaal van het stadion worden. Op deze wijze zijn de vier bouwwerken zodanig tot elkaar gecomponeerd, dat de maten wederzijds van elkaar afhankelijk zijn. De middelen die de architect hiervoor heeft gebruikt, zijn de driedeling van de cirkel en de verhouding 1:5 van de lengtematen. Daarbij komt als een absolute lengtemaat een stadie, d.w.z. de lengte van het stadion. Indien deze afstand een gegeven is, dan bepaalt de ligging van de tholos op de rechte lijn tussen het stadion en de tempel, die wij de hoofdas van het heiligdom willen noemen, alle andere proporties. Hierdoor houdt de tholos de architectonische compositie van Epidauros in harmonie. Het lijkt derhalve wenselijk allereerst de betekenis van de tholos te begrijpen om te weten te komen wat de delen tot een geheel ordent, (schets 2 levert het materiaal voor de aanschouwelijkheid en schets 4 toont o.a. de plattegrond.)

(Duits: Hauptachse des Heiligtum = hoofdas van het heiligdom; süd – zuid; ost – oost)

De tholos die op oude inscripties ook thymele genoemd wordt, is een cirkelvormig bouwwerk, omgeven door een zuilengang die uit 26 zuilen van gewit tufsteen bestond. De muur van de cella bestond uit veelkleurige ornamenten, bloemen, meanders, holle lijsten, tandlijsten en fresco’s van de schilder Pausias, waarvan er twee door Pausianas zijn beschreven. Op een fresco was Eros afgebeeld, die boog en pijlen ter zijde heeft gelegd en naar een lier grijpt; op het andere fresco is de dronkenschap uitgebeeld, uit een glazen fles drinkend. Binnen de cella bevond zich een tweede zuilengang bestaande uit 14 Korinthische zuilen van marmer. Tussen de binnenste Korinthische zuilen en de wand van de cella bestaat het plafond uit een cassettenring die zich tussen de cellamuur en de door de Dorische zuilen gedragen architraaf door twee verdere cassettenringen voortzet. In elke cassette bevindt zich een bloesem die zich van cassettenring tot cassettenring van binnen naar buiten toenemend lijkt te openen. Deze bloemen van het cassetteplafond zetten een vormmotief voort dat zich aan de Korinthische zuilen in het binnenste van de cella bevindt. De kapitelen van deze zuilen zijn drieledig. Dicht bij de basis dragen de kapitelen bladmotieven, in het middelste gebied ziet men stengelvormen, die zich in spiraalvorm naar boven slingeren en in de nabijheid van de dekplaat verschijnen vier bloesems. Deze bloemvorm gaat klaarblijkelijk in het cassetteplafond over en zet zich voort tot in het plafond buiten de cella. Wie de overdreven vormen van de Korinthische zuilen uit de Romeinse tijd kent, zal verbaasd zijn te zien met welke eenvoud en schoonheid het Korinthische kapiteel hier gevormd is. Mij persoonlijk is geen poging tot een verklaring van deze merkwaardige tempel bekend. Als wij in onze beschouwing verder willen komen, moeten wij naar geschikte begrippen zoeken, die ons helpen het geheim van de tholos tenminste in een eerste aanzet te ontraadselen.

In zijn derde voordracht van de voor artsen gehouden cyclus “Geesteswetenschap en medische wetenschap”[1] herinnert Rudolf Steiner aan het vermogen van lagere diersoorten om verloren lichaamsdelen weer te vervangen of toch zodanig te compenseren, dat het organisme in al zijn functies weer wordt hersteld. Hij maakte deze opmerking om, overgaande op de mens, de vraag te behandelen wat bij hem uit deze regeneratie- en reproductiekrachten is geworden. Want de mens is immers niet in staat om een verloren orgaan opnieuw te vormen. Rudolf Steiner beschrijft dan hoe dat deel van het menselijk lichaam dat hij het vormkrachten– en/of etherlichaam noemt, over deze krachten beschikt. Daarmee wendt hij zich echter niet meer tot het lichaam, maar tot de ziel. In de cultureel scheppende krachten die in het denken, voelen en willen van de mens leven, kunnen de krachten weer worden gevonden, die aan het lichaam ontbreken. Met behulp van deze kan de mens op dezelfde wijze gedachten tot een geheel vormen als de regenworm het met zijn lichamelijk organisme kan doen. De gedachte ligt voor de hand dat de krachten die het lichaam mist, omdat zij als cultureel werkzame krachten ter beschikking van de ziel staan, de oorzaak van de ziekten van de mens zijn. Omdat de mens een geestelijke wezen is, mist hij in het lichaam krachten die hij zou moeten hebben om onder alle omstandigheden gezond te zijn. Vandaar dat de geest van de mens de oorzaak van zijn ziekte is.

De geciteerde geesteswetenschappelijke uitspraak van Rudolf Steiner kunnen wij nu verder differentiëren. Want al naar gelang van de graad van bewustzijn die de mens in de verschillende ledematen van zijn lichaam ontwikkelt, zijn aan deze levenskrachten onttrokken. In het gebied van de stofwisseling slaapt de ziel en heeft het lichaam de meeste levenskrachten. In het bereik van de borstkas droomt zij en daarom ontbreken aan het lichaam meer levenskrachten dan in het stofwisselingsgebied. In het hoofd heerst het wakkere bewustzijn, zodat daaraan de meeste levenskrachten zijn onttrokken. Het hoofd als drager van het wakkere bewustzijn is daarmee ook de pool waarvan in principe de ziekte uitgaat. Hier worden de levenskrachten nagenoeg geheel tot het cultureel werkzame instrument, het denken. Het zou verwonderlijk zijn als van het stuk bovenzinnelijke waarheid over de mens dat wij zo hebben leren kennen, de mens in het oude Griekenland geen bewustzijn zou hebben gehad. Het zou kunnen zijn dat het geweldige beeld van Prometheus die vastgesmeed is aan de rots van de aarde, de Kaukasus, en aan wiens lever de adelaar vreet, een weten van het beschreven feit in de oude beeldentaal van het toenmalige bewustzijn vertolkt. Wanneer dus een dergelijk weten in het Griekse bewustzijn heeft geleefd, dan zou Epidauros als centrum van geneeskunst ook de plaats zijn waar een dergelijk weten werd beoefend. Zulke gedachten doen de vraag rijzen of de tholos zich niet tot het geheel van het complex van Epidauros verhoudt als het hoofd tot het menselijk organisme. Men kan er over nadenken welke verhouding de wezensdelen van de mens tot elkaar in het hoofd hebben. In de omgeving van het hoofd ligt het waarnemingsbereik van de mens. Hier zijn de zintuigen werkzaam die wij de ‘lange afstandszintuigen’ zouden kunnen noemen. Door te zien en te horen omvat de ziel van de mens, van het hoofd uitgaande, meer dan alleen het eigen lichaam en de grens tot de omgeving. In deze omgevings-zielenruimte leeft het wakkere Ik van de mens. Het Ik leeft eveneens wakker in het binnenste van het hoofd, wanneer het gedachten vormt. De denkprocessen die de instrumenten van het Ik bij de vorming van gedachten zijn, blijken, zoals wij gezien hebben, de metamorfosen van de werkzaamheden van het vormkrachtenlichaam te zijn, dat niet alleen aan de levensprocessen van de mens, maar ook aan de levensprocessen van alle andere levende organismen ten grondslag ligt. In de plant vinden wij de levensprocessen het zuiverst werkzaam, omdat geen ander wezensdeel over de activiteiten heen werkt. Zoals de plant de vorming van haar gestalte door bloesems en vruchten bekroond en afsluit, wordt ook de werkzaamheid van het vormkrachtenlichaam in het menselijke hoofd door de vorming van gedachten bekroond, die de goden waardig, dus waar zijn, omdat zij zich vruchtbaar tonen. Door deze gedachte kan men een begrip voor de tholos krijgen. Het in de omgeving levende Ik, dat zichzelf als rechtop en door een centrum bekroond beleeft, vindt zijn uitdrukking in de Dorische zuilen van de buitenste gang van de tholos. De muur van de cella zelf zou met de grens van de binnenste en buitenste zielenruimte vergelijkbaar kunnen zijn. Het denken, cultureel scheppende processen van het vormkrachtenlichaam, komt overeen met de Korinthische kapitelen in het binnenste van de cella, die van daar, overgaande op het met bloemen versierde cassetteplafond, naar buiten treden in de omgevingsruimte. Wij zouden dus op deze wijze in de tholos een architectonische vorm voor ons hebben, die volgens wetten is gebouwd welke wij vinden, als wij de samenhang van het Ik en het etherlichaam (vormkrachten) in het menselijke hoofd in beschouwing nemen. Evenals de mens zich met het in de kosmos levende zich verbindt, wanneer hij waarheden, dus genezend op het lichaam werkende gedachten denkt, is de tholos met het kosmische middelpunt, de zon, verbonden.
Zijn middenas, die door het midden van de tholos en het midden van de celadeur is bepaald, is ten aanzien van de oost-westrichting met 23½º naar het noorden verschoven, dus met dezelfde hoek die de aarde tegenover de ecliptica vormt. Zie hiervoor schets 4.

Een opmerkelijk feit is nog te constateren, als men de ligging van de hoofdas van het heiligdom in de beschouwing betrekt. Deze halveert de hoek die tussen de as van de tholos en de noordelijke richting bestaat (33¼°).

Zoals de tholos in de ligging van zijn as een zonnemaat vertoont, is dit ook bij de tempel van Asklepios het geval. Zijn symmetrieas loopt parallel met die van de tholos en wijkt eveneens 23½º af. Nog andere bouwwerken binnen het heiligdom lopen parallel met deze richting, maar wij kunnen hier niet op meer dan de reeds genoemde ingaan.

De tholos staat voor ons innerlijk oog als een bouwwerk, dat de wetmatigheden van het hoofd openbaart, d.w.z. de wetmatigheden welke de oorzaak van ziekten zijn. Het is mogelijk dat wij hiermede de plaats hebben gevonden, waar de priester-artsen van Epidauros hun kennis van ziekten hebben toegepast. Hiervoor vormt de tholos de meest waardige achtergrond, omdat hij als architectuur openbaart, wat de daarin werkzame mensen op het gebied van kennis zoeken. Het door de heilige slangen bewoonde labyrint onder de tholos is een noodzakelijke aanvulling tot het verkregen beeld. Het is de plaats die qua niveau lager ligt dan die, waar zich de gedachten bevinden, die de goden waardig zijn. Hij komt dus overeen met het aan de aarde gekluisterde denken, dat de mens in een duister labyrint leidt, wanneer de verbinding met de kosmos verbroken is en de weg van de geest niet meer wordt verlicht. (Het heiligdom van Epidauros geeft aanleiding om de zeker veelzijdige realiteit en betekenis van het labyrint ook eens van deze kant te bekijken. Zo was het mogelijk, dat de -zoals wij heden ten dage zouden zeggen- naar de diagnose zoekende priester-arts, het beeld van de ziekte, die genezen moest worden in het centrum van het tholos-labyrint zag, omdat de wezens, die de ziekte zijn, de zieke loslieten en de tholos binnen trokken. Zoals alle genezing niet van het hoofd uitgaat, maar van het middengebied van de mens, dat door zijn ritmen een harmonie teweegbrengt tussen de hoofd-mens en de stofwisselingsmens, die de substanties voor de genezing levert, zo gaat de imaginatie van de therapie, het beeld van de medicijn, van Asclepios uit, die zijn woning in de tempel heeft genomen. Deze tempel is door zijn ruimtelijke ligging even onafscheidelijk verbonden met de tholos, als diagnose en therapie het, tenminste in het oude Griekenland, waren. Op hetzelfde moment – zo zou men kunnen denken – dat de ziekte zich imaginatief aan de priester openbaarde, verschijnt aan de in het abaton slapende zieke, Asklepios, die uit mildheid zijn tempel verlaat, in het abaton de zieke bezoekt en de genezende artsenij brengt. Teneinde de genezingsslaap in het abaton te mogen houden, moest de zieke onder aanwijzing van de priester door oefeningen in een muzische en gymnastische disciplines, die in het stadion plaats vonden, alsmede door het opbouwen van een gezond gevoelsleven zijn bijdrage tot de therapie leveren. In het theater, zoals men mag veronderstellen, leert de patiënt het gevoelsleven harmoniseren, wanneer hij de grote tragedies beleeft, die de lotgevallen van mensen als voorbeelden vertonen. Hij beleeft, hoe mensen, subjectief gezien zonder schuld, door de wil van de Goden in hun lot verward raken, om de krachten te verwerven die zij voor hun ontwikkeling nodig hebben. De zieke moest dus zelf bij zijn genezing meewerken. Hij moest werkzaam zijn in dat deel van zijn organisatie, dat voor het wakkere bewustzijn ontoegankelijk is. Hij werkte aan het ledematen- en stofwisselingssysteem door lichamelijke oefeningen en daar, waar krachten tot in het voelende bewustzijn, tot naar het hart stijgen, door het genietend beleven van de dramatische kunst. De priester en arts greep vanaf het hoofd door het mededelen van oefeningsinhouden in het verloop van de ziekte in, opdat Asclepios vanuit het ritmische middengebied van het heiligdom, de tempel, de imaginatie van de therapie kon geven, wanneer de zieke, door de oefeningen te verrichten, de voorwaarde voor de genezing had geschapen. Dat was klaarblijkelijk dan het geval, wanneer in de ziel van de zieke de gezonde harmonie tussen denken, voelen en willen zodanig was hersteld, als deze in het heiligdom van Epidauros architectonisch uitdrukking vindt. Wanneer deze toestand was hersteld, was de door de inscriptie op de Propyleeën genoemde eis vervuld en mocht de zieke Asclepios zijn offer brengen; de priester gaf toestemming tot de slaap in het abaton.

Het meest gebruikte en ook meest geschikte offer voor Asclepios was de haan. Zoals de mythologie overlevert, zijn haan en slang twee natuurbeelden die nauw met de werkzaamheid van Asclepios zijn verbonden. In het volgende zal een poging worden ondernomen ook deze twee beelden in onze huidige taal te vertalen. Hiertoe kan de natuurwetenschap vanuit een bepaald aspect bijdragen. De vogels, waartoe de haan behoort en de reptielen, waartoe de slang wordt gerekend, worden door de zoölogische systematiek samengevat tot de afstammelingen van de Sauriërs, de Sauropsiden. In tegenstelling tot alle andere diersoorten hebben de Sauropsiden één merkwaardigheid met de mens gemeen, die, omdat deze op het eerste gezicht profaan is, niet in deze samenhang lijkt te passen. Mensen en Sauropsiden scheiden in de urine niet alleen urinestof uit, zoals alle andere dieren ook doen, maar bovendien urinezuur. Urinezuur kan door sommige in de woestijn levende slangen zelfs in kristallijne vorm worden uitgescheiden. Dit is een indicatie dat urinezuur een stof is die zich graag wil kristalliseren. In de fysiologie weet men dat in het menselijk organisme een geheel chemisch systeem wordt opgebouwd dat de kristallisatie van urinezuur verhindert. Daarbij komt het feit, dat de mens een heel bepaalde en individueel verschillende spiegel van opgelost urinezuur in zijn organisme behoudt. Rudolf Steiner, naar wie nog eens mag worden verwezen, heeft in gesprekken artsen gestimuleerd de veranderingen in de afscheiding van urinezuur door denkprocessen te onderzoeken. Aan deze suggestie heeft G.Suchantke gevolg gegeven. [2] De toenmalige intentie was het verband van denkprocessen met de overwinning van kristallisatieprocessen te willen bewijzen. De denkkracht die door haar verbindende werkzaamheid begrippen samenvoegt, hangt samen met het ontbinden van natuurlijke substanties, d.w.z. van zouten. Zoals de opbouw van de menselijke lichaamsorganisatie erop berust dat natuurlijke substanties door de spijsvertering worden afgebroken en vernietigd, heeft ook de op denkprocessen gerichte culturele kant van de menselijke levensorganisatie klaarblijkelijk deze grondslag nodig. De in het hoofd aanwezige zenuwen zijn dan op dezelfde wijze het werkinstrument van het vormkrachtenlichaam bij deze werkzaamheid als de met darmen gevulde buikholte het instrument is van het vormkrachtenlichaam bij de natuurlijke processen. Evenals de spijsvertering niet alleen door de werkzaamheid van de darmen is beschreven, maar daartoe het voedsel nodig is, kunnen ook de denkprocessen niet alleen door de werkzaamheid van de hersenen worden beschreven. Pas wanneer wij de overwinning van de kristallisatiekrachten van het urinezuur er aan toevoegen, hebben wij de gehele grondslag van de denkactiviteit. Het licht dat de mens in het hoofd kan ontsteken, is zonder zijn op ontbindingsprocessen gebaseerde organische grondslag niet mogelijk.

De vogels en in het bijzonder de zangvogels hebben een transparant schedeldak. Speciaal de oogholten zijn toegankelijk voor het licht. Men weet tegenwoordig, dat het in de ogen en hersenen van de vogels schijnende zonlicht de klierwerkzaamheid van de hypofyse stimuleert. Dit geschiedt vooral door de lengte van de dag en zijn cyclische verandering in de loop van het jaar. Het zingen van de vogels in de lente, maar ook het trekinstinct van de trekvogels wordt op deze wijze gestimuleerd. De ochtendzang in het voorjaar begint precies op de minuut volgens de plaatselijke tijd. De merel b.v. begint 43-44 minuten voor zonsopgang, het roodborstje 34 minuten, de tortelduif 27 en de blauwkopmees 9½ minuten voor zonsopgang. Portmann geeft in zijn boek “Von Vögeln und Insekte”[3] waaraan deze cijfers zijn ontleend een beschrijving en samenvatting van hetgeen over de lentezang en zijn oorzaken met zekerheid kan worden gesteld. De vogels zijn met hun door de zon doorlichte hersenen natuurbeelden voor gedachten, de goden waardige gedachten, die de mens door zijn wil om te denken kan voortbrengen, De door de denkwilskracht in het binnenste ontstoken zon heeft voor haar schijnen evenzeer het correlaat van het urinezuur nodig, als de kosmische zon, wanneer deze door het transparante schedeldak het jubileren van de vogels uitlokt. Het urinezuur is de substantie, waardoor het geest-dragende wezen van de mens en het zielenwezen van de vogels zich voor het zonlicht ontvankelijk maken.

De slangen hebben hun schedel door de vorming van hoornsubstantie verduisterd. Alleen boven de pijnappelklier bevindt zich in het schedeldak een gat, misschien een aanduiding voor datgene wat bij hun val ter aarde verloren is gegaan. Dit gat in het schedeldak toont, dat de slangen volgens hun oorsprong voor het ontvangen van zonlicht zijn gevormd. Door zich van de inwerking van de zon af te sluiten zijn zij koud (wisselwarm) gebleven en hebben geen individueel warmte-organisme gevormd. De koude – zo kan men het zien – is de oorzaak dat de hoornsubstantie bij de slangen zich tot pantser heeft ontwikkeld, die het reptiel in zijn eigen organisme gevangen houdt en tegen de zonnewerking afschermt. Bij de vogels die over het warmte-organisme met de hoogste temperatuur in het gehele dierenrijk beschikken, heeft de hoornsubstantie zich tot veren omgevormd, is luchtig-licht tot drager van kleuren en tekeningen geworden, waarop is afgebeeld wat uit het zonlicht werd ontvangen. De koude, aan de duistere aarde gebonden slang, die uit oeroud, verloren gegane verwantschap met de vogelwereld het urinezuur als organische grondslag voor het ontvangen van het licht nog in het organisme draagt, is een natuurbeeld voor dat denken in het menselijke hoofd, dat de goden onwaardige, aan de aarde gekluisterde gedachten denkt. Dat zijn gedachten die voor het geestelijke deel van de wereld blind zijn, die geen genezend licht in het organisme ontsteken, die geen zielenwarmte voortbrengen. Zij leiden tot koude van de ziel en tot ziekte en vormen een zielenpantser, zoals de slang dit fysiek heeft. Zo is de slang een beeld van het materiegebonden denken. Het zich verwerven van deze wijze van denken is een ontwikkelings-historische noodzakelijkheid voor het mensdom. Hoe had de mens tot een individueel Ik, tot een zichzelf-leiden kunnen komen, als de goden hem niet hadden losgelaten? De loodrechte staf van Asklepios en de Dorische zuil van de tholos in Epidauros, zijn beelden van het vrije Ik, dat zonder de er omheen kronkelende slang niet tot zichzelf zou zijn gekomen. De staf omstrengeld door de slang, is een groots mythologisch beeld voor de zichzelf bewuste en derhalve aan ziekten blootgestelde mens.

Asklepios aanvaardt het offer van de haan, de vogel die op aarde heeft leren lopen, zonder, zoals zijn kraaien in de ochtend toont, de relatie met de zon te hebben verloren. Dit offer neemt Asklepios aan van degene die de werking van de ziekte, van de donkere zielenkrachten in zichzelf wil overwinnen.

“Kriton, wij zijn aan Asklepios een haan verschuldigd, ga en offer hem, vergeet het niet!”, dit zijn de laatste woorden van Socrates, toen hij de gifbeker reeds had gedronken; deze woorden verkrijgen hun oude klank, hun ware betekenis pas, wanneer wij ze tegen de hier geschetste achtergrond kunnen zien. Het door eigen schuld aan het lichaam toegevoerde vergif kan Asklepios geestelijk in de ziel genezen, wanneer de mens zelf de brug naar de geestelijke wereld niet wilde verliezen. Zo is ook voor Socrates de haan een natuurbeeld voor de kracht waarmee hij in het uur de geestelijke zon zocht.

De hedendaagse mens heeft zich zijn individuele Ik verworven, en de wereld van de goden verloren. Het aan zichzelf overgelaten mensdom heeft reeds te lang geaarzeld om de verloren draad weer aan te knopen, uit eigen kracht de weg terug te zoeken, om de goden als een vrij individu weer tegemoet te treden. Deze draad kan alleen daar weer worden aangeknoopt, waar zich iets goddelijks in het binnenste heeft gevormd, toen de goden in de buitenwereld verloren gingen. Dit is de kracht van het Ik, die warmte en licht in de gedachten kan brengen, opdat uit eigen kracht tot een kleurig verenkleed wordt wat anders slechts een koude slangenpantser is. Deze kracht van innerlijke verandering te oefenen en te scholen is een geneesmiddel voor de aan de ziel toegebrachte schade van onze tijd, zij is Asklepios in onszelf.

1. GA 312, de blz. is niet vermeld
Vertaald
[2] G.Suchantke: Über den Zusammenhang des Seelisch-Geistigen im Menschen mit seiner Leibesnatur, Natura, 1929/30
[3] Portmann: “Von Vögeln und Insekte”,(Uitg. Fr.Reinhardt,Basel,o.J.)

.
Artikel lijkt een bewerking – auteur onbekend – van een hoofdstuk uit ‘Die Quellen der Kunst, Thomas Göbel

.

Kunstgeschiedenis: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

.

1703-1597

.

.

.

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (2-4)

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit. 
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.

Weerbaar de winter in

Verkoudheid, gezwollen neusamandelen en oorpijn: zodra de bladeren gaan vallen, zijn ze present in het leven van het kleine kind. Vooral peuters lijken geen kans onbenut te laten om elkaar aan te steken. Wat kun je eraan doen – en wat moet je vooral niet doen – om je kind weerbaar de winter door te helpen?

Soms kun je er wanhopig van worden. De ene verkoudheid van je kind is nog niet over of de volgende kondigt zich met hangerigheid en een beetje verhoging alweer aan. Je vraagt je af waarom juist jouw kind toch voortdurend wordt aangestoken. Hoe komt het toch dat hij zo weinig weerstand heeft en zo slecht in zijn vel zit?

Ziek zijn is voor een klein kind eigenlijk heel normaal, zeker als je bedenkt dat je kind op zijn eigen manier bezig is om juist beter in zijn vel te komen. Iedere infectie die hij oploopt geeft hem de gelegenheid zijn immuunsysteem te oefenen en zijn weerstand en weerbaarheid op te bouwen. Als je zo tegen je zieke kind kunt aankijken, ligt het voor de hand dat je niet altijd meteen in de weer gaat met krachtige geneesmiddelen om de ziekte snel te bestrijden. Wat niet wegneemt dat je hem kunt proberen te helpen om zijn weerstand te vergroten. Daarvoor is het belangrijk uit te gaan van de aard van je kind.

Wisselbaden

Het niet zo beweeglijke kind dat eten een feest vindt en regelmatig een beetje zit weg te dromen, heeft vaak snel ontstoken amandelen, opgezette klieren en een snotneus. Het lijkt wel of de stofwisseling, die bij hem graag en veel aan het werk is, zich niet tot zijn buikje weet te beperken, maar zelfs tot in zijn koppie werkzaam is. Je kunt hem helpen die woekerende stofwisseling een beetje in het gareel te krijgen door hem zure voeding te geven; dus geen zoete melkproducten, maar yoghurt en karnemelk. Zo nu en dan een zoutbad helpt hem ‘er wat meer bij’ te zijn. (In het vorige nummer [op deze blog in dit artikel] kun je lezen over het hoe en waarom van therapeutische baden voor kinderen.)

De overwakkere spring-in-het-veld, die door zijn rusteloosheid snel een beetje buiten zichzelf is, heeft meestal een warm hoofdje maar koude voetjes. Zelfs als hij koorts heeft, zijn zijn voetjes nog koud. Weerstand opbouwen betekent bij zo’n kind: zorgen dat de warmte evenwichtiger over zijn lichaam wordt verdeeld. Dat kun je voor elkaar krijgen door zijn voetjes wisselbaden te geven. Daarvoor heb je twee bakken nodig, een badthermometer, een badhanddoek en een paar warme sokken.

Vul een bak met water van 38 graden waar het kind vijf minuten met zijn voetjes in gaat. Dompel ze vervolgens tien tellen in de andere bak die je hebt gevuld met koud water. Warm intussen het eerste badje op tot 40 graden en laat hem daar weer 5 minuten in. Tot slot gaat hij met zijn voetjes nogmaals tien tellen in het koude water. Droog ze goed af en laat je kind op dikke sokken wat rondlopen. Bij een heel ongedurig kind kun je aan het warme voetbad een dopje Lavendelbad toevoegen. Dan kun je er zeker van zijn dat hij met warme voeten naar bed gaat en lekker zal inslapen.

Voedingsbad

Als een kind werkelijk chronisch tegen ziek zijn aansuddert, kun je ook voedingsbaden overwegen. Een voedingsbad kun je eigenlijk altijd aan een kind geven als hij het om wat voor reden dan ook zwaar te verduren heeft. Bijvoorbeeld omdat hij verzwakt is na een kinderziekte als kinkhoest of een longontsteking, maar ook na schokkende ervaringen als een auto-ongeluk. Een voedingsbad mag nooit warmer zijn dan 37 graden.

Hoe maak je het? Aan het badwater voeg je een halve liter melk toe waarin een ei is losgeklopt. Snijd onder water een citroen in partjes en pers het sap eruit. Het water flink omroeren en het kind erin zetten.

Laat het 10 minuten lekker spelen met de citroenschillen, dep het droog en stop het onder de wol. Of het nu voor het middagslaapje is of ’s avonds voor het naar bed gaan, na een voedingsbad is absoluut bedrust nodig.

Voedingsbaden geef je meestal als kuur om de paar dagen met een totaal van zeven keer. Het is een ritueel dat in eerste instantie misschien wat wonderlijk overkomt, maar zulke baden hebben een zeer versterkende werking op het hele organisme.

Vitamines

Het geven van extra vitaminepreparaten is overbodig als een kind goede voeding krijgt. Alle kinderen hebben wel eens een periode dat ze niets eten. Dat is geen ramp.

Maar als dat langdurig het geval is kun je wel overwegen wat extra vitaminen te geven. Hetzelfde geldt voor de A-D druppeltjes. Op het consultatiebureau worden ze uit routine voorgeschreven ter voorkoming van rachitis. Dat is een begrijpelijke, maar ook een wat ongenuanceerde benadering. Een kind dat ’s zomers voldoende buiten is en ’s winters als hij buiten is zijn muts niet helemaal over zijn voorhoofd heeft getrokken zodat die aan het daglicht is blootgesteld, heeft geen extra A-D nodig.

Huisapotheek

Er zijn een paar milde geneesmiddelen waarvan het zinvol is ze in je huisapotheek te hebben, omdat ze je kind bij de opbouw van zijn weerstand kunnen helpen.

Anaemodoron zorgt ervoor dat het ijzer in de voeding beter door het lichaam wordt opgenomen. Dat is niet alleen goed voor slechte etertjes, maar ook voor kinderen die voortdurend verkouden zijn omdat ze vaak ook wat bloedarmoede hebben.

Het is zinvol om Kinfludo bij de hand te hebben als je kind vaak grieperig is. Geef het niet preventief, want het kan griep niet voorkomen. Maar is het eenmaal zover, dan kan het heel heilzaam werken.

Voor de hoest is er Hoestelixer of Echinacea hoestdruppels. En met een klein beetje Neuscrème kan je verkouden kind ook weer wat opgeluchter ademhalen.

.

Petra Weeda met dank aan George Maissan, huisarts, Weleda Puur Kind herfst 1998 nr. 2

.

Petra Weeda, Weleda Puur Kind nr.1, lente 1998

.
ontwikkelingsfasenalle artikelen

menskunde en pedagogiealle artikelen

opvoedingsvragenalle artikelen

*Dit is geen commerciële blog; onderstaande afbeeldingen zijn niet op verzoek van Weleda geplaatst.

Ik ben een groot deel van mijn leven al blij met Weleda! Van veel producten heb ik de weldadige werking mogen ondergaan. Maar ook onze kinderen, zolang ze thuis woonden. En op school. Hoe vaak heb ik geen builen, kneuzingen e.d. snel kleiner en minder pijnlijk zien worden door de niet genoeg te prijzen Arnicazalf, b.v.
Daarom, als een soort eerbewijs en tegelijkertijd een vorm van dankbaarheid dat het bestaat, zal ik in deze artikelenreeks over het jongere kind af en toe een genoemd product als afbeelding toevoegen.

1702-1596

.

.