Categorie archief: vrijeschool didactiek

VRIJESCHOOL – Is de vrijeschool een antroposofische school? (3-3)

.

over de ochtendspreuk van de hogere klassen

IS DE VRIJESCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL?

Deze vraag stelt Luc Cielen, leerkracht met een zeer lange praktijkervaring waarvan een deel bij de Federatie van steinerscholen in België; het grootste deel op scholen die hij zelf oprichtte en waar hij de vrijeschoolpedagogie op zijn manier en met zijn gezichtspunten in de praktijk bracht.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. zijn praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site LUXIELEN in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

In zijn eerste artikel zegt hij:
‘Is de steinerschool een antroposofische school? In vele opzichten niet, maar de wetenschappelijke vakken zijn wel sterk getekend door de antroposofie. Er is werk aan de winkel om de steinerscholen hiervan te bevrijden. Ik probeer al vele jaren de steinerleerkrachten hiervan bewust te maken, maar dit dringt moeilijk door. Dat Steiner zelf meer dan eens gezegd heeft dat er geen antroposofie in de school mag komen, is een uitspraak van hem die blijkbaar niet gehoord wordt.’ 

Luc is in de reeks van inmiddels 11 artikelen tot de conclusie gekomen dat er ‘een te groot antroposofisch keurslijf’ is waaruit – volgens hem – de scholen zich moeten bevrijden.’

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft veel voorbeelden van wat in zijn optiek antroposofie in het vrijeschoolonderwijs is.

Hij begint zijn 3e artikel als volgt: (cursief)

DE OCHTENDSPREUK IN DE STEINERSCHOOL

Ook al heeft Rudolf Steiner herhaaldelijk gezegd dat er in de Waldorfschool (= Vrijeschool = Steinerschool) geen antroposofie gegeven wordt – in zijn eigen woorden: ‘We zullen in onze lessen geen antroposofische dogma’s onderwijzen’, toch heeft hijzelf van bij het ontstaan van de school zijn antroposofische leer in de school binnengebracht. In mijn blog Is de steinerschool een antroposofische school? deel 1 van 20/01/2017 heb ik drie voorbeelden gegeven van hoe zijn mens- en wereldbeeld toch aanwezig is in de leerstof. In mijn blog van 2 februari 2017 heb ik de ochtendspreuk in de eerste, tweede en derde klas (groep 3,4 en 5) onder de loep genomen. In dit derde deel komt de ochtendspreuk voor de klassen 4 tot en met 12 aan de beurt.

Hoe anders je hiernaar ook kan kijken, heb ik verwoord in:
over geschiedenis [1]   [2]
dierkunde
plantkunde
de ochtendspreuk voor de lagere klassen

In de ochtendspreuk die dagelijks bij aanvang van de schooldag door de leerlingen gezegd wordt onder leiding van de leerkracht, klinkt duidelijk de antroposofische leer door.

De tekst van de ochtendspreuk voor de klassen 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11 en 12. Dit zijn de hoogste drie klassen van de lagere school en alle klassen van de middelbare school (voortgezet onderwijs).

In tegenstelling tot de spreuk voor de klassen 1-2-3 is de Nederlandse tekst van deze spreuk minder aan varianten onderhevig. Slechts hier en daar zijn er kleine verschillen.

De tekst hieronder heb ik gevonden op www.steinerschoolantwerpen.be(2016). Varianten staan er tussen haakjes naast. De Nederlandse variant komt van de site van de Utrechtse Vrijeschool (2010).

Ik zie rond in de wereld,
waarin de zon haar licht zendt,
waarin de sterren fonkelen,
waarin de stenen rusten,
de planten levend groeien,
de dieren voelend leven,
waarin de mens bezield
de geest zijn woning geeft; (de geest een woning geeft)

Ik schouw diep in mijn ziel, (NL: Ik schouw diep in de ziel)
die binnen in mij leeft,
De Godesgeest, hij weeft
in zon- en zielenlicht,
in wereldruimten buiten,
in zielendiepten binnen.

Tot u, o Godesgeest,
wil ik mij vragend wenden,
dat kracht en zegen, (dat kracht en zegening) (NL: dat in mij kracht en zegen)
voor leren en voor arbeid,
zich in mijn ziel ontplooien. (NL: tot wasdom moge komen)

De originele Duitse tekst van Rudolf Steiner uit 1919 ziet er zo uit:

Ich schaue in die Welt
In der die Sonne leuchtet,
In der die Sterne funkeln,
In der die Steine lagern,
Die Pflanzen lebend wachsen,
Die Tiere fühlend leben,
In der der Mensch beseelt
Dem Geiste Wohnung gibt.

Ich schaue in die Seele
Die mir im Innern lebet.
Der Gottesgeist, er webt
Im Sonn’- und Seelenlicht
Im Weltenraum, da drauβen
In Seelentiefen drinnen.

Zu Dir, o Gottesgeist,
Will ich bittend mich wenden
Dass Kraft und Segen mir
Zum Lernen und zur Arbeit
In meinem Innern wachsen.

Over het ontstaan van de ochtendspreuk:
Rudolf Steiner over de ochtendspreuk

De aanhef van deze spreuk geeft een opsomming van de vier natuurrijken – minerale rijk, plantenrijk, dierenrijk, mensdom – met wat extra kosmische verwijzing naar zon en sterren. Al lijkt dit een objectieve opsomming, toch is dit niet zo, want alleen de mens blijkt een ziel te hebben. Daarmee is dan ook meteen het onderscheid tussen mens en dier gemaakt zoals dit in de antroposofie – en in sommige filosofische strekkingen en religies – gemeengoed is.

Beste Luc,
Als ik op je andere blog de vele citaten zie uit het werk van Steiner, verbaast het me dat je schrijft: alleen de mens blijkt een ziel te hebben. Je kan er toch moeilijk overheen gelezen hebben, dat we de ziel gemeen hebben met het dier. Weliswaar in beperkte mate: het gaat vooral om de gewaarwordingsziel, maar daar gaat het nu niet om. Wat je hier schrijft is niet waar. Het onderscheid ligt erin dat de mens een Ik-zegger is, het dier niet. Wezenlijk is in deze ook niet of dit nu ‘objectief’ is vastgelegd of niet: iedereen zal desgevraagd moeten erkennen dat hij een Ik-zegger is, simpelweg, omdat hij het dagelijks vele malen doet. Het is een realiteit. En dat hebben we al eens gehad: als antroposofie de realiteit beschrijft: wat is daar op tegen. Wie kan er iets hebben tegen het beschrijven van wat waar is; toch alleen maar iemand die de leugen liever heeft?
Ik zie je absoluut niet als iemand die de leugen liever heeft. Ik geef er alleen mee aan, dat ik je formulering ongelukkig vind.

Maar ik zie toch nog twee niet onbelangrijke onvolkomenheden in deze opsomming.

1. De stenen rusten. Voor een oppervlakkige beschouwer lijkt het inderdaad of de stenen gewoon liggen of rusten. Maar in feite is dat niet zo: stenen ondergaan vele invloeden van klimaat, weer, bewegingen van de aardkorst, waterstromen enz. Denk bijvoorbeeld aan kalk, dat in overgrote mate aanwezig is op aarde. Dit gesteente rust absoluut niet. Het is continu aan verandering onderhevig. Bovendien is het zelf uit levende wezens ontstaan en wordt het ook voortdurend door levende wezens opgenomen en uitgescheiden. Maar zelfs basalt en graniet – oergesteenten van de aardkorst – zijn voortdurend in beweging, al lijkt dat binnen de duur van een mensenleven dikwijls niet zo. Gesteenten, onder de vorm van mineralen, maken trouwens inherent deel uit van het leven op aarde. Planten, dieren en mensen nemen mineralen op en geven die ook af.

Maar dit, Luc, is precies wat Steiner meer dan 100 jaar geleden al zei: de stenen bewegen niet van binnenuit, maar als ze bewegen, of dit nu snel is: vallend of langzaam eroderend: de aanzet daartoe komt van buiten. Het feit dat de minerale wereld door levende wezens opgenomen en uitgescheiden wordt, wijst niet op de actieve werking van de ‘stenen’, maar op de activiteit van het levende organisme dat opneemt, verteert en uitscheidt. Ze zijn niet in beweging: ze WORDEN bewogen: dat is hier bedoeld met ‘rusten’. Het woord is volkomem juist gekozen.
Bovendien, we hebben hier te maken met een spreuk die boven het alledaagse wil staan, die het op een bijzondere manier wil zeggen.
Die bijzondere kant van ‘rusten’ zien we ook waar mensen vol respect spreken over hun geliefde overledene: zij/hij ruste in vrede!
Iedereen weet wel dat ook daar de processen niet stilstaan: maar daar denken we toch niet aan als we voor een grafsteen staan waar op staat: “Hier rust….”, ook al is die steen jaren geleden geplaatst.

Nee, Luc, ik kan er ‘geen onbelangrijke onvolkomenheid’ van maken. Ik zie de onvolkomenheid allereerst in je betoogtrant.

Nu signaleer je nog een tweede onvolkomenheid:

De planten levend groeien, de dieren voelend leven. En waar zijn de zwammen? In Steiners dagen werden de zwammen nog tot de planten gerekend, maar dat is nu al vele decennia niet meer zo. De spreuk is dan ook niet volledig, er zou tenminste één regel over de zwammen moeten toegevoegd worden. Zoals de tekst nu luidt, zeggen de leerlingen gedurende negen jaar een opsomming die niet correct is.

Jij hebt het opgeschreven, dus moet het voor jou wel een serieuze aangelegenheid zijn: waar zijn de zwammen? En waarom dan ook niet: waar zijn de blauwalgen die niet tot de algen worden gerekend, maar tot de bacteriën, waar zijn de virussen, de microben. Alsof er in de bovenbouw niet zou worden stilgestaan bij allerlei vormen van leven die niet in de spreuk staan.
De spreuk is geen leerstof!
De plantkunde in klas 5 is ook niet in de eerste plaats wetenschap, al worden er al heel veel wetenschappelijke feiten geleerd: het gaat om een verbinding tussen kind en wereld:
Steiner: (over plant- en dierkunde (blz. 127) als eerste kennismaking): ‘We hoeven hier niet op de details in te gaan, omdat we hier niet met gewone wetenschap, maar met pedagogie te maken hebben.’

Dat lijkt mij voor de spreuk ook te gelden. Die vier rijken volstaan volkomen!

Dat de dieren een gevoelsleven hebben, kunnen we gemakkelijk vaststellen, maar hebben de planten dan geen gevoelsleven? Steiner wil duidelijk een gradatie aanbrengen:

De stenen doen niets, die liggen er maar;
De planten leven (hier is er nog geen sprake van voelen);
De dieren voelen (ze leven dus én voelen, maar hebben geen ziel);
De mens heeft een ziel (de mens leeft, voelt én heeft een ziel).

Je begripshantering klopt hier eveneens niet: de dieren voelen: dat is hun ziel; de mens heeft daarnaast zijn Ik.

Na de opsomming van de natuurrijken (zij het zonder de zwammen) volgt het summum: het rijk van de geest: waarin de mens bezield de geest een woning geeft. De geest staat dus boven alles. Tegelijk wordt hier een antroposofische geloofsbelijdenis uitgesproken: de ziel van de mens is de woning van de geest. In Vlaamse steinerscholen zegt men meestal: de geest zijn woning geeft. Hiermee zegt men expliciet dat de geest een wezen is dat in de ziel van de mens woont, en lijkt het ook alsof de geest niet zonder die mensenziel kan, want hij heeft haar nodig zoals de mens een woonstee nodig heeft.

Het spijt me, Luc, maar opnieuw vergis je je. Je kan niet spreken van ‘een summum; de geest staat niet boven alles. Wie Steiner bestudeert, komt al gauw tot het inzicht dat we als geest niets zijn zonder de materie. Hadden wij geen materieel lichaam: als denkende entiteit zou een bestaan onmogelijk zijn.
En ‘de geest een woning geven’ is niet, dat ‘de ziel de woning van de geest’ is: de hele mens is dat. Je kan ‘de geest’ ook niet ergens in de mens localiseren. Hoewel er nog onderscheid is te maken tussen Ik en geest, hier wordt toch vooral het wezen van de mens, zijn individualiteit, bedoeld. 

En een geloofsbelijdenis: al helemaal niet: de uitdrukking ‘ik zit lekker in mijn vel’, ‘ik zit er niet zo in’, en voor sommigen, kort na het wakker worden: ‘Ik ben er nog niet helemaal’, duiden klip en klaar op de betrekking ik-lichaam. Natuurlijk wordt dat ook weer poëtischer in de spreuk uitgedrukt.
En in deze tijd blijkt dat er mensen zijn die ‘zich niet thuis voelen in hun lichaam’ en die dit zelfs willen laten veranderen om er zich wél in thuis te kunnen voelen. Thuis, Luc, dat is je woning.
Wie zich niet laat verblinden door vooroordelen en zijn ogen en oren openhoudt, vindt overal in de wereld aanknopingspunten voor wat Steiner lang geleden al benoemde.

In de tweede strofe wordt het antroposofisch gedachtegoed klaar en duidelijk uiteengezet. In de ziel van de mens leeft (weeft) de geest van God net zoals hij in de wereld en in de kosmos werkt.

Die tweede strofe vereng je m.i. te veel tot antroposofisch gedachtegoed. Veel meer beleef ik er een religieuze stemming in die we in talloze christelijke godsdienstrichtingen terug vinden.
Ik heb in mijn artikel ‘Rudolf Steiner over de ochtendspreuk’ ook naar voren gebracht dat het er aanvankelijk op lijkt, dat de spreuken bedoeld waren voor het antroposofisch godsdienstonderwijs, dat op vraag van de ouders zou worden gegeven die dat voor hun kind(eren) wilden, i.p.v. geen godsdienstonderwijs, of het katholieke, dan wel het protestantse. En daarom kan ik je volgende opmerking wel begrijpen:

De derde strofe is een gebed tot die goddelijke geest met de vraag om de mens kracht te geven om te leren en te werken. En tegelijk is het een vraag om dit leren en dit werk te zegenen. Op de site van de Antwerpse Steinerschool staat nochtans dat deze spreuk geen gebed is: ‘Dit bezinnen met een spreuk onderscheidt zich in wezen van het gewone bidden, dat een bijzonder geloof veronderstelt.’

In dit geval de Antwerpse school, maar er zullen zeker andere scholen zijn met dezelfde opvatting of weer net iets anders. Bezinning, gebed, meditatie: het ligt allemaal dicht bij elkaar.

Gaat het in deze spreuk dan niet om een geloof? Volgens de antroposofen inderdaad niet want antroposofie is geen geloof, maar een wetenschap van de geest. Helaas is antroposofie een wetenschap die slechts door één persoon bedreven werd en nog nooit door anderen herhaald is, ondanks het feit dat Steiner een ‘methode’ heeft gegeven om net als hem tot inzicht in de geestelijke wereld te komen. Dit wil zeggen dat iedere antroposoof een gelovige is die aanvaardt dat wat Steiner over de geestelijke wereld zegt, waarheid is.

Als ik zou moeten aangeven waar ik ‘geloof’ in de spreuk zie, is dat in deze derde strofe. In de rest dan niet? Voor mij zeker niet! Wat jij hier zegt over ‘dat het door anderen nooit herhaald is’ heb ik ook al enkele malen bij andere gelegenheden geschreven. Ik weet van geen mensen die door de scholingsoefeningen van Steiner tot hetzelfde inzicht – de helderziende waarneming’ – zijn gekomen.
Maar Steiner geeft nog een andere weg. Die past meer bij mij. Het verifiëren langs een meer logisch denkende, beschouwende weg, zijn uitspraken in de praktijk van het leven verifiërend. En dan kom ik vaak tot verrassende uitkomsten. Dat is toch niet hetzelfde als de ‘gelovige’ waar jij het over hebt. Want wat ik niet als mijn realiteit kan overzien, is mijn realiteit niet en  ik ga niet mijn of een, laat staan ‘de’ realiteit verkondigen, omdat Steiner dat nu eenmaal zo zei.

Is het gerechtvaardigd dat men kinderen en jongeren gedurende negen jaar dagelijks deze geloofsbelijdenis laat opzeggen?

Wie je artikel tot het eind heeft gelezen, weet dat je deze vraag ontkennend beantwoordt, maar door het woord ‘geloofsbelijdenis’ kleur je m.i. het antwoord al van tevoren in. En daar doe je nog een schepje bovenop door te stellen:

Omdat het zeggen van de ochtendspreuk een verplichting is in de steinerscholen, verkondigen kinderen en jongeren gedurende negen jaar dagelijks deze antroposofische mens- en wereldvisie. Een schooljaar telt gemiddeld 180 schooldagen. Negen jaar maal 180 is 1.620. De leerlingen zeggen dus 1.620 keer in hun jonge leven deze antroposofische tekst. Noemt men dat niet indoctrinatie?

Evenals in je artikel over de morgenspreuk in de lagere klassen kom je hier met de vraag of dit geen indoctrinatie is. Het is nog een vraag, maar wel met een retorisch karakter.
Ik antwoordde erop: Nee, voor mij is dit geen indoctrinatie. Wat voor boosaardig voordeel zou ik ervan hebben, kinderen te indoctrineren? Kan ik überhaupt een mens te kort doen als ik hem zie als een goddelijk-geestelijk wezen, als die unieke mens die ik hier op aarde een poosje begeleiden mag?

Gelukkig beseffen de meeste leerlingen niet wat er gezegd wordt in deze spreuk. Ofwel omdat ze te jong zijn om de inhoud ervan te begrijpen ofwel omdat ze er als puber of adolescent geen belang aan hechten. Mijn kinderen vonden het een van de eigenaardige gewoonten van de steinerschool – te vergelijken met het kruisteken in de katholieke scholen – en hechtten er verder geen belang aan, al kunnen ze twintig jaar na afzwaaien de tekst nog bijna volledig uit het hoofd opzeggen.

Ook dat opperde je al en ook nu zeg ik: ‘Waarom is het gelukkig dat leerlingen dat niet begrijpen. Hoe kan een leerkracht blij zijn wanneer hij met leerlingen iets doet en ze snappen het niet?
En pubers, uiteraard, geen huisje is heilig en dat ze daar lucht aan geven bij vrijwel alles, dus ook bij een spreuk, is nog geen reden om dat ten nadele van de spreuk uit te leggen.

Ondanks de verplichting tot het zeggen van de ochtendspreuk heb ik me – leraar zijnde in steinerscholen – al meer dan twintig jaar niet aan die verplichting gehouden omdat ik het niet eens ben met de inhoud ervan. Men kan toch moeilijk van een leerkracht verlangen dat hij dagelijks zijn eigen inzichten en overtuigingen overboord gooit en iets verkondigt waar hij niet achter staat.

Je hebt het volste recht om het met iets eens of oneens te zijn. En juist bij deze zaken gaat het om wat Steiner zo vaak het imponderabele noemt. Verkondigen waar je niet achter staat, het wellicht als leugen beleven, dat moet je niet willen uitstralen bij leerlingen.

De steinerscholen beweren trouwens dat ze opvoeden tot vrije mensen – of zoals een steinerschool zich propageert: Kind mogen zijn om vrij mens te worden – dan moeten ze ook accepteren dat leerkrachten die zover gekomen zijn ook afstand mogen (moeten) nemen van geloofsovertuigingen die niet de hunne zijn.

Dat ben ik met je eens. Maar bij dat accepteren hoort m.i. wel dat je opstapt. Hoe zou je op een school kunnen werken waar het opgroeiende kind als een unieke geest, individualiteit wordt gezien, wanneer je de geest ontkent?

Je wordt toch ook geen lid van een voetbalclub, omdat je handbal zo geweldig vindt?

.
Rudolf Steiner over: de ochtendspreuk

de ochtendspreuk [2]   [3]

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

Meer commentaren op Luc Cielens artikelenreeks: is de vrijeschool een antroposofische school:

[1-1geschiedenis [1]
[1-2geschiedenis [2]
[1-3] dierkunde
[1-4plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[4] meer spreuken
[5] nog meer spreuken
[6] en nóg meer spreuken
[7] het schoollied
[8] atheïst of agnost: kun je dan vrijeschoolleerkracht zijn?
[9jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

.

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

.

1392-1303

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde (GA 305)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

RUDOLF STEINER OVER DIERKUNDE

GA 305  5e voordracht blz. 170-173
Vertaald: Opvoeding en onderwijs

blz. 107

Ganz anders muß es, und zwar etwas später, an die Tierwelt heran­geführt werden. Wiederum, die einzelnen Tiere beschreiben, das ist etwas, was ganz unorganisch ist. Denn schließlich, man könnte doch fast sagen: Es ist ein reiner Zufall, daß ein Löwe ein Löwe, ein Kamel ein Kamel ist. Ja, an der Beobachtung des Löwen, wenn man ihn noch so gut abbildet oder sogar in der Menagerie dem Kinde vorführt, hat das Kind doch nur eine Zufallsbeobachtung; ebenso an dem Kamel. Diese Beobachtung hat gar keinen Sinn zunächst, wenn man auf das Lebendige ausgeht. Wie ist es mit dem Tiere? Nun, derjenige, der nun nicht mit abstrakter Intellektualität an das Tier herantritt, sondern mit bild­hafter Anschauung, der findet in jedem Tiere ein Stück Mensch. Das eine Tier hat besonders stark die Beine ausgebildet, die beim Menschen dem Ganzen dienen. Das andere Tier hat die Sinnesorgane, ein Sinnes­organ im Extrem ausgebildet. Das eine Tier schnüffelt besonders; das andere Tier ist, wenn es in den Lüften ist, für die Augen besonders veranlagt. Und wenn wir die ganze Tierwelt zusammennehmen, so finden wir in Abstraktionen draußen verteilt als Tierwelt dasjenige, was in der Zusammenfassung den Menschen gibt.

Heel anders moet het kind en weliswaar iets later, met de dierenwereld kennismaken.
Iets later= dan de plantkunde. Zie opmerking bij GA 294/194
Wederom, de dieren afzonderlijk beschrijven is iets wat niet organisch is.
Duits heeft ‘unorganisch’ = iets wat niet uit de natuurlijke samenhang is gekomen.
Want uiteindelijk zou je bijna kunnen zeggen: het is puur toeval dat een leeuw een leeuw, een kameel een kameel is. Als het kind een leeuw bekijkt of deze nu goed wordt weergegeven of zelfs in de dierentuin, dat is voor het kind toch maar een toevallige waarneming; net zo bij de kameel. Zo waarnemen heeft dan pas zin, wanneer je uitgaat van het levendige. Hoe staat het met de dieren? Welnu, degene die niet alleen maar met abstract intellect met het dier bezig is, maar met een beeldend waarnemen, die vindt in ieder dier een stukje mens.
Bij het ene dier zijn bv. de benen sterk ontwikkeld – die staan bij de mens ten dienste van de totale mens. Het andere dier heeft de zintuigorganen, één zintuigorgaan sterk ontwikkeld.
Het ene dier snuffelt op een bijzondere manier; het andere dier, wanneer het in de lucht is, heeft bijzonder ontwikkelde ogen. En als we heel de dierenwereld samen nemen, vinden we in abstracties buiten verdeeld als dierenwereld datgene wat synthetisch samengevat de mens is.

Wenn ich alle Tiere synthetisch zusammenfasse, so bekomme ich den Menschen. Irgendeine Eigenschaft, eine Fähigkeitsgruppe des Menschen ist einseitig äußerlich ausgebildet in einer Tierart. Wenn wir den Löwen studieren – wir brauchen das dem Kinde nicht so vorzuführen, wir können es ihm in einfachen Bildern vorführen -, so finden wir, daß insbesondere das­jenige, was im Menschen Brustorgane sind, Herzorgane, einseitig im Löwen ausgebildet ist. In der Kuh ist dasjenige, was im Menschen Ver­dauungsorgane sind, einseitig ausgebildet, und wenn ich dasjenige be­trachte, was zum Beispiel in unserem Blute als weiße Blutkörperchen herumschwimmt, so bin ich auf die einfachsten, primitivsten Tiere gewiesen. Das ganze Tierreich bildet zusammen den Menschen, syn­thetisch, nicht summiert, aber synthetisch ineinander verwoben.
Das ist etwas, was ich durchaus in primitiver, in einfacher Weise vor dem Kinde entwickeln kann. Selbst in sehr lebendiger Form kann ich dem Kinde so etwas bringen, indem ich auf die Eigenschaften des

Wanneer ik alle dieren als een synthese samenneem, krijg ik de mens. Een of andere eigenschap, een vermogen van de mens is eenzijdig uiterlijk gevormd in een diersoort.  Wanneer we de leeuw bestuderen – we moeten dit niet op deze manier aan de kinderen brengen, we kunnen het hun in eenvoudige beelden schetsen, dan vinden we wat in de mens de borstorganen zijn, het hart, op een eenzijdige manier bij de leeuw ontwikkeld. [In GA 303, 10e vdr. deelt Steiner de leeuw in bij de ledematendieren] Bij de koe is datgene wat bij de mens stofwisselingsorganen zijn, eenzijdig gevormd en wanneer ik bekijk wat bijv. in ons bloed als witte bloedlichaampjes rondzwemt, dan wordt gewezen op de eenvoudigste, primitiefste dieren. Heel het dierenrijk vormt samen de mens, synthetisch, niet opgeteld, als synthese ineen geweven.
Dit kan ik zeer zeker op een elementaire, eenvoudige manier voor het kind uiteenzetten. Maar ook op een heel levendige manier kan ik zoiets aan het kind geven, wanneer ik op de eigenschappen van de

blz. 108

Löwen hinweise, wie sie kalmiert sein müssen, untertauchen müssen in das, was beim Menschen eine Individualität ist. Ja selbst was moralisch und seelisch beim Kamel lebt, kann man so bringen, daß man zeigt, wie das, was im Kamel lebt, untergeordnet sich in die Menschennatur hin-einfügt. So daß der Mensch eine Synthese ist von Löwe, Adler, Affe, von Kamel, von Kuh und von allem. Das ganze Tierreich betrachtet man als auseinandergelegte Menschennatur. Das ist die andere Seite, die das Kind dann im 11., 12. Jahre in sich aufnimmt. Nachdem es die Pflanzenwelt von sich abgesondert hat, die Empfindung des Objektiven der Pflanzenwelt, das Zusammenhängen der Pflanzenwelt mit der objektiven Erde in seiner Seele hat wirken lassen, lernt es die enge Beziehung der Tierwelt zum Menschen kennen, das Subjektive. Und so wird das Universum auf eine empfindungs­gemäße Weise mit dem Menschen wiederum zusammengebracht. Das Unterscheidungsvermögen wird gerade dadurch in der richtigen Weise veranlagt. Das heißt, aus dem Lebendigen der Welt heraus das Kind erziehen.

leeuw wijs, hoe die in de mens tot rust moeten komen, ondergeschikt moeten worden aan wat bij de mens een individualiteit is. Zelfs wat deugdaam (Duits: moralisch) en aan ziel bij de kameel leeft, kan je zo brengen dat het zich voegt naar de natuur van de mens. Zodat de mens een synthese is van leeuw, adelaar, van kameel, van de koe en van alles. Heel het dierenrijk moet men zien als een uiteengelegde mens.
Dat is de andere kant die het kind dan in het 11e, 12e jaar in zich opneemt. Nadat het zich los heeft kunnen maken van de plantenwereld, het gevoel van het objectieve van de plantenwereld, de samenhangen van de planten met de objectieve aarde in zijn ziel heeft laten doorwerken, leert het de nauwe band van de dierenwereld met de mens kennen, het subjectieve. En zo wordt het allesomvattende (Duits: Universelle) op een manier die meegevoeld kan worden weer met de mens samengebracht. Zo wordt op een juiste manier het onderscheidingsvermogen aangelegd. Dat is het: uit het levende van de wereld het kind opvoeden.
GA 305/107-108
Opvoeding en onderwijs 5e voordracht

.

Rudolf Steiner over dierkundealle artikelen

Dierkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld4e klas dierkunde

.

1391-1302

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde (GA 304)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

RUDOLF STEINER OVER DIERKUNDE

GA 304  7e voordracht (24-11-1921) blz. 170-173
Niet vertaald

blz. 170

Zunächst wird man beachten müssen, daß man das Kind nicht zu früh heranführt an dasjenige, an dem sich nur der Verstand, das Begriffsver-mögen, das Intellektuelle betätigen kann. Man soll daher die Betrachtung des Tierischen, des Pflanzlichen der Betrachtung des Mineralischen, des Physikalischen und Chemischen immer vorangehen lassen, und man wird auch gegenüber dem Pflanzlichen und dem Tierischen sehen, daß sich das Kind in verschiedener Weise unterscheiden lernt von seiner Umgebung. Das Tierische fühlt das Kind seinem eigenen Wesen durch­aus näher im zehnten, elften Lebensjahre als das Pflanzliche. Das Pflanz­liche fühlt es wie etwas, was sich von der Welt herein offenbart. Das Tierische fühlt es so, daß man mit ihm mitfühlen muß, daß es gewissermaßen doch ein ähnliches Wesen hat wie der Mensch. 

Allereerst moet je in ogenschouw nemen dat je het kind niet te vroeg de dingen moet geven waarbij hij alleen maar met zijn verstand, met zijn begripsvermogen, het intellectuele, bezig kan zijn. Je moet daarom het behandelen van mineralogie, van natuur- en scheikunde steeds vooraf laten gaan door de behandeling van de dieren, en van de planten en wat de planten en de dieren betreft, zal je zien dat het kind zich op verschillende manieren leert onderscheiden van zijn omgeving. Het kind van 10, 11 jaar voelt het dier dichter bij zijn eigen wezen staan dan de plant. Van de planten voelt het dat die zich vanuit de wereld aan hem vertonen. Het dier beleeft het zo dat je met hem moet meevoelen, dat het op een bepaalde manier toch een soortgelijk wezen is als de mens.

blz. 171

Dagegen sollte bei der Betrachtung des Tierreiches ein durchaus anderes walten. Das Kind hat gewissermaßen eine Gefühlsbrücke hin­über zum Tiere, eine Seelenbrücke, und dem sollte Rechnung getragen werden. Es wird heute vielfach belächelt, was ältere Naturphilosophen in dieser Beziehung als Anschauung gehabt haben. Man hat das alles durchaus auch in der Goetheschen Art der Tierbetrachtung. Man hat den Blick gewendet zu irgendeiner Tierform, man hat gefunden bei der einen Tierform, sagen wir zum Beispiel bei dem Löwen, insbesondere die Brustgruppe mit dem Herzen besonders ausgebildet, bei einer anderen Tierform sind die Verdauungsorgane hervorstechend, bei dieser Tier-form ist dasjenige, was in das Gebiß schießt, ganz besonders ausgebildet,

T.o.v. van de behandeling van planten moet het bij de behandeling van het dierenrijk heel anders gaan. Het kind heeft op een bepaalde manier een gevoelsrelatie met het dier, een ‘zielenbrug’ en daarmee moet je rekening houden. Er wordt tegenwoordig vaak gegrinnikt om wat oudere biologen in dit opzicht als visie hadden. Dat is ook zo bij de opvatting van Goethe over de dieren. Men richtte de blik op een of andere diervorm en men vond het bijv. heel bijzonder dat bij de leeuw de borstpartij met het hart nogal prominent gevormd was; bij een andere diervorm de stofwisselingsorganen nogal opvielen; bij weer een andere diervorm wat het gebit vormgeeft, 

blz. 172

bei einer anderen Tierform sind wiederum die Hörner oder dergleichen besonders ausgebildet. Man hat studiert die verschiedenen Tierformen als Ausdrucksformen für die einzelnen Organe. Man könnte sagen: Es gibt Kopftiere, Brusttiere, Gliedmaßentiere. Und weiter noch könnte man die Tierformen einteilen. Dann hat man das Gesamte. Nimmt man nun alle einzelnen Tierformen zusammen, bildet man gewissermaßen eine Synthese, so daß dasjenige, was bei der einzelnen Tierform beson­ders hervorsticht, zurücktritt und sich einem Ganzen fügt, dann bekommt man die Form des Menschen. Der Mensch ist in seiner äußeren Form gewissermaßen die Zusammenfassung des ganzen Tierreiches.
Man kann im Kinde durchaus ein Empfinden von dieser Zusammen­fassung der gesamten Tierwelt im Menschen hervorrufen. Dann ist etwas außerordentlich Bedeutsames getan, dann hat man das Kind auf der einen Seite in der richtigen Weise hingestellt zum Pflanzenreich, auf der anderen Seite in der richtigen Weise hingestellt zum Tierreich; zum Tierreich so, daß es gewissermaßen in dem ganzen Tierreich einen ausgebreiteten Menschen sieht, und in dem Pflanzenreich etwas sieht, was organisch mit der ganzen Erde zusammengehört. Wenn man in konkreter Einzelausführung innerlich verlebendigt in dieser Weise Tier­kunde, Pflanzenkunde belebt, dann nimmt man zugleich Rücksicht auf dasjenige, wie der Mensch sich durch seine innere Wesenheit hineinstel­len soll in die Welt.

bij een andere diervormde hoorns of iets dergelijks weer bijzonder gevormd zijn. Men bestudeerde de verschillende diervormen als uitdrukking van vormen voor de aparte organen. Men kon zeggen: er zijn kopdieren, borstdieren, ledematendieren. En men kan de diervormen nog verder indelen. Dan had men een geheel. Wanneer je alle aparte diervormen bij elkaar neemt, vorm je in zekere zin een synthese, zodat hetgeen wat bij een aparte diervorm bijzonder in het oog springt, zich terughoudt en zich voegt in het geheel; dan krijgt je de mensenvorm. De mens is in zijn uiterlijke verschijning in zekere zin de samenvatting van het hele dierenrijk.
Je kan in het kind zeker een gevoel voor deze samenvatting van de totale dierenwereld in de mens, oproepen. Dat heb je iets heel belangrijks gedaan, want dan heb je het kind enerzijds op een goede manier zijn houding tot de plantenwereld laten bepalen, [door de manier waarop plantkunde wordt gegeven] wat organisch bij de hele wereld hoort, anderzijds zijn houding tot het dierenrijk; tot het dierenrijk zo, dat het in zekere zin in het hele dierenrijk een uitgebreide mens ziet en in het plantenrijk wat organisch bij de hele aarde hoort. Wanneer je concreet in detail op deze manier innerlijk levend maakt plant- en dierkunde, dan hou je tegelijkertijd rekening met hoe de verhouding van de mens met zijn innerlijk wezen t.o.v. de wereld zou moeten zijn.

Dann wächst der Mensch in der richtigen Weise in die Welt hinein in dem Lebensalter, in dem er sich gerade von dieser Welt anfängt unterscheiden zu lernen, indem er Subjekt vom Objekt zu sondern beginnt. Man bringt es auf diese Weise dahin, die Welt in der richtigen Weise durch die Betrachtung der Pflanzenwelt vom Menschen abzusondern, und wiederum vom Menschen aus die Brücke nach der Welt zu schlagen; jene Brücke, die da sein muß, wenn überhaupt richtiges Gefühl für die Welt, Liebe für die Welt sich entwickeln soll. Man bringt das zustande, indem man das Tierreich wie ein ausgebreitetes Menschenwesen an das Kind heranbringt. So kann man durch das Organische, durch das Lebendige gehen und in dieser Weise dem Kinde sein Verhältnis zur Welt vermitteln. Und wenn so das zwölfte Lebens­jahr beginnt, hat man erst eigentlich die Möglichkeit, ohne schädlich in die kindliche Entwickelung einzugreifen, überzugehen zu einer Pflege des reinen Intellektuellen, des verstandesmäßigen Lebens.

Dan vindt de mens op een goede manier zijn plaats in de wereld op de leeftijd waarin hij zich nu juist van de wereld begint te onderscheiden, wanneer hij het subject van het object begint los te maken. Je brengt het op een goede manier ertoe dat het de wereld op de juiste manier door de behandeling van de plantenwereld van de mens af te zonderen om dan weer de brug van de mens naar de wereld te slaan; die brug die er zijn moet wanneer er überhaupt een goed gevoel voor de wereld, liefde voor de wereld zich moet ontwikkelen. Dat komt tot stand wanneer je het dierenrijk als een uitgebreid mensenwezen aan het kind aanbiedt. Zo kun je door de organen, door wat leeft gaan en op deze manier het kind zijn verhouding tot de wereld aanreiken. En wanneer dan het twaalfde jaar begint, heb je pas eigenlijk de mogelijkheid zonder nadelige gevolgen voor de kinderlijke ontwikkeling in te grijpen, en over te gaan tot het verzorgen van het puur intellectuele, verstandelijke leven.

blz. 173

Wenn jener Lehrgang eingehalten wird, von dem ich heute gesprochen habe, so gehen wir von einer Willenskultur aus; gehen dann, indem wir in solcher Weise das Verhältnis des Kindes zum Pflanzenreich, zum Tierreich entwickeln, indem wir Naturgeschichtliches an das Kind heranbringen, gehen wir zu einer Gefühls- oder Gemütsbildung über. Das Kind lernt überall sich zu der Pflanzenwelt, zu der Tierwelt nicht nur theoretisch zu verhalten; es lernt nicht nur, sich Vorstellungen darüber zu machen, sondern es begründet ein Verhältnis zu dieser Umwelt. Es wird in ihm etwas bewirkt, was an das Gefühl, an das Gemüt herankommt. Und das ist von ungeheurer Wichtigkeit. Wenn wir nun in dieser Weise durch die äußere Bewegung und durch die richtige Führung durch Willens- und Gemütskultur hindurch das Kind gebracht haben bis nahe zum zwölften Jahre, dann können wir den Übergang finden zu der eigentlichen Verstandeskultur, die sich nun äußern kann, indem wir mehr diejenigen Lehrgegenstände und Erziehungsmittel an das Kind heranbringen, die nun auch die leblose Natur behandeln.

Wanneer je de methode volgt waarover ik vandaag heb gesproken, ga je van een wilscultuur uit; dan gaan we, als we op deze manier de relatie van het kind tot de plantenwereld, tot de dierenwereld ontwikkelen, wanneer we het kind biologie geven, over tot de vorming van het gevoel. Het kind leert van alle kanten een relatie te ontwikkelen tot de plantenwereld, tot de dierenwereld, niet alleen theoretisch; het leert niet alleen daarover zich voorstellingen te maken, maar bouwt een relatie op tot dit mlieu. Er ontstaat iets in hem wat zijn gevoel, zijn gemoed raakt. En dat is heel erg belangrijk. Wanneer we het kind nu op deze manier door ons op de buitenwereld te richten en door een goede begeleiding naar een wils- en gemoedscultuur tot aan het twaalfde jaar, dan kunnen we de overgang vinden naar de eigenlijke verstandscultuur die duidelijk wordt, wanneer we het kind meer die leerstof en die opvoedingsmiddelen geven die over de levenloze natuur gaan.
GA 304/170-173
Niet vertaald

.

Rudolf Steiner over dierkundealle artikelen

Dierkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld4e klas dierkunde

.

1390-1301

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde (GA 303)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

RUDOLF STEINER OVER DIERKUNDE

GA 303  9e voordracht  vertaald: gezondmakend onderwijs

Wir mussen durchaus alles, was wir dem Kinde beibringen über Pflanzliches, über Tiere, so beibringen, daß wir eigentlich dabei als Künstler wirken, daß wir auf die harmonische Gestaltung des Pflanzenwesens und auf die harmonische Beziehung der einzelnen Pflanzenart zu der anderen, auf dieses, was auch da rhythmisch-harmonisch-ge­fühlsmäßig ist, einen viel größeren Wert legen als auf das, was in den Botanikbüchern steht.
Es ist eben durchaus notwendig, daß wir über Pflanzen, über Tiere so reden lernen, wie es einer künstlerischen Anschauung entspricht. Dadurch allein bringen wir auch das mit einem musikalischen Duk­tus in das ganze kindliche Wesen hinein. Das ist eben etwas, was wir berücksichtigen müssen, daß der Unterricht vom künstlerischen Element ausgehen müsse, nicht von dem gedanklichen Element, auch nicht von einem abstrakten Anschauen, sondern von einem von Kunst und künstlerischer Lebensempfindung durchdrungenen Elemente. Die­ses verlangt das Kind.

Wij moeten volstrekt bij alles wat wij het kind leren over het plantaardige en het dierlijke, dat zo doen dat we daarbij eigenlijk als kunstenaar werken, dat we veel grotere waarde hechten aan de harmonische groei van het plantenwezen en aan de harmonische betrekking tussen de ene plantensoort en de andere, aan wat daar ook ritmisch-harmonisch-gevoelsmatig aanwezig is, dan aan wat er in de plantkundeboeken staat. Juist bij een plant is het immers toch al zo dat ons de systematiek van de planten, dat indelen van de plantenwereld zoals dat gebeurt, in feite het meest tegen staat.
GA 303/162-163
Gezondmakend onderwijs/175

blz. 188

Wie man nun die Pflanzenwelt in Beziehung setzen muß zu dem Irdischen, so die Tierwelt in Beziehung zu dem Menschen. Man wird bemerken, indem man bei den Kindern Vorstellungen über das Pflanzliche hervorruft, wie ich sie geschildert habe, daß die Kinder gerade an dem Pflanzlichen die Frage nach dem Warum und Wie der Welt entwickeln. Es ist wirklich viel gesundender für das kindliche Gemüt, wenn es die Frage nach dem Warum und Wie an dem Pflanzlichen entwickelt, als etwa an dem Mineralischen und dem Maschinenartigen. Wie man sozusagen das Kausalgefühl, das Ursachengefühl an der an die Erde gebundenen Pflanze entwickeln soll, so den Vergleich, die Analogie, die immer eine entsprechende Stellung im Leben einnehmen soll, an der Tierwelt.

Net zoals je de plantenwereld in relatie moet brengen tot de aarde, zo moet je de dierenwereld betrekken op de mens. Je zult merken dat je, door bij de kinderen voorstellingen over het plantenrijk op te roepen zoals ik dat beschreven heb, de kinderen juist aan de hand van het plantenrijk de vraag naar het waarom en hoe van de wereld ontwikkelen. Het is voor het gemoed van het kind echt veel gezonder als het de vraag naar het waarom en hoe aan de plantenwereld ontwikkelt dan bijvoorbeeld aan het minerale en het machinale. Zoals je zogezegd het gevoel voor oorzaak en gevolg, het causale gevoel moet ontwikkelen aan de aan de aarde gebonden plant, zo moet je de vergelijking, de analogie, die altijd een passende plaats in het leven moet inne­men, aan de dierenwereld ontwikkelen.

Nun möchte ich, damit wir uns richtig verstehen, einen gewissen Gedanken so ausführen, wie er nur für uns Erwachsene gemeint ist, der dann in allerlei Weise in der Schule umgesetzt, dem kindlichen Verständnis zwischen dem zehnten und zwölften Jahre angepaßt wer­den muß, aber wie er heute eigentlich viel zu wenig gepflegt wird.
Wenn man den Menschen, ich möchte sagen, morphologisch, physio­logisch und so weiter betrachtet, so kann einem zunächst das Folgende auffallen. Betrachten wir das menschliche Haupt, schon seiner äußeren Form nach: es ist kugelig. Gehen wir dann in das Innere, finden wir die graue Gehirnmasse, wenig herausgebildet in ihrer Differenzierung von dem, was noch zellige Ganglien sind, und weiter nach innen erst die faserige weiße Masse. – Wir sehen diese menschliche Kopfbildung an, und wir können sie vergleichen mit der Tierwelt. Aber wo müssen wir das suchen, was wir in der tierischen Welt mit der menschlichen Kopfbildung vergleichen können? Wir müssen es bei den ganzen niederen

Nu zou ik, om elkaar goed te begrijpen, een bepaalde gedachte uit willen werken zoals die alleen voor ons volwasse­nen bedoeld is. Die kan dan op allerlei manieren op school omgezet worden, aan het kinderlijk begrip tussen het tiende en twaalfde levensjaar aangepast worden, wat tegenwoordig helaas veel te weinig gebeurt.
Als je de mens, ik zou willen zeggen morfologisch, fysiolo­gisch enzovoort bekijkt, dan kan je allereerst het volgende opvallen. Als je het menselijk hoofd naar zijn uiterlijke vorm bekijkt, dan zie je dat die de vorm van een bol heeft. Ga je dan naar het inwendige, dan vind je de grijze hersenmassa, weinig ontwikkeld in haar differentiatie van dat wat nog celachtige zenuwknopen, ganglia zijn, en nog verder naar binnen pas de vezelige witte massa. — Wij kijken naar de vorm van het men­selijk hoofd en we kunnen die vergelijken met de dierenwe­reld. Maar waar moeten we zoeken wat we in de dierenwereld met de vorm van het menselijk hoofd kunnen vergelijken? We moeten dat bij de lagere dieren zoeken.

blz. 189

Tieren suchen. Am menschlichen Kopfe ist allerdings alles diffe­renziert. Aber die Hauptsache, worauf es beim menschlichen Kopf auch ankommt: innerlich weiche Masse, von einer Schale umgeben, das ist bei den niederen Tieren noch in seinem undifferenzierten Zu­stand vorhanden. Derjenige, der die Natur unbefangen betrachtet, wird gerade bei dem Schalentier das Einfache, das Primitive für den menschlichen Kopf finden, und er wird die menschliche Hauptesbil­dung zu den niederen Tieren in eine Beziehung bringen. Innerlich be­trachtet, steht eine Auster dem menschlichen Kopf viel näher als ein Affe. Wenn Sie ein schleimiges Tier, umgeben von einer Schale betrach­ten, so ist das eigentlich die einfachste Form für einen menschlichen Kopf.
Gehen wir jetzt zu den menschlichen Brustorganen über, zu dem­jenigen, was vorzugsweise unter der Herrschaft des Rückgrates steht, so werden wir schon zu höheren Tieren geführt, zum Beispiel zum Fisch. Beim Fisch, was ist denn da vorhanden? 

Aan het menselijk hoofd is weliswaar alles gedifferentieerd. Maar de hoofdzaak waar het bij het menselijk hoofd om gaat: inwendig zachte massa, door een schaal omgeven, dat is bij de lagere dieren nog in zijn ongedifferentieerde toestand aanwezig. Wie de natuur onbevangen waarneemt zal juist bij het schaaldier het principe van het menselijk hoofd in zijn meest eenvoudige en primitieve vorm vinden, en hij zal de vorm van het menselijk hoofd in relatie brengen met de lagere dieren. Innerlijk gezien staat een oester veel dichter bij het menselijk hoofd dan een aap. Als u een slijmerig dier, door een schaal omgeven, bekijkt dan is dat eigenlijk de eenvoudigste vorm voor een menselijk hoofd.
Gaan we nu over naar de borstorganen van de mens, naar dat wat vooral onder de heerschappij van de ruggengraat staat, dan worden we al naar hogere dieren geleid, bijvoorbeeld de vis. Bij de vis, wat is daarbij dan zoal aanwezig?

Der Kopf ist da kaum etwas anderes als eine ein klein wenig differenzierte Fortsetzung des­jenigen, was überall sich an das Rückgrat anschließt. Der ganze Fisch ist ein Rückgrattier. Und gehen wir auf die Organisation des Fisches, als auf eines in der mittleren Lage der Tierreihe liegenden Wesens ein, so mussen wir es mit der menschlichen Lymphorganisation, mit dem mittleren Menschen vergleichen.
Und gehen wir zu den höheren Tieren herauf, dann können wir nicht anders, als das, was an den höheren Tieren sich entwickelt, mit dem Stoffwechsel-Gliedmaßensystem des Menschen vergleichen. Se­hen Sie sich den Löwen, sehen Sie sich das Kamel an: alles ist da be­herrscht von der besonderen Organisation des Gliedmaßen-Stoffwech­selleibes. So daß wir eine merkwürdige Gliederung des Tierreiches in bezug auf die menschliche Organisation bekommen:
    Kopforganisation    –    niedere Tiere
    rhythmische Organisation    –    mittlere Tiere
    Stoffwechsel-Gliedmaßenorganisation    –    höhere Tiere

Eine solche Einsicht gibt erst einen richtigen Blick über die Evolution. Die menschliche Entwickelung ist von etwas ausgegangen, was dann

De kop is daarbij nauwelijks iets anders dan een kleine, weinig gediffe­rentieerde voortzetting van wat overal bij de ruggengraat aan­sluit. De hele vis is een ruggengraatdier. En gaan we in op de organisatie van de vis als op een wezen dat tot de middelste gelederen van de dieren behoort, dan moeten we het met de menselijke lymfe-organisatie, met de midden-mens vergelij­ken.
En gaan we verder omhoog naar de hogere dieren, dan kunnen we niet anders dan datgene wat zich bij de hogere die­ren ontwikkelt, met het stofwisselings-ledematensysteem van de mens vergelijken. Kijkt u eens naar de leeuw, kijkt u eens naar de kameel: alles wordt daar beheerst door de bijzondere organisatie van het ledematen-stofwisselingslichaam. Zodat we een merkwaardige indeling van het dierenrijk met betrek­king tot de menselijke organisatie krijgen.

hoofdorganisatie         —        lagere dieren

ritmische organisatie  —        middelste dieren

stofwisselings-ledematenorganisatie — hogere dieren

Een dergelijk inzicht geeft pas een juiste blik op de evolutie. De menselijke ontwikkeling is van iets uitgegaan wat dan

[de leeuw wordt ook tot de middendieren gerekend, juist met het oog op zijn ritmische leven van rust, honger, jacht, prooi, rust enz. Zie [leeuw]

blz. 190

später Kopf geworden ist. Aber in sehr frühen Zeiten, wo in der Um­welt andere Verhältnisse waren, hat sich das entwickelt, was später beim Menschen zum Kopf geworden ist, und der Mensch hat reichlich Gelegenheit gehabt, von der Zeit, wo er, einer Auster ähnlich, ange­wiesen war auf die Impulse seiner Umgebung, sich dahin zu entwickeln, wo der Kopf als ein Parasit auf dem ganzen übrigen Organismus sitzt und dasjenige, was die Auster noch aus ihrer Umgebung ziehen muß, aus dem übrigen Teil seines Organismus anzieht. Er hat die anderen Teile herausgesetzt. Er hat sich die Erdenumgebung ersetzt durch sei­nen Kopf, den er angesetzt hat. Sie können das in der Embryologie heute noch verfolgen. Wenn man auf die Embryologie des Menschen sieht, muß man sagen, der Mensch hat in bezug auf seinen Kopf eine lange Evolution durchgemacht. Diese Kopforganisation ist von einem Punkt ausgegangen, auf dem heute noch die niederen Schalentiere ste­hen; nur haben sich die in der Evolution verspätet. Sie müssen unter ungünstigeren äußeren Verhältnissen sich entwickeln. Sie kommen da­her nicht bis zu der Dichte des Kopfes; sie bleiben bei dem schleimigen Leib und der schaligen Umgebung stehen. Sie stellen heute unter ganz anderen Erdenverhältnissen dasjenige dar, was unter früheren Verhält­nissen in seiner Kopforganisation der Mensch selbst noch war

later hoofd geworden is. Maar in heel vroege tijden, waarin andere omstandigheden in de buitenwereld golden, heeft zich ontwikkeld wat dan later bij de mens hoofd is geworden. En de mens heeft ruimschoots de gelegenheid gehad om, vanaf de tijd waarin hij als een oester was aangewezen op de impul­sen van zijn omgeving, zich in een richting te ontwikkelen waar het hoofd als een parasiet op het hele overige organisme zit. Datgene wat de oester nog uit zijn omgeving moet halen, trekt het hoofd uit het overige deel van het menselijk orga­nisme naar zich toe. De mens heeft de andere delen buiten zich gezet. Hij heeft de aardeomgeving vervangen door zijn hoofd aan zijn organisme te zetten. U kunt dat tegenwoordig in de embryologie nog nagaan. Als je de embryologie van de mens bekijkt, moet je zeggen dat de mens met betrekking tot zijn hoofd een lange evolutie heeft doorgemaakt. Deze hoofdorganisatie is uitgegaan van een punt waarop nu nog de lagere schaaldieren staan; alleen zijn die in de evolutie achtergebleven. Ze moeten zich onder ongunstigere uiterlijke omstandigheden ontwikkelen. Ze komen daardoor niet tot de dichtheid van het hoofd; ze blij­ven op het niveau van het slijmerige lichaam en de schaalachtige omgeving staan. Ze geven vandaag de dag onder heel andere aardse omstandigheden een beeld van datgene wat onder vroegere omstandigheden de mens in zijn hoofdorga­nisatie zelf nog was.

Und die Fischorganisation, sie trat später in der Erdenentwickelung auf als die Menschenorganisation und traf schon eine andere äußere Umgebung. Der Mensch war schon so weit, daß er Impulse, die der Fisch aus seiner Umgebung ziehen muß, aus seinem eigenen rhythmischen Organismus ziehen konnte. Es kam also zu der Menschheitsevolution, die bis zu einem gewissen Punkte heraufgekommen war, die Organisation der mittleren Tiere hinzu. Und zuletzt, als der Mensch schon seinen Glied­maßen-Stoffwechselorganmsmus mm heutigen Sinne angesetzt hatte, so daß sich der Stoffwechsel differenziert hat, daß der Stoffwechsel nur seine Reste zurückgelassen hat in den Kopf- und Brustorganen, da kamen die höheren Tiere dazu.
Man wird auf diese Weise einsehen, daß die Deszendenztheorie für den Menschen richtig ist, aber nur, wenn man seinen Kopf betrachtet. Er stammt in physischer Beziehung seiner Kopforganisation nach von Vorfahren ab, die eine entfernte Ähnlichkeit haben mit den heutigen

En de vissenorganisatie, die trad later in de aardeontwikkeling op dan de mensenorganisatie en trof al een andere uiterlijke omgeving aan. De mens was al zo ver dat hij impulsen die de vis uit zijn omgeving moet halen, uit zijn eigen ritmische organisatie kon halen. Zo werd dus aan de mensheidsevolutie, die zich tot een bepaald punt had ontwik­keld, de organisatie van de middelste dieren toegevoegd. En ten slotte kwamen de hogere dieren erbij, toen de mens zijn ledematen-stofwisselingsorganisme zoals we die vandaag kennen had aangezet, zodat de stofwisseling zich differentieerde, dat de stofwisseling alleen nog restanten achtergelaten heeft in de hoofd- en borstorganen.
We zullen op deze wijze inzien dat de afstammingstheorie voor de mens juist is, maar alleen als je zijn hoofd bekijkt. Hij stamt met betrekking tot zijn fysieke hoofdorganisatie af van voorvaderen die een verre gelijkenis hebben met de huidige

blz. 191

niedersten Tieren, aber doch wiederum verschieden sind, weil sich diese niederen Tiere unter anderen Verhältnissen heute entwickeln. Er stammt seiner mittleren Organisation nach von Wesen ab, die durchaus schon auf dem Wege zum Menschen waren, die Ähnlichkeit haben mit der Fischorganisation. Aber die Fische sind zu spät gekommen. Die muß­ten den Kopf schon ganz unentwickelt lassen; weil sie ihn früher nicht entwickelt haben, da ging es nicht mehr, den Kopf in entsprechender Weise zu entwickeln, insbesondere nicht, weil sie auf das flüssige Ele­ment sich beschränkt haben. Und so kommt man zu einer Überschau, man kommt auf eine Deszendenztheorie, die dann der Realität ent­spricht; während, wenn man den ganzen Menschen nimmt, ohne seine Dreigliederung zu beachten, kommt man zu einer einseitigen Deszen­denztheorie, die sehr geistvoll, sehr scharfsinnig ist, aber eben vor einer durchgreifenden Beobachtung nicht standhält. So daß man sagen kann:
Was wir in der Tierreihe draußen finden, ist überall die einseitige Aus­bildung irgendeines menschlichen Organsystems. Die Austern sind ein­seitige Kopftiere, die Fische sind einseitige Brusttiere, die höheren Säu­getiere namentlich sind einseitige Stoffwechsel-Gliedmaßentiere. Jede Tierform verstehen wir, wenn wir sie als eine einseitige Ausbildung eines menschlichen Organsystems betrachten.

laagste dieren, maar die toch weer anders zijn, omdat deze lagere dieren zich nu onder andere omstandigheden ontwik­kelen. Hij stamt wat betreft zijn middelste organisatie af van wezens die al helemaal op weg waren mens te worden, die gelijkenis hebben met de vissenorganisatie. Maar de vissen zijn te laat gekomen. Die moesten de kop al helemaal onontwikkeld laten. Omdat zij die niet vroeger al ontwikkeld hebben, lukte het niet meer de kop op de daarvoor bestemde manier te ontwikkelen, vooral niet omdat ze zich tot het vloeibare element beperkten. En zo kom je tot een overzicht, je komt tot een afstammingstheorie die met de werkelijkheid overeenkomt. Terwijl je, als je de hele mens neemt zonder rekening te houden met zijn drieledigheid, tot een eenzijdige afstammingstheorie komt, die zeer geestrijk, zeer scherpzinnig is, maar bij een grondige waarneming geen standhoudt. Zodat je kunt zeggen: in wat wij in de dierenreeks buiten ons vinden, is overal de eenzijdige ontwikkeling van een of ander menselijk orgaansysteem aanwezig. De oesters zijn eenzijdige hoofddieren, de vissen zijn eenzijdige borstdieren, de hogere zoogdieren met name zijn eenzijdige stofwisselings-ledematendieren. Iedere diervorm begrijpen we wanneer we hem als een eenzijdige ontwikkeling van een menselijk orgaansysteem beschouwen.

Man hat einmal für eine solche Sache eine Empfindung gehabt, am Übergang des 18. zum 19. Jahrhundert; aber nur die Empfindung war richtig. Man hat zu wenig Kenntnisse gehabt, um diese Dinge nun wirklich real auszubilden. Einer von den vielverachteten deutschen Naturphilosophen, Oken, der aber ein sehr geistreicher Mann war, tat einen grotesken Ausspruch, über den heute zu lachen leicht ist, aber der aus einer gewissen richtigen Empfindung hervorgegangen ist: die Zunge des Menschen sei ein Tintenfisch. Ja, gewiß, die Zunge ist kein Tintenfisch. Man kann darüber sehr leicht ein Urteil haben. Aber die allgemeine Empfindung, daß man zu den niederen Tieren hinunter-gehen müsse, wenn man die Formen der menschlichen Kopfglieder er­kennen will, lag in dieser Behauptung.
Nun, dasjenige, was ich Ihnen hier auseinandergesetzt habe, ist eben zu unserer Orientierung. Man kann das aber durchaus auf dasjenige übertragen, was für das Kind verständlich ist. Man kann vor dem

Ooit had men voor een dergelijke zaak gevoel, bij de overgang van de achttiende naar de negentiende eeuw; maar alleen het gevoel was juist. Men had te weinig kennis om deze dingen nu werkelijk reëel te ontwikkelen. Eén van de veel versmade Duitse natuuronderzoekers Oken, die toch een heel geestrijk mens was, heeft een groteske uitspraak gedaan, waarover men vandaag gemakkelijk kan lachen, maar die voortgekomen is uit een zeker juist gevoel: de tong van een mens zou een inktvis zijn. Ja, natuurlijk, de tong is geen inktvis, men kan daarover heel gemakkelijk een oordeel hebben. Maar in deze bewering zat het algemene gevoel dat je naar de lagere dieren moet afdalen als je de vormen van de delen van het menselijk hoofd wilt begrijpen.
Welnu, wat ik voor u hier uiteengezet heb, is maar ter oriën­tering. Je kunt dat echter volledig overbrengen op wat voor het kind te begrijpen is.

blz. 192

Kinde morphologisch, der Form gemäß, allerlei an dem Menschen be­trachten und es dann überführen in die Analogie mit der oder jener Tierform, und man kann durchaus in dem Kinde die Empfindung ent­stehen lassen: Das ganze Tierreich ist ein ausgebreiteter Mensch; der Mensch ist ein Kompendium des ganzen Tierreiches. – So bringt man das Tierreich an den Menschen heran, wie man das Pflanzenreich an die Erde herangebracht hat, und man erweckt gerade dadurch in dem Kinde ein gesundes Weltgefühl, daß man gewissermaßen auf die Ni­veaulinie Rücksicht nimmt zwischen Tier und Pflanze, bei der Pflanze hinuntergeht zur Erde, beim Tier herauf zum Menschen. Dadurch stellt sich die Seele empfindungsgemäß in richtiger Art zu ihrer Um­gebung ein, von der sie sich zu unterscheiden gelernt hat mit dem voll­endeten neunten Jahre. Und nicht darauf kommt es ja eigentlich an, daß man dem Kinde allerlei Kenntnisse übermittelt, sondern daß man ihm die Vorbereitung gibt zu einer richtigen Weltempfindung.

Je kunt voor het kind morfologisch, overeenkomstig de vorm, allerlei aan de mens beschouwen en dat dan overbrengen in analogie met deze of gene diervorm, en je kunt in het kind beslist het gevoel laten ontstaan: het hele dierenrijk is een uitgebreide mens; de mens is een samen­stelling van het hele dierenrijk. – Zo verbind je het dierenrijk met de mens, zoals we het plantenrijk met de aarde verbon­den hebben. En we wekken in het kind een gezond wereldgevoel juist door in zekere zin rekening te houden met de niveaulijn tussen dier en plant, en bij de plant afdaalt naar de aarde en bij het dier opstijgt naar de mens. Daardoor stelt de ziel zich gevoelsmatig op de juiste wijze in op haar omgeving, waarvan ze zich heeft leren onderscheiden vanaf het voltooide negende jaar. En het komt er toch eigenlijk niet op aan dat je het kind allerlei kennis overdraagt, maar dat je het de voorbe­reiding geeft tot een juist wereldgevoel.
GA 303/188-192
Vertaald/211-216

blz. 227

Das ist durchaus möglich, wenn man einen solchen Lehrgang wählt, wie ich ihn in diesen Tagen auseinandergesetzt habe, wo man das Na­turkundliche auf der einen Seite an das Irdisch-Geographische anreiht, und dasjenige, was sich auf die Tiere bezieht, an den Menschen heran-bringt. Man wird da insbesondere mit dem zunächst bloß Beschrei­benden am meisten ausrichten, wird das Beschreibende so gestalten können, daß es nun nicht mehr den Menschen so ganz in Anspruch nimmt, aber noch das Seelische in Anspruch nimmt.

Dat is zeer zeker mogelijk als je zo’n leerweg kiest zoals ik die in deze dagen uiteengezet heb, waar je enerzijds het biolo­gische element bij het aards-geografische element laat aan­sluiten, en dat wat op de dieren betrekking heeft in verband brengt met de mens. Je zult daar vooral het meest bereiken met het in eerste instantie louter beschrijvende, je zult het beschrijvende zo vorm kunnen geven dat het nu niet meer de mens zo helemaal in beslag neemt, maar wel nog het psychi­sche.
GA 303/227
Vertaald/256

.

Rudolf Steiner over dierkundealle artikelen

Dierkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld4e klas dierkunde

.

1388-1299

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde (GA 301)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

RUDOLF STEINER OVER DIERKUNDE

GA 301  8e voordracht

blz. 127

Ein Verhältnis zur Welt müssen wir gerade dadurch gewinnen, daß in der richtigen Weise der naturgeschichtliche Unterrichtsstoff an das Kind herangebracht wird. Es hilft gar nichts, wenn wir dem Kinde die auf­einanderfolgenden Klassen der Tiere beschreiben oder die aufeinander­folgenden Klassen und Arten und so weiter der Pflanzen beschreiben und dann, gewissermaßen um nicht trocken zu werden, auch einmal mit den Kindern einen Spaziergang machen, um die Pflanzen im Freien den Kindern zu zeigen; das nützt eigentlich gar nicht viel. Ge­wiß, nach der instinktiven Veranlagung wird ja der eine Lehrer mehr, der andere weniger bewirken. Er wird recht viel durch eine gewisse ihm selbst eigene Hinneigung zur Natur auch in den Kindern anregen können. Aber dasjenige, was aus Geisteswissenschaft in den Menschen und in sein Gemüt übergehen kann, das ist doch noch etwas ganz ande­res, das bringt uns die Empfindung von einem lebendigen Zusammen­gehören des Menschen mit der ganzen übrigen Welt.
Man lacht heute darüber, daß eigentlich im ersten Drittel des 19.Jahrhunderts noch bei vielen Menschen ein Gefühl vorhanden war dafür, daß die ganze Tierwelt ein ausgebreiteter Mensch ist. Wir haben ver­schiedene Tierklassen. Die eine Tierklasse ist nach der einen Richtung einseitig gebildet, die andere Tierklasse nach der anderen Richtung. Wir können uns einen Überblick verschaffen über die verschiedenen Tierklassen, Tiergattungen, Tierarten und so weiter. Der Mensch ent­hält alles das an Kräften, an innerer Gestaltung, was über die Tiere verteilt ist. Davon ging die naturwissenschaftliche Betrachtung, sagen wir, noch eines Oken aus. Mit Feuer vertrat Oken so etwas. Man suchte draußen in der Natur niedere Tiere. Heute sagt die materialistische Naturwissenschaft, diese niederen Tiere, die seien in der Urzeit da­gewesen, sie hätten sich allmählich vervollkommnet, und daraus sei der heutige Mensch entstanden, ein vervollkommnetes physisches Wesen. Auf die Einzelheiten brauchen wir hier nicht einzugehen, da wir es hier nicht mit gewöhnlicher Wissenschaft, sondern mit Pädagogik zu tun haben. Aber kann man denn nicht sehen, wie dasjenige, was mensch­liches Haupt ist, außen die knöcherne Schale, innen die weichen Teile,   

Een verhouding tot de wereld moeten we juist daardoor krijgen dat op de juiste manier plant- en dierkundelesstof aan het kind bijgebracht wordt. Het helpt natuurlijk helemaal niets wanneer we het kind de op elkaar volgende klassen der dieren beschrijven of de op elkaar volgende klassen en soorten enz. van planten en dan, in zekere zin om niet te droog te worden, ook eens een keer met de kinderen een wandeling maken om hun de planten in de vrije natuur te tonen; dat heeft eigenlijk helemaal geen zin.
Zeker, naar zijn intuïtieve aanleg zal de ene leerkracht meer, de andere minder op de wal slepen. Hij zal zeker veel door zijn eigen houding t.o.v de natuur ook de kinderen enthousiasmeren.
Maar hetgeen wat uit de geesteswetenschap in de mens en in zijn gevoelshouding over kan gaan, dat is toch nog heel wat anders, dat brengt ons het gevoel van een levendig samenhoren van de mens met heel de andere wereld. Men lacht er heden ten dage om dat in het eerste derde deel van de 19e eeuw nog bij veel mensen het gevoel aanwezig was dat de hele dierenwereld een uitgebreide mens is. We hebben verschillende dierklassen. De ene is eenzijdiger gevormd naar de ene richting, een andere dierklasse naar de andere richting. Wij kunnen een overzicht maken van de verschillende dierklassen, diersoorten enz. De mens heeft al deze krachten die over de dieren zijn verdeeld. Daarvan ging de natuurwetenschappelijke opvatting, laten we zeggen die van Oken, uit. Met elan stond Oken voor zoiets. Men zocht buiten in de natuur de lagere diersoorten. Tegenwoordig zegt de materialistische natuurwetenschap, dat deze lagere dieren die er al sinds de oertijd zijn, langzaam naar een volmaaktere vorm geëvolueerd zijn en dat daaruit de mens van nu ontstaan is, een volmaakt fysiek wezen.
We hoeven hier niet op de details in te gaan, omdat we hier niet met gewone wetenschap, maar met pedagogie te maken hebben.
Maar kan men dan niet zien, hoe dat wat het menselijk hoofd is, ook de benige schaal, binnen de weke delen,

blz. 128

gerade gewissen niederen Tieren ähnlich sieht? Nehmen Sie Schnecken, nehmen Sie Muscheltiere, die sind ähnlich dem menschlichen Haupte. Und wenn Sie unsere mehr oder weniger entwickelten Vögel nehmen, so werden Sie sich sagen müssen: Da ist in Anpassung an die Luft, in Anpassung an die ganze übrige Lebensweise dasjenige ganz besonders ausgebildet, was beim Menschen zurücktritt als innere Lungenbildung und dergleichen. Wenn Sie sich das wegdenken, was beim Menschen in die Gliedmaßen fließt, wenn Sie sich denken die ganze Organisation mehr im Innern gehalten und angepaßt an die Lebensverhältnisse in der Luft, dann bekommen Sie die Organisation des Vogels. Vergleichen Sie die Organisation des Löwen oder der Katze mit der Organisation des Rindes, Sie werden überall sehen: bei der einen Tiergattung ist das eine Glied der Organisation mehr ausgebildet, bei der anderen Tiergattung ein anderes Glied der Organisation mehr ausgebildet. Jede Tiergattung ist auf eines hin besonders organisiert. Von der Schnecke können wir sagen: sie ist fast ganz Kopf, sie hat nichts anderes als Kopf. Nur ist sie ein einfacher, primitiver Kopf. Der menschliche Kopf ist komplizierter. Vom Vogel können wir sagen: er ist gewissermaßen ganz Lunge, entsprechend umgebildet, weil alles andere verkümmert ist.

precies op bepaalde lagere dieren lijkt? Neem de slakken eens, neem de mosselen, die lijken op het menselijke hoofd. En wanneer u onze meer of minder ontwikkelde vogels neemt, dan zou u moeten zeggen: daar is aangepast aan de lucht, aangepast aan de verdere leefwijze, precies datgene is heel bijzonder ontwikkeld, wat bij de mens terugtreedt als inwendige longvorming enz. Wanneer u datgene wegdenkt wat bij de mens in de ledematen stroomt, wanneer u zich voorstelt heel die bouw meer inwendig gehouden en aangepast aan de levensverhoudingen in de lucht, dan krijgt u de bouw van de vogels. Vergelijkt u de bouw van de leeuw of de kat met de bouw van een rund, overal zult u vinden: bij de ene diersoort is het ene deel van het organisme meer gevormd, bij de andere diersoort een ander deel meer gevormd. Iedere diersoort is wat één aspect betreft bijzonder gevormd.
Van de slak kun je zeggen: die is bijna helemaal kop; die heeft niets anders dan een kop. Maar het is maar een eenvoudige, primitieve kop. Het menselijke hoofd is veel gecompliceerder.
Over de vogel kunnen we zeggen: die is in zekere zin helemaal long, die voor dat doel is omgevormd, terwijl al het andere verkommerd is.

Vom Löwen können wir sagen: er ist gewissermaßen ganz Blut­zirkulation und Herz. Vom Rind können wir sagen: es ist ganz Magen. Und so können wir draußen in der Natur die verschiedenen Gattungen und Arten so charakterisieren, daß wir hinschauen auf die einzelnen Organe. Das, was ich jetzt sage, das kann durchaus auch in sehr ein­facher, primitiver Weise gesagt werden. Und dann, wenn man die Welt des Tierreiches überschaut und alles dasjenige, was da wie der große Fächer von Wesenheiten auseinandergebreitet ist, wenn man das dann vergleicht mit der menschlichen Organisation, wie im Menschen alles abgerundet ist, wie kein Organisationssystem sich vordrängt, eines an das andere angepaßt ist, da finden wir: Ja, bei den Tieren sind immer die Organsysteme an die Außenwelt angepaßt; beim Menschen sind nicht die Organsysteme an die Außenwelt angepaßt, sondern eins ans andere. Der Mensch ist eine abgeschlossene Totalität, eine abgeschlos­sene Ganzheit, was ich Jhnen hier nur skizzenhaft andeuten kann.
Denken Sie sich einmal, wir verwenden alles, was wir verwenden können, das naturgeschichtliche Kabinett der Schule, jeden Spazier­gang, den wir mit den Kindern machen, alles dasjenige, was das Kind erlebt hat, wir verwenden alles, um in lebendiger Darstellung zu schildern

Over de leeuw kunnen we zeggen: die is in zekere zin helemaal bloedcirculatie en hart. Over het rund kunnen we zeggen: die is helemaal maag. En zo kunnen we buiten in de natuur de verschillende soorten zo karakteriseren, dat we kijken naar de verschillende organen. Dat, wat ik nu zeg, kan ook zeker op een heel eenvoudige, simpele manier gezegd worden. En dan, wanneer je de wereld van het dierenrijk overziet en alles wat je daar als een grote waaier van wezens uitgebreid ziet, wanneer je dat dan vergelijkt met het menselijk organisme, hoe in de mens alles vervolmaakt is, hoe geen orgaansysteem de overhand heeft, het een aan het ander is aangepast, dan vinden we: Ja, bij de dieren zijn de orgaansystemen steeds aan de buitenwereld aangepast; bij de mens zijn ze dat niet, maar het ene aan het andere. De mens is een gesloten totaliteit, een gesloten eenheid, wat ik u hier maar als schets kan aangeven.
Denkt u zich eens in, we gebruiken alles wat we gebruiken kunnen, de planten- en diereninhoud uit de leermiddelenkast, iedere wandeling die we met de kinderen hebben gemaakt, alles wat de kinderen beleefd hebben, we benutten alles om zo levendig mogelijk te brengen

blz. 129

wie der ganze Mensch gewissermaßen ein Kompendium der Tier­welt ist, wie in ihm alles harmonisch gestaltet, abgerundet ist, wie die Tiere einseitige Ausbildungen darstellen und deshalb keines die volle Beseelung haben kann, und wie der Mensch die Anpassung des einen Organsystemes an das andere darstellt und gerade dadurch die Mög­lichkeit, ein vollbeseeltes Wesen zu sein, erhält.
Wir können uns, wenn wir selber ganz überzeugt und durchgeistigt sind von diesem Verhält­nis des Menschen zur Welt der Tiere, dann aufschwingen, dieses Ver­hältnis auch lebendig zu schildern, so daß die Darstellung eine ganz objektive ist, aber daß zu gleicher Zeit der Mensch sein Verhältnis zur Welt fühlt. Denken Sie doch nur, was es denn für einen Wert hat, wenn man heute dem Menschen im materialistischen Zeitalter sagt, er sei die Krone der Erdenschöpfung. Er versteht es ja nicht im einzelnen. Er be­trachtet sich. Er betrachtet das einzelne Tier. Er betrachtet nicht jedes ein­zelneTier so, daß er versucht zu erkennen, wie dies Organsystem bei die­ser, wie ein anderes bei der anderen Tierklasse einseitig ausgebildet ist. Er betrachtet auch nicht das Zusammenfassende im Menschen. Wenn wir dies tun, dann wird unser Erkennen unmittelbar ein Fühlen, ein Empfinden unserer Stellung zur Welt, dann hören wir auf, egoistisch nur in uns zu fühlen, dann geht unser Gefühl hinaus in die Wel.

hoe de hele mens in zekere zin een samenvatting van de dierenwereld is, hoe in hem alles vervolmaakt is, hoe de dieren eenzijdig gevormd zijn en daarom geen van hen de volle bezieling kan hebben en hoe de mens toont dat het ene orgaansysteem aan het andere is aangepast en juist daardoor de mogelijkheid krijgt een geheel bezield wezen te zijn.
We kunnen als we er zelf helemaal van overtuigd zijn – wanneer de volle geestelijke werkelijkheid ons eigendom geworden is – dan kunnen we deze verhouding van de mens tot de  dierenwereld ook bezield schilderen (met woorden), zodat wat we neerzetten een geheel  objectieve voorstelling van zaken is, maar dat tegelijkertijd de mens zijn verhouding tot de wereld aanvoelt. Bedenk eens wat het voor waarde zou hebben, wanneer je tegenwoordig de mensen in dit materialistische tijdperk zegt dat hij de kroon van de schepping is. Dat begrijpt hij in detail niet. Hij kijkt naar het dier op zich. Hij bekijkt niet ieder dier zo, dat hij probeert te leren kennen hoe het ene orgaansysteem bij dit, hoe een ander orgaansysteem bij een andere diersoort eenzijdig gevormd is. Hij bekijkt ook niet hoe het in de mens tot een synthese komt. Wanneer we dit doen, wordt ons kennen meteen een voelen, een invoelen van onze plaats in de wereld, dan stoppen we ermee egoïstisch alleen in ons zelf te voelen, dan gaat ons gevoel uit naar de wereld.

Man versuche nur einmal in diesem Sinne zu unterrichten, und man wird sehen, welchen Wert ein solches Unterrichten für das Gemüt des Kindes hat. Es verwandelt sich solches Erkennen durchaus in Empfin­dung. Der Mensch wird unter dem Einfluß eines solchen Erkennens nach und nach bescheiden. Der Unterrichtsstoff wird wirklich als Er­ziehungsmittel verwendet. Was nützt es denn, wenn wir immer wieder sagen, wir sollen nicht bloß trocken unterrichten, nicht bloß dem Kinde Wissensstoff beibringen, wenn wir keine Möglichkeit haben, den Wis­sensstoff so umzuwandeln, daß er unmittelbar Erziehungsmittel wird? Der Unterrichts­stoff muß eben zum Erziehungsmittel gemacht werden. Der naturgeschichtliche Unterricht wird es mit Bezug auf die Tierheit durch eine Behandlung im angedeuteten Sinne und indem wir ihn nicht an das Kind herankommen lassen, bevor es das 9. Jahr überschritten hat.

Probeer eens op deze manier les te geven en je zult zien wat voor waarde dit heeft voor het gevoelsleven van het kind. Dit soort kennis metamorfoseert zeer zeker in invoelen. De mens wordt onder invloed van dit kennen geleidelijk aan bescheiden. De lesstof wordt inderdaad als opvoedingstof gebruikt. Wat heeft het voor zin wanneer we iedere keer weer zeggen dat we niet alleen maar droog les moeten geven, niet alleen aan het kind stof om te weten moeten bijbrengen, wanneer we geen kans zien deze stof zo te veranderen dat het direct opvoedingsmiddel wordt?
Lesstof moet nu een maal tot opvoedingsmiddel gemaakt worden. Het onderwijs m.b.t. dieren wordt dit, door de behandeling op de aangegeven manier en wanneer we het niet aan het kind aanbieden voordat het het negende jaar gepasseerd is.
GA 301/127-129
Vertaald

blz. 131

Mit dem Tierreich etwas, was überall auf den Menschen hinweist. Der Mensch fühlt sich selber wie heraussynthetisiert aus den Einseitigkeiten des Tierreiches. Keine Tierspezies betrachten wir, ohne daß wir auf dasjenige im Menschen hinweisen, was diese Tierspezies besonders einseitig entwickelt hat. Das Tierreich wird uns ganz ein aus­einandergelegtes Menschenreich, ein fächerförmig ausgebreitetes Men­schenreich.

Met het dierenrijk hebben we iets dat overal naar de mens wijst. De mens voelt zich als een wezen dat uit de eenzijdigheden van het dierenrijk tot een synthese is gekomen. We bekijken geen diersoort, zonder dat we op datgene in de mens wijzen  wat deze diersoort eenzijdig ontwikkeld heeft. Het dierenrijk wordt voor ons helemaal een uiteengelegde mens, een waaiervormig uitgebreid mensenrijk.

blz. 132

(  )  aber heute, heute können wir aller­dings die gesamte Tierwelt wie fächerförmig ausgebreitet im Menschen schildern, den Menschen so als die Synthese der ganzen tierischen Welt hinstellen. Wir tragen alles, was dann in der Tierreihe mit den Kindern beobachtet wird, an den Menschen heran. Wir haben die Möglichkeit, dem Kinde, indem es die Augen nach außen richtet, gewissermaßen die Elemente seines Menschtums vor Augen zu stellen.
Das eine Mal bringen wir das Tierreich in engstes Verhältnis zum Menschen, das andere Mal bringen wir das Pflanzenreich in das engste Verhältnis zu dem, was außermenschlich, objektiv ist.
Mit anderen Worten: auf der einen Seite rufen wir das empfindende Verstehen des Tierreiches und des Menschen selbst durch die Betrachtung des Tierreiches hervor;( )

(  ) maar tegenwoordig, vandaag de dag, kunnen we zeer zeker heel de dierenwereld als een waaiervormige uitgebreide mens neerzetten, de mens op deze manier als een synthese van heel de dierenwereld. We brengen alles wat we met de kinderen aan dieren bekijken met de mens in verband. We hebben de mogelijkheid in zekere zin het kind elementen te tonen van wat hij als mens is wanneer hij de wereld buiten hem bekijkt.
De ene keer brengen we het dierenrijk in de intiemste verhouding tot de mens, de andere keer brengen we het plantenrijk in de intiemste verhouding tot de mens, tot wat buiten de mens objectief is.
GA 301/131-132
Vertaald

.

Rudolf Steiner over dierkundealle artikelen

Dierkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld4e klas dierkunde

.

1386-1297

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde (GA 300B)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

RUDOLF STEINER OVER DIERKUNDE

GA 300B    blz. 14

Wenn man mit Naturbeschreibungen aus der Tier- und Pflanzenwelt nach dem vollendeten neunten Lebensjahre beginnt und dieselben so hält, daß aus den Formen und Lebensvorgängen der außermensch­lichen 300b/15 Welt die menschliche Form und die Lebenserscheinungen des Menschen verständlich werden, so kann man diejenigen Kräfte im Zögling wecken, die in diesem Lebensabschnitt nach ihrem Ent­bundenwerden aus den Tiefen des Menschenwesens streben. Dem Charakter, den das Ich-Gefühl in dieser Lebensepoche annimmt, ent­spricht es, das Tier- und Pflanzenreich so anzusehen, daß, was in ihnen an Eigenschaften und Verrichtungen auf viele Wesensarten verteilt ist, in dem Menschenwesen als dem Gipfel der Lebewelt wie in einer harmonischen Einheit sich offenbart.

Wanneer je met natuurbeschrijvingen uit de dier- en plantkunde na het ge-eindigde negende levensjaar begint en die zo vormgeeft dat uit de vormen en levensprocessen van de wereld buiten de mens, de menselijke vorm en hoe de mens leeft, begrijpelijk wordt,  dan kun je die krachten in de opvoedeling wekken die in deze leeftijdsfase uit de diepten van het mensenwezen een weg zoeken, nadat ze vrij gekomen zijn. Het past bij de aard van het Ik-gevoel op deze leeftijd om zo naar het dieren- en plantenrijk te kijken dat de vele eigenschappen en activiteiten verdeeld zijn over vele exemplaren, die in de mens als hoogste wezen in een harmonische eenheid tot uitdrukking komen.
GA 300B/14
Niet vertaald

GA 300C  blz. 98   vergadering 18-09-1923

Es wird gefragt wegen der Gruppierung der Tiere, ob man das in Parallele zu den Lebensaltern bringen kann.
Dr. Steiner: Man muß die andere Sache vorausschicken, die Gliede­rung mit dem Menschen. Das andere ist sekundär. Nachdem man die große Gliederung angegeben hat, Kopftiere, rhythmische Tiere, Stoffwechseltiere, kann man es versuchen. Man wird nicht eine pri­märe Systematik daraus bekommen.

Er wordt gevraagd naar een indeling van de dieren, of je die parallel kan laten lopen met de leeftijdsfasen.
Dr.Steiner: je moet het andere vooropstellen, de verdeling met de mens. Het andere komt op de tweede plaats. Nadat je de grote verdeling hebt aangegeven, hoofddieren, ritmische dieren, stofwisselingsdieren, kun je het proberen. Je zal er geen primaire systematiek door krijgen.
GA 300C/98
Niet vertaald

.

Rudolf Steiner over dierkundealle artikelen

Dierkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas dierkunde

.

1385-1296

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde (GA 297)

..

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

RUDOLF STEINER OVER DIERKUNDE

GA 297  2e voordracht  blz. 50-52

blz. 50

Nehmen wir an, wir wollen begreiflich machen dem Kinde nach dem neunten Jahr den Unterschied der niederen Tiere von den höheren Tieren und vom Menschen; da geht man vom Menschen aus. Man vergleiche die niederen Tiere mit dem, was am Menschen ist; vergleiche die höheren Tiere mit dem, was am Menschen ist. Wenn man den Menschen beschrieben hat seinen Formen nach, seinen Lebensverrichtungen nach, dann kann man das, was man am Menschen so gefunden hat, anwenden auf niedere und höhere Tie­re. Das versteht das Kind. Da soll man nicht aus Banausentum oder Banalität heraus immer die Sorge haben, man rede über den Hori­zont des Kindes hinaus. Heute redet man manchmal über den Horizont der Erwachsenen hinaus; aber nicht über den Horizont des Kindes würde man hinausreden, wenn man zum Beispiel dem Kinde, aber natürlich erstens mit innerer Begeisterung und zwei­tens mit einer wirklichen Auffassung der Sache, beibrächte: Sieh dir die niederen Tiere an! – Man versetze es in die Gelegenheit, sagen wir einen Tintenfisch kennenzulernen. Dann gehe man, immer die entsprechenden Begriffe verwendend, dazu über, zu zeigen: mit welchen Teilen des vollkommenen Menschen ist denn der Tinten­fisch am meisten verwandt? Da kann das Kind dann schon verste­hen, daß der Tintenfisch am meisten verwandt ist mit dem Kopf

-Laten we eens aannemen dat we het kind na het negende jaar het verschil tussen de lagere dieren met de hogere en met de mens willen bijbrengen; dan moeten we van de mens uitgaan. Je vergelijkt de lagere dieren met dat wat de mens heeft; je vergelijkt de hogere dieren met dat wat de mens heeft. Wanneer je de mens hebt beschreven wat zijn vorm betreft en zijn levensprocessen, [het Duits heeft hier ‘Lebensverrichtungen’. Het gaat bij de dierkunde om hoofd, romp en ledematen/stofwisseling en daarbij horen de functies denken, voelen, willen. Dus zou Steiner hier met Lebensverrichtung bedoelen ‘wat het denken verricht’  – de bezigheid van. Ik heb hier gekozen voor ‘proces’; misschien is ‘functie’ beter. Wanneer het om de mens gaat op deze manier, wordt de vorm – hier bv. het hoofd, samengenoemd met de functie: denken, als Lebensverrichtung
dan kun je dat wat je zo bij de mens gevonden hebt, gebruiken bij de lagere en hogere dieren. Dat begrijpt het kind. Je moet niet uit bekrompenheid of banaliteit steeds zorgen hebben dat je boven het niveau van het kind spreekt. Tegenwoordig spreekt men vaak boven het plafond van de volwassenen; maar niet boven dat van het kind spreek je, wanneer je het, ten eerste vanzelfsprekend vanuit een innerlijk enthousiasme en ten tweede met een werkelijk begrip van de zaak, bijv. zou bijbrengen: Kijk eens naar de lagere dieren! Je biedt de mogelijkheid, laten we zeggen, dat ze een inktvis leren kennen.
Daarna ga je, steeds de corresponderende begrippen gebruikend, ertoe over te laten zien: met welke delen van de totale mens is de inktvis nu het meest verwant? Het kind kan dan best begrijpen dat de inktvis het meest verwant is met het hoofd van de mens.

blz. 51

des Menschen. Es ist nämlich die Wirklichkeit so, daß die niederen Tiere zwar einfach gestaltet sind, aber daß die Gestaltung, die ein­fach sich bei den niederen Tieren findet, beim menschlichen Haup­te wiederkehrt. Das menschliche Haupt ist nur komplizierter aus­gestaltet als die niederen Tiere. Und das, was sich bei den höheren Tieren, zum Beispiel bei den Säugetieren findet, das ist nur zu vergleichen mit dem, was sich im Rumpfleben des Menschen vor­findet. Die höheren Tiere müssen wir nicht mit dem Kopfleben des Menschen vergleichen, sondern mit dem Rumpfleben. Und gehen wir beim Menschen über zum Gliedmaßenleben, dann müssen wir sagen: Sieh dir einmal das Gliedmaßenleben des Menschen an; das hat er, so wie es ausgestaltet ist, einzig und allein für sich. So wie der menschliche Arm und die Hände ausgestaltet sind als Anhäng­sel des Leibes, in denen sich das Geistig-Seelische frei bewegt, so ist ein Gliedmaßenpaar in der ganzen Tierwelt nicht vorhanden. Wenn man beim Affen von vier Händen spricht, so ist das nur eine un­eigentliche Ausdrucksweise, denn die dienen schon von der Natur aus zum Halten, zum Fortbewegen des Leibes. Aber beim Men­schen sehen wir in einer merkwürdigen Art differenziert Füße und Hände, Arme und Beine.

Het is namelijk werkelijk zo dat de lagere dieren weliswaar eenvoudig gevormd zijn, maar dat die eenvoudige vorm die je bij de lagere dieren vindt, in het menselijke hoofd terugkeert. Het menselijke hoofd is alleen gecompliceerder van vorm dan de lagere dieren. En wat je bij de hogere dieren bijv. bij de zoogdieren vindt, is slechts te vergelijken met wat je aantreft bij de menselijke romp.
De hogere dieren moeten we niet met de hoofdactiviteiten vergelijken, maar met die van de romp. En wanneer we bij de mens overgaan tot de ledematen, dan moeten we zeggen: Kijk eens naar de ledematen van de mens; die heeft, zoals die zijn gevormd, alleen hij. Zoals de menselijke arm en de handen gevormd zijn, zoals die aan het lijf zitten, zoals geest en ziel zich daarin vrij kunnen bewegen, zo’n ledematenpaar is in heel de dierenwereld niet aanwezig. Wanneer men bij de apen over vier handen spreekt, dan is dat alleen maar een oneigenlijke manier van uitdrukken, want zij dienen slechts van de natuur uit om het lichaam in stand te houden, tot het bewegen van het lichaam. Maar bij de mensen zien we op een merkwaardige manier voeten en handen, armen en benen gedifferentieerd.

Wodurch ist der Mensch eigentlich Mensch? Nicht wahr, nicht durch seinen Kopf; der ist nur eine vollkommenere Ausgestaltung desjenigen, was schon bei den niederen Tieren sich findet. Das, was beim niederen Tier sich findet, ist fortentwickelt am menschlichen Kopf. Aber worin der Mensch Mensch ist, worin er hervorragt über die Tierwelt, das ist sein Gliedmaßensystem. Das, was ich Ihnen jetzt hier gezeigt habe, das können Sie natürlich nicht in dieser Form an die Kinder heranbringen. Aber Sie übersetzen es so, daß das Kind nach und nach solche Dinge aus der Anschauung heraus empfinden lernt. Dann werden Sie durch Ihre Erziehung unendlich viel von dem hinwegschaffen, was aus ganz geheimnis­vollen Untergründen heraus unsere gegenwärtige moralische Kul­tur verdirbt. Unsere gegenwärtige moralische Kultur wird vielfach dadurch verdorben, daß der Mensch auf sein Haupt so unendlich stolz und hochmütig ist – aber er würde es nicht sein, wenn es

Waardoor is de mens eigenlijk mens; niet door zijn hoofd, niet waar; dat is alleen maar een volmaakte vorm van wat we bij de lagere dieren aantreffen. Wat je bij de lagere dieren vindt, heeft zich in het menselijke hoofd verder ontwikkeld. Maar waardoor de mens mens is, dat is zijn ledematenstelsel. Dat wat ik u hier nu verteld heb, kunt u natuurlijk niet op deze manier aan de kinderen vertellen. Maar u verandert het zodanig dat het kind langzamerhand zulke dingen uit de waarneming ervaren kan. Zodoende kunt u met uw opvoeding oneindig veel opruimen van wat uit een heel ondoorzichtige achtergrond onze huidige morele cultuur bederft. Deze morele cultuur wordt bedorven door het feit dat de mens wat zijn hoofd betreft, nogal trots en hoogmoedig is. Dat zou hij niet zijn, wanneer hij

blz. 52

weiter ausgebildet würde, was da zugrunde gelegt werden kann -, während er stolz und hochmütig sein könnte gerade auf sein Gliedmaßensystem, das zur Arbeit dient, das zum Hineinstel­len in die Welt der sozialen Ordnung dient.
Der naturwissenschaftliche Unterricht in bezug auf die Tierwelt kann in unbewußter Weise in die Menschennatur ein richtiges Ge­fühl des Menschen von sich selbst und von der sozialen Ordnung hineininfiltrieren. Das wird Ihnen zeigen, daß die pädagogischen Fragen allerdings viel tiefere Untergründe haben, als man heute ge­wöhnlich glaubt, daß sie zusammenhängen mit großen, umfassenden Kulturfragen. Das wirft doch ein Licht auf den naturwissen­schaftlichen Unterricht, wie er sich zu gestalten hat nach dem neun­ten Jahr. Alles läßt sich in Beziehung auf den Menschen behandeln, aber so, daß jetzt neben dem Menschen überall die Natur auftritt und der Mensch wie eine große Zusammenfassung der Natur erscheint. Das würde dem Kinde viel geben, wenn man bis gegen das zwölfte Jahr hin diese Gesichtspunkte festhalten würde.

wist wat er aan het hoofd ten grondslag ligt; op zijn ledematen zou hij wel trots mogen zijn want ze dienen het werk en de sociale orde in de wereld.
Natuurwetenschappelijk onderwijs kan met betrekking tot de dierenwereld in de mens onbewust een goed gevoel doen binnenkomen over zichzelf en over het sociale leven. Dat laat u zien dat de pedagogische vragen zeer zeker een diepere achtergrond hebben, dan men tegenwoordig wel gelooft; dat ze samenhangen met de grote, omvangrijke cultuurvragen. Dat werpt toch een licht op het natuurwetenschappelijk onderwijs en hoe dat vorm te geven na het negende jaar.Alles kun je behandelen met het oog op de mens, maar zodanig dat nu naast de mens overal natuur aanwezig is en dat de mens als een grote samenvatting van de natuur in verschijning treedt. Dat zou voor het kind veel kunnen betekenen, als je tot aan het 12e jaar deze gezichtspunten vast kan houden.
GA 297/50-52
Vertaald op deze blog/50-52

.

Rudolf Steiner over dierkundealle artikelen

Dierkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld4e klas dierkunde

.

1383-1294

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 301 voordracht 13

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]  [12]   [14]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

13e voordracht Bazel, 10 mei 1920 [2]

Inhoudsopgave
Spel van kind:
Schiller over ‘speldrift’
spel en droom
verschil in mens wat betreft oordeel na het 20e jaar door kinderlijk spelen voor de tandenwisseling
na de tandenwisseling gezelschapspel
geesteswetenschap en psychologie|
i.p.v. definities karakteriseren
meetkunde
ontwikkeling ruimtelijk gevoel, perspectief, schaduwleer.

blz. 202

Das kindliche Spiel

Ich werde diese letzten Vorträge so gestalten, wie es sich ergibt durch diese oder jene Fragestellung, die an mieh entweder schriftlich oder mündlich ergangen ist; ich werde auch versuchen, noch einiges ergän­zend zu dem einen oder anderen hinzuzufügen, das ich schon vorge­bracht habe. Zunächst möchte ich bemerken, daß jene Befruchtung, die für die pädagogische Kunst von seiten der Geisteswissenschaft ausgehen könnte, unter vielem anderen darin bestehen soll, daß die Erziehungs­kunst durch Geisteswissenschaft wirklich in die Lage kommt, sach­gemäß den Blick auf die ganze Entwickelung des Menschen zu lenken.
Wir haben ja gesehen, wie so etwas wie Geschichtsbetrachtung eigent­lich erst gegen das 12. Jahr für den heranwachsenden Menschen frucht­bar gemacht werden kann. Denn in der Geschichtsbetrachtung liegt schon eine Art Vorbereitung für das Lebensalter, das erst mit der Ge­schlechtsreife, also mit dem 14. oder 15. Jahr beginnt.

het spel van het kind

Ik wil de laatste voordrachten zo geven zoals ze ontstaan door deze of die vraag die mij schriftelijk of mondeling is gesteld; ik zal ook proberen om nog wat aan te vullen bij wat ik al gezegd heb. Allereerst wil ik opmerken dat de inspiratie die voor de pedagogische kunst van de geestesewetenschap uit kan gaan, naast het vele andere, daaruit moet bestaan dat de opvoedkunst door de geesteswetenschap daadwerkelijk zo wordt dat ze adequaat de blik weet te richten op de hele ontwikkeling van de mens.
We hebben al gezien dat zoiets als naar geschiedenis kijken eigenlijk voor de opgroeiende mens pas tegen het 12e jaar zinvol gedaan kan worden. Want in de geschiedenisbeschouwing ligt al een soort voorbereiding voor de leeftijd die dan met de puberteit, dus met het 14e of 15e jaar, begint.

Da beginnt beim Menschen im Grund erst die Fähigkeit, aus dem Innern heraus zu urteilen. Urteilsvermögen, nicht bloß intellektualistisches Urteilsver­mögen, sondern umfassendes Urteilsvermögen nach allen Richtungen hin, kann sich erst nach der Geschlechtsreife entwickeln. Erst mit der Geschlechtsreife wird jenes übersinnliche Glied der menschlichen Wesen­heit, das Träger der Urteilskraft ist, aus der übrigen menschlichen Natur heraus geboren. Man nenne dieses Glied wie man will. In mei­nen Büchern habe ich es astralischer Leib genannt, aber auf den Namen kommt es nicht an. Ich sagte, nicht allein beim intellektualistischen Be­urteilen merkt man dies, sondern bei jeder Art von Urteil im weitesten Sinne. Sie werden vielleicht etwas erstaunt darüber sein, daß ich das, was ich jetzt bezeichnen will, auch unter die Sphäre des Urteils fasse. Allein würden wir hier eine ausführliche Psychologie treiben können, so würde man das, was ich sage, auch psychologisch nachweisen können. Wenn wir zum Beispiel den Versuch machen, das Kind vor der Geschlechtsreife

Dan krijgt de mens in feite pas het vermogen vanuit het innerlijk te oordelen. Oordeelsvermogen – niet alleen maar intellectualistisch oordeelsvermogen, maar een omvattend vermogen tot oordelen in alle opzichten – kan zich pas ontwikkelen na de geslachtsrijpheid. Pas hierna wordt het bovenzintuiglijk wezensdeel van de mens dat drager is van de kracht tot oordelen, vanuit de natuur van de mens geboren. Noem dit wezensdeel maar zoals je wilt. In mijn boeken heb ik het astraallijf genoemd, maar op de naam komt het niet aan. Ik zei, niet alleen bij het intellectualistisch beoordelen merk je dit, maar bij iedere vorm van oordelen, welke dan ook maar. U zal er misschien wat verbaasd van opkijken dat ik, wat ik nu karakteriseren wil, ook in de oordeelsfeer trek. Zouden we hier een omvangrijke psychologie kunnen bedrijven, dan zouden we, wat ik zeg, ook psychologisch kunnen aangeven. Wanneer we bijv. proberen vóór de puberteit

blz. 203

aus seinem eigenen Geschmacksurteil heraus rezitieren zu lassen, so verdirbt man Entwickelungskräfte der menschlichen Natur, die im Grunde erst später in Anspruch genommen werden sollen, und die eben verdorben werden, wenn sie vor der Geschlechtsreife in An­spruch genommen werden. Auch das Fällen eines selbständigen Ge­schmacksurteils ist erst nach der Geschlechtsreife möglich. Wenn ein Kind vor dem 14., 15. Jahr zum Deklamieren angehalten werden soll, so geschehe es in Anlehnung an denjenigen, der eben als selbstverständ­liche Autorität neben dem Kinde steht. Das heißt, das Kind soll Gefal­len finden an der Art und Weise, wie der andere rezitiert. Nicht soll das Kind angeleitet werden, selber aus seinem Geschmacksurteil heraus etwas so zu betonen, so etwas nicht zu betonen, den Rhythmus so oder so zu gestalten, sondern das Kind soll auf Autorität hin auch in bezug auf die Geschmacksführung sich leiten lassen. Gerade das Gebiet des intimen Kindeslebens soll man ja nicht vor der Geschlechtsreife aus dem Folgen der selbstverständlichen Autorität herauszuführen suchen. Ich sage immer »selbstverständliche Autorität«, weil ich durchaus nicht eine aufgezwungene oder gar eine blinde Autorität meine, sondern ich gehe ja von dem aus, was sich einer unbefangenen Beobachtung ergibt:

het kind vanuit zijn eigen oordeel, naar eigen smaak te laten reciteren, dan bederf je ontwikkelingskrachten van de menselijke natuur die in de grond van de zaak pas later aangesproken mogen worden en die dus bedorven worden, wanneer ze vóór de puberteit worden aangesproken. Ook het vellen van een zelfstandig smaakoordeel is pas na de puberteit mogelijk. Wanneer een kind voor het 14e, 15e jaar gevraagd moet worden om voor te dragen, dan zou dat met behulp van de vanzelfsprekende autoriteit die naast het kind staat, moeten gebeuren. Dat betekent dat een kind het fijn moet vinden hoe de ander reciteert. Het kind moet niet aangespoord worden om zelf vanuit een smaakoordeel zo de nadruk te leggen op dit, niet op dat, het ritme zus of zo te nemen, maar het kind moet op autoriteit zich, wat betreft zijn smaak, laten leiden door de autoriteit. Juist het gebied van het meer innerlijke leven van een kind zou je niet vóór de puberteit moeten proberen los te maken van het navolgen van de vanzelfsprekende autoriteit. Ik zeg steeds ‘vanzelfsprekende autoriteit’, omdat ik beslist niet bedoel een afgedwongen of zelfs een blinde autoriteit, maar ik ga uit van wat voor een onbevangen waarnemen blijkt als:

Das Kind will vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife neben sich die Autorität haben. Es verlangt das. Es hat Sehnsucht danach. Und dieser Sehnsucht, die aus der Individualität des Kindes kommt, soll man ent­gegenkommen.
Wenn Sie solche Dinge im umfassenden Sinne ins Auge fassen, dann werden Sie sehen, daß in der Darstellung, in welcher ich hier versucht habe, einiges skizzenhaft über pädagogische Kunst zu sagen, immer Rücksicht auf die Gesamtentwickelung des Menschen genommen wird. Darum wird gesagt, man soll zwischen dem 7. und 14. Jahr nichts an­deres in das kind hineinbringen, als was für das ganze Leben dann fruchtbar sein kann. Man muß eben sehen, wie ein Lebensalter auf das andere wirkt. Ich werde gleich ein sprechendes Beispiel dafür geben. Das Kind mag längst aus der Schule fort sein, ist vielleicht längst er­wachsen, da zeigt sich erst, was wir in der Schule aus ihm gemacht haben und was nicht. Aber es zeigt sich nicht nur in einer allgemeinen, abstrakten, es zeigt sich in einer ganz konkreten Weise.
Betrachten wir von diesem Gesichtspunkte aus einmal das kindliche Spiel, und zwar gerade jenes Spiel, das beim allerjüngsten Kind zwi­schen der Geburt und dem Zahnwechsel auftritt. Dieses Spiel beruht

Het kind wil vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit een autoriteit naast zich hebben. Dat wil het. Daar verlangt het naar. En aan dit verlangen dat uit de individualiteit van het kind komt, moet je tegemoetkomen.
Wanneer u zulke dingen op een omvattende manier bekijkt, zal u zien in de verhandeling waarin ik hier geprobeerd heb, een en ander als schets over pedagogische kunst te zeggen, dat er steeds rekening wordt gehouden met de totale ontwikkeling van de mens.
Daarom wordt gezegd dat je tussen het 7e en het 14e jaar niets anders aan het kind moet geven dat wat voor zijn verdere leven vruchtbaar kan zijn. Je moet wel zien, hoe de ene leeftijd op de andere inwerkt. Ik zal daar zo een sprekend voorbeeld van geven.
Het kind mag al lang van school zijn, is misschien al lang volwassen, wanneer voor het eerst blijkt wat wij op school van hem gemaakt hebben en wat niet. Maar dat vertoont zich niet alleen op een algemene, abstracte manier, het vertoont zich heel concreet.
Laten we op deze manier eens kijken naar het spel van het kind en met name het spel dat het allerjongste kind tussen geboorte en tandenwisseling laat zien. Dit spel berust

blz. 204

ja selbstverständlich nach der einen Seite hin auf dem Nachahmungs-trieb. Die Kinder machen das nach, was sie bei den Erwachsenen sehen; aber sie machen es anders; sie machen es vor allen Dingen so, daß sie weit entfernt sind von dem Zweck und der Nützlichkeit, die der Er­wachsene mit gewissen Handlungen verbinden muß. Das Spiel wird nur der formalen Seite nach eine Nachahmung der Erwachsenen-Tätig­keit darstellen, nicht der materiellen Seite nach. Die Nützlichkeit, das zweckmäßige Sichhineinstellen in das Leben bleibt fort. Das Kind emp­findet eine Befriedigung an der Tätigkeit, die der Betätigung der Er­wachsenen nahe verwandt ist. Nun kann man untersuchen: was ist denn da eigentlich tätig? Wenn man das, was in der Spielbetätigung zum Vorschein kommt, studieren will und dabei die wahre Wesenheit des Menschen so erkennen will, daß man praktisch an der Entwicke­lung des Menschen sich betätigen kann, so muß man fortwährend die einzelnen Tätigkeiten der menschlichen Seele ins Auge fassen, auch diejenigen, welche sich dann auf die leiblichen Organe übertragen, sich gewissermaßen auf sie ausgießen. So einfach ist das nicht. Das Studium der Spielbetätigung im ausgedehntesten Maße wäre jedoch für die päd­agogische Kunst schon ganz außerordentlich wichtig.

enerzijds vanzelfsprekend nog op de drang tot nabootsen. De kinderen doen na wat ze bij de volwassenen zien; maar ze doen het anders; ze doen het vooral zo dat doel en nuttigheid achterwege blijven die de volwassene met bepaalde handelingen moet verbinden. Het spel zal alleen voor de vorm een nabootsing van een volwassenenactiviteit laten zien, niet naar de materiële kant. De nuttigheid, het zich richten naar een doel in het leven, blijft achterwege. Het kind vindt genoegen in de bezigheid, die heel verwant is aan de activiteit van de volwassene. Nu kun je onderzoeken: wat is er dan eigenlijk actief? Wanneer je wil bestuderen wat er in de spelactiviteit tevoorschijn komt en daarbij het ware wezen van de mens zo wil leren kennen. dat je in de praktijk kunt werken aan de ontwikkeling van de mens, dan moet je voortdurend de aparte activiteiten van de menselijke ziel bekijken, ook die overgaan in de lichamelijke organen, daar in zekere zin in uitvloeien. Zo simpel is dat niet. De studie van de spelactiveit in de ruimste zin zou echter voor de pedagogische kunst buitengewoon belangrijk moeten zijn.

Nun hängt diese Spielbetätigung mit Mannigfaltigem zusammen. Da sollte man sich doch erinnern, daß einmal von einem tonangebenden Geistesmenschen das Wort geprägt worden ist: Der Mensch ist nur so lange ganz Mensch, als er spielt, und der Mensch spielt nur, so lange er ganz Mensch ist. Dieses Wort hat Schiller in einem Brief geprägt, als er Goethes »Wil­helm Meister« in gewissen Partien gelesen hatte. Das freie Spiel mit den Seelenkräften, wie es sich entfaltet in der künstlerischen Gestaltung des »Wilhelm Meister«, erschien Schiller als etwas, das er nur verglei­chen konnte mit einem Erwachsenwordensein des kindlichen Spiels. Und im Grunde schrieb Schiller seine Briefe: »Uber die ästhetische Er­ziehung des Menschen« ganz aus dieser Gesinnung heraus. Schiller schrieb ja aus der Gesinnung heraus, daß man als erwachsener Mensch mit der Betätigung, die man im gewöhnlichen Leben zu üben hat, eigentlich nie ganz Mensch ist. Entweder folgt man, meint Schiller, der sinnlichen Notdurft, demjenigen, was die Sinne fordern; dann steht man unter einem gewissen Zwang. Oder man folgt der logischen Not­wendigkeit, die man von der Vernunft vorgeschrieben erhält, dann folgt man der Vernunftnotwendigkeit und ist wieder kein freier Mensch. Frei, meint Schiller, ist man eigentlich nur im künstlerischen Schaffen

Nu hangt deze spelactiviteit met heel veel samen. Roep maar in herinnering dat eens door een toonaangevende grote geest gezegd is: ‘De mens is slechts volledig mens als hij speelt en de mens speelt slechts zolang hij volledig mens is.’ Deze woorden heeft Schiller [4] in een brief geformuleerd, toen hij van Goethes ‘Wilhelm Meister’ bepaalde gedeelten gelezen had. Het vrije spel met de zielenkrachten, zoals zich dat ontvouwt in de kunstzinnige vormgeving van ‘Wilhelm Meister’, was voor Schiller iets, wat hij alleen maar kon vergelijken met het volwassen geworden zijn van het spel van een kind. En uit de aard van de zaak schreef Schiller zijn brieven: Over de esthetische opvoeding van de mens’ helemaal vanuit deze sfeer. Schiller schreef vanuit de stemming dat je als volwassen mens met de activiteiten die je in het dagelijks leven moet ontplooien, eigenlijk nooit volledig mens bent. Of je volgt, volgens Schiller, de zinnelijke behoefte, wat de behoeften vragen; dan sta je onder een bepaalde dwang. Of je volgt de logische noodzaak die je verstand je voorschrijft, dan volg je de verstandsdwang en dan ben je ook geen vrij mens. Vrij, zegt Schiller, ben je eigenlijk alleen maar als je kunstzinnig scheppend bent

blz. 205

und im künstlerischen Sinnen. Das ist gewiß begreiflich bei einem Künstler wie Schiller, aber es ist einseitig, da es in bezug auf die Er­fassung der Freiheit der Seele viel menschliches Erleben gibt, das ebenso nur innerlich verläuft, wie dasjenige, was Schiller unter Freiheit ver­steht. Aber die Lebensform, in der Schiller den Künstler befindlich denkt, ist tatsächlich so, daß der Mensch Geistiges erlebt, wie wenn es natürlich und notwendig wäre, und wiederum Sinnliches so, wie wenn es schon Geistiges wäre. Das ist ja gewiß beim künstlerischen Genießen und auch beim künstlerischen Schaffen der Fall. Man schafft im sinn­lichen Material, aber man schafft nicht nach Nützlichkeit, nicht nach äußeren Zweckmäßigkeitsprinzipien. Man schafft so, wie es die Idee will – wenn man das Wort im weitesten Sinne gebraucht -, aber man schafft auch nicht in abstrakten Ideen nach logischen Notwendigkeiten, sondern beim künstlerischen Schaffen ist man so dabei, wie man bei Hunger und Durst dabei ist. Es ist eine ganz persönliche Notwendig­keit. Schiller fand, daß der Mensch sich so etwas erringen kann im Leben, daß aber das Kind auf naturgemäße Weise dieses Spiel hat, in welchem es gewissermaßen in der Welt der Erwachsenen lebt, aber nur so, daß es seine Individualität befriedigt, daß es sich auslebt im Ge­schaffenen, ohne daß das Geschaffene zu irgend etwas dient.

en in het kunstzinnig denken. Dat is wel begrijpelijk bij een kunstenaar als Schiller, maar het is eenzijdig, daar er m.b.t. de opvatting over vrijheid van de ziel veel menselijke belevingen zijn die net zo innerlijk verlopen als wat Schiller onder vrijheid verstaat. Maar de levensvorm, waarin Schiller de kunstenaar plaatst, is inderdaad zo, dat de mens iets geestelijks beleeft alsof het natuurlijk is en niet anders kan en het overpeinzen dan weer zo alsof het al iets geestelijks is. Dat is zeker het geval wanneer je van het kunstzinnige geniet en bij het kunstzinnig vormgeven. Je creëert iets met stoffelijk materiaal, maar niet om iets nuttigs te maken, niet met gezichtspunten van doelmatigheid. Je schept iets volgens een idee – wanneer je het woord in de ruimste zin gebruikt – maar ook niet met abstracte ideeën volgens logische noodzaak, maar bij het kunstzinnig scheppen ben je daar net zo bij alsof je honger en dorst hebt. Het is een persoonlijke behoefte. Schiller vond dat de mens zoiets in zijn leven kan bereiken, dat een kind echter van nature dit spel heeft, waarbij het dan in zekere zin in de wereld van de volwassene leeft, maar alleen zo, dat het zijn individualiteit tevreden stelt, dat het zich uitleeft in het creëren, zonder dat de creatie ergens voor dient.

Nun, das war eine Betrachtung, die angestellt worden ist im Beginne des 19. Jahrhunderts und am Ende sogar des 18. Jahrhunderts von Schiller, und die einen anregen kann, die Sache weiter zu verfolgen. In der Tat, die psychologische Bedeutung des Spieles, sie ist nicht so ganz einfach zu finden. Man muß ja sich sagen: Hat nun die besondere Art von Spieltätigkeit, die das Kind ausübt vor dem Zahnwechsel, eine Bedeutung für das ganze Menschenleben? Man kann, wie gesagt, sie so analysieren, wie das Schiller versucht hat unter der Anregung von Goethes gewissermaßen Erwachsenen-Kindlichkeit. Man kann aber diese Spieltätigkeit auch mit einer anderen Betätigung der menschlichen Wesenheit vergleichen. Man kann diese Spieltätigkeit des Kindes vor dem Zahnwechsel mit der Traumtätigkeit vergleichen. Da wird man sehr wohl gewisse bedeutsame Analogien finden. Nur just beziehen sich diese Analogien bloß auf den Verlauf, auf den Zusammenhang des­jenigen, was das Kind in der Spielbetätigung tut. So wie das Kind im Spiel die Dinge zusammenstellt – was es auch immer zusammenstelle -, so stellt man, wenn auch nicht mit äußeren Dingen, sondern nur mit Gedanken, mit Bildern, im Traume die Bilder zusammen, wenn auch

Welnu, dat was een beschouwing die gegeven werd in het begin van de 19e eeuw en op het eind van de 18e eeuw zelfs door Schiller en die je kan aansporen het onderwerp verder te volgen. Inderdaad, de psychologische betekenis van spel is niet zo makkelijk te vinden. Gezegd dient te worden: heeft die bijzondere manier van spelactiviteit die het kind uitvoert vóór de tandenwisseling nu een betekenis voor het hele mensenleven? Je kan – zoals gezegd – het zo analyseren als Schiller het geprobeerd heeft, gestimuleerd in zekere zin door de volwassen-kinderlijkheid van Goethe. Je kan echter de activiteit van het spelen ook met een andere activiteit van de mens vergelijken. Je kan de spelactiviteit van het kind vergelijken met de droom. Daarbij vind je zeker belangrijke overeenkomsten. Maar die hebben alleen betrekking op het verloop, op de samenhang van wat het kind doet als het speelt. Zoals het kind in zijn spel de dingen bij elkaar brengt – wat dan ook – zo stel je, al is dat dan ook niet met uiterlijke dingen, maar alleen met gedachten, met beelden, in je droom de beelden samen, maar ook

blz. 206

nicht in allen Träumen, aber in einer sehr wesentlichen Klasse von Träumen. Man bleibt im Träumen tatsächlich das ganze Leben hin­durch in einem gewissen Sinne Kind. Man kann aber, um die Sache nun zu einem wirklichen Real-Erkennen zu bringen, dabei nicht stehen­bleiben, das Spiel mit dem Traume zu vergleichen, sondern man muß sich fragen: Wann tritt denn im Leben des Menschen etwas ein, wo­durch diejenigen Kräfte, die in diesem ersten kindlichen Spiel bis vor dem Zahnwechsel entwickelt werden, für das ganze äußere Menschen­leben fruchtbar werden, wann hat man eigentlich die Früchte des kind­lichen Spiels? Da meint man gewöhnlich, man müsse in der unmittel­bar darauffolgenden Lebensepoche diese Früchte des kindlichen Spieles suchen, und das ist es eben, was Geisteswissenschaft erst zeigen soll, wie in einer Art von rhythmischen Wiederholungen das Leben abläuft. So wie man einen Pflanzenkeim hat, aus dem sich Blätter entwickeln in mannigfaltigen Gestalten, erst Kelchblätter, dann Blütenblätter und so weiter, und dann kommt erst wiederum der Keim, wie da dazwi­schen etwas liegt und die Wiederholung des Früheren nach einer Zwi­schenperiode auftritt, so ist es tatsächlich auch im Menschenleben.

weer niet in alle dromen, maar in een heel bepaald soort dromen. Je blijft wanneer je droomt inderdaad je hele leven in zekere zin kind. Je kan echter, om de zaak nu daadwerkelijk te leren kennen, niet blijven staan bij het vergelijken van het spel met de droom, maar je moet je afvragen: wanneer vindt er in het leven van de mens iets plaats waardoor de krachten die in dit eerste kinderlijke spel vóór de tandenwisseling ontwikkeld worden, voor het hele uiterlijke leven van de mens vruchtbaar worden, wanneer pluk je eigenlijk de vruchten van het kinderlijke spel? Gewoonlijk denkt men dat je die wel in de aansluitende leeftijdsfase moet zoeken en de geesteswetenschap moet nu aantonen hoe het leven verloopt in een soort ritmische herhalingen. Net zoals je een kiem van een plant hebt waaruit blaadjes komen in verschillende vormen, eerst kelkbladeren, dan bloembladeren enz en dan pas weer de kiem, zoals daartussen iets ligt en de herhaling van wat voorafging, er na een tussentijd weer is, zo is dat daadwerkelijk ook in een mensenleven.

Man ist durch die mannigfaltigste Betrachtungsweise dahin gebracht worden, das Menschenleben lediglich so aufzufassen, als wenn jedes folgende Zeitalter die Wirkung des vorangehenden wäre. Das ist nicht der Fall. Gibt man sich einer unbefangenen Beobachtung hin, so findet man, daß die eigentlichen Früchte derjenigen Lebensbetätigung, die im ersten Spiel auftritt, erst in den Zwanzigerjahren herauskommen. Was wir uns im Spiel von der Geburt bis zum Zahnwechsel erwerben, was da traumhaft vom Kinde dargelegt wird, das sind Kräfte der jetzt noch ungeborenen Geistigkeit des Menschen, der noch nicht in den Körper hinein absorbierten, oder resorbierten, wenn Sie besser wollen, Gei­stigkeit des Menschen. Das ist so: Ich habe Ihnen auseinandergesetzt, wie dieselben Kräfte, die an dem Menschen bis zum Zahnwechsel hin organisch arbeiten, dann selbständig sind, wenn sie die Zähne geboren haben, als Vorstellungs-, als Denktätigkeit; da wird gewissermaßen aus dem Leiblichen etwas herausgezogen. Das, was das Kind betätigt im Spiel, was auch noch nicht zusammenhängt mit dem Leben, dem keine Nützlichkeit innewohnt, das ist dagegen etwas, was noch nicht mit dem Leib zusammengewachsen ist; so daß das Kind eine seelische Betätigung hat, die im Leibe arbeitet bis zum Zahnwechsel und dann zum Vorscheine kommt als Kraft zur Bildung von Begriffen, die dann

Men is er door allerlei beschouwingswijzen toe gekomen het mensenwezen alleen maar zo te zien, als zou iedere volgende fase het gevolg zijn van de voorafgaande. Dat is niet het geval. Als je het onbevangen bekijkt, vind je, dat de eigenlijke vruchten van die activiteit die met het eerste spelen plaatsvindt, pas na je twintigste manifest worden. Wat we met het spel van de geboorte tot de tandenwisseling opdoen, wat op een dromerige manier door het kind gedaan wordt, zijn krachten van de geest die dan in de mens nog niet geboren is, van de geest die nog niet in het lichaam is opgenomen of weer opgenomen – als u dat liever hebt. Dat zit zo: ik heb u uitgelegd hoe dezelfde krachten die organisch aan de mens werken tot aan de tandenwisseling, zelfstandig zijn, wanneer er gewisseld wordt, als krachten om te kunnen voorstellen, als denkkracht; in zekere zin wordt er iets uit het lichamelijke gehaald. Dat wat het kind laat spelen, wat nog geen samenhang vertoont met het leven, waarin geen nuttigheidsprincipe zit, is daarentegen iets wat nog niet met het lichaam samengegroeid is; zodat het kind een activiteit van de ziel heeft die in het lichaam werkzaam is tot aan de tandenwisseling en dan tevoorschijn komt als kracht om begrippen te kunnen vormen, die dan

blz. 207

erinnert werden können. Auf der anderen Seite hat es eine geistig­seelische Betätigung, die gewissermaßen noch leicht ätherisch über das Kind hinschwebt, die sich im Spiel so betätigt, wie sich im ganzen Leben die Träume betätigen. Aber diese Tätigkeit wird beim Kinde eben nicht bloß im Traum, sie wird am Spiel, also doch an einer äußeren Realität, entwickelt. Was da an dieser äußeren Realität entwickelt wird, das tritt gewissermaßen zurück. Wie die keimbildende Kraft in der Pflanze im Blatt und im Blütenblatt zurücktritt und erst wiederum in der Frucht erscheint, so erscheint dasjenige, was da im Kinde angewendet und aufgewendet wird, erst wiederum etwa vom 21. oder 22. Jahre beim Menschen als der nun selbständig im Leben Erfahrungen sam­melnde Verstand. Und da möchte ich Sie bitten: Versuchen Sie diesen Zusammenhang wirklich aufzusuchen, gehen Sie wirklich gewissenhaft Kinder durch, versuchen Sie das Individuelle ihres Spieles zu begreifen, überhaupt das Individuelle der freien spielerischen Betätigung der Kinder zu begreifen bis zum Zahnwechsel hin, und machen Sie sich Bilder von den Individualitäten der Kinder, und setzen Sie zunächst hypothetisch voraus: 

herinnerd kunnen worden. Aan de andere kant is er een geest-zielenactiviteit die in zekere zin nog licht etherisch boven het kind zweeft die in het spel zo werkzaam is, zoals in het hele leven de dromen dat zijn. Maar deze activiteit wordt bij het kind dus niet alleen in de droom ontwikkeld, maar in het spel, in een uiterlijke activiteit dus. Wat aan deze uiterlijke werkelijkheid ontwikkeld wordt, trekt zich in zekere zin terug. Zoals de kiemvormende kracht in de plant zich terugtrekt in het blad en in het bloemblad en pas weer in de vrucht verschijnt, zo verschijnt wat in het kind, door het kind aan activiteit ontplooit wordt en wat het aan inspanning levert, pas weer vanaf het 21e of 22e jaar als het verstand dat nu zelfstandig in het leven ervaringen opdoet. En nu zou ik u willen vragen: probeert u deze samenhang daadwerkelijk op te zoeken, volg de kinderen serieus, probeer het eigene van hun spel te begrijpen, met name het individuele van de vrije spelactiviteit tot aan de tandenwisseling en neem dan als hypothese:

die individuelle Gestaltung, die im Spiel bis zum Zahnwechsel bemerkbar ist, die tritt in irgendeiner Weise im besonde­ren Charakter des selbständigen Urteilens des Menschen nach dem 20. Jahre wieder auf; das heißt, die Menschentypen nach dem 20. Jahre sind verschieden in bezug auf ihr selbständiges Urteilen, so wie die Kinder verschieden sind beim Spiel vor dem Zahnwechsel.
Denkt man so etwas aus der vollen Wirklichkeit heraus, dann be­kommt man tatsächlich ein, ich möchte sagen, unbegrenztes Ver­antwortlichkeitsgefühl gegenüber dem Erziehen und auch dem Unter­richten; denn man kommt dazu, sich zu sagen: Was du jetzt mit dem Kinde tust, das formt den Menschen noch über die Zwanzigerjahre hinaus. Man sieht aus dem, daß man das ganze Leben, nicht bloß das Kindesleben kennen muß, wenn man eine richtige Erziehungskunst aufbauen will.
Die weitere spielende Tätigkeit von dem Zahnwechsel bis zur Ge­schlechtsreife ist etwas anderes. Gewiß, die Dinge sind nicht streng voneinander geschieden, will man aber etwas Ordentliches erkennen gerade für das praktische Leben, so muß man die Dinge ordentlich scheiden. Wer beobachten kann, wird finden, daß die spielende Tätig­keit des Kindes bis zum 7. Jahre etwas von einem individuellen Cha­rakter hat. Das Kind ist gewissermaßen als Spielender eine Art Einsiedler.

het individuele karakter dat in het spel tot aan de tandenwisseling te zien is, komt op de een of andere manier in een bijzondere vorm weer terug bij het zelfstandig oordelen van de mens na z’n 20e jaar; dat betekent dat de mensen na hun 20e verschillend zijn m.b.t. hun zelfstandig oordelen, net zoals de kinderen van elkaar verschillen bij het spelen vóór de tandenwisseling.
Als dat vanuit de volle werkelijkheid tot je doordringt, dan krijg je echt een onbegrensd verantwoordelijkheidsgevoel voor het opvoeden en ook voor het onderwijs; want je zal de conclusie trekken: wat je nu met het kind doet, werkt nog vormend door tot in de jaren waarin hij 20 is. Hieraan zie je, dat je het hele leven moet kennen, niet alleen het leven van het kind, als je een echte opvoedkunst wil realiseren.
Het verdere spel vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit is iets heel anders. Natuurlijk zijn de dingen niet rigoreus van elkaar te scheiden, maar als je iets op een juiste manier voor het praktische leven wil leren kennen, moet je de dingen wel op de juiste manier uit elkaar houden. Wie kan waarnemen, zal vinden dat de spelactiviteit van het kind tot het 7e jaar een soort individueel karakter heeft. Het kind is in zekere zin spelend een soort kluizenaar.

blz. 208

Es spielt für sich. Gewiß, es will auch Hilfe haben, aber dann ist es ein furchtbarer Egoist, es will eben auch allein die Hilfe haben. Ein geselliges Leben für das Spiel tritt mit dem Zahnwechsel ein. Die Kinder wollen dann mehr untereinander spielen. Das tritt mit dem Zahnwechsel ein, wenigstens ist das der typische Fall, obwohl es gerade einzelne Ausnahmen gibt. Da hört das Kind auf, der Einsiedler im Spiel zu sein; es will mit andern Kindern seine Spiele machen und etwas im Spiel bedeuten. Dieses im Spiel etwas bedeuten wollen, das ist es, was insbesondere zwischen dem Zahnwedisel und der Ge­schlechtsreife auftritt. In militaristischen Ländern – ich weiß nicht, ob die Schweiz auch zu ihnen gehört, das will ich nicht entscheiden -, in militaristischen Ländern machen die Knaben insbesondere die Soldaten-spiele, die ja gesellige Spiele sind, bei denen die Knaben »etwas sein« wollen. Die meisten wollen mindestens General sein bei diesen Spielen; ein geselliges Element tritt ein in die kindlichen Spiele. Dabei bleibt der Charakter des Spiels gewahrt, indem das, was da im kindlichen Spiel geübt wird, sich nicht nach dem Zweckmäßigkeitsprinzip in das soziale Leben hineinstellt.

Het speelt op zichzelf. Zeker, het wil ook hulp hebben, maar dan is het een vreselijke egoïst: die wil de hulp voor hem alleen hebben. Gezelschapspel begint met de tandenwisseling. Dan willen de kinderen meer met elkaar spelen. Dat begint met de tandenwisseling, meestal is dat zo hoewel er ook wel uitzonderingen zijn. Dan be-eindigt het kind in het spel het kluizenaar zijn; dan wil het met andere kinderen spelen en in het spel iets betekenen. Dat laatste doet zich vooral voor tussen tandenwisseling en puberteit. In militaristische landen – ik weet niet of Zwitserland daar ook bij hoort, daar wil ik niets over zeggen – in militaristische landen spelen de kinderen vooral soldaatje, dat speel je met een groep, waarbij de jongens ‘iets willen zijn’. De meeste willen in zo’n spel op z’n minst generaal zijn; in het kinderlijke spel komt een element van ‘samen’. Daarbij blijft het karakter van het spel bewaard, als wat daar in het kinderlijke spel beoefend wordt, niet met een nuttigheidsdoel in het sociale leven een plaats krijgt.

Aber das Eigentümliche ist, daß man das, was als Geselliges auftritt, im Spiel vom Zahnwechsel bis zur Ge­schlechtsreife eigentlich wie das vorbereitende Element für das nächste Lebensalter findet. Es ist sehr eigentümlich, wie im nächsten Lebens­alter mit der Geschlechtsreife das selbständige Urteil auftritt, wo der Mensch sich der Autorität entreißt, sein eigenes Urteil bildet, als ein­zelner Mensch dem andern gegenübertritt. Vorbereitend tritt im kind­lichen Spiel, eben nicht ins äußere soziale Leben eingegliedert, sondern eben nur in der Spieltätigkeit, dieses gleiche Element gerade in der vor­hergehenden Lebensepoche auf. Das, was also in der vorhergehenden Lebensepoche auftritt im kindlichen, geselligen Spiel, ist das vorläufige Sichlosreißen von der Autorität. Wir müssen daher sagen: Das Spiel gibt dem Kinde bis zum 7. Jahre, bis zum Zahnwechsel, etwas, was ver­leiblicht erst im 21. oder 22. Jahre ins Menschenleben eintritt, womit erworben wird die selbständige Individualität des Verstandes- und Erfahrungsurteils und so weiter. Dasjenige aber, was vom 7. Jahre bis zur Geschlechtsreife im Spiele sich vorbereitet, das tritt früher in der Entwickelung im Lebenslaufe auf, das tritt dann von der Geschlechts-reife bis zum 21. Jahre auf. Das ist ein Übergreifen. Es ist sehr inter­essant, darauf aufmerksam zu werden, daß wir das, was wir für unse­ren Verstand, für unsere Lebenserfahrung, für unsere gesellige Zeit als

Het eigenaardige is nu, dat je, wat in het ‘samen’ gebeurt in het spel tussen de tandenwisseling en de puberteit, eigenlijk als een soort voorbereidend element voor de volgende leeftijdsfase aantreft. Heel opvallend, hoe in de volgende leeftijdsfase met de puberteit het zelfstandig oordeel ontstaat, waarbij de mens zich losmaakt van de autoriteit, zijn eigen oordeel vormt, als een individu tegenover de ander komt te staan. Voorbereidend zit er in het kinderspel, maar niet ingebed in het uiterlijke sociale leven, maar alleen maar in die speelactiviteit, ditzelfde element juist in die voorafgaande periode. Wat dus in die voorafgaande periode gebeurt in het samen spelen van de kinderen, is een eerste losmaken van de autoriteit. Vandaar dat we moeten zeggen: het spel geeft het kind tot zijn 7e jaar, tot zijn tandenwisseling, iets wat meer belichaamd zich pas voordoet in het 21e of 22e levensjaar, waarbij eigen wordt het zelfstandig indivduele in het verstandsoordeel en in het oordeel over ervaringen enz. Wat echter wordt voorbereid in het spel tussen het 7e jaar en de puberteit, komt eerder in de levensloop tot ontwikkeling, dat manifesteert zich dan vanaf de puberteit tot het 21e jaar. Dat overlapt elkaar. Het is zeer interessant op te gaan merken dat we, wat we aan vaardigheden hebben voor ons verstand, voor onze levenservaring, voor onze sociale tijd,

blz. 209

Fähigkeiten haben, den ersten Kinderjahren verdanken, wenn das Spiel ordentlich geleitet wird. Das hingegen, was in unseren Lümmel- oder Flegeljahren in die Erscheinung tritt, verdanken wir der Zeit von dem Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife. Da überschneiden sich also die Zusammenhänge in dem menschlichen Lebenslauf.
Solches Übergreifen von Zusammenhängen im menschlichen Lebens­lauf ist von fundamentaler Bedeutung, und das ist etwas, was der Psychologie entgangen ist. Denn das, was wir heute Psychologie nen­nen, gibt es auch erst seit dem 18.Jahrhundert. Vorher hatte man ganz andere Begriffskonfigurationen über den Menschen und die Menschen­seelen. Aber das entwickelte sich durchaus in dem Zeitalter, in dem schon der materialistische Geist und das materialistische Denken kamen, und daher konnte sich Psychologie trotz aller bedeutsamen Anfänge nicht so entwickeln, daß eine richtige Seelenwissenschaft entstanden wäre, die der Wirklichkeit gemäß mit dem ganzen Menschenleben rech­nete. Ich muß gestehen, ich habe mir sehr, sehr viel Mühe gegeben, auch das Allerbeste, was nur zu finden ist, in der Herbartschen Psychologie zu entdecken.  

te danken hebben aan onze eerste kinderjaren, toen het spelen goed begeleid werd. Wat daarentegen in onze vlegeljaren manifest wordt, hebben we te danken aan de tijd tussen de tandenwisseling en de puberteit. Daar overlappen de samenhangen in de menselijke levensloop elkaar.
Dat overlappen van samenhang in de menselijke levensloop is van een fundamentele betekenis en dat is de psychologie ontgaan. Want wat we nu psychologie noemen, bestaat pas sinds de 18e eeuw. Daarvoor had men heel andere begrippen over de mens en de menselijke ziel. Maar het kwam vooral tot ontwikkeling in een tijd waarin de materialistische geest en het materialistische denken al opkwamen en vandaar dat de psychologie, ondanks het heel belangrijke begin zich niet zo kon ontwikkelen dat er een echte wetenschap van de ziel ontstond die, rechtdoend aan de werkelijkheid, rekening houdt met het gehele mensenleven. Ik moet toegeven dat ik mij heel veel moeite getroost heb om het allerbeste te vinden wat maar in de psychologie van Herbart te ontdekken valt.

Die Herbartsche Psychologie ist scharfsinnig. Die Her­bartsche Psychologie bemüht sich tatsächlich, aus elementaren Bestand­teilen des Seelenlebens heraus auf eine gewisse Gestaltung der Seele hinzuarbeiten. Es ist außerordentlich viel Schönes in der Herbartschen Psychologie; allein man muß doch hinschauen darauf, was diese Her­bartsche Psychologie bei guten Herbartianern für eigentümliche An­sichten hervorgerufen hat.
Ich kannte einen ganz hervorragenden Herbartianer sehr nahe, den Astheten Robert Zimmermann, der auch eine Philosophische Pro­pädeutik mit einer Psychologie für Gymnasiasten geschrieben hat und Herbart für das 19. Jahrhundert einen Kantianer von 1828 genannt hat. Der setzte in seiner psychologischen Schilderung als Herbart-Schü-1er tatsächlich das Folgende auseinander: Wenn ich Hunger habe, so strebe ich nicht danach, das Nahrungsmittel zu erhalten, welches den Hunger befriedigt, sondern eigentlich nur danach, daß die Vorstellung des Hungers aufhört und von der Vorstellung der Sättigung abgelöst wird. Ich habe es nur zu tun mit einer Bewegung von Vorstellungen. Es ist eine Vorstellung da, welche gegen Hemmungen aufkommen muß, die sich gegen Hemmungen heraufarbeiten muß. Und das Essen sei eigentlich nur ein Mittel, um übergehen zu können von der Vorstellung des Hungers zu der Vorstellung der Sättigung.

De psychologie van Herbart is scherpzinnig. Die doet werkelijk moeite om uit elementaire delen van de ziel, toe te werken naar een bepaalde vorm van de ziel. Er zit buitengwoon veel moois in de psychologie van Herbart; alleen moet je toch kijken naar wat deze psychologie bij goede aanhangers van Herbart voor merkwaardige opvattingen opgeroepen heeft.
Ik kende een heel uitstekende aanhanger van Herbart van heel dichtbij, de estheticus Robert Zimmerman die ook een filosofische propedeuse met een psychologie voor gymnasiasten heeft geschreven en Herbart voor de 19e eeuw een aanhanger van Kant van 1828 heeft genoemd. Hij zette in zijn psychologische schets als leerling van Herbart inderdaad dit uiteen: wanneer ik honger heb, streef ik er niet naar eten te krijgen dat de honger stilt, maar eigenlijk alleen naar de voorstelling dat de honger verdwijnt en door de voorstelling van ik heb geen honger meer, afgewisseld wordt. Ik heb alleen maar te maken met een beweging van voorstellingen. Er is een voorstelling die zich tegen een stoornis moet richten, die boven de stoornis moet komen te staan. En het eten is eigenlijk alleen maar een middel om van de voorstelling honger over te gaan naar de voorstelling van voldaan zijn.

blz. 210

Wer nun die Wirklichkeit der menschlichen Natur nicht etwa im materialistischen Sinne, sondern gerade im spirituell-geistigen Sinne ins Auge fassen kann, der wird sehen, daß in dieser Art der Anschau­ung eben etwas einseitig Rationalistisches und Intellektualistisches steckt, und daß es notwendig ist, daß wir über dieses einseitig Intellek­tuelle hinauskommen und den ganzen Menschen gerade psychologisch erfassen. Dann werden wir von der Psychologie aus gar manches für die pädagogische Kunst fordern müssen, was sonst für diese pädago­gische Kunst nicht zum Vorschein kommen kann. Was wir in dem Menschen heranerziehen, heranunterrichten, dürfen wir nicht so be­trachten, daß es für das Kind gerade richtig sein soll, sondern das soll ein Lebendiges sein, das sich umbilden kann. Denn wir sehen ja, es gibt solche Zusammenhänge, wie ich sie dargestellt habe. Man muß rechnen damit, daß man das, was man in der Volksschule heranbildet bis zur Geschlechtsreife, in einer ganz anderen Form vom 15. bis zum 21., 22. Jahre im Menschen aufgehen sieht.
Der Volksschullehrer ist für den Gymnasiallehrer oder für den Universitätslehrer unendlich wichtig, ja, er ist wichtiger, weil der Uni­versitätslehrer gar nichts machen kann, wenn ihm der Volksschullehrer nicht richtig vorgebildete Kräfte hinaufschickt.

Wie nu de werkelijkheid van de menselijke natuur niet alleen maar zo’n beetje in materialistische zin, maar vooral in spiritueel-geestelijke zin opvatten kan, zal zien, dat op deze manier van bekijken wel iets eenzijdig rationalistisch en intellectualistisch zit en dat het noodzakelijk is dat wij uitstijgen boven dit eenzijdig intellectuele en heel de mens, met name psychologisch, begrijpen. Dan zullen we van de psychologie heel veel voor de pedagogische kunst moeten eisen, wat anders voor deze pedagogische kunst niet tevoorschijn kan komen. Wat we de mens aan opvoeding geven, hem leren, mogen we niet zo bekijken dat het voor het kind wel goed moet zijn, maar het moet iets levends zijn, dat veranderen kan. Want we zien nu eenmaal, dat er zulke samenhangen bestaan, zoals ik ze heb laten zien. Je moet er rekening mee houden dat je wat je in de basisschool aanlegt tot aan de puberteit, op een heel andere manier vanaf het 15e tot het 21-, 22e jaar op ziet komen.
De basisschoolleerkracht is voor de docent of voor wie colleges geeft op de universiteit ontzettend belangrijk, ja die is belangrijker, omdat de universitaire docent helemaal niets doen kan, wanneer de basisschoolleerkracht hem niet de op een juiste manier voorgevormde krachten stuurt.

Das ist tatsächlich von einer großen Bedeutung, daß man mit diesen zusammengehörigen Lebensabsehnitten wirklich rechnet. Man wird dann sehen, daß reale Anhaltspunkte nur aus der Geisteswissenschaft heraus zu gewinnen sind.
Nun aber bedenken Sie, was alles in der Schule getrieben wird, weil man in Abhängigkeit lebt von gewissen Vorurteilen. Sicherlich, es ist schon manches aus gewissen Instinkten heraus besser geworden; es muß aber radikal besser werden – man definiert zum Beispiel noch zu viel. Man sollte, so viel es geht, vermeiden, vor den Kindern irgendwelche Definitionen zu geben. Definitionen legen immer die Seele fest, und ein Definitionsbegriff bleibt das Leben hindurch und macht das Leben zu etwas Totem. Wir sollen aber so erziehen, daß das, was wir in die kindliche Seele hineintragen, lebendig bleibt. Nehmen wir an, jemand bekommt als Kind im 9. Jahre oder im 11. Jahre von dem oder jenem einen Begriff, also im 9. Jahre, sagen wir, von einem Löwen, im ii. oder 12. Jahre von der griechischen Kultur. Schön, das bekommt es. Aber diese Begriffe sollen nicht so bleiben. Es sollte das gar nicht mög­lich sein im Leben, daß einer sagt mit 30 Jahren: Ich habe diesen oder jenen Begriff vom Löwen, den habe ich in der Schule gelernt. Ich habe

Het is inderdaad heel belangrijk dat je met deze fasen in het leven daadwerkelijk rekening houdt. Dan zal je zien dat werkelijke aanknopingspunten alleen vanuit de geesteswetenschap ontwikkeld kunnen worden.
Denk eens aan wat er al zo in school gedaan wordt, wanneer je afhankelijk bent van bepaalde vooroordelen. Zeker, er is al veel verbeterd vanuit een soort instinct; maar het moet nog veel en veel beter worden – er worden bijv. nog te veel definities gegeven. Je zou, voor zover het gaat, moeten vermijden de kinderen wat voor soort definities ook, te geven. Definities pinnen altijd de ziel vast en een definitiebegrip duurt een leven lang en maakt het leven tot iets doods .Wij moeten echter zo opvoeden dat wat we aan de kinderziel geven, levend blijft. Laten we aannemen dat iemand als kind van 9 of 11 van dit of dat, dus als hij 9 jaar is – laten we zeggen – een begrip krijgt van een leeuw, in het 11e of 12e jaar van de Griekse cultuur. Mooi, dat krijgt het. Maar deze begrippen moeten niet zo blijven. Het zou helemaal niet mogelijk moeten zijn dat iemand zegt op z’n 30e: ik heb dit of dat begrip van een leeuw, dat heb ik op school geleerd.

blz. 211

diesen oder jenen Begriff vom Griechentum, das habe ich in der Schule gelernt. Das müßte eigentlich etwas werden, was überwunden wird. Geradeso wie das andere an uns wächst, so soll dasjenige, was uns der Lehrer gibt, auch wachsen, soll ein Lebendiges sein. Wir sollen solche Begriffe vom Löwen, solche Begriffe vom Griechentum bekommen, die durch sich selber im 30., 40. Jahre nicht mehr das sind, was sie gewesen sind in der Schule, sondern die so lebendig sind, daß sie sich mit dem Leben umgestalten. Dazu müssen wir charakterisieren und nicht defi­nieren. Wir müssen versuchen mit Bezug auf die Bildung der Begriffe, dasjenige nachzumachen, was wir beim Malen oder auch beim Photo­graphieren tun können; da können wir uns nur auf eine Seite hinstellen und einen Aspekt geben, oder auf die andere Seite hinstellen und einen anderen Aspekt geben und so weiter. Erst wenn wir von mehreren Seiten einen Baum photographiert haben, können wir eine Vorstellung davon gewinnen. Man ruft zu stark die Idee hervor: durch die Defi­nition habe man etwas. Man sollte versuchen, auch mit Gedanken, mit Begriffen so zu arbeiten wie mit dem photographischen Apparat, und soll auch kein anderes Gefühl hervorrufen als dieses, 

Ik heb dit of dat begrip van de Grieken, dat heb ik op school geleerd. Dat zou nu iets moeten worden, wat we overwinnen. Net zoals het andere aan ons groeit, moet hetgeen de leerkracht ons geeft, ook groeien, het moet iets levends zijn. We moeten zulke begrippen van de leeuw, van de Griekse cultuur krijgen die vanuit zich als je 30, 40 jaar bent, niet meer zo zijn als ze op school waren, maar die zo levend zijn dat ze met het leven mee veranderen. Daarvoor moet je karakteriseren en niet definiëren. We moeten proberen wat het vormen van begrippen betreft, net zo te doen als we bij het schilderen of ook bij het fotograferen kunnen doen; dan kunnen we maar op één standpunt staan en een aspect belichten of aan de andere kant gaan staan en een ander aspect belichten enz. Pas wanneer we een boom van verschillende kanten gefotografeerd hebben, kunnen we een voorstelling van hem krijgen. Je roept te sterk het idee wakker: door de definitie heb je iets. Je zou moeten proberen, ook met gedachten, met begrippen zo te werken als met je fototoestel en je moet ook geen ander gevoel oproepen dan

daß man von ver­schiedenen Seiten her ein Wesen oder ein Ding charakterisiert, nicht definiert. Definitionen sind eigentlich nur dazu da, daß man sie, wenn man will, an den Anfang stellt, damit man in diesem einen Punkt sich mit dem Lehrer verstehen kann. Dazu sind Definitionen im Grunde da. Es ist etwas radikal gesprochen, aber im wesentlichen doch so. Das Leben liebt keine Definitionen. Und im Geheimen sollte der Mensch immer empfinden, wie er durch das falsche Definieren Postulate zu Dogmen macht. Das ist sehr wichtig, daß der Lehrer das weiß. Statt daß wir sagen: Zwei Wesen, die zu gleicher Zeit nicht an ein und dem­selben Orte sein können, nennen wir undurchdringlich – wobei wir bewußt den Begriff der Undurchdringlichkeit aufstellen und dann für diesen Begriff die Sache suchen -, statt daß wir so vorgehen, sagen wir:
Körper sind undurchdringlich, weil sie nicht zu gleicher Zeit an ein und demselben Orte sein können. Wir dürfen nicht Postulate zu Dogmen machen, sondern wir haben nur ein Recht zu sagen: Wir nennen die­jenigen Körper undurchdringlich, die nicht zu gleicher Zeit an einem und demselben Orte sein können. Wir müssen uns der bildenden Kraft unserer Seele bewußt bleiben und müssen in dem Kinde auch nicht die Vorstellung erwecken, daß es, bevor es innerlich das Dreieck erkannt hat, das Wesentliche vom Dreieck in der äußeren Welt begreifen kann. 

dat je een wezen of een ding vanuit verschillende kanten karakteriseert, niet definieert. Definities zijn er eigenlijk alleen maar om ze, als je dat wil, voorop te stellen, zodat je op dit ene punt de leraar begrijpt. Daar zijn in de aard van de zaak de definities voor. Het is wat boud gesproken, maar in wezen is het toch zo. Het leven houdt niet van definities. Heimelijk zou de mens steeds moeten merken hoe hij door het verkeerd definiëren postulaten tot dogma’s verheft. Het is erg belangrijk dat de leekracht dat weet. In plaats dat wij zeggen: twee wezens die tegelijkertijd niet op een en dezelfde plaats kunnen zijn, noemen we ondoordringbaar – waarbij we bewust het begrip ondoordringbaarheid formuleren en dan bij dit begrip de dingen zoeken – in plaats van te zeggen: ‘Lichamen zijn ondoordringbaar, omdat ze niet tegelijkertijd op een en dezelfde plaats kunnen zijn.’ We mogen geen postulaten tot dogma’s verheffen, we hebben alleen maar het recht te zeggen: we noemen die lichamen ondoordringbaar die niet tegelijkertijd op een en dezelfde plaats kunnen zijn. We moeten ons wel bewust blijven van de vormende kracht van onze ziel en we moeten bij het kind ook niet de voorstelling wekken dat het, voor het innerlijk de driehoek heeft leren kennen, het wezenlijke van de driehoel in de buitenwereld kan begrijpen.

blz. 212

Daß man charakterisieren soll und nicht definieren, hängt zusam­men mit der Erkenntnis, daß dasjenige, was in einem Menschenzeitalter auftritt, vielleicht erst in einem sehr fernen Zeitalter in seinen Früchten erkannt wird, und daß man deshalb nicht tote, sondern lebendige Be­griffe, lebendige Empfindungen dem Kinde übermitteln soll. Und so soll man auch versuchen, Geometrie zum Beispiel so lebendig als mög­lich zu gestalten. Ich habe vor einigen Tagen über das Rechnen gespro-ehen – über das Rechnen mit Brüchen und mit ähnlichem will ich dann, bevor morgen der Kursus zu Ende geht, einige Bemerkungen machen -, aber über das Geometrische möchte ich heute noch einiges anfügen, das sich ganz gut anschließt erstens an eine Frage, die mir gestellt worden ist, und zweitens an dasjenige, was ich eben jetzt ausgesprochen habe.
Das Geometrische wird von demjenigen, der selbst gewisse Erfah­rungen mit der Geometrie gemacht hat, wirklich so empfunden wer­den können, daß es allmählich aus dem Ruhenden ins Lebendige her-eingeholt werden sollte. Eigentlich reden wir doch von etwas sehr allgemeinem, wenn wir sagen: Die Winkelsumme eines Dreiecks ist 180 Grad. Das ist bei jedem Dreieck der Fall, nicht wahr. Können wir uns aber jedes Dreieck vorstellen?

Dat je moet karakteriseren en niet definiëren hangt samen met het inzicht dat wat er in een mensenleven gebeurt, misschien pas op een veel latere leeftijd herkend wordt aan zijn vruchten en dat je daarom geen dode, maar levende begrippen, levende gevoelens aan het kind moet geven. En dus moet je ook proberen om bijv. meetkunde zo levend mogelijk te geven. Ik heb een paar dagen geleden over het rekenen gesproken – over het rekenen met breuken e.d. wil ik dan morgen voor het einde van de cursus nog een paar opmerkingen maken – maar over de meetkunde zou ik vandaag nog een paar dingen willen aanvullen dat ten eerste heel goed aansluit bij een vraag die me is gesteld en ten tweede bij hetgeen ik net uitgesproken heb.
Meetkunde zal door degene die er zelf bepaalde ervaringen mee heeft opgedaan, werkelijk zo kunnen worden ervaren, dat het stap voor stap vanuit de rust tot leven moet worden gebracht. Eigenlijk hebben we het toch over iets zeer algemeens, als we zeggen: de som van de hoeken van een driehoek is 180º. Dat is bij iedere driehoek het geval, niet waar. Kunnen wij ons echter iedere driehoek voorstellen?

Wir werden nicht immer aus der heutigen Bildung heraus anstreben, unseren Kindern einen beweglichen Begriff des Dreiecks beizubringen; es wäre aber gut, wenn wir unsern Kindern einen beweglichen Begriff des Dreiecks beibrächten, nicht einen toten Begriff, nicht bloß ein Dreieck, das ja dann immer ein spezielles, individuelles Dreieck ist, hinzeichnen lassen, sondern ihnen sagen: Hier habe ich eine Linie. Ich bringe das dann so weit, daß ich auf irgendeine Weise – ich kann Ihnen natürlich nicht alle Einzelheiten in diesem kur­zen Vortragskurse entwickeln – dem Kinde den Winkel von 180 Grad in drei Teile teile. Ich kann auf unendlich viele Weisen diesen Winkel in drei Teile teilen. Ich kann dann jedesmal, wenn ich diesen Winkel in drei Teile geteilt habe, zum Dreieck dadurch übergehen, daß ich dem Kinde zeige, wie der Winkel, der hier ist, hier auftritt; so werde ich, indem ich die Sache auf dieses übertrage, ein solches Dreieck bekom­men. Indem ich übergehe von den drei fächerförmig nebeneinander­liegenden Winkeln, kann ich unzählige Dreiecke, die sich da bewegen, vorstellen, und diese unzähligen Dreiecke haben selbstverständlich die Eigenschaft, daß ihre Winkelsumme 180 Grad ist, denn sie entstehen ja aus der Teilung der 180 Grade der Winkelsumme. So ist es gut, in dem Kinde die Vorstellung des Dreiecks hervorzurufen, das eigentlich

Wij zullen niet steeds vanuit onze huidige opleiding ernaar streven, onze kinderen een beweeglijk begrip van de driehoek bij te brengen; maar het zou goed zijn als we dat wél deden, geen dood begrip, niet alleen maar een driehoek, dat dan altijd een speciale, individuele driehoek is, laten tekenen, maar hun zeggen: ‘Hier heb ik een lijn.’ Ik ga dan zo ver, dat ik op de een of andere manier – ik kan natuurlijk in deze korte voordrachtscursus niet alle details met u nagaan – voor het kind de hoek van 180º in drie delen verdeel. Dat kan ik op eindeloos veel manieren doen. Ik kan dan iedere keer, als ik deze hoek in drie delen heb verdeeld, naar de driehoek gaan door het kind te laten zien, hoe de hoek die hier zit, ook hier zit; dan zal ik, als ik dat hier naartoe overbreng, zo’n driehoek krijgen. Wanneer ik van de drie waaiervormige naast elkaar liggende hoeken uitga, kan ik me ontelbaar vele driehoeken die zich daar bewegen, voorstellen en deze hebben vanzelfsprekend de eigenschap dat de som van hun drie hoeken 180º is, want ze ontstaan door de deling van de 180º van de hoeksommen. Zo is het goed in het kind de voorstelling van de driehoek op te roepen, wat eigenlijk

blz. 213

in innerer Beweglichkeit ist, so daß man gar nicht die Vorstellung be­kommt eines ruhenden Dreiecks, sondern die Vorstellung eines beweg­ten Dreiecks, das ebensogut ein spitzwinkliges wie ein stumpfwinkliges, wie ein rechtwinkliges sein kann, weil ich gar nicht die Vorstellung des ruhendenDreiecks fasse, sondern die Vorstellung des bewegten Dreiecks.
Denken Sie sich, wie durchsichtig die ganze Dreieckslehre würde, wenn ich von einem solchen innerlich bewegten Begriffe ausgehen würde, um das Dreieckmäßige zu entwickeln. Dies könnten wir dann auch sehr gut als Unterstützung benützen, wenn wir nun in dem Kinde eine ordentliche Raumempfindung, eine konkrete, eine wahre Raum-empfindung heranbilden wollen. Wenn wir in dieser Weise den Begriff der Bewegung für die Ebenenfigur gebraucht haben, dann bekommt die ganze geistige Konfiguration des Kindes eine solche Beweglichkeit, daß ich dann leicht übergehen kann zu jenem perspektivischen Elemente:

in een innerlijke beweging is, zodat je helemaal niet de voorstelling krijgt van een driehoek in rust, maar de voorstelling van een beweeglijke driehoek, die net zo goed een scherpe, of een stomphoekige, of een rechthoekige kan zijn, omdat ik niet de voorstelling van een rustende driehoek neem, maar van de bewegende. Bedenk eens hoe doorzichtig heel de leer van de driehoeken zou worden, wanneer ik uitga van een dergelijk innerlijk bewegend begrip om alles over de driehoek te ontwikkelen.

Dit zouden we dan ook heel goed kunnen gebruiken als ondersteuning, om in het kind een goed gevoel voor de ruimte, een concreet, een echt gevoel voor de ruimte te willen ontwikkelen. Wanneer we op deze manier het begrip van de beweging voor de vlakkenfiguur gebruikt hebben, krijgt de hele geestesgesteldheid van het kind zo’n beweeglijkheid, dat ik dan gemakkelijk kan overgaan tot dit element van perspectief:

ein Körper geht an dem anderen vorn vorbei oder rückwärts vorbei. Dieses Übergehen, vorwärts Vorbeigehen, rückwärts Vorbeigehen, das kann das erste Element sein zum Hervorrufen einer entsprechenden Raumempfindung. Weiter: Wenn man lebensgemäß dieses vorne und rückwärts Vorbeigehen namentlich eines Menschen, das Unsichtbar-werden hinter einem Körper und das Unsichtbarmachen vor einem Körper erörtert hat, dann kann man dazu übergehen – es bleibt näm­lich sonst doch abstrakt und tot, wenn es bloß ein perspektivisches Raumgefühl ist -, das Raumgefühl innerlich lebendig werden zu las­sen. Das bekommt man aber nur dadurch heraus, daß man zum Bei­spiel sagt: Sieh einmal, ich traf an einem bestimmten Orte morgens um 9 Uhr zwei Menschen; die saßen dort an dem Orte auf einer Bank. Nachmittags um 3 Uhr komme ich wieder hin, da sitzen wiederum die

een lichaam gaat aan het andere aan de voorkant of aan de achterkant voorbij. Hiertoe overgaan, vooruit voorbijgaan, terug voorbijgaan, kan het eerste element zijn om een adequate ruimtebeleving te ontwikkelen. Verder: wanneer je in overeenstemming met het leven dit passeren aan de voor-en achterkant, met name van een mens, hoe die onzichtbaar wordt achter een lichaam en het lichaam achter hem, duidelijk hebt gemaakt, kun je ertoe overgaan – het blijft anders toch nogal abstract en dood, als het alleen maar een ruimtegevoel in perspectief is – het ruimtegevoel innerlijk levend te laten worden. Dat wordt het alleen maar als je bijv. zegt: ‘Kijk eens, op een keer trof ik op een bepaalde plaats ’s morgens om 9 uur, twee mensen aan; die zaten daar op een bank. ’s Middags om 3 uur kom ik daar weer en daar zitten

blz. 214

zwei Menschen auf der Bank – es hat sich nichts geändert. Gewiß, so lange ich den Tatbestand um 9 Uhr und um 3 Uhr betrachte, bloß äußerlich, so lange hat sich nichts geändert. Aber gehe ich ein auf das Innere, komme ich ins Gespräch mit dem einen Menschen und mit dem anderen Menschen, so mache ich vielleicht die Entdeckung, daß, nach­dem ich weggegangen war, der eine sitzenblieb, der andere aber wegging. Der eine Mensch ist drei Stunden lang weggewesen und wiederum zu­rückgekommen, sitzt neben dem anderen dort, hat aber innerlich etwas durchgemacht, ist innerlich etwas ermüdet nach sechs Stunden. Den Tatbestand aber lerne ich nicht erkennen in seinem Zusammenhang nach dem Raum, wenn ich nur nach dem äußeren Tatbestand urteile, und nicht auf das Innere, Wesentliche eingehe.
Man kann selbst über das Räumliche, über die räumliche Beziehung zwischen den Wesen nicht urteilen, wenn man nicht auf das Innerliche eingeht. Nur wenn man auf dieses Innerliche eingeht, kann man vor den herbsten Illusionen in bezug auf Ursache und Wirkung bewahrt bleiben. Es passierte einmal folgendes: Ein Mann geht am Rande eines Flusses. An einer Stelle steht ein Stein.

die twee mensen op de bank – er is niets veranderd.’ Zeker is, zolang ik de feiten om 9 uur en om 3 uur bekijk, heel oppervlakkig, zolang is er niets veranderd. Maar als ik er dieper op inga, als ik in gesprek raak met die mensen, kom ik wellicht tot de ontdekking, dat de een, nadat ik ben weggegaan, is blijven zitten, maar dat de andere opgestaan is. Die is drie uur lang weggeweest en weer teruggekomen, naast de ander gaan zitten, maar heeft innerlijk iets meegemaakt, is innerlijk wat moe na zes uur. Deze feiten leer ik niet kennen in samenhang met de ruimte, wanneer ik naar de uiterlijke feiten oordeel en niet inga op het innerlijke, wezenlijke.
Je kan zelfs over het ruimtelijke, over de ruimtelijke samenhang tussen de wezens niet oordelen, wanner je niet op het innerlijk ingaat. Alleen wanneer je op dit innerlijke ingaat, kunnen je de wrange illusies m.b.t. oorzaak en gevolg bespaard blijven.
Er gebeurde eens het volgende: een man loopt naar de rand van een rivier. Op een bepaalde plek ligt een steen.

Der Mann stolpert über den Stein und verschwindet in den Wellen und wird nach einer gewissen Zeit herausgezogen. Nehmen wir an, es wird sonst nichts getan als der nüchterne Tatbestand aufgenommen: Der Mann so und so ist ertrun­ken. Vielleicht ist dies aber gar nicht wahr. Vielleicht ist der Mann nicht ertrunken, sondern er ist gestolpert, weil ihn auf der Stelle der Schlag getroffen hat, und er schon tot ins Wasser gefallen ist. Das Ins-Wasser-Fallen war eine Folge des Todes. Es ist dies eine wahre Ge­schichte, die untersucht worden ist. Sie zeigt, wie notwendig es ist, vom Äußeren auf das Innere einzugehen.
So ist es auch notwendig, wenn man im Räumlichen das Verhältnis der Wesen zueinander beurteilen will, auf das Innere der Wesen ein­zugehen. Und das richtig, lebendig erfaßt, bringt uns dazu, das Raum-gefühl in den Kindern dadurch zu entwickeln, daß wir tatsächlich das Bewegungsspiel selber zum Entwickeln des Raumgefühles verwenden, indem wir das Kind Figuren laufen lassen oder dergleichen, oder indem wir das Kind beobachten lassen, wie Menschen hintereinander oder voreinander vorbeilaufen und dergleichen.
Dann aber ist es von ganz besonderer Wichtigkeit, nun wirklich aus dem, was auf diese Art beobachtet wird, zum Festhalten des Beobach­teten überzugehen. Namentlich ist für die Entwickelung des Raumgefühles

De man struikelt erover en verdwijnt in het water en wordt er na een bepaalde tijd uitgehaald. Laten we eens aannemen dat er alleen naar de naakte feiten wordt gekeken: die of die man is verdronken. Misschien is dit helemaal wel niet waar. Misschien is de man niet verdronken, maar hij is gestruikeld, omdat hij op die plaats getroffen is door een hartaanval en was hij al dood vóór hij in het water viel. Het in het water vallen was een gevolg van zijn dood. Dit is waar gebeurd en onderzocht. Het laat zien hoe belangrijk het is van de buitenkant op het binnenaspect in te gaan.
Zo is het ook noodzakelijk, wanneer je in de ruimte de verhouding van de wezens t.o.v. elkaar wil beoordelen, op het innerlijk aspect van de wezens in te gaan. En dat op een juiste manier, levend opgevat, brengt ons ertoe, het ruimtegevoel in de kinderen te ontwikkelen door daadwerkelijk het bewegingsspel zelf te gebruiken om het ruimtegevoel te ontwikkelen, wanneer we het kind figuren laten lopen e.d. of als we het kind laten waarnemen hoe mensen elkaar van voren en van achteren passeren e.d.
Dan is het ook heel belangrijk, nu ook werkelijk wat op deze manier waargenomen is, over te gaan op het vasthouden van deze waarnemingen. Het is met name voor de ontwikkeling van het ruimtegevoel –

blz. 215

– das bezieht sich jetzt auf die Frage, die mir gestellt worden ist – von großer Bedeutung, wenn ich auf verschiedene gekrümmte Flächen durch Körper von verschiedener Krümmung Schatten werfen lasse und nun versuche, ein Verständnis für die besondere Konfigura­tion des Schattens hervorzurufen. Man kann geradezu behaupten: Wenn ein Kind imstande ist zu begreifen, warum eine Kugel unter gewissen Verhältnissen einen Ellipsenschatten wirft – das ist etwas, was vom Kind schon vom 9. Jahre ab erfaßt werden kann -, dann wirkt dieses Sichhineinversetzen in Flächenentstehungen im Raume auf die ganze innere Beweglichkeit des Empfindungs- und Vorstellungsvermögens des Kindes ungeheuer. Man sollte deshalb die Entwickelung des Raum­gefühls in der Schule als etwas Nötiges ansehen. Wenn man sich nun frägt: Was tut das Kind bis zum Zahnwechsel hin, bis zum 7., 8. Jahre selbst, indem es spielerisch zeichnet? Es entwickelt tatsächlich das, was als Erfahrung, Verstand in den Zwanzigerjahren dann reif wird. Das entwickelt sich aus dem Fluktuieren der Gestalt, so daß das kindliche Zeichnen spielt, aber indem es spielt, erzählt das kindliche Zeichnen; und wir werden das kindliche Zeichnen besonders gut verstehen, wenn wir es so auffassen, daß es eine Wiedergabe ist von dem, was uns das Kind erzählen will. Es will sich aussprechen.

dit heeft betrekking op de vraag die mij werd gesteld – erg belangrijk, wanneer ik op verschillende gekromde oppvervlakten door lichamen van verschillende kromming schaduwen laat werpen en probeer een begrip te krijgen voor de bijzondere vorm van de schaduwen. Je kan wel beweren: ‘Wanneer een kind in staat is te begrijpen waarom een bol onder bepaalde omstandigheden een ellipsschaduw werpt – dat is iets wat door een kind van 9 jaar al begrepen kan worden – dan werkt het je kunnen verplaatsen in het ontstaan van vlakken in de ruimte ongelooflijk op heel de innerlijke beweeglijkheid van het invoelen- en voorstellingsvermogen van het kind.’ Je moet daarom de ontwikkeling van het ruimtegevoel in de school als iets noodzakelijks zien. Wanneer je je afvraagt: ‘Wat doet het kind tot aan de tandenwisseling, tot z’n 7e, 8e jaar zelf, als het op een speelse manier tekent?’  Het ontwikkelt in feite wat dan als ervaring, verstand rijp wordt als hij in de twintig is. Dat ontwikkelt zich uit het fluctueren van de gestalte, zodat het kinderlijke tekenen speelt, maar als het speelt, vertelt het kinderlijke tekenen; en wij zullen dit tekenen bijzonder goed begrijpen, wanneer we het opvatten als een neerslag van wat het kind ons wil vertellen. Het wil zich uitspreken.

Schauen wir diese Zeichnungen des Kindes an. Das, was man ein richtiges Raumgefühl nennen könnte, haben die Kinder vor dem 7., 8. Jahre, selbst vor dem 9. Jahre gerade noch nicht. Dazu kommt es erst später, wenn sich allmählich die andere Kraft in die kindliche Ent­wickelung hineinfindet. Bis zum 7. Jahre arbeitet an der kindlichen Organisation das, was später Vorstellung wird; bis zur Geschlechts-reife arbeitet an der kindlichen Organisation der Wille, der dann, wie ich Ihnen gesagt habe, sich staut und in dem Knaben-Stimmes­wandel eben zeigt, wie er in den Körper geschossen ist. Dieser Wille ist dazu geeignet, das Raumgefühl in sich zu entwickeln. So daß man durch all das, was ich jetzt gesagt habe, durch dieses Entwickeln eines Raumgefühls an Bewegungsspielen, durch die Anschauung dessen, was geschieht, wenn Schattenfiguren entstehen, namentlich durch das, was in der Bewegung entsteht und festgehalten wird, indem durch dieses alles der Wille entwickelt wird, der Mensch zu einem viel besseren Verständnis der Dinge gelangt als durch das Verstandesmäßige, selbst wenn es der spielerische kindliche Verstand ist, der flächenhaft sich aus­drückt, der erzählend sein will.

Laten we eens naar deze kindertekeningen kijken. Wat je een goed ruimtegevoel zou kunnen noemen, hebben de kinderen voor het 7e, 8e, zelfs voor het 9e jaar nog niet. Dat komt pas later, wanneer langzamerhand de andere kracht in de kinderlijke ontwikkeling een plaats krijgt. Tot het 7e jaar werkt aan de kinderlijke organisatie, wat later voorstelling wordt; tot aan de puberteit werkt de wil aan die organisatie, die dan – zoals ik gisteren heb gezegd – zich stuwt in de stemwisseling bij de jongens, hoe hij in het lichaam geschoten is. Deze wil is in staat het ruimtegevoel in zich te ontwikkelen. Zodat je door alles wat ik nu gezegd heb, door dit ontwikkelen van een gevoel voor ruimte door bewegingsspel, door te kijken wat er gebeurt als er schaduwfiguren ontstaan, met name door wat er in de beweging ontstaat en vastgehouden wordt, wanneer door dit alles de wil ontwikkeld wordt, de mens een veel beter begrip voor de dingen krijgt dan door al het verstandelijke, zelfs wanneer het het speelse, kinderlijke verstand is, dat zich op het platte vlak uitdrukt, dat wil vertellen.

blz. 216

Nun möchte ich heute am Schluß der Stunde gerade in Anknüpfung an das Gesagte für diejenigen, die es sehen wollen, die kindlichen Zeich­nungen eines sechsjährigen Knaben, der allerdings einen Maler-Illustra­tor zum Vater hat, hier auflegen. Ich bitte, sie ein wenig zu betrachten, um aufmerksam darauf zu werden, wie außerordentlich beredt dieser sechsjährige Knabe in dem, was er hier schafft, ich möchte sagen, sich in der Tat eine ganz individuelle Sprache schafft, eine ganz in­dividuelle Schrift für das, was er erzählen will oder auch nacherzählen will. Manche von diesen Bildern, die man, wenn man will, richtig expressionistische Bilder nennen kann, sind einfache Nacherzählungen dessen, was dem Knaben vorgelesen worden ist, was er gehört hat und dergleichen; manches ist, wie Sie sehen werden, außerordentlich aus­drucksvoll, großartig ausdrucksvoll. So zum Beispiel weise ich Sie hin auf dasjenige, was Sie hier sehen werden als einen König und eine Kö­nigin. Das sind Dinge, die zeigen, wie erzählt wird in diesem Alter. Versteht man, wie in diesem Alter erzählt wird, was gerade hier so charakteristisch hervortritt, weil der Knabe schon mit Farbstiften zeich­net, und nimmt man das in allen Einzelheiten auf, so wird man finden, daß in der Tat diese Zeichnungen der Abdruck des kindlichen Wesens sind, wie ich es Ihnen bisher geschildert habe, und daß man diesen Um­Schwung, der mit dem Zahnwechsel auftritt, ins Auge fassen muß, wenn man verstehen will, wie man das Raumgefühl hervorzurufen hat.

Nu zou ik nog graag aan het slot van dit uur vooral in aansluiting op wat is gezegd voor degenen die het willen zien, de tekeningen van een zesjarige jongen, die weliswaar een schilder-illustrator als vader heeft, hier ter inzage leggen. Ik verzoek u er eens naar te kijken om er opmerkzaam op te worden, hoe buitengewoon veelzeggend deze jongen is met wat hij hier maakt – ik zou willen zeggen – een heel individuele taal schept, een heel individueel schrift voor wat hij vertellen wil of ook wel wil navertellen. Veel van deze beelden die je – wanneer je dat wil – expressionistische beelden kan noemen, zijn eenvoudig navertellingen van wat aan hem is voorgelezen, wat hij gehoord heeft e.d.; veel is, zoals u zal zien, buitengewoon expressief, bijzonder uitdrukkingsvol. Zo wil ik u wijzen, bijv. op wat u hier zal zien als een koning en een koningin. Die dingen tonen aan hoe er op deze leeftijd wordt verteld. Begrijp je hoe er op deze leeftijd wordt vertelt, wat juist hier zo karakteristiek naar voren komt, omdat de jongen al met kleurpotloden tekent en bekijk je het in detail dan zal je zien dat inderdaad deze tekeningen een afdruk van het kinderwezen zijn, zoals ik het tot nog toe beschreven heb en dat je rekening moet houden met de omslag die met de tandenwisseling plaats heeft, als je wil begrijpen hoe je het ruimtegevoel moet oproepen.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

[2] 13e voordracht (Duits)

[3] Schiller

karakteriseren    meetkunde, waarin een voorbeeld van de driehoek als levend begrip

karakteriseren

Rudolf Steiner over pedagogie

Rudolf Steineralle artikelen

.

1376-1287

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – aardrijkskunde (4)

.

4E KLAS AARDRIJKSKUNDE

Et zijn natuurlijk heel veel manieren waarop je een aardrijkskundeperiode kunt beginnen.

Vaak heb ik ervoor gekozen ‘het’ scheppingslied uit de Edda als een soort uitgangspunt te nemen.
Je kan het bijv. de eerste we(e)k(en) iedere keer aan het begin reciteren tot de kinderen het kennen.
De kinderen hebben in de 3e klas al over ‘een schepping’ gehoord en dat zal later nog wel eens gebeuren. Niet zomaar een verhaaltje of gedichtje, maar werken uit de wereldliteratuur!

In dit scheppingslied wordt de aarde min of meer gezien als een uitzonderlijke mens: Ymir, de reus. Als stammend van een levend organisme. In de 5e klas zal met de plantkunde dit idee van de aarde als een levend organisme, op de achtergrond weer aan de orde komen.
Tal van aardrijkskundige begrippen liggen in dit lied voor het grijpen.
Met name natuurlijk de vier dwergen: Oster, Wester, Norder en Suder.

In de les zal de overgang naar bijv. de windstreken niet moeilijk zijn. Wanneer je – de kinderen weten al veel – vanuit Nederland naar het zuiden gaat, waar kom je dan? Je kan toezeggen dat je over al die landen nog iets gaat vertellen, later in klas 5 en/of 6. Daarmee wordt iets van ‘wil’ gewekt: een toekomstimpulsje: dat gaan we allemaal nog doen!

Het leek mij goed, juist in dit allereerste begin – met ergens in het achterhoofd dat het bij het leven hoort steeds van het geheel uit te gaan – eerst de hemel, het omvattende uitspansel, bewuster te beleven. Te kijken waar ’s morgens de zon door het raam naar binnenkomt – het oosten – kan aanleiding zijn een groot kompas aan het klassenplafond te maken, met bijv. acht richtingen. (van muur tot muur touwen spannen met naamkaartjes van de richtingen).
In de eerste klas deed je ‘lichaamsoriëntatie‘: ‘Wijs met je linkerwijsvinger je rechterknie aan’ enz; nu kun je opnieuw een soort lichaamsoriëntatie oefenen: ‘Ga met je rechterschouder naar het noordwesten staan’. Enz.

En zo’n kompas tekenen, natuurlijk:

Uit bestaande scheppingsliederen maakte ik ooit dit:

DE SCHEPPING VAN DE WERELD

In het begin
Was er geen wereld
Niets bestond
Noch zand, noch zee
Noch wolken, noch water
Geen aarde
En geen welvende hemel
Nergens was gras
Nergens was groen
Slechts een donkere grondloze diepte gaapte
Ginnungaggab

In het noorden, in Nevelheim
Woeien ijzige winden
In het zuiden, in Muspelheim
Zwaaide Surtur zijn vlammend zwaard
De vurige vonken vlogen voorwaarts
Vielen in Nevelheim neer.
Op Elivagars verstarde waat’ren
Smolt sissend het starre ijs
En uit het woelend geweld
Der dichte dampen
Rees omhoog
Ymir, de reus

Odin, Wili en We
Schiepen de wereld
Uit Ymirs lichaam
Wierpen het in de wijde ruimte
Brouwden zijn bloed tot ziedende zeeën
Vormden zijn vlees tot vruchtbare aarde
En zijn gebeente tot rotsige bergen
Uit zijn brauwen schiepen zij Midgard
Voor het mensengeslacht
Uit zijn haren
De halmen der grassen
UIt zijn schedel
Het hoge hemelgewelf
Vier dwergen
Droegen dit hemelgewelf:
Oster, Wester, Norder en Suder
Uit zijn hersenen
de wollige wolken
De wervelende vlucht
Van Muspelheims vonken
Vormden zij
Tot vaste banen
Zo straalden
De zon, de maan en de sterren
Hun licht naar omlaag
En door de brug Bifrost
Werden hemel en aarde verbonden

De vele allitererende woorden kunnen benadrukt worden met klappen; je kunt erop lopen en op de alliteraties ‘stampen’ of stilstaan.

Het spreken vergt de nodige aandacht, bijv. bij: ‘smolt sissend het starre ijs: hier mag de =s= goed scherp hoorbaar zijn.

Er kan n.a.v. dit lied ook veel getekend en geschilderd worden: kortom: een inspirerend lied.

4e klas aardrijkskunde: alle artikelen

4e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas

.

1371-1282

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-2/3)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In een vorige artikel dat beschouwd kan worden als een inleiding op wat hier volgt, werd erop gewezen dat ‘schematiseren’ eigenlijk niet kan; en dat het willen verklaren en definiëren steeds weer het gevaar in zich draagt de werkelijkheid tekort te doen.
En toch kunnen we, wanneer we niet het helderziende vermogen hebben zoals Steiner kennelijk had, niet zonder een zoektocht met ‘het gezonde verstand’. Daartoe is dit een poging.

Op blz. 24 is sprake van het ‘gewaarwordingslichaam’  en de ‘gewaarwordingsziel’. Wat valt daar o.a. over te zeggen:

HET GEWAARWORDINGSLIJF EN DE GEWAARWORDINGSZIEL

Gewaarwordingslijf
Nadat we het verschil tussen fysiek lichaam en etherlijf hebben vastgesteld en gekarakteriseerd met allerlei aspecten, is er nog een ‘lijf’ dat Steiner noemt, wanneer het over de drieheid gaat die op drieërlei manier verbonden is met de ons omringende wereld.

‘Weten’ dat je leeft, is m.i. afstandelijker dan ‘voelen’ dat je leeft. Meestal wordt gezegd: ‘dan voel je pas dat je leeft’, uitgesproken wanneer je je ‘lekker’ voelt, goed in je vel zit; iets beleefd hebt wat fijn was, kortom iets in de sfeer van de gevoelens die dicht bij genotservaringen liggen. Wanneer je die gevoelens nader bij je zelf onderzoekt, merk je dat ze veelal ‘primair’ zijn: ze hebben direct te maken met je welbevinden. Maar ook dat ze sterk verbonden zijn met elementaire levensbehoeften. De taal is ook hier weer een rijke ondersteuning om het gebied in ons te leren kennen, waar deze belevingen zich afspelen. Bij ‘levens’ ‘behoefte’ voel je dat je het om te kunnen leven, nodig hebt, er is een verlangen naar, of als dit sterker wordt: een begeerte, je hebt ‘zin in’, ‘trek in’, ‘lust om’ enz. Honger, dorst, ze moeten als gevoel bevredigd worden; om te (over)leven ontstaat er een drang, een dwang om aan voedsel te komen – om jezelf in stand te houden moet je wel. In die sfeer van overlevingskrachten liggen ook de primaire seksuele krachten – om de soort in stand te houden moet er voortplanting zijn.

Dan merk je dat hier nauwelijks vrijheid heerst. De natuur(wetten) overheersen nog.
Dit is, zoals net gezegd, niet het gebied van het weten, maar van het voelen, beleven. Dit laatste woord, met als hoofdwoord ‘leven’ wijst ons in de richting van het leven, ‘be’ geeft vaak een intensivering aan, dikwijls naar een ander niveau: grijpen/be-grijpen; staan/be-staan; leren/be-leren, enz.
Gevoelens van drift, drang, dwang, zin, lust, begeerte, trek, hartstocht hebben alle een direct verband met ‘leven’.

Drift, drang, dwang, zin, lust, begeerte, trek, hartstocht ‘zijn’ van het etherlijf, ‘zitten’ daarin en worden daar ‘opgemerkt’ door een ander soort ‘lijf’ – lijf in de zin van ‘een vermogen om te’ –ze worden daar ervaren, waargenomen, ze worden ons daar op een bepaald ogenblik bewust, ‘gewaar’.( ‘Zijn’ en ‘zitten’ kun je als woorden eigenlijk hier niet gebruiken: dat suggereert een statische aanwezigheid, terwijl het etherlijf een ‘stromend’, een bewegend iets in ons is.)

Van het deel van het etherlijf waarin dit’opmerken’ plaatsvindt, zegt hij, dat het ‘fijner’ is dan het andere deel, dat weer sterker met het fysieke lichaam verbonden is. Dus op die grens van ‘leven’ en ‘beleven’ worden wij ons deze ‘levensgevoelens’ gewaar.

Toen het ging om ‘lijf’ kon er gezegd worden: het is een krachtencomplex, een kracht(en)veld. Dit zou je dus, omdat je hier ‘gewaar wordt’  ‘gewaarwordingslijf’ kunnen noemen.
(Het moge duidelijk zijn dat je dit in vertalingen ook weer tegenkomt als ‘gewaarwordingslichaam’)

Wanneer je de mens beschrijft vanuit meer fysiek-etherisch gezichtspunt en wanneer je vandaar verder wil gaan naar minder direct lichamelijke sensaties, naar gevoelens die meer gevoelskwaliteit hebben, zoals sympathie, medelijden, liefde enz., moet je dit complex van gewaarwordingen nog gewaarwordingslijf noemen.

Gewaarwordingsziel
Op blz. 23 in de voordracht noemt Steiner de ziel en verdeelt deze in bewustzijnsziel, verstands- of gemoedsziel en gewaarwordingsziel.

‘Ziel’ beschrijft hij als ‘een vermogen om de buitenwereld tot je eigen wereld te maken en je eigen binnenwereld te manifesteren in de buitenwereld. Bij ‘tot je eigen wereld’ kun je denken aan, dat je bijv. over gebeurtenissen in de wereld nadenkt en er een eigen oordeel aan verbindt: dan is dat stukje wereld jouw wereld geworden: de ziel als een kennend vermogen. Je kunt ook plannen hebben, ideeën, die je ten uitvoer wil brengen. Dan zet je a.h.w. jouw binnenwereld in de buitenwereld: je concretiseert je plannen. Dat wilde je nu eenmaal. Hier zie je dat de andere kant van de ziel, het willend vermogen is.
Vanuit deze zielenoptiek zijn gewaarwordingen die je hebt, vanuit de buitenwereld komend o.a. licht- en geluidsindrukken. Om deze indrukken te kunnen hebben, moet je beschikken over de zintuigen die ze kunnen registreren en hier zie je voor het eerst de relatie tussen je iets bewust kunnen worden en de zintuigen.

In dem, was rot, grün, hell, dunkel, hart, weich, warm, kalt ist, erkennt man die Offenbarungen der körperlichen Welt. Diese Offenbarung heiβt Empfindung.

In wat rood, groen, helder, donker, hard, zacht, warm, koud is, leer je de stoffelijke wereld kennen zoals die zich aan ons voordoet. Bewustzijn daarvan heet gewaarwording.
GA 9/22
Eigen vertaling

Man stelle sich den Menschen vor, wie er von allen Seiten Eindrücke empfängt. (  ) Die Empfindungen antworten auf die Eindrücke. Dieser Tätigkeit soll Empfindungsseele heiβen.

Neem de mens hoe die van alle kanten indrukken ontvangt. Die word je je gewaar. Ze komen bij je binnen – worden van jou – dat is de activiteit van de gewaarwordingsziel.
GA 9/17
Eigen vertaling

Ein Teil des Ätherleibes sei feiner als der übrige und dieser feinere Teil des Ätherleibes bildet eine Einheit mit der Empfindungsseele, während der gröbere Teil eine Art Einheit mit dem physischen Leib bildet.

Een deel van het etherlijf is fijner dan de rest en dit fijnere deel vormt een eenheid met de gewaarwordingsziel – het grovere deel vormt een zekere eenheid met het fysieke lijf (het van leven doortrokken lichaam).
GA 9/17
Eigen vertaling

Maar wanneer het oog als zintuigorgaan niet goed of helemaal niet functioneert, is een kleurindruk op jou niet mogelijk. Je gewaarwordingsziel kan daarop niet reageren en daarom kun je zeggen dat je lichamelijkheid bepalend is voor hoe je gewaarwordingsziel functioneert. Dat begrensde krachtenveld noemt Steiner gewaarwordingslijf, maar omdat zich daarin de gevoelens afspelen die bij het gewaarworden horen, is dit tevens de gewaarwordingsziel. Ze vormen een eenheid.

Nur bei richtig lebendem, wohl gebautem Auge sind entsprechende Farbempfindungen möglich: dadurch wirkt die Leiblichkeit auf die Empfindungsseele. Diese ist also durch den Leib in ihrer Wirksamkeit bestimmt und begrenzt.

Slechts door middel van goed functionerende goed gebouwde ogen is het mogelijk de kleuren volledig waar te nemen. Zo uit zich de invloed van het lichamelijke op de gewaarwordingsziel. Het lichaam bepaalt en begrenst zodoende haar activiteit. Ze leeft binnen de door het fysieke lichaam getrokken grenzen.
GA 9/17
Vertaald/40

Enerzijds hebben we dus onze gewaarwordingen van wat zich in ons afspeelt in de levenssfeer; anderzijds opent onze ziel als gewaarwordingsziel zich middels de zintuigen voor de buitenwereld, zodat deze ‘bij ons binnenkomt’ en van ons wordt. Vele indrukken! worden we wel gewaar, maar dat is nog iets anders, dan ‘worden waargenomen’. In het taalgebruik gaan de betekenissen nog weleens in elkaar over; maar je kan hier een gevoel krijgen voor het feit dat ‘waarnemen’ een veel bewustere activiteit is, terwijl ‘gewaarworden’ je a.h.w. meer overkomt, onbewuster, verloopt. Het Duits heeft ‘empfinden’, waarbij het gaat om ‘ zintuigprikkeling’, om ‘(be)merken, ‘bespeuren’, ‘aanvoelen’.

We kennen allemaal het verschijnsel dat wanneer het buiten nat is, vele bloemen hun knoppen niet openen. Begint de zon te schijnen, gaan ze open. We kunnen dat zien als een beweging, maar niet een van binnenuit, want dan zou de plant de mogelijkheid hebben, ondanks dat de zon begint te schijnen, tóch de knop gesloten te houden.

Een wandelende tak lijkt bedrieglijk veel op een gewoon takje. Wanneer ze beide stil liggen, zie je geen verschil. Om te weten of het takje ‘wandelend’ is, moet je het aanraken. Bij aanraking beweegt de wandelende tak. Hij reageert met beweging of……houdt zich doodstil. Dat is al een groot verschil tussen plant en dier. Het laatste kan van binnenuit reageren. De knop moet opengaan; het dier hoeft niet per se weg te lopen; integendeel: het kan ook op je toekomen, je aanvallen zelfs.
Dieren leven sterk in hun gewaarwordingen. Dat is het allereerste wat wij met de dieren gemeen hebben: de gewaarwordingsziel.

Dat is de verbinding van de gewaarwordingsziel met het dierenrijk.

De drievoudige verbondenheid waarvan sprake is op blz. 24 is dus zo weer te geven:

Stoffelijke wereld, de wereld van de gesteenten;
ons fysieke lichaam
Plantenwereld, de wereld van het vegetatieve leven:
ons etherlijf
Dierenrijk, de wereld van de (lichamelijk gebonden) gevoelens, de gewaarwordeningen:
onze gewaarwordingsziel
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1370-1281

.

 

VRIJESCHOOL – Is de vrijeschool een antroposofische school? (3-2)

over de ochtendspreuk van de lagere klassen

IS DE VRIJESCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL?

Deze vraag stelt Luc Cielen, leerkracht met een zeer lange praktijkervaring waarvan een deel bij de Federatie van steinerscholen in België; het grootste deel op scholen die hij zelf oprichtte en waar hij de vrijeschoolpedagogie op zijn manier en met zijn gezichtspunten in de praktijk bracht.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. zijn praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site LUXIELEN in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

In zijn eerste artikel zegt hij:
‘Is de steinerschool een antroposofische school? In vele opzichten niet, maar de wetenschappelijke vakken zijn wel sterk getekend door de antroposofie. Er is werk aan de winkel om de steinerscholen hiervan te bevrijden. Ik probeer al vele jaren de steinerleerkrachten hiervan bewust te maken, maar dit dringt moeilijk door. Dat Steiner zelf meer dan eens gezegd heeft dat er geen antroposofie in de school mag komen, is een uitspraak van hem die blijkbaar niet gehoord wordt.’ 

Luc is in de reeks van inmiddels 11 artikelen tot de conclusie gekomen dat er ‘een te groot antroposofisch keurslijf’ is waaruit – volgens hem – de scholen zich moeten bevrijden.’

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft veel voorbeelden van wat in zijn optiek antroposofie in het vrijeschoolonderwijs is.

Hij begint zijn 2e artikel als volgt: (cursief)

DE OCHTENDSPREUK IN DE STEINERSCHOOL

In de ochtendspreuk die dagelijks bij aanvang van de schooldag door de kinderen gezegd wordt onder leiding van de leerkracht, klinkt duidelijk de antroposofische leer door.

Niet cursief: mijn opmerkingen

Deze ‘antroposofische leer’ wordt later door Luc geduid; daar zal ik er op ingaan.

De ochtendspreuk gaat gepaard met enkele ceremoniële gegevens:

1. De kinderen staan meestal achter hun stoel of in een kring.
2. De leerkracht wacht tot het volledig stil is.
3. Leerkracht en kinderen nemen een gebedshouding aan. Deze houding varieert van school tot school:
ofwel met de handen gevouwen voor het lichaam, ter hoogte van de onderbuik;
ofwel met de armen gekruist voor de borst, de handen tegen de schouders;

Dit komt overeen met mijn eigen waarnemingen en zo deed ik het ook.
Ik ben nooit op het idee gekomen dit een ‘gebeds’houding te noemen; wel een eerbiedige houding, een bijzondere houding, een waardige houding.

ofwel maken handen en armen euritmische gebaren tijdens de spreuk.

Dat heb ik echter nooit waargenomen en ook zelf nooit toegepast.

4. De leerkracht zegt de spreuk meestal krachtig en luid. De kinderen zeggen zo goed en zo kwaad als ze kunnen de spreuk mee. Ik heb dikwijls vastgesteld dat de kinderen heel wat fouten maken en vele woorden vervormen tot klanken die onverstaanbare woorden opleveren.

Beste Luc, uit heel je artikel – en vrijwel uit alle andere artikelen – wordt duidelijk dat je bepaalde ‘dingen’ het liefst uit de vrijescholen zou zien verdwijnen. Waaronder de ochtendspreuk. Je opmerking onder 4 ademt voor mij toch een beetje ‘stemmingmakerij’.  Je wekt – bij mij – de indruk, dat het zeggen van de spreuk iets is, wat eigenlijk alleen de leerkracht wil: hij spreekt krachtig en luid! Maar een beetje leerkracht weet, als je dat doet, dat de kinderen dan veel minder meedoen – dat geldt ook voor zingen of het aanleren van de tafels. Van tijd tot tijd doen zich gelegenheden voor om op de inhoud van de spreuk in te gaan – bij de oudere kinderen is dat natuurlijk makkelijker dan bij de jongste. En wat eerst niet begrepen wordt, wordt soms (veel) later begrepen, soms pas op volwassen leeftijd. Het is als kiem meegegroeid en komt op een keer tot bloei. Steiner geeft dat bij verschillende gelegenheden aan en ik zou dat hier niet abstract aanvoeren, als het leven zelf daarvan geen bewijs leverde. En het kan nog anders gaan, uiteraard.
Wanneer in de 5e klas gesproken wordt over de geschriften die de Indiase cultuur ons heeft nagelaten en we reciteren in het Sankriet, met de vertaling:

Het levenwekkende, lieve goddelijke zonnelicht
willen wij opnemen
opdat het ons denken aanzet
vooruit te streven

dan verschilt dit niet veel met een deel van de ochtendspreuk uit de lagere klassen, die de kinderen (ruim) drieëneenhalf jaar hebben gesproken. Je kunt dus gemakkelijk ‘met terugwerkende kracht’ over die ochtendspreuk praten en over het waarom van het opzeggen aan het begin van de dag.
Zomaar mechanisch elke dag een spreuk oplepelen kan natuurlijk niet de bedoeling zijn (geweest). Niet anders dan dat je de alledaagse lesstof verzorgt, vraagt de niet-alledaagse spreuk aandacht en verzorging.

5. Na de spreuk begint in sommige scholen de muzikale opmaat, in sommige scholen gaat de muzikale opmaat vooraf aan de spreuk. In steinerscholen (vrijescholen=waldorfscholen) waar de principes van ‘klas in beweging’ gehanteerd worden, komt de spreuk pas na de bewegingsopdracht. Sommige leerkrachten beginnen na de spreuk met een kringgesprek. In vele klassen wordt onmiddellijk na de spreuk begonnen met de vraag: ‘Welke dag is het vandaag?’ gevolgd door de datum.

In de eerste klas (groep 3) zou het in de beginweken nodig kunnen zijn om de (beweeglijke) kinderen die van heinde en ver komen, door verschillende activiteiten (beweging, vingerspel, concentratie-oefening(en)) tot een groep te formeren waarmee je aan het werk kan. Als de rust en aandacht er zijn, kun je met de spreuk beginnen. Later, maar niet te lang daarna, vind ik het belangrijk dat de schooldag begint met de spreuk. Hoe de leerkrachten daarna verder gaan, kun je m.i. niet illustreren met de paar voorbeelden die je geeft: de toegepaste mogelijkheden zijn legio en verschillen per leeftijd.

Hierna geeft je de spreuken weer. Onderaan mijn artikel hier vind je verwijzingen naar artikelen waarin de spreuken in het Duits en het Nederlands staan, zodat ik dit deel uit je artikel oversla, behalve de zin:

Inhoudelijk is deze spreuk een soort antroposofische geloofsbelijdenis.

Na het weergeven van de spreuken, probeer je deze ‘geloofsbelijdenis’ te bewijzen:

Wat is er nu antroposofisch aan deze spreuk?

Kort gezegd komt het antroposofische mensbeeld hierop neer dat de mens in se een geestelijk wezen is dat op aarde incarneert in een fysiek lichaam, maar via zijn ziel in contact blijft met de geestelijke wereld waaruit hij afkomstig is.

Dit mensbeeld staat al in de tweede zin van de spreuk:

De geestesmacht der ziel
geeft hand’ en voeten kracht.

Interessant dat jij dit anders interpreteert dan ik. In je artikel over dierkunde noem jij ‘hoofd, romp en ledematen’ antroposofie. Ik zei dat antroposofie hier dan samenvalt met wat waar is, want we hebben nu eenmaal hoofd, romp en ledematen. Maar daarbij horen ook functies: denken, voelen, willen. Die zijn ook niet ‘bedacht’ en als antroposofie te boek gesteld. De Sanskrietspreuk die ik hierboven aanhaalde, heeft het over ‘ons denken dat aanzet vooruit te streven’. De ‘geestesmacht’ zie ik veel meer als het denken, dat, wil het tot daad worden, ‘hand en voet’ kracht moet geven. Laten we triviaal zeggen dat het brein de ledematen aan moet sturen.

De geestelijke wereld is een wereld die geleid wordt door een opperwezen, meestal God genoemd. Dit geestelijk opperwezen is aanwezig in de kosmos, dus ook in de zon, die zelf ook een geestelijke entiteit bezit. Deze God heeft ook de mens – in casu de mensenziel – geschapen. Deze opvatting vind je in de volgende zin:

In zonnelicht en glans
verere ik, o God,
de mensenkracht die gij
in ’t binnenst van mijn ziel
vol goedheid hebt geplant.

Het licht is een geestelijke (goddelijke) schepping, de kracht in ons is ook van geestelijke oorsprong. Daarvoor moet de mens de geestelijke wereld dankbaar zijn. Dit staat in de laatste zin van de spreuk:

Van u stamt licht en kracht,
tot u stromen liefde en dank.

Als je bedenkt dat deze spreuk gedurende drie jaar dagelijks gezegd wordt, en een schooljaar ongeveer 180 schooldagen telt, dan hebben kinderen in de steinerscholen (vrijescholen) tegen het einde van de derde klas (groep 5) plusminus 540 keer deze spreuk gezegd. Lijkt dit niet een beetje op indoctrinatie? Gelukkig zijn er zéér weinig kinderen die de tekst van de spreuk foutloos kunnen zeggen en zijn er nog minder kinderen die de spreuk begrijpen.

Om met het laatste te beginnen: waarom is het ‘gelukkig’ dat kinderen iets niet foutloos zeggen en waarom zou het gelukkig zijn dat de kinderen de spreuk niet begrijpen. Als je, zoals ik hierboven al beschreef, op gezette tijden, naar aanleiding van bijv. dit stukje geschiedenislesstof met de kinderen bespreekbaar maakt, wat ze o.a. in de spreuk(en) zeggen, zullen er geen kinderen zijn die de spreuk fout uitspreken of niet begrijpen.

In mijn kindertijd kwam mijn moeder, vóór ik ging slapen, altijd op de rand van het bed zitten en sprak deze woorden:

‘Ik ga slapen
Ik ben moe,
‘k Doe mijn beide oogjes toe.
Heere, houd ook deze nacht,
Over Pieter trouw de wacht.’

Dat deed ze wel tot tegen mijn 14e, geloof ik; in ieder geval had ik toen wel mijn eigen gedachten over ‘de Heere’ die zeker niet strookten met de intentie die mijn moeder daar vanuit haar geloof in kon leggen. Maar ik liet haar, omdat het tegelijkertijd zo vertrouwd voelde en nog later kon ik concluderen dat dit eigenlijk een soort omhulling voor me betekende die zekerheid gaf. Er groeide in mij ook het besef dat de natuur groots is, in zekere zin buiten ons om die grootsheid in zichzelf heeft. Er zijn veel opvattingen over de mens, maar als een soort grootste gemene deler zie je bij alle opvattingen die verder gaan dan de mens te zien als een klomp genen, bestuurd door een brein, het geheel in de vorm van een naakte aap, dat het ‘meer’ benoemd wordt met woorden die op een bepaalde manier op God, het goddelijke duiden.
Dat gaf mij als kind vertrouwen. Ik zou het absurd vinden om nu te gaan tellen hoe vaak mijn moeder die woorden voor mij heeft gezegd. Ik ben niet geïndoctrineerd: er was bij mijn moeder geen enkele opzet mij ‘ergens naar toe te dwingen’ – integendeel; ze wilde mij met iets groters omhullen, iets wat buiten ‘alledag’ omgaat.
En op een soortgelijke manier heb ik met de kinderen de spreuken gezegd: om ze een gevoel te geven dat er meer is tussen hemel en aarde dan het alledaagse wat ze ook iedere dag meemaken.
Het woord ‘belijdenis’ is voor mij in deze volledig misplaatst. De kinderen hoeven niet te antwoorden op vragen die in de richting gaan van: ‘dit geloof en verklaar ik’.  Als dat zo zou zijn, kon ik je – gelukkig nog als vraag gesteld – geopperde indoctrinatie begrijpen. Nee, voor mij is dit geen indoctrinatie. Wat voor boosaardig voordeel zou ik ervan hebben, kinderen, te indoctrineren? Kan ik überhaupt een mens te kort doen als ik hem zie als een goddelijk-geestelijk wezen, als die unieke mens die ik hier op aarde een poosje begeleiden mag?

Ik heb me als leerkracht in een steinerschool de vraag gesteld of het wel verantwoord was om deze spreuk dagelijks te zeggen. Toen ik mijn eigen school in Brasschaat oprichtte, heb ik dan ook vrij snel afstand genomen van deze spreuk en ben ik de schooldag begonnen met zang en instrumentale muziek zonder voorafgaande spreuk. Dit leverde in elk geval een veel mooier en meer ontspannen begin van de schooldag op.

Het ligt uiteraard geheel in je eigen vrijheid je welke vraag dan ook te stellen en van daaruit tot een afweging te komen. Het leverde voor jou iets moois op. Mijn afweging was een andere en leverde een waardig begin van de dag op, waarbij ik nooit enige spanning heb gevoeld.

In mijn latere bezoeken aan steinerscholen heb ik er steeds op gewezen dat een school geen kerk is en dat het dus ook niet past om een religieuze sfeer te scheppen waarin een tekst gezegd wordt die een bepaald mensbeeld belijdt en die de kinderen amper kunnen uitspreken of begrijpen. Het begrijpend leren moet in een school vooropstaan, niet het gedachteloos nazeggen van geloofsartikelen.

Natuurlijk is een school geen kerk, maar we weten toch allemaal wel dat een religieuze sfeer niet indentiek is aan kerk?
Over het ‘belijden’, het amper kunnen uitspreken en begrijpen, alsook het gedachteloze, zie boven.

Door de dagelijkse herhaling van het antroposofische mensbeeld is het toch moeilijk vol te houden dat de steinerschool géén antroposofische school is.

Het blijft natuurlijk lastig om precies te onderscheiden wat hier ‘antroposofie’ is en wat ‘(algemeen) menselijk’ in een visie die anders naar de mens kijkt dan door een materialistische, natuurwetenschappelijke bril. De spreuken zijn geen leerstof, veel meer vertolken ze voor mij een klimaat waarin met eerbied en respect voor de wordende mens en de hem omringende wereld geleerd wordt.

Dat staat ‘begrijpend leren’ niet in de weg. Integendeel, het tilt dit bij tijd en wijle op een niveau dat uitgaat boven het alledaags triviale.

Toch heb ik mijn kinderen naar de steinerschool gestuurd en heb er zelf vele jaren lesgegeven. Waarom? Omdat de steinerpedagogie nog steeds de enige pedagogie is waar het kunstzinnige – dat in ieder kind aanwezig is – voldoende, en meestal op een goede wijze aan bod komt. Nog beter zou het zijn als er een pedagogie bestond waarin het kunstzinnige element minstens even sterk aanwezig zou zijn, maar dan zonder de antroposofie.

Waarom zou dat beter moeten zijn? Wordt het ‘kunstzinnige’ kunstzinniger zonder antroposofie of moeten we constateren dat het kunstzinnig onderwijs – dat meer is dan  ‘kunstzinnige elementen’ – er zonder de menskundige visie van Steiner helemaal niet geweest zou zijn? Dat verlangen naar kunstzinnigheid zonder antroposofie ziet er voor mij uit als verlangen naar vis, zolang die maar niet zwemt.

In jouw artikel vind ik opnieuw geen echt bewijs van ‘antroposofie in het onderwijs’; dit antwoord van mij geen echt bewijs van het tegendeel. De waarheid zal ook hier wel ergens in het midden liggen. Het belangrijkste lijkt mij, wat je intenties als leerkracht zijn. Jij, noch ik, willen onze leerlingen indoctrineren; jij noch ik willen antroposofie doceren. Dat kan kennelijk op verschillende manieren gepraktiseerd worden.

.

Rudolf Steiner over: de ochtendspreuk

de ochtendspreuk [2]   [3]
.

Meer commentaren op Luc Cielens artikelenreeks: ‘is de vrijeschool een antroposofische school’:
.

[1-1geschiedenis [1]
[1-2geschiedenis [2]
[1-3] dierkunde
[1-4plantkunde
[3de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer spreuken
[5] nog meer spreuken
[6] en nóg meer spreuken
[7] het schoollied
[8] atheïst of agnost: kun je dan vrijeschoolleerkracht zijn?
[9jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

.

1367-1278

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-2/1)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In het vorige artikel dat beschouwd kan worden als een inleiding op wat hier volgt, werd erop gewezen dat ‘schematiseren’ eigenlijk niet kan; en dat het willen verklaren en definiëren steeds weer het gevaar in zich draagt de werkelijkheid tekort te doen.
En toch kunnen we, wanneer we niet het helderziende vermogen hebben zoals Steiner kennelijk had, niet zonder een zoektocht met ‘het gezonde verstand’. Daartoe is dit een poging.

Het fysieke lichaam

‘Waar in de wereld vinden we ijzer?’ vroeg ik mijn toehoorders vaak, wanneer ik een cursus of een lezing gaf over het vierledige mensbeeld.
Men dacht koortsachtig na, probeerde zich te herinneren wat men op school had geleerd. Wat waren de landen waar ijzererts vandaan kwam.

Of, om het even, welke ander materie: kalk, magnesium, fosfor, enz.

Maar wanneer ik aangaf dat ik de gevonden landen niet bedoelde, was er enige verwarring, totdat uiteindelijk iemand op het idee kwam het eigen lichaam te noemen.

De stoffelijkheid van de wereld is ook onze stoffelijkheid.
Ja, in ons eigen lichaam zijn deze stoffen ook voorhanden. Ik zeg met opzet ‘ook’, om aan te geven dat de stoffen die in of op de aarde gevonden worden en waaruit de aarde bestaat, ook in ons gevonden worden. De stoffelijkheid van de wereld is ook onze stoffelijkheid.

In ‘Wat is antroposofie’ citeert de schrijver, Willem Veltman, een Amerikaan die de hoeveelheid van de voornaamste stoffen in ons lichaam berekende en ze vervolgens uitdrukte in producten of gebruiksvoorwerpen:

Vet                             voldoende voor 7 stukken zeep

IJzer                           voldoende voor 1 spijker

Suiker                        één zoutvaatje vol

Kalk                           genoeg om een kippenhok mee te witten

Fosfor                        genoeg voor 2200 luciferkoppen

Magnesium               genoeg voor één dosis magnesia

Kalium                       genoeg om buskruit te maken voor één schot uit een
kinderkanon

zwavel                       genoeg om een hond te ontvlooien

De idee dat daar in de wereld stoffen aanwezig zijn die ook in mij zijn te vinden, geeft mij een bepaalde manier van me verbonden voelen met de wereld waarop ik leef. Ik ben op deze manier een stukje van de wereld.

Dat is o.a. de verbondenheid van het fysieke lichaam met de minerale wereld, zoals op blz. 24 staat.

Dat die stoffen in mij aanwezig zijn, daar heb ik niets voor hoeven doen. Ik kreeg ze bij de geboorte mee. En hoewel ik dat toen nog niet kon beseffen, waren die stoffen er al in de wereld om me heen. 

Maar die aanwezigheid blijkt geen constante te zijn. Ik kan bijv. aan een van de stoffen een  tekort hebben – het ijzer – en dan uit zich dat in bloedarmoede. Ik kan ook een kalkgebrek hebben.
Je kunt er ook teveel van hebben: suiker of vet bijv.

En als ik een tekort aan ijzer heb, heb ik er niets aan dat ik een brokje ijzer inslik. Mijn lichaam heeft er alleen wat aan als het in aangepaste vorm kan worden opgenomen.

Stof als basis
Dat betekent eigenlijk dat de stoffen niet naar hun eigen aard in mij aanwezig (kunnen) zijn, maar dat ze zich moeten voegen naar wat ik lichamelijk als organisme ben. Ze zijn dus in zekere zin ondergeschikt aan dit organisme; ze moeten daaraan dienstbaar zijn. Ze vormen er een basis voor.

Tijdens mijn leven voegen de stoffen zich naar mijn organisme. Dit dicteert wat ik nodig heb, in welke mate en wat ik niet nodig heb.

Mijn organisme heeft daar op de een of andere manier ‘weet’ van. Als het te weinig of teveel krijgt van wat het nodig heeft, reageert het en wij voelen dat in de gewaarwordingsziel als pijn(tje), misselijkheid, duizeligheid, ziekte, honger enz.

Al levend weten wij eigenlijk van ons eigen organisme niet of dit wel de juiste stoffen in de juiste hoeveelheden krijgt.

Dit vind ik wel vreemd: het is je eigen lichaam en toch weet je niet precies wat en hoe het daarin en daarmee gaat. Pas als een bepaalde grens overschreden wordt, word je het gewaar.

Dit ‘dienstbaar zijn aan’ gebeurt dus tijdens mijn leven. In mijn organisme zijn de stoffen er tijdens mijn leven in een bepaald verband; ze zijn dienstbaar aan dat verband. Buiten mijn organisme zijn ze niet dienstbaar, ‘leiden ze hun eigen leven’.
Tijdens mijn leven dienen ze mijn leven en na mijn leven gaan ze weer hun eigen leven leiden.
Immers, wanneer ik dood ben, is de band met mijn leven niet meer nodig: de binding is overbodig en ont-binding is het gevolg. De stoffen komen weer in hun oorspronkelijke gebied: de aarde.
Stof ben je en tot stof zul je weerkeren.

Aarde
Ook in de naamgeving speelt het woord ‘aarde’ mee. Daar waar we met de meest aardse delen te maken hebben, in de botten, spreken we van beenaarde. 2/3 van het menselijke skelet bestaat eruit. Het is samengesteld uit verschillende fosforzure kalkverbindingen.

Het woord ‘fysiek’ komt van het Griekse ‘phusikos’ dat ‘tot de natuur behorend’ betekent.

In het woord ‘lichaam’ zit etymologisch het deel ‘lic’ dat ‘lijk, vlees’ betekent en ‘ham’ dat ‘omhulsel’ betekent. lichaam ‘stoffelijk omhulsel’. Samengesteld uit → lijk  ‘(dood) lichaam’ en → haam ‘omhulling’, ‘het vlees zonder leven en ziel’

Rudolf Steiner  over dit fysieke lichaam:

Die äußeren Dinge sind wir allerdings nicht, aber wir gehören mit den äußeren Dingen zu ein und derselben Welt.

Wij vallen niet samen met de voorwerpen buiten ons, maar we maken mét de dingen buiten ons, deel uit van dezelfde wereld.
GA 4/104
Vertaald

( ) Die Welt der Erscheinung.

De fysieke wereld als de wereld van de verschijnselen; de dingen, de voorwerpen enz.
GA 4/112
Vertaald

In GA 9 omschrijft Steiner het fysieke lichaam met ‘physischer Leib’. Zoals we op blz. 23/24 van de vertaling van de ‘Algemene menskunde’ zien, is dat net anders dan ‘Leibeskörper’ of ‘Körperleib’ – maar met wat je over ‘Leib – lijf’ kan zeggen, is het meteen duidelijk dat deze karakterisering wijst naar het met leven doortrokken fysieke lichaam.

( ) was er vorfindet, was er als eine gegebene Tatsache hinnimmt.

( ) wat de mens aantreft op de wereld, wat hij als een gegeven neemt.
GA 9/25
Vertaald

Innerhalb der offenbaren Welt ist der physische Menschenleib dasjenige, worinnen der Mensch der mineralischen Welt gleich ist.

In de zichtbare wereld is het fysieke mensenlichaam datgene waarin de mens aan de minerale wereld gelijk is.
GA 13/52
Vertaald

Das, was die Sinnesbeobachtung am Menschen kennenlernt, und was die materialistische Lebensauffassung als das Einzige im Wesen des Menschen gelten lassen will, ist für die geistige Erforschung nur ein Teil, ein Glied der Menschenna­tur, nämlich sein physischer Leib. Dieser physische Leib unter­liegt denselben Gesetzen des physischen Lebens, er setzt sich aus denselben Stoffen und Kräften zusammen wie die ganze übrige sogenannte leblose Welt. Die Geisteswissenschaft sagt daher : der Mensch habe diesen physischen Leib mit dem gan­zen Mineralreich gemeinsam. Und sie bezeichnet am Menschen nur als physischen Leib, was dieselben Stoffe nach denselben Gesetzen zur Mischung, Verbindung, Gestaltung und Auflö­sung bringt, die auch in der mineralischen Welt als Stoffe nach eben diesen Gesetzen wirken.

Datgene, wat de zintuigen waarnemen aan een mens en wat de materialistische wereldbeschouwing als de enige werkelijkheid van de mens wil laten gelden, is voor het geesteswetenschappelijk onderzoek slechts een deel van ’s mensen totaliteit, n.l. zijn fysieke lichaam. Dit lichaam is onderworpen aan dezelfde fysieke wetmatigheden, is uit dezelfde stoffen en krachten samengesteld als de gehele overige, zoge­naamd levenloze natuur. De geesteswetenschap zegt daarom, dat de mens dit fysieke lichaam met het ge­hele minerale rijk gemeen heeft. En zij noemt fysiek lichaam van de mens alleen datgene, wat dezelfde stoffen, die in de minerale wereld voorkomen, volgens dezelfde wetten, die ook daar van kracht zijn, mengt, verbindt, vorm geeft en ontbindt.
GA 34/312
Vertaald

Der physische Leib ist ein zusammengesetztes Ding, das aus drei Gliedern oder drei Bestandteilen besteht. Der unterste, gröbste Bestandteil ist in der Regel dasjenige was der Mensch mit seinen physischen Sinnen sieht, der sogenannte physische Leib. Dieser physische Leib hat in sich dieselben Kräfte und Gesetze wie das Physische um uns herum, wie die ganze physische Welt.

Het fysieke lichaam is een samengesteld ding dat uit drie delen of drie bestanddelen opgebouwd is. Het onderste, grofste bestanddeel is in de regel dat wat de mens met zijn fysieke zintuigen ziet, het zgn. fysieke lichaam. Dit draag in zich dezelfde krachten en wetten als het fysieke rondom ons heen, als de hele fysieke wereld.
GA 53/33
Niet vertaald

Alles, was unmittelbar raumfüllend ist, was wir mit den bloβen Sinnen oder mit den bewaffneten Sinnen, mit dem bloβen Auge oder mit dem Mikroskop sehen können, kurz alles dasjenige, was für den Naturforscher noch aus Atomen zusammengesetzt ist, das bezeichnet der Theosoph noch als physische Körperlichkeit. Das ist der unterste Bestandteil der physischen Wesenheit.

Alles wat direct de ruimte vult, wat wij met de gewone zintuigen of met de versterkte zintuigen, met het blote oog of met de microscoop kunnen zien, kortom alles wat voor de natuurkundige nog uit atomen bestaat; dat noemt de geesteswetenschap de lichamelijkheid. Dat is het onderste bestanddeel van het fysieke wezen.
GA 53/34 http://fvn-rs.net/PDF/GA/GA053.pdf#page=34
Niet vertaald

Der physische Leib hat der Mensch gemeinsam mit der ganzen mineralischen Welt. Alle die Stoffe und Kräfte, die zwischen den einzelnen mineralischen Stoffen ihr Spiel treiben, Eisen, Arsen, Kohle, usw spielen auch in den Stoffen des menschlichen Leibes, des physischen Leibes der Tiere und der Pflanzen.
Sie sehen nicht, was sich in diesem physischen Leibe abspielt an Lust und Leid, an Freude und Schmerz usw.

Het fysieke lichaam heeft de mens gemeenschappelijk met de hele minerale wereld. Alle stoffen en krachten die tussen de aparte minerale stoffen hun spel spelen, ijzer, arsenicum, koolstof, enz. spelen ook in de stoffen van het menselijk lichaam, wat zich afspeelt in het fysieke lichaam, van het dier en van de planten. Je ziet niet wat zich in dit fysieke lichaam afspeelt aan lust en smart, vreugde en verdriet, enz.
GA 100/24
Niet vertaald

Wenn Sie einen physischen Körper haben, gleichgültig ob Pflanze oder Tier, so müssen Sie ihn betrachten als etwas räumlich Abgeschlossenes, und Sie haben sozusagen kein Recht mehr, dasjenige zu dem betreffenden Leib oder Körper zu rechnen, was von ihm räumlich abgetrennt ist. Sie werden da, wo räumliche Trennung herrscht, sprechen müssen von verschiedenen Körpern. Nur dann, wenn auch ein räumlicher Zusammenhang besteht, können Sie sprechen von einem einzigen Körper.

Wanneer je een fysiek lichaam hebt, of dat nu van een plant is of van een dier, dat maakt niets uit, dan moet je dat beschouwen als iets wat in de ruimte een afgesloten iets is en dan heb je niet meer het recht om tot dat betreffende lichaam te rekenen wat ervan afgezonderd is. Waar ruimtelijke scheiding heerst, moeten we spreken van verschillende lichamen. Alleen wanneer er een ruimtelijke samenhang bestaat, kun je spreken van een apart lichaam.
GA 107/32
Niet vertaald

Op veel meer plaatsen vind je Steiner over het fysieke lichaam. Enerzijds zitten daar voor wat de kern betreft, vanzelfsprekend veel herhalingen bij, vaak wel weer net met andere woorden, maar ook weer totaal nieuwe gezichtspunten.

Telkens echter zal blijken dat er een relatie bestaat – door de stoffen waaruit het bestaat – met de stoffelijke wereld die ons omringt en waardoor we een deel van die stoffelijke wereld zijn.

Als we naar de uiterlijke verschijningsvorm kijken, is alles wat we op de wereld aantreffen: een ding, een voorwerp; alles heeft ‘ding-karakter, is dingachtig.

Om de dingen te leren kennen, moeten wij ons er ‘tegenover’ plaatsen: ik hier – het ding daar.

Die Gegenstände, von denen ihm durch die Tore seiner Sinne fortwährend Kunde zuflieβt, die er tastet, riecht, schmeckt, hört und sieht.

De dingen die hem door de poorten van de zintuigen kennis verschaffen, die hij aanraakt, ruikt, proeft, hoort en ziet.

Hoewel met ‘lichaam’ vertaald, kan hier door Steiner niet anders dan ‘lijf’, ‘stoffelijke lijfelijkheid’ – die stof die met leven doortrokken is – enz. genoemd worden. Ik heb lichaam en lijf hier afwisselend door elkaar gebruikt; nu het duidelijk is waarom het gaat, kan er m.i. geen verwarring ontstaan.

Mit Leib ist hier gemeint dasjenige wodurch sich dem Menschen die Dinge seiner Umwelt offenbaren.

Met ‘lijf’ wordt hier bedoeld datgene waardoor aan de mens de dingen van zijn omgeving zich kunnen vertonen.

Durch seinen Leib vermag sich der Mensch für den Augenblick mit den Dingen in Verbindung zu setzen.

Door zijn lijf is de mens in staat zich voor een ogenblik met de dingen te verbinden.

Durch seinen Leib ist er mit den Dingen verwandt die sich seinen Sinnen von auβen darbieten. Die Stoffe der Auβenwelt setzen diesen seinen Leib zusammen; die Kräfte der Auβenwelt wirken auch in ihm.

Door zijn lichaam is hij aan de dingen verwant die voor zijn zintuigen verschijnen. De stoffen van de buitenwereld vormen zijn lichaam; de krachten van de buitenwereld werken ook in hem.

Und wie er die Dinge der Auβenwelt mit seinen Sinnen betrachtet, so kann er auch sein eigenes leibliches Dasein beobachten.

En zoals hij de dingen van de buitenwereld met zijn zintuigen beschouwt, kan hij ook zijn eigen lijfelijk zijn beschouwen.

Alles, was an mir leibliche Vorgänge sind, kann auch mit den leiblichen Sinnen wahrgenommen werden.

Alles wat aan mij lichamelijke processen zijn, kan  ook met de lichamelijke zintuigen waargenomen worden

Durch seinen Leib gehört der Mensch der Welt an, die er auch mit seinem Leibe wahrnimmt.
Durch leibliche Sinne lernt man den Leib des Menschen kennen. Und die Betrachtungsart kann dabei keine andere sein als diejenige, durch welche man andere sinnlich wahrnehmbare Dinge kennenlernt.

Door zijn lijfelijke stoffelijkheid behoort de mens bij de wereld die hij ook met zijn lijf waarneemt.
Door de lichamelijke zintuigen leer je de lijfelijkheid van de mens kennen. En de manier waarop dat gebeurt kan daarbij geen andere zijn dan door die je de andere zintuiglijk waarneembare dingen leert kennen.
GA 9/25-26-27-28
Vertaald

Kinderen staan – tot ongeveer het negende levensjaar – nog niet zo tegenover de wereld. Hoewel ze vanaf het ogenblik dat ze beginnen te praten de wereld beginnen te benoemen en dus ‘dingkarakter’ voor hen krijgt, is er nog geen scheiding.

Dat drukte Paul van Ostaijen zo prachtig uit met:

Marc groet ’s morgens de dingen

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke-vis met de pijp
en
dag visserke-vis met de pet
pet en pijp
van het visserke-vis
goeiendag

Daa-ag vis
dag lieve vis
dag klein visselijn mijn

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1354-1266

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1(1-7-2)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

De leerkrachten van de 1e vrijeschool in Stuttgart waren allen veel bekender met de antroposofie dan toen ik bijv. er rond 1970 voor het eerst van hoorde. En als dat min of meer voor jou geldt, wanneer je nu op een vrijeschool gaat werken, of er nog maar een korte tijd werkt, is het niet verwonderlijk dat o.a. blz. 23 en 24 van de vertaling met de vele antroposofische termen, veel vragen kunnen oproepen.

Bevor das Menschenwesen die physische Erde betritt, wird eine Verbindung eingegangen zwischen dem Geist und der Seele; dem Geist, insofern wir darunter verstehen dasjenige, was in der physischen Welt heute noch ganz 
verborgen ist und was wir anthroposophisch-geisteswissenschaftlich nennen: der Geistesmensch, der Lebensgeist, das Geistselbst. Mit diesen drei Wesensgliedern des Menschen ist es ja so, daß sie gewissermaßen in der übersinnlichen Sphäre vorhanden sind, zu der wir uns nun hindurcharbeiten müssen, und wir stehen zwischen dem Tod und einer neuen Geburt schon in einer gewissen Beziehung zu Geistesmensch, Lebensgeist und Geistselbst. Die Kraft, die von dieser Dreiheit ausgeht, die durchdringt das Seelische des Menschen: Bewußtseinsseele, Verstandes- oder Gemütsseele und Empfindungsseele. Und wenn Sie betrachten würden das Menschenwesen, das sich anschickt, nachdem es durchgegangen ist durch das Dasein zwischen Tod und neuer Geburt, in die physische Welt hinunterzusteigen, dann würden Sie das eben charakterisierte Geistige zusammengebunden finden mit dem Seelischen. Der Mensch steigt gewissermaßen als Geistseele oder Seelengeist aus einer höheren Sphäre in das irdische Dasein. Mit dem irdischen Dasein umkleidet er sich. Wir können ebenso dieses andere Wesensglied, das sich mit dem eben gekennzeichneten verbindet, charakterisieren, wir können sagen: Da unten auf der Erde wird der Geistseele entgegengebracht dasjenige, was entsteht durch die Vorgänge der physischen Vererbung. Nun wird an den Seelengeist oder die Geistseele der Körperleib oder der Leibeskörper so herangebracht, daß wiederum zwei Dreiheiten verbunden sind. Bei der Geistseele sind verbunden Geistesmensch, Lebensgeist und Geistselbst mit dem Seelischen, das besteht aus Bewußtseinsseele, Verstandes- oder Gemütsseeie und Empfindungsseele. Die sind miteinander verbunden und sollen sich verbinden beim Herabsteigen in die physische Welt mit Empfindungsleib oder Astralleib, Atherleib, physischen Leib. Aber diese sind ihrerseits wiederum verbunden zuerst im Leibe der Mutter, dann in der physischen Welt mit den drei Reichen der physischen Welt, dem mineralischen, dem Pflanzen- und dem Tierreich, so daß auch hier zwei Dreiheiten miteinander verbunden sind.

Ik heb ze in cursief weergegeven:

Wanneer het kind fysiek geboren wordt, dan moeten we ons ervan bewust zijn wat er eigenlijk met het kind gebeurd is bij de overgang van een geestelijk bestaan naar een fysiek bestaan. Welnu, daarbij moeten we in de eerste plaats bedenken dat het mensenwezen in werkelijkheid uit twee delen bestaat. Voordat de mens de fysieke aarde betreedt gaan geest en ziel een verbin­ding aan; onder geest wordt hier verstaan dat wat in de fysieke wereld tegenwoordig nog geheel verborgen is en wat we in de antroposofische geesteswetenschap noemen: de geestesmens, de levensgeest, het geesteszelf. Met deze drie wezensdelen van de mens is het zo, dat ze zich in zekere zin in de bovenzinnelijke sfeer bevinden, een sfeer waar wij nu weer naar toe moeten werken. Wij hebben tussen de dood en een nieuwe geboorte al een zekere verbinding met de geestesmens, de levensgeest en het geesteszelf. De kracht die uitgaat van deze drie samen door­straalt de ziel van de mens: de bewustzijnsziel, de verstands- of gemoedsziel en de gewaarwordingsziel.
En wanneer u zou kijken naar het mensenwezen dat op het punt staat na zijn doorgang door het leven tussen dood en nieuwe geboorte in de fysieke wereld af te dalen, dan zou u zien dat die geestelijke wezensdelen verbonden zijn met de ziel. De mens daalt bij wijze van spreken als geestziel of zielegeest uit een hogere sfeer af in het aardse bestaan. Hij omhult zich met het aardse bestaan. Ook het andere wezensdeel dat zich met de geestziel verbindt kunnen we karakteriseren: beneden op aarde wordt datgene wat ontstaat door de processen van de fysieke erfelijkheid de geestziel tegemoet gedragen. Nu worden de zie­lengeest of geestziel en het lichamelijk organisme of organisch lichaam samengevoegd, met dien verstande dat in het orga­nisch lichaam eveneens tweemaal drie wezensdelen met elkaar verbonden zijn. Bij de geestziel zijn geestesmens, levensgeest en geesteszelf verbonden met de ziel, bestaande uit bewustzijnsziel, verstands- of gemoedsziel en gewaarwordingsziel. Die vormen een eenheid en moeten zich bij het afdalen in de fysieke wereld verbinden met het gewaarwordingslichaam of astrale lichaam, het etherlichaam en het fysieke lichaam. Maar deze zijn op hun beurt weer verbonden – eerst in het lichaam van de moeder, dan in de fysieke wereld – met de drie rijken in de fysieke wereld, namelijk de mineralen, de planten en de dieren, zodat ook hier twee groepen van drie met elkaar een eenheid vormen.
GA 293/23-24
Vertaald/23-24

.

In een reeks artikelen zullen deze begrippen nader besproken worden:

fysiek lichaam
etherlijf       zie ook: het etherlijf in de ontwikkeling van een kind
astraallijf
gewaarwordingslichaam/gewaarwordingsziel
verstands- of gemoedsziel
bewustzijnsziel
geest(es)zelf
levensgeest
geest(es)mens

Ook via het zoekveld kom je na invoering van deze begrippen op plaatsen waar ze worden gebruikt.

Voor een overzicht is een schema soms handig. Maar een schema is altijd een abstractie – vervreemdt zich van de werkelijkheid, waarin – zeker als het om de mens of om het leven gaat – geen schema’s voorkomen.

hiërarchiëen

geest

geestzelf  levensgeest  geestmens

bewustzijnsziel  verstands-gemoedsziel  gewaarwordingsziel

fysiek lichaam  etherlijf  gewaarwordingslijf

mineralen  planten  dieren

natuur

Steiner zegt er bijv. over:

Man darf, wenn man mit seinem Erkennen in die Wirklich­keit hineingehen will, niemals schematisieren, niemals die Ideen nur nebeneinander setzen, sondern man muß sich klar sein, daß in der Wirklichkeit alles nur so betrachtet werden kann, daß irgendwo etwas als das Hervorstechende erscheint, daß aber die übrigen Elemente der Wirklichkeit darinnen leben, und daß überall, was sonst im Hinter­grunde sich hält, wiederum an einem anderen Orte der Wirklichkeit das Hervorstechendste ist und das andere sich im Hintergrunde hält.

Je mag, wanneer je kennend op de werkelijkheid in wil gaan, nooit schematiseren, nooit de ideeën naast elkaar plaatsen, maar je moet goed weten dat in de werkelijkheid alles alleen maar zo bekeken kan worden, dat ergens iets als het meest opvallende eruit springt, dat echter de andere delen van de werkelijkheid daarin zitten en dat alom, wat anders op de achtergrond blijft, op een andere plek van de werkelijkheid het meest opvallende is en dat het andere dan op de achtergrond blijft.
GA 201/58
Niet vertaald 

Rudolf Steiner: wegwijzer 91; 99; 112; 122; 145; 146; 147; 149; 154; 161

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1352-1264

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (42)

.

Aantal kinderen met autisme explodeert. Dit is waarschijnlijk de oorzaak

De psychiaters: speel met je kinderen, bouw een zandkasteel of maak een tekening, maar laat ze alsjeblieft niet de hele dag naar een scherm turen.

.

Peuters-kleuters: alle artikelen

Spel: alle artikelen

Opspattend grind  [16]   [19]   [29]

Opspattend grind: alle artikelen

.

1351-1263

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

HET TWEELEDIG MENSBEELD
Nadat Rudolf Steiner nog iets heeft gezegd over de opvoeding vóór de geboorte, vervolgt hij de voordracht met:

Die Erziehung kann erst angehen, wenn das Kind wirklich eingegliedert-ist in die Weltenordnung des physischen Planes, und das ist dann, wenn das Kind beginnt die äußere Luft zu atmen.

De opvoeding kan pas ter hand worden genomen wanneer het kind werkelijk deelgenoot van de fysieke wereld is geworden en dat is wanner het kind begint te ademen.

Voor Steiner is geboorte een overgang van het ene bestaan naar het andere, zoals het sterven dit ook is. Wanneer het over de drieledige mens gaat, kan er een onderscheid worden gemaakt in – hier zie je concreet de karakterisering vanuit verchillende standpunten – lichamelijk: hoofd, romp en ledematen; – geredeneerd vanuit het standpunt ‘ziel’ in: denken, voelen, willen.
Zijn deze ‘delen’ bij het oudere kind en de volwassene min of meer zelfstandig functionerend, bij het pasgeboren kind is alles nog veel meer met elkaar verbonden, alsof er een gesloten bloemknop op een stengel zit. De knop staat hier voor geest en ziel samen, is nog dicht, moet nog wakker worden. 

Betrachten Sie das Kind, das hereingewachsen ist in die Welt, mit der genügenden Unbefangenheit, so werden Sie richtig wahrnehmen: Hier in dem Kind ist noch unverbunden Seelengeist oder Geistseele mit Leibeskörper oder Körperleib. Die Aufgabe der Erziehung, im geistigen Sinn erfaßt, bedeutet das In-Einklang-Versetzen des Seelengcistes mit dem Körperleib oder dem Leibeskörper. Die müssen miteinander in Harmonie kommen, müssen aufeinander gestimmt werden, denn die passen gewissermaßen, indem das Kind hereingeboren wird in die physische Welt, noch nicht zusammen. Die Aufgabe des Erziehers und auch des Unterrichters ist das Zusammenstimmen dieser zwei Glieder.

Kijkt u onbevangen genoeg naar een kind dat op de wereld is gekomen, dan zult u duidelijk waarnemen dat in het kind de zielegeest of geestziel en het organisch lichaam of lichamelijk organisme nog niet met elkaar verbonden zijn. De taak van de opvoeding in geestelijke zin is nu om de zielegeest en het licha­melijk organisme of organisch lichaam met elkaar in overeen­stemming te brengen. Die moeten met elkaar in harmonie ko­men, moeten op elkaar afgestemd worden, want die passen in zekere zin nog niet bij elkaar wanneer het kind geboren wordt. De taak van de opvoeder en ook van de leraar is om deze twee delen op elkaar af te stemmen.
24

GEEST/ZIEL, ZIEL/GEEST
Omdat er bij de het pas geboren kind nog geen goed onderscheid is te maken tussen wat nu geest en ziel is, gebruikt Steiner de woorden geestziel(ewezen) en zielegeest(wezen) (volgens de spelling zou dit zielen moeten zijn). 

Kijk je naar het lichaampje, dan zie je de totaal nog niet uitgegroeide ledematen waarmee het kindje nog helemaal niets kan dan ze, schijnbaar doelloos, bewegen; heel ongecoördineerd, onbeheerst, bijna onwillekeurig.
Vergelijk je dat met later, dan zie je dat het kind vrij letterlijk bezit heeft genomen van zijn ledematen; hij weet ze al in zijn dienst te stellen, ze te gebruiken voor wat hij wil; er komt steeds meer doelgerichtheid. Het kind kan steeds meer met zijn lichaam.
Kijk je naar hoe een kindje gaat staan, gaat klimmen enz. dan zie je een soort veroveringstocht, een vorm van in-bezit-nemen, een steeds verder dóórdringen, dat alleen maar mogelijk is door het doordringen van het eigen lichaam met…ja, met wat. Met zijn zelf! Met zichzelf! Met wat hij als wezen is, met zijn mentale processen en zijn gevoel, kortom met wat je al onder geest-zielen of zielen-geest kan verstaan.

ORGANISCH LICHAAM OF LICHAMELIJK ORGANISME
Dit is de vertaling van Leibeskörper en Körperleib. 

Maar uit de vertaling blijkt niet goed waarom het gaat. Dat is ook met de Duitse woorden zo, hoewel je hier twee begrippen hebt, die door Steiner op andere plaatsen gebruikt worden voor etherlijf en fysiek lichaam. 
Het woord ‘lijf’ is in onze taal niet zo gangbaar meer en wordt ook in vertalingen van Steiner waar hij het etherlijf bedoelt, meestal ook vertaald met ‘lichaam’.

FYSIEK LICHAAM en ETHERLIJF
Om uit te leggen wat Steiner bovenzintuiglijk waarnam, kwam hij voor de moeilijkheid te staan om woorden te kiezen voor iets waarvoor in de zintuiglijke wereld geen woorden zijn. Hij moest dus toch woorden kiezen uit de zichtbare wereld en koos die vaak zeer omschrijvend, m.i. ook een van de redenen om te karakteriseren. 

Wanneer hij het woord ‘Leib’ gebruikt, bedoelt hij altijd een complex van krachten, vermogens om.  Bij het etherlijf gaat het o.a. om levenskracht(en), vormkrachten; bij het astraallijf bijv. om het vermogen als ziel de buitenwereld tot binnenwereld te maken. 
Wanneer hij het fysieke lichaam bedoelt, spreekt hij niet over ‘Leib’ omdat dit fysieke lichaam er niet zou zijn zonder ‘leven’, zonder leven is het immers een lijk en daarbij past veel meer het woord ‘lichaam’ dat van oorsprong als ‘lic ham’ -lic=lijk wijst op een lichamelijk omhulsel. 
Door het gebruik van etherlichaam koppel je dus eigenlijk twee tegenstrijdige begrippen aan elkaar.
Maar als ik zie hoe precies Steiner alles wil beschrijven – geesteswetenschap dient dat net zo exact te doen als natuurwetenschap – kies ik dus voor etherlijf of levenslijf of levenskrachtenlijf, waarbij ‘lijf’ etymologisch van ‘leven’ komt.
We kennen het nog in ‘lijfrente’, een rente voor het leven, in ‘lijftocht’, voedsel om in leven te blijven, waar het om het levende lichaam gaat, zie je bijv. ‘lijfarts’, ‘lijfwacht’, om voor het leven van iemand te waken.

Net zoals geest-zielen en zielen-geest nog afwisselend gebruikt worden voor het pas geboren kind, zo ook fysiek lichaam en etherlijf in de woorden ‘Leibeskörper’ en ‘Körperleib’. In beide zit het woord ‘Leib’ – leven en dat is essentieel: de baby en het kleinere kind zijn doortrokken met een levenskracht die bijna alles in zijn jonge leven domineert: eten, slapen, groeien.

Dit door levenskracht doortrokken lichaampje waardoor het een ‘lijf(je) is, is vanuit de aardse kant bekeken, het resultaat van de voortplanting, de gezamenlijke bijdrage van vrouw en man, die daardoor moeder en vader worden.
Hier werken de krachten van de erfelijkheid.

Ik verwijs nu naar een artikel op mijn blog ‘Antroposofie, een inspiratie‘ over ‘de erfelijkheid van het Ik’.

‘Aangekomen’ op aarde pas ik nog niet meteen bij mijn fysieke lijf: ik moet er nog in dóórdringen.
Dat kan ik niet alleen, daar moet mij van alles voor worden aangereikt. Ik moet worden geholpen. Dat noemen we verzorgen en opvoeding.
Dan kan voor de komende tijd het doel van deze opvoeding zijn dat ‘Ik’ zo goed mogelijk in mijn lichaam ga passen. Dat er harmonie ontstaat.

Wat een mooie taak, wat een prachtige opdracht: HARMONIE brengen.

Maar er is nog meer:

MET EERBIED

Der Mensch ist ja, bevor er ein Erdenwesen wird, ein seelisch-geisti­ges Wesen, das in seelisch-geistigen Welten lebt. Ich habe darauf schon hingedeutet. Er steigt herunter, verbindet sich als seelisch-geistiges We­sen mit dem physisch-ätherischen Menschenkeim, der zustande kommt teils durch die Tätigkeit des Seelisch-Geistigen selbst, teils aber durch die Vererbungsströmung, die durch die Generationen durchgeht und die durch Vater und Mutter an den Menschen, der sich im physischen Leib verkörpern will, herankommt. Wenn man dieses Seelisch-Geistige vor sich hat, das da an den Menschen zunächst herankommt, wird man es mit scheuer Ehrfurcht betrachten. Man wird gewissermaßen dem Werden des Kindes mit einem religiösen Gefühl auch als Lehrer gegen­überstehen; ich möchte sagen, mit einem priesterlichen Gefühl, weil die Art, wie sich Seelisch-Geistiges im Kinde enthüllt, wirklich zu einer Offenbarung des Seelisch-Geistigen im Physisch-Ätherischen wird. Hat man die Stimmung, daß sich ein von Göttern Gesandter herunterbegibt auf Erden und sich im Leibe verkörpert, dann bekommt man die rich­tige Gesinnung, die man in der Schule zu entfalten hat. Aber man lernt auch nur dadurch, daß man anzuschauen fähig ist, wie sich das Kind allmählich entwickelt.

De mens is, voor hij aardeburger wordt, een zielen-geestwezen dat in de wereld van ziel en geest leeft. Daarop heb ik al gewezen. Het incarneert, verbindt zich als ziel-geestwezen met de fysiek-etherische mensenkiem, die tot stand komt door de werkzaamheid van ziel en geest, maar gedeeltelijk ook door de erfelijkheidsstroom die door de generaties heengaat en die door vader en moeder aan de mens die zich in het fysieke leven met een lichaam wil omkleden, gegeven wordt. Wanneer je dit, wat ziel en geest is, voor je hebt, wat daar allereerst in de mens verschijnt, dan zul je dit met diepe eerbied aanschouwen. In zekere zin zul je ook als leerkracht met een religieus gevoel tegenover het wezen van het kind staan; ik zou willen zeggen, met het gevoel van een priester, omdat de manier waarop ziel en geest zich in het kind openbaren, werkelijk tot een openbaring van geest en ziel in het fysiek-etherische wordt. Leeft in je gemoedsgesteldheid dat er iemand die door de goden naar de aarde is gezonden om daar in een lichaam te incarneren, dan krijg je de goede gezindheid die je in de school moet ontwikkelen. Maar ook nog leer je daardoor waar te nemen hoe het kind zich geleidelijk ontwikkelt.
GA 309/65
Op deze blog vertaald/65  

EEN BIJNA RELIGIEUS GEVOEL

Daß der Mensch, wenn er in das Erdenleben hineinkommt, nicht nur das annimmt, was ihm von Vater und Mutter entgegengebracht wird, sondern daß er als geistiges Wesen aus einer geistigen Welt heruntersteigt in diese irdische Welt, das kann bei einer lebensvollen Menschenerkennt­nis in der Erziehungskunst praktisch werden. Denn es gibt im Grunde genommen keine wunderbareren Eindrücke, als wenn man das ganz kleine Kind in seinem Werden beobachtet, an seiner Entfaltung teil­nimmt und den Eindruck bekommt, wie das zuerst innerlich Ver­schwommene, das aus der geistigen Welt zum irdischen Dasein herun­tergestiegen ist, sich allmählich formt und gestaltet. Und man gewinnt die Erkenntnis, daß man es darin mit einem Übersinnlich-Geistigen zu tun hat, das sich hier in der Sinneswelt verkörpert und entfaltet. Da fühlt man sich dann verantwortlich gegenüber der eigenen Erziehungskunst; und fühlt man dazu die nötige Gewissenhaftigkeit, dann wird die Erziehungskunst gewissermaßen die Ausübung eines religiösen Dien­stes. Man fühlt in der Praxis: Die Götter haben den Menschen heruntergeschickt in dieses irdische Dasein, haben ihn uns als Erzieher anver­traut. Was die Götter uns mit dem Kinde übergeben, das sind Rätsel, die den schönsten Gottesdienst ergeben.

Dat de mens , wanneer hij het aardeleven binnenkomt, niet alleen maar tot zich neemt wat hem door vader en moeder aangereikt wordt, maar dat hij als geestelijk wezen afdaalt naar dit aardse bestaan, kan bij een levensechte kennis in de opvoedkunst praktisch toegepast worden. Want er zijn in de grond van de zaak genomen geen indrukken die wonderbaarlijker zijn dan wanneer je het heel kleine kind in zijn wording bekijkt, aan zijn ontwikkeling deelneemt en de indruk krijgt hoe, wat eerst innerlijk nog ongedifferentieerd is, dat uit de geesteliljke wereld in het aardse bestaan afdaalt, zich langzamerhand vormt en ontwikkelt. En je komt tot het besef dat je in het kind met een bovenzintuiglijk geesteswezen te maken hebt, dat zich hier in de zichtbare wereld belichaamt en ontplooit. Dan voel je je verantwoordelijk wat betreft je eigen opvoedkunst; en voel je daarbij de nodige consciëntie, dan wordt de opvoedkunst in zekere zin de uitoefening van een religieuze handeling.
Je voelt in de praktijk: de goden hebben de mens naar de aarde gestuurd, hebben hem aan ons als opvoeder, toevertrouwd. Wat de goden ons met het kind geven, zijn raadsels, die uit de mooiste dienst aan god stammen.
GA 304a/121 
Niet vertaald

Het groter wordende kind geeft blijk van een grote behoefte aan beweging. Dat is niet toevallig. Het is doortrokken van een grote levenskracht, van groei: het verdubbelt in de eerste 7 jaar zijn lichaamsgewicht! En wie leven zegt, zegt beweging. Helpen bij de harmonisering, is dus o.a. gelegenheid geven tot allerlei bewegen. Dat is simpelweg tegemoet komen aan wat de natuur van het kind van en aan ons vraagt.

In deze voordracht noemt Steiner nog geen concrete voorbeelden van hoe het onderwijs er met het oog op de beweging uit zou moeten zien.

Vooruitlopend daarop vind je op deze blog veel artikelen die daarover gaan, o.a.:

zintuigen – alle artikelen

bewegen1e klas alle artikelen

en natuurlijk de artikelen voor de peuters en kleuters voor wie het bewegen – letterlijk – van levensbelang is:

peuters/kleuters: alle artikelen

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: deel 1-7 waarop bovenstaand artikel een uitbreidend vervolg is.

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1350-1262

.