VRIJESCHOOL –– Het leerplan – Caroline von Heydebrand (9e klas)

.

Kort na het overlijden van Rudolf Steiner in maart 1925 verscheen voor de eerste keer een schriftelijke weergave van het leerplan van de vrijeschool.
Die werd samengesteld door Caroline von Heydebrand die vanaf het begin in 1919 aan de vrijeschool in Stuttgart was verbonden. Zij had ook de begincursus – GA 293294 en 295 – bijgewoond en de vele lerarenvergaderingen met Rudolf Steiner (GA 300abc). 
In de jaren 1919 – 1925 tekenden zich de contouren van een leerplan af dat nadien in grote lijnen hetzelfde is gebleven.
Dat betekent echter niet dat het ‘achterhaald’ zou zijn. In velerlei opzichten zijn de ideeën nog altijd even verfrissend en laten ruimte voor ontwikkeling.

Caroline von Heydebrand, Mitteilungsblatt, okt. 1925
.

DE JONGE MENS NA DE PUBERTEIT

De volledig ontwaakte denkkracht van de jonge mens en het vermogen te oordelen vraagt om voeding en om mogelijkheden ze te gebruiken in opgaven die door verstand en logica te benutten op te lossen zijn. De verhouding die de jonge mens nu bewust en zelfstandig met zijn omgeving wil krijgen, vraagt om voortdurend contact met het praktische leven en met de verworvenheden van de moderne techniek. Zijn rijke en turbulente gevoelsleven dat de jongen nog meer verbergt dan het meisje, verlangt naar impulsen vanuit serieuze mensheidsproblemen die aan de orde moeten worden gesteld en veelzijdig moeten worden belicht, omdat iedere eenzijdigheid naar zijpaden leidt. Bij de vele moeilijkheden en morele remmingen van deze aan raadsels, wonderen en verrassingen zo rijke leeftijd waarin het bewustzijn langzamerhand heer en meester wil worden over de overrompelende gevoelswereld, helpt het eigen kunstzinnig bezigzijn en het werken met de handen, maar ook de door fantasie, enthousiasme en kunstzinnig gevoel doordrongen lessen van de leraar. De jonge mens volgt nu niet alleen meer de autoriteit van de leraar die hem door de acht jaar basisschool heen heeft geleid, maar hij krijgt nu les van een aantal vakleraren waaruit hij nu zelf zijn favorite leraar kiest. Wat voor hem voordien mooi of lelijk was, goed of verkeerd, nam hij als wet voor zijn handelen aan van de leerkracht; nu gaat hij ertoe over te handelen uit plichtsbesef en gaat op weg naar de vrijheid waarbij plicht betekent: ‘houden van datgene wat je jezelf oplegt.’

9e klas

[De vakken zijn door mij in alfabetische volgorde gezet]

Aardrijkskunde

Aansluitend bij de plooiing van de Alpen en de geologische structuur wordt de  verdeling van de gebergten over de hele aarde besproken (gebergtekruis van de aarde)

Biologie

De antropologie wordt voortgezet

Euritmie

Het hoort bij de leeftijd dat wat tot nog toe geleerd is, nog beter te leren kennen. Zo kan langs deze weg de euritmie vanuit een nieuwe kant aan de leerlingen aangeboden worden, wanneer men op het innerlijke wezen van de klankbeweging ingaat. Bij het uitvoeren van grotere gedichten kan je bij de keuze aansluiten bij wat bij taal behandeld is. Je zal vooral het plastisch-muzikale in de taal moeten uitwerken. Ook worden vormen gebruikt waarin de innerlijke opbouw van een gedicht volgens het rijm tot uitdrukking komt. Andere oefeningen worden onderhouden.

Tooneuritmie:

Op eenzelfde manier wordt verder gewerkt. Nieuw is het kunnen aangeven van de hoofddrieklanken als beeld van de harmonische opbouw van een stuk. Hiermee heb je een zeer goed middel om de grondslagen van de harmonieleer op zo’n manier aan de leerlingen mee te geven dat naast de denkende mens, ook de voelende en willende daarbij actief kan zijn. Want hier wordt ook zichtbaar, wat anders alleen hoorbaar blijft.

Geschiedenis

De geschiedkundige ontwikkeling vanaf de Dertigjarige oorlog tot aan de nieuwe tijd wordt nog een keer doorgenomen, maar voor de leerlingen in een volledig nieuw daglicht gesteld. Stelde de leraar eerder meer de feiten aan de orde, nu komen de meer innerlijk geschiedkundige motieven erbij. Hij schetst het toenemende bewustzijn van de nieuwere mensheid en het verruimen van de horizon door astronomie en aardrijkskunde. De leerling leert de tijd waarin hij geboren is, te begrijpen. Het ontstaan van de nieuwere staatsvormen t.o.v. de oudere sociale verbanden van de zestiende, zeventiende eeuw en het opvallende vermengen van volkeren in de negentiende eeuw. Het gevolg van de Verlichting wordt besproken (n.a.v. bv. de Geschichte des Geistes der Aufklärung in Europa van Lecky)

Gymnastiek 

Verdergaan met de ontwikkeling van de Duitse gymnastiek

De verticale val door het loslaten op hoogte en het overwinnen door de sprong, zwaai, pas. Ontwikkeling van het lopen met weerstand bij het uitwerken van de val.

Handenarbeid

Nu wordt in samenhangende perioden begonnen met het kunstzinnige meer te benadrukken in het boetseren met klei, het werken met steen en hout.

Handwerken

Alle mogelijke kunstnijverheidproductern naar eigen ontwerp zinvol gemaakt: bv. kussens, mappen, boekomslagen voor een bepaald gebruik; mandvlechten, kleinere werkjes, hoeden, kleding enz. Ook schilderen met aquarelverf van affiches en kaften van boeken – als voorbereiding op het boekbinden later.

Kunstgeschiedenis

In deze klas komt als bijzonder vak de kunstgeschiedenis erbij.
‘Op dezelfde leeftijd waarop het kind moet leren begrijpen dat de natuur volgens abstracte natuurwetten is geordend die door het verstand begrepen kunnen worden, op dezelfde leeftijd waarop je in de natuurkunde leert kennen hoe in individuele gevallen oorzaak en gevolg samenhangen, op diezelfde leeftijd zullen we als tegenwicht begrip voor kunst proberen te wekken, inleiden in het begrijpen  hoe de verschillende kunsten in de geschiedenis van de mensheid zich hebben ontwikkeld, hoe het ene of het andere kunstmotief in dit of dat tijdperk van invloed is’. (Rudolf Steiner)
De ontwikkeling vanaf de oude tijden tot ongeveer aan Rembrandt wordt op de meest eenvoudige manier aan een paar grote werken van kunstenaars uit het zuiden en het noorden getoond. Aan belangrijke voorbeelden moeten de leeringen concreet het begrip ‘schoonheid’, de kunst als zodanig, metamorfosen van de kunst, het Griekse schoonheidsideaal en dat van de renaissance enz. leren begrijpen. Zo kunnen tegelijk de leerlingen bv. in de overgang van de schilderkunst van Giotto tot Rembrandt onbevangen die objectieve kunstzinnige oplossing van gevoelsproblemen zien die de eigen leeftijd voortdurend in het diepst van de ziel oproept.

Muziek

Vanaf de negende tot en met de twaalfde klas wordt het zingen in een gemengd koor beoefend. De leerlingen zitten ook in een schoolorkest. Ze worden ingeleid in de muziekliteratuur van verleden en heden. Ze worden gewezen op de schoonheid van de muziek en de elementen van muzikale vormen. Hun muzikale smaak wordt gevormd. Ze kunnen proberen zelf melodieën te maken en in de klas laten horen wat ze thuis op een nstrument hebben leren spelen.

Natuurkunde

Doel is de twee belangrijke verbindingsmiddelen: de locomotief en de telefoon: warmteleer en mechanica worden behandeld om de locomotief precies te leren begrijpen; elektriciteit en akoestiek om de telefoon te leren begrijpen. Daarbij een voor het begrip van de leerling op deze leeftijd aangepaste behandeling van de beweging van de sterren in de kijkrichting in de zin van het principe van Doppler. Het daarvoor noodzakelijke uit de optica moet worden behandeld.

Niet-Nederlandse taal

In de vier bovenbouwklassen wordt het begrip voor het karakter en het leven van de niet-Nederlandse volken verdiept door samenhangende beschouwingen van hun cultuur. Een kernpunt zijn de leesstukken. De nadruk ligt op het lezen, het begrijpen wordt mogelijk door verklartingen in de taal zelf, doelgericht navertellen en vrij spreken over de moeilijkheden.
De grammatica wordt herhaald en voor de leerling in interessant proza behandeld.

Latijn en Grieks:

In het Latijn begin de syntax met de naamvallenleer. Verdergaan met leesstukken over Caesar. Makkelijkere gedichten van Ovidius uit ‘Metamorfosen’ of de ‘Fasti’.
In het Grieks wordt de vormleer afgesloten en wat lezen betreft, zie 7e, 8e klas.

Scheikunde

De elementen van de organische scheikunde worden doorgenomen

Stenografie

De leerlingen maken in deze en de volgende klas kennis met de beginselen van steno.

Taal

De bespreking van Goethe en zijn tijd wordt voortgezet. Met de leerlingen worden enkele stukken uit Hermann Grimms ‘Goethevorlesungen’ gelezen. ‘Vorschule der Ästhetik van Jean Paul biedt een gelegenheid elementaire esthetische problemen te behandelen. Bijzonder geschikt zijn hiervoor de hoofdstukken over de humor. In opstellen laat men thema’s uit de geschiedenis van de vorige jaren aan de orde komen.

Tuinbouw

Tuinbouw wordt nu als periodeonderwijs gegeven. In de zomer een periode werken in de praktijk waarbij de leerling een overzicht moet krijgen van de indeling van een groentetuin, wisselverbouw, kweken en verzorgen van planten. In de winter een periode theoretische lessen waarin ze het wat en hoe van het werk in de praktijk moeten leren begrijpen. Hierbij komt het kweken en verzorgen van 1-jarige planten, vaste planten en struiken, soortenzuivere vermeerdering, veredeling van fruitstruiken met oefenen in de praktijk.

Wiskunde

Puur denkend allerlei oefeningen. Behandeling van combinatietheorieën (permutatie, combinatie en variaties). Verdergaan met algebra: lineaire vergelijkingen met meerdere onbekenden, wegwerken van samengestelde vormen met haakjes, breuken, binomische wet; oplossing van vierkantsvergelijkingen met één onbekende, toepassing bij praktische opgaven uit de stereometrie en wisselkoersen.
Bij meetkunde worden uitvoerig de tweede graadscurven doorgenomen en tvoorbeelden gezocht van curven met een hogere graad in realtie tot de leer van de wiskundige plaatsen (z0nder toepassing van curvenvergelijking, puur constructief)

Beschrijvende meetkunde en meetkundig tekenen: begin van beschrijvende meetkunde en tekenen op de tekentafel

.

Het leerplan: alle artikelen

.

2107-1978

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 7 (7-1-1)

.

 

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Enkele gedachten bij blz. 104 – 108 in de vertaling [1]

KIND – OUDERDOM

In [7-1] ging het vooral om ‘begrijpen’. 
Steiner geeft hier een paar hulpmiddelen om de werkelijkheid te doorgronden: de dingen met elkaar in verband brengen; het een op het ander betrekken’. Ook dat deze realiteit zich voordoet in ‘tegenstellingen’, zelfs in ‘tegenstrijdigheden’, in die zin dat de fenomenen elkaar lijken tegen te spreken.

Das Leben entwickelt sich in Gegensätzen

Het leven ontwikkelt zich in tegenstellingen.
GA 297/149
Op deze blog vertaald/149

Door die tegenstellingen worden aspecten duidelijker.

In deze 7e voordracht neemt Steiner om te laten zien dat binnen de karakteristiek ‘denken-voelen-willen’ nog weer meer nuances aangebracht moeten worden voor een beter begrijpen van het wezen mens, c.q. kind, de tegenstellingen tussen het kind en de bejaarde.

Het is al weer meer dan tien jaar geleden dat ik door een bepaalde aanleiding bijna ‘vanzelf’ met deze tegenstelling werd geconfronteerd.
Ik bezocht eens op een zondag rond de tijd van het middageten mijn bejaarde moeder van 86 die in een verzorgingstehuis werd verpleegd. Ze sprak niet meer en het enige contact was oogcontact of via het aanraken. Ook zij kreeg haar eten en daar zij moest worden geholpen bij het opeten, bood ik aan dat te doen. Ze was toen al in een stadium dat ze eigenlijk niet veel belangstelling meer had voor voedsel. Ik probeerde dus met een lepel het eten naar haar mond te brengen, maar ze deed die niet open. Onwillekeurig deed ik zelf mijn mond open, niet echt bewust, het gebeurde gewoon en even later betrapte ik mij erop dat ik hetzelfde wilde doen als destijds bij onze kinderen die zittend in hun kinderstoeltje hun eerste hapjes kregen. Die deden ook lang niet altijd meteen hun mondje open en door van de lepel een auto te maken die in de garage – mond – naar binnen wilde, kwam de lepel met een vaart aan en onder luid ‘brrmm, brrmm’ ging het mondje dan meestal wel open.
Bijna liet ik dus ook de lepel met een ‘brrm, brrm’ mijn moeders mond naderen.

In zekere zin is dit dus een overeenkomst, maar die wordt overkoepeld door de tegenstelling: ‘nog niet —niet meer!’

Ook de woordjes ‘al’ en ‘nog’ verduidelijken de tegenstelling.

Over dat verschijnsel nadenkend, bracht dat me nog op veel meer: de eerste ademkreet bij de geboorte, het uitblazen van de laatste adem bij het sterven.
Het kind dat nog niet zindelijk is en de hele dag een luier draagt – de oudere die niet meer zindelijk is en de hele dag een luier draagt.
Het kind dat overdag steeds minder slaap nodig heeft – de oudere die overdag steeds meer slaapt, indut.
Het kind dat gaat staan en gaat lopen; de oudere voor wie het lopen niet meer zo makkelijk gaat, steun nodig heeft van stok of rollator, de steun die het kind dat gaat lopen steeds minder nodig heeft.
Het kind dat steeds meer gaat praten – de oudere die niet meer praat.
Het kind dat steeds verder naar buiten gaat – de oudere die zijn huis of instelling steeds minder verlaat.
Het kind dat steeds meer onthoudt – de oudere die steeds meer vergeet. 

De oudere die steeds vaker gaat zeggen: dat kan ik nog, bv. fietsen. Bij het kleine kind vragen we: kan hij al fietsen?
Er zijn veel voorbeelden van te vinden, m.n. door bv. naar oudere mensen te luisteren. Je zal vaak het woordje ‘nog’ horen.

Maatje Lugthart en Pieter Poortvliet,                                                                                 Ik, rond de 2 jr.
mijn grootouders. 
Opa geen haar meer; ik nog geen haar; opa kan niet meer zo lang staan, ik kan steeds langer staan.


Ik wil hier niet streven naar een volmaakt lijstje – er zullen zeker nog meer aspecten zijn te noemen. Zie ook [
1-3]
Ik heb ook geen onderscheid gemaakt in wat meer lichamelijk is, of bij ziel en geest hoort.

Steiner doet dit wel, hij tipt het terloops aan:

Blz. 106 vert. 104

Betrachten Sie nämlich das erst in die Welt gekommene Kind, betrachten sie es in seinen Formen, in seinen Bewegungen, in seinen Lebensäußerungen, im schreien, im Lallen und so weiter, dann bekommen sie ein Bild mehr des Menschenleibes. Aber sie bekommen dieses Bild des Menschenleibes auch nur vollständig, wenn sie es beziehen auf das mittlere und auf das greise Lebensalter des Menschen. Im mittleren Lebensalter ist der Mensch mehr seelisch, im Greisenalter ist er am meisten geistig.

Wanneer u kijkt naar een pasgeboren kind, naar zijn vormen, zijn bewegingen, zijn levensuitingen in het huilen en brabbelen enzovoort, dan krijgt u voornamelijk een beeld van het menselijk lichaam. Maar dit beeld wordt pas compleet wanneer u het in verband brengt met de middelbare leeftijd en de ouderdom van de mens. In het midden van zijn leven is de mens meer ziel en in zijn ouderdom is hij het meest geest.

Dat laatste lijkt in tegenspraak met bv. de constatering dat het kind in zijn kindheid – kinds – is en de grijsaard in zijn ouderdom ook zo genoemd kan worden wanneer, zoals dan meestal gezegd wordt, ‘deze niet meer over zijn geestelijke vermogens beschikt’. 

De korte uitleg die Steiner hier geeft, werpt voor mij een heel nieuw licht op dementie, bv.

Steiner illustreert zijn gezichtspunt aan de hand van het leven van Kant, die op het eind van zijn leven zwakzinnig zou zijn geworden. Simpel antwoordt Steiner: 

Denn auch Kant war, als er vor der Todespforte stand, weiser, als er in seiner Kindheit war,

Want toen Kant voor de poort van de dood stond, was ook hij wijzer dan hij als kind was.

Dat lijkt mij voor alle mensen te gelden. 

nur war in seiner Kindheit sein Leib imstande, alles aufzunehmen, was aus seiner Weisheit kam; dadurch konnte es bewußt werden im physischen Leben. Im Greisenaiter dagegen war der Leib unfähig geworden, das auch aufzunehmen, was der Geist ihm lieferte. Es war der Leib kein richtiges Werkzeug des Geistes mehr. Daher konnte auf dem physischen Plan Kant nicht mehr zum Bewußtsein dessen kommen, was in seinem Geiste lebte.

Maar het is zo, dat in zijn jeugd zijn lichaam in staat was alles in zich op te nemen wat uit zijn wijsheid voortsproot; daardoor kon het bewust worden gemaakt in het fysieke leven. Maar in zijn ouderdom was het lichaam niet meer in staat nog op te nemen wat de geest voortbracht. Het lichaam was geen geschikt werktuig meer voor de geest. Daarom kon Kant zich er op het fysieke plan niet meer van bewust worden wat er in zijn geest leefde

Steiner noemt het lichaam hier een werktuig voor de geest; soms noemen anderen het een instrument van de ziel. 
Het lichaam als een viool, bv. waarop de geest speelt, zoals een mens viool speelt. Niemand zal toch in dit opzicht beweren dat de viool zelf de klanken voortbrengt. Dit wél beweren, met andere woorden, levert de uitspraak op: ‘wij zijn ons brein’. Zoiets als ‘vioolspel is de viool’.
Zeker, om erop te kunnen spelen, moet het instrument in tact zijn: zonder snaren gaat het niet. 
En het lichaam als instrument verliest met het ouder worden steeds weer een beetje van het instrumentale dat het ooit was. De fysieke aftakeling is simpelweg een feit; iedereen krijgt ermee te maken, maar niet iedereen in een zelfde mate of op dezelfde leeftijd.

Ik heb een tijdlang iemand met afasie bijgestaan. Als deze persoon een plaatje voor zich kreeg van bv. een appel en je vroeg: ‘Wat is dit?’ kon hij geen antwoord geven dat maar op z’n minst op de klanken voor appel leek. Het fysieke instrument om dat de kunnen was door de herseninfarct beschadigd, zeg maar: een gesprongen snaar. 
Vroeg ik dan: ‘Is het een peer?’, dan schudde hij ‘nee’, ook bij andere (vruchten)namen. Vroeg ik: ‘Is het een appel’, dan schudde hij ‘ja’, zelfs was hij soms in staat te zeggen: ‘Die bedoel ik.’
Hier kun je toch wel de conclusie trekken dat ‘de geest’ volledig intact was, maar het instrument voor dat ‘stukje geest’ om zich te uiten, niet.

Kijk je naar de ritmen van ‘in-uit’, dan hoeft de gedachte niet zo vreemd te zijn, dat de ouderdom de tijd wordt waarin het ‘uit’ steeds meer op de voorgrond komt te staan. Langzaam of soms snel, met allerlei individuele verschillen ‘excarneer’ je. De verbinding met je lichaam wordt a.h.w. losser. 
De geest is dan eigenlijk nog volledig intact, maar uit zich niet meer lichamelijk. Het kan ook zo zijn – de gebroken snaar – dat het lichaam ‘zwak’ is, maar de ‘geest nog heel gewillig’. Ook dan is een volledig functioneren niet mogelijk.
De medische wetenschap doet vooral haar best om het lichaam zo goed mogelijk te houden – de snaar te versterken -. Maar als de speler niet meer wil spelen, helpt dat niet. 
Medicijnen tégen dementie kunnen er in de toekomst wellicht toe bijdragen dat de snaar langer intact blijft en dat de speler nog een poosje blijft spelen.

Het is ook een gegeven dat wanneer je bv. niet veel meer beweegt, je bewegingsapparaat minder krachtig wordt -achteruitgaat is in dit verband misschien een vreemde opmerking.
Maar al het fysieke dat je niet ‘bijhoudt’, gaat achteruit, het bekende ‘use it, or lose it’.
Als de geest zich in een incarnatie terugtrekt – het instrument niet meer wil bespelen – zou het dan ook niet achteruit gaan, m.a.w. kan dementie ook een gevolg zijn? 

Op een bepaalde manier wijst Steiner daarop:

Blz. 106/107   vert. 104/105

Daher wird man bei solchen Greisen, die sich bis ins hohe Alter hinein Elastizität und Lebenskraft für ihren Geist bewahren, die Eigenschaften des Geistigen in ihrem Anfange erkennen müssen. Es gibt ja auch solche Möglichkeiten.

Daardoor zal men bij oudere mensen die tot op hoge leeftijd beweeglijkheid en levenskracht van geest bewaren, de eigenschappen van de geestelijke wereld in hun beginstadium moeten herkennen. Dat is namelijk ook mogelijk.

Dat illustreert Steiner dan met een anekdote over twee geleerden. (zie boek/107, vert. 105)

Het gaat om: Karl Ludwig Michelet (1801-1893), Hegeliaans filosoof, hoogleraar in Berlijn vanaf 1829. Hij schreef ‘Das System der Philosophie als exakte Wissenschaft’ (1876-1881) en Eduard Zeller (1814-1908), theoloog en filosoof, hoogleraar in Berlijn van 1872-1894. Hij schreef ‘Die Philosophie der Griechen in ihrer geschichtlichen Entwicklung’ (1844-1852), Hildesheim 1963.

DENKEND VOELEN EN VOELEND WILLEN
                                         of VOELEND DENKEN EN WILLEND VOELEN

Dus:

Blz. 107    vert. 105

Wenn man vergleicht die mehr zappelnde, unbewußt sich betätigende Leibesnatur des Kindes mit der beschaulichen, ruhigen Leibesnatur des Alters, so hat man auf der einen Seite einen Leib, der besonders seinen Leib hervorkehrt im Kinde, und einen Leib, der den Leib als solchen zurücktreten läßt, der sich gewissermaßen als Leib selbst verleugnet, im Greisenalter.

Wanneer men het lichaam van het kind dat trappelt en zich meer onbewust uit, vergelijkt met het lichaam van een oud iemand dat in beschouwelijke rust verkeert, dan ziet men aan de ene kant, bij het kind, een lichaam dat voornamelijk het lichamelijke aspect laat zien en aan de andere kant, bij oude mensen, een lichaam waarbij het lichamelijke op de achtergrond staat, een lichaam dat zichzelf als het ware verloochent.

Nu spitst Steiner dit toe op het voelen, dat tussen denken en willen in staat:

Blz. 108/109 vert. 106

Wenn wir diese Betrachtung mehr auf das Seelische anwenden, dann werden wir sagen: Der Mensch trägt in sich denkendes Erkennen, Fühlen und Wollen. Schauen wir das Kind an, dann haben wir in dem Bilde, das uns das Kind seelisch dar- bietet, eine enge Verknüpfung zwischen Wollen und Fühlen. Man möchte sagen, Wollen und Fühlen sind im Kinde zusammengewachsen.

Wanneer wij deze beschouwingswijze nu meer vertalen naar het zielegebied toe, dan kunnen we het volgende zeggen. De mens heeft denken, voelen en willen in zich. Bezien wij het kind, dan kunnen we in het beeld dat het kind ons geeft, zien dat in de ziel het willen en voelen nauw met elkaar verbonden zijn. Men kan wel zeggen dat het willen en voelen in het kind met elkaar vergroeid zijn.

Dat is voor de pedagogie van het jonge kind een belangrijk gegeven: willen en voelen zijn met elkaar vergroeid. 

Méér, naarmate het kind jonger is:

Wenn das Kind zappelt, strampelt, so macht es genau die Bewegungen, die seinem Fühlen in diesem Augenblicke entsprechen; es ist nicht imstande, die Bewegungen etwa von dem Gefühl auseinanderzuhalten.

Het trappelen en spartelen van een kind zijn bewegingen die precies overeenkomen met hetgeen het kind op dat moment voelt: het kind is niet in staat om bijvoorbeeld de bewegingen en het gevoel te scheiden.

We kennen allemaal wel het kind dat – nog liggend – honger heeft: alles beweegt: armpjes, beentjes en het mondje dat krijst: het hongergevoel als onaangenaam gevoel heeft bezit genomen van het hele lijfje: het kind heeft niet alleen honger, het is op dat ogenblik honger.

En de tegenstelling: de oudere mens die het overzicht heeft; die in alle rust zijn oordeel – wijs geworden door en aan het leven – geeft. 

Anders wird das beim Greise. Bei ihm ist das Entgegengesetzte der Fall: denkendes Erkennen und Fühlen sind zusammengewachsen, und das Wollen tritt in einer gewissen selbständigen Art auf. Es verläuft also der menschliche Lebensgang in der Weise, daß das Fühlen, welches zuerst an das Wollen gebunden ist, sich allmählich im Laufe des Lebens vom Wollen loslöst. Dann verbindet sich das vom Wollen losgelöste Fühlen mit dem denkenden Erkennen. 

Dat wordt anders bij de mens in de ouderdom. Dan vindt het tegenovergestelde plaats: het denkend kennen en het voelen zijn met elkaar vergroeid en het willen manifesteert zich in zekere zin als een zelfstandig iets. Het leven van de mens verloopt dus zo, dat het voelen eerst aan het willen gebonden is en zich dan langzamerhand van het willen losmaakt. Vervolgens verbindt het van de wil losgekomen voelen zich met het denkend kennen.

Warum hören wir dem Greise zu, auch wenn er uns von seinen Lebenserfahrungen erzählt? Weil er im Leufe seines Lebens sein persönliches Empfinden verbunden hat mit seinen Begriffen und Ideen. Er erzählt uns nicht Tlieorien, er erzählt uns das, was er persönlich an Gefühlen hat anknüpfen können an die Ideen und Begriffe. Bei dem Greise, der wirklich sein Fühlen mit dem denkenden Erkennen verbunden hat, klingen daher die Begriffe und Ideen warm, klingen wirklichkeitsgesättigt, konkret, persönlich; während bei dem Menschen, der mehr im Mannes- oder Frauenalter stehengeblieben ist, die Begriffe und Ideen theoretisch, abstrakt, wissenschaftlich klingen.

Waarom luisteren we naar een oud iemand wanneer deze over zijn levenservaringen vertelt? Omdat hij in de loop van zijn leven zijn persoonlijk beleven verbonden heeft met zijn begrippen en ideeën. Hij vertelt ons geen theorieën; hij vertelt wat voor gevoelens hij persoonlijk met de ideeën en begrippen heeft kunnen verbinden. Bij een oud iemand die werkelijk zijn voelen met het denkend kennen verbonden heeft, klinken de begrippen en ideeën daarom warm, vervuld van levenswerkelijkheid, concreet, persoonlijk; daarentegen klinken bij iemand die is blijven steken in de middelste levensfase de begrippen theoretisch, abstract, wetenschappelijk.

Ook het kleinere kind dat op school komt, de peuter, kleuter heeft nog een veel sterkere verbinding in zijn gevoels-wilsgebied dan bv. de twintigjarige.

Het is in zekere zin zo dat het grote veranderingsproces: klein kind – grijsaard zich ook een beetje voltrekt tijdens de volwassenwording tot zo rond het 21e jaar. Steeds belangrijker wordt het denken. Het raakt losser van het voelen en dit weer van het willen.

Dat is een proces van de natuur.

Een kenmerk van de vrijeschoolpedagogie is dat het deze natuurlijke processen wil ondersteunen:

(  )  die Erziehung: was sie leisten soll: mit den Ent­wicklungskräften des Menschen zu wirken und nicht gegen sie zu wirken

Opvoeding: wat zij tot stand moet brengen is mét de ontwikkelingskrachten van de mens te werken en niet die tegen te werken.
GA 297/172
Op deze blog vertaald/172

Met dit losmakingsproces hebben we in de opvoeding te maken:

Es verläuft also der menschliche Lebensgang in der Weise, daß das Fühlen, welches zuerst an das Wollen gebunden ist, sich allmählich im Laufe des Lebens vom Wollen loslöst. Und damit haben wir es gerade vielfach im Erziehen zu tun: mit dem Loslösen des Fühlens vom Wollen. 

Het leven van de mens verloopt dus zo, dat het voelen eerst aan het willen gebonden is en zich dan langzamerhand van het willen losmaakt. En juist met dit proces hebben we in de opvoeding dikwijls te maken: met het losmaken van het voelen van het willen. 

Een omslagpunt ligt bv. rond het 12e jaar waarbij het kind rijp begint te worden voor het denken in oorzaak en gevolg, processen die zich ‘objectief’ afspelen, d.w.z. niet meer afhankelijk zijn van het gevoel. 

Voor Steiner is de pedagogische begeleiding van dit proces van losmaken belangrijk:

Wir haben das Kind für das spätere Leben nur dann richtig vorbereitet, wenn wir in ihm bewirken, daß das Fühlen sich gut loslösen kann von dem Wollen; dann wird es in einer späteren Lebensära als Mann oder Frau auch das losgelöste Fühlen mit dem denkenden Erkennen verbinden können und wird so dem Leben gewachsen sein.

We hebben een kind alleen dan goed voorbereid op het latere leven, wanneer we bewerkstelligen dat het voelen zich goed kan losmaken van het willen; dan zal het kind in een latere fase als man of vrouw ook het vrijgekomen voelen met het denkend kennen kunnen verbinden en zal zo tegen het leven opgewassen zijn.

Blz. 108  vert. 107

Das gehört einmal zum menschlichen Leben, daß von den menschlichen Seelenfähigkeiten ein gewisser Gang durchgemacht wird, indem sich das fühlende Wollen des Kindes entwickelt zu dem fühlenden Denken des Greises. Dazwischen liegt das menschliche Leben, und wir werden zu diesem menschlichen Leben nur gut erziehen, wenn wir eine solche Sache psychologisch ins Auge zu fassen vermögen.

Het hoort nu eenmaal bij het leven van de mens dat de menselijke zielenvermogens een zekere ontwikkeling doormaken van het voelend willen van het kind naar het voelend denken van de oude mens. Daartussen speelt zich het leven van de mens af. Alleen wanneer we oog krijgen voor deze psychologische dingen zullen we kinderen goed kunnen voorbereiden op dit leven.

Was wir an dem Kinde tun, das tun wir nicht bloß für den Augenblick, sondern für das ganze Leben.

Wat we voor het kind doen, doen we niet alleen maar voor de korte termijn, maar voor het hele leven.
GA306/27
Op deze blog vertaald/27

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 7: alle artikelen 

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2106-1977

.

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het leerplan van klas 8

.

Voor een goed begrip van het leerplan, de leerstof e.d. is het zeer aan te bevelen de artikelen: Rudolf Steiner over het leerplan en Rudolf Steiner over het kind, de leerkracht, ontwikkeling, lesstof en leerplan eerst te lezen.

In de pedagogische voordrachten GA 293 – 311 is relatief maar weinig meegedeeld over de leerstof op zich. Veelal wordt deze besproken in samenhang met de ontwikkeling van het kind.
Uit deze voordrachten volgt hier wat er over de leerstof van de 6e klas kan worden gevonden.

Het is raadzaam ook even terug te kijken bij wat er aan een voorafgaande klas over het vak werd gezegd; vaak is er sprake van ‘voortzetting van wat in vorige jaren is aangelegd’.
.

LEERSTOF VAN KLAS 8

Het was in Steiners tijd zo dat lang niet alle ‘onderbouw’ kinderen naar de ‘bovenbouw’ gingen. Vele moesten na de basisschool gaan werken om voor het nodige gezinsinkomen te zorgen.
Voor het eind van de 8e klas merkt Steiner voor deze kinderen op:

Diejenigen Kinder, die nicht weiterschreiten können, nicht weiter teilnehmen können an allem Schulunterricht, als bis sie geschlechtsreif sind, bis sie also die Volksschule verlassen müssen, versuchen wir durch die ganze Anlage des Unterrichtes nach zwei Richtungen hin zu einer lebensgemäßen Weltempfindung zu bringen: dadurch, daß wir auf der einen Seite allen naturkundlichen und geschichtlichen Unterricht so anlegen, daß das Kind zuletzt eine gewisse Erkenntnis der menschlichen Wesenheit hat, also ungefähr weiß, welche Stel­lung der Mensch in der Welt einnimmt. Menschenkunde ist daher dasjenige, worauf wir alles hinorientieren. So daß wir wirklich eine Art von Abschluß von Menschenkunde herbeiführen können, wenn die Kinder so in der 7., 8. Klasse, das heißt also im 13., 14. Jahr angekommen sind. Da hat das Kind also dann durch alles das, was es bis dahin gelernt hat, die Möglichkeit, sich eine Vorstellung davon zu machen, was für Gesetzmäßigkeiten, Kräfte, Stoffe an dem Men­schen selbst beteiligt sind, wie der Mensch zusammenhängt mit allem Physischen, mit allem Seelischen, mit allem Geistigen in der Welt. So daß das Kind weiß, in seiner Art natürlich, was ein Mensch ist innerhalb des ganzen Kosmos. Das ist es, was wir versuchen auf der einen Seite mit dem Kinde zu erreichen.

De kinderen die niet verder kunnen, niet verder mee kunnen doen aan het onderwijs dan tot de puberteit, tot ze de basisschool moeten verlaten, proberen wij door heel de inrichting van de school naar twee kanten een besef van de wereld bij te brengen die bij het leven past doordat we enerzijds al de natuurkunde en geschiedenis zo aanleren, dat het kind uiteindelijk een zekere kennis heeft van de mens, dus ongeveer weet welke plaats de mens in de wereld inneemt. Daarom richten we alles op de menskunde. Zodat we echt een soort afronding kunnen krijgen met menskunde, wanneer de kinderen zo min of meer in de 7e, 8e klas zitten, d.w.z. 13 à 14 jaar zijn. Dan heeft het kind door alles wat het tot dan toe geleerd heeft, de mogelijkheid zich een voorstelling te maken van de wetmatigheden, de wetten, krachten, stoffen waar de mens deel van is, hoe de mens samenhangt met al het fysieke, het gevoelsmatige en al het geestelijke in de wereld. Zodat het kind weet, op zijn niveau natuurlijk, wat een mens in heel het universum is. Dat willen we aan de ene kant proberen.
Aan de andere kant proberen we met het kind te bereiken dat we het tot een begrip brengen van het leven. 
GA 311/124
Op deze blog vertaald/124

Aardrijkskunde, geologie [1]

Euritmie

Und dann im vierten, fünften und sechsten Schuljahr kommen hinzu die Formen, also für Konkretes, Abstraktes und so weiter, wobei solche 295/177 Dinge für die Kinder ja möglich werden, weil sie in der Grammatik ja mittlerweile so weit vorwärtsgekommen sind. Dann setzen wir das fort im siebenten und achten Schuljahr für kompliziertere Formen.

En dan komen er in de vierde, vijfde en zesde klas de vormen bij voor concrete en abstracte dingen enzovoort, waarbij dat voor de kinderen ook mogelijk wordt, omdat ze in de grammatica inmiddels zo ver zijn gekomen. In de zevende en achtste klas wordt dat dan voortgezet met gecompliceerdere vormen.
GA 295/176-177
Vertaald/161

Geschiedenis

Im achten Schuljahr versuche man, mit den Kindern die Geschichte bis herauf zur Gegenwart fortzuführen, wobei man aber wirklich das Kulturgeschichtliche durch und durch berücksichtigt. Das meiste von dem, was den Inhalt der heute noch gebräuchlichen Geschichte aus­macht, erwähne man überhaupt nur nebenbei. Es ist viel wichtiger, daß das Kind erfahre, wie die Dampfmaschine, der mechanische Webstuhl und so weiter die Erde umgestaltet haben, als daß es allzufrüh solche Kuriositäten erfahre wie die Korrektur der Emser Depesche oder der­gleichen. Diejenigen Dinge, die in unseren Geschichtsbüchern stehen, sind die allerunwichtigsten für die Erziehung des Kindes. Und selbst Karl der Große und ähnliche geschichtliche Größen sollten im Grunde genommen recht vorübergehend behandelt werden. Was ich Ihnen ge­stern gesagt habe mit Bezug auf die Art, wie man sich hilft, die abstrakte Zeitvorstellung immer in Konkretes überzuführen, darin tue man recht, recht viel. Denn das ist notwendig, daß man darin recht, recht viel tue.

In de achtste klas kan men proberen om de geschiedenis tot aan de huidige tijd te behandelen, waarbij men echter zeer grondig ingaat op het cultuurhistorische aspect. Het meeste van wat nu nog tot de gebruikelijke geschiedenisstof behoort moet men slechts terloops vermelden. Het is veel belangrijker dat het kind te weten komt hoe de stoommachine, het mechanisch weefgetouw enzovoort de aarde hebben veranderd, dan dat het al te vroeg van die curiositeiten te weten komt, zoals de correctie van de Emser Depesche of iets dergelijks. De dingen die in onze geschiedenisboeken staan zijn volstrekt onbelangrijk voor de opvoeding van een kind. En zelfs Karel de Grote en dergelijke historische kopstukken moeten in feite slechts terloops behandeld worden. Wat ik u gisteren heb gezegd over de manier waarop men de abstracte voorstelling van de tijd concreet kan maken – dat soort dingen moet men heel veel doen. Want dat is nodig, dat men dergelijke dingen echt heel veel doet.
GA 295/163
Vertaald/150

Also man müßte schon im 8. Schul­jahr die ganze Weltgeschichte durchmachen in unserem Sinn.

(Het is het eerste schooljaar en de leerlingen komen uit verschillende scholen).
Dus moet je in de 8e klas de hele wereldgeschiedenis doornemen zoals wij het doen.
GA 300A/82
Niet vertaald

Die Weltgeschichte ist bis zur Gegenwart weiterzuführen.

Doorgaan met de wereldgeschiedenis tot aan de tijd van nu.
GA 
300A
/122 
Niet vertaald

Ich würde Ihnen empfehlen, mit der 8. Klasse zu lesen die ersten Kapitel von Schillers ,,Dreißigjährigem Krieg”. Darin ist sehr viel Bildendes; darin sind sehr viele Dinge, die bis zur Gegenwart gehen.

Ik raad u aan met de 8e klas de eerste hoofdstukken te lezen van ‘De dertigjarige oorlog’ van Schiller. Daarin staat veel wat beeldend is en veel wat naar de tijd van nu leidt.
GA 300A/274
Niet vertaald

Geologie [1]

Gymnastiek

Kompliziertere Geräteübungen sind erst im siebenten und achten Schuljahr zu machen, in dem die freien Übungen auch fortgesetzt wer­den. Aber die freien Übungen sollen alle mit Laufen, Klettern, Sprin­gen zusammenhängen.

Ingewikkelde oefeningen aan toestellen doet men pas in de zevende en achtste klas, waarbij ook de vrije oefeningen worden voortgezet. Maar de vrije oefeningen moeten allemaal samenhangen met rennen, klimmen en springen.
GA 295/177
Vertaald/161

Kunst(geschiedenis)

X. fragt, was in der 8. Klasse im Kunstunterricht durchgenommen werden soll.

X vraagt wat er in de 8e klas in het kunstonderwijs gedaan moet worden.

Dr. Steiner: Die Motive Albrecht  Dürers. Auch musikalisch, was 
damit verwandt ist, zum Beispiel Bach. Die Schwarz-Weiß-Malerei recht lebhaft so behandeln.

Dr. Steiner: De motieven van Albrecht Dürer. Ook muziek die daarmee verwant is, bv. Bach. Het zwart-wittekenen heel levendig geven.
GA 300B/89
Niet vertaald

Maatschappijleer

Sozialkunde

Es wird berichtet über den Unterricht in sozialer Erkenntnis.

Dr. Steiner: In der 7. und 8. Klasse könnte man das geben, was in den ,,Kernpunkten der sozialen Frage” steht.

Er wordt verslag gedaan over lessen in sociale kennis.

Dr. Steiner: In de 7e en 8e klas zou je goed kunnen behandelen wat in de ‘Kernpunten‘ staat.
GA 300A/123
Niet vertaald

Menskunde

Im achten Schuljahr werden Sie den Menschen so aufzubauen haben, daß Sie dasjenige darstellen, was von außen in ihn hineingebaut ist:
die Knochenmechanik, die Muskelmechanik, der innere Bau des Auges und so weiter.

In de achtste klas zult u als volgt een beeld van de mens moeten opbouwen. U beschrijft wat er van buitenaf in de mens is ingebouwd: de mechanica van de botten, de mechanica van de spieren, de inwendige bouw van het oog enzovoort.
GA 295/166
Vertaald/152

Muziek

Und in den beiden letzten Schuljahren, im siebenten und achten Schuljahr, bitte ich zu berücksichtigen, daß das Kind überhaupt nicht mehr das Gefühl hat, es werde «dressiert» zu irgend etwas, sondern daß das Kind schon das Gefühl hat, es treibe Musik, weil das ihm Vergnügen macht, weil es das genießen möchte, als Selbstzweck, zur Freude. Dahin hat der sogenannte Musikunterricht zu wirken. Daher kann in diesen zwei Jahren das musikalische Urteil geweckt und ausgebildet werden. Es kann schon darauf aufmerksam gemacht werden, welchen Charak­ter dieses musikalische Kunstwerk hat und welchen jenes hat. Welchen Charakter ein Beethovensches Kunstwerk hat und welchen Charakter ein Brahmssches Kunstwerk hat. In einfachen Formen also sollte man das Kind zum musikalischen Urteil bringen. Vorher muß man das mu­sikalische Urteil zurückhalten, aber jetzt muß man es pflegen.

En wilt u er in de twee laatste schooljaren, in de zevende en achtste klas, op letten dat het kind volstrekt niet meer het gevoel heeft dat het ‘gedresseerd’ wordt tot iets, maar dat het kind het gevoel heeft dat het muziek maakt omdat het er plezier in heeft, omdat het ervan wil genieten, als doel in zichzelf, om de vreugde die het geeft. Zo moeten de muzieklessen werken. Daardoor kan in deze twee jaar het muzikale oordeel gewekt en ontwikkeld worden. Men kan de kinderen er gerust op wijzen wat voor karakter het een of andere kunstwerk heeft. Welk karakter een werk van Beethoven heeft en welk karakter een werk van Brahms heeft. Met eenvoudige vormen moet men het kind dus tot een muzikaal oordeel brengen. Voor die tijd moet men terughoudend zijn met het muzikale oordeel, maar nu moet men erop ingaan.
GA 295/175-176
Vertaald/160

Natuurkunde

Im achten Schuljahr erweitern Sie wiederum wiederholentlich das­jenige, was im sechsten gepflogen worden ist, und gehen über zur Hy­draulik, also zu der Lehre von der Kraft, die durch das Wasser wirkt. Also alles dasjenige nehmen Sie vor, was zu dem Begriff, wie Seitendruck im Wasser, Auftrieb gehört: alles, was zum Archimedischen Prinzip, was also in die Hydraulik gehört.
Dann schließen Sie gewissermaßen den physikalischen Unterricht ab durch die Aeromechanik, also durch die Mechanik der Luft, wobei alles zur Sprache kommt, was zusammenhängt mit der Klimatologie, Barometer- und Witterungskunde.

In de achtste klas breiden we dat wat er in de zesde behandeld is wederom herhaaldelijk uit en komen we bij de hydraulica, de leer dus van de kracht die via het water werkt. Dus alles in de sfeer van zijwaartse druk, opwaartse druk; alles wat hoort bij de wet van Archimedes, bij de hydraulica dus. Dan sluit u de natuurkunde min of meer af met de aeromechanica, de mechanica dus van de lucht, waarbij alles ter sprake komt wat te maken heeft met klimaat, werking van de barometer, meteorologie.
GA 295/166-167
Vertaald/153

Dr. Steiner: In der 8. Klasse sollte in der Optik nur behandelt wer­den die Brechung (Linse) und das Spektrum.
In der Wärmelehre das Schmelzen (Thermometer), das Sieden und die Quellen der Wärme.
Dann der Magnetismus, ganz kurz; nur wie er sich äußert. Von der Elektrizität nur das Prinzip von Reibungs- und Berührungselektrizität.
Dann die Mechanik: Hebel und schiefe Ebene. In der Aeromechanik Auftrieb und Luftdruck..

Dr. Steiner: In de 8e klas moet in de optica alleen de lichtbreking (lens) en het spectrum behandeld worden.
In de warmteleer het smelten (thermometer), het koken en de warmtebronnen. Het magnetisme heel kort; alleen waar dit zichtbaar is. Van de elektriciteit alleen het principe van wrijving en spanning.
Dan de mechanica: hefboom en hellend vlak. In de aerodynamica  opwaartse druk en luchtdruk.
GA 300A/122 
Niet vertaald

Rekenen

Da setze man dann das, was mit der Gleichungslehre zusammenhängt, im achten Schuljahr fort, soweit man die Kinder bringen kann, und füge dazu Figuren- und Flächenberechnungen und die Lehre von den geometrischen Orten, wie wir sie gestern wenigstens gestreift haben.

Alles wat dan komt kijken bij die vergelijkingen, dat zet men voort in de achtste klas, zover men kan komen, en men voegt eraan toe de berekening van figuren en oppervlakten en de leer van de geometrische plaats, die we gisteren even hebben aangestipt.
GA 295/170
Vertaald/156

Religieus onderwijs

Sie haben durchgenommen Teile des Johannes-Evangeliums. Es ist furchtbar schwer mit den Kindern, wenn man sich nicht viel damit beschäftigt, die Schöpfungsgeschichte durchzunehmen. Ein anderes Kapitel aus dem Alten Testament braucht man nicht. Ich würde meinen, daß es gut wäre, wenn mit den Kin­dern, die das Neue Testament kennen, einmal die Apostelgeschichte genommen würde. Dabei kann man auf das Lukas-Evangelium zurückgreifen.

U bebt delen van het Johannesevangelie doorgenomen. Met kinderen is het heel erg moeilijk het scheppingsverhaal te behandelen wanneer je daar niet veel mee bezig bent. Een ander hoofdstuk uit het Oude Testament is niet nodig. Ik denk dat het goed is wanneer je met de kinderen die het Nieuwe Testament kennen, eens de apostelverhalen neemt. Dan kun je teruggrijpen op het Lucasevangelie.
GA 300B/108
Niet vertaald

Scheikunde

Und Sie führen die einfachen chemischen Begriffe weiter, so daß das Kind auch begreifen lernt, wie industrielle Prozesse mit chemischen zusammenhängen. Sie versuchen, im Zusammenhang mit den chemi­schen Begriffen dasjenige zu entwickeln, was zu sagen ist in bezug auf die Stoffe, die den organischen Körper aufbauen: Stärke, Zucker, Ei­weiß, Fett.

En de eenvoudige scheikundige begrippen breidt u uit, zodat het kind ook leert begrijpen hoe industriële processen samenhangen met chemische processen. U probeert, in samenhang met de chemische begrippen, datgene te ontwikkelen wat er gezegd moet worden over de stoffen die het organische lichaam opbouwen: zetmeel, suiker, eiwit, vet.
GA 295/167
Vertaald/153

In der Chemie: das Verbrennen, das Zusammensetzen und Zerlegen von Substanzen

In de scheikunde het verbranden, samenvoegen en splitsen van stoffen.
GA 300A/122
Niet vertaald

Sterrenkunde

Es wird gefragt wegen Himmelskunde in 8a.
Dr. Steiner: Wenn es sich darum handelt, die richtige Empfindung hervorzurufen, dann kann man es doch erreichen, daß man vor allen Dingen das wirkliche Bild des Himmels nimmt, aber versucht, wie Sie es in den früheren Klassen getan haben, ein Gedächtnis des Bildes hervorzurufen. Die Kinder bekommen doch eine gewisse Ehrfurcht, wenn man sie ab und zu einmal wirklich vor den Sternenhimmel führt und da das Nötige redet. Es ist schwieriger, gegenüber unseren Karten Ehrfurcht zu erzielen, als vor dem Sternenhimmel. Die Kar­ten sind Ehrfurcht ertötend.

Er wordt iets gevraagd over sterrenkunde in klas 8A

Dr. Steiner: Wanneer het erom gaat een juiste stemming op te roepen, dan kan je dat bereiken door het reële hemelbeeld te nemen, maar probeer, zoals u dat in de vorige klassen deed, een herinnering aan dat beeld op te roepen. De kinderen krijgen toch een bepaalde eerbied, wanneer je ze af en toe daadwerkelijk de sterrenhemel toont en er het nodige over zegt. Het is moeilijker eerbied te wekken voor de kaarten dan voor de sterrenhemel. Kaarten doden de eerbied.
GA 300B/114
Niet vertaald

Taal

Im achten Schuljahr wird es sich darum handeln, daß man dem Kinde ein zusammenhängendes Verständnis beibringt für länger aus­gedehnte prosaische oder poetische Darstellungen, so daß man in dieser Zeit etwas Dramatisches, etwas Episches mit den Kindern liest. Dabei muß man immer berücksichtigen, was ich gesagt habe: Alle Erklärun­gen, alle Interpretationen vorausgehen lassen, so daß, wenn es ans Lesen kommt, dieses Lesen immer der letzte Abschluß desjenigen ist, was man mit einem gelesenen Stoff tut.
Insbesondere aber darf in diesem achten Schuljahr das Geschäftlich-Praktische gerade im Bereiche des Sprachunterrichts nicht außer acht gelassen werden.

In de achtste klas moeten we het kind overzicht over en inzicht in langere teksten – proza of poëzie — bijbrengen. Men kan in deze tijd iets van drama of epiek met de kinderen lezen. Daarbij moet men steeds rekening houden met wat ik al zei: dat alle uitleg, alle interpretaties vooraf moeten gaan, zodat het lezen van de tekst uiteindelijk de afsluiting is van alles wat men met de tekst doet. Maar met name mag in deze achtste klas het praktisch-zakelijke juist op het gebied van het taalonderwijs niet achterwege blijven.
GA 295/160
Vertaald/148

Goethe und Schiller in der 8. Klasse.

Goethe en Schiller in de 8e klas
GA 300A/118

X.    berichtet über die humanistischen Fächer in der 7. und 8. Klasse. Es ist besprochen worden die Biographie Goethes und ,,Dichtung und Wahrheit”:
Schillers ,,Ästhetische Briefe”.

Dr. Steiner:

Da wäre zu empfehlen Herders ,,Ideen zur Philosophie der Geschichte der Menschheit”. Herder stellt darin den Menschen dar als Zusammenfassung der anderen Naturreiche.

X. doet verslag over de humanistische vakken in de 7e en 8e klas. Besproken werd de biografie van Goethe en ‘Dichtung und Wahrheit’.
Schillers ,,Ästhetische Briefe”.

Dr. Steiner:

Nog aan te raden is van Herder: “Ideen zur Philosophie der Geschichte der Menschheit”. Herder zet daarin de mens neer als een synthese van de andere natuurrijken.
GA 300A/122

Hermann Grimm
GA 300B/33 

Tekenen

Zie: kunst(geschiedenis)

Zie klas 7

Vertelstof

Dann die gegenseitigen Be­ziehungen der Volksstämme, Inder, Chinesen, Amerikaner, was ihre Eigentümlichkeiten und so weiter sind, das heißt Kenntnis der Völker. Das ist eine ganz besondere Notwendigkeit aus der gegenwärtigen Zeit-epoche heraus.

Dan de onderlinge betrekkingen tussen de volkeren, tussen Indiërs, Chinezen, Amerikanen, wat hun karakteristieken zijn en dergelijke, dat wil zeggen volkenkunde. Dat is een heel bijzondere noodzaak met het oog op de huidige tijd.

8.Erkenntnis der Völker.
Volkenkunde
GA 295/19-20
Vertaald/19

[1]
Aardrijkskunde, geologie

Hier kom ik bij iets wat voor mij bevreemdend is.
In de jaren dat Steiner over de vrijeschoolpedagogie spreekt – ik neem nu 1919 – 1924 – heeft hij vele malen beweerd dat de vrijeschool geen antroposofische school dient te zijn. een school waarin geen antroposofische inhoud aan de kinderen wordt meegedeeld.

Op 20 aug. 1919 al, nog vóór de school begint, zegt hij dit.

Als de school eenmaal bezig is en de pedagogische vergaderingen worden gehouden, is Steiner daar vaak op bezoek en worden hem vragen gesteld. Daarvan zijn verslagen bewaard gebleven.

Op 25 september 1919 stelt leerkracht X – in de verslagen werden de namen van de leerkrachten om wat voor reden dan ook niet vermeld – een vraag. Het is niet zo moeilijk te achterhalen dat het om Walter Johannes Stein gaat – een van de twee leerkrachten die de 8e klas onder hun hoede hebben.

Hij vraagt:

GA 300A/85

Wie kann man für den geologischen Unterricht einen Zusammenhang her­stellen zwischen der Geologie und der Akasha-Chronik?

Hoe kun je voor het geologie-onderwijs een verbinding leggen tussen de geologie en de ‘akasha-kroniek‘?

M.i. had Steiner hier moeten zeggen dat ‘de akasha-kroniek’ een antroposofisch werk is en dus niet thuishoort in het onderwijs. (In geen enkele andere pedagogische voordracht  – er zouden er na 1919 nog vele gehouden worden – komt dit onderwerp ooit nog ter sprake.)
Maar dat doet hij niet: hij beantwoordt de vraag:

Dr. Steiner:

Da wäre es natürlich gut, wenn Sie es so machen würden, daß Sie den Kindern zunächst die Schichtenbildung zum Bewußtsein bringen, daß Sie ihnen einen Begriff beibringen, wie die Alpen ent­standen sind. Und daß Sie dann den ganzen von den Alpen ausgehenden Komplex behandeln: Pyrenäen, Alpen, Karpaten, Altai und so weiter, was ja die eine Welle ist; daß Sie diese ganze Welle den Kin­dern klarmachen. Und dann die andere Welle, die von Nordamerika über Südamerika geht. Da kriegt man also heraus diese eine Welle bis zum Altai’ bis zu den asiatischen Bergen, die geht von Westen nach Osten. Und dann haben wir im Westen Amerikas oben die nordame­rikanischen und unten die südamerikanischen Gebirge. Das ist die andere Welle, von Nord nach Süd. Die steht auf der ersten senkrecht darauf.

Dr. Rudolf Steiner:

Dan zou het natuurlijk goed zijn, wanneer u dat zo zou doen, dat u de kinderen allereerst de vorming van de lagen duidelijk maakt, dat u hun een begrip bijbrengt van hoe de Alpen zijn ontstaan. En dat u dan uitgaand van de Alpen het hele complex behandelt: Pyreneeën, Alpen, Karpaten, Altaigebergte enz., dat is de ene glooibeweging; dat u die aan de kinderen goed duidelijk maakt. En dan de andere glooiing die van Noord-Amerika naar Zuid-Amerika loopt. Dan krijg je dus de ene glooiing tot aan de Altai, tot aan de Aziatische bergen, die loopt van west naar oost. En dan heb je in het westen van Amerika in het noorden de Noordamerikaanse en in het zuiden de Zuidamerikaanse gebergten. Dat is de andere glooiing, van noord naar zuid. Die staat loodrecht op de andere:

Von dieser Schichtung und Gliederung gehen wir aus, und da reihen wir dann die Vegetation und die Fauna an. Dann versuchen wir einfach die Westküste von Europa und die Ostküste von Amerika, die Fauna und Flora und die Schichtung zu studieren. Dann gehen wir dazu über, den Begriff davon hervorzurufen, wie der Osten von Ame­rika und der Westen von Europa zusammenhängen, und daß das Becken des Atlantischen Ozeans und die Westküste von Europa ein­fach Senkungsland ist. Von diesen Begriffen aus versuchen wir dann auf naturgemäße Weise klarzumachen, daß sich das im Rhythmus auf und ab bewegt. V on dem Begriff des Rhythmus gehen wir aus. Wir zeigen, daß die britischen Inseln viermal auf und abgestiegen

We gaan uit van deze gelaagdheid en indeling en daar knopen we dan de vegetatie en de fauna aan vast. Dan proberen we eenvoudigweg de westkust van Europa en de oostkust van Amerika te bestuderen, de fauna en de flora en gelaagdheid. Dan gaan we ertoe over om begrip te wekken voor hoe het oosten van Amerika en het westen van Europa met elkaar samenhangen en dat het bekken van de Atlantische Oceaan en de westkust van Europa simpelweg gezonken land is. Met deze begrippen proberen we dan op een natuurlijke manier duidelijk te maken, dat er ritme zit in het stijgen en dalen. We gaan uit van het ritme. We laten zien dat de Britse eilande viermaal gestegen en gedaald zijn.

blz. 86

sind. Da kommen wir zurück zu dem Begriff der alten Atlantis, auf geologischem Wege.
Dann können wir übergehen indem wir versuchen, in den Kindern die Vorstellung hervorzurufen, wie es anders war, als das eine da unten war, und das andere da oben. Wir gehen davon aus, daß die britischen Inseln viermal auf- und abgestiegen sind. Das ist einfach geologisch festzustellen an den Schichten. Wir versuchen also, diese Dinge in Zusammenhang zu stellen, aber wir dürfen nicht davor zurückschrecken, bei den Kindern von dem atlantischen Land zu sprechen. Wir dürfen das nicht überspringen. Auch im geschicht­lichen Zusammenhang können wir daran anknüpfen. Nur werden Sie dann die gewöhnliche Geologie desavouieren müssen. Denn die atlantische Katastrophe muß ja im 7. bis 8. Jahrtausend angesetzt werden.
Die Eiszeit, das ist die atlantische Katastrophe. Die ältere, mittlere und neuere Eiszeit, das ist nichts anderes als das, was vorgeht in Europa, während die Atlantis untersinkt. Das ist gleichzeitig, also im 7., 8. Jahrtausend.

Dan kunnen we ertoe overgaan in de kinderen een voorstelling op te roepen hoe anders het was toen het ene zich onder bevond en het andere boven. Dat is eenvoudig vast te stellen aan de geologische lagen. We proberen dus deze dingen met elkaar in verband te brengen, maar we mogen er niet voor terugschrikken met de kinderen over Atlantis te spreken. Dan komen we terug op het begrip van het oude Atlantis, langs geologische weg. We mogen dat niet weglaten. We kunnen er ook vanuit geschiedkundige samenhangen bij aanknopen. Maar dan moet u wel de gangbare geologie ontkennen. Want de Atlantische ondergang moet zo ongeveer in het 7e, 8e millennium worden geplaatst.
De ijstijd is het ondergaan van Atlantis. De oudere, middenijstijd en de jongere zijn niet anders dan wat zich in Europa afspeelt tijdens het wegzinken van Atlantis. Dat speelt zich gelijktijdig af, in het 7e, 8e millennium.
GA 300A/85-86
Niet vertaald

Opmerkelijk is tegelijkertijd dat Steiner hier nauwelijks ‘antroposofie’ brengt. In die tijd kwam ook Wegener met ‘de schuivende platen’ en in dit artikel over het ontstaan van de Britse eilanden is diverse malen sprake van stijging en daling: zowel van de bodem als van de zeespiegel (het een is niet noodzakelijkerwijs het gevolg van het ander!) 

Er is wel meer te doen geweest over ‘Atlantis’. Om daarover een genuanceerd en gedetailleerd oordeel te kunnen vellen, raad ik de lezer aan – vóór een mening te geven – de betreffende artikelen aandachtig te bestuderen.
.

8e klasalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Het leerplan: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: omdat het kunstzinnig werk van klas 7 deels wordt voortgezet in klas 8: zie 7e klas

..

2105-1976

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 7 – alle artikelen

.

voordracht 7
de bladzijden verwijzen naar de vertaling van 1993

Een kleine uitleg over de indeling in paragrafen:
Het eerste cijfer verwijst altijd naar de voordrachtenvolgorde in de uitgave. [7-
Het tweede cijfer is het onderwerp van de beschouwing, aangegeven met het bladzijnummer en een korte inhoudsomschrijving. [7-1]
Het derde cijfer [7-1-1] geeft een uitbreiding aan van de inhoud van [7-1]
Wanneer je de gang door de voordracht wil volgen, hoef je de uitbreidingen niet per se te lezen. De volgorde door de voordracht is dus de reeks [7-1] [7-2] [7-3] enz.
Als kleur: rood

[7-1] blz. 107
Over:begrijpen‘; vele citaten die wijzen op het belang dat Steiner hecht aan een ‘veelzijdig’ begrijpen; dóórdringen tot de realiteit;

[7-1-1]
Over: het verschil kind – grijsaard m.b.t. voelend-willen en denkend voelen; tijdens de opvoeding raakt het voelen losser van het willen; het is een natuurproces dat de opvoeding moet begeleiden.

[7-2] Blz. 110-118
Over: waarneming en gewaarwording; voelend willen/ willend voelen; het perifere van de zintuigen; gevolgen voor didactiek.

[7-3] Blz. 113/117
Over: gewaarwording; waar wakker; 3 plaatsen: hersenen, ruggenmerg, zonnevlecht; verwarring over precieze omschrijving: vegetatief zenuwstelsel, zonnevlecht, e.d. Kleine toelichting uit GA 137.

[7-4] Blz. 117-120
Over: de zenuwen; een stervensproces i.t.t. bloed; herstel zenuwen: moeizaam proces; denken de hersenen?; ‘holle ruimtes’. 

[7-5] Blz. 115/116
Over: geheugen: vergeten en herinneren; i.v.m. wakkerheid en slaap.

[7-5-1] Blz. 115/116
Over: geheugen, vergeten en herinnering; vergeten benaderd vanuit het vierledig mensbeeld-uit GA 13; astraallijf en Ik en herinneren.

[7-5-2] Blz. 116-117 
Over geheugen, herinneren uit GA 9; gevolgtrekking voor lesgeven; indrukken; werking van de ziel tussen verleden en heden.

.

Algemene menskunde: voordracht 7: alle artikelen 

Rudolf Steiner over geheugen: alle artikelen

Geheugenalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

 

2104-1975

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 7 (7-1)

.

 

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Enkele gedachten bij blz. 103 in de vertaling [1]

Misschien mag je wel zeggen dat Steiner aan het begin van deze voordracht – min of meer op de helft van het aantal bladzijden dat in druk de gesproken inhoud weergeeft, in een enkele zin het waarom van zijn algemene menskunde, samenvat:

Blz. 105   vert. 103

Es kommt für Sie darauf an zu durchschauen, was das Menschenwesen eigentlich ist.

Het komt er voor u op aan te doorzien wat het wezen van de mens eigenlijk is.

Ook al geeft Steiner nieuwe inhoud aan wat pedagogie is, aan wat psychologie is, hij vindt het belangrijk dat de bestaande, de gangbare begrippen ook gekend worden: 

Wir werden uns selbstverständlich fortwährend beziehen müssen auf Begriffe, die über Pädagogisches, auch über Seelisches, Psychologisches in der Welt gang und gäbe sind;

Het spreekt vanzelf dat we voortdurend begrippen moeten hanteren die op het gebied van de pedagogie, maar ook op het gebied van de ziel, van de psychologie ingeburgerd zijn.

En om deze begrippen en om ‘alles’ wat er aan gezichtspunten over pedagogie en psychologie verschijnt te kennen, zal je je ermee bezig moeten houden. In zekere zin stelt Steiner het als een opdracht:

denn Sie werden sich ja durch Lektüre im Laufe der zeit mit pädagogischer und psychologischer Literatur auseinanderzusetzen haben,

Want u zult zich in de toekomst toch bezig moeten houden met hetgeen er op het gebied van pedagogie en psychologie gepubliceerd wordt –

Maar Steiner zegt niet zomaar iets: hij weet – hoewel hij niet voor de klas heeft gestaan – wél, dat het vrijeschoolleraarschap veel inzet en dus veel tijd en energie kost, dat er veel te doen is en hij bouwt a.h.w. een ontsnappingsformule in:

soweit Sie dazu Zeit und Muße haben.

voor zover u daar de tijd en de rust voor heeft.

Tijd en rust

Toen ik in 1970 op de Haagse vrijeschool met mijn ‘eerste rondje’ begon, was de wekelijkse pedagogische vergadering op donderdagavond van 18.30u tot 21u. Daarna begon er een 2e vergadering, het zgn. ‘interne deel’. Hierin werden alle mogelijke zakelijke en organisatorische dingen besproken, taken verdeeld enz.
Van die vergadering was je niet ‘automatisch’ lid: je werd ervoor gevraagd.

Dat gebeurde pas na een jaar of drie, vier. 
Je was als beginnend leerkracht dus min of meer vrijgesteld van andere dan je pedagogische taken en je kon je daardoor veel meer richten op je klas.
Ik vond pedagogie en psychologie ‘studeren’ interessant en naast de voordrachten van GA 293, 294 en 295, probeerde ik dat dan ook te doen.
Toen ik dan na een aantal jaren ook in het interne deel ging meedoen, bleef er veel minder tijd over om vol te houden, door te zetten, waarmee ik was begonnen.
Achteraf kan ik zeggen dat het te veel was; dat het ten koste ging van ‘de rust’, van de tijd die ik had moeten hebben om ook aan ‘het leven’ te besteden.
Het was goed geweest om bv. de hele eerste ronde vrijgesteld te zijn geweest van organisatorische taken.

Nu was Den Haag een grote school met veel personeel.
Maar ik heb ook op pas opgerichte scholen gewerkt, met nauwelijks vier à vijf collega’s en dan is het niet mogelijk om ‘de beginners’ niet te betrekken bij alles wat er moet gebeuren.

En het zit ook niet meer in de jongere mens dat deze vanzelfsprekend het gevoel heeft dat niet in alles meedoen niet hetzelfde is, als achtergesteld of buitengesloten  te worden…….

Kortom, in Steiners bijna onopvallende zin: voor zover u daar de tijd en de rust voor heeft, ligt meer diepgang verborgen, dan je zo op het eerste gezicht zou verwachten.

Begrijpen

Wat de mens in wezen is’, betekent hem begrijpen. Wat is begrijpen?:

Es ist alles Begreifen eigentlich ein Beziehen des einen auf das andere. Begreifen können wir aber in der Welt nicht anders, als daß wir das eine auf das andere beziehen.

Iets begrijpen wil eigenlijk zeggen dat men de dingen met elkaar in verband brengt. Wij kunnen in dit bestaan ook niet op een andere wijze iets begrijpen dan door het een met het ander in verband te brengen.
GA 293/105
Vertaald/103

Iedereen weet dat dit zo is. Deze waarheid heeft Steiner nog vaak – zij het net weer met andere woorden – naar voren gebracht:

Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.

Door feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen.
GA 293/113
Vertaald/111

Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

De werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden*. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld zien.
GA 293/124     
Vertaald/120

*tegenstellingen vind ik een betere vertaling, omdat deze m.i. beter past bij wat Steiner doet: bepaalde fenomenen – o.a. sympathie – antipathie; slapen-wakkerzijn; denken-willen; geest-stof; enz. – als tegenstellingen karakteriseren.

Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige.

Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven.
GA 293/148  
Vertaald/143

Real lernt man die Dinge aber nur kennen, wenn man sie in der Welt wirklich aufeinander be­ziehen kann.

Je leert de dingen pas in hun realiteit kennen, wanneer je ze in de wereld reëel met elkaar in verband kan brengen.
GA 301/42
Op deze blog  vertaald 42

Man muß überall mit realen, mit wirklichen Begriffen rechnen, nicht mit dem, was man sich einbildet.

Je moet overal reële, echte begrippen hanteren, niet die je jezelf aanpraat.
GA 304/112  
Op deze blog vertaald/112

Man muß immer die Sache von allen möglichen Seiten kennenlernen wollen und niemals einverstanden da­mit sein, daß man sie nur von einer Seite kennengelernt hat.

Je moet altijd een zaak van alle mogelijke kanten willen leren kennen en het er nooit mee eens zijn dat je die maar van één kant hebt leren kennen.
GA 306/167
Vertaald/164

Allerlei gezichtspunten

Dat ‘van alle mogelijke kanten’ brengt Steiner in de voordrachten 1 t/m 6 van de Algemene menskunde in de praktijk door m.n. in voordracht 2 de mens vanuit de ziel te bekijken, in voordracht 7 zo samengevat:

Betrachten wir vom seelischen Gesichtspunkte aus den Menschen, so legen wir das Hauptgewicht darauf, Antipathien und Sympathien innerhalb der Weltgesetzmäßigkeit zu entdecken;

Beschouwen wij de mens als zielenwezen, dan ligt het accent op het ontdekken van antipathieën en sympathieën in het krachtenspel van de wereld;
GA 293/105
Vertaald/103

waarbij ‘wereld’ voor Steiner meer is: ook kosmos:

Der Mensch ist ein Ausdruck des ganzen Kosmos

De mens is een openbaring van de hele kosmos
GA 202/23
Niet vertaald

En de mens begrijpen, zonder de kosmos daarbij te betrekken, is niet mogelijk, dat gaf Steiner in de 2e voordracht ook al aan: 

(  ) das Menschenwesen nur begriffen werden kann im Zusammenhange mit dem Kosmischen.

Het wezen van de mens kan eigenlijk alleen begrepen worden in samenhang met het kosmische.
GA 293/40   
Vertaald/40

(In voordracht 10 – wordt dit bv. nader uitgewerkt).

Dan vat Steiner aan het begin van de 7e voordracht een belangrijk aspect van voordracht 6 samen:

betrachten wir aber vom geistigen Gesichtspunkte aus den Menschen, so müssen wir das Hauptgewicht darauf legen, Bewußtseinszustände zu entdecken. Und wir haben uns ja gestern mit den im Menschen waltenden drei Bewußtseinszuständen beschäftigt: mit dem Vollwachsein, mit dem Träumen und mit dem Schlafen – und haben gezeigt, wie das Vollwachsein eigentlich nur im denkenden Erkennen vorhanden ist, das Träumen aber im Fühlen waltet und das Schlafen im Wollen.

beschouwen wij de mens als geesteswezen, dan moet het accent liggen op het ontdekken van bewustzijnstoestanden. U kunt zich herinneren dat we ons gisteren hebben beziggehouden met de drie vormen van bewustzijn in de mens: het waakbewustzijn, het droombewustzijn en het ‘slapend bewustzijn’. We hebben aangetoond dat het volledige waakbewustzijn eigenlijk alleen bestaat in het denkend kennen, het droombewustzijn in het voelen en het ‘slapend bewustzijn’ in het willen.
GA 293/105
Vertaald/103

Schematiseren

Enerzijds geeft Steiner in zijn voordrachten op het (school)bord de meest uiteenlopende schema’s. Tegelijkertijd waarschuwt hij voor schematiseren. Het blijft voor hem een mogelijkheid iets te verduidelijken, terwijl hij steeds betoogt dat het gaat om allerlei manieren van benaderen: niet dat ene schema omvat de volle realiteit.

Das Leben duldet nicht, daß man typisiert. Das Leben fordert, daß alles in Bewegung ist.

Het leven verdraagt niet dat men alles indelend vastlegt. Het leven vraagt dat alles in beweging is.
GA 301/166
Op deze blog vertaald /166

Wir gewinnen nur dadurch ein lebendiges Verhältnis zum Leben, daß wir Ganzheiten unmittelbar anschauen, und es handelt sich niemals darum, daß wir in willkürlicher Weise von dem Teile zu den Ganzheiten übergehen, sondern daß man dasjenige, was im Leben als eine Ganzheit auftritt, auch als eine Ganzheit charak­terisiert.

We brengen alleen een levendige verhouding met het leven tot stand, wanneer we allereerst naar het geheel kijken en het gaat er nooit om dat we op een willekeurige manier van de delen naar het geheel gaan, maar dat je wat zich in het leven als een geheel manifesteert, ook als een geheel karakteriseert.
GA 301/189
Op deze blog vertaald/189

Man muß eben überall den Umfang der Erscheinungen suchen, in den sich ein Komplex, den man hat, einordnet. Man kann nicht nur das, was unmittelbar vor einem liegt, berücksichtigen.

Je moet overal  naar alle verschijnselen zoeken waarin een zaak zich voordoet. Je kunt niet alleen maar rekening houden met wat meteen voor de hand ligt.
GA 301/243   
Op deze blog vertaald/243

Und so ist es im Leben immer – die Dinge im Leben müssen überall von den verschiedensten Seiten betrachtet wer­den.

En zo is het in het leven steeds – de dingen in het leven moeten overal vanuit de meest verschillende kanten bekeken worden.
GA 306/85
Op deze blog vertaald/85

Weder einseitig auf das Denken, noch einseitig auf den Willen, sondern allseitig auf den ganzen Menschen müssen wir hinblicken, wenn wir Erzieher werden wollen.

Noch eenzijdig naar het denken, noch eenzijdig naar de wil, maar alzijdig naar de hele mens moeten we kijken als we op­voeder willen worden.
GA 307/90  
Vertaald/113

Man darf, wenn man mit seinem Erkennen in die Wirklich­keit hineingehen will, niemals schematisieren, niemals die Ideen nur nebeneinander setzen, ( )

Om de werkelijkheid te kennen, mag je nooit schematiseren, nooit ideeën zomaar naast elkaar zetten ( )
GA 202/58
Niet vertaald

En in voordracht 8 verwijst hij weer naar wat al aan de orde is gekomen:

Seien Sie sich also klar darüber, daß Sie den Menschen nur dadurch erkennen können, daß Sie ihn immer von drei Gesichtspunkten aus betrachten, ( )

Bedenkt u goed dat u de mens als geesteswezen alleen kunt
kennen door hem altijd van drie gezichtspunten uit te beschouwen*

GA 293/132  
Vertaald/128

*vanuit het lichaam: hoofd/romp/ledematen
vanuit de ziel: denken/voelen/willen
vanuit de geest: wakker/dromen/slapen

In voordracht 7 voegt Steiner een nieuwe karakteristiek toe:

Denken, voelen en willen wordt nu in de tijdstroom geplaatst waarin de ontwikkeling van de mens zich voltrekt: van kindheid naar ouderdom.

Wir müssen darauf Rücksicht nehmen, daß der Mensch als solcher ein fortwährend Werdender ist. Und das ist etwas, was wir uns in unserem Erzieherbewußtsein immerwährend aneignen müssen, daß der Mensch ein fortwährend Werdender ist, daß er Metamorphosen unterliegt im Verlaufe seines Lebens.

U moet er in de allereerste plaats van uitgaan, dat de mens een wezen is dat voortdurend in wording is. En dat is iets wat we in ons bewustzijn als opvoeder ons steeds eigen moeten maken, dat de mens voortdurend in wording is, dat hij in de loop van zijn leven metamorfosen ondergaat.
GA 295/30
Vertaald/31

Over o.a. deze metamorfosen gaat het in de loop van de voordracht.
Zie [7-1-1] over de verandering van de verbinding gevoel-wil in de verbinding gevoel-denken tijdens het leven van kind naar ouderdom.
Steiner gaat dieper in op gewaarwording en waarnemen.
Zie [7-2

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 7: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2103-1974

.

.

.

.*

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool

.

SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

                        uit/in het archief

Niet alleen in de jaren ’60, ’70 van de vorige eeuw, zelfs in de jaren ’80 nog, bestond er bij sommige (vrijeschool)mensen nog een strijdvaardig enthousiasme voor meer ‘vrijheid van onderwijs’. 

Wat door Steiner als een grote opdracht werd gezien: staan voor vrijheid in het geestesleven, d.w.z. geen overheidsbemoeienis met de inhoud – is door de vrijeschoolorganisatie in Nederland verwaarloosbaar opgepakt en losgelaten.

Geluiden in die richting komen nu van buiten de vrijeschool: van juf Naomi Smits bv.: ‘Leraren, het is tijd om de regie over te nemen‘. 
Zij vertoont iets van ‘rebellie’, die de vrijeschoolorganisatie op goede gronden ooit vertoonde en die m.i. een speerpunt kan zijn voor de komende jaren – zou moeten zijn – als je Steiner  en zijn vrijeschool serieus neemt.

Naomi Smits zegt: ‘Voortasan weigeren we om groepen van meer dan dertig kinderen les te geven’. 

Ik weet niet of en hoeveel bijval mevrouw Smits heeft gekregen vanuit de vrijeschoolbeweging…..

In 1987 vonden er nog bijeenkomsten plaats met mensen als Jack Moens, Mouringh Boeke e.a., die zich met grote energie inzetten voor de zo bij de vrijeschool horende vrijheid.

Opmerkelijk is het pleidooi van Boeke om ‘een beweging te worden vóór vrije scholen, i.p.v. ‘van vrije scholen’.
In mijn optiek is er nu eigenlijk geen sprake van ‘een beweging’: voor de vrijheid van onderwijs wordt door vereniging van vrijescholen nauwelijks ‘een beweging’ gemaakt: voor beweging is wilskracht nodig en die ontbreekt!

Een verslag van zo’n bijeenkomst:

VERSLAG van de landelijke bijeenkomst van de Vrije Schooibeweging op 27 september “87

Tijdens deze landelijke bijeenkomst werden er ’s ochtends twee inleidingen gegeven, door Jack Moens (voorzitter van de Bond van Vrije Scholen) en Mouringh Boeke (leraar en lid van de Werkgroep Vrijheid van Onderwijs). Vervolgens werd er in verschillende groepen uiteengegaan om het naar voren gebrachte te bespreken met elkaar, en om ons gezamenlijk te verdiepen in de ontwikkeling van de sociale impuls in de Vrije Schooibeweging. ’s Middags werd dit gesprek plenair voortgezet.

Inleiding van Jack Moens

Jack Moens begon zijn inleiding met het richten van de blik op de toekomst.

Het is een algemeen beleven om het naderen van het jaar 2000 onder ogen te willen zien en inhoud te willen geven aan de ontwikkeling daarnaar toe.

In het jaar 2000 zijn onze kinderen volwassen. Zij geven dan mede vorm aan de maatschappij. Deze toekomst hebben we allen gemeenschappelijk: ouders en leraren, ook buiten de Vrije Scholen. De vraag is, hoe moet onze generatie deze toekomst voorbereiden: de vormgeving van de maatschappij van de toekomst?

Rudolf Steiner heeft hiertoe in 1919 de beweging voor sociale driegeleding in het leven geroepen. Wat bewoog Rudolf Steiner toen; en waar staan wij nu voor ? Een van de beginpunten vanwaaruit deze beweging ontstond,was: er is een trend in het menselijke, sociale bewustzijn het effect van mijn opmerking of handeling voor de andere mens niet te zien. Rudolf Steiner wees erop dat het noodzakelijk is om te weten hoe je een brug moet bouwen.

In het sociale leven is het effect van het handelen, voor de andere mens, onzichtbaar, terwijl de medemens eronder kan lijden.

Een voorwaarde voor de nieuwe tijd is: het effect van ons handelen leren waarnemen; voelend en willend leren waarnemen. Deze vermogens moeten ontwikkeld worden, anders ontstaan er grote conflicten, en loopt de samenleving dood.

Rudolf Steiner moest het in zijn tijd opnemen tegen tendensen van dogmatisch denken, het marxisme, het taylorisme. Het natuurwetenschappelijke bewustzijn dat aan deze ontwikkelingen ten grondslag ligt, zou als houding juist overgenomen moeten worden: innerlijke exactheid, zuiver waarnemen. Maar om de werkelijkheid te bevatten moet het bewustzijn verhoogd worden tot de geestelijke wereld.

Naast dit punt is het tweede gezichtspunt, dat de mens op weg is om mondig te worden, te emanciperen. De individuele mens verzelfstandigt van groep of klasse. Rudolf Steiner verwoordde deze ontwikkeling in de sociologische basiswet: de toenemende individualisering van de mens, die erkend moet worden. Anders ontstaan er spanningen in het sociale leven.

Het derde gezichtspunt heeft betrekking op de economie. De economie wordt wereldeconomie. Hier geldt de wet van de arbeidsdeling: wederzijdse afhankelijkheid op wereldschaal. Als het egocentrisme niet overwonnen wordt, leidt dit tot sociale problemen. Rudolf Steiner plaatst hier de impuls van de broederschap. Men moet hier zoeken hoe je omgaat met specialismen, met de arbeidsdeling. Er bestaat een netwerk van afhankelijkheden. Hiervan moet men zich bewust worden, om er anders mee om te kunnen gaan.

In onze tijd is de vraag: wat zijn de verwachtingen vanuit deze gedachten na zestig jaar? Hoe kijk je naar de toekomst? Er is veel gebeurd!

Tijdsfenomenen:

Het geestesleven is gekenmerkt door ontkerkelijking en het zoeken naar identiteit. De vraag naar persoonlijke zingeving is aan de orde. Ontwikkelingen in wetenschap en kunst zijn gekenmerkt door hun grensoverschrijdend karakter. Hiertegen komt een tegencultuur op: een drang terug te gaan naar de wortels, het fundamentalisme. Maar ook: vertrossing, mediacultuur, genenmanipulatie, aurafotografie.

In het onderwijs gebeuren de verschrikkelijkste dingen. Het fenomeen van de “Totgebildeten” treedt op: mensen die door het onderwijs dood-gevormd zijn.

Het hoofd is zó eenzijdig ontwikkeld, dat het gevoel en de wil bijna afwezig zijn. Het onderwijs is een exponent van een kijk op het geestesleven, die zó veruiterlijkt is, dat opvoeden alleen nog informatie-overdracht is. De ontwikkelingen zullen zo gaan lopen dat scholen alleen nog beoordeeld worden naar hun out-put. Het gaat erom wat er uit komt: out-put controle. Betaling zal dan geschieden naar het aantal kinderen dat geslaagd door het examen komt. Onderwijs wordt steeds meer contract-onderwijs: scholen doen van alles ernaast om geld binnen te krijgen. Veel beroepsscholen hebben dit contractonderwijs al.

In het geestesleven zijn veel machten aan het werk om de doorbraak naar de  geest te voorkomen.

In het rechtsleven zijn er met name in Nederland vanaf de zestiger jaren grote ontwikkelingen. De emancipatorische beweging drukt haar stempel op de tijd. De mens voelt zich mondig, wil zichzelf zijn. Tegelijk is er de trend van verzakelijking, nuchterheid, no-nonsense, automatisering. Er wordt strijd gevoerd tegen de bureaucratie; de ontplooiing wordt dwarsgezeten.

Het ideaal lijkt te zijn: de mens van buitenaf gestuurd, geordend, als ware hij een machine. De menselijke verhoudingen verdinglijken, worden een systeem, een apparaat.

Hier tegeover kan men stellen, dat mensen in groepen met elkaar gaan werken.

Dit moet een keuze zijn. De mens moet de andere mens willen ontmoeten. In het ontmoeten ontstaat dan het recht: dat wat als rechtvaardig beleefd wordt.

In de economie is kenmerkend de opkomst van de technologie. Er is een tendens terug te gaan naar kleinschaligheid. Er is een economische jungle. Ook de economie vraagt zich af wat kwaliteit is.

We leven in een tijdperk van keuzes. Door mensen heen voltrekt zich de toekomst. Trends zijn geen echte keuzes. Hoe het jaar 2000 eruit ziet, hangt af van onze keuzes. Wat is onze keuze? Alleen pedagogisch gericht werken, of ook maatschappelijk? Dit is een vraag aan ouders en leraren: zij moeten samen naar de toekomst kijken. Daarbij moet onderzocht worden wat voor consequenties dit heeft voor het samenwerken.

Inleiding van Mouringh Boeke 

Om te beginnen maakte Mouringh Boeke een grote beweging door de geschiedenis.

Een lange periode tot ongeveer 1917 wordt erdoor gekenmerkt dat in de beschaafde wereld een denkwijze binnenkomt, die we kennen als de natuurwetenschappelijke denkwijze. Deze gaat gepaard met een mentaliteit, welke de natuur wil gebruiken, wil beheersen. Die wetenschappelijke richting heeft een andere richting tegenover zich gevonden, welke gerepresenteerd werd door Goethe en talloze anderen.
Zij stonden met een houding van eerbied tegenover de natuur  ,en probeerden een andere wetenschap te ontwikkelen.
Deze stroming is langzaam weggevaagd van het toneel.
De westerse wetenschap stelde minder eisen, vroeg minder zelfdiscipline. Uit het westen stamt een ontwikkeling die gericht is op nutsdenken en economische groei. Duitsland neemt deze ontwikkeling over en wordt een economische macht tegenover Engeland, er ontstaat een permanente concurrentie tussen Engeland en Duitsland.
In 1914, als de Eerste Wereldoorlog losbarst, staan Engeland en Duitsland op gelijke hoogte wat betreft de exporthandel.
Na de oorlog, in 1918. komt Rudolf Steiner met de Memoranda en met het boek “Die Kernpunkte der sozialen Frage”, naar de leiders en naar het volk.

Het ging er toen om of er een geestelijke capitulatie geleden zou worden of niet. Uiteindelijk is dit wél gebeurd. De sociale impuls die Steiner gaf is niet opgepakt. Echter: aan het eind van de eeuw zou er een nieuwe kans kunnen komen voor de sociale driegeleding.

De tweede fase wordt erdoor gekenmerkt dat Amerika op het wereldtoneel verschijnt. Europa is politiek uitgeteld na 1945. Wat in het denken, in het bewustzijn is voorbereid, wordt ook politiek een werkelijkheid: de uitschakeling van Europa. De heerschappij uit het westen wordt tot in de economie uitgebreid.
Europa wordt een wingewest van Amerika. Vanuit het westen komt een economische manier van denken, waarin alles wordt beleeft in termen van de economie.
De wetenschap heeft zichzelf uitgeschakeld. Kennis is nog slechts experimentele kennis. Het onderwijs wordt op de economie gericht: de kinderen moeten geschikt gemaakt worden voor de arbeidsmarkt. Deze manier van denken wordt concreet uitgewerkt en komt tot uiting in de Wet op de basisvorming.

In 1917 geeft Rudolf Steiner twee memoranda aan de regeringen van Duitsland en Oostenrijk. Zijn voorstellen behelzen een radicaal breken met de oude staatsvorm, en het aanbrengen van een duidelijke scheiding tussen rechtsleven, economie en geestesleven. De staat zou een magere staat moeten worden, zonder bemoeienis met de twee andere gebieden.

In 1919 richt Rudolf Steiner zich op het brede publiek: ieder mens moet zich scholen in het denken over het sociale leven. Het is een zaak van de individuele mensen geworden; het heeft geen zin meer om met ministers of kamerleden te praten.  Achter de schermen zaken regelen, is nu voorbij. We moeten de stap zelf vervolgen van 1917 naar 1919. Het gaat nu om ieder van ons individueel.

Wat was de bedoeling van de “Kernpunkte”? Het sociale leven stelt grote opgaven. We moeten wegen zoeken waaraan nog niet gedacht is. Het niet-denken is het grondprobleem van deze tijd. Doelbewust sociaal willen is niet opgebracht door de mensen. Door middel van de “Kernpunkte” kunnen we een denken leren, wat we eigenlijk willen – en tot stand kunnen brengen.

Het sociale organisme moet geleed worden in drie gebieden,  waardoor er geen machtsleven meer heerst.

Het economisch leven is geen doel op zichzelf. Dit berust op overleg, zonder machtsverhoudingen. De zin van het economisch leven bestaat eruit dat we kunnen leven van wat er geproduceerd wordt, en aan het geestesleven kunnen deelnemen .

Het rechtsleven zou een werkelijke democratie moeten zijn, waarin de gelijkheid verwerkelijkt zou worden. De andere mens moet hier als gelijke benaderd worden.

Het gaat niet om het gelijke van deze of gene stroming: alle mensen hebben gelijke rechten. Het samenleven is op het recht gebaseerd. De staat zelf is heel mager: zij zorgt voor bijv. de veiligheid, de politie e.d. Er zouden geen rechten op productiemiddelen behoren te bestaan, dan alleen datgene wat nodig is om het productiemiddel te brengen aan mensen die het terecht hanteren.

Het geestesleven leeft in onze voorstelling meestal allereerst in haar gestalte van pluriformiteit van stromingen, bijvoorbeeld als pluriformiteit in onderwijsstromingen. In het begin is dit er natuurlijk wel, maar dit is een doorgangsstadium. Er ontstaat een gesprek over wat er gebeurt bij de opvoeding: in de loop van de ontwikkeling die mogelijk is in een vrij geestesleven wordt dit een steeds zakelijker gesprek, gericht op de vraag waar het om gaat. Dit gesprek moet op de zaak zelf waarover het gaat gevoerd kunnen worden, zonder dat daarop iets van buitenaf op inspeelt.

Wat belangrijk is nu:

* de fraseologie.de mooie woorden waar niets achter steekt moeten we loslaten: onze taak is om de frases te doorbreken. de dingen zó te noemen als ze zijn. Zo zouden wij onszelf een beweging vóór vrije scholen moeten noemen, en niet van vrije scholen .We zouden de moed moeten hebben om onze naam te veranderen

* tot innerlijke consistentie komen binnen de beweging. We zullen met kracht aan het sociale vraagstuk moeten gaan staan. Naar buiten toe zal er een consistent beeld moeten komen van datgene waar wij voor staan.

* In de samenleving zijn er veel mensen die weten wat er aan de hand is. Velen wachten op duidelijkheid om op te kunnen treden. De leidende tendensen gaan in de richting, om de mensheid nu definitief te pakken te krijgen. Wij moeten ook op de kern van de zaak komen. Veel meer mensen zitten te wachten op duidelijkheid. Als wij vanuit een consistente visie zouden optreden, zouden we de zaak van het onderwijs, en de toekomst beter kunnen dienen.

.

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

2102-1973

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen

.
Ingrid Gouda Quint in gesprek met Monique Wortelboer, Weleda Puur Kind, herfst 2006, nr. 18
.

Opvoeden is meebewegen op de stroom
.

Kinderen hebben andere behoeften dan volwassenen, en daardoor een ander tempo. Zitten zij net lekker te spelen, wil jij aan tafel. Moet jij de deur uit voor ue boodschappen, treuzelen zij met hun jas. Hoe grijp je daarbij in en hoe voed je hen spelenderwijs op? Monique Wortelboer, zelf moeder van vijf kinderen, pleit voor go with the flow.

Iedere ouder weet het: kinderen opvoeden vergt geduld. Doe maar eens een poging een kleuter mee te nemen naar de supermarkt als hij net lekker bezig is een hut te bouwen. Probeer die kleuter weer uit die supermarkt te krijgen als hij daar trots met een klein winkelwagentje rondstapt. En probeer de ontbijtboel af te ruimen omdat je nu écht naar je werk moet en hij naar het kinderdagverblijf, terwijl diezelfde kleuter net heeft ontdekt dat je rozijnen uit een krentenbol kunt peuteren. Je wilt dat je kind naar jou luistert, maar het heeft er soms alle schijn van dat je kind uitgerekend op de momenten dat het juist moet, niet gehoorzaamt.

Monique Wortelboer studeerde wijsbegeerte en Franse taal- en letterkunde, gaf jarenlang les aan een middelbare school, zette vijf kinderen op de wereld en schreef een paar jaar geleden het boek Huishouden, de zorg voor het leven. Een praktijkdeskundige dus met een aansprekende visie op het opvoeden van kinderen, die haar adviezen verhelderend kan toelichten.

Afdwingen leidt tot dwarsliggen

‘Probeer je bij kinderen iets af te dwingen, dan is dat vrijwel zeker tot mislukken gedoemd,’ zegt Monique Wortelboer. ‘Dat komt niet doordat kinderen zo nodig dwars moeten liggen, maar doordat volwassenen vaak niet weten en zien wat er in een kind omgaat. De ideale situatie is dat je de dagelijkse dingen laat gebeuren zonder dat de kinderen het in de gaten hebben. Het geheim daarvan is dat je die dagelijkse dingen niet direct benoemt. Zeg niet: “Nu moet je opstaan, want we gaan ontbijten”, maar zorg ervoor dat het patroon rond het opstaan voor je kind herkenbaar is.’

’s Ochtends vroeg hoort je kind het geluid van de douche, het hoort een deur en er zijn de vertrouwde geluiden vanuit de keuken. Het patroon kan zijn dat je daarna naar zijn kamer gaat, de gordijnen openschuift en op de rand van zijn bed gaat zitten. Welk patroon je ook hebt, die vaste handelingen gedurende de ochtend laten je kind weten dat het tijd is om uit zijn bed te komen en dat hij hierna gaat eten. ‘Dat vaste ritme is essentieel,’ legt Monique uit. ‘Een telkens terugkerende vorm geeft houvast. Als je een gezond ritme in de dagelijkse handelingen weet te krijgen, geef je je kind daarmee houvast en herkenningspunten en gaat het opvoeden bijna vanzelf.’

Veilig houvast

Tegenwoordig gebeurt er veel op impulsen van tijd: nu dit, gauw even dat, niet vergeten zus en dan nog snel even zo. ‘Telkens impulsief doen wat in je opkomt, is funest voor een gezond ritme,’ stelt Monique Wortelboer. ‘Ik pleit absoluut niet voor een starre tijdsindeling, maar ik ben wel voorstander van een duideliik herkenbaar ritme in de week. Eten en slapen zijn basisgegevens die al automatisch zorgen voor een kader, maar er zijn meer herkenningspunten aan te brengen waar je kind een veilig houvast aan heeft. Stel dat je drie dagen per week werkt, zorg dan dat die dagen duidelijk herkenbaar zijn door dezelfde oppas, of hetzelfde ritueel voordat je hem naar het kinderdagverblijf brengt. Op de dagen dat je thuis bent, breng je een duidelijk ritme aan door simpele handelingen als bijvoorbeeld eendjes voeren na het boodschappen doen, of strijken als je kind uit zijn bedje komt. Zit dat ritme goed, dan beweegt een kind als vanzelf mee op die stroom.’

Levende situaties 

Toch hoef je maar om je heen te kijken om te weten dat het ook grandioos mis kan gaan. Menig ouder kent het moment van bijna niet te onderdrukken ongeduld als je kind in de gang bij de kapstok staat te teuten, terwijl jij al veel te laat bent voor je werk. Meesleuren dat kind, of toch maar meegaan op de stroom, die doorgaans stukken trager is dan dat van de jachtige volwassene?
‘Kleine kinderen varen niet alleen mee op de stroom, ze zijn ook afhankelijk van de dingen die zij om zich heen zien,’ zegt Monique Wortelboer. ‘Zij kunnen zich niet, zoals een volwassene, een beeld vormen van dat wat gaat komen. Kinderen hebben levende situaties nodig. Als je tegen een klein kind zegt dat je samen naar buiten gaat en dat hij daarom zijn jasje aan moet trekken, zal dat weinig effect hebben. Maar als hij jou kan nabootsen, verandert dat de situatie. Als jij je eigen jas aantrekt, hem een beetje helpt met de zijne en intussen rustig uitlegt dat
je samen naar buiten gaat, voelt je kind zich verbonden met jouw beweging en daarin gaat hij vanzelf mee. Even afgezien van tweejarige kinderen, die nu eenmaal op hun leeftijd de koppigheidsfase doormaken, is het de kunst een kind af te leiden en hem mee te laten bewegen op de stroom die jij hem aanbiedt. Verzin een liedje. Dat heeft een ritme en een stroming waardoor kinderen vanzelf mee gaan bewegen. Bedenk maar iets, geeft niet wat: “Hé, pak je jasje en hier is je dasje, en pak ook je schoen, dan gaan we het samen doen”. Zoiets.’

Ook slapengaan is in veel gezinnen met jonge kinderen een dagelijks terugkerend probleem. Monique Wortelboer is ervan overtuigd dat ook hier het geheim is te vinden in een dagelijks terugkerend ritueel met een bijbehorende vertrouwde onderstroom van herkenningspunten. ‘Zeg niet: “Zo, nu ga je naar bed”, maar zorg voor een vast ritme en een vaste volgorde. Begin met wassen, tanden poetsen, verhaaltje voorlezen en een liedje zingen en roep bij die handelingen beelden op die jouw kind aanspreken. Als jullie een poes hebben, kun je het erover hebben dat ook de poes gaat slapen, dat hij al lekker in z’n mandje ligt en dat de poes ook gaat dromen.’

Neem spelen serieus

Hoewel het in de ogen van menig volwassene ‘maar’ spelen is, is spelen voor een kind totale levensernst. Het is zijn vorm van werk. ‘Kijk naar het spel van je kind zoals je kijkt naar je eigen werk’, raadt Monique Wortelboer dan ook aan, ‘en respecteer het als zodanig. Dat betekent dat je ook de overgang van zijn spel naar rust moet eerbiedigen.’
Net zo min als jij het zou pikken als een collega jouw rapporten en verslagen op je bureautafel bijeen zou vegen met de woorden “Zo, nu gaan we samen lunchen”, pikt een kind het niet als jij de duplo waarmee hij speelt in een krat stopt, en zegt: “Zo, nu gaan we naar oma”.

Om een brug te slaan tussen spel en bijvoorbeeld ‘aan tafel gaan’ of ‘jas aantrekken en vertrekken’, kun je je kind helpen. ‘Overval je kind niet, maar laat merken dat er andere bezigheden aankomen’, zegt Monique. ‘Vroeger was het afdoen van het schort een duidelijk teken van de moeder dat het werk er in de keuken opzat, maar niemand draagt tegenwoordig nog zo’n ding. Zoek het daarom in andere herkenningspunten.’ Als het bijna etenstijd is, kun je vast beginnen met tafeldekken of een kaarsje aansteken. Je kunt ook weer gebruik maken van een liedje. Snel zal het allemaal niet gaan, maar bedenk maar dat de jaren dat je op deze manier gedwongen onthaast, zijn te tellen op de vingers van nauwelijks twee handen. Jaren die later mooi en van onschatbare waarde blijken te zijn. 

Monique Wortelboer: boeken

Spel: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

.

2101-1972

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Driekoningen

.

EEN KLEUTER TEKENT ‘DRIEKONINGEN’

getekend door Judith Deijnen, nadere gegevens onbekend

.
Driekoningen: alle artikelen

Kindertekeningen: alle artikelen

.

2100-1971

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraken bij de Kerstspelen uit Oberufer (18)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

.

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 06-01-1924  [2]

blz. 101

Wir werden uns erlauben, Ihnen auch dieses Jahr hier eines der Weih­nachtspiele vorzuführen, die aus altem deutschen Volkstume stam­men. Ich darf vielleicht von etwas Persönlichem ausgehen. Ich selber lernte diese Weihnachtspiele – die dieses Jahr nicht öffentlich zur Dar­stellung kommenden, das Paradeis-Spiel und das Christ-Geburt-Spiel und auch dieses heute aufzuführende Dreikönig-Spiel – kennen vor etwa, ich kann sagen, vierzig Jahren. Dazumal lernte ich diese Spiele bei meinem alten Freund und Lehrer, Karl Julius Schröer, kennen. Karl Julius Schröer, der dazumal, als er mir diese Spiele nannte, in Wien Hochschulprofessor war, war aber um die Mitte des 19. Jahrhunderts, in den vierziger, fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts, Professor in Preßburg, das heute zur Tschechoslowakei gehört, dazumal in einer deutschen Kolonie Ungarns, Westungarns, war. Wenn man die Donau, an der Preßburg liegt, nur ein wenig weiter ostwärts gegen Budapest zu geht, dann kommt man in die sogenannte Oberuferer Gegend. In die­ser Oberuferer Gegend war eine deutsche Kolonie. Sie war urdeutsch in meiner eigenen Jugend, wie ja überhaupt in Ungarn vor der Magya­risierung wirklich recht ausgebreitete deutsche Kolonien waren: in der Zipsergegend, die Siebenbürgener Sachsen, im Banat und so weiter. Nun, als Schröer Professor in Preßburg war, hörte er einmal, daß in­teressante, volkstümliche Weihnachtspiele draußen in Oberufer von den Nachkommen jener deutschen Kolonisten gespielt würden, welche vom Westen gegen Ungarn hin gezogen waren, um sich dort niederzulassen,

TOESPRAAK 6 JANUARI 1924

Wij nemen ook dit jaar de vrijheid om voor u een van de kerstspelen op te voeren die uit het oude volkse leven afkomstig zijn. Ik mag misschien van iets persoonlijks uitgaan. Ik zelf leerde deze kerstspelen, het Paradijsspel en het Geboortespel die we dit jaar niet in het openbaar opvoeren,  en ook dit Driekoningenspel dat we vandaag wél opvoeren – zo ongeveer veertig jaar geleden kennen bij mijn oude vriend en leraar Karl Julius Schröer die, toen hij  eens met mij over deze spelen sprak, in Wenen universiteitsprofessor was, maar in het midden van de 19e eeuw, in de jaren veertig en vijftig, professor in Pressburg, dat tegenwoordig [1924] bij Tsjecho-Slowakije hoort, [2020 Bratislava geheten en de hoofdstad van Slowakije], toen lag het in een Duitse kolonie in West-Hongarije. Wanneer je bij de Donau waaraan Pressburg ligt, een beetje naar het oosten, richting Boedapest gaat, kom je in de omgeving van Oberufer. In deze streek lag een Duitse kolonie. In mijn eigen jeugd was die oer-Duits, zoals die kolonies toen, vóór het allemaal Hongaars werd, werkelijk heel uitgestrekte Duitse kolonies waren: in de omgeving van Zipsen, Siebenburgse Saksen, in de Banaat enz.
Wel, toen Schröer professor was in Pressburg, hoorde hij eens dat er interessante volkse kerstspelen werden gespeeld rondom Oberufer, door nakomelingen van die Duitse kolonisten die vanuit het westen naar Hongarije getrokken waren om zich daar te vestigen,

blz. 102

aus Gegenden, die wahrscheinlich nördlich vom Rhein in Süddeutschland gelegen waren, unmittelbar an die Schweiz angren­zend, nördlich vom Rhein und bis nach dem Elsaß hinein. Und von daher scheinen diese Weihnachtspiele eigentlich zu stammen.
Es ist so – man kann das heute noch verfolgen -, daß wirklich im
13., 14. Jahrhundert diese Weihnachtspiele da jenseits des Rheins, vielleicht später in der Nordschweiz, höchstens in Brienz noch ge­spielt worden sind. Die Leute sind dann ostwärts gezogen, haben diese Weihnachtspiele als ein teures geistiges Erbstück mit einer innigen Frömmigkeit genommen und hielten es dann außerordentlich wert. Und durch das ganze 16., 17., 18. Jahrhundert wurden sie dann um die Weihnachtszeit und Dreikönigszeit in diesen Dörfern bei den soge­nannten Haidbauern gespielt.
Es war dieses ein jährliches großes Erlebnis christlicher Frömmig­keit in diesen deutschen Gegenden Ungarns. Dadurch, daß diese Weih­nachtspiele gerade dieses Schicksal gehabt haben, sind sie, ich möchte sagen, bis in die neueste Zeit herein ganz unverfälscht geblieben. Denn, sehen Sie, Weihnachtspiele sind in älteren Zeiten vor und nach der Reformation überall entstanden, sind gern gespielt worden, aber sie sind dann in späteren Zeiten von den sogenannten intelligenten Leu­ten verbessert worden, was man so verbessern nennt, das heißt, es ist ihnen ihre Volkstümlichkeit von Grund aus ausgetrieben worden. 

vanuit streken die waarschijnlijk ten noorden van de Rijn in Zuid-Duitsland lagen, direct aangrenzend aan Zwitserland, ten noorden van de Rijn en tot in de Elzas. En daar lijken de kerstspelen eigenlijk vandaan te komen.
Het is zo – dat is nu nog na te gaan – dat daadwerkelijk in de 13e, 14e eeuw deze kerstspelen aan de andere kant van de Rijn, misschien later in Noord-Zwitserland, hoogstens nog in Brienz, gespeeld werden. De mensen zijn daarna naar het oosten getrokken en hebben deze kerstspelen als een kostbaar cultureel erfstuk in grote devotie meegenomen en hielden dat in hoge mate in ere. En gedurende de hele 16e, 17e, 18e eeuw werden ze dan tegen de kerst- en driekoningentijd in deze dorpen bij de zgn. heide (Haid)boeren gespeeld.
In deze Duitse gebieden in Hongarije was dit jaarlijks een grote gebeurtenis van christelijke vroomheid. Omdat deze kerstspelen in zekere zin een gunstig lot hadden, zijn ze tot in onze tijd heel oorspronkelijk gebleven. Want kerstspelen zijn in vroegere tijd voor en na de reformatie overal ontstaan en ze werden graag gespeeld, maar later zijn ze door zogenaamde intellectuele mensen verbeterd, wat je verbeteren noemt, want het wil zeggen dat het volkse ervan er totaal uitgebonjourd werd.

Und die Verbesserung, welche die Intelligenz hat anbringen wollen, ist eine gründliche Verschlimmerung geworden, so daß diese Volksspiele dann in den westlicheren Gegenden wirklich in einem schlechten Zustande eigentlich nur gefunden werden konnten.
Da unten aber galten diese Weihnachtspiele der Intelligenz nichts. Als Karl Julius Schröer eben so in dem Anfang der fünfziger Jahre auf die Dörfer hinauskam, da haben die Schullehrer und der Dorfnotar gefunden: das ist etwas, um das man sich nicht kümmert. Die «intelli­genten Leute» haben das als nichtsnutziges Zeug angesehen. Und so sind diese Weihnachtspiele ganz unverfälscht geblieben, weil sie nie­mand verbessert, das heißt, verschlechtert hat in Wirklichkeit. So sind sie geblieben die ganzen Jahrhunderte hindurch, und so hat sie Karl Julius Schröer noch in der Mitte des 19. Jahrhunderts gefunden.

En de verbetering die de intelligentsia aan wilde brengen, is een ernstige verslechtering geworden, zodat deze volksspelen dan in de westelijke streken echt in een slechtere toestand aangetroffen werden.
Maar deze kerstspelen vallen niet onder die van de intelligentsia.
Toen Karl Julius Schröer zo begin jaren vijftig in die dorpen kwam, waren de onderwijzer en de dorpsnotaris van mening dat men niets om die spelen gaf. ‘De  intelligente mensen’ hebben dat voor nietsnuttige rommel gehouden. En daarom zijn deze spelen zo origineel gebleven, omdat niemand ze echt verbeterd, d.w.z. verslechterd heeft. Eeuwen zijn ze zo bewaard gebleven en zo vond Karl Julius Schröer ze nog in het midden van de 19e eeuw.

blz. 103

Da wurden sie nicht mehr jedes Jahr gespielt, sondern nur, wenn man glaubte, daß man das nötige Personal habe. Wenn die Weinlese vor­über war im Oktober, dann kamen die Honoratioren des Ortes zu­sammen bei ihrem Stammtisch und sagten: Dieses Jahr haben wir wie­derum Burschen – denn nur Burschen durften da mitspielen -, um diese Weihnachtspiele aufführen zu können, und es tut unseren Leuten ganz gut, wenn sie wieder ein bißchen Frömmigkeit in die Adern kriegen. Jetzt wollen wir es wiederum einmal in diesem Jahr machen.
Da war dann auch derjenige darunter – es war immer eine ange­sehene Familie unter den Bauern des Dorfes -, welcher der Besitzer des «Manuskriptes» war. Gedruckt waren sie ja nicht, diese Weih­nachtspiele. Der hatte es von seinem Vater und der wieder von seinem Vater und so weiter erhalten. So waren sie durch die Jahrhunderte be­wahrt. Und wenn nun die Zeit da war nach der Weinlese, sollte der­jenige, welcher im Besitz des Manuskriptes war, nun die Burschen um sich versammeln und ihr Lehrmeister sein und um die Advents- und Weihnachtszeit, um die Dreikönigszeit, die Aufführungen vorbereiten. 

Daar werden ze niet meer ieder jaar gespeeld, maar alleen, wanneer men geloofde dat er genoeg mensen waren die mee konden doen. Wanneer in oktober de druivenpluk voorbij was, kwamen de aanzienlijken van de streek bij elkaar aan hun stamtafel en zeiden: er zijn dit jaar weer jongemannen – want alleen jongens mochten meespelen – om de kerstspelen mee op te voeren en het is goed voor ze dat ze weer een beetje vroom bloed in hun aderen krijgen. Dit jaar zullen we het weer eens doen.
Daar zat ook degene bij – het was altijd een belangrijke familie uit de boeren van het dorp – die het ‘manuscript’ in zijn bezit had. Ze waren niet gedrukt. Die had het van zijn vader gekregen en die weer van zijn vader, enz. Zo waren ze door de eeuwen heen bewaard. En als dan de tijd na de druivenpluk aangebroken was, moest degene die in het bezit was van het manuscript, de jongens verzamelen en hun leermeester zijn en rond advent en de kersttijd, rond Driekoningen, de opvoeringen voorbereiden.

Und diese Aufführungen wurden wirklich mit größtem Ernst betrie­ben. Es gab strenge Vorschriften für diejenigen Burschen, die da mit­wirken sollten. Zum Beispiel durften diese Burschen die ganze Zeit über, während der sie diese Spiele vorbereiten sollten, sich nicht be­trinken.Wer diese Gegenden kennt – ich habe lange dort in diesen Gegenden gelebt -, weiß, daß das eine große, eine außerordentlich große Entbehrung für diese jungen Burschen war, wenn sie nun von der Weinlese bis zum Dreikönigstag sich nicht betrinken durften; auch nicht raufen zum Beispiel. Wer kennt, was da alles sich noch in jener Zeit abgespielt hat, wenn zum Beispiel eine Bürgermeister- oder gar eine Vizinalratswahl war – das war einer der Vertrauensbeamten des Komitats -, was das alles in diesen Gegenden hieß: die Burschen durf­ten nicht raufen an den Sonntagen! Also sie mußten ein ganz frommes Leben führen. Es war wirklich echte Frömmigkeit, volkstümliche Frömmigkeit. Außerdem war vorgeschrieben, die ganze Zeit nicht zum Dirndl zu gehen. Und es durfte auch keine weltliche Musik in den ganzen Wochen in den Dörfern, wo sie überall herumzogen, auf­geführt werden. Alle die Vorschriften, die wir hier bei unseren Spielern

En deze opvoeringen werden met grote ernst uitgevoerd. Er waren strenge voorschriften voor de jongens die eraan meewerkten. De hele tijd waarin de spelen werden voorbereid, mochten ze niet dronken worden. Wie deze streken kent – ik heb er lang gewoond – weet, dat dit een grote, een buitengewoon grote onthouding is voor deze jonge knapen, als ze vanaf de druivenpluk tot aan driekoningendag zich niet mochten bedrinken; ook geen ruzie maken, bv. Wie weet wat zich daar allemaal nog afspeelde; wanneer er bv. een burgemeester of een vertrouwensambtenaar van een bestuurlijk gebied verkozen moest worden – betekende dit in deze streken: de jongens mochten op de zondagen geen ruzie maken. Ze moesten dus een heel vroom leven leiden. Het was echte vroomheid, volkse vroomheid. Bovendien was er voor de hele tijd voorgeschreven dat je niet naar de meisjes mocht gaan. En er mocht al die weken in de dorpen waar ze overal naartoe trokken ook geen wereldse muziek ten gehore worden gebracht. Al die voorschriften kunnen wij hier bij onze spelers.

blz. 104

natürlich durchaus nicht durchführen können, das heißt, die bis­her genannten können wir durchführen; die anderen aber nicht. Wenn zum Beispiel jemand etwas vergessen hatte, was er gelernt hatte, hatte er eine Strafe zu bezahlen. Das könnten wir bei uns nicht tun. Eben­sowenig könnten wir das nicht durchführen, daß niemand zu spät kommen könnte und so weiter. Also alle diese Dinge wurden im streng­sten Sinne dort gehandhabt. Es war wirklich etwas außerordentlich Disziplinierendes für die Burschen des Ortes.
Die Weihnachtspiele selber – als die Zeit herangekommen war -wurden in der Weise gefeiert, daß man sagen kann: es mischte sich da zusammen wirkliche, echte volkstümliche christliche Frömmigkeit, verbunden mit dem, was als Volksbräuche, nicht Sentimentalität da war. Es war wirkliche Volkstümlichkeit da drinnen: ehrliches Fromm-sein, nicht irgendwie scheinheiliges Frommsein, sondern ehrliches Frommsein, das schon vermischt ist auch mit einer gewissen Derbheit. Das war ja grade die aufrichtige Frommheit in alten Zeiten. Es hatte sich bis ins 19. Jahrhundert erhalten.
Dann, wenn die Aufführungen herannahten, kamen auch einige Sachen, die wir nicht ebenso nachmachen können, denn ich weiß doch nicht, wie man das auffassen würde, wenn wir das zum Beispiel nach­machen würden.

echt niet doorvoeren, d.w.z. de nu genoemde wel; de andere echter niet. Wanneer bv. iemand wat vergeten was wat hij geleerd had, moest hij een boete betalen. Dat kunnen we bij ons niet doen. Net zo min kunnen we doorvoeren dat niemand te laat komt, enz. Daar werden al die dingen streng gehandhaafd. Het was echt iets waar voor de jongens veel discipline vanuit ging.
De Kerstspelen zelf – als de tijd was aangebroken – werden op een manier gevierd waarvan je kan zeggen: werkelijk, echte volkse, christelijke vroomheid, vermengde zich met wat er bestond aan volksgebruiken, geen sentimentaliteit. Er zat echt iets volks in: eerlijke vroomheid, niet een of ander schijnheilig vroom-zijn, maar christelijk vroom-zijn, dat toch wel vermengd was met een bepaalde onbehouwenheid. Dat was toch de oprechte vroomheid in de oude tijd. Dat bleef tot in de 19e eeuw bewaard.
Dan, wanneer de opvoeringen naderden, waren er ook nog wat dingen, die we ook niet kunnen overnemen, want ik weet niet hoe men het zou opvatten, wanneer wij bv. dit zouden overnemen:

Der Teufel, der mußte, wenn die Aufführung her­ankam, im ganzen Dorf mit seinem langen Schwanz herumgehen und überall hineintuten und den Leuten sagen, sie müßten jetzt zum Weih­nachtspiel kommen. – Ich weiß nicht, wie man das auffassen würde; es könnte vielleicht gut sein, daß es gefiele! Und wir können auch das nicht nachmachen hier, daß der Teufel zum Beispiel auf jedes Fuhr-werk springt und dort seinen Schabernack treibt, wenn die Auffüh­rung herannaht und so weiter. Wenn dann die Leute zusammengekom­men waren im Wirtshause, ringsherum saßen auf den Bänken, dann wurde in der Mitte des Wirtshaussaales diese Aufführung gegeben. Etwas, was wir hier auch nicht nachmachen können, das war, daß man zwei Kreuzer bloß, das sind vier Rappen, Eintrittsgeld bezahlte. Das war für damals ein außerordentlich hohes Eintrittsgeld; Kinder zahlten die Hälfte. Die Dinge waren eben alle noch in der Mitte des 19. Jahr­hunderts, als Karl Julius Schröer diese Spiele fand, durchaus so erhalten,

De duivel moest, wanneer de opvoering bijna begon, in het hele dorp met z’n lange staart rondlopen en overal naar binnen toeteren en de mensen aanzeggen, dat ze nu naar het kerstspel moesten komen. Ik weet niet hoe men dat zou opvatten, het zou goed kunnen voelen. En hier kunnen we ook niet overnemen dat de duivel op ieder voertuig zou springen en daarop zijn kattenkwaad zou uithalen als het spel opgevoerd zou gaan worden, enz. Als dan de mensen in de herberg gekomen waren en op banken rondom zaten, werd er midden in de gelagkamer gespeeld.
Iets wat we hier ook niet kunnen doen, is entreegeld laten betalen: twee Kreuzer slechts, dat is vier Rappen. Voor toen was dat een buitengewoon hoog entreegeld; kinderen betaalden de helft. In het midden van de 19e eeuw toen Karl Julius Schröer deze spelen vond, was dat nog precies zo,

blz. 105

auch die Gebräuche wie im 16. Jahrhundert, wo das Volk da hingezogen ist und diese Weihnachtspiele sich mitgebracht hat.
Und dazumal, vor vierzig Jahren, habe ich diese unendliche Liebe zu diesen wunderbaren Weihnachtspielen gefaßt, und ich glaube tat­sächlich, daß etwas Schönes erhalten werden kann, wenn man sie da, wo man Gelegenheit hat, wieder spielt. Denn dort, in den ehemaligen deutschen Gegenden Ungarns, werden sie längst nicht mehr gespielt. Die letzte Familie, die sie gehabt hat, ist ja wohl ausgestorben, und erneuert sind sie nicht mehr worden, sodaß eigentlich dasjenige, was wir nun schon in der Vorkriegszeit für diese Spiele getan haben, eine wirk­liche Erneuerung der Sache ist. Es steckt ein Stück deutschen Volks­tums in diesen Spielen. Es ist wirklich etwas erhalten, was früher sehr geehrt und geschätzt worden ist im Volke.

ook de gebruiken zoals die van de 16e eeuw, toen het volk wegtrok en deze Kerstspelen met zich meenamen.
En toen, veertig jaar geleden, heb ik voor deze wonderbaarlijke spelen een grote genegenheid opgevat en ik geloof werkelijk dat iets moois bewaard kan blijven, wanneer ze weer, als de gelegenheid zich voordoet, worden gespeeld. Want daar, in die vroegere Duitse streken in H0ngarije, worden ze allang niet meer gespeeld. De laatste familie die ze in haar bezit had, is wellicht uitgestorven en ze zijn niet meer vernieuwd, zodat eigenlijk wat wij in de tijd vóór de oorlog voor de spelen hebben gedaan, een echte vernieuwing is. In deze spelen zit een stuk echt Duits volksleven. Er is daadwerkelijk iets bewaard gebleven van wat vroeger in het volk zeer hoog gewaardeerd werd.
En ik geloof dat dit voor hier ook nog een bijzondere waarde heeft, wanneer de Zwitsers zich herinneren, misschien alleen nog in Noord-Zwitserland, maar heel zeker is het dat wanneer je de blik richt over de Rijn heen, dat deze spelen in de 14e, 15e, 16e eeuw daar overal werden gespeeld. Juist hier kun je er heel goede herinneringen aan verbinden en daarom geloven wij dat het ook heel goed is, deze spelen hier voor het voetlicht te brengen. In dit opzicht vragen wij uw belangstelling voor deze spelen.
Wij moeten natuurlijk met heel andere middelen te werk gaan, met de middelen die het moderne toneel ten dienste staan, voor zover wij daar hierover beschikken, maar daarbinnen proberen wij het zo vorm te geven, met het dialect en met alles zoals het in het volk werd opgevoerd. We mogen ze dus zo noemen: kerstspelen uit de oude v0lkscultuur.

Dit is de laatste toespraak bij een opvoering van de Kerstspelen uit Oberufer, die Rudolf Steiner hield. In de herfst van hetzelfde jaar werd hij ernstig ziek en stierf op 30 maart 1925.

.

[1] GA 274
[2] GA 274
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2099-1971

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Spel (1-4)

.

De onderwijzer C. Wilkeshuis schreef jaren geleden columns voor het blad ‘Vacature’. Uit hoe hij over kinderen schreef, over zijn vak – uit alles sprak een man met het onderwijzershart op de juiste plaats.
Hij wist ook veel en deelde die kennis regelmatig. Hier iets over:

In ‘De Vacature’, (Thieme, Zutphen), nadere gegevens onbekend
.

DOBBELSTENEN

’t Was Oudejaar, in mijn jeugd de avond van de Zwolse dichter Rhijnvis Feith met zijn lied over de uren, dagen, maanden en jaren die als een schaduw heenvliegen. Het werd in kerken en huiskamers gezongen, en de weesmeisjes in ons stadje brachten het ten gehore aan de open ramen van het Weeshuis, tenminste wanneer de klanken niet bevroren in de vrieslucht en er genoeg publiek kwam, dat er een paar koude voeten voor over had om het gezang te kunnen beluisteren.

Maar dit was in de dagen van olim. in onze tijd gaat het wat anders toe.

Wij hadden met een paar kleinkinderen naar de teevee zitten kijken, wat muziek gemaakt, appelflappen gegeten, en zo enkele uren genoegelijk doorgebracht. Maar de jongens, dat merkten we best, zaten toch eigenlijk de hele avond te wachten, niet zozeer op de conventionele twaalf klokslagen ais wel op het moment, dat het vuurwerk sissend en knallend boven de stad zou losbarsten en zij zelf ook hun gillende keukenmeiden het luchtruim zouden injagen. Wachten duurt nu eenmaal lang. Dan vliegen de uren heus niet als een schaduw voorbij, maar de tijd rekt zich uit als een stuk elastiek.

„Zullen we een spelletje doen?” vroeg mijn vrouw.

„O ja. Het ganzenbord!” riepen ze. Ze hadden het bij hun zwerftochten door ons huis op zolder gevonden, het echte, oude spel: houtsneden met primitieve kleuren als in Staphorst, maar gedrukt in Turnhout bij onze goede zuiderburen. Ze kenden het niet: wie speelt het tegenwoordig nog? In oma’s knopendoos vonden ze nog twee dobbelstenen, die al spoedig met hun 42 ogen en hun 36 combinaties over de tafel rolden.

Eigenlijk is het ganzenbord hét spel voor oudejaarsavond.

Het stelt het menselijk leven voor: drieënzestig jaar. Nu ja, het hoeft dan nog niet voorbij te zijn, maar ’t is toch wel over z’n hoogtepunt heen.

Ik kan niet zeggen dat het ganzenbord een optimistische kijk geeft op het menselijk bestaan. De levensweg is er een kronkelweg, bezaaid met obstakels en ellende, ik zat tot grote vreugde van m’n kleinzoons al gauw in de herberg, maar na betaling van de accijns op alcoholische dranken kon ik verder. Een van de jongens kwam in de put terecht maar werd er als Jozef door z’n broertje uitgehaald, die nu zijn plaats innam.

De Dood op het ganzenbord is niet definitief: je mag opnieuw beginnen en dezelfde pechroute doorlopen onder de kreet van de Duitse wijsgeer: „Was dit het leven? – Wohlauf! Noch einmal!”

Je kunt natuurlijk ook boffen. Dit gebeurt als je op een eendje terecht komt. De vogel is het symbool van geluk. Helaas staat de eend, waarschijnlijk ten onrechte, te boek als een domme vogel. Maar goed, stom geluk is ook niet te versmaden, en het kan iemand motivatie geven „op weg naar het einde”.

Het spel is ook door en door democratisch. Wie er ook aan deelneemt, of het een schatrijke oliesheik is of een tot een wasbord vermagerde Ethiopiër, Wiegel of Van der Louw, het doet allemaal niets ter zake. Oppermachtig heerst in dit levensspel de dobbelsteen. De jongens probeerden op alle mogelijke manieren aan de blinde dwang ervan te ontkomen. Ze lieten de stenen bv. van een grote hoogte neervallen, of wierpen ze met hun „gelukshand”, of heel plotseling met de ogen dicht, enz. Maar veel succes boekten ze met hun trucs niet, want oma was het eerst op 63, en won de pot. De dobbelstenen lieten geen enkele inspraak toe, zomin als de sterren aan de hemel, die volgens de wichelaars het leven van de mens bepalen.

Ach, velen beschouwen het ganzenbord als een verouderd en vrij kinderachtig spel. Ten onrechte, want maakt men er een doordenkertje van, dan blijkt het met heel wat draden verbonden te zijn met wijsgerige vraagstukken en problemen. Men zou er een scriptie aan kunnen wijden: De filosofie van het ganzenbord.

Enfin, ons spel was uit, en onder het genot van een appelflap had ik de gelegenheid een paar anecdoten over dobbelstenen te vertellen. Ik had er net over gelezen in de interessante studie van dr. John Cohen over „Kans, kunde en geluk, de psychologie van het gissen en gokken”. – in Tibet, zo vertelt hij, wordt het privilege om de hoofdstad te mogen besturen bij openbare verkoping aan de hoogste bieder verkocht. Deze krijgt als zodanig de titel „Ja In o”. Maar een speciaal daartoe uitgekozen zondebok, een arme slobber, aangeduid als de „koning der jaren”, maakt hem belachelijk in een ingewikkelde wedstrijd en oefent kritiek op hem uit. Het conflict wordt beslist door het werpen van dobbelstenen. Nogal rechtvaardig, zal men denken. Maar helaas: de Jalno gebruikt dobbelstenen waarop niets dan zessen voorkomen, terwijl de zondebok het moet doen met stenen, waarop alleen enen te vinden zijn. De Jalno wint uiteraard, en zijn arme tegenstander wordt een weeklang in een gruwelkamer opgesloten. Maar het diepzinnigste verhaal over dobbelstenen heb ik lang geleden eens ergens gelezen. Een valse aanklager en een man, die ten onrechte van moord beschuldigd wordt, onderwerpen zich aan een godsoordeel door het werpen van dobbelstenen. Wie de hoogste ogen gooit heeft het recht aan zijn kant. De valse aanklager werpt dubbel – zes – . Hoger kan niet, en de beklaagde werpt zonder hoop de dobbelstenen. Maar zie, één ervan breekt doormidden, en nu liggen er 6 + 6+1 = 13 ogen. Hieruit blijkt dan, dat de dobbelstenen toch óók niet het laatste woord hebben. Deze gedachte biedt soelaas.

We vonden er aanleiding in de zoveelste appelflap te eten, elkaar bij de slag van twaalf een gelukkig nieuwjaar te wensen, en de dienstboden gillend van enthousiasme naar de toch weer niet zo héél onwrikbare hemel te doen stijgen.

.

Over het ganzenbord: spel (8)

Spel: alle artikelen

.

2098-1970

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Biografieën – Albrecht Dürer

.
Leo J. Capit, Panorama, nadere gegevens onbekend
.

ALBRECHT DÜRER
DE ONRUST WAS ZIJN MEESTER

ALBRECHT DÜRER werd in Neurenberg geboren op 14 mei 1471. Hij stierf op 6 april 1528. Aanvankelijk zou hij goudsmid worden, evenals zijn uit Hongarije afkomstige vader en grootvader. Hij werd echter schilder, tekenaar. In de vijfde eeuw na zijn dood ziet de wereld hem nog altijd als een geweldig kunstenaar. Zijn tekeningen zijn grauwe stukken papier, die scheppingen dragen in verscheidene technieken: zilverstift, houtskool, krijt, penseelwerk. Voorstellingen, zo gaaf en razend knap, dat ze ook de nuchtere twintigste-eeuwse mens nog stil maken.

Kunsthistorici hebben er vele woorden voor. Ze volgen het spoor terug door de cultuur en tonen haarfijn wie er invloed heeft uitgeoefend op wie. Maar de leek in dit atoomtijdperk, die van mooie dingen houdt, vat al zijn bewondering en eerbied samen in de woorden: „Die lui konden tekenen!.

Drie boeren op de markt en boerenpaar; een pentekening, getuigend van Dürers feilloze observatie.

Achter de tekeningen, die nu in stemmige museumzalen onder een uitgekiende belichting te kijk hangen, rijzen de schimmen op van hun makers. Het zijn vage schimmen. Hun tijd ligt zo onwezenlijk ver achter ons. Hun namen zijn hoogstens nog straatnamen. Hun erfenis is aanvaard en verdeeld. Iedereen kent de tekening ‘Gevouwen handen’ van Albrecht Dürer. Het origineel, dat in het Albertina Kunstkabinet in Wenen berust, is tot miljoenen reproducties verveelvoudigd. Het hangt in miljoenen woningen, alom in de westerse wereld. Maar hoevelen, in die huiskamers, kunnen de naam van de maker noemen ?

Dürers wereldberoemde ‘Handen in gebed gevouwen’, een penseeltekening op blauw gegrond papier, was slechts een voorstudie voor het altaarstuk, dat hij maakte in opdracht van de rijke Jakob Heller uit Frankfort. De tekening is tot in de finesses uitgewerkt, omdat Dürer hem precies zo wilde overbrengen op het schilderij.

En toch: bewust kijken naar kunst is altijd een ontmoeting met degene die het kunstwerk schiep. Zijn schim mag nog zo vervaagd zijn, in zijn werk blijft hij altijd de levende mens. Veel werk van Dürer doet ons vandaag wonderlijk modern aan. Dat hoeft op zichzelf geen verdienste te zijn, maar het prikkelt wel onze nieuwsgierigheid naar de persoon van de kunstenaar, die leefde in een van de meest dramatische perioden van de Europese cultuurgeschiedenis.

Achttien maal kraambed

De middeleeuwen ebden weg, toen Albrecht Dürer aan ving te leven. Hun sombere motto ‘Gedenk te sterven’ maakte plaats voor het levensblije devies van de renaissance: Pluk de dag.
In het gezin van de Neurenberger goudsmid Dürer was een geboorte niets bijzonders. Moeder lag achttien maal in het kraambed, maar van haar kinderen bereikten er slechts drie de volwassenheid. Albrecht, de derde zoon, werd uitverkoren om zijn vader op te volgen.
Kind is hij nooit geweest. In die tijd bestonden geen kinderen in onze betekenis van het woord. Het kind, met zijn eigen speelwereldje, eigen kledij en eigen levensritme, werd pas eeuwen later uitgevonden. Albrecht moet meteen al een burgertje in de nadagen van de middeleeuwen geweest zijn, bevoorrecht omdat zijn vader, als artistiek handwerksman in de bloeiende, kunstzinnige handelsstad Neurenberg, in een zekere welstand kon leven. Hij leerde lezen en schrijven, en in zijn ouderlijk huis was papier en tekenstift voorhanden. Zijn eerste zelfportret maakt hij op dertienjarige leeftijd: een ernstig, jong gelaat met attente ogen, ferm, zonder aarzelen getekend. Het is meteen een ongewild getuigenis van zijn karakter. Hij heeft oog voor de waarheid, de werkelijkheid van het leven zelf, zonder verfraaiingen of mystieke verdichtselen.

Heeft die tekening destijds de aandacht van zijn dierbaren getrokken ? Dat moet wel. Zijn vader heeft hem het goudsmidsvak bijgebracht, maar als leerling in het atelier van de grote Neurenbergse schilder Michaël Wolgemut voelt de jonge Albrecht zich beter op zijn plaats. Tekenen en schilderen wil hij — en ook dient geleerd te worden. Als tiener kiest hij zijn eigen idool: de schilder — goudsmidszoon evenals hij zelf — Martin Schongauer, een Elzasser die in Colmar woont.
Vier jaar blijft Albrecht Dürer in de leer bij Wolgemut. Dan ontvlucht hij Neurenberg, gedreven door de wens andere kunstenaars en andere steden te leren kennen. Het is 1490; een nieuwe levenshouding, meer gericht op de aardse werkelijkheid dan op de beloofde zaligheid van het hiernamaals, breekt zich baan. Dürer trekt de wereld in, avontuurlijk en leergierig tot in al zijn vezelen. Hij weet zich nog niet volleerd. Zijn zwerftocht moet zijn kennis verrijken. Hij is Wandergesell.

Hij komt in Colmar, in 1492, en verneemt daar met grote spijt dat de bewonderde Martin Schongauer, die hij zo graag persoonlijk had willen ontmoeten, enkele maanden eerder overleden is. Dan begeeft hij zich naar Bazel. Hij maakt daar houtgravures en geraakt diep onder de indruk van de kunstvoorwerpen die de welgestelden in deze stad van hun reizen naar Florence, Sienna of Rome hebben meegebracht.

Italië lijkt hem het beloofde land. Maar het is zo ver. Hij is werkend reiziger. Hij moet in zijn onderhoud voorzien. Rusteloos hanteert hij de tekenstift en alles heeft zijn belangstelling: een kind, een landschap, een bloem, een insect. Korte tijd is hij weer thuis, in Neurenberg, maar hij vindt er geen rust. Straatsburg is zijn volgende pleisterplaats. Hij maakt er kennis met een schilder van zijn eigen leeftijd, Hans Baldung, achttien jaar en alreeds beroemd. Er ontbloeit een hechte vriendschap. Als Albrecht voelt dat hij eindelijk weer eens huiswaarts moet keren, toont Baldung hoezeer hij hem op zijn beurt bewondert: ‘Gegroet, meester van de Duitse schilderkunst!’ Dürer weet niet beter dan met precies dezelfde woorden te antwoorden. Schaterlachend slaan de beide gezworen kameraden elkaar op de schouder en Albrecht vertrekt naar Neurenberg.

Zijn thuiskomst brengt een groot misverstand teweeg. Zijn vader, betweterig zoals vaders zijn, vindt het nu welletjes en is van oordeel dat Albrecht nu eindelijk de rust moet opbrengen om zich een eigen huis te scheppen. Hij heeft zelfs een bruid voor zijn reislustige zoon in petto: Agnes Frey, de lieftallige dochter van een collega-goudsmid. Albrecht, daarentegen, is alleen maar naar huis gekomen om zijn ouders te vertellen dat hij nu naar Italië wil. Daar komt een kunstenaar eerst recht aan zijn trek! Vader verzet zich. Maar Wolgemut, de oude leermeester, hecht zijn zegen aan het plan. Dan doet vader Dürer er verder het zwijgen toe. Maar Albrecht is een goede zoon. Hij wil zijn ouders niet voor het hoofd stoten. Hij aanvaardt het voldongen feit van de hem wachtende bruid. Zou haar lang niet te versmaden bruidsschat van tweehonderd florijnen misschien nog gewicht in zijn schaal geworpen hebben ?

Ontembare reislust

In elk geval: het huwelijk wordt gesloten. En Albrecht vervaardigt kort daarna een portret van zijn levensgezellin, dat hij siert met het trotse bijschrift: ‘Meine Agnes’. De vader van meine Agnes heeft er kort daarop echter wel spijt van, dat hij zijn dochter aan zo’n rusteloze flierefluiter heeft uitgehuwelijkt, want de jonge mevrouw Dürer moet er al gauw in berusten, dat haar echtgenoot bezwijkt voor de lokstem van het paradijselijke Italië. Zij had zich het huwelijk stellig anders voorgesteld. . .

Albrecht Dürer, bepaald niet geplaagd door heimwee naar huis, reist over de Alpen de nieuwe tijd tegemoet. Hij ademt de lichte lucht van de bloeiende renaissance in en schrijft geestdriftige brieven aan zijn rijke jeugdvriend Pirckheimer. Onder de zon van Venetië, waar zijn werkstukken grif aftrek vinden, komt zijn kunstenaarschap tot volle wasdom. Hij schrijft: „Hier ben ik een heer. Thuis ben ik een arme parasiet!’’

Toch zal hij altijd weer huiswaarts keren. En altijd zal zijn vrouw hem wachten, als hij er weer is, „terug van weg geweest”. De banden met het ouderlijk huis bleven hem binden, meer nog wellicht dan de band met de hem opgedrongen echtgenote, die hem niet kon volgen in zijn onstuimige levensdrang en zijn vrolijke filosofie, maar die er toch altijd was als hij haar nodig had. Hij had haar heel erg nodig toen in 1502 zijn vader overleed. De oude Dürer liet zijn familie achter in benarde financiële omstandigheden. Zijn weduwe, Albrechts moeder, was bijna blind en hulpbehoevend. In de eerste plaats moest er nu geld zijn om de schulden te delgen, om verder te kunnen leven.

Albrecht toog aan het werk. Hij had al wel naam gemaakt, maar was nog niet zo ver gestegen op de ladder der erkenning dat een of andere grootmogende kunstbeschermer zich over hem ontfermde. Dat zou later pas gebeuren. Nu was het Agnes, die raad moest schaffen. Zij trok erop uit om het werk van haar man te verkopen. Het lukte redelijk. Toen de reislust Albrecht Dürer weer te machtig werd, waren zijn dierbaren gevrijwaard voor armoede. Het jaar 1505 ziet hem opnieuw naar Italië vertrekken, na een reeks kortere reizen. Voortdurend is hij onderweg, maar hij laat een spoor van hoog gewaardeerde kunstwerken na. In Venetië wordt hij nu gevierd als een der grootste schilders. Hij verdient veel geld. Zijn werken zijn levensblije juichkreten, die hem ook in zijn vaderstad roem en eer brengen.

Na 1509 staat hij in dienst van keizer Maximiliaan de Eerste. Het is uitstekend voor zijn naam, maar Zijne Majesteit verwijst voor de betaling naar het gemeentebestuur van Neurenberg, waar de vroede vaderen zich doof houden voor Dürers aanmaningen. Als de keizer sterft, adviseert men de kunstenaar de onbetaalde rekeningen aan diens opvolger, Karel de Vijfde, te presenteren. Het is dan 1520 en de nieuwe keizer vertoeft in Antwerpen. Dürer kent de weg en ditmaal neemt hij zijn vrouw mee op reis. Ze vertrekken nogal overhaast:

. . .in Neurenberg is intussen de pest uitgebroken.

Zijn reis naar Antwerpen wordt een triomftocht. Overal kent men zijn werk en in de sinjorenstad biedt de kunstenaarsbent hem een groots banket aan. Maar de keizer is inmiddels afgereisd. Albrecht probeert dan aan Margaretha van Oostenrijk, die in Mechelen vertoeft, het portret van haar vader, Maximiliaan, te slijten. Zij gaat er niet op in. Zakelijk is de reis van de Dürers geen succes, maar wel wordt Albrechts blik opnieuw verruimd. Hij leert in Brussel de wijsgeer Erasmus kennen, die hij later zo treffend zal portretteren. De schilder wordt zeer geboeid door de nieuwe denkbeelden, die in zijn tijd opgeld doen. Als de reformatie een aanvang neemt, is zijn liefste wens Maarten Luther persoonlijk te ontmoeten. Helaas is die wens nooit in vervulling gegaan.

Op zijn reis door de Nederlanden, 1520-’21, houdt Albrecht Dürer een nauwkeurig dagboek bij. Hij beschrijft het carnaval te Antwerpen, de paardenmarkt en de vrouwen te Bergen op Zoom. Het nieuws dat er voor de kust van Zierikzee een walvis te zien zou zijn, doet hem ijlings naar het havenstadje reizen — maar als hij aankomt, is de walvis weg.

In Aken woont hij de kroning van Karel de Vijfde bij. De schilder zal er voor de gelegenheid piekfijn uit gezien hebben. Hij liet zich in Nederland een nieuw gewaad aanmeten, een zogenaamde rock van wollen stof, met bont gevoerd en met fluweel en zijde afgewerkt, voor de kapitale prijs van zevenendertig gulden en twee stuivers. Hij wist een grand seigneur te zijn naar het uiterlijk. Maar de innerlijke onrust bleef hem beheersen in voor- en tegenspoed. Alleen na de dood van zijn moeder, in 1514, weerspiegelt zijn werk iets van bezinning, van neerslachtigheid. Hij heeft haar zo dikwijls alleen gelaten. . .

De jaren twintig van de zestiende eeuw brengen zijn zwanezang. Sedert zijn reis door de Nederlanden voelt hij zich niet meer de oude. Het heet, dat het verfoeilijke Hollandse klimaat hem met een kwaal opscheepte, die hem langzaam ten grave zou richten. Welke Nederlander zou die mogelijkheid willen betwisten ? Maar het is te laat om een diagnose te kunnen stellen.

In 1528, thuis in Neurenberg, waar hij in zijn laatste levensjaren nog onophoudelijk schilderde en tekende, sterft Albrecht Dürer. Aan zijn doodsbed ontbrandt een onverkwikkelijke ruzie tussen zijn vrouw Agnes, die niet van zijn zijde geweken is, en zijn beste vriend Pirckheimer, die haar verwijt dat zij zijn vrienden van hem vervreemd heeft en hem heeft geforceerd zich dood te werken.

De mens Dürer kon sterven, de kunstenaar Dürer trotseert de eeuwen in zijn werken, die van onschatbare waarde blijven. De tekeningen van Albrecht Dürer en die van zijn tijdgenoten getuigen daarvan.  

De vier apostelen, 1526.
Dürer heeft in zijn meesterwerk, het dubbele paneel van De vier apostelen, vier heiligen als contrast tegenover elkaar geplaatst: (van links naar rechts) de evangelist Johannes, Petrus, Marcus en Paulus. De tekst aan de onderzijde van de panelen, die door Dürer zelf is opgesteld vanuit zijn conservatieve geloofsopvatting, behelst een vermaning aan de radicalen onder Luthers volgelingen en dringt aan op een beëindiging van de godsdiensttwisten, die de Neurenbergers in twee vijandige kampen verdeelden.
.

Dürer

Afbeeldingen

Alle biografieën

8e klas: alle artikelen

.

2097-1969

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraken bij de Kerstspelen uit Oberufer (17)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 31-12-1923  [2]
während der Weihnachtstagung

blz. 97

Wir werden uns nun erlauben, Ihnen das Dreikönig- oder Herodes­Spiel vorzuführen. Wir haben in den vergangenen Tagen uns gestat­tet, das Paradeis-Spiel und das Christ-Geburt-Spiel vor Sie hinzu-tragen, und heute bringen wir Ihnen das Dreikönig-Spiel. Über die Geschichte, das heißt über den Ursprung der Spiele, habe ich bereits gesprochen, ebenso über die Art der Einstudierung. Ich will heute nur noch bemerken, daß das Paradeis-Spiel in der Regel in der Art gespielt wurde, wie ich Ihnen das beschrieben habe, in der Advents­zeit, das Christ-Geburt-Spiel in der eigentlichen Weihnachtszeit und dieses Dreikönig-Spiel um die Zeit des Dreikönigfestes, am 6. Januar, um diesen Tag herum. Man kann deutlich wahrnehmen, wie der Stil der beiden Spiele, des Weihnacht-Spiels und auch des Paradeis-Spiels und dieses Dreikönig-Spiels voneinander verschieden sind. Bei dem Weihnacht-Spiel sieht man ganz genau, daß man es mit etwas zu tun hat, das aus dem unmittelbaren Volksgemüt ist. Man muß sich etwa das Folgende vorstellen.

TOESPRAAK 31 DECEMBER 1923
tijdens de kerstconferentie

We nemen nu de vrijheid om voor u het Driekoningenspel of Herodesspel op te voeren. We hebben dat ook de afgelopen dagen gedaan met het Paradijsspel en het Geboortespel en vandaag brengen we voor u het Driekoningenspel. Over de historie, d.w.z. over de oorprong van de spelen heb ik u al verteld, evenals over de manier van het instuderen.
Ik zou nu willen opmerken dat het Paradijsspel als regel zo gespeeld werd als ik heb beschreven, in de adventstijd, het Geboortespel in de eigenlijke kersttijd en dit Driekoningenspel rond de tijd van Driekoningen, op 6 januari, rond deze dag. Je kan duidelijk zien hoe de stijl van beide spelen, het Kerstspel en ook het Paradijsspel en dit Driekoningenspel van elkaar verschillen. Bij het kerstspel zie je heel duidelijk dat je met iets hebt te maken wat direct uit het gemoed van het volk komt. Je moet je ongeveer het volgende voorstellen.

Es gab ja, namentlich vor der Reformation auch in Mitteleuropa, nach der Reformation aber in den verschiedenen deutschen Kolonien, von denen eine diejenige von Oberufer ist, aus der diese Spiele stam­men, überall die Brüdergemeinde, welche ein christliches Gemein­schaftsleben zu ihrer Aufgabe hatte, die fortleben wollte die religiöse Stimmung, die im Lukas-Evangelium gegeben ist. Und solche Brüder-gemeinden waren sehr ausgedehnt. Es war eine Art von Gemeinschafts­leben, welches die religiöse Erbauung in den gemeinsamen Empfin­dungen derjenigen suchte, die sich zu einer solchen Brüdergemeinde zusammenfanden. In diesen Kreisen sind dann Spiele entstanden wie dieses Weihnacht-Spiel, das Christ-Geburt-Spiel. Dagegen ist dieses Spiel, welches wir heute sehen werden, nur, wie ich glaube, durch ein unbegreifliches Mißverständnis meines alten Freundes und Lehrers,

Vóór de reformatie, ook in Midden-Europa, na de reformatie ook in de verschillende Duitse kolonies, o.a. die van Oberufer waar deze spelen vandaan komen, waren er overal broedergemeenten die zich als opdracht hadden gesteld een christelijk gemeenschapsleven te leiden, waarin de religieuze stemming die in het Lucasevangelie geschetst wordt, wordt voortgezet. En zulke broedergemeenschappen waren zeer uitgestrekt. Het was een soort gemeenschapsleven waarin de mensen die elkaar in zulke broedergemeenschappen vonden, hun gemeenschappelijke gevoel van religieus- zijn wilden versterken. In deze kringen zijn de spelen ontstaan, zoals het Kerstspel, het Geboortespel.
Maar het spel dat we vandaag zien, is daarentegen alleen maar door een onbegrijpelijk misverstand van mijn oude vriend en leraar,

blz. 98

Karl Julius Schröer, zusammengekoppelt mit dem Weihnacht-Spiel, mit dem es dem Stil nach gar nicht stimmt. Es ist dieses Dreikönig-Spiel aus dem Klerus hervorgegangen, der sich die Aufgabe gestellt hat, dem Volke etwas zu geben. Man kann es überall dem Spiel an­sehen, daß das aus der Inspiration des Klerus stammt, allerdings solcher Kleriker, welche sich intim mit dem Volkstum befaßt haben, welche sich ganz in das Volkstum eingelebt hatten, und welche die Interessen der Kirche durch solche Spiele im Volkstum haben vertreten wollen.
Daher ist eine gewisse primitive Art in dem Christ-Geburt-Spiel zu bemerken, echte Frömmigkeit mit bäuerlicher Derbheit in Ehrlich­keit zu einem religiös-volkstümlichen Stil verbunden. Dagegen finden wir in diesem Spiel, welches heute vor unsere Seele tritt, Feierlichkeit. Feierlichkeit hervorgegangen aus dem Interesse der Kirche. Eine gründ­lich suggestive Gewalt ist gerade in diesem Dreikönig-Spiel sowohl in bezug auf die Komposition, die außerordentlich dramatisch geführt ist, wie auch in bezug auf das einzelne, das wir darinnen bemerken.
Das Paradeis-Spiel, das Christ-Geburt-Spiel traten immer vor mich hin im Gespräche mit Karl Julius Schröer, am Ausgang der achtziger Jahre. 

Karl Julius Schröer, gekoppeld aan het Kerstspel, waarmee het qua stijl helemaal niet overeenkomt. Dit Driekoningenspel is van de geestelijken gekomen die zich ten doel hadden gesteld, het volk iets mee te geven. Je kan overal aan het spel zien, dat het vanuit de inspiraties van de geestelijken komt, in ieder geval van die geestelijken die zich intensief in het volkse inleefden en die de belangstelling van de kerk d.m.v. die spelen onder het volk, wilden vertegenwoordigen.
Vandaar dat er een bepaalde primitieve manier van doen te bemerken valt in het Geboortespel, echte vrome ernst met boerse onbehouwenheid, met elkaar verbonden in een eerlijke religieus-volkse stijl . Daarentegen vinden we in het spel dat we nu gaan zien waardige ernst, die de kerkelijke belangstelling meebracht. Er zit een zorgvuldig gesuggereerde strengheid in dit Driekoningenspel zowel wat de compositie betreft, die buitengewoon dramatisch is, als ook met betrekking tot de details die we zien.

Het Paradijsspel, het Geboortespel zag ik altijd voor me in de gesprekken met Karl Julius Schröer, aan het begin van de jaren tachtig (negentiende eeuw).

Er hatte die Dinge selber bei den Bauern aufführen sehen, wußte außerordentlich anschaulich von ihnen zu erzählen, und es konnte damals schon in mir eine deutliche Vorstellung von dem ent­stehen, was an altem Volkstum gerade in diesen Spielen enthalten ist. Von diesem Dreikönig-Spiel habe ich aber während meiner Knaben-zeit selber noch den Grundstock gesehen. Überall in katholisch christ­lichen Gegenden sah man von Neujahr gegen den Dreikönigstag hin diese Gruppen überall herumziehen, deren Mittelpunkt gerade die drei Magier, die drei Könige bildeten mit dem Stern. Sie zogen in den Dör­fern von Haus zu Haus und führten zusammen die Sache auf; nicht dramatisch. Aber dasjenige, was Sie hier bei uns als Chorgesänge ha­ben, dieses mit einigen dramatischen Dingen, führten sie manchmal vor den Türen auf und in den Häusern, welche sie da besuchten, wenn dazu Platz war. Doch konnte man sehen, daß in diesem Herumziehen der Magier etwas war, was aus der Kirche heraus kam. Und so ist das ganze Dreikönig-Spiel eigentlich aus der Kirche heraus gekommen, und daher hat es in den einzelnen Teilen seine besondere suggestive

Hij had ze zelf bij de boeren opgevoerd zien worden, wist er buitengewoon aanschouwelijk over te vertellen en toen kon er in mij al een duidelijke voorstelling ontstaan van wat er aan oude volkse inhoud in deze spelen bewaard werd.
Van dit Driekoningenspel heb ik echter gedurende mijn jonge jaren zelf nog het basisspel gezien. Overal zag je in een katholiek-christelijke omgeving vanaf nieuwjaar tegen de driekoningendag overal deze groepen rondtrekken waarvan  met name de drie magiërs, de drie koningen met de ster het middelpunt vormden. Ze gingen in de dorpen van huis tot huis en voerden samen het spel op; niet dramatisch. Maar wat u hier bij ons als koorzang hebt, met een paar dramatische dingen, voerden zij vaak op voor de deuren en in de huizen, die ze aandeden, wanneer er plaats voor was. Maar je k0n zien dat in het rondtrekken van de magiërs iets zat, wat uit de kerk stamde. En op deze manier komt het hele driekoningenspel eigenlijk uit de kerk en daarom heeft het in de afzonderlijke scènes die bijzonder suggestieve

blz. 99

Gewalt. Es ist daher ganz unrichtig, diese zwei Spiele mit dem ganz verschiedenen Stil in eins zusammenzuwerfen und sie als zusammen­gehörig etwa hintereinander aufzuführen. Das kann nur dadurch ge­schehen sein, daß vielleicht schon vorher einmal diese Spiele zusam­mengeworfen worden waren, und Karl Julius Schröer sie dann bei dem Malatitsch so zusammengeworfen gefunden hat. Wer aber die ganze Entwickelung der Spiele verfolgen kann, der weiß, daß diese beiden Dinge durchaus nicht zusammengehören, sondern sogar ganz verschiedenen Ursprung haben.
Man sieht aber wiederum, wenn man den ganzen Komplex dieser Weihnachtspielerei ins Auge faßt, welcher große Wert gelegt worden ist sowohl von der mährischen Brüdergemeinde, die von der heutigen Tschechoslowakei hinübergezogen war nach dem Osten – sie waren ja lange Zeit hindurch die vorzüglichsten Pfleger des Christ-Geburt-Spiels – man kann sehen, was mit dem ganzen Komplex gemeint ist, auf der einen Seite im Volkstum ehrliche echte Frömmigkeit zu pfle­gen; Prokura, möchte ich sagen, der Kirche von der anderen Seite mit dem Dreikönig-Spiel. Man hat auf diese Weise gesucht, sich die Wege zu bahnen zu den Herzen der Menschen; man hat sie auch gefun­den. 

gestrengheid. Het is daarom helemaal niet juist om deze twee spelen met die heel verschillende stijlen op een hoop te gooien en na elkaar op te voeren alsof ze bij elkaar horen. Het kan gekomen zijn doordat deze spelen misschien al wel eerder samen genomen zijn en dat Karl Julius Schröer ze als bij elkaar horend bij Malatitsch heeft aangetroffen. Wie echter de hele ontwikkeling van de spelen kan volgen, weet dat ze helemaal niet bij elkaar horen, maar een heel verschillende oorsprong hebben.
Je ziet echter wel, wanneer je dit hele gebied van kerstpelopvoeringen in ogenschouw neemt, welke grote waarde men hechtte, zowel van de kant van de Moravische broedergemeenschappen die vanuit het huidige Tsjechië en Slowakië naar het oosten waren getrokken – zij waren lang de meest voortreffelijke behoeders van het Geboortespel – je kan zien wat met dit hele gebied van spelen bedoeld wordt, enerzijds in het volk eerlijke, echte vroomheid te koesteren; aan de andere kant, van de kerk, procura, het Driekoningenspel. Op deze manier werd er gezocht een weg te vinden naar het mensenhart; en men vond die ook.

Und es ist schon so, daß man in recht interessante Gebiete des re­ligiösen Lebens hineinkommt, wenn man das mannigfaltige religiöse Leben vor der Reformation ins Auge faßt. Gewiß, nachher ist dazuge­kommen, was vielleicht schon von der Reformation beeinflußt ist, aber man sollte historisch wenigstens sich wieder vergegenwärtigen, wie eine ehrliche innerliche Grundstimmung vorhanden war in der Zeit, in der es gegen die Reformation zu ging. Der Klerus mußte da solche Mittel ergreifen, um zu der Volkseele seine Zuflucht zu gewinnen.
Manches von dem, was in der Geschichte heute dargestellt wird, beruht durchaus auf Mißverständnis. Es ist zum Beispiel außerordent­lich interessant, Bibelübersetzungen, wenn auch nicht der ganzen Bi­bel, so doch großer Teile des Alten oder des Neuen Testaments in jener älteren, vorlutherischen Zeit kennenzulernen. Die Sprache ist eine viel ursprünglichere, viel innigere, als diejenige, die dann durch Luther angeblich für die Bibel geschaffen worden ist. Und es ist eigentlich bloß eine historische Legende, wenn immer wieder und wiederum erzählt

En nu is het zo dat je op een heel interessant gebied van het religieuze leven komt, wanneer je naar het rijke religieuze leven van vóór de reformatie kijkt. Zeker, daar is later wel bijgekomen wat misschien al door de reformatie werd beïnvloed, maar je moet je op z’n minst toch realiseren wat er historisch aan eerlijke, innerlijke grondstemming aanwezig was in de tijd toen de reformatie naderde. De geestelijken moesten wel naar zulke middelen grijpen om hun toevlucht te zoeken bij de volksziel.
Veel van wat tegenwoordig in de geschiedenis naar voren komt, berust echt op misverstanden. Het is bv. buitengewoon interessant om Bijbelvertalingen, wel niet de hele bijbel, maar toch wel grote delen van het Oude of het Nieuwe Testament in die oudere, voor-lutherse tijd te leren kennen. De taal is veel oorspronkelijker, veel intiemer dan die van Luther, die naar men aanneemt, voor de Bijbel is ontworpen. En eigenlijk is het een historische legende wanneer steeds maar weer wordt verteld

blz. 100

wird, Luther hätte zuerst die Bibel ins Deutsche übersetzt. Es ist so­gar nicht einmal die beste Übersetzungskunst durch ihn geübt wor-den, sondern dasjenige, was früher vorhanden war, ist eigentlich bes­ser. Und aus derselben Stimmung, aus der in religiösen Gemeinschaften in der vorreformatorischen Zeit solche Bibelübersetzungen hervorge­gangen sind, sind auch solche Spiele hervorgegangen. Wir werden also lebendig in ein Stück alten Volkstums durch diese Spiele versetzt.
Wir müssen das mit modernen Mitteln tun, aber wir versuchen sie in der Art aufzuführen, wie sie damals aufgeführt worden sind. Ich sagte schon einmal: gewisse Dinge können wir nicht wiederholen. Wohl könnte vielleicht einmal der Versuch damit gemacht werden, den Teufel mit dem Kuhhorn in Arlesheim und Dornach herumzuschicken. Zu jedem Fenster würde er hineinzututen haben, müßte den Leuten klarmachen – das ist so gebräuchlich -, daß sie heute zum Weihnacht-spiel kommen sollen! Aber ich weiß nicht, ob wir dadurch beliebter oder noch unbeliebter werden würden.
Manche andere Dinge können wir auch nicht nachmachen. Zum Beispiel wurden diese Spiele ganz nur von Burschen gespielt.

dat Luther voor het eerst de Bijbel in het Duits heeft vertaald. En het is zelfs niet eens de beste vertaalkunst die hij aan de dag legt; wat er eerder was, is eigenlijk beter. En vanuit dezelfde stemming waaruit in religieuze gemeenschappen in de voor-reformatorische tijd dergelijke bijvelvertalingen zijn gekomen, stammen ook zulke kerstspelen. Door deze spelen worden we op een levendige manier teruggebracht naar dit oude volkse.
Wij moeten het met moderne middelen doen, maar wij proberen ze voor u op te voeren, zoals ze toen opgevoerd zijn. Ik zei eens: bepaalde dingen kunnen we niet ook doen. We zouden eens kunnen proberen de duivel met een koeienhoorn naar Arlesheim en Dornach te sturen. Dan zou hij door elk raam naar binnen moeten blazen, de mensen duidelijk maken – dat is gebruikelijk – dat ze nu naar de kerstspelen moeten komen! Maar ik weet niet of wij daardoor nu meer geliefd zouden worden of minder.
Veel dingen kunnen we niet net zo doen. Bv. deze spelen werden helemaal door jongemannen gespeeld.

Das würde auch bei uns nicht gehen, sie nur von Burschen spielen zu lassen. Dann können wir namentlich dieses nicht wiederholen, daß Strafen bezahlt werden müssen, wenn jemand irgend etwas, das der Lehrmeister ein­studiert hatte, sich nicht in richtiger Weise merkte. Ja, da käme eine ganze Revolution unter den Spielern. Dann können wir weiter auch das nicht einführen, daß wir zwei Rappen als Eintritt nehmen würden, oder es wurden vier Rappen als Eintritt gegeben und genommen da­mals. Kinder bezahlten die Hälfte. Das können wir auch nicht nach­ahmen. Ich weiß es nicht, aber es wird berichtet, daß von dem, was auf diese Weise einkommt, defekte Kleider und so weiter für die näch­ste Aufführung wieder hergestellt wurden. Nun, dabei war das Publi­kum gewöhnlich gar nicht so zahlreich wie dieses hier. Also wir sehen dabei auch in Zeiten hinein, wo die Dinge noch wesentlicher billiger waren.
Aber abgesehen von all dem, möchten wir versuchen, ein richtiges Stück altes Volkstum vor Ihre Seele hinzustellen auch mit diesem Stück, diesem Dreikönig- oder Herodes-Spiel, trotzdem wir das nur

Dan zou bij ons ook niet gaan. We kunnen ook niet zo doen dat er een boete betaald moest worden, wanneer iemand iets wat de leermeester ingestudeerd had, niet op de juiste manier uitvoert. Dan zou er een hele opstand onder de spelers uitbreken. We kunnen ook geen entree vragen van twee munten (Rappen) of vier, toen. Kinderen betaalden de helft. Dat gaat niet. Ik weet het niet, maar er wordt gezegd dat van wat er op deze manier binnenkomt, kapotte kleding werd gemaakt enz., die voor de volgende opvoering weer heel moet zijn. En, het er was gewoonlijk ook niet zoveel publiek als nu hier. Dus wij kijken ook naar een tijd waarin de dingen nog wezenlijk goedkoper waren.
Maar afgezien daarvan, wij willen graag een echt stuk oude volksculuur voor u opvoeren, ook met dit stuk, dit Driekoningenspel of Herodesspel, ondanks dat wij dat

blz. 101

dadurch können, daß wir sozusagen in moderne Verhältnisse trans­ponieren, aber diese modernen Verhältnisse so gestalten, daß der alte Stil dabei erhalten bleibt. Und so möchten wir Ihnen auch gerade dieses Dreikönig-Spiel vor die Seele führen.

alleen kunnen doordat wij het zogezegd overzetten naar de moderne omstandigheden, maar dan zo dat de oude stijl bewaard blijft. En op die manier willen wij ook dit Driekoningenspel voor u opvoeren.

.

[1] GA 274
[2] GA 274
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2096-1968.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297 – voordracht 9

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER

BASISGEDACHTEN EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL

9 voordrachten, een bespreking en vragenbeantwoordingen tussen 24 augustus 1919 en 29 december 1920 in verschillende plaatsen [1]

GA 297: vertaling
Inhoudsopgave   voordracht   [1]   [2]  [3] [4]  [5]  [6]  [7]  [8]
vragenbeantwoording bij de 5e vdr.;  vragenbeantwoording bij de 6e vdr.; bespreking van pedagogisch-psychologische vragen; vragenbeantwoording bij de 9e vdr.

ANTHROPOSOPHIE UND PÄDAGOGISCHE KUNST
Olten, 29. Dezember 1920

ANTROPOSOFIE EN PEDAGOGISCHE KUNST

Inhoudsopgave 9e voordracht

Blz.240 e.v: grenzen van kennen bij de verschillende wetenschapsdisciplines, niet voor de antroposofie;
Blz. 241: kritiek op antroposofie;
Blz. 242 e.v.: door antroposofie is denken verder te ontwikkelen; voorbeelden en literatuur over ‘hoe’;
Blz. 244 e.v.: mediteren, concentreren ontwikkelen zielenkrachten
Blz. 248: we hebben een woord nodig als ‘ongeborenheid’; ontwikkeling, ook voor het praktische leven;
Blz. 249 e.v.: innerlijke scholing raakt ook gevoel en wil, is niet alleen kennis van het hoofd;
Blz. 250 e.v.: er ontstaat enthousiasme en dat heeft een opvoeder nodig; de huidige psychologie, de huidige wetenschap, kan niet doordringen tot het wezen van de mens; antroposofie is inspiratie;
Blz.251: zenuwen geen basis voor het zielenleven van de mens; alleen voor het voorstellingsleven; voor gevoelsleven het ritmische systeem van hart en longen, voor het wilsleven het stofwisselingsysteem; drieledige mens;
Blz. 252: kind een wonderbaarlijk raadsel;
Blz. 253: kracht van antroposofie om ontwikkeling te doorzien;
Blz. 254: opvoedingswetenschap heeft mooie principes, maar ze blijven te abstract; bv. ontwikkeling individualiteit; drie ontwikkelingsfasen
Blz. 255 e.v: 1e levensfase: nabootsing; hoe ben je in de omgeving van een klein kind;
Blz. 257: vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school; antroposofie is er niet voor het kind, maar voor de leerkracht om te leren hoe hij het kind opvoedt en lesgeeft; het geven van godsdienst;
Blz. 258: de hele mens aanspreken: voorbeeld: leren schrijven;
Blz. 259 e.v.: na de tandenwisseling: gevoel voor autoriteit;
Blz. 260: kind hoeft niet alles meteen te begrijpen; geheugen; niet alles kan aanschouwelijk zijn;
Blz. 261: op gezag iets aannemen en latere levenskracht;
Blz. 262: samenhang spel en hoe je later in het leven staat;
Blz. 263: vóór het 9e jaar: fantasie, beeld; daarna zaakvakken, nog geen causaliteit; onsterfelijkheid, beeld cocon-vlinder; imponderabele;
Blz. 264: verandering in het kind rond tiende jaar; Rubicon; autoriteit;
Blz: 265: belang van eerbied;
Blz. 266 e.v.: het belang van antroposofie voor het lerarenberoep;.

blz.. 240

Im Herbste dieses Jahres*, September und Oktober, haben wir im Goetheanum in Dornach Hochschulkurse abgehalten, in denen versucht worden ist, den anthroposophischen Gesichtspunkt so­wohl in die verschiedensten Wissenschaften wie auch in die ver­schiedensten Gebiete des praktischen Lebens hineinzutragen. Es sollte gerade bei diesen Hochschulkursen nicht etwa bloß Anthroposophie als solche verhandelt werden, sondern es waren zusammengekommen Fachleute aus den verschiedensten Wissen­schaften, Künstler und auch Praktiker des Lebens, Praktiker des kommerziellen Lebens, des industriellen Lebens, und es handelte sich gerade darum, daß diese zeigen sollten, wie sich der anthropo­sophische Gesichtspunkt, die anthroposophische Art, Leben und Welt zu untersuchen, verwenden lassen, um die verschiedensten wissenschaftlichen und praktischen Gebiete des Lebens zu be­fruchten.
Sie wissen ja, daß der Wissenschaftler 

*unser Herbstkurs, der am 26. September eröffnet werden soll: Der sogenannte
«Erste anthroposophische Hochschulkurs» (26. September-16. Oktober 1920),
welcher mit etwa 100 Vorträgen zu den verschiedensten Wissenschafts- und
Lebensbereichen und zahlreichen künstlerischen Veranstaltungen die Arbeit im
Ersten Goetheanum eröffnete. Siehe dazu vor allem die Vorträge «Grenzen der
Naturerkenntnis», GA 322; «Die Kunst der Deklamation» in «Die Kunst der
Rezitation und Deklamation», GA 281, und «Physiologisch-Therapeutisches auf
Grundlage der Geisteswissenschaft. Zur Therapie und Hygiene», GA 314.
.

In de herfst van dit jaar* hebben wij in het Goetheanum in Dornach hogeschoolcursussen gehouden, waarin geprobeerd is het antroposofische gezichtspunt aan de orde te stellen, zowel wat betreft de meest verschillende wetenschappen alsook de meest verschillende gebieden van het praktische leven. Het was niet alleen maar de bedoeling om antroposofie als zodanig weer te geven, maar uit de meest verschillende wetenschappen waren vakmensen samengekomen, kunstenaars en ook mensen uit het praktische leven, mensen die werkzaam zijn in de handel, in de industrie en het ging erom dat zij zouden laten zien hoe het antroposofische gezichtspunt, de antroposofische manier om het leven en de wereld te onderzoeken, toegepast kan worden om de verschillende wetenschappelijke en praktische gebieden van het leven te bevruchten.
U weet dat deze wetenschappers –

*onze herfstcursus die op 26 sept. begon. De zgn. ‘eerste antroposofische hogeschoolcursus’, (26 sept. – 16 okt. 1920) die met ca 100 voordrachten voor de meest verschillende wetenschappen en op het gebied van het praktische leven en talloze kunstzinnige uitvoeringen het werk aan het eerste Goetheanum opende. Zie daartoe vooral de voordrachten: GA 322 vertaaldGA 281, GA 314.vertaald
.

– trotz der gerade von der Geisteswissenschaft voll anerkannten großen Triumphe insbesonde­re auf dem Gebiete der Naturwissenschaft – heute überall an gewisse Grenzen kommt, wo Fragen vorliegen, die mit denjenigen Metho­den, mit denjenigen Anschauungsmitteln, welche die offizielle Wis­senschaft heute anerkennt, sich durchaus nicht beantworten lassen. Man kommt dann wohl darauf, zu sagen: Nun, da lägen ja unüber­steigliche Grenzen für das menschliche Erkenntnisvermögen, für die menschliche Erkenntniskraft vor und der Mensch könne eben ein­fach nicht diese Grenzen überschreiten. Anthroposophische Gei­steswissenschaft soll gerade zeigen, wie die Forschungsmethoden, die Denk- und Anschauungsweise, welche die mehr materialistisch gerichtete Wissenschafts- und Lebensgesinnung der neueren Zeit heraufgebracht haben, befruchtet werden können dann, wenn man zu einer ganz andern Art des Erkennens, zu einer ganz andern Art der Anschauungsweise übergeht.

ondanks dat juist de geesteswetenschap de grote successen op het gebied van de natuurwetenschap volledig erkent – tegenwoordig tegen bepaalde grenzen oplopen, waarbij er vragen ontstaan die met de methoden, met de waarnemingsmiddelen die de officiële wetenschap onderschrijft, zich toch niet laten beantwoorden. Men komt er dan op te zeggen: nu ja, hier hebben we voor het menselijk kenvermogen, voor de macht van het menselijk kennen, grenzen bereikt en die kan de mens simpelweg niet over.
Antroposofische geesteswetenschap moet nu juist aantonen hoe de onderzoeksmethoden de manier van denken en waarnemen die de meer materialistisch georiënteerde wetenschaps- en levenshouding van de nieuwere tijd ontwikkeld hebben, bevrucht kan worden, wanneer men tot een heel andere manier van weten, een heel andere manier van waarnemen overgaat.

blz. 241

Und hier berühre ich gleich einleitend den Punkt, welcher der Anthroposophie als solcher in der Gegenwart noch die meisten Gegner, ja Feinde einträgt. Die Gegnerschaft gegen Anthroposo­phie ist ja nicht so sehr heraus entspringend aus gewissen logischen Untergründen oder aus wissenschaftlichen, gut geprüften Einwän­den, sondern diese Gegnerschaft kommt von einer Seite her, die vor kurzem – es erscheinen ja jetzt schon ganze Bücher, fast jede Woche eines, zur Widerlegung der Anthroposophie – ein Lizentiat der Theologie* in der folgenden Art bezeichnet hat: Er sagte, die Anthroposophie mache einen ärgerlich, sie sei unleidlich und aufregend. – Also nicht aus logischen Untergründen heraus erhebt sich ein gewisser Antagonismus, sondern, man möchte sagen aus dem Gefühle heraus. Und das rührt davon her, daß An­throposophie nicht einfach hinnimmt die Erkenntnis, wie sie die Menschheit bis heute ausgebildet hat, die einfach so aufgebaut wird, daß man sagt: Der Mensch hat gewisse Fähigkeiten für sein Erkennen geerbt; die bringt er allmählich durch seine natürliche Entwicklung zum Vorscheine; durch die gewöhnliche Erziehung wird er dann weiter ausgebildet zu einem nützlichen Gliede der menschlichen Gesellschaft – und so weiter, und so weiter.

*ein Lizentiat der Theologie: Kurt Leese, Lic. theol. «Moderne Theosophie. Ein
Beitrag zum Verständnis der geistigen Strömungen der Gegenwart», Berlin 1920.
In diesem Buch heißt es auf S. 58: «Derartige Bravourstücke verzwickter Distinktionen, die von vornherein im ideellen Dienst eines vorgefaßten Schemas
stehen, machen die Lektüre der Steinerschen Schriften nicht nur zu einer
schwierigen, sondern auch zu einer ärgerlichen und unleidlichen.» Vgl. dazu
auch die Vorträge vom 12. und 26. Dezember 1920 im Band «Die Brücke zwischen der Weltgeistigkeit und dem Physischen des Menschen», GA 202.
.

En hier stip ik meteen als inleiding een punt aan, dat de antroposofie als zodanig vandaag de dag nog de meeste tegenstanders, zelfs vijanden, oplevert. De weerstand tegen antroposofie komt niet zo zeer uit bepaalde logische oorzaken of uit wetenschappelijke, goed onderbouwde tegenwerpingen, maar vanuit een bepaalde hoek die tot voor kort – er verschijnen nu al hele boeken, bijna iedere week wel een, om de antroposofie te weerleggen – door iemand met een theologische graad* als volgt omschreven werd: hij zei: ‘De antroposofie roept bij iemand ergernis op, is niet te pruimen en is opruiend.’
Dus niet op logische gronden ontstaat de tegenstand, maar vanuit het gevoel. Dat komt omdat de antroposofie niet zomaar de kennis aanneemt die tot nog toe door de mensheid ontwikkeld is, die eenvoudigweg zo ontwikkeld werd dat er wordt gezegd: de mens heeft een bepaalde aanleg voor kennis geërfd die hij geleidelijk door zijn natuurlijke ontwikkeling naar buiten brengt; door de gewone opvoeding wordt hij dan verder gevormd tot een nuttig lid van de maatschappij – enz., enz,

*een graad in de theologie: Kurt Leese, Lic.theol. ‘Moderne theiosofie. Een bijdrage tot begrip van geestelijke stromingen in deze tijd’, Berlijn 1920. In dit boek staat op blz. 58: ‘Dergelijke bravourstukjes die zich als verdraaid moeilijk onderscheiden, die van begin af aan in ideële dienst staan van een vooropgesteld schema, maken de lectuur van de geschriften van Steiner niet alleen tot iets moeilijks, maar ook tot iets ergerlijks en onuitstaanbaars.’ Vgl. daarmee de voordrachten van 12 en 26 december in GA 202.
.

Mit dem, was man auf der einen Seite sich aneignet, tritt man nun auch heran an die Erkenntnis selber, an das wissenschaftliche Leben. Man ver­sucht dann verschiedene Methoden auszubilden: Beobachtungsme­thoden, Experimentiermethoden, logische Methoden und so wei­ter. Aber wenn man diese ganze Methodik heutiger Wissenschaft­lichkeit überblickt, so geht sie doch davon aus, daß man einmal eben im Normalen etwas erreicht hat an Erkenntniskraft, und dar­über wird nicht hinausgegangen. Bewaffnet man sich noch so sehr mit dem Mikroskop, mit dem Teleskop, mit dem Röntgenapparat und so weiter – man geht nicht hinaus über eine gewisse Stufe des Erkenntnisvermögens, das man heute als das durchschnittlich menschliche einmal anschaut. Man dringt weiter im wissenschaft­lichen Leben, indem man in komplizierter Weise oder aber ins Ge­naue hinein diese gewöhnliche Erkenntnismethode ausbildet, aber man denkt vor allen Dingen nicht an dasjenige, woran zuallererst

Met wat men zich aan de ene kant eigen maakt, benadert men nu ook de kennis zelf, het wetenschappelijke leven. Men probeert verschillende methoden te ontwikkelen: waarnemingsmethoden, experimenteermethoden, logische methoden enz. Maar wanneer je de hele methodiek van de huidige wetenschap overziet, dan gaat die er toch vanuit dat we in het normale leven iets bereikt hebben aan kennispotentie en verder dan dat ga je niet. Je kan je nog zo zeer uitrusten met de microscoop, met de telescoop, met het röntgenapparaat enz.- men gaat niet verder dan een bepaald niveau van het kennisvermogen dat men tegenwoordig nu eenmaal als het doorsnee menselijke beschouwt. Je dringt in het wetenschappelijke leven verder door als je op een meer ingewikkelde manier of nog preciezer deze gewone kennismethode verder ontwikkelt, maar men denkt niet meteen aan waaraan de antroposofie vooral denkt. 

blz. 242

die Anthroposophie denkt. Sie geht aus von dem, was ich nennen möchte «intellektuelle Bescheidenheit». Und da wird sie eben auf­reizend für die Menschen der Gegenwart, die sich gewissermaßen so etwas von vornherein überhaupt nicht sagen lassen wollen. Aber man kann doch nicht anders, als eben die Tatsachen ungeschminkt hinstellen.Sehen Sie, wenn ein fünfjähriges Kind einen Band Goethescher Gedichte in die Hand bekommt, so wird es mit diesem Band Goe­thescher Gedichte vielleicht nichts anderes anzufangen wissen, als ihn zu zerreißen. Wenn das Kind zehn Jahre älter geworden ist, wird es ganz etwas anderes machen mit dem Band Goethescher Gedichte. Es wird eindringen in das, was auf dem einzelnen Blatt steht. Es ist etwas herangewachsen mit dem Kinde. Das Kind ist reifer geworden. Das Kind hat aus seinem Untergrund etwas her-ausgeholt, was vor zehn Jahren bei ihm nicht da war. Es hat sich ein realer, nicht bloß ein logischer Prozeß vollzogen. Das Kind ist gewissermaßen ein anderes Wesen geworden.
Intellektuelle Bescheidenheit, sagte ich, muß derjenige haben, der Geistesforscher im anthroposophischen Sinne werden will. Er muß sich sagen können in einem gewissen Momente seines Lebens:

Die gaat uit van wat ik zou willen noemen ‘intellectuele bescheidenheid’. En voor de mensen van tegenwoordig die zich zoiets bepaald niet willen laten zeggen, wordt ze daardoor opruiend. Maar je kan toch niet anders dan de dingen onopgesmukt naar voren brengen. Wanneer een kind van vijf een band met gedichten van Goethe in handen krijgt, weet het wellicht hier niets anders mee te doen dan kapotscheuren. Wanneer het kind tien is, zal het absoluut iets anders met deze gedichtenbundel doen. Hij zal die open doen en kijken wat er op de bladzijden staat. Er is met het kind iets gebeurd. Het kind is gegroeid. Het kind heeft vanuit zijn binnenste iets naar boven gehaald, wat er tien jaar geleden bij hem nog niet was. Er heeft zich een echt proces voltrekken, niet alleen maar een logisch proces. Het kind is in zeker opzicht een ander wezen geworden. Wie een onderzoeker van de geest wil worden, in antroposofische zin bedoeld, moet intellectueel bescheiden zijn. Op een bepaald ogenblik in zijn leven moet hij bij zichzelf kunnen zeggen:

Gerade so, wie ein realer Prozeß vorgeht mit dem Kinde zwischen dem fünften und fünfzehnten Jahre, wie tatsächlich Kräfte der Seele, die sich früher nicht geoffenbart haben, nach zehn Jahren zum Vorschein kommen, so kann man dasjenige, was das Er­kenntnisvermögen, was die Seelenkräfte überhaupt im gewöhn­lichen Leben sind, weiter ausbilden. Man kann weggehen von dem­jenigen wissenschaftlichen Standpunkte, den man einmal als den normalen annimmt; man kann einen realen Prozeß in seinem Er­kennen durchmachen. Man kann auch dasjenige, was die meisten Menschen heute schon als ein Ende des Erkenntnisvermögens betrachten und in der Wissenschaft höchstens logisch weiter ausbilden oder durch Versuchsanordnungen ausbilden – man kann das noch weiter ausbilden, indem man aus dem Innern der Seele weitere Kräfte hervorholt. Und auf diesem Hervorholen von in der Seele schlummernden Kräften beruht die anthroposophische

Net zoals er een werkelijk proces plaatsvindt in het kind tussen het vijfde en het vijftiende jaar, hoe daadwerkelijke krachten van de ziel die zich eerder nog niet vertoonden, na tien jaar tevoorschijn komen, zo kan, je wat kennisvermogen is, wat in het dagelijks leven eigenlijk een vermogen van de ziel is, dit in het dagelijks leven verder ontwikkelen. Je kan de wetenschappelijke standpunten verlaten die men nu eenmaal als normaal beschouwt; jr kan iets reëels in het kenproces doormaken. Je kan ook wat de meeste mensen tegenwoordig als een eindstadium van het kennisvermogen zien en in de wetenschap hoogstens logisch verder ontwikkelen of door onderzoeksvoorwaarden te ontwerpen – je kan het nog verder ontwikkelen waneer je vanuit het innerlijk van je ziel nog meer krachten oproept. En op dit oproepen van de krachten die in de ziel sluimeren, berust de antroposofische

blz. 243

Methode. Sie beruht darauf – ich will gleich ganz im Konkreten charakterisieren -, daß man dasjenige, was sonst als Denken vor­liegt bloß in Anlehnung an die Außenwelt, daß man das vollständig dem Willen unterordnet.
Wie denken wir denn eigentlich im gewöhnlichen Leben? Wie denken wir in der Wissenschaft? Wir denken in der Wissenschaft so, daß wir uns der Außenwelt oder den Erlebnissen überlassen. Wir denken gewissermaßen fort den Faden der Erlebnisse oder der Erscheinungen. Wir wenden zwar in einem gewissen Grade den Willen auf das Denken an, im Urteil, im Schlüsseziehen; aber ganz anderes entsteht noch, wenn dasjenige, was sonst nur unwillkürlich als Gedanke logisch im Menschen lebt, wenn das ganz und gar -wenn ich mich des Vergleiches bedienen darf – vom Menschen innerlich in Selbsterziehung in die Hand genommen wird.
Wenn der Mensch jahrelang Übungen dahingehend macht, daß er leicht überschaubare Vorstellungen in sein Bewußtsein hereinsetzt, daß er also ganz und gar durch seinen Willen, nicht durch Anregungen der Außenwelt, gewisse – ich sage ausdrücklich leicht überschaubare – Vorstellungen in den Mittelpunkt seines Bewußt­seins bringt, und dann wiederum mit Aufwendung seines vollen Willens auf solchem inneren Vorstellen ruht,

methode. Die berust erop – dat wil ik meteen heel concreet karakteriseren – dat je, wat anders als denken aanwezig is, alleen doordat het betrokken is op de buitenwereld, volledig ondergeschikt maakt aan de wil.
Hoe denken we in het dagelijks leven? Hoe denken we in de wetenschap? Daar denken we in zekere zin zo dat we ons overgeven aan de buitenwereld of onze belevingen. Weliswaar richten we op een bepaalde manier onze wil op het denken, bij het oordelen, bij het gevolgtrekkingen maken, maar heel iets anders ontstaat er, wanneer dat, wat slechts onwillekeurig als gedachte logisch in de mens leeft, wanneer dat helemaal – wanneer ik deze vergelijking gebruiken mag – door de mens innerlijk als zelfopvoeding ter hand wordt genomen. Wanneer de mens jaren lang oefeningen doet, waarbij hij makkelijk overzichtelijke voorstellingen in zijn bewustzijn opneemt – ik zeg nadrukkelijk bepaalde makkelijk te overziene voorstellingen – die hij dan helemaal vanuit zijn wil, niet door prikkels vanuit de buitenwereld, in het middelpunt van zijn bewustzijn plaats, en dan dus met gebruikmaking van zijn volle wil, bij zo’n innerlijke voorstelling stil blijft staan,

innerlich ruht, die Aufmerksamkeit von allem übrigen ablenkt und innerlich ruht auf einem Vorstellungskomplex, den er selber in den Mittelpunkt sei­nes Bewußtseins gestellt hat, kann er auf eine solche Weise in an­derer Art die Seelenkräfte üben, als man das im gewöhnlichen Leben und auch in der Wissenschaft tut. Und geradeso, wie ein Muskel eine gewisse Kraft erhält, wenn er geübt wird, so erhalten die Seelenkräfte durch Übung eine bestimmte Kraft. Sie werden nach einer ganz bestimmten Richtung ausgebildet, wenn man diese inneren Methoden, diese intimen Seelenmethoden, die ich geschil­dert habe, auf sich als Geistesforscher anwendet. Ich habe die Methoden ausführlich in meinem Buche «Wie erlangt man Er­kenntnisse der höheren Welten?», in meiner «Geheimwissenschaft»* und in anderen Büchern geschildert; da kann man dasjenige in allen Einzelheiten nachlesen, was ich jetzt nur dem Prinzip nach charakterisieren

* GA 10vertaald             GA 13 ,vertaald 
.

innerlijk stil blijft staan, de aandacht van al het andere afhoudt en innerlijk stil blijft staan bij een complex van voorstellingen die hij zelf in het centrum van zijn bewustzijn heeft geplaatst, kan hij op zo’n manier andere krachten in de ziel oefenen dan je in het dagelijkse leven doet en in de wetenschap. En net zoals een spier over een zekere kracht beschikt, wanneer je die traint, zo krijgt je krachten in de ziel door het oefenen van een bepaalde kracht. Die worden in een heel bepaalde richting ontwikkeld, als je deze innerlijke methoden, deze fijnzinnige methoden van de ziel die ik geschetst heb, voor jezelf als onderzoeker van de geest, toepast. Ik heb de methoden uitvoerig beschreven in mijn boek: ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’,* en in mijn ‘Wetenschap van de geheimen van de ziel’ en in andere boeken; daar kan je alles in detail nalezen wat ik nu in principe wil karakteriseren.

* GA 10; vertaald  GA 13 ,vertaald 
.

blz. 244

will. Ich habe dasjenige, was da die Seele mit sich vornimmt, was eine innerliche, intime geisteswissenschaftliche Methode ist, Meditieren und Konzentrieren genannt. Aber ich be­merke ausdrücklich: diese Dinge lassen sich nicht in kurzer Zeit abmachen, sondern es handelt sich durchaus darum – allerdings, je nachdem der eine so oder so veranlagt ist, geht es kürzer oder länger -, aber im allgemeinen handelt es sich darum, daß die gei­steswissenschaftliche Forschung nicht weniger Zeit in Anspruch nimmt, als etwa die Forschungen in Kliniken, in chemischen La­boratorien oder auf der Sternwarte. Wie man dort in jahrelangen Übungen die Methoden sich aneignen muß, so muß man, und zwar mit einer starken inneren Konzentrationskraft, größerer Gewissen­haftigkeit noch, die Seelenfähigkeiten, die sonst im Menschen schlummern, aus der Seele selbst herausholen.Und dann, wenn man solche Methoden auf die Seele anwendet, erweitert sich das Erkenntnisvermögen. Dann kommt man aller­dings dazu, zu sehen, wie der Mensch noch ganz anderes erkennen kann, als er erkennen kann durch seine sinnlichen Augen und durch die Kombination der Erscheinungen, die die sinnlichen Au­gen oder überhaupt die Sinne darbieten.

Ik heb wat de ziel met zichzelf doet, wat een innerlijke, intieme geesteswetenschappelijke methode is, mediteren en concentreren genoemd. Maar ik merk nadrukkelijk op: zulke zaken krijg je niet in een korte tijd voor elkaar, bij de een duurt het korter, bij de ander langer, al naar gelang je aanleg, maar het gaat er echt om dat het geesteswetenschappelijk onderzoek niet minder tijd kost dan bv. het onderzoek in klinieken, in scheikundige laboratoria of op de sterrenwacht.
Zoals je daar door jaren lang te oefenen je de methoden eigen moet maken, zo moet je en dat dus met een sterke innerlijke concentratie, met een grotere ernst nog, de zielenvermogens die anders maar in de mens blijven sluimeren, uit de ziel tevoorschijn te halen.

Das ist der eine Weg. Er geht über die Konzentration, über das Vorstellungsvermögen, und man gelangt dadurch zu innerem An­schauen, zu dem, was ich in meinem Buche «Von Seelenrätseln» genannt habe* das Schauungsvermögen des Menschen, das schauen­de Erkennen.
Man kann auch nach einer andern Weise die Seelenkräfte ausbil­den, ja man muß es sogar, wenn man wirklich zu etwas kommen will. Man muß außerdem
ausbilden dasjenige, was Sie alle gut ken­nen in seiner einfachsten Erscheinung: die Aufmerksamkeit. Wir verhalten uns zum Außenleben und zu den inneren Erscheinungen nicht bloß so, daß wir uns ihnen ganz passiv überlassen, sondern wir richten unsere Merkkraft, unsere Aufmerksamkeit auf irgend etwas, was wir besonders, ich möchte sagen herausschneiden aus unserer Umgebung. Auch indem wir wissenschaftlich forschen, mussen wir irgend etwas besonders in den Mittelpunkt unserer

*was ich in meinem Buche «Von Seelenrätseln» genannt habe das Schauungsvermögen des Menschen: «Von Seelenrätseln» (1917), GA 21.
.

Dat is de ene weg. Die loopt via de concentratie, via het voorstellingsvermogen en je komt daardoor tot het innerlijk waarnemen, wat ik in mijn boek ‘Von Seelenrätseln’* het ‘schouwend vermogen’ heb genoemd, het schouwend kennen.
Je kan de zielenkrachten ook nog op een andere manier ontwikkelen, dat moet zelfs, als je werkelijk tot zoiets wil komen. Bovendien moet je ontwikkelen wat u allemaal goed kent in zijn eenvoudigste vorm: de opmerkzaamheid. Wij gedragen ons t.o.v. het leven buiten ons en tot de innerlijke verschijnselen niet alleen zo, dat we ons er volkomen passief aan overgeven, maar we richten onze aandacht, onze opmerkzaamheid op iets wat wij vooral, ik zou willen zeggen, op iets speciaals uit onze omgeving. richten. Ook wanneer we wetenschappelijk onderzoek doen, moeten iets op een bijzondere manier het middelpunt van ons
.

*wat ik in mijn boek ‘Von Seelenrätseln’ het schouwend vermogen heb genoemd. GA 21
.

blz. 245

Untersuchungen rücken und die andern Dinge daran anknüpfen. Dann, wenn man wiederum durch inneren Willen, durch Aufwen­dung der aktivsten Seelenkräfte dieses Aufmerksamwerden ausbil­det, wenn man geradezu solche Übungen macht, daß man jene Kraft, von der man merkt, man wendet sie an bei dem Aufmerk­samwerden auf irgend etwas, wenn man diese Hinlenkekraft, dieses Sichzusammennehmen im Seelenleben, um sich zu konzentrieren auf irgend etwas aus dem Leben Herausgeschnittenes, wenn man dieses immer wieder und wiederum übt, dann macht man eine merkwürdige Entdeckung. Dann macht man die Entdeckung, daß man allmählich diejenige Seelenkraft immer mehr ausbildet, welche uns sonst nur in dem entgegentritt, was wir das Interesse an der Umwelt nennen. Wir wenden dem einen Gegenstand mehr, dem anderen weniger Interesse zu. Da zeigt sich eine Stufenfolge in unserem Seelenverhalten zur Innenwelt. Dieses Interesse wird von einer ungeheuren Lebhaftigkeit; es wird zu einer solchen Lebhaf­tigkeit, daß man wirklich sagen kann: es wird zu etwas ganz ande­rem, als es im gewöhnlichen Leben und in der Wissenschaft ist. Es wird zu dem, was man nennen kann: man fühlt sich eins werden mit den Dingen. Die Seelenkräfte durchziehen sich allmählich mit dem Wesen der Dinge. 

onderzoek laten zijn en de andere dingen daarmee verbinden. Dan, wanneer je weer door innerlijke wil, door gebruik te maken van de meest actieve zielskrachten, dit opmerkzaam worden, ontwikkelt, wanneer je met name die oefeningen doet waarbij die kracht waarvan je merkt dat jij die gebruikt bij het opmerkzaam worden op een of ander iets, dat je deze aandachtskracht, deze concentratie in het zielenleven, om je te concentreren op iets aparts in het leven, wanneer je die steeds weer opnieuw oefent, dan doe je een bijzondere ontdekking. Dan ontdek je dat je die zielenkracht steeds verder ontwikkelt, die we anders alleen masr zouden hebben bij wat we dan interesse voor de wereld zouden noemen. We hebben voor het ene meer aandacht dan voor het andere. Er ontstaat een bepaalde opeenvolging van fasen in wat we innerlijk beleven. Deze interesse wordt buitengewoon levendig; zodanig dat je daadwerkelijk kan zeggen: het wordt totaal iets anders dan wat dit in het gewone leven en in de wetenschap is. Het wordt tot wat we zouden kunnen noemen: je voelt je één worden met de dingen. De krachten van de ziel nemen geleidelijk het wezen van de dingen in zich op.

Und dieses Erleben einer erhöhten Inter­essekraft geht noch weiter. Das geht jetzt bis zum Ausbilden einer besonderen Kraft, die sonst nur auf einem anderen Gebiete des Lebens zur Geltung gebracht wird, die aber durch anthroposophi­sche Geisteswissenschaft eine Erkenntniskraft wird.
Wir sind wiederum an einem Punkte, wo man in ganz begreif­licher Weise gegenüber den Anschauungen der heutigen Zeit ein­fach für einen Dilettanten oder für einen Phantasten gehalten wird, wenn man die Dinge, die einfach Realität innerhalb der Anthropo­sophie sind und sich als solche zeigen, ausspricht. Dasjenige, was zunächst an sich Aufmerksamkeit ist, es verwandelt sich in diejeni­ge Interessekraft, womit man so deutlich erlebt, wie der ganze Mensch aus der Welt herauszuholen ist; wie man nicht erst nachzuweisen hat und Hypothesen aufzustellen hat, ob dem Rot diese oder jene Wellenschwingungen, dem Blau diese oder jene

En deze beleving van een sterkere interesse gaat nog verder. Het gaat om het ontwikkelen van een bijzondere kracht die anders alleen maar op een ander gebied van het leven realiteit wordt, maar die nu door de antroposofische geesteswetenschap een kennisvermogen wordt.
We zijn weer bij een punt aangekomen waarop je heel begrijpelijk, wat betreft de gezichtspunten over de huidige tijd, simpelweg voor een amateur of voor een fantast versleten wordt, wanneer je de dingen die binnen de antroposofie gewoonweg realiteit zijn en zich als zodanig vertonen, uitspreekt. Wat aanvankelijk opmerkzaamheid op zich is, verandert in díe interessekracht waarmee je niet eerst hoeft te bewijzen en hypothesen hoeft op te stellen of rood zus of zoveel trillingen heeft, of dat er aan blauw zus of zoveel

blz. 246

Schwingungen zugrunde liegen, sondern wo man zusammenwächst mit dem Rot und Blau; wo das weiter ausgebildet ist, was Goethe so geistvoll ausgebildet hat* in dem Kapitel «Sinnlich-sittliche Wir­kung der Farbe» in seiner Farbenlehre, wo wirklich der Mensch gewissermaßen sein Seelenleben hinausfließen fühlt in die Welt, so daß sein Erkenntnisvermögen wie ein Hinausfließen seines Seelen­lebens in die Welterscheinungen wird. Und es verwandelt sich sei­ne Erkenntniskraft eben in dasjenige, was wir sonst im Leben die Liebe nennen. Die Liebe, durch die wir eins werden mit einem andern Wesen, sie ist im gewöhnlichen Leben, ich möchte sagen nur in ihrem Anfang vorhanden; durch die angedeuteten Seelenübungen wird sie eine solche Seelenkraft, die sich erkennend in der ganzen Umwelt ergeht. Und so kann man sagen – ich kann das alles nur andeuten, in meinen Büchern ist es ausführlicher dargestellt -: Indem man auf der einen Seite die Vorstellungskraft ausbildet, auf der andern Seite die dem Willensleben zugrundeliegende Kraft der Aufmerksam­keit, Kraft des Interesses, Kraft der Liebe, entwickeln sich neue Erkenntniskräfte, und der Mensch erlebt eine Erweiterung seines Erkennens. Was sonst Grenze des Erkennens genannt wird und was vielfach gerade von Forschern der Gegenwart als unübersteig­bar bezeichnet wird, das kann nur überschritten werden durch eine Ausbildung der inneren Seelenkräfte
.

*was Goethe so geistvoll ausgebildet hat in dem Kapitel «Sinnlich-sittliche Wir­kung der Farbe»: Siehe Band III «Zur Farbenlehre», Sechste Abteilung, S. 289, GA 1c, in «Goethes Naturwissenschaftlichen Schriften», 5 Bände, herausgege­ben und kommentiert von Rudolf Steiner in Kürs’chners «Deutsche National-Litteratur« (1884-97), Nachdruck Dornach 1975.
.
**
Was sonst Grenze des Erkennens genannt wird und was vielfach gerade von Forschern der Gegenwart als unübersteiglich bezeichnet wird: Zum Beispiel der von Rudolf Steiner oft genannte Du Bois’ Reymond, 1818-1896, deutscher Phy­siologe, Professor in Berlin und ab 1867 ständiger Sekretär der Berliner Akade­mie der Wissenschaften in seiner Rede «Uber die Grenzen des Naturerkennens» (gehalten am 14. August 1872; Leipzig 1872). Dort heißt es (S. 12f.): «Nie wer­den wir besser als heute wissen, was, wie Paul Erman zu sagen pflegte, ‘hier’ wo Materie ist, ‘im Raume spukt’ Denn sogar der von Laplace gedachte, über den unseren so weit erhabenen Geist würde in diesem Punkte nicht klüger sein als wir, und daran erkennen wir verzweifelnd, daß wir hier an der einen Grenze unseres Witzes stehen.» Und S. 16f.: «Der in negativ unendlicher Zeit angesponnene Faden des Verständnisses zerreißt, und unser Naturerkennen gelangt an eine Kluft, über die kein Steg, kein Fittig trägt: wir stehen an der anderen Grenze unseres Witzes. – Dies neue Unbegreifliche ist das Bewußtsein.» So kommt Du Bois Reymond am Schluß seiner Rede zu dem Ergebnis (S. 33): «In Bezug auf die Rätsel der Körperwelt ist der Naturforscher längst gewöhnt, mit männlicher Entsagung sein auszusprechen. Im Rückblick auf die durchlaufene siegreiche Bahn, trägt ihn dabei das stille Bewußtsein, daß, wo er jetzt nicht weiß, er wenigstens unter Umständen wissen könnte, und dereinst vielleicht wissen wird. In bezug auf das Rätsel aber, was Materie und Kraft seien, und wie sie zu denken vermögen, muß er ein für allemal zu dem viel schwerer abzugebenden Wahrspruch sich entschließen: <ignorabimus!>»</ignorabimus!>
.

trillingen ten grondslag liggen, maar waarbij je één wordt met rood en blauw; waar in verdere mate ontwikkeld is, wat Goethe zo geestrijk ontwikkeld* heeft in zijn hoofdstuk ‘zintuiglijk-ethische werking van de kleuren’ in zijn kleurenleer, waar de mens werkelijk in zekere zin zijn zielsleven naar de wereld voelt uitstromen, zodat zijn kennisvermogen als een uitvloeien van zijn zielsleven in de verschijnselen van de wereld wordt. En zijn kennisvermogen metamorfoseert in wat wij anders in het leven de liefde noemen. De liefde waardoor we één worden met een ander wezen, is in het dagelijks leven, wat ik zou willen noemen, alleen maar in een beginstadium aanwezig; door de aangeduide zielsoefeningen wordt die een zodanige zielskracht die kennend zich in de hele wereld uitbreidt. En zo kun je zeggen – ik kan het alleen maar aanstippen, in mijn boeken staat het uitgebreider: wanneer je enerzijds de voorstellingskracht ontwikkelt, anderzijds de kracht van de opmerkzaamheid waaraan het wilsleven ten grondslag ligt, de kracht van de interesse, de kracht van de liefde, komen nieuwe kenniskrachten tot ontwikkeling en de mens beleeft een toenemen van zijn kennis. Wat anders de grens van het kennen wordt genoemd** en wat veelvuldig juist door onderzoekers uit de tegenwoordige tijd als onoverbrugbaar bestempeld wordt, kan alleen overstegen worden door ontwikkeling van innerlijke zielskrachten
.

*in het hoofdstuk ‘zintuiglijk-morele werking van de kleur’. Zie band lll ‘Over de kleurenleer, 6e afd. blz. 289, GA 1c, in Goethes natuurwetenschappelijke geschriften, 5 banden, uitgegeven en van commentaar voorzien door Rudolf Steiner in Kürschners Deutsche National Litteratur (1884-97), herdruk Dornach 1975.

**wat anders grenzen van de kennis wordt genoemd en wat veelvuldig met name bij onderzoekers van nu als onoverbrugbaar wordt genoemd: bv. bij de door Rudolf Steiner vaak genoemde Du Bois-Reymond, 1818-1896, Duits natuurlundige, proefeesor in Berlijn en vanaf 1867 secreatris van de Berlijnse academie van wetenschappen in zijn rede: ‘Over de grnezen van de kennis van de natuur’, gehouden op 14 aug. 1872; Leipzig 1872. Daar staat (bolz. 12f: ‘Nooit zullen we beter weten dan nu, wat, zoals Paul Erman gewend was te zeggen, ‘hier’ waar materie is, ‘in de ruimte spookt’  Want zelfs de door Laplace gedachte, boven ons uitgaande zo verheven geest, zou in dit opzicht niet slimmer zijn dan wij en daaraan herkennen wij vertwijfelend dat wij hier aan de ene grens van ons weten staan.’ En op blz. 16f: ‘De in ver terugliggende tijd gesponnen draad van de kennis breekt en onze natuurkennis staat voor een kloof, waarover geen brug loopt, waar vluegels je niet overheen dragen; we staan voor de andere grens van de kennis.’ Het nieuwe dat we niet begrijpen is het bewustzijn.’

L Und S. 16f.: «Der in negativ unendlicher Zeit angesponnene Faden des Verständnisses zerreißt, und unser Naturerkennen gelangt an eine Kluft, über die kein Steg, kein Fittig trägt: wir stehen an der anderen Grenze unseres Witzes. – Dies neue Unbegreifliche ist das Bewußtsein.» So kommt Du Bois Reymond am Schluß seiner Rede zu dem Ergebnis (S. 33): «In Bezug auf die Rätsel der Körperwelt ist der Naturforscher längst gewöhnt, mit männlicher Entsagung sein auszusprechen. Im Rückblick auf die durchlaufene siegreiche Bahn, trägt ihn dabei das stille Bewußtsein, daß, wo er jetzt nicht weiß, er wenigstens unter Umständen wissen könnte, und dereinst vielleicht wissen wird. In bezug auf das Rätsel aber, was Materie und Kraft seien, und wie sie zu denken vermögen, muß er ein für allemal zu dem viel schwerer abzugebenden Wahrspruch sich entschließen: <ignorabimus!>»</ignorabimus!>
.

nicht durch die Bewaffnung des Auges mit dem Mikroskop und Teleskop oder mit dem Rönt­genapparat, sondern nur durch die Ausbildung des menschlichen Innern selber, indem man jene Erkenntniskraft entwickelt, welche uns hinausbringt über das Sinnliche und die Kombination des Sinn­lichen durch den Verstand. Dasjenige, was nun dem Menschen sich offenbart, das ist nicht eine zweite Auflage der Sinneswelt etwa -das ist die wirkliche geistige Welt. Und indem der Mensch auf diese Weise erweckt, was als geistiges Leben übersinnlich in ihm arbeitet – denn das wird erweckt durch diese zwei Kräfte, die ich genannt habe -, indem der Mensch das in sich erweckt und zur wirklichen Exaktheit bringt, wie sonst nur die Mathematik zur Exaktheit kommt, wird er nicht durch Spekulation über Atome und Molekü­le,

niet door de ogen uit te rusten met de microscoop en de telescoop of met het röntgenapparaat, maar alleen door het ontwikkelen van het menselijk innerlijk zelf, als je die kenniskrachten ontwikkelt die ons verder brengen dan het zintuiglijke en het combineren van het zintuiglijke door het verstand. Wat zich aan de mens openbaart is niet een soort tweede zintuigwereld – dat is de echte geestelijke wereld. En als de mens op deze manier tot leven brengt wat als geestelijk leven bovenzintuiglijk in hem werkzaam is – want dat wordt gewekt door deze twee krachten die ik heb genoemd – als de mens dat in zichzelf wakker roept en tot een werkelijke exactheid brengt wat anders alleen in de wiskunde tot exactheid komt, zal hij niet door speculaties over atomen en moleculen,

blz. 247

sondern durch das unmittelbare Erleben und Schauen über das­jenige, was die Sinne darbieten, über die sinnliche Welt hinaus-geführt. Und der Mensch lernt dasjenige erkennen, was als über­sinnliche Welt ihm geradeso zugrundeliegt, wie sein sinnlicher Leib ihm als Sinnliches zugrundeliegt. Der Mensch lernt die geistige Welt kennen. Jene anthroposophische Geisteswissenschaft, die vom Goethea­num in Dornach ausgeht, sie ist nicht zu verwechseln mit dem, was heute vielfach den Geist untersuchen will in Nachahmung derjeni­gen Methoden, die sonst Labor-Methoden sind. Da gibt es gewisse Leute – Sie brauchen nur an den Spiritismus zu denken -, die glau­ben heute, durch äußerliche Verrichtungen, durch äußerliche Expe­rimente tiefer in das Wesen der Dinge einzudringen; sie möchten das Übersinnliche durch sinnliche Forschung erkennen. Das ist ja gerade das Wesentliche, daß das Übersinnliche nur mit übersinn­lichen Kräften erkannt werden kann. Und indem diese übersinn­lichen Kräfte zunächst im Menschen schlummern – weil er so, wie er einmal zwischen Geburt und Tod beschaffen ist, zunächst für die sinnliche Welt tüchtig werden soll 

maar door het directe beleven en zien, verder dan wat de zintuigen mogelijk maken, boven de zintuiglijke wereld uit, worden geleid. En de mens leert kennen wat als bovenzinnelijke wereld zijn basis is, zoals zijn fysieke lichaam zijn zintuiglijke basis is. De mens leert de geestelijke wereld kennen.
De antroposofische geesteswetenschap die uitgaat van het
Goetheanum in Dornach, moet niet verwisseld worden met wat tegenwoordig de geest veelvuldig wil onderzoeken in navolging van die methoden die niet anders dan laboratoriummethoden zijn. Er zijn bepaalde mensen – je hoeft maar aan het spiritisme te denken – die geloven tegenwoordig dat ze door uiterlijke handelingen, door uiterlijke experimenten dieper in het wezen van de dingen doordringen; zij willen het bovenzintuiglijke door zintuiglijk onderzoek leren kennen. Maar het wezenlijke is dat het bovenzintuiglijke alleen maar met bovenzintuiglijke krachten gekend kan worden. En omdat deze krachten vooralsnog in de mens sluimerend aanwezig zijn – omdat hij nu eenmaal tussen geboorte en dood zo is – eerst actief moet worden in de zintuiglijke wereld,

muß er dasjenige durch die Entwicklung übersinnlicher Kräfte kennenlernen, was über Tod und Geburt hinausgeht, was ihm angehörte, schon bevor er durch die Geburt in dieses Dasein geschritten ist, was er behält, wenn er durch die Pforte des Todes geht.
Ich will nur kurz erwähnen, wie tatsächlich dadurch, daß der Mensch zu diesem übersinnlichen Erkenntnisvermögen vordringt, Gebiete erschlossen werden, die auf eine andere Weise nicht er­schlossen werden können, nämlich eben dasjenige, was über die Geburt und über den Tod hinaus ist. Heute ist es fast lediglich dem Glauben der Bekenntnisse überlassen, den Menschen irgend etwas beizubringen von dem, was über den Tod hinaus ist. Aber schon unsere Sprache bezeugt uns, daß wir in dieser Beziehung eigentlich wesentlich einseitig vorgehen. Wir haben das Wort «Unsterblich­keit». Es stammt allerdings nicht aus Wissen, es stammt aus Glau­ben. Aber diese Unsterblichkeit, sie will ja nur sprechen von dem Leben, das über den Tod hinaus ist. Geisteswissenschaft zeigt

moet hij, wat er boven dood en geboorte uitgaat, door de ontwikkeling van bovenzintuiglijke krachten leren kennen, wat bij hem hoorde, al voor hij door de geboorte in dit leven gekomen is, en wat hij meeneemt wanneer hij door de poort van de dood gaat.
Ik wil slechts kort noemen hoe in feite omdat de mens in dit bovenzintuiglijk kennisvermogen doordringt, voor hem gebieden worden ontsloten die op een andere manier niet ontsloten kunnen worden, juist wat boven geboorte en dood uitgaat.
Tegenwoordig wordt het geloof bijna alleen overgelaten aan de kerken om de mens iets bij te brengen van wat verder gaat dan de dood. Maar alleen onze taal al, laat ons zien dat wij wat dit betreft eigenlijk wezenlijk eenzijdig zijn. We hebben het woord ‘onsterfelijkheid’. Dat komt niet uit het weten vandaan, maar uit het geloof. Maar deze onsterfelijkheid wil alleen maar spreken over het leven dat boven de dood uitgaat. Geesteswetenschap toont aan

blz. 248

dadurch, daß sie die übersinnlichen Welten erschließt, wie der Mensch auch vor der Geburt, oder sagen wir vor der Empfängnis, in der geistigen Welt da war. Und daß wir das Wort «Ungeboren­heit» nicht haben, das bezeugt, daß wir eben in der Gegenwart eine wirkliche Geisteswissenschaft nicht anerkannt haben. Sobald der Mensch durch Wissen, nicht bloß durch Glauben in die über­sinnliche Welt eindringt, eröffnet sich ihm nicht nur die Aussicht nach dem Unsterblichen seines Wesens, sondern auch nach dem Ungeborenen seines Wesens. Das alles kann ich nur kurz andeuten, denn meine Aufgabe ist es heute, zu zeigen, wie diese antliroposophische Geisteswis­senschaft – die durchaus nachgebildet sein soll einer sehr exakten Wissenschaft, die aber auch ganz aus dem menschlichen Inneren herausgeholt ist: der Mathematik – tatsächlich erkennend in das geistig-übersinnliche Leben hineinführen kann. Die Mathematik, wir schöpfen sie aus dem Innern, und wenn einer den pythago­reischen Lehrsatz kennt, dann könnten Tausende, Millionen von Menschen kommen und könnten ihn leugnen – er wüßte einfach dadurch, daß er diesen Inhalt im Bewußtsein hat, die Wahrheit des mathematischen Gebietes.

door de toegang tot de bovenzintuiglijke werelden te openen, hoe de mens ook vóór de geboorte, of laten we zeggen voor de conceptie, in de geestelijke wereld verbleef. En dat we het woord ‘ongeborenheid’ niet hebben, betekent dat we dus in deze tijd een echte geesteswetenschap niet erkend hebben. Zodra de mens door weten, niet alleen maar door geloven doordringt tot de bovenzintuigelijke wereld, krijgt hij niet alleen maar een blik op zijn eigen onsterfelijke wezen, maar ook naar het nog niet geboren zijn van zijn wezen.
Dat kan ik alleen maar kort aanstippen, want mijn taak voor vandaag is te laten zien hoe deze antroposofische geesteswetenschap – die beslist net zo exact dient te zijn als een wetenschap, die echter ook helemaal uit het menselijk innerlijk is gehaald: de mathematica – daadwerkelijk kennend kan leiden naar het geestelijk-bovenzintuiglijke leven. Wiskunde komt bij ons van binnenuit en wanneer iemand de stelling van Pythagoras kent, dan kunnen duizenden, miljoenen mensen komen en deze ontkennen – hij weet eenvoudig dat hij deze inhoud in zijn bewustzijn heeft, de waarheid op wiskundige gebied.

Ebenso ist es mit den inneren Erlebnissen des Übersinnlichen, wie sie durch die Geisteswis­senschaft zutage treten. Diese Geisteswissenschaft ist heute schon in vielen Einzelheiten ausgebildet, und sie kann – wie ich einleitend angedeutet habe – befruchtend wirken sowohl auf die einzelnen Wissenschaften wie auch auf das praktische Leben. Ich habe – obwohl diese Geisteswissenschaft im Medizinisch-Thera­peutischen zum Beispiel jetzt schon eifrig forscht – selber im Frühling dieses Jahres in Dornach einen Kursus abgehalten für Ärzte und Medizinstudierende, in dem ich zu zeigen versuchte, wie man zu einer viel rationelleren Therapie, als die heutige es ist,  durch  geisteswissenschaftliche  Betrachtungen  vorrücken kann.
Wir haben auch schon Institutionen des praktischen Lebens be­gründet, wie zum Beispiel das «Futurum» in Dornach, welches eine rein praktische Unternehmung sein soll und eine Assoziation begründen

Net zo gaat het met de innerlijke belevingen van het bovenzintuiglijke, zoals die door de geesteswetenschap aan het licht komen. Deze geesteswetenschap is nu al op vele gebieden ontwikkeld en zij kan – zoals ik inleidend al aangegeven heb – bevruchtend werken op zowel de aparte wetenschappen als op het praktische leven. Ik heb – hoewel deze geesteswetenschap momenteel al intensief onderzoek doet op medisch-therapeutisch gebied – zelf in de lente van dit jaar in Dornach een cursus gehouden voor artsen en geneeskundestudenten waarbij ik probeerde te laten zien, hoe je tot een veel rationelere therapie kan komen dan de huidige door geesteswetenschappelijke gezichtspunten.
We hebben ook al concreet praktisch instellingen gecreëerd, zoals bv. ‘Futurum” in Dornach dat een puur praktische ondernemeing wil zijn en die een associatie moet oprichten

blz. 249

soll, in der verschiedene Industriezweige vereinigt sind, um in rationeller Verwaltung weiter vorwärts zu kommen, als es die Zeit gebracht hat, die uns wirtschaftlich so sehr in eine Kata­strophe hineingeführt hat. Alles, was auch im praktischen Leben steht, bezeugt heute, daß die Menschheit an einer Grenze steht, über die hinausgeschritten werden muß. Nun, ich habe mich heute nicht zu verbreiten über die anderen Gebiete, in denen Geisteswissenschaft durchaus schon ihre Frucht­barkeit beweisen will durch die Lebenspraxis selber, ich habe vor­zugsweise zu sprechen über die Befruchtung, welche das Erzie­hungswesen, die pädagogische Kunst, durch diese Geisteswissen­schaft erfahren kann.
Da darf zunächst darauf aufmerksam gemacht werden, daß das­jenige Wissen, dasjenige Erkennen, welches auf die Art gewonnen wird, wie ich es eben dargestellt habe, nicht ein solches ist, wie es besonders an die Menschheit herangebracht worden ist in den letz­ten drei bis vier Jahrhunderten. Dieses Wissen in den letzten drei bis vier Jahrhunderten ist, trotzdem es auf Experiment und Beob­achtung fußt, im wesentlichen ein solches, das durch den Intellekt ausgebildet wird und auch nur zum Intellekt spricht. Es ist im wesentlichen ein Kopfwissen.

waarin verschillende takken van industrie verenigd zijn om rationeeel toegepast verder vooruit te komen dan de tijd gedaan heeft die ons economisch tot zo’n catastrofe heeft gebracht. Alles wat in de praktijk van het leven staat, laat zien dat de mensheid aan een grens staat die gepasseerd moet worden.
Nu wil ik vandaag niet verder gaan met de andere gebieden waarop geesteswetenschap haar vruchtbaarheid daadwerkelijk al wil bewijzen door de praktijk van het levcn zelf; ik moet in eerste instantie spreken over de bevruchting die op het gebied van de opvoeding, de pedagogische kunst, door deze geesteswetenschap, ten deel valt.
Dan moet er allereerst op gewezen worden dat dat weten, die kennis die op deze manier verkregen wordt zoals ik net uitgelegd heb, niet iets is dat als zodanig de laatste drie tot vier eeuwen onder de mensen is gekomen. Het weten dat de laatste drie, vier eeuwen gekomen is, ondanks dat het stoelt op experiment en waarneming, is in wezen zodanig dat het door het intellect ontwikkeld wordt en ook alleen maar tot het intellect spreekt. In wezen is het een weten met het hoofd. 

Dasjenige Wissen und Erkennen, welches durch anthroposophische Geisteswissenschaft gewonnen wird, es spricht zum ganzen Menschen. Es ergreift nicht nur den Intellekt, sondern es breitet sich aus so, daß dasjenige, was da er­kannt werden kann, zugleich unser Gefühlsleben durchsetzt. Nicht aus dem Gefühle heraus etwa schöpfen wir eine Erkenntnis – das wäre eine
Unklarheit, eine nebulose Mystik. Eine Erkenntnis wird durch Schauung erreicht. Aber was auf diese Weise erreicht wird, das wirkt dann auf das menschliche Gefühlsleben, es regt an das menschliche Willensleben, es bringt den Menschen dazu, bis zum täglichen Leben hinein dieses Wissen, diese Erkenntnis auszubil­den, so daß sie ihn durchdringt wie ein Seelenblut, das aber wieder­um sich mitteilt den Verrichtungen, den Impulsen der Leiblichkeit, den Impulsen des praktischen Lebens. Und so kann man sagen: es wird der ganze Mensch ergriffen.

Het weten en de kennis die door antroposofische geesteswetenschap ontwikkeld wordt, spreekt de hele mens aan. Dat is niet alleen iets voor het intellect, maar het gaat verder, is meer, zodat wat je dan aan kennis hebt, tegelijkertijd ook door het gevoelsleven gaat. We krijgen onze kennis niet vanuit het gevoel – dat zou vaag zijn, een mistige mystiek. Kennis wordt door innerlijk waarnemen bereikt.. Maar wat op deze manier wordt bereikt, werkt wél door op het menselijke gevoelsleven, het stimuleert de menselijke wil, het brengt de mens ertoe tot in het dagelijks leven dit weten, deze kennis te ontwikkelen, zodat hij ermee doordrongen wordt als was het het bloed van de ziel, dat op haar beurt de handelingen, de impulsen van het lichaam, de impulsen van het praktische leven beïnvloedt. En dus kun je zeggen: de hele mens wordt erdoor gegrepen.

blz. 250

Und gerade deshalb ist diese anthroposophische Geisteswissen­schaft, wenn sie den einzelnen durchdringt, eine Grundlage für dasjenige, was gerade der Erzieher, der Unterrichtende als Aufgabe hat gegenüber dem werdenden Menschen. Sie wissen ja, es wird heute immer betont, daß sich dasjenige, was pädagogische Kunst ist, auf Psychologie, auf Seelenkunde begründen müsse. Wenn man aber wiederum sich umsieht in demjenigen, was für die Zeitgenos­sen Seelenkunde ist, so muß man sagen: diese Seelenkunde zeigt gerade durch die vielerlei Beurteilungen und Diskussionen, die da sind, wie sehr alles Phrase ist, wie wenig diese zeitgenössische Wissenschaft, die so große Triumphe in den Forschungen der äußeren Natur errungen hat, eindringen kann in die eigentliche Kenntnis des Menschen. Das ist die Eigentümlichkeit der an­throposophischen Geisteswissenschaft, daß sie sich diese nicht durch äußere experimentelle Psychologie erwirbt – gegen die aber gar nichts gesagt werden soll, denn ihre Resultate werden erst recht fruchtbar, wenn sie auch von anthroposophisch orientierter Geisteswissenschaft befruchtet werden. Was man in der Seelen­kunde durchdringen muß, wenn man Erzieher, Unterrichtender werden will, eignet man sich an, indem man sich von anthroposo­phischer Geisteswissenschaft ergreifen läßt.

En juist daarom is deze antroposofische geesteswetenschap, wanneer deze het individu doordringt, m.n. een basis voor wat de opvoeder, de leerkracht als opdracht heeft ten aanzien van de wordende mens. U weet het, er wordt tegenwoordig de nadruk op gelegd, dat wat pedagogische kunst is, op psychologie, op kennis van de ziel gebaseerd moet worden. Wanneer je echter weer kijkt naar wat voor de tijdgenoten kennis van de ziel is, dan moet je zeggen: deze psychologie laat vooral door de velerlei beoordelingen en discussies die er zijn, zien hoe zeer alles lege woorden zijn, hoe weinig deze wetenschap van nu, die zulke grote successen bij het onderzoeken van de uiterlijke natuur heeft gehad, kan doordringen tot de eigenlijke kennis van de mens. En het bijzondere van de antroposofische geesteswetenschap is dat zij zich deze kennis niet door uiterlijke experimentele psychologie verwerft – waartegen echter geen bezwaar hoeft te worden gemaakt, want de resultaten worden pas echt vruchtbaar, wanneer die ook door de antroposofische geesteswetenschap vruchtbaar gemaakt worden. Wat je je van de psychologie eigen moet maken, wanneer je opvoeder, leraar wil worden, maak je je eigen wanneer je je door de antroposofische geesteswetenschap laat inspireren.

Man lernt erkennen, was eigentlich im Menschen als Leib, Seele und Geist lebt, wenn man an die anthroposophischen Methoden herantritt und durch sie den Menschen innerlich erfaßt.
Ich habe ja dargestellt, wie es ein innerliches Erfassen desjenigen ist, was in unserer Umgebung lebt, was anthroposophische Gei­steswissenschaft mit ihren besonderen Erkenntnismethoden an­strebt. Den Menschen aber, insbesondere wenn man ihn pädago­gisch behandeln will, muß man innerlich durchdringen. Und da handelt es sich darum, daß ja unsere Zeit überhaupt gar nicht eine Brücke schlagen kann zwischen dem Seelisch-Geistigen auf der einen Seite und dem Physisch-Leiblichen auf der anderen Seite. Alle möglichen psychologischen Hypothesen von der Wechselwir­kung von Leib und Seele sind aufgestellt worden bis zum «psycho­physischen Parallelismus», um dieses Rätsel, das vor uns steht in

Je leert kennen wat er eigenlijk aan lichaam, ziel en geest in de mens leeft, wanneer je met de antroposofische methoden begint en daardoor de mens innerlijk begrijpt.
Ik heb geschetst hoe het een innerlijk begrijpen is van wat er in onze omgeving leeft, wat antroposofische geesteswetenschap met haar bijzondere kennismethode nastreeft. Tot de mens echter, vooral die je pedagogisch wil behandelen, moet je innerlijk doordringen.
En dan gaat het erom dat onze tijd echt helemaal geen brug kan slaan tussen ziel en geest aan de ene kant en het levend-lichamelijke aan de andere. Er zijn alle mogelijke psychologische hypothesen over de wisselwerking lichaam en ziel opgesteld tot aan het ‘psycho-fysisch parallellisme’ aan toe om dit raadsel dat voor ons staat in

blz. 251

dem Verhältnis zwischen Leib und Seele oder dem Geistig-Seeli­schen und dem Leiblich-Physischen, um dieses Rätsel dem Men­schen so nahe zu bringen, wie er es haben muß, wenn er Erzieher, Unterrichtender werden will. Aber unsere Psychologie – weil sie gerade nicht mit geisteswissenschaftlichen Methoden forscht – ist eben durchaus nicht so weit, daß sie irgendeine Grundlage für wirkliche Pädagogik, für wirkliche pädagogische Kunst abgeben könnte. Und ich muß da auf etwas hinweisen, was ich in meinem Buche «Von Seelenrätseln» zunächst nur andeutungsweise darge­stellt habe, was bei mir selbst aber das Ergebnis einer dreißigjähri­gen Forschung ist. Ich würde es mir nicht früher auszusprechen erlaubt haben, was ich nun zu sagen habe und was ich dort in jenem Buche angedeutet habe nach dreißigjähriger Forschung. Es ist das, daß man ja heute gewöhnlich glaubt, seelisches Leben wer­de lediglich nur durch das Nervensystem vermittelt. Das Nerven­system, das betrachtet man als die alleinige physische Grundlage des menschlichen Seelenlebens. So ist es nicht! Es läßt sich bis in die Einzelheiten hinein – und ich habe auch solche Einzelheiten in meinem Buche «Von Seelenrätseln» angedeutet –

de realtie tussen lichaam en ziel of geest en ziel en het levend-lichamelijke, om dit raadsel zo dicht bij de mens te brengen als hij hebben moet, wanneer hij opvoeder, leraar wil worden. Maar onze psychologie – omdat deze juist niet met geesteswetenschappelijke methoden onderzoek doet – is gewoon niet zover dat ze een of andere basis voor echte pedagogie, voor echte pedagogische kunst zou kunnen leveren. En nu moet ik op iets wijzen wat ik in mijn boek ‘Von Seelenrätseln’ eigenlijk alleen maar aangestipt hebt, wat voor mijzelf echter het resultaat is van dertig jaar onderzoek. Ik zou het niet eerder hebben durven uitspreken, wat ik nu heb te zeggen en wat ik in dat boek aangeduid heb na dertig jaar onderzoek.
Dat is, dat men tegenwoordig gelooft dat het zielenleven alleen maar via het zenuwsysteem verloopt. Het zenwussysteem ziet men als de uitsluitende fysieke basis voor het zielenleven van de mens. Zo is het niet! Het is tot in de details – en ik heb ook zulke details in mijn boek ‘von Seelenrätslen’ aangegeven –

zeigen, daß nur dasjenige, was wir das Vorstellungsleben nennen, zu seiner physi­schen Grundlage das Nerven-Sinnessystem hat und daß das eigent­liche Organ des Gefühlslebens im Menschen nicht das Nerven­Sinnessystem ist, sondern unmittelbar das rhythmische System, das Atmungs-, das Blutzirkulationssystem. Geradeso, wie das Nerven­system dem Vorstellungsleben zugrunde liegt, so liegt zugrunde das rhythmische System dem Gefühlsleben des Menschen, und dem Willensleben liegt zugrunde das Stoffwechselsystem.
Diese drei Systeme sind aber alles, was der Mensch an innerli­chen Prozessen durchlebt. Der Mensch ist ein dreigliedriges We­sen. Nur darf man sich nicht vorstellen, daß diese drei Glieder der menschlichen Wesenheit – Nerven-Sinnessystem, rhythmisches System, Stoffwechselsystem – nebeneinander liegen. Nein, sie liegen ineinander, und man muß sie auf geistig-seelische Art von­einander trennen, wenn man überhaupt das Wesen des Menschen durchschauen will; denn selbstverständlich müssen die Nerven

aan te geven dat alleen wat wij het voorstellingsleven noemen, als zijn basis het zenuw-zintuigsysteem heeft en dat het eigenlijke orgaan voor het gevoelsleven in de mens niet het zenuw-zintuigsysteem is, maar door niets anders dan het ritmische systeem, het ademhalings- en bloedcirculatiesysteem. Net zo als aan het voorstellingsleven het zenuwsysteem ten grondslag ligt, ligt aan het gevoelsleven van de mens het ritmische systeem ten grondslag en aan het wilssysteem heeft de stofwisseling als basis.
Deze drie systemen zijn echter alles wat de mens aan innerlijke processen doorleeft. De mens is een drieledig wezen. Maar je mag je niet voorstellen dat deze drie delen van het mensenwezen – zenuw-zintuigsysteem, ritmisch systeem, stofwisselingssysteem – naast elkaar bestaan. Nee, ze doordringen elkaar en je moet ze voor het gevoel, mentaal los van elkaar zien, wil je het wezen van de mens leren kennen; want vanzelfspreken moeten de zenuwen

blz. 252

auch ernährt werden. Das Stoffwechselsystem spielt also auch in das Nervensystem hinein, spielt auch in die Organe des rhythmi­schen Systems hinein; aber die Organe des rhythmischen Systems dienen nur dem Willen, insoferne der Stoffwechsel in sie hinein spielt; dagegen insoferne sie eigentliche rhythmische Bewegungen repräsentieren, dienen sie dem Gefühlsleben. Und wiederum, wenn unser rhythmisches Wesen anstößt, wenn unser Atmungsrhythmus zum Beispiel auf dem Umwege durch das Gehirnwasser anstößt an unser Nervensystem, so entsteht die Wechselwirkung zwischen dem Gefühls- und Vorstellungsleben. Kurz, der Mensch ist ein komplizierteres Wesen, als man gewöhnlich glaubt. Auch dasjeni­ge, was man physisch vom Menschen als die richtige Anschauung zuletzt haben kann, läßt sich nicht erringen mit den heutigen naturwissenschaftlichen Methoden, sondern nur durch innerliches Anschauen, durch Zusammenwachsen mit dem Menschen selber in einer solchen Erkenntnis, wie ich sie dargestellt habe.

ook gevoed worden. Het stofwisselingssysteem bereikt dus ook het zenwuwsyteem, ook de organen van het ritmische syteem; maar de organen van het ritmische systeem zijn alleen dienstbaar aan de wil in zoverre de stofwisseling hen bereikt; inzoverre ze daarentegen het eigenlijke ritmische systeem representeren, zijn ze dienstbaar aan het gevoelsleven. En ook, wanneer het ritmische wezen, bv. via de omweg door het hersenwater ons zenuwsysteem bereikt dan ontstaat de wisselwerking tussen het gevoels- en voorstellingsleven. Kortom, de mens is een gecompliceerder wezen dan men gewoonlijk gelooft. Ook wat je uiteindelijk fysiek van de mens als de juiste opvatting kan hebben, bereik je niet met de huidige natuurwetenschappelijke methoden, maar alleen door innerlijk schouwen, door vertrouwd te raken met de mens zelf, met die kennis die ik geschetst heb.

Wenn man in dieser Weise mit dem Wesen des Menschen zu sammenwächst, wenn man das Seelische hineinwirken sieht in das Physisch-Leibliche, dann stellt sich auch der heranwachsende Mensch in einem neuen Lichte dar. Es ist ja zunächst für einen Menschen, der nicht bloß mit dem nüchtern-trockenen Verstande erfaßt, sondern der die Welt fühlend erkennen kann, das heranwachsende Kind ein wunderbares Rätsel, wie es von Tag zu Tag, von Woche zu Woche, von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr im Äußeren immer mehr ein Innerliches offenbart. Dasjenige, was wir nicht betrachten können bloß mit dem abstrakten Erkenntnis­vermögen, was wir nur betrachten können, wenn wir selbst inner­lich untertauchen können in dasjenige, was da auf dem Antlitz sich offenbart, was sich offenbart in den Bewegungen, was sich offen­bart in der Entwicklung der Sprache und so weiter, das läßt sich nur mit einer innerlich die Außenwelt durchdringenden Erkenntnis wirklich erfassen.
Und eine solche Erkenntnis dringt an uns heran, nicht indem sie nur unseren Verstand erfaßt – mit diesem Verstand wollen wir dann auch wieder äußerlich die Hantierungen erkennen, die wir

Wanneer je op deze manier vertrouwd raakt met het wezen van de mens, wanneer je ziet hoe de psyche invloed uitoefent op het fysiek-levende, dan komt ook de opgroeiende mens in een ander daglicht voor je te staan. Allereerst is voor een mens die niet alleen maar met het nuchtere, droge verstand begrijpt, maar die de wereld invoelend kan kennen, het opgroeiende kind een wonderbaarlijk raadsel, hoe het dag na dag, van week na week, maand na maand, jaar na jaar naar buiten toe steeds meer zijn innerlijk tot uitdrukking brengt. Wat we niet alleen maar kunnen zien met een abstract kennisvermogen, wat we alleen maar kunnen zien wanneer we zelf innerlijk kunnen ingaan op zich wat in een gezicht vertoont, wat tot uiting komt in de bewegingen, in de ontwikkeling van het spreken enz., dat kan je alleen maar begrijpen met kennis die werkelijk innerlijk weet door te dringen in het uiterlijke.
En zo’n kennis laat ons niet los, niet als ze alleen ons verstand aanspreekt – met dit verstand willen we dan ook weer uiterlijk de wegen weten die wij

blz. 253

anwenden sollen, um das Kind zu erziehen, zu unterrichten -, nein, anthroposophische Geisteswissenschaft erfaßt den ganzen Men­schen. Und indem sie für den ganzen Menschen das werdende Kind offenbar werden läßt in seinem Zusammenwirken von Leib, Seele und Geist, durchdringt – ich möchte sagen in einer so selbst­verständlichen Weise wie das vom Atem belebte Blut den Leib des Menschen – die anthroposophische Erkenntnis unser Gemütsver­ mögen, unseren Willen. Wir stehen nicht nur mit dem Verstande, wir stehen mit dem Gemüte innerlich verbunden mit dem Kinde da. Wir stehen da mit unserem Willen, indem wir unmittelbar wis­sen: wenn wir erkennen, wie das Kind sich entwickelt, wissen wir, was wir zu tun haben in diesem oder jenem Jahre der kindlichen Entwicklung. Gerade so, wie die Luft unser Blut in entsprechende Bewegung geraten läßt, gerade so, wie der Organismus durch das­jenige, was die Außenwelt in ihm erkraftet, in seine Funktionen hineinkommt, wie er ergriffen wird von dem, was die Außenwelt an ihm vollbringt, so wird unser Seelisch-Geistiges ergriffen durch eine solche lebendige Erkenntnis, wie wir sie bekommen durch anthroposophische Geisteswissenschaft. Und dann, dann offenbart sich uns dasjenige, was im mögen, unseren Willen. Wir stehen nicht nur mit dem Verstande, wir stehen mit dem Gemüte innerlich verbunden mit dem Kinde da. Wir stehen da mit unserem Willen, indem wir unmittelbar wis­sen: wenn wir erkennen, wie das Kind sich entwickelt, wissen wir, was wir zu tun haben in diesem oder jenem Jahre der kindlichen Entwicklung. Gerade so, wie die Luft unser Blut in entsprechende Bewegung geraten läßt, gerade so, wie der Organismus durch das­jenige, was die Außenwelt in ihm erkraftet, in seine Funktionen hineinkommt, wie er ergriffen wird von dem, was die Außenwelt an ihm vollbringt, so wird unser Seelisch-Geistiges ergriffen durch eine solche lebendige Erkenntnis, wie wir sie bekommen durch anthroposophische Geisteswissenschaft. Und dann, dann offenbart sich uns dasjenige, was im Menschen heran sich entwickelt als seine Individualität, und wir lernen auf eine innerliche Weise diese Indi­vidualität erziehend und unterrichtend behandeln.

moeten bewandelen om het kind op te voeden, te onderwijzen – nee, antroposofische geesteswetenschap geeft een omvattend beeld van de mens. En als die, met het oog op de hele mens, bij het wordende kind zich laat zien hoe  lichaam, ziel en geest samenwerken, doordringt deze antroposofische kennis onze ziel als gevoelsvermogen, onze wil op net zo vanzelfsprekend als het door de adem gestimuleerde bloed het lichaam van de mens dordringt. We zijn dan niet alleen maar met het verstand met het kind verbonden, maar innerlijk met het gevoel. We staan daar met onze wil, wanneer we zonder omhaal weten: wanneer we kennis hebben van hoe het kind zich ontwikkelt, weten we, wat we moeten doen in dit of dat jaar van de ontwikkeling van het kind. Net zoals de lucht ons bloed in de adequate beweging brengt, net zoals het organisme gaat functioneren door de kracht die de buitenwereld hem geeft, door hoe hij gepakt wordt door wat de omgeving met hem doet, net zo wordt onze ziel en geest gegrepen door een dergelijke levende kennis zoals we die krijgen door antroposofische geesteswetenschap. En dan wordt het ons duidelijk gemaakt wat in de mens tot ontwikkeling komtt als zijn individualiteit en wij leren op een innerlijke manier met deze individualiteit opvoedend en lerend om te gaan.

Erwarten Sie nicht von anthroposophischer Geisteswissenschaft, daß sie etwa neue Erziehungsgrundsätze aufstellt. Erziehungs­grundsätze, schöne – ich meine das in vollem Ernste -, tief eindrin­gende pädagogische Regeln: die großen Pädagogen haben sie gefun­den, und gegen die Genialität der großen Pädagogen des 18. und 19. Jahrhunderts wird am wenigsten Geisteswissenschaft etwas ein­wenden. Aber es liegt da etwas vor, auf das ganz besonders deutlich hingewiesen werden muß.
Sehen Sie, man sagt ja heute und hat es schon vor Jahrzehnten gesagt: es dürfe die Erziehung nicht so verlaufen, daß man nur immer an das Kind etwas heranbringe; man müsse dasjenige, was im Kinde ist, seine innerliche Individualität, entwickeln. Man müs­se alles aus dem Kinde herausholen. In einer abstrakten Form muß

U moet van de antroposofische geesteswetenschap niet verwachten, dat die nieuwe grondbeginselen voor de opvoeding geeft. Opvoedingsuitgangspunten, mooie – ik bedoel dit heel serieus – diep doordringende pedagogische regels: de grote pedagogen hebben ze gevonden en tegen de genialiteit van de grote pedagogen van de 18e en 19e eeuw zal de geesteswetenschap heel weinig inbrengen.
Maar er is hier iets aan de hand waarop heel duidelijhk gewezen moet worden.
Men zegt tegenwoordig en dat doet men al tientallen jaren: de opvoeding mag niet zo verlopen, dat men altijd alleen maar iets aan het kind leert; men zou wat er in het kind leeft, zijn innerlijke individualiteit moeten ontwikkelen. Men zou alles uit het kind moeten halen. In een abstracte vorm moet

blz. 254

auch Geisteswissenschaft so sagen. Allein, gerade deshalb wird Geisteswissenschaft mißverstanden. Wenn ich mich verständlich machen will, so möchte ich an etwas erinnern, was ich zum Ver­gleich heranziehe. Es war im Jahre 1858, da wurde der Sozialist Proudhon angeklagt, daß er die Gesellschaft in Unordnung bringe, und nachdem ihm die Richter Verschiedenes vorgehalten haben, da sagte er, es sei durchaus nicht sein Ziel, die menschliche Gesell­schaft in Unordnung zu bringen, sondern gerade die menschliche Gesellschaft besseren Zuständen entgegenzuführen. Darauf sagten die Richter: Ja, das wollen wir ja alle, wir wollen dann ganz genau dasselbe wie Sie. – So sagt Geisteswissenschaft: Wir wollen die menschliche Individualität entwickeln. So wird auch in einer gewis­sen abstrakten Form seit langem gesagt, es solle die menschliche Individualität entwickelt werden. Aber dasjenige, um was es sich da handelt, ist nicht, daß man in abstrakten Formen einen solchen Grundsatz ausspricht; dasjenige, um was es sich handelt, ist, daß man wirklich im lebendigen Anschauen diese menschliche Indi­vidualität sich entwickeln sieht, daß man wirklich den Menschen innerlich erfassen kann.

ook de geesteswetenschap zo spreken. Maar juist daardoor wordt de geesteswetenschap verkeerd begrepen. Wanneer ik mij begrijpelijk wil maken, zou ik graag aan iets herinneren, wat ik als vergelijking naar voren breng. Het was in het jaar 1858, toen de socialist Proudhon aangeklaagd werd, hij zou de maatschappij verstoren en nadat de rechters hem verschillende dingen hadden voorgelegd, zei hij dat het helemaal zijn bedoeling niet was om de maatschappij in disorde te brengen, maar juist om de menselijke maatschappij iets beters te geven. Daarop zeiden de rechters: Ja, dat willen we allemaal, dan willen we dus precies hetzelfde als u. Geesteswetenschap zegt dus: wij willen de menselijke individualiteit ontwikkelen. En zo wordt er in een abstracte vorm al lang gezegd dat de menselijke invididualiteit ontwikkeld moet worden.
Maar waar het nu om gaat, is niet dat je in abstracte vormen een dergelijk basisprincipe uitspreekt; waar het om gaat, is dat je daadwerkelijk in het levendig waarnemen deze menselijke individualiteit zich ziet ontwikkelen, dat je werkelijk de mens innerlijk begrijpen kan.

Und nun möchte ich einmal anschaulich machen, wie sich der werdende Mensch darstellt für dasjenige, was Geisteswissenschaft an ihm finden kann. Da haben wir zunächst deutlich abgrenzbare Lebensabschnitte im Menschen. Wir haben zunächst einen Lebens­abschnitt, der geht von der Geburt bis ungefähr zum Zahnwechsel, bis um das siebente Jahr. Dann vollzieht sich beim Menschen -wenn man nur richtig beobachten kann, so offenbart sich einem das ganz intensiv – leiblich, seelisch und geistig ein Umschwung. Dann geht wieder die Entwicklung weiter ungefähr bis zur Geschlechtsreife, wo ein neuer Umschwung sich vollzieht. Innerhalb dieser einzelnen Lebensabschnitte sind wiederum kleinere Abschnitte. Ich möchte sagen: in jedem dieser Abschnitte können wir wiederum drei kleinere Abschnitte unterscheiden, die man nur richtig bekom­men kann durch eine Beobachtung, die in das innere Wesen des Menschen eindringt. Darum handelt es sich. Denn dasjenige, was wir wissen wollen über den Menschen, ist zu gleicher Zeit Willensantrieb

En nu zou ik graag duidelijk maken hoe de wordende mens er voor de geesteswetenschap uitziet, wat deze aan hem aflezen kan. Dan vinden we allereerst duidelijk begrensde levensfasen in de mens.
Allereerst hebben we een leeftijdsfase die vanaf de geboorte tot ongeveer aan de tandenwisseling loopt, tot rond het zevende jaar. Dan voltrekt zich bij de mens – wanneer je maar goed kan waarnemen, dan wordt het voor iemand duidelijk zichtbaar, heel intens – een lichamelijke verandering, maar ook een van de ziel en de geest. Dan gaat de ontwikkeling weer verder, ongeveer tot de puberteit, waar zich weer een omslag voltrekt. Binnen deze aparte levensfasen zitten weer kleinere fasen. Ik zou willen zeggen: in ieder van deze fasen kunnen we weer drie kleinere onderscheiden die je alleen maar goed ziet door een waarneming die doordringt tot het innerlijk van de mens. Daar gaat het om. Want wat we willen weten over de mens, is tegelijkertijd een wilsimpuls

blz. 255

für das Pädagogische, indem das Pädagogische Kunst werden soll.
Da handelt es sich zunächst darum, daß der erste Lebensabschnitt bis zum siebenten Jahre hin uns vor allen Dingen zeigt, wie der Mensch als geistig-seelisch-leibliches Wesen ganz und gar darauf hintendiert, ein nachahmendes Wesen zu sein. Wenn man den Men­schen in diesem Lebensabschnitt so durchdringt, daß man sieht, wie stark er dazu veranlagtist, sich ganz und gar hinzugeben an die Umgebung, in sich dasjenige zu vollziehen, dasjenige zur Darstel­lung zu bringen, was in seiner Umgebung für ihn anschaulich wird, dann versteht man den Menschen. Aber man muß das im Konkreten wirklich beobachten können. Man muß dann sehen, wie etwa in den ersten zweieinviertel Lebensjahren – das sind natürlich alles approxi­mative Zahlen – das, was im Menschen auftritt, sich noch gar nichtals wirkliche Nachahmung zeigt, wie da innerlich organisierende Kräfte walten, welche aber dann, indem der Mensch im dritten Le­bensjahr vorschreitet, sich so zeigen, daß der Mensch mit diesen Kräften aufmerksamer wird auf seine Mitmenschheit, daß er ge­wissermaßen diese Kräfte hinlenkt zu dem, was von seinen Mit­menschen ausgeht. 

voor het pedagogische, als het pedagogische kunst moet worden.
Dan gaat het er in de eerste plaats om dat de eerste levensfase tot het zevende jaar ons vooral laat zien, hoe de mens als geest-ziel-en lichaamwezen er helemaal op gericht is, een nabootsend wezen te zijn. Wanneer je de mens in deze levensfase zo dicht benadert dat je ziet hoe sterk zijn aanleg is zich helemaal over te geven aan de omgeving, datgene in zichzelf te voltrekken, datgene tot iets concreets te maken, wat voor hem in zijn omgeving waargenomen kan worden, dan begrijp je de mens. Maar dat moet je in concrete gevallen kunnen waarnemen. Dan moet je zien hoe in de eerste tweeëneenkwart jaar – dat alles bij benadering – dat wat er in de mens gebeurt, zich nog helemaal niet als echte nabootsing laat zien, hoe er inwendig bouwende krachten werkzaam zijn, die dan echter, als de mens dan drie wordt, zich zo laten zien dat de mens met deze krachten meer gaat letten op z’n medemensen, dat hij in zekere zin die kracht richt op wat van de medemens uitgaat.

Und dann ungefähr um das fünfte Jahr herum beginnt die Zeit, in welcher der Mensch ein eigentlich nachahmendes Wesen wird. Und da muß man nun in der richtigen intimen Weise beobachten können, wie das Verhältnis von Mensch zu Mensch, also auch zwischen Erzieher und Kind ist. Da muß man wissen, daß das tiefgehend ist für die ganze menschliche Entwicklung, daß dieser Lebensabschnitt zur Nachahmung hintendiert. Da kommt an denjenigen, der mit solchen Dingen, ich möchte sagen berufsmäßig zu schaffen hat, manches heran, was zum Bei­spiel eine Mutter oder ein Vater klagt. Sie kommen und sagen: mein Kind hat gestohlen! – Nun, man frägt: Ja, was hat denn das Kind eigentlich getan? – Es hat die Schublade aufgemacht im Schrank, hat Geld herausgenommen, hat dieses Geld – ich erzähle einen konkreten Fall – gar nicht dazu verwendet, bloß es selbst zu verna­schen, sondern hat sogar dasjenige, was es gekauft hat, unter seine Mitschüler verteilt! – Man muß dann sagen: Ja, meine liebe Frau,

En dan begint ongeveer rond het vijfde jaar de tijd waarin de mens eigenlijk pas een nabootsend wezen wordt. En dan moet je wel op de juiste fijnzinnige manier kunnen waarnemen, hoe de verhouding van mens tot mens, dus ook tussen opvoeder en kind is. Dan moet je weten dat het iets is wat diep gaat voor de hele menselijke ontwikkeling, dat deze levensfase zich richt op nabootsing. Dan krijg je als je met dergelijke dingen beroepsmatig te maken hebt, soms iets bv. dat een moeder of vader klaagt. Ze komen en zeggen: mijn kind heeft gestolen! – Wel, dan vraag je: Maar wat heeft het dan uiteindelijk gedaan?’ Het heeft de la van de kast opengedaan, er geld uit gepakt, en dit geld – ik vertel een concreet geval – helemaal niet gebruikt om het zelf te versnoepen, maar het heeft, wat het gekocht heeft zelfs onder zijn schoolvriendjes verdeeld! Dan moet je zeggen: Ja, beste mevrouw, 

Blz. 256

das ist in diesem Lebensalter noch gar nicht als ein Diebstahl zu bezeichnen, denn das Kind hat anschaulich gesehen, wie Sie selbst an jedem Tag zum Schrank gehen, die Schublade aufmachen; das Kind hat auch nichts anderes unternommen, als daß es das versuch­te, selber zu vollziehen. Es macht das nach. Man kann in den ersten sieben Jahren gar nicht anders an das Kind herankommen, als wenn man ihm vorlebt und das Kind intim nachahmen läßt dasjenige, was durch Erziehung an das Kind herangebracht werden soll. Daher  ist es für die ersten sieben Lebensjahre von einer so großen Wichtigkeit, daß man, weil, ich möchte sagen Imponderabilien von dem Erzieher, von den Eltern zu dem Kinde herüberspielen, nicht nur in den äußeren Handlungen vorbildlich ist, so daß alles nach­geahmt werden kann, sondern daß man bis in die Gedanken und Empfindungen hinein nur solches denkt, nur solches fühlt, was das Kind nachdenken, nachfühlen kann. Es ist keine Grenze zwischen dem, der ein Kind in seiner Umgebung hat, und diesem Kinde. Durch geheimnisvolle Kräfte geht auch unser innerstes Denken auf das Kind über. Wer ein sittlicher Mensch ist, wer ein wahrhaftiger Mensch ist, der macht andere Bewegungen, hat andere Mienen, geht a nders als ein Mensch, der lügenhaft ist.

dat moet je op deze leeftijd nog helemaal niet als diefstal beschouwen, want het kind heeft waarnemend gezien, hoe u zelf iedere dag naar de kast loopt, de la opentrekt; het kind heeft ook niets anders ondernomen dan dat het probeerde het ook te doen. Het doet het na. Je kan in de eerste zeven jaar bij het kind helemaal niet met wat anders aankomen dan dat je het voorleeft en het kind fijnzinnig laat nabootsen wat het door opvoeding aangereikt moet worden. Vandaar dat het voor de eerste zeven levensjaren zo erg belangrijk is dat je, omdat er vanuit de opvoeder, vanuit de ouders naar het kind geheimzinnige banden lopen, niet alleen maar een voorbeeld te zien geeft bij de uiterlijke handelingen, zodat alles nagebootst kan worden, maar dat je tot in je gedachten en gevoelens aan toe alleen maar dat denkt en dat voelt wat het kind kan nadenken, navoelen. Er bestaat geen grens tussen iemand die bij een kind in zijn omgeving is en het kind zelf. Door geheimzinnige krachten gaat ook ons meest intieme denken over naar het kind. Wie een ethisch mens is, wie een waarachtig mens is, beweegt anders, heeft andere gezichtstrekken, anders dan een leugenachtig mens.

Das ist etwas in der äußeren Anschauung, was sich uns im späteren Lebensalter ganz verwischt – für das Kind ist das da. Das Kind sieht nicht etwa bloß durch seine Vorstellungen die Sittlichkeit desjenigen, der um es herum ist, sondern das Kind sieht an den Bewegungen, nicht mit einem intellektualistischen Wissen, sondern durch ein tief im In­nersten ruhendes unterbewußtes Wissen – wenn ich das paradoxe Wort gebrauchen darf -, aus geheimnisvollen Andeutungen in dem, wie sich der Mensch äußert, dasjenige, was es nachahmen soll. Es gibt nicht nur in der Natur Imponderabilien, es gibt durchaus im menschlichen Leben Imponderabilien.
Dann, wenn das Kind über das Nachahmezeitalter hinausge­kommen ist, tritt dasjenige ein, was das Kind ja in die Schule bringt und wo man insbesondere darauf sehen muß, daß das Unterrichten, das Erziehen wirklich den werdenden Menschen in bezug auf seine Individualität dem Menschenwesen und der Menschenwürde ent­sprechend

Dat is iets in het uiterlijk waarnemen, dat we later totaal vergeten zijn – voor het kind blijft het. Het kind ziet niet alleen door zijn voorstellingen de ethische houding van degene om hem heen, maar het kind ziet aan de bewegingen, niet met een intellectualistisch weten, maar door een diep in zijn innerlijk rustend onderbewust weten – wanneer ik dat paradoxale woord mag gebruiken – aan de verborgen signalen van hoe de mens zich uit, wat het moet nabootsen. Er zitten niet alleen in de natuur imponderabele dingen, maar vooral in het leven van de mens.
Dan, wanneer het kind de tijd van het nabootsen verlaten heeft, komt er iets waardoor het kind naar school kan gaan en waar je dan in het bijzonder naar moet kijken, is dat het lesgeven, het opvoeden de wordende mens verderbrengt, wat zijn individualiteit betreft, in overeenstemming met het mensenwezen en met de menselijke waardigheid, 

blz. 257

weiterbringt. Wir haben in dieser Beziehung schon einen praktischen Versuch gemacht. Die Waldorfschule besteht seit mehr als einem Jahr in Stuttgart, und da wird ganz nach den Grundsät­zen unterrichtet, die aus dieser anthroposophischen Weltanschau­ung und Wissenschaftsart hervorgehen.
Die Waldorfschule in Stuttgart ist keine Weltanschauungsschule. Wir haben nicht ein Interesse daran, etwa Anthroposophie theore­tisch wie eine Religion an die Kinder heranzubringen. 0 nein, das ist nicht dasjenige, was wir als die Hauptsache betrachten. Wir lassen, weil das in der Gegenwart auch gar nicht anders sein kann, durchaus den Eltern und den Kindern selbst ihre Freiheit. Diejeni­gen, die im evangelischen Bekenntnis unterrichtet werden wollen, werden vom evangelischen Pfarrer unterrichtet, diejenigen, die im katholischen Bekenntnis unterrichtet werden wollen, vom katholi­schen Pfarrer; denjenigen, die einen freien Religionsunterricht im Sinne ihrer Eltern oder durch ihren eigenen Willen haben wollen, geben wir einen solchen. Wir können nichts dafür, daß die Anzahl der letzteren – aber nicht durch unsern Willen, sondern in Gemäß­heit der heutigen Zeitumstände – eine überwiegend große ist gerade in der Waldorfschule. Wir haben aber nicht ein Interesse, die Waldorfschule zu einer unmittelbaren Weltanschauungsschule zu machen, sondern wir wollen dasjenige, was die anthroposophische Erkenntnis gibt, eben in die pädagogische Kunst, in die Handha­bung dieser pädagogischen Kunst hineinfließen lassen.

Wat dit betreft zijn we in de praktijk al met iets bezig. In Stuttgart bestaat de vrijeschool al meer dan een jaar en daar wordt helemaal volgens de basisprincipes lesgegeven die het gevolg zijn van deze antroposofische wereldbeschouwing en vorm van wetenschap.
De vrijeschool in Stuttgart is geen wereldbeschouwelijke school. We zijn er niet in geïnteresseerd, zoiets als antroposofie theoretisch als een godsdienst aan de kinderen aan te bieden. O nee, dit is niet hetgeen wij als hoofdzaak zien. Wij laten, omdat dit in de huidige tijd ook helemaal niet anders kan, absoluut de ouders en de kinderen zelf vrij. Wij zijn er echter niet in geïnteresseerd om de vrijeschool in directe zin tot een wereldbeschouwelijke school te maken, maar wij willen datgene wat de antroposofische kennis oplevert, nu juist in de pedagogische kunst, in het uitoefenen van deze pedagogische kunst laten instromen. Hoe men het met het kind aanpakt, niet wat men het kind aanbiedt, is waar het bij ons om gaat. Degenen die onderwezen willen worden in het evangelische geloof, worden door de evangelische dominee onderwezen, degene die in het katholieke geloof onderwezen wil worden, door de katholieke priester; aan degenen die een vrij godsdienstonderwijs willen als ouders of door wat de leerlingen zelf willen hebben, geven wij dat. We kunnen er niets aan doen dat het aantal van de laatste groep – niet omdat wij dat willen, maar dat brengt de huidge tijd mee – tamelijk groot is , juist op de vrijeschool. We zijn er niet in geïnteresseerd de vrijeschool recht toe, recht aan tot een wereldbeschouwelijke school te maken, maar we willen wat de antroposofische kennis geeft, in de pedagogische kunst, in het uitoefenen van deze pedagogische kunst in laten stromen.

Wie man es macht mit dem Kinde, nicht was man an das Kind heranbringt, das ist es, um was es sich bei uns handelt.
Und so sieht man, daß, indem das Kind über den Zahnwechsel herüberkommt und ein bedeutsamer Lebenspunkt überschritten ist, da ja noch das Nachahmungsvermögen weiter wirkt ins sieben­te, achte Lebensjahr hinein.Ungefähr bis über das achte Lebensjahr hinaus wirkt das Nachahmungsvermögen weiter. Es ist namentlich in dieser Zeit dasjenige im Kinde besonders stark, was ein Willenselement in dem Menschen ist.
Man sollte in dieser Zeit, in der das Kind die Schule betritt, durchaus nicht auf das Intellektuelle sehen, sondern man sollte da

Het gaat er bij ons om hoe je het kind iets aanleert, niet om wat je het kind aanleert.
En dan zie je, wanneer het kind z’n tanden heeft gewisseld, en een belangrijk ogenblik in zijn leven achter zich heeft, dat het vermogen om na te bootsen nog tot in het zevende, achtste jaar doorwerkt. Nog tot voorbij het achtste jaar. In deze tijd namelijk zit er bijzonder sterk een wilselement in het kind. Je moet in de tijd dat het kind naar school gaat absoluut niet de nadruk leggen op het intellectuele, maar je moet

blz. 258

gerade den ganzen Menschen in Anspruch nehmen. Ich möchte das gleich in bezug auf etwas Konkretes ausführen. In der Waldorf­schule beachten wir das. Wir beginnen nicht etwa damit, daß wir dem Kinde das Schreiben so beibringen, daß wir es die Buchstaben lehren. Diese heutigen Buchstaben, die sprechen eigentlich nur zum Intellekt. Das sind konventionelle Zeichen schon geworden. Da muß einseitig der Kopf angestrengt werden. Wir lehren daher schreiben, indem wir ausgehen vom Zeichnen oder gar vom Malen von anschaubaren Formen. Wir bringen zunächst etwas, was ein künstlerisches Element ist, an das Kind heran und entwickeln dann aus dem Künstlerischen heraus, aus dem Zeichnen, aus dem Malen, die Formen der Buchstaben. Es ist ja nicht so wichtig, daß man etwa zurückgeht auf das Studium wilder Völker und Urvölker, die ja auch in ähnlicher Weise die Schrift ausgebildet haben, sondern man kann da durchaus die einzelnen Buchstaben auf dasjenige, was man selber aus ihnen machen kann in malerischer, in zeichnerischer Beziehung, zurückführen. Aber das Wesentliche ist, daß man methodisch ausgeht von demjenigen, was den ganzen Menschen ergreift, worüber nicht bloß nachgedacht werden soll, sondern wo der Wille zum Ausdruck kommt. In dem, was das Kind malerisch vollbringt, da lebt der ganze Mensch, da wird der ganze Mensch gewissermaßen eins mit dem, was das Kind schaffen kann. Dann kann man auf der einen Seite auch dasjenige, was den Kopf inter­essieren soll, aus dem entwickeln, was den ganzen Menschen in Anspruch nimmt.

juist de hele mens aanspreken. Dit wil ik meteen met iets concreets laten zien. Op de vrijeschool houden we daar rekening mee. Wanneer we het kind het schrijven aanleren, beginnen we niet met zoiets als het aanleren van letters. De letters zoals we die nu hebben, spreken eigenlijk alleen het intellect aan. Het zijn al conventionele tekens geworden. Daarbij moet eenzijdig nagedacht worden. Vandaar dat wij het schrijven aanleren door uit te gaan van het tekenen of zelfs van het schilderen van aanschouwelijke vormen. We geven het kind vanaf het begin iets kunstzinnigs en dan ontwikkelen we vanuit dit kunstzinnige, uit het tekenen of schilderen de vormen van de letters. Het is niet zo belangrijk dat je een studie over primitieve volken of oervolken hoeft te beginnen die op dezelfde manier het schrift ontwikkeld hebben; je kan de afzonderlijke letters terugvoeren op iets wat je schilderend, tekenend zelf van hen maken kan. Het wezenlijke is dat je als methode uitgaat van wat de hele mens aanspreekt; niet iets waarover alleen nagedacht hoeft te worden, maar waarbij de wil aangesproken wordt. In wat het kind schilderend doet, leeft de hele mens, daar valt heel de mens samen met wat het kind kan creëren. En voor wat de hele mens aanspreekt, kun je iets ontwikkelen waarvoor het hoofd ook enerzijds wel interesse moet hebben.

So gehen wir aus von demjenigen, was zunächst auf die Willensnatur des Kindes wirkt. Und auch, was intellektualistisch im Schreibunterricht sich äußert, entwickeln wir erst aus dem Willen heraus. Es wirkt dann ganz besonders das Gemüt mit. Das Kind fühlt etwas, indem es erst die Form entwickelt, und dann die For­men übergehen läßt in die bestehenden Zeichen. Dann erst entwik­keln wir aus dem, was das Schreiben geworden ist, wieder mehr das Lesen. So daß wir, wie gesagt, an den ganzen Menschen appellieren, nicht bloß an den Kopf. Und es zeigt sich, wenn wir so etwas durchführen, was das für einen Unterschied macht, ob man einfach

Dus gaan we uit van wat allereerst op de wil van het kind werkt. En ook wat intellectualistisch uit het schrijven tevoorschijn komt, ontwikkelen we eerst vanuit de wil. Dan doet ook het gevoel heel bijzonder mee. Het kind beleeft iets, wanneer het eerst de vorm ontwikkelt en daarna de vormen laat overlopen in de bestaande tekens. Dan pas ontwikkelen we uit het schrijven weer meer het lezen.
Zodat we, zoals gezegd, de hele mens aanspreken, niet alleen het hoofd. En het blijkt dat wanneer we zoiets doen, het groot verschil maakt of we simpelweg

blz. 259

nach dem Standpunkte des gegenwärtigen äußeren sozialen Lebens den Menschen eben unterrichtet in demjenigen, wozu er noch kei­nen Bezug hat, oder dasjenige heranbringt, was man herausholt aus seinem inneren ganzen Menschen, was in ihm innerlich veranlagt ist.
In dieser Zeit vom siebenten Jahre bis zur Geschlechtsreife se­hen wir, wie das Kind durch seine innerliche Entwicklung hingeordnet ist nicht auf die Nachahmung – die noch bis übers achte Jahr hinaus wirkt mit besonderer Anwendung des Willens -, son­dern wir sehen jetzt allmählich eine ganz andere Kraft in das kind­liche Leben hereintreten. Das ist dasjenige, was ich nennen möchte das naturgemäße Autoritätsgefühl. Das ist etwas, was vielleicht heute auch mehr oder weniger wohl erwähnt wird, was aber nicht richtig angeschaut wird. So wie die Pflanze ihre Wachstumskräfte haben muß, wenn sie die Blüte entwickeln will in einem bestimm­ten Zeitpunkt, in einer bestimmten Weise, so muß das Kind vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife, weil das zu seinen leiblich-seelisch-geistigen Wachstumskräften gehört, in sich das elementare Autoritätsgefühl entwickeln. 

volgens de opvatting van het huidige sociale leven de mens lesgeven in iets waar hij nog geen verbinding mee heeft of dat we uit zijn totale innerlijke leven halen wat daar als aanleg aanwezig is.
In deze tijd vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit zien we hoe het kind door een innerlijke ontwikkeling neigt – niet tot de nabootsing die nog werkzaam is tot na het achtste jaar met een bijzondere gebruikmaking van de wil – maar we zien nu langzamerhand een heel nieuwe kracht in het kinderleven tevoorschijn komen. Dat zou ik het natuurlijke gevoel voor autoriteit willen noemen. Dit wordt tegenwoordig wel min of meer vermoed, maar er wordt niet goed naar gekeken. Zoals een plant groeikracht moet hebben om op een bepaald ogenblik te kunnen bloeien, zo moet het kind vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit, omdat dit hoort bij zijn groeikracht die lichaam, ziel en geest betreft, het elementaire gevoel voor autoriteit ontwikkelen. 

Es muß sich an den Lehrer und Erzie­her anlehnen, und es muß die Dinge, die es dann glaubt, die dann an es herantreten, die ihm Inhalt seines Fühlens, seines Wollens werden, es muß sie, geradeso wie es bis zum Zahnwechsel in der Nachahmung lebt, jetzt daraufhin annehmen, daß es sie in dem Verhalten des Lehrers sieht, daß es sie vom Erzieher aussprechen hört und daß das Kind zu seinem Erzieher so hinaufsieht, daß richtunggebend für es ist, was in dem Erzieher lebt. Das ist nicht etwas, was man – sagen wir in einer freigeistigeren Zeit als der heutigen, der man glaubt, entgegenleben zu sollen – durch irgend etwas anderes erhoffen kann. Nein, man kann dasjenige, was ein­fach mit uns heranwächst durch dieses elementare Autoritäts­gefühl, durch die Hingabe an den Erzieher oder Unterrichter, durch nichts anderes ersetzen. Und das ganze Leben hindurch hat es eine ungeheure Bedeutung, ob man zwischen seinem siebenten und vierzehnten Jahre an der Seite von Lehrern oder Erziehern gewesen ist, denen gegenüber man ein natürliches Autoritätsgefühl entwickelt hat.

Het wil de leraar en opvoeder volgen en het wil de dingen die het dan gelooft, die hem aanspreken, die inhoud van zijn gevoel en willen worden, het wil die, net zoals het tot aan de tandenwisseling in de nabootsing leeft, nu accepteren, dat het die ziet in het gedrag van de leraar en door de opvoeder hoort uitspreken en dat het kind dan zo tegen zijn opvoeder opkijkt en dat wat er in de opvoeder leeft, hem richting geeft. In een tijd die liberaler is dan de onze nu en waarvan men denkt dat die zich verder in die richting zal ontwikkelen, is er toch niets anders wat je kan verwachten.
Nee, door iets anders kan je wat van nature met ons meegroeit door dit elementaire autortiteitsgevoel, door het gericht zijn op de opvoeder of leraar, niet vervangen. En het hele leven lang is het van een enorme betekenis of je tussen je zevende, achtste jaar een leraar of opvoeder naast je hebt gehad voor wie je een natuurlijk gevoel voor autoriteit ontwikkeld hebt.

blz. 260

Da wird ein Punkt berührt, wo die materialistische Gesinnung gar zu sehr äbirrt, wo zum Beispiel gesagt wird: Was tut schließlich die Individualität des Lehrers in ihrer Wirkung auf das Kind! Wir sollen das Kind vorzugsweise aus der Anschauung unterrichten, wir sollen es zum Selbstdenken, zum Selbstempfinden bringen. -Nun, ich möchte gar nicht sprechen davon, bis zu welcher Trivia­lität wir in manchen methodischen Anleitungen dadurch gekom­men sind, daß wir an das Kind nur dasjenige heranbringen sollen, was es schon selbst versteht, so daß es dies gleichsam in eigenen Anschauungen selbst zergliedert. Ich will auf folgendes aufmerk­sam machen: In diesem Lebensabschnitt, von dem ich jetzt rede, handelt es sich darum, daß von ganz besonderer Wichtigkeit ist, was wir auf Autorität hin annehmen, aufnehmen aus dem Autori­tätsgefühl heraus, auch wenn wir es nicht gleich verstehen, und daß wir uns nicht bloß das Anschauliche aneignen. Denn so, wie die Willenskraft in den ersten sieben Lebensjahren dem Nachah­müngstrieb zugrunde liegt, so liegt jetzt zwischen dem siebenten Jahre und dem Jahr der Geschlechtsreife alles Gedächtnismäßige den Äußerungen des Kindes zugrunde.

Hier wordt iets aangesneden waar de materialistische opvatting nogal van afwijkt, wanneer er bv. wordt gezegd: hoe werkt uiteindelijk dan de individualiteit van de leerkracht op het kind in? We moeten het kind allereerst vanuit het aanschouwelijke, lesgeven, we moeten het kind tot zelfstandig denken en voelen brengen. Wel, ik zou er helemaal niet over willen spreken tot wat voor  triviaals we in sommige methodische suggesties zijn gekomen door het kind alleen te willen bijbrengen wat het zelf al begrijpt, zodat het dit a.h.w. door zelf waar te nemen analyseert. Ik wil op het volgende wijzen: op deze leeftijd waarover ik nu spreek, gaat het erom dat het heel belangrijk is wat we op gezag aannemen, aannemen vanuit het gevoel voor de autoriteit, ook wanneer we het niet meteen begrijpen en dat we niet meteen ons het aanschouwelijke eigen maken. Want net zoals in de eerste zeven levensjaar de wilkskracht ten grondeslag ligt aan de nabootsingsdrang, zo ligt nu tussen het zevende en de puberteit alles wat met het geheugen te maken heeft ten grondslag aan de uitingen van het kind.

Das Kind will unter Ein­wirkung des Autoritätsgefühles sich gedächtnismäßig die Dinge an­eignen. Und gerade das, was gegen das Gedächtnismäßig-sich-An-eignen gesagt wird, das zeigt, daß man im Grunde genommen aus Theorien heraus heute alle mögliche Lebenspraxis aufbaut, ohne daß man das ganze Menschenleben berücksichtigt. Wer alles auf Anschauung zurückführen will, der berücksichtigt zweierlei nicht: Erstens, es gibt ganz weite Gebiete der Welt, die nicht anschaulich gemacht werden können. Das sind die Gebiete des Schönen; das ist aber vor allem das sittlich-religiöse Gebiet. Wer alles auf Anschauung begründen will, der berücksichtigt nicht, daß das Wertvollste, ohne das der Mensch nicht sein kann, das Sittlich-Religiöse und seine Impulse, nicht anschaulich an den Menschen herangebracht werden kann – besonders nicht in diesen Lebensjahren -, sondern daß es gerade übersinnlich den Menschen ergreifen muß. Das kann es in diesen Lebensjahren, wo es an der Zeit ist, nur auf Aütoritätsgefühl hin. Das ist das eine.

Het kind wil door de werking van zijn gevoel voor autoriteit de dingen leren vanuit het onthouden. En juist wat nu aangevoerd wordt tegen het aanleren vanuit het geheugen, laat zien dat men in de aard der zaak vanuit theorieën vandaag de dag alle mogelijke levenspraktijken creëert zonder naar het hele mensenleven te kijken. Wie alles terug wil brengen tot aanschouwelijkheid, kijkt naar twee aspecten niet: ten eerste, er zijn op de wereld terreinen die niet aanschouwelijk gemaakt kunnen worden. Bv. op het gebied van de schoonheid; bovenal het gebied van het moreel-religieuze. Wie alles op aanschouwelijkheid wil laten stoelen, houdt geen rekening met het meest waardevolle, zonder dat, kan de mens niet bestaan: het moreel-religieuze en de impulsen die ervan uitgaan, dat kun je de mens niet aanschouweliljk bijbrengen – vooral in deze jaren niet – dat moet de mens juist op een niet-zintuiglijke manier aanspreken. Dat kan het kind deze jaren, dan is het de tijd daarvoor, alleen door zijn gevoel voor autoriteit.

blz. 261

Das andere aber ist das Folgende. Wenn man das ganze mensch­liche Leben überblickt, nicht nur aus der Theorie heraus einen Lebensabschnitt, dann weiß man, was es bedeutet, wenn man fünf­unddreißig oder vierzig Jahre alt ist und zurückschäüt auf irgend etwas, was man in der Kindheit erlebt, angenommen hat, ohne daß man es dazumal verstanden hat, deshalb, weil man sich sägte: der­jenige, der als Unterrichtender neben einem lebt, der weiß es, das muß so sein. Man nimmt es an. Man ist in viel älteren Jahrzehnten –    es taucht wieder herauf. Jetzt ist man reif, es zu verstehen. Es ist eine Kraft des Lebens geworden. Es ist etwas Wunderbares im menschlichen Leben, wenn man aus den Tiefen der menschlichen Seele etwas heräuftäuchen sieht, wofür man im späteren mensch­lichen Leben reif ist, was aber schon in der Jugend eingepflanzt worden ist. Es ist ein Mittel gegen das Älterwerden, es ist eine Lebenskraft. Man hat ungeheuer viel von dem, was man in der Kindheit aufgenommen hat.
Es handelt sich nicht darum, aus irgendwelchen Vorurteilen her-aus zu fordern, aus Aütoritätsgefühl etwas aufzunehmen, auf bloße Autorität hin oder gedächtnismäßig etwas wörtlich anzunehmen, sondern es handelt sich darum, daß man dieses fordert um des Menschenheiles willen. Warum werden seelisch die Menschen heu­te so bald alt?

Het andere is dit, Wanneer je het hele leven van de mens overziet, niet vanuit de theorie een bepaalde fase, dan weet je wat het betekent, als je vijfendertig of veertig jaar oud bent en je terugkijkt op iets van wat je als kind beleefd hebt, aangenomen hebt, zonder dat je het toen begreep, gewoon, omdat je bij jezelf zei: degene die als onderwijzer naast je leeft, weet dat het zo moet zijn. Je neemt het aan. En als je tientallen jaren ouder bent, komt het weer bij je op. Nu ben je eraan toe om het te begrijpen. Het is levenskracht geworden. Het is in het leven iets wonderlijks, wanneer je uit de diepten van de menselijke ziel iets omhoog ziet komen, waar je aan toe bent in je latere leven, wat echter in je jeugd geplant is. Het is een middel tegen oudworden, het is levenskracht. En je hebt in je kindertijd ongelooflijk veel opgenomen. 
Het gaat er niet om uit wat voor vooroordelen dan ook te eisen om vanuit het gevoel voor autoriteit iets aan te nemen, op alleen maar autoriteitsgezag of vanuit je geheugen iets letterlijk aan te nemen, maar omdat je dit vraagt ter wille van het heil van de mens. Waarom worden de mensen wat hun ziel betreft, zo vroeg oud?

Weil sie keine Lebenskräfte in sich haben. Man muß im einzelnen wissen, welche Kräfte man in das Kind hinein verpflanzen muß, wenn in späteren Lebensjahrzehnten solche Kräfte verjüngend auftauchen sollen.
Ich will jetzt ein anderes Beispiel nennen. Wer gut versteht, wie das Kind in den ersten Lebensjahren, etwa bis zum fünften Jahre hin spielt, wer aus dem ganzen Charakter der kindlichen Indivi­dualität ihm sein Spiel angenehm herrichtet, der bereitet in dem Kinde etwas vor, was nun wiederum im viel späteren Leben zum Ausdruck kommt. Dazu muß man eben das menschliche Leben in seiner Totalität zu betrachten verstehen. Der Botaniker betrachtet die Pflanze in ihrer Totalität. Was heute «Psychologie» sein will, das betrachtet nur immer im Augenblick. Wer einen Menschen betrachtet etwa im fünfündzwanzigsten, sechsundzwanzigsten,

Omdat ze geen levenskrachten hebben. Je moet in detail weten, welke krachten je in het kind moet aanleggen, wanneer die in het latere leven tientallen jaren later verjongend tevoorschijn moeten komen. 
Ik wil nu een ander voorbeeld nemen. Wie goed begrijpt hoe het kind in de eerste jaren van zijn leven speelt, ongeveer tot het vijfde jaar, wie met het oog op het hele karakter van de kinderlijke individualiteit mogelijk maakt dat het fijn kan spelen, die bereidt in het kind iets voor, wat ook weer veel later in het leven tot uitdrukking komt. Daarvoor moet je wél het mensenleven in zijn totaliteit leren begrijpen. De plantkundige bekijkt de plant in zijn totaliteit. Wat tegenwoordig doorgaat voor ‘psychologie’ kijkt slechts naar het moment. Wie naar een mens kijkt wanneer die vijf- zesentwintig,

blz. 262

siebenundzwanzigsten, ächtundzwanzigsten Jahre – oder etwas früher -, wenn er sich in die Lebenserfahrung hineinfinden soll, ein Verhältnis finden soll zur Lebenspräxis, ein geschickter Mensch, ein zielbewußter Mensch werden soll, wer den Menschen in diesem Lebensalter sachgemäß, exakt zu beobachten versteht, der sieht, wie im kindlichen Spiel – zwischen der Geburt und dem fünften Lebensjahre etwa -, in der Natur des Spielens sich die Art ange­kündigt hat, wie dann in den Zwanzigerjähren der Mensch sich in das Leben als ein praktischer Mensch hineinfindet, als ein geschick­ter, als ein zielbewußter Mensch. Im frühesten Kindesalter bringen wir das, ich möchte sägen mit der Wurzel zur Entwicklung, was später erst als Blüte herauskommt. Das aber muß aus einem sol­chen innerlichen Erkennen, wie Anthroposophie, die in die menschliche Natur untertaucht, es darbietet, verstanden werden. Das muß erkannt werden durch die Beobachtung des ganzen Men­schen. Wir müssen gewissermaßen, wenn wir Unterrichtende und Erzieher sein wollen, die ganze Läst des Menschen auf uns geladen fühlen. Wir müssen fühlen, was wir aus jedem Einzelnen, was wir im Kinde veranlagt finden, lernen können.

zeven- achtentwintig – of iets eerder, wanneer hij om moet kunnen gaan met wat hij ervaart in het leven, het leven aan te kunnen, een doelbewust mens wil worden, wie een mens op deze leeftijd adequaat, precies weet waar te nemen, die ziet hoe in het spel van het kind – zo’n beetje tussen de geboorte en het vijfe jaar – in hoe gespeeld wordt, zich aankondigt hoe, wanneer die mens in de twintig is, die zijn plaats in het leven als een praktisch mens inneemt, als iemand die het leven aankan, als een doelbewust mens. In de vroegste leeftijd brengen wij daarvoor a.h.w. de wortel tot ontwikkeling van wat pas later als bloem tevoorschijn komt. Dat moet echter uit die innerlijke kennis begrepen worden, zoals de antroposofie, die in kan gaan op de menselijke natuur, aanreikt. Dat moet geleerd worden door het waarnemen van de hele mens. We moeten in zekere zin, wanneer we leerkracht of opvoeder willen zijn, voelen dat we het belang van de hele mens met ons mee moeten dragen. We moeten voelen wat we uit ieder detail dat we in het kind als aanleg vinden, kunnen leren. 

Und so kann man wissen, daß bis zum neunten Lebensjahre hin etwa das Kind noch nicht in der richtigen Weise zwischen Subjekt und Objekt unterscheidet. Die äußere Welt fließt mit der inneren zusammen. Daher ist in diesen Jahren nur dasjenige an das Kind heranzubringen, was, ich möchte sägen mehr in Phäntasiegestält, in Bildern lebt – so [soll] alles [gestaltet sein], was man überhaupt als Unterricht in diesen Jahren heranbringen will. Beobachtung von Pflanzen, einfaches Näturwissenschäftliches, Geschichtliches läßt sich erst vom neunten Jahre ab dem Kinde beibringen. Physika­lisches oder was in der Geschichte nicht das Biographische ist, son­dern der Zusammenhang der geschichtlichen Epochen, das ist erst nach dem zwölften Jahre dem Kinde beizubringen, weil es da erst auf etwas Verwandtes in der kindlichen Natur aufbaut. Und wie­derum so, daß man nicht bei dem abstrakten Grundsätze bleibt, man solle die Individualität ausbilden, sondern man muß diese Individualität wirklich beobachten können von Woche zu Woche.

En zo kan je weten dat tot ongeveer het negende levensjaar het kind nog niet op een juiste manier onderscheid maakt tussen subject en object. De buitenwereld gaat samen met de binnenwereld. Daarom kun je in deze jaren het kind alleen leren, wat meer in de hoedanigheid van fantasie, in beelden leeft – en zo moet alles vormkrijgen wat je uiteindelijk deze jaren wil aanleren. Waarnemen van planten, simpele biologie, geschiedenis kun je pas vanaf het negende jaar aan het kind leren. Natuurkunde of wat in de geschiedenis niet biografisch is, maar de samenhang van de geschiedenistijden, kun je pas na het twaalfde jaar aan het kind leren, omdat dit pas kan wanneer er in de kinderlijke natuur iets is wat daarmee verwant is. En dan weer zo dat je niet stil blijft staan bij abstracte grondregels in de zin van je moet de individualiteit ontwikkelen, maar je moet deze individualiteit daadwerkelijk kunnen waarnemen van week tot week. 

blz. 263

Das ist es, was sich als eine fruchtbare Methode in der Waldorf-schule ergeben hat und was wirklich durch seine eigene Natur als eine solch fruchtbare Methode einleuchten muß. Indem der Lehrer durchzuckt und durchglüht wird von demjenigen, was von seinem Gemüt und Willen angeregt werden kann, tritt er eben in ein ganz anderes Verhältnis zu seinen Kindern. Das will ich wiederum an einem Beispiel klar machen. Es ist das nicht nur die grobe Linie, die sich hinzieht von dem Erziehenden zu dem Kinde oder dem Unterrichtenden zu dem Kinde, die der äußeren materialistischen Beobachtungsweise vorliegt, sondern es spielen da immerfort die Imponderabilien. Nehmen wir an, man habe dem Kinde in einem geeigneten Lebensalter beizubringen die Idee der Unsterblichkeit. Nun kann man diese Idee der Unsterblichkeit sehr leicht im Bilde bringen, und bis zum neunten Lebensjahre soll man eigentlich ganz bildlich unterrichten. Alles soll ins Bild gewandelt werden. Wenn man aber selbst mit seinem Verstande das Bild erst ausgestaltet, wenn man abstrakt vorgeht in dem Ausgestalten des Bildes, dann steht man nicht in dem Bilde drinnen. Man kann zum Beispiele dem Kinde sagen: Sieh dir eine Schmetterlingspuppe an; es kriecht der Schmetterling aus der Puppe. So wie der Schmetterling hier sichtbar auskriecht aus der Schmetterlingspuppe, so entringt sich des Menschen unsterbliche Seele dem Leibe.

Dat blijkt in de vrijeschool een vruchtbare methode te zijn en wat daadwerkelijk door het eigen karakter daarvan wel een vruchtbare methode moet zijn. Als een leraar geraakt wordt en enthousiast wordt voor de dingen die vanuit zijn gevoel en wil de impulsen kunnen krijgen, dan staat hij heel anders tegenover zijn kinderen. Dat wil ik ook weer met een voorbeeld duidelijk maken. Het is niet alleen een grove lijn die tussen de opvoeder en het kind of de leraar en het kind getrokken kan worden, die voor de oppervlakkige materialistische manier van kijken aanwezig is, maar er is steeds sprake van wat zich onzichtbaar afspeelt. Laten we eens aannemen dat je het kind op een leeftijd die daarvoor in aanmerking komt, iets bij moet brengen over de idee van de onsterfelijkheid. Nu kan je deze idee erg makkelijk in een beeld geven en tot aan het negende jaar zou je eigenlijk alles beeldend moeten geven. Alles moet in beeld veranderd worden. Wanneer je echter zelf met je verstand dat beeld moet vormen, wanneer je abstract te werk gaat daarmee, dan zit je niet in een beeld. Je kan bv. tegen het kind zeggen: kijk eens naar de cocon van een vlinder; de vlinder kruipt uit de cocon. Zoals die vlinder nu hier zichtbaar uit de cocon kruipt, net zo laat de onsterfelijke ziel van de mens zijn lichaam los.

Wenn ich aber dieses Bild erst aus meiner inneren Abstraktion zurechtgemacht habe, selbst nicht dabei bin, erst alles für das Kind zurechtrücke, bringe ich dem Kinde nichts bei. Das ist ein eigentümliches Geheimnis, daß, wenn man, wie es bei der Geisteswissenschaft selbstverständ­lich ist, die ganze Natur als durchgeistigt ansieht, man sich dann das Bild nicht bloß zurechtrückt, sondern weiß: Was auf einer ge­wissen höheren Stufe lebt als Unsterblichkeit, das wird nicht durch meinen Verstand, sondern durch die Dinge selbst vorgebildet; zum Beispiel der sich aus der Puppe ringende Schmetterling – das ist von der Natur selber als Bild hingestellt. Ich glaube an das, was ich dem Kinde sage, ich bin desselben Glaubens und derselben Über­zeugung, von der ich wünsche, daß sie in das Kind übergehe. Wer beobachten kann, kann sich davon überzeugen, daß es ganz anders

Maar, wanneer ik dit beeld zo’n beetje vanuit een innerlijke abstractie in elkaar zet, het niet echt mijn doorleefde beeld is, alles voor het kind in elkaar zet, leer ik het kind niets. Dat is een merkwaardig geheim; wanneer je, zoals dit bij de geesteswetenschap vanzelfsprekend is, de hele natuur beschouwt als doortrokken van geest, zet je niet alleen maar een beeld in elkaar, maar je weet dan: wat op een hoger plan aanwezig is als onsterfelijkheid, dat wordt niet door mijn verstand gevormd, maar dat laten de dingen zelf zien; bv. in de vlinder die uit de cocon komt. Ik geloof in de dingen die ik tegen het kind zeg; wat ik het kind graag wil meegeven, is iets waar ik zelf in geloof en van overtuigd ben. Wie kan waarnemen, kan tot de overtuiging komen, dat het heel anders

blz. 264

auf das Kind wirkt, wenn ich ihm ein Bild beibringe, an das ich selber glauben kann, das ich nicht bloß verstandesmäßig an das Kind heranbringe und es ausgesprochen habe, weil ich so gescheit bin und das Kind noch so dumm ist.
Das zeigt, welche Imponderabilien da spielen. Und noch eines möchte ich erwähnen. In der Volksschulzeit ist die Sache so, daß zunächst etwa bis zum neunten Jahre hin noch dasjenige mit der Nachahmung nachwirkt, was der präponderierende Wille ist. Dann tritt aber etwas ein für das Kind, wodurch es sich unterscheiden lernt von seiner Umgebung. Jeder, der wirklich Kinder zu beob­achten vermag, der weiß, daß zwischen Subjekt und Objekt, sich selber und  der Umgebung, das Kind eigentlich erst so zwischen dem neunten und zehnten Jahre richtig unterscheidet. Daraufhin muß man alles einrichten. Aber man würde vieles im Leben anders betrachten, als man es eben betrachtet, und namentlich anders gestalten, als man es gestaltet, wenn man auf eines sehen würde: in derselben Lebensphase, in der das Kind zwischen dem neunten und zehnten Jahre sich richtig unterscheiden lernt von der Umgebung, in dieser Lebensphäse ist es unerläßlich für das ganze sittliche Le­ben des Menschen in aller Zukunft, daß er mit der höchsten Ach­tung und mit dem höchsten Autoritätsgefühl an jemandem hängen kann, der sein Lehrer oder Erzieher ist.

op het kind werkt, wanneer ik het een beeld geef waaraan ik zelf kan geloven en dat ik niet alleen maar intellectueel aan het kind geef en het verwoordt omdat ik zo slim ben en het kind nog zo dom. Dat toont aan welke onweegbare dingen daarbij een rol spelen. En ik zou nóg iets willen aankaarten. In de basisschooltijd is het zo dat zo ongeveer tot aan het negende jaar vanuit de nabootsing nog nawerkt wat overwegend wil is. Dan gebeurt er in het kind iets waardoor het leert zich van zijn omgeving los te maken. Iedereen die kinderen kan waarnemen, weet, dat het kind tussen het negende en het tiende jaar eigenlijk pas goed een verschil weet te maken tussen subject en object, zichzelf en de omgeving. Daar moet je alles op instellen. Maar naar veel zou je in het leven anders kijken als men doet en vooral anders organiseren dan men doet, wanneer men op één ding zou letten: in dezelfde leeftijdsfase waarin het tussen het negende en tiende goed verschil weet te maken tussen zichzelf en de omgeving, is het onontbeerlijk voor het hele morele leven van de mens voor zijn hele toekomst, dat hij met de hoogste eerbied en met het diepste gevoel voor autoriteit op iemand steunen kan die zijn leraar of opvoeder is.

Überschreitet das Kind diesen Rubikon zwischen dem neunten und zehnten Lebensjahre ohne dieses Gefühl, so hat es ein Manko in seinem ganzen Leben und kann später höchstens mit aller Mühe aus dem Leben selber wiederum das sich erobern, was auf eine naturgemäße Weise in diesem Lebenspunkte dem Kinde übermit­telt werden sollte. Daher sollten wir unsere Erziehung und unseren Unterricht so einrichten, daß wir gerade in der Klasse, wo das Kind den Rubikon zwischen dem neunten und zehnten Jahre überschrei­tet, so vor dem Kinde stehen, daß wir wirklich durch unsere eigene innere Moralität, durch dasjenige, was wir an innerer Wahrhaftig­keit, an innerem seelischen Gehalte haben, dem Kinde wirklich manches sein können, daß wir nicht bloß vorbildlich auf dasselbe wirken, daß alles, was wir zu ihm sprechen, von ihm empfunden

Gaat het kind tussen zijn negende en tiende jaar deze Rubicon over zonder dit gevoel, dan is dat een gemis voor zijn hele leven en kan hij later hoogstens met veel moeite weer uit het leven winnen wat hij op een natuurlijke manier op dit punt in zijn leven had moeten worden gegeven. Daarom moeten we onze opvoeding en ons onderwijs zo organiseren dat we met name in de klas waar waarin het kind tussen het negende en tiende jaar de Rubicon overgaat, zo voor het kind staan, dat we werkelijk door onze eigen innerlijke moraliteit door wat we aan innerlijke waarachtigheid, aan innerlijke gevoelsinhoud hebben, daadwerkelijk veel voor het kind kunnen betekenen, dat we niet alleen voorbeeldig werken op alles wat we tegen hem zeggen, door hem ervaren

blz. 265

wird als die Wahrheit. Und man muß das Gefühl in ihm be­gründen, das es im sozialen Leben geben muß zwischen dem heranreifenden Kinde und dem Erwachsenen und dem alten Men­schen. Daß dieses Kind seine Ehrfurcht durchmacht in diesem Le­benspunkte zwischen dem neunten und zehnten Jahre, darauf ruht auch dasjenige, was sittlich religiöse Erziehung ist. Eine zu frühe Entwicklung der Intellektualität, ein Nichtberücksichtigen dessen, daß auf den Willen durch Bilder gewirkt werden muß – namentlich von der Volksschulzeit an -, daß da nicht gleich ins Abstrakte des Schreibens und Lesens hineingedrungen werden darf, ein solches Verständnis für den Menschen liefert zu gleicher Zeit [auch nicht] jene Gefühle und Empfindungen, die dann wiederum brauchbar werden, wenn wir dem Kinde moralische Mäximen, sittliche Grundsätze, wenn wir ihm religiöse Gefühle beibringen wollen. Sie greifen später nicht ein, sie wirken auch nicht durch Autori­tätsgefühl, wenn wir nicht in der Läge sind, aus dem ganzen Men­schen heraus die individuelle Veranlagung etwa von der Volks-schulzeit an, etwa vom siebten Jahre an zu verwenden.

wordt als waarheid. En je moet het gevoel in hem verankeren wat er in het sociale leven moet bestaan tussen het opgroeiende kind en de volwassene en de oude mens. Dat dit kind op dit punt op zijn negende, tiende jaar eerbied beleeft, daarop berust ook wat moreel-religieuze opvoeding is. Een te vroeg ontwikkelen van het intellect, er geen rekening mee houden dat aan de wil gewerkt moet worden door beelden – vooral vanaf het begin van de basisschool – dat er niet meteen abstract lezen en schrijven opgedrongen mag worden, zo’n begrip voor de mens heeft tegelijkertijd als resultaat die gevoelens en gewaarwordingen die dan weer bruikbaar worden, wanneer we het kind morele uitgangspunten, morele basisregels, wanneer we het religieuze gevoelens mee willen geven. Die zijn later niet van invloed, werken ook niet door het autoriteitsgevoel, wanneer wij niet in staat zijn vanuit de hele mens de individuele aanleg zo vanaf de basisschoolleeftijd, zo rond het zevende jaar, aan te spreken.

Und so kann man die Entwicklung des Kindes wirklich konkret verfolgen. Aus dem Lehrer und Erzieher wird ein pädagogischer Künstler, wenn er in sich wirken läßt, was er durch anthroposophi­sche Geisteswissenschaft über den Menschen erfahren kann. Wir wollen nicht neue abstrakte Erziehungsgrundsätze aufstellen, son­dern wir glauben, daß des Menschen ganze Persönlichkeit angeregt wird durch das, was Anthroposophie als Lebensodem, als geistig-seelischer Lebensodem dem Menschen geben kann. Wie das Blut auf selbstverständliche Weise den Organismus belebt, so soll die Geisteswissenschaft den, dessen Beruf das Erziehen und Unterrich­ten ist, so beleben, daß er mit dem Kinde wirklich eins werde und die Erziehung, der Unterricht etwas Selbstverständliches wird. Daß, wer die Pforten seiner Klasse durchschreitet, mit einer sol­chen Gesinnung vor die Kinder hintritt, das möchten wir in der Waldorfschule.
Nicht, weil wir auf allen möglichen Gebieten unseren «Senf» dazu geben möchten, reden wir auch über pädagogische Kunst,

En op deze manier kun je de ontwikkeling van het kind concreet volgen. Uit de leraar en opvoeder groeit een pedagogisch kunstenaar, wanneer die in zich laat werken wat hij door antroposofische geesteswetenschap over de mens kan ervaren. Wij willen geen nieuwe abstracte opvoedingsprincipes opstellen, maar wij geloven dat de hele persoonlijkheid van de mens een impuls kan krijgen door wat antroposofie als levensadem, als levensadem van geest en ziel, de mens geven kan. Zoals het bloed op een vanzelfsprekende manier het organisme van leven voorziet, zo moet de geesteswetenschap de mens die het beroep van opvoeder en leraar heeft, zo van leven voorzien dat deze daarmee daadwerkelijk één wordt met het kind en dat opvoeding en onderwijs iets vanzelfsprekends wordt. In de vrijeschool willen we mensen hebben die met zo’n instelling t.o.v. het kind hun klas binnenstappen. Niet omdat we op alle mogelijke gebieden ongevraagd onze mening willen geven, spreken we ook over pedagogische kunst,

blz. 266

pflegen wir auch pädagogische Kunst, sondern weil wir aus unse­ren Erkenntnissen heraus glauben müssen, daß da tatsächlich auch eine Neubefruchtung notwendig ist. Die Erscheinungen des Le­bens haben ja in so furchtbare Zeiten hineingeführt, daß sie eine neue Befruchtung herausfordern. Nicht aus einer albernen Gesin­nung oder Ideologie heraus oder darum, weil sie für irgend etwas agitieren will, sondern aus der Erkenntnis der wahrhaftigen Be­dürfnisse unserer Zeit will Anthroposophie auch auf die pädagogi­sche Kunst befruchtend wirken. Sie will richtig verstehen und rich­tig fühlen dasjenige, was aller wirklichen Erziehung und allem wirklichen Unterrichten zugrunde liegen muß. Ein rechtes Emp­finden davon kann man zusammenfassen in die Worte, mit denen ich heute schließen will, weil ich glaube, daß, wenn Anthroposo­phie zeigt, daß sie Verständnis hat für diese Worte, innerlichstes, währhaftigstes Verständnis, man ihr auch ihre Berufung nicht absprechen wird, in die pädagogische Kunst, in die Erziehungskun­de hineinzureden. Sie will das nicht aus irgendeiner revolutionären Gesinnung heraus, sie will das aus den Bedürfnissen der Zeit, und sie will das aus den großen Menschheitswahrheiten, die darinnen liegen, daß man sägt:

verzorgen we pedagogische kunst, maar omdat we vanuit onze kennis moeten geloven dat daar werkelijk een nieuwe impulsering nodig is. Wat zich in het leven heeft afgespeeld, heeft ons in vreselijke tijden gebracht en dat vraagt om nieuwe vruchtbare impulsen. Niet vanuit een naïve opvatting of ideologie of omdat ze ergens tegen wil zijn, maar vanuit de kennis van wat onze tijd echt nodig heeft, wil de antroposofie ook bevruchtend werken op de pedagogische kunst. Ze wil op de juiste manier begrijpen en echt voelen wat ten grondslag moet liggen aan alle echte opvoeding en echt onderwijs. Een waarachtig gevoel daarvan kun je samenvatten met de woorden waarmee ik vandaag wil afsluiten, omdat ik geloof dat, wanneer antroposofie laat zien dat ze begrip heeft voor deze woorden, een diepgaand, waarachtig begrip, je ook het beroep dat ze op je doet niet weigeren kan, iets te zeggen voor de pedagogische kunst, de opvoedkunst. Dat wil ze niet uit een of andere opstandige gezindheid, ze wil dat door de nood van de tijd en ze wil dat vanuit de grote menselijke waarheden waarbij men zegt:

Oh, in die Hand des Erziehenden, in die Hand des Unterrichtenden ist der Menschheit Zukunft, der Menschheit nächste Zukunft, die Zukunft der nächsten Generation gegeben. Von der Art und Weise, wie erzogen wird, wie der Mensch als Werdender ins Leben hineingestellt wird, hängt es er­stens ab, mit welcher inneren harmonischen Festigkeit er in sich selber als einzelner zu seiner inneren Befriedigung sein Leben füh­ren kann. Und davon hängt es ab, in welcher Weise er ein nutz­liches, ein heilsämes Mitglied der menschlichen Gesellschaft wird. Der Mensch erfüllt doch seine Bestimmung nur, wenn er erstens harmonische Festigkeit in sich selber hat, so daß er innerlich mit sich nicht leichtfertig zufrieden sein kann, sondern immerzu aus dieser Harmonie die Kräfte zur Arbeit, die Kräfte zum Wirken und zum Mitfühlen seiner Umgebung finden kann, und wenn er auf der andern Seite durch seine Tüchtigkeit, durch sein Zusammen­gewachsensein mit den Bedürfnissen der Zeit und der ihn umgebenden

Ja, in de hand van de opvoeder, van de leraar ligt de nabije toekomst van de mensheid, de nabije toekomst van de komende generatie. Van de manier waarop wordt opgevoed, hoe de mens als een wordend wezen zijn plaats krijgt in het leven, hangt het allereerst af met welke innerlijke harmonische kracht hij in zichzelf als individu innerlijk tot zijn eigen geluk zijn leven kan leiden. En daarvan hangt het af in hoeverre hij een bruikbaar, een zegenrijk lid van de mensengemeenschap wordt. De mens vervult zijn bestemming toch alleen maar, waaneer hij allereerst in zichzelf harmonisch is, zodat hij innerlijk niet zo gauw tevreden kan zijn, maar steeds vanuit deze harmonie de kracht voor het werk, de kracht om mee te werken en mee te voelen met zijn omgeving, kan vinden en wanneer hij aan de andere kant door zijn activiteit, doordat hij de nood van de tijd diep ervaart en voor de hem omringende

blz. 267

Menschheit ein nützliches, ein heilsam wirkendes Mitglied der ganzen Gesellschaft ist. Ihn zu einem solchen zu machen, möchte anthroposophische Geisteswissenschaft beitragen, aus dem Grunde, weil sie glaubt, daß man auf ihrem Wege eine ganz beson­dere Menschenkunde finden kann und dadurch auch eine ganz be­sondere Menschenbehandlungskunst.

mensheid een bruikbaar, een zegenrijk deel van de hele maatschappij is. Hem zo te maken, daar zou antroposofische geesteswetenschap graag aan bijdragen, omdat ze gelooft dat je langs deze weg een heel bijzondere menskunde kan vinden en daardoor ook een heel bijzondere kunst van hoe je met mensen omgaat.
.

[1] GA 297 Duits
[2] GA 297 9e voordracht Duits

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

2095-1967

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-7)

.

Al jaren geleden was er aandacht voor agressie en de invloed van bepaalde tv-programma’s.

Niemand weet precies hoe het ‘echt’ zit, maar de samenhang zomaar ter zijde schuiven, is een andere kant.

Regelmatig vind je stukjes in de kracht waarijn melding wordt gemaakt van geweld, vaak in combinatie met de ‘beeldende’ media: tv, clips, games e.d.
.

Dr.Jan Verhulst, ED 04-06-1997
.

Televisiegeweld slecht voor jeugd

Is het slecht als kinderen naar geweld op de tv kijken?
AI jaren ruziën psychologen, pedagogen en agogen over het antwoord op deze vraag. Over het algemeen gaat men in de discussies over dit onderwerp uit van drie verschillende hypothesen.

Allereerst is er de zogenoemde reductiehypothese. Voorstanders van deze opinie gaan ervan uit dat het kijken naar geweld de neiging om zelf gewelddadig te handelen doet afnemen.

Volgens de tweede hypothese (de stimulatiehypothese) werkt het kijken naar geweld, gewelddadig gedrag juist in de hand.

De derde hypothese, ten slotte, gaat ervan uit dat het helemaal niets uitmaakt of een kind al dan niet naar gewelddadige films kijkt.

De hoogleraar pedagogiek Tom van der Voort heeft jarenlang onderzoek gedaan naar de effecten van het kijken naar geweld op de tv bij kinderen. In zijn boek ,De invloed van televisiegeweld’ (uitg. Swets en Zeitlinger) zet hij alle resultaten op de rij.

Om met de belangrijkste conclusie te beginnen: het kan wel degelijk kwaad als kinderen regelmatig naar gewelddadige films en/of tv-series kijken. Dat is dus niet zo best. Zeker niet als je in aanmerking neemt dat de dramaproducties voor kinderen gemiddeld meer geweld bevatten dan die voor volwassenen. Van der Voort laat er dan ook geen twijfel over bestaan dat de stimulatie-hypothese wel degelijk het meest plausibel is. Hoe, en de mate waarin het kijken naar geweld bij kinderen agressie opwekt is een complexe zaak. Dat hangt ondermeer af van de persoonlijkheidskenmerken van het kind en van de omgeving waarin het opgroeit. Want, zo stelt Van der Voort: televisiegeweld is slechts een van de factoren die agressief gedrag bij kinderen in de hand werken.

Kijken naar geweld op de tv werkt bij kinderen agressief gedrag in de hand omdat ze vaak zien dat geweld lonend is (de sterkste wint). Ook leren ze via tv allerlei vormen van geweld kennen, waar ze voorheen nog niet bij hadden stilgestaan. Kinderen worden door tv-geweld dus op verkeerde ideeën gebracht. Ook is het onderzoek gebleken dat kinderen door het veelvuldig zien van geweld hun angst en remmingen voor agressief gedrag verliezen. En dan gaat het vooral over de relatief mildere vormen van agressief gedrag, zoals pesten, plagen, vechten en slaan.

Ook de ouders spelen een belangrijke rol, omdat hun reactie op het getoonde geweld doorslaggevend kan zijn. Als ze vrolijk mee gaan zitten vechten en aan hun kinderen laten merken dat ze al dat geweld prachtig vinden, dan is de kans groot dat hun kinderen opgroeien tot nietsontziende, gevoelsarme vechtersbazen, zonder enige moraal. En dat is nog niet alles: de kans is ook nog aanwezig (vooral bij onzekere en labiele kinderen) dat het zien van geweld aanleiding geeft tot nachtmerries, angsten en slaapstoornissen.

Redenen genoeg dus om eindelijk maar eens een punt te zetten achter deze al zolang lopende discussie. Kinderen moeten gewoon niet kijken naar agressieve en/of gewelddadige films en tv-series: ze worden er zeker niet beter van, alleen maar slechter.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

2094-1966

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraken bij de Kerstspelen uit Oberufer (16)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 29-12-1923  [2]
während der Weihnachtstagung

blz. 93

Ich habe Ihnen gewissermaßen die Geschichte dieser Weihnachtspiele geschildert gelegentlich der Aufführung des Paradeis-Spieles, so daß ich heute nur von der Art sprechen möchte, wie in jenen deutsch-ungarischen Kolonien, in denen Karl Julius Schröer diese Stücke gefun­den hat, eigentlich diese Aufführung ins Werk gesetzt worden ist. Ich wiederhole also nur kurz, daß diese Weihnachtspiele, schon Ende des 15., Anfang des 16. Jahrhunderts aus ihrer mitteleuropäischen Heimat nach dem Osten gewanderten Stücke, bis ins 19. Jahrhundert herein in den verschiedensten Gegenden Ungarns aufgeführt worden sind. Karl Julius Schröer hat sie später in der Nähe von Preßburg, in der Oberuferer Gegend in der Familie Malatitsch gefunden. Die Auffüh­rung dieser, als ein teures Erbgut angesehenen Stücke, welche sich in einer Familie immer fortsetzten, wurde gewöhnlich schon nach der Weinlese, also Mitte, Ende Oktober, beraten, ob die Spiele aufgeführt werden sollen. 

Toespraak Dornach 29-12-1923 [2]
tijdens de kerstconferentie

Ik heb u in zekere zin over deze kerstspelen verteld bij de gelegenheid van de opvoering van het Paradijsspel, zodat ik vandaag alleen maar over de manier zou willen spreken hoe men in die Hongaars-Duitse kolonies waarin Karl Julius Schröer deze stukken gevonden heeft, eigenlijk met de opvoering te werk ging. Ik herhaal dus alleen in het kort dat deze kerstspelen, al aan het einde van de 15e, begin 16e eeuw uit hun Middeneuropees thuisland naar het oosten verplaatste stukken, tot in de 19e eeuw in de meest verschillende streken van Hongarije opgevoerd werden.
Karl Julius Schröer heeft ze later in de omgeving van Pressburg, in de omgeving van Oberufer, bij de familie Malatitsch gevonden. Over de opvoering van deze als een kostbaar erfgoed beschouwde stukken, die steeds in een familie bleven, werd gewoonlijk al na de druivenoogst, dus midden, eind oktober, beraadslaagd of ze zouden worden opgevoerd.

Schon aus dem Grunde war dies nötig, weil nicht jedes Jahr die nötige Stimmung bei den Leuten da war, durch das oder je­nes, auch besonders weil nicht immer die nötigen Aufführer da waren. Aber zu gewissen Zeiten, nach der Weinlese, fanden sich doch die Leute zusammen an ihrem Stammtisch und sagten: Jetzt hätten unsere Burschen doch wieder einen gewissen neuen Aufputz für ihre Fröm­migkeit nötig, und wir könnten dieses Jahr wiederum diese Spiele auf­führen. – Und wenn sich der, welcher in der Familie diese Spiele be­wahrte, dazu bereit erklärte, sah man sich um, welche Burschen im Dorf geeignet wären, um in dem betreffenden Jahre die Aufführun­gen zu machen.
Diese Spiele wurden nun in einer recht strengen Weise einstudiert. Denn, sehen Sie, die ganze Aufführung wurde als etwas angesehen, das mit dem innigsten religiösen Leben, mit der innigsten Frömmigkeit der Leute in jenen Gegenden zusammenhing. Und so gab es für diejenigen,

Dat was wel nodig omdat er bij de mensen niet ieder jaar de vereiste stemming was, door het een of ander, ook vooral omdat er niet altijd de nodige spelers waren.
Maar op gezette tijden, na de druivenpluk, troffen de mensen elkaar toch rond de stamtafel en zeiden: nu hebben onze jongemannen toch weer eens een zetje nodig in de richting van hun vrome beleving en we zouden dit jaar deze spelen wel weer op kunnen voeren. En wanneer degene in wiens familie de spelen werden bewaard het ermee eens was, keek men welke jongens uit het dorp geschikt waren om in dat betreffende jaar de opvoeringen te verzorgen.
Deze spelen werden op een behoorlijk strenge manier ingestudeerd.
Want, ziet u, de hele opvoering werd als iets beschouwd dat met het diepste religieuze leven, met de diepste vroomheid van de mensen in die streek samenhing. En zo waren er voor 

blz. 94

die mitspielen sollten, während der Vorbereitungszeit strenge Verordnungen. Sie durften zum Beispiel in dieser Zeit sich nicht be­trinken, was sehr viel heißen will in diesen Gegenden; sie durften nicht zum Dirndl gehen; sie durften viele andere Dinge nicht machen, welche sie sonst gerne machten. Das Ganze wurde überhaupt als etwas angesehen, was einer feierlichen Zeit angehört, und als etwas, dem man feierliche Stimmung entgegenbringen muß. Es verging zum Beispiel in gewissen Jahreszeiten kein Sonntag, ohne daß in diesen Dörfern der Haidbauern, oder wo die Dinge aufgeführt wurden, nicht Musik in den Wirtshäusern gewesen wäre. Nun kamen einmal diese Leute, welche die Volksspiele spielten, in ein Dorf, wo am Advent ihnen zu Ehren, als sie kamen, eine nicht schlimme Musik aufgeführt wurde. Da sagten sie, ob man glaube, daß sie Komödianten seien, daß man ihnen zu Ehren Musik mache! Also alle Lustbarkeit mußte über­haupt schweigen zu dieser Zeit, während der gespielt wurde. Es waren auch noch andere strenge Vorschriften, die wir durchaus nicht nachmachen können. Zum Beispiel derjenige, welcher mitspielte, mußte strengen Gehorsam dem Lehrmeister leisten. Das können wir natür­lich nicht nachmachen. 

degenen die zouden meespelen tijdens de voorbereidingen strenge regels. Ze mochten bv. in deze tijd niet dronken zijn, wat voor deze streken zeer veel wil zeggen; ze mochten niet naar de meisjes gaan; ze mochten veel dingen niet, die ze normaal graag deden. Het geheel werd eigenlijk als iets beschouwd wat bij een feestelijke tijd behoort en als iets waarvoor je een feestelijke stemming opbracht. Er was bv. in een bepaalde tijd van het jaar geen zondag zonder dat er in deze dorpen van boeren of waar ze werden opgevoerd, in de herbergen geen muziek was. Nu kwamen op een keer die mensen die de volksspelen opvoerden, in een dorp waar met advent te hunner ere niet eens zulke vreselijke muziek gespeeld werd. Toen zeiden ze of ze van mening waren dat zij komedianten waren om voor hen dergelijke muziek te spelen! Dus alle goedkope vrolijkheid moest deze tijd waarin er werd gespeeld, eigenlijk niet. Er waren ook nog andere strenge voorschriften die wij zeer zeker niet kunnen overnemen. Bv. dat degene die meespeelde onvoorwaardelijk naar de leermeester moest luisteren. Dat kunnen wij natuurlijk niet overnemen.

Außerdem, wenn irgend etwas, eine Attitüde, die einstudiert war, vergessen wurde, mußte man Strafe bezahlen. Auch das können wir natürlich hier nicht nachmachen. Das Entrée war zwei Kreuzer, Kinder zahlten die Hälfte. Zwei Kreuzer, das sind vier Cen­times. Das konnen wir auch nicht nachmachen. Wir können auch nicht nachmachen, daß zu den Spielen in der Form eingeladen wurde, daß der Teufel eine halbe Stunde oder eine Stunde vorher, bevor die Auf­führung begann, im Dorf herumlief mit seinem Schwanz – denken Sie! – und mit einem Kuhhorn nun überall da in die Fenster hinein-tutete und den Leuten erklärte, sie müßten kommen, das gehörte sich so. Dann sprang er auch auf Fuhrwerke hinauf und trieb so seinen Unfug. Wir könnten es ja einmal probieren, vielleicht könnten sich die Sympathien für uns nicht vermindern, sondern sogar etwas ver­größern. Aber bis jetzt haben wir immer noch geglaubt, solche Dinge müßten wir eigentlich weglassen.
So wurde also dieses einstudiert. Und wenn dann die Adventszeit herankam, wurde das Paradeis-Spiel gegeben, wie wir es hier vor einigen

Bovendien moest je wanneer je iets, een gebaar dat ingestudeerd was, niet meer wist, een boete betalen. Ook dat kunnen we hier natuurlijk niet overnemen. De entree bedroeg twee Kreuzer, kinderen betaalden de helft. Twee Kreuzer zijn vier centimes. Dat kunnen we ook niet overnemen. En ook niet, dat om de mensen uit te nodigen de duivel een half uur of een uur van tevoren, voor de opvoering begon, door het dorp liep met z’n staart – en stel je voor – met een koeienhoorn dat hij overal door de ramen toeterde en tegen de mensen zei dat ze moesten komen, dat hoorde! Dan sprong hij op de karren en haalde kattekwaad uit. We zouden het eens kunnen proberen, misschien zou het de sympathie voor ons niet doen afnemen, maar juist misschien wel wat groter doen worden. Maar tot nog toe hebben we gedacht dat we zulke dingen maar achterwege moeten laten.
Zo werd dit dus ingestudeerd. En als het dan advent werd, werd het Paradijsspel gespeeld, zoals wij een

blz. 95

Tagen gegeben haben, zur Zeit der Weihnacht das Christ-Ge­burt-Spiel und zur Zeit des Heiligen Dreikönig-Festes das Herodes­oder Dreikönig-Spiel, welches Sie noch sehen werden oder schon ge­sehen haben.
Wir können es diesen Stücken in der äußerlichen Struktur anse­hen, wie geartet diese besondere bäuerliche Frömmigkeit war, die sich da so wundersam noch erhalten hat. Diese Frömmigkeit trägt ihre ehrliche, ihre innere Wahrheit dadurch zur Schau, daß sie alle Sen­timentalität vermeidet und dafür eine ganze selbstverständliche Derb­heit hat. Dieses derbe Wesen, dieses Sich-Ergehen in derben Späßen, ist etwas, was überhaupt den Volksspielen, trotzdem diese Leute volle, ehrliche Frömmigkeit hatten, durchaus eignete. Das ist das besonders Charakteristische. Sie werden daher auch hier Szenen von großer Feierlichkeit sehen und solche Szenen, welche massive Derbheit des Bauerntums, des Volkstums zur Schau bringen.
An solch einer Bemerkung, wie sie der Vorsinger, der Anführer der Singer, macht, wo hingewiesen wird, daß der Rhein da in der Nähe ist, sehen Sie eben, daß die Dinge aus der Gegend nördlich vom Rhein hier nach dem Osten hinübergewandert sind, und sie haben wirklich durchaus auch sich die Sprache erhalten.

een paar dagen geleden hebben gedaan; tegen kersttijd het spel van de geboorte van Christus en tegen de tijd van het heilige driekoningenfeestr het Herodesspel of het Driekoningenspel dat u nog gaat zsien of al gezien hebt.
We kunnen aan de uiterlijke opzet van deze stukken zien, hoe het stond met deze boerse vroomheid, die nog zo prachtig bewaard gebleven is. Deze vroomheid brengt de eerlijke, de innerlijke waarheid naar buiten en daarmee wordt alle sentimentaliteit vermeden en daarvoor in de plaats komt een heel vanzelfsprekende houding van ruwe bolster, blanke pit. Dit wat ruwe, ook in de grappen, was iets wat bij de volksspelen hoorde, ondanks dat deze mensen eerlijk vroom waren. Dat is het bijzonder karakteristieke. U zal hier ook scènes zien vol grote plechtigheid, maar ook die het wat stevig ruwe van het boerenleven, van het volkse laten zien.
Aan zo’n opmerking als de voorzanger, de leider van de zangers maakt, waarbij erop gewezen wordt dat de Rijn in de buurt ligt, kan je zien dat deze dingen vanuit de omgeving noordelijk van de Rijn naar het oosten gekomen zijn en zeer zeker is ook de taal bewaard gebleven.

Es hat Karl Julius Schröer die Dinge nach dem Gehör aufgezeichnet, von seiten derjenigen, welche diese Stücke dazumal in den vierziger, fünfziger Jahren des vorigen Jahrhunderts auswendig gekannt haben und sie öfter aufgeführt hat­ten. Dabei sind mancherlei Fehler unterlaufen. Und diese Fehler, die da in dem Schröerschen Druck unterlaufen sind, haben es mir unmög­lich gemacht, daß ich der Anforderung nachgekommen wäre, einen Text dieser Spiele neu drucken zu lassen, denn man müßte sich wahr­haftig viele Wochen damit beschäftigen, die ursprüngliche Fassung, die echte, ehrliche Fassung wieder herzustellen. Man kann natürlich nicht sein Einverständnis damit geben, einen schlampigen Text her­zustellen. Sehen Sie, man kommt auf manches erst nach sehr, sehr lan­ger Zeit. Der gedruckte Text war durchaus korrumpiert, zum Beispiel muß er an dieser Stelle heißen:
                                              Adam, nimm an den lebendigen atem,
                                              Den du empfangest mit dem datem…

Ksrl Julius Schröer heeft wat hij hoorde opgetekend, van mensen die deze stukken toen in de jaren veertig en vijftig van de negentiende eeuw uit hun hoofd kenden en ze vaker hadden opgevoerd. Daarbij zijn er wel fouten ingeslopen. En deze fouten die ook in wat Schröer heeft laten drukken, terecht zijn gekomen, hebben het voor mij onmogelijk gemaakt dat ik aan de vraag had kunnen voldoen om een tekst van de spelen opnieuw te laten drukken, want dan moet je je toch weken bezighouden met de oorsrponkelijke vorm, het herstellen van de echte, eerlijke vorm. Je kan het natuurlijk niet maken om een slordige tekst samen te stellen. Je komt pas op veel dingen na een zeer, zeer lange tijd. De gedrukte tekst klopt beslist niet op een plaats als deze bv.

Adam, nimm an den lebendige atem
Den du empfangest mit dem datem

(In de tekst van Sanne Bruinier:
Adam, nu neemt den adem des levens,
dien ghy ontfaet mit deuzen dach
blz. 96

nämlich: mit diesem Datum. Das ist: von diesem Tage an bekommst du den lebendigen Atem.
Man muß, wenn man diese Dinge heute auf die Bühne bringen will, die Gewissenhaftigkeit haben, sich solche Texte herzustellen. Und so werden wir uns bemühen, meine lieben Freunde, Ihnen, trotzdem wir uns moderner Mittel bedienen müssen, ein Bild von der Art und Weise zu geben, wie solche Dinge ursprünglich gespielt worden sind, wie im Volkstum gesucht worden ist echte Frömmigkeit. Ich werde man­ches noch ausführen bei der nächsten Aufführung des Herodes-Spiels. Es ist hervorgegangen auch wiederum aus einem künstlerischen Ele­mente, das sich gerade in Mitteleuropa ergeben hat wie eine volks­tümliche Vorführung uralter dramatischer Kunst.

nl. ‘mit diesem Datum’. Dat betekent: vanaf deze dag krijg je de levende adem.
Je moet, wanneer je deze dingen op het toneel wil doen, zeer nauwkeurig zijn bij het samenstellen van dit soort teksten. En op deze manier, beste vrienden, doen wij moeite, u ondanks dat we moderne middelen moeten gebruiken, een beeld te geven van de manier waarop deze dingen oorspronkelijk werden gespeeld, hoe in het volkse werd gezocht naar echte devotie. Bij de volgende opvoering van het Herodesspel zal ik nog veel meer aan de orde stellen. 
Dat stamt ook weer uit iets kunstzinnigs, dat juist vanuit Midden-Europa gekomen is als een volkse uitbeelding van oeroude dramatische kunst.

Sie werden sehen, wie da Chöre sind, und aus den Chören der Dia­log und das andere Dramatische herauswächst in einer wunderschö­nen Weise. Es ist wirklich so, wenn man dieses Primitive mit den griechischen Tragödien vergleicht, so sieht man, wie da in diesen volks­tümlichen Gegenden eine sehr schöne Fortsetzung ist. Und der Kon­takt, der da ist mit dem ganzen Publikum, daß man eigentlich sich als Mitspielender mit dem Publikum als eins fühlt, tritt insbeson­dere in dieser Begrüßung von allem zutage, was in dem Saal und außer dem Saale ist, was auf der Erde und außer der Erde ist. Das brachte etwas zutage, etwas zu fühlen von Heimischsein. Das ist dasjenige, was diesen Spielen den besonderen künstlerischen Reiz gibt.
Wir möchten uns damit eben bemühen, Ihnen in lebendiger Art ein Stückchen Geschichte, das im Grunde genommen draußen, außer un­seren Kreisen schon zum größten Teil verlorengegangen ist, vorzu­führen.

U zal zien dat er koren zijn en hoe vanuit de koren de dialoog ontstaat en andere dramatiek op een wonderschone manier. Het is werkelijk zo dat wanneer je dit primitieve met de Griekse tragedies vergelijkt, je ziet hoe dat in deze volkse streken wordt voortgezet. En het contact dat er met het hele publiek is, dat je je als speler één voelt met het publiek, komt heel bijzonder naar voren in de begroeting van alles wat er in de zaal en buiten de zaal is, wat op aarde is en wat daarbuiten. Dat liet iets zien, deed iets voelen van ‘thuis-zijn’. Dat geeft deze spelen zo’n bijzondere kunstzinnige glans.
We proberen graag u op een levendige manier een stukje geschiedenis te laten zien dat in wezen in de wereld, buiten onze kringen al voor het grootste deel verloren is gegaan.

.

[1] GA 274
[2] GA 274
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2093-1965

.

.

.

.

.