Categorie archief: schrijven/lezen

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schrijven en lezen (4)

.

tekst in blauw van mij; in groen van Steiner; in zwart de vertaling daarvan. ‘Niet vertaald’ wil zeggen: er is geen officiële vertaling; deze vertaling is dan van mij. Verbetersuggesties welkom: vspedagogieatgmailpuntcom

.

Waldorf ~ 1st grade ~ Letter: T ~ Table:

Tafel = T
.
Deze en onderste illustratie zijn niet van Steiner
.

HOOFDLETTER/KLEINE LETTER


In de vertaling van GA 294, de uitgave van 1987, is een voetnoot (nr 2) opgenomen:=
=In het Duits wordt als voorbeeld de f van Fisch gebruikt. Rudolf Steiner ging dus uitdrukkelijk uit van geschreven of kleine letters. Pas later kwam de ommezwaai naar hoofdletters.=

De Duitse uitgave van 1990 heeft deze voetnoot niet.

Ik weet niet waarop de vaststelling ‘ging uitdrukkelijk van geschreven of kleine letters uit’ is gebaseerd. De f op blz.9, lijkt een kleine letter te zijn;

GA 294 blz. 9

maar in de andere voordrachten waarin Steiner de F als voorbeeld neemt, zie je toch een hoofdletter.
Als de voetnoot hierop duidt, is er sprake van ‘pas later’, maar in dezelfde GA 294 is een paar dagen later de B als voorbeeld een duidelijke hoofdletter.

GA 294 blz.69En in de 1e voordracht hierin is ook sprake van het lezen van het woord KOPF, duidelijk met hoofdletters, op blz. 13 al; dat noopt niet tot een opmerking: ‘pas later kwam de ommezwaai naar hoofdletters’.

GA 303/165

GA 303 blz.165


GA 304a/175

GA 304A blz 175


GA 305/98

blz. 98


GA 306/81

GA 306 blz.81


GA 307/156

blz. 156a


GA 309/57

GA 309 blz. 57 1


GA 310/58

GA 310 blz. 58 2


GA 311/32

GA 311 blz. 32 2

Het ligt niet voor de hand dat Steiner eerst ‘uitdrukkelijk’ de kleine letter in gedachten had. Nadat hij heeft laten zien hoe je uit het beeld (van de Fisch) de klank = f = hebt aangeleerd (in Steiner over schrijven en lezen 5 zegt hij:


Du lernst also kennen das Zeichen für das Fischsprechen im Anfange.

Je leert dus kennen het teken voor het begin van het woord Fisch.’ wanneer je dat uitspreekt
GA 294/10
vertaald/11 (1)

Je leert dus het teken voor het begin van het woord. Het teken is niet de klank, – dan is dat dus het letterteken – aan het begin van het woord. Dat is in het Duits een hoofdletter.

Op blz. 59 van de vertaling spreekt Steiner over ‘BAD’ en op blz.62 over ‘OVEN’ en ‘VOGEL’ (vert. voor het voorbeeld REBE, BÄR) waarbij de letters in hoofdletters in de voordracht worden weergegeven, waarbij  Steiner de B ook in het midden van een woord laat verschijnen.
Een duidelijker bewijs dat het hem om de hoofdletter gaat, is er niet!

En dit wordt nog versterkt door het voorbeeld van de A die overduidelijk een hoofdletter is:

GA 294 blz.73

GA 294/63
vertaald/63 (1)

De keus voor de hoofdletter is logisch vanuit het Duits, waar de zelfstandige naamwoorden met een hoofdletter worden geschreven.

Maar dat is het niet alleen. Op veel plaatsen wijst Steiner op het ontstaan van het schrift en de vormen zoals wij die nu kennen. Die komen uit het oorspronkelijke Latijnse schrift.
De vraag naar het uitgangspunt voor de lettervormen beantwoordt Steiner met:

 Ja, die lateinische Schrift ist der Ausgangspunkt, weil diese die charakteristischen Formen enthält.Und dann erst, wenn es nötig wird, geht man über auf die deutsche, die gotische Schrift, die eigentlich ganz verschwinden sollte.

Ja, het Latijnse schrift is het uitgangspunt, omdat dit de karakteristieke vormen bevat. En pas als het nodig is gaat men over op het Duitse, het Gotische schrift, dat eigenlijk helemaal zou moeten verdwijnen.
GA 295/20
vertaald/20 (3)

=

Het Latijnse schrift bevatte eerst alleen hoofdletters. Kleine letters bestonden nog niet.

Het eerste schrijfonderwijs ziet Steiner nog niet zo als ‘schrijven’. (Zie opm. GA 297/25). Hij wil het kind laten kennis maken met een beeld. Een beeld dat een letter gaat worden. En waarbij een klank hoort.
Op verschillende plaatsen onderbouwt hij het waarom daarvan met menskundige gezichtspunten.

Hier volgen de belangrijkste opmerkingen van Rudolf Steiner over het begin van het schrijfonderwijs:

So werden wir herausholen aus dem zeichnerischen Element zuerst die Schreibformen der Buchstaben, dann die Druckformen. Wir wer­den das Lesen aufbauen auf dem Zeichnen.

Zo zullen we uit het tekenen eerst de geschreven vormen van de letters ontwikkelen, dan de gedrukte. We zullen het lezen daaraan vastknopen.
GA 294/11
vertaald/12 (1)

=

(  ) Wir erteilen den Schreibunterricht so, daß wir ihn vom Zeichenunterricht ausgehen lassen, daß wir zunachst nicht auf Buchstaben Rücksicht nehmen, sondern Formen zeichnen lassen.

We geven de schrijfles zo, dat we deze vanuit het tekenonderwijs beginnen, dat we niet meteen rekening houden met letters, maar vormen laten tekenen.
GA 297/108
Op deze blog vertaald/108

=

Wir beginnen nicht etwa damit, daß wir dem Kinde das Schreiben so beibringen, daß wir es die Buchstaben lehren. Wir lehren daher schreiben, indem wir ausgehen vom Zeichnen oder gar vom Malen von anschaubaren Formen. Wir bringen zunächst etwas, was ein künstlerisches Element ist, an das Kind heran und entwickeln dann aus dem Künstlerischen heraus, aus dem Zeichnen, aus dem Malen, die Formen der Buchstaben

We beginnen er niet mee, als we het kind leren schrijven, om het letters aan te leren. We leren het schrijven aan door uit te gaan van het tekenen of zelfs het schilderen van aanschouwelijke vormen. We geven het kind eerst iets kunstzinnigs en uit dit kunstzinnige, uit het tekenen, uit het schilderen, ontwikkelen we dan de vormen van de letters.
GA 297/258
Op deze blog vertaald/258

=

(  )  Wir lehren nicht das Lesen und Schreiben, wie man das gewöhnlich tut, sondern wir gehen bei unserer Methode von dem Kindlich-Künstlerischen aus. Wir beginnen überhaupt nicht mit dem Lesen, nicht einmal mit dem Schreiben im gewöhnlichen Sinne des Wortes, sondern mit einer Art malendem Zeichnen, zeichnendem Malen. ( ) Dann führen wir all­mählich das, was aus dem Künstlerischen herausgeholt ist, über in die Buchstabenformen zuerst durch das Schreiben, und vom Schrei­ben aus gehen wir erst zum Lesen über. Das ist unser Ideal.

Wij leren het lezen en schrijven niet aan, zoals dat gewoonlijk gedaan wordt, maar we gaan bij onze methode uit van wat kinderlijk-kunstzinnig is. We beginnen helemaal niet met lezen, niet eens met schrijven in de gewone zin van het woord, maar met een soort schilderend tekenen of tekenend schilderen. ( ) Dan leiden we, wat we uit het kunstzinnige gehaald hebben, over naar de lettervormen, eerst door ze te schrijven en van het schrijven gaan we pas naar het lezen. Dat is ons ideaal.
GA 297a/25
Op deze blog vertaald/25

=

Aus dem Künstlerischen gehen wir vor, aus dem Künstlerischen holen wir zuerst das Schreiben, dann das Lesen heraus. Dadurch entsprechen wir wirklich dem, was im Kind liegt.

Wij beginnen met het kunstzinnige; uit het kunstzinnige halen we eerst het schrijven, dan het lezen. Daarmee doen we overeenkomstig met wat in het kind besloten ligt.
GA 297a/57
Op deze blog vertaald/57

=

So gehen wir in der Stuttgarter Waldorfschule nicht vom Lesen-lernen oder gewöhnlichen Schreibenlernen aus, sondern künst­lerisch von einem Malerischen, von einem Zeichnerischen. Wir ent­wickeln die Buchstabenformen erst aus diesem Zeichnerischen heraus, entwickeln überhaupt zuerst auf diese Weise aus dem Künstlerischen heraus. Wir lassen das Kind auch mit Farben hantie­ren – wenn das auch schwieriger ist und erst aus dem Schmutzigen heraus entwickelt werden muß. So beginnen wir mit dem Künst­lerischen und entwickeln daraus das Schreiben und dann erst das Lesen. Und so soll überhaupt ein Künstlerisches über den ganzen Unterricht ausgegossen werden.

Zo gaan we op de vrijeschool niet uit van het leren lezen of op de gebruikelijke manier leren schrijven, maar vanuit het kunstzinnige, vanuit het schilderen, vanuit het tekenen. We ontwikkelen de lettervormen pas uit dit kunstzinnige element, dus eerst op deze manier, uit het kunstzinnige. We laten het kind ook verfkleuren gebruiken – ook als dat moeilijker is en eerst het morsen* overwonnen moet worden. Dus we beginnen met het kunstzinnige en ontwikkelen daaruit het schrijven en dan pas het lezen. En zo moet er dus over heel het onderwijs iets kunstzinnigs gegoten worden.
GA 297a/148
Vertaald

=

Man kann nicht mit dem Lesen beginnen und nicht mit den Buchstabenformen, die in ihrer heutigen Gestalt dem inne­ren Erleben des Menschen fremd sind. Man muß mit einer Art malendem Zeichnen beginnen. Das Kind muß Formen malen und zeichnen, die so ähnlich gewissen Vorgängen und Dingen sind, wie die Zeichen in der Bilderschrift vorzeitiger Völker waren. Bild muß zuerst sein, was das Kind von den Dingen und Vorgängen der Welt fixiert. Dann sollte man vom Bilde zum Buchstabenformen überge­hen, wie die Bilderschrift sich in die abstrakte Zeichenschrift hinein entwickelt hat. Erst wenn das Kind auf diese Art vom malenden Zeichnen zum Schreiben gekommen ist, sollte man zum Lesen übergehen.

Je kunt niet met lezen beginnen en niet met de lettervormen die in hun tegenwoordige gedaante vreemd zijn voor de innerlijke beleving van de mens. Je moet met een soort schilderend tekenen beginnen. Het kind moet vormen schilderen en tekenen die nog lijken op bepaalde processen en dingen zoals de tekens in het beeldenschrift van vroegere volkeren. Eerst moet het beeld er zijn van wat het kind van de dingen en processen in de wereld vasthoudt. Dan moet je vanuit dit beeld overgaan naar de lettervorm, zoals het beeldschrift zich tot het abstracte symboolschrift heeft ontwikkeld. Pas wanneer het kind op deze manier vanuit het schilderende tekenen tot schrijven is gekomen, moet je overgaan op het lezen.
GA297a/168
Op deze blog vertaald/168

=

Im kindlichen Zeichnen, ja selbst im primitiven Malen kommt der ganze Mensch zur Entfaltung eines Interesses an dem, was er tut. Man sollte deshalb das Schreiben aus dem Zeichnen heraus entstehen lassen. Aus Formen, an denen der kindlich-künstlerische Sinn des Kindes zur Geltung kommt, entwickle man die Buchstabenformen. Aus einer Beschäftigung, die als künstle­risch den ganzen Menschen zu sich heranzieht, entwickle man das Schreiben, das zum Sinnvoll-Intellektuellen hinführt. Und erst aus dem Schreiben heraus lasse man das Lesen erstehen, das die Aufmerksamkeit stark in das Gebiet des Intellektuellen zusammenzieht.

(bovenstaand citaat is ook te vinden in GA 300b/13)

In het kinderlijk tekenen, ja zelfs in het onbeholpen schilderen, ontplooit de hele mens zijn interesse bij wat hij doet. Daarom zou je het schrijven uit het tekenen moeten laten ontstaan. Uit vormen waarbij de kinderlijke kunstzin tot zijn recht kan komen, ontwikkel je de vormen van de letters. Uit een bezigzijn dat als iets kunstzinnigs de hele mens erbij betrekt, zou je het schrijven moeten ontwikkelen, dat tot iets zinvol intellectueels leidt. En pas vanuit het schrijven laat je het lezen ontstaan, waarbij de aandacht sterk op het intellectuele komt te liggen.
GA 298/13
Op deze blog vertaald

=

Wir gehen – ich will das nur erwähnen – davon aus, daß wir das Kind zuerst gewisse Formen zeichnen lassen, damit sich aus diesen Formen diejenigen entwickeln, die in den Buchstaben liegen. Wir lassen das Kind vom Schreiben ausgehen, um ins Lesen hineinzukommen. Denn je mehr man ausgeht von dem, was im ganzen Menschen begründet ist, desto besser ist es für die Entwicklung des Kindes.

We gaan – dat wil ik slechts opmerken – ervan uit dat wij het kind eerst bepaalde vormen laten tekenen, opdat zich uit deze vormen ook die vormen kunnen ontwikkelen die in de letters zitten. Wij laten het kind van het schrijven uitgaan om zo bij het lezen te komen. Want hoe meer je uitgaat van wat de hele mens als aanleg heeft, des te beter het voor de ontwikkeling van het kind is.
GA 298/73
Vertaald/15

=

Von dem, was das Kind gerne hinzeichnet, was es aus seinem ganzen Wesen heraus macht, muß man es vernünftig, verständig hinüberführen zu den Buchstabenformen. Dann erst kann man das Lesen daraus entwickeln.

Vanuit wat het kind graag tekent, wat het vanuit heel zijn wezen maakt, moeten we hem met inzicht en verstand naar de lettervormen leiden. Dan pas kan zich daaruit het lezen ontwikkelen.
GA 298/74
Vertaald/15

=

Sie wissen ja, wir beginnen nicht so mit dem Lesen- und Schreibenlernen, wie das heute vielfach geschieht. Wir entwickeln, indem wir mit dem Schreibenlernen beginnen, die Buchstabenformen, die sonst dem Kinde fremd sind, aus dem heraus, zu dem das Kind mit in­nerem Behagen sich hinwendet aus einer Art künstlerischer Tätigkeit, künstlerischem Formensinn.

U weet wel dat wij niet op die manier met lees- en schrijflessen beginnen, zoals dat tegenwoordig veel gebeurt. Wij ontwikkelen, wanneer we met leren schrijven beginnen, de lettervormen die anders een kind vreemd blijven, uit iets waar een kind zich met voldoening op richt, uit een soort kunstzinnig werken, uit een kunstzinnig vormgevoel.
GA 298/129
Niet vertaald

=

Man sollte das Lesen sehr stark aus dem malenden Schreiben herausarbeiten. Die Formen müßte man aus dem Künstle­rischen heraus ableiten.    

Je zou het lezen zeer sterk uit het schilderende schrijven moeten ontwikkelen. De vormen zou je uit het kunstzinnige moeten afleiden.
GA 300a/96
Niet vertaald

=

Bringen wir deshalb an das Kind, so wie es heute ist, das heran, was nun schon unsere konventionelle Schrift geworden ist, so wirken wir doch nur auf den Intellekt. Deshalb sollen wir ausgehen nicht vom eigentlichen Schreibenlehren, sondern ausgehen von einem gewissen künstlerischen Erfassen derjenigen Formen, die dann in der Schrift, auch in der Druckschrift, zum Ausdrucke kommen.

Brengen we aldus het kind zoals het nu is, bij, wat nu dan ons conventionele schrift geworden is, dan werken we toch alleen maar op het intellect. Daarom moeten we niet uitgaan van het feitelijk leren schrijven, maar van een zeker kunstzinnig pakken van die vormen die dan in het schrift, ook in het drukschrift tot uitdrukking komen.
GA 301/79
Op deze blog vertaald/79

=

( ) es ist durchaus notwendig, gerade um das siebente, achte Lebensjahr nicht von einer intellektuellen Erziehung auszugehen, sondern von einer mehr ins Künstlerische hineingehenden Erziehung. So daß man zum Beispiel nicht das Schreiben auf intellektuelle Weise beibringt aus den Buchstabenformen heraus, sondern beibringt nach und nach aus einer Art primitiven Zeichnens.

( ) het is beslist nodig, juist rondom het zevende, achtste jaar, niet van een intellectuele opvoeding uit te gaan, maar van een die meer naar de kunstzinnige kant gaat. Zodat je bv. het schrijven niet op een intellectuele manier uit de lettervormen haalt, maar stap voor stap uit een soort eenvoudig tekenen.
GA 301/234
Op deze blog vertaald/234

=

Und wenn wir dann nicht zum abstrakten Zeichen, sondern zum Bild gehen im Schreiben- und Lesenlernen, so entfernen wir uns dadurch, daß es sein Wesen betätigen muß, nicht von seinem Wesen; wir lassen es nicht sich ganz entfernen von dem, was sein Wesen ist. Wir bringen übend und anstrengend das dem ganzen Menschen bei.

Als we dan niet naar abstracte tekens toe gaan, maar naar het bééld bij het leren schrijven en lezen, dan verwijderen we ons door het feit dat hij (het kind) zijn wezen actief moet inzetten, niet van zijn wezen; we laten hem (het kind) zich niet geheel en al verwijderen van wat zijn wezen is. Oefenend en door inspanning brengen we hem de gehele mens bij.
GA 302/129
vertaald/127

=

Erst auf künstlerische Weise das Schreiben beibringen, und dann übergehen zuerst zum Lesen von Geschriebenem und dann allmählich zum Lesen, da es schon sein muß, von Gedrucktem.

Eerst op kunst­zinnige wijze het schrijven aanleren, dan allereerst overgaan tot het lezen van het geschreven woord, en vervolgens langza­merhand tot het lezen — als dat dan zo nodig moet — van het gedrukte woord.
GA 303/170
vertaald/185

=

Das führt dazu, wenn wir die Kinder hereinbekommen in die Wal­dorfschule, daß wir alles zunächst, was wir an die Kinder heranbringen, aus dem Künstlerischen heraus arbeiten. Konkret gesprochen : wir beginnen nun nicht beim Lesen, sondern beim Schreiben; allein das Schreiben darf nicht in irgendein intellektuelles Verhältnis zum Kinde gebracht werden, sondern wir beginnen zunächst damit, daß wir das Kind Formen malen und zeichnen lassen, die eigentlich aus seinem menschlichen Wollen wie von selbst hervorgehen.

Dat leidt ertoe, dat wanneer we de kinderen bij ons op de vrijeschool krijgen, we eerst alles wat we het kind aanreiken, uit het kunstzinnige halen; concreet: we beginnen nu niet bij het lezen, maar bij het schrijven; alleen, het schrijven mag niet in een of andere intellectuele verhouding tot het kind komen te staan, maar wij beginnen eerst het kind vormen te laten schilderen en tekenen, die in wezen van zelf uit zijn menselijke wil tevoorschijn komen.
GA 304/152
Niet vertaald

=

Wir müssen wieder dazu zurückkehren, dem Kinde zunächst dasjenige, was es auszudrücken hat, im Bilde auszudrücken. Das können wir nur, wenn wir nicht beim Schreiben beginnen, und auch nicht beim Lesen, sondern wenn wir beim Malen beginnen. Und so unterrichten wir so, daß wenn das Kind in die Volksschule hereinkommt, wir es zunächst an die Farben heranbringen. Es ist unbequem, die Kinder machen alles schmierig, aber dem muß man sich fügen. Das Kind lernt die Farben behandeln, und man kann es über die Farbe hin zu den Formen bringen. Es kommen, wenn der Lehrer dazu die Fähigkeit hat, allmählich aus den Formen, die die Gegenstände bedeuten, allmählich die Formen der Buchstaben heraus. Dann bekommt das Kind dazu ein Verhältnis.

We moeten er weer naar terugkeren om voor het kind dat wat het moet gaan uiten, in een beeld te brengen. Dat kunnen we alleen, wanneer we niet met schrijven beginnen en ook niet met lezen, maar wanneer we met schilderen beginnen. En dus geven we zo les, dat we als het kind op de basisschool komt, het kennis laten maken met de kleuren. Het is wat lastig, de kinderen maken alles vuil*, maar dat moet je maar op de koop toe nemen. Het kind leert met kleur om te gaan en met de kleur kun je het ook bij de vormen brengen. En uit de vormen ontstaan, wanneer de leerkracht bekwaam is, langzamerhand de dingen, waaruit langzamerhand de lettervormen tevoorschijn komen. Dan verbindt het kind zich daarmee.
GA 304a/157
Niet vertaald

=

Zuerst kommt das malende Zeichnen, zeichnende Malen. Aus dem malenden Zeichnen, zeichnenden Malen wird das Schreiben hervorgeholt, aus dem Schreiben erst das Lesen.

Eerst komt het schilderende tekenen, tekenende schilderen. Uit dit schilderende tekenen, tekenende schilderen komt het schrijven; uit het schrijven pas het lezen.
GA 304a/158
Niet vertaald

=

Nun führen wir das Kind an die heutigen abstrakten Buchstaben heran, zu denen es gar kein Verhältnis hat! Was hat man zu tun? Das hat man zu tun, daß man das Kind zunächst gar nicht mit Schreiben und Lesen plagt, sondern malendes Zeichnen, zeichnendes Malen an das Kind heranbringt. Es betätigt dabei den ganzen Leib, wenn man es anfangen läßt zu malen, es an die Farben und Formen heranbringt. Man lasse es in den einzelnen Formen nachahmen dasjenige, was es schaut, was es sieht; dann führt man hinüber dasjenige, was im Bilde ist, in dem Laut.

Nu laten we het kind kennis maken met de huidige abstracte letters, waarmee het helemaal geen verbinding heeft. Wat moet je doen? Je moet om te beginnen het niet  plagen met schrijven en lezen, maar je moet het kind schilderend laten tekenen of tekenend laten schilderen. Wanneer je het laat beginnen met schilderen, het met kleur en vorm in aanraking brengt, dan gebruikt het z’n hele lijf. Je moet het, wat het waarneemt, wat het ziet, in aparte vormen laten nabootsen; dan ga je vandaaruit, wat in het beeld zit, naar de klank.
GA 304a/173
Niet vertaald

=

Auf diese Weise lernen die Kinder vom siebenten, achten Lebensjahre ab malendes Zeichnen, zeichnendes Malen. Man muß allerdings mehr achtgeben; es ist nicht so bequem, man muß nachher aufräumen; die Kinder machen alles schmutzig mit den Farben, es muß gereinigt wer­den; aber diese Dinge werden eben hingenommen werden müssen. Und man lernt zuerst aus der Farbe und Form heraus Ähnlichkeiten schaffen mit den Dingen draußen. Dann geht man über auf das Schreiben. Zunächst lernt das Kind schreiben, weil es damit den ganzen Körper in Bewegung bringt, nicht einen Teil bloß. Und dann geht man über zu dem Lesen. Das Kind gelangt im neunten Jahre etwa dazu, aus dem Schreiben heraus, das es aus dem Malen gebildet hat, das Lesen zu lernen.

Op deze manier leren de kinderen vanaf zeven, acht jaar schilderend tekenen, tekenend schilderen. Je moet zeker beter opletten; het is niet zo gemakkelijk, je moet naderhand opruimen: de kinderen maken met de verf alles vies*, het moet schoongemaakt worden; maar deze dingen moeten we voor lief nemen. En met kleur en vorm schep je eerst wat op dingen in de buitenwereld lijkt. Dan ga je naar het schrijven. Eerst leert het kind schrijven, omdat het daarmee met zijn hele lichaam kan bewegen en niet alleen een gedeelte. En dan ga je over op het lezen. Het kind kan op z’n negende, vanuit het schrijven dat uit het schilderen gevormd is, leren lezen.
GA 304a/174
Niet vertaald

=

Erziehungskunst, die auf Menschenerkenntnis beruht, geht so vor, daß sie wirklich alles aus dem Kinde heraus entwickelt, nicht bloß sagt, es soll die Individualität entwickelt werden, sondern es auch wirklich tut. Das erreicht man dadurch, daß man zunächst überhaupt nicht vom Lesen ausgeht. Das Kind geht auch vom Zappeln aus, von Willensäußerungen, nicht vom Anschauen. Das Anschauen kommt erst später. Und so ist es nötig, nicht vom Lesen auszugehen, sondern vom Schreiben, aber das Schreiben auch so zu betreiben, daß es aus der gan­zen Menschenwesenheit als etwas Selbstverständliches herauskommt. Daher beginnen wir mit dem Schreibunterricht, nicht mit dem Lese-unterricht, und versuchen allmählich dasjenige, was das Kind in der Nachahmung selber entwickeln will durch seinen Willen, durch seine Hände, auch hinzuleiten zum Schreiben.

Opvoedkunst die berust op kennis omtrent de mens werkt zo dat werkelijk alles vanuit het kind ontwikkeld wordt. Ze zegt niet alleen dat de individualiteit ontwikkeld moet worden, ze doet het ook echt. Dat bereikt men alleen doordat men om te beginnen al volstrekt niet van het lezen uitgaat. Het kind begint ook met te spartelen, met uitingen van de wil, niet met die te beschouwen. Het beschouwen komt pas later. Evenzo is het noodzakelijk niet van het lezen uit te gaan, maar van het schrijven. Schrijven echter op een zodanige wijze dat het als iets vanzelfsprekends tevoorschijn komt vanuit het menselijk wezen. Daarom beginnen wij met het schrijfonderricht, niet met het leesonderricht en proberen langzamerhand hetgeen het kind in de nabootsing zelf gaat ontwikkelen door middel van zijn wil, door middel van zijn handen, tot schrijven te laten worden.
GA 305/97
vertaald/102 (2)

=

So sind wir in der Waldorfschule in der Lage, aus dem Künstlerischen heraus dasSchreiben zu lehren. Dann läßt sich das Lesen nachher wie von selbst lernen. Es kommt etwas später als gewöhnlich, aber es läßt sich wie von selbst lernen.

Zo zijn wij op de vrijeschool in de gelegenheid het schrijven aan te leren vanuit het kunstzinnige. Het leren lezen gaat daarna als vanzelf.
GA 305/101
Vertaald/87

=

So wenden wir uns an dasjenige, was das Kind will gerade im Zahnwechselalter und unmit­telbar darnach. Und schon daraus ergibt sich für Sie, daß man zuerst aus dem zeichnenden Malen und dem malenden Zeichnen – denn für das Kind ist es gut, wenn es gleich Farben verwendet, es lebt ja in der Farbe, das weiß jeder, der das Kind kennt -, wenn man aus dem malenden Zeichnen zum Schreiben übergeht und erst aus dem Schrei­ben das Lesen gewinnt.

Dus richten we ons op datgene wat het kind met name in de tijd van de tandenwisseling en meteen daarna wil. En daaruit volgt voor u dat u eerst uit het tekenende schilderen en het schilderende tekenen – want voor het kind is het goed, wanneer het meteen kleur gebruikt, het leeft met kleur, dat weet iedereen die het kind kent, wanneer je uit het schilderende tekenen naar het schrijven overgaat en pas dan uit het schrijven het lezen haalt.
GA 306/81
Op deze blog vertaald/81

=

(  ) Der Unterricht für unsere Kinder soll auch im Schreiben und Lesen aus dem Künstlerischen hervorgeholt werden.

Het onderwijs voor onze kinderen moet ook voor schrijven en lezen uit het kunstzinnige tevoorschijn gehaald worden.
GA 307/263
Vertaald/338

=

So kann ich das Ganze der Schrift hervorgehen lassen nicht aus abstraktem Nachahmen der Zeichen, wie sie heute sind, sondern aus dem Erfassen der Dinge selber, die im zeichnenden Malen, im malenden Zeichnen der Kinder entstehen. So kann ich die Schrift hervorholen aus dem zeichnenden Malen, aus dem malenden Zeichnen. Dann stehe ich in der lebendigen Bildhaftigkeit darinnen.

Zo kan ik het hele schrift tevoorschijn laten komen, niet door het abstracte nabootsen van de tekens zoals die tegenwoordig zijn, maar uit het meebeleven van de dingen zelf die in het tekenende schilderen en het schilderende tekenen in het kind ontstaan. Zo kan ik het schrift tevoorschijn halen uit het tekenende schilderen, uit het schilderende tekenen. Dan sta ik midden in het levende beeldelement.
GA 308/40
Vertaald/63-64

=

Daher wird ein Lehrer, der in dieser Weise mit Menscheneinsicht sich verbindet,darauf achten, aus dem zeichnenden Malen und malenden Zeichnen, wie ich es angedeutet habe, das Schreiben zu entwickeln, bis das Kind so weit ist, daß es dasjenige, was es innerlich als Wort, als Satz empfindet, aufschreiben kann.

Vandaar dat een leerkracht die zich op deze manier met inzicht in de mens verbindt, erop zal letten dat hij het schrijven ontwikkelt uit het tekenend schilderen en het schilderend tekenen, zoals ik heb aanghegeven, tot het kind zo ver is, dat het wat het innerlijk beleeft als woord, als zin kan opschrijven.
GA 308/59
Vertaald/91

=

Dann habe ich auseinandergesetzt, wie das Schreiben bildhaft an das Kind herangebracht werden muß, wie aus dem zeichnenden Malen, aus dem malenden Zeichnen die Buchstabenformen herausgeholt wer­den müssen. Dies malende Zeichnen und zeichnende Malen muß von all den Künsten, die das Kind in die Zivilisation hineinführen, zualler­erst gepflegt werden. Alles was schon von vornherein auf die dem Kinde ja ganz fremden Buchstabenformen hinweist, ist eigentlich päd­agogisch ein Unfug; denn die fertigen Buchstabenformen einer heutigen Zivilisation wirken wie kleine Dämonen auf das Kind.

Verder heb ik uiteengezet hoe het kind het schrijven beeldend moet krijgen aangeleerd, hoe uit het tekenend-schilderen, uit het schilderend-tekenen de lettervormen moeten worden gehaald. Dit schilderend-tekenen en tekenend-schilderen is van al de kun­sten die het kind in de civilisatie binnenvoeren, het allereerste dat moet worden gedaan. Alles wat al bij voorbaat verwijst naar de voor het kind volkomen vreemde lettervormen, is pedagogisch gezien ongepast; want de kant en klare lettervormen van de huidige civilisatie werken als kleine demonen op het kind.
GA 310/68
Vertaald/71-72

=

Das Schreiben, das ein abstrakt gewordenes Zeichnen ist, soll sich aus dem malenden Zeichnen oder dem zeichnenden Malen heraus entwickeln.

Schrijven, dat abstract geworden tekenen is, moet zich ontwikkelen uit het schilderend tekenen of het tekenend schilderen.
GA 310/113
Vertaald/119

=

Künstlerische Gestaltung des Schreibunterrichts, so daß er aus dem Malen hervorgeht – ich werde das morgen noch ausführlicher beschreiben -, künstlerische Gestal­tung in der Überführung des Schreibens, das aus dem Malen herauskommt  zum Lesen, künstlerische Gestaltung des Lesens und Schrei­bens

Kunstzinnig gegeven schrijfonderwijs, zo, dat het uit het schilderen ontstaat – ik zal dat morgen nog uitgebreider beschrijven – kunstzinnig vormgegeven het schrijven dat uit het schilderen ontstaat, en overgaat in lezen, kunstzinnige vormgeving van lezen en schrijven, van wat het kind op simpele wijze moet leren uitrekenen -het moet allemaal één zijn.
GA 311/22-23
Op deze blog vertaald/22-23

=

Dagegen hat das Kind von vornherein künstlerischen Sinn, sinn-bildende Phantasie. An diese muß man appellieren, an diese muß man sich wenden. Und man muß versuchen, zunächst gar nicht an diese konventionellen Buchstaben heranzurücken, die in der Schrift und im Druck der zivilisierten Menschheit gegeben sind, sondern man muß zunächst versuchen, ich möchte sagen, in einer geistvollen Weise – verzeihen Sie, daß ich das Wort anwende – die Kulturent­wicklung der Menschheit mit dem Kinde durchzumachen.

Het kind heeft daarentegen van begin af aan een kunstzinnig gevoel, zingevende fantasie. Hieraan moet je appelleren; hierop moet je je richten. En je moet proberen eerst helemaal niet met die conventionele letters bezig te zijn die in schrift en druk van de geciviliseerde mensheid gegeven zijn, maar je moet eerst proberen, ik zou willen zeggen, op een geestrijke manier – neem me niet kwalijk dat ik het woord gebruik – de cultuurontwikkeling met het kind te doorlópen.
GA 311/31
Op deze blog vertaald/31

=

*Dat hoeft helemaal niet. Wanneer je vanaf de eerste schilderles goede gewoonten aanleert, je les goed voorbereidt, zodat je weet wat van alles de volgorde is, kan er weinig misgaan. Wie eerst de waterpotten of de verf uitdeelt, vraagt om moeilijkheden, natuurlijk: die komen het allerlaatste en moeten zo worden neergezet dat ze niet van het tafeltje kunnen vallen of gestoten kunnen worden. Schilderkieltjes beschermen de kleding; echt nodig zijn ze niet: de verf gaat met het wassen makkelijk uit de kleren, behalve Pruisisch blauw, dat je ook snel van de vloer moet halen, want vlekken laten zich moeilijk(er) verwijderen.

 

(1) blz. in uitgave 1987

Rudolf Steiner over schrijven:

[1]   onze huidige lettervormen zijn ontstaan in het verleden; de vormen staan niet meer in verband met hun oorsprong; voor kinderen zijn het (wezens-)vreemde tekens

[2] om aan kinderen de lettertekens aan te leren, daarbij uitgaand van een beeld, is het niet nodig om de historische beelden te gebruiken. Eigen fantasie is voldoende.

[3] om de beelden te kiezen die voor het kind een letter gaan worden, is het van het grootste belang het wezenlijke verschil tussen klinker en medeklinker in acht te nemen.

[5] de conventionele letter wordt aangeleerd vanuit een beeld, eerst schilderend/tekenend of tekenend/schilderend; Steiners voorbeelden daarvan uit alle pedagogische voordrachten.

[6] de menskundige achtergronden van de schrijf- en leesmethode. Kunstzinnig werken: schilderen/tekenen; maar ook: vanuit de wil; totale mens – deel mens:hoofd; abstractie en intellect(ualisme); allerfysieks-halffysiek-bovenfysiek

[7] over de manier van leren lezen: van het geheel naar de delen – maar niet fanatiek; over leesmethodes (uit zijn tijd): spelmethode, klankmethode, normaalwoordenmethode; deze in verband gezien met het verschil klinker-medeklinker (zie [3])

[8] Steiners methode, mits consciëntieus gevolgd, kost meer tijd dan reguliere methodes. Dat wordt heden ten dage nog steeds schromelijk verward met ‘achter lopen’.

schrijven/lezen: alle artikelen

Rudolf Steiner over…..: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: letterbeelden

Waldorf ~ 1st grade ~ Letter: R ~ Little Red Riding Hood ~ chalkboard drawing:

Roodkapje = R

Deze en bovenste illustratie zijn niet van Steiner
927-858

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven (2-7)

Over het eerste schrijven en lezen

Waarom wordt er op de vrijeschool altijd weer op gewezen dat het schrijven vóór het lezen aan de kinderen aangeleerd zou moeten worden, wanneer we hen gezond willen ontwikkelen. ‘Lezen hangt uitdrukkelijk met begrippen samen; vandaar dat je het als het tweede, niet als het eerste moet ontwikkelen. Anders brengt je het kind veel te vroeg in een soort eenzijdige ontwikkeling van het hoofd, i.p.v. in een ontwikkeling van de totale mens.’ (R.Steiner)*
Wanneer wij deze aanwijzing ter harte nemen, doen wij precies het tegenovergestelde van wat de meeste andere scholen gewoonlijk doen, met het lezen beginnen, wat in de praktijk tot op zekere hoogte erg goede resultaten oplevert: de kinderen leren in het algemeen vroeger en sneller lezen en schrijven dan de onze. Maar wanneer je zo’n aanwijzing volgend en daarmee in de klas werkt, kun je in de praktijk in sterkere mate ervaren, hoe reëel , hoe levensecht en van de ontwikkeling van het kind afgelezen, de aanwijzingen van Rudolf Steiner zijn en wat voor opvoedingsmogelijkheden ze ons geven.
Eerst hebben de kinderen de letters – de hoofdletters uit het Latijnse schrift – uit beelden leren kennen: De F als het begin van (Duits) ‘Fisch’ en tegelijk als een vereenvoudigd beeld als zodanig, enz. Ze kennen de ‘namen’ en ze kennen de klank van de letters; ze hebben zich ingespannen die mooi en juist met hun handen te leren schrijven. Dat gebeurde in een eerdere schrijfperiode. Nu gaan we samen een tekst schrijven. De tekst kennen de kinderen uit het hoofd.
Die hebben ze als een deel van een (toneel)spel geleerd en spreken zeer duidelijk, iedere klank zorgvuldig gevormd, bv. ‘Dag en nacht’. Welke letters moeten we nu eerst op het bord schrijven? Een vrolijke beweging gaat door de klas, heel rusitg kan het niet blijven, want 30 mondjes fluisteren zachtjes, maar duidelijk ‘dag’  – de handen schrijven de gevonden letters in de lucht en er mag iemand voor het bord komen en de juiste letters opschrijven.
Wat gebeurt er? Iemand schrijft dg. Kun je dat lezen? Hoe zou dat klinken. Daar zou je je tong op breken, als je dat moest lezen – en het moet echt wel dag zijn. Nu komen we er met elkaar toe dat er ‘da’ moet staan. En daar staat de kleine ongeluksvogel die de volgende letter moet vinden en het duidelijk niet verder weet. Voor hij weet wat er nu komt, moet hij weten hoe ver wij geschreven hebben.
We moeten dus vragen: ‘Wat staat er dan nu? Wie kan dat lezen?’ Wanneer we dan tot ‘da’ gekomen zijn, moet het kind voor het bord ook nog de laatste stap zetten en er een ‘g’ bijzetten: dag. Zo leren we schrijven en het enthousiasme, dat niet alleen het hoofd, maar de hele mens aanspreekt, laat duidelijk zien hoe het kind hier zijn scheppend vermogen, zijn fantasiekracht kan laten uitleven.

En het lezen? Dat hebben we en passant ook geleerd, als we lezend ons op het schrijven richtten. En juist door de vergissingen leren we het lezen het beste. Er staat ineens ‘nar’op het bord, i.p.v. ‘nacht’, en dat moet toch ‘nacht’ worden. Groot het is het plezier van de kinderen  om deze fout te ontdekken en tegen de ander te zeggen, dat er heel iets anders staat.

Wat er dan zo op het bord gekomen is, wordt daarna in de schriftjes geschreven, wordt nog eens geschreven en geoefend – en wanneer je dan kan proberen, het als een klein ‘dictee’, d.w.z. uit jezelf op te schrijven, zonder voorbeeld, wat de leerkracht voorspreekt, dan is de pret over ieder gesproken woord groot.

Zo krijgt het kind dan langzamerhand een verbinding met de wereld van het geschreven woord dat in het leven van de volwassene zo’n grote plaats inneemt. Niet als iets vreemds, versleuteld, doods komt het bij het kind, maar als iets wat zelf gemaakt is, wat leeft, nog dicht bij het proces van hoe het ontstaat.

De ‘dode letter, dat door en door abstrakte, die wij het kind op deze leeftijd moeten bijbrengen, is door deze ‘eenvoudige’ manier die Rudolf Steiner ons aanraadde voor het kind, levend geworden.

lrmgard Hürsch  Erziehungskunst  jrg 25 5 1961

*citaat niet nader aangegeven

.

1e klas: schrijven – alle artikelen

1e klas: Rudolf Steiner over schrijven en lezen

1e klas: alle artikelen

 VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle letterbeelden

.

914-845

.

VRIJESCHOOL- 1e klas – schrijven (2-6)

.

Eigen verhalen bedenken zoals hieronder, is voor de kinderen een feest. Het schept ook iets speciaals tussen de klas en jou.
Wanneer je eraan begint, moet je je ook realiseren dat je je verplicht om iedere keer (dag, om de paar dagen o.i.d.) iets hebt (van niveau) om mee verder te gaan. Dat vergt (nog meer) inzet.
En – is mijn ervaring – op een zeker ogenblik moet er een natuurlijk einde komen aan de avonturen, zoals hieronder ook gebeurt.
Maar al te gauw kun je vervallen in een belofte ‘om nog weleens verder te gaan’. Wanneer je dat niet doet, kan er – bij mij gebeurde dat na anderhalf jaar! – een kind komen dat zegt: ”Maar je zou toch nog een keer verder vertellen van….’
Zulke kinderen zijn wijs: al vóór ze het spreekwoord kennen, ‘weten’ ze: belofte maakt schuld……….

duimpje

Uit de schrijfles van de eerste klas.

Zijn geboorte verliep niet gemakkelijk. Maar uiteindelijk aanschouwde hij toch het levenslicht.
Een monter knaapje is hij, dit Duimpje, met zijn rode kniebroek, blauw hesje, gele kousen, bruine schoenen en rode muts.

Op een dag bevond hij zich zomaar in het bos, zonder dat hij wist waar hij vandaan kwam, ook niet wie zijn vader en moeder waren, ja hij wist niet eens dat hij Duimpje heette.

Nadat hij een poosje aandachtig om zich heen had gekeken, zei hij bij zichzelf: ‘Je bent toch een heel vrolijk klein kereltje, je hebt ogen waarmee je zelfs de kleine vogels daarboven in het nest kan zien, een neus die de wonderbaarlijke geur van de bosgrond ruikt, een mond waarmee je kunt proeven – en hij stak een van de laatste bosbessen in zijn mond – en oren waarmee je kunt horen hoe de vogels zingen.’
Hij klapte in zijn handen en ging dieper het bos in. De dennenbomen spanden een groen afdak boven zijn hoofd. Langzaam ging de zon als een rode vuurbal achter de bomen onder. Duimpje zag een klein vogeltje dat juist op zijn nest terugkeerde en zich nestelde om de nacht door te brengen. ‘Elk vogeltje heeft een nest en ieder haasje zijn holletje, waarin het ’s nachts veilig kan slapen. Zoiets heb ik niet.’
Terwijl hij dit dacht, kwam hij langs een struikje waarvan de storm aan één kant alle takken afgebroken had, aan de andere kant echter waren de twijgen tot op de grond toe gebogen. Een beter onderkomen voor de nacht had hij niet kunnen vinden! Dus zocht hij blaadjes en gras bij elkaar en maakte onder het groene dak een bedje. Hij droomde een lange droom, die hier niet verteld wordt, maar de volgende morgen had hij slechts één gedachte: ‘Ja, ik wil iets goeds gaan doen, waar het maar kan.!’

De kinderen hielden van Duimpje, al na het eerste verhaaltje. Tenslotte schonk hij ons het (blader)dak en daarmee de D.

Maar hoe zou het verder gaan? Iedere twee of drie dagen moest een verhaaltje een innerlijk beeld – dit tot zo mogelijk een uitgebreide bordtekening, die op zijn beurt weer een voorwerp of een levend wezen – worden dat ons een bepaalde letter kon schenken.

Zo ontmoette Duimpje eens een verhalenverteller, die treurend op een boomstronk zat, omdat niemand z’n verhalen meer wou horen. Duimpje – en de kinderen – natuurlijk wel! En zo schonk ons het sprookje van Grimm ‘Het winterkoninkje en de beer’ [Grimm* 102] de B, ‘Het herdersjongetje’ [Grimm 152] de K (koning) en de H (herder).

De kunstgreep van een verhaal in een verhaal was wel gelukt, maar de kinderen vroegen naar Duimpje en hoe het verderging met hem.

De volgende schrijfperiode viel in de tijd voor Kerstmis en was een klinkerperiode. Omdat klinkers op een heel andere manier aangeleerd worden (hier: hemelsboden – engelen – kwamen over de hemelsbrug naar de mensen en brachten hun zeven waardevolle schatten), moest Duimpjes verhaal nog even wachten. De periode met de klinkers – geheel gedragen door de stemming van vóór de kerst – werd heel mooi en toch vroegen de kinderen steeds weer, wanneer Duimpje toch terug zou komen. Hij was de kinderen, ondanks de korte kennismaking, al zo vertrouwd, dat hij ook op het (sprookjes)carnaval kwam.

In de derde schrijfperiode was hij uiteindelijk zo gaan leven, dat zijn avonturen zich vanzelf lieten vertellen.

Nadat hij afscheid had genomen van de verhalenverteller, wandelde hij naar de rand van het grote bos. Er was een stevige storm opgestoken die de bomen heen en weer schudde en flinke golven veroorzaakte op een daaraan grenzend meer. Midden op het meer schommelde een scheepje met de koningszoon en het dreigde ieder ogenblik om te slaan. Duimpje riep de aarde-, water- en luchtwezens om hulp en meteen dook er een grote groene vis op, greep met zijn bek het touw dat in het water hing  en sleepte het naar de reddende oever. De golven (Duits: Welle) hebben ons de W gegeven. De vis (Fisch) de F.

Na een langere zwerftocht kwam Duimpje in een berglandschap. Daar waren kristalbergen en grotten vol met glanzend goud. Plotseling voelde hij de aarde onder zijn voeten beven; toen hij naderbij kwam, bemerkte hij een reus die dermate tierde en schold, dat de aarde schudde. Hij foeterde op een lijkwit dwergje, dat hij ervan beschuldigde zijn noten gestolen te hebben. ‘Neen’, zei het op een steen knielende dwergje met bevende stem, ‘ik was het niet, maar onze kleine vriend daar,’ en wees met gestrekte arm naar een eekhoorntje. De reus geloofde hem niet en wilde hem net vastgrijpen, toen Duimpje opnieuw de goede helpers te hulp riep. Een adelaar, die juist hoog in de lucht zijn cirkels draaide,  kwam ineens naar beneden, greep de kleine en bracht hem naar zijn dwergenwoning. Duimpje had zulke goede ogen dat hij kon zien, waar de adelaar het dwergje neerzette en toen hij daar kwam, vond hij de ingang van een grot die straalde van het goud, waarin het dwergje gezellig woonde. Met een feestmaal – er was gierstepap met bessensaus – bedankte de dwerg Duimpje.
Met dit verhaaltje schonk de reus ons de R, het dwergje (Zwerglein) de Z en de grot de G.

Duimpje zette zijn weg voort. Al gauw werd het nacht en hij had nog geen onderkomen. Daar zag hij in de verte een zwak lichtje. Toen hij dichterbij kwam bemerkte hij een slang met een stralende kroon op zijn kop. ‘Een heel goede avond, lieve mevrouw de slangenkoningin. Kunt u me helpen voor vannacht onderdak te vinden?’ ‘Jawel, dat kan ik wel,’ antwoordde de slang, ‘niet ver hier vandaan bevindt zich een slot. Wanneer je driemaal op de ijzeren poort klopt, springt deze vanzelf open. Ga dan door elf zalen. In de twaalfde echter, mag je op het bed gaan liggen en uitrusten. De rest komt vanzelf.’ ‘Maar hoe vind ik dat slot? Het is al donker.’ De slang scheen hem te wenken. ‘Je hoeft je alleen maar om te draaien.’ Toen gleed ze geluidloos heen. Toen Duimpje zich omkeerde, zag hij een lichtende gestalte, die een kroonluchter met kaarsen droeg en hem nu voorging tot aan de poort van het slot. Alles gebeurde zoals de slang had gezegd. De slang schonk ons natuurlijk de S, de luchter de L en de poort (Tor) de T.

Om de laatste schrijfperiode van dit schooljaar voor te bereiden, ontmoette Duimpje de andere morgen nog de oude koning, die ziek en bedroefd op zijn gouden troon in de troonzaal zat. Duimpje vroeg hem, waarom hij zo treurig en ziek was. Toen vertelde de oude koning dat niemand hem meer zou kunnen helpen. Hij leed aan een ziekte die hem innerlijk verbrandde. Alleen wanner het iemand zou lukken hem iets van de kracht van de aarde, van de lucht en van het water des levens te schenken, zou hij weer gezond kunnen worden.
Zo bracht de volgende vertelling de P van paddenstoel, de V van vogel en de Q van de bron (Quelle).

Duimpje is door zijn goede daden verlost – hij was een koningszoon – hij hoorde van de oude koning wie zijn ouders waren en hij is op een zeilschip ** over het grote water in het rijk van zijn ouders teruggekeerd.

Sieglinde Fischer, Erziehungskunst jrg.52 nr.1, 1988

*Grimm

**hier stond ‘Segelschiff – de S’. Enigszins verwarrend, want de S was al aangeleerd door de slang.

.

1e klas: schrijven – alle artikelen

1e klas: Rudolf Steiner over schrijven en lezen

1e klas: alle artikelen

 VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle letterbeelden

909-840

VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven (2-5)

 

In dit artikeltje uit 1929! vind je de nog altijd actuele gezichtspunten over fantasie, leren schrijven en lezen door de letterbeelden.
Ik heb de spelling van die tijd laten staan.

HOE LEEREN ONZE KINDEREN HET SCHRIJVEN.

In vorige artikels werd er reeds principieel over geschreven, dat in het eerste schooljaar een kunstzinnig onderwijs moet worden gegeven. Dan dringt het onderwijs werkelijk door tot het gevoel van het kind. Dat moet de voorwaarde zijn, waardoor de mensch zich er innerlijk mee verbinden kan.

Leert men de kinderen eerst lezen door middel van de leesplankjes  b.v., dan verbindt alleen het verstand zich met de letterbeelden. Het verstand werkt in den mensch verheven boven het lichamelijke en verdere zieleleven. Het verstand is als een grijsaard, die het jonge spruitende onrustige leven — want de kinderen van 6 jaar zijn nog levenslustig en bewegelijk — niet verdraagt, zoodat het verstand, ditmaal in den persoon van den onderwijzer, de rust met geweld moet scheppen. De levenslustige schaar verandert in een groep kleine oudjes, die heel verstandig in kinderboeken leest en in schoonschriften sierlijke hanepooten neerschrijft, terwijl de bewegelijke onrust van het groeiende lichaam andere wegen zoekt, meestal ten nadeele van den wordenden mensch.

Laat men de kinderen eerst het letterbeeld betasten en geeft men hun de gelegenheid de letters na te schrijven, dan verbindt zich wel de lichamelijke waarneming der zintuigen met de letters, die echter zelf onbewegelijk en star hun vormen opdringen. Maar het bewegelijke verbindt zich niet met de waargenomen letterbeelden. Men betrekt wel het wilsleven in deze methoden, maar men verwaarloost het gevoelsleven. Het wilsleven is doortrokken van begeerte en drift, wanneer niet door het gevoel de liefde spreken en door het verstand de bezinning werken kan. Bovendien blijft de weg, dien men hier volgt een uiterlijke, terwijl de kinderen door het actieve handelen zich zelf innerlijk dwingen moeten de uiterlijke letterbeelden in zich op te nemen. Vandaar, dat men dan zoo graag hierbij den onderwijzer uitschakelt. Hij wordt slechts leider, geen autoriteit.
Geheel vrije bewegelijke wegen kan men gaan, wanneer men er voor zorgt, dat het gevoel van den leerling direkt bij het onderwijs betrokken wordt. Het gevoelsleven is voor velen te onbepaald, te vaag en te vrij. Het verstand moet uit zijn grijze onbewegelijkheid weer jong en levendig worden, de wil moet zich innerlijke motieven zoeken voor zijn handelingen. En toch is het gevoel, mits op zuivere gezonde basis werkend, de ware schakel tusschen verstand en wil, en kan zich ook goed inschakelen in een gemeenschap van menschen, die men in een klas als gegeven heeft. Niet het gevoel, dat overgevoelig óf sentimenteel is, wordt hier bedoeld, maar de echte menschelijke fantasie, vol scheppende zielekracht.

Ik wil hier de voorbeelden geven hoe men de kinderen de letters leeren kan. In verband met het teekenonderwijs, — waarover ik in een vorig artikel schreef — laat men de kinderen het water teekenen.

Het golvende water als beeld werkt zoo in de fantasie van de kinderen, dat ze het graag zoo teekenen.

letterbeeld W 1

Het woord laat men goed hooren met klemtoon op de beginletter. In het Duitsch en Engelsch heeft men nog de woorden Welle en wave. In het Hollandsch zijn we beperkter, maar dat hindert niet.

We kunnen nu het beeld bekorten tot

letterbeeld W 2

Dit beeld is een geheel gebleven, wekt de fantasie en verbindt zich door het teekenen of schilderen direkt met den wil en geeft het verstand een vasten vorm, waaraan het zich te houden heeft.

Zoo kan men verder gaan. Men spreekt over bepaalde lichaamsdeelen, als mond en gehoorschelp. Deze hebben een zeer schoonen en bewegelijken vorm. De kinderen worden opmerkzaam en zien elkaar eens goed aan. De één heeft een  anderen mond dan de ander, maar toch allen hebben ze een knik in het midden van de bovenlip. Zoo leeren ze hem teekenen en daarna schrijven ze de letter

letterbeeld M 1

letterbeeld M 2

Of de gehoorschelp, waarmede we het geluid opvangen, wordt tot G.

letterbeeld G 2

Andere beelden worden de kinderen in verband met sprookjes of andere verhalen duidelijk gemaakt.

Men vertelt van den koning en de witte slang van Grimm. De kinderen teekenen den letterbeeld Kkoning    en de slang  letterbeeld S 2

terwijl de troon het voorbeeld wordt van de T

letterbeeld T

Of het verhaal van een dansenden beer wordt de letter B

letterbeeld B

In den Kersttijd hebben we gelegenheid gehad om vele letters te laten optreden. Behalve de koningen komen de herders het kindje Jezus aanbidden.

letterbeeld H

De Engelen zelfs buigen eerbiedig het hoofd. [2]

letterbeeld E

De heilige Nicolaas komt ook in dien tijd.

letterbeeld N

Van de gevoelens moet men direkt uitgaan wil men de klinkers behandelen. De Eurythmie is daarvoor een heerlijk hulpmiddel. De

letterbeeld A

 drukt uit verbazing, de U vrees. De medeklinkers zijn altijd de afbeelding van iets uiterlijks, waardoor men de fantasie meer gebruiken moet.

Het zal voor de kinderen noodig zijn langen tijd die letterbeelden te teekenen, voor dat ze tot regelmatig schrijven overgaan en daarna pas tot het eigenlijke lezen. Ik heb de letters laten schrijven, met de voeten in het zand laten strooien en laten maken met den arm in de lucht. Door het geheele lichaam moesten de kinderen zich verbinden met de letterbeelden. Daarna laat men enkele regels opschrijven met een teekening en eerst langzamerhand kan men overgaan tot het gewone schrijven.

Deze weg is een langere, dan men gewoonlijk volgt. Het is natuurlijk bijzonder streelend voor den oudertrots, wanneer de kinderen al heel gauw lezen en schrijven kunnen. Ze lezen soms als 7-jarige kinderen al „per kilometer”, — zooals een kind me dat uitdrukte — en beginnen reeds vroeg aan den jachtigen tijd deel te nemen. Weldra zullen de nerveuse verschijnselen, waarvan de moderne mensch zoo’n last heeft, zich bij hen voordoen. Daartegenover staan de kinderen; die op langzame wijze leeren schrijven en lezen (wat natuurlijk veel aanmerking en kritiek wakker roept) gezond en harmonisch in ’t leven met een verheugende blos op de wangen en met oogen, die tintelen van levenslust

D. J. VAN BEMMELEN, Ostara, vrijeschool Den Haag,2e jrg. nr 5 juli 1929.

[1] Grimm nr. 17

[2] Hier is niet het beeld van de E = engel genomen, maar het gebaar voor de eerbied. (p.w)

.

1e klas: schrijven – alle artikelen

1e klas: Rudolf Steiner over schrijven en lezen

1e klas: alle artikelen

 VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle letterbeelden

.

907-838

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven (2-4)

.

In dit artikeltje uit 1927! vind je de nog altijd actuele gezichtspunten over fantasie, leren schrijven en lezen door de letterbeelden.
Ik heb de spelling van die tijd laten staan.

 

NIEUWE GEZICHTSPUNTEN VOOR HET SCHRIJF- EN LEESONDERWIJS.

Indien men het zes- tot zevenjarige kind met onbevangen blik en met diepgaande belangstelling beschouwt, zal het voor ieder duidelijk zijn, dat zoo’n jong mensch een heel andere wereld heeft dan een volwassene. Bij de kleinste uitingen, in spel en ernst, merkt men dat hij tot zijn omgeving in heel andere verhouding staat dan de volwassene. Aan alle dingen ontwaakt zijn fantasie; voor de meest onbegrijpelijke zaken heeft hij belangstelling. Alles om hem heen is van leven bezield en het is alsof hij overal goede vrienden heeft, waar hij mee praten kan. Meestal bestaan die vrienden niet uit levende wezens, kameraadjes of dieren, neen in tegendeel, zijn kinderlijke fantasie brengt juist bij voorkeur de doode dingen tot leven. Hij spreekt met steenen en planten, houdt met een innige liefde van, voor de begrippen van oudere menschen, vaak leelijke dingen. Ook is een typisch verschijnsel, dat vele kinderen hun speelgoed voor andere spelen gebruiken, dan waar het voor bestemd was. Zoo kan men b.v. het poppenhuis bevorderd vinden tot stal, alle meubels ervan beesten. Ieder zal in staat zijn uit eigen ervaring nog tallooze overeenkomstige voorbeelden aan te halen. In de eerste levensjaren kan men de fantasie van het kind vrij spel laten. Jammer genoeg is er door de veranderingen, die het speelgoed in onzen modernen tijd ondergaan heeft, veel waardevols verloren gegaan. De groote perfectioneering, die het in de oogen der volwassenen aantrekkelijker maakt, doet het voor de kinderen ten eenenmale ongeschikt zijn, daar zij geen mogelijkheid meer vinden om er hun fantasie aan te ontwikkelen. Voor ,,kinderfantasie’’ blijft bij het tot in de kleinste finesses uitgewerkte speelgoed niet veel over. En maar al te dikwijls hoort men de klacht, dat de kinderen hun ,,mooie speelgoed’’ laten staan voor, wat ouderen geneigd zijn, een prul te noemen. Of wel hun verbeeldingskracht in een richting, die met de oorspronkelijke bedoeling van het stuk in het geheel geen rekening houdt en het de meest curieuse gedaanteveranderingen doet ondergaan.

Nu wordt het kind ouder. De tijd van naar school gaan nadert. Het is een groote overgang, een heele nieuwe wereld wacht. En hoe verschillend is die van zijn sprookjesland. Voor fantasie is geen plaats meer. Hij komt al dadelijk in ,het practische leven’ moet leeren lezen, schrijven, rekenen. Om te beginnen moeten hem de letters worden bijgebracht. Weinig wordt er aan gedacht, hoe dit te doen in een reëele aansluiting aan het bewustzijn, dat het kind tot op dat oogenblik bezit. Te veel wordt ook daarbij uitgegaan van eenvoudig „mededeelen”, zooals dat onder volwassenen op zijn plaats zou zijn. Het kind kan niet inzien, waarom de ,,groote menschen” het eene figuurtje p, het andere k noemen. Hij heeft geen verbinding met de teekens. Natuurlijk zal hij ze binnen korten tijd den zelfden naam geven als de volwassenen, omdat hij het eenvoudig na kan zeggen. Maar voor zijn eigen wezen blijven de dingen vreemd en men brengt als opvoeder het kind volkomen onbegrijpelijke niet alleen, maar ook onverteerbare kost bij. Er wordt iets gedaan, wat tegen het ware wezen van het kind indruischt. Hoe kan men nu tegemoet komen aan de behoeften van het kind en hem dan op andere, minder intellectueele wijze, de letters leeren? Het antwoord op deze vraag gaf Rudolf Steiner. Hij wees er op, hoe men als opvoeder van jonge kinderen beginnen moet de eigen fantasie te ontwikkelen. Hij toonde aan, hoe de letterteekens in vroegere tijden b.v. bij de Egyptenaren ontstonden uit beelden. Langzamerhand veranderde zich dit beeldenschrift tot eenvoudiger teekens en men kan van de tegenwoordige letters zeggen, dat ze op een afspraak tusschen menschen berusten. Nu zou men het kind plotseling en onvoorbereid de moderne schrijfteekens willen bijbrengen. Men kan heel gemakkelijk het kind den ontwikkelingsgang van beeld tot teeken opnieuw laten beleven. Het is niet noodig om nu kultuurgeschiedenis te gaan studeeren. Er kan verband gelegd worden door een beeld tusschen letterteekens en klanken en het is overgelaten aan de vrije verbeeldingskracht van den leeraar om beelden voor de letters te vinden, die ontleend zijn aan dier- of plantenvormen, of wel aan het een of andere voorwerp. En men kan waarnemen, hoe een op die manier geleerde letter door de kinderen innerlijk aangenomen wordt. Het is geen vreemd ding voor hen gebleven. Als men de kinderen die beelden laat schilderen, zoodat de letter langzaam te voorschijn komt, dan laat teekenen, met handen en voeten beleven, zoodat ze opgenomen worden door het geheele lichaam en niet alleen door het hoofd, dan kan men spoedig merken, hoe levenwekkend en frisch het op hen werkt. Hun fantasie kan zich uitleven en zij komen er zelfs toe in de hun nog niet bekende letters zelf beelden te zien. Als volwassene kan men er zich in verheugen, als men een verhaaltje in dergelijk zelf uitgevonden beeldenschrift kan voorschrijven voor de kinderen. En als er dan langzamerhand overgegaan moet worden van beeld tot abstracte letter en, om een concreet voorbeeld te noemen, de dansende beer verandert in een B, dan kan men merken, hoezeer het de kinderen ter harte gaat, als hij stuk voor stuk alles gaat verliezen, haren en ooren van hem afvallen enz. tot er ten laatste de B overblijft. Op een dergelijke manier leven de kinderen de letters innerlijk mee. En het komt zelden voor, dat er een letter vergeten of fout geschreven wordt. Alle lettervormen kunnen gebruikt worden, zoowel hoofdletters als schrijf- of drukletters. Met een beetje fantasie kan men de vormen afleiden van de eene die behandeld is. Als voorbereiding van het schrijven kan men de kinderen eenvoudige vormen laten teekenen, daarna hebben ze steeds gelegenheid zich aan de letters, die groot en duidelijk gemaakt moeten worden, te oefenen. Letters of woorden, zelfs zinnen worden niet gelezen, voor ze door de kinderen nageteekend of geschreven kunnen worden, het lezen ontwikkelt zich geheel van zelf sprekend uit het teekenend schrijven. Bij deze manier van schrijven en lezen leeren blijven leerlingen en leeraren frisch. Van den opvoeder worden telkens andere, nieuwe vormen gevraagd. Zijn vindingrijkheid kan niet verdorren. Men moet steeds voor iedere nieuwe klas andere beelden bedenken. Soms zal men er naar moeten streven, zooveel mogelijk humoristische beelden te gebruiken, terwijl voor andere kinderen het ernstige of lieflijke meer in aanmerking zal komen. Dat ligt geheel aan den geest der klasse. Ook kan men aansluiten bij een verteld sprookje. Zoo kan er altijd afwisseling zijn.

G.Hartman, Ostara vrijeschool Den Haag, juni 1927

.

1e klas: schrijven – alle artikelen

1e klas: Rudolf Steiner over schrijven en lezen

1e klas: alle artikelen

 VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle letterbeelden

.

906-837

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schrijven en lezen (3)

.
Tekst in blauw van mij; in groen van Steiner; in zwart de vertaling daarvan. ‘Niet vertaald’ wil zeggen: er is geen officiële vertaling; deze vertaling is dan van mij. Verbetersuggesties welkom: vspedagogie at gmail punt com
.

VERSCHIL KLINKER-MEDEKLINKER

Omdat het in Steiners pedagogische opvattingen steeds gaat over de opgroeiende mens en over wat leerstof aan dit opgroeien kan bijdragen, ligt het voor de hand dat juist die puur menselijke vermogens als muzikaliteit, kunstzinnigheid, fantasie – kortom wat dieren niet hebben – in het onderwijs veel aandacht verdienen. En inzicht in hun wezen. En vanuit zijn eigen inzichten – de antroposofie – belicht Steiner in diverse voordrachten ook het puur menselijke vermogen van het kunnen spreken.
Telkens zal hij weer karakteriseren. Vanuit verschillende invalshoeken het fenomeen beschouwen, zonder te snel met definities te komen.
Omdat we in het schrijven in zekere zin weergeven wat we spreken – gesproken zouden (willen) hebben – en bij het lezen dat geschreven gesprokene weer gaan uitspreken, ligt het voor de hand dat hij ingaat op het spreken, op het gebruik maken van spreek – spraakklanken.

Zelf ga ik graag uit van de drieledige mens als denkend, voelend en willend wezen, daarbij in dit verband de karakteristiek wakker, slapen en dromen gebruikend.
In het denken, aldus Steiner – en voor iedereen is de waarheid van die woorden te ervaren – is de mens het meest wakker, helder.
Voor wat in de gevoelswereld gebeurt, is dat al veel moeilijker te constateren. Lang niet altijd weten we de oorzaak van onze zielenroerselen; in dit gebied heerst veel meer ‘de schemering’ als we het wakkere denken ‘overdag’ zouden noemen. En wat de stofwisseling – het gebied van de wil – betreft: daarin hebben we geen enkel inzicht tijdens het leven dat we leiden: niemand heeft er weet van wat zich afspeelt in zijn spijsvertering op de ogenblikken dat hij intensief aan het werk is, met iets bezig is, maar ook niet wanneer hij volledig relaxt. Daar heerst ‘de nacht’. Daarvan zegt Steiner ‘Daar slapen we altijd’. En van onze ziel, ons gevoelsleven: ‘Daar slapen we ’s nachts, maar overdag manifesteert het zich als iets ‘dromends’. Een pendelen tussen wakker en slaap. Een voortdurend komen en gaan van gevoelens. Waar komen ze vandaan en waar gaan ze heen. In ieder geval: uit ons en de wereld in. Maar ook in de wereld gebeuren dingen die bij ons binnenkomen en daar een gevoel teweegbrengen. Vanuit deze optiek zijn de woorden van Steiner over de ziel als ‘een vermogen om de binnenwereld tot buitenwereld te maken en de buitenwereld tot binnenwereld’, eveneens ware woorden. Dit ‘in-uit’ is een van dé kenmerken van de ziel. En – ik moet hier bij het spreken blijven – we uiten! ons in het spreken. En we verinnerlijken onze gevoelens tot gedachten als we gaan nadenken, tot gezichtspunten komen, die we eerst beleven en in ons zelf formuleren, onder woorden brengen, vóór we ze werkelijk onder woorden brengen en de wereld in laten gaan. Dit ‘onder woorden brengen’ – mooie uitdrukking trouwens – doe ik hier, alsof ik tegen de lezer spreek, maar omdat die er niet is, vertrouw ik deze woorden toe aan dit digitale papier en hoop dat ze gelezen worden. Maar daarmee heb ik ze ook weer geuit.
Je voelt natuurlijk dat hier het ‘wakker-zijn’ op de voorgrond treedt.
Dat is vrijwel afwezig wanneer ons iets overkomt.
Er gebeuren soms vreselijke dingen: rampen. Nu die tegenwoordig altijd wel door iemand gefilmd worden, moet je er eens op letten wat er geroepen wordt:
Ai – meestal aaaaaaa i; ook met de o; oei! met een langgerekte oe; neeeee, oooo.
Bij het vuurwerk zijn de aaahhh’s en oooooh’s niet van de lucht. ‘Wau’ met langgerekte au; zoooo heeeei.
We hebben hier te maken met de wereld van de klinkers.

Je kunt ook bijna tegenovergestelde uitingen horen:

Wanneer baasjes hond maar niet wil komen: kom hierrrrrrr! Of wanneer iets niet mag: nnnee, nnneee en nog eens nnnee! Of ssssssstt!
Of wanneer mensen een meningsverschil dreigen te krijgen: het volume van de stem neemt toe, maar het gebruik van de medeklinkers wordt scherper, feller.
En hier valt het woord ‘medeklinker’.
En met het oog op wat Steiner zegt – hieronder aangehaald – hoeveel woorden zijn er niet die vooral met medeklinkers nabootsen wat er in de wereld klinkt: plons, krak, floep – de klinker kun je eigenlijk weglaten of deze heel zwakjes mee laten klinken.
Ons dochtertje liep eens huppelend met een doos vol knopen rammelend: ‘Hij (de doos) zegt: kukurrekukku, kukurrukuku, de u (kort) nauwelijks uitgesproken.

Er zijn zulke mooie nabootsingen: knetteren, knisperen, knikkeren, rammelen enz.

Geen wonder dat Steiner dus – het gaat om het echte leven – bij het aanleren van de schrijfletters het verschil tussen de klinker en de medeklinker sterk benadrukt.

Deze opmerking is vanuit het bovenstaande volledig te begrijpen:

Soweit die Sprache aus Selbst­lauten besteht, hat sie ein Musikalisches in sich; soweit sie aus Mitlauten, aus Konsonanten besteht, hat sie ein Plastisches, ein Malerisches in sich. Und im Sprechen liegt eine wirkliche Synthese, eine wirkliche Verbindung von musikalischen mit plastischen Elementen im Men­schen.

Voor zover de taal bestaat uit klinkers, is ze muzikaal; voor zover ze uit medeklinkers, consonanten bestaat, is ze plastisch, schilderend. En in het spreken vindt er een werkelijke synthese plaats, een werkelijke verbinding van muzikale en plastische elementen.
GA 294/28-29
Vertaald/26

=

In het kort komt het erop neer dat de medeklinker uit een beeld wordt ontwikkeld van iets concreets dat in de wereld voorkomt: vis, vogel, beer, koning, enz.
De klinker echter is een klank die veel meer een zielenstemming tot uitdrukking brengt: aaah, ooooh enz.
Voor de ontwikkeling van de klinkerletter kun je dus geen tastbaar voorwerp nemen.
De I kun je niet uit de bloem iris halen; wel uit het gebaar dat een kind maakt met zijn arm (en vinger) in de lucht, wanneer het antwoordt op de vraag: ‘Wie weet…..?’  ‘Ik, ik’.

‘Karakteristiek’, zoals Steiner opmerkt, is dat bij de lettervorm ook iets kan doorklinken van de aard van de klank die erbij hoort. Zo zal de S eerder bij een slang gedacht worden, dan bij een slak, de S heeft veel meer iets ‘sissends’ dan iets ‘slijmerigs’. (1)   (2)
.

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klasletterbeelden

So wie sich die Selbstlaute auf das Lauten von uns selbst beziehen, so die Konsonanten auf die Dinge; da klingen die Dinge mit. Daher werden Sie finden, daß Selbstlaute aufgesucht werden müssen als Gefühlsnuancen. Mitlaute: F, B, M und so weiter müssen aufgesucht werden als Nachahmung äußerer Dinge.

Zoals de klinkers (Duits: Selbstlaute) op het klinken van ons zelf betrekking hebben, zo de medeklinkers (Duits: Mitlaute) op de dingen; daar klinken de dingen mee. U zult dan ook vinden, dat de klinkers gezocht moeten worden als gevoelsnuances. Medeklinkers – f, b m [het Duits heeft hier hoofdletters!] enzovoort – moeten gezocht worden als nabootsing van dingen in de buitenwereld. ( )
GA 294/28/29
Vertaald/26

=

Mitlaute werden immer auf Nachahmungen äußerer Dinge zurückgeführt werden können, Selbst­laute dagegen auf die ganz elementare Äußerung der menschlichen Gefühlsnuancen den Dingen gegenüber. Daher können Sie die Sprache geradezu auffassen als ein Begegnen von Antipathie und Sympathie. Die Sympathien liegen immer in den Selbstlauten, die Antipathien immer in den Mitlauten, in den Konsonanten. Wenn Sie auf diese Art die Sprache nehmen als auf Innerliches hinweisend in den Selbst­lauten, als auf Äußerliches hinweisend in den Mitlauten, dann werden Sie in die Lage kommen, leicht Zeichnungen für die Mitlaute zu finden. Dann werden Sie nicht bloß das anzuwenden brauchen, was ich in den nächsten Stunden geben werde als Bilder von Mitlauten, sondern Sie werden sich selbst Bilder machen können und dadurch werden Sie es erreichen, daß Sie selbst den inneren Kontakt mit den Kindern be­kommen, was viel besser ist, als wenn Sie nur das äußere Bild auf­nehmen.

Medeklinkers zal men altijd kunnen herleiden tot nabootsingen van dingen in de buitenwereld, klinkers daarentegen tot de elementaire uiting van menselijke gevoelsnuances ten opzichte van de dingen. Daardoor kunt u de taal werkelijk opvatten als een ontmoeting van antipathie en sympathie. De sympathieën liggen altijd in de klinkers, de antipathieën in de medeklinkers, de consonanten. Beschouwt u de taal als iets wat verwijst naar een binnenwereld – in de klinkers – en verwijst naar de buitenwereld – in de medeklinkers – dan zult u in staat zijn heel gemakkelijk tekeningen voor de medeklinkers te vinden. ( ) U kunt zelf beelden maken en daardoor bereiken dat u zelf innerlijk contact krijgt met de kinderen – en dat is veel beter dan het beeld klakkeloos over te nemen.
GA 294/30
Vertaald/26

=

Deze laatste zin is misschien wat raadselachtig voor de mensen die geen vrijeschoolklas hebben (gehad). Wanneer je iets speciaals voor je klas wilt maken, moet je je intensiever met de kinderen bezig houden; zo bouw je als vanzelf  ‘meer’ contact op. Dan blijkt ook vaak dat de kinderen op hun manier uiting geven aan het feit dat je speciaal voor hen iets hebt gemaakt: een gedicht, een spel, een toneelstuk, een verhaal, vooral hun getuigschriftspreuk, enz. En dat is ook een vorm van intensiever contact.

Wenn Sie es die einzelnen Buchstaben aus dem Bilde heraus lernen las­sen, so hat das Kind eine Beziehung zur lebendigen Wirklichkeit. Aber Sie dürfen nie versäumen, die Buchstabenformen so aufzuschreiben, wie sie sich aus einem Bilde ergeben, und Sie mussen immer Rücksicht darauf nehmen, daß Sie die Mitlaute, die Konsonanten, als Zeichnung von äußeren Dingen erklären – nie aber die Selbstlaute, die Vokale. Bei den Selbstlauten gehen Sie immer davon aus, daß sie wiedergeben das menschliche Innere und seine Beziehung zur Außenwelt.

Wanneer u een kind de afzonderlijke letters laat leren vanuit het beeld, dan heeft het kind een verbinding met de levende werkelijkheid. U mag nimmer verzuimen de vormen van de letters zo op te schrijven als ze uit het beeld voortkomen en u moet er steeds op letten dat u de medeklinkers, de consonanten, verklaart als een tekening van dingen in de buitenwereld – nooit echter de klinkers, de vocalen. bij de klinkers gaat u er altijd vanuit dat ze het innerlijk van de mens weergeven en zijn relatie tot de buitenwereld.
GA 294/72
Vertaald/62

=

Man muss versuchen, die Resonanz, die im Selbstlaut ertönt, aus dem Gefühl herauszuholen.

Men moet proberen de weergave van een gevoel over te brengen, men moet proberen om de weerklank die in de klinker leeft uit het gevoel naar boven te halen.
GA 294/73
Vertaald/63

=

Eine umfassende Betrachtung des Menschenwesens, vor allen Dingen eine wirklich geschulte Beobachtung des kindlichen Sprechens selbst zeigt, wie das Gemüt des Menschen ganz anders engagiert ist beim Lernen der sogenannten Selbstlaute. Die Dinge werden ja gefühlsmäßig ge­lernt. Aber schult man sich seine Beobachtung, so sieht man, wie alles Selbstlautliche, alles Vokalische dadurch entsteht, daß das Innere des Menschen in gewisse Erlebnisse kommt, die so sind, wie einfache oder komplizierte Interjektionen, Gefühlsausbrüche, innere Erlebnisse. Im Vokalischen lebt sich das Innere des Menschen aus. Im Konsonantischen zeichnet der Mensch äußere Vorgänge nach. Er zeichnet äußere Vor­gänge nach durch seine eigenen Organe; aber er zeichnet sie nach. Es ist schon das Sprechen selber ein Nachzeichnen der äußeren Vorgänge durch das Konsonantische, und ein Tingieren, ein Durchmalen dieses Nachzeichnens mit dem Vokalischen. So ist auch das Schreiben ur­sprünglich so ein Nachmalen, ein Nachzeichnen.
 
Een omvattende waarneming van het mensenwezen, vooral een werkelijk geschoolde waarneming van het spreken van kinderen zelf, toont hoe het gemoed van de mens heel anders betrokken is bij het leren van de zogenaamde klinkers. Die worden gevoelsmatig geleerd. Maar wanneer je je waarneming schoolt, dan zie je hoe alles van de klinker, alles van de vocaal ontstaat omdat het innerlijk van de mens tot bepaalde belevingen komt die dan zo zijn als eenvoudige of gecompliceerde interjecties (taalkundig: tussenwerpsel). Uitbarstingen van gevoel, innerlijke belevingen. In het vocale drukt zich het innerlijke van de mens uit. In wat met de consonanten samenhangt tekent de mens uiterlijke processen na. Hij tekent uiterlijke processen na met zijn eigen organen; maar hij tekent ze na. Het spreken zelf is al een natekenen van uiterlijke processen door het consonantische en alles wat met het vocale samenhangt kleurt deze tekening. Oorspronkelijk is ook het schrijven op deze wijze een naschilderen, natekenen.
GA 301/79
Op deze blog vertaald/79

=

So -Steiner gaf hier een voorbeeld van een medeklinker-kann ich es machen für alles, was konsonantisch ist. Für die Selbstlaute finde ich, wenn ich das innere Seelenleben zu Hilfe nehmen, wie ich das Bild überführen kann in den Buchstaben.

.

Op deze manier kan ik het doen voor alles wat consonantisch is. Voor de klinkers vind ik hoe ik het beeld in een letter kan omzetten, wanneer ik het gevoelsleven als hulp neem.
GA 304a/174
Op deze blog vertaald/174

=

( ) derjenige, der nun nicht bloß auf das Äußerliche der Sprache schaut, wie nun die Sprache schon einmal geworden ist als Bedeutungssprache – unsere Sprachen sind ja fast alle Bedeutungssprachen, wir haben in den Wor­ten kaum mehr etwas anderes als Zeichen für das, was draußen ist -, derjenige, der von da zurückgeht auf das Seelische, das in den Wor­ten lebt, das überhaupt in der Sprache lebt, der kommt schon zurück zu dem sogenannten Laut. Denn alles Konsonantische hat einen ganz anderen Charakter als alles Vokalische. ( )

Degenen die niet alleen naar het uiterlijk van de taal kijkt, zoals de taal nu eenmaal geworden is, als betekenistaal – onze talen zijn bijna allemaal betekenistalen, we hebben in de woorden nauwelijks meer iets anders dan tekens voor wat buiten is – degene die van daaruit teruggaat op wat aan ziel in de woorden leeft, dat zeer zeker in de taal leeft, komt weer terug op de zgn. klinker. Want al het consonantische heeft een heel ander karakter dan al het vocale.
GA 306/86
Op deze blog vertaald/86

=

Wie muß das Kind lesen und schreiben ler­nen? Es ist ja eigentlich eine viel größere Misere damit verbunden als man, da man ja das Lesen- und Schreibenlernen als eine Notwendig­keit ansieht, mit brutalem Menschensinn gewöhnlich meint. Man sieht es als eine Notwendigkeit ein, also muß das Kind unter allen Umstän­den dazu dressiert werden, lesen und schreiben zu lernen. Aber be­denken Sie, was das für das Kind heißt! Die Menschen haben nicht die Neigung, wenn sie einmal erwachsen sind, sich in die kindliche Seele hineinzuversetzen, was das Kind erlebt, wenn es lesen und schreiben lernt. Da haben wir in unserer heutigen Zivilisation Buchstaben, a, b, c und so weiter; sie stehen in gewissen Bildern vor uns. Ja, das Kind hat den Laut «ah». Wann gebraucht es ihn? Der Laut ist ihm Ausdruck einer inneren Seelenverfassung. Es gebraucht diesen Laut, wenn es in Bewunderung, in Erstaunen oder in einer ahnlichen Seelenverfassung vor etwas steht. Den Laut versteht es; der hängt mit der menschlichen Natur zusammen. Oder es hat den Laut «eh». Wann gebraucht es die­sen? Wenn es andeuten will: Da ist etwas an mich herangetreten, was ich erlebt habe, was in meine Natur eingreift. Wenn mich jemand sticht, sage ich «eh!». Und so ist es auch mit den Konsonanten. Jeder Laut entspricht einer Lebensäußerung; die Konsonanten ahmen eine äußere Welt nach, die Vokale drücken das aus, was man in der Seele innerlich erlebt.

Hoe moet het kind leren lezen en schrijven? Daarmee is eigenlijk veel grotere ellende verbonden dan men met het brute mensenverstand gewoonlijk denkt; men beschouwt immers het leren lezen en schrijven als een noodzaak; dus moet het kind onder alle omstandigheden worden gedresseerd om te leren lezen en schrijven. Maar stelt u zich eens voor wat dat voor een kind betekent! De mensen hebben niet meer de neiging, als ze eenmaal volwassen zijn, zich te verplaatsen in de kinderziel, in wat het kind beleeft wanneer hij leert lezen en schrijven. In onze huidige beschaving hebben we letters: a, b, c enzovoort. Zij staan in bepaalde beelden voor ons. Het kind heeft de klank a‘. Wan­neer gebruikt een kind deze? Voor hem is deze klank uitdrukking van een innerlijke zielentoestand. Hij gebruikt deze klank wanneer hij in bewondering, of in verbazing, of in een soortgelijke zielenstemming iets meemaakt. Het kind kan de klank begrijpen: die hangt samen met de menselijke natuur. Of neem de klank ‘e’ wanneer gebruikt het kind die? Als hij aan wil geven dat er iets op hem af is gekomen – dat heeft hij beleefd – wat in zijn wezen ingrijpt. Als iemand hem steekt, zegt hij ‘e!’.
En zo gaat het ook met de medeklinkers, de consonanten. Elke klank komt overeen met een levensuiting. De medeklinkers boot­sen een uiterlijke wereld na, de klinkers of vocalen drukken uit wat men van binnen beleeft.
GA 310/55-56/
Vertaald 58-59

=

Für die Konsonanten werden Sie überall etwas finden, wo Sie von Dingen ausgehen können. Sie müssen nur suchen. Sie werden überall so etwas finden, um den Anfangslaut, den Anfangsbuchstaben aus einem Worte entstehen zu lassen. Für die Vokale ist es nicht so leicht. ( )
Und so werden Sie – wenn Sie inneres Seelisches, namentlich eurythmische Begriffe vor das Kind hinstellen, es selber in diese Lage versetzen -, so werden Sie auch die Vokale herausbringen. Die Eu­rythmie wird Ihnen da eine ungeheuer starke Hilfe geben können, weil schon die Laute im Eurythmischen gebildet sind. (  )Man kann tatsäch­lich aus der Geste, aus der Gebärde, die Vokale bekommen.

Wat de consonanten betreft, kun je overal iets vinden wanneer je van voorwerpen uitgaat. Je moet maar even zoeken. Je zal overal iets vinden om de beginklank, de beginletter uit een woord te laten ontstaan. Voor de vocalen is het niet zo makkelijk. ( )
En zo kun je – wanneer je diepere gevoelens, namelijk euritmische begrippen aan het kind geeft, het zelf in die omstandigheid brengen -, dan kun je ook de vocalen ontwikkelen. De euritmie kan daarbij een heel sterk hulpmiddel zijn, omdat de klanken in de euritmie al gevormd zijn. (  ) Je kan inderdaad uit de gebaren, uit het gebaar, de vocalen halen.
GA 311/33
Op deze blog vertaald/33-34

=

(1)  GA 311 voordracht 6/106
(2)  Schrijven in de 1e klas (3)

Rudolf Steiner over schrijven en lezen:

[1]   onze huidige lettervormen zijn ontstaan in het verleden; de vormen staan niet meer in verband met hun oorsprong; voor kinderen zijn het (wezens-)vreemde tekens

[2] om aan kinderen de lettertekens aan te leren, daarbij uitgaand van een beeld, is het niet nodig om de historische beelden te gebruiken. Eigen fantasie is voldoende.

[4] hoofdletter of kleine letter
De hoofdletter uit het oorspronkelijke Latijnse schrift. Het eerste schrijven is meer een tekenen: het gaat om het beeld en de klank.

[5] de conventionele letter wordt aangeleerd vanuit een beeld, eerst schilderend/tekenend of tekenend/schilderend; Steiners voorbeelden daarvan uit alle pedagogische voordrachten.

[6] de menskundige achtergronden van de schrijf- en leesmethode. Kunstzinnig werken: schilderen/tekenen; maar ook: vanuit de wil; totale mens – deel mens:hoofd; abstractie en intellect(ualisme); allerfysieks-halffysiek-bovenfysiek

[7] over de manier van leren lezen: van het geheel naar de delen – maar niet fanatiek; over leesmethodes (uit zijn tijd): spelmethode, klankmethode, normaalwoordenmethode; deze in verband gezien met het verschil klinker-medeklinker (zie [3])

[8] Steiners methode, mits consciëntieus gevolgd, kost meer tijd dan reguliere methodes. Dat wordt heden ten dage nog steeds schromelijk verward met ‘achter lopen’.

Schrijven/lezen: alle artikelen

Rudolf Steiner over…..: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: letterbeelden

.

905-836

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven (2-3)

 .

Hieronder volgt een vertaling van een artikel dat verscheen in 1930. Voor het schrijven staan er waardevolle gezichtspunten in.

Ook is het interessant te lezen hoe de schrijfster vanuit een enthousiasme schrijft over wat zij zelf beleeft aan Steiners pedagogie. Deze lyriek tref je vaak aan bij mensen die Steiner persoonlijk hebben meegemaakt.

Een enkele opmerking van mij is cursief

Dit deel wordt voorafgegaan door een verhandeling over het rekenen.
.

Terwijl over het algemeen gesproken de rekenuren vol beweging en leven zijn, ligt over het schrijfonderwijs een zekere plechtigheid.
Het kind, wanneer het op school komt, heeft een drang om vormen te maken en te schrijven die niet te stoppen is.
Rudolf Steiner heeft aangegeven waarom in het kind op deze leeftijd die drang naar vormgeving ontstaat: het zijn de vormkrachten die met de tandenwisseling vrijkomen. Die hebben hun werk gedaan en vragen om nieuwe activiteit. Tot nu toe hebben ze innerlijk aan de organen gebouwd, het kind zelf was met zijn handjes onhandig. Nu stromen ze door de ledematen en willen vormen. Ze zijn vrij geworden. De kinderen worden handig. Dat gaat langzaam en met overgangen en dan maakt deze ontwikkeling met de tandenwisseling een sprong.
Dan begint het schrijven ermee dat we de kinderen vormen laten lopen, vormen met zijn hele lichaam laten voelen. Groot, met handen en voeten, laten we in de lucht en op de vloer schrijven en slechts langzaam, uit de periferie naar het dichtbijzijn, leiden we het kind naar de kleine tekens die het op het bord ordent. Wat het met heel de mens gedaan heeft, leert het dan ook met zijn ogen en de weinige spieren van zijn hand te oefenen, maar alleen langs deze weg voelt het kind zich gelukkig.
Ik heb de kinderen verteld dat de sterren aan het firmament wonderbaarlijke bochten en bogen lopen, dat ze aan de hemel vormen tekenen. Ik heb verteld dat ook de zon schrijft. Met haar behendige hand schrijft ze op de harde stenen en waar de zon schrijft, daar groeien de bloemen.
Wanneer de kinderen het potlood mogen pakken, komen er lichtjes in hun ogen, want ze voelen: dat leren wij, wij mogen doen wat de grote wereld buiten doet. De sterren aan de hemel, de wijde wereld en wat ik hier doe, met mijn kleine hand, dat hoort tezamen.

Je kunt aan niemand bewijzen, dat het kind het zalig vindt, wanneer het dat voelt, maar wie er voor openstaat met zijn hart, kan het ieder uur beleven.
Nu gaan we over naar de letters. Wat zijn de leesboekjes de laatste jaren veranderd. Die zijn kleurig en vrolijk geworden en vol met illustraties.
Wat moet een kind met de kleine zwarte tekentjes van een conventioneel geworden schrift beginnen? Uit liefde voor het kind is deze vraag gesteld. Voor zijn ziel zijn ze levenloos. En men poogt de tekens in vormen te brengen waaraan het kind iets kan beleven. Zo gauw je een beeld hebt, kan het kind er iets mee beginnen.
Erg wezenlijk is daarbij de keus van het beeld.
Tegenwoordig worden de beelden uit de wereld van de techniek gekozen: trein, auto enz. Kinderen zijn het meest geïnteresseerd in wat beweegt. In het Müncheneer leesboek bv. is voor de T het beeld van een dreumes die op zijn tenen op een stoel staat en de hoorn van de telefoon aan zijn oor houdt.
Het kind moet misschien om dit beeld lachen en toch zijn deze beelden uit de techniek niet geschikt.
De wordende mens herhaalt na de geboorte [1]  de bewustzijnsgeschiedenis van de mensheid, maar pas met het 14e jaar bereikt hij de bewustzijnsfase van de nieuwe tijd. Het (voorbeeld hierboven) is dus in zekere zin met elkaar in tegenspraak; wanneer je uit een begrijpen van de kinderziel een beeld kiest, dan een dat in overeenstemming is met de ziel van een zevenjarig kind.
De leerkracht moet verder kijken. Beelden gaan bij het kind diep naar binnen. Al kan je de conclusies van de psychoanalyse haast niet onderschrijven, je moet toch haar waarnemingen bevestigen dat iedere indruk in de kinderjaren in het onderbewuste verdwijnt en daar verder werkt tot in het fysieke toe. Zulke beelden blijven als iets doods in het kind liggen en werken verlammend op de levende wil.
Je zou de kinderen beelden willen geven die zo met hen kunnen groeien als hun ledematen dat doen.
Voor deze leeftijd is het een zegen wanneer de beelden vanuit echte fantasie worden ontwikkeld. Het is een intellectuele, levensvreemde conclusie dat het bezigzijn met echte sprookjes een kind wereldvreemd maakt. Zo tegenstrijdig het ook klinkt: een ziel die in haar jeugd rijkelijk gevoed is met sprookjes, kan werkelijkheidszin voor het leven krijgen, zoals een jongen een sterke man kan worden, wanneer hij lang moedermelk kon drinken, hoe weinig geschikt deze voeding op een andere leeftijd ook moge zijn.
Bij deze mening hoort ook dat wij op de scholen die de pedagogie van Rudolf Steiner willen verwezenlijken, geen leesboekjes gebruiken [2]. De leerkracht ervaart dat als een zegen. Het kant-en-klare beeld kan de fantasie van de leerkracht en het kind eerder remmen dan aansporen (nog afgezien van het feit of er leesboekjes bestaan met kunstzinnige beelden.)
Je vertelt bv. over Sneeuwwitje en je hebt het nog eens over de plaats waar de glazen kist op de berg staat met de dwergen huilend op hun knieën. Nu schilder je de berg, de kist en de geknielde dwergen. Dit ogenblik van verrassing en spanning kan het hoogtepunt van de les zijn. (Een geknielde dwerg – Duits Zwerg – vertoont de Z  [3]
Bij het vertellen is het hart van het kind opengegaan. Dat plezier vloeit door in zijn potlood: dat is het geheim van het mooie schrijven: [3] de kinderen schrijven mooi, wanneer ze met heel hun ziel erbij betrokken zijn.
Het behoort bij het imponderabele, bij de band die tussen leraar en kind ontstaat wanneer de leraar iets brengt wat hij zelf heeft gevonden. Bij het doorbladeren van de vele leesboekjes kan het opvallen dat de beelden met voorliefde voor de alledaagse dingen zijn gekozen. Je zou eens kunnen onderzoeken of bij die keuze niet stilletjes de overtuiging wordt uitgesproken dat de ziel van het kind geen andere inhoud kent dan die van de alledaagse omgeving. Het geloof dat de ziel wordt gevormd door de indrukken van buitenaf.
Een wereldbeschouwing op de eerste bladzij van een leesboek!
Men moet een kritiek niet verkeerd begrijpen. Men voelt zich toch verbonden met alle pogingen het wezen van het kind te zoeken. bv. die ertoe geleid hebben het beeld in te voeren. Maar of men het beseft of niet: in de beelden die men kiest drukt zich uit hoe men denkt over de ziel van het kind. Er zit wereldbeschouwing in de keus der beelden.
Een derde groep van beelden moet een vrolijke werking hebben. Kleine aardmannetjes, koddige figuren, op een speelse manier worden de klanken als karikatuur opgevoerd.
De beelden voor de klanken waren echter ooit ware beelden voor het wezen van de klank.
Het zij toegestaan uit de pedagogie van Rudolf Steiner een weg aan te geven die het kind op een veelzijdiger manier bevredigen kan, dan wanneer het in het begin om een koddig beeld moet lachen, dat in waarheid toch zijn ziel geen vulling kan geven.
Er zijn een paar wegen tot een echte verlevendiging van het schrijfonderwijs. Een daarvan is de verdieping in de klank.
De T bv. drukt iets uit wat vast is, iets bepaalds, alsof die bepaalde grenzen aangeeft. Zeer karakteristiek is de T bij het voltooid deelwoord [4] geplaatst, gepost, gelakt enz. Vaste, duidelijke vormen geeft het aan: Het meest karakteristiek echter verschijnt het in het woord Tot – dood. In het oude schrift wordt de T als kruis gemaakt, als het stemmige dode beeld van de het geestelijke.
De P heeft iets bijzonders: naar de kant van het mooie, het prachtige, naar de kant van het slechte, het geëxcalteerde, het kleinzerige: pralen, purper, prins, pracht, pomp, poetsen, pop. Dat zijn karakteristieke woorden voor de P.
De P is net een prinses. Daarom hebben wij het als beeld van ‘de prinses op de boom’ geschilderd (uit de sprookjes sedert Grimm) [5]
De boomstam als neerhaal,  een grote tak als een boog en in het groene gebladerte de gouden prinses die door een blauw venster de wijde wereld in kijkt. Altijd wordt het hele woord erbij geschreven.
Als derde voorbeeld nog de R. Het karakter van de R is het innerlijke bewegende; machtig naar voren stormend, vaak met de nuance van iets verstorends: razen, rennen, ruisen. [7]
Voor de R hebben we het verhaal van het dappere snijdertje verteld. [6] De reuzen geloven dat het kleermakertje dood is – maar het komt hen gezond en wel op de bosweg tegemoet – de reuzen rennen R R R. De R past in ons schrift omdat we niet met een heel hoekig drukschrift, maar met een soort los [8] schrift zijn begonnen.
Je kunt steeds meer ervaren dat iedere klank zijn eigen karakter heeft. Dat is ook erg duidelijk bij de D. De D geeft steeds richting. In het Duits staat hij in alle woorden die iets duidends hebben: de, die, dat, deze, daar, duiden enz.
Voor de kleine Latijnse d heb ik een verhaal verteld over een dwerg die zo klein was, dat hij helemaal niets kon. Toen hij een keer heel verdrietig was, zag hij langs de beek een vogeltje zitten dat water dronk en na ieder slokje hield het vogeltje zijn kopje een beetje omhoog en keek naar de hemel. Op zijn vraag antwoordde het vogeltje: ‘Ik wijs op de hemel en dank de lieve God.’ En terwijl ze zo met elkaar spraken, ontdekte het dwergje zijn opgave in het leven. Allen die de lieve god in de hemel vergeten, wees hij met zijn wijsvinger naar de hemel en sprak: ‘Die daarboven is, aan wie je moet denken, die mag je niet vergeten.’ Daarvoor was het dwergje niet te klein en de kleine d, die naar boven wijst, schrijven we als herinnering aan de kleine dwerg.

Twee voorbeelden voor de klinkers [9] zou ik tot slot willen geven.

De heldere, licht I waarvan de kinderen zo houden, zegt iets zelfverzekerds:
licht, liefde, ik, richten. Een meisje dat kersen zag glimmen tussen de bladeren zei: ‘De kersen glinsteren zo!’ Als een straal wordt deze geschreven.
De A heeft iets sterks, maar niet zo triomfantelijk, maar verbazend en rustig stralend. Het gebaar van de verwondering zoals dit in de Latijnse A tot uitdrukking komt, is er een duidelijk teken voor dat de klank niet zonder zin, maar uit een diep taalgevoel ontstaan is.
We luisterden eens naar het verhaal van de sterrendaalders. Het meisje spreidt haar armen uit en roept A en vangt de sterren op.
Het kan een blijmakende beleving zijn voor de leraar om te weten dat het niet nodig is bij de letters die nu sjablonen zijn, kunstmatige beelden toe te voegen. Dat zou onwaar zijn. De letters en woorden zijn als heilige symbolen voor werkzame krachten ontstaan; je moet, zoals Rudolf Steiner gedaan heeft, de verloren gegane wijsheid weer tot leven brengen, dan vind je de echte beelden.
Dat kun je voor de kinderen in vrolijke, tere vormen gieten; het kan vrolijk van vorm zijn, maar op de een of andere manier moet het in de kern waar zijn. Dat geeft in de klas het voedsel om een sterke verbinding met de geestelijke wereld te bewerkstelligen, waarmee de kinderen nog met duizend tere draadjes verbonden zijn.
Zo teer zijn deze draadjes en het is de vraag van het eerste schooljaar of ze breken of sterker worden.
Een eerste klas te hebben is voor de leerkracht misschien wel een bijzonder feest. Vóór kerstmis vroeg ik eens aan de klas: ‘Wat denken jullie, wie van jullie is hier de slimste. Het grootste deel van de kinderen antwoordde daarop met het zalige ‘ik’. Zo harmonisch komen de kinderen uit de hand van schepper, van de ouders bij de leerkracht.
Men spreekt steeds over het geluk van de kinderen. En toch moet het in het onderbewuste voor de ziel moeilijk zijn, pijnlijk zijn mens te worden. Hebben de kinderen de hemel niet verloren? Komen ze niet uit de wereld van de wezens in gene wereld waar het vergankelijke maar een gelijkenis is? Een vraag heeft het kind, die het niet kan uitspreken en die het toch ‘onuitgesproken;’ aan de leraar stelt op ieder uur: kan ik terugvinden wat ik verloren heb?
In echte symboolbeelden beleeft het kind de herinnering. De aarde wordt hem vertrouwd, het leert van de aarde houden.
De vraag van het eerste schrijfonderwijs is slechts ondergeschikt en ze leidt naar de diepste vragen.
Ware beelden zoek je, wanneer je het kind een persoonlijke ziel toedicht. En dit bewustzijn is, dat geloof ik, de hartenklop in de pedagogie van Rudolf Steiner.

Dr. Elisabeth Klein , Erziehungskunst nr.5, jaargang 1930/1931

.[1] De schrijfster zegt: met name in de laatste onderzoekingen wordt dit steeds sterker benadrukt.
Ze geeft echter geen nadere informatie.
Zie voor meer gezichtspunten daarover 
Het leerplan en Haeckel’

[2] Dat is al heel lang zo. De laatste 10 à 15 jaar zie je wel dat op (steeds meer) vrijescholen leesboekjes worden gebruikt. Dit vooral door de druk van de inspectie. Vele boekjes echter hebben, net als in de tijd dat dit artikel geschreven werd, o.a. weinig kunstzinnige illustraties; maar zijn ook weinig (ver)beeldend. Veel ‘An en Jan en de kan en de pan’- gehalte.
Ik had nog de tijd om in de 1e klas veel te oefenen met zelf gemaakte zinnen en verhaaltjes. Half in de 2e klas konden veel kinderen dan  ‘Het bijenboekje’ van Jakob Streit lezen, bv.
[3] Zie voor allerlei aanwijzingen voor het mooi schrijven – materiaalgebruik, houding, letterbeelden enz.  schrijven/lezen
[4] Het is altijd moeilijk om wat in de ene taal wordt beleefd in of aan een klank, te vertalen naar onze taal. De voorbeelden die hier in het Duits worden gegeven Tanne – den; Tat – daad, beginnen in het Nederlands met een d.
[5] Der Prinzessin auf dem Baum
[6] Het dappere snijdertje uit Grimm  nr.20
[7] Zie: spraakoefeningen
[8] Uit de context is niet op te maken welk handschrift bedoeld wordt: blokletters of lopend; zie voor dat vraagstuk: Rudolf Steiner over schrijven
[9] Over het verschil klinker – medeklinker en de verschillende manier van aanleren

.

1e klas: schrijven – alle artikelen

1e klas: Rudolf Steiner over schrijven en lezen

1e klas: alle artikelen

 VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle letterbeelden

903-834

.

VRIJESCHOOL – Schrijven en lezen – alle artikelen

.

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle letterbeelden

[1] Rudolf Steiner over schrijven en lezen: alle artikelen

[2-1De voorbereiding voor het schrijven
Pieter HA Witvliet over: voorbereiding; zit-handhouding; aanwijzingen Audrey McAllen; het belang van beweging en beheersing motoriek; aanwijzingen voor vormtekeningen als voorbereiding op het schrijven; welk schrijfmateriaal; recht en rond; voorbeelden van (verkeerde) schrijfhouding en penvoering.

[2-2De voorbereiding voor het schrijven
Pieter HA Witvliet over: voorbeelden van voor-oefeningen (vormtekeningen); recht en rond; variaties; waar op te letten.

[2-3] 1e klas – schrijven:
Elisabeth Klein over: schrijven in de 1e klas: wat is beeld; klinker-medeklinker.

[2-4] 1e klas – schrijven
G.Hartman over: de uitgangspunten van het schrijven in de 1e klas.

[2-5] 1e klas – schrijven
D.J.van Bemmelen over: de uitgangspunten van het schrijven in de 1e klas. Met voorbeelden van letters.

[2-6] 1e klas – schrijven
Sieglinde Fischer geeft een voorbeeld van hoe je met een zelf bedacht verhaal de kinderen letters kunt aanleren

[2-7] 1e klas – schrijven en lezen
Irmgard Hürsch geeft een voorbeeld van: voor het eerst leren lezen.

[2-8] 1e klas – schrijven
Monique Kok geeft een voorbeeld van het aanleren van een letter (W.

[2-9] 1e klas – schrijven
Rudolf Treichler beschrijft zijn manier om de kinderen letterbeelden aan te leren.(deel van een artikel over de 1e klas; het laatste deel behandelt het rekenen)

[2-10] 1e klas – schrijven
Ingrid Boelens over: de methode José Schraven i.v.m. de door Steiner beschreven methode; autoriteit in de klas.

[2-11] 1e klas schrijven – de omgekeerde weg
Kees Warmerdam
over: het hierboven genoemde artikel van Ingrid Boelens, met dezelfde conclusie: de methode Schraven is géén vrijeschoolmethode; ontwikkelingsgericht contra opbrengstgericht.

[2-12] Ontdekkend leren en lezen
Ewald Vervaet
over: Piaget en Steiner: grote overeenkomsten; onomkeerbaar en omkeerbaar denken bij kleuters; hoe leert een kind lezen – voorbeeld;
Jacqueline van Laerhoven, vrijeschoolleerkracht over ervaringen met de opvattingen van Vervaet.

[2-13] Het eerste schrijfonderwijs
Willy Aeppli
over: beeldschrift bij verschillende volken; kind heeft beeldbewustzijn; kind leeft in beweging; van beeld naar teken; klinker – medeklinker; van beeld naar abstractie.

[2-14] Het belang van de eerste klas op de vrijeschool
D.J. van Bemmelen
over: in alle rust leren schrijven vanuit het beeld; het belang van spel; kunstzinnig onderwijs.

zie 8 voor methodes

[3-1] 1e klas – schrijven
Rudolf Steiner: over wel of geen blokletter schrijven.

[3-2] 1e klas – schrijven
Rosemarie Jänchen over: waarom geen drukletters schrijven

[3-3] Begeleidingsdienst van vrijescholen; Luc Cielen; Pieter Witvliet over blokletters schrijven? Geen blokletters schrijven.

[4] 1e klas: Nederlandse taal waaronder schrijven/lezen

[5] 1e klas: Nederlandse taal waaronder schrijven/lezen

[6] 1e klas: moeilijkheden bij schrijven: gezichtspunten Alfred Bauer

Dyslexie
Men weet eigenlijk niet wat het is

Dyslexie
Balt van Raamsdonkzelf dyslectisch – ontwerpt eigen methode.|
Opmerkelijk veel overeenkomsten met visie van Steiner.

[7] Schrijver Maksim Gorki leert lezen
Olaf Oltmann vertelt over Gorki als vijfjarige die letters leert (uit beelden)

[8-1] Monique Derwig ontwikkelde een schrijfmethode op muziek voor kinderen die met schrijven veel moeite hebben. Allerlei onderdelen vinden we terug in het vrijeschoolonderwijs

[8-2] Jos Bruschke en Ton Baan ontwierpen in 2002 een nieuwe schrijfmethode: schrijven tussen lijntjes wordt losgelaten en schrijven en motoriek passen als een ritssluiting in elkaar

Zie [2-10] 1e klas – schrijven
Ingrid Boelens over: de methode José Schraven i.v.m. de door Steiner beschreven methode.

[9] ‘Uit de oude doos‘.
Marius Lindeman over: moet je wel met kleuters gaan schrijven? Motoriek en vaardigheid.

[9-1]Leren lezen en het belang van motorisch vaardig zijn
Philia de Vries
over: Leuke spelletjes voor in de vakantie….en ook aan de leer- en leesvoorwaarden van je kind werken, het kan!  n.a.v. het boek van Marijke van Vuure: dyslectie en touwtjespringen; het belang van eerst motorisch ‘klaar’ zijn om te gaan schrijven en lezen.

 

[9-2] De waarde van het handschrift bij lezen, schrijven en denken
Manfred Spitzer over: taal; het schrift (beelden naar abstract); wat gebeurt er bij lezen; relatie met denken en hersenwerking; toetsenbordactiviteit voegt voor ontwikkeling niets toe; bijkomende bedreiging voor ogen.

[9-3] Hoe handschrift kinderen helpt bij de ontwikkeling van lezen en schrijven
Set-up to learn over: een onderzoek en experiment: leren kinderen beter schrijven en lezen met een toetsenbord en de programma’s die daar bij horen of door een handschrift te gebruiken; het blijkt dat het handschrift gunstigere resultaten heeft; daarnaast blijkt ‘vrij’ schrijven ook van positieve invloed.

[10] Waarmee laten we onze kinderen schrijven?
J.P. Westerik in een oud artikel met nog verrassende gezichtspunten over: gebruik balpen, vulpen, schrijfhouding, handschrift.

[11] Lezen, een suggestie
Pieter HA Witvliet 
over: voor de beginnende lezer zijn er niet zoveel boekjes met een ‘literaire’ inhoud. Vrijeschoolleerkracht Max Stibbe† stelde een boekje samen met de vertelstof van de 2e klas: de fabels, om deze met de kinderen te lezen.

[12-1] Kinderen lezen slecht? Pisa-scores zeggen niet alles
Gert Biesta over: hoe komt het Pisa-rapport tot stand; voor welke leeftijd (15-16 jaar!) Pisa is beperkt; over de ‘ranglijstdwang’; gevaar Pisa-info groter te maken dan die is.

[12-2] Lezen kan anders
Anne Steenhoff over: dat kinderen slecht lezen, ligt aan ons; minder begrijpend lezen; meer literatuur in de klas; en lees die boeken als leerkracht zelf.

[12-3] De leesvaardigheid daalt, grote kans dat ‘begrijpend lezen’ een van de daders is
Erna van Koeven
over: begrijpend lezen, wat het doet en wat niet; hoe lezen ‘oppervlakkiger’ wordt; géén oppervlakkige teksten; lezen integreren.

[12-4] Achterstand
Evan Naaijkens/ Marjolein Moorman over: méér aandacht voor de wereld: niet alleen technisch lezen; pleidooi voor onderwijs vol verhalen, poëzie en jeugdliteratuur.

[12-5] We doen hier niets geks
School ‘De sterrenpracht’ (geen vrijeschool) over: wat doen wij met leesonderwijs in de 6e klas?
Een pleidooi voor vakkenintegratie en rijke teksten.

Het eerste leesboekje in de geschiedenis van het Nederlandse onderwijs.

.

700-639

.

VRIJESCHOOL – Schrijven en lezen – moeilijkheden bij kinderen

.

(Jelle van der Meulen en Petra Weeda, Jonas *18, 29-04-1983)
.

LEES- EN SCHRIJFMOEILIJKHEDEN BIJ KINDEREN

Alfred Baur: ‘Laat ze rustig letters tekenen van een halve meter hoog

Onlangs* verbleef de logopedist Dr. Alfred Baur uit Oostenrijk enkele weken in ons land voor het geven van cursussen en lezingen.
Zijn werk met ernstig spraakgestoorde kinderen vormde de aanleiding tot het ontwikkelen van een speciale therapie: de chirofonetiek. Daarnaast houdt Baur zich bezig met de begeleiding van kinderen met lees- en schrijfmoeilijkheden. Over dit onderwerp hadden wij een gesprek met hem.

‘Mensen veranderen. Juist aan het feit dat kinderen in toenemende mate lees- en schrijfproblemen hebben, kun je zien dat de menselijke constitutie verandert.’

Alfred Baur kijkt ons weifelend aan. Er valt een stilte waarvan de betekenis ons niet hele­maal duidelijk is. Wacht hij op een volgende vraag? Of heeft hij tijd nodig om naar de vol­gende woorden te zoeken? Of wil zijn weife­lende blik zeggen dat hij er niet helemaal ze­ker van is dat dit het is wat we van hem wil­len horen? Een van ons knikt. Hij wacht nog even, terwijl hij bedachtzaam naar zijn han­den kijkt die uitgespreid op tafel liggen. Dan kijkt hij plots op, laat zijn blik even over on­ze gezichten glijden en vestigt zijn ogen ver­volgens op een punt ergens in de ruimte ach­ter ons.

Zorgvuldig kiest hij zijn woorden. ‘Later zal er misschien een tijd komen dat de mensen het vermogen hebben verloren te leren lezen en schrijven. De oorzaak daarvan ligt in het feit dat onze hersenfuncties veranderen. Dat betekent niet dat de mens slechter wordt. Alleen maar anders. We zullen andere vaar­digheden ontwikkelen, die in de plaats ko­men van vermogens die verdwijnen. Er zal dus wellicht een tijd komen waarin nog maar heel weinig mensen kunnen lezen en schrij­ven. Tegenwoordig echter leven we nog in een tijd waarin we lezen en schrijven drin­gend nodig hebben. Daarom moeten we onze kinderen toch zover brengen dat ze het wil­len leren.’

We praten met Alfred Baur in de verlaten eetzaal van instituut Scorlewald in Schoorl. Baur geeft daar een cursus voor beginnende en gevorderde belangstellenden in de chiro­fonetiek. Het is – naast het geven van lezin­gen over lees- en schrijfstoornissen – een van de belangrijkste onderdelen van zijn verblijf in Nederland.

Sinds 1972 heeft hij zich ingezet voor het verder ontwikkelen van de chirofonetiek – een therapie die vooral geschikt is voor kin­deren die door een ernstige storing in hun ontwikkeling niet of nauwelijks in staat zijn te spreken. De basis van de chirofonetiek is de wetenschap dat er een samenhang bestaat tussen het spraakorganisme en bepaalde de­len van het lichaam, vooral de rug. Baur kwam, zoals hij zelf zegt, door een ‘spe­ling van het lot’ op de gedachte dit funda­mentele gegeven verder uit te werken tot een genezende therapie. Tijdens zijn werk als lo­gopedist kwam hij in aanraking met een drie­jarig jongetje dat volledig stom was. Baur werd zich pijnlijk bewust van het feit hoe moeilijk het is een kind dat niet spreekt, te behandelen. Het vermogen tot spreken zit diep in het lichaam verscholen; ingrijpen van buitenaf, zoals dat bij veel andere handicaps kan, is niet mogelijk. In zijn wanhoop viel Baur terug op een ouderwetse methode die wel voor doofstommen wordt gebruikt, na­melijk het kloppen op de rug onder het uit­spreken van klanken. Deze behandeling vol­deed in het geval van zijn driejarige patiëntje in het geheel niet. Het jongetje vond het heerlijk, maar bleef volledig stom. Toch was Baur ervan overtuigd geraakt dat de rug de plek is waarop iets moet gebeuren. Alleen zou dat ‘iets’ meer moeten lijken op wat er gebeurt bij het spreken. Zo ontstonden bewegingen, met de handen over de rug gemaakt, die overeenkomen met het stromen van de adem door de longen naar de mond wanneer men een bepaalde klank uitspreekt. Iedere klank heeft zijn eigen beweging. Baur kent de beperkingen van zijn therapie. ‘Chirofonetiek is een tamelijk omslachtige en intensieve behandeling. Het kan bij veel ziek­tes een genezende werking hebben, maar ik vind het het meest zinvol voor ernstig spraakgestoorde kinderen, en zeker  niet voor kinderen met lees- en schrijfstoornis­sen.’

Alfred Baur is door zijn werkzaamheden als logopedist in een neurologisch-psychiatrisch ziekenhuis in Oostenrijk en in een instituut voor spraaktherapie al jarenlang geïnteres­seerd in lees- en schrijfproblemen. Over de ideeën die hij over dit probleem heeft ont­wikkeld, zal ons gesprek met Baur gaan. Een tijdsverschijnsel, aldus Baur, dat we in de toekomst steeds vaker zullen gaan waarne­men bij lagere schoolkinderen en dat daarom ook een toenemende aandacht zal vragen van ouders en leerkrachten. Iedere leerkracht die al wat langer werkzaam is in het basisonderwijs, weet dat kinderen in toenemende mate moeilijkheden ondervin­den bij het leren lezen en schrijven. Behalve met de overbekende spellingsproblemen, zo­als de d’s, de t’s, de dt’s en de dd’s in de werkwoordsvervoegingen en de ei’s en ij’s, de au’s en ou’s, de effen en veeën, wordt de leerkracht ook geconfronteerd met schrijf­fouten als tlup in plaats van tulp, valg in plaats van vlag. Het zijn spelfouten die niet samenhangen met bepaalde specifieke spelproblemen die iedere taal kent, maar met het vermogen – of beter: onvermogen – om klan­ken weer te geven met abstracte letterte­kens. Naar Baurs oordeel is het een symp­toom van een veel omvangrijker verschijnsel, dat enerzijds samenhangt met veranderingen in de constitutie van de mensen en ander­zijds met ongunstige invloeden die vanuit de cultuur inwerken op het zich ontwikkelende kind. Hij beschouwt het als een probleem waartegen de scholen in zijn algemeenheid niet opgewassen zijn.

Alfred Baur:
‘De vrijeschoolpedagogie kan problemen op dit gebied voorkomen. Maar dat is niet helemaal voldoende voor de pro­blemen die opduiken. We moeten iets extra’s ondernemen. Op zeker moment houdt het op een pedagogisch probleem te zijn en moet er naar een therapeutische benadering wor­den gezocht. We kunnen de kinderen opvoe­den, zo goed als we dat kunnen, maar de omstandigheden kunnen toch zo zijn, dat een kind desalniettemin niet leert lezen en schrijven. Er zijn hele begaafde, fantasievolle kinderen die van alles kunnen en willen leren, maar niet de minste aandrang hebben tot het lezen en het schrijven’.

Alfred Baur onderscheidt twee typen kinde­ren die moeilijk leren lezen en schrijven.:
‘Het eerste is het fantasievolle kind, dat zich voor alles interesseert, behalve uitgerekend voor het lezen en schrijven. Zoiets als rekenen geeft minder problemen; het lezen en schrij­ven kan ze gestolen worden.

Het tweede ty­pe is anders. Zo’n kind heeft moeite met het begrijpen van de dingen; hij blijft al gauw achter met zijn taalontwikkeling, leert pas laat spreken en blijft ook een beetje achter in zijn sociale ontwikkeling. Hij kan niet scherp waarnemen hoe een bepaalde vorm er precies uitziet, heeft weinig vat op zijn lichaam en kan bijvoorbeeld minder goed boompje klimmen dan zijn vriendjes. Fietsen leert hij met moeite, haalt links en rechts door elkaar en dergelijke.
Het eerste, fantasievolle kind heeft een peda­goog nodig die hem kan motiveren, die dat ‘suffe gedoe van het lezen en schrijven’ appetijtelijk kan maken, even interessant als de rest van de wereld.
Met het tweede type ligt het allemaal wat anders, moeilijker.’

Hij pakt een vel papier en een potlood en begint een vorm te tekenen.
‘Je moet je eigenlijk eerst realiseren waarmee die kinderen nou precies moeilijkheden hebben. Zoiets als dit is ka­rakteristiek voor ze.’

Hij trekt een lijn in de vorm van een halve peer.

schrifproblemen 1

‘Als je kinderen van het tweede type vraagt de peer af te maken, dan blijkt dat ze dat nauwelijks kunnen. Daarvoor is nodig dat ze de lijn die ik hier tekende niet precies zo na­tekenen, want dan ontstaan twee halve peren naast elkaar. Nodig is dat ze deze lijn kunnen spiegelen. Ze moeten innerlijk een exacte te­genbeweging kunnen maken van hetgeen ze met hun ogen op het papier zien. Eigenlijk moeten ze zich van binnen los kunnen ma­ken van wat ze zien, ze moeten zich los kun­nen maken van het nabootsen en precies het tegenovergestelde in zichzelf voltrekken. Maar dat is nou net wat ze niet kunnen.’

Baur laat zijn potlood aarzelend over het pa­pier glijden, als het ware zoekend naar de ‘tegenvorm’. Wat ontstaat is een verwrongen peer. ‘

‘Vaak beginnen ze goed, maar houden het niet vol. Halverwege de spiegelende lijn gaan ze ineens nabootsen, zodat dit ont­staat.’
Hij laat het resultaat zien (tekening).

‘Veel van de schrijfproblemen van deze kin­deren vloeien voort uit het onvermogen in­nerlijk te spiegelen. Ze schrijven bijvoorbeeld tein in plaats van tien. Of ze schrijven de let­ters omgekeerd, zodat er ‘Adfel’ staat in plaats van Apfel.’

schrjifproblemen 2

 

schrjifproblemen 3

Waardoor ontstaat dat onvermogen?

Alfred Baur: ‘Tot ongeveer het zevende le­vensjaar leert een kind door na te bootsen. Een innerlijk spiegelende beweging maken, zoals met het voorbeeld van de peer, kan een kind van vier nog niet. Dat moet je ook niet aan een kind van vier vragen. Zo’n kind doet anders dan het spiegelen. 
Met het zevende levensjaar treedt een belangrijke verandering op in het kind. Je zou kunnen zeggen dat de levenskrachten die tot op dat moment inwerkten op het fysieke lichaam van het kind en dat lichaam opbouwden, nu vrij komen en een andere taak krijgen. Die levenskrachten worden nu gebruikt om een innerlijke ‘ruimte’ te scheppen, een innerlijk leven waardoor het kind een meer bewuste verhouding met zijn omgeving kan krijgen. De levenskrachten maken zich in zekere zin los van het lichaam en krijgen een andere functie. In de antroposofische wetenschap wordt dat de geboorte van het etherlichaam genoemd. Door het vrij worden van de krachten van het lichaam, krijgt  het kind het vermogen om te spiegelen. Hij kan van binnen iets doen, een voorstelling scheppen, die in spie­gelende zin tegengesteld is aan iets dat hij buiten zichzelf waarneemt en dat hij tot dan toe alleen maar kon nabootsen. In het voorstellingsleven van een kind moet het spiegelende zich bewust gaan voltrekken.

Bij de kinderen van het tweede type voltrekt dat loslaten van de levenskrachten zich niet on­gestoord – het is alsof die krachten niet kun­nen loskomen van het lichaam. Die innerlijke ruimte ontstaat daardoor niet zoals dat zou moeten: er ontstaat geen innerlijke stevigte waarmee ze de wereld tegemoet kunnen tre­den. Ze worden niet zelfstandig, zoals een schoolkind eigenlijk moet zijn.

Bij het eer­ste type, het fantasievolle kind, geeft dit geen problemen. Die rooien het meestal wel.

Aan een complex van verschijnselen kun je’, aldus Baur, ”zien dat kinderen problemen kunnen hebben bij het overschrijden van de ‘zevenjaargrens’.

Baur: ‘Die kinderen kun­nen zich bijvoorbeeld niet losmaken van de moeder, blijven aan de rokken hangen, ge­dragen zich bij tijd en wijle als zuigelingen en worden geen schoolkind. Het kenmerkende van een schoolkind, dat zoals dat heet ‘schoolrijp’ is geworden, is juist dat het er plezier in heeft weg te gaan uit huis om naar school te gaan. Zo’n kind huilt minder, blijft niet aan de moeder plakken, maar gaat eropuit. Een kind bij wie het losmaken van de le­venskrachten zich niet goed voltrekt, wil niet weg, wil alsmaar thuis spelen, durft niet naar buiten, heeft geen vriendjes en is vaak huile­rig. Het punt is – en dat is belangrijk om in te zien – dat de leerproblemen niet pas op de school ontstaan, maar daarvoor al aanwezig waren. Nu kun je gaan psychologiseren en je afvragen: hebben de ouders het fout gedaan enzo. Veel ouders van zulke kinderen heb­ben schuldgevoelens, gaan vaak gebukt onder zelfverwijten en maken zo het probleem nog groter. Het punt is dat het geen psycholo­gisch, maar een ‘leibliches’ fenomeen is. Het is juist in onze tijd moeilijk zich het proces te laten voltrekken van het vrij worden van de lichaamsgebonden levenskrachten. In on­ze cultuur zijn er allerhande factoren die lang voor het zevende jaar zo hebben inge­werkt dat de geboorte van het etherlichaam wordt bemoeilijkt’.

Welke factoren zijn dat?

Alfred Baur: ‘Het begint al met het moment van conceptie. Door geboorteregeling is dat vaak beïnvloed. Ook het moment van ge­boorte is nogal eens gemanipuleerd; op zon­dag kun je niet geboren worden, want dan heeft de dokter een vrije dag. Je kunt ook niet meer midden in de nacht geboren wor­den, want dan slaapt de dokter. Hoe vaak wordt er tegenwoordig niet een keizersnede gebruikt op het moment dat het goed uit­komt? Het kind komt niet meer op de we­reld op het moment dat het zelf wil. Vervol­gens komen steeds meer kinderen in de cou­veuse, die hebben die tijd eigenlijk helemaal geen moeder. Zo’n hospitalisering werkt na­delig in op de ontwikkeling van het kind. En dan de moedermelk. In de kliniek al is het vaak zo dat om praktische redenen het kind op bepaalde tijdstippen wordt gevoed en niet wanneer het kind of de moeder dat wil. Eigenlijk is onze cultuur kindvijandig. Neem nou de televisie. De inhoud, de beelden kan het kind nog niet waarnemen, het ziet alleen maar het geflakker, het geflikker op het scherm. Daar wordt een kind nerveus van; het zenuwstelsel wordt er door belast. We weten zelfs dat het geflikker van het beeldscherm bij mensen die daar gevoelig voor zijn epilep­tische aanvallen kan oproepen. Er zijn zoveel factoren! Van geen kun je zeggen: die is de schuldige, of die… Het zijn allemaal factoren waarvan we kunnen aannemen dat ze de ontwikkeling van een kind niet ten goede komen. Al die factoren kunnen er mijns in­ziens toe leiden dat het vrij komen van de le­venskrachten zich niet op de juiste wijze meer kan voltrekken. Er kunnen werkelijk grote complicaties ontstaan. Het kind kan de dingen niet goed en scherp waarnemen, het blijft innerlijk in de ziel afhankelijk van de moeder. Het wordt, kort gezegd, niet schoolrijp’.

Spraakcentrum

‘Alhoewel een kind niet schoolrijp is, kan het natuurlijk wel leren. Maar het gaat moei­lijker. Dat spitst zich toe met het leren lezen en schrijven, want lezen en schrijven is nog een stukje moeilijker dan bijvoorbeeld reke­nen. Als we schrijven doen we in de grond van de zaak iets dat geen innerlijke zin heeft. Het is innerlijk zinloos.’

Hij pakt weer een vel papier en begint te te­kenen.
‘Kijk, als ik hier een appel teken, dan heeft dat iets met een appel te maken. Maar als ik de abstracte tekens a-p-p-e-l neer­schrijf, dan doe ik iets zinloos. Wij geven die tekens een zin, omdat we met elkaar afspre­ken dat het teken a voor een klank staat, en het teken p, enzovoorts. Het is de conventie dat de tekens betekenis geeft. Vanuit zich­zelf hebben ze die niet. Als we een appel te­kenen zeggen we niet: we spreken met elkaar af dat deze vorm een appel betekent, maar we zien eenvoudig dat de vorm die van een appel is. Er is een samenhang tussen de
teke­ning en de vrucht. Als we schrijven doen we dat met onze handen, meestal met de rech­terhand. Er bestaat een verband tussen het schrijven met de hand en het spraakcentrum in onze hersenen, het zogenaamde Broka’s spraakcentrum. Dat centrum hangt met het spreken samen, is actief als we spreken. Het staat in verbinding met het motorische spraakcentrum in onze keel. Welnu, als ik met mijn handen die tekens neerschrijf, dan gaat dat eigenlijk in tegen hetgeen zich in mijn denken voltrekt. Het is, hoe zal ik dat zeggen, net zoiets als wanneer ik een bril wil opzetten, maar hem feitelijk op tafel leg. Je doet iets anders dan je wilt doen. Het spraak­centrum wil een spraakbeweging in werking zetten; dat gebeurt echter niet, er gebeurt iets heel anders. Er wordt geschreven. Abstracte, zinloze tekens worden op papier ge­zet. Dat druist eigenlijk in tegen de beweging die door het centrum in werking wordt ge­zet. Schrijven is iets dat geen samenhang heeft met wat het spraakcentrum eigenlijk wil. Daarom is het voor kinderen zo moeilijk te leren schrijven. Voor het fantasievolle kind is het iets saais, iets wezenloos. Zo’n kind zegt: het leukste is om een appel te eten. Daama is het het leukste om een appel te tekenen. Schrijven heeft echter niets met een appel te maken en is daarom eenvoudig weg oninteressant. Zo’n kind denkt er niet over om vanuit zichzelf de tekens a-p-p-e-l neer te graveren. Zo’n kind heeft een inner­lijke weerzin tegen het schrijven omdat het niets met de werkelijkheid te maken heeft. Dat is een pedagogisch probleem. Met een beetje vindingrijke pedagogen wordt dit pro­bleem in de klassen opgelost. Met het tweede type kind ligt dat echt anders.’

Hij pakt weer een stuk papier en schrijft de letters Bsht op. ‘

schrjifproblemen 4

Je moet je maar eens voor­stellen voor wat voor een problemen die kin­deren staan. Het zijn nou net de problemen waartegen ze niet opgewassen zijn, omdat er geen innerlijke ruimte is waarin ze de dingen zelfstandig kunnen laten voltrekken. We ho­ren de woorden in de ruimte om ons heen. Bij het schrijven moet die driedimensionale ruimte worden omgevormd in een tweedi­mensionale. De tekens moeten op het platte vlak verschijnen. Daar komt dan nog bij dat taal met de tijd te maken heeft. Het een komt na het ander. De klankvolgorde B-l-e-i-s-t-i-f-t moet tot grafische vorm worden. Waar het om gaat, is dat er een innerlijke stevigte nodig is zo’n proces in jezelf als het wa­re na te doen, om er zo afstand van te kun­nen nemen dat je het zijn weerslag kunt la­ten vinden in grafische tekens. Dat is onge­hoord moeilijk! Kinderen die die innerlijke ruimte niet hebben, kunnen dat niet en schrijven dan Bsht. De rest kunnen ze inner­lijk niet vasthouden. Tsja, en dan zijn er lera­ren die laten zo’n kind honderd keer Bleistift opschrijven. Honderd keer onder elkaar. Ze denken dan dat dat helpt, dat het kind zich bij de honderdeneerste keer wel herin­nert dat het Bleistift is en niet Bsht. Maar zo gaat dat niet. Zo gaat dat echt niet. Leren schrijven gaat niet langs de weg van instam­pen en instampen. Waar het om gaat is dat zo’n kind oefeningen krijgt waardoor het bewust wordt van hetgeen er zich van bin­nen voltrekt. Er moet iets gebeuren waar­door de levenskrachten los komen van het
lichaam en aangewend kunnen worden voor het opbouwen van een innerlijke ruimte. Het moet innerlijk beweeglijk worden, een liqui­de beweeglijkheid moet ontstaan, waardoor hij los komt van het strikt nabootsende.’

Oefeningen

Als we Baur naar oefeningen vragen, noemt hij ondermeer die waardoor het spiegelende vermogen wordt aangesproken. Hij tekent slingerende lijnen op het papier en zegt: ‘Het kind moet proberen het exacte spiegelbeeld ernaast te tekenen. Hij ondervindt dat dat moeilijk is, hij ervaart de innerlijke weer­stand die erdoor wordt opgeroepen. Dat is belangrijk. De oefeningen moeten hem als het ware wakker maken in het gebied waar zijn probleem ligt. Hij moet in de innerlijke ruimte getrokken worden. Een ander voor­beeld, voor kinderen die moeite hebben met het scherp neerschrijven van de lettertekens (‘slordig’ schrijvende kinderen dus), is het schrijven met de voet.

Schrijven met de voet?

Baur: ‘Ja, schrijven met de voet. Door zo’n oefening verbind je de wil van het kind met de vorm van zo’n letter. Hij moet veel be­wuster kijken en in zich opnemen hoe zo’n letterteken eruit ziet. Het is een heel inspan­nende bezigheid. Daar wordt zo’n kind wak­ker van. Ik geloof dat je het deze kinderen juist heel moeilijk moet maken. Maar dan bedoel ik écht moeilijk. Ze moeten die moeite als een innerlijke realiteit ervaren. Kijk, je kunt natuurlijk zeggen: die abstractie is juist toch heel moeilijk voor kinderen? Maar dat is eigenlijk niet het geval. Daarvan is niet het probleem dat het moeilijk is, maar dat het niet interessant voor ze is. Dat is heel iets anders. Door ze bijvoorbeeld met de voet te laten schrijven, wordt het op zo’n manier moeilijk voor ze dat ze er iets mee kunnen beginnen. Het is een moeilijkheid die ze in­nerlijk herkennen, die de wil opwekt’.

schrjifproblemen 5

 

Baur vertelt hoe hij samen met de ouders het geval van een kind dat niet leert lezen en schrijven, een plan opstelt.
‘Ik zeg tegen die ouders dat het heel moeilijk is, maar dat het kan. Als zij dan zeggen dat ze het willen, dan zullen we de klus klaren. Ik maak bijvoor­beeld een soort van weekrooster waarop het kind moet invullen welke oefeningen hij op maandag, dinsdag enzovoorts heeft gedaan. Van tevoren vertel ik het kind dat hij niet langer dan twintig, maar ook niet minder dan tien minuten per dag moet oefenen. Per dag moet het kind het aantal minuten invul­len. Aan het eind van de week telt hij de mi­nuten bij elkaar op en brengt het rooster naar me toe. Daar praten we dan over. U vindt dit misschien schoolmeesterachtig, maar mijn ervaring is dat kinderen van dit soort afspraken houden. Tenminste na het zevende jaar. Ik heb ontdekt (hij begint te lachen) dat kinderen altijd eerlijk zijn met zo’n rooster. Of ouders er altijd even eerlijk mee omgaan, dat betwijfel ik wel eens…’

Andere oefeningen: het buitensporig groot schrijven van de lettertekens. ‘Jawel, laat ze rustig letters tekenen van een halve meter hoog. En het schrijven langs lijntjes. Drie lijntjes… Eén waar de letters op rusten, één waar ze naar boven toe niet overheen mogen komen, zoals de k’s en de I’s en een lijn er tussen in, om aan te geven hoe hoog letters als de e, de a, de v en de z mogen worden.’ Na even praten, merken we dat Alfred Baur een hele toverdoos vol heeft met dit soort oefeningen.

Mensen veranderen

Tot dusver is duidelijk geworden dat het toe­nemen van het aantal kinderen dat lees- en schrijfproblemen heeft, samenhangt met het proces dat zich rond het zevende jaar vol­trekt en dat nadelig wordt beïnvloed door al­lerhande factoren die in onze cultuur een rol zijn gaan spelen. Maar dat merkte Baur op naar aanleiding van het tweede type kind. Ook over het eerste type, het fantasievolle kind, zegt Baur dat het in toenemende mate voorkomt. Er moeten dus nog andere dan genoemde oorzaken zijn waardoor het verschijnsel steeds vaker optreedt. In het begin zei hij er al iets over: het veranderen van de menselijke constitutie.

Alfred Baur: ‘Het hoogtepunt van de mate­rialistische cultuur lag in het midden van de vorige eeuw. Het interessante is dat wie in die tijd ‘dom’ heette te zijn, ook niet kon le­zen en schrijven. Omgekeerd kun je dat ook zeggen: wie niet goed kon lezen en schrijven, was eenvoudigweg dom. Tegenwoordig is dat anders. Er zijn vele intelligente, fantasievolle en overigens zeer begaafde mensen, die de grootste moeite hebben met lezen en schrij­ven. Intelligentie en schrijfvermogen waren in die tijd identiek. Als je niet kon schrijven, kon je ook geen bankdirecteur worden. Ik denk dat dat tegenwoordig anders is…(lacht). Wanneer je nog verder terug gaat in de tijd, naar de Griekse, Egyptische, Perzische en de Indische cultuur, dan zul je zien dat intelli­gentie en schrijfvermogen ook niet identiek waren. De menselijke constitutie in die tijd was eenvoudigweg anders; men kon andere dingen, had andere vaardigheden. Ook naar de toekomst toe zal zich dat naar mijn me­ning opnieuw veranderen. De tijd dat het om dingen als abstractievermogen gaat, is al aan het voorbij gaan; we stellen het al minder op prijs dan de mensen uit de vorige eeuw. So­ciale vaardigheden, fantasie, beeldend den­ken… dat zal in toenemende mate belangrijk worden in onze cultuur. Dat komt door een veranderende constitutie. Je ziet het aan de kinderen: ze dragen een goudmijn van ver­mogens in zich – misschien niet lezen en schrijven! – en zoeken de weg waarlangs ze dat naar buiten kunnen brengen. Dat is de taak van het onderwijs, het vinden van het­geen de kinderen nog verborgen met zich meenemen als ze op aarde komen. Ze willen in het onderwijs de schoffels en beitels vin­den waarmee ze hun goudmijn kunnen del­ven. De kinderen zijn niet minder intelligent dan vroeger, maar geloof me, ze zijn geschik­ter voor het jagen en vissen dan voor het le­zen en schrijven!
Niettemin is het belangrijk dat ze dat leren. Dat zal in toenemende mate minder vanzelf gaan. Het zal er steeds meer om gaan dat de kinderen in hun wil worden aangesproken en dat ze op basis van die wil leren lezen en schrijven’.

.

 

Rudolf Steiner over schrijven en lezen: alle artikelen

Schrijven en lezen: alle artikelen

Leerproblemen: alle artikelen

.

691-631

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schrijven en lezen (2)

.
tekst in blauw van mij; in groen van Steiner; in zwart de vertaling daarvan. ‘Niet vertaald’ wil zeggen: er is geen officiële vertaling; deze vertaling is dan van mij. Verbetersuggesties welkom: vspedagogie at gmailpuntcom
.

Wanneer Steiner over het aanleren van schrijven en lezen sprak, benadrukte hij het feit dat de letters die we nu schrijven abstracties zijn. Lijntjes in een bepaalde vorm. Die lijntjes hadden ook anders kunnen staan, want voor de klank maakt het niet uit hoe ze staan: er is geen relatie vorm-klank, vorm-betekenis.

In oude culturen was dat volgens Steiner wel het geval.

Sumerisch letterteken

(The Sumerians, their history and culture and character- Samuel Noah Kramer-University of Chicago Press)

Het beeld van een hoofd. De verticale streepjes geven de mond aan. De betekenis is: “mond”, maar tegelijkertijd ook “spreken”.

De letter is dus een eindfase. Een sintel, zeg maar, ten opzichte van het vuur – de levendige ver- en uitbeelding van veel meer dan in het symbool kon worden weergegeven.

Steiner wil – om het kind een verbinding te kunnen laten maken met wat het gaat leren – niet met die sintel beginnen, maar met het vuur en dat is voor hem het beeld – de veel vollere werkelijkheid dan de streepjes en de boogjes.
.
GEEN HISTORISCHE BEELDEN

Het is niet zo dat je nu als leerkracht alle beelden zou moeten kennen, waaruit onze letters tevoorschijn zijn gekomen.

Solche Dinge, solche Bilder muß man selber finden. Man braucht nicht das historisch Gegebene zu suchen. Man sollte die freie, gezügelte Phantasie wirken lassen und Vertrauen haben zu dem, was man selber findet; auch für Tätigkeitsformen, zum Beispiel für das S. Was Sie selbst erarbeiten!

Zulke beelden moet men zelf vinden. Men hoeft niet te zoeken naar wat historisch gegeven is. Men moet de vrije, beheerste fantasie laten werken en vertrouwen hebben in datgene wat men zelf vindt; ook voor vormen van activiteiten, bijvoorbeeld voor de S. Wat u zelf weet te ontdekken! [1]
GA 295/20  
Vertaald/20

=

Man braucht nun nicht etwa die Geschichte so weit zu stu­dieren, daß man die alte Bilderschrift wieder in der Schule lebendig werden läßt. Aber es ist gut für den Lehrer, seine künstlerische Phantasie so wirken zu lassen, daß er zunächst das Kind malen läßt, Formen zeichnen läßt, die durchaus dasjenige wiedergeben, was das Kind empfindet, in dem das Kind lebt.

Je hoeft de geschiedenis niet zo ver te bestuderen dat je het oude beeldschrift op school weer nieuw leven inblaast. Maar het is goed voor de leraar om zijn kunstzinnige fantasie zo te laten werken dat hij het kind eerst laat schilderen, vormen laat tekenen die uiteraard dat weergeven wat het kind ervaart, wat in het kind leeft.
GA 297a/148
Vertaald

=

Es kommt nicht darauf an, die Buchstabenform so zu entwickeln, wie es historisch ist, denn das ist in verschiedenen Gebieten ver­schieden, sondern daß dieser ganze Duktus des Weges aus dem Künstlerischen heraus erneuert wird. Man braucht nicht historische Formen zu bringen.

Het komt er niet op aan de lettervorm zo te ontwikkelen zoals die historisch is, want dat is in verschillende gebieden anders, maar dat het hele verloop van de karakteristieke vormgeving uit het kunstzinnige vernieuwd wordt. Je hoeft niet met historische vormen te komen.
GA 300B/69
Niet vertaald 

=

Sehen Sie, da kann man ja natürlich, wenn man wenig Erfindungs­geist hat, so vorgehen, daß man zum Beispiel die ägyptische Bilderschrift oder eine andere Bilderschrift nimmt und dann versucht, aus ge­wissen Formen dieser Bilderschrift die heutigen konventionellen Buch­stabenformen herauszubekommen. Aber das hat man nicht einmal nötig. Es ist ja nicht notwendig, daß wir uns ganz halten an den reali­stischen Gang der Menschheitsentwicklung.

Kijk, je kan natuurlijk als je niet zo vindingrijk bent, als voorbeeld het Egyptische beeldschrift nemen of een ander beeldschrift en dan proberen uit bepaalde vormen van dit beeldschrift de tegenwoordige conventionele lettervormen te herleiden. Maar dat is helemaal niet nodig. Het is helemaal niet nodig om je te houden aan hoe het werkelijk in de ontwikkeling van de mensheid ging.
GA 301/79
Op deze blog vertaald/79

=

Es braucht nicht immer der Fall zu sein, daß wir in dieser Weise gerade just das treffen, was die Menschheitsentwicklung selber durch­gemacht hat. Wir können durchaus unsere freie Imagination spielen lassen; denn es kommt nicht darauf an, daß das Kind wirkliche Kul­turgeschichte wiederholt, sondern daß es in der Art, die einmal sich abgespielt hat, nun auch von dem Künstlerischen, dem Zeichnerisch­-Bildhaften in die abstrakte Schriftform hineinkommt.

Het hoeft niet altijd zo te zijn dat wij op deze manier precies datgene tot stand brengen wat de mensheidsontwikkeling zelf heeft doorgemaakt. We kunnen zeer zeker ook onze vrije fantasie een rol laten spelen. Want het gaat er niet om dat het kind echt de cultuurgeschiedenis herhaalt, maar dat het op de wijze waarop de dingen zich ooit hebben afgespeeld, nu ook vanuit het kunstzinnige, het teken-beeldachtige element tot het abstracte schriftteken komt.
GA 303/165 

Vertaald/180
                                                                   =

Da ist es nicht nötig, daß wir nun immer historisch zurückgeben, wie aus der Bilderschrift wirklich in solcher Weise unsere heutige Schrift entstanden ist. Das ist gar nicht nötig, wir brauchen nicht kul­turhistorische Pädagogik zu treiben. Wir brauchen nur selber uns hineinzufinden, etwas durch die Phantasie beflügelt, dann werden wir in allen Sprachen die Möglichkeit finden, von charakteristischen Wor­ten auszugehen, die wir ins Bild verwandeln können und aus denen heraus wir dann erst die Buchstaben gewinnen.

Het is niet nodig die wij steeds historisch weergeven hoe uit het beeldschrift daadwerkelijk op zo’n manier (van beeld naar abstractie) het huidige schrift ontstaan is. Dat is helemaal niet nodig; wij hoeven geen cultuurhistorische pedagogie te bedrijven. We hoeven ons er alleen maar zelf in in te leven, iets door de fantasie geïnspireerd, dan zullen wij in alle talen de mogelijkheid vinden om van karakteristieke woorden uit te gaan die we in een beeld kunnen veranderen en daarvan kunnen we dan de letters afleiden.
GA 306/81
Op deze blog vertaald/81

=

Indem ich dies immer weiter ausbilde, hole ich aus dem malenden Zeichnen und dem zeichnenden Malen die Schriftzeichen heraus, wie sie auch entstanden sind. Ich bringe nicht das Kind in ein Zivilisations­stadium hinein, das mit ihm noch nichts gemeinschaftlich hat, sondern ich führe es so, daß niemals sein Verhältnis zur Außenwelt abreißt. Da muß man, wenn man nicht gerade Kulturgeschichte studieren will -denn aus der Bilderschrift ist die heutige Schrift entstanden, aber Kul­turgeschichte studieren braucht man gar nicht -, man muß nur seine Phantasie in Schwung bringen; denn dann bringt man das Kind dazu, aus dem malenden Zeichnen das Schreiben zu gestalten.

Doordat ik dit [het werken vanuit het beeld] steeds verder ontwikkel, haal ik uit het schilderend tekenen en het tekenend schilderen de schrifttekens op de manier zoals ze ook zijn ontstaan. Ik breng het kind niet in een stadium van beschaving waarmee het nog niets gemeen heeft. Integen­deel, ik leid hem zo dat zijn relatie tot de buitenwereld nooit afbreekt. Als je je niet wilt verdiepen in cultuurgeschiedenis – want uit het beeldschrift is het huidige schrift wel ontstaan, maar cultuurgeschiedenis hoef je echt niet te gaan studeren – dan moet je slechts je fantasie in gang zetten. Want dan breng je het kind ertoe om uit het schilderend tekenen het schrijven te ontwik­kelen.
GA 310/58-59 
vertaald/61-62

=

Man braucht nun nicht auf diese ursprünglichen Charaktere zu­rückzugehen, aber man kann erfinden. Erfinderisch muß der Lehrer sein; er muß aus dem Geiste der Sache heraus schaffen.

Je hoeft niet terug te gaan op deze oorspronkelijke karakters, je kunt ze zelf bedenken. De leerkracht moet vindingrijk zijn; hij moet uit de aard van de zaak creatief zijn.
GA 311/32
Op deze blog vertaald/32

Volg de link tussen de haken naar andere onderwerpen uit Steiners visie op schrijven en lezen:

[1]  onze huidige lettervormen zijn ontstaan in het verleden; de vormen staan niet meer in verband met hun oorsprong; voor kinderen zijn het (wezens-)vreemde tekens

[3] om de beelden te kiezen die voor het kind een letter gaan worden, is het van het grootste belang het wezenlijke verschil tussen klinker en medeklinker in acht te nemen.

[4] hoofdletter of kleine letter
De hoofdletter uit het oorspronkelijke Latijnse schrift. Het eerste schrijven is meer een tekenen: het gaat om het beeld en de klank.

[5] de conventionele letter wordt aangeleerd vanuit een beeld, eerst schilderend/tekenend of tekenend/schilderend; Steiners voorbeelden daarvan uit alle pedagogische voordrachten.

[6] de menskundige achtergronden van de schrijf- en leesmethode. Kunstzinnig werken: schilderen/tekenen; maar ook: vanuit de wil; totale mens – deel mens:hoofd; abstractie en intellect(ualisme); allerfysieks-halffysiek-bovenfysiek

[7] over de manier van leren lezen: van het geheel naar de delen – maar niet fanatiek; over leesmethodes (uit zijn tijd): spelmethode, klankmethode, normaalwoordenmethode; deze in verband gezien met het verschil klinker-medeklinker (zie [3])

[8] Steiners methode, mits consciëntieus gevolgd, kost meer tijd dan reguliere methodes. Dat wordt heden ten dage nog steeds schromelijk verward met ‘achter lopen’.

Schrijven en lezen: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: letterbeelden

.

681-622

.





VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over schrijven en lezen (1)

.
Tekst in blauw van mij; in groen van Steiner; in zwart de vertaling daarvan. ‘Niet vertaald’ wil zeggen: er is geen officiële vertaling; deze vertaling is dan van mij. Verbetersuggesties welkom: vspedagogie  voeg toe  apenstaartje  gmail.com
.

Als een rode draad loopt door heel het vrijeschoolonderwijs Steiners opvatting dat het onderwijs ‘levend’ moet zijn. Kinderen bruisen van leven en als het onderwijs of de opvoeding dat bruisen wil ondersteunen en niet tegenwerken of remmen, dan moet de aangeboden leerstof ook zoveel mogelijk bruisen. Dat betekent dat er bij het schrijven en lezen niet begonnen wordt met een eindproduct: de huidige letter, maar met een activiteit vergelijkbaar met het eerste schrijven in de beschaving van de mensheid, waarbij letters aanvankelijk alleen maar beelden waren om uiting te geven aan wat men bedoelde. Langzamerhand zijn deze beelden tot letters geworden en letters zijn dus te beschouwen als een eindproduct. Steiner wilde niet bij dit eindproduct beginnen, maar bij de beleving. M.a.w. niet bij de sintel, maar bij het vuur; niet bij de steen, maar bij het brood.

In zijn talloze opgetekende pedagogische voordrachten brengt hij dit onderwerp ter sprake.

Hier volgen de meeste passages:

Betrachten Sie nur äußerlich, wenn Sie heute dem Kinde Lesen und Schreiben beibringen, wie dieses Lesen und Schreiben eigentlich in der allgemeinen Kultur drinnensteht. Wir lesen, aber die Kunst des Lesens hat sich ja im Laufe der Kulturentwickelung herausgebildet. Die Buch­stabenformen, die entstanden sind, die Verbindung der Buchstaben-formen untereinander, das alles ist eine auf Konvention beruhende Sache.

Werpt u eens een vluchtige blik op de plaats die het lezen en schrij­ven, dat u het kind bijbrengt, eigenlijk inneemt in de cultuur in het algemeen. Wij lezen, maar de kunst van het lezen heeft zich zoals u weet in de loop van de culturele ontwikkeling gevormd. De vormen van de letters die zijn ontstaan, de verbinding van de lettervormen onderling, dat alles berust op conventie.
GA 294/8    
Vertaald/9

=

Wir müssen den Menschen allmählich zum Schreiben und Lesen hinführen. Denn wer sähe nicht, daß die Buchstaben, wie wir sie heute haben, etwas Konventionelles sind?

We moeten de mens langzamerhand tot schrijven en lezen brengen. Maar wie ziet dat de letters, zoals we die nu hebben, iets conventioneels zijn? 
GA 297/108
Op deze blog vertaald
/108

=

Wenn Sie zurückgehen auf die ältesten Formen der ägyptischen Schrift, die noch eine Zeichenschrift war, so finden Sie überall in den Buchstaben Nachahmungen von solchen Dingen. Und im Übergange von der ägyp­tischen Kultur in die phönizische hat sich das erst vollzogen, was man nennen kann: Entwicklung von dem Bilde zu dem Zeichen für den Laut.

Wanneer u terug gaat naar de oudste vormen van het Egyptische schrift, dat nog getekend werd, dan vindt u overal dat de letters nabootsingen zijn. En in de overgang van de Egyptische naar de Fenicische cultuur heeft zich de ontwikkeling van het beeld naar het teken voor de klank voltrokken. In de eerste tijden van de ontwikkeling van het schrift was het in Egypte zo dat eenvoudig alles wat opgeschreven diende te worden, door middel van beelden werd opgeschreven, werd getekend. Er werd dan wel zo getekend, dat men moest leren de tekening zo eenvoudig mogelijk te maken. Wie fouten maakte werd, als hij was aangesteld om deze beeldentaal te schrijven, bijvoorbeeld ter dood veroordeeld wanneer hij een heilig woord verkeerd opgeschreven had. In het oude Egypte nam men deze dingen die met het schrijven verband hielden zeer serieus. Maar toen was ook alles wat geschreven was een beeld.
GA 294/70
Vertaald//77

=

Dasjenige, was heute unsere Lesezeichen, unsere Schriftzeichen sind, ist ja im Grunde genommen etwas sehr Abgeleitetes. Man sehe nur einmal zurück auf die Urschriften – nicht auf die primitiver Völker -, zum Beispiel auf die der hochentwickelten ägyptischen Kultur, man sehe, wie da die Schrift noch etwas war, was durchaus künstlerisch gestaltet war. Das hat sich im Laufe der Zeit allmählich abgeschlif­fen. Unsere Schriftzeichen sind sozusagen konventionelle Zeichen geworden.

Dat wat tegenwoordig onze leessymbolen, onze schrifttekens zijn, is op de keper beschouwd iets wat in hoge mate van iets is afgeleid. Men moet eens terugblikken op het oerschrift, bv. van de hoogontwikkelde Egyptische cultuur en je ziet hoe het schrift daar nog in hoge mate kunstzinnig vorm werd gegeven. Dat is in de loop van de tijd vervlakt. Onze schrijftekens zijn zogezegd conventionele tekens geworden.
GA 297/168
Op deze blog vertaald/168

=

Wir sollen dem Kind beibringen das Lesen, das Schreiben der Schrift; aber gegenüber dem, was im Menschen lebt, ist ja die Schrift, das Gedruckte längst innerhalb der menschlichen Zivilisation etwas ganz Abstraktes geworden, etwas, was Zeichennatur angenommen hat und nicht mehr in innigem Zusammenhang steht mit dem vol­len, ursprünglichen, elementaren Seelenleben des Menschen. Nicht voll, aber doch einigermaßen gibt die äußere Kulturgeschichte über solche Dinge einigen Aufschluß. Wenn wir zurückgehen in die verschiedenen Kulturen, finden wir die Bilderschrift, wo allerdings in dem, was äußerlich fixiert wurde, bildhaft festgehalten wurde, was man eigentlich meinte. Es war in der älteren Kultur die Schrift nicht bis zu einer solchen Abstraktheit des bloßen Zeichens gebracht worden, wie das heute der Fall ist. Wir bringen in der Tat, wenn wir in der gewöhnlichen Weise Lesen oder Schreiben lehren, an das Kind etwas heran, was zunächst gar nicht mit seiner Natur ver­wandt ist.

We moeten het kind leren lezen en schrijven. Maar met betrekking tot wat er in de mens leeft, is het schrift, het gedrukte, allang in de menselijke beschaving iets heel abstracts geworden, symboolkarakter heeft aangenomen en niet meer innig samenhangt met het volle, oorspronkelijke, elementaire zielenleven van de mens. Niet volledig, maar toch enigszins laat de cultuurontwikkeling daarvan wat zien. Wanneer we teruggaan in de verschillende culturen, vinden we het beeldschrift, waarin zeer zeker uiterlijk bewaard gebleven is, als beeld vastgehouden, wat men ermee bedoelde. In de antieke cultuur is het schrift niet tot zo’n abstractie kunnen komen, zoals dat nu het geval is. Wij geven het kind wanneer we het op de gewone manier leren lezen en schrijven, iets wat in eerste instantie helemaal niets te maken heeft met zijn natuur.
GA 297a/24-25
Op deze blog vertaald/24-25 
    

=

Diese Buchstaben sind ja der menschlichen Natur etwas ganz Frem­des. Denken Sie nur daran, wie in früheren Zeiten eine Bilderschrift bestanden hat, eine Bilderschrift, die vor allen Dingen dadurch ent­standen ist, daß im Bilde dasjenige nachgeahmt wurde, was wahr­genommen worden war. Da war die Schrift ganz nahe bei dem, was man wahrnahm. Da hatte die Schrift etwas unmittelbar mit dem Menschen Zusammenhängendes. Im Verlaufe der Zivilisations­entwicklung haben sich die Buchstabenformen losgelöst vom Men­schen.

De letters zijn in de menselijke natuur iets heel vreemds. Denk er alleen eens aan hoe in vroeger tijden een beeldschrift heeft bestaan, een beeldschrift ontstaan is doordat in hoge mate in het beeld nagebootst werd wat men waargenomen had. Toen stond het schrift heel dicht bij wat men waarnam. Toen had het schrift direct iets wat met de mens samenhing. In verloop van de cultuurontwikkeling zijn de lettervormen los komen te staan van de mens.
GA 297a/148
Vertaald/
=

Das Lesen und Schreiben, wie wir es als erwachsene Menschen zu unserem menschlichen Verkehr oder zur Aufnahme von irgendwelchen Dingen des geistigen und sonsti­gen Lebens gebrauchen, ist ja so beschaffen, daß im Lesen die Zeichen, die unsere Worte zusammensetzen, die Zeichen für unsere Buchstaben, schon etwas ganz Konventionelles geworden sind. Ältere Völker haben noch eine Bilderschrift gehabt; in dieser Bilderschrift lag etwas Anschau­liches. Da war noch eine Beziehung zwischen dem, wodurch man schreibend etwas ausdrückte, und demjenigen, was ausgedrückt werden sollte. In unseren Buchstaben ist nichts mehr zu erkennen von dem, was ausgedrückt werden soll. Wenn man daher die Buchstaben so einfach den Kindern lehrt, wie sie ja in langer Entwicklung erst geworden sind, dann zwingt man das Kind an etwas ihm Fremdes heran.

Met het lezen en schrijven zoals wij dat als volwassen mensen in het sociale verkeer gebruiken of nodig hebben om wat dan ook van het geestelijk leven of wat dies meer zij op te tekenen, is het zo gesteld dat in het lezen de tekens waaruit onze woorden bestaan, de tekens voor onze letters, nu iets heel conventioneels zijn geworden. Oudere volkeren hadden nog een beeldschrift; in dit beeldschrift was iets aanschouwelijks. Er bestond nog een relatie tussen dat waardoor men schrijvend iets uitdrukte en wat uitgedrukt moest worden. In onze letters is niets meer te herkennen van wat uitgedrukt moest worden. Wanneer je dan de letters simpelweg aan kinderen aanleert zoals ze in een lange ontwikkeling zijn geworden, dan dring je de kinderen iets op wat hun vreemd is.
GA 298/73-74
Vertaald/15

=

Nicht wahr, wir haben die Aufgabe, die Kinder schreiben zu lehren. Ja, aber so wie die Schrift heute ist, ist sie ein vorgerücktes Kulturprodukt. Sie ist dadurch entstanden, daß sich im Laufe der Mensch­heitsentwicklung aus einer Bilderschrift unsere heutige, rein schon bis zum Konventionellen abstrakte Schrift entwickelt hat. Wenn man versucht, ältere Schriften, ich will sagen, die ägyptische Bilderschrift, sich noch in ihrem ganzen Grundcharakter vor die Seele zu führen, dann sieht man, wie ursprüngliche menschliche Veranlagung davon ausgegangen ist, die Außenwelt nachzuzeichnen.

We hebben de taak de kinderen te leren schrijven. Maar zoals het schrift tegenwoordig is, is het een cultuurproduct dat zich verder ontwikkeld heeft. Het is ontstaan doordat in de loop van de mensheidsontwikkeling uit een beeldschrift onze huidige, helemaal tot conventie geworden abstracte schrift zich ontwikkeld heeft. Wanneer je probeert je in te leven in de wezenlijke eigenschappen van ouder schrift, bv. het Egyptische beeldschrift, dan zie je hoe de oorspronkelijke menselijke aanleg begonnen is de buitenwereld na te tekenen.
GA 301/78
Op deze blog vertaald/78 

=

Denken Sie jetzt, wir bringen das Kind dazu, wenn es uns in die Schule hereingebracht wird, einfach in der gewöhnlichen Weise sich an dasjenige anpassen zu müssen, was zunächst ganz äußerlich an die Menschennatur herangetreten ist: Lesen und Schreiben. Dieses Lesen und Schreiben in unserer heutigen Form tritt ja ganz äußerlich an die Menschennatur heran. Dasjenige, was man da anschaut, was man macht im Schreiben, das wurde in verhältnismäßig nicht so weit zurückliegenden Zeiten noch ganz anders gemacht: es wurden Bilder gemacht; es erinnerte also nicht bloß in Zeichenart an die Wirklichkeit, sondern es bildete die Wirklichkeit ab.

Stelt u zich nu voor dat we een kind er toe brengen, als het onze school binnenkomt, zich op de gewone manier aan te passen aan dat wat zich als eerste heel uiterlijk tot de menselijke natuur richt: lezen en schrijven. Dit lezen en schrijven in de huidige vorm benadert de menselijke natuur heel uiterlijk. Wat je daar ziet, wat er bij het schrijven wordt gedaan, dat werd in tijden die relatief niet zo lang geleden zijn, heel anders gedaan: er werden afbeeldingen gemaakt; dat herinnerde de mens dus niet alleen op tekenachtige wijze aan de werkelijkheid, maar het beeldde die werkelijkheid af.
GA 302/128
vertaald/125-126

=

Sehen Sie, Sie brauchen sich ja nur vor die Seele zu rufen, was für Schreck­liches wir eigentlich tun, wenn wir ohne weiteres sechs-, sieben-, acht­jährigen Kindern das Schreiben und Lesen beibringen. Man rückt sich das nicht oft genug in aller Härte vor die Seele. Denn, indem das Kind aufwächst bis zum 6., 7., 8. Jahre, bringt es wirklich nichts mit sich, was es hinweisen könnte auf jene kleinen dämonischen Dinge, die da auf dem Papier vor es hintreten, oder die es gar nachmachen soll. Es gibt keine menschlichen Beziehungen zu den heutigen Buchstabenfor­men. Daher müssen wir uns klar sein darüber, daß eigentlich zwischen dem, was sich im späteren Verlaufe der Menschheitszivilisation als Schrifttum herausgebildet hat und demjenigen, was das Kind ist in seinem 7. Jahre etwa, ein furchtbare Kluft ist. Wir müssen dem Kinde heute etwas beibringen, nach dem es ganz sicher gar nicht begehrt, da­mit es in die heutige Zivilisation hineinwachsen kann. Und wenn wir das Kind nicht durchaus verderben wollen, so müssen wir eben in der Weise vorgehen, daß wir das Kind in diesen Jahren so anpacken, wie es angepackt sein muß, damit die Entwicklungshemmungen wegkom­men und es allmählich geführt wird nach Hinwegräumung der Ent­wicklungshemmungen zu dem Standpunkt der Seele, zu den Ver­fassung der Seele, wo die erwachsenen Leute in derjenigen Kultur­periode standen, als die heutigen Schriftformen entstanden sind. Die Natur des Kindes gibt ja natürlich selbst Veranlassung dazu.

Je hoeft je maar in te leven in wat voor vreselijks we eigenlijk doen, wanneer we zonder meer zes- zeven- achtjarige kinderen schrijven en lezen bijbrengen. De realiteit daarvan kan men niet vaak genoeg onder ogen zien. Want wanneer het kind opgroeit tot het 6e-, 7e-, 8e jaar brengt het echt niets mee  waardoor het zou worden gewezen op die kleine duiveltjes die daar op het papier voor zijn neus staan of die het graag na zou willen bootsen. Er bestaat geen menselijke relatie tot de huidige lettervormen. Daarom moet het voor ons helder zijn dat er eigenlijk tussen wat zich in het latere verloop van de beschaving als schrift ontwikkeld heeft en hoe het kind is als 7-jarige, een enorme kloof gaapt. We moeten het kind tegenwoordig iets bijbrengen, waar zijn verlangen zeer zeker niet naar uitgaat, opdat het in de huidige beschaving mee kan komen. En als we het kind beslist niet willen bederven, moeten we dus op die manier te werk gaan, dat wij het kind in deze jaren zo behandelen als het behandeld moet worden, dat de ontwikkeling niet geremd wordt en dat we het na het opruimen van wat de ontwikkeling remt, kunnen verplaatsen in de belevingswereld van de volwassenen uit die cultuurperiode waarin de schriftvormen ontstonden. De aard van een kind geeft daar natuurlijk zelf aanleiding toe.
GA 302a/89
Niet vertaald

=


Wir müssen natürlich heute einem Kinde Schreiben beibringen. Ich muß gestehen, ich finde in mir kein Geschmacksurteil, das unmittelbar aus dem Menschlichen heraus mir Antwort geben würde, ob ein Kind schreiben lernen soll oder nicht, nur aus der Betrachtung der Zivilisationsentwicklung heraus ergibt es sich. Die Menschheit ist heute dabei angekommen, daß ein gewisser Zivilisationsinhalt auf dem Schrift- und Leseweg wirkt. Nun müssen wir, damit das Kind nicht für eine andere, sondern für diese Welt er­zogen wird, dem Kinde Lesen und Schreiben beibringen. Das ist ja etwas, was wir als Bedingung der Zivilisation hinnehmen müssen, und so mussen wir die Entwicklungshemmungen wegschaffen, die dadurch, daß man in einem gewissen Zeitalter lebt, auch wiederum an den Men­schen herankommen.

We moeten natuurlijk tegenwoordig het kind leren schrijven. Ik moet wel bekennen dat ik in mijzelf geen esthetisch waardeoordeel vind dat direct vanuit het menselijke mij een antwoord zou kunnen geven of een kind moet leren schrijven of niet, behalve dan vanuit de optiek van de ontwikkeling van de beschaving. De mensheid is daarbij nu op een punt gekomen dat er vanuit een bepaalde kwaliteit van de beschaving invloed uitgaat op de ontwikkeling van schrijven en lezen. Nu moeten wij, omdat het kind niet voor aan een andere, maar voor deze wereld opgevoed wordt, het kind lezen en schrijven bijbrengen. Dat is iets wat we moeten accepteren als een eis van de beschaving; en dus moeten we wat de ontwikkeling remt, waarmee de mens te maken krijgt omdat hij in een bepaalde tijd leeft, opruimen.
GA 302a/100  
Niet vertaald

=

Wenn wir das Kind in die Schule hereinbekommen und uns nun aufgetragen ist, das Kind muß so schnell wie möglich zum Beispiel schreiben lernen, so könnte man ja versucht sein, die Buchstabenformen – die sich nun einmal innerhalb der heutigen Zivilisation aus dem Handgelenk der Menschen loslösen, wenn sie etwas fixieren wollen für den Mitmenschen -, so wie sie sind, an das Kind heranzu­bringen. Ja, aber diese Buchstabenformen sind ja etwas, wozu das Kind, wenn es den Zahnwechsel begonnen hat und in die Volksschule herein­kommt, nicht die allergeringste menschliche Beziehung hat. Als noch menschliche Beziehungen zum Schreiben waren, wie war es denn da? Man sehe nur zurück in ältere Kulturperioden: als zum Schreiben noch menschliche Beziehungen waren, da hatten die Alten auf den Täfelchen oder Pergamenten Bildchen fixiert, die noch etwas Ähn­liches hatten mit dem, was man angesehen hat. Da war eine mensch­liche Beziehung zwischen dem, was man da aus dem Bilde herausge­stalten mußte, und demjenigen, was in der Umgebung war. Die Ent­wicklung der menschlichen Zivilisation hat das durchgemacht, daß diese noch aus der menschlichen Natur herauskommenden Formen all­mählich durch alle möglichen Übergangsformen zu dem geworden sind, was heute ein A oder ein B oder ein E ist, zu denen es gar keinen mensch­lichen Bezug mehr gibt. Das Kind, das uns in seinen Neigungen in vieler Beziehung das­jenige zeigt, was frühere Kulturstufen dargeboten haben, verlangt einen menschlichen Bezug zu dem, was man von seinem Willen verlangt. Wir dürfen ihm nicht die abstrakten Formen beibringen, die die Buch­staben zum Beispiel angenommen haben. Wir müssen Menschliches in künstlerischer Weise gerade dann an das Kind heranbringen, wenn es uns beim beginnenden Zahnwechsel zur Schule übergeben wird.

Als het kind bij ons op school komt en ons is opgedragen het kind zo snel mogelijk te leren schrijven, dan zou je geneigd kunnen zijn de lettervormen – die nu eenmaal binnen onze huidige beschaving uit het handgewricht van de mens vrijkomen wanneer hij voor zijn medemens iets wil vastleggen – zoals ze zijn aan het kind aan te bieden. Ja, maar deze lettervormen zijn iets waarmee het kind wanneer de tandenwisseling begonnen is en het op de basisschool komt niet de minste menselijke relatie heeft. Toen die menselijke relatie met het schrijven er wel was, hoe was dat toen? Kijk dan terug in oudere cultuurperioden: toen het schrijven nog op de mens betrokken was; toen legden de antieken op tabletten of perkament tekentjes vast die nog iets leken op wat men waargenomen had.

Toen was er nog een menselijke relatie tussen wat men in het beeld vorm moest geven en wat er in de omgeving aanwezig was. In de ontwikkeling van de menselijke beschaving is het zo gegaan dat deze nog uit de menselijke natuur stammende vormen langzamerhand door alle mogelijke overgangsvormen geworden zijn tot wat tegenwoordig een A of een E is, waarmee helemaal geen verbinding meer bestaat. Het kind dat ons in zijn neigingen in vele opzichten laat zien wat vroegere cultuurfasen voortgebracht hebben, wil in een menselijke verbinding komen met wat we van hem verlangen te doen. We mogen hem niet de abstracte vormen bijbrengen die bv. de letters aangenomen hebben. We moeten wat bij de mens hoort op een kunstzinnige manier het kind aanbieden, wanneer het aan ons met de beginnende tandenwisseling op school wordt toevertrouwd.
GA 303/163-164  
Vertaald/178

=

Heute leben wir in einem Zeitalter, wo unser Schreiben und Lesen bereits konventionelle Zeichen hervorgebracht hat, die in keiner Unmit­telbaren, inneren Beziehung zum Menschen stehen. Vergleichen Sie die abstrakten Buchstaben unserer Schrift mit demjenigen, was in älteren Zeiten die Menschheit als Bilderschrift gehabt hat. Da wurde noch dasjenige fixiert in der Schrift, was man wirklich vorstellte. Heute ist die Schrift abstrakt geworden. Bringen wir diese abstrakte Schrift unmittel­bar an das Kind heran im Lesen und Schreiben, so bringen wir etwas Fremdes an das Kind heran, etwas was jedenfalls nicht für das sechste, siebente oder achte Jahr taugt. Daher erfolgt bei uns in der Waldorf­schule der Unterricht in einer anderen Weise. Wir beginnen überhaupt nicht mit den abstrakten Buchstaben im Lesen und Schreiben, sondern wir arbeiten aus dem Künstlerischen heraus.

Tegenwoordig leven we in een tijdperk waarin ons schrijven en lezen bijna alleen conventionele tekens heeft voortgebracht die niet rechtstreeks een innerlijke relatie tot de mens hebben. Vergelijk de abstracte letters eens met het beeldschrift dat de mensheid in oude tijden heeft gehad. Toen werd in het schrift nog vastgelegd wat men werkelijk dacht. Tegenwoordig is het abstract geworden. Wanneer we dit abstracte schrift meteen aan het kind aanleren bij het lezen en schrijven, dan brengen we het iets wezensvreemd bij, iets wat in ieder geval niet goed is vóór het zesde, zevende of achtste jaar. Daarom vindt bij ons in de vrijeschool het onderwijs op een andere manier plaats. Wij beginnen absoluut niet met de abstracte letters bij het lezen en schrijven, maar we werken vanuit het kunstzinnige.
GA 304/47-48
Op deze blog vertaald/47-48    

=

Das Lesen ist zunächst etwas, das im heutigen Zustande, im heutigen Menschenleben dem Kind eigentlich  recht fremd liegt. Wenn wir in Urzeiten, in frühere Zeiten zurückgehen, da haben wir noch eine Bilderschrift, da liegt noch in dem einzelnen Schriftzug etwas, was bildhaft zu dem Gegenstande, der bezeichnet werden soll, hinführt. In unserer Zeichenschrift haben wir nichts mehr, was in unmittelbarer Weise anknüpfend an die unmittelbaren Seelenkräfte, das Kind hinführen würde zu dem, was bezeichnet wird.

Het lezen is allereerst iets zoals het nu is, in het huidige leven van de mens, iets wat voor het kind er eigenlijk heel vreemd uitziet. Wanneer we in oertijden, in vroegere tijden teruggaan, dan is er nog een beeldschrift, dan heeft het karakteristieke schrift iets, wat op een beeldende manier terugvalt op het voorwerp dat bedoeld wordt. In ons lettertekenschrift zit niets meer dat onmiddellijk aansluit bij wat meteen beleefd kan worden en wat het kind zou kunnen brengen bij wat bedoeld wordt.
GA 304/110-111
Op deze blog vertaald/110-111
=

Die Menschheit hatte zuerst eine Bilderschrift, die sich durchaus aus der äußeren Realität konkret ergeben hat und die sich dann erst in unsere Zeichenschrift, die vollends abstrakt geworden ist, umgewandelt hat.

De mensheid had eerst een beeldschrift dat helemaal concreet voortgekomen is uit de uiterlijke werkelijkheid en dat dan een verandering heeft doorgemaakt tot in ons lettertekenschrift dat volledig abstract geworden is.
GA 304/152
Niet vertaald

=

Wir lehren das Kind nicht von vornherein die abstrakten Buchstaben kennen. Das gibt kein menschliches Verhältnis zu den abstrakten Geheimzeichen, die in einer zivilisierten Kultur die Buchstaben sind. Die Schriftzeichen sind etwas Abstraktes.

Wij leren het kind niet meteen de abstracte letters aan. Er is geen menselijke verbinding met de abstracte geheime tekens wat in een beschaafde cultuur de letters zijn. De schrifttekens zijn iets abstracts.
GA 304a/99
Niet vertaald

=

Denken Sie doch einmal, daß das Kind in etwas hineinwachsen muß, was ihm zunächst fremd ist. Nehmen wir zum Beispiel unsere Schrift, die aus wirklich von uns nicht mehr in ihrer vollen Ästhetik empfunde­nen «Buchstaben» zusammengesetzt ist, wo wir den einen Buchstaben an den anderen reihen, um Worte und Sätze zustande zu bringen. Die heutige Schrift hat sich ja aus etwas anderem entwickelt: aus der Bilderschrift. Aber die Bilderschrift älterer Zeiten hatte noch ein lebendiges Verhältnis zu dem, was sie ausdrückte, wie einen lebendigen Bezug auch das Dargestellte hatte zu dem, was es bedeutete. Heute müssen wir schon gelehrte Studien machen, wenn wir den besonders kleinen Kobold, den wir als a bezeichnen, zurückführen wollen auf den Moment, wo das, was durch den Buchstaben a an dieser oder jener Stelle eines Wortes ausgedrückt werden soll, empfunden werden soll.

Denkt u zich eens in dat het kind in iets thuis moet raken wat hem in eerste instantie vreemd is. Laten we als voorbeeld ons schrift eens nemen, dat wordt samengesteld uit letters waarvan  de volle glans echt niet meer door ons wordt ervaren wanneer we de ene letter aan de andere vastmaken om woorden of zinnen te maken. Het huidige schrift heeft zich ergens anders uit ontwikkeld: uit het beeldschrift. Maar het beeldschrift uit vroeger tijden stond nog in een levendige relatie tot dat wat het tot uitdrukking bracht,  hetgeen dat werd gebruikt was levendig verbonden met de betekenis. Tegenwoordig moeten we al geleerde studies maken wanneer we de kleine kabouter die we ‘a’ noemen terug willen voeren tot het ogenblik waarop je zou ervaren wat door de letter ‘a’ op deze of gene plaats in een woord uitgedrukt werd.

GA 304a/113
Niet vertaald

=

Aber was hat das Zeichen, das wir auf dem Papier haben zum Lesen, mit diesem Laut zu tun? Das Kind hat kein Verhältnis zu dem, wie die Schrift heute ist. Gehen wir zurück in frühere Kulturen, finden wir, daß die Schrift nicht so war. Der Mensch malte selbst dasjenige, was er ausdrücken wollte. Sehen Sie sich die ägyptische Bilderschrift an: Die hat Verhältnis zum Menschen. Wir müssen wieder dazu zurückkehren, dem Kinde zunächst dasjenige, was es auszudrücken hat, im Bilde auszudrücken.

Maar wat heeft het teken dat op papier staat om te lezen met de klank te maken? Het kind heeft er geen verbinding mee hoe het schrift nu is. Als we teruggaan naar vroegere culturen, vinden we dat het schrift niet zo was. De mens ‘schilderde’ zelf hetgeen wat hij tot uitdrukking wilde brengen. Kijk naar het Egyptische beeldenschrift: dat heeft een relatie met de mens.
GA 304a/157
Niet vertaald

=

Nun bedenken Sie: diese Buchsta­ben, die wir schreiben, die wir lesen, wie fremd sie eigentlich dem Menschen sind! Sie sind so fremd, daß, als die Europäer, diese «besseren Menschen» nach Amerika kamen – noch in den vierziger Jahren des 19. Jahrhunderts sind Beispiele davon vorhanden -, da sagten die Indianer: Die Europäer haben da solche merkwürdigen Dinge auf dem Papier stehen, und das schauen sie an, und dann sprechen sie aus dasjenige, was da auf dem Papier steht, das sind kleine Teufel! – sagten die Indianer, und die Europäer, «die Blaßgesichter» nennen sie sie ja, die bedienen sich dieser kleinen Teufel! – Für das Kind sind die Buchstaben genauso wie für die Indianer kleine Dämonen; denn das Kind hat keine Beziehung zu 304a/173 den Buchstaben. Und wir ertöten ungeheuer viel, wenn wir das Kind gleich zum Lesen führen. Es hat gar keinen Sinn für denjenigen, der die Dinge überschaut. Darum sagt eine auf das Wirkliche der Menschenerkenntnis gehende Erziehungsmethode: Schaue dir einmal an, wie die Menschen im alten Ägypten geschrieben haben, wo sie noch notiert haben, was sie gesehen haben, das haben sie ins Bild gebracht; daraus sind die ersten unserer heutigen Buchstaben entstanden. – Er schrieb nicht Buchstaben auf, er malte Bilderschrift. Die Keilschrift hat eine ganz ähnliche Grundlage. Der Sanskritschrift sieht man es heute noch an, wie sie aus dem Bild hervorgegangen ist. Denken Sie sich: das ist der Weg, den die Mensch­heit gemacht hat, um zu den heutigen abstrakten Buchstaben zu kom­men! Nun führen wir das Kind an die heutigen abstrakten Buchstaben heran, zu denen es gar kein Verhältnis hat! Was hat man zu tun? Das hat man zu tun, daß man das Kind zunächst gar nicht mit Schreiben und Lesen plagt, sondern malendes Zeichnen, zeichnendes Malen an das Kind heranbringt.

Denk je eens in: deze letters die we schrijven, die we lezen, hoe vreemd zijn die eigenlijk voor de mens. Ze zijn zo vreemd, dat toen de Europeanen, die “betere mensen” in Amerika kwamen – er zijn nog voorbeelden uit de jaren veertig van de 19e eeuw – de Indianen zeiden: ‘De Europeanen hebben toch van die merkwaardige dingen op papier staan en daar kijken ze naar en dan spreken zij uit wat op papier staat, het zijn duiveltjes’, zeiden de Indianen en de Europeanen, de ‘bleekgezichten’ worden ze genoemd, die maken gebruik van die duiveltjes!’
Voor een kind zijn de letters precies zo als voor de Indianen: kleine demonen; want het kind heeft geen verbinding met de letters. En we helpen heel wat om zeep, wanneer we het kind meteen aanzetten tot lezen. Voor degene die de zaken overziet heeft het helemaal geen zin. Daarom zegt een zich op de essentie van mensenkunde teruggaande opvoedingsmethode: Kijk hoe de mensen in het oude Egypte geschreven hebben, waar ze nog vastgelegd hebben, wat ze zagen, dat hebben ze verbeeld. Het spijkerschrift heeft ook die basis. Aan het Sanskriet zie je tegenwoordig nog hoe het uit het beeld ontstaan is.
Bedenk: dat is de weg die de mensheid is gegaan om tot de huidige abstracte letter te komen. Nu geven we het kind die abstracte letters van nu waarmee het geen verbinding heeft. Wat moet je doen? Wat je moet doen is het kind niet lastig vallen met schrijven en lezen, maar het schilderend laten tekenen of tekenend laten schilderen.
GA 304a/172/173
Niet vertaald

=

Es ist aber in einem gewissen Sinne etwas durchaus Unnatürliches, wenn man in der gegenwärtigen Zeit auf einer vorgerückten Zivili­sationsstufe der Menschheit das Kind in seinem 6. oder 7. Lebensjahre unmittelbar veranlaßt, die Formen der Lesezeichen und des Schreibens nachzubilden, die üblich sind. Wenn man dasjenige in Betracht zieht, was man heute als Buch­staben hat für das Lesen und Schreiben, so muß man sich sagen, daß kein Zusammenhang besteht zwischen demjenigen, was das Kind in seinem 7. Jahre aus seiner Veranlagung heraus gestalten will, und diesen Buchstaben. Man bedenke, daß die Menschheit, als sie angefangen hat zu schreiben, sich malerischer Zeichen bedient hat, die eine Sache oder einen Vorgang der Außenwelt nachahmten; oder es wurde aus dem Willen heraus geschrieben so, daß die Schriftformen Wil­lensvorgänge zum Ausdruck brachten, wie zum Beispiel bei der Keil­schrift. Aus dem, was als Bilderschrift entstanden ist, entwickelten sich erst die ganz abstrakten Buchstabenformen, auf die heute das Auge geheftet wird oder die aus der schreibenden Hand heraus sich formen. Bringen wir dem ganz jungen Kinde diese Buchstaben bei, so fügen wir ihm etwas ganz Fremdes zu, was gar nicht seiner Natur entspricht. Wir müssen uns aber klar sein darüber, was das bedeutet, wenn wir etwas Fremdes in das Kind, in den ganzen kindlichen Organismus einfach hineinschieben. Es ist so, wie wenn wir das Kind frühzeitig daran ge­wöhnen würden, ganz enge Kleider zu tragen, die ihm nicht passen, und die dann seinen Organismus ruinieren. Heute, wo man, ich möchte sagen, nur oberflächlich beobachtet, sieht man eben nicht ein, was im späteren Alter an Hemmungen im eigenen Organismus da ist, einfach aus dem Grunde, weil man in falscher Weise mit dem Lesen und Schrei­ben an das Kind herangekommen ist.

Het is echter in zekere zin volstrekt iets onnatuurlijks wanneer men in de tegenwoordige tijd, in een gevorderd stadium van de beschavingsgeschiedenis van de mensheid, het kind op zijn zesde of zevende levensjaar rechtstreeks de gebruikelijke vormen laat nabootsen van de leestekens en het schrift.
Wanneer men bekijkt wat men tegenwoordig gebruikt als letters voor het lezen en schrijven, dan moet men tot de slotsom komen, dat er geen samenhang bestaat tussen deze letters en hetgeen het kind op zijn zevende jaar vanuit zijn aanleg vorm wil geven. Men bedenke, dat de mensheid toen zij begon te schrijven zich van beeldende tekens bediende, die een zaak of gebeurtenis uit de buitenwereld nabootsten, ofwel werd er vanuit de wil zodanig geschreven, dat de schriftvormen wilsprocessen tot uitdrukking brachten, zoals bijvoorbeeld in het spijkerschrift. Uit hetgeen als beeldschrift is ontstaan ontwikkelden zich pas de abstracte lettervormen waarop tegenwoordig het oog gevestigd wordt, of die door de schrijvende hand gevormd worden.

Brengen wij het zeer jonge kind deze letters bij, dan bieden wij het iets volkomen vreemds, iets dat in het geheel niet aan zijn natuur beantwoordt. Het moet ons echter duidelijk voor ogen staan, wat het betekent als wij botweg het kind, het hele kinderlijke organisme, iets vreemds opdringen. Het is alsof wij het kind er van jongs af aan aan zouden wennen te kleine kleren te dragen, die hem niet passen, en die zo zijn gehele organisme ruïneren. Tegenwoordig, nu men, ik zou willen zeggen, nog slechts oppervlakkig waarneemt, ziet men nu eenmaal niet in, welke remmingen op latere leeftijd in het eigen organisme aanwezig zijn, alleen al daarom, dat men op de verkeerde manier met het lezen en schrijven het kind heeft benaderd.
GA 305/96-97
Vertaald/83-84
                                                    =

Wenn man aber dem Kinde so etwas vorhält: VATER, und dann soll es das, was sein Vater ist, irgendwie mit dem in Zusammenhang bringen – da macht natürlich das innere Menschenwesen Opposition. 306/66 Diese Dinge, wodurch sind sie denn entstanden? Denken Sie doch nur einmal, die alten Ägypter haben noch eine Bilderschrift gehabt. Da haben sie in dem, was sie bildhaft fixiert haben, eine Ähnlichkeit gehabt mit dem, was das bedeutet hat. Diese Bilderschrift hatte noch eine bestimmte Bedeutung – auch die Keilschrift hatte noch eine be­stimmte Bedeutung, nur drückte diese mehr das willkürliche Ele­ment aus, während das gemüthafte Element mehr in der Bilderschrift ausgedrückt wurde – ja, bei diesen älteren Schriftformen, namentlich wenn man sie lesen sollte, kam einem das zum Bewußtsein: die hat­ten noch etwas zu tun mit dem, was dem Menschen in der Außenwelt gegeben ist. Aber diese Schnörkel da an der Tafel, die haben nichts zu tun mit dem «Vater», und just damit soll nun das Kind anfangen sich zu beschäftigen. Es ist gar kein Wunder, daß es das ablehnt. Nämlich mit dem Schreiben und Lesen ist im Zahnwechselalter die menschliche Natur am wenigsten verwandt, mit jenem Schreiben und Lesen, wie wir es jetzt in der Zivilisation haben – denn das hat sich entwickelt dadurch, daß die Erwachsenen das Ursprüngliche fortge­bildet haben. Nun soll das Kind, das erst jetzt in die Welt gekommen ist, das aufnehmen. Noch trat an das Kind nichts heran von all den Kulturfortschritten, und es soll sich jetzt plötzlich in ein späteres Sta­dium hineinfinden, das nichts damit zu tun hat, wo alles ausgelassen ist, was zwischen heute und Ägypten liegt. Ist es zu verwundern, daß das Kind sich da nicht hineinfinden kann?

Wanneer je een kind zoiets als dit: ‘VADER’ voor zijn neus houdt, dan zou het daarmee wat zijn vader is, in verband moeten brengen – daar verzet de innerlijke mens zich tegen. Deze dingen (de letters) waardoor zijn ze ontstaan? Denk er eens aan dat de oude Egyptenaren nog een beeldschrift bezaten. In wat ze beeldend hebben vastgelegd zat een overeenkomstigheid met wat het betekende. Dit beeldschrift had nog een bepaalde betekenis – ook het spijkerschrift had dat nog, al drukte dit wel meer iets willekeurigs uit, terwijl het gevoelselement meer tot uitdrukking kwam in het beeldschrift –wanneer je deze oudere schrijfvormen zou moeten lezen, zou je te weten komen: die hebben nog iets te maken met wat de mens in de buitenwereld gegeven is.  Maar het krulwerk dat op het bord staat heeft met ‘vader’ niets van doen en moet het kind zich daarmee nu bezig gaan houden? Het is geen wonder, dat het dat niet echt wil.
In de leeftijd rond de tandenwisseling namelijk heeft de mensennatuur het minst affiniteit tot schrijven en lezen, zoals we dat nu in onze beschaving hebben, want dat heeft zich zo ontwikkeld dat de volwassenen het oorspronkelijke verder vorm hebben gegeven.
En nu moet het kind dat net op de wereld is, dit oppakken. Het kind heeft nog niets meegekregen van alle cultuurontwikkeling en nu moet het plotseling zich thuis voelen in een latere fase, die niets te maken heeft met, waarin alles weggelaten is, wat tussen nu en Egypte ligt. Is het een wonder dat het kind daarmee geen verbinding kan krijgen?
GA 306/65
Op deze blog vertaald/65

=

Wenn wir in irgendeiner Zivilisation dasjenige betrachten, was die Lettern, die Buchstaben sind, die gelernt werden müssen zum Schreiben und zum Lesen, so müssen wir uns doch sagen, daß in diesen Buchstaben, in alledem, was der Mensch aufs Papier bringen muß, nichts ist, was in einer ursprünglichen, elementaren Beziehung zum Menschen steht. Es ist im Laufe der Zeit dasjenige, was 307/264 Schrift ist zum Beispiel, durchaus etwas Konventionelles geworden. Das war es nicht ursprünglich. Wir brauchen nur daran zu denken, wie aus der bildhaften Anschauung, aus der Imagination die Bilderschrift alter Völker hervorgegangen ist. Wir brauchen nur daran zu denken, wie die Keilschrift aus den Willensimpulsen der menschlichen Bewegungsglieder hervorgegangen ist und so weiter, und wir werden sehen, daß in jenen alten Zeiten, in denen die Zivilisation noch nicht so bis zum Konventionellen vorgerückt war, ein Abgrund, wie er heute besteht, zwischen dem, was der Mensch fixieren muß, wenn er schreibt, und dem, was er erlebt, nicht bestanden hat. Diesen Abgrund müssen wir für unsere Kinderwiederum überwinden.Denn das Kind findet schlechterdings keinen Zusammenhang zwischen dem, was es in seiner Seele erlebt hat, und dem, was es dann aufs Papier bringen soll als A, als B und so weiter. Das Kind weiß nicht warum, und es wird ihm, weil es nicht weiß, warum es solche geheimnisvolle Zeichen machen soll, der Unterricht selbstverständlich langweilig und unsympathisch erscheinen. Das alles wird überwunden, wenn man das Schreiben herausholt aus dem Malen – dem zeichnenden Malen, dem malenden Zeichnen -, wenn man das Kind zunächst überhaupt nicht an konventionell Buchstäbliches heranführt, sondern wenn man das Kind an Malerisches heranführt, und zwar an Malerisches, das möglichst demjenigen entspricht, was das Kind in seiner Seele erleben kann.

Als we in een of andere civilisa­tie bekijken wat de lettertekens, de letters zijn die geleerd moe­ten worden voor het schrijven en voor het lezen, dan moe­ten we toch zeggen dat in deze letters, in alles wat de mens op papier moet zetten, niets is wat in een oorspronkelijke, elementaire relatie tot de mens staat. In de loop van de tijd is wat schrift is bijvoorbeeld helemaal iets conventioneels geworden. Dat was het oorspronkelijk niet. We hoeven er alleen maar aan te denken hoe uit de beeldende aanschou­wing, uit de imaginatie het beeldschrift van oudere volkeren ontstond. We hoeven er alleen maar aan te denken hoe het spijkerschrift uit de wilsimpulsen van de menselijke bewe­gingsledematen ontstond enzovoort. En we zullen zien dat in die oude tijden, waarin de civilisatie nog niet zo tot in het conventionele gevorderd was, een kloof, zoals die tegen­woordig bestaat tussen dat wat de mens moet vastleggen wanneer hij schrijft en dat wat hij ervaart, niet bestond. De­ze afgrond moeten we voor onze kinderen weer overwinnen. Want het kind vindt gewoon geen samenhang tussen wat het in zijn ziel ervaart en wat het dan op papier moet zetten als A, als B enzovoort. Het kind weet niet waarom, en om­dat het niet weet waarom het zulke geheimzinnige tekens moet maken zal het onderwijs voor hem vanzelfsprekend vervelend en onsympathiek lijken. Dat alles wordt overwonnen als we het schrijven uit het schil­deren halen – het tekenende schilderen, het schilderende te­kenen -, als we het kind eerst überhaupt niet met het conventionele letters schrijven in aanraking laten komen, maar als we het kind met iets geschilderds in aanraking laten ko­men, en wel met iets geschilderds dat zoveel mogelijk beant­woordt aan wat het kind in zijn ziel kan beleven.
GA 307/263/264  
Vertaald/335
                                                     =

Man kann es nicht erleben, wenn man das, was man als Verwunderung, als ah! ausspricht, so aufschreiben soll, noch gar ein h dazu machen soll. Das war auch noch nicht vorhanden in einer älteren Menschheit. Da verbildlichte man in der äußeren Bilderschrift dasjenige, was äußere Vorgänge waren. Da hatte man, wenn man hinsah auf das Blatt, auf die Tafel, auf der man so etwas vergegenwärtigte, einen Nachklang des äußeren Prozesses oder äußeren Dinges.

Je hebt er onmogelijk een beleving bij wanneer je wat je als verwondering, als ‘ah!’ uitspreekt, zo moet opschrijven, zelfs nog met een h erbij. Dat bestond nog niet bij de mensheid van vroeger. In het uiterlijke beeldenschrift maakte men daar in een beeldvoorstelling aanschouwelijk wat uiterlijke processen waren. Daar had men, als men naar een blad keek, naar een tablet waarop men zoiets als voorstelling weergaf, een naklinken van een uiterlijk proces of  uiterlijk ding.
GA 308/39
Vertaald/62-63

=

Es ist kein Zusammenhang zwischen diesem Zeichen und dem Laute A. Das war in jenen Zeiten, in denen das Schriftwesen entstanden ist, etwas ganz anderes. Da waren in gewissen Gegenden die Zeichen bildhaft. Da wurde eine Art – wenn sie auch später kon­ventionell geworden ist – bildhafter Malerei gemacht, Zeichnungen, die die Empfindung, den Vorgang in gewisser Weise nachahmten, so daß man wirklich auf dem Papier etwas hatte, was wiedergab das­jenige, was in der Seele lebte.

Er bestaat geen samenhang tussen dit teken A en de klank A. Dat was in de tijden waarin het schrift ontstaan is, heel anders. In bepaalde streken waren de tekens beeldend. Daar werd op een bepaalde manier – ook al is die later conventioneel geworden – een soort van beelden geschilderd; tekeningen die het gevoel, de activiteit op een bepaalde manier nabootsten, zodat men ook werkelijk op papier iets had, wat weergaf, wat in de ziel leefde.
GA 309/56
Op deze blog vertaald/56 

=

Was wir heute als Buchstaben haben, war ja nicht immer da. Sehen wir auf diejenigen älteren Völker, die eine Bilderschrift gehabt haben: sie haben in Bildern, die schon etwas zu tun hatten mit dem, was ausgesprochen worden ist, das Aus­zudrückende versinnlicht. Sie hatten nicht solche Buchstaben wie wir, sondern Bilder, die einen Bezug hatten zu dem, was sie bedeuteten. Dasselbe könnte auch in einer gewissen Weise auf die Keilschrift an­gewendet werden. Das waren die Zeiten, in denen man noch, wenn man etwas fixierte, ein menschliches Verhältnis dazu hatte. Heute haben wir das nicht. Beim Kinde muß man wieder darauf zurück­gehen. Doch da handelt es sich nicht darum, daß man nun Kultur­geschichte studiert und auf die Formen zurückgeht, die einmal in der Bilderschrift vorhanden waren, sondern man bringe, um zu brauch­baren Bildern zu kommen, vor allem seine Lehrer-, seine Erzieher-phantasie etwas in Schwung.

Wat we tegenwoordig als letters hebben, was er niet altijd. Kijken we naar die oude volkeren die een beeldschrift gehad hebben: zij hebben in beelden die iets te maken hadden met wat werd uitgesproken, dat wat er uitgedrukt moest worden, verbeeld. Zij hadden niet zulke letters als wij, maar beelden die een relatie hadden met waar ze voor stonden. Iets dergelijks kan in zekere zin ook gezegd worden over het spijkerschrift. Het was de tijd waarin men nog, wanneer men iets vastlegde, er een menselijke betrokkenheid bij had. Dat hebben we tegenwoordig niet. Bij het kind moet je daarop weer teruggaan. Maar het gaat er niet om dat je nu cultuurgeschiedenis gaat studeren en tot op die vormen teruggaat die ooit in het beeldschrift aanwezig waren, maar je moet allereerst, om tot bruikbare beelden te komen, je leraar- je opvoedingsfantasie in beweging brengen. Die moet je natuurlijk altijd hebben, want zonder, kun je geen leraar of opvoeder zijn.
[GA 310/57
Vertaald /60

=

Die Menschen haben ja früher Bilderschrift gehabt, das heißt, sie haben etwas auf das Blatt gemalt, was an den Gegenstand er­innerte. Wir brauchen nicht Kulturgeschichte zu studieren, aber wir können den Sinn und Geist desjenigen, was die Menschen mit der Bilderschrift wollten, vor das Kind hinbringen, dann wird sich das Kind dabei wie zu Hause fühlen.

De mensen hadden vroeger een beeldschrift, d.w.z. ze hebben iets op een blad getekend wat aan het voorwerp deed denken. Wij hoeven geen cultuurgeschiedenis te studeren, maar we kunnen de zin en de teneur van wat de mensen met het beeldenschrift wilden, aan het kind aanbieden, dan voelt het kind zich daarbij thuis.
GA 311/30  
Op deze blog vertaald/30

volg de link tussen de haken voor andere onderwerpen

[[2] om aan kinderen de lettertekens aan te leren, daarbij uitgaand van een beeld, is het niet nodig om de historische beelden te gebruiken. Eigen fantasie is voldoende.

[3] om de beelden te kiezen die voor het kind een letter gaan worden, is het van het grootste belang het wezenlijke verschil tussen klinker en medeklinker in acht te nemen.

[4] hoofdletter of kleine letter
De hoofdletter uit het oorspronkelijke Latijnse schrift. Het eerste schrijven is meer een tekenen: het gaat om het beeld en de klank.

[5] de conventionele letter wordt aangeleerd vanuit een beeld, eerst schilderend/tekenend of tekenend/schilderend; Steiners voorbeelden daarvan uit alle pedagogische voordrachten.

[6] de menskundige achtergronden van de schrijf- en leesmethode. Kunstzinnig werken: schilderen/tekenen; maar ook: vanuit de wil; totale mens – deel mens hoofd; abstractie en intellect(ualisme); allerfysieks-halfysiek-bovenfysiek

[7] over de manier van leren lezen: van het geheel naar de delen – maar niet fanatiek; over leesmethodes (uit zijn tijd): spelmethode, klankmethode, normaalwoordenmethode; deze in verband gezien met het verschil klinker-medeklinker (zie [3])

[8] Steiners methode, mits consciëntieus gevolgd, kost meer tijd dan reguliere methodes. Dat wordt heden ten dage nog steeds schromelijk verward met ‘achter lopen’.

Schrijven en lezen: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: letterbeelden

.

677-619

.


















 

VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven (2-2)

.
Pieter HA Witvliet
.

DE VOORBEREIDING VOOR HET SCHRIJVEN
.

In het begin van de 1e klas is ‘schrijven’ nog ‘vormtekenen’, d.w.z. er wordt geoefend met ‘rechten en krommen’, waarmee eigenlijk ook de motoriek wordt ontwikkeld die voor het schrijven nodig is, terwijl ook meteen op de juiste houdingen wordt gelet: schrijven 

Het motief ‘recht-rond’ kan op zeer veel verschillende manieren worden uitgewerkt.

Hieronder volgen voorbeelden:

oefening 9

Het gaat om echt rechte lijnen met even grote tussenopeningen, enz.
(Het kan altijd nog mooier….)

Het is niet de bedoeling dat er een tijd eerst met recht geoefend wordt en dan een tijd met rond. Afwisselend in het ‘uur’ waarin je oefent of per dag.

oefening 10

oefening 11

In het begin kun je zowel van boven naar beneden, als omgekeerd werken; dit geldt ook voor van links naar rechts.

Omdat we in onze cultuur van links naar rechts schrijven, moet deze richting op de den duur wel de ‘gewone’ worden.

oefening 12

oefening 13

Dit zijn 3 losse oefeningen. iedere vorm kan weer een aantal keren onder elkaar worden geoefend. Je kunt ze ook verticaal laten maken.

oefening 14Dat geldt ook voor deze; je kunt ze ook zo geven dat de schuine en verticale lijntjes niet boven, maar onder de basislijn komen.

oefening 15Je kunt van onder naar boven werken, maar ook omgekeerd.

oefening 16Deze oefeningen vragen concentratie. De afwisseling bol/hol; maar ook klein/groot.

Wanneer de kinderen op een blad in de breedte neergelegd, deze oefeningen doen, is het goed dat er ‘openingen’ in de oefeningen zitten.

Wanneer je alles aan elkaar laat doen, zie je vaak dat het kind op zo’n vorm ‘inslaapt’. Het verliest de aandacht.
Dat is vanuit menskundig opzicht wel interessant. Het is een ritmische vorm en ritme speelt zich af op het gebied van ‘dromen’. De onderbreking van het ritme geeft wakkerheid, wekt op.
(De cadans van de spoorwielen die ritmisch over de railverbindingen gaan, is slaapverwekkend; de niet synchroon knipperende waarschuwingslichten maken alerter).
(Algemene menskunde, voordracht 4: ‘meer onbewust herhalen verzorgt het gevoel; volbewust herhalen verzorgt de eigenlijke wilsimpuls, want daardoor wordt de besluitkracht sterker)

oefening 3

Hier zie je daar al een beetje van.

oefening 17

En hier gebeurt het.

Zie in dit verband de vormtekenoefeningen voor het sanguinische kind: het kind dat snel en vaak op indrukken reageert en ze moeilijk vasthoudt.

oefening 18

Dus steeds een aantal van deze vormen aan elkaar – dan een onderbreking – en hetzelfde aantal weer aan elkaar enz.

Natuurlijk kun je een kind uitdagen tot een ‘alles aan elkaar’vorm, maar die moet dan goed volgehouden worden.

Elke oefening moet een aantal keren herhaald worden. Als je met boven- en onderstaande oefeningen werkt, voldoet een A4. Daarop kunnen minstens 4 ‘regels’ gemaakt worden. Sommige kinderen zullen ‘groot’ werken; andere veel kleiner (temperament?). Door veel te oefenen – en in de eerste weken van de 1e klas gebeurt dat iedere dag – leren de kinderen als vanzelfsprekend hun blad mooi in te delen.

oefening 19

oefening 20

Grofweg zul je tot aan de herfstvakantie bezig zijn met het aanleren van letters – uit de beelden – en met deze voorbereidende schrijfoefeningen. De oefeningen die hier zijn afgebeeld en die nog zullen volgen, zijn voor-oefeningen voor het lopende schrift – het schuine schrift. Over het waarom, zie hier.

De volgende oefeningen zijn al veel moeilijker dan die hier boven staan. We zijn dan ook later in het eerste leerjaar – de meeste zullen pas in de 2e helft van de 1e klas aan de beurt komen.

oefening 21

De rode lijn door de 1e tekening is een soort correctie. De kinderen mogen hun resultaat ook op deze manier verbeteren, om van daaruit weer een nieuwe te maken die beter is.

De oefeningen krijgen veel meer ‘lijn’karakter en mogen door de kinderen eigenlijk alleen maar gedaan worden, wanneer ze in staat zijn hun potlood goed vast te houden.

En dan worden het steeds meer gerichte letter-schrijfoefeningen:

oefening 22‘Versieren’

Het versieren is geen vormtekenen. Het is ‘kleuren’. Daarmee is niets mis; integendeel, de tekening wordt er meestal mooier door.

Maar ‘versieren’ is niet waarom het gaat: de lijn als spoor van een beweging.
Maar het is wel mooi; en daarom kan er, wanneer een kind de vorm beheerst, natuurlijk nog een gemaakt worden – ‘op je mooist’ – en die versier je dan: een ‘toetje’:

oefening 5

.

1e klas schrijven: alle artikelen

1e klas: Rudolf Steiner over schrijven en lezen

1e klas: alle artikelen

Vormtekenen: alle artikelen

 VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas:  alle letterbeelden

.

669-612

.

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven (2-1)

.
Pieter HA Witvliet
.

DE VOORBEREIDIG VOOR HET SCHRIJVEN
.

Ik heb hier, naast eigen ervaringen en gezichtspunten, ook uit het hoofdstuk ‘de voorbereiding voor het schrijven’ uit ‘Teaching children to write’ van Audrey McAllen genomen.

Als 2e druk heet het: Teaching Children Handwriting

Ze begint het hoofdstuk met een citaat van Steiner:

Je weniger man den Intellekt dressiert, je mehr man darauf ausgeht, den ganzen Menschen zu behandeln so, dass aus den Gliederbewegungen, aus der Geschicklichkeit der Intellekt wird – und er wird – , desto besser ist es.

Als Engelse vertaling: The less we train the intellect directly and the more we aim to train the whole human being in such a way that the intellect will evolve out of the movement of the limbs, out of dexterity, the better it is.

Hoe minder je het intellect dresseert, hoe meer je je erop toelegt heel de mens zo te behandelen dat uit de ledematenbewegingen, uit de handigheid intellect ontstaat – en het zal ontstaan – des te beter.
GA 301/80
Op deze blog vertaald/80

Die uitspraak was in 1920 – en lang daarna – onbegrijpelijk. Maar – met name in de afgelopen jaren – komen ook neurowetenschappers tot deze conclusie: handbewegingen laten hun sporen na in de hersenen.

En je kunt maar zo op dit soort blogs stuiten:

Wisdom of the Hands
This blog is dedicated to sharing the concept that our hands are essential to learning- that we engage the world and its wonders, sensing and creating primarily through the agency of our hands. We abandon our children to education in boredom and intellectual escapism by failing to engage their hands in learning and making.

dat onze handen essentieel zijn om te leren

En kijk eens even hier en realiseer je dat men hiertoe kwam door neurologisch onderzoek. Wij doen dit op de vrijescholen – gedegener en fantasievoller – op aanwijzing van Rudolf Steiner: de hele mens aanspreken als basis voor kennis.

De kinderen in de eerste klas zijn hun kleuterfase voorbij – d.w.z. de meesten – maar zijn ze werkelijk al vrij in de ruimterichtingen die ze tijdens hun baby-kleuterfase hebben leren kennen:

Boven-onder; voor-achter; en links-rechts.

Het is erg belangrijk dat je dit bij ieder kind goed controleert en oefeningen doet die ze nog sterker in deze ruimterichtingen doen thuisraken.

Ik heb al genoemd: lichaamsgeografie; pittenzakjes; evenwichtsbalk; touwtjespringen; behendigheidsspelen; vingerspelletjes en er is nog veel meer dat onze kinderen op weg helpt op een harmonische manier fysiek aardeburger te worden.

Het vak euritmie kan hier wonderen doen.

Op meer dan 40 plaatsen in zijn ruim 180 voordrachten houdt Steiner ons steeds voor dat het niet gaat om antroposofie in het onderwijs, maar om de menskundige inzichten die in de antroposofie beschreven worden, om te zetten in methodiek, in pedagogie.+

Hieruit ontstond ook het vak ‘vormtekenen‘.

En in de lagere klassen is vormtekenen ook voorbereidend schrijven of zo je wil – voorbereidend schrijven bestaat uit vormtekeningen.

Elke vorm die getekend zal gaan worden, moet door de kinderen intensief worden waargenomen. Dat betekent dat deze vorm niet meteen op het bord komt te staan om nagetekend te worden: dat is te veel van buitenaf. Het gaat om een innerlijk opnemen, d.w.z. dat de kinderen de vorm allereerst als beweging zien. Dat is de beweging die de leerkracht voordoet en die de kinderen simpelweg nadoen. Die beweging hoeft niet nog eens extra als ‘beeld’ genoemd te worden, dus als je de zuivere cirkel zou doen, hoeft deze geen ‘zon’ genoemd te worden: het gaat om de beweging rond (die misschien wel zo mooi rond als de zon kan zijn).

Als de kinderen die beweging een paar keer met de leerkracht hebben gedaan, doen ze hem zonder hulp. Belangrijk is dat ze hun eigen vinger geen ogenblik uit hun aandacht – ze moeten hem met de ogen vasthouden – verliezen. En later met de ogen dicht; en weer later draaien ze zich om en maken hem weer in de lucht; of staan met hun gezicht naar links, enz. Ook met de voet(en) op de vloer; dan, nog steeds staand, met een vinger op het tafelblad – groot – wat kleiner. Nu is het wel tijd om te gaan zitten.
‘Wie kan onze vorm op het bord maken? Die is al mooi, maar wat denk je (als de vorm niet helemaal rond was) zou die nog mooier kunnen? Wie?’

Een uitstekende gelegenheid om weer te kijken hoe ieder kind individueel te werk gaat, m.a.w. hoe ver het is in de ‘verovering’ van de 3 dimensies.
Mc.Allen: beweegt het de hele arm vanuit de schouder; of de hand vanuit de pols?

Dan pas zou ik blad en potloden laten uitdelen of uit de kastjes laten pakken, (waar ze niet los, maar in een doosje, etuitje enz. worden bewaard.)

De eerste tijd is het van groot belang aandacht te besteden aan de schrijfhouding. (Zie verderop)

Wie zijn spullen heeft, gaat beginnen.

Bereid dat goed voor: van een ordelijk verloop en goede gewoontevorming kun je jaren plezier hebben (hier even afgezien van wat goede gewoontevorming voor het etherlijf betekent).

Moeten de kinderen zittend of staand tekenen? En/en, denk ik. In het begin van het tekenen – de grote vorm – is staand beter, maar hoe kleiner de vorm wordt, des meer is het een schrijfoefening en schrijven doen we zittend.

Waarop? Grote(re) vellen papier. Aan beide kanten te gebruiken. Er mag eens wat mislukken: opnieuw – er is nog ruimte. Het gaat toch om het oefenproces. En dan wellicht aan het eind van de les, wanneer er ook een bevredigend resultaat is: op een kleiner vel: op je mooist – die willen we bewaren’’ (die andere bladen kun je wel bewaren om nog eens te kijken naar het bewegingspatroon van de kinderen, maar of je die allemaal houden moet voor later – je krijgt wel erg veel papier zo – dus ik deed ze – niet waar de kinderen bij waren hoor, toch bij het oud papier. Of ik liet de kinderen ze meteen mee naar huis nemen als ze dat wilden.

Je ziet ook wel ‘vormtekenschriftjes’. Daarbij heb ik zo mijn bedenkingen. In een schriftje wil je nu eenmaal mooie dingen. En bij het vormtekenen gaat het in de eerste plaats niet om een mooi ding, maar om een proces. M.a.w. niet om ‘de lijn’, maar om ‘het spoor van de beweging’.

Natuurlijk kun je op zeker ogenblik de –eigenlijk al beheerste vormen – nog eens in een schriftje laten tekenen, maar je bent dan eigenlijk niet meer met vormtekenen bezig en je moet je wel afvragen of je de tijd niet beter kunt gebruiken.

Oefenen op een plank die met bordverf een soort schoolbord is geworden, kan ook. Maar dan krijg je te maken met bordkrijt voor ieder kind – wissers of doekjes en bovenal: veel stof – niet een echt gezonde omgeving (m.n. voor astmatische kinderen!)

Vóór de kinderen aan het werk gaan, staat daar nog steeds de vorm op het bord. Daar mogen ze nog één keer naar kijken en dan gaat het bord dicht. Als je de vorm wegveegt, veeg dan met de vorm mee uit: dan zien de kinderen nog een keer de beweging en wellicht nog een keer (tegelijkertijd is dit wel een mooier uitvegen dan kriskras heen-en-weer/op-en-neer). Kinderen vinden dit ‘spannend’ – kijken in ieder geval met aandacht mee, want altijd hoor je ‘ik zie hem (toch) nog!’

Er wordt veel met Stockmar wasstiften getekend. Ik heb het ook gedaan, maar kwam toch tot de conclusie dat ze wat (te) klein zijn om mooi in de hand te liggen – wij zijn toch voorbereidend aan het schrijven – en ze zijn wat ‘stroperig’ op het papier. Soms zo, dat bij een nog niet zo motorisch vaardig kind het papier kan scheuren  – dit vindt een eersteklasser erg –  of, wat eigenlijk erger is, wanneer de handgreep krampachtig wordt.

Ik ben nog het meest gecharmeerd van de dikke kleurpotloden, mits de punt wat zacht is, zodat het papier niet scheurt. Dan kun je van begin af aan steeds meer letten op de juiste houding van het potlood in de hand.

En bij die juiste houding hoort ook de juiste zithouding. Je kunt er niet genoeg aandacht aan besteden!

Audrey Mc.Allen: we hebben de ruimterichtingen: boven/onder; voor/achter en links/rechts.

Waar vinden we in de wereld de rechte en de kromme:

We zien de kromme al, wanneer we naar buiten gaan. Vanaf de horizon tot het zenit voor en achter ons, welft de blauwe kromme langs de hemel. We zien hem ook in de rondheid van de zon en in de zonnebaan. De maan herhaalt het en voegt daarbij nog de verschillende krommen van haar schijngestalten.

De plant, die recht omhoog schiet en tegelijkertijd een grote variatie vertoont van rechten en krommen. Bij het dier zien we in de horizontaal gestrekte ruggengraat de rechte lijn. De ruggengraat van het dier loopt parallel aan de grond waarop het loopt. De structuur van de mens combineert al deze elementen en vanuit hun harmonie ervaart het kind de vrijheid van de ziel. Deze vrijheid moet geobjectiveerd worden in zijn bewegingen en zijn relatie tot de vorm. Het kind beleeft dit alles nog onbewust en dat moet ook zo blijven tot op een latere leeftijd, waarop het mogelijk wordt er bewust kennis van te nemen. Deze on(der)bewuste kennis van de wereldpatronen brengen we in relatie tot zijn eigen organisme door een innerlijke verbeelding.

We vragen een kind een rechte lijn te lopen; deze te rennen. Kan het deze lijn in de lucht tekenen. Kan het deze met zijn voet tekenen. Voelt het het verschil? We vragen waar in hem de rechte lijn zit – zijn arm, zijn rug: we kunnen een euritmiestaaf nemen en deze recht omhoog achter de rug houden en ermee lopen. Ook mee rennen? Nee, want dan wil de rug krommer worden. We kunnen op de grond liggend een kromme en een rechte vormen. We kunnen ze ook achteruitrennend doen. Verschillende lichaamsdelen kunnen ook gebogen worden.

En dan komt het ogenblik waarop deze lijnen toevertrouwd kunnen gaan worden aan het papier. Ons doosje met nieuwe waskrijtstaafjes – zie mijn opmerking boven – mag open. Maar wat zie je…? Die zijn ook tegelijkertijd recht en rond! Nu moeten we ze nog op de juiste manier vasthouden en goed zitten.

Er wordt ook uitgebreid aandacht besteed aan het meubilair. En terecht! De verhouding hoogte tafel – hoogte stoel is van groot belang. Het meubilair is meestal voorzien van een kleurensticker, zodat je meteen weet welke stoel bij welke tafel hoort. De hoogte van de tafel mag er niet toe leiden dat de arm van het kind omhoog moet en daarmee de schouder. Als het kind op zijn stoel zit, moeten de voeten goed stevig op de grond kunnen staan – de hoek van de knie met het onderbeen is iets minder dan 900 .

schrijven mac allen

Mc.Allen stelt hier voor om het aanleren van de juiste zithouding in ‘beeld’ te brengen voor de kinderen. Ze geeft hier het voorbeeld van een koning die een koninklijk decreet ondertekent. Het gaat om het ‘waardige’ zitten. Mooi rechtop, voeten bij elkaar, hoofd recht zodat zijn kroon niet van zijn hoofd valt. Ze stelt voor de kinderen aanvankelijk een kroon te laten dragen, zodat ze hun hoofdhouding voelen. Iedere morgen oefenen totdat het gewoonte is geworden – uiteraard zonder kroon.

schrijfhouding 3

Dit is de juiste houding!

schrijfhouding 4

Een heel mooie houding. Papier moet een beetje schuin liggen.

schrijfhouding 1

Deze houding is redelijk goed; bij het kind links achter dit meisje – als dat aan het schrijven is – is de houding volkomen onacceptabel

schrijfhouding 2

Hier is duidelijk te zien wat er gebeuren kan met de vingerhouding bij het schrijven met wasstaafjes. (Bij het tekenen, zoals hier, speelt het geen rol)

schrijfhouding 5

De middelvinger hoort niet boven, maar onder de pen – zie 1e afb.

schrijfhouding 6

Dit meisje zit te krom.

schrijfhouding 7

De pen veel te verticaal

schrijfhouding 8

De pen is te horizontaal

Het is ook goed om over deze houding met de ouders te spreken. Immers, wanneer de kinderen thuis zijn, zullen er veel de schooltijd nog eens overdoen en ook schrijven en tekenen. Je zou als ouder voor een schrijftafeltje en stoeltje kunnen zorgen dat voor een goede schrijfhouding geschikt is.

Zie ook: Rudolf Steiner over de pengreep

Zie ook: Oefeningen voor de hand

.
In de ‘bewegelijke klas‘ schrijven de kinderen zittend op een zitzak.
Daarmee kan de schrijfhouding zoals hierboven wordt aanbevolen, niet worden uitgevoerd. De leerkrachten zien desondanks goede resultaten.
.

1e klas: schrijven – alle artikelen

1e klas: Rudolf Steiner over schrijven en lezen

1e klas: alle artikelen

 VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle letterbeelden

.

668-611

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijeschoolpedagogie.com

.

DÉ SITE MET DE MEESTE ACHTERGRONDINFORMATIE OVER HET VRIJESCHOOLONDERWIJS

.

U vindt via onderstaande rubrieken de weg naar meer dan 2400 artikelen.
.

In het zoekblokje (op deze pagina rechtsboven) een trefwoord ingeven, leidt ook vaak tot artikelen waar het betreffende woord in voorkomt.
Wanneer er meerdere koppen van artikelen worden getoond, is het raadzaam ieder artikel open te maken en onder aan het artikel bij de tag-woorden te kijken of het gezochte woord daar staat.
Wanneer het artikel is geopend, kan je Ctr + F klikken. Er verschijnt dan een zoekvenstertje waarin je het gezochte woord kan intikken. Als dit woord in het artikel aanwezig is, kleurt het op.
.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen;

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3klas 4klas 5klas 6klas 7;  klas 8         (rest volgt – via zoekbalk vind je ook de andere klassen: 9 t/m 11)   klas 11

KERSTSPELEN
Alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogmet vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2]

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
Alle artikelen


VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

de vrijeschool: breinvriendelijk onderwijs

Vrijeschool in beeld: illustraties van het vrijeschoolonderwijs

EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets


karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein

.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

.

434-404

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner als pedagoog (5)

.

SCHOONSCHRIJVEN

Op de lagere school – zo heette toen de basisschool – had ik een schriftje, de helft van een gewoon schrift, groen met wit etiket, waarop onder mijn naam het woord ‘schoonschrijven’ prijkte.

Op gezette tijden schreef ik een voorgedrukt woord netjes in een rijtje naar beneden een aantal keren na.

Toen ik later een vrijeschoolklas had, vond ik het heel belangrijk dat de kinderen mooi zouden schrijven.
Waarschijnlijk door de in mij opgeslagen ervaring uit de eigen kindertijd oefende ik met mijn klas het ‘schoonschrijven’ in een heus ‘schoonschrijfschrift’.

Bij het bestuderen van ‘Opvoedkunst’ [1] kwam ik hetvolgende tegen:

Wir werden, indem wir das Schreiben aus dem malenden Zeichnen herausholen, doch gar nicht nötig haben, bei dem Kinde extra zu pflegen das Häß­lichschreiben und das Schönschreiben. Wir werden uns bemühen, zwischen dem Häßlichschreiben und dem Schönschreiben keinen Un­terschied zu machen und allen Schreibunterricht so zu gestalten – und das werden wir trotz des äußeren Lehrplanes können -, daß das Kind immer schön schreibt, so schön, als es notwendig ist, daß es niemals den Unterschied macht zwischen Schönschreiben und Häßlichschreiben.

 ‘(  ) het schoonschrijven. Als we het schrijven afleiden uit het schilderend tekenen, dan is het voor ons toch helemaal niet nodig om dan ook nog te doen aan lelijkschrijven en schoonschrijven. We zullen ons best doen om geen verschil te maken tussen lelijkschrijven en schoonschrijven en het schrijfonderwijs zo vorm geven ( )  dat het kind altijd ‘schoon’ schrijft, zo mooi als nodig is en dat het nooit een onderscheid maakt tussen schoonschrijven en lelijkschrijven.’
GA 294/178
vertaald/148

Voor mij was dit gezichtspunt van Steiner net weer iets verdergaand dan mijn eigen opvatting die ik eigenlijk zonder nadenken uit mijn jeugd had meegenomen.

Deze realiteit beviel mij beter: als er geen lelijkschrijven moet zijn, dan hoeft er ook geen schoonschrijven te zijn.

Toch vond ik het nodig om het handschrift van de kinderen zo te oefenen dat het schrijven er mooi uitzag.
Daartoe deed zich zo maar een gelegenheid voor bij het instuderen van een toneelstuk. Ik gebruikte de tekst om een ‘toneelschrift’ te maken.

Eerst grote letters, wie het goed beheerste, mocht kleiner gaan schrijven.

Deze werkwijze verhoogde het mooi schrijven aanzienlijk!

 

schoonschrijven 1
schoonschrijven 2schoonschrijven 3

 

 

Toneelstuk: Hoe Thor zijn hamer terughaalde – uit de Edda

Rudolf Steiner als pedagoog

Rudolf Steiner: alle artikelen

115-112

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.