Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan3200artikelen
Kleinere en grotere, makkelijk toegankelijke en die meer studie vragen; direct met de vrijeschool te maken hebbend of zijdelings: de meest uitgebreide vrijeschoolsite die er te vinden is.
In het zoekblokje (op deze pagina rechtsboven) een trefwoord ingeven, leidt ook vaak tot artikelen waar het betreffende woord in voorkomt. Wanneer er meerdere koppen van artikelen worden getoond, is het raadzaam ieder artikel open te maken en onder aan het artikel bij de tag-woorden te kijken of het gezochte woord daar staat. Wanneer het artikel is geopend, kan je Ctr + F klikken. Er verschijnt dan een zoekvenstertje waarin je het gezochte woord kan intikken. Als dit woord in het artikel aanwezig is, kleurt het op. .
Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p. vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com .
RUDOLF STEINER alle artikelen –wat zegt hij over—— waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool– een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’
In het Driekoningenspel uit Oberufer doet de hoofdman van Herodes na de kindermoord een wonderlijke uitspraak. Zoals kleuters weleens een groot getal verhaspelen bij het uitspreken, geen notie nog van de plaats van eenheden, tientallen enz., lijkt ook de hoofdman zijn getal uit te spreken. Maar is dat zo. Is die verhaspeling er ingeslopen, bewust erin gezet, door wie dan en waarom? Kortom, best wat vragen. In wat er van het origineel nog is, staat:
Enger kenigli majestät nembt mi wol in acht, Amal hunderttausendvierundvierzig und acht.
In 1954 wijddeErnst Bindel,leraar wiskunde aan de Stuttgarter vrijeschool er een artikel aan. Een deel van die inhoud verwerkt hij ook in zijn latere boek ‘Die geistigen Grundlage der Zahlen’.(1958/2003)
Ernst Bindel, Erziehungskunst jrg. 18, 1954 nr. 4
.
Antieke getallenwijsheid tegen een christelijke achtergrond
.
In het Driekoningenspel van Oberufer, als de hoofman terugkeert van de kindermoord in Bethlehem rapporteert hij de executie aan Herodes met de woorden:
Conincklyc majesteyt, nu gheeft wel agt; een maol hondert dusend vier en veertigh en acht heb ic mit eyger hand omt lyf gebrogt, wel nu, heer coninck hebt goeden moet, wy deden vergieten het kinde syn bloet.
Niemand zal denken dat hij hiermee het exacte aantal kinderen dat hij had gedood wilde aangeven. Want bij de grootte van 100.000 is een paar kinderen meer of minder niet belangrijk; en dan had hij nog die 52 kunnen noemen. Deze kunnen de indruk van de grootte van de begane misdaad eerder afzwakken dat door het getal 100.000 op zich er veel indrukwekkender uitspringt. De expliciete toevoeging “vierenveertig en acht” moet daarom een speciale reden hebben. Wil de man, verward door de bloeddorstigheid met dit bericht bij zijn opdrachtgever in een goed blaadje komen? Dat zou het geval zijn, wanneer het bij de spelen uit Oberufer alleen maar om een pretentieloze boerse vertolking van Bijbelse verhalen zou gaan. Maar ze zijn veel meer dan dat. Er zit nog een glans van oude wijsheid, oude mysterieuze kennis in, en het lijkt mij dat de getallen die de hoofdman noemt, ook gehuld zijn in zulke wijsheid, ook al licht die slechts vaag in zijn woorden op.
Als je er nader op ingaat, is dit niet één getal dat als geheel moet worden genomen, maar als twee getallen die naast elkaar staan, namelijk 144.000 en 8, waarbij het eerste van de twee in de vervorming voorkomt, als honderdduizend vierenveertig in plaats van honderdvierenveertigduizend.
We komen beide numerieke formaties tegen in de geschiedenis van het christendom zoals de volgende uitleg laat zien.
In het 7e hoofdstuk van de Openbaring van Johannes staat in de verzen 2 tot en met 4 het volgende:
“En ik zag een andere engel opstijgen van het opgaan van de zon; hij had het zegel van de levende God en riep met machtige stem tot de vier engelen, aan wie gegeven was het land en de zee te verwoesten: Verwoest niet het land noch de zee noch de bomen, voordat wij de dienstknechten van onze God op hun voorhoofd verzegeld hebben. En ik hoorde het getal van hen die verzegeld waren: honderdvierenveertig duizend verzegelden uit alle stammen van de zonen van Israël.”
In de volgende verzen 5 tot 8 worden vervolgens de twaalf “geslachten van de kinderen Israëls”, elk met twaalfduizend verzegelden opgesomd. Over deze 144.000 wordt dan in het verdere verloop van de Apocalyps gesproken als over degenen die de christusimpuls hebben opgenomen en zo het verschrikkelijke einde van de wereld overleven.
Maar waar gaat het tweede getal, 8, over? Terwijl de 144.000 verwijst naar de belijders van het christuswezen, verwijst het getal naar dit wezen. In de geschriften van het Nieuwe Testament is daarvoor geen aanknopingspunt te vinden. Toch is het een leidend idee geweest voor iedereen die een verband tussen de oude wijsheid van getallen met het christuswezen zocht.
Zoals het beeld van het getal vier het vierkant is, zo verschijnt het getal 8 in het beeld van het dubbele vierkant.
Er zijn drie manieren om twee vierkanten tot een geheel te verenigen: door ze naast elkaar te plaatsen om een rechthoek te vormen, door ze tegenover elkaar te plaatsen om een figuur te vormen, dat ons getalteken voor 8 in hoekvorm is, en door ze in elkaar te laten grijpen rond het gemeenschappelijke middelpunt van de twee vierkanten. Elk van de drie figuren voor de acht, had symbolische kracht voor de oude mensheid, omdat aan het cijfer acht zelf goddelijke eer werd toegekend.
Vanuit een scheppende oergrond, waarmee allerlei verbonden werd, zoals oerwateren, oerbegin of “vader der vaders, moeder van moeders”, volgens de oude Egyptische denkwijze, een achtheid van goddelijke wezens, die verdeeld waren in twee vieren, een mannelijke of vaderlijke en een vrouwelijke of moederlijke vier-eenheid; uit de mysterieuze afgrond van het scheppende niets ontsprongen vier goden en vier godinnen. Binnen deze door God gegeven en van God vervulde wereld van scheppende wezens, interageren het vaderlijke en het moederlijke, het verwekkende en het ontvankelijke, het mannelijke en het vrouwelijke met elkaar; maar hier nog in de staat van onschuld, van onegoïstische liefdevolle toewijding. Deze goddelijke schepping verscheen in het symbool van de twee in elkaar verstrengelde vierkanten. Een hele Egyptische tempelstad, die de Grieken Hermopolis Magna noemden, de grote stad van Hermes, werd door de Egyptenaren zelf ‘Schmun’ genoemd, wat niets meer is dan het getal acht. De naam Thoth werd gebruikt om te verwijzen naar de volheid van wijsheid die het grote oerwezen schonk aan de schepping van de wereld. Alles wat menselijke wijsheid en menselijke wetenschap is, verscheen aan de oude Egyptenaren als een geschenk van Thoth. De tempelstad Schmun werd beschouwd als het aardse beeld van de spirituele stad Schmun. Het was de plaats waar de constructieve krachten werkzaam zijn en zegevieren over de destructieve krachten. Wijsheid openbaart zich alleen in opbouw; waar afbraak en vernietiging de overhand hebben, trekt wijsheid zich ook terug. Ons eigen menselijk lichaam kan dienen als een belangrijke getuige van dit feit zolang de constructieve krachten nog de overhand hebben, het leven in zich draagt en bewaart, om vervolgens, wanneer de destructieve krachten het overnemen een lijk wordt dat ontbindt en dan geeft hij ook de wijsheid die een leven lang in hem werkzaam was, aan de kosmos terug. De met wijsheid doortrokken, opbouwende krachten die de fysieke substantie vormgeven, komen niet uit de fysieke substantie zelf, maar uit een hogere wereld, uit een wereld van vormende krachten.
Rudolf Steiner beschreef ze ons in hun viervoudige vorm. Daar kunnen we aan denken als ons verteld wordt over de hemelse stad Schmun. Als de van wijsheid vervulde kosmos van de vormkrachten ongestoord in ons lichaam werkt, zijn we vervuld van leven en gezondheid. Als we iets mankeren, nestelen ziekte en dood zich in ons. [mankeren letterlijk in de zin van ‘wat ontbreekt er aan je] “Wat mankeer je?” vragen we de zieke. Alleen het genezende medicijn, dat de ontbrekende vormende krachten bezit, is in staat het verstoorde evenwicht in ons te herstellen. In deze context hoeft het ons niet niet te verbazen dat de oude Egyptenaren de heer van de stad Schmun beschreven als de brenger van de geneeskunst en de beschermheer van de artsen, en het lijkt ons een gedenkwaardig toeval dat deze heer van de hemelse machten op aarde door de Egyptenaar met dezelfde naam werd aangesproken, waarvan de letters in onze Duitse taal de toestand van afwezigheid van deze vormende krachten aanduiden. In deze mysteriën die met het getal acht samenhangen, toonde de Griek zich de geleerde, begrijpende leerling van de Egyptenaar. Het was vooral Pythagoras die de oude Egyptische wijsheid naar het Grieks overbracht. In de kringen van de Pythagoreeërs had men voor de som van de eerste vier oneven of mannelijke getallen 1, 3 ,5 en 7 en de eerste vier even of vrouwelijke getallen 2, 4, 6 en 8 een diep respect Met verbaasde eerbied namen ze de som van (1 + 3 + 5 + 7) + (2 + 4 + 6 + 8), waarvan de waarde 36 is, in hun gevoel op. Plutarch vertelt ons dat deze som van de eerste acht getallen, 36, de wereld betekende. Met dit getal legde hij de eed af, net zoals velen vandaag de dag nog steeds God (de vader) bij een eed noemen.
De relatie tussen het getal acht en de aard van Jezus Christus is nu enigszins duidelijk geworden. We kunnen hier verder komen als we de mysterieuze naam van Jezus zelf nemen. Hij behoort tot die groep eigennamen die vanuit de geestelijke wereld naar de aardse wereld zijn gebracht door spirituele wezens en die, door hun hele klankfiguur, ook de aard en waardigheid van de betreffende persoonlijkheid omvatten. De aartsengel Gabriël kondigde die aan de Maagd Maria aan met de woorden: “Zie, u zult zwanger worden in uw schoot en een zoon baren, en u zult hem de naam Jezus geven.’ (Lucas 1:31). Zoals er niets willekeurigs was aan zo’n naam, zo was het ook met het getal dat erbij hoorde. Zo’n verband tussen naam en getal is voor ons verloren gegaan omdat we tegenwoordig onze eigen tekens hebben voor de getallen, de cijfers, terwijl de oude Hebreeën en zelfs de Grieken de getallen nog schreven met de letters van hun alfabet, zodat een naam ook als een getal kon worden gelezen. De numerieke betekenis van elke individuele letter lag vast en is vandaag de dag nog steeds te lezen in elke Hebreeuwse of Griekse grammatica. Wat was het getal van de naam Jezus geschreven in Griekse letters?*
Jota eta sigma omikron ypsilon sigma
10 8 200 70 400 200
Als je de numerieke waarden van de letters optelt, krijg je het getal 888. Een opwindend resultaat, als je hier niet uitgaat van een grandioos toeval, maar er met de Grieken van overtuigd bent dat de getallen en de letters hun oorsprong vinden in een gemeenschappelijke geestelijke sfeer van de werkelijkheid, zodat de naam en het getal van een wezen raken aan zijn geheim van bestaan! In feite wijst de naam Jezus naar dezelfde sfeer van werkelijkheid die ook wordt gemanifesteerd in het getal acht, zoals het werd gezien en gevoeld door de door de antieke wereld, naar de helende wereld van de vormkrachten. Dat dit zo is, wordt bevestigd door woorden van Rudolf Steiner in de 11e van zijn voordrachten over “Het Evangelie van Mattheüs”:GA 123/188; vertaald/201
‘in een bepaald dialect in Voor-Azië, waarin vooral degenen zich uitdrukten bij wie het christendom is opgekomen, wordt wat wij een ‘geestelijke genezer’ zouden noemen, weergegeven met het woord Jezus. ‘Jezus’ betekent eigenlijk ‘geestelijke arts’.“ Dat is een tamelijk juiste vertaling, vooral als men op de gevoelswaarde let. En hiermee wordt tegelijkertijd een licht geworpen op alles wat de mensen bij zo’n naam beleefden, in een tijd dat mensen bij namen nog iets voelden.’
Het getal 888 heeft er veel mee te maken. Toen Christian Morgenstern eens nadacht over het mysterie van de menselijke natuur en de mensheid op aarde, kwam dit getal voor zijn innerlijke oog als een soort spiritueel visioen. Het was in 1907 toen hij de opmerkelijke zin schreef: “De mensheid kan alleen maar op een planeet bestaan, als deze in een soort nabloei is. Alleen als die sterft kan de mens erop gedijen. Als een planeet ongeveer 1000 jaar een bepaalde manier van bestaan zou hebben, dan zou de geschiedenis van haar mensheid (inclusief alle perioden, inclusief de ijstijd) ongeveer de geschiedenis van zijn 888e jaar zijn.”
Bindel maakt nu een uitstapje om bij het getal 666 te komen. Om dat te doorgronden moet je wat rekenkundig inzicht hebben. Je kan de tekst ook overslaan en naar de conclusie gaan op het eind. Ik heb de tekst tussen [ ] gezet.
[ Het getal 888 heeft onder andere ook zijn essentie in het feit dat het kan worden opgesplitst in het product van de twee getallen 8 en 111; het bevat dus het getal acht evenals het getal 111. Dit is op zijn beurt een drievoudige eenheid, een ware drie-eenheid. Die ligt wat dat betreft, net zo mysterieus verborgen als de acht in de naam van Jezus. Maar het is nog niet het ultieme, een oergrond waaruit 888 voortkomt, omdat het geen priemgetal is. Een verdere reductie van 111 tot priemgetallen onthult ons een nieuw geheim. 111 is deelbaar door 3 en kan worden geschreven als het product van 3 maal 37. In 111 zit dus enerzijds de 3 zelf en anderzijds is het gebaseerd op het priemgetal 37. Het getal 37 is een bijzonder interessant priemgetal. In de wiskunde wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten priemgetallen, de regelmatige priemgetallen en priemgetallen van een speciale soort, die ook wel niet-regelmatig worden genoemd. Het getal 37 is het eerste niet-reguliere priemgetal. Alle priemgetallen vóór 37 zijn nog steeds regelmatig. We waren met het getal 36, de som van de eerste acht getallen, in de onmiddellijke nabijheid van 37.
In het algemeen heeft elk getal een speciale spirituele relatie met het getal dat er direct aan voorafgaat. Het is de samenvattende eenheid van de veelheid van het getal dat eraan voorafgaat, en zo kan 37 dus als het ware beschouwd worden als de regent van dat getal dat de Grieken een wereld noemden.
36 ontstond uit de som van de eerste acht getallen. Als men dit proces van het ontstaan van het getal 36 uit het getal 8 op het getal 36 toepast, d.w.z. als je de som maakt van de eerste 36 getallen, op welk getal komen we dan uit? Het getal 666! We kennen het uit de Apocalyps als het getal van het beest met twee hoorns, dat de verwezenlijking van de Christusimpuls tegenwerkt aan het einde van de ontwikkeling van de aarde, in het laatste uur. Als je je fantasie de vrije loop laat, zou je, gezien het ontstaan van het getal 666 uit het getal 36 zeggen:
Een spiritueel wezen dat zich heeft geplaatst tegenover een ander spiritueel wezen, ziet hoe de laatste het getal 36 laat voortkomen uit zijn eigen getal acht. Het probeert nu zijn tegenstander te overtreffen door dit getal 36 naar zichzelf toe te trekken om er net zo mee om te gaan. Zo komt komt hij uit op het getal 666, dat ook het getal van de antichrist wordt.
In het 13e hoofdstuk van de Apocalyps wordt een oproep gedaan aan hen “die begrip hebben” om de naam uit dit getal te doorgronden.
Je zou nog op veel meer wonderlijke dingen over deze relaties kunnen ingaan, waar we hier alleen maar naar hebben verwezen, bv. op een uitspraak van Clemens Alexandrinus, een kerkvader uit het einde van de tweede
eeuw na Christus: die nu niet meer zo onbegrijpelijk is:
“Wie Christus opnieuw tot leven wekt,
wordt in het achtste levenslicht gesteld:-.
Je zou kunnen wijzen op soortgelijke uitspraken en gedachten van middeleeuwse en moderne mystici zoals Sint-Maarten. Ja, je zou zelfs kunnen verwijzen naar het tweede deel van Goethes Faust, waar in de klassieke Walpurgisnacht wordt gesproken over de mysterieuze kabiren van wie een aantal vragen aan de Sirenen over de Nereïden en de Tritonen stellen:
Nereiden und Tritonen: Drei haben wir mitgenommen, der vierte wollte nicht kommen, er sagte, er sei der rechte, der für sie alle dächte.
Sirenen: Ein Gott den andern Gott macht wohl zu Spott
Nereiden und Tritonen: Sind eigentlich ihrer sieben.
Sirenen: Wo sind die drei geblieben?
Nereiden und Tritonen: Wir wüßten’s nicht zu sagen, sind im Olymp zu erfragen; dort wes’t auch wohl der achte, an den noch niemand dachte!
Nereïden en Tritonen:
Drie hebben we meegenomen,
De vierde wou niet komen;
Die zei dat hij de echte was,
Die denken moest voor ’t heele ras.
Sirenen:
De eene god maakt tot
Een spot den andren god.
( )
Nereïden en Tritonen:
Er zijn er eigenlijk zeven.
Sirenen:
Waar zijn de drie andren gebleven?
Nereïden en Tritonen:
Ge zoudt het kunnen wagen
’t Op den Olymp te vragen;
Licht woont daar nummer acht,
Aan wien nog niemand dacht. ] Vertaling/162
Net zoals het getal 888 ooit in een belangrijke samenhang in de geest van Christian Morgenstern verscheen, verschijnt hier een subtiele hint van een achtheid als een tweevoudige vierheid van spiritueel wezens.
Wat gezegd is, zal volstaan om de zekerheid te geven dat met de woorden van de hoofdman in het Oberuferer Driekoningenspel dat hij er 144.000 en 8 heeft gedood, meer is dan het fantaseren van een man die in de war is door bloeddorst. Ze zijn eerder bedoeld om uit te drukken dat de troepen van Herodes de christelijke impuls probeerden te vernietigen.
Madonna, detail van de Verkondiging uit de Capponi-kapel van de Santa Feliciakerk in Florence.
DE KERSTSPELEN VAN OBERUFER
Uit de tijd of toch nog actueel?
Suggesties voor de regie
Al in de tijd, dat de Duitstalige boeren in Oberufer bij wat toen Pressburg heette, nu Bratislava (Slowakije), hun spelen jaar in jaar uit opvoerden (protestanten en katholieken samen!), hield de ‘intelligentsia’ (in de vorm van schoolmeesters en andere ‘notabelen’) zich daar verre van: primitief, ouderwets gedoe…en zo werd er dus ook niet aan gesleuteld of ‘gecorrigeerd’. En dat betekende nu juist hun redding.
Rudolf Steiner herkende ze onmiddellijk als echte, vrijwel ongerepte mysteriespelen uit de ‘begintijd’, zorgvuldig gekoesterd en met eerbied behoed door z.g. simpele mensen, die zich nog niet hadden opgewerkt tot intellectuele muggenzifterij en betweterigheden en nog open stonden voor wat zulke mysteriespelen aan geheimen openbaarden. Want waar gaat het om bij dit soort spelen? ’t Zijn niet simpelweg voor toneel bewerkte religieuze/bijbelse thema’s! Achter eenvoudige, alledaagse maar uiterst zorgvuldig gekozen bewoordingen gaan de diepste waarheden schuil, worden geheimen geopenbaard, die iedereen – ook nu nog – aangaan en actueel blijven voor wie daar oog (oor) voor heeft of…. er op gewezen wordt. En dat grandioze vermogen zulke oerwijsheden in schijnbaar simpele alledaagse woorden te gieten, bezaten die rondtrekkende broeders, Moravische monniken, die ‘onder de mensen’ kwamen, ze serieus namen, hun taal spraken, hun manier van leven en hun zorgen kenden en aansloten bij het alledaagse en dat gebruikten om diepe essenties mee te openbaren.
Karl Julius Schröer ( Presburg1825 – Wenen 1900), die de spelen aan Rudolf Steiner te lezen gaf, was taalgeleerde, wetenschapper en met name geïnteresseerd in allerlei (oude) dialectvormen en kwam zo terecht bij die enclave van ooit geëmigreerde Duitstalige boeren in een gebied dat omsloten ligt door twee Donau-armen, dus nogal geïsoleerd. Hij was daar in de herfst van de jaren 50 van de 19e eeuw, toen men ijverig de spelen aan het instuderen was en noteerde zo nauwkeurig mogelijk, wat hij daar aantrof. Over hoe dat toeging is elders uitgebreid geschreven.
Als wetenschapper sprong Schröer een gat in de lucht: het leek hem een unieke vondst, maar het bleef daar niet toe beperkt.. .hij ‘rook ‘ a.h.w. nog iets bijzonders van een andere orde, zodat hij het jaren daarna aan zijn voormalige leerling Rudolf Steiner liet zien. (Leerling? Zeker: in die 5
tijd was het heel gebruikelijk dat een student in de natuurwetenschappen ook colleges volgde over literatuur en zich schoolde in spreekvaardigheid). Rudolf Steiner herkende onmiddellijk de unieke kwaliteit van deze vondst (ondanks hier en daar verbasteringen en ontbrekende gedeeltes) en introduceerde ze op drie plekken, nl. eerst in de antroposofische vereniging in Berlijn, toen in Dornach en ten slotte op de vrijeschool in Stuttgart. Hij achtte ze van zo’n fundamenteel belang, dat hij zelfs de moeite nam ze zelf te regisseren. Hij had daarbij te maken met heel verschillende groeperingen en vaardigheden: jonge leden van de Berlijnse antroposofische vereniging, beroepsacteurs in Dornach en leerkrachten van de eerste vrijeschool in Stuttgart.
Hij legde er met name de nadruk op hoe belangrijk het was, dat kinderen deze ‘oerbeelden’ aangereikt zouden krijgen, jaar in jaar uit die fundamentele waarden zouden kunnen opnemen op een leeftijd, waarin ze nog over een zekere ontvankelijkheid/onbevangenheid beschikken. En daar zitten we dan meteen midden in de huidige situatie: het enthousiasme waarmee er destijds een explosieve verbreiding plaats vond en de spelen uitzwermden over de hele wereld in vele vertalingen, de trouw, waarmee leraren vanaf de herfstvakantie op hun vrije zaterdagmiddag (er was toen nog ’s morgens school….) of op doordeweekse avonden repeteerden en bereid waren een aantal jaren in dezelfde rol te ‘groeien’…. En voor hoeveel kinderen vormden de opvoeringen niet hoogtepunten van het jaar?….en dat is bepaald geen nostalgische, sentimentele kletskoek.
Tja, maar hoe staan de zaken er nu veelal voor? Feit is toch gewoon, dat de wereld gigantisch veranderd is. Dat het aanbod aan top-ervaringen, ook voor kinderen, fenomenaal is, van Disneyland tot pootjebaden in Thailand in de kerstvakantie…. En natuurlijk de constante overdaad aan indrukken via T.V. en computerspelletjes enz. enz. Daar hebben ook vrijeschoolkinderen mee te maken…Voor volwassenen idem dito. In een herfstnummer van een tijdschrift las ik: In september is het culturele leven weer op stoom gekomen. Als het ware met een hogedrukspuit wordt ons een overdaad aan aanbod toegediend, verpakt in aantrekkelijk seizoensbrochures en zonnige uitmarkten.” Overal worden atelier-routes uitgestippeld, tientallen cursussen lokken, van creatief tot spiritueel, iedereen schildert, bakt potten, kookt exotisch, doet yoga, tai chi of chi quong en dat is nog maar een fractie van alle mogelijkheden die ons overal via spetterende flyers worden gepresenteerd om ons toch vooral naast ons werk te ontwikkelen, te vermaken en bij te laten blijven. Feit is ook, dat ‘men’ allerminst nog onbevangen openstaat voor wat er op ons af komt. Hebben we, door schade en schande wijs geworden, niet allang 6
allerlei klapdeuren geïnstalleerd en deuren op slot gedaan voor wat toegang zoekt? Er komt toch ook zo verschrikkelijk veel ongevraagd op ons af, aan informatie, reclame + ervaringen en problemen, dat we terughoudend, kritisch, op onze hoede zijn geworden en terecht: we laten ons liefst geen knollen voor citroenen verkopen en… we willen bovendien graag wat afwisseling! Wat we een aantal keren gezien hebben hoeft toch niet altijd maar weer? Kunnen we niet eens – natuurlijk wél verantwoord – iets anders verzinnen? Vanuit dit tijdsbeeld blijkt het steeds moeilijker te worden de Kerstspelentraditie voort te zetten. Je moet wel verdraaid goed weten, waarom je ze wilt blijven opvoeren, want zodra het cliché-matig, d.w.z. een min of meer lege traditie wordt en men nauwelijks meer beseft waar het in wezen om gaat, verzandt het in traditie óm de traditie en ‘omdat Steiner het gezegd heeft…’ het gaat lijken op een oude kolenkit of een zand-zeep-soda- stelletje van oma: de functie is vervallen en je kunt er hooguit nog zonnebloemen in zetten c.q. punaises, paperclips en elastiekjes in bewaren…. Zo’n traditie suddert nog even door en op andere gebieden stort de commercie zich op de christelijke feestdagen. Wat betreft de Kerstspelen is het nog even vol te houden, men kent de rollen nog wel zo’n beetje (al wemelt het van versprekingen, eigen versies en vergissingen) en we flansen het nog wel even in elkaar, er is nog nét iemand bereid ’t te regisseren al is die vaak ook niet meer echt overtuigd van de zin ervan en zou liefst eens iets héél anders proberen… Moeten we verbaasd zijn als de kinderen er niet meer heen willen of gaan keten en er verder ook nauwelijks meer publiek komt? Een te somber beeld van de huidige situatie? Dat dacht ik niet. Of ik zelf de moed opgeef? Nee, absoluut niet. Maar we moeten wel weer eens naar de aanpak kijken en willen uitzoeken waar we mee bezig zijn, bereid zijn ons echt af te vragen wat we willen realiseren. En gelukkig gebeurt dat ook op allerlei plekken met veel vindingrijkheid en betrokkenheid.
Daarnaast kun je kinderen van nu, als het geen kleuters meer zijn, er niet meer gewoon naar laten kijken. Je moet ze zorgvuldig voorbereiden, niet door allerlei ‘verklaringen’, maar door verbindingen te zoeken met situaties, thema’s die hen bezighouden, waar ze al naar gelang hun leeftijd en belangstelling voor open staan. Een kwalitatieve en zeker niet een intellectualistische voorbereiding! En als de spelers zich dan bewust zijn van waar ze het over hebben, daarin investeren en écht betrokken zijn bij die essenties, dan heb je kans dat er weer mogelijkheden liggen om datgene over te brengen waar Steiner op doelde. Dat is dan dat ‘geschenk’ van de leraren aan de kinderen, niet de ‘geofferde’ vrije tijd voor de repetities! Als mensen van nu willen we toch ook weten waarom we iets doen. Als dat niet meer echt duidelijk is kan het hooguit nog even 7
vertier bieden of een dierbare jeugdherinnering, maar in feite kun je beter stoppen. Dus wil je ermee verder, dan is er werk aan de winkel! Je dient je er steeds opnieuw weer mee bezig te houden en te onderzoeken wat er voor dingen aan de orde zijn. Ik heb vaak te horen gekregen of ik er niet eens schoon genoeg van kreeg jaar in jaar uit hetzelfde spel te regisseren (zo’n 30 jaar). Hetzelfde? Ja, als ik op de automatische piloot was gaan werken, dan was dat zeker gebeurd en was ik er ook zeker een keer mee gestopt. Maar aan de ene kant werk je steeds weer met een paar nieuwe onervaren spelers en ontdek je telkens weer nieuwe aspecten door hoe iemand iets speelt, maar ook inhoudelijk valt je ineens weer iets nieuws op, bijv. door gebeurtenissen in je eigen leven, of je gaat op zoek door iets waarover je twijfels hebt… Dat voortdurend proberen je te realiseren waar het in essentie om gaat en anderzijds een verbinding te leggen met wat actueel speelt heeft mij in mijn optimisme gesterkt over de mogelijkheden deze spelen te kunnen blijven opvoeren. Alleen, we moeten behoorlijk investeren: praten over de rollen, de verschillende karakters van bijv. de herders, de waarden en vergelijkingen trekken naar dingen waar wij tegen aan lopen; kortom het actualiseren, dichtbij halen van wat daar allemaal wordt gezegd, dingen ook eens – als oefening – in je eigen woorden formuleren, kijken hoe de diverse personages op elkaar reageren of hoeveel woorden ze nodig hebben om iets uit te leggen.
En dan nog iets over het oorspronkelijke uitgesproken boerse dialect en de vertaling van Sanne Bruinier.. .een uiterst gevoelig thema. Dat Oberuferse dialect is verrukkelijk en authentiek en is in sommige streken nog redelijk hetzelfde. De vertaling van Sanne Bruinier is mij altijd nog dierbaar en heeft bepaalde mooie kernachtige elementen. Alleen: veel van dat ‘ouderwetse’, zogenaamd boerse zit voornamelijk in de schrijfwijze. Veel spelers blijken de grootste moeite te hebben het te leren en snappen er niks van en dan krijgt het soms iets kunstmatigs. Ook is er morrend (volwassen!) publiek, dat zegt het niet te kunnen volgen. Wat doe je daar aan? Stug doorzetten of plaatselijk op ideeën komen. Zoals in België waar als vanzelf het Vlaams te hulp komt; in Friesland ontstond ook al een dialectversie, in Zwitserland blijken ook plaatselijk algemeen gangbare dialecten gebruikt te worden en zelf waagde ik een Gelderse versie, omdat we in Gelderland een aantal spelers erbij hadden, die dat van zich uit al deden: dat was soms zo ontroerend, dat zich een groepje vormde om het Kerstspel zo te ‘vertalen’, waarbij heel zorgvuldig werd gelet op écht dialect en eventuele meer stedelijk ‘platte’ zegswijzen werden vermeden. Een uiterst boeiend proces. En voor velen een openbaring en een nieuwe entree. Natuurlijk kwam er ook kritiek: niet iedereen kwam uit Gelderland, ‘dus’ is het dan 8
toch ook weer niet ‘echt’. Maar wat dan te denken van al die acteurs in bijv. Dornach, die, komend uit vele landen, zich in alle bochten moeten wringen om het Oberufers min of meer accentloos onder de knie te krijgen? Kortom vele overwegingen en keuzes.
Ik zou nu vanuit de spelen zelf, vanuit de concrete rollen willen kijken naar mogelijkheden om daar ‘actueel’ mee om te gaan, als een soort gereedschap voor regisseurs en spelers om mee aan de slag te gaan. Er bestaan gelukkig talrijke publicaties in boekjes en artikelen over directe en verder reikende achtergronden betreffende het ontstaan, het karakter, dieper liggende achtergrondgegevens over de personages (ook los van deze spelen), oorspronkelijke speelwijzen en regieaanwijzingen van Rudolf Steiner in bijv. Dornach. Mijn suggesties beogen bepaald niet die opzij te schuiven, alleen hopelijk wat bij te dragen om de boel weer vlot te trekken waar het vastloopt, enthousiasme op te roepen en vooral nieuwe moed n.a.v. de impasse en het dreigende doodbloeden op talloze plekken.
Er is alleen een probleem: in al die dertig jaar, dat ik regisseerde en daarvóór ook meespeelde, heb ik zoveel gelezen, gehoord, gezien en zelf ontdekt, dat ik werkelijk met geen mogelijkheid kan traceren wat ik nu precies van anderen heb of waar ik zelf op gekomen ben. Dat loopt dus door elkaar en de eventuele eer komt dus op veel punten anderen toe! Misschien kunnen lezers me nog helpen bij het zorgvuldig in kaart brengen van wat anderen ergens al publiceerden….? Zeker is, dat die vondsten van anderen voor mij vaak ongelofelijk zinvol en inspirerend zijn geweest en zich vanzelfsprekend hebben geïntegreerd in hoe ik te werk ging. Achterin geef ik een overzicht van te raadplegen literatuur betreffende de Kerstspelen. 9
Adam en Eva na de zondeval, uit de Belbello-Bijbel, Biblioteca Apostolica Vaticana
10
HET PARADIJSSPEL
Waarom is dit spel toch zo moeilijk om te spelen?
Een belangrijke reden lijkt me het feit dat er geen eigenlijke ‘mensen’ in voor komen, in de zin van hoe wij nu in elkaar steken, hoe wij zelf zijn (na vele incarnaties + onze levensloop nu). Want ook de voor onze ogengeschapen Adam en Eva hebben daar nog allerminst de geringste overeenkomst mee! Verder het in levende lijve verschijnen van Godvader: hoe maak je dat acceptabel? Dat is echt een heel moeilijk gegeven. Al gauw wordt het óf een soort Sinterklaas óf een Kerstman.
In epische stijl worden uiterst dramatische, ingrijpende, onomkeerbare gebeurtenissen in beeld gebracht. Het spel heeft een duidelijk beeldkarakter en schetst in oerbeelden wat de mensheid in zijn oerfase heeft doorgemaakt; ’t geeft een beeld van meer innerlijke en tegelijk heel expliciete processen: het paradijselijke bestaan, het verlies daarvan, de zwaarte, het moeizame van het dan volgende aardse bestaan, maar geen – in de gebruikelijke betekenis – historisch verhaal. De enige echte mens van vlees en bloed in dit spel is in feite de Boompjesdrager! Hij heeft dan ook een belangrijke taak als ‘bruggenbouwer’, vergelijkbaar met de Sterrenzanger in het Kerstspel, maar bijna nóg essentiëler. Ook hier gaat het erom de relatie met het publiek te leggen, nadat de spelers zingend zijn binnengekomen. Omdat zijn tekst in de loop der eeuwen verloren is gegaan heeft Rudolf Steiner die opnieuw geschreven, beseffend hoe onmisbaar die start is! In heel directe bewoordingen vertelt de Boompjesdrager wat we zoal te zien krijgen en verwelkomt alle aanwezigen naar behoren, brengt de kijkers ook even aan ’t lachen door de Duvel niet te groeten, maar ‘m wel stevig in staart en haren grijpen. Denk weer aan wat “groetemens” precies betekent(=laten we ze groeten’’, zie Kerstspel). Dan volgt een lied en bedenk wel, dat er maar 6 spelers zijn. Daar moet dus extra aan het volume geoefend worden!
Dan spreekt de Engel het publiek toe en daarbij kun je al de totaal andere functie proberen te laten doorschemeren dan die van de Engel uit het Kerstspel en later die van de Engel in het Driekoningenspel of je in elk geval van die vjrschillen bewust zijn.
Dan zingt de kompanij in 8 coupletten het proces van de schepping. Weet waar je het dan over hebt! De spelers gaan rechts op een bank zitten. De Duivel links op een zwarte kruk. 11
Adam wordt geschapen en ziet al het geschapene met grote verwondering en hoort ook welke taak hem daarbij wordt toebedeeld. Hij volgt verrukt met een speelse toets de bewegingen van vissen en vogels. Tot slot volgt dan dat ene ‘gestrangh gebod’. Je hebt het gevoel dat hij het weliswaar hoort, maar de gevolgen kan hij eigenlijk niet bevatten: met dood en ‘verderven’ heeft hij immers nog geen enkele ervaring; hij schrikt er dus maar nauwelijks van. .. al beseft hij de ernst wel degelijk.
De kompanij zingt nu wat er plaats gevonden heeft en vertelt over de volgende stap in de ontwikkeling van de mens, nl. hoe Eva uit het lichaam van Adam geschapen wordt. De kompanij bevestigt dit gebeuren door letterlijk stil te staan bij de slaap die nu over Adam komt. In San Gimignano (Toscane) kun je een prachtig fresco zien waarbij Godvader Eva als complete vrouw uit de zijde van de slapende Adam wekt, waarbij zij haar handen naar Godvader opheft. Dit is een heel essentieel gebeuren! Waar het eerst de schepping van de mens als compleet geheel betrof, waarin het mannelijke én het vrouwelijke in de mens nog een eenheid was, ervaart Adam nu opeens dat hij iets mist: het middendeel is hem a.h.w. afgenomen en gaat een eigen bestaan leiden, naast hem weliswaar! Godvader helpt hem te aanvaarden wat er is gebeurd en schenkt hem Eva als zijn “ghesellinne”, en leert hem haar als steun te zien. Hij geeft hun zijn zegen. Adam bevoelt zijn eigen midden, waar nu iets heel duidelijk ontbreekt. Toch is hij blij verrast als hij ziet, dat er nu een gezellin naast hem staat en is “van herten” bereid haar tot zich te nemen. Heel behoedzaam loopt hij om haar heen, bekijkt haar van alle kanten, maar durft haar nog nauwelijks aan te raken. Ten slotte neemt hij haar voorzichtig bij de hand om haar al dat wonderbaarlijks van de schepping te tonen. Pas er voor op, Adam niet als moderne jongeman met een begerige blik Eva te laten begluren! Probeer het vooral naïef te houden: ze leven nog in een gave, onschuldige, ongeschonden, letterlijk paradijselijke verbondenheid. Het gebod om van die ene boom af te blijven wordt dan ook meer als kinderlijke, maar wel duidelijke zaak waar ze zich aan te houden hebben uitgesproken, maar ze hebben nog geen idee wat die gevolgen werkelijk betekenen!
En zo leefden ze dan ook in volmaakte onschuld. Dit hoeft allemaal bepaald niet te betekenen, dat het een saaie boel hoeft te worden! Werk de details creatief uit, maar probeer de essentie ook duidelijk te maken. Ze leven dus voorlopig “vol heerlyckheit” tot de Duivel er lucht van krijgt en een poging waagt ze op een ander nu nog niet bedoeld spoor te krijgen. Let wel: kennelijk geeft Godvader hem die kans! 12
De Duivel vertelt ons van zijn snode plannen. (Deze duivel vertegenwoordigt duidelijk een sterk luciferisch aspect, oranje pruik!). Hij heeft er duidelijk zin in. Draaiend en kronkelend gaat hij Adam zoeken. Die heeft het gebod nog rechtstreeks ‘uit de eerste hand’ gekregen en wijst het voorgespiegelde idee (“soo wort ghy aen u god gelyck”) zeer beslist van de hand.
Wat er nu volgt is machtig interessant! Afgezien van het feit, dat Eva het gebod ‘uit de tweede hand’ ontving, zie je nu voor ’t allereerst het verschijnsel ‘verleiding’ in z’n volle glorie in werking treden! Tussen Adam en Eva speelde dat tot nu toe nog geen enkele rol! Maar de Duivel opent z’n hele trukendoos op dat gebied en Eva maakt kennis met iets nog totaal onbekends en hoogst aanlokkelijks! Ze is gefascineerd en staat, zoals blijkt, helemaal open voor dit nieuwe. Ze plukt de appel, bijt * erin en gaat nu met die zojuist geleerde verleidingstactiek Adam bewerken; zij heeft net van een aspect van het aardse kennis genomen, dat haar buitengewoon aantrekkelijk voorkomt. En ja hoor: Adam bezwijkt voor haar charmes en verleidingskunsten, ontvangt een appel van de Duivel, bijt erin en wat gebeurt er dan: niet te vergelijken met wat er bij Eva gebeurde. Adam ervaart zonder meer een verduistering van “sijn gemoet” ( géén volledige black-out zoals meerdere keren in het Driekoningenspel, maar een korte verduistering), en werpt de aangebeten appel weg.
De kompanij beschrijft in 2 coupletten wat er gebeurd is: opeens is die gave wereld ‘verwond’ geraakt.
De Duivel ontvouwt nu zijn verdere plannen met het mensenpaar en die liegen er niet om. Hij beseft terdege, dat het nu afgelopen is met hun verblijf in het Paradijs (de Hof van Eden) en wil ze de wanhoop in jagen: dat het geen pretje zal zijn om jezelf en je partner het leven zuur te maken en dat je er dus maar beter meteen een eind aan kunt maken. Hij zegt ronduit, dat hij hun heeft voorgelogen en geniet uitbundig met de toevoeging, dat het allemaal veel beter voor ze was geweest als ze pruimedanten hadden genuttigd! Deze Duivel heeft in tegenstelling tot die in het Driekoningenspel bepaald nog iets ‘aantrekkelijks’. Werk dat dus goed uit! Er kan hier zeker door het publiek gelachen of gegrinnikt worden!
Adam ervaart nu hoe grondig, onherroepelijk en zondig de verandering is die hij heeft ondergaan, ziet zich “naekend en oock bloot”. Eva trekt zich beschaamd terug achter een boom. 13
Onmiddellijk wordt Adam bij Godvader ontboden en nadert traag en vol schaamte. Godvader wijst meteen al op de onherroepelijkheid van de gevolgen. En let nu op, in wat voor weer zo’n kwalijke menselijke zwakheid hij al terecht is gekomen! Het was immers Eva, die Godvader hem nota bene zelf heeft geschonken, die in feite buiten haar boekje is gegaan: zonder haar was dit heus nooit gebeurd, hij stond erbij en keek ernaar. Kortom het was haar schuld. Dan wordt Eva ontboden: onder veel tegenstribbelen moet ze wel. Adam duwt haar vanachter die boom, waar ze zich schuil houdt, tot voor de troon van Godvader. Zij legt dan uit, dat het de boze slang was die haar zover heeft gekregen en belooft plechtig dat ze voortaan echt zullen doen wat Godvader hun zegt. Een cruciaal moment. Want wat gebeurt er nu? Godvader gaat met geen woord in op deze ‘onderhandelingspoging’! Niets van: nou vooruit dan maar meisje, jullie krijgen nog een kans. Er is hier namelijk iets gebeurd, dat onomkeerbaar is, dit kan onmogelijk ongedaan gemaakt worden en het is goed je van zulke onherroepelijke, onomkeerbare zaken bewust te zijn.
Gabriël wordt nu geroepen om Adam en Eva met zijn blinkend zwaard uit dit paradijselijk oord te verjagen, dat nu gesloten wordt.
De Engel formuleert nu duidelijk wat zijn opdracht is en Adam en Eva krimpen enige keren iets ineen als hun over de aardse weg wordt verteld. Eva heeft meteen medelijden met ‘die arme vrouwen die na haar in barensnood zullen komen’, maar is volledig bereid zich geheel naar Gods leer te gedragen.
Nu slaat Adam liefdevol en beschermend een arm om haar heen en daarmee zie je er een echt aards element erbij komen. Tegelijk smeekt hij Godvader hen niet al te lang te laten wachten tot hij hen weer terugroept. Gabriël gaat daar op in door ze nu weliswaar dringend weg te sturen, maar stelt hun wel in het vooruitzicht: “tot ik u langsaem wederkeeren heet’’. Met zwaard + machtige armzwaaiingen in grote cirkels begeleidt Gabriël de uitdrijving.
Nogmaals smeekt Eva Godvader hen niet aan hun lot over te laten en weer is het de Engel die elke twijfel daaromtrent wegneem, mits ze zich op de juiste wijze van hun aardse taken kwijten!
Ja en dan komt de Duivel weer op en meent nu volledig de vrije hand te hebben hun het leven op aarde te verzuren en onmogelijk te maken en hen totaal in zijn macht te hebben. Hij ketent hen met een stevige ijzeren ketting aan elkaar en sleurt ze heen en weer tot voor Godvaders troon, doet z’n wrede plannen uit de doeken en waagt het tenslotte uit te roepen: “niemand en rukt z’uyt mynen handen!’ 14
Dat gaat te ver! Godvader grijpt in en dwingt de hellehond voortaan ”stof ende aerd” als spijs tot zich te nemen en zich uitsluitend op z’n buik voort te bewegen. En dan de slotzinnen! Daar ontstond jaren geleden grote consternatie over in Dornach tijdens een bijeenkomst voor regisseurs, waar ik bij was!
Wat zegt Godvader namelijk nu?
“Siet hoe is Adam thans soo ryck,
geworden enen god gelyck,
daer hij het goed en quaadt beseft,
wanneer hy syne handen heft
en leeve in alle eeuwicheid”.
Nu is er een qua tekst vrijwel identieke versie van het paradijsspel opgedoken, waarin deze passage uitvoeriger beschreven wordt, maar met een andere betekenis die duidelijk overeenkomt met wat er in Genesis staat!
“Toen zeide de Heere God: De mensch is geworden als onzer één, kennende het goed en het kwaad: nu dan, dat hij zijne hand niet uytsteke en neme ook van den boom des levens, en ete en leve in eeuwigheid Zoo zond de Heere God hem weg uit den hof van Edenom den aardbodem te bebouwen waar hij uitgenomen was; en hij dreef den mensch uit en stelde cherubs tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmet eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens. ”
Het gaat in het Paradijsspel dus om de boom van goed en kwaad, in Genesis gaat het ook nog om de boom des levens. Je kunt dus zeggen, dat er wellicht gewoon enkele regels in ‘onze’ vertrouwde versie zijn ‘weggevallen’ in de loop der eeuwen. Maar is dat Rudolf Steiner dan niet opgevallen? Dat geloof ik echt niet. Er is door die weglating wel degelijk een andere, nieuwe ‘waarheid’ ontstaan! Daar ben ik heilig van , overtuigd. En dus heeft Steiner het volgens mij bewust zo gelaten. Waarom? – daar moeten we zelf achter zien te komen.
Destijds in Dornach dacht men er over het algemeen ook zo over, al klonk er ook een zeer verontruste stem van iemand die vond, dat we 15
spoorslags onze tekst moesten gaan ‘verbeteren’. Hoe het ook zij: boeiend genoeg om bij dit alles even stil te staan!
De kompanij zingt jubelend het slotlied en Adam heeft nu de knellende ijzeren band losjes over z’n schouder hangen. En de Engel vat het gebeurde kort samen met de hoopvolle belofte dat eens Godvader zijn zoon zal sturen, die voor ons ‘losgeld’ betaalde na talloze moeizame zware ervaringen en beproevingen op aarde. 16
17 leeg
Aanbidding van het Kind in de stal, uit 1415, Hessisches Landesmuseum, Darmstadt
18
HET GEBOORTE- EN HERDERSSPEL
Let al meteen op hoe het begint: de ‘kompanij’ komt zingend de zaal binnen en loopt dwars door het publiek. Dat is bepalend voor de stemming. Dat zingen spreekt het publiek meteen aan in het gevoel. Vergelijk dat met de start van het Driekoningenspel: daar komen de spelers zwijgend links van opzij achter op het toneel vanuit de coulissen op, je hoort alleen die voetstappen, ze kijken voor zich uit en zwijgen. Ais ze allemaal voor de zitbanken staan, draaien ze een kwartslag, staan even oog in oog met het publiek en gaan zitten. Dat werkt heel confronterend, geen mooi beginlied, je bent meteen alert: wat gaat hier gebeuren?
Ik hoorde vaak van spelers: bij het Kerstspel ben je meteen in de stemming, bij het Driekoningenspel is dat veel moeilijker, er klinkt niet dat beginakkoord. En zo moet het ook: het gaat in dat spel duidelijk om een ander soort aandacht, een bewust appel op de toeschouwer: let op op wat zich hier gaat afspelen! Wees op je hoede.
De Sterrenzanger.
Een belangrijk personage! Hij moet de mensen in de stemming brengen, het contact leggen tussen spelers en publiek en wendt zich dan ook steeds tot beide groepen.
Hoe doet hij dat? Hij begint ermee de spelers op een kluitje bijeen te drijven (“als de spiering in de pan”), maar ziet dat dat zo niks wordt (veel te dicht op elkaar) en laat ze dan geordend, overzichtelijk uitwaaieren in een halve kring en stelt voor eerst eens even wat te zingen: met dat zingen spreek je de mensen ook weer aan in hun gevoel, zoals dus ook aan het begin, waarbij je al meteen een betrokkenheid hebt gecreëerd. Maar hij beseft dan opeens, dat hij toch eigenlijk eerst de hogere wereldorde moet groeten in z’n drie aspecten, alom tegenwoordig (dat uit zich in dat groeten naar drie richtingen) en dat gebeurt met eerbied. Dan volgen Jozef en Maria en het Kind + os en ezel en daar kun je dan al meteen enorm gaan variëren ‘in de manier van groeten! Doe je dat allemaal zo’n beetje hetzelfde dan wordt het stereotiep en oervervelend. Je kunt bijvoorbeeld even met je armen een wiegende beweging maken bij het kindeke, met je gebaren het robuuste, omvangrijke van de os aangeven, ook met je stem (en iemand kan bijv. even een geloei laten 19
horen) en dan ook zoiets met die fijnere bouw en bijv. de lange oren van de ezel. Enorm bewegelijk en plastisch aan de gang gaan!
Ja en dan dat “groetemens deur son en de maneschijn” wat betekent dat? Wat wordt daarmee bedoeld?
Groeten me se deur = laten we ze (nl. Maria, Jozef etc.) groeten via (door) de zon en de maan, als de poorten naar hogere werelden. Er bestaat een oude rozenkruiserspreuk, waarin staat dat “de Mensenzoon uit zon en maan ontstaat”. D.w.z. Liefde (zon) en Wijsheid (maan) komen samen, worden één. (In andere samenhangen spreekt Steiner over de aarde als ‘Kosmos van de liefde’).
Dan volgt : “groetemens deur kruydeken en de blad …” en de regen wordt genoemd: Laten we ze groeten via de wereld van het z.g. etherische: het levende, de planten en het levenschenkende water- element, waarin ook het goddelijke beleefd kan worden; de heilige regen staat er! Dat hoeft allemaal heus niet braaf en kleurloos gespeeld, nee, heel opgewekt en levendig, maar je moet wel weten waar het over gaat, anders sta je maar wat te zwammen. En dan wordt de manier van groeten opeens heel anders: Met gepast werelds respect wordt nu de keizer, de hoogste aardse leidinggevende gegroet, op een heel andere manier dan Vader, Zoon en Geest! Met aardse correcte gebaren, een beetje stijfjes misschien. Het kan zijn dat daar in die herberg zijn portret ergens aan de muur hing! Dan switch je weer over naar een meer kameraadschappelijke begroeting van de ‘meester’ (kan in dit geval de pianist zijn, aangezien aan het slot de regisseur/leermeester wordt gegroet). Ik zag eens een sterrenzanger op de vleugel gaan staan!
Dan ziet hij op de voorste rij meneer pastoor en andere kerkelijke functionarissen zitten. Probeer voortdurend de spelers erbij te betrekken, als je ze groet en dat doe je dus ook met een zeker ontzag voor deze verlengstukken van de Paus.
En ja hoor, achter in de zaal ontwaar je opeens ook een stelletje schepenen en daar in de hoek zelfs de schout! En zoek nog even op in een encyclopedie wat voor functies zulke figuren ooit precies hadden in de samenleving…Zie ze daar echt zitten, lokaliseer ze nauwkeurig! Maak er wat van! Wijs ze exact ergens aan, zet grote ogen op, sleur er bijv. een van de herders bij. Dus ze eerst ontdekken en dan pas groeten, dat verlevendigt de zaak enorm. Publiek op de eerste rij krijgt soms de neiging even achterom te kijken! Je krijgt in deze start de kans van je leven, dat moet je uitbuiten! Straks speel je niet meer mee. 20
Ten slotte groet je het publiek, waar je allerlei bekenden in signaleert, dat kan heel enthousiast, samen met de spelers (alleen Maria, Jozef en de Engel moeten zich wat inhouden natuurlijk).
Maar dan kom je tot de pijnlijke ontdekking, dat je een groep belangrijke hoogwaardigheidsbekleders over ’t hoofd gezien hebt, de vroedschap. Je ziet ze opeens zitten. Die had natuurlijk vóór de “agtbare gemeent” gegroet dienen te worden. Uiterst pijnlijk. Wat doe je in zo’n geval? Je gaat ze wat overdrevener groeten en slaat een beetje door: laten we ze groeten door de “wortelkens so in der eerde staan, zonder één wortelken over te slaan”. Dat zegt hij tegen de spelers, die dan kris-kras door elkaar lopend al die worteltjes gaan groeten. Het loopt een beetje uit de hand en er dreigt chaos. Hoe krijgt hij het zaakje weer in de vorm? (ondertussen kun je wel vaststellen, dat er wel degelijk een ordening zit in die gebieden, waar doorheen al die groepen gegroet worden: eerst via zon en maan, dan plantengroei en de groeizame regen en tot slot kom je helemaal beneden aan, op/in de grond, waar de wortels/de roots in vastzitten).
Maar… de zaak moet weer op orde komen en de sterrenzanger zegt dus: “laten we ’t anders beginnen” en concentreert op de bij uitstek heldere vorm van de “star”, het kristallijne. Iedereen vindt z’n plek weer, eventueel kan die oude dove Chrispijn, die nog ergens rondscharrelt er nog even bijgeplukt worden.
Om welke ster gaat het nu? Om twee sterren, nl. de zesster (lelie) van de Engel en de vijfster (roos) van de sterrenzanger. Hij groet ze duidelijk allebei. En daar steekt natuurlijk ook weer een heleboel achter!
De zesster van de Engel ( op oude schilderijen zie je de verkondigings- engel vaak afgebeeld met een lelie: die heeft altijd zes bloembladeren, zoals in principe alle andere bolgewassen). Die stervorm is van oudsher in verband gebracht met wiisheidskrachten, die ook weer met de maan samenhangen. Het is de Joodse Davidsster; uit de stam Davids werd Jezus geboren. De oude voorspellingen leefden al heel lang onder het joodse volk. Dit z.g. hexagram bestaat uit twee in elkaar geschoven losse driehoeken, waarvan bij de ene de punt omhoog wijst en bij de andere naar beneden en samengevoegd het beeld zijn van de macrokosmos. De oude Alchemisten gebruikten het hexagram ook als beeld van de mens, zoals die was samengesteld uit de vier elementen aarde, water, lucht en vuur.
De vijfster, die de sterrenzanger op zijn “scheer’ heeft, geeft een ander aspect van de mens weer, nl. als microkosmos, met twee benen op de 21
grond, ‘geaard’ dus (zie bijvoorbeeld de schets van Leonardo da Vinci !) en vanuit één punt opgebouwd tot een geheel. Deze ster heeft verwantschap met de zon, is ook het teken van Michael. Daarbij hoort de roos, die zoals alle rosaceeën viifbladiq is. Deze hangt samen met liefdekrachten. In Christus komen uiteindeliik beide principes bij elkaar: wijsheid en liefde. De sterrenzanger wijst daarop en begroet ze. Met alle grappen erbij zoals bijv. die herder die z’n vingers tussen de schaar krijgt bij het begroeten van al die losse houtjes.
Ten slotte wil hij nog even gepaste aandacht voor zichzelf en slaat daarbij een beetje op hol, hij geniet ervan lang aan het woord te zijn en in het middelpunt te staan. Hij is eigenlijk een gewóón mens, zoals iedereen uit het publiek.
Dat hij zelf gegroet wil worden pikken zijn medespelers nog net, maar als hij hetzelfde eerbetoon voor zijn hoed vraagt wordt hij te grazen genomen; één pakt zijn hoed af en gooit die naar een ander. Het wordt dan duidelijk tijd de boel af te ronden! Hij pakt/krijgt zijn hoed terug, groet de leermeester, de regisseur en met een stralend, groots gebaar van hoe aan alles is gedacht en alles is gegroet kan het eigenlijke spel beginnen.
Deze rol kan best wat acteertalent gebruiken, levendigheid en een grondige investering in het kleur geven aan al die details!
————————-
Dan begint ‘Het spel van Christi geboorte’, dat gaat over de bereidheid om te ontvangen en toe te laten, een plek/ruimte te geven of juist niet, door de deur gesloten te houden en af te wijzen wat vraagt om te worden opgenomen. Na een lied volgt de verkondiging aan Maria. Overigens bestaat er verschil van mening over de plaats in het spel, waar de begroeting door de Engel plaats vindt: vóór de verkondigings-scène of erna. Dat laat ik hier in het midden, hoewel ik zelf kies voor het tweede.
Een goede hulp kan zijn op zoek te gaan naar afbeeldingen van de verkondiging op oude schilderijen, dan kom je heel opvallende kenmerken tegen; de aanvankelijk verstilde ingekeerde stemming van Maria, die dan die overweldigende verschijning beleeft van de Engel (Aartsengel), die haar een boodschap brengt. In Florence zag ik ooit een 22
schilderij, waarop het boek waar Maria in las, op de grond is gevallen: ze schrikt echt, al moet je dat natuurlijk niet overdreven gaan spelen, maar je mag ‘t je wel realiseren en voelen hoe overweldigend zo’n ervaring moet zijn! En je kunt eventueel met je handen iets van een openend gebaar maken (probeer iets). Het is immers niet gewoon wat haar overkomt! Realiseer je daarbij hoe jong deze Maria is (er valt daar veel over te lezen bij bijvoorbeeld Emil Bock: “Tussen Bethlehem en de Jordaan”). Natuurlijk is er niet vaak een heel jonge, maagdelijke Maria beschikbaar en dat hoeft ook absoluut niet, maar ook al is het een ouder iemand: probeer dat element toch bij jezelf op te roepen, na te voelen, die zuiverheid, die bijna kinderlijke, onbevangen, religieuze stemming.
Op sommige oude schilderijen zie je een oud kuisheidsgebaar bij dat tafereel, waarbij Maria haar rechterhand op haar hart legt en haar linker op haar buik: dat zou je zo kunnen doen, als de Engel zegt: “want gij sult bevrugt worden en enen soon baren”, maar alleen als je dat aanvoelt en er achter staat: dat zijn heel subtiele zaken.
Belangrijk acht ik ook, dat de Engel vooral niet oog in oog met Maria staat, dat het dus niet om een ontmoeting tussen twee mensen gaat. Dat moet je duidelijk maken. Maria zou frontaal naar de zaal gekeerd met iets gebogen hoofd kunnen staan en opkijken wanneer de engel schuin achter haar verschijnt. Zij ziet hem op een ‘andere’ manier.
De gebaren, die Maria maakt moeten iets uitdrukken en dus niet zomaar wat bewegingen maken en vooral ook niet teveel. Aan het slot, als ze zegt: “Siet de dienstmaagd des heren…” kan ze haar handen gekruist over de borst leggen, helemaal bij zichzelf, de opdracht aanvaardend.
Nog kort iets over de Engel. Dat is bepaald een moeilijke rol. Door het simpele feit, dat het niet om een mens van welk niveau dan ook gaat. Hoe geef je dat vorm? Zeker niet door zoetelijke elegantie. Dat is iets heel anders dan harmonische bewegingen, die hier beslist wél op hun plaats zijn. Deze Engel is bovendien een Aartsengel, dus van een hogere rang dan bijv. Maria’s eigen (bescherm-) engel, met een heel speciale opdracht/boodschap. Het gaat hier om Gabriël (ga op zoek naar zijn algemene kwaliteiten en functies), en besef de kracht, de overweldigende werking van zijn verschijning. Ik heb een aantal keren engelen door mannen zien spelen (het woord ‘engel’ is ook mannelijk in het Duits!): dat kan prachtig zijn, het zoetsappigheidsrisico is dan meestal te verwaarlozen. Al kun je ook kijken in welk van de drie spelen dat iets meer of wat minder past qua stemming, maar in feite zou het bij alle drie kunnen denk ik. (Oorspronkelijk werden trouwens alle rollen door mannen en jongens gespeeld). 23
Na de ommegang “Als Maria…” volgt de begroeting door de Engel, die hier niet zozeer specifiek als Gabriël optreedt, maar ook niet als gewoon mens zoals de sterrenzanger. Hij benadert het publiek heel anders, serieuzer, geeft aan waar het over zal gaan en wijst erop, dat het niet om heidense verzinsels gaat, vraagt om gepaste aandacht en adviseert goed te luisteren. Probeer het ook te ‘vullen’, een zeker gewicht mee te geven, het moet echt ‘indrukwekkend’ zijn en niet een wat overbodig, saai praatje worden. Maar wat misschien wel het belangrijkste ‘advies’ is:
“Swijght stil en opent wijd u oren”: dat lijkt me de kern: luister écht goed naar wat er gezegd wordt, wat geopenbaard wil worden, stel je daarvoor open, houd even je alledaagse commentaar en oppervlakkige logica terug. Luister naar wat toegang zoekt.
Na het krachtig gezongen lied “Keizer Augustus…” (breng vooral ook duidelijk nuances aan in manier van zingen van de liederen: die gaan nl. over verschillende onderwerpen en je kunt dat in de manier van zingen tot uitdrukking brengen) zien we Jozef en Maria in hun woning in Nazareth. Nu gaat het erom aandacht te hebben voor hoe ze op elkaar reageren, met elkaar omgaan en probeer dat even door te trekken naar vergelijkbare (problematische) situaties in je eigen leven, waar bijvoorbeeld een van de twee er geen gat meer in ziet, niet weet hoe iets op te lossen. Hoe dan de ander probeert een mogelijke oplossing aan te dragen……Dat heen en weer, dat afwegen, het wel of nog niet zien van verschillende mogelijkheden. Weer gaat het om het dichtbij te laten komen, herkenbaar maken voor jezelf.
Jozef maakt zich enorme zorgen: op reis moeten gaan met zijn jonge, hoogzwangere vrouw, financieel staan ze er niet best voor: hij redt het nauwelijks meer zijn beroep goed uit te oefenen: reumatische vingers misschien? En daarmee maak je het niet platvloers! Nee, het gaat erom je werkelijk in te leven. En dan die heel jong Maria, vol vertrouwen, dat er vast wel een oplossing te bedenken valt: er is heus wel iemand die hun het benodigde geld wil lenen, zij zal het wel gaan vragen aan een vriend. Jozef, duidelijk meer ervaren in zulke zaken, ziet dat absoluut niet zitten: wij hebben toch geen kapitaalkrachtige connecties, iedereen heeft ’t moeilijk. En met een zucht legt hij het dan maar in Gods hand…. Hoe praktisch is dan de suggestie van Maria om hun osje mee te nemen en het in Bethlehem te verkopen aan de slager. Maar Jozef, somber als hij hoe dan ook al is, vindt dat een slecht idee: misschien is het beestje nog wat jong en kan hij er later als het zwaarder is veel meer voor vangen. Bovendien moeten ze toch ook nog verder ergens van leven? Maar ja, uiteindelijk ziet hij dan wel in, dat dit misschien toch de beste oplossing 24
is. Prachtig, dit wikken en wegen, idee opperen, aanvankelijk afwijzen, maar dan toch… Dat kennen wij toch ook. Zoek naar eigen voorbeelden.
Als ze dan in de buurt van Bethlehem komen, zien we hoe Jozef even het tempo wil opvoeren, bang dat ze net te laat arriveren, de poorten gesloten zijn en ze buiten moeten overnachten! Maar Maria is aan het eind van haar krachten, ze kan gewoon niet meer. Wij kennen zulke situaties ook wel, als je een lange wandeling met kinderen maakt en het langer duurt dan iedereen dacht. Ze krijgen blaren, dorst of andere ongemakken en beginnen te jengelen. Wat doe je in zo’n geval? Afleiden met een prettig vooruitzicht! Bijvoorbeeld een warme beker chocolademelk of een krentenbol bij de bakker. Vooral blijven praten en er wat van maken. En dan opeens ben je waar je wezen wilt.
Wat doet Jozef? Uiterst liefdevol (slaat een arm om haar heen), heel rustig doorlopend, begint hij over warme doeken en dat hij daarmee straks haar ledematen ‘zoetjes’ zal warm wrijven. En ja hoor, kijk, we zijn er al! Dat is toch prachtig en zo dierbaar gehanteerd! Dat spéél je dan niet, dat maak je waar! Maar nu nog onderdak vinden. Dat zal vast wel lukken bij Rufinus, die oude kennis van hem.
En dan spelen zich tekenende beelden af van hoe ‘de wereld’ op heel verschillende manieren afwijst wat toegang zoekt, wat om opname vraagt. Rufinus hoort het trieste verhaal van Jozef laconiek aan, maar helaas, alles is vol, niks aan te doen, “zowaar als ik hier sta”, geen speld tussen te krijgen. Pech gehad jongen. Je ziet hier een houding van onverschilligheid, lamlendigheid, vadsige gezapigheid (dikke pens), reden voor mij hem frontaal, plomp, breed neer te zetten, bijv. een pollepel aflikkend, z’n schouders ophalend, breeduit verklarend waarom het allemaal niet kan, absoluut niet bereid wat ruimte te ‘creëren’. Een houding van: wat zal ik me uitsloven? Alles loopt toch lekker zo?
Bij die waarden kun je ook eens bij jezelf nagaan, hoe dat kan gaan, wat jou wel eens is overkomen of als je zelf misschien onverwacht bezoek krijgt, wanneer dat niet zo goed uitkomt of waar je echt niet op zit te wachten. Dat kan zich in allerlei vormen voordoen. ‘Ze’ kondigen bijv. aan, met z’n vieren te willen komen logeren en je hebt maar twee slaapplaatsen. Leen je dan een luchtbedje bij de buren? Laat je er eentje op de bank slapen? Creëer je dus een mogelijkheid of zeg je direct dat het niet kan. Ik bedoel natuurlijk niet, dat je altijd extreem gastvrij moet zijn als je zelf misschien totaal aan je eind bent, maar probeer herkenbare overwegingen/situaties op te roepen, alweer om wat zich daar afspeelt te ‘actualiseren’ (Je kunt het ook breder doortrekken naar situaties waarin vluchtelingen een plek zoeken) en laat zien wat er 25
precies gebeurt als het langverwachte kind geboren wil worden. Weer zo’n glashelder ‘beeld’ in drie varianten.
Bij de tweede herberg zien we dus weer een andere manier van afwijzen. Jozef krijgt amper de kans zijn vraag naar voren te brengen. Deze Servilus vertegenwoordigt het type, dat uitsluitend uit is op winstbejag. Hij ziet direct, dat hij te maken heeft met een stelletje armoedzaaiers, scheldt ze uit en houdt het kort: wegwezen jullie. Hij verdoezelt zijn oogmerk niet en wenst verder geen tijd aan dit ‘ bedelvolk’ te verspillen. De mentaliteit van: tijd is geld en de rest is flauwekul. De keiharde moneymaker. Ook dit type kennen we natuurlijk en komen dat in de zakenwereld, maar ook in het klein vaak genoeg tegen.
En wat gebeurt er dan? Maria is wanhopig en vraagt God om erbarmen te hebben. Met wie? Dat staat er niet specifiek, maar min of meer ‘algemeen’: nl. of God zich wil erbarmen. Ze omschrijft wel haar situatie en vraagt om hulp van ‘bovenaf’. Tegelijkertijd ervaar ik er een vraag in om erbarmen te hebben met iemand, die zo keihard en zonder enig begrip reageert. Misschien wat ver gezocht? Maar ik acht dat bij iemand als Maria niet ondenkbaar en het overwegen waard. ..
Het lijkt me goed deze waard ‘en profil’ te spelen, dat geeft hem een scherpere contour. Hij zou misschien vooraf een glaasje azijn kunnen nuttigen om in de stemming te komen…
Maria’s noodkreet klinkt op straat en is blijkbaar gehoord door weer een andere herbergier. Aangezien er soms meer vrouwen-aanbod is om mee te spelen, lijkt mij deze rol geknipt om door een (nieuwsgierige) vrouw te laten spelen. Waarom? In tegenstelling tot de vaak gehoorde benaming ‘goede’ waard, raad ik aan hem/haar eens goed onder de loep te nemen: wat zien we gebeuren? Deze figuur hoort iets op straat en is nieuwsgierig naar wat er allemaal aan de hand is, gaat kijken en informeert naar de problemen, wijst erop dat ook haar logement helemaal vol gasten zit, maar voor het oog van de hele buurt biedt ze als ‘voorlopig’ onderkomen haar stal aan: wat een goede daad! En alle buren zien hoe goed zij is! Maria is diep dankbaar. Kortom: voor het oog van de hele buurt hangt hij/zij de goedheid zelve uit, die die arme sloebers een plekje aanbiedt en zelfs – later – een bed in haar helaas nu nog overvolle logement. Maar… is zij dat wérkelijk van plan? Al gauw zal ze haar ware aard tonen. Nu gaat ze hen, zeer tevreden met zichzelf, voor naar de stal. 26
Eerst installeren Jozef en Maria zich daar, Maria vraagt in haar lied aan Jozef haar ‘trooster’ te willen zijn, nu de geboorte zich aankondigt en er volgt nog een gesprek tussen hen over het osje. En dat verloopt anders, a.h.w. omgekeerd aan toen in Nazareth: nu is opeens Jozef vol goede moed en vertelt wat hij allemaal de volgende dag gaat regelen, geen zorgelijke, pessimistische stemming! Maar nu Maria het moeilijk heeft, ziet zij het opeens somber in. Maar Jozef stelt haar gerust, nu is hij degene, die het wel weer ziet zitten. Prachtig, hoe zij om beurten, elkaar steunen en opbeuren.
Dan vindt de geboorte plaats. Daar zijn van ouds mooie vormen voor gevonden, al blijken er bijv. in Dornach en in Stuttgart verschillende tradities te leven (op beide plekken gaf Steiner aanwijzingen, kennelijk kan het op verschillende manieren). Jozef heeft zich iets afgewend, ‘slaapt’ min of meer. Het blijkt nog steeds zeer bevredigend, dat de Engel het kind bij liermuziek laat ‘afdalen ‘in Maria’s armen.
Maar als spelers moet je wel proberen hier heel intens ‘bij’ te zijn. Dan kan het in al z’n eenvoud als heel bijzonder en intiem en voor kleine kinderen heel reëel worden. Maria vraagt dan aan Jozef even te gaan vragen of ze nu alsjeblieft in het logement mogen (stel je die situatie even voor!). Maar Jozef, amper wakker, ziet het kind nog niet en sputtert wat tegen: we moeten nu niet meteen al moeilijk gaan doen en teveel vragen. Maar dan dat moment waarop hij het kindje ziet! Laat duidelijk zien hoe verrast hij is. Dat kan zo ongelofelijk ontroerend zijn (maak daar wat van!) en hij aarzelt dan ook geen seconde meer, pakt de lantaarn en haast zich naar de waard(in). Het schijnt dat Steiner ooit bij het voorspelen van de Jozef-rol, misschien wel op dit punt, struikelde en viel. Iedereen schrok enorm, maar hij zei toen iets van dat Jozef ongeveer zo stuntelig gespeeld mocht worden. Natuurlijk moeten wij hem niet met opzet laten struikelen maar iets onbeholpens (zonder kluchtig te worden!) mag hij zeker hebben.
En dan komt de aap uit de mouw: je moet je voorstellen, dat waarschijnlijk helemaal niet uiterlijk te zien was dat Maria hoogzwanger was; met al die gewaden, ook nu nog in het Midden Oosten, is dat volstrekt niet direct duidelijk! Als Jozef dan uitlegt wat er aan de hand is en of ze daarom nu …. enz. laat dan vooral die waard(in) behoorlijk schrikken; dit kan heel concreet uitgedrukt worden, laat dat duidelijk zien, dus niet alleen in de tekst maar ook uitgesproken in het spel met wat voor een schijnheilig mens we hier te maken hebben! Als het er namelijk op aan komt geeft ook zij niet thuis, is de deur ook gesloten en ze heeft nota bene net 24 nieuwe gasten (wél met een volle beurs, kun 27
je aannemen) binnengelaten en hadden we niet allemaal gehoord, dat Maria en Jozef eerst aan de beurt zouden komen? Goede waard? Niks daarvan! En zingt Maria niet, als Jozef haar deze teleurstellende reactie komt vertellen, over hoe “ontrouw de wereld” toch is, dat het een schande is om hen in dat mensonwaardige onderkomen te laten zitten? Je kunt niet opmerkzaam genoeg zijn wat betreft al die details. Als Jozef met het slechte bericht terug gaat kun je hem eerst wat langzaam, piekerend laten lopen, niet wetend hoe het nu verder moet en dan halverwege als hij iets bedacht heeft (de krib) opeens wat sneller laten lopen. En als je dat werkelijk tot in al die kleine, maar zo duidelijke aspecten herkent en navoelt, en in je rol vorm geeft, dan mag je hopen dat je dat overbrengt op het publiek, zodat het (weer) geboeid kan raken. Dan wordt het ‘waar’ en niet alleen een weer even in te weinig tijd opgelapt toneelstukje…
——————————–
En dan volgt het ‘Herdersspel’, waarin het gaat om de oproep, de boodschap, het appel om op weg gaan, te gaan zoeken en vinden.
Daar openbaart zich ook een enorme veelheid van verschillen en karaktertrekken, die je absoluut moet uitbuiten en zien vorm te geven. Het gaat hier niet alleen om drie personen met hetzelfde beroep, maar ook om mensen, die niet alleen in leeftijd verschillen maar ook totaal verschillend omgaan met wat hun overkomt, vanuit een volkomen eigen innerlijke gesteldheid, die zich uitdrukt in hoe ze dingen verwoorden, hoe ze op elkaar en situaties reageren en wat ze over hun dromen vertellen. Het begint al karakteristiek; Gallus komt haastig op, denkend dat hij de laatste zal zijn: dat duidt al op een zeker pessimisme (ik zal wel weer…). Hij heeft ’t behoorlijk koud, z’n voor de zoveelste keer aan Stiegel uitgeleende wanten heeft hij ook al niet terug gekregen, bij hem lijkt alles bepaald niet van een leien dakje te gaan, een piekeraar ook, zoals we later nog zullen horen.
Daartegenover Stiegel, stomverbaasd, dat hij niet als eerste arriveert. Die beseft niet, dat hij Gallus’ enige paar wanten aanheeft. Hij is de jongste van de drie, is géén zwartkijker, beetje overmoedig, nog weinig tegenslag gehad of gewoon wat primair ingesteld. Tenslotte komt de oudste van dit stel, zoals altijd, weer eens te laat. Hoe komt dat? Hij is getrouwd en zit thuis een beetje onder de plak. Daar doen z’n maten wat lacherig over, maar ze zien ook wel pluspunten: Witok zit redelijk verzorgd in de kleren, hij krijgt geen natte voeten: z’n schoenen heeft hij 28
voor vertrek nog moeten repareren. En hij heeft altijd eten bij zich, voor alle drie!
Maar eerst nog even aandacht voor hun beroep: het is echt aan te bevelen je ook hier weer goed te realiseren waar dat op neer komt, wat je daarvoor moet kunnen. Die herdersrollen worden graag gespeeld, maar toch is het niet zo makkelijk die sfeer te pakken; het gaat echt niet zo maar om een stelletje naïeve lomperiken of ongemanierde lolbroeken., (zonder borden en bestek aan tafel eten betekent toch niet automatisch vies eten?). De vraag is om te beginnen: hoe kom je tot een ‘oerbeeld’ van wat een herder is. Dat kan bijvoorbeeld vanuit de tegenstelling herder – koning. Maar zoek vooral ook naar algemene karakteristieken:
* ze staan onderaan de maatschappelijke ladder, arme mensen, die voor de schapen van anderen moeten zorgen.
* Ze zijn het minst ontwikkeld in de zin van intellectueel geschoold en opgeleid, ze leven in hoofdzaak in en met de natuur en zijn daar volkomen afhankelijk van en er ook enorm mee verbonden: ze moeten de weersomstandigheden leren inschatten, geschikte weidegronden uitzoeken, alert zijn voor dreigend gevaar (wolven). Dat vraagt een uiterst subtiele georiënteerdheid op de aarde en de elementen.
* Ze beschikken over een grote openheid voor allerlei gewaarwordingen en staan wat betreft een aantal aspecten ook dicht bij de boeren, al is er natuurlijk een fundamenteel verschil (denk aan het Kaïn/Abel-contrast). Ik maakte één keer mee, dat een oudere boerenknecht de rol van Witok speelde: dat was een ontroerende ervaring: je hoefde hem geen enkel advies te geven, geen enkele regieaanwijzing. Hij was een herder, vanzelfsprekend.
De meesten van ons moeten zo’n kwaliteit zien te verwerven. Weet je bijvoorbeeld, hoe zo’n dikke, vettige schapenvacht voelt? Hoe schapen grazen, keurig en systematisch en hoe totaal anders geiten daarentegen hun voedsel tot zich nemen links en rechts, hap-snap.
Je komt als bewuste 21e-eeuwer al een heel eind als je probeert iets van die basis-stemming te pakken en ’waar’ te maken, je in te leven in iets van die naïeve spiritualiteit, vervuld van een diepe eerbied en innige vroomheid. En daarnaast stevig op de grond te staan, niks geen sentimentaliteit, maar met pittige humor. En probeer bij de eerste stap al als een herder, als dié herder te lopen, ook bij de ommegangen! 29
Dit alles als algemene basis. Maar dan! Probeer de onderlinge verschillen op te sporen en werk die met verve uit! Want een herder is wel een herder, maar ook een mens met een eigen karakter, leeftijd, gezinssituatie, sociale plek in dat groepje.
Hoe kom je die dingen op het spoor? Door gewoon goed te luisteren.
a. ) Wat zeggen ze (inhoud)?
b. ) Hoe formuleren ze dat (weinig/veel woorden, woordkeuze)?
c. ) Hoe reageren ze op elkaar, op gebeurtenissen, op ervaringen?
Dat blijken ‘gouden sleutels’! Dan leer je ze namelijk kennen.
Gallus blijkt goed georiënteerd over allerlei actuele zaken en verordeningen en maakt zich daar zorgen over.
Stiegel weet nergens van en vraagt zich af of ’t maar een kletsverhaal is of echt waar (Gallus kan daar dan ietwat beledigd heftig van ja knikken) omdat ‘het volk’ nu juist betere tijden verwacht.
Witok, al wat ouder en met verantwoordelijkheid voor misschien wel een talrijk gezin, begint erover te jammeren, dat hij de eindjes maar nauwelijks aan elkaar kan knopen en dat iedereen aldoor maar tegenslagen ervaart.
Dan komt er meteen weer die kant van Gallus naar de oppervlakte: nou, zó zielig heeft Witok het toch zeker niet en hij start een lange tirade van zelfbeklag, waar de andere twee op een gegeven moment schoon genoeg van krijgen. Hij gebruikt altijd veel woorden en houdt zeker niet van vaagheden. Als hij over de wolf begint en de andere twee, maar Gallus zelf óók, bij dat woord alleen al schrikken, probeert Stiegel die allergrootste dreiging in hun bestaan wat te verdoezelen en suggereert dat het net zo goed de hond van de slager geweest kan zijn. Alsof dat wat uitmaakt! En “bij ongeval doodgebeten” is helemaal vage onzin. Maar hij verdraagt het domweg niet dat Gallus het zomaar bij de naam noemt. Dat is toch ook iets wat wij kennen? Wij verdragen vaak niet dat iemand iets cru uitdrukt, een rechtstreekse formulering gebruikt, die nogal bedreigend overkomt en hanteren z.g. eufemismen, waardoor de klap iets minder hard aankomt, ook al houd je jezelf daarmee soms enigszins voor de gek; denk aan CA in plaats van kanker. Maar ook bij het overbrengen van een vervelende boodschap of ‘t bespreken van steken die je collega heeft laten vallen. Doe je dat zonder er doekjes om 30
te winden, door ongezouten man en paard te noemen, dan heb je grote kans op bonje. Iets dergelijks speelt zich hier ook af tussen Gallus en Stiegel. Gallus blijft bij zijn manier van weergeven en die twee krijgen ruzie. Ook al zo interessant om na te gaan hoe dat knokpartijtje nu precies ontstaat. Wie begint daarmee? Gallus is goed van de tongriem gesneden, Stiegel is daar niet zo goed in en dan zie je wat er bijv. ook kan gebeuren bij kinderen, wanneer de één niet meer tegen het gelijkhebberige geredeneer van de ander opkan: hij gaat op de vuist! Ook dit zijn weer zulke ongelofelijk treffende processen, waarbij je die typerende karakteristieken op het spoor komt! Stiegel deelt vanuit een soort machteloosheid de eerste mep uit. En wat gebeurt er nu? Grijpt Witok die vechtjassen bij hun, nekvel? Hij heeft grote moeite met dat geruzie, maar is absoluut niet het type dat ze uit elkaar haalt en met gezag beveelt dat het afgelopen moet zijn. Hij is een zachtmoedig mens en wijs! Zijn taktiek is ‘afleiden’, ook al zo’n prachtig, oeroud recept. En dat werkt onmiddellijk. Met het eten dat zijn vrouw hem heeft meegegeven zwaait hij tussen het tweetal en de ruzie is voorbij.
Drie totaal verschillende karakters, in combinatie met leeftijd en sociale plek binnen hun ‘beroepsgroep’:
Witok: ouder, getrouwd, levend vanuit het middengebied, levenservaring.
Stiechel: jonge knul, energiek, impulsief, vanuit de wil reagerend.
Ze gaan eten en dat vraagt ook aandacht: er wordt soms overdreven ongemanierd gedaan. Daar moet je toch mee oppassen. Natuurlijk eten ze niet met mes en vork en natuurlijk kunnen ze best een stukje spek tussen hun tanden uitpeuteren en tegen vingers aflikken is ook niks en verzin nog maar wat … Stiechel kan ook best proberen nog iets extra uit Witoks tas te pikken (omdat hij, vergelijkend, vindt dat hij te weinig heeft gekregen) en hem met dat doel even afleiden door bijvoorbeeld naar een ster aan de hemel te wijzen, maar ga niet zogenaamd lollig vies zitten eten, dat is zo goedkoop.
En dan verandert opeens de stemming. Witok vertelt over die verwachting onder het joodse volk, de vervulling die nabij lijkt. De andere twee zijn een en al aandacht. Gallus uit zijn verlangen en stelt zich de intense vreugde voor, maar tegelijk in een vorm die uitdrukt: was het maar zover! Maar helaas … nu nog niet. Weer die wat zorgelijke, piekerende zielenhouding. Daartegenover Stiechel, die heel nuchter even 31
exact wil weten: wanneer en waar. Als Witok dan antwoordt, dat hij alleen iets over de plaats weet, namelijk vlakbij en over de uitverkoren maagd spreekt, zie je ze a.h.w. opgaan in dat beeld en in een dromerige sfeer komen, waar dat gapen en ’t voorstel even een uiltje te knappen vanzelf in uitmondt.
Als dan de Engel in hun droom verschijnt en hen aanspoort op weg te gaan, krijgen we weer een uniek beeld van hoe fundamenteel verschillend deze drie dat opnemen, ervaren en later verwoorden: ook hier zijn hun teksten onderling absoluut niet verwisselbaar!
Gallus is als eerste even half wakker, te wakker en te dicht bij het aardse om die andere wereld zuiver waar te nemen: het is niet pluis, spookt het soms? Hij heeft last van het nuchtere intellect. Stiechel ervaart al het wonder en neemt iets lichtends waar. Alleen Witok, dicht bij de essenties, kan precies benoemen wat het is: een duidelijke stem en een engelenschaar. En dezelfde verschillen zien we als ze, wakker geworden, elkaar vertellen, wat ze hebben gedroomd. Natuurlijk is Gallus het eerst wakker: hij is gewoon de meest ‘wakkere’ van ’t stel, in die zin modern. Stiechel, als impulsief wilstype slaapt letterlijk ’t langst en komt pas bij z’n positieven als hij eerst, wakker gepord, een flinke smak maakt en zich daardoor realiseert: er is iets bijzonders gebeurd. Als ze dan zingend verslag doen, merk je hoe Gallus veel woorden nodig heeft om een nauwkeurige uiterlijke beschrijving te geven van de situatie in Bethlehem. En Witok? Zijn hart vloeit over van zoete vreugde en honing en bloeiende rozen! Hij geeft een gemoedsbeeld. Stiechel beschrijft het op weg gaan, de actieve kant, een engel neemt hen mee naar de plek, waar het wonder heeft plaatsgevonden. Als Gallus dan voorstelt om er heen te gaan, kun je bijvoorbeeld Stiechel onmiddellijk laten vertrekken, maar bij z’n mouw laten pakken door Gallus, die hem erop attent maakt, dat ze iets dienen aan te bieden. Ook dat weet Stiechel meteen, heel praktisch een kruikje melk (verwant met het etherische), Witok kiest een lam (verwant met het astrale) en Gallus neemt twee ‘producten’, fysiek geworden, ’losgemaakt’ van het dier: de wol en ‘losgemaakt’ van de plantenwereld en bewerkt: ‘het meel’, ook weer volkomen passend bij elk van hen en tegelijkertijd heel logische zaken, passend bij hun leefwijze Onderweg raken ze eerst toch even het spoor bijster in de duisternis, maar typisch weer, hoe Gallus zijn ogen de kost geeft en als eerste dat “strooi huis” waarneemt en daar dan naar de precieze weg wil informeren. Maar bij Jozef weet hij eigenlijk niet hoe hij onder woorden moet brengen, waar ze precies naar op zoek zijn en schuift daarom Stiechel naar voren, die geen enkele moeite heeft hun vraag heel direct met weinig woorden te formuleren. Dan de ontroerende scène rond de 32
krib. Weer heeft Gallus twee keer zoveel tekst nodig om alles onder woorden te brengen, maar wat een roerende benadering: hij ziet alle details van de erbarmelijke entourage, voelt a.h.w. al die prikkerige strootjes, beschrijft alles wat hij waarneemt aan het hele gezichtje zo liefdevol: een prachtig voorbeeld van fenomenologisch kijken! Het is een hele opgaaf om die aanbiddingsscène werkelijk in al z’n intieme devotie waar te maken en de verschillen ook hier weer aan te brengen. Er bestaat een groot schilderij van Hugo van der Goes (Florence), waarop rond het geboren kind een groot aantal engelen te zien is met allemaal verschillende aanbiddingsgebaren, elk een andere nuance van aanbidding karakteriserend; zo kun je ook zoeken welk aanbiddingsgebaar het best bij het karakter van elk van de drie herders past.
Ten slotte komen ze buiten, alle drie vervuld van wat ze zojuist hebben beleefd. Wat zien we nu gebeuren? Ze hebben alle drie dat heel bijzondere beleefd. Maar… hoe gaan ze daarmee om? Gallus begint er meteen over, diep onder de indruk, maar tóch begrijpt hij het niet, er klopt iets niet: in zulke erbarmelijke omstandigheden is geboren Hij die regeert “de wereld wijd….”, waarop Witok hem uitlegt, waarom dat nu juist zo de bedoeling is, namelijk als voorbeeld dat we het niet moeten zoeken in uiterlijkheden, in statie en pracht, maar in de deemoed en dat Hij zó dichtbij iedereen kan zijn. Gallus luistert vol aandacht en lijkt het nu te begrijpen, maar hoe moet hij er dan zijn makkers over vertellen, die zullen beslist denken dat hij niet goed bij z’n hoofd is en ’t “nooit niet geloven” want “deuse saek gaat het verstand te boven” en dat verstand is nou net het gebied waarin hij zich thuis voelt: hij verliest hier vaste grond onder de voeten. Witok daarentegen heeft geen enkele moeite er met wie dan ook over te spreken en deelt mee dat hij de belangrijkste wereldlijke autoriteiten (landheer en stadhouder) morgen op de hoogte gaat stellen. Laat zien hoe Gallus dat gewoon nauwelijks kan vatten, nl. hoe Witok er niet alleen moeiteloos over kan spreken, maar ook nog eens zomaar alle hiërarchische barrières durft doorbreken! Dan nog Stiechel: die heeft affiniteit met het ontwikkelingsaspect, hoe je vanuit een heel bescheiden plek tot het hoogste kan komen. Hij ziet de dynamiek van ‘de weg’, de mogelijkheden, en noemt daarbij David, die toch ook maar als simpele herdersman begon en wat heeft die niet allemaal bereikt!
Geniaal hoe binnen die herderlijke beroepskarakteristiek zo genuanceerd en subtiel de kwaliteiten van Denken (Gallus), Voelen (Witok) en Willen (Stiechel) zijn uitgewerkt op een volkomen natuurlijke, haast onopvallende manier. 33
En dan lijkt het spel afgelopen. Maar nee, daar komt op het nippertje nóg een herder aanschuifelen, oud, krakemikkig, dovig. Wat vertegenwoordigt hij? Van waar komt hij? Vanuit het publiek. Dat zijn in principe wij allemaal: geen engelboodschap ontvangen, hij niet, wij niet.
Maar… hij heeft iets opgevangen, geruchten doen de ronde. .. Wat kun je zoal met geruchten doen?
a) . je schouders ophalen en denken: ’t zal allemaal wel, ze zeggen zoveel; en het dan gewoon laten voor wat het is.
b) . of…’t gevoel krijgen: hé, daar wil ik meer van weten! En dan ga je erop af, dan ga je vragen stellen.
Dat laatste doet dus Chrispijn. En al herhalend wat hij hoort, zie je dat hem een licht opgaat, een verband leggend met die oude voorspellingen en hij realiseert zich wat er aan de hand is, waar ze ’t over hebben! Hij kiest als geschenk “een slip van zijn pelsvacht”. Is dat maar een wat krenterig gebaar? Nee, hij is de enige die iets echt van hemzelf afstaat, dat deel van zijn eigen warmteomhulling, dat hij kan missen. (Vergelijk ’t met Sint-Maarten die ook niet zijn hele maar zijn halve mantel wegschenkt). En wanneer zijn makkers hem voorstellen de volgende dag met hen mee te gaan en hij vraagt hoe ver het eigenlijk is, is dan hun antwoord alleen maar grappig bedoeld? Bepaald niet. Het is ’t enig denkbare, reële antwoord. Want hoelang duurt het tot je ‘er bent’, tot je het kind vindt? Dat is voor ieder mens verschillend. Het is de weg van het individuele Ik.
Zijn nu al die achtergrondgegevens echt nodig?
Ik denk, dat willen we niet vastlopen in vaak misschien nog best leuk maar toch vaak enigszins gedachteloos spel of merken, dat ‘men’ er geen zin meer in heeft (zoals dat op sommige plekken al zo is), maar het nog even ‘uitzingt’, omdat we het nu eenmaal altijd gedaan hebben en het er nu eenmaal bij hoort, dus als pure traditie, die min of meer leeg is geworden, dat het dan verwatert tot een misschien nog net acceptabele traditie, die echter ongemerkt is leeggelopen. Wij willen als moderne mensen toch weten waarom we iets doen, wat de zin ervan is! Hoe meer we ons ervan bewust zijn waar we het over hebben en ons afvragen wat voor betekenis er achter een aantal aspecten schuilt naast het puur in beeld brengen van het Bijbelse verhaal en de inhouden als actueel kunnen ervaren, des te sterker kan de werking ervan worden. Want het 34
hele spel zit boordevol met min of meer verstopte wijsheden! Daarom vond Steiner het zo ontzettend belangrijk, dat met name kinderen dit soort essentiële waarden krijgen aangereikt. Ook kan er een enorme intensivering optreden als iemand een paar keer dezelfde rol speelt (dus niet even het oude maniertje van een vorig jaar uit de mottenballen vist!). Hoe meer we ons bewust zijn van waar we het over hebben, des te sterker kan de werking zijn en dat hoeft absoluut niet ten koste te gaan van creatief en levendig spel. Integendeel! Want je kunt dan uiteindelijk alles waarin je je hebt verdiept, wat je je bewust geworden bent en je gezoek naar hoe je dat uiteindelijk vorm kunt geven, ook weer loslaten en je open en vrij, zonder geredeneer in het spel en de sfeer voegen.
36
HET DRIEKONINGENSPEL
Hoe fundamenteel anders dan het Kerstspel! Vanaf het allereerste ogenblik word je als toeschouwer al min of meer gedwongen op het puntje van je stoel te gaan zitten en uiterst scherp op te letten. Je niet in die blije, warme, verwachtingsvolle stemming openen voor de sfeer, die het op het Evangelie van Lukas gebaseerde Kerstspel meteen al bij de start aandraagt. Nee, het op het Mattheus-Evangelie gebaseerde, uitgesproken dramatische, Driekoningenspel is confronterend, vraagt om uiterste alertheid en om de uitspraken en gebeurtenissen op een goudschaaltje te wegen. Ook hier gaat het weer om een ‘mysteriespel’, d.w.z. dat er ongelofelijk veel diepgaande wijsheid schuilgaat achter schijnbaar min of meer ‘gewone’ woorden en vormgeving van dit spel. En weer komt het erop aan door de teksten heen zicht te krijgen op de essentiële ‘boodschappen’, waar we ook in ons eigen leven mee te maken hebben!
Het begin: open toneel, lege banken tegen een witte achterwand met op 1/3 van bovenaf een gouden band (zoals in Dornach van oudsher gebruikelijk). Geen deur die opzij in de zaal, dichtbij het publiek, de spelers binnenlaat, geen begin-akkoord en gezang. Nee, stilte. Dan hoor je van links opzij (gezien vanuit de toeschouwers) op het toneel langzame voetstappen en er verschijnt een lange rij spelers die zwijgend opkomen en het publiek dus niet aankijken. Ritmisch, stap, stap, stap zo lopen ze naar rechts, de groep draait een kwartslag zodat ze oog in oog staan met de toeschouwers. En dat kan best wat onbehaaglijk voelen. En dat moet ook! Laat niemand het in z’n hoofd halen alvast toch maar met een lied te beginnen om ‘beter in de sfeer te komen’!
Alle spelers gaan dan tegelijk zitten (op een teken van de Duivel). De Engel kondigt aan waar dit spel over zal gaan en dat het bepaald geen heidens verzinsel is. Hij kan goed door een man worden gespeeld of door een vrouw, die krachtig maar vooral niet elegant moet willen overkomen! De Engel draagt een staf met bovenaan een afbeelding van de Sixtijnse Madonna.
Hier en daar zie je dat men het eerste optreden van de drie koningen maar weg laat, omdat het anders te langdradig zou kunnen worden…. Dat is een trieste zaak, want nu komt het erop aan je grondig bezig te houden met: wat zijn eigenlijk koninklijke kwaliteiten? Maar speciaal met de grote onderlinge verschillen tussen deze drie priesterkoningen. Heb je 37
last van wat er nu nog in enkele landen aan koningshuizen bestaat, denk je aan Beatrix of Queen Elisabeth, dan gaat het makkelijk mis. Je krijgt dan al gauw een beeld van deftige, ietwat saaie stijve harken en zich onberispelijk gedragende heren (hoewel ze natuurlijk niet even een sok moeten gaan ophijsen of op hun hoofd krabben). Dat beeld heeft niets te maken met werkelijke koninklijke kwaliteit en waardigheid! Ga eerder na of je mensen kent, die zich onder bedreigende omstandigheden, onverwachte ernstige tegenslag altijd ‘waardig’ konden gedragen, bij wie het opviel, dat ze een a.h.w. koninklijke houding konden behouden en hun lot dragen, zonder voortdurend anderen de schuld te geven of te lopen schelden over wat hun zo ‘onverdiend’ was overkomen. Zo kun je proberen in mensen om je heen iets van zulke ‘koninklijke’ kwaliteiten op te sporen.
En dan kom je al direct bij een andere figuur in dit spel nl. Koning Herodes. Hoe zit dat dan?
Deze figuur is een zetbaas van de Romeinse overheid met de opdracht de boel in dat land onder controle te houden met alle denkbare middelen. Hier komen we direct bij het begrip ‘macht’, dat in feite snel kan leiden tot misbruik.
Ten slotte staat in het centrum van het hele verhaal: de Hoogste Koning.
Drie aspecten van ‘koning’, waar je je bewust mee uiteen zou moeten zetten.
En zo is het hele spel vol van tegenstellingen: echt en vals koningschap, echte dienstbaarheid tegenover slaafse, op angst gebaseerde onderworpenheid, echte wijsheid tegenover pure kennis of verstarde, krampachtige, dogmatisch geworden wijsheid en ten slotte: het willen luisteren naar de influisteringen van Duivel of Engel. We komen dat in dit spel telkens tegen en moeten als spelers die contrasten bewust herkennen, benoemen en tegenover elkaar plaatsen.
We zien nu om beurten de drie ‘Koningen’ verschijnen. Goed is eerst even hun andere benamingen te noemen: priesterkoningen, wijzen uit het Oosten, magiërs, wat een essentieel en verhelderend accent legt op hun werkelijke kwaliteit en functie: zij zijn in feite de laatste ingewijden uit de oude, inmiddels al decadent geworden, mysteriescholen.
We zien dan eerst Melchior (middelbare leeftijd), hij speurt de verschijnselen aan de hemel af, kijkt heel zorgvuldig en neemt iets bijzonders waar, laat zich instrumenten brengen, “Gatterkompas” = Kwadrant en 38
kompas (het kan heel boeiend zijn hem die instrumenten op de juiste wijze te zien gebruiken, daarvoor kan iemand misschien eens de verschillende kwadrant-soorten bestuderen en nagaan hoe ze precies gebruikt werden) en bestudeert de geschriften, om exact na te gaan wat er gaande is. Ten slotte laat hij een deskundige komen, Viligratia. Die kan iets pedants hebben, maar let goed op! Hij bladert in zijn boek, vermeldt wat hij daaruit te weten is gekomen, maar… ‘hij gaat niet buiten zijn boekje’! Zeer beslist klapt hij het boek dicht en gaat niet speculeren. Hij bezit kennis, hij vertegenwoordigt de pure wetenschapper, maar blijft bescheiden. Natuurlijk mag hij best een tikje belachelijk overkomen als dorre, droge kamergeleerde, maar vooral niet overdrijven! Want anders zou Melchior, die vanuit zijn wijsheid nu weet wat er gaande is en op weg wil gaan, toch nóóit aan Viligratia vragen om tijdens zijn afwezigheid het regiment te voeren! Viligratia is namelijk uiterst betrouwbaar en zal geen staatsgreep plegen tijdens Melchiors afwezigheid. Maak er dus geen belachelijke paljas van! Melchior en Viligratia buigen ook voor elkaar ten afscheid. In Dornach noemden ze zijn manier van lopen: ‘Storchenschritt’: dus lopen als een ooievaar, heel bedachtzaam zijn voeten hoog optillend.
Nog even aandacht voor de page. Vergelijk die met de lakei van Herodes. Beide staan dienstbaar hun heer terzijde, maar hoe lichtvoetig en zonder enige angst handelt de page! Straks bij de ontmoeting van de koningen in de woestijn komt er nog een heel bijzondere eigenschap naar voren.
Dan komt de oude Balthasar op (de oudste van de drie, geen baard, anders heeft hij al gauw een soort Godvader uitstraling!). Heeft hij de ster ook gezien? Nee. Hij heeft van zijn hofstoet vernomen, dat er een wonderbaarlijke ster aan de hemel is verschenen en realiseert zich onmiddellijk wat dat betekent. Gaat niet eerst zelf eens kijken, gebruikt geen instrumenten, raadpleegt geen deskundige. Op grond van een diepe vertrouwensband met zijn ‘personeel’ en door zijn eigen inzichten en wijsheid wéét hij dat het lang verwachte nu plaats vindt en besluit zo snel mogelijk de reis erheen te aanvaarden en roept iedereen op (hij richt zich nadrukkelijk tot de toeschouwers!) dat ook te doen.
Ten slotte komt Caspar, de jongste, op met een veerkrachtige pas, dynamisch, wilsmatig en bijna uitbundig van opperste vreugde en roert al even de tragiek van de schriftgeleerden aan. Dan is er een moment van bezinning. Hij gaat even zitten en overweegt wat een passend geschenk zou zijn en veert weer overeind als hij het heeft bedacht. 39
Volgens de ‘officiële’ aanwijzingen plaatst de Duivel (puur als toneelknecht) hun troon en ruimt die weer weg. Maar dat blijkt nogal wat verwarring te scheppen, dus dat doet meestal de page.
Over de geschenken valt van allerlei te zeggen en de staven moeten ook even genoemd. Die laatsten worden in de linkerhand gedragen en nooit als wandelstok gebruikt! Het zijn tekenen van hun koninklijke waardigheid en ze worden bij de aanbidding van de Hoogste Koning dan ook even weggezet. De staf van Melchior is zwart en dat heeft te maken met zijn kwaliteit van denker, exacte waarneming en ‘aards’ kunnen berekenen. Die van Balthasar is goud (denk nu niet: dat hoort dan toch bij Melchior die het goud als geschenk biedt). Bij Balthasars staf geeft het zijn hartenkwaliteit aan, de innerlijke warmte. Caspars staf is van blank, onbewerkt hout: dat duidt op het toekomstaspect, dat ligt nog open, daar moet het nieuwe gebeuren!
Wat betreft de geschenken: daarbij kun je denken aan: goud is het edelste, kostbaarste qua materie, dat de aarde biedt en weegt het zwaarst. Het oxideert niet (wordt niet dof) en behoudt altijd zijn zuivere stralende glans en is het metaal dat bij de zon hoort (zoals zilver bij de maan, koper bij Venus enz.). Wat is de bijzondere kwaliteit van wierook? Het bestaat uit schijnbaar bescheiden producten uit de natuur, die door verbranding hun geur ontwikkelen en opstijgend naar de hemel de gebeden begeleiden van de mensen, die hun innerlijk openen voor de onzichtbare wereld. Wierook verkrijgt pas zijn werking als de materie ‘verdwijnt’! Caspar geeft de bittere mirre: dat is van oudsher een product dat werd gebruikt bij het balsemen van gestorvenen in Egypte, werkt samentrekkend, conserverend, maar is ook een geneeskrachtige plant en duidt op wat de komst van Christus betekent: Hij wordt toch ook ‘Heiland’ genoemd, dat betekent: hij die geneest (helen, Duits: heilen). Maar zoek vooral nog naar andere gezichtspunten hierover!
Bij de ontmoeting in de woestijn, stelt Melchior aan de anderen de vraag naar hun doel. Het kan geen kwaad om je daarbij ook de lange en bezwaarlijke tocht door hitte en droogte te realiseren, een uiterst veel vergende, risicovolle onderneming, die hen door de woestijn voert. Ze zijn hogelijk en blij verrast als hun doel hetzelfde blijkt, maar let vooral op wat de page nu doet: die wordt niet weggestuurd omdat de heren even rustig samen alles willen bespreken, nee, hij voelt dat zelf heel zuiver aan en trekt zich stilletjes terug! De page beweegt zich vrij, heeft een zekere frisheid, staat klaar om alles te doen wat er van hem wordt gevraagd, maar toont eigen initiatief, let op en denkt mee. Aan dat contrast tussen de page en de lakei kun je je realiseren hoe je je als 40
‘ondergeschikte’ autonoom en verantwoordelijk kunt voelen, ruimte kunt creëren binnen de jou toebedeelde taken en functie en dus niet zonder meer en uitsluitend naar de pijpen van een luimige baas hoeft te dansen. Dat is een keuze: voel ik mij een slaaf of een vrij mens?
Samen gaan de koningen nu verder. Telkens komen er momenten waarop zij even het spoor bijster zijn en een beslissing moeten nemen. Ze kiezen voor informatie inwinnen bij de plaatselijke autoriteit.
Dan zijn we aan het hof van Herodes. De ervaring leert dat iedereen daarop zit te wachten, nu wordt het spannend! Dat legt een grote verantwoordelijkheid bij degenen die de drie koningenrollen spelen! Die dienen enorm te investeren in hun kwaliteiten en verschillen om voor het publiek zo sterk en indrukwekkend en overtuigend te verschijnen, dat ze een reële optie vormen om voor te kiezen: de kinderen zouden a.h.w. door hun stoeltjes moeten zakken van ontzag.
Herodes kan op vele manieren gespeeld worden: niet van koninklijken bloede mag hij het zeker in uiterlijkheden zoeken: een arrogante pose, een fonkelende ring, als hij gaat zitten zorgvuldig z’n mantel plooien enz. Zijn scepter( kubusvorm bovenop) houdt hij in z’n rechterhand en slaat er regelmatig mee op de leuning van zijn zetel om duidelijk te laten merken wie het hier voor het zeggen heeft en om bepaalde uitspraken te benadrukken.
Intussen heeft de slaafse, domme, maar ook angstige (hij kan tenslotte telkens weer ergens voor op z’n donder krijgen) lakei omslachtig alles rond de zetel van z’n baas (door de Duivel, die hier toneelknecht is, slordig neergezet en nog even met z’n staart opgepoetst, ook kan hij er zelf even grijnzend op gaan zitten) in orde gebracht: de troon rechtgezet, gepoetst (met of zonder een beetje spuug), misschien even een vlo gevangen en die met z’n nagels geknakt, daar kun je heel wat fantasie op loslaten!
Hij haalt Herodes en samen komen zij op, waarbij de lakei zijn heer wat tracht te imiteren: hij stelt zelf namelijk niets voor, is een nul, zijn ‘ik’ is er uitgeranseld zou je kunnen zeggen. Een interessante oefening tussendoor kan zijn voor de spelers: loop eens als een hoog of lager geplaatste1 hoveling aan het hof van Herodes: altijd op je hoede, wordt er over mij geroddeld?, sta ik misschien al op de lijst van personen die uit de weg geruimd gaan worden? heb ik net – voor hoe lang? – een bevoorrechte positie gekregen door een paar anderen zwart te maken? Enz. enz. Of beweeg ik me zonder angst aan het hof van een van de drie koningen. 41
Herodes maakt zijn positie duidelijk en waarschuwt: pas op als ik kwaad wordt. Hij zal vandaag ‘rechtspraak’ houden, maar dan krijgt hij hoog bezoek en wil via de lakei vooraf weten waar ze vandaan komen en wat ze van plan zijn, en gaat nog even in een passende houding zitten om indruk te maken. Wanneer ze vertellen waar ze voor komen zie je Herodes heel ingehouden behoorlijk van slag raken en daarover ook, terzijde, een opmerking maken. Dan reageert hij allerbeminnelijkst dat ze maar moeten gaan kijken en hem komen vertellen wat ze hebben gevonden om het Kind dan zelf ook te kunnen aanbidden en geschenken te geven (die laatste zinnen komen er duidelijk geforceerd uit). De koningen, zo intens vervuld van hun wens het Kind te vinden, dat ze de doortraptheid van Herodes niet door hebben, beloven dat te zullen doen! Dat is weer zo’n typisch moment om even bij stil te staan. Want later zullen we horen, dat ze op grond van nieuwe inzichten besluiten dat niet te doen. Leerden we als kinderen niet: ‘wat je beloofd hebt moet je ook doen!’ (Kikkerkoning) en dat is ook zo. .. in principe. Je moet wel heel gegronde redenen hebben om dat niet te doen!
Intussen laat Herodes, totaal van de kaart, de schriftgeleerden komen. Daar zitten we meteen met een gigantisch probleem! Wat zijn dat voor figuren? Het is belangrijk je te realiseren, dat we hierbij ook te maken hebben met een van de enorme contrasten in het spel: tegenover elkaar: het allerbeste, edelste vanuit de joodse traditie en cultuur: Maria en Jozef en het Kind en daar tegenover deze schriftgeleerden, vastgelopen en verkrampt in dogmatiek (komen we dat nu ook nog tegen?).
Hoe speel je nu die schriftgeleerden? Daar wordt nogal wat mee gesold en geëxperimenteerd De situatie is zo, dat deze priesters oorspronkelijk de grote taak hadden de komst van de Messias voor te bereiden. Maar hier zien we, dat ze wel degelijk over veel oude inzichten beschikken, maar het tegelijk op een akkoordje gooien met de zetbaas van de Romeinen, zich daardoor op politiek terrein begeven en daarmee proberen zo veel mogelijk voordelen uit die ‘goede verstandhouding’ en medewerking te slepen en dat betekent dat ze hun eigenlijke opdracht uit het oog verliezen. Hun oorspronkelijk wijsheid is zodanig tot dogmatische theorie geworden, dat ze niet open staan voor wat er in werkelijkheid gaande is. Daarin ligt hun tragiek. Ze zijn daardoor behoorlijk onzeker, angstig, nerveus, op hun hoede. Dat moet je laten zien. Dus pas op voor dat gewapper met de handjes! Wél kun je ze met hun handen schrikachtige bewegingen laten maken, zoals je zelf misschien ook zou doen als je opeens onverwacht geconfronteerd wordt met iets waar je van schrikt. Dat moet je echt oefenen om het niet tot dat clichématige gewapper te laten ontaarden! Ook het geschuifel zonder de 42
voeten op te tillen kan zinvol zijn als je het ervaart als een te diep met het aardse materiële verbonden zijn, ze zijn te ‘laag bij de gronds’ geworden … In deze situatie bij Herodes zijn ze gewoon erg angstig en onzeker! (maar hijzelf is óók uiterst achterdochtig). Ze weten heel goed, dat hij niet te vertrouwen is. Herodes heeft allerlei vragen en zegt dat ze ‘ongestraft’ kunnen antwoorden, een hele geruststelling. We krijgen nu te maken met het feit dat ze allerlei woorden van Herodes herhalen; je moet duidelijk kiezen welke. Dat ‘ongestraft’ herhalen ze opgelucht naar elkaar, maar met “mishagen mag’’ schieten ze weer in dat schrikachtige, meteen gevolgd door “geern van u liet raden” weer opgelucht en ten slotte bij “wat gij bevont” aangesproken op hun kennis en deskundigheid. Je moet dat zorgvuldig uitwerken en nuanceren! Ze overleggen dan even apart met hun schriftrollen erbij om dan samen uit één mond (als een leeg geworden formule) exact te vertellen wat de verwachtingen zijn, zelfs even verder dat het beslist niet zal gaan om een bedreiging voor Herodes’ wereldlijke machtspositie! Ook dat de nieuwe Koning door zijn eigen volk zal worden bespot en ter dood gebracht. Herodes, ongelofelijk geschrokken, oppert het idee om al meteen maatregelen te treffen, waarop de schriftgeleerden hun best doen hem te kalmeren en hem aanraden eerst maar eens even de bevindingen van die drie koningen af te wachten. Na nog enkele vragen en de melding dat het allemaal in Bethlehem zal plaatsvinden, jaagt Herodes ze in opperste irritatie en angst weg, waarbij de lakei een handje helpt en zich daarbij geweldig flink en stoer voelt.
Waarom dit uitweiden over de schriftgeleerden? Om af te rekenen met de beschamende persiflage van hoe ‘joden’ zich zouden gedragen, maar het accent te leggen op de tragiek van deze figuren. Dat neemt niet weg dat er best hier en daar wat komische situaties mogen ontstaan, als er bijvoorbeeld een van het bankje valt of dat bankje omvalt als ze weggejaagd zijn bij Herodes: er moet ook ruimte zijn om even uit die loodzware tragiek los te komen! Maar het moet functioneel zijn en niet voortkomen uit het belachelijk willen maken van joden, hoewel dat in de oude tijden in Oberufer wel degelijk zal hebben meegespeeld.
Zodra de schriftgeleerden vertrokken zijn, uit Herodes, volkomen van slag, zijn plan om het kind te doden (op de achtergrond lacht de Duivel). Het is een onverdraaglijke gedachte voor hem dat die nieuwe koning hem mogelijk van zijn positie kan beroven (ondanks het feit dat de schriftgeleerden dat duidelijk ontkenden) en vraagt of er dan echt niemand is die hem behulpzaam kan zijn, maakt niet uit wie… 43
We zien dan hoe de Duivel zich ‘aangesproken’ voelt en Herodes pesterig van links en dan weer van rechts benadert. Nu gaat het erom na te gaan met welk aspect van de Duivel we hier te maken krijgen. Er is een groot verschil tussen de Duivel uit het Paradijsspel en deze satanische duivel. Die van het Paradijsspel is de grote verleider, die het versgeschapen ‘mensenpaar’ de schitterendste illusies voorspiegelt, balancerend tussen ‘waar’ maar ook weer ‘niet-waar’, Eva aanspreekt op haar schoonheid (iets waar Adam op die manier nog niet op gekomen zou zijn) en haar zo heel geraffineerd verleidt tot het plukken en eten van de verboden vrucht. Zijn manier van lopen is ook draaiend en slingerend en hij heeft bepaald iets charmants zou je kunnen zeggen. Eva zet dat verleidingsproces (een volkomen nieuw aspect in haar relatie tot Adam! Zorg er voor dat je die omslag duidelijk maakt) moeiteloos voort tegenover Adam, die dan ook voor de bijl gaat, een hoogst subtiel gebeuren.
Maar in het Driekoningenspel is bij de Duivel dat verleidingsaspect totaal afwezig, het gedraai eveneens. Deze Duivel tapt uit een heel ander vaatje, windt er geen doekjes om: hij hanteert een ijzingwekkende logica, is heel direct in zijn advies en geeft, als Herodes nog een probleem ziet, het advies om maar meteen alle jongetjes van 0 tot 2 jaar te doden, gewoon voor de zekerheid, dan zit het kind waar het om gaat er gegarandeerd bij! Bij Emil Bock kun je lezen hoe in vroeger tijden rituele satanisch-zwartmagische moorden werden gepleegd om daaruit, met name de zuivere, ongebruikte energie van kinderen ten eigen bate (macht) te gebruiken. Deze Herodes heeft, uit angst van de troon te worden gestoten, zijn twee zoontjes laten vermoorden, nadat zijn oudste zoon uit een eerder huwelijk deze kinderen als een groeiend risico afschilderde; hetzelfde liet hij ook met zijn vrouw Mariamne doen. Aanvankelijk wilde hij zich, door met deze nakomelinge van de Makkabeeën te trouwen, acceptabel maken bij het Joodse volk, dat toen inderdaad zijn hoop vestigde op haar twee zoontjes (die zouden dan namelijk doordat ze een joodse moeder hadden joods zijn)! In feite wilde hij graag zelf in feite de Messias zijn (daarom schrikt hij ook zo als koning Caspar zegt, dat de Messias geboren is!) en liet daartoe de Tempel herbouwen, nadat hij eerst alle werklieden tot priester had laten wijden, want het was van oudsher nu eenmaal een voorwaarde, dat de Tempel door priesters zou worden gebouwd!
[In Dornach werd er op gewezen, dat we ons moeten blijven realiseren, dat we met boerenspelen te maken hebben, hetgeen o.a. betekent, dat we vanuit onze antroposofische kennis vooral niet moeten proberen die duivels uiterlijk extreem uit te werken tot een volmaakte Lucifer en Ahriman! Een al te slanke Paradijsspelduivel gaven ze soms zelfs een 44
kussentje op z’n buik om er een stevige boer van te maken. Maar natuurlijk kun je wel bescheiden accenten aanbrengen, zoals de manier van lopen, bij deze ‘driekoningen-Duivel’ wat hinkender en met hoekige bewegingen. Vanouds kreeg de ‘paradijs-Duivel’ altijd al een oranje pruik en de ‘driekoningen-Duivel’ een zwarte pruik of kap] Direct na deze scène gaat de kompanij rond met een jubelzang: “Geboren is in Bethlehem…”
De spelers moeten zich bewust zijn van deze radicale omslag en krachtig en stralend het lied inzetten en dat zo volhouden!
Vervolgens zien we de drie koningen, niet wetend hoe nu verder. Caspar vraagt om hulp in een gebed. Typerend voor Melchior: die kijkt naar de wegen op aarde, ziet er twee en vraagt zich af welke ze moeten nemen? En typerend voor Balthasar: die kijkt omhoog en ziet de ster, die stil staat boven de stal (hier zie je overigens wel, dat zich al een vermenging van de twee evangeliën begint af te tekenen: de stal hoort bij het Lucasverhaal, als tijdelijk onderkomen, want dat ouderpaar woont eigenlijk in Nazareth! Zij hadden daar nauwe contacten met de naburige Essenen-gemeenschap). Bij deze Maria uit Nazareth kun je spreken van een heel ‘jonge’ ziel met een paradijselijke onschuld als kernelement. Zij moesten daarvandaan op weg naar Bethlehem om zich daar te laten inschrijven. Ze gingen later weer terug, volkomen onbekende, onopvallende mensen.
Het ouderpaar in het Mattheusverhaal woont in een echt huis in Bethlehem en geniet hier ook een zeker aanzien, ze zijn ‘bekend’ en worden daarom later gewaarschuwd door de Engel om snel te vluchten. In Assisi in Toscane kun je in een van de kerken een prachtig voorbeeld van hun woonsituaties zien: Naast elkaar worden de beide verhalen afgebeeld: je ziet Jozef en Maria in de stal met os en ezel en de herders die het Kind bezoeken. Rechts daarvan zie je een keurig huis, zonder os en ezel waar de drie koningen hun eer bewijzen, maar naast dat huis is een stal, waarin hun kamelen staan en die stal ziet er exact hetzelfde uit als het tijdelijke armoedige verblijf van het Lucaskind! Belangrijk is je te realiseren dat het hier echt om en ander Maria en Jozefpaar gaat!
In de apocriefe evangeliën valt veel te lezen over deze Maria, een zeer ontwikkelde rijpe ‘oude’ ziel, met een sterk morele zuiverheid, opvallend getalenteerd: ze leerde snel en kreeg allerlei vaardigheden in korte tijd onder de knie; ze werd als driejarig meisje door haar bejaarde ouders, Joachim en (H)anna, naar de tempel gebracht om daar opgeleid te worden tot tempeljonkvrouw, besteeg zonder nog een keer naar haar ouders om te kijken de trappen van het tempelcomplex, was heel 45
zelfstandig en protesteerde aanvankelijk tegen het plan van de priesters om te trouwen met Jozef. Pas toen men haar uitvoerig had uitgelegd wat haar opgave was en dat dit werkelijk de bedoeling was, voegde zij zich naar haar bestemming. Ook het verhaal over deze Jozef is indrukwekkend. Hij vindt zichzelf eigenlijk te oud om gevolg te geven aan de oproep dat alle afstammelingen uit de stam Juda, de koninklijke geslachtenreeks van Salomo en David, naar de tempel moesten komen om te zien wie de juiste echtgenoot zou moeten zijn. Vanuit de tempel was een oproep gekomen, dat al de mannelijke afstammelingen een kaal takje moesten komen brengen naar de tempel. Het twijgje dat zal ontluiken geeft dan de juiste echtgenoot aan. Jozef brengt weliswaar een klein kaal takje, maar gaat het niet ophalen. Als alle andere takjes dor blijven bij het vervolgens weer ophalen komt er nóg een dringende oproep. Dan voelt deze oude Jozef zich toch verplicht om te gaan en zie daar…! Ik ontdekte tot mijn grote verrassing een afbeelding van deze Jozef (Giuseppe) met een ontluikende staf in de pinacotheek van Volterra (Toscane) en nam stiekem een foto.
Over de achtergronden van de Maria en Jozef van het Lukas-evangelie is eigenlijk niets bekend. Maria is een ‘jonge’ ziel. Lees alles maar na bij Emil Bock (“Tussen Bethlehem en de Jordaan’).
Prachtig is, nadat de koningen eerst hun staven hebben afgegeven en hun geschenk aangereikt gekregen hebben door de page zij (meestal samen, tenzij Melchior een goede stem heeft) een lied hebben gezongen en zich dan afvragen wie als eerste zal gaan. Caspar en Balthasar zijn van mening dat Melchior als eerste moet gaan (hij toonde al vaker initiatief te kunnen nemen) waarop Melchior dit expliciet niet als eer wil zien maar “mit God” wil gaan en niet langer wil wachten.
Wanneer ze hun eerbiedige en koninklijke groet brengen is het weer van ’t grootste belang de onderlinge verschillen uit te werken: let goed op wat ze zeggen en welke persoonlijke toon daarbij past! Laat bijvoorbeeld dat enthousiasme van Caspar weer duidelijk naar voren komen, het intieme meer verstilde van Balthasar. Ze knielen om beurten als ze hun geschenken als offer aan het Kind aanbieden, waarbij ze knielen door op hun linker knie en onderbeen en op hun rechtervoet te steunen. Hun handen vouwen ze ook alle drie door de vlakke handen tegen elkaar te leggen. Waarom? Het benadrukt de gevormdheid, de koninklijke herkomst in tegenstelling tot de herders die je in die situatie gedifferentieerder, ongedwongener, eenvoudiger vorm kunt geven. Jozef en Maria bedanken. Let op: Maria zingt uitsluitend haar teksten, hetgeen een aanduiding kan zijn van haar ontwikkeling en begaafdheid. De koningen 46
nemen waardig buigend afscheid, de armen over de borst gekruist, waarbij Melchior eerst een zegening uitspreekt. Van de page krijgen ze hun staven weer aangereikt en laat die dat in rust om de beurt doen en niet met een ‘bos’ stokken komen aanzetten! Ze zijn nu vast van plan Herodes verslag te gaan doen… maar achten het gezien het late uur verstandig om eerst te gaan slapen en doen dat leunend op hun staf staand of geknield. In hun slaap verschijnt dan de Engel met het dringende advies rechtstreeks naar huis te gaan, omdat Herodes moorddadige plannen heeft. Bij het wakker worden vertellen ze elkaar over hun droom waarbij opvalt, dat Balthasar nadrukkelijk zijn diepe geschoktheid toont, maar daarbij niet opeens cholerisch wordt. Ze besluiten op grond van deze nieuwe ‘informatie’ hun belofte aan Herodes niet na te komen. Dat is zo’n ‘modern’ bewustzijnsmoment!
Dan verschijnt de Engel aan Jozef met de dringende boodschap direct te vluchten naar Egypte. Hij voorziet grote problemen, maar Maria is vol vertrouwen.
Nu komen de lange dramatische acties en gebeurtenissen rond Herodes. Die voelt zich bedrogen en is dat in zekere zin ook en in zijn ziekelijke achtervolgingswaan bedenkt hij een listig plan om die nieuwe koning uit de weg te ruimen en schuwt niet er een paar beeldende vergelijkingen bij te halen (vos met kapoen, kat met muis). Dat is hét moment voor de Duivel zich er mee te gaan bemoeien en per influistering, zonder er doekjes om te winden een feilloos werkende methode aan te dragen. En Herodes spreekt dat dan als lumineus idee uit en dat hij zich niks zal aantrekken van alle jammerende moeders. Een laatste appel op zijn geweten, een beroep op zijn barmhartigheid door Maria overschreeuwt hij, stuift daarbij overeind, niet van plan zich door die “dwazin” iets te laten verordineren! Dit is een duidelijk moment van ‘keuze’. Let er daarbij wel op, dat de lakei hierbij niet met wat voor reacties dan ook de aandacht afleidt van dit essentiële gebeuren!
Herodes gaat onmiddellijk over tot het regelen van de uitvoering van zijn plan en geeft zijn Hoofdman via een mandaat de opdracht. Een van de schriftgeleerden (oorspronkelijk was dit een vierde: Judas) die het hoort leest mee en uit zijn wanhoop en ontzetting over wat er gaat gebeuren. Zijn jammerklacht moet bepaald het hart raken, mag zeker heftig zijn en bloedstollend, maar niet in het belachelijke getrokken (de gebruikelijke valkuil bij de schriftgeleerden!). Hij wordt jammerend afgevoerd naar het gevang De hoofdman ontvangt nu een zwaard plus genoeg helpers om de opdracht snel te kunnen afwikkelen. Hij heeft er duidelijk zin in en de 47
lakei heeft ook al de smaak te pakken en zal zich zeker niet laten “besteken” (= omkopen, Duits: bestechen).
Ze vertrekken als ze de soldaten zien arriveren, waarbij de hele kompanij tegelijk van de banken opstaat en ze geschokt nakijkt en het gezicht afwendt zodra ze na gedane zaken weer verschijnen. Hoofdman, Krijgsknecht en Lakei illustreren alle drie hoe ze te werk zijn gegaan, waarbij het belangrijk is dat de meegebrachte kindertjes eenvoudige slappe lappenpoppen te laten zijn en dus niet uitgewerkte ‘echt’ lijkende baby’s! De Duivel komt ook aanzetten met een duivelskind, dat zich misdragen heeft en dus morsdood gemaakt wordt.
Maar dan komt de grote schok voor Herodes: de Hoofdman deelt mee dat ze weliswaar al die jongetjes onder de twee jaar gedood hebben, maar nergens een spoor van die nieuwe koning vonden, maar ja de klus is verder wel geklaard. Herodes beseft dat het Kind gevlucht is en dat zijn eigen leven nu schier verloren is en zegt, dat hij nu zelf wil gaan zoeken waar hij hem kan vinden. Hij krimpt ineen van angst. Dat ziet de Lakei en roept om een appel en een mes om hem er weer wat bovenop te helpen. De Duivel reikt dat aan, maar Herodes slaat ’t de lakei uit handen. Nu verschijnt de Engel achter zijn troon, beschuldigt hem van zijn walgelijke daad en zegt hem aan dat hij zal sterven, waarbij hij zijn staf (met 6-ster en afbeelding van Maria met kind langzaam naast Herodes naar de grond richt). Herodes ziet een lichtglans en ervaart die even als een positief verschiet voor hemzelf, laat de Hoofdman roepen om hem de beloofde duiten te overhandigen, maar die laat de buidel bij het woord ‘Duivel’ op de grond vallen. Dan roept de Engel de hellegeesten op om Herodes af te voeren naar waar hij hoort en hem de hellekroon op te zetten, hetgeen de Duivel dan ook doet. Op dat moment beseffen Hoofdman, Krijgsknecht en Lakei hoe makkelijk er een eind kan komen aan troon, scepter, kroon en regiment.
Nu verschijnt de Duivel om zijn prooi te halen, waarbij hij met sarcastisch genoegen de mislukte actie beschrijft. Herodes probeert met een kwantitatief steeds meer opgevoerd aanbod (ossen, rossen, z’n halve koninkrijk) z’n leven te behouden of op z’n minst te rekken, maar dat heeft geen effect: de Duivel voelt niets voor die onderhandelingen: hij wil hem nú mee, met de mededeling, dat hij heus niet alleen zal zijn in de hellepijn! Dan test hij even het gewicht van zijn prooi en merkt dat die zo licht is (: Herodes ging immers zó makkelijk in op de suggesties van de Duivel) dat het met een paar katten, ratten en muizen zonder meer zal lukken hem mee te slepen! En onder gejammer van Herodes sleurt hij hem weg. 48
Dan verschijnt de Hoofdman nog een keer en daarover zijn al heel wat discussies gevoerd! Deze botte brute soldaat, een lompe vechtjas, die zonder aarzelen de moordopdracht had uitgevoerd is tot inkeer gekomen en beseft wat Herodes heeft gedaan en heeft nu oprecht spijt van het feit, dat hij gehandeld heeft volgens het uitgangspunt ‘Befehl ist Befehl’ zonder zelf te bedenken of hij dat wel met zijn eigen geweten in overeenstemming kon brengen. Maar daar is het nu te laat voor. Hij schuift de schuld niet af. Hij kan geen enkele straf voor zichzelf verzinnen, die hij erg genoeg acht en kiest er dan, a.h.w. plaatsvervangend voor Herodes, voor met hetzelfde zwaard, waarmee hij de kinderen vermoordde, zichzelf te doorsteken, waarbij hij op Herodes’ troon in elkaar zakt en weer even alle lichten uitgaan en hij zich snel weer in de rij van spelers voegt.
Regelmatig komt de vraag op of zelfmoord wel ‘de juiste oplossing’ is. In het Mattheus-Evangelie lezen we, dat ook Judas voor deze optie kiest, nadat hij eerst nog heeft geprobeerd de 30 zilverlingen aan de hogepriesters terug te geven, als hij spijt heeft van zijn daad, maar die nemen ze niet terug.
De kompanij is dan in het donker direct opgestaan en heft zegevierend en jubelend het lied “Wilt nu zingen, jubileren ” aan, meteen krachtig en juichend, terwijl de Duivel (toneelknecht) vlug de troon en andere ‘rommel’ wegruimt.
Ten slotte rondt de Engel het geheel af met het verzoek eventuele missers de spelers niet al te kwalijk te nemen en probeer dat dan ook echt te menen en niet als een standaardformule te hanteren! Hij wenst de toeschouwers goedenacht en de kompanij herhaalt dat.
DOEK
Dus geen slotlied maar weer die stilte, waarin ieder voor zich kan overdenken wat hij/zij heeft gezien en beleefd.
Dan nog even iets over de paar keer dat het licht uit gaat. Waar het bij het Paradijsspel gaat om één keer een korte ‘verduistering’, nl. als Adam de appel waarvan hij een hap neemt wegsmijt (“hoe dat het mijn gemoet verwandelt!”), gaat het bij het Driekoningenspel om 5x een korte totale duisternis!
1) Na ”roek ende rat”, als de Duivel zijn advies aan Herodes heeft gegeven en verdwijnt. 49
2) Als de jammerende schriftgeleerde (Judas) wordt afgevoerd.
3) Als de Hoofdman vertrekt na: “wij sellen vergieten het kinde syn bloet”.
4) Als de Duivel Herodes meesleurt naar de Hel “rits rats met hem ter helle vaar”.
5) Wanneer de Hoofdman zichzelf doorstoken heeft en in Herodes’ zetel is gezakt.
Bekijk ook vooral de talloze schilderijen (reproducties) die de vroegere schilders van de twee geboorteverhalen maakten! En let op de altijd weer grote verschillen zoals de stal met os en ezel en meestal véél engelen, het Kind altijd liggend (horizontaal) met een lichtglans rondom, vaak vanuit het hele lichaam bij het ‘nathanische’ Lucaskind (Herdersspel). Daar tegenover: een ster boven het huis, soms één Engel, geen os en ezel, het kind altijd rechtop op schoot bij Maria met alleen een lichtaura rond het hoofd van dit ‘salomonische’ Mattheuskind (Driekoningenspel).
Een boeiende en zinvolle oefening om de verschillen tussen de drie koningen uit te werken kan zijn om tot hun ‘oerbeelden’ te komen: als je ze al enigszins hebt leren onderscheiden bijvoorbeeld hun eerste zin eens beurtelings volgens de stemming/het karakter van de twee anderen uit te spreken, dus “mijn gatterkompas ”, enz. op z’n Balthasars en op z’n Caspars zeggen. En zo ieders openingszin. Verrassende ervaring! Dat kun je trouwens ook bij de herders in het Kerstspel doen.
Een aantal van deze gegevens heb ik jaren geleden gehoord en gezien, toen er in Dornach 3 jaar achtereen bijeenkomsten waren voor regisseurs, waarbij elk spel telkens 2 keer voor ons door de Dornachse acteurs werd opgevoerd en velen ijverig zaten te pennen. Men kon natuurlijk ook vragen stellen over het waarom en hoe van een aantal zaken. En natuurlijk waren er soms heftige discussies, maar het bleek ook heel verhelderend. Het leuke was, dat een van die oudere acteurs adviseerde vooral ook met respect met je plaatselijke (soms dierbare) gewoontes om te gaan, maar eventueel voorzichtig een aantal zaken onder de loep te nemen, te bespreken en eventueel te veranderen als het essentieel leek. 50
Er bestaat nog een uitgave van de Duitse teksten met daarbij alle bewaard gebleven aanwijzingen van R.Steiner, zoals die destijds zijn genoteerd in Dornach en waar men zich daar nog stipt aan houdt. Interessant hierbij is het feit dat R. St. ook in Berlijn en Stuttgart regie-aanwijzingen gaf, die soms iets anders waren dan in Dornach, waaruit wel blijkt, dat je ter plekke moet afwegen wat mogelijk/haalbaar is:
“Weihnachtspiele aus altem Volkstum, Die Oberuferer Spiele. Ausgabe mit Regieangaben” (Rudolf Steiner Verlag, Dornach/Schweiz. ISBN 3-7274-5240-4) Op deze blog: Alle aanwijzingen over het Paradijsspel; Herdersspel; Driekoningenspel
*Verschenen ca 2005
Marijke van Hall-Heintz † 2014
Het is niet meer voorradig. Van de heer Lars van Hall kreeg ik toestemming het hier te publiceren. Waarvoor dank.
Nee, dit is ABSOLUUT GEEN PLEIDOOI om voortaan een andere taal in het Driekoningenspel uit Oberufer te gaan gebruiken.
Iedere vorm van aanpassing – hoe mooi verder van taal – haalt het niet bij wat Sanne Bruinier destijds maakte van het Oberuferer dialect. Zij was onnavolgbaar – onnavolgbaar! in staat het klankrijke, sappige, boerse, van het dialect over te brengen in een bepaalde vorm Nederlands waarin ze allerlei elementen uit de taal van vervlogen jaren gebruikte. Het is dus geen bestaand (oud) dialect, noch Middeleeuws, nochMiddelnederlands.
Het Driekoningenspel – maar dat geldt ook voor het Paradijsspel en het Kerstspel– is qua taal niet te verbeteren zonder dat de diepe gemoedsbeleving van de dialectklanken verloren gaat. Altijd zal – ook al is de taal nog zo bloemrijk vervangen – er meer intellect, dus minder leven, het spel binnendringen. (Eeninteressante ervaringvan een groep spelers)
Ook onze bestaande dialecten willen ‘vertalen’ naar het Nederlands zou aan de zeggingskracht van die dialecten veel afbreuk doen. Uitdrukkingswijze, intonatie, beleving gaan bij de dialectsprekende mens dieper dan bij de mens die de grootste gemene deler van de taal: het ABN spreekt. Als spreker van beide kom ik (ook) uit ervaring tot die conclusie.
Mijn jip-en-janneketaal verhoudt zich tot de taal van de Kerstspelen als een grijsgrauwe regenboog tot de werkelijke pracht van de regenboogkleuren.
Waarom ‘vertaal’ ik de woorden dan naar begrijpelijk Nederlands? Omdat er telkens maar weer opmerkingen zijn over ‘hoe moeilijk die teksten te begrijpen zijn’. Dat tekent onze huidige situatie: we willen weten, kennen; we leven tenslotte in een intellectualistische tijd. En natuurlijk: als de woorden je niets zeggen, moet je het hebben van het beeld. Ook dat heeft het vermogen om tot je te spreken: beeldentaal! Dat geldt vooral bij kinderen; zij hebben een veel mindere behoefte bij deze spelen ‘alles’ te begrijpen, omdat ze ook een groot deel langs een andere weg verstaan.
Maar goed, voor de mensen dus die de tekst moeilijk vinden, hier een huis-tuin-en keukenversie. Maak er een folder van, zet die tekst in de schoolkrant, kortom verspreid die onder de mensen die er behoefte aan hebben, zodat ze van tevoren – thuis! – zich kunnen voorbereiden op de inhoud.
Daarmee zouden de klachten over ‘het begrijpen’ tot het verleden moeten gaan behoren.
En wie dat heeft begrepen, slaat niet de tot veruiterlijking leidende weg van de meer intellectualistische hertaling in!
DRIEKONINGENSPEL
Engel
‘k Treet voor uluyden sonder spot, Zonder te spotten sta ik voor u! goên avond saamen gheve u god, God geve u hier samen een goede avond, een goên avond ende geseghende tyt, een goede avond en een gezegende tijd mooch ons van daarboven syn toegeseyt. mag ons van daarboven toegezegd zijn. Agtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren, Geachte, zeer wijze, welgezinde heren oock deugtsaame vrouwen ook deugdzame vrouwen ende jonckvrouwen in alle eere, en jongedames met alle eer, wilt altegaer niet euvel duyden neem allen het ons niet kwalijk dat wy ons spel vertoonen voor uluyden, dat wij ons spel voor jullie opvoeren, Tgeen dat ghy voor u ooch sult sien Wat u hier gaat bekijken is niet versintsel van onsliên, hebben wij niet bedacht, noch oock van heidens uytgedocht en ook niet door ongelovigen maer deur de heylige scrift gebrocht: maar door de Bijbel gebracht: van hoe Christus quam, ons menschen ten troost, over hoe Christus kwam, als troost voor de mensen, oock van d’albekende wysen van oost – ook over de bekende wijzen uit het Oosten Sy synder gecomen een varre toght- Ze hebben een lange reis gemaakt so als elck reysersman wel kennen moght – zoals iedere reiziger dat wel weet – Sy synder nae Hierusalem geteghen
ze zijn op weg gegaan naar Jeruzalem en vraegden naet kindeken alder weghen. en vroegen overal naar het Kind. Herodes heytet mit droefnis vernomen Herodes vernam het en werd bedroefd en liet de geleerde priesters comen; en hij liet de geleerde priesters komen; die sullen hem segghen sonder verlaet die moeten hem dadelijk zeggen wat inder heylighen scrifte staet. wat erover in de Bijbel staat. So ghy bereyt syt en het aen wilt hooren,
Dus als u bereid bent om ernaar te luisteren swyght stil en opent wyt u ooren. wees dan stil en luister goed.
Melchior
Myn gattercompas end instrumenten goet Page, breng mij eens snel mijn haestelyc, pagie, hende bringhen doet, sterrenkundige instrumenten, der heemlen gloria, reickt boven dien en geef ook – de naam van een ander instrument – voor meer info zie dit artikel gins blinckt een star so noyt en wiert gesien: daarginder straalt een ster die nog nooit gezien is: daor Venus mit Sonne doet consamaneren
nu Venus met de zon samengaat staet iet veurt oogh als nimmer te veuren: gaat er iets gebeuren dat nog nooit gebeurd is: een overschone helle schyn ! wat een prachtig helder schijnsel! van waer mach dit gestarnt wel syn? waar komt dit gesternte vandaan? ’t en is niet byster veer geleghen, het staat niet eens zover weg, dit is certeyn een heyligh teken, dit is zeker een heilig teken, te middenst sienick eene maagt, in het midden zie ik een jonkvrouw die claorelyc een kindeken draegt, die overduidelijk een kind draagt de helle glans van heur gelaet, de heldere glans van haar gezicht het ligt der starre te boven gaet; is sterker dan het licht van de ster; oock doet sy nieuwers stille staon het staat nergens stil doch sneller ende sneller rontsomme gaon. maar draait steeds sneller rond. Het kind dwelc de joncvrou draegt Het kind dat de jonkvrouw draagt ick schou’t beweeght hem telken staeg. Ik zie dat het zich ook steeds beweegt. Te duyden wat wonder verschynt aldus, Om erachter komen wat voor wonder daar verschijnt roept, pagie den mathematicus haal page, de wiskundige eens. of hy mogt verclaeren wattet bediet misschien kan hij uitleggen wat het betekent dat men de maegt met een kindeken siet. dat we de jonkvrouw met een kind zien.
Page
Ghenadighe coninck, u woort ic wel verstae; genadige koning, ik begrijp u wel ic bringh u schielken Viligratia. ik haal meteen Viligratia (de wiskundige)
Melchior
Myn Viligratia., duydt ghy my ginse sterre ? Viligratia wat betekent die ster daar, leg eens uit?
Viligratia
Ghenadighe coninck, dit sy van my verre, Genadige koning, hier weet ik niets vanaf, doch willic de profeten consamaneren maar ik wil er wel de profeten op naslaan oftic uyt haor welligt iet deducere. misschien kan ik daaruit iets afleiden. Jesaia den profeet spreeckt inderdaat Jesaja de profeet spreekt inderdaad over van dat in Betlem te geschieden staet: wat er in Bethlehem te gebeuren staat: Een coninck daer alras geboren worden sal,
Daar zal weldra een koning geboren worden. Messias van der aert ent gants heelal. Verlosser van de aarde en het hele heelal.
Melchior
’t Coomt my te veur oft woort van den profeet Mij lijkt het of het woord van de profeet alree in Betlem sich vervullen deet, al in Bethlehem in vervulling is gegaan. dies willic naerstelyc bedencken nu wil ik snel bedenken wattic het kindeken sal schencken ? wat ik het kind zal schenken een somme gouts houdic bereyt, een som goud neem ik ervoor gout voegt eens coninghs majesteyt, goud hoort bij een koninklijke majesteit den coningh oock der aert ent gants heelal, en het is ook de koning van de aarde en het hele heelal. ic hope hy my des ghenadich wesen sal. ik hoop dat hij mij daarom genadig zal zijn. Gaet hene ende sorght mit vlyt, myn pagie, ga page en zorg snel dat al bereyt wort veur de pelgrimagie; dat alles voor de pelgrimstocht in orde wordt gemaakt. en voert ghy, Viligratia ’t regiment en jij, Viligratia, neem het bestuur op je tottic die reyse heb gebrogt ten end. tot de reis ten einde zal zijn.
Viligratia:
Ghenadighe coninck, nae u content
Genadige koning ik zal tot uw tevredenheid willic hier voeren het regiment.
hier het bestuur op me nemen.
Balthasar:
Huy morghen bragt myn hofstoet my de konde Vanmorgen bracht men mij vanuit het hof de boodschap hoe dat sich deuse nagt een wonder toonde. hoe er vannacht een wonder zichtbaar was Een vreemt gestarnt van selsaem claeren schyn Een vreemde ster met een zeldzaam helder schijnsel daor in een joncvrou deet verschenen syn, en daar verscheen een jonkvrouw in, mit haor een coninck vander aert ent gants heelal; bij haar een koning van de aarde en het hele heelal; het voeght dat men hem wieroock offren sal; het past dat we hem wierook aanbieden; een kindelingh so lieflyc teer, een kindje, zo liefelijk en teer, voorwaar sulck dingh en sach men nemmermeer. echt waar, zoiets is nog nooit vertoond. Doet op de weghen ende straeten gaen Ga de wegen en de straten op en deuse star ent wonder gaode slaen om deze ster en het wonder te aanschouwen so speurt ghy alte wel dattet waorlyc leyt en dan merk je snel genoeg dat het echt zo is gelyck myn hofstoet my heeft an geseyt. als ze mij aan het hof hebben gezegd. O nimmer en hoordic, veur ofte nae O, nog nooit heb ik gehoord dat bewaerheyt wierd sulcke historia: dat een dergelijke boodschap waarheid wordt. een joncvrou reyn, moeder te selfder tyt, een jonkvrouw die maagd is en tegelijkertijd moeder, heur kindelingh coninck arm ende ryc ! haar kind koning, arm en rijk tegelijk! Nae Betlehem doet het gestarnt ons wysen De ster wijst ons naar Bethlehem als souden wy algaoder daor henen reysen. alsof we daar allen naar toe moeten reizen. Niet en deurgront ic sulck geheimenis Zo’n geheim doorgrond ik niet dwelc bij den scriftgeleerden claer te vinden is: dat bij de schriftgeleerden wel duidelijk te vinden is: sonder man geboren een kindekyn, zonder man is er een kind geboren, een coninck der joetsen sal hy syn. een koning van de Joden zal hij zijn. Dies willic op staon morghen mitten dach Dus zal ik morgen vroeg opstaan ende sien offic het kindeken vinden mach, en zien of ik het kind kan vinden.
Kaspar
O wonder groot, hoochste verheuchenis, O groot wonder, intens verheugen diewyl eenmael de tyt gecomen is omdat nu de tijd gekomen is en den messias, langh begeert, nu is geboren en de messias, waar men lang naar verlangde, nu is geboren van eener maegde uytvercoren. bij een uitverkoren maagd. Aldus doet een gestarnt ons leren, Zo leert een ster ons, welc teken men sal respecteren en dat teken moet men respecteren mids de historie hier deur wiert vervult omdat de boodschap hierdoor waarheid wordt die by den joetsen als verdightsel geldt die de Joden als een verzinsel beschouwen. Sy soeken alder weghen mit groot misbaer Zij zoeken overal met veel ophef offet oock ieuwerinc te vinden waer. of het ook wel ergens gevonden kan worden. Wat efter salt geschenck end offer syn Maar wat moet het geschenk en offer zijn daor met het kinde wel te vre mogt syn? waarmee het kind wel tevreden kan zijn? wyl hy een coninck is der aert ent gants heelal omdat hij koning is van de aarde en het ganse heelal is mir de gave so men brenghen sal. moet ik als gave de mirre brengen. Mit alsulck offer willic tot hem gaen Met zo’n offer wil ik naar hem toe gaan en hope voor het kind daor met bestaen. en hopen dat ik daarmee in de ogen van het kind mag bestaan.
Lied 1
Der wysen starre blinckt ons claer, De ster van de wijzen straalt helder voor ons den hoochsten coninck moet voorwaer de hoogste koning moet – dat is duidelijk – op aertryc syn gecomen. op aarde gekomen zijn Och wysen, goede, wysen, seght O wijzen, goede wijzen zeg het, de waerheyt ons voor oghen leght openbaar ons de wijsheid vanwaer hebt ghy vernomen ? waar heeft u dit vernomen? ylt nu, ylt haast u, haast u van hende en verre van heinde en verre mitter sterre met de ster tottet kinde, naar het kind ylt den coninck der ere* vinden. haast u om de erekoning te vinden.
*de oorspronkelijke dialecttekst uit Oberufer heeft hier het woord ‘erdn’ = aarde?
Page:
Ghenadigste coningh, vreemt volleck sonder tal, Genadige koning, heel veel vreemd volk welcs doelwit onbekent, u dra gemoeten sal, waarvan we niet weten waar ze naar op weg zijn zal u weldra ontmoeten, het schynt daor sy een coninck mit haorlieden het lijkt een koning met zijn gevolg als over ons doet heerschen ende gebieden. alsof die over ons heersen en gebieden kan.
Melchior:
So willic toeven een cort termyn Dan blijf ik hier even tot sy alhier sullen gecomen syn. tot ze hier aangekomen zijn.
Myn eedle heren, weest gegroet, Edele heren, ik groet u, waor hene staet u sin, hert ende moet? waar wilt u zo graag heen gaan?
Balthasar:
Weest gegroet myn here, end u hofstoet daor neven, Ik groet u, mijn heer en uw gevolg eveneens. waor dogt u caravaen haor henen begheven? waar dacht uw stoet heen te gaan?
Melchior:
Myn eedle here, heuschelyck danck Mijn edele heer, oprecht dank. tot Hierusalem gaet onsen ganck wij zijn op weg naar Jeruzalem
Kaspar:
Soot u ghelieve, seght my aen Als u zo vriendelijk wil zijn, zeg me dan Wat doet u nae Hierusalem op gaen ? Waarom gaat u naar Jeruzalem?
Melchior:
In Jesaia men claerlyc gescreven vint In Jesaja staat duidelijk geschreven hoe dat een schoon ende arrom kint hoe een mooi en arm kind in Bethlehem geboren worden sal, in Bethlehem zal worden geboren, een coninck seffens vander aert ent gants heelal een aardse koning, maar ook van het gans heelal Nu wiertet deur de sterre openbaer, nu wordt het door de ster geopenbaard hoe oft geschiet is wonderbaer, hoe dat wonder is gebeurd, naedien geringhe tyt te voren nadat een korte tijd daarvoor bereyts dit kinde is geboren. dit kind al is geboren.
Balthasar:
Mit waorheyt magh ic segghen ist al gelyck Ik spreek de waarheid als ik zeg toe gegaon in myn coninckryck. dat het in mijn koninkrijk net zo gegaan is. Een star is ons aldaor verschenen Er verscheen een ster daor in een joncvrou stond, een kint mit eenen waar een jonkvrouw in stond, samen met een kind hier deur coomt aen den lighten dach hiermee wordt duidelijk tgeen onder den heydens verborghen lagh. wat bij de heidenen nog onzichtbaar was.
Kaspar
Dit selve heeft my op de baen gebragt, Dit heeft mij ook op reis doen gaan, dat hoochelyc een wonder wort geagt, dat moeten we als een groot wonder beschouwen hier omme wy van herten seere – daarom moeten we – mocht het zo zijn mogtet so syn – het vinden begeren. het echt willen vinden.
Melchior:
Doch, nu de starre schier verdween Maar nu de ster bijna verdwenen is dwelc ons ten teken blonck voorheen die eerst nog als een teken voor ons blonk en wy in deusen weghen ende straeten en wij op deze wegen en straten op geen middelen ons en dorren verlaeten, geen verdere hulpmiddelen hebben oock niet en weten nae wellecken kant ook niet weten welke kant we op moeten in dit gants onbekende lant, in dit totaal onbekende land, so en willenme de reyse niet beënden zo willen we de reis niet beëindigen en nae Hierusalem ons heen wenden, en naar Jeruzalem gaan, of wy in gintser stede welligt misschien kunnen we in die stad niet en vernamen een naeder berigt. nader bericht vernemen.
Lied 2
Drie coninghen tyen, de starre veur an, Drie koningen trekken verder, de ster voorop tot Bctlehem isser de starre gegaen tot Bethlehem is de ster gegaan en heytse beduyt en die heeft hen laten zien waer ’t kindeken leyt, waar het kindje ligt, daer bleve de starre stil staen. daar bleef de ster stilstaan.
Lied 3
Ter tyt Herodis regiment In de tijd van het bestuur van Herodes syn wysen uyten orient zijn wijzen uit het Oosten gecomen veur Hierusalem an in Jeruzalem aangekomen toen Christus reets op aerden quam, toen Christus al op aarde was gekomen en vraegden alder weghen snel en overal vroegen ze gehaast waer geboren sy die in Israël waar in Israël geboren zou zijn nae de joetse profety’n die volgens de Joodse voorspelling
de nieuw coninck soude syn. de nieuwe koning zou zijn.
Herodes:
Bin ick eerst regt op een verbolghen Als ik eenmaal boos ben op iemand, hy wagte hem veur de gevolghen! dan moet hij oppassen voor de gevolgen! aerts ende gheestlyc hoochste hant de hoogste wereldlijke en geestelijke machthebbers heeft myn hier in der joetsen lant hebben mij hier in het land van de Joden gemaakt tot coninck al temet bijgeval tot koning benoemd ende op de hoochste plaets geset. en de hoogste plaats gegeven. Wy willen huyden regtspraak houden, Nu willen we rechtspraak houden spreecken mit jonghen ende mit ouden, spreken met jongeren en ouderen die sullen treden al te mael die zullen hier allemaal in mijn tot myn in myne conincks sael koninklijke zaal bij mij komen waorc nae se wagt. waar ik op ze wacht. Het klopt lackey, Er wordt geklopt, lakei gaot sien wie daor gecomen syn. ga kijken wie er gekomen zijn.
Lakei:
Gehenadighste coninck, vreemt volc schier sonder tal Genadige koning, heel veel vreemd volk welcs doelwit onbekent, comt hende tot u sael, met een onbekend doel, komt hierheen naar uw zaal, veul heren ende coninghen doense bringhen,
er zijn veel koningen en heren bij sy moghten ons wel gants omringhen.
ze zouden ons wel helemaal kunnen omringen Mit costlycke kleedingh synse an gedaon,
Ze hebben kostbare kleding aan vol stacie doense daor henen gaon.
en ze bewegen zich vol statie.
Herodes:
Vraegt opterstont van waor sy comen Vraag onmiddellijk waar ze vandaan komen ende wat sy haor hebben veur genomen en wat hun bedoeling is.
Lakei:
Ghy heren, conincklyc majesteyt Heren, koninklijke hoogheid mogt weten waor veur ghy gecomen syt zou graag willen weten waarom u gekomen bent in deuse stadt, alsoock het oort, naar deze stad, en ook de plaats lant end geslaght daor toe ghy behoort. het land en het geslacht waartoe u behoort.
Melchior:
Wy syn al tsaam van conincklycken standt, Wij zijn allemaal van koninklijke stand twee onser uyt Scheba, eenen uyt morenlandt; twee van ons uit Scheba, een uit het land der Moren. isset coningh Herodi nae den sin, als het koning Herodes schikt so quamen wy gheern tot syn edelheyt in. zouden wij graag naar de vorst toegaan.
Lakei:
Sy syn al tsaem van coninclyken standt, Zij zijn allemaal van koninklijke stand twee hunner uyt Scheba, eenen uyt morenlandt twee van hen uit Scheba, een uit het land der Moren. isset coningh Herodi nae den sin als het koning Herodes schikt so quamen sy gheern tot syn’ edelheyt in zouden zij graag naar de vorst toegaan.
Herodes:
Laotse in myn losament sonder verdrach Laat hen zonder meer binnen dattic haorlie an heuren mach zodat ik naar hen kan luisteren.
Lakei:
Myn ghenadigst heer coninck begeert u precencie Mijn genadige koning stelt uw aanwezigheid op prijs en dat ghy hem bloot leght u saek end intencie. en dat u uw zaak en bedoelingen duidelijk maakt.
Herodes:
Weest willecom heren, hoe dientet verstaon Welkom Heren, hoe moet ik begrijpen dat ghy van veer tot mynwaerts coomt gegaon ? dat u van zo ver naar mij gekomen bent?
Kaspar:
U edelheyt meughe ons verschonen Edele heer, neem ons niet kwalijk so wilc de oorsaek cortlyc ane toonen: ik zal de oorzaak in het kort aangeven In Scheba onsen landen var In Scheba, onze verre landen verscheen een sonderlycke star, verscheen een wonderlijke ster daor in eene maegt een kind doet draeghen, waarin een maagd een kind draagt merckt wel waor van wy u gewaghen. let wel wat wij u vertellen Hier deur wier ’t eerst ons openbaer Hierdoor werd het ons pas duidelijk hoe dat den messias gecomen waer, hoe de Messias was gekomen een coninck geboren over al geboren een koning over iedereen soot heir der joetsen dienen sal; die het leger van de Joden zal dienen. hem soecken wy vlytigh uyt alle magt, hem zoeken we zo goed we kunnen dit heeft ons op de reyse gebragt dat heeft ons op reis doen gaan.
Herodes:
Hoe, hier te lande heyt sulx geschiet, Hoe is dit in dit land gebeurd? vreemden bekent, myn egter niet? Vreemdelingen weten het, maar ik niet? so tyt nae Betlem te deuser stonde, ga dit uur nog naar Bethlehem so danich kint en wort hier niet gevonden. hier is zo’n kind niet te vinden Reyst henen ’t soecken. En daor ghy sult Ga op pad om het te zoeken. En als u hebben anbeden end seffens bedeelt, het hebt aanbeden en geschenken gegeven bootschapt het myn, op dattic het weet, laat het mij dan weten dattic als eersten mach syn bereet, dat ik de eerste mag zijn dattic oock tottet kint mogt reysen dat ik ook op reis mag gaan naar het kind hetzelve aanbidden gelycker wysen en het ook zo mag aanbidden. Doet sulx ghy heren te mynen gerief,
Doe dat voor mij, heren ’t kint met vereren waor’ my lief. ik zou het heel fijn vinden het kind ook te eren.
Kaspar:
U edelheyt, soo wyt mogten vinden, Hoogheid, als we het kind mogen vinden brenghemme u kondschap van het kinde laten we u dat weten.
Melchior:
Nu wel aan wy tyen van Hierusalem van daen. Kom, dan verlaten we Jeruzalem.
Balthasar:
Siet an, de sterre gaot veur ons uyt Kijk, de ster gaat voor ons uit dwelc ons reets heeft geleyt die ons al heeft geleid int ryc van orient in het rijk van de Oriënt daor wy ’t kindeken hebben erkent. omdat wij het kind herkend hebben.
Herodes:
Die maor en ontroert my niet weinigh den sin die boodschap brengt me danig in de war wylc slechts een vreemden coningh bin omdat ik maar een vreemde koning ben en geenen regten. Gaot lakey en geen echte. Vooruit lakei, roept ras de schriftgeleerden tot my roep snel de schriftgeleerden bij mij end overpriesters, op dattic hore en de overpriesters, zodat ik kan horen waor den nieuen coninck sal worden geboren, waar de nieuwe koning geboren zal worden soot heir der joetsen dienen sal. die het leger van de Joden zal dienen.
Lakei:
Ghenadighe coningh, ‘k verstae u wél, Genadige koning, ik begrijp u goed, wil sonder dralen end also snel ik zal zonder gedraal en dus snel uytet gantse lant van hende en varre uit het hele land, van heinde en verre de overpriesters byeen vergaeren. de overpriesters samenbrengen.
Kaifas:
Heer, ic Kaifas, myn eygenste lief, Heer, ik, Kaifas, ik houd van mijzelf, heer, ic en doen u geen ongerief, heer, ik doe niets tot uw nadeel ic wilt al segghen op een haor, ik zal het op een haar na precies zeggen wen coninghlycke majesteyt als u, koninklijke hoogheid het geenderley wyse niet euvel en duydt. het mij op geen enkele manier kwalijk neemt.
Herodes:
Spreeckt heer, doet ongestraft gewagh Spreek, heer, zeg het ongestraft schoonet my grootlyc mishaegen mach hoewel het mij zeer onwelkom is ic en hout u niet ten quade dan neem ik het u niet kwalijk mids ic my gheern van u liet raeden,
omdat ik mij toch graag door u raad laat geven wesweghen toch ic om u sont.
daarom liet ik u toch halen So seght my aen wat ghy bevont
dus zeg mij wat u ervan weet,
De schriftgeleerden:
Ghenadighe coningh, tleyt claor veurder hant, Genadige koning, het is overduidelijk in de stadt Betlem int joetse lant, in de stad Bethlehem in het joodse land so as de scriften wysenet uyt, zoals de Schriften het vermelden so asset veers vanden psalmmeester luyt: zoals het vers van de psalmmeester luidt: de soon sal boven syne vianden gaan, de zoon zal boven zijn vijanden staan boven allen so teughen hem op sellen staon, boven allen die tegen hem in opstand komen, veul vollecke hem volghen sal op aarde! veel mensen zullen hem volgen op aarde sy sullen in hem geseghend worden! en zullen zijn zegen ontvangen. Syn naom sal hieten Immanuel!
Hij zal Immanuel heten doet claorlyc vermelden Ezechiel:
dat zegt Ezechiël overduidelijk want boter ende honingh sal hy eten
want hij zal boter en honing eten ent goeje verkiesen, het quaaje vergeten
het goede verkiezen en het kwade vergeten.
Herodes:
Hoe cost ende mogt dit efter syn: Hoe kan dat in ’s hemels naam uyt de maegde geboren een kindekyn ? dat de maagd een kind baart?
Kaifas:
Het saat der vroue sal der slanghe den kop vermorselen. Het zaad van de vrouw zal de slang de kop vermorzelen. en alt verlorene sal hy weeromme bringhen.
en alles wat verloren is gegaan zal hij weer terug brengen.
Herodes:
Een maghtich coningh sprack tot my Een machtige koning sprak tot mij en sonder schroom vermonde hy: en zonder aarzeling zei hij in Betlehem wiert van haor vernomen dat hij vernomen had dat in Bethlehem sy ons tot solaes een verlosser gecomen, tot onze troost een verlosser is gekomen, geregten heerscher en herder goet een rechtvaardig heerser en een goede herder welc ons algaeder regeren moet. die over ons allemaal zal regeren. Nu mogtic seker syn ende gewis
nu zou ik er zeker van willen zijn oft hiermet eene waorheyt is: of het hier de waarheid betreft Myn ryck staet hier in groot gevaor
Mijn rijk is hier in groot gevaar wattic u segghe dat is waor
wat ik tegen u zeg is waar!
Kaifas:
Heer, so en dorfment niet verstaen Heer, zo mag je dat niet opvatten als soude u ryck te gronde gaen: als zou uw rijk te gronde gaan: een coninck sal hy worden geagt hij wordt geacht als koning maor niet en heerschen mit conincklycke magt, maar niet heersen met koninklijke macht, verwesen sal hy syn ter doot, hij wordt tot de dood veroordeeld, syn eygenst volleck tot een spot. zijn eigen volk zal hem bespotten.
Herodes:
Twaor beter sulx te veure comen ’t Is beter dat maar te voorkomen dat jonck hem tleven wier benomen beter dat hij jong vermoord wordt. eert volck hem schaerde an syne syde
voordat het volk zaan zijn kant gaat staan ent ghaf ten lest een bloedigh stryden
dat zou op ’t laatst een bloedige strijd betekenen so altemets een coningh quam tot myn.
toevallig kwam er dus een koning bij mi.
Pilatus:
Conincklyck majesteyt, wilt nog verduldich syn Koninklijke hoogheid, wees toch geduldig en blyft in uwen moet getroost en vertrouw erop tot dat de coninghen van oost tot de koningen uit de Oriënt weder keeren en brenghen u konde terugkeren en u berichten of syt aldus hebben bevonden dat ze dit zo hebben gezien.
Herodes:
Int joetse lant – so staet te vresen – In het land van de Joden – is te vrezen – mogtet te veuren ruchtbaor wesen. zou het eerder bekend kunnen worden. Nog gisterdaegs wiert ons gemeld Gisteren nog werd ons gemeld hoe een engel quam totten schaepers opt veldt hoe er een engel kwam bij de herders op het veld en bootschapte haor dat geboren was en die bracht hen de boodschap een nieucn coningh, Heer Kaifas, dat er een nieuwe koning was geboren. Heer Kaifas, seght waer geboren wort mit al zeg waar geboren wordt wient heir der joetsen dienen sal die het leger van de Joden zal dienen. wat segghen hier van U profeten ? wat zeggen uw profeten hiervan?
Jonas:
Sy doene allen een parighlyc weten: zonder uitzondering laten ze allen weten Christus den coninck is uytvercoren Christus de koning is uitverkoren in Betlem sal hy worden geboren, hij zal in Bethlehem worden geboren, de stadt dwelc in Judea leyt. de stad die in Judea lig.t Soo ist van profeten ane geseyt Zo hebben de profeten het verkondigd.
Herodes:
Algoet Al goed laet af en swyght alsnu houd op en zwijg nu ick heurde alree genogh van u; ik hoorde van u al genoeg; maekt u van hier. verdwijn. ic will te deghen ik wil die zaak en regts die saeke overweghen terdege overwegen en rigt myn sin en mynen moet met hart en ziel denk ik eraan op dattic vergiete het kint syn bloet; het bloed van het kind te vergieten. des lacht den duyvel inder hel, nu lacht de duivel in de hel past het hem wel, den qua ghesel ? heeft hij daar schik in, die slechte vriend? o mostic geraeken in sullicke noot als ik toch in zo’n ellende terecht kom het waor my liever ic lagh er reets doot. dan had ik liever dat ik al dood lag. Wat staet te doen in deusen daghen wat is er deze dagen te doen, te spreken? laes, ic moet vertsaeghen te zeggen? helaas, ik zal de moed verliezen ende versincken in sulck ellend en in zo’n ellende zinken al eer ick eone an myn end. voor ik aan m’n end kom. Hoe loonics als daor van myn hooft hoe wreek ik het als van mijn hoofd de coninghscrone wort gerooft? de koningskroon wordt geroofd? Is geen die my de hant wil reyken?
Is er niemand die een helpende hand wil bieden oft geesten syn of myns ghelycken of het geesten zijn of mensen zoals ik ic had my gheerne haor verkocht ik zou me graag aan hen uitleveren ofc se veur immer volghen mogt of ze voor altijd volgen 0 wee, is nyemant soot vermogt?
ach, is er dan niemand die dat kan is geen daor so my by wilt staon?
is er niemand die mij wil helpen?
Duivel:
Wie daor, wie hier? wat schort er an? Wie daar, wie hier, wat is er aan de hand ic en laet van u te ghener tyt!
ik laat je nooit in de steek seght aen, wat is u swaericheyt
zeg op, wat zijn de problemen dat ghe u noot so fel doet claeghen?
dat je zo heftig je nood zit te klagen?
Herodes:
Van anghsten soudic vast vertsaeghen, van angst verlies ik zeker de moed,
wyl een nieuen coninck geboren is omdat er een nieuwe koning is geboren over ’t lant der joetsen vercoren is: uitverkoren in het land van de Joden: waor heen ic armen duyvel, ach! waar moet ik, arme duivel, heen?
Duivel:
Swyght stil, ic bin vant selfden slagh! Zwijg, ik ben net zo! geen duyvel en laet oyt syns gelycken, geen duivel laat zijns gelijken in de steek, ic hellep u oogmerck flucx bereycken, ik help je je doel snel te bereiken op stel ende spronck isset gedaon: op stel en sprong is ’t voor elkaar: den nieuen coninck sal ons niet ontgaon: de nieuwe koning zal ons niet ontkomen ’ck bin hem so wel gesint als ghy, ik ben hem net zo goed gezind als jij. volgeeren schaffic raet hier by! hier geef ik heel graag raad bij dies maekt u op, geen uur gewagt. dus kom op, geen uur meer gewacht.
Herodes:
Ghesel, op iet bin ‘ck noch bedacht; Vriend, ik zit nog met één ding so ic se alle ylinc doe deursteken, als ik ze nou allemaal vlug dood laat steken men mogtet op my selven wreken; zou men zich op mij kunnen wreken sulck quat en wort wis niet verschoont zoiets kwaads wordt echt niet vergeven doch mit gelycker daet beloont maar met gelijke munt betaalt Hoe mogtic my daor teughen keeren
Hoe voorkom ik dat?
Duivel:
Een oghenslach – en ‘ck salt u leren; In een oogwenk zal ik het je leren wilt ghy oock duyvel syn, so merckts, so merckts; wil je ook duivel zijn, let op dan, let dan op: in toren ende gramschap onvervaert moedig met woede en haat de ongeborenen selfs niet en spaert, de ongeborenen zelfs niet sparend noch wyf noch kints u niet ontferm, geen medelijden met vrouw en kind, sy meughen syn ryck, sy meughen syn erm of ze nu rijk zijn of arm ghy sult ombringhen alle knegtjes kleyn je moet alle kleine jongens ombrengen so tweujaorigh en daor onder syn; die twee jaar of jonger zijn. dan doenic laghen in myne vuyst dan lach ik in mijn vuist kreck of den vos een gansjen muyst.
net of de vos een gans rooft. Dies maekt u op, geen uer gewagt;
Kom op, geen uur gewacht ic vaor in naeme Bix Bax
ik ga in de naam van Bix Bax (oude toverspreuk) tot mynen ghesellen roek ende rat.
naar mijn vrienden, roek en rat.
Lied 4:
Mit God so willenme ons liedeken vrolyck doen klincken: Met God willen we ons lied vrolijk laten klinken: deet nu Herodes dit woort vernemen, toen Herodes deze woorden had vernomen, gedrieën synse gegaen, zijn ze met z’n drieën weggegaan de star blonck veurse henen, de ster scheen voor hen uit, in Betlehem bleve de star stil staen. in Bethlehem bleef de ster stilstaan.
Lied 5:
Geboren is in Bethlehem Geboren is in Bethlehem al in den stal in de stal een kind dwelcs ryk niet en eynden sal. een kind aan wiens rijk geen einde zal komen. Dies juight van ‘t jaer Hierusalem, Daarom juicht dit jaar Jeruzalem, ja, Christus de heer wy singen hem ja, Christus de heer bezingen wij lof syner moeder reyn lof aan zijn reine moeder al met haer kindekyn. ook aan haar kindje. Christus de heer wy prysen hem Christus de heer hem prijzen wij met onsen vreuchdensanck, met ons vreugdegezang, met onsen vreuchdensanck, met ons vreugdegezang.
2
Het lyt van ‘t jaer in Bethlehem In dit jaar ligt het in Bethlehem in krebbe kleyn, in een klein kribje, syns rycks en sal geen eynde syn. aan zijn rijk zal geen einde komen. Dies juight van ‘t jaer Hierusalem, Daarom juicht dit jaar Jeruzalem, ja, Christus de heer wy singen hem ja, Christus de heer bezingen wij lof syner moeder reyn lof aan zijn reine moeder al met haer kindekyn. met haar kindje. Christus de heer wy prysen hem Christus de heer hem prijzen wij met onsen vreuchdensanck, met ons vreugdegezang, met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang.
Kaspar:
Verlaet o heer Verlaat o heer ons nemmermeer ! ons nooit meer verlight onse oghen inder noot verlicht onze ogen in onze nood dat wy niet en eynden in de doot, dat we niet in de dood eindigen geley ons, heer op regte baen begeleid ons heer, op de juiste weg dat wy alhier niet en dwaligh gaen dat we hier niet verdwalen en leert ons de gheboden dyn. en leer ons uw geboden.
Melchior:
Welc deuser twee paden macht regte syn ? Wat van deze twee wegen is nu de juiste?
Balthasar:
Siet, hier de star doet stille staen, Kijk, hier staat de ster stil, laet ons inden stal tottet kinde gaen laten we tot het kindje in de stal gaan. Got moet u groeten, lief maegdelyn, God moet u groeten, lieve maagd is hier dien wy soecken, het kindekyn? ligt hier die wij zoeken, het kindje?
Lied 6:
Maria:
Hier leyt dien ghy soeckt, goe heren myn, hier ligt die u zoekt, mijn goede heren, in doecken gewonnen het kindekyn. in doeken gewikkeld, het kindje.
Melchior:
Nu welaen! Welnu dan opgedaan ons geschenck ende offer gegeven ons geschenk en offer wieroock, mirre endet rode gout wierook, mirre en het rode goud.
Melchior:
Psallite unigenito Prijs de eengeborene Christo, dei fillio Christus, de zoon van god psallite redemptori, Prijs de Heer, domino puerulo, de verlosser, het kindje jacenti in praesepio. geboren in een stal.
Koningen:
Wie onser sal den eersten syn ? Wie van ons gaat als eerste?
Kaspar:
Als oudsten sy aan U die ere; Als oudste komt u die eer toe; treet toe wy volleghen u gheren treed binnen, wij volgen u graag.
Balthasar:
U coomt sy toe, gae ghy te veuren. U komt die eer toe, gaat u eerst
Melchior:
An ere en is my niet geleghen; ik geef niet om eer, ic gae mit Got, niet langh gewagt ik ga in naam van God, niet lang gewacht en ’t kinde nieue jaer gebragt. en het kind een geboortegroet gebracht.
Melchior:
Gegroet syt ghy o heiligh kint, Wees gegroet, o heilig kind gelooft sy Got dattic u vindt, geloofd zij god, dat ik u vind. van verre reyse comen wy we hebben een verre reis gemaakt u ane treffen te regter ty, om u op het juiste ogenblik te vinden. Ic wil u offeren ’t rode gout, Ik wil u het rode goud schenken ic bid my in genae behout. Ik bid u, bewaar mij in genade. Brenght troulyck groot het kinde teer Breng het tere kind met trouw, groot en hebt het oudren hooch in eer. en geef het, ouders, veel eer. Voorwaer, gh’en sultet niet beclaghen Echt, daar zal u geen spijt van hebben en neemt voor lief myn luttel gave
en neem mijn kleine gave voor lief.
Kaspar:
O edel coningh, o edel heldt, O, edele koning, o edele held hoe is u woningh so arrem bestelt, waarom is uw woning zo armelijk wie mogt u soecken in den stal, wie zou u in de stal zoeken is dit u conincklycke sael ? Is dit uw koninklijke zaal? een star heeft my tot u geleyt een ster heeft me tot u geleid dien lof en ere moet syn geseyt. u, die moet ik loven en prijzen. Veel edel coningh t’aller stond Grote edele koning, elk uur sallic u prysen mit mijnen mond zal ik u met mijn mond prijzen en roemen wyt ende breit u name; en wijd en zijd uw naam roemen. so wilt veel edel heldt ontvaen alzo, edele held, wil ontvangen de vrugt myns lands, de mirre goet de vrucht uit mijn land, de goede mirre. nu bidde ic dat ghy my behoet nu vraag ik u of u mij wil beschermen bewaert int regte Betlem my, behoed mij in het ware Bethlehem, in uwen naeme ic henen ty. in uw naam vertrek ik.
Balthasar:
O coningh teer aensiet oock my, O, liefelijke koning, zie ook op mij daor en is geen hoghe heldt als ghy, er is geen hogere held als u u begere ic uyt ’s herten gront, uit de grond van mijn hart verlang ik naar u een star ginck veur tottic u vont; een ster ging voorop tot ik u vond neemt aan het offer, de wieroock goet, neem het offer aan, de goede wierook daormot men coninghen eren moet, daarmee moet men koningen eren. heer, wen ic dickmaels coma na deusen heer, wanneer ik hierna nog dikwijls kom wilt myns oock immer ghenadich wesen. wil mij dan ook steeds genadig zijn.
Jozef:
Myn goede heren, vergelde Got Mijn goede heren, dat God u zal belonen dat ghy tot ons quaamt in onse noot omdat u in onze nood bij ons kwam en mit u giften hebt bedaght, en ons uw gaven hebt geschonken Got hebbe u in syne wagt, Dat god over u waakt ons kindeken van gaven ryc ons kind, met zulke rijke gaven sallet u lonen mildelyck zal u er rijk voor belonen.
Lied 7
Maria:
Goe heren, van herten danck geseyt Goede here, hartelijk dank van gaven end offerveerdicheyt, voor de gaven en de offerbereidheid. spoet ende jonst moogh’t u verlenen voorspoed en geluk mag het u geven op uwen verd’ren wegh van henen. op uw verdere weg van hier.
Kaspar:
Nu welaan, goe Josef myn Nu, mijn goede Jozef bevolen sy u het kindekyn, het kindje is aan u toevertrouwd geen vlyt noch sorghen niet en schoont, spaar vlijt noch zorg van Got de heer worde u gheloont. God de heer zal u belonen.
Balthasar:
Nu bewaere u den almaghtigen Got Dat de almachtige God u zal beschermen van kommer, anghst end aller noot, voor leed, angst en alle ellende, u eeuwighen vader doe u bewaeren uw eeuwige vader beschermt u. mit Got so moetenme henen vaeren met God moeten we vertrekken
Melchior:
Nu willenme weerom tot Herodes reysen Nu zullen we weer naar Herodes gaan ende plaats van het kinde ane wysen, en de plaats van het kind bekendmaken doch willenne hier wylen over nagt maar laten we hier vannacht blijven want alree heyt den avent het duyster gebragt want de avond heeft de duisternis al gebracht
Koningen:
Ic laghe in eene nagt en sliep. Ik lag in een nacht te slapen.
Engel:
Ghy heylghe coninghen van orient, U, heilige koningen uit het Oosten Got den almaghtighen my tot u sent, God de almachtige stuurt mij naar u dat u door myn wiert openbaer zodat u door mij te weten komt dat ghy vermyden mooght alsulck gevaer, dat u dat gevaar moet vermijden dat ghy niet en wederkeert de baen niet terug te keren op de weg tot coningh Herodes den tyran. naar koning Herodes, de tiran Want Herodes toornt heimelick sonder maeten, Want Herodes is in zijn paleis grenzeloos boos Got leyde u huyswaert op anderen straeten. God leidt u naar huis langs andere wegen.
Melchior:
Een sonderlicken droom ic horen waende, Ik dacht dat ik een wonderlijke droom meende te horen als of een inghel my vermaende alsof een engel mij waarschuwde dat wy souden myden Herodes huys om het huis van Herodes te mijden en deur andere weghen volbrenghen de reys; en de reis langs andere wegen af te leggen want Herodes draegt in synen moet want Herodes is vast van plan hoe hy soude vergieten het kinde syn bloet. om het bloed van het kind te vergieten
Baltahsar:
Desgelyek heb oock ic vernomen Dat heb ik ook zo gehoord van den inghel, in onse slaepstee gecomen, van de engel die naar onze slaapplaats is gekomen dat Herodes gerigt heeft synen sin ende moet Herodes heeft zich met hart en ziel erop gericht op dat hy vergiete het kinde syn bloet. het bloed van het kindje te vergieten. Herodes, is sulcx u beus begeren Herodes wil je zoiets kwaadaardigs, so wagten wy ons tot u weder keeren. dan passen wij er wel voor op naar je terug te keren.
Lied 9
Koningen zingen:
Balthasar, coninck, daelt van den berrigh neder Balthasar, koning, daalt de berg af daer hy dat kindeken vinden dede, omdat hij het kindje had gevonden, ja also vinden dede, ja dede, ja dede. ja, hij vond het dus, hij vond het.
Engel:
Josef, Josef, gotvruchtig man Jozef, Jozef, gelovige man merckt wattic u wil segghen aen Let op wat ik u ga zeggen van Gode die my tuwaert sont: namens God die mij naar u toestuurde Maria neemt tot u terstont Neem dadelijk Maria mee en ook het kind metgaoder ’t kinde hooch van naem, dat hoog in aanzien staat vliedt naet Egyptelant te saem en vlucht samen naar Egypte en weest aldaor tot op de tyt en blijf daar tot die tijd dat ic ’t sal hebben aen geseyt. die ik zal aangeven.
Jozef:
O waor sullenme henen inder nagt O, waar moeten we in de nacht naartoe wie hadde oyt sulck ellend gedagt, wie had er nu aan deze ellende gedacht wy en kennen nae dit ofgeleghen wij kennen naar dit afgelegen Egyptenland geen straet noch weghen, Egypteland geen enkele weg daor ons belaghen boven dien bovendien worden we door wilde dieren gedierte wildt ende roverslien en rovers belaagd ’t Is vol perycklen, oock maghtigh veer. ’t Is vol gevaar en ook heel ver.
Lied 10
Maria:
Ons sal geleyden Got den heer God de Heer zal ons leiden voert de synen veylighe straeten, brengt de zijnen over veilige wegen, salse nimmermeer verlaeten, zal hen nooit min steek laten, sal syn enghel mit ons senden, zal zijn engel met ons meesturen ons regeren sonder ende. ons voor altijd leiden. Hier om staet op, syt wel gemeyt Sta daarom op en heb goede moed en maektet eselken bereyt. en maak het ezeltje klaar.
Jozef:
O heemstee goet, dat Got u hoet O goed huis, dat God u behoedt nu het eenmaal so wesen moet; nu het eenmaal zo is; in Godes wil sallic my gheven ik geef mij aan de wil van God over om nae syn eerst ghebot te leven. om naar zijn eerste gebod te leven.
Lied 11
Maria:
Ade, ade, nu leyt ons Godes hant Vaarwel, vaarwel, nu leidt Gods hand ons van hier en tot het veer Egyptenlant. van hier tot het verre land van Egypte.
Herodes:
Schoon ic met sorghen deet bedencken Hoewel ik met zorg heb bedacht hoe dat ic rycklic sou beschencken hoe ik de wijzen uit het Oosten de wysen uytet oostenlant listig en voortvarend rijkelijk beloon mit sluwheyt en mit rapper hant als oock den nieuen coninck goet, en ook de nieuwe koning, so speur ic doch in mynen moet heb ik toch het gevoel dattic van haorlie ben bedroghen dat ik door hen ben bedrogen en sy my hebben veur geloghen. en dat ze me hebben voorgelogen. In anghsten leef ic gruwbaorlyck Ik leef met gruwelijke angst dat also dra myn coninckryck dat dus weldra mijn koninkrijk gering wort en heyt ofgedaan. klein wordt en verdwijnt. Nu ist van node ras beraen Nu moet ik snel nadenken hoe offic deuse saeken wend hoe ik dit afwend dat ic behouden magh myn regiment, dat ik mijn heerschappij kan behouden. ick sin het eene en voort het aer, dan denk ik aan dit, dan aan da,t ’ck wick ende weegh hoe ic dien coninck daer ik wik en weeg hoe ik die koning daar mogt vatten, en gestaegh bedenck te pakken kan krijgen en langzaam maar zeker bedenk wat ic hem bieden sal veur een geschenck. wat voor geschenk ik hem zal geven. ’ck wilt soetjens an ende oock mit loosheyt doen ik wil het voorzichtig en ook slim doen gelyck de vos besluypt een malsch kapoen, net als een vos die een mals haantje besluipt dan dryft hy listighlic syn spel dan speelt hij listig zijn spelletje en doet het vanghen alte wel; en dan grijpt hij hem; gelyck de kat do muys verslindt, net zoals de kat de muis verslindt soo willic om gaon mittet kint. wil ik met het kind doen. Seer plotslyc staot my nu veurt oogh Nu zie ik ineens duidelijk hoe of ict kinde vatten moogh: hoe ik het kind te pakken kan krijgen met myn krygsvolck willick gezwind met mijn soldaten wil ik snel om brenghen so menich cleyne kint, menig klein kind ombrengen, in gantse Judea brengh ic voorwaer in heel Judea breng ik zeker de knegtkens om ’t leven alle te gaor; de jongentjes allemaal om het leven; wat deert my of int gantse lant wat kan mij het schelen of in het hele land de moeders kryten moord ende brand, de moeders moord en brand huilen, soo ick myn ryck slechts cost beerven als ik mijn rijk maar kan behouden niet en geraecke int verderven. en het niet slecht met mij afloopt.
Lied 11:
Maria:
Maghtighe coningh, gedenckt aan barmherticheyt, Machtige koning, denk aan barmhartigheid, dat ghyt eenmaal niet rouigh en syt dat u er ooit spijt van heeft so ghy vergiet der onschuldighen bloet, als u het bloed van onschuldigen vergiet
bedenkt, maghtighe coninck, wat ghy doet. bedenk, machtige koning, wat u doet.
Packt u gezwind van hier, dwazin! Verdwijn meteen, dwazin! wat laot ghe u mit mynen saeken in? waar bemoei je je mee? benomen wort my ’t regiment het regeren wordt van mij afgenomen sooc niet en spoede dit onheyl wend. als ik dit onheil niet meteen afwend. Wout ghy my dan verordineren? wil je mij dan bevelen? een coninck en salmen niet regeren! een koning moet men niet willen regeren. siet hier het conincklyc mandaat hier is het koninklijke bevel soo’ck opterstont uytveerdighen laet; dat ik onmiddellijk laat uitgaan tot alle landpaelen condighet af, kondig het aan tot alle landsgrenzen elk hem er nae righte op swaerste straf. Ieder moet zich eraan houden, anders volgt de zwaarste straf
Hoofdman:
Haor conincklycke majesteyt Zijne koninklijke majesteit deur een gestrengh mandaat bevolen heyt heeft door een streng bevel bevolen dat men om brenghe alle knegtkens cleyn dat men ombrengt alle kleine jongetjes so twoujaerigh en daor onder syn. die twee jaar of jonger zijn Hier en sal niet baeten goet noch geldt, geld en goederen zullen hier niet helpen also heytet onsen heer coninck bestelt. zo heeft onze koning beslist Een yeder die het ghebot sal weerstreven Ieder die tegen het gebod is salt boeten mit haaf, goet ende leven. zal boeten met zijn bezit, goederen en leven.
Judas:
O, wee o, wee het felle mandaat! Owee, o wee, het strenge bevel des coninghs magt over ons leven gaet, de macht van de koning gaat over ons leven onse kinderkens moetens worren gedoot? moeten onze kinderen worden gedood? ach, wat salt gheven smert, pyn ende noot! ach, wat zal dat een verdriet, pijn en ellende geven!
Herodes:
Dit woort sy aenstonts mitter doot bekocht Dit woord moet hij meteen met de dood bekopen grypt hem, hy worde int prisoen gebrogt grijp hem, hij wordt naar de gevangenis gebracht.
Hoofdman:
Ghy booswicht, wildy den coningh weerstreven, Jij, boef, wil jij de koning tegenwerken tsal u costen haaf goet ende leven, dat kost je je bezit, goederen en leven, ist niet beter de kinderkens sturven alleene, is het niet beter dat alleen de kinderen sterven als dat wy algaeder verdurven mit eenen? dan dat wij nu helemaal in het verderf raken?
Herodes:
Loopt lackey, bringht my opt termyn Ga lakei, breng straks den also getrouen hooftman myn. mijn trouwe hoofdman bij me.
Herodes:
Siet hier, hooftman, neemter dit sweert Kijk eens hier, hoofdman, neem dit zwaard ende vier dusend manschap mit haor best gheweer en vier duizend man met hun beste wapens ende gaot heen overt geberregt mit spoet en trek snel de bergen over end’ alle knegtkens cleyn ombringhen doet! en doodt alle jongentjes! Neemt, segghic u, geenderlei steeckpenninck an, Ik zeg je, neem geen steekpenningen aan, want op straffe des levens comtet u staen: dat kost je je leven; doodt ghy de kinderkens alle ghelyck, dood de kinderen allemaal tegelijk, meughense erm syn, jonc ofte ryck; of ze nu arm, jong of rijk zijn; soldye schenck ic u tweevoud, ik geef je een dubbel soldij lonen salc u mittet rode gout. ik zal je belonen met het rode goud.
Hoofdman:
Dat conincklycke majesteyt Wat koninklijke majesteit te deuser uer bevolen heyt dit uur heeft bevolen hebbic mit vreuchden ane geheurt, heb ik met plezier aangehoord, oock wel vernomen weurt veur weurt: en ook woord voor woord begrepen Ic doent u sweren by hoochste trou, ik zweer het u bij mijn hoogste trouw volgaeren sulcx volbrenghen sou dat ik heel graag zoiets wil volbrengen want myn gantse sin ende moet want al mijn zinnen en mijn hart rigtig hier nae haeken doet. verlangen hier echt naar. Ic wilde ic hadse veur my staen. ik wou dat ik ze voor me had. ‘ck en soude wis niet ledich staen ik zou zeker niet werkeloos toekijken, doch met dit sweert soudic gezwind maar met dit zwaard zou ik bliksemsnel
ombrenghen so menigh cleyne kint! menig klein kind ombrengen! het hert int lyf my lagchen doet mijn hart lacht in mijn lijf als ic sien druypen ’t rode bloet; als ik het rode bloed zie druipen; dan lykentet een brulochte dan lijkt het wel een bruiloft daorse veul kalvers en koebeesten slogten. waar ze veel kalveren en koeien slachten. Wel an, mit haesten ic my bereyt Wel aan, ik ben snel bereid te doen dat my conincklycke majesteyt om te gaan doen wat de koninklijke majesteit ernstlyc gheboden hcyt. Lackey, ccomt ras, ernstig heeft bevolen. Lakei kom snel mee, slaot ghy mit myn er oock op los: sla jij er met mij ook op los:
Lakei:
Ja heer, van stond aen willic houen ende steken Ja heer, vanaf ’t begin wil ik slaan en steken so veul ic can; ‘ck laot my niet besteken. zoveel als ik kan; ik neem geen steekpenningen aan.
Hoofdman:
Ic sien een drom knegten ende trawant, Ik zie een troep helpers en handlangers, Ic meen tsy een colfjen nae haorlie hant: ik denk dat het een kolfje naar hun hand is: wel nu, heer coninck, hebt goeden moet, wel, heer koning, heb goede moed wy sellen vergieten het kinde syn bloet. we zullen het kind zijn bloed vergieten.
Hoofdman:
Conincklyc majesteyt, nu gheeft wel agt; Koninklijke majesteit, luister goed een maol hondert dusend vier en veertigh en acht in één keer 144.000 en let op heb ic mit eyger hand omt lyf gebrogt, die heb ik met eigen hand om het leven gebracht, wel nu, heer coninck hebt goeden moet, wel nu heer, koning, heb goede moed, wy deden vergieten het kinde syn bloet we hebben het bloed van het kind vergoten.
Soldaat:
Tagentig dusend is myn getal Tachtig duizend is mijn aantal die ic bragt om tleven over al, die ik overal om het leven bracht, den deusen deet ic ’t lesten packen deze pakte ik het laatst en deet hem wip! synen kop af hacken. en hakte hem, wip! zijn kop af.
Lakei:
conincklyc majesteyt, merckt an dit wigt Koninklijke majesteit, aan dit kind kan u zien hoe ic desselfs mandaat hebt uyt gerigt: hoe ik uw bevel opgevolgd heb: twee dusend heb ic er gebragt omt leven twee duizend heb ik er om het leven gebracht en deusen an syns moeders borst gegrepen. en deze aan zijn moeders borst gegrepen.
Herodes:
Hebt danck ghy knegten al drieën ghelyck, Bedankt, knechten, alle drie, ic wil u schencken myn halleve ryck! ik wil jullie mijn halve rijk schenken!
Duivel:
Ghenadighe coninck, bin oock weerom gecomen Genadige koning, ik ben ook weer gekomen en heb myn kinders oock mit genomen, en ik heb mijn kinderen ook meegenomen, die hebben haorselfs dorren vermeten die zijn zo brutaal geweest uut minen sack de braetworst te eten; uit mijn zak de braadworst op te eten; eer dat ics gonne een bete brood, voor dat ik ze een korst brood gun eer slanic ’t neer en ’t leyt morsdood. sla ik het liever neer en het ligt morsdood.
Hoofdman:
Coninclyc majesteit, ic bid om verschoningh: Koninklijke majesteit, ik vraag vergiffenis: wy en vonden niet den nieu geboren coningh, we vonden de pas geboren nieuwe koning niet, of wy oock sochten naer ende veur, of we nu in alle uithoeken zochten, van den coninck en hebben me niet geheurt; over de koning hebben we niets gehoord; alevel alle knegtkens cleyn niettemin hebben we alle kleine jongens so tweujaorigh en daor onder syn van twee jaar en jonger bragtenme om nae ’s heren woorden; omgebracht volgens de woorden van onze heer ic meene ’t is volbragt geworden. ik denk dat we eraan voldaan hebben.
Herodes:
Daor ghy hem niet en hebt gedood Als je hem niet hebt gedood staet vast dat hy uytet ryck ontvlood. is het duidelijk dat hij uit het rijk is gevlucht. Nu is myn leven schier verloren Nu is mijn leven bijna verloren mids dat een nieuen Got hier is geboren! omdat hier een nieuwe God is geboren! selfs willic sien waorc hem can vinden, zelf wil ik zien waar ik hem kan vinden ay, costic hem in Bethlem in den stalle vinden! ach, kon ik hem maar in Bethlehem in de stal vinden! 0 smart, o bittere smart o smart, o bittere smart hoe is my bangh omt hart. wat ben ik bang.
Lakei:
Een appel end een mes bringht haestiglyc breng gauw een appel en een mes dattic myn here laefenis reick. zodat ik mijn heer een versterking kan geven.
Lied 12:
Engel:
Herodes, Herodes, ghy snoode tyran, Herodes, Herodes, jij kwaadaardige tiran, wat deden d’onnoosle kindjens u an, wat hebben de onschuldige kinderen je aangedaan, dat ghy so deet verderven ? dat je ze zo in het verderf hebt gestort? wagt, nu coomt ghy de doot te sterven wacht maar, nu zal je sterven.
Herodes:
Wat helle glans heeft my omvaen, Wat voor lichte glans is er om mij heen ach, ach, myn leven heyt gedaen, ach, ach, mijn leven is voorbij, loopt, lackey, bringht my opt termyn ga, lakei, haal zo dadelijk den also getrouen hooftman myn. mijn trouwe hoofdman. Siet aan hooftman, neemt dit present Kijk hoofdman, neem dit geschenk wilt u vereren al veur myn end dat ik je nog wil geven voor mijn einde het tydlic goet hebbic te seer geagt ik was te veel gehecht aan de tijdelijke dingen dies heeft den duyvel my ten val gebragt: daarom heeft de duivel me ten val gebracht: nu vaer ic henen in abrahams hof. nu ga ik naar Abrahams hof
Engel:
Ghy hellegheesten wagt hem of, Jullie, geesten van de hel, wacht op hem en voert hem ’t uwaert, tot u nest, en breng hem naar jullie nest, die staeg u diener is gheweest die steeds jullie knecht is geweest en kleedt hem als een coninck schoon en kleed hem aan als een mooie koning en set hem op de hellecroon. en zet hem de hellekroon op.
Hoofdman, lakei, soldaat:
Wat baet de hoghe troon Wat voor nut heeft de hoge troon wat schepter ende croon wat de scepter en de kroon schepter en regiment scepter en regeren tgaet alles ras ten end. alles gaat snel voorbij.
Duivel:
Buckt u Joostjen, buckt u, Buk je, Joostje, buk je, Doet u an suere melleck versaeden Doe je je tegoed aan zure melk en hebtet vet in de kan gelaten. en heb je vet in de kan laten zitten.
Herodes:
O duyvel, laet my langher leven, O, duivel, laat mij langer leven, een juck swart ossen sallic u gheven! ik zal u een paar zwarte ossen geven!
Duivel:
Neen ic, neen u wilc alleen Nee, nee, ik wil alleen jou.
Herodes:
0 duyvel, laet my langher leven, o duivel, laat mij langer leven, een span swart rossen sallic u gheven! ik zal u een span zwarte rossen geven!
Duivel:
Neen ic, neen u wilc alleen Nee, nee, ik wil alleen jou.
Herodes:
0 duyvel, laet my langher leven, o duivel, laat mij langer leven, myn halve coninckryck sallic u gheven! mijn halve koninkrijk zal ik u geven!
Duivel:
Ei, wat sullemne stryen gins en weer, Ach, wat zullen we ruziën over en weer onser syt ghe maor alte seer! je bent helemaal van ons! daor comen er meerdere nogh by myn in de hellepyn, er komen er nog meer bij mij in de pijn van de hel ghy en sultet alleenlich niet syn! je bent niet de enige! Wagt, efkens sien of ghe oock swaor syt. Wacht, eens even kijken of je ook zwaar bent. Span ic an een paor katten Ik span een paar katten aan Span ic an een paor ratten ik span een paar ratten aan Span ic an een muysenpaar ik span een paar muizen aan rits, rats, mit hem ter helle vaor. rits, rats, naar de hel met hem.
Hoofdman:
Ach, wat heeft myn heer coninck bedreven, Ach, wat heeft mijn heer koning gedaan dat hy de kinderkens stond nae ’t leven, dat hij de kinderen naar het leven stond, hadde ic het, lacie, eer bedacht, helaas, had ik het maar eerder bedacht ic en hadde se wis niet om gebragt, dan had ik ze zeker niet omgebracht, ach cost icx nogh erlanghen, ach, kon ik nog terug, an den hoochsten boom mogt ic wel hanghen! dan zou ik wel aan de hoogste boom willen hangen! ach cost icx nogh bedencken, ach, kon ik me nog bedenken, in de diepste see mogt ic wel sincken! dan zou ik wil in de diepste zee willen verdrinken! Doch wil ict op myn heer coninck wreken maar ik wil het op mijn heer koning wreken en met dit sweert my selven deursteken. en met dit zwaard mezelf doodsteken.
Lied 13
Kompanij:
Wilt singhen end jubileren Wil zingen en jubelen Jesu den messiae, Jezus, de Messias die de wereldt doet regeren, die de wereld regeert is een soon Mariae is een zoon van Maria en leyt in het krebbeken en ligt in het kribbetje by ’t osjen end eselken. bij de os en het ezeltje. Suja, suja, suja, suja, kindekyn, suja, suja, suja, suja, kindje klein, ick ben u, ghy syt myn. ik ben van u, u bent van mij. Jubelt springhend, jubelt singhend Jubelt springend, jubelt zingend hodie, hodie, hodie vandaag, vandaag, vandaag
is geboorn Christus sone Mariae, Mariae vandaag is Christus geboren, de zoon van Maria, Maria en heeft van ons of genomen alle leed, alle leed, alle wee. en heeft van ons weggenomen al het leed, al het leed, al de pijn. Helpt ons spoede tot u comen Help ons dat wij gauw bij u komen Helpt ons spoede tot u comen
Help ons dat wij gauw bij u komen O Christe O Christus O Christe. O Christus.
Engel:
Agtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren, Geachte, wijze, welgezinde heren, oock deugtsaame vrouwen ook deugdzame vrouwen ende jonckvrouwen in alle eere, en jongedames met alle eer, wilt altegaer niet euvel duyden neem ons alles bij elkaar niet kwalijk dat wy ons spel vertoonden voor uluyden, dat wij ons spel voor jullie opvoerden, ‘k Bid so wy quaamen veuls te cort Ik vraag als we veel tekortschoten tons niet en aengerekend wort, het ons niet kwalijk te nemen, maer alles dat wy schuldich bleven maar alles wat we niet hebben kunnen doen onse onkunde mach syn toegescreven. door onze onkunde komt. Hiermet elckeen het alderbest betracht, iedereen heeft het allerbeste willen doen, so wenschenme van God almagtig een goede nagt. daarom wensen wij u in naam van de almachtige God een goede nacht.
. Hier is ook een poging gedaan tot een begrijpelijke tekst. De aanvankelijk bestaande speeltekst is in de loop van de tijd opnieuw getypt en gedrukt. Daarin zijn typefouten gemaakt. Die zijn dan ook weer terecht gekomen in de tekst bij de tekst hier. Bv. gelyck de vos besluyt een malsch kapoen,
Precies zoals de vos een malse vetgemestte haan insluit
besluyt moet echter besluypt zijn.
en het kan zijn dat er in de hierboven door mij gebruikte tekst ook nog (kleine) typverschillen zitten.
In ieder geval: voor elke verbetering: mail vspedagogie@gmail.com
.
Rudolf Steiner over de kerstspelen: GA 274: Ansprachen zu den Weihnachtspielen aus altem Volkstum De toespraken zijn op deze blog vertaald.
.
Inleiding Pieter HA Witvlietover: hoe allerlei aanwijzingen hier terecht zijn gekomen.
Algemene aanwijzingenregisseursbijeenkomst 08-09-1979 over de spelen; uit Steiners ‘dramatische cursus’; uit Müller “Spuren auf dem Weg”; over het ‘dialect’, muziek, op het toneel: links/rechts; voor/achter; achtergrond van bepaalde scènes uit alle 3 de spelen; belichting’/schmink Die over het Herdersspel gaan, zijn paars gekleurd; (Paradijsspel bruin, Driekoningenspel: rood)
Algemene aanwijzingenregisseursbijeenkomst 08-11-1979 Waarschijnlijk Willem Veltman over: mysteriespel; plaats boom; bank schriftgeleerden; plaats Eva in de company; dramatische gebaren en bijbehorende spraak; episch, lyrisch, dramatisch; voorbeelden bij figuren uit de 3 spelen. Die over het Herdersspel gaan, zijn paars gekleurd; (Paradijsspel bruin, Driekoningenspel: rood)
[2] Regie-aanwijzingen hele spel Veel regieaanwijzingen van Willem Veltman m.n. voor Maria en Jozef en de 3 herders. ‘hun’ driehoek, de geschenken. (Het is niet duidelijk uit welke kerstspelbijeenkomst deze aanstekingen stammen).
[3] Op welk ogenblik vindt de verkondiging plaats? L.Gerretsen en E.Knottenbelt over: wanneer de verkondiging van de engel aan Maria in het herdersspel plaatsvindt; over afwijkende opvattingen. Een opmerking over de zgn. ‘oude muziek’.
[4] Regie-aanwijzingen voor het Herdersspel
Regie-aanwijzingen uit ‘Weihnachtspiele aus altem Volkstum’ Vergeleken met regie-aanwijzingen van de vrijeschool Den Haag uit de jaren 1970.
[4-1] Deel 1 Vanaf het begin – lied 1: Seegnen wilt ons; sterrenzanger; lied 2: Toen het woort; engel: verkondiging, Maria; lied 3: Als Maria joncfrou; engel: begroeting; lied 4: Keyser Augustus.
[4-2] Deel 2: Vanaf Jozef: ‘Keyser Augustus heeft; op weg met Maria naar Behtlehem; de 3 waarden; in de stal: de geboorte; Jozef en Maria: lied 5, 6 en 7; lied 8: ‘Geboren is in Bethlehem’.
[4-3] Deel 3: Herders vanaf het begin t/m hun lied nr. 14 ‘Vrolycke herders’ .
[4-4] Deel 4: Herders vanaf lied nr. 14; aanbidding; komst Crispijn; lied 15; lied 16; engel afscheidsgroet; einde spel
[4-5] Deel 5: Aanwijzingen voor de belichting uit genoemde boek.
Achtergronden van de kerstspelen Carel Eckhartover: wat zijn het voor spelen; wat vragen ze van je instelling; de oerbeelden; het epische karakter;
De kerstspelen uit Oberufer Marijke van Hallover: raak je erop uitgekeken?; de vondst van Schroër; tradities; paradijsspel: episch, stukje is bruin; over Geboortespel en Driekoningenspel: zie aldaar.
Achtergronden Carel Eckhartover: de voorbereidende stemming; oorsprong van de spelen; korte karakteristiek van paradijsspel – Vadermotief, episch; kerstspel – Zoonmotief, lyrisch, driekoningenspel – Geestmotief, dramatisch; het getal 3 en 4.
Over de kerstspelen P.C.Veltmanover: hoe werd in Oberufer gespeeld; korte karakteristiek van de 3 spelen en veel rollen; wie of wat is de duivel; het kwaad;
Onze kerstspelen C.R. Klinkenbergover: Thornton Wilder en ‘het toeval’; de ‘toevallige’ ontdekking van de spelen door Schöer; de waarde en de kracht van het beeld.
Hoe ver is het wel: tot je er bent! Peter v.d.Bijlover: opvoering in een gevangenis; in een psychiatrische afdeling; in een jeugdinrichting; op school; de soms onbegrijpelijke tekst; hoe verbonden ben je/moet je zijn met je rol.
Herders en koningen Tegenstellingen – overeenkomsten; hun geschenken; de koningen in het sprookje van Goethe
Leopold van der Pals C.Rens-Portielje over Van der Pals die de muziek schreef bij de kerstspelen. Van der Pals zelf aan het woord.
Op Tineke’s doehoek o.a. te beluisteren liederen van het Herdersspel, tekst, achtergronden, waaronder de belangrijke studie van Anand Blank
In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,
WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE
Meegedeeld door Karl Julius Schröer Toneelscènes van Rudolf Steiner
Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.
AANWIJZINGEN VOOR DE BELICHTING
Voetlicht, 1. en 2. bovenlicht: wit en blauw/ 2. bovenlicht ook rood
[1] Begin: alles blauw, ¼ wit
[2] Engel: ‘k treet voor uluyden 1. bovenlicht vol wit
[3] Engel af na Maria’s woorden: my geschiede nae u woort. 1. bovenlicht wit naar ¼ terug
[4] Als baas Titus komt bij ‘myn goede vrou waer toe dit claegen: alles blauw, . 1/8 wit
[5] De engel verschijnt bij Maria: naby is de gheboorte tyt: 2. bovenlicht rood erbij en weer weg De engel achter Maria: 2. bovenlicht rood en weer weg
[6] Geboren is in Bethlehem: bij het einde, overgang naar herders: blauw en ¼ wit
[7] De herders gaan slapen: al het wit weg
[8] De engel komt naar de herders: 2. bovenlicht rood erbij De engel gaat weg: rood weg
[9] De herders worden wakker: blauw en ¼ wit
[10] Wanneer de herders vertrekken: Nu welaan: wit weg
[11] Jozef pakt de lantaarn om naar de herders te gaan: voetlamp ¼ wit erbij
[12] Wanneer de herders zingen na Witok: en segghen het oock den stadthouwer an.: blauw en ¼ wit
Deel 1: Vanaf het begin t/m lied nr. 4 ‘Keizer Augustus’. Deel 2: Van Jozef: ‘Keyser Augustus heeft een gebod gegheven’ t/m het lied 8: ‘Geboren is in Bethlehem’. Deel 3: Vanaf de herders t/m het lied ‘Vrolycke herders’ (14) Deel 4: Vanaf lied nr. 14 tot einde.
. Rudolf Steiner over de kerstspelen: GA 274: Ansprachen zu den Weihnachtspielen aus altem Volkstum De toespraken zijn op deze blog vertaald.
Hier vind je regie-aanwijzingen en artikelen over het Paradijsspel uit Oberufer.
Inleiding Pieter HA Witvlietover: hoe allerlei aanwijzingen hier terecht zijn gekomen
Algemene aanwijzingen regisseursbijeenkomst 08-09-1979 over de spelen; uit Steiners ‘dramatische cursus’; uit Müller “Spuren auf dem Weg”; over het ‘dialect’, muziek, op het toneel: links/rechts; voor/achter; achtergrond van bepaalde scènes uit alle 3 de spelen; belichting’/schmink Die over het Paradijsspel gaan, zijn bruin gekleurd. (Herdersspel: paars, Driekoningenspel: rood)
Algemene aanwijzingen regisseursbijeenkomst 08-11-1979 Waarschijnlijk Willem Veltman over: mysteriespel; plaats boom; bank schriftgeleerden; plaats Eva in de company; dramatische gebaren en bijbehorende spraak; episch, lyrisch, dramatisch; voorbeelden bij figuren uit de 3 spelen. Die over het Paradijsspel gaan, zijn bruin gekleurd. (Herdersspel: paars, Driekoningenspel: rood)
In bovenstaande bijeenkomst werden ookdeze aantekeningenover het Paradijsspel gemaakt
[2] Regie-aanwijzingen voor het Paradijsspel Th.Onnes van Nyenrode-Smits‘ over: de imaginaties in het paradijsverhaal; Adam en Eva, het schuldeloos schuldig worden; tekst van Eva en Adam tijdens het plukken en eten van de appel, samen met aanwijzingen van Steiner; volgens de schrijfster is er in de vertaling van ‘de verleidingsscéne’ een vertalingsnuance geslopen, waardoor het geheel iets te verstandelijk wordt, wat nog wordt versterkt door de keuze van de medeklinkers. In de oorspronkelijke tekst rijmen het op vier plaatsen niet: het zijn cruciale punten ‘om wakker te worden’, het Nederlands heeft dat niet.
[3] Regie-aanwijzingen voor het Paradijsspel:
De regie-aanwijzingen uit dit boek worden vergeleken met mijn aantekeningen die ik maakte op de vrijeschool Den Haag, veelal onder de regisseurs Veltman en/of Gerretsen.
[3-1] Deel 1 Vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2.
[3-2] Deel 2:na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.
[3-3] Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’.
[3-4] Deel 4: de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.
[3-5] Deel 5: duivel met ketting, bestraffing door Godvader; nawoord engel. en beëindiging van het spel.
In deze artikelen gaat het in algemenere zin over de spelen, met daarin vernoemd het Paradijsspel. De opmerkingen daarover staan in bruin.
Achtergronden van de kerstspelen Carel Eckhartover: wat zijn het voor spelen; wat vragen ze van je instelling; de oerbeelden; het epische karakter; over het kerspel en driekoningenspel: zie daar.
Over de kerstspelen Paul Veltmanover: de spelen, de tradities in Oberufer: karakteristieken over Paradijsspel (aan het eind van het artikel) het Geboortespel en het Driekoningenspel.
De kerstspelen uit Oberufer Marijke van Hallover: raak je erop uitgekeken?; de vondst van Schroër; tradities; paradijsspel: episch, stukje is bruin; over Geboortespel en Driekoningenspel: zie aldaar.
OPINIE-ARTIKELEN
Het Oberuferer Paradijsspel: een pleidooi voor liefde? Harrie Vens over: dit Genesisverhaal is vertroebeld door de verstikkende last van zonde, schuld, enz.; de duivel: meer rood/geel dan zwart; Adam blijft Eva trouw, hij gehoorzaamt daarmee aan Gods opdracht: ‘heb haar lief’.
Het Paradijsspel, een spiegel van de mens Gerben van der Heideover: rolbevestiging in het Paradijsspel?; het mysterie van de spelen; paradijsspel als ontwikkelingsweg
In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,
WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM DIE OBERUFERER SPIELE
Meegedeeld door Karl Julius Schröer Toneelscènes van Rudolf Steiner
Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.
Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt. Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.
Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem.
Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.
De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.
HET KERSTSPEL UIT OBERUFER
Deel 4
Vanaf lied nr. 14 tot einde
Gallus:
Wel an, laet ons tot Betlem gaen twonder sien dwelc ons is kondt gedaen. D. Denkt even na. DH. Stiechel – de wil-mens, loopt al weg, Gallus houdt hem tegen:
Wat veur gaven willenme offreeren? Wat voor present aen dat kinde vereeren?
Stiechel:
Tkryght van myn een kruycksken mellek soet dat syne moeder hem rycklyc gevoedt.
Witok:
Daor is by myn kudde een schoon jonck lam, het kind is wel weert dattic ’t tot hem nam; salt schielycken mit myn staf omvaen en over myn bey schouders laën. DH. ze helpen hem.
Gallus:
Ick neem een pluck wol voort kinde, me dogt dat syn moeder het warrem daor inlegghen mogt.
D. De herders gaan achter het toneel om hun geschenken te halen. Even later komen ze met hun geschenken terug; het toneel is heel donker. DH. heeft geen tastbare geschenken. Ook hier toneel donker. Ze stommelen wat luidruchtig. Soms gaan ze van het toneel af, een stukje de zaal in.
Stiechel:
Tis hardstickkedoncker, ick tast nae den wegh, ick en weet sowaor geen hegh ofte stegh. Gaewe qualic of regt nae stadt by abuys? D. ze tasten wat onhandig rond over het toneel.
Gallus spreeckt:
D.DH. hij kijkt in de verte: Stiechel, ick sien alree een strooy huys; we willen naet godskind vragen een reize en ofse daorgunter ons mogten wysen hoe datme moeten gaen omdra comen by dat kinde an.
D.DH. Gallus stampt met zijn stok op de vloer Heydai Heyda! en isser agter geen die const ons segghen alwaor heen?
D. DH Jozef kijkt op, gaat staan, DH. pakt het lantaarntje en D. DH. loopt in de richting van het geluid, het is nog steeds donker. Josef spreeckt:
Wien soeckt ghy vrient te deser stee? Yemant so u den wegh wysen dee? Wilt my segghen waor na u de sinnen staen, waer gh’u beneerstigt henen gaen?
Stiechel:
Oudevaer, wy soeckent godskindekyn soude ons alhier geboren syn, wy mogtent weten ende des syn gewis naedient ons dus verkondight is. D. de anderen knikken heftig.
Josef spreeckt:
Soo ghe dit wenscht syt ghy te regt. – Hier leyt het kind daer van ghy seght. DH. blijde verbazing.
D.DH. de herders nemen hun muts af, leggen hun stok neer en gaan naar de kribbe. Daar blijven ze staan.
Jozef/Maria kribje G St W Als ze daarna bij het sporeken knielen, kunnen ze op twee knieën knielen, maar ook op een, als Gallus en/of Stiechel dat doen: de ‘staande knie achter. Witok niet helemaal met zijn rug naar de zaal, maar schuin.
GT (De drie herdersplaetsen haerselven voor Josef en Maria ensinghen: (lied 15)
Neemt agt myn hert en siet opt wigt so gunder in de krebbe light; dat isset kindjen wel gemint het overschone Jesuskind.
GT (Gallusknielt neder en spreeckt by de offeringhe):
Syt gegroet ghy kindeken teer! Hoe leyt ghe daor soberlyc neer. Een bedde van strooy, geen vederken sacht, alleenich wat stoppelen hoys so hardt. Niet op somersdach geboren en syt maor inder bittren winterstyt. Voort lelyenblanck ende rosenroodt kiest ghe snippende vorst en coude groot. U bleke koontjes, u neuzeken fyn hoe datse schier vervrosen syn, dat u schone guld’oochjens synder vol van bittere traenen. Siet hier een pluck wol, die hebbic u Jesuken metgebrogt dat u moeder u warrem daor inlegghen mogt, oock hebbic noch een hantvol meel dat u moeder een papjen kookt» Tisser niet veul, maor soot u ghelieft ick coom ereis weer, bringh ick u Jesuken veul en veul meer.
D.DH. Gallus blijft geknield.D. maakt een beetje plaats voor Stiechel. D. DH. Stiechel knielt.
GT Stiechel spreeckt by de offeringhe:
Syt gegroet ghy kindeken teer, hoe leyt ghe daor gantsch vercleumt ter neer! gins hebtghe u hemelsaele groot en coomt opter aert nakend, arm ende bloot; een kruycksken mellek moghtic u schencken, nu biddic u, wilt myns gedencken.
D.DH. Witok knielt, de anderen blijven geknield.
GT Witok spreecktby de offeringhe:
God gheef u goên dach lief kindeken, syter gegroet lief Jesuken! Ghy die syt coninck boven al geboren, gelaeft in een schaemelen stal; ick bringh u, cooninck, een wolligh lam, verschoont dattic niet mit meerders en quam. –
Josef spreeckt:
Ghy herders, van herten danck geseyt van gaven end’ offerveerdicheyt.
Maria singht:(lied 16)
D. Maria gaat staan en opent haar handen vriendelijk dankend. Bij de laatste regel, maakt ze een zegenend gebaar. DH. Maria blijft zitten.
Ghy herders, van herten danck geseyt van gaven end’ offerveerdicheyt. God wil u neerinck doen gedy’n en laete u schaepkens tierigh syn.
GT De herders singhen, noch immer geknield: (lied 17)
Buyght by het krebbeken neder, wieght twichtjen heen en weeder, dat wilder ons al genesen dat kindeken sy gepresen. O Jesuken soet, o Jesuken soet!
D. De herders gaan staan, nemen hun stok en muts en verwijderen zich langzaam van de kribbe, naar de voorgrond, nog steeds omkijkend naar de kribbe met een peinzende uitdrukking. Er ontstaat een kleine pauze. Jozef kijkt hen na. DH. De herders gaan staan, pakken hun stok en buigen ten afscheid naar de kribbe en Maria. Jozef pakt het lantaarntje en wijst ze de weg. Ze blijven omkijken en zetten tenslotte hun mutsen op. Ze lopen terug naar hun plaats links op het toneel. De stemming is ernstig, maar ook blij. Wat ze gaan zeggen is eigenlijk onbegrijpelijk voor hen. Af en toe onderbroken door kinderlijke vreugde of verwondering. Om de afstand vanaf de kribbe naar de plaatsen van de herders niet te lang te laten duren, kan Gallus onder het lopen met zijn tekst beginnen.
Gallus spreeckt:
Tis wonder hoe ment keert of wendt dat hy geboren is so onbekend, gebrek en coude deerlic lydt en toch regeert de waereldt wydt
Witok spreeckt:
Hy quam hier opter aarden erm op dat hy onser hem ontferm en maek’ ons in synen hemel ryck even selfs d’enghelen gelyck. Sulcx doet hy dat den mensch moght leeren van hoverdy hem of te keeren, dat hy niet leve in stacie ende pragt maor regt deemoedigheyt betraght.
Stiechel spreeckt:
Tcan ons getroosten in onsen moet deur dien hy is van coninclyc bloet. Coningh David was oock een herdersman ent is meraeckel wat hy heeft gedaen: het staet te lesen inder schrift als dat hy versmoorde de maghtige Goliat.
Gallus spreeckt:
Als we efter totten ghesellen gewaghen van tgeenme alhier mit ooghen saghen, veur den sot sullens’ons houwen, ’t noyt niet gelooven, want deuse saeck gaetet verstant te boven.
Witok spreeckt:
Myn moetet vant hert offic wil of niet, voort segh ick den lantheer wat hier is geschiedt en sal morgen den dagh nae Hierusalem gaen en segghen het oock den stadthouwer an.
D. De herders zetten hun muts goed recht en zingen het 1e couplet van lied 14.Dh. idem.
Stiechel spreeckt:
DH. Crispijn zit op de plaats voor het toneel en beklimt dat moeizaam.
Siet Crispyn coomt tonswaert, had niet gedocht ons aentreffen, heyt wis opter heyden gesogt.
DH. Stiechel ‘haalt’ hem naar de anderen, klopt wat op zijn schouder, de anderen maken vriendelijk groetende gebaren. God moet u groeten, myn goe Crispyn!
Crispyn spreeckt:
God moets u lonen, oû Stiechel myn.
D. Crtispijn is wel oud, ietwat dommig en langzaam, met de situatie verloren. DH. Crispijn is ‘doof’ en ‘blind’, maar wel helderziend. Hij herhaalt een aantal woorden voor zich heen.
Galllus spreeckt:
Hoe macht wel mit onsen kudden syn?
Crispyn spreeckt:
D. Bedachtzaam. Hij toont met zijn hand de grootte aan. Werentlich de schaepkens weyde alle te gaor, groot’ende clene, so d’eene als d’aor. Hebt ghy bygeval oock heuren verluyden wat of die geruchten int volc beduyden?
Gallus spreeckt:
D. Hij slaat hem op , werentlich’ krachtig op de schouders
Werentlich! in Betlem leytet kindeken al in een krebbeken, tusschen os end’ eselken DH. Crispijn herhaalt ‘kindeken’ ‘ezelken’ ietwat verbaasd. D. hij schudt steeds het hoofd alsof hij het niet begrijpt, ook later bij het zingen.
Schout ghe selver gheerne twonder aen, moetghe morghen inder vroegt opstaen en mit onslie nae Betlem gaen.
Crispyn spreeckt:
Hoe veer ist wel?
GT Gallus spreeckt: DH. alle drie, als hielden ze hem een beetje voor de gek. Tot gh’er bent!
Crispyn spreeckt: D. brengt zijn wijsvinger naar zijn voorhoofd alsof hem een lichtje opgaat. DH. Enige aarzeling tot hij het snapt.
Jao, jao, ick sallereis bedencken ent kind een slip van myn pelsvagt schencken. DH. de slip wordt bewonderd door de anderen.
GT De herders, agter malkaer in een kringhe gaende, singhen:(lied 18)
D. de herders zingen, achter elkaar in een kring rondlopend. DH. Hier is een groot verschil, evenals bij lied nr. 14. Ik hoor Veltman nog uiteenzetten, dat de 3 herders de drieledige mens verbeelden, in de driehoek, die kosmischer is en dat Crispijn als het jonge Ik, de 4 compleet maakt die als vorm ook het vierkant heeft. Daarom moet dit lied duidelijk in een vierkant worden gelopen, met strakke 90º hoeken. Elke zin of 2 zinnen een zijde van het vierkant.
Herdersluyden vro en bly waren by den schaepen, opten velde waekten sy en leyden haer slaepen Toen voer een enghel tot haer neer vol heerlyckheyt so datse seer in schrik en vreesen waren De enghel sprack: vreest niet met al, veel vreucht den volcke wesen sal, ‘k bringh u blyde maeren
Nu is het afhankelijk van de grootte van de speelruimte, of er op een toneel gespeeld is of niet, waar de spelers zaten enz. hoe de kompany zo harmonisch mogelijk weer een geheel wordt. In ieder geval moeten Jozef en Maria ‘opgehaald’ worden, waarbij Maria en Jozef met uitgespreide mantel het kindje uit de kribbe halen dat Maria dan op haar arm draagt. Uiteindelijk loopt de engel voorop, gevolgd door Jozef, Maria, sterrenzanger (geen uitgeklapte schaar: het kind is geboren!), de 4 herders en de 3 waarden. Er kan een ommegang door de zaal volgen. Soms gaan aan het eind de spelers voor de banken staan, soms gaan ze allemaal het toneel op en vormen een halve boog. (Klaar op het einde van het lied – soms extra pianospel nodig.) Dan gaat de engel weer het podium op of komt vanaf zijn rechterplaats naar midden voor. D. spelers gaan na de ommegang weer op hun banken zitten. De engel gaat het toneel op en maakt 3 buigingen.
GTDe kompany singht: (lied 19)
1. Juyght nu juyght, soo arm als ryck! Ons is op deusen dach een kind geboren heuchelyc dwelc aller dinc vermagh, oock heyligh is daer by, tis Jesus Christus, hy die quam om ’s menschen sond voorwaer uyt synen hemel claer. 2. Bedenckt hoe hy is ofgedaelt in noot en nederheyt, in Betlem so de scrift verhaelt — al in een schuere leyt. Een krib syn woninck is die toch een coninck is, den hoochsten coninck wyd ende zyd op d’aert in eeuwicheyt.
GT (kompany af)
De enghel spreeckt:
D.Bij groeten: soms 3x, soms 1. DH. 1x.
Aghtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren,D. 3x op het eind, of 1x na achtbare, vroede, goedgunstige. oock deugtsaame vrouwen ende joncvrouwen in alle eere, D. 3x of 1x als boven wilt altegaer niet euvel duyden dat wy ons spel vertoonden voor uluyden. ‘k Bid so wy quamen veuls te cort tons niet en aengerekend wort maer alles dat wy schuldich bleven onse onkunde mach syn toegescreven: Hiermet elckeen het alderbest betracht, so wenschenme van God almagtigh een goede nagt.
GT(af)
D. De engel haalt de anderen op, leidt ze allemaal over het toneel. Ze gaan in een rij staan naast elkaar en maken een buiging voor het publiek. Dan gaan ze op de achtergrond, engel voorop, van het toneel. DH. of andere situatie. Als je al op het toneel staat, wordt het ‘een goede nagt’ met een buiging, door de spelers herhaald. Dan gaan ze bijv. door de zaal naar de gang onder het zingen van het tweede couplet. van lied 19. .
Deel 1: Vanaf het begin t/m lied nr. 4 ‘Keizer Augustus’. Deel 2: Van Jozef: ‘Keyser Augustus heeft een gebod gegheven’ t/m het lied8: ‘Geboren is in Bethlehem’. Deel 3: Vanaf de herders t/m het lied ‘Vrolycke herders’ (14)
In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,
WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM DIE OBERUFERER SPIELE
Meegedeeld door Karl Julius Schröer Toneelscènes van Rudolf Steiner
Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.
Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt. Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.
Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem.
Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.
De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.
HET KERSTSPEL UIT OBERUFER
Deel 3
Vanaf de herders t/m het lied ‘Vrolycke herders’ (14)
Van de herders wordt wel gezegd dat ze ‘denken – voelen – willen vertegenwoordigen’. Je kan bij Stiechel wel iets zien van een ‘wil’, bij Witok ‘het gevoel’ en Gallus heeft regelmatig wat ‘hoofd’zaken. In het spelen kan er (iets) rekening mee worden gehouden.
Gallus begint te spreken. Hij kan van linksachter op het toneel naar voren komen, maar hij kan ook vanuit de zaal het toneel op ‘rennen’. D. Gallus verschijnt op de achtergrond.
Gallus treet op en spreeckt:
Heyda ho hee! lck had gedocht ick sou de leste syn en waorlyck synder haôrluy noch naer myn. Ooy, ooy, wat isset bitter coudj De vorst nypt vinnigh int gelaet dattic niet weet waor myn neus staet. D. wrijft en blaast in zijn handen, wrijft over zijn neus, schudt. DH. zoekt zijn neus.
Myn wollen wanten heyt Stiechel geborregt:! hy borregtse als maôr, keer op keer. Waor blyft nouw myn broeder Stiechel weer? Ick kyck ‘reis efkens rond en te omme: daor sienck sowaor myn broeder Stiechel kommen. D. komt van achter. DH. uit de zaal.
Stiechel:
Heyda ho hee! Ick had gedocht ick coom te eersten aen en waorlyck sien ick broeder Gallus daor al staen.
DH. Gallus staat links, Stiechel rechts van hem, maar niet voorbij de boom.
Gallus:
Stiechel hoe ist mitten kudden en schaepen gestelt?
Stiechel:
Ei Gallus, ‘k bender by-naest styf bevroren.
Gallus:
Ei Stiechel, bentghe by-naest styf bevroren? Siet er eens myn bei handen aan DH. Gallus laat zijn handen zien.
Stiechel:
Ei hebtgh’ er maor tweu kwansys? DH. Stiechel pakt ze even beet en op dat ogenblik trekt Gallus de handschoenen van Stiechel uit en doet ze zelf aan. alle hondert en dusent wat maecktghe me wys!
Stiechel:
Ei waor blyft broeder Witok so lanck? Ick kyck ‘reis efkes rond en te omme, daor sienk sowaor myn broeder Witok kommen!
D. Witok van achter;DH. Witok komt vanuit de zaal.
Witok:
Heyda ho hee! ick had gedocht teerst by de schaepkens syn en waorlyck synder haorluy noch voor myn!
Stiechel:
Gy komter oock alle hondert en dusentmael te spa.
Witok:
Myn wyf en lietme niet gaen voor dat ‘k de oü schoenen hadde benayt en gelapt.- D. de andere twee draaien zich een beetje weg om hun lachen te verbergen. DH. hij wil de zolen laten zien, maar kan zijn voet niet zo hoog krijgen; Stiechel duet het dan omhoog, waardoor Witok bijna valt en door Gallus wordt opgevangen. Dit is een van de vele ‘grappen’ die er in zo’n stuk kunnen voorkomen. Daar kun je in variëren. Als het maar niet te veel wordt en te overdreven.
Trouwen! wen de vorst niet en luwen doet gaen wylie een coude waeke temoet. D. de andere twee grijpen naar hun neus.
Gallus:
Stiechel ‘kmogt weten oft u ter oore quam dat skeysers stadthouwer, Cyrenius by naem, int lant een groote beschryvinck laet houden, daor van alle man hemslefs loscoopen soude, op straffe vant verlies al synder have en goets: Wie can daor wesen vrooen moets? D. draait zich een beetje weg, krabt op zijn hoofd.
Stiechel:
Ei vrund Gallus wat seghtghe daor? Is dat gebaesel of ist waor? Tvolc verwagt dat de qua tyen verkeeren, en moeten de sorghen noch vermeeren?
Witok:
Och gaet de verwagtinck noyt niet ten endt? o wee onse jammer en onse ellend! datter de sorgh noch vermeeren most! we comen al swaer genog an de kost. tis ongeluck op ongeluck daor onder yeder gaet gebuckt.
Gallus:
D. Gallus klopt Witok op de schouder. DH. hij doet beledigd.
Loopt Witok, ghy hebt toch niet claeghen? Wilt liever nae myn armoe vraeghen. Ick erme slocker geen ruste noyt sagh! Ick worde geplaeght by nagt en by dagh. Voor en naor bennic met de schaepen, noyt van syn leven geen tyt om te slaepen.
Stiechel vooral, en Witok maken een gebaar van ‘wat duurt dat lang’.
Gister noch, toen ick was oppet veldt, neerstlyc myn schaepkens hadde geteldt, DH. hij doet het uitvoerig voor.
ten synder te mael niet bystern veul, daorck u cort de oorsaeck van segghen wil. D. Hij neemt Witok apart.
Stiechel:
Seght dan op, ghy ouwe wouwelaer!
Gallus:
D. en DH. Het woord wolf was gevreesd. Gallus aarzelt even voor hij het uitspreekt. Een goê deel heyt de… wollef levend verscheurdt.
D. De herders kijken bij ‘wolf’ elke keer geschrokken om en zakken door de knieën – hurkhouding. DH. ze springen dan op.
Stiechel:
Tcan altemet deur den slogtershond syn gebeurd; dan synser by ongeval dootgebeten; moet als subiet oock wollef heeten?
Gallus:
Myn trou, Stiechel, houdt uwen mond, byt niet de wolf kreck so hart als de hond?
Stiechel:
Ja noch veul harder.
Gallus:
Segt myn maor hoet is toegegaen als hadtgh’er sellef by gestaen! – D. ze krijgen handtastelijk ruzie.DH idem. Witok:
Myn wyf die heyt ons grutten gebacken! In D. heeft hij een grote knapzak aan zijn arm, zwaait ermee en gaat zitten en begint hem uit te pakken. De twee andere herders gaan ieder aan een kant naast hem zitten en kijken geïnteresseerd toe. Witok laat bezwerend tussen G en S in, langzaam zijn stok dalen waarin bovenaan een zakje hangt. G en St houden verbaasd op en kijken nieuwsgierig mee. Die laetenm’ ons te nagt wel smaecken.
Stiechel:
Is ter oock speck by altemet?
Witok:
Drie sulcke hompen, louter vet!
D.Witok verdeelt.DH idem.
(Sy setten haer neder en eten)
DH. Als ze uitgegeten zijn gaat Witok onder het spreken langzaam staan, de anderen volgen zijn voorbeeld.
Lestent wierdtme inder brêe vertelt twaor van God in eeuwicheyt bestelt dat tonsent den begeerden messias sou comen tot solaes en verlossingh van allen vromen. Alsdan sullen wuylie hier beneden bevryt syn van druck en benauentheden
Gallus:
D. Gallus gaat staan; Stiechel iets later. Dan komen ze in een driehoek te staan punt naar achter.
Och waor’ den messias digt byder hant dan soudenme setten al sorghen aen kant, van louter iolyt soudenme springhen, met vrolicheyt gode het gracie singhen. (sprong)
DH. ook driehoek en ↓ GT (sy staen op haeren herdersstaf geleunt in een driehoeck tegenover malkandren en springhen tegelycker tyt omhoogh ten teeken haerer blydschap)
In D. pakken ze dan samen de knapzak en leggen die opzij.
Stiechel:
Twelcker tyt ende plaetse moetet geschien datme der armen solaes mogten sien?
Witok:
De tyt is niet en aen gegheven, doch van de plaetse staet geschreven, in Betlehem wort hy geboren van eener maagde uytvercooren. –
D. Gallus bezinnend. DH. begint luidruchtig te gapen, de anderen even later ook.
Gallus:
Nu hoort ‘reis hier goê broeders myn daorme mit syn drieën by malkanderen syn meughenme wel efkens d’ooghen sluyten end’een cortewyl slaepen hierbuyten.
GT (De herders legghen haer neder en slaepen in.)
Bij het liggen moet je er rekening mee houden dat de engel nog een boog kan maken om de herders heen. Het ‘ommerollen’ moet niet zoveel aandacht krijgen dat de engel ‘weggespeeld’ wordt. DH. De engel komt midden achter uit de coulissen. D. er staat zoiets als ze staan naast elkaar en vallen met hun hoofd in de richting van de kribbe, richting Jozef en Maria en slapen in. Kleine pauze. Op de achtergrond verschijnt de engel, op een verhoging, zo mogelijk springt hij van een nog hogere stelling op dit podium.
DH. engel staat stil staf in rechterhand.
De enghel comt en singht: (lied 9)
Gloria, gloria, in exelsis Ick bringh uliën een maere blydt en allen volcken op aerde wydt. O Christen maekt u op en waeckt; gezwind tot de kribbe, gezwind tottet kind – gezwind, gezwind! Wackere hersluyd, flucx op de been spoeter nae Betlehem alle met een; groeter met fluytekens ende schalmei’n gins indien stalle het kindeken kleyn, het kindekeyn, het Jesulyn! Ghy herders, ghy herders, en syt niet bevaen, siet, groote blydschap segh ick u aen
D. Tijdens dit lied draaien de herders zich onrustig om. DH idem.
D. Gallus spreekt in zijn droom. DH. herders spreken in visioen, droomachtige stem.
Gallus spreeckt in den droom:
Stiechel, wat moet dat kwinkeleeren ende selsaem gedruis me dunckt, het is niet heelendal pluys, of isset een gespoock quansuys?
Stiechel spreeckt:
Sowaor, tis wonder boven wonder, also dra sienic iet van onder myn hoet vandaen, ofc speur so felle ligt, wat schynt gins voor een droomgesigt?
Witok spreeckt:
Een stemme hoor ick hel en klaor het lykent wel een enghlenschaor.
D. flinke pauze.
De enghel singht: (lied 10)
DH. Vanuit de zaal gezien: hij loopt rechts om Stiechel heen naar links, langs Gallus en dan naar achteren weg.
Van hemelsrycken coom ick neer, een hemelsbode van also veer; veul goede maeren bringh ick u, die segh ick en die singh ick u
D. De engel staat stil op dat podium en blijft nog even staan, dan daalt hij dat podium af en verdwijnt in een mooi boog links naar de achtergrond, terwijl hij de ster nog een keer in de richting van de herders hoog houdt. Na een kort ogenblik gaat Gallus ‘omslachtig’ staan, slaat zijn kleren af en glijdt een beetje weg.
GT (Gallus ryst en spreeckt tot Witok):
Past erop, so gladt als een spieghel.
Witok:
D. Witok gaat ook staan, langzaam, glijdt ook weg.
Als ’t is: en deuvenkatersgladt; theyt mot gereghent: gants vol ysel is myn baerdt! D. hij slaat de druppels van zijn armen, voelt in zijn gezicht. Gallus kijkt ernaar en richt zich dan tot de slapende Stiechel.
Gallus:
Stiechel, staet op, de hemel kraekt alree!
Stiechel:
D. Stiechel heel slaperig. DH idem.
Ei laotmaor kraecken, hy is waorlyc oud genog daorveur.
Gallus:
Stiechel, staet op, de veughelkens tuytren al!
Stiechel:
Ei laotmaor tuytren! In haorlie clene heufd’ en steeckt geen groote vaeck.
Gallus:
Stiechel, staet op, de voerluy zwiepen al langs de weghen. –
Stiechel:
Ei laotmaor zwiepen, se hebben noch ’n geseghent endt ryen.
Gallus:
Ei ghe mot doch op staen!
D. tijdens deze dialoog zijn Gallus en Witok steeds dichter naar Stiechel toegekomen. Ze stoten hem met hun stok aan en Stiechel staat langzaam en omslachtig op. De anderen kijken gespannen afwachtend naar hem en als hij staat, glijdt hij ook uit en valt pardoes plat op zijn buik. De anderen lachen achter hun hand. DH. Bij ‘ghe mot toch opstaen’ pakken ze hem onder de armen en trekken hem overeind; ze laten hem los en Stiechel valt op zijn buik. Dan zeg Gallus schijnheilig:
Past erop Stiechel, so gladt als een spieghel.
Stiechel:
D. Hij gaat met moeite staan.
Ei alle hondert en dusent! Costgh’ oock niet waerschouwen voor dat ‘k myn pens hebbe bont ende blau gestooten? DH. Nadruk op ‘voor’
D. Hij klopt zich nog wat af.
GT (tot Gallus):
DH. Het ligt voor de hand de klemtoon hier op gedroomd te leggen.
Ha myn Gallus! wat hebt ghy wel gedroomt, Wat hebt ghy wel gedroomt?
Gallus:
Wat ick gedroomt hebbe? dat can ick u vry segghen.
GT (Alle drie keeren in eenen driehoeck staende malkaer de rugghe toe en leunen op haeren herdersstaf)
D. De herders staan in een driehoek met het gezicht naar elkaar toe, leunen op hun stok en springen daar omheen. zodat ze nu met hun rug naar elkaar staan. DH. Idem. Ze wiegen bij het zingen langzaam heen en weer. Te vlug maakt een te wakkere indruk!.
Gallus singht: (lied 11)
Ick docht in eenen stal te gaen, Sach daer een os end’ esel staen die uyt een krebken vraten; beneven haer een joncvrou teer, een edel grysbaert saten.
Nu is de slaepenstyt voorby! quam elcke naght dien droom tot my ksou gheern tot zeuvenen slaepen. –
GT (sy keeren haer weder naer malkaer toe)
D. Ze draaien zich weer met een sprong naar elkaar toe. DH. Idem.
DH. De situatie was zo:
De herders schuiven op, zodat Witok achter staat.
Stiechel:
D. Nu de nadruk op ‘ghy’ en ‘myn’. DH. Idem.
Ha myn Witok, wat hebt ghy wel gedroomt, dat ghy neffens myn so ornmerollen en ommetollen deet? wat hebt ghy wel gedroomt?
Witok:
Wat ick gedroomt hebbe? Dat can ick u vry segghen
D. Met de ‘stoksprong’ keren ze elkaar weer de rug toe. DH. idem en wiegen.
GT (sy keeren malkaer de rugghe toe)
Witok singht: (lied 12)
In stille kersnagt opten lant deur diepe slaep wierck overmant, myn hert deet overvloeyen van soete vreucht en honigh goet en rosen deden bloeyen.
GT (sy keeren haer malkaer weer toe) Met de ‘stoksprong’. DH. Ze schuiven op.
Gallus spreeckt:
D. De klemtoon op ‘ghy’ en ‘myn’.DH. idem.
Ha myn Stiechel, wat hebt ghy wel gedroomt, dat gh’u neffens myn so ommerollen en ommetollen deet? wat hebt ghy wel gedroomt?
GT (sy keeren malkaer de rugghe toe) D. DH. Met de stoksprong.
Stiechel singht: (lied 13)
Ick droomd’ als dat een enghel quam en ons nae Betlem met hem nam in varre joodsche oorden: een wonderdinck was daer geschiet, twas wonder watme hoorden.
D. De herders maken een sprong naar elkaar toe, staan rechtop, slaan hun kleren af, pakken hun muts en zingen in een kring achter elkaar aan.
GT (De herders singhen, in eenen kringhe agter malkaer gaende: (lied l4)
Hoewel ook hier wordt aangegeven in een kring te lopen, was er in DH. toch meer sprake van de driehoek, juist om te benadrukken, dat wanneer Crispijn straks meedanst, het vierkant de vorm is. Op elk couplet werd weer van richting veranderd.
1. Vrolycke herders, olycke knapen die singhen alse niet en slaepen: heisa ho hee! laet lustigh ons singhen, welgemeyt int ronde springhen. David een kloecken herder was, droegh oock een staf ende herderstasch. – 2. Pypend een liedeken, sat van te slaepen, so hoeden wy ons kuddeken schaepen, bly singhen wy, God heere ter eere, wie salt weren, d’ruggh’ er toe keeren? Ddaer isser geen soot euvel diet, deet te mael David het selver niet? 3. Toen hy de viant hadde verslaghen wierdt hy coninck al syne daghen, cieraet der joden, schepter in handen, potentaet vans heeren landen. Alleman mach op David sien: synder die herders geen wackre liên?
.
Deel 1: vanaf het begin t/m lied nr. 4 ‘Keizer Augustus’. Deel 2: Van Jozef: ‘Keyser Augustus heeft een gebod gegheven’ t/m het lied 8: ‘Geboren is in Bethlehem’ Deel 4: Vanaf lied nr. 14 tot einde.
In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,
WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM DIE OBERUFERER SPIELE
Meegedeeld door Karl Julius Schröer Toneelscènes van Rudolf Steiner
Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.
Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt. Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.
Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem.
Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.
De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.
HET KERSTSPEL UIT OBERUFER
Na lied nr. 4 zit Maria op een krukje, Jozef staat naast haar.
Josef spreeckt:
Jozef pessimistisch, Maria optimistisch; Jozef oud, zeurderig, Maria jong, onbevangen.
Keyser Augustus heeft een gebod gegheven dat allet volck te saem sal syn bescreven end elck van stonden aen sonder respyt tot brenghen van tribuut hemself bereyt. Wyl nu voor onse nootdruft wierdt besteet het geldt so ick terzyde legghen deet, rest ons temet geen duyt noch penninc meer; alsulck ellend geclaegt sy god de heer verslagenheid
‘k En weet oock geen middel hoe geldt becomen, myn kragten hebben of genomen, het hantwerck wierdtme alree te swaer – dat wil my bedroeven voor ende naer. Alevel willic sonder draelen Augustus dit tribuut betaelen na skeysers wille en gebod.
Maria spreeckt:
D. Maria bescheiden de handen strekkend, vriendelijk, troostend, rustgevend, hartelijk
0 Josef en laetet u niet verdrieten, die som salmen wel veur willen schieten; ick spreecker een vrund aen te morghen, syt hier om sonder sorghen.
Jozef spreeckt:
Maria wie isser so wel gestelt om ons verstrecken so veul geldt? de schaerschte heerscht aen alle kant. (even stil)
Wy willent legghen in gods hant.
Maria spreeckt:
D. hoofdschuddend
Als geenderlei midd’len te vinden en syn dan bindenme ‘tosjen an de lyn en leydent nae Bethehem met spoet alwaer Augustus ons heentyen doet, laet ons ‘tgins om een luttel vercoopen so macht noch goet afloopen.
Jozef spreeckt:
Eerst bijna beledigd, maar hij wordt nu steeds optimistischer.
Soome veur de beschrvvinck het osjen geven hoe onderhouwemme verder ons leven? daer op ick al hope ende heul had gebout om een kleynicheyt het vercoopen soud? Edoch, waert geldt van noode is het minste quaat geboden is. Maria het eselken bringt ereis aen, ick sal mettet osjen nevens u gaen.
D. Ze lopen naar het kripje en nemen os en ezel mee en lopen daarmee over het toneel. Wanneer ze achter de boom zijn, gaat de engel staan en leidt de kompany het toneel op. Ze lopen over het toneel en zingen lied 5 twee keer. Tijdens deze gang gaan de waarden en de engel achter het toneel, terwijl de anderen weer terug gaan naar hun plaatsen. DH De engel en de waarden zijn al achter de coulissen gebleven. Jozef en Maria lopen naar links, terwijl de spelers de melodie van 5 (=3) neuriën.
Maria spreeckt:
Langzaam verliet Maria de moed, Jozef wordt krachtiger
Comen wy nu ter stadt so meteenen waer brignhenme os ende eselken henen?
Jozef spreeckt:
Een man is my aldaer bekent. Rufinus, houdt een losament; daer sullenme ondercomen vinden; os end’ eselke in den stalle binden.
Maria spreeckt:
So efter vreemden waren gecomen en al de plaetse waar’ in genomen? wyl dat veul volos van alderhant wys, slagh ende soort alsnu nae Betlem reyst. Jozef vertwijfeld de handen omhoog: onzekerheid
Josef spreeckt:
Jozef tuurt met hand boven ogen
Maria ick sien de stadt op daegen, wy willent vee een weinigh jaegen dat niet de poorte quam te sluyten enm’ overnagten mosten daer buyten.
Jozef is wat harder gaan lopen, Maria blijft enkele passen achter; hij drijft ook het vee naar voren; Maria blijft dan staan.
Maria spreeckt:
0 Josef en haest so ras niet voort, het gaen my swaerder en swaerder wort, de baen is ach so gladt van ys, ick vreze te vallen telken reis, van coude syn my de leden bevaen ick vreze het mogt my qualich vergaen.
Jozef houdt in; luistert, draait zich om en keert terug; legt een arm om Maria; ze lopen weer langzaam verder.
Josef spreeckt:
tavond wenme ons wit bereycken sullenme soetjens de leden bestrycken met doecken so heet, (kleine Pauze) optimistisch
Maria siet aen, alreets wy voor die herberghe staen.
Ze zijn nu op de plaats waar Rufinus achter de coulissen links staat. Jozef stampt met zijn stok op de vloer
(de waert comt)
Kijkt meer naar publiek dan naar J en M
God gheef u genavend myn goe Rufyn, meughenme te nagt in u herberghe syn? wy comen moey van langhe togt, so als elck reysersman wel kennen moght. De nypende cou heyt ons bitter gequelt, de snerpende windt het gesight schier ontvelt. D ze wrijven over arm en wang
De waert spreeckt:
Maakt gebaren vanuit de ellebogen, kijkt Jozef nauwelijks aan
Vriendt, wilt u gaôdingh elder soecken, hier ist beset in alle hoecken van kelder tot solder vroegh ende spâ het is sowaer als ick hier stae Myn losament omt seersten is gesogt, een waert van myn postuur coomt immer plaets te cort –
D. tijdens de laatste zinnen richt de waard zich trots op en slaat met de hand op zijn borst. Nu lopen J en M achter de boom langs naar de overkant van het toneel.
Jozef spreeckt:
Nu en ken ick lacie geen ander man so ons behulpigh wesen can, doch laet ons hierom niet versaghen en voort op nieus een poginck wagen, den gebuere bidden met heuschen groet of hy bygeval ons beherbergen doet.
Jozef stampt weer 3x op de vloer; DH idem (een andere waert, Servilus komt)
Myn vrient wilt ons een schuylplaets gonnen datm’ een wyltydts gerusten connen!
De waert spreeckt:
Laatdunkend kijkend, vijandig. Als hij ze wegstuurt en zijn arm strekt, dan de rechterarm (de linker maakt a.h.w. een afsluiting naar het publiek) Jozef wat onderdanig voor het contrast. De waard spreekt fel, consonantisch
Wat moetghe hier ghy mit u wyf blyft bedelvolleck my vant lyf! Van andren hebbic meer gewin, landloopers laetmen hier niet in. Wech van myb deyr en packt u voort dat ghy my langer niet en stoort (af) J en M deinzen terug; waard keert zich om en kijkt niet meer om
Maria een paar passen naar voren, naar publiek:
Maria spreeckt:
Ze heft haar handen
Erbarmen mooch hem den rycken god| datmehenen gaenemet sulcken spot van coude end’ anghst ‘et besterven, geen toevlugt en meugen verwerven
Intussen is waard Titus, met lantaarntje, verschenen en komt langzaam naar Maria toe.
De waert spreeckt:
Myn goede vrou waer toe dit claegen, wat sytghe alsoseer verslaegen? ghy siet daer is geen plaets hierbinnen, ’t huys tot de nok vol vreemdelingen. Doch coomic u gheerene temoet: gaet in den stal, daôr sit ghy goet.
Maria spreeckt:
Jozef staat links, Titus in’t midden Maria rechts
Ach baeslief, ons ist eenerley oft beddeken hart ofte sagte sy solanckme voor sneeujagten blyven bewaert, ons geen moordende windt deur de leden en vaert.
De waert spreeckt:
Treet dan getroost in elck geval tot myn huys leegh is, in den stal.
Titus voorop, J + M volgen naar krukjes. Waard zet lantaarntje neer; Jozef helpt Maria te gaan zitten en moet dan ook haar mantel die straks bij de geboorte omhoog moet kunnen, vrij laten hangen (zodat M er niet op gaat zitten)
Josef singht (No.6)
(sy setten haer op een krucksken) Een verwarrend regeltje: dit ‘zsy’ kan betekenen: Jozef en de waard; maar zowel in D als DH is de waard al vertrokken; dan zou ‘sy’ meervoud kunnen zijn van ‘zich’, dat veronderstelt dat ze beiden gaan zitten, maar zowel in D als DH: Jozef blijft staan.
Maria singht(No.6)|
D. Jozef gaat zitten
Josef spreeckt:
Hij is nu veel optimistischer
Mettet kriecken van den uchtend gae ick totten slagter in Kana; ons osjen sallic hem offreeren, sien wat hy hiervoor uyt wilt keeren daermet ick meughe sonder draelen Augustus dat tribuut betaelen na skeysers wille en gebod.
Maria blijft wat aan de sombere kant
Maria spreeckt;
Bringht wel het dierken so veul op dattet geldt ons langht?
Josef spreeckt:
Hier op betrout, tcan syn alsdat ick iet overhoudt. (even rust)
Maria spreeckt:
Maria spreekt met groot wonder in haar stem, a.h.w. een visioen
Ach Josef ’t uur is reets op handen dattic verlost worde van myn banden, naby is de gheboorte tyt daer van Gabriël my heeft aangeseyt
D. Jozef zit naast Maria.DH Het wonder is a.h.w. te groots voor Jozef, te onaards; hij maakt het niet mee; hij wendt zich af. Hij kan ook een paar passen richting coulissen gaan staan, maar dan is het wel handig dat hij al die tijd al rechts (vanuit de zaal gezien) heeft gestaan; dat is ook handiger voor de engel die nu uit het midden van de coulissen aankomt. Op het lied ‘Een roze fris ontloken’ gaat de ster naar beneden en tegelijkertijd de armen van Maria omhoog, als een euritmische A overgaand in O, dan is het kind ontvangen. De ster gaat omhoog, de engel schrijdt achterwaarts weg en Maria kijkt liefdevol in haar armen
Maria spreeckt:
Hieromrne bid den kasteleyn oft wy in syn losament mogten syn. Het is alsof Jozef wakker wordt en hij kijkt alsof hij het kind nog niet heeft gezien en antwoordt eerst:
Josef spreeckt:
Maria hoe sou hy die gonst verleenen naedienme te veul begeeren mit eenen? Maar dan realiseert hij zich de situatie: hij ziet het kind: D heeft dat iets anders: Jozef staat op, kijkt eerst naar het kind en spreekt:
doch wilic totten waert gaen opterstond en sien in syne woninck rond oft niet een hoecksken over en waere.
Jozef pakt het lantaarntje en stampt 3x met zijn stok. Titus komt
(de waert comt)
Josef spreeckt:
Baes Titus daer wierdt ons een kind geboren D. de waard maakt duidelijk verbluft te zijn en slaat op zijn bovenbeen DH Titus schrikt. Zegt wel dat hij het wel zou willen doen, maar…er moet dus ook wat onverschilligheid klinken.
‘tister van nagt bykans bevroren, dies biddic u wilt ons toestaen in u losament binnen te gaen.
De waert spreeckt:
Waerlic vriendt, sulcx gond’ ick u gaaren als niet kreck tweu dousyn gecomen en waren, houden alle hoecken en gaeten beset, siet selfs hoeghe u mit dat kinde redt. Myn losament omt seersten is gesogt, een waert van myn postuur comt immer plaets te cort. D. bij de laatste regels slaat de waard trots op zijn borst
Josef spreeckt:
Jozef komt terug en zet het lantaarntje alvast zo dat het het kribje niet in de weg staat
Maria ons bidden is al verloren, we blyven in den stal gelyck te voren maer dattet kind niet koud en hebbe legh ’t tusschen os en eselke in de krebbe.
Jozef legt zijn stok neer, haalt de kribbe achter de krukjes en zet deze vóór Maria. Dan pakt hij zijn mantel en maakt deze breed, Maria legt het kindje in de kribbe. Jozef pakt zijn stok weer en gaat naast Maria staan.
Maria singht: (No.7)
Wanneer ze om ‘een handeken hooys’ vraagt, geeft Jozef haar dat aan en zij legt het in de kribbe.
Josef singht: (No.7)
Maria singht: (No.7)
Als ze zingt ‘wiegt er met mij’ knielt Josef en zingt zittend: D. Josef knielt al bij “Myn hert en wil’
Josef singt (No.7)
Einde lied staat Jozef op.
Maria singht(No.7)
De engel komt met de ster en staat achter Maria met een breed gebaar van beide armen Einde lied: engel gaat naar achter – achter de boom. De akkoorden van lied N0.8 klinken. De kompany gaat staan en gaat het toneel op. De volgorde is dan: stz. de 4 herders; op het toneel komt de engel achter de boom vandaan en loopt voor de stz. Ook de waarden hebben zich ‘logisch’ aangesloten achter de herders. Ze trekken langs de Heilige familie D. J en M wiegen het kind en groeten met armgebaren. D. de engel gaat na het lied van Maria het toneel af en haalt de kompany op. Die loopt eerst door de zaal en dan het toneel op langs de kribbe. Jozef is gaan zitten. DH ook. Opvallend is dat de sterrenzanger hier de ster uitgeschaard heeft. DH niet. Wanneer in D de kompany weer op het toneel is, blijft de engel even voor de kribbe staan en laat de ster dalen, dat doet ook de sterrenzanger met zijn ster. Dan lopen ze verder, gaan naast elkaar staan en zingen het lied uit. De ster van de sterrenzanger wordt ingeklapt. De engel leidt ieder van het toneel af. De waarden gaan op de banken zitten, de engel en de 4 herders gaan het toneel op naar achteren. Er is een kleine pauze, terwijl Jozef en Maria op het toneel zijn. Dan verschijnt op de achtergrond Gallus. DH het 2e couplet is een ommegang door de zaal. Daar blijven de 4 herders achter. De waarden en de stz., soms ook Crispijn gaan op de banken zitten, de engel gaat het toneel op en gaat achter de coulissen midden weg. (Of ze staat achter de boom).
Deel 1: vanaf het begin t/m lied nr. 4 ‘Keizer Augustus’. Deel 3: Herders vanaf het begin t/m hun lied nr. 14 ‘Vrolycke herders’ Deel 4: Vanaf lied nr. 14 tot einde.
In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,
WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM DIE OBERUFERER SPIELE
Meegedeeld door Karl Julius Schröer Toneelscènes van Rudolf Steiner
Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.
Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt. Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.
Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem.
Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.
De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.
HET KERSTSPEL UIT OBERUFER
De spelersgroep:
Engel met staf, Maria, Jozef, sterrenzanger met de ster ( hij houdt de ster boven het hoofd van Maria. Sterrenzanger loopt steeds één pas voor op de anderen, Gallus, Stiechel, Witok, Crispijn, 1e waard, 2e waard, 3e waard.
DH. Engel, Jozef, Maria, sterrenzanger, Gallus, Stiechel, Witok, Crispijn, 1e waard, 2e waard, 3e waard. De sterrenzanger heeft de ster niet boven Maria, pas na de verkondiging!)
In het boek staat dan, wanneer de kompanij gaat zingen: de sterrenzanger voor het eerst voorop, gevolgd door engel, Maria, Jozef, de 3 waarden, de 4 herders. Dat veronderstelt dat de kompanij niet zingend binnenkomt.
DH begint met – de spelers zijn nog niet in de zaal, maar staan voor de deur – driemaal hard op de deur te slaan. De muziek begint te spelen en de spelers gaan zingen:
De kompany singht by het binnengaen
Lied 1
Seegnen wilt ons binnengaen, onsen uytganck, heer, daerneven – Seegnen wilt ons gaen ende staen ’t daeglycx broot end’ allet leven. Seeghent ons mit salich sterven laet u hemel ons beërven.
(Let op: 2x seegnen, de 3e keer seeghent)
Al naar gelang van de grootte van de zaal, is de kompanij vóór het toneel aangekomen. Dornach oppert om in bepaalde gevallen het eerste couplet 2x te zingen om uit te komen. Het kan zijn dat er geen of nauwelijks ruimte vóór het toneel is, in dit geval gaan de spelers allemaal het toneel op, waarbij ze de volgorde ‘verliezen en zomaar ergens staan’. Is er wél ruimte, dan staan de spelers nog in volgorde en springt de sterrenzanger het toneel op. In Dornach draaien de spelers hun gezicht naar de sterrenzanger op het toneel – dus met de rug naar het publiek. Hier begeleidt de engel Jozef en maria het toneel op en deze gaan op hun krukjes zitten.
DH doet dit niet en laat alle spelers het toneel opgaan, nog in de volgorde waarin ze staan, maar op het toneel verliezen ze dus die volgorde. En op de woorden van de sterrenzanger: ‘kreck als de spieringh in de pan’ gaan ze heel dicht bij elkaar staan. Bij ‘posteert u in den kringhe’ gaan de spelers in een halve boog achter hem staan, verdeeld over het hele toneel van links naar rechts. Maria gaat op het krukje zitten.
Dan is de situatie zo:
Het Sterregesanck:
Goe sanghersluyden myn versaemelt man aen man kreck als de spieringh in de pan.
D. Gaan dicht bij elkaar staan;DH idem. Goe sangersluyden myn posteert u in den kringhe, Dan: zie situatietek. hierboven.
Wij willen ons de wyle corten mit singhen. Goe sanghersluyden myn laet u oock dapper horen, bringhenm’ efter ons complement van te voren. Groetenme god vader in synen troon
Groeten van vader, zoon en Heilige Geest: D. telkens 3x t.w. midden, rechts, links;DH vader: 3x recht naar voren; zoon: 3x links, H.G. 3x rechts; alle 3 samen: 1x naar voren, 1x links, 1x rechts.
en groetenme synen eenighsten soon. Groetenme den eenighen geest mit naome en groetenmens al gedrie te saomen,
In D vindt dit alles vóór het toneel plaats en nu brengt de engel J en M op het toneel, waar deze gaan zitten.
Groetenme Josef en Maria reyn D. 3x als boven;DH de verschillende spelers maken verschillende groetgebaren.
en groetenme dat clene kindekeyn. D.3x als boven;DH groetgebaren naar ‘ergens achter J en M.
Groetenme oock os end’ eselken die daor staene by het krebbeken. D. 3x als boven;DH groetgebaren en de bekende dierengeluiden, meestal door de herders
Groetenmens deur son- ende maoneschyn Dit ‘mens’ betekent: groeten me se: laten we hun = vooral de drievuldigheid, hierbij kan ook de heilige familie worden gerekend, (ook) groeten door de zon enz. te begroeten. D. 3x als boven; DH groot hemels gebaar
dwelc lighten al over see en over den Rvn. D. 3x als boven; DH als boven
Groetenmens deur kruydeken ende bladt, d’heylighe regen maekt so u als myn algaôre nat. U = in D het publiek; DH de spelers maken wat afwerende gebaren naar de regen of slaan druppels van hun kleding;
Groetenme de keyser die gebiedt over veulen, D. 3x in dezelfde richting; DH idem, streng
groetenme de meester diet klaôr can speulen. D. 3x in dezelfde richting; DH zwaait wat uitbundig naar de pianist
Groetenme onse geestelicke heeren wyl datme ‘tspul mit haor permissie dorften leeren. D. 3x hand op de borst; DH groet, ook bij wat nu volgt overeenkomstig de waardigheid
Groetenme de schepenen mitten schout want yederse in eere houdt. D. 3x. DH en elders: een van de herders verschuilt zich een beetje achter de anderen, die hem naar voren duwen bij ‘yederse in ere houdt.
En groetenme de gantsche agtbaor gemeent D. beide handen op de borst so mit malkanderen hier syn vereent. D. 3x midden, rechts, links.DH. lopen, m.n. de herders naar voren en groeten her en der. Groetenme de vroetschap agtbaôre en geêert daor toe god se heyt verordineert.
Groetenmens deur wortelkens so inder eerde staon DH: het groeten is wat mat en onverschillig, vandaar: sonder één wortelken over te slaon. D.’slimme inval’. Ze groeten alle worteltjes, 3x. Dansen vrolijk. Muts ophouden. Het wordt een beetje rommelig vandaar:
Goe sanghersluyden myn laewet anders beginnen, de star willenme toe gaôn singhen. D. ‘feestelijk’. DH. een soort verrassingselement, de aandacht wordt getrokken naar de ster van de engel.
Groetenme de star heur stanghe D. op de ster wijzen, 3x, de zinsbouw is hier anders, vandaar DH. pas groeten na ‘hanghen’ daor onse starre an doet hanghen.
Groetenme de star heur scheer D laat naar rechts en links de ster van de sterrenzanger zien. DH de schaar is nog niet ‘open’. daor de starre an reysen doet op ende neer. DH bij ‘op’ gaat deze uit, tot ieders gespeelde verrassing; ook D: een paar keer op en neer
Groetenm’ oock de houtjens een voor een die houwen onse starre byeen.- D. 3x. Opgewekt springend. Ster weer in. DH ieder wil de houtjes van dichtbij begroeten, bij het dichtklappen wordt vaak gesuggereerd dat er een vinger van iemand – meestal een herder (Stiechel) bijna tussen komt.
Goe sanghersluyden myn hebt heuren connen datme de star hebben anegesonghen. D. hij spreekt wat langzamer.DH haalt doek tevoorschijn en wist zich het voorhoofd
Groetenme onsen meester sangher goet D. wijst hier naar de pianist en naar zijn hoed die op de piano staat. 3x DH. ziet de sterrenzanger als meesterzanger en deze vraagt dus om begroet te worden, wat niet gebeurt, ieder draait zich een beetje weg. en groetenme den meester sangher syn hoet. DH Sterrenzanger neemt hoed van hoofd en houdt die hoog; een van de herders pikt die met zijn stok weg en de hoed wordt daarvan weer gepakt en gaat even van deze naar gene; de sterrenzanger kan hem dan weer pakken en zet hem op. Groetenme eveleens onse meester weert naedien hy mit gods hulpe ons heyt geleert. D. er wordt 3x gegroet, maar naar wie?DH ‘de meester’ wordt hier gezien als de regisseur. In Steiners toespraken is degene die de rollen in zijn bezit heeft, ook degene die de spelers kiest en met hen repeteert.
Goe sanghersluyden myn hebt heuren connen hoe datme dit als hebben ânegesonghen D. buigen en meteen naar de bank. DH. hier kan weer of voor de eerste keer de doek gepakt worden om het voorhoofd te wissen.
In Dornach wordt dit allemaal vóór het toneel gedaan. De spelers gaan dus (aan weerszijden) op de bank zitten en nu gaat de engel het toneel op.
Het boek met de liederen heeft aanwijzingen voor de pianist wanneer na welke woorden, het volgende lied komt. Op de laatste woorden van de sterrenzanger, (onder lied 1) volgt hier lied 2. Dat werd ook zo uitgevoerd in Den Haag. Er bestaat wel verschil van mening over. Zie het artikelverkondiging.
Dus D laat de engel nu spreken, DH zingt lied 2.
(niet te veel op de maat ‘stampen‘)
De kompany houdt haeren ommeganck en singht: No.2)
Toen het woort wierdt vervult so god verkondight hadt quam daer een enghel snel van name Gabrlël tot Nazaret die Stadt int land Galileea; teener maecht, Maria god hem henen sendt, Was met Josef ondertroud, geen man en heeft bekend.
Zie tussen de markering0-0-0hoe het hier in Dornach verdergaat
DH zingend dit lied lopen over het toneel om zo uit te komen dat op het laatst ieder vóór het toneel op de banken zijwaarts komt te zitten, De engel gaat achter de coulissen. Maria blijft achter op het toneel, Maria iets naar voren.
(De kompany treckt af, Maria blijft alleen.)
De Engel komt midden uit de coulissen, schuin links achter Maria. Inspirerend, verkondigend. Van ver sprekend, licht, gedragen, niet menselijk.
De Engel Gabriël treet tot de joncfrou en spreeckt:
Maria maakt kleine, innige gebaren
Weest gegroet ghy begenadigde! God den heer is met u! ghy syt geseghend onder de vrouwen! want ghy sult bevrugt worden en eenen soon baeren en sult synen naem heeten Jesus! en hy sal over syn volck coninck syn in der eeuwicheyt.
Maria spreeckt:
In A-stemming, wat angstig, verwonderend, ingehouden, heeft eigenlijk meditatieve ervaring
Hoe sal dat wesen dewyl ick geenen man en bekenne?
De Engel Gabriël spreeckt:
Siet ick ben den enghel Gabriël Soot u verkondight: de kragt des allerhoochsten sal u overschaduwen, daerom oock dit heylige dat uyt u geboren wort Maria neigt het hoofd sal gods sone genaemt worden. En siet, Elisabet uwe nigte Kijkt weer iets op is oock selve bevrugt mit eenen sone in haeren ouderdom en dese maend is haer, die onvrugtbaer genaemt was, de zesde. Want geen dingh en sal by god onmoogelyck syn,
Maria spreeckt:
(Wat angstig, maar vol vertrouwen)
Siet de dienstmaecht des heeren my geschiede nae u woort. E-gebaar voor de borst
De Engel af. De kompany houdt haeren ommeganck.
DH: Kompaniy gaat staan en begint zingend te lopen, lied 3. Het toneel op, de engel komt weer tevoorschijn en loopt naar zijn plaats rechts voor, terwijl de spelers a.h.w. Maria opnemen in de rij, de engel loopt voorop. Gevolgd door Jozef, Maria, sterrenzanger, die de ster boven Maria’s hoofd houdt. Omdat de schaar meestal lang is, komt in deze volgorde de ster boven Jozef, of de sterrenzanger moet ruimte laten tussen zichzelf en Maria. Mooier is toch dat Maria (in haar positie!) dichter bij de engel is, Jozef daarachter, dan de sterrenzanger met geschaarde ster die nu prachtig boven Maria blijft in een aaneengesloten kompany.
Maria sluyt haerselven aen. Allen singhen. (No.3)
Als Maria joncfrou reyn swanger wierdt bevonden nae het woort der profecy’n dwelc god deet vermonden, liet Augustus naerstelyc tvolc bescryven in syn ryck. Geen en dorft bestryen. Daer gonck yeder nae de stadt alwaer hy oorspronck hadt moestet willigh lyen .
Ze gaan het toneel op en er weer af. Ze gaan zitten, de engel bleef even staan en gaat het toneel weer op. Ster in rechterhand. Oppassen voor te zalvend spreken.
Het groeten van de engel: 3x (of 1x voor de kinderen) recht vooruit of (af)wisselend links/rechts.
De kompany treckt af. De Engel Gabriël comt weerom.
De Engel spreeckt:
‘k Treet voor uluyden sonder spot; goên avend saamen gheve u god, een goên avend ende geseghende tyt mooch ons van daerboven syn toegeseyt. Agtbaare, seer vroede, goetgunstige heeren, D. 3x m r l
oock deugtsaame vrouwen ende joncvrouwen in alle eere; D. 3x m r l
wilt altegaer niet euvel duyden dat wy ons spel vertoonen voor uluyden. Tgeen dat ghy voor u ooch sult sien is niet versintsel van onsliën, noch oock van heidens uytgedocht, maer deur de heylige scrift gebrogt: van hoe Jesus Christus ter waerelt quam, twelc grote quaaden van ons nam. So ghy bereyt syt en het aen wilt hooren, swyght stil en opent wydt u ooren. D. rechtervinger hoog (dat betekent dat de engel de ster links vast heeft) D. 3x m r l
D. de engel gaat naar de kompanij; DH idem, de volgorde ontstaat en er wordt een ommegang gemaakt.
De kompany singht (no.4)
Keyser Augustus teersten liet beschryven elck in syn gebied, dies Josef, synd uyt Davids stam, is opgegaen nae Judeam.
Maria joncfrou toogh mit hem tot syne stadt, hiet Betlehem en als sy quamen tsaem daer by Maria’s soon dien baerde sy.
(allen af buyten Maria en Jozef)
De waarden zijn tijdens de ommegang over het toneel achter de coulissen op hun plaats gaan staan.
0-0-0
Na lied nr. 3 gaat de kompany af, alleen Maria blijft achter. Tijdens de ommegang heeft de engel op de achtergrond het toneel verlaten. Maria blijft bij de boom staan. De anderen gaan van het toneel en gaan op de banken zitten. De sterrenzanger achter Jozef, met de ster ingeklapt. Maria met de handen voor de borst gekruist.
De engel komt van achteruit en gaat voor Maria staan en spreekt: Zie tekst hierboven. Na ‘geen man en bekenne’, neemt Maria deze houding aan:
Bij: zie de dienstmaecht:
Nu zingt de kompany: ‘Als Maria joncfrou reyn’. Na een paar overgangsakkoorden begint lied nr. 4: Er is een ommegang over het toneel waar Jozef en Maria achterblijven; de andere spelers gaan naar de banken.
0-0-0
.
Deel 2: Van Jozef: ‘Keyser Augustus heeft een gebod gegheven’ t/m het lied 8: ‘Geboren is in Bethlehem’. Deel 3: Herders vanaf het begin t/m hun lied nr. 14 ‘Vrolycke herders’ . Deel 4: Vanaf lied nr. 14 tot einde.
In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.
TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN
ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM
ANSPRACHE DORNACH 06-01-1924 [2]
blz. 101
Wir werden uns erlauben, Ihnen auch dieses Jahr hier eines der Weihnachtspiele vorzuführen, die aus altem deutschen Volkstume stammen. Ich darf vielleicht von etwas Persönlichem ausgehen. Ich selber lernte diese Weihnachtspiele – die dieses Jahr nicht öffentlich zur Darstellung kommenden, das Paradeis-Spiel und das Christ-Geburt-Spiel und auch dieses heute aufzuführende Dreikönig-Spiel – kennen vor etwa, ich kann sagen, vierzig Jahren. Dazumal lernte ich diese Spiele bei meinem alten Freund und Lehrer, Karl Julius Schröer, kennen. Karl Julius Schröer, der dazumal, als er mir diese Spiele nannte, in Wien Hochschulprofessor war, war aber um die Mitte des 19. Jahrhunderts, in den vierziger, fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts, Professor in Preßburg, das heute zur Tschechoslowakei gehört, dazumal in einer deutschen Kolonie Ungarns, Westungarns, war. Wenn man die Donau, an der Preßburg liegt, nur ein wenig weiter ostwärts gegen Budapest zu geht, dann kommt man in die sogenannte Oberuferer Gegend. In dieser Oberuferer Gegend war eine deutsche Kolonie. Sie war urdeutsch in meiner eigenen Jugend, wie ja überhaupt in Ungarn vor der Magyarisierung wirklich recht ausgebreitete deutsche Kolonien waren: in der Zipsergegend, die Siebenbürgener Sachsen, im Banat und so weiter. Nun, als Schröer Professor in Preßburg war, hörte er einmal, daß interessante, volkstümliche Weihnachtspiele draußen in Oberufer von den Nachkommen jener deutschen Kolonisten gespielt würden, welche vom Westen gegen Ungarn hin gezogen waren, um sich dort niederzulassen,
TOESPRAAK 6 JANUARI 1924
Wij nemen ook dit jaar de vrijheid om voor u een van de kerstspelen op te voeren die uit het oude volkse leven afkomstig zijn. Ik mag misschien van iets persoonlijks uitgaan. Ik zelf leerde deze kerstspelen, het Paradijsspel en het Geboortespel die we dit jaar niet in het openbaar opvoeren, en ook dit Driekoningenspel dat we vandaag wél opvoeren – zo ongeveer veertig jaar geleden kennen bij mijn oude vriend en leraar Karl Julius Schröer die, toen hij eens met mij over deze spelen sprak, in Wenen universiteitsprofessor was, maar in het midden van de 19e eeuw, in de jaren veertig en vijftig, professor in Pressburg, dat tegenwoordig [1924] bij Tsjecho-Slowakije hoort, [2020 Bratislava geheten en de hoofdstad van Slowakije], toen lag het in een Duitse kolonie in West-Hongarije. Wanneer je bij de Donau waaraan Pressburg ligt, een beetje naar het oosten, richting Boedapest gaat, kom je in de omgeving van Oberufer. In deze streek lag een Duitse kolonie. In mijn eigen jeugd was die oer-Duits, zoals die kolonies toen, vóór het allemaal Hongaars werd, werkelijk heel uitgestrekte Duitse kolonies waren: in de omgeving van Zipsen, Siebenburgse Saksen, in de Banaat enz.
Wel, toen Schröer professor was in Pressburg, hoorde hij eens dat er interessante volkse kerstspelen werden gespeeld rondom Oberufer, door nakomelingen van die Duitse kolonisten die vanuit het westen naar Hongarije getrokken waren om zich daar te vestigen,
blz. 102
aus Gegenden, die wahrscheinlich nördlich vom Rhein in Süddeutschland gelegen waren, unmittelbar an die Schweiz angrenzend, nördlich vom Rhein und bis nach dem Elsaß hinein. Und von daher scheinen diese Weihnachtspiele eigentlich zu stammen. Es ist so – man kann das heute noch verfolgen -, daß wirklich im 13., 14. Jahrhundert diese Weihnachtspiele da jenseits des Rheins, vielleicht später in der Nordschweiz, höchstens in Brienz noch gespielt worden sind. Die Leute sind dann ostwärts gezogen, haben diese Weihnachtspiele als ein teures geistiges Erbstück mit einer innigen Frömmigkeit genommen und hielten es dann außerordentlich wert. Und durch das ganze 16., 17., 18. Jahrhundert wurden sie dann um die Weihnachtszeit und Dreikönigszeit in diesen Dörfern bei den sogenannten Haidbauern gespielt. Es war dieses ein jährliches großes Erlebnis christlicher Frömmigkeit in diesen deutschen Gegenden Ungarns. Dadurch, daß diese Weihnachtspiele gerade dieses Schicksal gehabt haben, sind sie, ich möchte sagen, bis in die neueste Zeit herein ganz unverfälscht geblieben. Denn, sehen Sie, Weihnachtspiele sind in älteren Zeiten vor und nach der Reformation überall entstanden, sind gern gespielt worden, aber sie sind dann in späteren Zeiten von den sogenannten intelligenten Leuten verbessert worden, was man so verbessern nennt, das heißt, es ist ihnen ihre Volkstümlichkeit von Grund aus ausgetrieben worden.
vanuit streken die waarschijnlijk ten noorden van de Rijn in Zuid-Duitsland lagen, direct aangrenzend aan Zwitserland, ten noorden van de Rijn en tot in de Elzas. En daar lijken de kerstspelen eigenlijk vandaan te komen.
Het is zo – dat is nu nog na te gaan – dat daadwerkelijk in de 13e, 14e eeuw deze kerstspelen aan de andere kant van de Rijn, misschien later in Noord-Zwitserland, hoogstens nog in Brienz, gespeeld werden. De mensen zijn daarna naar het oosten getrokken en hebben deze kerstspelen als een kostbaar cultureel erfstuk in grote devotie meegenomen en hielden dat in hoge mate in ere. En gedurende de hele 16e, 17e, 18e eeuw werden ze dan tegen de kerst- en driekoningentijd in deze dorpen bij de zgn. heide (Haid)boeren gespeeld.
In deze Duitse gebieden in Hongarije was dit jaarlijks een grote gebeurtenis van christelijke vroomheid. Omdat deze kerstspelen in zekere zin een gunstig lot hadden, zijn ze tot in onze tijd heel oorspronkelijk gebleven. Want kerstspelen zijn in vroegere tijd voor en na de reformatie overal ontstaan en ze werden graag gespeeld, maar later zijn ze door zogenaamde intellectuele mensen verbeterd, wat je verbeteren noemt, want het wil zeggen dat het volkse ervan er totaal uitgebonjourd werd.
Und die Verbesserung, welche die Intelligenz hat anbringen wollen, ist eine gründliche Verschlimmerung geworden, so daß diese Volksspiele dann in den westlicheren Gegenden wirklich in einem schlechten Zustande eigentlich nur gefunden werden konnten. Da unten aber galten diese Weihnachtspiele der Intelligenz nichts. Als Karl Julius Schröer eben so in dem Anfang der fünfziger Jahre auf die Dörfer hinauskam, da haben die Schullehrer und der Dorfnotar gefunden: das ist etwas, um das man sich nicht kümmert. Die «intelligenten Leute» haben das als nichtsnutziges Zeug angesehen. Und so sind diese Weihnachtspiele ganz unverfälscht geblieben, weil sie niemand verbessert, das heißt, verschlechtert hat in Wirklichkeit. So sind sie geblieben die ganzen Jahrhunderte hindurch, und so hat sie Karl Julius Schröer noch in der Mitte des 19. Jahrhunderts gefunden.
En de verbetering die de intelligentsia aan wilde brengen, is een ernstige verslechtering geworden, zodat deze volksspelen dan in de westelijke streken echt in een slechtere toestand aangetroffen werden.
Maar deze kerstspelen vallen niet onder die van de intelligentsia.
Toen Karl Julius Schröer zo begin jaren vijftig in die dorpen kwam, waren de onderwijzer en de dorpsnotaris van mening dat men niets om die spelen gaf. ‘De intelligente mensen’ hebben dat voor nietsnuttige rommel gehouden. En daarom zijn deze spelen zo origineel gebleven, omdat niemand ze echt verbeterd, d.w.z. verslechterd heeft. Eeuwen zijn ze zo bewaard gebleven en zo vond Karl Julius Schröer ze nog in het midden van de 19e eeuw.
blz. 103
Da wurden sie nicht mehr jedes Jahr gespielt, sondern nur, wenn man glaubte, daß man das nötige Personal habe. Wenn die Weinlese vorüber war im Oktober, dann kamen die Honoratioren des Ortes zusammen bei ihrem Stammtisch und sagten: Dieses Jahr haben wir wiederum Burschen – denn nur Burschen durften da mitspielen -, um diese Weihnachtspiele aufführen zu können, und es tut unseren Leuten ganz gut, wenn sie wieder ein bißchen Frömmigkeit in die Adern kriegen. Jetzt wollen wir es wiederum einmal in diesem Jahr machen. Da war dann auch derjenige darunter – es war immer eine angesehene Familie unter den Bauern des Dorfes -, welcher der Besitzer des «Manuskriptes» war. Gedruckt waren sie ja nicht, diese Weihnachtspiele. Der hatte es von seinem Vater und der wieder von seinem Vater und so weiter erhalten. So waren sie durch die Jahrhunderte bewahrt. Und wenn nun die Zeit da war nach der Weinlese, sollte derjenige, welcher im Besitz des Manuskriptes war, nun die Burschen um sich versammeln und ihr Lehrmeister sein und um die Advents- und Weihnachtszeit, um die Dreikönigszeit, die Aufführungen vorbereiten.
Daar werden ze niet meer ieder jaar gespeeld, maar alleen, wanneer men geloofde dat er genoeg mensen waren die mee konden doen. Wanneer in oktober de druivenpluk voorbij was, kwamen de aanzienlijken van de streek bij elkaar aan hun stamtafel en zeiden: er zijn dit jaar weer jongemannen – want alleen jongens mochten meespelen – om de kerstspelen mee op te voeren en het is goed voor ze dat ze weer een beetje vroom bloed in hun aderen krijgen. Dit jaar zullen we het weer eens doen.
Daar zat ook degene bij – het was altijd een belangrijke familie uit de boeren van het dorp – die het ‘manuscript’ in zijn bezit had. Ze waren niet gedrukt. Die had het van zijn vader gekregen en die weer van zijn vader, enz. Zo waren ze door de eeuwen heen bewaard. En als dan de tijd na de druivenpluk aangebroken was, moest degene die in het bezit was van het manuscript, de jongens verzamelen en hun leermeester zijn en rond advent en de kersttijd, rond Driekoningen, de opvoeringen voorbereiden.
Und diese Aufführungen wurden wirklich mit größtem Ernst betrieben. Es gab strenge Vorschriften für diejenigen Burschen, die da mitwirken sollten. Zum Beispiel durften diese Burschen die ganze Zeit über, während der sie diese Spiele vorbereiten sollten, sich nicht betrinken.Wer diese Gegenden kennt – ich habe lange dort in diesen Gegenden gelebt -, weiß, daß das eine große, eine außerordentlich große Entbehrung für diese jungen Burschen war, wenn sie nun von der Weinlese bis zum Dreikönigstag sich nicht betrinken durften; auch nicht raufen zum Beispiel. Wer kennt, was da alles sich noch in jener Zeit abgespielt hat, wenn zum Beispiel eine Bürgermeister- oder gar eine Vizinalratswahl war – das war einer der Vertrauensbeamten des Komitats -, was das alles in diesen Gegenden hieß: die Burschen durften nicht raufen an den Sonntagen! Also sie mußten ein ganz frommes Leben führen. Es war wirklich echte Frömmigkeit, volkstümliche Frömmigkeit. Außerdem war vorgeschrieben, die ganze Zeit nicht zum Dirndl zu gehen. Und es durfte auch keine weltliche Musik in den ganzen Wochen in den Dörfern, wo sie überall herumzogen, aufgeführt werden. Alle die Vorschriften, die wir hier bei unseren Spielern
En deze opvoeringen werden met grote ernst uitgevoerd. Er waren strenge voorschriften voor de jongens die eraan meewerkten. De hele tijd waarin de spelen werden voorbereid, mochten ze niet dronken worden. Wie deze streken kent – ik heb er lang gewoond – weet, dat dit een grote, een buitengewoon grote onthouding is voor deze jonge knapen, als ze vanaf de druivenpluk tot aan driekoningendag zich niet mochten bedrinken; ook geen ruzie maken, bv. Wie weet wat zich daar allemaal nog afspeelde; wanneer er bv. een burgemeester of een vertrouwensambtenaar van een bestuurlijk gebied verkozen moest worden – betekende dit in deze streken: de jongens mochten op de zondagen geen ruzie maken. Ze moesten dus een heel vroom leven leiden. Het was echte vroomheid, volkse vroomheid. Bovendien was er voor de hele tijd voorgeschreven dat je niet naar de meisjes mocht gaan. En er mocht al die weken in de dorpen waar ze overal naartoe trokken ook geen wereldse muziek ten gehore worden gebracht. Al die voorschriften kunnen wij hier bij onze spelers.
blz. 104
natürlich durchaus nicht durchführen können, das heißt, die bisher genannten können wir durchführen; die anderen aber nicht. Wenn zum Beispiel jemand etwas vergessen hatte, was er gelernt hatte, hatte er eine Strafe zu bezahlen. Das könnten wir bei uns nicht tun. Ebensowenig könnten wir das nicht durchführen, daß niemand zu spät kommen könnte und so weiter. Also alle diese Dinge wurden im strengsten Sinne dort gehandhabt. Es war wirklich etwas außerordentlich Disziplinierendes für die Burschen des Ortes. Die Weihnachtspiele selber – als die Zeit herangekommen war -wurden in der Weise gefeiert, daß man sagen kann: es mischte sich da zusammen wirkliche, echte volkstümliche christliche Frömmigkeit, verbunden mit dem, was als Volksbräuche, nicht Sentimentalität da war. Es war wirkliche Volkstümlichkeit da drinnen: ehrliches Fromm-sein, nicht irgendwie scheinheiliges Frommsein, sondern ehrliches Frommsein, das schon vermischt ist auch mit einer gewissen Derbheit. Das war ja grade die aufrichtige Frommheit in alten Zeiten. Es hatte sich bis ins 19. Jahrhundert erhalten. Dann, wenn die Aufführungen herannahten, kamen auch einige Sachen, die wir nicht ebenso nachmachen können, denn ich weiß doch nicht, wie man das auffassen würde, wenn wir das zum Beispiel nachmachen würden.
echt niet doorvoeren, d.w.z. de nu genoemde wel; de andere echter niet. Wanneer bv. iemand wat vergeten was wat hij geleerd had, moest hij een boete betalen. Dat kunnen we bij ons niet doen. Net zo min kunnen we doorvoeren dat niemand te laat komt, enz. Daar werden al die dingen streng gehandhaafd. Het was echt iets waar voor de jongens veel discipline vanuit ging.
De Kerstspelen zelf – als de tijd was aangebroken – werden op een manier gevierd waarvan je kan zeggen: werkelijk, echte volkse, christelijke vroomheid, vermengde zich met wat er bestond aan volksgebruiken, geen sentimentaliteit. Er zat echt iets volks in: eerlijke vroomheid, niet een of ander schijnheilig vroom-zijn, maar christelijk vroom-zijn, dat toch wel vermengd was met een bepaalde onbehouwenheid. Dat was toch de oprechte vroomheid in de oude tijd. Dat bleef tot in de 19e eeuw bewaard.
Dan, wanneer de opvoeringen naderden, waren er ook nog wat dingen, die we ook niet kunnen overnemen, want ik weet niet hoe men het zou opvatten, wanneer wij bv. dit zouden overnemen:
Der Teufel, der mußte, wenn die Aufführung herankam, im ganzen Dorf mit seinem langen Schwanz herumgehen und überall hineintuten und den Leuten sagen, sie müßten jetzt zum Weihnachtspiel kommen. – Ich weiß nicht, wie man das auffassen würde; es könnte vielleicht gut sein, daß es gefiele! Und wir können auch das nicht nachmachen hier, daß der Teufel zum Beispiel auf jedes Fuhr-werk springt und dort seinen Schabernack treibt, wenn die Aufführung herannaht und so weiter. Wenn dann die Leute zusammengekommen waren im Wirtshause, ringsherum saßen auf den Bänken, dann wurde in der Mitte des Wirtshaussaales diese Aufführung gegeben. Etwas, was wir hier auch nicht nachmachen können, das war, daß man zwei Kreuzer bloß, das sind vier Rappen, Eintrittsgeld bezahlte. Das war für damals ein außerordentlich hohes Eintrittsgeld; Kinder zahlten die Hälfte. Die Dinge waren eben alle noch in der Mitte des 19. Jahrhunderts, als Karl Julius Schröer diese Spiele fand, durchaus so erhalten,
De duivel moest, wanneer de opvoering bijna begon, in het hele dorp met z’n lange staart rondlopen en overal naar binnen toeteren en de mensen aanzeggen, dat ze nu naar het kerstspel moesten komen. Ik weet niet hoe men dat zou opvatten, het zou goed kunnen voelen. En hier kunnen we ook niet overnemen dat de duivel op ieder voertuig zou springen en daarop zijn kattenkwaad zou uithalen als het spel opgevoerd zou gaan worden, enz. Als dan de mensen in de herberg gekomen waren en op banken rondom zaten, werd er midden in de gelagkamer gespeeld.
Iets wat we hier ook niet kunnen doen, is entreegeld laten betalen: twee Kreuzer slechts, dat is vier Rappen. Voor toen was dat een buitengewoon hoog entreegeld; kinderen betaalden de helft. In het midden van de 19e eeuw toen Karl Julius Schröer deze spelen vond, was dat nog precies zo,
blz. 105
auch die Gebräuche wie im 16. Jahrhundert, wo das Volk da hingezogen ist und diese Weihnachtspiele sich mitgebracht hat. Und dazumal, vor vierzig Jahren, habe ich diese unendliche Liebe zu diesen wunderbaren Weihnachtspielen gefaßt, und ich glaube tatsächlich, daß etwas Schönes erhalten werden kann, wenn man sie da, wo man Gelegenheit hat, wieder spielt. Denn dort, in den ehemaligen deutschen Gegenden Ungarns, werden sie längst nicht mehr gespielt. Die letzte Familie, die sie gehabt hat, ist ja wohl ausgestorben, und erneuert sind sie nicht mehr worden, sodaß eigentlich dasjenige, was wir nun schon in der Vorkriegszeit für diese Spiele getan haben, eine wirkliche Erneuerung der Sache ist. Es steckt ein Stück deutschen Volkstums in diesen Spielen. Es ist wirklich etwas erhalten, was früher sehr geehrt und geschätzt worden ist im Volke.
ook de gebruiken zoals die van de 16e eeuw, toen het volk wegtrok en deze Kerstspelen met zich meenamen.
En toen, veertig jaar geleden, heb ik voor deze wonderbaarlijke spelen een grote genegenheid opgevat en ik geloof werkelijk dat iets moois bewaard kan blijven, wanneer ze weer, als de gelegenheid zich voordoet, worden gespeeld. Want daar, in die vroegere Duitse streken in H0ngarije, worden ze allang niet meer gespeeld. De laatste familie die ze in haar bezit had, is wellicht uitgestorven en ze zijn niet meer vernieuwd, zodat eigenlijk wat wij in de tijd vóór de oorlog voor de spelen hebben gedaan, een echte vernieuwing is. In deze spelen zit een stuk echt Duits volksleven. Er is daadwerkelijk iets bewaard gebleven van wat vroeger in het volk zeer hoog gewaardeerd werd.
En ik geloof dat dit voor hier ook nog een bijzondere waarde heeft, wanneer de Zwitsers zich herinneren, misschien alleen nog in Noord-Zwitserland, maar heel zeker is het dat wanneer je de blik richt over de Rijn heen, dat deze spelen in de 14e, 15e, 16e eeuw daar overal werden gespeeld. Juist hier kun je er heel goede herinneringen aan verbinden en daarom geloven wij dat het ook heel goed is, deze spelen hier voor het voetlicht te brengen. In dit opzicht vragen wij uw belangstelling voor deze spelen.
Wij moeten natuurlijk met heel andere middelen te werk gaan, met de middelen die het moderne toneel ten dienste staan, voor zover wij daar hierover beschikken, maar daarbinnen proberen wij het zo vorm te geven, met het dialect en met alles zoals het in het volk werd opgevoerd. We mogen ze dus zo noemen: kerstspelen uit de oude v0lkscultuur.
Dit is de laatste toespraak bij een opvoering van de Kerstspelen uit Oberufer, die Rudolf Steiner hield. In de herfst van hetzelfde jaar werd hij ernstig ziek en stierf op 30 maart 1925.
In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.
TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN
ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM
ANSPRACHE DORNACH 31-12-1923 [2] während der Weihnachtstagung
blz. 97
Wir werden uns nun erlauben, Ihnen das Dreikönig- oder HerodesSpiel vorzuführen. Wir haben in den vergangenen Tagen uns gestattet, das Paradeis-Spiel und das Christ-Geburt-Spiel vor Sie hinzu-tragen, und heute bringen wir Ihnen das Dreikönig-Spiel. Über die Geschichte, das heißt über den Ursprung der Spiele, habe ich bereits gesprochen, ebenso über die Art der Einstudierung. Ich will heute nur noch bemerken, daß das Paradeis-Spiel in der Regel in der Art gespielt wurde, wie ich Ihnen das beschrieben habe, in der Adventszeit, das Christ-Geburt-Spiel in der eigentlichen Weihnachtszeit und dieses Dreikönig-Spiel um die Zeit des Dreikönigfestes, am 6. Januar, um diesen Tag herum. Man kann deutlich wahrnehmen, wie der Stil der beiden Spiele, des Weihnacht-Spiels und auch des Paradeis-Spiels und dieses Dreikönig-Spiels voneinander verschieden sind. Bei dem Weihnacht-Spiel sieht man ganz genau, daß man es mit etwas zu tun hat, das aus dem unmittelbaren Volksgemüt ist. Man muß sich etwa das Folgende vorstellen.
TOESPRAAK 31 DECEMBER 1923 tijdens de kerstconferentie
We nemen nu de vrijheid om voor u het Driekoningenspel of Herodesspel op te voeren. We hebben dat ook de afgelopen dagen gedaan met het Paradijsspel en het Geboortespel en vandaag brengen we voor u het Driekoningenspel. Over de historie, d.w.z. over de oorprong van de spelen heb ik u al verteld, evenals over de manier van het instuderen. Ik zou nu willen opmerken dat het Paradijsspel als regel zo gespeeld werd als ik heb beschreven, in de adventstijd, het Geboortespel in de eigenlijke kersttijd en dit Driekoningenspel rond de tijd van Driekoningen, op 6 januari, rond deze dag. Je kan duidelijk zien hoe de stijl van beide spelen, het Kerstspel en ook het Paradijsspel en dit Driekoningenspel van elkaar verschillen. Bij het kerstspel zie je heel duidelijk dat je met iets hebt te maken wat direct uit het gemoed van het volk komt. Je moet je ongeveer het volgende voorstellen.
Es gab ja, namentlich vor der Reformation auch in Mitteleuropa, nach der Reformation aber in den verschiedenen deutschen Kolonien, von denen eine diejenige von Oberufer ist, aus der diese Spiele stammen, überall die Brüdergemeinde, welche ein christliches Gemeinschaftsleben zu ihrer Aufgabe hatte, die fortleben wollte die religiöse Stimmung, die im Lukas-Evangelium gegeben ist. Und solche Brüder-gemeinden waren sehr ausgedehnt. Es war eine Art von Gemeinschaftsleben, welches die religiöse Erbauung in den gemeinsamen Empfindungen derjenigen suchte, die sich zu einer solchen Brüdergemeinde zusammenfanden. In diesen Kreisen sind dann Spiele entstanden wie dieses Weihnacht-Spiel, das Christ-Geburt-Spiel. Dagegen ist dieses Spiel, welches wir heute sehen werden, nur, wie ich glaube, durch ein unbegreifliches Mißverständnis meines alten Freundes und Lehrers,
Vóór de reformatie, ook in Midden-Europa, na de reformatie ook in de verschillende Duitse kolonies, o.a. die van Oberufer waar deze spelen vandaan komen, waren er overal broedergemeenten die zich als opdracht hadden gesteld een christelijk gemeenschapsleven te leiden, waarin de religieuze stemming die in het Lucasevangelie geschetst wordt, wordt voortgezet. En zulke broedergemeenschappen waren zeer uitgestrekt. Het was een soort gemeenschapsleven waarin de mensen die elkaar in zulke broedergemeenschappen vonden, hun gemeenschappelijke gevoel van religieus- zijn wilden versterken. In deze kringen zijn de spelen ontstaan, zoals het Kerstspel, het Geboortespel. Maar het spel dat we vandaag zien, is daarentegen alleen maar door een onbegrijpelijk misverstand van mijn oude vriend en leraar,
blz. 98
Karl Julius Schröer, zusammengekoppelt mit dem Weihnacht-Spiel, mit dem es dem Stil nach gar nicht stimmt. Es ist dieses Dreikönig-Spiel aus dem Klerus hervorgegangen, der sich die Aufgabe gestellt hat, dem Volke etwas zu geben. Man kann es überall dem Spiel ansehen, daß das aus der Inspiration des Klerus stammt, allerdings solcher Kleriker, welche sich intim mit dem Volkstum befaßt haben, welche sich ganz in das Volkstum eingelebt hatten, und welche die Interessen der Kirche durch solche Spiele im Volkstum haben vertreten wollen. Daher ist eine gewisse primitive Art in dem Christ-Geburt-Spiel zu bemerken, echte Frömmigkeit mit bäuerlicher Derbheit in Ehrlichkeit zu einem religiös-volkstümlichen Stil verbunden. Dagegen finden wir in diesem Spiel, welches heute vor unsere Seele tritt, Feierlichkeit. Feierlichkeit hervorgegangen aus dem Interesse der Kirche. Eine gründlich suggestive Gewalt ist gerade in diesem Dreikönig-Spiel sowohl in bezug auf die Komposition, die außerordentlich dramatisch geführt ist, wie auch in bezug auf das einzelne, das wir darinnen bemerken. Das Paradeis-Spiel, das Christ-Geburt-Spiel traten immer vor mich hin im Gespräche mit Karl Julius Schröer, am Ausgang der achtziger Jahre.
Karl Julius Schröer, gekoppeld aan het Kerstspel, waarmee het qua stijl helemaal niet overeenkomt. Dit Driekoningenspel is van de geestelijken gekomen die zich ten doel hadden gesteld, het volk iets mee te geven. Je kan overal aan het spel zien, dat het vanuit de inspiraties van de geestelijken komt, in ieder geval van die geestelijken die zich intensief in het volkse inleefden en die de belangstelling van de kerk d.m.v. die spelen onder het volk, wilden vertegenwoordigen. Vandaar dat er een bepaalde primitieve manier van doen te bemerken valt in het Geboortespel, echte vrome ernst met boerse onbehouwenheid, met elkaar verbonden in een eerlijke religieus-volkse stijl . Daarentegen vinden we in het spel dat we nu gaan zien waardige ernst, die de kerkelijke belangstelling meebracht. Er zit een zorgvuldig gesuggereerde strengheid in dit Driekoningenspel zowel wat de compositie betreft, die buitengewoon dramatisch is, als ook met betrekking tot de details die we zien.
Het Paradijsspel, het Geboortespel zag ik altijd voor me in de gesprekken met Karl Julius Schröer, aan het begin van de jaren tachtig (negentiende eeuw).
Er hatte die Dinge selber bei den Bauern aufführen sehen, wußte außerordentlich anschaulich von ihnen zu erzählen, und es konnte damals schon in mir eine deutliche Vorstellung von dem entstehen, was an altem Volkstum gerade in diesen Spielen enthalten ist. Von diesem Dreikönig-Spiel habe ich aber während meiner Knaben-zeit selber noch den Grundstock gesehen. Überall in katholisch christlichen Gegenden sah man von Neujahr gegen den Dreikönigstag hin diese Gruppen überall herumziehen, deren Mittelpunkt gerade die drei Magier, die drei Könige bildeten mit dem Stern. Sie zogen in den Dörfern von Haus zu Haus und führten zusammen die Sache auf; nicht dramatisch. Aber dasjenige, was Sie hier bei uns als Chorgesänge haben, dieses mit einigen dramatischen Dingen, führten sie manchmal vor den Türen auf und in den Häusern, welche sie da besuchten, wenn dazu Platz war. Doch konnte man sehen, daß in diesem Herumziehen der Magier etwas war, was aus der Kirche heraus kam. Und so ist das ganze Dreikönig-Spiel eigentlich aus der Kirche heraus gekommen, und daher hat es in den einzelnen Teilen seine besondere suggestive
Hij had ze zelf bij de boeren opgevoerd zien worden, wist er buitengewoon aanschouwelijk over te vertellen en toen kon er in mij al een duidelijke voorstelling ontstaan van wat er aan oude volkse inhoud in deze spelen bewaard werd. Van dit Driekoningenspel heb ik echter gedurende mijn jonge jaren zelf nog het basisspel gezien. Overal zag je in een katholiek-christelijke omgeving vanaf nieuwjaar tegen de driekoningendag overal deze groepen rondtrekken waarvan met name de drie magiërs, de drie koningen met de ster het middelpunt vormden. Ze gingen in de dorpen van huis tot huis en voerden samen het spel op; niet dramatisch. Maar wat u hier bij ons als koorzang hebt, met een paar dramatische dingen, voerden zij vaak op voor de deuren en in de huizen, die ze aandeden, wanneer er plaats voor was. Maar je k0n zien dat in het rondtrekken van de magiërs iets zat, wat uit de kerk stamde. En op deze manier komt het hele driekoningenspel eigenlijk uit de kerk en daarom heeft het in de afzonderlijke scènes die bijzonder suggestieve
blz. 99
Gewalt. Es ist daher ganz unrichtig, diese zwei Spiele mit dem ganz verschiedenen Stil in eins zusammenzuwerfen und sie als zusammengehörig etwa hintereinander aufzuführen. Das kann nur dadurch geschehen sein, daß vielleicht schon vorher einmal diese Spiele zusammengeworfen worden waren, und Karl Julius Schröer sie dann bei dem Malatitsch so zusammengeworfen gefunden hat. Wer aber die ganze Entwickelung der Spiele verfolgen kann, der weiß, daß diese beiden Dinge durchaus nicht zusammengehören, sondern sogar ganz verschiedenen Ursprung haben. Man sieht aber wiederum, wenn man den ganzen Komplex dieser Weihnachtspielerei ins Auge faßt, welcher große Wert gelegt worden ist sowohl von der mährischen Brüdergemeinde, die von der heutigen Tschechoslowakei hinübergezogen war nach dem Osten – sie waren ja lange Zeit hindurch die vorzüglichsten Pfleger des Christ-Geburt-Spiels – man kann sehen, was mit dem ganzen Komplex gemeint ist, auf der einen Seite im Volkstum ehrliche echte Frömmigkeit zu pflegen; Prokura, möchte ich sagen, der Kirche von der anderen Seite mit dem Dreikönig-Spiel. Man hat auf diese Weise gesucht, sich die Wege zu bahnen zu den Herzen der Menschen; man hat sie auch gefunden.
gestrengheid. Het is daarom helemaal niet juist om deze twee spelen met die heel verschillende stijlen op een hoop te gooien en na elkaar op te voeren alsof ze bij elkaar horen. Het kan gekomen zijn doordat deze spelen misschien al wel eerder samen genomen zijn en dat Karl Julius Schröer ze als bij elkaar horend bij Malatitsch heeft aangetroffen. Wie echter de hele ontwikkeling van de spelen kan volgen, weet dat ze helemaal niet bij elkaar horen, maar een heel verschillende oorsprong hebben. Je ziet echter wel, wanneer je dit hele gebied van kerstpelopvoeringen in ogenschouw neemt, welke grote waarde men hechtte, zowel van de kant van de Moravische broedergemeenschappen die vanuit het huidige Tsjechië en Slowakië naar het oosten waren getrokken – zij waren lang de meest voortreffelijke behoeders van het Geboortespel – je kan zien wat met dit hele gebied van spelen bedoeld wordt, enerzijds in het volk eerlijke, echte vroomheid te koesteren; aan de andere kant, van de kerk, procura, het Driekoningenspel. Op deze manier werd er gezocht een weg te vinden naar het mensenhart; en men vond die ook.
Und es ist schon so, daß man in recht interessante Gebiete des religiösen Lebens hineinkommt, wenn man das mannigfaltige religiöse Leben vor der Reformation ins Auge faßt. Gewiß, nachher ist dazugekommen, was vielleicht schon von der Reformation beeinflußt ist, aber man sollte historisch wenigstens sich wieder vergegenwärtigen, wie eine ehrliche innerliche Grundstimmung vorhanden war in der Zeit, in der es gegen die Reformation zu ging. Der Klerus mußte da solche Mittel ergreifen, um zu der Volkseele seine Zuflucht zu gewinnen.
Manches von dem, was in der Geschichte heute dargestellt wird, beruht durchaus auf Mißverständnis. Es ist zum Beispiel außerordentlich interessant, Bibelübersetzungen, wenn auch nicht der ganzen Bibel, so doch großer Teile des Alten oder des Neuen Testaments in jener älteren, vorlutherischen Zeit kennenzulernen. Die Sprache ist eine viel ursprünglichere, viel innigere, als diejenige, die dann durch Luther angeblich für die Bibel geschaffen worden ist. Und es ist eigentlich bloß eine historische Legende, wenn immer wieder und wiederum erzählt
En nu is het zo dat je op een heel interessant gebied van het religieuze leven komt, wanneer je naar het rijke religieuze leven van vóór de reformatie kijkt. Zeker, daar is later wel bijgekomen wat misschien al door de reformatie werd beïnvloed, maar je moet je op z’n minst toch realiseren wat er historisch aan eerlijke, innerlijke grondstemming aanwezig was in de tijd toen de reformatie naderde. De geestelijken moesten wel naar zulke middelen grijpen om hun toevlucht te zoeken bij de volksziel. Veel van wat tegenwoordig in de geschiedenis naar voren komt, berust echt op misverstanden. Het is bv. buitengewoon interessant om Bijbelvertalingen, wel niet de hele bijbel, maar toch wel grote delen van het Oude of het Nieuwe Testament in die oudere, voor-lutherse tijd te leren kennen. De taal is veel oorspronkelijker, veel intiemer dan die van Luther, die naar men aanneemt, voor de Bijbel is ontworpen. En eigenlijk is het een historische legende wanneer steeds maar weer wordt verteld
blz. 100
wird, Luther hätte zuerst die Bibel ins Deutsche übersetzt. Es ist sogar nicht einmal die beste Übersetzungskunst durch ihn geübt wor-den, sondern dasjenige, was früher vorhanden war, ist eigentlich besser. Und aus derselben Stimmung, aus der in religiösen Gemeinschaften in der vorreformatorischen Zeit solche Bibelübersetzungen hervorgegangen sind, sind auch solche Spiele hervorgegangen. Wir werden also lebendig in ein Stück alten Volkstums durch diese Spiele versetzt. Wir müssen das mit modernen Mitteln tun, aber wir versuchen sie in der Art aufzuführen, wie sie damals aufgeführt worden sind. Ich sagte schon einmal: gewisse Dinge können wir nicht wiederholen. Wohl könnte vielleicht einmal der Versuch damit gemacht werden, den Teufel mit dem Kuhhorn in Arlesheim und Dornach herumzuschicken. Zu jedem Fenster würde er hineinzututen haben, müßte den Leuten klarmachen – das ist so gebräuchlich -, daß sie heute zum Weihnacht-spiel kommen sollen! Aber ich weiß nicht, ob wir dadurch beliebter oder noch unbeliebter werden würden. Manche andere Dinge können wir auch nicht nachmachen. Zum Beispiel wurden diese Spiele ganz nur von Burschen gespielt.
dat Luther voor het eerst de Bijbel in het Duits heeft vertaald. En het is zelfs niet eens de beste vertaalkunst die hij aan de dag legt; wat er eerder was, is eigenlijk beter. En vanuit dezelfde stemming waaruit in religieuze gemeenschappen in de voor-reformatorische tijd dergelijke bijvelvertalingen zijn gekomen, stammen ook zulke kerstspelen. Door deze spelen worden we op een levendige manier teruggebracht naar dit oude volkse. Wij moeten het met moderne middelen doen, maar wij proberen ze voor u op te voeren, zoals ze toen opgevoerd zijn. Ik zei eens: bepaalde dingen kunnen we niet ook doen. We zouden eens kunnen proberen de duivel met een koeienhoorn naar Arlesheim en Dornach te sturen. Dan zou hij door elk raam naar binnen moeten blazen, de mensen duidelijk maken – dat is gebruikelijk – dat ze nu naar de kerstspelen moeten komen! Maar ik weet niet of wij daardoor nu meer geliefd zouden worden of minder. Veel dingen kunnen we niet net zo doen. Bv. deze spelen werden helemaal door jongemannen gespeeld.
Das würde auch bei uns nicht gehen, sie nur von Burschen spielen zu lassen. Dann können wir namentlich dieses nicht wiederholen, daß Strafen bezahlt werden müssen, wenn jemand irgend etwas, das der Lehrmeister einstudiert hatte, sich nicht in richtiger Weise merkte. Ja, da käme eine ganze Revolution unter den Spielern. Dann können wir weiter auch das nicht einführen, daß wir zwei Rappen als Eintritt nehmen würden, oder es wurden vier Rappen als Eintritt gegeben und genommen damals. Kinder bezahlten die Hälfte. Das können wir auch nicht nachahmen. Ich weiß es nicht, aber es wird berichtet, daß von dem, was auf diese Weise einkommt, defekte Kleider und so weiter für die nächste Aufführung wieder hergestellt wurden. Nun, dabei war das Publikum gewöhnlich gar nicht so zahlreich wie dieses hier. Also wir sehen dabei auch in Zeiten hinein, wo die Dinge noch wesentlicher billiger waren. Aber abgesehen von all dem, möchten wir versuchen, ein richtiges Stück altes Volkstum vor Ihre Seele hinzustellen auch mit diesem Stück, diesem Dreikönig- oder Herodes-Spiel, trotzdem wir das nur
Dan zou bij ons ook niet gaan. We kunnen ook niet zo doen dat er een boete betaald moest worden, wanneer iemand iets wat de leermeester ingestudeerd had, niet op de juiste manier uitvoert. Dan zou er een hele opstand onder de spelers uitbreken. We kunnen ook geen entree vragen van twee munten (Rappen) of vier, toen. Kinderen betaalden de helft. Dat gaat niet. Ik weet het niet, maar er wordt gezegd dat van wat er op deze manier binnenkomt, kapotte kleding werd gemaakt enz., die voor de volgende opvoering weer heel moet zijn. En, het er was gewoonlijk ook niet zoveel publiek als nu hier. Dus wij kijken ook naar een tijd waarin de dingen nog wezenlijk goedkoper waren. Maar afgezien daarvan, wij willen graag een echt stuk oude volksculuur voor u opvoeren, ook met dit stuk, dit Driekoningenspel of Herodesspel, ondanks dat wij dat
blz. 101
dadurch können, daß wir sozusagen in moderne Verhältnisse transponieren, aber diese modernen Verhältnisse so gestalten, daß der alte Stil dabei erhalten bleibt. Und so möchten wir Ihnen auch gerade dieses Dreikönig-Spiel vor die Seele führen.
alleen kunnen doordat wij het zogezegd overzetten naar de moderne omstandigheden, maar dan zo dat de oude stijl bewaard blijft. En op die manier willen wij ook dit Driekoningenspel voor u opvoeren.
In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.
TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN
ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM
ANSPRACHE DORNACH 29-12-1923 [2] während der Weihnachtstagung
blz. 93
Ich habe Ihnen gewissermaßen die Geschichte dieser Weihnachtspiele geschildert gelegentlich der Aufführung des Paradeis-Spieles, so daß ich heute nur von der Art sprechen möchte, wie in jenen deutsch-ungarischen Kolonien, in denen Karl Julius Schröer diese Stücke gefunden hat, eigentlich diese Aufführung ins Werk gesetzt worden ist. Ich wiederhole also nur kurz, daß diese Weihnachtspiele, schon Ende des 15., Anfang des 16. Jahrhunderts aus ihrer mitteleuropäischen Heimat nach dem Osten gewanderten Stücke, bis ins 19. Jahrhundert herein in den verschiedensten Gegenden Ungarns aufgeführt worden sind. Karl Julius Schröer hat sie später in der Nähe von Preßburg, in der Oberuferer Gegend in der Familie Malatitsch gefunden. Die Aufführung dieser, als ein teures Erbgut angesehenen Stücke, welche sich in einer Familie immer fortsetzten, wurde gewöhnlich schon nach der Weinlese, also Mitte, Ende Oktober, beraten, ob die Spiele aufgeführt werden sollen.
Toespraak Dornach 29-12-1923 [2] tijdens de kerstconferentie
Ik heb u in zekere zin over deze kerstspelen verteld bij de gelegenheid van de opvoering van het Paradijsspel, zodat ik vandaag alleen maar over de manier zou willen spreken hoe men in die Hongaars-Duitse kolonies waarin Karl Julius Schröer deze stukken gevonden heeft, eigenlijk met de opvoering te werk ging. Ik herhaal dus alleen in het kort dat deze kerstspelen, al aan het einde van de 15e, begin 16e eeuw uit hun Middeneuropees thuisland naar het oosten verplaatste stukken, tot in de 19e eeuw in de meest verschillende streken van Hongarije opgevoerd werden. Karl Julius Schröer heeft ze later in de omgeving van Pressburg, in de omgeving van Oberufer, bij de familie Malatitsch gevonden. Over de opvoering van deze als een kostbaar erfgoed beschouwde stukken, die steeds in een familie bleven, werd gewoonlijk al na de druivenoogst, dus midden, eind oktober, beraadslaagd of ze zouden worden opgevoerd.
Schon aus dem Grunde war dies nötig, weil nicht jedes Jahr die nötige Stimmung bei den Leuten da war, durch das oder jenes, auch besonders weil nicht immer die nötigen Aufführer da waren. Aber zu gewissen Zeiten, nach der Weinlese, fanden sich doch die Leute zusammen an ihrem Stammtisch und sagten: Jetzt hätten unsere Burschen doch wieder einen gewissen neuen Aufputz für ihre Frömmigkeit nötig, und wir könnten dieses Jahr wiederum diese Spiele aufführen. – Und wenn sich der, welcher in der Familie diese Spiele bewahrte, dazu bereit erklärte, sah man sich um, welche Burschen im Dorf geeignet wären, um in dem betreffenden Jahre die Aufführungen zu machen.
Diese Spiele wurden nun in einer recht strengen Weise einstudiert. Denn, sehen Sie, die ganze Aufführung wurde als etwas angesehen, das mit dem innigsten religiösen Leben, mit der innigsten Frömmigkeit der Leute in jenen Gegenden zusammenhing. Und so gab es für diejenigen,
Dat was wel nodig omdat er bij de mensen niet ieder jaar de vereiste stemming was, door het een of ander, ook vooral omdat er niet altijd de nodige spelers waren. Maar op gezette tijden, na de druivenpluk, troffen de mensen elkaar toch rond de stamtafel en zeiden: nu hebben onze jongemannen toch weer eens een zetje nodig in de richting van hun vrome beleving en we zouden dit jaar deze spelen wel weer op kunnen voeren. En wanneer degene in wiens familie de spelen werden bewaard het ermee eens was, keek men welke jongens uit het dorp geschikt waren om in dat betreffende jaar de opvoeringen te verzorgen. Deze spelen werden op een behoorlijk strenge manier ingestudeerd. Want, ziet u, de hele opvoering werd als iets beschouwd dat met het diepste religieuze leven, met de diepste vroomheid van de mensen in die streek samenhing. En zo waren er voor
blz. 94
die mitspielen sollten, während der Vorbereitungszeit strenge Verordnungen. Sie durften zum Beispiel in dieser Zeit sich nicht betrinken, was sehr viel heißen will in diesen Gegenden; sie durften nicht zum Dirndl gehen; sie durften viele andere Dinge nicht machen, welche sie sonst gerne machten. Das Ganze wurde überhaupt als etwas angesehen, was einer feierlichen Zeit angehört, und als etwas, dem man feierliche Stimmung entgegenbringen muß. Es verging zum Beispiel in gewissen Jahreszeiten kein Sonntag, ohne daß in diesen Dörfern der Haidbauern, oder wo die Dinge aufgeführt wurden, nicht Musik in den Wirtshäusern gewesen wäre. Nun kamen einmal diese Leute, welche die Volksspiele spielten, in ein Dorf, wo am Advent ihnen zu Ehren, als sie kamen, eine nicht schlimme Musik aufgeführt wurde. Da sagten sie, ob man glaube, daß sie Komödianten seien, daß man ihnen zu Ehren Musik mache! Also alle Lustbarkeit mußte überhaupt schweigen zu dieser Zeit, während der gespielt wurde. Es waren auch noch andere strenge Vorschriften, die wir durchaus nicht nachmachen können. Zum Beispiel derjenige, welcher mitspielte, mußte strengen Gehorsam dem Lehrmeister leisten. Das können wir natürlich nicht nachmachen.
degenen die zouden meespelen tijdens de voorbereidingen strenge regels. Ze mochten bv. in deze tijd niet dronken zijn, wat voor deze streken zeer veel wil zeggen; ze mochten niet naar de meisjes gaan; ze mochten veel dingen niet, die ze normaal graag deden. Het geheel werd eigenlijk als iets beschouwd wat bij een feestelijke tijd behoort en als iets waarvoor je een feestelijke stemming opbracht. Er was bv. in een bepaalde tijd van het jaar geen zondag zonder dat er in deze dorpen van boeren of waar ze werden opgevoerd, in de herbergen geen muziek was. Nu kwamen op een keer die mensen die de volksspelen opvoerden, in een dorp waar met advent te hunner ere niet eens zulke vreselijke muziek gespeeld werd. Toen zeiden ze of ze van mening waren dat zij komedianten waren om voor hen dergelijke muziek te spelen! Dus alle goedkope vrolijkheid moest deze tijd waarin er werd gespeeld, eigenlijk niet. Er waren ook nog andere strenge voorschriften die wij zeer zeker niet kunnen overnemen. Bv. dat degene die meespeelde onvoorwaardelijk naar de leermeester moest luisteren. Dat kunnen wij natuurlijk niet overnemen.
Außerdem, wenn irgend etwas, eine Attitüde, die einstudiert war, vergessen wurde, mußte man Strafe bezahlen. Auch das können wir natürlich hier nicht nachmachen. Das Entrée war zwei Kreuzer, Kinder zahlten die Hälfte. Zwei Kreuzer, das sind vier Centimes. Das konnen wir auch nicht nachmachen. Wir können auch nicht nachmachen, daß zu den Spielen in der Form eingeladen wurde, daß der Teufel eine halbe Stunde oder eine Stunde vorher, bevor die Aufführung begann, im Dorf herumlief mit seinem Schwanz – denken Sie! – und mit einem Kuhhorn nun überall da in die Fenster hinein-tutete und den Leuten erklärte, sie müßten kommen, das gehörte sich so. Dann sprang er auch auf Fuhrwerke hinauf und trieb so seinen Unfug. Wir könnten es ja einmal probieren, vielleicht könnten sich die Sympathien für uns nicht vermindern, sondern sogar etwas vergrößern. Aber bis jetzt haben wir immer noch geglaubt, solche Dinge müßten wir eigentlich weglassen. So wurde also dieses einstudiert. Und wenn dann die Adventszeit herankam, wurde das Paradeis-Spiel gegeben, wie wir es hier vor einigen
Bovendien moest je wanneer je iets, een gebaar dat ingestudeerd was, niet meer wist, een boete betalen. Ook dat kunnen we hier natuurlijk niet overnemen. De entree bedroeg twee Kreuzer, kinderen betaalden de helft. Twee Kreuzer zijn vier centimes. Dat kunnen we ook niet overnemen. En ook niet, dat om de mensen uit te nodigen de duivel een half uur of een uur van tevoren, voor de opvoering begon, door het dorp liep met z’n staart – en stel je voor – met een koeienhoorn dat hij overal door de ramen toeterde en tegen de mensen zei dat ze moesten komen, dat hoorde! Dan sprong hij op de karren en haalde kattekwaad uit. We zouden het eens kunnen proberen, misschien zou het de sympathie voor ons niet doen afnemen, maar juist misschien wel wat groter doen worden. Maar tot nog toe hebben we gedacht dat we zulke dingen maar achterwege moeten laten. Zo werd dit dus ingestudeerd. En als het dan advent werd, werd het Paradijsspel gespeeld, zoals wij een
blz. 95
Tagen gegeben haben, zur Zeit der Weihnacht das Christ-Geburt-Spiel und zur Zeit des Heiligen Dreikönig-Festes das Herodesoder Dreikönig-Spiel, welches Sie noch sehen werden oder schon gesehen haben. Wir können es diesen Stücken in der äußerlichen Struktur ansehen, wie geartet diese besondere bäuerliche Frömmigkeit war, die sich da so wundersam noch erhalten hat. Diese Frömmigkeit trägt ihre ehrliche, ihre innere Wahrheit dadurch zur Schau, daß sie alle Sentimentalität vermeidet und dafür eine ganze selbstverständliche Derbheit hat. Dieses derbe Wesen, dieses Sich-Ergehen in derben Späßen, ist etwas, was überhaupt den Volksspielen, trotzdem diese Leute volle, ehrliche Frömmigkeit hatten, durchaus eignete. Das ist das besonders Charakteristische. Sie werden daher auch hier Szenen von großer Feierlichkeit sehen und solche Szenen, welche massive Derbheit des Bauerntums, des Volkstums zur Schau bringen. An solch einer Bemerkung, wie sie der Vorsinger, der Anführer der Singer, macht, wo hingewiesen wird, daß der Rhein da in der Nähe ist, sehen Sie eben, daß die Dinge aus der Gegend nördlich vom Rhein hier nach dem Osten hinübergewandert sind, und sie haben wirklich durchaus auch sich die Sprache erhalten.
een paar dagen geleden hebben gedaan; tegen kersttijd het spel van de geboorte van Christus en tegen de tijd van het heilige driekoningenfeestr het Herodesspel of het Driekoningenspel dat u nog gaat zsien of al gezien hebt. We kunnen aan de uiterlijke opzet van deze stukken zien, hoe het stond met deze boerse vroomheid, die nog zo prachtig bewaard gebleven is. Deze vroomheid brengt de eerlijke, de innerlijke waarheid naar buiten en daarmee wordt alle sentimentaliteit vermeden en daarvoor in de plaats komt een heel vanzelfsprekende houding van ruwe bolster, blanke pit. Dit wat ruwe, ook in de grappen, was iets wat bij de volksspelen hoorde, ondanks dat deze mensen eerlijk vroom waren. Dat is het bijzonder karakteristieke. U zal hier ook scènes zien vol grote plechtigheid, maar ook die het wat stevig ruwe van het boerenleven, van het volkse laten zien. Aan zo’n opmerking als de voorzanger, de leider van de zangers maakt, waarbij erop gewezen wordt dat de Rijn in de buurt ligt, kan je zien dat deze dingen vanuit de omgeving noordelijk van de Rijn naar het oosten gekomen zijn en zeer zeker is ook de taal bewaard gebleven.
Es hat Karl Julius Schröer die Dinge nach dem Gehör aufgezeichnet, von seiten derjenigen, welche diese Stücke dazumal in den vierziger, fünfziger Jahren des vorigen Jahrhunderts auswendig gekannt haben und sie öfter aufgeführt hatten. Dabei sind mancherlei Fehler unterlaufen. Und diese Fehler, die da in dem Schröerschen Druck unterlaufen sind, haben es mir unmöglich gemacht, daß ich der Anforderung nachgekommen wäre, einen Text dieser Spiele neu drucken zu lassen, denn man müßte sich wahrhaftig viele Wochen damit beschäftigen, die ursprüngliche Fassung, die echte, ehrliche Fassung wieder herzustellen. Man kann natürlich nicht sein Einverständnis damit geben, einen schlampigen Text herzustellen. Sehen Sie, man kommt auf manches erst nach sehr, sehr langer Zeit. Der gedruckte Text war durchaus korrumpiert, zum Beispiel muß er an dieser Stelle heißen: Adam, nimm an den lebendigen atem, Den du empfangest mit dem datem…
Ksrl Julius Schröer heeft wat hij hoorde opgetekend, van mensen die deze stukken toen in de jaren veertig en vijftig van de negentiende eeuw uit hun hoofd kenden en ze vaker hadden opgevoerd. Daarbij zijn er wel fouten ingeslopen. En deze fouten die ook in wat Schröer heeft laten drukken, terecht zijn gekomen, hebben het voor mij onmogelijk gemaakt dat ik aan de vraag had kunnen voldoen om een tekst van de spelen opnieuw te laten drukken, want dan moet je je toch weken bezighouden met de oorsrponkelijke vorm, het herstellen van de echte, eerlijke vorm. Je kan het natuurlijk niet maken om een slordige tekst samen te stellen. Je komt pas op veel dingen na een zeer, zeer lange tijd. De gedrukte tekst klopt beslist niet op een plaats als deze bv.
Adam, nimm an den lebendige atem Den du empfangest mit dem datem
(In de tekst van Sanne Bruinier: Adam, nu neemt den adem des levens, dien ghy ontfaet mit deuzen dach blz. 96
nämlich: mit diesem Datum. Das ist: von diesem Tage an bekommst du den lebendigen Atem. Man muß, wenn man diese Dinge heute auf die Bühne bringen will, die Gewissenhaftigkeit haben, sich solche Texte herzustellen. Und so werden wir uns bemühen, meine lieben Freunde, Ihnen, trotzdem wir uns moderner Mittel bedienen müssen, ein Bild von der Art und Weise zu geben, wie solche Dinge ursprünglich gespielt worden sind, wie im Volkstum gesucht worden ist echte Frömmigkeit. Ich werde manches noch ausführen bei der nächsten Aufführung des Herodes-Spiels. Es ist hervorgegangen auch wiederum aus einem künstlerischen Elemente, das sich gerade in Mitteleuropa ergeben hat wie eine volkstümliche Vorführung uralter dramatischer Kunst.
nl. ‘mit diesem Datum’. Dat betekent: vanaf deze dag krijg je de levende adem. Je moet, wanneer je deze dingen op het toneel wil doen, zeer nauwkeurig zijn bij het samenstellen van dit soort teksten. En op deze manier, beste vrienden, doen wij moeite, u ondanks dat we moderne middelen moeten gebruiken, een beeld te geven van de manier waarop deze dingen oorspronkelijk werden gespeeld, hoe in het volkse werd gezocht naar echte devotie. Bij de volgende opvoering van het Herodesspel zal ik nog veel meer aan de orde stellen. Dat stamt ook weer uit iets kunstzinnigs, dat juist vanuit Midden-Europa gekomen is als een volkse uitbeelding van oeroude dramatische kunst.
Sie werden sehen, wie da Chöre sind, und aus den Chören der Dialog und das andere Dramatische herauswächst in einer wunderschönen Weise. Es ist wirklich so, wenn man dieses Primitive mit den griechischen Tragödien vergleicht, so sieht man, wie da in diesen volkstümlichen Gegenden eine sehr schöne Fortsetzung ist. Und der Kontakt, der da ist mit dem ganzen Publikum, daß man eigentlich sich als Mitspielender mit dem Publikum als eins fühlt, tritt insbesondere in dieser Begrüßung von allem zutage, was in dem Saal und außer dem Saale ist, was auf der Erde und außer der Erde ist. Das brachte etwas zutage, etwas zu fühlen von Heimischsein. Das ist dasjenige, was diesen Spielen den besonderen künstlerischen Reiz gibt. Wir möchten uns damit eben bemühen, Ihnen in lebendiger Art ein Stückchen Geschichte, das im Grunde genommen draußen, außer unseren Kreisen schon zum größten Teil verlorengegangen ist, vorzuführen.
U zal zien dat er koren zijn en hoe vanuit de koren de dialoog ontstaat en andere dramatiek op een wonderschone manier. Het is werkelijk zo dat wanneer je dit primitieve met de Griekse tragedies vergelijkt, je ziet hoe dat in deze volkse streken wordt voortgezet. En het contact dat er met het hele publiek is, dat je je als speler één voelt met het publiek, komt heel bijzonder naar voren in de begroeting van alles wat er in de zaal en buiten de zaal is, wat op aarde is en wat daarbuiten. Dat liet iets zien, deed iets voelen van ‘thuis-zijn’. Dat geeft deze spelen zo’n bijzondere kunstzinnige glans. We proberen graag u op een levendige manier een stukje geschiedenis te laten zien dat in wezen in de wereld, buiten onze kringen al voor het grootste deel verloren is gegaan.
In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.
TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN
ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM
ANSPRACHE DORNACH 01-01-1923 [2] nach dem Brand des Goetheanum in der Silvesternacht 1922I23, vor dem Dreikönig-Spiel
blz. 75
Meine lieben Freunde! Der große Schmerz versteht zu schweigen über dasjenige, was er fühlt. Und deshalb werden Sie mich auch verstehen, wenn ich ganz wenige Worte nur, bevor wir das Dreikönig-Spiel beginnen, zu Ihnen spreche. Das Werk, welches durch die aufopfernde Liebe und Hingabe zahlreicher für unsere Bewegung begeisterter Freunde innerhalb von zehn Jahren geschaffen worden ist, ist in einer Nacht vernichtet worden. Es muß selbstverständlich gerade heute der schweigende Schmerz aber empfinden, wie unendliche Liebe und Sorgfalt unserer Freunde
Toespraak Dornach 01-01-1923 [2] na de brand van het Goetheanum in de oudejaarsnacht 1922/23 voor het Driekoningenspel
Beste vrienden! Het grote verdriet weet te zwijgern over wat het voelt. En daarom zal u mij begrijpen wanneer ik heel weinig woorden slechts, voor we met het Driekonigenspel beginnen, tot u spreek. Het werk dat in tien jaar is verricht door de opofferende liefde en toewijding van de talloze vrienden die zoveel enthousiasme hebben voor onze beweging, is in één nacht vernietigd. Het stille verdriet moet vanzelfsprekend vandaag ervaren wat voor grenzeloze liefde en zorg onze vrienden
blz. 76
in dieses Werk hineingetan war. Und dabei möchte ich es zunächst, meine lieben Freunde, eigentlich bewenden lassen. Ich möchte nur sagen, daß nun auch für das Werk, das allerdings eine allzu kurze Zeit noch schien, als ob es ein Werk der Rettung werden könnte, und für welches wiederum die hingebungsvollste aufopferungsvollste Arbeit, sogar zuweilen recht gefährliche Arbeit von manchem unserer Freunde geleistet worden ist, der allerinnigste Dank gebührt, der ausgesprochen werden kann aus dem Geiste unserer Bewegung. Da wir von dem Gefühl ausgehen, daß alles dasjenige, was wir in- nerhalb unserer Bewegung tun, eine Notwendigkeit innerhalb der gegenwärtigen Menschheitszivilisation ist, so wollen wir das, was beabsichtigt ist, in dem Rahmen, der uns noch gelassen worden ist, möglichst fortführen, und deshalb auch in dieser Stunde, wo sogar noch die uns so sehr zum Schmerze steigenden Flammen draußen brennen, jenes Spiel aufführen, das im Anschluß an diesen Kurs versprochen war, und auf das unsere Kursteilnehmer rechnen. Ebenso werde ich heute abend um acht Uhr hier in der Schreinerei den angesetzten Vortrag halten. Gerade dadurch rollen wir zum Ausdruck bringen, daß selbst das eigentlich wirklich nicht in Worten, mit Worten zu schildernde Unglück, das uns getroffen hat, uns nicht niederschmettern soll, sondern daß uns der Schmerz gerade dazu auf- fordern soll, dasjenige, was wir als unsere Pflicht ansehen, weiter, so- weit uns dazu die Kraft verliehen ist, zu vollbringen.
aan dit werk gegeven hebben. En daarbij zou ik het nu, beste vrienden, eigenlijk willen laten. Even leek het erop dat het reddingswerk zou slagen waarvoor aan veel van onze vrienden die opnieuw zo op het werk betrokken waren, zo opofferingsgezind, zelfs af en toe echt gevaarlijk wel zeer gemeende dank verschuldigd is die uitgesproken kan worden vanuit de geest van onze beweging. Omdat we van het gevoel uitgaan dat alles wat we in onze beweging doen, noodzakelijk is in onze huidige mensheidscultuur, willen we wat we voor ogen hebben, binnen de mogelijkheden die we nog hebben, zo veel mogelijk doorzetten en daarom ook op dit tijdstip, zelfs nu de vlammen die ons zoveel verdriet geven buiten nog branden, dat spel opvoeren dat aansluitend aan deze conferentie beloofd was en waarop de deelnemers rekenen. Eveneens zal ik vanavond om acht uur in de ‘Schreinerei’ de aangekondigde voordracht houden. Met name daardoor willen we tot uitdrukking brengen dat eigenlijk zelfs niet echt in woorden, met woorden weer te geven ongeluk dat ons heeft getroffen, ons er niet onder krijgt, maar dat het verdriet ons er juist toe oproept om dat wat we als onze plicht zien, verder, voor zover we daarvoor de kracht krijgen, te volbrengen.
Von diesem Gesichtspunkte aus, meine lieben Freunde, nehmen Sie zu den beiden anderen Weihnachtspielen, die aus wirklichem Volkstum herausgeschöpft sind, auch dieses Dreikönig-Spiel hin, das wir aufführen, trotzdem wir natürlich heute nicht in der Lage waren, die rechten Proben zu halten. Sie werden das berücksichtigen müssen, aber ganz gewiß auch in dieser schmerzlichen Zeit zu berücksichtigen die Neigung haben. Nur diese wenigen Worte wollte ich, bevor wir mit unserer Aufführung beginnen, zu Ihnen sprechen. Es soll ja nicht ein Schaustück sein, das wir vorführen, sondern es soll dasjenige sein, durch das nun – als in seiner Kunst – sich einstmals das Volk zu seinem Heiligsten
Vanuit dit gezichtspunt, beste vrienden, neem naast de twee andere Kerstspelen die uit het echte volkse zijn ontstaan, ook dit Driekoningenspel ter harte, dat we opvoeren, ondanks dat we vandaag niet in staat waren de juiste voorbereidingen te treffen. Daar moet u rekening mee houden, maar dat zal u in deze smartelijke tijd ook zeker doen. Alleen deze paar woorden wilde ik, voor we met de opvoering beginnen, tot u spreken. Het wil geen toneelstuk zijn, dat we nu opvoeren, maar juist zijn als iets wat in zijn kunst het volk van toen verheven heeft tot wat het heiligst is.
erhoben hat. Und wenn man gerade das berücksichtigt, so wird es durchaus nicht unangemessen befunden werden können, gerade auch aus dem tiefsten Schmerz heraus diesen heiligen Ernst vor unsere Seelen treten zu lassen.
En als u dat voor ogen houdt, zal u het zeker niet ongepast vinden om juist vanuit het diepste verdriet deze heilige ernst met ons hart te aanschouwen.
Von der Aufführung des Dreikönig-Spieles am 6. Januar 1923 ist keine Nachschrift einer Ansprache von Rudolf Steiner vorhanden.\
Van een toespraak van Rudolf Steiner bij de opvoering van het Driekoningenspel op 6 januari 1923 zijn geen notities .