Categorie archief: opvoedingsvragen

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-2)

Slecht eten

Je verslikken in de buitenwereld

Ik ben zelf een slechte eter geweest, en mede daardoor boeit het mij bijzonder om mijn gedachten eens over het probleem van het slecht etende kind te laten gaan. Trouwens, ik ben de enige niet: het niet of slecht eten is bij kleine kinderen een veel voorkomende klacht. Soms is er nog wel meer aan de hand, maar dikwijls is het niet-eten de enige klacht waarmee de moeder op het spreekuur komt. Je vraagt dan door naar de ‘medische biografie’- van het kind: zwangerschap, bevalling, eerste ontwikkeling, kinderziektes, slapen, spelen, hoe de ontlasting is en wat je verder zoal wilt weten. Verder probeer je je een beeld te vormen van de gezinssituatie: de plaats in de kinderrij, conflicten tussen de ouders of tussen gezin en omgeving (schoonmoeders, buren). Ten slotte onderzoek je het kind. Soms is dan in één oogopslag duidelijk wat het probleem is, maar meestal moet de conclusie zijn: het kind is prima in orde, alleen eet het niet.

Wanneer de amandelen zo groot geworden zijn dat er nog maar een potloodgroot gaatje overgebleven is, hoef je je ook niet te verbazen over het slechte eten van je kind. En wanneer de ouders het met elkaar niet meer zo kunnen vinden en dat aan tafel breed uitmeten,is het niet verwonderlijk dat het kind geen trek meer heeft.
Maar wanneer je er een beetje op gaat letten, blijven er nog heel wat ‘probleemloze’ kinderen over, dat wil zeggen kinderen waarbij het er niet zo duimendik bovenop ligt waarom ze niet willen eten. Niet-eten is geen eenduidig probleem; het kan dus ook niet op één bepaalde manier opgelost worden. Het lijkt eerder een uitingsvorm van een moeilijkheid die het kind op dat moment in zijn bestaan ondervindt, lichamelijk, psychisch- geestelijk of, en dat zal in de meeste gevallen zo zijn, een combinatie daarvan.

Waarom eet je overigens? En wat gebeurt er precies wanneer je aan tafel zit en je een maaltijd tot je neemt? Heel in het algemeen kun je zeggen dat eten eigenlijk een vorm is van contact maken met de ons omringende wereld. In het voedsel ontmoeten we een stukje buitenwereld. We gaan het te lijf door het te verteren, we vernietigen het en worden er zelf beter van. Dank zij ons voedsel kunnen we ons staande houden, blijven wij onszelf ten opzichte van de buitenwereld. Nu zijn er natuurlijk nog andersoortige, minder grofstoffelijke vormen van contact met de buitenwereld, bijvoorbeeld door middel van onze zintuigen en niet te vergeten ons denken. Ook daar worden stukjes buitenwereld opgenomen en verwerkt. Ook daar, in het denken, verbinden we ons met de wereld, om ons vervolgens weer tegenover die wereld te kunnen plaatsen. Maar het denken ontwikkelt zich pas goed wanneer het kind de lagere school gaat bezoeken en dat is bepaald niet de periode waarin zich de meeste eetproblemen voordoen. Deze spelen zich af op de baby-, peuter- en kleuterleeftijd, wanneer het kind nog helemaal bezig is met de opbouw en vorming van zijn lichaam.

Alles wat het kleine kind, en daar hebben we het nu verder over, meemaakt, spiegelt zich in zijn lichamelijke ontwikkeling. Zijn relatie met de wereld ontwikkelt zich nog op strikt lichamelijk niveau en aangezien eten beschouwd kan worden als een vorm van lichamelijk contact met de wereld, is het niet zo verwonderlijk dat problemen in die relatie-legging, van welke aard dan ook, zich zullen uiten in veranderingen of verdwijnen van het eetplezier.

De voedselweg
Om verder door te dringen in het probleem van het ‘niet-eten’ moeten we eerst eens de weg vervolgen die het voedsel door ons lichaam gaat. Die weg begint in de mond. Daar wordt het voedsel op verschillende manieren ‘bekeken’. Allereerst wordt de consistentie beoordeeld: moet er gekauwd worden? Daar wordt ook ‘getemperatuurd’: is het voedsel een beetje in overeenstemming met de eigen lichaamswarmte? (zoniet: blazen of opwarmen). En bovenal wordt er geproefd in de mond: vind ik het lekker of niet?

Als je zo alle facetten van wat er zo in de mond gebeurt samen neemt dan krijg je de indruk dat er in de mond bepaald wordt of er überhaupt een relatie met dit voedsel kan worden aangegaan. Is dit goed voedsel of niet? Wil ik het of wil ik het niet? Zo ja, dan verhuist het naar de maag, zo nee, dan spuug ik het uit. In de mond ga je nog heel zelfbewust om met het stukje buitenwereld en bepaal je of je de verbinding zult aangaan of niet.

De geur, de smaak, het uiterlijk van het voedsel en de gedachte alleen al aan eten doen je maag zijn zuur afscheiden. Allerlei zintuigindrukken en emoties werken op de maag in. Denk maar eens aan het verband dat duidelijk gelegd kan worden tussen zorgen, ergernissen en verdriet enerzijds en maagzweren en maagbloedingen anderzijds. De maag is een orgaan dat sterk verbonden is met het psychische, het emotionele, het beleven van de dingen.

Na de eerste vluchtige kennismaking met het voedsel in de mond wordt het in de maag sterker ‘beleefd’. Wat maakt het voor indruk op me, wat kan ik eraan ervaren, hoe voelt het aan (ligt het me zwaar op de maag)? In de maag wordt het voedsel tot ervaring gebracht, net zoals je de relatie met je ouders of je chef ervaart als plezierig of frustrerend. Wanneer het voedsel door het zuur goed bewerkt is, en de hele voedselmassa goed is doorkneed, komt de, inmiddels meer vloeibaar geworden spijsbrij in de dunne darm. Daar wordt het voedsel verder bewerkt. De miljoenen darmvlokken tasten het voedsel af, breken het in steeds kleinere stukjes, verteren het en nemen de zeer kleine brokstukjes op. Hier treedt het lichaam in een echte uitwisseling met het voedsel, net zolang tot er van het voedsel niets meer over is.
Het lichaam kan het voedsel wel gebruiken, maar dan moet eerst de eigen gedaante ervan verdwenen zijn. Wanneer je spinazie eet, wordt in de dunne darm dat wat spinazie tot spinazie maakt door het lichaam als het ware overwonnen. In het overwinnen, het teniet doen van het eigene van de spinazie, heeft het lichaam de mogelijkheid zijn eigen opbouwkracht te sterken. Je krijgt de sterkste beenspieren door over veel horden heen te springen. Door verschillende soorten voedsel ‘te lijf’ te gaan creëert je lichaam de mogelijkheid om tegen veel situaties in het leven opgewassen te zijn. De dunne darm is dus het gebied waar dank zij vreemde levenskracht-mineraal, plant en eventueel dier- eigen levenskracht ontstaat.
In de dikke darm ten slotte wordt datgene wat door de dunne darm niet is opgenomen, of juist is uitgescheiden, in een bepaalde vorm gebracht. Hier is geen sprake meer van vertering. Meer wordt hier duidelijk hoe het lichaam vorm kan geven (hoe het zich kan uitdrukken!!) aan dat wat het van het voedsel geleerd heeft.

In de ontlasting geeft het lichaam iets terug aan de wereld, en beïnvloedt zo de aardesubstantie. De ontlasting is ook een uiting van de mogelijkheid van een mens om vorm te geven aan zijn bestaan. Een mens die zich onmachtig voelt om zijn leven een bepaalde richting te geven zal gemakkelijk aan diarree kunnen gaan lijden. Een al te precies iemand, die zo graag alle puntjes op de i’s zet, zo dat er eigenlijk niets uit zijn vingers komt, kan levenslang tot obstipatie veroordeeld zijn. Samenvattend gebeuren er in het verteringsproces (= aangaan van relatie met de wereld) vier dingen.

Eerst stel je je in de mond de vraag: ‘Wil ik of wil ik niet?’
Dan volgt de maag met: ‘Hoe ervaar ik het?’
De dunne darm komt met het probleem: ‘Wat kan ik ervan leren?’
En de dikke darm ten slotte vraagt zich af hoe al die ervaringen nu zinvol te maken zijn voor het bestaan: ‘Wat doe ik er nu mee?’

Niet-eters
Wanneer we als volwassene voor een probleem gesteld worden, dat ons nogal aanpakt, zijn we in de meeste gevallen wel in staat dat denkend te verwerken. Niet elk probleem maakt ons direct lichamelijk ziek. Onze psyche kan een heleboel spanningen opvangen. Dat geldt in veel mindere mate voor het kleine kind. Daar is het psychische nog sterk met het lichamelijke verweven. Alles wat het kleine kind meemaakt zal zich uiten in het functioneren van zijn lichaam en met name van zijn stofwisseling, omdat het kleine kind nog een en al groei is en de stofwisseling daar een heel voorname plaats bij inneemt. Wanneer je slecht of niet-eten nu ziet als een uiting van een niet goed functionerende stofwisseling en je bedenkt dat de manier waarop het lichaam met het voedsel omgaat de manier is waarop je als mens met alle levensproblemen omgaat, dan moet het slechte eten van je kind iets te maken hebben met een onmogelijkheid om op een of meer van de boven geformuleerde vragen ‘een goed antwoord’ te geven. Het niet goed eten kan dus op verschillende niveaus ontstaan: op ‘mond-, maag-, dunne en dikke darm niveau’.

Wat moet je je nu voorstellen bij een zogenaamd mondkind? Het verbindt zich moeilijk echt met de buitenwereld en is een beetje in zichzelf gekeerd. Het heeft iets tastends, proevends over zich. Bij het eten wordt maar een heel klein beetje opgeschept en als het wat in de mond stopt blijft het voedsel daar eindeloos. Toch, ondanks het weinige eten, lijkt het kind prima gezond; het leeft van de lucht. Vaak lijkt het met het sanguinische of melancholische temperament samen te gaan. Het zijn kinderen die er moeite mee hebben om echt contact te maken met de wereld. Zij moeten daar een beetje toe verleid worden. ‘Mondkinderen’ moeten een beetje op aarde gelokt worden. Dat lukt ook meestal wel wanneer je je wat terughoudt, niets opdringt. Zorg ervoor dat het eten er lekker uitziet en zodoende de fantasie en de interesse prikkelt. Daarbij kun je, wat het eten zelf betreft, het beste aansluiten bij wat het kind lekker vindt en dat in kleine porties over meerdere maaltijden (vier a vijf) per dag aanreiken. Heel langzaam kun je daarna de samenstelling van de maaltijd wat evenwichtiger proberen te maken. Preciezere aanwijzingen staan uitgebreid in het voortreffelijke boek over kindervoeding van Renzenbrink.
De grootste groep van niet-eters wordt gevormd door de maagkinderen. Door allerlei oorzaken is het kind te nerveus om te eten. Met witte, verkrampte gezichtjes zitten ze achter hun bord en weigeren eten tot zich te nemen. Een overbekende oorzaak daarbij is de zogenaamde ‘eetstrijd’. Het kind wil niet eten tenzij er hele rituelen opgevoerd worden. Als je dan als ouder daarop ingaat worden de eisen hoger en hoger. Hierbij begint alles met onzekerheid bij de ouders over de opvoeding. Die onzekerheid (doe ik het wel goed, gedijt mijn kind wel?) leidt heel gemakkelijk tot krampachtigheid in de opvoeding die door het kind opgevangen en met dezelfde krampachtigheid beantwoord wordt, niet in psychische zin, zoals bij de ouders, maar in lichamelijke zin.
Die kinderen klagen dan ook over buikpijn: alle buikorganen verkrampen, ook de maag, zodat het kind voedsel weigert. Eveneens zijn allerlei angsten waaraan het kind blootstaat (ouders die gaan scheiden, naar school moeten terwijl ze je daar altijd plagen, enzovoort) in staat zo’n krampreactie op te roepen. Typerend voor deze situatie is dat het kind meteen goed eet, wanneer het uit de kramp verwekkende sfeer weg is, bijvoorbeeld als het bij oma gaat logeren. Oma hoeft zich niet zo druk te maken over het gehalte van haar opvoeding, dus het kind hoeft niet krampachtig met het eten om te gaan. Het is niet zo simpel om in deze situatie een eenduidig advies te geven. Duidelijk moge zijn dat hier de emotionele inbreng (of juist het afwezig zijn daarvan) van de ouders in de opvoeding een centrale rol speelt. In het eetgedrag van je kind spiegelt zich de manier waarop je zelf met spanningen, angsten en emoties omgaat. Opvoeden is voordoen, ook wat betreft het hanteren van spanningen. En wanneer je, ondanks alle problemen, in staat bent het geloof in jezelf terug te vinden zal dat direct merkbaar zijn aan tafel. De zekerheid die je uitstraalt op zo’n moment moet in staat zijn ook de verkramptheid van je kind op te lossen.

Temperamenten
Als een kind niet wil eten is het ook heel belangrijk je een oordeel te vormer over zijn temperament. Wanneer dat temperament nogal uitgesproken is zal dat ook zijn stem­pel drukken op de vertering, dat wil zeggen het vermogen bepaald voedsel af te breken en er iets van te leren, zoals beschreven voor de dunne darm. Voor heel veel kinderen is het hun aangeboden voedsel gewoon een te zware opgave: het is niet in overeenstem­ming met hun temperament en de daarmee samenhangende ‘verteringsenergie’. Het zijn in de regel kinderen die snel moe zijn, neigen tot bloedarmoede, moeilijk van een ziekte helemaal beter worden en op school snel hun koncentratie verliezen. Vooral bij melancho­lische kinderen kun je zo’n situatie aantref­fen. Bij deze zogenaamde dunne darmkinderen speelt dus een onvermogen om het voed­sel de baas te worden en het is dan ook heel belangrijk om ten eerste te weten welk tem­perament het kind heeft en, ten tweede, daar het dieet op af te stemmen. En, net als bij de ‘mondkinderen’, moet het eten er leuk uit­zien, lekker smaken en verdeeld zijn over vier of vijf maaltijden. Heel belangrijk zijn daarij de tuinkruiden, die de stofwisseling activeren en de vertering bevorderen.

Het hele verterings- en uitwisselingsproces in de dunne darm bestaat bij de gratie van rit­me. Bij de ‘dunne darm-kinderen’ is het dan ook van groot belang ritme in de voeding aan te brengen, zowel in de verdeling van de maaltijden over de dag (geen tussendoortjes) als over die van het soort voedsel (granen en groentes) door de week. Gebruik bijvoor­beeld eens de zaaikalender van Maria Thun bij het bepalen van de samenstelling van de maaltijd (iets meer wortel op worteldagen, iets meer blad op bladdagen, enzovoort).
Het is niet zo eenvoudig je iets voor te stel­len bij een slecht etend dikke
darmkind.
Toch bestaan die ook. In de puberteit, die als geheel sterk toekomstgericht is (wat wil ik met mijzelf?), kan een situatie ontstaan dat een kind zo verstrikt raakt in zijn worste­ling met de toekomst, er zo tegenop ziet
vol­wassen te worden, dat het niet meer eet. Wanneer dat extreme vormen aanneemt, ontstaat een psychiatrisch ziektebeeld dat ‘Anorexia nervosa’ heet en vooral bij meisjes nogal eens voorkomt. De voedselweigering leidt dan tot ernstige vermagering. Maar dat is zo’n extreme situatie en zo’n onderwerp op zichzelf dat bespreking daarvan buiten het kader van dit artikel valt.

Het is onmogelijk om binnen het bestek van een artikel als dit volledig te zijn, zowel wat betreft de beschrijving van de verschillende oorzaken van het slecht eten als wat betreft datgene wat je eraan moet doen. Dit artikel is eerder een verkenning op het terrein van de manier waarop het kind met zijn omringende wereld omgaat en hoe zich dat uit in zijn eetgewoontes. Misschien herken je in één oogopslag je kind in een der geschetste types. Waarschijnlijker is dat bij een slecht etend kind verschillende problemen door elkaar spelen en dat zich in je kind verschillende types vermengd hebben. Dit maakt het probleem niet eenvoudiger, maar laat eens te meer zien. hoe elk kind op zijn eigen persoonlijke manier met de wereld omspringt en er zich soms in verslikt.

Aart van der Stel, arts. Jonas 08-01-1982

Opvoedingsvragen (4-1): slecht eten

Opvoedingsvragen: alle artikelen

969-896

 

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen – alle artikelen

.

Alfabetische volgorde van de onderwerpen:                                              23

[8] aandacht
ADHD bij ontwikkelingsbelemmeringen [5]
[16] angstig, onrustig, wakker, schoolziek
autisme bij ontwikkelingsbelemmeringen [7]
[2] autoriteit
[9] bedplassen
[11] crèche, digitaal
[19] digitale media
[6] duimzuigen
[4] eetproblemen
[16] gesloten kind
[1] gezin: oudste, broertje of zusje op komst
[2] grenzen stellen
[7] hartelijkheid
[20] hechten
[12) inenten
[14] jongens
[12] (kinder)ziekte   mazelen; allergie; inenten
[5] kunststof
[23] luizen
MBD bij ontwikkelingsbelemmeringen [1]
[19] media
motoriek bij ontwikkelingsbelemmeringen [4]  [6]
[8] muziek
[16] onrustig
[16] open kind
[17] pesten
niet praten bij ontwikkelingsbelemmeringen [3]
[16] schoolziek
[15] slaap(problemen)
[21] straf
[19] televisie
[12] vaccineren
[18] vakantie
[12] verkouden
[13] verlegen
[16] verwennen
[10] vrijheid, opvoeding tot
[16] wakker
[3] zakgeld
[12] ziekte
[22] zonlicht

[1] Het oudste kind
Maakt het uit welke plaats je als kind inneemt in het gezin.

[1-2] Broertje of zusje op komst
Joyce Honing over: wat gebeurt er met het kind wanneer het een broertje of zusje krijgt?; hoe vang je ‘afwijzing’ op.

[2-1] Autoriteit en gezag
Lili Chavannes over: Wat is ‘autoriteit’ en welke plaats neemt die in de opvoeding in. Anti-autoritaire opvoeding; oordelen en te vroeg oordelen; Een ouder geeft haar bevindingen weer.

[2-2] Zo klein en dan al opvoeden?
Hester Anschütz over: stel snel grenzen aan het gedrag van de kleine, maar doe het op een juiste manier; tips om dit ‘juiste’ te benaderen.

[3-1] zakgeld
[3-2] zakgeld
Op welke leeftijd; hoeveel; waarvoor enz.

EETPROBLEMEN

[41] Slechte eters
De niet- of slecht- of helemaal niet etende peuter

[4-2] Slecht eten
De’ mond-maag-en darmkinderen’

[4-3] Chronische voedselweigering
Petra Weeda
over: interview met Theo Beentjes, oprichter van  Vereniging voor Ouders van Kinderen met Chronische Voedselweigering en Sondevoeding; voorbeeld van een kind dat een chronische voedselweigering ontwikkelt.

[4-4] Voedingsperikelen in het eerste jaar
Paulien Bom
over: van borst naar boterham; een brede kijk ontwikkelen: alles hangt met elkaar samen; voeding ‘op vraag’ of op ritme?; samengaan ritme en slaap; slechte slapers en bakeren; borstvoedingsproblemen; bijvoeding;

[4-5] Eten als peuterwapen
Machteld Huber
over: wanneer spreek je van een eetprobleem; waar moet je op letten; moet je in alles toegeven;

[4-6] Het ene eetprobleem is het andere niet
Georges Maissan
over: als zich een probleem voordoet: goed waarnemen; duidelijk zijn; ritme en rust belangrijk; dieet en extra verzorging;

[4-7] Hoe wordt je kind een gezonde fijnproever?
Marjolein Wolf over: het belang van het proeven; onbewerkt voedsel; geen fanatisme, er ‘speels’ mee omgaan, ook durven genieten van wat niet zo gezond is.

[4-8] Voedselallergie
Katja Madrigal en Aart v.d. Stel over: eczeem (natte, droge); dauwworm; verstoring in omgaan met prikkels en indrukken; huid, holtes als grensvlak; het probleem van ‘begrenzing’; vanuit de omgeving nodig: rust, regelmaat, hygiëne; een positieve kant.

[4-9] Mijn kind eet niet
A.Fauth, kinderarts
over: welke houding neem je als ouder aan om dit probleem op te lossen; wat is het probleem, is het er wel?

[4-10] Aan tafel!
Loïs Eijgenraam over: hoe schep je aan tafel een gezonde eetcultuur; over eerbied, aandacht, duurzaamheid.

[5-1] Kunststof of natuurproduct
maakt het uit of je de wereld leert kennen door natuurstoffen of niet

[5-2] De mens tussen natuur en kunststof
O. Wolff over: het verschil tussen een natuurproduct en een synthetisch product; hoe hangt e.e.a. met de mens samen; de drie rijken en de techniek; vitamine(n) C

[6] Duimzuigen is meer dan alleen maar lekker
Aart v.d. Stel over: wat is duimen; waarom gebeurt het; over de duim en de andere vingers.

[7] Hartelijkheid als levenselixer voor het kind
Elisabeth Klein over: wat is hartelijkheid; ‘van harte = uit het hart opvoeden; zo nodig voor het kind; zowel vreugde als verdriet moeten echt zijn; ergernis of geduld.

[7-1] Het kind heeft echte zielenkrachten nodig
G. von Arnim over: het  jonge kind in de wereld van de vele zintuigindrukken; wat doet dat; hoe schep je tegenwicht; het belang van voorlezen; van echte aandacht.

[8] de omgeving weerspiegelt onze zorg
het belang van zorg en aandacht
[8-1] aandacht
Wanneer de jongste kinderen totaal geen aandacht krijgen, blijven hun hersenen kleiner

[8-2] Muziek
Saskia Stienstra over: muziek maken met heel jonge kinderen; wat kun je doen en waarom; het gevaar van mechanische muziek op CD; verwijzing naar liedjes.

[8-3] Zingen met kleuters
Fiona van Mansvelt over: zingen met peuters en kleuters in het gezin; ervaringen van een moeder; de waarde van muziek voor de kleintjes.

[9] bedplassen

[10] opvoeding tot vrijheid

[11] digitale crèche

ZIEKTE

[12-11] Angst voor mazelen
Huisarts Arie Bos over: kinderziekte, mazelen, inenten
Aansluitend Jaap van der Wal over: de kijk op vaccineren vanuit de wereldbeschouwing die mensen on- of half- of bewust aanhangen.

[12-1-2] Kinderziekten: gevaar of hulp bij de ontwikkeling?
Dr. O. Wolff over: kinderziekte; koorts; ziekte als ontwikkelingsmogelijkheid. 

[12-1-3] Mazelen, meningen, mensbeelden
Jaap v.d. Weg
over: wetenschap, geloof en antroposofie over de mens en ziekte; ziekte en reïncarnatie en karma; ziekte als ontwikkelingskans; ‘warme en koude’ ziekten; kinderziekten.

[12-2-1] RS-virus of gewoon verkouden?
Huisarts George Maissan over: RS-virus, symptomen; wat te doen; ‘gewone’ verkoudheid, symptomen; wat te doen. (tijmolie)wikkel.

[122-2] Snotverkouden, steeds maar weer
Ziekenhuisarts Anne Schilder over: verkoudheid bij kleine kinderen; antibiotica? neusamandelen knippen? Of maar laten gebeuren?

[12-2-3] Vat op kou
Ineke van der Duijn Schouten en George Massain over: verkoudheid; kou en warmte(mantel); ‘weglekken’ van energie; Ik-werking; welke hulpmiddelen zijn er.

[12-2-4] Kouwelijkheid
Ineke van der Duijn Schouten en George Maissan over: het beleven van warmte en kou; kleding, hoeveel, kwaliteit; levenszin; warmtezin; middelen om warm te worden.

[12-2-5] Hoe voorkomen we verkoudheid
Weledaberichten over: de functie van warmte; kwetsbaar als je verzwakt bent; wat kan je doen voor jezelf en je kind.

[12-3] Het allergische kind is een rebel
Huisarts Aart van der Stel over: wat is allergie; voeding, voedsel; hoe ‘bewoont’ het kind zijn lichaam; veranderingen in eerste zeven jaar; te veel aan indrukken; immuunsysteem in de war; tastzin, huid; hoe te (ver)helpen

[12-4] Het nieuwe opvoeden: intuïtie én bewustwording
Aart van der Stel over: gezichtspunten over inenten; argumenten voor- en tegenstanders; een uitweg? waarde van ziek-zijn; groei en ontwikkeling; koorts; voedingsbad; je kind waarnemen.

[12-5] Wie niet (meer) horen wil, moet voelen
Noor Prent over: oorontsteking; hoe komt het; wat kun je eraan doen, ook als ouder.

[12-6] Het coronavirus
Georg Soldner over: wat is een virus; virus en de dierenwereld; long en virus; hoe versterk je je levenskrachten.

HET ENE KIND IS HET ANDERE NIET

[13-1] Het verlegen kind
Rineke Wisman over: het verlegen kind: artikel met citaten van wetenschappers over verlegenheid: hoe het komt en tips om ermee om te gaan.

[14] Opvoeding: jongens

[15-1] Het spook in de nacht
Dick Hütter over: kinderen met slaapproblemen; slecht inslapen; wakker worden; (bange) dromen; pavor nocturnus; wat is slaap; REM-slaap; welke indrukken gaan mee de nacht in;

[15-2] Wakker tegen wil en dank
Ineke van der Duijn Schouten en George Massain over: slapeloosheid bij volwassenen en kinderen; wakkerheid; te veel zintuigprikkels; rust scheppen.

[15-3] Slapen in een wereld die nooit rust
Loïs Eijgenraam over: slaapproblemen bij kleine kinderen; wat geef je ze mee voor een goede nachtrust.

[16-1] Angstige en onrustige kinderen
Henning Köhler
over: wat gaat er in je kind om als het bang of boos is; hoe kun je helpen; hoe belangrijk de verzorging van bepaalde zintuigen is;

[16-2] Erg wakker en onrustig
Noor Prent over: een kind dat druk is, onrustig en angstig; hoe kan dit komen; wat kun je doen; bakeren, ouderwets of een zegen om de eigen grenzen te leren kennen?

[16-3] De stekel in het buikje van de egel
Joyce Honing
over: wat kunnen verhaaltjes betekenen voor het oplossen van allerlei gedragsproblemen; met voorbeelden van een druk en van een angstig en boos kind.

[16-4] Kinderen die te open of te gesloten zijn
Joyce Honing
en Petra Weeda over: wat is een ‘gesloten’ of een ‘open kind’. Voorbeelden; hoe kun je ze verder helpen

[16-4-1] Spiegeltje, spiegeltje aan de wand…
Noor Prent over: kinderen met huidproblemen: eczeem; een (te) dunne huid; warmte; wat kun je doen

[16-5] ‘Mama, er zit een griezelig beest onder mijn bed!
Joyce Honing en Petra Weeda over: kinderen die bang zijn, vooral bij het inslapen; wat wél en wat niet te doen; agressief blijk panisch te zijn; hoe help je.

[16-6] Verwennen en ontwennen
Noor Prent over: wat is verwennen; hoe ontstaat het; hoe kun je het voorkomen; ontwennen kost tijd.

[16-7] Het labiele schoolkind
Walther Holzapfel over: wat kan er zijn met het kind dat niet naar school wil en hoofdpijn, buikpijn heeft of misselijk is.

PESTEN
[17-1] Sarren, jennen en treiteren
Karin Groet
over: verslag themabijeenkomst met (wijlen) Bob v.d. Meer: wat is pesten; de rol van ouders, leerkrachten, de pestkop, het slachtoffer, de meelopers; hoe kun je/moet je het aanpakken

[17-2] Zondebok tegen wil en dank
Hanneke Steutel
over: n.a.v. een aantal opmerkingen van (wijlen) Bob v.d.Meer; pester en slachtoffer: twee zielen in de knoop; het belang van die te ontwarren

[18-1] Vakantie met baby en peuter
Paulien Bom over: moet je wel met jonge kinderen op (ingewikkelde) vakantie; dag- en nachtritme verstoord bij lang vliegen; waarmee kun je rekening houden;

TELEVISIE

Wat zijn beelden en wat is fantasie
Wat zijn ‘ware’ beelden en wat ‘valse’. De werking van gezonde fantasie en ongezonde fantasie in/op de ontwikkeling van het (jonge) kind.


[19-1] Sesamstraat, een aanslag van de televisie op de kleuter
Marijke Roetemeijer over: het ontstaan van Sesamstraat; Nederlandse situatie heel anders; behaviorisme als achtergrond; meer dressuur dan creativiteit; het belang van spel; de pogingen van allerlei instanties de kleuter intellectueel vooruit te helpen;

[19-2Voor de buis?
Oene Schreuder over: kijk ik wél of niet: een keuzemoment; een kind kent zo’n moment (nog) niet, wat doe je als ouder dan; een kind kan veel moeilijker afstand nemen; kind leeft in beelden; oogontwikkeling bij kinderen nog volop gaande; de camera kijkt voor het kind, het kind kijkt niet zelf; 

[19-3] De andere kant van de tv
Joke Beekman
over: ze stelt vragen bij het tv-gebruik voor kinderen; ze geeft voorbeelden uit het leven van kinderen; tv als dwangmedium;

[19-4] Alleen maar verbieden heeft nauwelijks zin
Rita van Haren
over: wat te doen als ‘de buurt’ tv-kijken normaal vindt en jij dat voor je kind niet zo nodig vindt; wordt het een ‘buitenstaander’?; moeders organiseren een ‘creatieve middag’ als alternatief; ideeën voor zo’n middag;

en GEWELD

[19-5/1] Britse jeugd wordt crimineler door tv
In de loop der jaren verschenen er artikelen over de invloed van tv op kinderen en jongeren. Een regeringsonderzoek in Engeland constateert een relatie tussen tv en geweld onder en door jongeren.

[19-5/2] Enige opmerkingen over het tv-kijken door volwassenen
Mr.R.M.F. Houwink
over: de invloed van tv op jonge kinderen; agressie; liefdeloze gezinnen en latere problemen; nabootsing en navolging

[19-6/1] Agressie, geweld en tv
S.C.Derksen
over: wat is agressie, ontstaan;

[19-6/2] Agressie, geweld en tv
S.C.Derksen
over: oorzaken toenemend geweld; innerlijke leegte, angst, spanning, gebrek aan liefde; invloed milieu; invloed film en tv; 

[19-6/3] Agressie, geweld en tv
S.C.Derksen
over: invloed film en tv op geweldsontwikkeling; taak van de opvoeding, in inzonderheid school: pleidooi voor meer ‘zachte krachten’;
Ghandi: de wereld heeft meer vrouwen nodig

[19-7] Televisiegeweld slecht voor jeugd
Dr. Jan Verhulst
over: het boek ‘De invloed van televisiegeweld’. In dit boek wordt een relatie gelegd tussen agressieve tv-beelden en gewelddadig handelen van sommige jeugd.

[19-8] Sommige films zijn tóch te eng voor twaalfjarigen
De Kijkwijzer over: sommige films/series krijgen een andere leeftijdsaanwijzing. Voor tot nog toe geadviseerde leeftijden bestaan er te enge, agressieve films waarvan de invloed op een te jonge leeftijd te groot kan zijn met negatieve gevolgen.

[19-9] Opzwepend geweld op televisie meest schadelijk voor kinderen
Patti Valkenburg
over het boek: vierkante ogen van . Ze toont o.a. het verband aan tussen  geweld op tv en angst bij kinderen.

0-0-0

[19-10] Over de invloed van radio televisie op kleuters en jonge kinderen
Hugo Verbrugh en Peter van Domburg over: het in 1964 verschenen boekje van Frits Wilmar met bovenstaande titel; vanuit recente en minder recente essentiële gezichtspunten waar het gaat om de ‘technische’ invloed van media op jonge kinderen: dus niet over de inhoud van programma’s maar wat een kind moet ondergaan als het radio luistert en/of tv kijkt,

[19-11] Met een beetje godenhulp
Hester Anschütz over: zoveel media om het kind heen; wat moet je als opvoeder doen; het belang van kunst; het belang van zintuiglijke ervaringen; kijk mee!; 

[19-12/1] Mediawijsheid
Freek Zwanenburg over: de kinderen leven in een wereld met media. Hoe leer je ze ermee om te gaan; hoe zorgen we ervoor dat ze geen slaaf, maar de baas worden van de moderne technologie.

[19-12/2] Omgaan met beeldschermen
Hester Anschütz over: het lastige van mediaopvoeding thuis; verbieden? wat is een alternatief; welke beelden krijgen de kinderen binnen en wat doen die daar; gezichtspunten en tips.

[19-12/3] Digitale media in spiritueel perspectief
Andreas Neider over: hoe doen ze het in Taiwan; Steiners begrip van ‘ondernatuur’; elektriciteit; afstervende en opbouwende krachten; ‘bovennatuur’; Ahriman en materialisme; echte en onware beelden n het gevolg van de consumptie daarvan;

[19-12/4] Het gebruik van de computer op onze school
Maria Duif
over: waarom haar vrijeschool (in 2002) geen gebruik wil maken van computers in het basisonderwijs; de argumenten: conclusie: computer is geen meerwaarde voor het vrijeschoolbasisonderwijs. 

 

0-0-0

[20] Als liefde niet genoeg is
Christoph Meincke
over: hechtingsproces bij de baby. Kan die zich aan meerdere personen tegelijk hechten; je eigen houding

STRAF

[21] Straffen, soms heeft je kind het gewoon nodig
Joyce Honing en Petra Weeda over: kinderen die moeilijk gedrag vertonen: teruggetrokken, of juist agressief; hoe ga je met ze om: aandacht, consequent; praktijkvoorbeelden

[22] Zonlicht is gezond
Patricia Wessels en Arie Bos over: de werking van zonlicht; de onmisbaarheid ervan; het gevaar i.v.m. kanker; baby en (ouder) kind in de zon?

[23] Luizen
Luizenkliniek Houten over: gedrag van luis; hoe te voorkomen; hoe te bestrijden.

ONTWIKKELINGSBELEMMERINGEN

Het ‘gestoorde’ kind kan als begrip een zekere weerstand oproepen: het kind is niet ‘gestoord’, er is iets ‘ver-stoord’. Het wordt in ‘iets’ belemmerd. Vandaar dat ik kies voor ‘ontwikkelingsbelemmeringen.
Het past ook beter bij:

Je moet niet tegen jezelf zeggen: dit of dat moet je in de kinderziel naar binnen gieten, maar je moet eerbied hebben voor zijn geest. De geest kun je niet ontwikkelen, die ontwikkelt zichzelf. Het is je taak alles wat hem kan hinderen bij zijn ontwikkeling uit de weg te ruimen en hem bij te brengen wat hem in staat stelt zich te ontwikkelen.
Steiner GA 305 → wegwijzer 134

[1Het MBD-kind
Dirk Hütter over: het wezen van dit kind; over een aanpak

[2] Het ontwikkelingsgestoorde kind
Dirk Hütter over: de verlammende werking van sentimenteel medelijden

[3Kinderen die niet praten
Annet Schukking
 over: belang taalontwikkeling; kind goed waarnemen; betekenis van linker- en rechterhersenhelft; belang van motoriek; dysfatische problemen;

[4] Springen en stampen om rustiger te leren bewegen
Joyce Honing over: kinderen die niet willen bewegen of te veel bewegen; het zelf in de beweging van zo’n kind kruipen, openbaart je veel; samenhang spreken en bewegen

[5-1] ADHD
Noor Prent over: als er zorg is dat het pasgeboren kind ADHD ‘heeft’; wat kan je doen: rust, ritme, borstvoeding, wikkels; omgang leren.

[6] Ik ben een muisje met hele kleine snorhaartjes
Marjolein de Wolf: interview met euritmietherapeut die voorbeelden geeft hoe een zich moeizaam ontwikkelende motoriek gestimuleerd kan worden.

[7-1/1] Autisme
Krantenbericht over: Dr. van Soest: het heeft met de zintuigen te maken; zijn aanpak; kritiek daarop.

[7-1/2] Autisme
Krantenbericht over: het Leo Kannerhuis; de opening; de werkwijze (toen) ; karakteristieken van de mens met autisme;

[7-1/3] Voor- en tegenstanders twisten over vraag of afwijking te genezen is
Krantenbericht over: verschillende manieren van aanpak door verschillende uitgangspunten: Martha Welch – contactgestoordheid; Nico Tinbergen: koestering; Jo Stades-Veth: oogcontactherapie; Kaufmann Option-methode; Nan Snijders-Oomen: niet te genezen.

[7-1/4] X, een autist die zoent
Krantenbericht: over de Option-methode van Kaufman; praktijkvoorbeelden.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Leerproblemen: alle artikelen

.

968-895

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-1)

slechte eters

Jan is op het eerste gezicht een stevige kleuter van twee en een half jaar. Daarom is het verrassend van zijn moeder te horen dat hij vrijwel niets eet. Het begint er al mee dat hij niet eens aan tafel wil, daarna zet hij het al spoedig op een spugen, of wil overal appelmoes door — wat dan ook gebeurt, hij moet toch iéts eten? — of hij wil tenslotte met eindeloos geduld en afleiden wel wat gevoerd worden. Zijn ouders hebben al van alles geprobeerd, tot boos worden, of er in proppen toe.

Zonder succes. Vele maaltijden zijn al in scènes geëindigd. Vruchten wil hij ook niet, maar wel banaan en snoepjes. Maar als hij niet eet, krijgt hij ook geen snoepjes, voegt moeder eraan toe, waarmee ze wil laten merken dat ze toch wel streng is. Daar kan het dus ook niet aan liggen. Op mijn vraag of hij altijd zo slecht gegeten heeft, blijkt dat in het eerste jaar alles goed is gegaan, ze moesten hem zelfs wel eens afremmen.

Met een kleine variatie geldt het bovenstaande voor verbazend veel kinderen. Hoe komt het toch, dat we als baby zo graag eten, als volwassene meestal ook zo graag —overgewicht is één van onze volksvijanden— maar dat we in onze kleutertijd het onze ouders vaak zo zuur maken door niet te willeneten? Is het normaal dat er op een gegeven moment een zekere voorkeur komt. We mogen elk kind toestaan van een enkel ding weinig of zelfs helemaal niet te eten. Maar daar gaat het niet om.

AANDACHT
In het tweede jaar komt er een moment dat de kleuter een zekere zelfstandigheid gaat ontdekken. Hij leert de verrukking ontdekken om ‘nee’ te zeggen. Hij merkt dat hij daarmee weerklank, positief of negatief, maar in ieder geval flinke reacties in zijn omgeving kan oproepen. Zijn zelfstandigheid, zijn los-van-de-ander-zijn, wordt ermee versterkt. En hij vangt er de aandacht mee. Aandacht van anderen, is één van de bronnen vanwaaruit een kind kan groeien. Innerlijk kan groeien. Aandacht is even noodzakelijk als eten en drinken. Als een kind kan kiezen tussen aandacht of eten, zal het zelfs de voorkeur geven aan aandacht. Zelfs als het negatieve aandacht is, d.w.z. gevoelens van boosheid en ergernis i.p.v. liefde en geduld. En hier zit nu juist het geheim.

We kennen allemaal de stemming bij onze kinderen om voortdurend iets te doen wat niet mag, waardoor wij als ouders even zo vele keren verbieden, mopperen of straffen. In plaats van de situatie te doorbreken, of door zelf weg te gaan, of door iets leuks met het kind te gaan doen, laten we dit vaak veel te lang doorgaan. Het kind zelf zal niet stoppen, want het vangt er immers een grote hoeveelheid aandacht mee…

Als dit botsen tussen ouder en kind een te groot gewicht krijgt, zich te vaak herhaalt, en daardoor zelfs een vast patroon dreigt te worden, kan het volgende gebeuren.
Bij een confrontatie tussen kleuter en volwassene ‘wint’ meestal de ouder, omdat hij de sterkere is. Maar op enkele gebieden geldt niet het recht van de sterkste, of zou je kunnen zeggen dat het kind de sterkste is. En kinderen zijn o zo slim om deze puntjes te ontdekken. Kinderen kunnen hun ouders de baas zijn, door simpelweg te weigeren, als er iets heel graag van ze verlangd wordt. En hoe belangrijker moeder iets vindt hoe sterker het verzet kan worden.

Hiertoe kan het potje horen —‘Hij begint te krijsen, houdt het tijdenlang op, en zodra hij van de po af is, doet hij het in zijn broek’.
Ook het slapen — ‘Hij wil niet slapen, gaat staan, zingen, spelen of gillen, roept om water, wil naar de W.C., etc’. En het eten. Welke ouder wil nou niet dat zijn kind goed eet? En goede dingen? Bruin brood, groene groenten?

NEE-FASE
Maar als een kind in die nee-fase komt, en het ontdekt wat er van hem verlangd wordt, is het normaal dat hij nee zegt. De enig juiste reactie hierop is: nou dan niet. Zet rustig zijn bord weg, dek desnoods niet voor hem, en ga gezellig met de anderen eten, die wèl willen. — Ook de aandacht gaat dan zijn neus voorbij. Geef ook het toetje niet, geef eventueel hetzelfde bordje, nu koud geworden, ’s avonds nog eens, of laat hem zonder eten naar bed gaan. Geef ’s middags alleen wat te drinken, waardoor je er zeker van bent dat hij ’s avonds een lege maag heeft, en schenk er verder geen aandacht aan. Op deze manier is er als je twee en een half jaar oud bent toch geen lol aan, om je bordje te weigeren? Zelfs niet als je het eigenlijk niet zo lekker vindt. En je gaat eten zoals het hoort: tijdens de maaltijden, omdat je toch honger hebt gekregen. Onder deze omstandigheden is het eten ongedwongen, gezellig, iedereen kan wat vertellen, iedereen kan om de beurt aandacht krijgen. Zo is de maaltijd een uitermate sociale aangelegenheid.

Natuurlijk blijven er ook nu nog wel eens wat strubbelingen over. De zon kan niet altijd schijnen. De jongste eet ook nog wat langzamer dan de anderen, en moet soms nog wel wat aangemoedigd of met de laatste hapjes geholpen worden, zodat ook zijn bordje leeg is voordat het toetje komt. Maar dit neemt niet weg, dat het geheim van goede eters is: graag of niet!

B.C.Witsenburg, arts, Jonas 01-11-1974

Opvoedingsvragen (4-2): slecht eten

Opvoedingsvragen: alle artikelen

967-895

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (3-2)

zakgeld

Het onderstaande artikel is de neerslag van een gesprek over zakgeld tussen Louise Berkhout, Marie-Louise Sloots en Lili Chavannes. Louise putte uit haar eigen ervaringen, Marie- Louise heeft een gezin met drie kinderen van 20, 18 en 16 jaar, en Lili’s kinderen zijn 9, 7, 5 en 1 1/2 jaar oud.
De bedoeling van het gesprek was niet om bepaalde richtlijnen te vinden voor het geven van zakgeld; al pratende bleek veeleer dat die niet te vinden zijn, maar dat het wel verhelderend kan zijn je bewust te worden van je motieven bij het zakgeld-geven, als zich daarbij moeilijkheden voordoen.

Wanneer begint geld eigenlijk een rol te spelen in het leven van kinderen? Over het algemeen: als kinderen groot genoeg worden om ze om een boodschapje te sturen, zo vijf, zes jaar. Als ze winkeltje gaan spelen, hoewel het de kinderen dan meestal meer gaat om de hoeveelheid muntjes dan om de waarde. Marie-Louise vertelt dat zij pas met zakgeld geven begonnen is toen haar oudste dochter tien jaar was. Aanleiding daarvoor was een ‘snoep-hausse’ in de klas. Behalve voor snoep was het bedrag dat ze kreeg ook bestemd voor het kopen van cadeautjes voor verjaardagen; werden de cadeautjes zelf gemaakt, dan bleef er veel over! Vanaf dat ogenblik kregen de drie kinderen allemaal zakgeld, hoeveel was afhankelijk van hun leeftijd. Verhoging ging in op verjaardagen.

In tegenstelling tot de familie Sloots, waar het zakgeld een antwoord was op de behoefte van de kinderen, is het bij de familie Chavannes begonnen toen de kinderen een spaarvarken cadeau kregen, waar op zaterdagavond iets ingestopt mocht worden. Dat één van de varkens maar één opening had was een probleem op zich; in principe werd het geld besteed aan cadeautjes en snoep. Maar omdat het te moeilijk bleek het overzicht te bewaren op de komende verjaardagen en partijtjes – als je net zo’n ontzettende zin hebt in iets lekkers – werd het zakgeld, nadat er een zakcentje van afgenomen was voor het snoepwinkeltje op de hoek, verdeeld over twee potjes: één voor cadeautjes en één om te sparen voor eigen brandende wensen. Waarbij het zakcentje – zeker tot in het tiende jaar – in het centrum aller belangstelling staat. De suggestie dat je er ook een zakje worteltjes van kunt kopen wordt één keer willend uitgevoerd. Snoep is heerlijk. Toch blijven de meeste ouders het er moeilijk mee hebben, ook al weten ze uit eigen ervaring hoe heerlijk het is!

Hoeveel zakgeld je een kind geeft is afhankelijk van de klas waarin het zit. Ook een rol speelt daarbij wat andere kinderen krijgen en wat het kind ervan moet doen. Als kinderen ouder worden is het prettig niet meer voor elk wissewasje te hoeven aankloppen, maar de beschikking te hebben over een groter bedrag dat over een langere termijn, naar eigen goeddunken, besteed kan worden. Grotere vrijheid, grotere verantwoordelijkheid.

In een publikatie van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting  ‘Zakgeld en kostgeld van opgroeiende kinderen’, wordt vermeld dat men naast het zakgeld vaak begint met een klein bedrag, het zogenaamde kousengeld, dat de kinderen alleen behoeven te besteden aan kleinere kledingstukken: panty’s,  sokken, ondergoed en dergelijke, zodat zij stukje bij beetje de verantwoordelijkheid leren voor het besteden van grotere bedragen. Voor de ouders vaak ook een leerproces; hoe moeilijk is het niet je kind een miskoop te ‘gunnen’!

Het ene kind is handig en maakt in zijn vrije tijd zijn kleren zelf, het andere kind heeft in zijn vrije tijd liever een baantje waardoor hij of zij weer meer geld ter beschikking heeft. Louise vertelt dat zij vroeger geen kleedgeld kreeg, kleren kreeg ze van haar ouders. Wel had ze een krantenwijk om zelf de begeerde paardrij- en balletlessen te kunnen betalen. Marie-Louise vertelt over hoe in haar gezin het bericht ontvangen werd dat er op school, waar Benno en zij beide werken, het behoefte-salaris werd ingesteld. De kinderen reageerden: ‘Nou, dat is wél leuk, maar worden daar dan onze behoeftes ook bij ingedeeld?’ Waarop zij antwoordde: ‘Ja, gedeeltelijk, maar we vinden ook dat als jullie behoeften uitbundig gaan worden, dat jullie daar best zelf voor kunnen werken. Jullie hebben twee goede rechterhanden aan je lijf en dus hoeft de maatschappij niet alles voor jullie op te brengen.’

Als kinderen wat ouder worden is het heel goed mogelijk ze inzicht te geven in het gezinsbudget, waardoor ze zich gaan realiseren dat het geen bodemloze put is, maar iets dat zo eerlijk mogelijk verdeeld moet worden, waarbij ieder persoonlijk altijd te wensen over houdt.

Kinderen willen zakgeld – goed, ze krijgen zakgeld – hoeveel is afhankelijk van wat ze ermee moeten doen en hoe oud ze zijn. Soms is het te weinig, soms is het buitensporig veel.

Het is belangrijk om in een gezin je eigen normen vast te stellen, ook al is het daarbij ook nodig ‘voeling’ te houden met de omgeving. In dit proces kan het ook verhelderend zijn je als ouder af te vragen welke normen je al ‘klaar’ hebt liggen, die uit je eigen opvoeding in je overgegleden zijn. De één heeft nooit zakgeld gekregen en hield daarom wel eens het geld voor boodschappen of het
kerkzakje achter. De ander heeft als vroegste herinnering het glorieuze gevoel dat zij had toen ze de pillen voor haar grootvader mocht betalen uit haar eigen spaarpot. Voor de één is zakgeld iets dat je uit mag geven, voor de ander moet er eigenlijk van gespaard worden, ook al wordt in deze tijd het leven met schulden aangemoedigd.

Ook de volksaard spreekt een woordje mee waar het de houding tegenover geld betreft. Nederland heeft zelfs een Nationaal Spaarpottenmuseum.

Veel normen blijken geen bewust gekozen normen te zijn, maar zijn bepaald door vroegere levensomstandigheden, opgepikt uit eigen ervaringen.

Het is daarom goed in de opvoeding van je eigen kinderen zo nu en dan stil te staan bij de vraag: waarom eigenlijk zakgeld?

Kinderen moeten de waarde leren kennen van het geld ten opzichte van wat ze er voor kopen. Hoe duur is iets? Waarom geeft je moeder grif honderd gulden uit aan boodschappen die in drie dagen op zijn, en vindt zij dertig gulden voor een goocheldoos zomaar te veel?

Als je een paar partijtjes achter elkaar hebt, kan je die week niet snoepen, tenzij je de cadeautjes, al snoepend, zélf maakt. Het kind leert kiezen. Het kind leert ook het verschil in kwaliteit kennen: prullige dingen zijn bereikbaarder dan goede. Twee keer iets voor vijftig cent, of één keer iets voor een gulden?

Wat is het opvoedkundig motief bij het geven van zakgeld? Leer je het kind sparen? en daarmee een directe behoefte aan drop of zo) opschorten ter wille van iets anders dat het graag wil hebben, maar waarvoor je tien weken zakgeld nodig hebt? Of zelfs sparen zonder een direct doel, voor een toekomstige behoefte: het zal je nog van pas komen. Leer je ze uitgeven? Geld moet rollen, zo belangrijk is het niet. Het is geen doel in zichzelf, het is een middel waar je iets prettigs mee kunt doen. Het angstbeeld van de tellende vrek, het aantrekkelijke van zorgeloosheid,  gulheid.

Het zal iets daartussen in zijn. Geld is niet niks, maar geld is ook niet alles. Geld is iets met betrekking tot iets anders. Het is een middel. Zakgeld is ook een middel waar je op verschillende manieren mee kunt omgaan.

Jonas 11-07-1980

Zakgeld [1]

965-893

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (3-1)

Op ouderavonden kwam het in mijn klassen van tijd tot tijd ter sprake: zakgeld. Zo’n onderwerp leende zich uitstekend voor het uitwisselen van vragen en antwoorden. Ouders met oudere kinderen en dus met ervaring, konden zo een steun zijn voor andere ouders die voor het eerst in hun leven met dit opvoedingsaspect te maken kregen.
Onderstaand artikel is wellicht een ondersteuning voor bepaalde gezichtspunten in het ouderavondgesprek.
De getallen van de enquêtes zijn uiteraard niet  actueel, hier staan recentere.
Het Nibud doet zeer regelmatig onderzoek.

ZAKGELD EN DE VERLEIDING

Nog nooit hebben kinderen over zoveel geld beschikt als vandaag de dag*. De zakgelden hebben een ongekende hoogte bereikt. De koopkracht heeft zich de afgelopen 20 jaar verviervoudigd. Dat maakt kinderen tot een aantrekkelijke kopersgroep.

De reclame beschouwt het kind in het koopproces als een volwassene in zakformaat; en als zodanig wordt het door de handel aangesproken. Er wordt aangenomen dat het geprononceerde wensen heeft net als de volwassene, of dat het in ieder geval in staat is die te ontwikkelen.

In de NITHO-ringband van september 1974, schrijft drs. Barends dat er verschillende factoren zijn die het geven van zakgeld bevorderd hebben:

a. Kinderen verlangen meer dan vroeger naar vrijheid en zelfstandigheid.
Dit blijkt o.a. uit hun verlangen reeds op jonge leeftijd het ouderlijke huis te verlaten en op kamers te gaan wonen. Dat verlangen naar zelfstandigheid komt ook tot uiting in het financieel onafhankelijk zijn.

b. De opvoeding is minder autoritair dan voorheen. Er is minder patriarchale begeleiding. De ouders willen kinderen de kans geven zelf geld te beheren.

c.De vrijetijdsbesteding vindt meer buiten het gezin plaats dan vroeger.

d.De grote welvaart brengt met zich mee dat er gemakkelijker geld uitgegeven wordt. De kinderen krijgen een financiële speelruimte die men vroeger niet kón geven door gebrek aan middelen.

Het is merkwaardig dat de opvoeding wat het zakgeld betreft hierin tot nog toe nog steeds geen taak heeft gezien, en zich beperkt tot de simpele opwekking tot sparen. Maar daarmee is het kind nog niet geholpen, want aan de andere kant wordt het alom opgewekt om geld uit te geven.

De jeugd van vandaag wordt vaak een protesterende generatie genoemd.
Maar dit protesterende deel is niet meer  dan 5 procent. Het is reëler te spreken van een verbruikende generatie. Immers voor het eerst in onze geschiedenis groeit er een geslacht van jonge mensen op in een samenleving waar ze geen beperking van het gebruik wegens schaarste gekend hebben. Het begrip verbruiker is er pas een van de laatste tijd. Natuurlijk hebben alle eeuwen door de mensen geconsumeerd, gegeten, en gedronken, gewoond en gekocht. Maar de vanzelfsprekendheid van deze functies is een nieuwe kwaliteit die met de veranderende kwantiteit van het verbruik zijn intrede heeft gedaan.

Schoolkinderen krijgen zo ongeveer een zakgeld van tien gulden in de maand, meisjes iets minder.
76%procent van de 8-11 jarigen krijgen tussen de f 1,- en f 10,- per maand,  80% procent van de 12-13 jarigen krijgen tussen f 10,- en f 25,- per maand, 64% procent van de 14-15 jarigen krijgen tussen de f 10,- en f 50,- per maand.

Er blijken grote verschillen te zijn binnen één leeftijdsgroep. 70 procent van de schoolkinderen leggen zich bij deze situatie niet neer. Zij vermeerderen hun inkomsten door zelf wat te verdienen: met kranten rondbrengen, in bedrijven helpen of anderszins. Gemiddeld levert dat nog zo’n f 30,- in de maand extra op

Zo leren kinderen u al vroeg dat je iets moet presteren om je in het leven wat te kunnen te veroorloven. Het wordt vaak pedagogisch verantwoord gevonden als de weg naar het begeerde object leidt via het aanharken van buurmanstuin, het wassen van een auto of het goede schoolrapport. Het leert erdoor dat een geleverde prestatie (mits door de volwassene als zinvol beleefd) geld waard is. Aan de ene kant leert het een realiteit kennen, aan de andere kant kan het door deze “leefwijze” de bereidheid verliezen ook eens iets “voor niks” te doen, zomaar uit spontane hulpvaardigheid.

Waaraan wordt het geld besteed?
Volgens een onderzoek is de volgorde: zoetwaren, bioscoop, tijdschriften, foto’s van sterren op diverse gebieden, grammofoonplaten, sport, knutselmateriaal, postzegels, boeken.

In brede lagen van de bevolking is het verlangen naar behoeftebevrediging op korte termijn, bijvoorbeeld door snoep het sterkst.

Een onderzoek in Duitsland heeft uitgewezen dat 90 procent van de kinderen het merendeel van hun geld aan snoep uitgeeft.

Fabrikanten en reclamemensen beseffen dat het koopgedrag van ouders een voorbeeld is voor hun kinderen. Maar te gelijkertijd weten ze ook dat via kinderen invloed is uit te oefenen op het koopgedrag van ouders. Vandaar dat deze verkoopmethodes er verleidelijk uitzien en de beïnvloeding vaak niet zo gemakkelijk te onderkennen is.

Toch zou aan het zakgeld geven een praktische begeleiding vast kunnen zitten. Het samen proberen te doorzién wat de handel aan de consument kwijt wil en welke “mooie verpakking” hij daarvoor gebruikt. Dat dat niet eenvoudig is blijkt wel, als je ziet hoe weinig mensen zich van deze “verleidingen” zich bewust zijn.

INVLOED
Vance Packard heeft er op gewezen, met welke geraffineerde middelen sommige firma’s te werk gaan. Zij proberen bijvoorbeeld om via de leergierigheid van de jeugd tot een omzetverhoging te komen.

Een onderneming distribueert wandkaarten, kartonnen modellen van
producten voor de onderwijskrachten onder de detailhandel met de volgende toelichting.

“De naar kennis dorstende geest kan men zodanig beïnvloeden dat het verlangen naar uw artikelen bij haar wordt gewekt. De miljoenen jongens en meisjes die de lagere scholen bevolken eten levensmiddelen, verslijten kleren en gebruiken zeep. Vandaag zijn ze verbruikers, morgen kopers. Hier opent zich een enorme markt voor uw producten. Zorg dat deze kinderen uw merken leren kennen.
Dat zal tot gevolg hebben dat hun ouders geen andere merken zullen kopen.”

Een ander voorbeeld.

In bepaalde kringen van de bevolking wordt het langzamerhand normaal gevonden dat jongens ook met een pop mogen spelen.
De scheiding die er tussen meisjesspeelgoed en jongensspeelgoed bestaat, wordt door de fabrikant van speelgoed gehandhaafd. Maar om aan deze nieuwe tendens te voldoen brengt hij iets nieuws op de markt. Een pop voor jongens! Dat lijkt logisch. Maar het is niet zomaar een gewone pop, waar je mee kan knuffelen, slapen en mee kan rond zeulen, dat is meer voor meisjes. Het is een pop voor jongens, d.w.z. een held. Een pop die dingen kan doen waar jongens van dromen. Jagen, varen, vechten met wilde dieren en boeven, ruimtevaart, mensen redden, bergen beklimmen. Voor ieder avontuur kan je speciale attributen kopen en hij heeft ook vrienden, die bijna net zo sterk zijn als hij. Zo heeft de fabrikant voor de progressieven een antwoord op de vraag “pop voor jongens” gegeven. Maar tegelijkertijd voor die mensen, die nog niet zover zijn, dat ze de rolverdeling meisje pop, jongen auto uitzichzelf doorbreken, een helpende hand toegestoken.

Deze stoere held laat vooral de rolopvattingen bestaan. Het patroon meisje mag huilen, jongens zijn flink, sterk en huilen niet, wordt bevestigd. Dit soort manipulatie wordt vaak getolereerd, omdat ze zo vakkundig en zo schijnbaar onschuldig wordt gepresenteerd.

RECLAME
Reclame suggereert volwassenen de noodzaak om er jong uit te zien. Jongeren worden aangespoord, zo vroeg mogelijk te delen in de voordelen – en vooral de materiële en tastbare voordelen – van de wereld van de volwassenen.

Juist kinderen, die nog geen gevestigde positie hebben en daardoor onzeker zijn omtrent hun plaats, zijn vatbaar voor vleierij. Zij verlangen naar erkenning van hun eigenwaarde en laten zich gemakkelijk voorschrijven wat je daarvoor doen moet.

Zo wordt de overgang tussen de verschillende leeftijdsfasen verdoezeld en weggemanipuleerd. Een kind zoekt naar voorbeelden van een bruikbaar levenspatroon. Als deze met positieve gevoelsargumenten hem worden aangereikt, dan wil hij ze best aanvaarden. In reclamekringen voor gebruiksgoederen weten ze dat wel. Ze gaan daar heel wat effectiever te werk dan vele ouders en opvoeders, die met negatieve waarschuwingen, bedreigingen en straffen werken. Een kind neemt een uitnodiging tot een ander gedrag veel eerder aan, als deze hem niet wordt opgedrongen, maar op een aantrekkelijke wijze voor de ogen wordt “getoverd”. Een manier van aanbieden bovendien die hem in zijn waarde laat en met begrip voor zijn verlangens tegemoet komt.

De reclame kan onpopulaire waarheden en onprettige plichten ontwijken. Ze stopt kinderen een reuze speen in de mond die hen van de werkelijkheid vervreemdt, waaraan ze steeds meer moeten sabbelen en vaak genoeg ook willen sabbelen. Het is vaak verbijsterend, hoezeer deze dagelijkse manipulatie, deze honingzoete dwingeland invloed heeft gekregen op gedrag en opvoeding.

Alle ouders hebben een bepaalde houding ten opzichte van geld. Wat zij doen maakt meer indruk dan wijze woorden zoals: geld maakt niet gelukkig.

Vooral niet als je door middel van dat geld in bezit kan komen van die voorwerpen die je eigenwaarde bevestigen!

Zakgeld is er om te oefenen, hoe je met geld om kan gaan. Kinderen die nog niet kunnen rekenen, hebben geen behoefte aan zakgeld. Natuurlijk wel als de volwassenen in de omgeving veel waarde en nadruk op het in ’t bezit hebben van geld leggen.
Tien centen is voor deze groep kinderen nog aantrekkelijker dan een kwartje. Door een vaste betaaldag te hebben, kunnen kinderen leren plannen.
Een tienjarige kan al overzien en kiezen tussen bv. een bouwplaat kopen of twee keer gaan zwemmen. De grote moeilijkheid voor vele ouders is dat je het zelf zo goed weet hoe het moet.

Het liefst zou je het kind precies willen vertellen hoe het ’t beste met het gekregen geld kan omgaan. Toch is het daar weinig mee geholpen. Het is de “kunst” om het kind er zelf mee te laten modderen. Het zal zelf moeten ontdekken dat het slim kan zijn om iedere week iets apart weg te leggen, als je iets groots wil kopen.

Het zo maar geven van geld, als een kind er om vraagt omdat hij plotseling wat wil kopen, werkt inconsequent.
Hij leert er niet mee omgaan en kan ook zijn zelfstandigheid niet oefenen. Samen met het kind kan er bepaald worden hoeveel zakgeld er betaald wordt en wat hiervan als vaste kosten voor de rekening van het kind komen. Hier zal de leeftijd een grote rol spelen.

HULPMIDDEL
Als hulpmiddel om in de gaten te krijgen waar het geld aan uitgegeven wordt, kan er een eenvoudig “kasboekje” bijgehouden worden van inkomsten en uitgaven. Het is niet de bedoeling dit als controlemiddel voor de ouders te laten functioneren, want dan zal zelfs een kind wel zo slim zijn om de uitgaven te verdoezelen. Er zal vaak genoeg geld aan iets uitgegeven worden, waarbij je je als ouder afvraagt waarom, maar dat is het leer- en oefenproces. Ook moet hierbij niet vergeten worden dat het overweldigende aanbod van de handel een grote verleiding is. Artikelen die voor kinderen interessant zijn worden in supermarkten van de ooghoogten van de volwassenen verplaatst naar kniehoogte, dus binnen het gezichtsveld van het kind. Dan is het ook niet gek als het zakgeld toch weer “versnoept” wordt, al waren er zoveel andere goede voornemens!

zakgeld
*Marijke Roetemeijer, Jonas 17-01-1975
964-892