VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (36)

.
W.F.Veltman* in Vrije Opvoedkunst**, nr. 7/8 2012
.

kerstmis en de engelen
.

Ik geloof niet dat er veel mensen zijn – waarschijnlijk niet één – die op kerstavond de geboorteverhalen uit twee evangeliën: van Lucas en van Mattheüs, voorlezen in de familiekring, of voor zichzelf alleen. Schilders hebben door de eeuwen heen wel degelijk een combinatie van de twee overleveringen uitgebeeld. Ook de beroemde Vlaamse schrijver Felix Timmermans doet dit in zijn vertelling Het Kindeke Jezus in Vlaanderen. Alhoewel, we zien nooit de herders en de koningen gezamenlijk geknield liggen voor de kribbe in de stal te Bethlehem.

Verschillen

Als de twee verhalen in de schilderkunst niet worden gecombineerd, vallen enkele markante verschillen in het oog.

In de voorstelling volgens welke de herders bij het Kind komen (Lucas 2, 1-20), ligt het pasgeboren baby’tje in de kribbe, of ook wel op een bos stro op de grond. Het kind dat de koningen komen bezoeken en vereren (Matth. 2, 9-12), is afgebeeld op de schoot van de moeder – dus al iets ouder. Dat is, voor zover ik kan nagaan, een vaste traditie geweest.

Als we deze twee geboorteverhalen na elkaar lezen en daarna vergelijken, dan zien we enorme verschillen die niet zijn toe te schrijven aan verschillende tijdstippen van het bezoek en de aanbidding. Ook wat ervóór en erna is gebeurd, de voorgeschiedenis en het vervolg, dat is allemaal totaal verschillend.

Waarom geen verklaring?

Hoe is het toch mogelijk dat de verklaring van die verschillen in de loop van de tijd niet duidelijk naar voren is gebracht? Wilde de kerk dat niet? En zo ja, waarom niet? Mochten de gelovigen van Rome de Bijbel zelf niet lezen, omdat dan wellicht lastige vragen gesteld konden worden? Dat was zeker het punt niet. De kerk hanteerde dit als geheimhouding zoals in de oude mysteriën de inhoud van hun leringen ook niet vrij naar buiten mocht komen. Evenwel, de Bijbel werd in de loop van de tijd door hervormers vertaald uit het Latijn in verschillende landstalen, en de protestanten konden de evangeliën lezen, en niet alleen de zogenaamd ‘hogeropgeleiden’ maar ook de eenvoudige mensen zoals een molenaarsvrouw, moeder van Rembrandt. Alleen: een verklaring van de in het oog springende verschillen in de geboorteverhalen kwam met de Hervorming evenmin tevoorschijn.

Twee kinderen

Toch mogen we niet voorbijgaan aan het feit dat juist bij de schilders een mogelijke verklaring van de twee verschillende geboorteverhalen is te vinden. Er bestaat namelijk een niet gering aantal afbeeldingen, uit de Renaissancetijd vooral, waarop twee Jezuskinderen zijn te zien, soms zelfs samen met een derde jongetje dat overduidelijk door een bepaald attribuut dat het draagt, Johannes de Doper is.

Dat het in werkelijkheid om twee Jezuskinderen en twee ouderparen gaat, is ook duidelijk door passages uit de zogenoemde Dode Zeerollen, teksten van de Essenen (een soort kloostergemeenschappen in Palestina en Egypte uit de tijd rond het begin van onze jaartelling), ontdekt in het midden van de twintigste eeuw in grotten aan de oever van de Dode Zee. In deze teksten wordt gesproken over twee Messiasfiguren, één uit de koninklijke lijn en de andere uit een priesterlijke lijn, zoals de evangelisten Mattheüs en Lucas eigenlijk ook in hun twee verschillende stambomen van Jezus hebben overgeleverd.

De koninklijke lijn bij Mattheüs vangt aan met de Davidszoon Salomo. Het kind uit die lijn zou dus het Salomonische Jezuskind genoemd kunnen worden. De andere lijn uit het Lucasevangelie, vangt aan met Nathan[1], eveneens een Davidszoon met dezelfde moeder als Salomo: Bathseba. Deze Nathan was een priesterlijke figuur; van hem is verder niets bekend. Het kind uit die lijn zou je het Nathanische Jezuskind kunnen noemen.

Het is Dr. Rudolf Steiner die als eerste in het begin van de twintigste eeuw in zijn voordrachten over de evangeliën het raadsel van de verschillen in de geboorteverhalen op uitvoerige en duidelijke wijze bespreekt en oplost.

Engelen

Ik wil nu echter over een ander element in deze ‘boodschappen’ betreffende de geboorte van Jezus Christus spreken, waarop meestal niet zozeer de nadruk wordt gelegd, omdat de Europese cultuur sinds de zeventiende eeuw de engelenwereld de rug heeft toegekeerd, maar welk element van de allergrootste betekenis is om met de allerdiepste eerbied de boodschap van Kerstmis te benaderen.

In beide berichten wordt over engelen gesproken. De engel die aan Maria in het Lucasevangelie de geboorte aankondigt – alleen door Lucas verteld, bij Mattheüs is daarvan geen sprake – en de engel die Jozef ervan weerhoudt Maria – een andere Maria dan de door Lucas genoemde – te verlaten, toen hem was gebleken dat zij zwanger was “eer zij samengekomen waren”. Deze geschiedenis waarmee Mattheüs’ vertelling begint, slaat dus niet op de timmerman uit Nazareth waar Lucas over spreekt, maar op een reeds wat oudere Jozef, woonachtig in Bethlehem, die door een wijzing van God gehuwd was – eigenlijk verloofd – met een nog zeer jonge vrouw, een meisje nog, dat eveneens uit het Davidsgeslacht stamde.[2] Zij wordt ook Maria genoemd, maar de evangelist Johannes, die door Christus vanaf het kruis op Golgotha tot behoeder van deze vrouw wordt geroepen, vermeldt haar naam niet. Hij noemt haar slechts ‘de Moeder van Jezus’. Was haar werkelijke naam wellicht ook een toegedekt geheim?

Ontvangenis

Het is duidelijk dat de beide ouderparen in beide gevallen zich van geen bevruchtingsdaad bewust zijn geweest en in beide gevallen heeft de engel dit op markante wijze aangeduid. Hij [3] spreekt namelijk tot de oude man Jozef en tot de eveneens nog heel jonge vrouw van de timmerman over een bevruchting door de Heilige Geest. Deze zogenoemde ‘onbevlekte ontvangenis’ is oorspronkelijk door de gelovigen als een goddelijk wonder aangenomen. Natuurlijk zijn dienaangaande later twijfels ontstaan, wanneer vele mensen niet meer aan godswonderen kunnen en willen geloven. In het begin van de Europese beschaving werden echter alle ‘welgeboren’ kinderen uit een bepaalde cultuurstroom (Germaanse mysteriën in Noord-Europa) in een slaaptoestand van de beide ouders verwekt. Herinneringen daaraan vinden we in het Oudnederlandse woord ‘bijslaap’ voor paring. Dit nog in heiligheid voltrokken gebeuren werd door priesters geleid. Het vrijwaarde de aldus naar de aarde indalende mensenziel van een te sterke door zinnelijke lust geleide incarnatie. Hoe dit oude gebruik in de joodse tempelgeheimen is gekomen, weten we niet. Bij Steiner heb ik daaromtrent niets gevonden, hoewel hij dit gebruik in verband met Jezus’ geboorte wel vermeldt en zegt dat deze onbewuste paring ‘geboren uit de Heilige Geest’ werd genoemd.

Het Heiland-wezen

In het geboorteverhaal volgens Mattheüs wordt verder niets over engelen gezegd. Een hemelse ster heeft de koningen naar Bethlehem geleid. Dat wijst op een uitzonderlijke individualiteit die in dit kind op aarde komt. Welke individualiteit is dat? Het antwoord op deze vraag vinden we in het heilige boek van het oude Iran, de zogenoemde ‘Zend Avesta’. Deze Avesta spreekt over de wederkomst van de grote, wijze leider van de Iraanse godsdienst, Zarathoestra, als toekomstige Heiland – een redder, een genezer – maar ook over een hoger wezen dat op deze Heiland zal nederdalen. Dit is een duidelijke profetische verwijzing naar de Jordaandoop waarbij de Christusgeest, in de Avesta aangeduid met de woorden: “de uit de Vader in eeuwigheid geboren”, indaalt in het Jezuskind dat een volwassen man van dertig jaar is geworden.

Ik geef hier de in het Nederlands vertaalde tekst van de bedoelde plaats in de Avesta (Yasht 19):

De machtige, de koninklijke
beloftedragende zonne-ether-aura
de godgeschapene [eigenlijk: “uit de Vader in eeuwigheid geboren”]
vereren wij in het gebed,

die over zat gaan op de zegenrijkste der heilanden
en op de anderen, zijn apostelen,
die de wereld voorwaarts zal brengen,
die overwinnen zal ouderdom en dood, ontbinding en verval,
die haar brengen zal tot eeuwig leven,
tot eeuwig gedijen, tot vrije wil,
als de doden weer worden gewekt,
als de levende overwinnaar van de dood komt,
en door zijn wil de wereld wordt vernieuwd, [4]

Deze indrukwekkende tekst, eeuwen vóór de komst van Christus op aarde genoteerd in het Nabije Oosten, is een van de belangwekkendste voorchristelijke benaderingen van het Christusmysterie.

Nu komen natuurlijk in verband met het voorafgaande de klemmende vragen: bij de Jordaandoop werd door Johannes de Doper toch slechts één Jezus gedoopt? Welke van de twee was dat, en waar was de andere Jezus dan?

De Twee in Eén

Ik heb heel lang geleden in het Brits Museum te Londen een ‘ansichtkaart’ gekocht met de afbeelding van de Jordaandoop op een zesde eeuws geïllustreerd handschrift. Daar is Jezus in het rivierwater te zien als een dubbele figuur, als een Siamese tweeling. In de daarbij behorende tekst is geen verklaring van deze merkwaardige dubbele figuur te vinden. Men wist in die vroege tijden blijkbaar nog iets van het geheim van twee-in-één. De één-wording van de twee kinderen is in het evangelie van Lucas wel aangeduid, maar tegelijkertijd verborgen. Het zijn echter schilders die meer van dit geheim wisten en het op een bepaalde manier tot uitdrukking brachten. Het meest vermeldenswaardig in deze samenhang is een schilderij van Borgognone: ‘Disputa con i dottori’. Het hing vroeger in de sacristie van de oude Basilica di San Ambrogio te Milaan. Ik heb het daar in 1958 nog gezien. Daar is het na de restauratie niet teruggebracht, doch in een museum gehangen.

De twaalfjarige

Lucas vermeldt in zijn evangelie (2, 41 ev.) dat Jezus op twaalfjarige leeftijd met zijn ouders uit Nazareth naar Jeruzalem reist om het paasfeest te vieren. Maar als de timmerman en zijn vrouw naar huis willen keren, is het kind verdwenen. Ze zoeken hem gedurende drie dagen en vinden hem tenslotte in de Tempel in gesprek met schriftgeleerden die ten hoogste verbaasd zijn over de wijsheid en kennis van deze twaalfjarige. Zijn ouders zullen daarover zeer zeker ook uitermate verbaasd zijn geweest, maar ze beknorren hem alleen een beetje over zijn driedaagse onvindbaarheid en keren heel blij dat hij is teruggevonden met hem naar huis. Dit kind was voordien – alle overleveringen betreffende hem stemmen daarin overeen – één en al liefelijkheid, vol liefde en erbarmen voor mens en dier, doch zonder enig blijk van weten, van kennis, van enige vertrouwdheid met aardse dingen. Nu was hij totaal veranderd, een overrijpe geest sprak nu uit de jongen, van wie de evangelist aan het slot van zijn hoofdstuk schrijft: “En in Jezus groeide de wijsheid en rijpte het karakter en zijn gestalte was schoon voor God en mensen” (vert. Ogilvie, priester van De Christengemeenschap).

Op het schilderij van Borgognone zien we een in het rood gekleed, stralend kind, zittend op een soort verhoogde troon, omringd door mannen, eerbiedwaardige en wijze geleerden, terwijl een ander kind links op de voorgrond wegloopt naar zijn moeder en vader. Dit kind is niet stralend, maar ziet er zwak uit met een gebaar van de rechterhand op zijn hart en met de linkerhand een gebaar van weggaan, van verlaten.Dit kind was oorspronkelijk nog in blauw gewaad gekleed om het verdwijnende, het afzien-van in de kleur duidelijk tot uitdrukking te brengen. Zo heb ik het schilderij nog gezien, maar met de restauratie is ook het verdwijnende kind met een rood gewaad bekleed. Daardoor is gesuggereerd dat het hetzelfde kind is als de op de troon zetelende jongen. In de Middeleeuwen schilderde men immers vaak om het verloop van een gebeuren aan te geven de handelende of anderszins centrale figuur op hetzelfde tafereel meer dan eenmaal.

Is dit hier onwetendheid, of is dit op kerkelijk gezag geschied?

Men had het schilderij al vóór de restauratie van de San Ambrogio weggehaald, omdat voortdurend bepaalde toeristen er zo dringend naar vroegen. Dat waren antroposofen. Wat wisten die? Het geestelijkwetenschappelijk onderzoek van Rudolf Steiner over het hier afgebeelde gebeuren deelt ons mee wat Lucas niet in het evangelie onthult.
Het andere kind, de Salomonische Jezus, was met Pasen ook met zijn familie uit Nazareth naar Jeruzalem gegaan. Hoe waren deze mensen in Nazareth gekomen? Vader en moeder van deze jongen waren onmiddellijk na het bezoek van de drie koningen op aandringen van een engel met hun kindje uit Bethlehem gevlucht, want Herodes wilde dit kind, de ware koning van Judea naar hij van de Wijzen uit het Oosten had vernomen, vermoorden om zijn eigen onterechte koningschap – hij was zelfs niet eens 0 van joodse afkomst! – niet te verliezen.

Deze ‘vlucht naar Egypte’ is een beroemd motief uit het Mattheüsevangelie, ook vele malen in kunstwerken vereeuwigd. De gevluchten verbleven twee jaar in de heilige Egyptische zonnestad Heliopolis, totdat ze hadden vernomen dat Herodes gestorven was. Ze keerden terug, doch niet naar Bethlehem, maar naar het ver daarvan gelegen Nazareth in Galilea, waar zij tezamen kwamen met de timmerman Jozef met zijn vrouw en kind, eveneens ‘Jezus’ geheten. In Nazareth was ook een belangrijke vestiging van de Essenen!

Eén-wording

Tijdens de drie dagen dat het Nathanische kind voor zijn ouders onvindbaar was, heeft zich tussen de twee Jezuskinderen, die elkaar dus al vele jaren kenden en innig bevriend met elkaar waren, een bijzondere gebeurtenis afgespeeld. Het ‘ik’ van de Salomonische Jezus was, zoals we hebben gehoord, het machtige, wijze ‘Ik’ van de ingewijde leraar Zarathoestra. Dit Ik-wezen verliet lichaam en ziel van de Salomonische Jezus en doordrong het lichaam en de ziel van het Nathanische kind, waardoor de verbazingwekkende verandering in het drie dagen ‘zoekgeraakte’ kind zich voltrok. Het Salomonische kind offerde zich aan het andere kind, opdat er kon geschieden wat geschieden moest: het machtige, kosmisch-aardse offer van Golgotha.

Zonder menselijk ‘ik’ kon dit Salomonische kind natuurlijk niet voortleven; hij stierf kort daarna.

Moest dit Zarathoestra-lk dan bij de andere jongen eerst een ‘ik’ uitdrijven om voor zich zelf plaats te maken? Neen, dat hoefde niet, want dit kind had geen menselijk ‘ik’ in normale zin. Het had een ik-aanleg, maar die was niet ontwikkeld, want het had geen aardse incarnaties gehad; het had geen karma, het was het volkomen onschuldige, onbezoedelde, in zekere zin goddelijk te noemen oorsprongswezen van de mens.

De grote christelijke leraar Origenes, later als ‘ketter’ door de kerk miskend, was wetend omtrent dit Kind en hij noemde het de ‘anima candida’, de reine ziel, het hogere wezen van de eerste mens, Adam.

Engelen in het Lucasevangelie

Het mag wellicht duidelijk zijn dat de ‘Nathanische Jezus’ wiens geboorte Lucas beschrijft, een geheel ander wezen was dan de ‘Salomonische Jezus’ uit het Mattheüsevangelie. Dat zien we al direct bij de verkondiging aan Maria, maar ook aan het grote verschil ten aanzien van de andere Maria, moeder van de ‘Salomonische Jezus’. De geschiedenis van deze Maria is niet in de Bijbel te vinden, maar er bestaat een apocrief evangelie (en als schrijver daarvan wordt ook Mattheüs genoemd), waarin de geboorte en lotgevallen van haar zijn beschreven. Dit prachtige verhaal over de ouders Joachim en Anna, Maria’s geboorte en haar opgroeien in de Tempel, haar verloving met Jozef door de goddelijke wijzing, dat alles was in de Middeleeuwen bijzonder geliefd en vele malen in fresco’s en beeldhouwwerken afgebeeld.

De Maria van het Lucas-evangelie geniet wel dezelfde verering, maar haar herkomst is niet bekend. Zij is plotseling aanwezig na de uitvoerige beschrijving van de ouders en van de geboorte van Johannes de Doper (Lucas 1). Maria is er als verloofde van de timmerman uit Nazareth en we weten niets van haar behalve het bezoek van de engel die haar groet en de geboorte aankondigt van haar zoon (Lucas 1). Hoewel ze daardoor hevig ontroerd is en in zekere zin bevangen, is het alsof ze toch vertrouwd is met zo’n bovennatuurlijke bezoeker. De engel zegt wel: “Wees niet bevreesd,” maar er is eigenlijk geen sprake van vrees bij haar, slechts ontroering en verwondering over wat haar wordt verkondigd. Zij is ‘de dienstmaagd des Heren’ en zij zegt simpelweg: “mij geschiede naar uw woord”. Het lijkt alsof zij zelf tot het engelrijk behoort.

Bij het daarop volgende bezoek aan haar nicht Elizabeth spreekt ze dan die eenvoudige maar toch zo verheven woorden uit van de lofzang, welke later als ‘magnificat’ zo vele malen in de Europese muziek is vereeuwigd.

Bij de verkondiging aan de herders ’s nachts op het veld is in zekere zin ook die ‘god-nabijheid’. Want wanneer de engel tot hen komt in de slaap, komt hij niet alleen: de Heerlijkheid des Heren omscheen hen en zij werden bevangen door grote vrees. Deze ‘Heerlijkheid des Heren’ (Ogilvie vertaalt het Griekse ‘doxa’ dat er staat met ‘het Openbaringslicht van de Heer[1]), is er niet bij de andere engelverschijningen. Vervolgens openbaren zich aan de herders alle scharen van de engelen, dus de totaliteit van de gehele hiërarchische goddelijke wereld, welke de engel presenteert met de woorden: “Heden is voor u geboren de Heilbrenger, het is Christus de Heer…” Deze heirscharen zingen over dit openbaringslicht van de Heer. De Latijnse vertaling van deze woorden luidt “Gloria in excelsis Deo”, wat in de Nederlandse Statenvertaling werd: “Ere zij God in den hoge…” Ogilvie vertaalt wederom: “Geopenbaard zij God in hemelhoogten”, want wat staat daar weer in het Grieks? Weer dat geheimzinnige woord ‘doxa’. Zoek je dit woord op in het woordenboek, dan vind je daar een overstelpende veelheid van betekenissen; ik zal ze niet allemaal opnoemen, maar als je beseft wat de herders beleven, begrijp je hun ‘grote vrees’. Zij hebben in hun slaap de geweldige, onvoorstelbaar verheven licht-ervaring van Christus die als ‘uit de Vader in alle eeuwigheid geboren’ de alheid van de hemelse hiërarchieën in zijn wezen samenvat.

Het is duidelijk dat Lucas in zijn geestelijke schouwing dit hoge wezen ten nauwste met Jezus verbonden ziet. Na dertig jaar is deze ‘geboorte’ door de Jordaandoop pas geestelijk en lichamelijk volledig voltrokken.

Het kerkelijk dogma dat het concilie van Ephesos (431) heeft vastgesteld dat Maria, de moeder van het Nathanische kind, de moeder Gods is, berust dus op een vergissing: zij is de moeder van de reine zondeloze mens die mede door het offer van het Salomonische kind het dienende ‘instrument’ wilde zijn voor de werkelijke mens-wording van God, van de Logos of Godszoon die door zijn wederopstanding uit de dood de door de Avesta en door de Bijbel als de grote Verlosser en Brenger van Vrijheid wordt beschreven.

Kerstmis mogen we niet in een nieuwe zin vieren als we de doop in de Jordaan (6 januari) daarbij niet mee betrekken en als we niet een nieuwe weg tot de goddelijk-geestelijke wereld willen betreden. 

Noten

• Zie voor literatuurlijst en afbeeldingen ook: De twee Jezuskinderen, door Loek Dullaart, ABC Wegwijzer 5.

1 Deze Nathan is niet de Nathan uit het Oude Testament die David berispt.
2 Zie het apocrieve Mattheüs-evangelie.
3 Dit is zonder twijfel Gabriël die ook in het Lucasevangelie wordt genoemd.
4 Deze vertaling is naar de Duitse vertaling van Herman Beek.

Meer over dit onderwerp: De twee kerstkinderen en hier

In dit artikel worden de verschillen omtrent de twee Jezuskinderen door de wetenschap opgemerkt: Kerstverhaal is te mooi om waar te zijn

Kerstmis: alle artikelen

*W.F.Veltman

**VRIJE OPVOEDKUNST

.

2092-1964

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (6-2)

.

In het boek ‘Das Jahr der Heiligen’ staat voor elke dag van het jaar een legende en/of een beschrijving van een heilige aan wie deze dag is gewijd.

Voor 24 december zijn dit Adam en Eva. 
De 24e december, aan de vooravond van Kerstmis, heet Adam en Evadag.

‘Het heiige kerstfeest en Adam en Eva’

Op 24 december gedenkt de kerk de stamouders van het geslacht mens, Adam en Eva.
Adam is een Hebreeuwse naam en betekent ‘de uit de aarde geborene, de aardemens’, d.w.z. van roodachtige aarde gemaakte mens’.

Volgens de leer van de Vaderen werden Adam en Eva van de zonde verlost door de verlossingsdaad van Christus die voor alle mensen geldt en zij kregen een plaats in de christelijke heiligenkalender, niet zonder diepere betekenis, aan de vooravond van Kerstmis.

Adam en Eva hebben de zonde in de wereld gebracht, Christus, de tweede Adam, heeft die weggenomen.
Adam is de stamvader van het door zonde verdorven mensengeslacht, Christus de stamvader van de mens die door zijn verzoeningsdood gereinigd en geheiligd werd.
Adam en Eva hebben door hun zonden de hemelpoort voor hun nageslacht gesloten, Christus heeft deze weer geopend. 
Adam en Christus staan terecht bij elkaar.

Na de verdrijving uit het Paradijs bereikten de stamouders, zoals de Bijbel bericht, een zeer hoge leeftijd: Adam zou 930 jaar op aarde hebben geleefd. Hij werd op de Kruisweg begraven en wel zoals de legendetraditie verhaalt, op de plaats waar duizenden jaren later het kruis van de Heiland opgericht werd. 
Dat is vaak weergegeven op oude afbeeldingen.
Aan Adam had zich het woord voltrokken: ‘stof zijt gij en tot stof zult ge wederkeren’ (Gen.3:19). Christus hief dit oordeel weer op door zijn verlossingsdaad, want hij sprak: ‘Ontwaak, slaper, sta op uit de dood, (Ef. 5:14), ‘Door toedoen van één mens begon de dood te heersen, als gevolg van de val van die mens. Zoveel heerlijker zullen zij die de overvloed der genade en de gave der gerechtigheid ontvangen, leven en heersen, dank zij de ene mens Jezus Christus. (Rom. 5-17)
Door Adam het onheil, door Christus het heil.

Ook Adam en Eva zijn beschermheiligen: om bekende redenen: die van de tuinlieden en kleermakers. 

Adam en Eva maken ook deel uit van de rij heiligen die aan de koning van de heiligen, Gods zoon in de kribbe, hun gaven wijden. Op de 24e december wordt het feest van de geboorte van de Heer, het mensworden van God, ingeluid.

Op 24 december viert de kerk de kerstnachtwake, de nachtmis die plaatsvindt vóór de grote feesten van Kerstmis, Pinksteren, Hemelvaart e.a..;
sinds de 14 eeuw is deze verplaatst naar de morgen van de 24e – als voorfeest. Het wachten op de verlosser dat in de voorafgaande adventstijd iedere dag sterker werd, bereikt daarmee het hoogtepunt. De gedachte die vandaag nog verwachting inhoudt, gaat morgen, de 25e december, in vervulling en veroorzaakt grote vreugde voor de komst van de Heer.

De echte geboortedag van Christus is onbekend. De geboorte om middernacht in Bethelem in Judea staat vast op het jaar 5 vóór de christelijke jaartelling. Het kerstfeest werd in Rome op z’n laatst nog gevierd op 25 december 336, misschien ook nog meteen na het Concilie van Nicea (325). Vanuit Rome begon het kerstfeest zijn zegetocht in de wereld en kwam in de 4e eeuw nog voor in de Oriënt waar tot dan toe de geboorte van de Heer op 6 januari op Driekoningen werd gevierd, wat in de kerk van het Oosten vandaag nog het geval is. 
De Roomse kerk koos 25 december voor het geboortefeest van Jezus Christus, omdat ze daarmee de heidense Mitrascultus en het op dezelfde dag gevierde ‘sol invictus’ – onoverwonnen zon – verdrong door de geboorte van Christus, de ‘zon van de gerechtigheid’. 
Natuurlijk hangt de keuze van dit tijdstip ook met het weer stijgen van de zon samen die na 21 december – de laagste stand – weer de weg omhoog gaat. 
Zo lag het voor de hand dat toen al de christenen dit natuurverschijnsel als gelijkenis voor de geboorte van die mens ervoeren die het ‘ware licht van de wereld’ is. 
Een verwijzing hiernaar zit in de derde kerstmis waarbij het Johannesevangelie wordt gelezen: ‘In het begin was het woord…(Joh.1:14)
De Heilige Avond is voor de christenen het meest intieme van alle feesten; de kerstnacht verbindt alle mensen van goede wil en vrede en liefde, haar licht wakkert de hoop aan. De kerk viert dit in de nachtmis. 
In de ochtendschemering van de 25e december viert ze dan [1965]’- Duits  het Hirtenamt en later op de dag nog een ‘Festmesse’.
Onderwerp van het kerstmisgeheim is de geboorte van de zoon van God die mens is geworden uit een maagdelijke moeder in de stal van Bethlehem.
Daarin wordt alle genade en alle heil gevonden die we in het tegenwoordige leven ontvangen en in een toekomstige leven op hopen.

Kerstmis is het feest van de liefde en de komst van God naar ons mensen. ‘Zo lief had God de wereld dat hij zijn enige zoon gaf…'(Joh. 3:16)
Naast de goddelijke zoon staat Maria, zijn moeder, die hem het leven schonk. Nasst Maria verschijnen in verschillende losse feesten de heiligen als getuigen van de daarin volbrachte verlossing en als leermeesters voor ons die voorbereid moeten worden op de verlossing die door de tweede wederkomst van Christus volbracht wordt.

.

Kerstmis (6-1): Adam en Evadag

Kerstmis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Kerstmis

.

2091-1963

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 6 (6-5)

.

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Enkele gedachten bij blz. 102 in de vertaling [1]

KARAKTERISEREN

Keer op keer zal Steiner aangeven hoe belangrijk het is een ‘zaak’ van verschillende kanten te bekijken. ‘Karakteriseren i.p.v. definiëren’ zou ik gerust een van zijn ‘lijfspreuken’ durven noemen. Ik heb die zelf ‘wegwijzers‘ genoemd en je zal er verschillende tegenkomen die over dit karakteriseren gaan.
Zie: 15172087121163243245 297330

Op blz. 106 heeft Steiner het over ‘de gestalte van het menselijk lichaam‘. Dat zal later – vanaf de 10e vdr. – weer gebeuren, a.h.w. in het kader van de ‘grote’ beschouwing: de mens vanuit  geest – ziel  – lichaam.

Nu hanteert hij de begrippenrust’ en ‘beweging‘.
Daar hoort er nog een bij, die door Steiner hier niet wordt genoemd: ritme.

En wie inmiddels meer vertrouwd is met Steiners mensbeeld, ziet in één oogopslag ‘denken – voelen – willen’ terug; de karakteristiek vanuit het standpunt ‘ziel’ of 
‘hoofd – romp – ledematen’ vanuit het standpunt ‘lichaam’, met de samenhang: zenuw-zintuigsysteem – ademhalings-bloedsomloopsysteem en stofwisseling-ledematensysteem.

Bij het laatste hoort de beweging die voor een groot deel ook willekeurige beweging is; bij het ‘middensysteem’ behoort vooral de (onwillekeurige) ritmische beweging van hart en longen; en bij het hoofd behoort de betrekkelijke rust van het waarnemen, de bezinning. De temperatuur ligt hier lager dan bv. in de lever. Om te denken moet je ‘het hoofd koel houden’ (om te kunnen slapen: de ledematen warm). Een ‘heethoofd’ denkt niet na!

Het is voor iedereen duidelijk dat voor het denken rust nodig is, je moet je kunnen concentreren; afleiding van buiten – het woord zegt het al: je wordt weggeleid van waarmee je bezig bent – verstoort het denkproces, maakt het moeilijker. Ook waarnemen lukt niet goed, wanneer je voortdurend in beweging bent: je focus moeten vasthouden staand op een deinend schip en turend door een verrekijker, valt niet mee. 
Bij het waarnemen ontstaat – letterlijk vanuit de aard der zaak – afstand tussen jou en je waar te nemen object. 
Ik was eens in Pamplona waar de stieren door de straten renden. Er waren veel mensen die meerenden, die dus a.h.w. één werden met de grote beweging en absoluut geen zicht meer hadden op het totale proces en er waren mensen die als toeschouwer vanaf een balkon of etagekamer stilstaand toekeken. Zij hadden er in zeker opzicht geen daadwerkelijk deel aan; voor hen was het meer beeld – het werd ook vastgelegd op (film)camera.

Er is geen grotere polariteit denkbaar dan die van de bewegingen van de ledematen en de rust van het hoofd.

Op blz. 102 wil Steiner – bij wijze van voorstelling – die polariteit opheffen:

Blz. 104   vert. 102

Denken Sie sich jetzt einmal einen Augenblick gehend, aber die Welt betracbtend. Denken Sie sich: Nicht Ihr Unterleib müßte mit den Beinen gehen, sondern Ihr Kopf würde direkt die Beine haben und müßte gehen. Da würde in eins verwoben sein Ihr Weltbetracbten und Ihr Wollen.

Stelt u zich voor: u loopt en bekijkt tegelijkertijd de wereld om u heen. Let wel: de benen zouden niet aan uw onderlichaam vastzitten, maar direct aan uw hoofd, zodat het hoofd zou moeten lopen. Dan zouden uw beschouwen van de wereld en uw willen met elkaar verweven zijn.

Misschien zou dat er zo uitzien – getekend door een 3-4-jarig kind:

Door dat veel moeten bewegen van het hoofd, lijkt dat in eerste instantie op een grotere wakkerheid: je hebt dan ‘heel veel aan je hoofd’. Maar we kennen allemaal dat die vele activiteit, dat vele leven, juist niet tot een grotere concentratie leidt, maar tot een ‘drukte’ waardoor de dingen juist niet meer zo goed ‘lopen’ – d.w.z. voor het hoofd: in rust gedaan kunnen worden. “Iets” gaat hier met de rust ‘op de loop’. En eigenlijk is die overmatig lijkende wakkerheid, helemaal geen ‘meer bewustzijn voor de dingen’, maar juist minder: alsof we ervoor inslapen.

En dat is voor Steiner de realiteit: minder bewustzijn is meer droom en/of slaap – ook overdag:

Die Folge wäre, daß Sie nur schlafend gehen könnten.

Het gevolg zou zijn dat u zich slechts slapend zou kunnen voortbewegen.

Indem Ihr Kopf aufgesetzt ist auf die Schultern und auf den übrigen Leib, ruht er auf dem übrigen Leibe. Er ruht, und Sie tragen Ihren Kopf, indem Sie sich nur mit dem anderen Leib bewegen. Der Kopf muß aber auf dem Leibe ruhen können, sonst könnte er nicht das Organ des denkenden Erkennens sein. Er muß dem schlafenden Wollen entzogen werden, denn in dem Augenblick, wo Sie ihn in die Bewegung überführen, wo Sie ihn aus der relativen Ruhe in eine selbstgemachte Bewegung überführen würden, da würde er zum Schlafen kommen.

Doordat uw hoofd bovenop de schouders zit en bovenop de rest van het lichaam, rust het op het lichaam. Het hoofd is in rust en u draagt uw hoofd – terwijl ondertussen de rest van het lichaam in beweging is. Het hoofd moet wel op het lichaam kunnen rusten, anders zou het niet het orgaan van het denkende kennen kunnen zijn. Het moet onttrokken worden aan het slapende willen, want zodra u het hoofd in beweging zou brengen, zodra u het uit die relatieve rust zou halen en in een eigen beweging zou brengen, zou het in slaap vallen.

In dit ‘moet wel’ en ‘moet’ ligt een soort ‘noodzakelijkerwijs’ – het kan niet anders zijn – besloten.
Misschien is dat ook de betekenis van de woorden van Adam in het Paradijsspel: ‘Ach heer, hoe wijs heeft het al beschikt, u goddelijke majesteit’ wanneer hij zich over de schepping en over zichzelf verwondert.
Dat staat in een schril contrast met ‘de mens als toevalstreffer’ in de zin van: het had ook anders kunnen zijn. 
Gevraagd aan mensen die dit zo gauw in de mond nemen, hóe anders dan, komt nooit antwoord……

Dit is in mijn ogen ‘wijsheid omtrent de mens’, de eenvoudige omschrijving van ‘antroposofie’. En omdat we dit ‘wakker-slaap’-fenomeen (en vele andere verschijnselen ‘in en aan de mens’ zo aan den lijve kunnen ervaren, is antroposofie een werkelijkheid te noemen.

En met deze wijsheid verrijkt, kun je op een bepaalde manier naar mensen – en wat de leerkracht betreft – naar opgroeiende mensen kijken: hoe is het met de verhouding ‘hoofd-ledematen’, m.a.w. met wakker-slaap.
Niet om te definiëren, maar om te karakteriseren.

Het is o.a. een sleutel tot het begrijpen van waar het ene bij de mens/kind de overhand heeft en bij welk mens/kind het andere. 
We vinden daarvan iets terug wanneer Steiner de verschillende kindertypen karakteriseert die binnen het fenomeen ‘temperamenten’ gezien worden: GA 295 voordracht (o.a) 1 en 2.

In andere voordrachten (4) komt Steiner steeds weer terug op het hoofd als ‘meelifter’ met het voertuig van de beweging – ons lichaam – vaak het beeld van de koets gebruikend of van de trein en auto waarvan er in zijn tijd steeds meer gingen rijden.
Ook hier komt de ‘koets’ ter sprake:

Blz. 104  vert. 102

Das eigentliche Wollen läßt er den Leib vollziehen, und er lebt in dicsem Leibe drinnen wie in einer Kutsche und läßt sich von diesem Wagen weiterbefördern. Nur dadurch, daß sich der Kopf wie in einer Kutsche von dem Wagen des Leibes weiterbefördern läßt und während dieses Weiterbeförderns, während dieses Rubens handelt, ist der Mensch wachend handelnd. 

Het eigenlijke willen laat het hoofd over aan het lichaam en zelf leeft het in dit lichaam als in een koets*. Het laat zich door dit voertuig vervoeren. Doordat het hoofd zich als in een koets* laat vervoeren door het voertuig van het lichaam en ondertussen handelt – in rust handelt – is de mens een wezen dat met waakbewustzijn handelt.

*zie de 10e voordracht

Jetzt werden Sie etwas begreifen von der Gestalt des menschlichen Leibes.

Nu zult u ook iets kunnen begrijpen van de gestalte van het menselijk lichaam.

Nur wenn Sie die Dinge so zusammenhalten, kommen Sie auch zu einem wirklichen Begreifen der Gestalt des menschlichen Leibes.

Wanneer u deze dingen met elkaar verbindt, zult u ook kunnen komen tot een werkelijk begrijpen van de gestalte van het menselijk lichaam.
GA 293/104
Vertaald/102                    

.

(4) GA 201/33    blz. 151
GA 311/82 Op deze blog vertaald/82

 

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 6: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2090-1962

.

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (35)

.
Hans ter Beek schreef een reeks van 3 artikelen over de jaarfeesten onder de titel ‘de negen feesten van het jaar’.
In onderstaand artikel geeft hij zijn mening over Kerstmis, Driekoningen. 

Deel 1 en deel 3 staan eveneens op deze blog

.
De negen feesten van het jaar 

Kerstmis – Driekoningen – Pasen

De negen feesten van het jaar hebben we, toen we over Michaël, St.-Maarten en Sinterklaas schreven, ingedeeld in 3 groepen van 3 feesten, waarbij de eerste groep de feesten van het LICHAAM, de tweede groep de feesten van de ZIEL en de derde groep de feesten van de GEEST werden genoemd,

1e groep: Michael – St.-Maarten – Sinterklaas: LICHAAM

2e groep: Kerstmis – Driekoningen – Pasen: ZIEL

3e groep: Hemelvaart – Pinksteren – St.-Jan: GEEST

In de negen feesten herkennen we het mensenwezen in zijn drieledigheid van lichaam, ziel en geest.

Sinds het Concilie van Constantinopel in 869 na Chr. had de Kerk het onderscheid tussen ziel en geest ontkend en rekende nog met een tweeledig mensbeeld naar lichaam en ziel of geest. In de antroposofie wordt het drieledig mensbeeld weer in ere hersteld.

Om deze 3 gebieden te leren onderscheiden beschrijft Rudolf Steiner in zijn boek THEOSOFIE hoe men op een zomerse dag kan genieten van een bloemenwei: kleuren, geuren, warmte enz. Dit is het ’lichamelijke’. Als men ’s avonds thuis is, of zelfs maanden later nog, dan heeft men de herinnering eraan, die weer dezelfde of soortgelijke gevoelens oproept: dat is het ’ziele-aspect’. Het ‘geestelijke aspect’ is, dat men, zonder ooit op die weide geweest te zijn, kan weten dat het daar op een zomerse dag een en al kleur en bloemengeur kan zijn.

De feesten van het lichaam hebben nog sterk die fysieke kant van de ontmoeting. Michaël: de ontmoeting van het denken, St.-Maarten: de ontmoeting van het voelen en Sinterklaas: de ontmoeting van het willen. Daarover heb ik in Branding nr. 2 van okt/nov. 1989 al geschreven. [deel 1]

Nu kijken we naar de feesten van de ZIEL. Kerstmis is het feest van de geboorte: het is een en al zielestemming, het mooist te beleven als in het Kerstspel de Geboorte plaats vindt. Jozef heeft half slapend nog wat gemompeld over wat hij de volgende dag van plan is en wendt zich af van Maria. Achter Maria verschijnt de Engel met de Ster, Maria heft haar handen omhoog en ontvangt aldus het Kind. Daarna het wiegen van Jozef en Maria, en aan het eind van het Herderspel ook nog eens het wiegen van de herders.

Hoe nemen we dit beeld op? Toch in zijn ’duur’: dit beeld moet duren. Ieder kind en volwassene wordt er even stil en ontroerd van, wil het even vasthouden, maar kan er fysiek niet bij zijn. In de Middeleeuwen stond het kribje met Jozef en Maria voor de kerk, en de hele stad en streek stroomde ernaar toe, en raakte even de kribbe aan. Die aanraking gaf de mens weer nieuwe kracht en moed. De moderne mens heeft genoeg aan de afbeelding, zowel in het Kerstspel als op de jaarfeestentafel.

Het is in beide gevallen de GEWAARWORDINGSZIEL, waarin opnieuw een heel stuk ’willen’ aanwezig is, die hier wordt ingeschakeld. We hebben een kerstboom in huis, we ruiken het sparregroen, we hebben lichtjes in de boom (tegenwoordig vooral elektrische kerstlampjes omdat dat niet zo gevaarlijk is als echte kaarsjes, maar meteen zijn we er niet meer zo bewust bij betrokken), we hebben een kerststal. Het kost in een gezin best wat moeite om die kerstboom lang in de huiskamer te hebben. Het is een tijdelijke gast, die nogal wat ruimte inneemt, die een centrale plaats vraagt, ook in het dagelijkse gezinsleven. En hoe langer hij staat, hoe meer naalden hij verliest. Toch zou de kerstboom pas moeten worden binnen gezet op Kerstavond (24 dec.) en binnen moeten blijven tot en met Driekoningenavond (6 jan.). Dat zijn 12 dagen en 13 nachten.

Driekoningen is het feest van de Verschijning. We zien in het Driekoningenspel geen kribbe; Maria draagt het kind in haar armen. Op schilderijen zit het Kind altijd bij Maria op schoot. Er is toch een duidelijk onderscheid merkbaar tussen Kerstmis en Driekoningen. Het is net of het Kind al wat laat zien van wat hij is. Opmerkelijk is ook dat de Doop in de Jordaan door Johannes de Doper ook op Driekoningen valt. Op dat moment begint het optreden van Jesus als Christus, dus als de op aarde geboren Zoon van God.

Driekoningen werd altijd gevierd met een optocht van 3 kinderen (als koningen verkleed) die met verlichte sterren langs de huizen trokken om wat geld of lekkers op te halen. In het gezin werd een Driekoningenbrood gebakken, met daarin 2 witte bonen en 1 bruine. Wie een stuk brood met een boon had was dan koning (om niet 3 maar 1 koning te hoeven hebben kan natuurlijk volstaan worden met 1 boon). Ook de foekepot werd veel gebruikt: een opgeblazen varkensblaas, waarin een rietje of een ander dun stokje gestoken was, dat zo’n doedelzakachtig geluid voortbracht wanneer het heen en weer werd bewogen.

De Driekoningentijd duurt tot Maria Lichtmis, dat is 2 februari. Driekoningen is het feest van de VERSTANDS- en GEMOEDSZIEL. Dat is dat deel van onze ziel, dat in de mensheidsgeschiedenis voor het eerst onthuld werd in de tijd van de Grieken en Romeinen, dus ook in de tijd waarin de geboorte, het leven en sterven van Christus viel. Zoals bij de GEWAARWORDINGSZIEL er een stuk ’willen’ in de ziel zit, is het bij de VERSTANDS- en GEMOEDSZIEL juist weer het ‘voelen’. Voelen is teruggehouden wil; willen is juist uitgevoerd gevoel {de kinderen van de 5e en 6e klas maken die fase opnieuw door, in de bovenbouw denken we dan vooral aan de 10e klas. Terwijl de GEWAARWORDINGSZIEL juist in de 9e klas nog eens wordt beleefd en op de onderbouw vooral in de 4e klas).

Wat bij Driekoningen zo opvalt is, dat er zoveel gereisd wordt: Eerst de koningen, geleid door een ster; na de aanbidding weten ze één ding zeker: ze moeten niet meer langs koning Herodes gaan.

Koning Herodes zendt zijn soldaten vanuit Jerusalem naar Betlehem:

‘Siet hier, hooftman, neemter dit sweert ende vierdusend manschap mit haor gheweer, ende gaot heen overt geberregt mit spoed, end’ alle knegtkens cleijn anbringhen doet.’

Josef en Maria zijn inmiddels naar Egypte gevlucht. Palmpasen en Goede Vrijdag. Daarover zal ik het nu nog niet hebben. Ik hoop dat we allen een goede kersttijd en een waardig driekoningenfeest hebben.

.

Kerstmis: alle artikelen

Driekoningen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

2089-1961

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraken bij de Kerstspelen uit Oberufer (11)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 01-01-1923  [2]
nach dem Brand des Goetheanum in der Silvesternacht 1922I23,

vor dem Dreikönig-Spiel

blz. 75

Meine lieben Freunde! Der große Schmerz versteht zu schweigen über dasjenige, was er fühlt. Und deshalb werden Sie mich auch verstehen, wenn ich ganz wenige Worte nur, bevor wir das Dreikönig-Spiel beginnen, zu Ihnen spreche.
Das Werk, welches durch die aufopfernde Liebe und Hingabe zahlreicher für unsere Bewegung begeisterter Freunde innerhalb von zehn Jahren geschaffen worden ist, ist in einer Nacht vernichtet worden. Es muß selbstverständlich gerade heute der schweigende Schmerz aber empfinden, wie unendliche Liebe und Sorgfalt unserer Freunde

Toespraak Dornach 01-01-1923 [2]
na de brand  van het Goetheanum in de oudejaarsnacht 1922/23 voor het Driekoningenspel

Beste vrienden! Het grote verdriet weet te zwijgern over wat het voelt. 
En daarom zal u mij begrijpen wanneer ik heel weinig woorden slechts, voor we met het Driekonigenspel beginnen, tot u spreek.
Het werk dat in tien jaar is verricht door de opofferende liefde en toewijding van de talloze vrienden die zoveel enthousiasme hebben voor onze beweging, is in één nacht vernietigd. Het stille verdriet moet vanzelfsprekend vandaag ervaren wat voor grenzeloze liefde en zorg onze vrienden

blz. 76

in dieses Werk hineingetan war. Und dabei möchte ich es zunächst, meine lieben Freunde, eigentlich bewenden lassen.
Ich möchte nur sagen, daß nun auch für das Werk, das allerdings eine allzu kurze Zeit noch schien, als ob es ein Werk der Rettung werden könnte, und für welches wiederum die hingebungsvollste aufopferungsvollste Arbeit, sogar zuweilen recht gefährliche Arbeit von manchem unserer Freunde geleistet worden ist, der allerinnigste Dank gebührt, der ausgesprochen werden kann aus dem Geiste unserer Bewegung.
Da wir von dem Gefühl ausgehen, daß alles dasjenige, was wir in- nerhalb unserer Bewegung tun, eine Notwendigkeit innerhalb der gegenwärtigen Menschheitszivilisation ist, so wollen wir das, was beabsichtigt ist, in dem Rahmen, der uns noch gelassen worden ist, möglichst fortführen, und deshalb auch in dieser Stunde, wo sogar noch die uns so sehr zum Schmerze steigenden Flammen draußen brennen, jenes Spiel aufführen, das im Anschluß an diesen Kurs versprochen war, und auf das unsere Kursteilnehmer rechnen.
Ebenso werde ich heute abend um acht Uhr hier in der Schreinerei den angesetzten Vortrag halten. Gerade dadurch rollen wir zum Ausdruck bringen, daß selbst das eigentlich wirklich nicht in Worten, mit Worten zu schildernde Unglück, das uns getroffen hat, uns nicht niederschmettern soll, sondern daß uns der Schmerz gerade dazu auf- fordern soll, dasjenige, was wir als unsere Pflicht ansehen, weiter, so- weit uns dazu die Kraft verliehen ist, zu vollbringen.

aan dit werk gegeven hebben. En daarbij zou ik het nu, beste vrienden, eigenlijk willen laten.
Even leek het erop dat het reddingswerk zou slagen waarvoor aan veel van onze vrienden die opnieuw zo op het werk betrokken waren, zo opofferingsgezind, zelfs af en toe echt gevaarlijk wel zeer gemeende dank verschuldigd is die uitgesproken kan worden vanuit de geest van onze beweging. 
Omdat we van het gevoel uitgaan dat alles wat we in onze beweging doen, noodzakelijk is in onze huidige mensheidscultuur, willen we wat we voor ogen hebben, binnen de mogelijkheden die we nog hebben, zo veel mogelijk doorzetten en daarom ook op dit tijdstip, zelfs nu de vlammen die ons zoveel verdriet geven buiten nog branden, dat spel opvoeren dat aansluitend aan deze conferentie beloofd was en waarop de deelnemers rekenen. 
Eveneens zal ik vanavond om acht uur in de ‘Schreinerei’ de aangekondigde voordracht houden.
Met name daardoor willen we tot uitdrukking brengen dat eigenlijk zelfs niet echt in woorden, met woorden weer te geven ongeluk dat ons heeft getroffen, ons er niet onder krijgt, maar dat het verdriet ons er juist toe oproept om dat wat we als onze plicht zien, verder, voor zover we daarvoor de kracht krijgen, te volbrengen. 

Von diesem Gesichtspunkte aus, meine lieben Freunde, nehmen Sie zu den beiden anderen Weihnachtspielen, die aus wirklichem Volkstum herausgeschöpft sind, auch dieses Dreikönig-Spiel hin, das wir aufführen, trotzdem wir natürlich heute nicht in der Lage waren, die rechten Proben zu halten. Sie werden das berücksichtigen müssen, aber ganz gewiß auch in dieser schmerzlichen Zeit zu berücksichtigen die Neigung haben.
Nur diese wenigen Worte wollte ich, bevor wir mit unserer Aufführung beginnen, zu Ihnen sprechen. Es soll ja nicht ein Schaustück sein, das wir vorführen, sondern es soll dasjenige sein, durch das nun – als in seiner Kunst – sich einstmals das Volk zu seinem Heiligsten

Vanuit dit gezichtspunt, beste vrienden, neem naast de twee andere Kerstspelen die uit het echte volkse zijn ontstaan, ook dit Driekoningenspel ter harte, dat we opvoeren, ondanks dat we vandaag niet in staat waren de juiste voorbereidingen te treffen. Daar moet u rekening mee houden, maar dat zal u in deze smartelijke tijd ook zeker doen.
Alleen deze paar woorden wilde ik, voor we met de opvoering beginnen, tot u spreken. Het wil geen toneelstuk zijn, dat we nu opvoeren, maar juist zijn als iets wat in zijn kunst het volk van toen verheven heeft tot wat het heiligst is.

erhoben hat. Und wenn man gerade das berücksichtigt, so wird es durchaus nicht unangemessen befunden werden können, gerade auch aus dem tiefsten Schmerz heraus diesen heiligen Ernst vor unsere Seelen treten zu lassen.

En als u dat voor ogen houdt, zal u het zeker niet ongepast vinden om juist vanuit het diepste verdriet deze heilige ernst met ons hart te aanschouwen.

Von der Aufführung des Dreikönig-Spieles am 6. Januar 1923 ist keine Nachschrift einer Ansprache von Rudolf Steiner vorhanden.\
Van een toespraak van Rudolf Steiner bij de opvoering van het Driekoningenspel op 6 januari 1923 zijn geen notities .

.

[1] GA 274
[2] GA 274
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2088-1960

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (34)

.
Steiner riep de leerkrachten op zich grondig te verdiepen in alles waarmee ze bezig zijn. Dat geldt zeker ook voor de jaarfeesten. 
Over Kerstmis zijn op deze blog veel artikelen verschenen die tot verdieping kunnen leiden. Daar horen ook artikelen bij die weer een andere kant laten zien, zoals deze:

Cas van Houtert, ED 23-12-1999
.

kerstverhaal is te mooi om waar te zijn

Het is onwaarschijnlijk dat Christus in Bethlehem is geboren. Het is zeker niet waar dat zijn geboorte het begin van onze jaartelling markeert; Christus is niet tweeduizend jaar geleden, maar enige jaren daarvóór of daarna geboren. De zogenaamde ‘onnozele kinderen’ zijn niet echt door de wrede koning Herodes afgeslacht. Er was dus ook geen ‘vlucht naar Egypte’ nodig.

Dat is allemaal geen nieuws, althans niet voor degenen die enigszins thuis zijn in de min of meer wetenschappelijke literatuur over Christus. Het is al meer dan twee eeuwen geleden dat de publicatie van de roemruchte Wolffenbütler Fragmente (1781) van Reimarus een begin maakte met de grote opruiming. Gezaghebbende wetenschappers als Lessing, Schweitzer, Strauss, Bultman en vele, vele anderen hebben sindsdien effectieve methoden ontwikkeld om in de wereld van de Bijbel het kaf van het koren te scheiden. In onze tijd is er bijna geen deskundige meer te vinden die de mooie verhalen van weleer onderschrijft.

De goegemeente daarentegen laat zich niet van de wijs brengen en zet zich elk jaar hartje winter massaal rond de kribbe. Om een traan weg te pinken, samen met het knoestige, aanvankelijk door een hemels gezang uit het veld geslagen, maar door de Engel des Heren zelve gerustgestelde en vervolgens diep ontroerde herderspubliek. Het blijft een hartverwarmend gebeuren. En dat laten wij ons niet door kale wetenschappers ontstelen. Dat zij er in zijn geslaagd ons te beroven van het wondermooie scheppingsverhaal is al erg genoeg.

Jaartelling

Op bevel van paus Johannes de Eerste ontwierp de chronoloog Dionysius Exiguus in 526 een nieuwe jaartelling, waarin niet langer de geboorte van keizer Diocletianus maar die van Jezus Christus het scharnierpunt was. Sindsdien deelt het grootste deel der mensheid de geschiedenis in in een periode vóór en na Christus. Maar Dionysius raakte enigszins in zijn berekeningen verstrikt, met als gevolg dat hij verkeerd uitkwam. Jezus blijkt nu, naar gelang het Evangelie van Matteüs danwel van Lucas als leidraad wordt gekozen, zes jaar voor of zeven jaar na Christus geboren te zijn. Matteüs meldt dat Jezus te Bethlehem ter wereld kwam, minstens twee jaar voor de dood van Herodes. Deze wrede koning immers liet alle te Bethlehem geboren jongetjes van 0 tot 2 jaar vermoorden om zich aldus van de potentiële koningszoon te ontdoen. Volgens de historici Flavius Josephus en Strabo echter stierf Herodes vier jaar voor het begin van onze jaartelling. Op dat moment was de aan zijn zwaard ontkomen Jezus al minstens twee jaar oud.

Lucas daarentegen meldt dat Jezus geboren werd in de dagen dat Augustus een volkstelling hield die door de Syrische landvoogd Quirinus werd uitgevoerd. Die volkstelling is inderdaad gehouden, zij het vermoedelijk alleen in Judea. Maar zij vond plaats in de winter van het zesde op het zevende jaar na Christus. Tussen beide geboortedata gaapt een kloof van minstens dertien jaar. Hetgeen natuurlijk ook consequenties heeft voor de leeftijd waarop Christus gestorven is. Op grond van historische bronnen gaan de geleerden er doorgaans vanuit dat Jezus in het jaar 30 ter dood is gebracht. Afhankelijk van de keuze voor Matteüs of Lucas is Jezus 35 of 23 jaar oud geworden.

Schijn tegen

Matteüs en Lucas noemen eendrachtig Bethlehem als geboorteplaats maar hebben op zijn minst de schijn tegen. Het is onwaarschijnlijk dat de Romeinse overheid, die aan de handhaving van rust en orde in het bezette Israël de handen meer dan vol had, geneigd was de onrustige onderdanen in het kader van een volkstelling van hot naar haar te sturen. Waarschijnlijk hebben de Evangelisten de geboorte in Bethlehem, de stad van David, gesitueerd om het volle gewicht van een aantal oudtestamentische voorspellingen te kunnen benutten. Beiden was er veel aan gelegen Jezus in beeld te brengen als afstammeling van David. De opvatting dat het de beloofde Messias betrof, volgde dan als het ware vanzelf.

In dit licht is het begrijpelijk dat Matteüs als stamhouder van het Huis van David de bescheiden timmerman Jozef aanwijst, ‘de man van Maria, uit wie Jezus geboren is’. Minder logisch is vervolgens de uiteenzetting dat Jozef aan Jezus’ geboorte part noch deel heeft gehad. Zijn verloofde was weliswaar zwanger, maar dat was, zoals hem officieel door een engel werd meegedeeld, het werk van de heilige Geest geweest. Weg relatie met David dus. Overigens was de tussenkomst van God om de geboorte van een baanbrekende figuur te bewerkstellen, in de bijbelse geschiedenis bepaald geen novum. Verschillende grote Bijbelfiguren werden uit een onvruchtbare vrouw geboren. Heeft de twijfel over de houdbaarheid van het ene mooie verhaal eenmaal toegeslagen, dan valt ook het andere om. Matteüs vertelt dat magiërs uit het Oosten – in Iran wijst men nog met gepaste trots hun woonplaats aan – een veelbelovende ster volgden en, naïef als zij waren, bij Herodes aanklopten voor informatie over het adres van ’de nieuwe koningszoon’. Waarna Herodes ‘zeer verschrikt raakte en heel Jeruzalem (?) met hem’. Het gevolg zou dan de ijzingwekkende moord op de jonggeborenen van Bethlehem zijn geweest. Ook verzonnen, zeggen de geleerden. Want de al genoemde Flavius Jozefus, die als een trouw boekhouder de gruweldaden van koning Herodes noteerde, heeft aan de slachtpartij geen woord gewijd. Ook hier hebben ’de volksmond’ en de Evangelist gemene zaak gemaakt om aansluiting te krijgen bij vertrouwde profetieën uit het Oude Testament. Ook de legendarische ‘Vlucht naar Egypte’ verdwijnt nu naar het rijk der fabelen. Ook hier was de associatie met het Oude Testament (de verlossing uit de slavernij) iets te verleidelijk. Terwijl ook het feit dat Matteüs zijn Evangelie in Egypte het licht deed zien – hij verbleef in de boezem van de brave gemeente van Alexandrië – zijn inspiratie zal hebben beïnvloed.

Jeugd

Over de jeugd van Jezus is weinig bekend. En niet alles wat ‘bekend’ is, kan als ‘echt gebeurd’ worden gekenmerkt. Vrijwel zeker is bijvoorbeeld dat Jezus niet is opgegroeid in Nazareth maar in het nabijgelegen Kafarnaüm. Nazaret was, zo is uit opgravingen gebleken, een achterlijk gat zonder synagoge. Terwijl Jezus toch goed onderwezen was. De verwijzing naar Nazareth is waarschijnlijk het gevolg van de toevoeging ’de Nazarener’ die Marcus hanteert. Maar ’Nazarener’ (of ’Nazorener’) stond niet voor Nazareth maar voor een Joods-religieuze beweging die tot strenge ascese verplichtte en tot verregaande trouw aan de Joodse wet. Het is niet uitgesloten dat Jezus enige tijd de leider van deze beweging is geweest. Zijn neef Johannes, die doopte in de Jordaan, zou hem daarin zijn voorgegaan.

Niet in Nazareth maar in het veel grotere Kafarnaüm is Jezus opgegroeid-Daar had hij,  Marcus zegt dat meer dan, eens, zijn huis en kwam hij na zijn omzwervingen ’thuis’. Daar had hij ook zijn opleiding tot timmerman genoten – mogelijk op een scheepswerf – en ontving hij goed onderricht in de synagoge. De traditie wil dat Jezus opgroeide in een mooi en hecht gezin  met een zorgzame vader en een zachte, lieve moeder, maar de werkelijkheid zou wel eens anders geweest kunnen zijn. De Tilburgse filosoof Charles Vergeer maakt aannemelijk dat het gezin onderhevig was aan de spanningen die bij het verzet tegen een onderdrukker horen. Niet voor niets was Jezus (de Griekse vorm van het Hebreeuwse Jesjua of Jehoshua) genoemd naar Jozua, de held die het Beloofde Land op de heidenen veroverde. Ook de vier (!) broers van Jezus droegen strijdbare namen, ontleend aan succesvolle aartsvaders en opstandige Makkabeeën: Jakobus, Jozef, Judas en Simon. Hun moeder die Mirjam (’de opstandige’) heette, was de volle nicht van Elisabeth, die in Johannes een geboren religieuze en politieke rebel had voortgebracht.
Jezus had overigens ook nog zusters, maar die worden nergens met name genoemd. Zij waren in de cultuur van het oude Israël niet in tel, hetgeen in het christendom tot op de dag van vandaag zijn sporen nalaat.

De veronderstelling dat in het gezin van Jozef en Maria alles koek en ei is geweest, wordt teniet gedaan door de berichtgeving van Marcus. Hij meldt dat de hele familie een kijkje kwam nemen toen Jezus in de buurt met zijn onderricht bezig was. Maria en de jongens probeerden zijn aandacht te trekken, maar vergeefs. Hij negeerde het bezoek volledig, afgezien van de slagvaardig in zijn preek verwerkte steek onder water: Mijn familie, dat zijn de mensen die mijn roeping serieus nemen. Eerder waren zijn familieleden hem al eens achterna gegaan ’om hem in bedwang te houden, aangezien ze van mening waren dat hij zichzelf niet was.’
Geen support dus, maar wederzijdse ergernis en zelfs een poging hem kalt te stellen.
.
Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

2087-1959

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraken bij de Kerstspelen uit Oberufer (15)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 27-12-1923  [2]
während der Weihnachtstagung

blz. 89

Heute werden wir uns erlauben, Ihnen das dritte der volkstümlichen Spiele vorzuführen, die um die Weihnachtszeit im älteren Volkstum in den Gegenden, von denen ich schon gesprochen habe> überall aufgeführt wurden.
Das erste Spiel war das Paradeis-Spiel, das immer begonnen wurde zu spielen am ersten Adventssonntag, dann durch die Adventszeit hin- durch gespielt worden ist. Das zweite war dann das eigentliche Weihnacht-Spiel, das ungefähr vom letzten Adventssonntag bis Ende Januar gespielt wurde. Dann um die Zeit des Heiligen Dreikönigs-Festes wurde dieses dritte Spiel aufgeführt. Über die Geschichte dieser Spiele habe ich ja schon gesprochen. Ebenso habe ich mir erlaubt, einiges anzuführen über die Art und Weise, wie gespielt wurde. Aus welchem

Toespraak Dornach 27-12-1923 [2]
tijdens de kerstconferentie

Vandaag zijn we zo vrij om voor u het derde van de volkse spelen op te voeren die rond de kersttijd in oudere volkse streken waarover ik u heb verteld, overal werden opgevoerd. 
Het eerste spel was het Paradijsspel waarmee altijd werd begonnen op de eerste adventszondag, en dat werd gedurende de adventstijd gespeeld. Het tweede was dan het eigenlijke Kerstspel dat ongeveer vanaf de laatste adventszondag tot eind januari werd gespeeld. Dan werd rond de tijd van het feest van de heilige Drie Koningen dit derde spel opgevoerd. Over de historie van deze spelen heb ik het al gehad. En evenzo heb ik de vrijheid genomen iets op te merken over hoe er werd gespeeld. Ik wil nu

blz. 90

Geiste heraus dies geschehen möchte, will ich nur in wenigen Worten noch darstellen, gerade mit Bezug auf dieses Dreikönig- oder HerodesSpiel.
Auch bei ihm wird man sehen, wie beschauliche Frömmigkeit, in diesem Falle sogar außerordentlich feierliche Frömmigkeit, vereinbar ist mit einer gewissen Derbheit. Das ist überhaupt der Grundcharakter dieser Spiele und das ist um so interessanter, als eigentlich ein radikaler Unterschied ist zwischen dem Weihnacht-Spiel, das wir vorgestern auch vorgeführt haben, und diesem Dreikönig-Spiel Es ist auf eine unbegreifliche Weise geschehen, daß mein lieber alter Freund und Lehrer,
Karl Julius Schröer> diese zwei Spiele – das Weihnacht-Spiel und das Dreikönig-Spiel – durcheinander gedruckt hat. Ich gebe zu, daß vielleicht schon durch eine ungenaue Überlieferung manches Ineinander- schieben der beiden Stücke irgendwie sich vollzogen hat. Aber ursprünglich sind die beiden Spiele – das eigentliche Weihnacht-Spiel und das Dreikönig-Spiel – durchaus auch ihrem Ursprunge nach ganz voneinander verschieden.

met een paar woorden schetsen uit welke stemming dit moest gebeuren, juist wat betreft dit Driekoningen- of Herodesspel.
Ook hierin zie je, hoe contemplatieve vroomheid, in dit geval zelfs buitengewoon stemmige vroomheid, samenging met een bepaalde grofheid. Dat is eigenlijk wel de grondhouding in deze spelen en dat is nog interessanter dan dat er een uitgesproken verschil is tussen het Kerstspel dat we eergisteren ook opgevoerd hebben en dit Driekoningenspel. Onbegrijpelijkerwijs heeft mijn beste vriend en leraar Karl Julius Schröer deze twee spelen – het Kerstspel en het Driekoningenspel door elkaar gedrukt. Ik voeg eraan toe dat misschien wel door een niet precieze overlevering bepaalde dingen van de twee stukken op de een of andere manier in elkaar geschoven zijn. Maar van oorsprong zijn de beide spelen – het eigenlijke Kerstspel en Driekoningenspel – heel verschillend van elkaar.

Von diesem Dreikönig-Spiel habe ich selbst noch einiges, was auf die Art und Weise hinweist, wie es aufgenommen wurde da, wo es sich zeigte, gesehen. Die anderen Spiele, sie habe ich viel besprochen mit dem Auffinder derselben, mit Karl Julius Schröer, im Anfange der achtziger Jahre, und sie sind mir dadurch ganz gegenwärtig geworden. Immer mehr und mehr hat sich das dann ergeben, wie es mit diesen Spielen war. Aber von diesem Herodes-Spiel konnte man eigentlich in allen Gegenden Deutsch-Usterreichs um die Neujahrszeit bis zur Dreikönig-Zeit und darüber hinaus einfach die Leute sehen, wie sie als Drei Könige – auf die war die Sache reduziert -, Kaspar, Melchior und Balthasar, wie sie als diese Drei Könige mit dem Stern herumzogen und ganz ähnliche Lieder sangen, wie sie hier vorkommen.
Nun mache ich Sie darauf aufmerksam, daß die Struktur dieser Spiele eigentlich an allerälteste Dramatik erinnert. Wir haben überall darinnen die gemeinsamen Chöre, wie man sie im Volkstümlichen nannte: die Kumpaneigesänge, die eigentlich dasselbe darstellen – nur eben in spätvolkstümlicher Weise -, was der griechische Chor darstellt. Und dann haben wir herausgewachsen aus diesen Gesängen, die auch

Van dit Driekoningenspel heb ik zelf nog iets gezien wat teruggaat op hoe het opgevat werd toen het vertoond werd. Over de andere spelen heb ik begin van de jaren 1880 veel met Karl Julius Schröer, die ze ontdekte, gesproken en zo zijn ze voor mij heel erg gaan leven. Steeds duidelijker werd dan hoe het met deze spelen zat. Maar van dit Herodesspel kon je eigenlijk in alle Duits-Oostenrijkse streken rond de jaarwisseling tot aan de driekoningentijd en later de mensen zien die eenvoudig als de Drie Koningen – tot hen was de zaak teruggebracht – Kaspar, Melchior en Balthasar, hoe zij als deze drie koningen met de ster rondtrokken en net zulke liederen zongen die we hier hebben.
Nu wijs ik u erop dat de structuur van deze spelen eigenlijk doet denken aan de alleroudste drama’s. Overal zitten er gezamenlijke koren in, die in het volk het zingen van de kompanij genoemd werden, die eigenlijk hetzelfde betekenen – alleen op een manier die laat-volks is – als de Griekse koren. 
En uit deze gezangen die op zichzelf staand

blz. 91

für sich durchaus aufgeführt würden, das eigentlich Dramatisch-Dialogische und so weiter.
Nun, wenn ich von einem radikalen Unterschied der beiden Stücke sprach, so ist dieser nicht nur im Grundcharakter zu erkennen, sondern auch im Ursprung. Alles dasjenige, was Stil des Weihnacht-Spieles, des Christ-Geburt-Spieles ist, weist überall darauf hin, daß die eigentliche Pflege dieser Christ-Geburt-Spiele und wohl auch des Paradeis-Spieles von den Brüdergemeinden ausging und vor dem 16. Jahrhundert viel zahlreicher in Europa lebte, als man heute denkt. Überall waren solch christliche Brüdergemeinschaften, die insbesondere dasjenige auch in diesen dramatischen Darstellungen gepflegt hatten, was sich an den Grundstil des Lukas-Evangeliums anlehnt. Sie werden sozusagen den Grundton des Lukas-Evangeliums im Weihnacht-Spiel finden. Dagegen dieses Dreikönig-Spiel, welche Sie heute sehen, ist von den Kirchen ausgegangen, von den Kirchenleuten, allerdings von solchen Kirchenleuten, die mit ihrer Seele ganz im Volkstum darinnensteckten. Und gerade dieses Dreikönig-Spiel ist urkatholisch, währenddem das Christ-Geburt-Spiel herrührt von, ich möchte sagen, den Vorläufern des Protestantismus.

uitgevoerd werden, ontstond dan weer de eigenlijke dramatische dialoog enz.
Nu, toen ik van een uitgesproken verschil tussen deze stukken sprak, is dit niet alleen te zien aan het grondkarakter, maar ook aan de oorsprong. Alles van de stijl van het Kerstspel, het Christusgeboortespel, wijst erop dat het eigenlijke verzorgen van deze Christusgeboortespelen en ook wel van het Paradijsspel uitging van de broedergemeenschappen en vóór de 16e eeuw veel meer voorkwam in Europa dan men tegenwoordig aanneemt.
Overal waren er van die christelijke broedergemeenschappen die met name ook deze toneelvoorstellingen verzorgden die teruggaan op het Lukasevangelie als basis. U zal, om het zo te zeggen, het grondkarakter van het Lukasevangelie in het Kerstspel terugvinden. Dit Driekoningenspel wat u vandaag gaat zien, is daarentegen uitgegaan van de kerken, van de kerkmensen, in ieder geval van hen die met hun ziel helemaal in dit volkse leefden. En met name dit Driekoningenspel is oer-katholiek, terwijl het Christusgeboortespel afkomstig is uit wat ik zou willen noemen, de voorlopers van het protestantisme.

Da, wo diese Spiele in Deutsch-Ungarn aufgeführt worden sind, waren Katholiken, Protestanten und alles durcheinander; da nahm man sie ganz interkonfessionell. Aber dem Ursprunge nach sind die eigentlichen Weihnachtspiele aus den Brüdergemeinschaften hervorgegangen, in denen es auch wunderschöne Bibelübersetzungen in einem ganz prachtvollen Deutsch gegeben hat. Es würde mir einmal Freude machen, sogar einige Stücke dieser älteren deutschen, wirklich wunderschönen Bibelübersetzungen vorzuführen, denn sie zeigen ganz deutlich, was es für eine Geschichtslegende ist, für eine unglaubliche Geschichtslegende, wenn überall tradiert ist, Luther habe zum ersten Mal die Bibel ins Deutsche übersetzt und die Sprache dazu erfunden, was gar nicht wahr ist, weil die älteren Übersetzungen, die man nur nicht kennt, viel schöner und viel eindringlicher sind, sogar den ursprünglichen Text viel besser treffen als die lutherische Übersetzung. Aus diesen Brüdergemeinden sind also ursprünglich auch diese Spiele hervorgegangen. Dagegen dieses Dreikönig-Spiel trägt deutlich den katholischen

Waar deze spelen werden opgevoerd in Duits-Hongarije, leefden katholieken en protestanten door elkaar; heel interconfessioneel. Maar wat de oorsprong betreft zijn de eigenlijke kerstspelen uit de broedergemeenschappen voortgekomen waarin ook prachtige Bijbelvertalingen in een heel mooi Duits ontstonden. Ik zou het wel heel fijn vinden om eens een paar van deze oudere Duitse, werkelijk prachtig vertaalde Bijbelstukken op te voeren, want die laten heel duidelijk zien wat voor een geschiedenisverdichtsel het is, wat voor een ongelofelijk geschiedenisverdichtsel, wanneer overal doorverteld wordt dat Luther de eerste was die de Bijbel in het Duits heeft vertaald en de taal ervoor gevonden, wat helemaal niet klopt, omdat de oudere vertalingen die men alleen niet kent, veel mooier en veel sprekender zijn, zelfs de oorspronkelijke taal veel dichter naderen dan de vertaling van Luther. Uit deze broedergemeenschappen dus, zijn oorspronkelijk deze spelen gekomen. Dit Driekoningenspel echter heeft duidelijk een katholiek 

blz. 92

Charakter an sich, ist von Klerikern des Mittelalters herstammend, welche sich im Volkstum eingelebt hatten, und die durchaus auch das Interesse der Kirche mit fördern wollten.
Es trägt dagegen das Weihnacht-Spiel vor allem den Charakter des Anmutigen, während dieses Herodes-Spiel zum Teil den Charakter des Suggestiven trägt. Ich möchte sagen, es würde beim WeihnachtSpiel ganz entschieden stören, wenn man Weihrauch dabei hätte; das würde nicht volkstümlich sein. Dagegen würde es bei diesem Dreikönig-Spiel, das durch die Kleriker dargestellt wurde – Sie werden es verspüren -, gar nichts machen, wenn irgendwie auch Weihrauchgeruch bemerkbar würde, denn es ist außerordentlich viel Suggestives darin, das bei der Darstellung herausgeholt werden soll. Aber natürlich wußte die Kirche der früheren Zeit auch sehr, wi`e sie volkstümlich wirken kann. Daher ist auch da durchaus echtes Volkstum, schöne, wahre, volle Feierlichkeit verbunden mit volkstümlich Derbem, und vor allen Dingen etwas außerordentlich Tiefes, dem Volke zum Herzen Sprechendes.

karakter, is van de clerus van de Middeleeuwen die zich in het volksleven verdiepte en die zeer zeker ook de interesse van de kerk mede wilde doen toenemen.
Het Kerstspel daarentegen heeft veel meer het karakter van het liefelijke, terwijl dit Herodesspel voor een deel een suggestief karakter heeft. Ik zou zeggen dat het bij het Kerstspel zeer beslist storend zou zijn, wanneer men daar wierook bij zou gebruiken; dat zou niet volks zijn. Maar bij het Driekoningenspel daarentegen, dat door de geestelijken opgevoerd werd – dat zal u merken – zou het helemaal niet uitmaken wanneer je op de een of andere manier ook wierook zou ruiken, want er zit buitengewoon veel suggestie in, dat er bij een opvoering uit moet komen. Maar natuurlijk wist de kerk vroeger ook heel goed hoe ze volks zou kunnen werken. Vandaar dat beslist ook echte volksheid, mooie, echte, volle stemmigheid samengaat met volkse lompheid en bovenal met iets buitengewoon dieps wat tot het hart van het volk sprak.

Man darf daher auch dieses Dreikönig-Spiel, Herodes-Spiel schon als ein schönes Stück mittelalterlicher Geschichte ansehen, welches heraufgekommen ist bis ins 19. Jahrhundert herein am reinsten und unverfälschtesten in jenen Gegenden, wo die deutschen Kolonisten unter fremden Völkerschaften waren, wo sich nichts von der sogenannten Intelligenz und neueren Verbesserung von seiten des Klerus hineingemischt hat, so daß man also im Weihnacht-Spiel wie im Herodes-Spiel etwas hat, was im volkstümlich-künstlerischen dramatischen Stil, wie auch in dem Stil der volkstümlichen Frömmigkeit durchaus aus der vorreformatorischen Zeit stammt und die Geschichte des Christentums in Mitteleuropa, die Geschichte aus der vorreformatorischen Zeit, sehr schön vor uns wiedererstehen läßt.
Und damit das geschehen könne, was im Grunde ein Interesse vieler Menschenherzen sein muß, möchten wir diese Weihnachtspiele vor Ihnen aufführen.

Vandaar dat je ook dit Driekoningenspel, Herdesspel wel als een mooi stuk middeleeuwse geschiedenis kan beschouwen dat opbloeide tot in de 19e eeuw, op de meest pure en onvervalste manier in die streken waar de Duitse kolonisten onder vreemde volken leefden waar niets van zgn. intelligentie en modernere verbeteringen van de kant van de clerus zich mee vermengde, zodat je dus zowel in het Kerstpel als in het Herodesspel iets hebt wat in een volks-kunstzinnig dramatische stijl, als ook in de stijl van de volkse vroomheid zeker afkomstig is uit de voor-reformatorische tijd en de geschiedenis van het christendom in Midden-Europa, de geschiedenis van de voor-reformatorische tijd, heel mooi voor ons weer laat ontstaan.
En opdat het mogelijk wordt wat eigenlijk de interesse van de harten van de mensen zou moeten hebben, willen wij deze Kerstspelen graag voor u opvoeren. 

.

[1] GA 274
[2] GA 274
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2086-1958

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL –– Het leerplan – Caroline von Heydebrand (8e klas)

.

Kort na het overlijden van Rudolf Steiner in maart 1925 verscheen voor de eerste keer een schriftelijke weergave van het leerplan van de vrijeschool.
Die werd samengesteld door Caroline von Heydebrand die vanaf het begin in 1919 aan de vrijeschool in Stuttgart was verbonden. Zij had ook de begincursus – GA 293294 en 295 – bijgewoond en de vele lerarenvergaderingen met Rudolf Steiner (GA 300abc). 
In de jaren 1919 – 1925 tekenden zich de contouren van een leerplan af dat nadien in grote lijnen hetzelfde is gebleven.
Dat betekent echter niet dat het ‘achterhaald’ zou zijn. In velerlei opzichten zijn de ideeën nog altijd even verfrissend en laten ruimte voor ontwikkeling.

Caroline von Heydebrand, Mitteilungsblatt, okt. 1925
.

het schoolkind tot aan de tijd van de puberteit

Wanneer de tandenwisseling de afsluiting laat zien van bepaalde plastische krachten in het kinderlijke organisme, dan mag je de puberteit als de afsluiting bestempelen van bepaalde muzikale krachten in de mens. De afsluiting drukt zich bij jongens ook uit door de verandering van de stem, de stemwisseling. Meer dan men tegenwoordig ziet, werkt het uitgesproken woord van de leraar, niet wat hij spreekt, maar hoe, mee aan de voorbereiding van de puberteit en daarom is het zo belangrijk dat de opvoeding van het kind een gezonde, muzikaal-lyrische spraak meekrijgt. De verzorging van het kunstzinnig vormgegeven woord moet de leraar ook bij zichzelf nooit verwaarlozen. 
In de puberteit ontwaakt in de jonge mens een omvattende liefde voor de wereld en de mensheid, waarvan de liefde voor de ander* maar een klein deel is. Het sociale beleven, de neiging naar enkele vriendschappen en vriendschappen in groepsverband wordt sterker. De mogelijkheid om logisch te denken, tot een zelfstandig oordeel, ontstaat en dit zelfstandige oordeel krijgt nu een kennisbasis bij alles wat het kind, de autoriteit van de leerkracht volgend, tot nu toe met vertrouwen en zonder vroegtijdige kritiek, heeft aangenomen.

8e klas

Het is een feit dat, gedwongen door de sociale omstandigheden, veel kinderen al op het eind van de 8e klas, dus eigenlijk op het eind van de basisschoolleeftijd, van school moeten. Voor hun ontwikkeling veel te vroeg, verlaten deze kinderen hun schoolopvoeding om voor een inkomen te gaan werken. Daarom moet in het leerplan van deze klas veel ingevoerd worden om tot een voorlopige afsluitng te komen van wat nog door een aantal jaren onafgesloten had moeten blijven. Aan de andere kant ontstaat in deze klas de opdracht de leerlingen volledig klaar te maken voor hun plaats in de wereld.

[De vakken zijn door mij in alfabetische volgorde gezet]

Aardrijkskunde

De behandeling van de geestelijk-culturele omstandigheden van de aardebewoners in samenhang met de economische omstandigheden komt tot een afronding.

Algebra zie rekenen

Biologie

Wanneer de leerling in het leven komt te staan, moet hij een beeld van de mens kunnen meenemen dat hem de mens toont als een synthese van de natuurrijken, als microkosmos. Het grote verschil in functie van de orgaansystemen en het harmonisch samenwerken van deze verschillende systemen moet hem duidelijk zijn. Hij heeft ook leren kennen wat de samenhang is tussen gezondheid en ziekte i.v.m. psycho-somatische factoren. Besproken wordt, daar hij door zijn eigen ontwikkeling er nu aan toe is, de mechanische werking van botten en spieren, het oog, d.w.z. dát van de mens wat je kan begrijpen met mechanische en fysische voorstellingen.

Euritmie

Verdergaan met de bewegingen en de ruimtevormen die tot nu toe werden beoefend. In de keus van de gedichten neem je, die een sterke gevoelsstemming, gevoelstegenstelling in spanning en ontspanning in zich hebben, bv. balladen, humoristische gedichten worden als tegenstellingen behandeld. Nu komen er hoofd- en voethoudingen bij die de dramatiek van de tekst met een bijzondere levendigheid aanschouwelijk maken. In ieder lesuur – net zoals in de voorafgaande jaren – gaat het om een opbouw die een geheel vormt. Je laat de kinderen bv. aan het begin van de les ritmische oefeningen doen, dan serieuze spanning oproepen door ernstige teksten, overgaand naar ontspanning door iets vrolijks om aan het eind van het uur tot rust te komen door innerlijk evenwicht in de beleving van het kind op te roepen.
De oefeningen die de intelligentie moeten wekken en die tot harmoniseren van de wil leiden, worden voortgezet.

Tooneuritmie:

De mol-toonladders worden uitgewerkt. Melodieën met overgangen van dur naar mol en terug. Gesloten groepsvormen die berusten op intervalvormen.

Geschiedenis

Het geschiedenisonderwijs wordt voortgezet tot in de tegenwoordige tijd, want het is goed dat de mens in de tijd waarin hij tot een bepaalde afsluiting in zijn ontwikkeling komt, dat wat de mensheid gepresteerd heeft tot in zijn tijd, zo volledig mogelijk als dit binnen het onderwijs kan, leert kennen. De leerling moet wanneer hij van school gaat, een beeld van de geschiedenis van de mensheid hebben. Vooral de behandeling van het cultuurhistorische moet duidelijk maken hoe de uitvinding van de stoommachine, het mechanische weefgetouw enz. de wereld hebben veranderd.

Gymnastiek

Aan de toestellen eenvoudige oefeningen van de Duitse gymnastiek, zonder nadruk op uiterlijke vorm. Op de brug nog geen steunoefeningen met gekromde rug, nog geen zwaaioefeningen aan het wandrek. Bij springen alleen de Duitse sprong als hoog- ver en hoog/versprong over alle mogelijke hindernissen, hordensprong.
Der Fall aus der Überstreckung nach der Höhe und seine Überwindung. [Ik weet hier geen adequate vertaling van] Ritmische afwisseling. [weer] Überstreckung, overstrekking?, val en weer opstaan. Ritmisch springen, stille oefeningen in een rij. Worstelen.

Handenarbeid

De kinderen oefenen fantasie, doorzettingsvermogen en handvaardigheid aan moeilijkere werkjes.

Handwerken

In de eerste van de twee uren per week wordt het werk van de 7e klas verder ontwikkeld. Daarbij komt het leren van het gebruik van de naaimachine bij kleinere en grotere gebruiksvoorwerpen. Ook kunstzinnig werk voor zover er tijd voor is.
In het tweede uur herstellen en stoppen van kapotte sokken, wasgoed of kleding. Bovendien leren de kinderen wringen en strijken van de was. Verschillende stoffen leren kennen.

Meetkunde

Berekenen van vlakken en zijden van vlakke figuren en stereometrie met de daarbij behorende inhouds- en oppervlakte – en zijdenberekeningen. Begin met de geometrische plaatsbepaling.

Muziek

In de 8e klas hetzelfde als in de 7e klas.

Natuurkunde

Wat in de 6e klas is begonnen, wordt voortgezet, waarbij het om de praktische toepassingen gaat. Hydraulica, aerodynamica, klimatologie en weersverschijnselen.

Niet-Nederlandse taal

Engels en Frans:

Naast lectuur, literatuur, kennis van het land en de bevolking enz. komt daarbij de behandeling van de dichtkunst en het metrum in die talen.

Latijn en Grieks:

De Latijnse woordstructuur kan worden afgesloten, met de Griekse nog verdergaan. In het latijn kan je nu beginnen met onder meer samenhangende leesstukken, bv. met Nepos of Caesars Gallische Oorlogen. Vrij navertellen en vertalen moeten elkaar afwisselen. Hierbij hoeven grammaticaal-syntactische verklaringen alleen gebruikt te worden als dat voor het begrijpen van de tekst nodig is, zonder systematisch te hoeven zijn.

Rekenen

Rekenen en algebra worden beoefend en verder ontwikkeld aan de hand van veelvuldige toepassingen.

Scheikunde

De betekenis van chemische processen in de industrie en bij de opbouw van het menselijk lichaam, koolhydraten, suiker, eiwit, vet en wat deze betekenen voor het voedsel.

Schilderen

Door de jaren heen hebben de leerlingen met kleur leren leven en die in hun onderlinge samenhang leren kennen. Nu worden ze ertoe gebracht het spel van licht en kleur bij voorwerpen waar te nemen en weer te geven en bv. landschappen geheel uit de kleurstemming schilderend vorm te geven.

Taal

Je probeert uitgebreid begrip te wekken voor wat in proza en in poëzie is vormgegeven. Je leest episch en dramatisch werk waarvoor de leerlingen pas op de puberteitsleeftijd ontvankelijk worden. Besproken wordt Goethe en zijn tijd alsook zijn culturele invloed. Van Herders ‘Ideeën over de geschiedenis van de mensheid’ en Schillers ‘Dertigjarige oorlog’ worden bepaalde stukken gebruikt als lees- en gespreksstof. Aan wat zakelijk-praktisch is op het gebied van de taal wordt in het bijzonder aandacht besteed.

Tekenen

Alles waarmee in de 6e en 7e klas werd begonnen wordt verder gebracht en het kunstzinnige wordt nog verder ontwikkeld.

Tuinbouw

De groenteteelt die in de 6e klas werd begonnen, met een driejarig wisselteeltplan, wordt nu afgerond. Gedurende drie jaar hebben de leerlingen met praktisch werk alle noodzakelijke verrichtingen leren kennen.

Von Heydebrand vermeldt niets over de vertelstof.

Steiner in GA 295/19, noemt voor de 8e klas:
Erkenntnis der Völker. Vertaald in: volkerenkunde.

.

Meer artikelen over het leerplan

8e klasalle artikelen

.

2085-1957

.

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (8)

.
Rudolf Steiner over de vrijeschool

De vrijeschool is als pedagogische stroming op zeker ogenblik ingedeeld bij de ‘vernieuwingsscholen’ of de ‘reformpedagogiek’.
Naarmate de vrijeschoolpedagogiek ouder werd, werd deze ‘op een keer’ ingedeeld bij de ‘traditionele’ vernieuwingsscholen. 

De Vereniging van vrijescholen’ kopt op 5 dec. 2019 n.a.v. het 100-jarig jubileum op haar website:

100 jaar vrijeschoolonderwijs: een traditie van vernieuwing

In de combinatie ‘traditionele vernieuwingsschool’ zit iets ‘achterhaalds’: ach ja, dat was ooit…..Maar nu is het meer een traditie, m.a.w. daar komt niets nieuws meer uit.

Bij ‘een traditie van vernieuwing’ ligt het subtiel, net anders: het vernieuwen is daar je gewoonte.

Maar wie denkt dat die vernieuwing zit in het meelopen met de (laatste) onderwijstrends heeft het mis: het gaat niet om meer of minder ICT of een digibord of wel of geen frontaal onderwijs enz.

Kort na de opening van de eerste vrijeschool in Stuttgart formuleerde Rudolf Steiner de vrijeschool zo:


Rudolf Steiner Die pädagogische Zielsetzung der Waldorf-Schule
in Stuttgart”. GA 24/276  Niet vertaald
.

Die Waldorfschule ist nicht eine “Refonnschule” wie so manche
andere, die gegründet werden, weil man zu wissen glaubt, worin
die Fehler dieser oder jener Art des Erziehens und lfuterrichtens
liegen; sondern sie ist dem Gedanken entsprungen, dass die besten
Grundsätze und der beste Wille in diesem Gebiete erst zur Wirksamkeit kommen können, wenn der Erziehende und Unterrichtendeein Kenner der menschlichen Wesenheit ist. Man kann dies nicht sein, ohne auch eine lebendige Anteilnahme zu entwickeln an dem ganzen sozialen Leben der Menschheit. Der Sinn, der geöffnet ist für das Wesen des Menschen, ninunt auch alles Leid und alle Freude der Menschheit als eigenes Erlebnis hin. Durch einen Lehrer, der
Seelenkenner, Menschenkenner ist, wirkt das ganze soziale Leben auf die in das Leben hineinstrebende Generation. Aus seiner Schule werden Menschen hervorgehen, die sich kraftvoll in das Leben hinein# stellen können.

De vrijeschool is geen ‘reformschool’ zoals zoveel andere die er opgericht worden, omdat ze denkt te weten waaruit de fouten bestaan van deze of gene manier van opvoeden en lesgeven; maar ze is uit de gedachte voortgekomen, dat de beste principes en de beste wil op dit gebied pas werkzaam worden, wanneer de opvoeder en de leraar iemand is die het mensenwezen kent. Zo iemand kan je niet zijn zonder een sterke betrokkenheid te ontwikkelen voor het hele sociale leven van de mensheid. Het zintuig dat geopend wordt voor het wezen van de mens, maakt ook zelf alle leed en vreugde van de mensheid tot een eigen beleving. Door een leraar die de menselijke ziel kent, de mens kent, werkt het hele sociale leven door op het leven van de komende generatie. Van zijn school komen mensen die daadkrachtig een plaats in de wereld kunnen innemen.

Het kan gerust opmerkelijk worden genoemd dat Steiner, zo kort na het oprichten van de school, niet alleen maar de blik richt op wat er IN de school moet gebeuren, maar daarbij vooral ook oproept niet uit het oog te verliezen wat er BUITEN de school plaatsvindt. En dat je daar als leerkracht voortdurend bewustzijn voor zou moeten hebben.

Al eerder had hij iets dergelijks gezegd:

Der Lehrer soll ein Mensch sein, der Interesse hat für alles weltliche und menschliche Sein.

De leraar moet een mens zijn met interesse voor alles wat in de wereld en in de mens leeft.
GA 294/193
Vertaald/205

En later:

Denn das ist ja einer der Hauptschäden unserer gegenwärtigen sozialen Zustände, daß der eine Mensch so wenig versteht, was der andere tut. Wir müssen tatsächlich dazu kommen, nicht als abgesonderte einzelne Menschen oder Gruppen dazustehen, sondern mit vollem Verständnis der eine dem anderen gegenüberzustehen.

Een van de belangrijkste gebreken van onze huidige sociale toestan­den is, dat de ene mens zo weinig begrijpt van wat de ander doet. We moeten zover komen dat we niet als geïso­leerde, afzonderlijke mensen of groepen komen te staan, maar vol begrip voor elkaar.
GA 307/228
Vertaald/294

Nur dann, wenn der Lehrer zum Weltmanne, die Lehrerin selbstverständlich zur «Weltfrau» wird, kann in der Schule drinnen auch Welt leben. Und Welt muß in der Schule leben

Alleen wanneer de leraar en de lerares wereldburger worden, kan op school ook de wereld binnenkomen. En op school moet de wereld leven. 
GA 310/165
vertaald/171

Welt, wirkliche Welt müssen wir wieder in die Schule hineinbringen. Dazu muß man aber als Lehrer in der Welt drinnenstehen, muß ein lebendiges Interesse haben für alles, was in der Welt da ist.

Het leven, de realiteit moeten we weer in de school brengen. Maar dan moet de leerkracht daadwerkelijk in de wereld staan; voor alles in de wereld een levendige interesse tonen.
GA 310/165
vertaald/171

.
De laatste drie uitspraken zijn met vele meer, te vinden op:
Rudolf Steiner: wegwijzers

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

.

2084-1956

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraken bij de Kerstspelen uit Oberufer (9)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 08-01-1922  [2]

blz. 66

Toespraak Dornach 08-01-1922 [2]

Dieses Dreikönig-Spiel* gehört in die Reihe derjenigen christlichen Festspiele, welche vor jetzt etwa siebzig Jahren mein alter Lehrer und Freund Karl Julius Schröer in der Oberuferer Gegend gefunden hat, im westlichen Ungarn, in der Nähe von Preßburg. In dieser Oberuferer Gegend befinden sich in Ungarn eingestreut deutsche Dörfer, namentlich in slawischen Gebieten; Dörfer, welche in einem ausgiebigen Maße
die deutsche Sprache noch um die Mitte des 19. Jahrhunderts hatten. Die deutschen Stämme, welche dort saßen, gehörten den sächsischen Stämmen an, den gleichen Stämmen, denen auch diejenigen Deutschen angehören, die am Südrande der Karpaten, in der Zipser Gegend wohnen, die dann auch in Siebenbürgen wohnen. Andere deutsche
*    Die einleitenden Worte zu der Aufführung des Paradeis-Spieles und des Christ-Geburt-Spieles am 4. Januar 1922 liegen nicht in einer Nachschrift vor.

Dit driekoningenspel* hoort bij de serie van die christelijke feestspelen die mijn oude leraar en vriend Karl Julius Schröer zo ongeveer zeventig jaar geleden [vanaf 1922!] in de omgeving van Oberufer heeft gevonden, in het westelijke deel van Hongarije, in de buurt van Pressburg. In deze streek van Oberufer liggen in Hongarije vertrooid Duitse dorpen, met name in Slavisch gebied; dorpen waarin rond het midden van de 19e eeuw voornamelijk nog Duits werd gesproken.
Die Duitse stammen die daar zaten, behoorden tot de Saksische stammen, dezelfde stammen waartoe ook die Duitse stammen hoorden die aan de zuidrand van de Karpaten, in de omgeving van Zipsen wonen, ook in Siebenbürgen. Andere Duitse 

*Van de inleidende woorden bij de opvoeringen van het Paradijsspel en het Herdersspel op 4 januari 1922, bestaat geen dictaat.

blz. 67

Stämme sind die schwäbischen Stämme, die mehr im Banat wohnen. Es sind das diejenigen deutschen Stämme, welche im Verlauf des 15., 16. Jahrhunderts wahrscheinlich von westlichen Gegeiiden Mitteleuropas, sogar von Gegenden am Rhein, vom Siebengebirge noch Osten gezogen sind und sich als Kolonisten in den ungarischen Gebieten nie- dergelassen haben. Allerdings gerade in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts wurden ja diese Gebiete sehr gewaltsam magyarisiert, und das deutsche Eletnent ging zum größten Teil verloren und damit auch solche Volkstümer, wie diese Weihnachtspiele, das DreikönigSpiel und so weiter es sind.
Diese Spiele weisen uns in diejenigen Zeiten zurück, in denen sich über das ganze West- und Süddeutschland, auch über einen großen Teil der Schweiz, christliche Festspiele ausgebreitet haben. Wir können diese Festspiele bis in das 11., sogar bis in das 10. Jahrhundert zurück verfolgen. Als älteste Formen finden wir sie in den Kirchen aufgeführt, zum Weihnachtsfeste, wo die Krippe aufgestellt worden ist, und wo die Geistlichen selbst – zuerst in lateinischer Sprache – diese Festspiele aufgeführt haben. 

stammen zijn de Zwabische die meer in de Banaat wonen. 
Het zijn de Duitse stammen die in de loop van de 15e, 16e eeuw waarschijnlijk uit westelijke streken van Midden-Europa, zelfs uit de Rijnstreken, vanuit het Zevengebergte naar het oosten zijn getrokken en zich als kolonisten in de Hongaarse streken vestigden. Met name in de tweede helft van de 19e eeuw kwamen deze gebieden met geweld onder Hongaars gezag en ging het Duitse element voor het grootste deel verloren en daarmee ook het volksbezit zoals deze kerstspelen, het driekoningenspel enz.
Deze spelen wijzen ons terug naar tijden waarin zich over heel West- en Zuid-Duitsland, ook over een groot deel van Zwitserland, christelijke feestspelen verspreidden. We kunnen deze feestspelen tot in de 11e, zelfs in de 10e eeuw terug vervolgen. Als oudste vorm vinden we ze opgevoerd in de kerken, met Kerstmis, wanneer er een kribbe neergezet werd en waarbij de geestelijken zelf – eerst in het Latijn – deze feestspelen opvoerden. 

Für die damaligen Begriffe war dieses Aufführen in lateinischer Sprache ebensowenig störend, wie ja heute noch im Katholizismus das lateinische Messelesen nicht störend ist. Später trifft man solche Festspiele an, welche die Heilige Geschichte, die Geburt Christi, das Erscheinen der Hirten, der Heiligen Drei Könige und so weiter zum Gegenstande haben, allerdings dann in der Landessprache und zwar im Dialekt, nur noch mit lateinischen Ausdrücken durchsetzt. Sie werden dann später auch von Laien aufgeführt, nicht mehr von Geistlichen, wandern aus der Kirche an andere, öffentliche Orte, namentlich in Gasthöfe, wo sie dann von Laien dargestellt werden. Solche Festspiele hatten die von Westen nach dem Osten wandernden Stämme, diese Kolonisten, mitgenommen, und sie hatten sie wirklich wie ein Heiligtum verehrt.
Wenn im Herbste die Weinlese zu Ende war, sammelte derjenige, der die Manuskripte dieser Spiele hatte – das war in der Regel der An- gehörige einer wohlangesehenen Dorffamilie -, die jungen Burschen des Ortes. Frauen durften nicht mitspielen, nicht Mitdarsteller sein. Er sammelte die Burschen des Ortes, die er für geeignet hielt, und 

Voor het toenmalige begrip was het opvoeren in het Latijn net zo min storend als nu het lezen van de mis in het Latijn in het katholicisme dat is. Later tref je die spelen aan die het heilige verhaal, de geboorte van Christus, de komst van de herders, de heilige drie koningen enz. tot onderwerp hebben, uiteraard in de landstaal en dat dan in het dialect, alleen met wat Latijnse uitdrukkingen. Later werden ze dan ook door leken opgevoerd, niet meer door geestelijken, en niet meer in de kerk, maar op publieke plaatsen zoals herbergen, daar werden ze door leken opgevoerd. 
Dergelijke spelen waren door de stammen die van het westen naar het oosten trokken, deze kolonisten, meegenomen en zij hebben ze werkelijk als een heilig iets vereerd.
Wanneer in de herfst de druivenpluk voorbij was, riep degene die de mansucripten van deze spelen in zijn bezit had – dat was als regel een lid van een aanzienlijke dorpsfamilie – de jonge knapen van de streek bij elkaar. Vrouwen mochten niet meespelen, er geen deel vanuit maken.
Hij riep de jongens van de streek bijeen die hij geschikt vond en studeerde

blz. 68

studierte durch Monate hindurch bis zur Weihnachtszeit hin diese Fest- spiele mit ihnen ein. Die ganze Inszenierung dieser Sache war eine außerordentlich feierliche. Es gab von dem Lehriheister verfaßte und den Burschen in die Hand gegebene strenge Vorschriftsmaßregeln, denen sich jeder zu fügen hatte. Sie mußten zum Beispiel – so wird betont in diesen Vorschriften – während der ganzen Zeit sich des Trunkes enthalten; sie mußten ein moralisches Leben führen; und ähnliche Vorschriften hatten sie zu erfüllen, die wirklich etwas Außer- ordentliches bedeuteten gerade innerhalb der Dorfgemeinde. Man sah also dem Herannahen dieser Festspiele wirklich in feierlicher Stimmung entgegen. Und wenn die Aufführungen kamen zu Weihnachten, am Dreikönigstag, da versammelte sich dann die Bewohnerschaft des Ortes in den entsprechenden Gasthöfen. Es wurden die Bänke an die Wand gestellt und in der Mitte des Saales wurde dann die Sache aufgeführt.
Wir haben versucht, soweit es bei unseren Verhältnissen geht, die Art und Weise nachzuahmen, wie die Aufführung gerade innerhalb des Volkstums stattgefunden hat. 

maanden lang tot aan Kerstmis deze spelen met hen in. Alles rondom de organisatie was iets buitengewoon feestelijks. De leermeester had strenge voorschriften opgesteld en die werden aan de jongens gegeven en zij moesten zich aan alles houden. Ze mochten bv. – dat werd in die voorschriften benadrukt – geen alcohol drinken; ze moesten een moreel leven leiden; aan dergelijke voorschriften moesten zij zich dus houden en die betekenden werkelijk iets buitengewoons binnen deze dorpsgemeenschappen. Men leefde daadwerkelijk in een feestelijke stemming naar deze feestspelen toe. En wanneer de opvoeringen met Kerstmis, op driekoningendag plaatsvonden, dan kwamen de bewoners van die streken in de herberg bij elkaar. Er werden banken tegen de muren gezet
en in het midden van de zaal werd er opgevoerd. 
Wij hebben geprobeerd, in zoverre dat onder onze omstandigheden gaat, de manier waarop de opvoeringen binnen de volksgemeenschap plaatsvonden, na te doen.

Alles läßt sich natürlich nicht nachahmen, vor allen Dingen nicht die Anordnung, wie sie im Gasthof war; wir wählen die bühnenmäßige Anordnung. Aber in allem übrigen sind wir, soweit es möglich ist auf die Überlieferung einzugehen, der Forderung nachgekommen, die Spiele so vor das Publikum der Gegenwart hinzustellen, daß man schon einmal eine Vorstellung von der Art und Weise bekommen kann, wie solche Festspiele aufgeführt worden sind.
Ein anderes, das ich besonders betonen möchte, ist dieses, daß sich in diesen Spielen beobachten läßt, wie eine wirklich fromme Stimmung, eine an die Heilige Geschichte hingegebene, feierliche Stimmung, sich überall mit Humor vereinigt, der hineinspielt. Der Teufel zum Beispiel ist überall der böse Feind der Menschen, aber zugleich eine lustige Person. Und in ähnlicher Weise spielt der gesunde Humor, ein gesunder Volkshumor in die feierliche, religiöse Stimmung hinein. Das ist dasjenige, was besonders betont werden muß aus dem Grunde, weil gerade diese Seite in der Volksfrömmigkeit in diesen Gegenden vorhanden war, und -sie sich bei den deutschen Kolonisten Ungarns bis ins 19. Jahrhundert hinein so erhalten hat, daß in dieser religiösen

Alles kan natuurlijk niet, vooral niet zoals het in de herberg toeging; wij kiezen voor een toneel. Maar bij al het andere zijn wij, voor zover dat mogelijk is, met de overlevering meegegaan, om aan de eis te voldoen de spelen voor het publiek van nu, dat dit een voorstelling kan krijgen van hoe dergelijke feestspelen opgevoerd werden.
Iets anders waar ik in het bijzonder de nadruk op wil leggen, is dat je in deze spelen kan waarnemen, hoe een echte vrome stemming, een die toegewijd was aan het heilige verhaal, een feestelijke stemming, overal samengaat met humor die er ook inzit. De duivel bv. is overal de boze vijand van de mensen, tegelijkertijd een vrolijk personage. En op eenzelfde manier speelt de gezonde humor, een gezonde volkshumor een rol in de feestelijke, religieuze stemming.
Dat moet in het bijzonder benadrukt worden omdat deze kant van de volkse vroomheid in deze streken leefde en bij de Duitse kolonisten in Hongarije tot in de 19e eeuw zo aanwezig bleef, dat in deze religieuze

blz. 69

Volksstimmung keine Sentimentalität vorhanden war, sondern eine naive Ursprünglichkeit, die selbst das Erhabenste mit dem Humor durcheinanderspielen läßt.
Wir haben in diesen Festspielen etwas, was in einer viel anschaulicheren Weise, in einer viel lebendigeren Weise als sonst irgendwie, Zeiten, die nun schon seit Jahrhunderten vergangen sind, wieder auferstehen läßt vor uns. Das 15., 16. Jahrhundert steht wieder vor uns auf. So daß wir versuchen müssen, auch den Dialekt in entsprechender Weise festzuhalten, und, so gut es geht, versuchen müssen, diese Stücke auch in demjenigen Dialekt wiederzugeben, in dem sie dann im 19. Jahrhundert in den deutschen Gegenden Ungarns gespielt worden sind. Gerade aus dem Grunde, weil da ein Stück Geistesleben aus früherer Zeit vor die gegenwärtig Lebenden wieder hintreten kann, machen wir es uns innerhalb der Anthroposophischen Gesellschaft zur besonderen Aufgabe, diese Spiele vor die Oöffentlichkeit zu bringen.
Es sind dann später viele solche Weihnachtspiele auch aus anderen Gegenden gesammelt worden. Man sammelte sie dann zum Beispiel in Schlesien, wo Weinhold außerordentlich viel dafür getan hat; dann aber wurden sie auch bis in die Pfälzischen Gegenden hin gesammelt. 

volksbeleving geen sentiment zat, maar een naïeve oorspronkelijkheid die zelfs het meest verhevene met humor samen liet gaan.
In deze feestspelen hebben we iets wat op een veel aanschouwelijkere manier, op een veel levendigere manier dan iets anders, wat dan ook, weer tijden voor ons doet herleven van eeuwen geleden. De 15e, 16e eeuw herleeft weer voor ons. Zodat we moeten proberen ook het dialect op de manier die erbij hoort, vast te houden en zo goed als gaat, moeten proberen deze stukken ook in dat dialect op te voeren waarin ze dan in de 19e eeuw in de Duitse streken in Hongarije werden gespeeld. Juist omdat hier een stukje geestesleven uit vroegere tijden dichterbij kan komen voor wie nu leeft, stellen wij ons binnen de Antroposofische Vereniging het bijzondere doel deze spelen in de openbaarheid te brengen.
Later zijn er nog veel van dergelijke spelen, ook uit andere streken, verzameld. In Silezië bv., waar Weinhold* buitengewoon veel in deze richting heeft gedaan; ze werden dan ook verzameld tot in de streken van de Palts.

*Weinhold: Karl Weinhold, 1823-1901, Germanist. ‘Weihachts-Spiele und Lieder aus Süd-deutschland und Schlesien’, mit Einleitungen und Erläuterungen. 1875, Wenen, uitgeverij Wilhelm Braumüller.

Und es war so merkwürdig, daß der Grundcharakter und Grundinhalt im wesentlichen bei allen diesen Spielen derselbe ist; sie sind nur durch den Dialekt verschieden, so daß man also sieht: das ist gemeinsames Geistesgut von der zweiten Hälfte des Mittelalters, welches in unsere heutige Zeit heraufragt. Und es darf vielleicht gerechtfertigt sein, gerade in einer solchen Weise, wie wir es tun, vor die gegenwärtige Menschheit hinzutreten, weil dieses Volksgut verschwindet. Innerhalb der Dorfgemeinde ist natürlich nicht mehr die Stimmung vorhanden, in der gleichen Weise wie früher dieses Volksgut zu pflegen. Aber der von mir genannte Karl Julius Schröer, der in den vierziger, fünfziger Jahren diese Sachen gesammelt hat, hat mir oftmals erzählt, welchen tiefgehenden Eindruck diese Auferstehung alten Volkstums, dargestellt von den Bauern, die im Besitze dieser Stücke waren, auf ihn machte. Das ist dasjenige, was mich bewog, schon vor Jahren die An- regung zu geben, diese Spiele gerade innerhalb unserer Gesellschaft für ein weiteres Publikum aufzuführen. Und aus dieser Anregung

En het was zo opvallend dat het basale karakter en de basale inhoud in wezen bij al deze spelen dezelfde is; ze verschillen alleen door het dialect, zodat je dus ziet: het is een gemeenschappelijk geestesgoed uit de tweede helft van de Middeleeuwen, dat in onze tijd zichtbaar wordt. En het kan misschien gerechtvaardigd zijn, juist op de manier waarop wij het doen, voor de mens van nu op te treden, omdat dit volksgoed verdwijnt. Binnen de dorpsgemeenschap bestaat die stemming natuurlijk niet meer om dit volksgoed net zo te behandelen als vroeger.
Maar Karl Julius Schröer, die ik net noemde, die ze in de jaren veertig en vijftig [19e eeuw] verzamelde, vertelde mij vaak, wat een diepe indruk dit herleven van het oude volkse, vertoond door de boeren die in het bezit waren van deze stukken, op hem maakte. 
Dat bewoog mij ertoe, al jaren geleden, de stimulans te geven om deze spelen juist binnen onze vereniging voor een groter publiek op te voeren. En uit deze stimulans

blz,.70

heraus haben wir in den verflossenen Tagen das Weihnacht-Spiel und das Paradeis-Spiel aufgeführt, und werden uns erlauben, heute das Dreikönig-Spiel oder Herodes-Spiel so, wie es in den fünfziger Jahren in den Gegenden von Preßburg bei den deutschen Kolonisten aufgeführt worden ist, vor Sie hinzustellen.

hebben wij de afgelopen dagen het Kerstspel en het Paradijsspel opgevoerd en nu nemen we de vrijheid om het Driekoningenspel of Herodesspel voor u op te voeren, zoals het in de jaren vijftig in de streken rond Pressburg bij de Duitse kolonisten opgevoerd werd. 

[1] GA 274
[2] GA 274
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2083-1955

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kerstspel

.

Pieter HA Witvliet
.

KERSTSPEL IN JIP-EN-JANNEKETAAL
.

Nee, dit is ABSOLUUT GEEN PLEIDOOI om voortaan een andere taal in het Kerstspel uit Oberufer te gaan gebruiken.

Iedere vorm van aanpassing – hoe mooi verder van taal – haalt het niet bij wat Sanne Bruinier destijds maakte van het Oberuferer dialect.
Zij was onnavolgbaar – onnavolgbaar! in staat het klankrijke, sappige, boerse, van het dialect over te brengen in een bepaalde vorm Nederlands waarin ze allerlei elementen uit de taal van vervlogen jaren gebruikte.
Het is dus geen bestaand (oud) dialect, noch Middeleeuws, noch Middelnederlands.

Het Kerstspel – maar dat geldt ook voor het Paradijsspel en het Driekoningenspel – is qua taal niet te verbeteren zonder dat de diepe gemoedsbeleving van de dialectklanken verloren gaat.
Altijd zal – ook al is de taal nog zo bloemrijk vervangen – er meer intellect, dus minder leven, het spel binnendringen.
(Een interessante ervaring van een groep spelers)

Ook onze bestaande dialecten willen ‘vertalen’ naar het Nederlands zou aan de zeggingskracht van die dialecten veel afbreuk doen. Uitdrukkingswijze, intonatie, beleving gaan bij de dialectsprekende mens dieper dan bij de mens die de grootste gemene deler van de taal: het ABN spreekt.
Als spreker van beide kom ik (ook) uit ervaring tot die conclusie.

Mijn jip-en-janneketaal verhoudt zich tot de taal van de Kerstspelen als een grijsgrauwe regenboog tot de werkelijke pracht van de regenboogkleuren.

Waarom ‘vertaal’ ik de woorden dan naar begrijpelijk Nederlands?
Omdat er telkens maar weer opmerkingen zijn over ‘hoe moeilijk die teksten te begrijpen zijn’.
Dat tekent onze huidige situatie: we willen weten, kennen; we leven tenslotte in een intellectualistische tijd. En natuurlijk: als de woorden je niets zeggen, moet je het hebben van het beeld. Ook dat heeft het vermogen om tot je te spreken: beeldentaal!
Dat geldt vooral bij kinderen; zij hebben een veel mindere behoefte bij deze spelen ‘alles’ te begrijpen, omdat ze ook een groot deel langs een andere weg verstaan.

Maar goed, voor de mensen dus die de tekst moeilijk vinden, hier een huis-tuin-en keukenversie.
Maak er een folder van, zet die tekst in de schoolkrant, kortom verspreid die onder de mensen die er behoefte aan hebben, zodat ze van tevoren – thuis! – zich kunnen voorbereiden op de inhoud.

Daarmee zouden de klachten over de verstaanbaarheid tot het verleden moeten gaan behoren.

En wie dat heeft begrepen, slaat niet de tot veruiterlijking leidende weg van de meer intellectualistische hertaling in!

KERSTSPEL

Lied bij binnenkomst:

Seegnen wilt ons binnengaen,
Wil ons zegenen als we naar binnen gaan,
onsen uytganck, heer, daerneven.
maar ook, Heer, als we weer naar buiten gaan.
Seegnen wilt ons gaen ende staen,
wil ons doen en laten zegenen,
’t daeglycx broot end’ allet leven.
het dagelijks brood en heel het leven.
Seeghent ons mit salig sterven,
Zegen ons met een zalig sterven,
laet uw hemel ons beërven.
laat ons in de hemel komen.

Sterrenzanger:

Goe sangersluyden mijn versaemelt man aen man
Mijn goede zangers verzamel man aan man
kreck als de spieringh in de pan.
net zoals spiering in de pan.
Goe sangersluyden mijn posteert u in den kringhe,
Mijn goede zangers ga eens in een kring staan,
Wy willen ons de wyle corten mit singhen.
Wij willen de tijd bekorten met zingen.
Goe sangersluyden mijn, laet u oock dapper horen,
Mijn goede zangers, laat u ook dapper horen,
bringhenm’ efter ons comp(e)lement van te voren.
Laten we eerst onze groet brengen.
Groetenme God vader in sijnen troon
Laten we Godvader groeten op zijn troon
en groetenme synen eenighsten soon.
en laten we zijn enige zoon groeten.
Groetenme den eenighen geest mit naôme
En laten we vooral de enige geest groeten
en groetenmens al gedrie te saômen.
En laten we ze alle drie samen groeten.
Groetenme Josef en Maria reyn
Laten we Jozef en de reine Maria groeten
en groetenme dat klene kindekyn.
en laten we dat kleine kindje groeten.
Groetenme oock os end’ eselken
laten we ook de os en het ezeltje groeten
die daor staene by het krebbeken.
die daar bij het kribje staan.
Groetenmens deur son- ende maneschyn
Laten we ze d.m.v. de zonne- en de maneschijn groeten
dwelc lighten al over see en over den Rijn.
waarvan het licht helemaal over de zee en de Rijn schijnt.
Groetenmens deur kruydeken ende bladt,
Laten we ze d.m.v de kruiden en het blad groeten,
d’heylighe regen maakt so u als myn algaôre nat.
de heilige regen maakt zowel u als mij heel graag nat.
Groetenme de keyser die gebiedt over veulen,
Laten we de keizer groeten die over velen regeert,
groetenme de meester diet klaôr can speulen.
laten we de meester groeten die het zuiver kan spelen.
Groetenme onse geestelicke heeren
Laten we onze geestelijken groeten
wyl datme ’tspul mit haor permissie dorften leeren.
omdat we het met hun toestemming mochten instuderen.
Groetenme de schepenen mitten schout,
Laten we de schepenen groeten met de schout,
want yederse in eere houdt.
want die moet ieder wel in ere houden.
En groetenme de gantsche agtbaôr gemeent
En laten we alle mensen groeten
so mit mekanderen hier syn vereent.
die hier zo bij elkaar zijn gekomen.
Groetenme de vroetschap, agtbaôre en geëert,
Laten we de gemeenteraad groeten, achtbaar en geëerd
daor toe God se heyt verordineert.
dat heeft God hun bevolen.
Groetenmens deur d’wortelkens so in der eerde staon
Laten we ze d.m.v. de worteltjes groeten die daar in de grond staan
sonder één wortelken over te slaôn.
zonder één worteltje over te slaan.
Goe sanghersluyden myn, laewet anders beginnen:
Mijn beste zangers, laten we wat anders gaan doen:
de star willenme toe gaôn singen.
we gaan de ster bezingen.
Groetenme de star heur stange
Laten we de staf van de ster groeten
daor onse starre an doet hanghen.
waar onze ster aanhangt.
Groetenme de star heur scheer
Laten we de schaar van de ster groeten
daor de starre an reysen doet op ende neer.
daarmee gaat de ster op en neer.
Groetenm’ oock de houtjens één voor één
Laten we ook een voor een de houtjes groeten
die houwen onse starre byeen.
die houden onze ster bij elkaar.
Goe sangersluyden mijn hebt heuren connen
Mijn goede zangers, jullie hebben kunnen horen
datme de star hebben ânegesonghen.
dat we we de ster hebben toegezongen.
Groetenme onsen meester sangher goet
Laten we onze goede meesterzanger groeten
en groetenme den meestersangher syn hoet.
en laten we de meesterzanger zijn hoed groeten.
Groetenme eveleens onsen meester weert
Laten we eveneens onze waardevolle meester groeten
naedien hy mit Gods hulpe ons‘t heyt geleert.
want hij heeft het ons met Gods hulp geleerd.
Goe sangersluyden myn hebt heuren connen
Mijn goede zangers je hebt kunnen horen
hoe datme dit als hebben ânegesongen.
hoe we dit allemaal hebben bezongen.

Lied:

Toen het woort wierdt vervult
Toen het woord in vervulling ging
so God verkondight hadt,
dat God had verkondigd,
quam daer een enghel snel,
kwam er meteen een engel
van naôme Gabriël,
die Gabriël heette,
tot Nazareth, die Stadt
tot de stad Nazareth
Int land Galileea;
in het land Galilea;
teener maecht, Maria,
tot een maagd, Maria,
God hem henen sendt.
zond God hem.
Was met Josef ondertroud,
ze was met Jozef in ondertrouw
geen man en heeft bekend.
ze had nog nooit een man gehad.

Engel:

Weest gegroet ghy begenadigde!
Wees gegroet, begenadigde!
God den heer is met u!
God de heer is met je!
Ghy syt geseghend onder de vrouwen!
Je bent gezegend onder de vrouwen!
want ghy sult bevrugt worden
want je zal bevrucht worden
en eenen soon baeren
en een zoon baren
en sult synen naem heeten Jesus!
en je moet hem Jezus noemen!
En hy sal over syn volck conick syn in der eeuwicheyt.
en hij zal tot in de eeuwigheid koning over zijn volk zijn.

Maria:

Hoe sal dat wesen,
Hoe kan dat,
dewijl ick geenen man en bekenne?
als ik geen man heb gehad?

Engel:

Siet, ick ben den enghel Gabriël
Kijk, ik ben de engel Gabriël
Soot u verkondigt:
die je dit aankondigt:
de kragt des allerhoochsten sal u overschaduwen.
de kracht van de allerhoogste zal over je komen.
Daerom oock dit heylige dat uyt u geboren wordt
daarom ook is het heilig wat uit jou geboren wordt
sal Gods sone genaemt worden.
en zal Gods zoon worden genoemd.
En siet, Elisabeth uwe nighte
En kijk, Elisabeth, je nicht
is oock selve bevrugt mit eenen sone in haeren ouderdom
is zelf ook bevrucht en krijgt in haar ouderdom een zoon
en dese maend is haer,
en zij is deze maand al zes maanden zwanger,
die onvrugtbaer genaemt was, de zesde.
terwijl men zei dat ze onvruchtbaar was.
Want geen dingh en sal bij God onmoogelyck sijn.
Want bij God is niets onmogelijk.

Maria:

Siet de dienstmaecht des heeren,
Zie de dienstmaagd van de heer,
my geschiede nae uw woort.
laat gebeuren wat u zegt.

Lied:

Als Maria joncfrou reyn,
Toen Maria, de reine maagd,
swanger wierdt bevonden
zwanger bleek te zijn
nae het woort der profecy’n
volgens het woord van de voorspelling
dwelc God deet vermonden,
dat door God gesproken was,
liet Augustus naerstelyc
hield Augustus met grote voortvarendheid
tvolk bescryven in syn ryck.
een volkstelling in zijn rijk,
Geen en dorft bestryen.
Daar mocht geen mens zich tegen verzetten.
Daer gongck yeder nae de stadt
Toen ging iedereen naar de stad
alwaer hij oorspronck hadt,
waar hij vandaan kwam,
moestet willigh lyen. 
moest het maar gewillig ondergaan.

Engel:

‘k Treet voor uluyden sonder spot;
Zonder te spotten treed ik voor u op!
goên avond saamen gheve u god,
God geve u hier samen een goede avond,
een goên avend ende geseeghende tyt
een goede avond en een gezegende tijd
mooch ons van daerboven syn toegeseit.
mag ons van daarboven toegezegd zijn.
Agtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren,
Geachte, wijze, goedgunstige heren
oock deugtsaame vrouwen
ook deugdzame vrouwen
ende jonckvrouwen in alle eere,
en juffrouwen met alle eer,
wilt altegaer niet euvel duyden
neem ons alles bij elkaar niet kwalijk
dat wy ons spel vertoonen voor uluyden,
dat wij ons spel voor jullie opvoeren,
Tgeen dat ghy voor u ooch sult sien
Wat u hier gaat bekijken
is niet versintsel van onsliên,
hebben wij niet bedacht,
noch oock van heidens uytgedocht
en het is ook niet door ongelovigen bedacht
maer deur de heylige scrift gebrocht:
maar door de Bijbel gebracht:
van hoe Jesus Christus ter waerelt quam,
over hoe Jezus Christus ter wereld kwam,
twelk grote quaden van ons nam.
wat veel kwaad van ons wegnam.
So gy bereyt syt en het aen wilt hooren,
Dus als u bereid bent om ernaar te luisteren,
swiyght stil en opent wijdt u ooren.
wees dan stil en luister
goed.

Lied:

Keyser Augustus teersten liet
Keizer Augustus liet als eerste
bescryven elck in syn gebied.
ieder zich in zijn eigen streek inschrijven.
dies Josef, synd uyt Davids stam,
vandaar dat Jozef uit de stam van David,
is opgegaen nae Judeam.
naar Judea is gegaan.

Maria jonckfrou toogh mit hem
De maagd Maria ging met hem mee
tot syne stadt, hiet Bethlehem.
naar zijn stad Bethlehem.
en als sy quamen tsaem daerbij,
en toen ze daar samen aankwamen,
Maria’s soon dien baerde sij.
Baarde Maria haar zoon.

 Jozef:

Keyser Augustus heeft een gebod gegheven
Keizer Augustus heeft bevolen
dat allet volck tesaem sal syn bescreven
dat heel het volk geteld moet worden
end elck van stonden aen sonder respyt
en iedereen van nu af zonder uitstel
tot brenghen van tribuut hemself bereyt.
zelf belasting moet gaan betalen.
Wyl nu voor onse nootdruft wierd besteet
Omdat nu het geld dat ik opzij gelegd had,
het geldt so ick terzyde legghen deed,
opgemaakt wordt aan wat we nu nodig hebben,
rest ons temet geen duyt noch penninc meer;
hebben we bijna geen rooie cent meer,
alsulck ellend geclaegt sy God de heer.
God nog an toe, wat een ellende.
k En weet oock geen middel hoe geldt te bekomen,
En ik weet ook niet hoe ik aan geld moet komen,
myn kragten hebben of genomen,
ik heb ook niet zoveel kracht meer,
het hantwerck wierd me alree te swaer:
het handwerk werd me ook al te zwaar:
dat wil my bedroeven voor ende naer.
daar heb ik echt steeds veel verdriet van.
Alevel willic sonder draelen
En toch wil ik zonder uitstel
Augustus dit tribuut betaelen
Augustus deze belasting betalen
na skeysers wille en gebod
zoals de keizer dat wil.

Maria:

O Josef en laetet u niet verdrieten,
Ach Jozef, wees er nou niet verdrietig onder,
die som salmen wel veur willen schieten;
dat bedrag zullen ze wel voor willen schieten;
ik spreecker een vrund aan te morghen,
ik zal morgens eens een vriend vragen,
syt hierom sonder sorghen.
zit er nou maar niet overin.

Jozef:

Maria, wie isser so wel gestelt
Maria, wie is er zo welgesteld
om ons verstrecken so veul geldt?
om ons zoveel geld te kunnen geven?
de schaerschte heerscht aan alle kant.
er is overal tekort.
Wy willent legghen in Gods hant.
We laten het maar aan God over.

Maria:

Als geenderlei midd’len te vinden syn,
Als er helemaal geen oplossing komt,
dan bindenme ‘tosjen an de lyn
dan moeten we het osje maar aanlijnen
en leydent nae Bethlehem met spoet
en dan brengen we het maar vlug naar Bethlehem
alwaer Augustus ons heentyen doet,
waar we van Augustus naartoe moeten,
laet ons ‘tgins om een luttel vercoopen
dan verkopen we daar voor niet al teveel
so macht noch goet afloopen.
dan komt het misschien toch goed.

Jozef:

Soome veur de beschryvinck het osjen geven,
Als voor het inschrijven het osje eraan geven,
hoe onderhouwenme verder ons leven?
hoe blijven we dan verder in leven?
Daer op ick al hope ende heul had gebout
waar ik nou zoveel van verwachtte
om een kleynicheyt het vercoopen soud’?
om dat nou voor een kleinigheid te verkopen?
Edoch, waert geldt van noode is
Maar ja, als er geld nodig is
het minste quat geboden is.
moeten we maar het minst slechte kiezen.
Maria het ezslken bringt ereis aen,
Maria, haal het ezeltje maar,
ick sal mettet osjen nevens u gaen. 
dan loop ik naast je met het osje.

Maria:

Comen wy nu ter stadt so meteenen,
Als we nu straks in de stad aankomen,
waer bringhenme os ende ezelken henen?
waar brengen we dan de os en het ezeltje naartoe?

Jozef:

Een man is my aldaer bekent,
Ik ken daar iemand,
Rufinus, houdt een losament;
Rufines die heeft daar een herberg;
daer sullenme ondercoomen vinden,
daar vinden we wel onderdak,
os end’ eselken in den stalle binden. 
de os en de ezel binden we vast in de stal.

Maria:

So efter vreemden waren gecomen
Maar als er nou eens vreemdelingen aangekomen zijn
en al de plaetse waer’ in genomen?
en alle plaatsen bezet zijn?
Wyl dat veul volcs van alderhant wys,
omdat er allerlei mensen
slagh ende soort alsnu nae Bethlem reyst.
nu op reis zijn naar Bethlehem.

Jozef:

Maria, ick sien de stadt op daegen,
Maria, ik zie de stad opdoemen,
wy willen‘t vee een weinigh jaegen,
we zullen het vee wat opdrijven,
dat niet de poorte quam te sluyten
dat de stadspoort niet gaat sluiten
enm’ overnachten mosten daar buyten. 
en we erbuiten moeten overnachten.

Maria:

O Josef en haest so ras niet voort,
Ach Jozef, loop niet zo hard,
het gaen my swaerder en swaerder wort,
het lopen gaat steeds moeilijker worden,
de baen is ach so gladt van ys:
de weg is zo glad door het ijs;
ik vreze te vallen telken reis.
ik ben iedere keer bang dat ik val.
Van coude syn my de leden bevaên,
Mijn armen en benen zijn heel koud geworden,
ick vreze het mogt my qualyk vergaen.
ik ben bang dat het slecht met me afloopt.

Jozef:

Tavond wenme ons wit bereycken
Wanneer we er vanavond zijn
Sullenme soetjens de leden bestrycken
zullen we met warme doeken je armen en benen wrijven.
met doecken so heet. Maria, siet aen,
Maria, kijk eens,
alreets wy voor die herberghe staen.
we staan al voor de herberg.
God gheef u genavend myn goe Rufyn,
God geef’ u een goede avond, beste Rufijn,
meugenme te naght in u herberghe syn?
mogen we vannacht in je herberg zijn?
Wy coomen moey van langhe toght,
We hebben een vermoeiende tocht achter de rug,
so als elck reysersman wel kennen moght.
dat weet iedere reiziger wel.
De nypende cou heyt ons bitter gequelt,
We hebben veel last gehad van de bittere kou,
de snerpende windt het gesicht schier ontvelt.
door de snijdende wind hebben we bijna geen vel meer op ons gezicht.

Rufinus:

Vriendt, wilt uw gaodingh elder soeken,
Vriend, zoek je heil maar ergens anders,
hier is t beset in allen hoecken
hier is elk hoekje bezet
van kelder tot solder, vroegh ende spâ:
van kelder tot zolder, vroeg en laat
het is so waôr als ick hier stae.
zo waar als ik hier sta.
Myn losament omt seersten is gesogt,
Mijn herberg is zeer in trek,
een waert van myn postuur coomt immer plaets te cort. 
een waard zoals ik komt altijd plaats tekort.

Jozef:

Nu en ken ik lacie geen ander man
Nu ken ik helaas niemand anders
so ons behulpigh wesen can.
die ons kan helpen.
Doch laet ons hierom niet versaghen
maar laten we hierdoor niet de moed verliezen
en voort op nieus een poginck wagen,
en het nog een keer proberen,
den gebuere bidden met heuschen groet
de buurman eens beleefd groetend vragen
of hy bygeval ons beherbergen doet. 
of hij ons misschien onder kan brengen.
Myn vrient wilt ons een schuylplaets gonnen
Mijn vriend wil ons onderdak geven
datm’ een wyltyds gerusten connen.
dat we een poosje kunnen uitrusten.

Servilus:

Wat moetghe hier, ghy mit u wyf?
Wat moet jij hier met die vrouw?
Blyft bedelvolleck my vant lyf!
Ik moet geen bedelvolk aan mijn lijf!
Van andren hebbic meer gewin,
Aan anderen verdien ik meer,
landloopers laetmen hier niet in.
landlopers worden hier niet binnengelaten.
Wech van myn deur en packt u voort
Weg! Opgehoepeld
dat ghy my langer niet en stoort.
dat jullie me hier niet langer storen.

Maria:

Erbarmen mooch hem den rycken God
Dat de machtige God medelijden met hem heeft
datme henen gaene met sulcken spot,
dat we met zo’n spot moeten vertrekken,
van coude end’ angst ‘et besterven,
het besterven van kou en angst
geen toevlugt en meugen verwerven.
en geen onderkomen kunnen vinden.

Titus:

Myn goede vrou waer toe dit claegen,
Beste vrouw, waarom klaag je zo?
wat sytghe al sozeer verslaegen?
waarom ben je zo terneergeslagen?
Ghy siet daer is geen plaets hierbinnen,
Je ziet dat daarbinnen geen plaats is,
‘t huys tot de nok vol vreemdelingen.
het huis zit tjokvol vreemdelingen.
Doch coomic u gheerene temoet:
Maar ik kom je graag tegemoet:
gaet in den stal, daôr sit gy goet.
ga maar in de stal, daar zit je goed.

Maria:

Ach baeslief, ons ist eenerley
Ach beste man, het is ons om het even
oft beddeken hart ofte sagte sy
of het bed nu hard is of zacht
solanckme voor sneeujagten blyven bewaert,
zolang ons de sneeuwjacht maar bespaard blijft,
ons geen moordende windt deur de leden en vaert.
en niet de moordende wind door onze ledematen gaat.

Titus:

Treet dan getroost in elck geval
Kom dan een beetje opgefleurd in ieder geval
tot myn huys leegh is, in den stal.
tot mijn huis leeg is, in de stal,

Lied Jozef:

O jonckvrou reyn, 
O reine jonkvrouw,
in ginsche krebbe also kleyn
in die kleine kribbe daar
mit God wy moeten slaopen,
we moeten slapen met God,
want hy heeft ons geschaepen.
want hij heeft ons geschapen.
O jonckvrou reyn, o jonckvrou reyn.
O reine jonkvrouw.

Maria zingt:

Ach Josef myn,
Ach mijn Jozef,
ghy moet veur myn den trooster syn:
jij moet me troosten:
myn smerten syn toe genomen,
de pijn is erger geworden,
de uure is dra gecoomen,
het uur is weldra aangebroken
het kindekyn, o Jesulyn.
het kindje, o kleine Jezus.

Jozef:

Mettet kriecken van de uchtend gae
Morgen als het dag wordt
ick totten slagter in Kana:
ga ik naar de slager;
ons osjen sallick hem offreeren,
ik zal hem ons osje aanbieden,
sien wat hy hier voor uyt wilt keeren
kijken wat hij ervoor geven wil
daermet ick meughe sonder draelen
zodat ik zonder uitstel
Augustus dit tribuut betaelen
Augustus die belasting kan betalen
na ‘s keysers wille en gebod.
volgens wil en wet van de keizer.

Maria:
Bringht wel het dierken so veul op
Brengt het diertje wel zoveel op
dattet geld tons langht?
dat het geld genoeg is?

Jozef:

Hierop betrouwt:
Daar moeten we maar op vertrouwen:
‘tcan syn alsdat ick iet overhoudt.
’t kan zijn dat ik wat overhoud.

Maria:

Ach Jozef, ’t uur is reets op handen
Ach Jozef, nu is her uur aangebroken
dattick verlost worde van myn banden,
dat de bevalling gaat beginnen,
naby is de gheboorte tyt
de tijd van de geboorte is dichtbij
daer van Gabriël my heeft aangeseyd.
die Gabriël aan mij heeft gezegd.

Hieromme bid den kasteleyn
Vraag de kastelein hierom
oft wyi n syn losament mogten syn.
of we in zijn herberg mogen.

Jozef:

Maria hoe sou hy die gonst verleenen
Maria, hoe zou hij ons dat gunnen
naedienme te veul begeeren mit eenen?
als we meteen teveel vragen?
Doch willick totten waed gaen opterstond
Maar ik ga meteen naar de herbergier
en sien in syne woninck rond
en eens in zijn huis kijken
oft niet een hoecksken over en waere. 
of er niet een plekje over is.

Baes Titus daer wierd ons een kind geboren;
Baas Titus, er is een kind bij ons geboren
‘tister van nagt bykans bevroren,
’t is vannacht bijna bevroren,
dies biddic u wilt ons toestaen
daarom vraag ik u of het goed is
in u losament binnen te gaen.
dat we in de herberg komen.

Titus:

Waerlyk vriendt, sulcx gond’ ick u gaaren
Ect vriend, dat gunde ik je graag
als niet kreck tweu dousyn gecoomen en waren.
als er niet net twee dozijn bij waren gekomen.
Houden alle hoecken en gaeten beset,
Die zitten in elk hoekje en gaatje,
siet selfs hoeghe u mit dat kinde redt.
kijk zelf maar hoe je je met dat kind redt.
Myn losament om t seersten is gesogt,
Mijn herberg is zeer in trek
een waert van myn postuur comt immer plaets te dort.
een waard zoals ik komt altijd plaats tekort.

Jozef:

Maria ons bidden is al verloren,
Maria het vragen heeft geen zin,
we blyven in den stal gelyk tevoren.
we blijven gewoon in de stal.
maer dattet kind niet koud en hebbe
maar omdat het kind het niet koud moet krijgen
legh’t tussechn os en eselke in de krebbe.
leggen we het tussen de os en ezel in de kribbe.

Maria zingt:

Ach Josef myn, 
Ach Jozef, 
hoe ontrou can de waerelt syn!
hoe ontrouw kan de wereld zijn!
met schande boven maten
het is een grote schande

ons inden stalle te laeten.
om ons in de stal te laten.
O Josef myn;
Ach Jozef;
o Josef myn!
ach Jozef!
Een handeken hooys reick, Josef, my,
Geef mij eens een handje hooi, Jozef,
dattick het kind een beddeken sprey.
dat ik voor het kind een bedje kan maken.

Jozef zingt:

Myn hert en wil, myn gantsch gemoet
Mijn hart en wil, mijn hele ziel,
staen al nae u myn sone goet.
richt ik op jou, mijn goede zoon.

Maria zingt;

O Josef myn,
Ach Jozef,
wiegter met myn het kindelyn:
wieg met mij het kindje:
God sal temet vergelder syn.
God zal je er weldra voor belonen.
O Josef myn, o Josef myn.
Ach Jozef, Jozef

Jozef zingt:

So geern, so geern, goe Mario,
Heel graag, heel graag, Maria
staen ick u by, het sij also,
help ik je, zo is het,
ick wil wel wiegen dat kinde dyn,
ik wil dat kindje wel wiegen,
God sal temet vergelder syn,
God zal het weldra belonen
Mario, Mario!
Maria, Maria!

Maria zingt:

O Josef, Maria’s enghelyn
Ach Jozef, Maria’s engel
nu is aldra, singt gloria,
inu is weldra, zingt het gloria,
de minne daer binnen getoghen
de liefde hier binnengekomen
wyl wy gewinnen moghen
omdat wij het kindje krijgen
het kindekyn,
het kindje,
o Jesulyn.
ach kleine Jezus.

Lied:
1.
Geboren is in Bethlehem
Geboren is in Bethlehem
al in den stal
in de stal
een kind dwelks ryk niet en eynden sal.
een kind aan wiens rijk geen einde zal komen.
Dies juight van ‘t jaer Jeruzalem,
Daarom juicht dit jaar Jeruzalem,
ja, Christus de heer wy singen hem
ja, Christus de heer bezingen wij
lof syner moeder reyn
lof aan zijn reine moeder
al met haer kindekyn.
met haar kindje.
Christus de heer wy pryzen hem
Christus de heer hem prijzen wij
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang,
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang.

2
Het lyt van ‘t jaer in Bethlehem
Dit jaar ligt het in Bethlehem
in krebbe kleyn,
in een klein kribje,
syns rycks en sal geen eynde syn.
aan zijn rijk zal geen einde komen.
Dies juight van ‘t jaer Jeruzalem,
Daarom juicht dit jaar Jeruzalem,
ja, Christus de heer wy singen hem
ja, Christus de heer bezingen wij
lof syner moeder reyn
lof aan zijn reine moeder
al met haer kindekyn.
met haar kindje.
Christus de heer wy pryzen hem
Christus de heer hem prijzen wij
met onsen vreuchdensanck,
met ons vreugdegezang

Gallus:

Heyda ho hee!
He daar, hallo!
Ick had gedocht ick sou de leste syn
Ik dacht dat ik de laatste zou zijn
en waôrlyk synder haôrluy noch naer myn.
en nou komen zij dus nog na mij.
Ooy, ooy wat isset bitter coud!
Tjonge, jonge, wat is het bitter koud!
De vorst nypt vinnigh in ‘t gelaet
De vorst grijpt je fel in je gezicht
dattic niet weet waôr myn neus staet.
dat ik niet weer waar mijn neus staat.
Myn wollen wanten heyt Stiechel geborregd!
Mijn wollen wanten heeft Stiechel geleend!
Hy borregtse als maôr, keer op keer.
Hij leent ze almaar, iedere keer.
Waor blyft nouw myn broeder Stiechel weer?
Waar blijft nou mijn broeder Stiechel weer?
Ick kyk ‘reis efkens rond en te omme:
Ik kijk eens even om me heen:
daor sienc  sowaor myn broeder Stiechel kommen.
daar zie ik zo waar mijn broeder Stiechel aankomen.

Stiechel:

Heyda ho hee!
He daar, hallo!
Ick had gedocht ik coom te eersten aen
Ik had gedacht dat ik er het eerst zou zijn
en waorlyck sien ick broeder Gallus daor al staen.
en daar zie ik zowaar broeder Gallus al staan.

Gallus:

Stiechel, hoe ist mitten kudden en schaepen gestelt?
Stiechel, hoe staat het met de kudden schapen?

Stiechel:

Ei Gallus, ‘k bender bij-naest styf bevroren.
Oei, Gallus, ik ben bijna stijf bevroren.

Gallus:

Ei Stiechel, bentghe by-naest styf bevroren?
Oei, Stiechel ben jij bijna stijf bevroren?
Sietereis myn beye handen!
Kijk eens naar mijn twee handen!

Stiechel:

Ei, hebtgh‘ er maor tweu kwansys?
Oei, heb jij er echt maar twee?
alle hondert en dusent, wat maeckt ge me wys!
wel verdorie, wat maak je nou wijs!
Ei, waor blyft broeder Witok so lanck?
Oei, waar blijft broeder Witok zo lang?
Ick kyck ‘reis efkes rond en te omme
Ik kijk eens even om me heen
daor sienck dowaor myn broeder Witok kommen!
daar zie ik zowaar mijn broeder Witok aankomen!

Witok:

Heyda ho hee!
He daar, hallo!
Ick had gedocht teerst by de schaepkens syn
Ik dacht als eerste bij de schapen te zijn
en waorlyk synder haorluy noch voor myn!
en nou zijn jullie er warempel nog vóór mij!

Stiechel:

Ghy komter oovk alle hondert en dusendmael te spa.
Jij komt ook verdorie altijd te laat.

Witok:

Myn wyf en lietme niet gaen voor dat
Mijn vrouw liet me niet gaan voordat
‘k de oû schoenen hadde benayd en gelapt.
ik de oude schoenen genaaid en verzoold had.
Trouwen! Wen de vorst niet en luwen doet
Trouwens, wanneer de vorst niet minder wordt
gaen wylie een coude waeke temoet.
gaan wij een koude wacht tegemoet.

Gallus:

Stiechel, ‘k mogt weten oft u ter oqre quam
Stiechel ik zou wel weten of jij gehoord hebt
dat skeysers stadthouwer, Cyrenius by naem,
dat de stadhouder van de keizer, die Cyrenius heet, 
in t lant een groote beschryvick laet houden,
in ’t land een grote volkstelling laat houden,
daor van alle man hemselfs loscoopen soude,
en dat moet iedereen zelf betalen
op straffe vant verlies al synder have en goets!
op straffe dat je alles kwijt bent!
Wie can daor wesen vrooën moets?
Hoe kan je dan blij zijn?

Stiechel:

Ei vrund Gallus, wat seghtghe daor?
Oei, vriend Gallus, wat zeg je daar?
Is dat gebaesel of ist waor?
Is het geklets of is het waar?
tvolck verwagt dat de qua tyen verkeeren,
’t volk verwacht dat de slechte tijden over zijn,
en moeten de sorghen noch vermeeren?
en moeten de zorgen nog groter worden?

Witok:

Och gaet de verwaghtinck noyt niet ten endt?
Och, komt er nu nooit eens een eind aan dat verwachten?
O wee onse jammer en onse ellend!
Och, och, ons geklaag en onze ellende!
Datter de sorgh noch vermeeren most!
Dat de zorgen nu nog groter moeten worden!
We comen al swaor genog an de kost.
We komen al moeilijk genoeg aan de kost,
tis ongeluck op ongeluck
t is de ene tegenslag na de andere
daor onder yeder gaet gebuckt.

waar iedereen onder gebukt gaat.

Gallus:

Loopt Witok, ghy hebt toch niet claeghen?
Ga weg Witok, jij hebt toch niets te klagen?
Wilt liever nae myn armoe vraeghen.
Vraag liever naar mijn armoede.
Ick erme slocker geen ruste noyt sagh!
Ik arme sloeber, ik heb nooit rust!
Ick worde geplaegt by nagt en by dagh.
Ik word dag en nacht geplaagd.
Voor en naor bennick mit de schaepen,
Altijd ben ik bij de schapen,
noyt van syn leven geen tyt om te slaepen.
nooit van mijn leven tijd om te slapen.
Gister noch, toen ick was oppet veldt,
Gisteren nog toen ik op het veld was,
neerstlyk myn schaepkens hadde geteldt,
zo goed mogelijk mijn schapen had geteld,
ten synder temael niet bystern veul,
het zijn er nu eenmaal niet veel,
daorck u cort de oorsaek van segghen wil.
waar ik je kort de oorzaak van wil zeggen.

Stiechel:

Seght dan op, ghy ode wouwelaer!
Zeg het dan, oude kletskous!

Gallus:

Een goê deel heyt de wollef levend verscheurdt.
Een goed deel heeft de wolf levend verscheurd.

Stiechel:

Tcan altemet deur den slogtershond syn gebeurd:
’t Kan net zo goed door de slagershond zijn gebeurd:
dan synser by ongeval dootgebeten;
dan zijn ze per ongeluk doodgebeten;
moet als subiet oock wollef heeten?
moet het meteen ook maar een wolf zijn?

Gallus:

Myn trou Stiechel, houdt uwen mond,
Beste Stiechel, hou je mond,
byt niet de wolf kreck zo hart als de hond?
bijt de wolf niet net zo hard als de hond?

Stiechel:

Ja noch veul harder.
Ja, nog veel harder.

Gallus:

Segt myn maor hoet is toegegaen
Zeg mij dan maar hoe het gegaan is
als hadtgh’er sellef by gestaen.
alsof je er zelf bij had gestaan.

Witok:

Myn wyf die heyt ons grutten gebacken!
Mijn vrouw heeft grutten voor ons gebakken!
Die laetenm’ ons te nagt wel smaeken.
Die laten we ons vannacht wel smaken.

Stiechel:

Is ter oock speck by altemet?
Zit er misschien ook spek bij?

Witok:

Drie sulcke hompen louter vet!
Drie van zulke hompen puur vet!
Lestent wierdtme inder bree vertelt
Laatst werd me uitvoerig verteld
‘twaor van God in eeuwicheyd bestelt
dat was God al eeuwen van plan
dat tonsent den begeerden messias sou comen
dat de zo gewenste messias naar ons zou komen
tot solaes en verlossingh van allen vromen.
tot verlichting en verlossing van alle vrome mensen.
Alsdan sullen wylie hier beneden
Dan zullen wij hier beneden
bevryt syn van druck en benauentheden.
bevrijd zijn van druk en zorgen.

Gallus:

Och. Waor den messias digt byder hant
Och. Was de messias maar dichtbij
dan soudenme setten al sorghen aan kant,
dan zouden we alle zorgen opzij zetten.
van louter jolyt soudenme springhen,
van puur plezier zouden we springen,
met vrolicheid gode het Gracie singhen.
vrolijk voor God een danklied zingen.

Stiechel:

Twelcker tyd ende plaetse moetet geschien?
Op welke tijd en welke plaats moet het gebeuren?
datme der armen solaes mocgten sien?
dat we de helper van de armen mogen zien ?

Witok:

De tyt is niet en aen gegheven,
De tijd is niet aangegeven,
doch van de plaetse staet geschreven:
maar over de plaats staat geschreven:
in Bethlehem wort hy geboren
dat hij in Bethlehem wordt geboren
van eener maegde uiyvercoren.
bij een uitverkoren maagd.

Gallus:

Nu hoort ‘reis hier goê broeders myn:
Luister eens beste broeders:
daorme mit syn drieën by malkanderen syn
nu we met z’n drieën bij elkaar zijn
meughenme wel efkens d’ ooghen sluyten
kunnen we wel eventjes de ogen sluiten
end’ een cortewyl slaepen hierbuyten.
en eventjes hierbuiten slapen.

Engel zingt:

Gloria, gloria, in excelcis.
ick bringh uliên een maere blydt
ik breng jullie een blijde boodschap
en allen volken op aerde wijdt.
en aan alle volken op de wijde wereld.
O christen maekt
O christen maakt 
u op en waekt;
maak u gereed en wordt wakker;
gezwind tot de kribbe, gezwind tottet kind,
met spoed naar de kribbe, met spoed naar het kind,
gezwind, gezwind!
met spoed, met spoed!
Wackere herdersluyd, flucx op de been,
Wakkere herders, ga vlug staan,
spoeter nae Bethlehem alle met een;
haast je meteen naar Bethlehem;
groeter met fluytekens ende schalmei’n
groet er met fluiten en herdersfluiten
gins in den stalle het kindeken kleyn,
ginds in de stal het kleine kind,
het kindekyn, het Jesulyn!
het kind, de kleine Jezus!
Ghy herders, ghy herders, en syt niet bevaên:
Herders, herders, wees niet bang:
siet, groote blydschap segh ick u aen.
zie, ik verkondig u grote blijdschap.

Gallus:

Stiechel, wat moet dat kwinkeleeren ende seldsaem gedruis?
Stiechel, wat moet dat gejubel en zeldzaam lawaai?
Me dunckt, het is niet heelend’al pluys,
ik denk dat het niet helemaal pluis is
of isset een gespoock quansuys?
of is het echt een spook?

Stiechel:

Sowaor, tis wonder boven wonder,
Zowaar, ’t is wonder boven wonder,
also dra sienic iet van onder
zo gauw ik onder mijn hoed
myn hoet vandaen, ofc speur so felle ligt.
vandaan kijk, zie ik zo’n fel licht,
Wat schynt gins voor een droomgesigt?
Wat schijnt daar voor droomgezicht?

Witok:

Een stemme hoor ick hel en klaor,
Ik hoor zo’n heldere stem,
het lykent wel een enghlenschaor.
het lijkt wel een engelenschaar.

Engel zingt:

Van hemelsrycken coom ick neer,
Ik kom neergedaald uit hemelrijken,
een hemelsbode van also veer;
een hemelbode van zo ver;
veul goede maeren bringh ick u,
ik breng u een heel blijde boodschap,
die seg ick en die singh ick u.
die zeg ik en die zing ik jullie.

Gallus:

Past erop, so gladt als een spieghel.
Kijk uit, het is spiegelglad.

Witok:

Als ’t is! En deuvenkatersgladt;
Dat is het zeker! Duivels glad;
theyt mot gereghent:
het heeft gemotregend:
gants vol ysel is myn baardt!
m’n hele baard zit vol ijs!

Gallus:

Stiechel, staet op, den hemel kraeckt alree!
Stiechel, sta op, het wordt al dag!
[dit ‘kraken’ heeft ook iets van ‘krakkemikkig’, vandaar de opmerking over ‘oud’]

Stiechel:

Ei laotmaor kraecken, hy’s waorlyk oudt genog daor veur.
Ei, laat maar [kraken] aanbreken, hij is er oud genoeg voor.

Gallus:

Stiechel, staet op, de veugelkens tuytren al!
Stiechel, sta op, de vogeltjes zingen al!

Stiechel:

Ei laotmaor tuytren!
Ei, laat maar zingen!
In haorlie clene heufd’ en steeckt geen groote vaek.
In hun kleine kopjes zit niet zoveel slaap.

Gallus:

Stiechel, staet op, de voerluy zwiepen al langs den weghen.
Stiechel, sta op, de voerlui rijden al hard over de weg.

Stiechel:

Ei laot maor zwiepen, se hebben noch ’n geseghent endt ryen.
Joh, laat maar hard rijden, ze hebben nog een gezegend stuk te te gaan.

Gallus:

Ei ghe mot doch opstaen!
Joh, je moet toch opstaan!
Past erop Stiechel, so gladt als een spieghel.
Past erop Stiechel, zo glad als een spiegel.

Stiechel:

Ei alle hondert en dusend!
Oei, verdorie nog aan toe!
Costgh’ oock niet waorschouwen
Kon je dan niet waarschuwen
voor dat ‘k myn pens hebben bont ende blau gestooten?
voordat ik mijn buik bont en blauw gestoten heb?
Ha myn Gallus! Wat hebt ghy wel gedroomt,
He, Gallus, wat je wel gedroomd,
datgh’ u neffens myn so ommerollen en ommetollen deet?
dat je naast mij zo hebt liggen draaien en woelen?
Wat hebt ghy wel gedroomt?
Wat heb je dan gedroomd?

Gallus:

Wat ick gedroomt hebbe
Wat ik heb gedroomd
Dat can ick u vry segghen.
Dat kan ik vrijuit zeggen.

Gallus zingt:

Ick docht in eenen stal te gaen,
Ik dacht in een stal te gaan,
sach daer een os end’ esel staen
zag daar een os en ezel staan
die uyt een krebken vraten;
die uit een kribbe vraten;
beneven haer een jonckfrou teer,
naast hen zat een tere jonkvrouw,
een edel grysbaert saten.
en een edele man met een grijze baard.
Nu is de slaepenstyt voorby!
Nu is de tijd van slapen voorbij!
quam elke naght dien droom tot my,
als ik iedere nacht zo droomde
‘ksou gheern tot zeuvenen slaepen.
zou ik wel graag tot zeven uur slapen.

Stiechel:

Ha myn Witok, wat hebt ghy wel gedroomt,
He, Witok, wat heb jij wel gedroomd,
dat gh’u neffens myn so ommerollen en ommetollen deet?
dat je naast mij zo hebt liggen draaien en woelen?
Wat hebt ghy wel gedroomt?
Wat heb jij dan gedroomd?

Witok:

Wat ick gedroomt hebbe
Wat ik heb gedroomd
Dat can ick u vry segghen.
kan ik jullie vrijuit zeggen.

Witok zingt:

In stille kerstnagt opten lant
In de stille kerstnacht op het land
deur diepe slaep wierck overmant.
werd ik door een diepe slaap overmand,
Myn hert deet overvloeyen
Mijn hart liep over 
van soete vreucht en honigh goet
van heerlijke vreugde en goede honing
en rosen deden bloeyen.
en er bloeiden rozen.

Gallus:

Ha myn Stiechel, wat hebt ghy wel gedroomt,
Ha Stiechel, wat heb jij wel gedroomd
dat g’u neffens mijn zo ommerollen en ommetollen deed?
dat je naast mij zo hebt liggen draaien en woelen?
Wat hebt ghy wel gedroomt? 
Wat heb jij dan gedroomd?

Stiechel zingt:

Ick droomd’ als dat een inghel quam 
Ik droomde dat er een engel kwam
en ons nae Bethlem met hem nam
die ons meenam naar Bethlehem
in varre joodsche oorden:
in verre joodse streken:
Een wonderdick was daer geschiet,
Daar was een wonder gebeurd,
twas wonder watme hoorden.
het was een wonder wat we hoorden.

Lied:

1.
Vrolycke herders, olycke knapen
Vrolijke herders, olijke knapen
die singhen alsse niet en slaepen:
die zingen als ze niet slapen:
heisa ho ee! laet lustig ons singen,
heisa ho he! laat ons maar lustig zingen,
welgemeyt in ‘t ronde springhen.
vrolijk in ’t rond springen.
David een kloecken herder was,
David was een dappere herder,
droegh oock een staf ende herderstasch.
droeg ook een staf en een herderstas.

2.
Pypend een liedeken, sat van te slaepen,
Een lied fluitend en genoeg van het slapen,
so hoeden wy ons kuddeken schaepen,
zo hoeden wij onze kudde schapen,
bly singhen wy God heere ter eere,
blij zingen wij God ter ere,
wie sal ‘t weren, d’ruggh’ ertoe keeren?
wie zal dat afwijzen, het de rug toekeren?
daer isser geen soot euvel diedt,
niemand neemt ons dit kwalijk,
deet te mael David het selver niet?
deed David immers niet hetzelfde?

3.
Toen hy de viant hadde verslaghen
Toen hij de vijand had verslagen
wierdt hy coninck al syne daghen,
werd hij voor de rest van zijn leven koning,
cieraet der joden, schepter in handen,
sieraad van de joden, scepter in zijn hand,
potentaet vans heeren landen.
heerser van de landen van de Heer.
Alleman mach op David sien:
Iedereen mag wel opkijken tegen David:
synder die herders geen wack’re liên?
zijn de herders geen wakkere lui?

Gallus:

Wel an, laet ons tot Bethlem gaen
Kom op, laten we naar Betlehem gaan
twonder sien dwelck ons is kondt gedaen.
het wonder zien waarvan ons is verteld.
Wat veur gaven willenme offreeren?
Wat gaan we geven?
Wat voor present aen dat kinde vereeren?
Met wat voor geschenk het kind vereren?

Stiechel:

Tkryght van myn een kruycksken mellek soet
’t Krijgt van mij een kruikje zoete melk
dat syne moeder hem rycklyck gevoedt.
dat zijn moeder hem rijkelijk kan voeden.

Witok:

Daor is by myn kudde een schoon jonck lam,
Daar is bij mijn kudde een mooi jong lam,
het kind is wel weert dattick’t tot hem nam;
het is het wel waard om het voor het kind mee te nemen;
salt schielycken mit myn staf omvaên
ik zal het snel met mijn staf vangen
en over myn bey schouders laên.
en over mijn schouders leggen.

Gallus:

Ick neem een plucksken wol voort kinde, me dogt
Ik neem een plukje wol voor het kind, ik dacht
dat syne moeder het warrem dao inlegghen mogt.
dat zijn moeder hem daar warm in kan leggen.

Stiechel:

tis hardstickedonker, ik tast nae den wegh,
’t Is hartstikke donker, ik tast naar de weg,
ick en weet sowaor geen hegh ofte stegh.
ik weet zowaar geen heg of steg.
Gaewe qualyk of regt nae stadt by abuys?
Gaan bij vergissing verkeerd of goed naar de stad?

Gallus:

Stiechel, ick sien alree een strooy huys;
Stiechel, ik zie al een huis met strodak,
we willen naet godskind vragen een reize
we zullen eens naar het godskind vragen
en ofse daorgunter ons mogten wysen
en of ze ons daarginder zouden kunnen wijzen
hoe datme moeten gaen
hoe dat we moeten gaan
om dra comen by dat kinde an.
om gauw bij dat kind te komen.
Heida! Heida! En isser agter geen
He, hallo! En is er achter niet iemand
die cost ons seggen alwaor heen?
die ons kan zeggen waar we heen moeten?

Jozef:

Wien soeckt ghy vrient te deser stee?
Vriend, wie zoek je op deze plek?
yemant so u den wegh wysen dee?
heeft iemand u de weg gewezen?
Wilt my seggen waor na u de sinnen staen,
Zeg eens wat u wil,
waer g’u beneerstigt henen gaan?
waar u zo graag naar toe wil?

Stiechel:

Oudevaer, wy soeckent godskindekyn
Beste man, wij zooeken het godskindje
soude ons alhier geboren syn,
dat zou hier voor ons geboren zijn,
wy mogtent weten ende des syns gewis
wij zouden het zeker willen weten
nadient ons dus verkondight is.
nadat het ons dus verteld is.

Jozef:

Soo ghe dit wensch syt ghy te regt.
Als je dit wil ben je aan het goede adres.
Hier leytet kind daer van ghy segt.
Hier ligt het kindje waarover je spreekt.

Lied:

Neemt agt myn hert en siet opt wigt
Wees aandachtig, mijn hart en kijk naar het kindje
so gunder in de krebbe light;
dat daar in de kribbe ligt;
dat isset kindjen wel gemint,
dat is het kindje waar men veel van houdt
het overschone Jesuskind.
het wonderschone Jezuskind.

Gallus:

Syt gegroet ghy kindeken teer!
Wees gegroet kindeke teer!
Hoe leyt ge daor so ermelijk neer.
Wat lig je daar nu armzalig.
Een bedde van strooy, geen vederken sacht,
Een strobed, geen zachte veertjes,
alleenlich wat stoppelen hooys zo hardt.
alleen wat harde stoppels hooi.
Niet op somersdach geboren en syt,
Niet op een zomerdag geboren,
maor inder bitt’ren winterstyd.
maar in de bittere wintertijd.
Voort lelyenblanc ende rosenroodt
In plaats van witte lelies en rode rozen
kiestghe snippende vorst en coude groot.
kies je bijtende vorst en erge kou.
U bleke koontjens, u neuzeken fyn
Uw bleke wangetjes en fijn neusje
hoe datse schier vervrosen syn,
hoe die bijna bevroren zijn.
en u schone guld’ oochjens synder vol
en uw mooie gouden oogjes staan vol
van bittere traenen. Siet hier een plucksken wol,
met bittere tranen. Kijk eens hier, een plukje wol,
die hebbic u Jesuken metgebrocht
dat heb ik, kleine Jezus, voor u meegebracht
dat uw moeder u warrem daor inlegghen mogt.
dat uw moeder u daar warm in kan leggen.
Oock hebbic noch een hantvol meel,
Ook heb ik nog een hand vol meel,
dat uw moeder een papjen kookt. Tisser er niet veul,
dat uw moeder een papje kan koken. Het is niet zoveel,
maor soot u ghelieft, ick coom ereis weer,
maar als u het wil, kom ik nog een keer,
bringh ick u Jesuken veul en veul meer.
dan breng ik voor u Jezus, veel meer mee.

Stiechel:

Syt gegroet ghy kindeken teer,
Wees gegroet, kindje teer,
hoe leyt ghe daor gantsch vercleumt ter neer!
wat lig je daar nu helemaal verkleumd van de kou!
Gins hebtghe u hemelsaele groot
Ginder hebt u uw grote hemelzaal
en coomt opter aert nakend, arm ende bloot;
en komt op aarde naakt, arm en bloot;
een kruyksken mellek mogtick u schenken,
ik wil u een kruikje melk geven,
nu biddic u, wilt myns gedencken.
nu vraag ik u, wil mij gedenken.

Witok:

God gheef u goên dach lief kindeken,
God geve u een goede dag lief kindje,
syt er gegroet lief Jesuken!
wees gegroet lieve Jezus!
Ghy die syt coninck boven al,
U die boven allen koning is,
geboren, gelaeft in een schaemelen stal;
geboren, gevoed in een armzalige stal;
ick bringh u, coninck, een wolligh lam,
ik breng u, koning, een wollig lam,
verschoont dattic niet met meerders en quam.
vergeef me dat ik niet meer bij me heb.

Jozef:

Ghy herders, van herten danck geseyt
Herders, hartelijk dank
van gaven end’ offerveerdicheyd.
dat u die gaven wilde geven.

Maria:

Ghy herders, van herten danck geseyt
Herders, hartelijk dank
van gaven end’ offerveerdicheyd.
dat u die gaven wilde geven.
God wil u neerinck doen gedy’n
God geve uw werk voorspoed
en laete u schaepkens tierigh syn.
en dat het goed gaat met de schapen.

Lied:

Buyght by het krebbeken neder,
Kniel bij het kribje neer,
wieght twichtjen heen ende weder,
wieg het kindje heen en weer,
dat wilder ons al genesen,
dat ons allemaal wil genezen,
dat kindeken sy gepresen.
dat kindje zij geprezen.
O Jesuken soet, o Jesuken soet!
O lieve Jezus, o lieve Jezus!

Gallus:

Tis wonder hoe ment keert of wendt
’t Is een wonder hoe je het wendt of keert
dat hy geboren is so onbekend,
dat hij zo onbekend is geboren,
gebrek en coude deerlyk lydt
danig gebrek lijdt en kou
en toch regeert de waerelt wydt.
en toch de wijde wereld regeert.

Witok:

Hy quam hier opter aerden erm
Hij kwam hier arm op aarde
op dat hy onser hem ontferm
opdat hij zich over ons kan ontfermen
en maek’ ons in synen hemel ryk
en in zijn hemelrijk
even selfs d’engelen gelyk.
ons zelfs gelijk maakt aan de engelen.
Sulcx doet hy dat den mensch mogt leeren
Dat doet hij opdat de mens zal leren
van hoverdy hem of te keeren,
zich af te keren van hoogmoedigheid,
dat hy niet leve in stacie ende pragt,
dat hij niet leeft in pracht en praal,
maor regt deemoedicheyt betracht.
maar echt deemoedig probeert te zijn.

Stiechel:

Tcan ons getroosten in onsen moet
Het kan een troost zijn voor onze moed
deur dien wy syn van coninclyc bloet.
dat wij van koninklijk bloed zijn.
Coningh David was oock een herdersman
Koning David was ook een herder
ent is mirackel wat hy heeft gedaen:
en ’t is een wonder wat hij heeft gedaan:
het staet te lesen inder scrift als dat
het staat in de Bijbel te lezen dat
hy versmoorde de maghtige Goliat.
hij de machtige Goliath doodde.

Gallus:

Als we efter totten ghesellen gewagen
Als we straks aan de andere herders zeggen
van ‘tgeenme alhier mit ooghen zagen,
wat we hier met eigen ogen hebben gezien,
veur den sot sullens’ ons houwen, ’t noyt niet gelooven,
zullen ze ons voor gek verklaren, het nooit geloven,
want deuse saek gaetet verstant te boven.
want dit gaat je verstand te boven.

Witok:

Myn moetet vant hert offic wil of niet,
Het moet mij van het hart of ik het wil of niet,
voort segh ik den lantheer wat hier is geschied
ik ga het aan de landheer zeggen wat hier is gebeurd
en sal morgen den dach nae Hierusalem gaen
en morgen ga ik naar Jeruzalem
en segghen het oock den stadthouwer an.
en het ook tegen de stadhouder zeggen.

Stiechel:

Siet Crispyn coomt tonswaert, had niet gedocht
Kijk, daar komt Crispijn naar ons toe, die heeft niet gedacht
ons aentreffen, heyt wis opter heyden gesocht.
ons hier aan te treffen, heeft vast en zeker op de hei gezocht.
God moet u groeten, myn goê Crispijn!
God moet u groeten, mijn beste Crispijn!

Crispijn:

God moets u lonen, oû Stiechel myn.
God moet u belonen, mijn oude Stiechel.

Gallus:

Hoe macht wel mit onsen kudden syn?
Hoe staat het met onze kudden?

Crispijn:

Werentig de schaepkens weyden alle te gaor,
Zeker, de schapen zijn met z’n allen aan ’t grazen,
groot’ ende clene, so d’ eene als d’ aor.
de grote en de kleine, zowel het ene als het andere.
Hebt ghy bygeval oock heuren verluyden
Hebben jullie toevallig ook gehoord
wat of die geruchten int volc beduyden?
wat die geruchten onder de mensen betekenen?

Gallus:

Werentig! In Bethlem leytet kindeken
Zeker! In Bethlehem ligt het kindje
al in een krebbeken, tusschen os end’ eselken.
in een kribje tussen een os en een ezeltje.
Schout ghe selver geerne twonder aen,
Als je zelf graag het wonder wil zien,
moetghe morghen inder vroegt opstaen
moet je morgen vroeg opstaan
en mit onslie nae Bethlem gaen.
en met ons mee naar Bethlehem gaan.

Crispijn:

Hoe veer ist wel?
Hoe ver is dat wel niet?

Gallus:

Tot gh’ er bent!
Tot je er bent!

Crispijn:

Jao, jao, ick salereis bedenken
Ja, ja, ik zal eens bedenken
ent kind een slip van myn pelsvagt schencken.
en het kind een slip van mijn pelsvacht schenken.

Lied:

Herdersluyden vro en bly
Herderslieden vrolijk en blij
waren by den schaepen,
waren bij de schapen,
opten velde waekten sy
op het veld hielden zij de wacht
en leyden haar slapen.
en legden zich te slapen.
Toen voer een enghel tot haer neer
Toen kwam er een engel naar hen afgedaald
vol heerlykheyt, sodatse seer
in volle heerlijkheid, zodat ze zeer
in schrik en vreesen waren.
schrokken en bang waren.
De enghel sprack: vreest niet met al,
De engel sprak: je hoeft helemaal niet bang te zijn,
veel vreuchd den volke wesen zal,
voor het volk zal er veel vreugde zijn,
‘kbring u blye maeren.
ik breng een blijde boodschap.

Lied:

1.
Juyght nu, juyght soo arm als ryck!
Juigt nu, juigt of je arm bent of rijk!
Ons is op deusen dach
Voor ons is op deze dag
een kind geboren heuchelyk
verheugend, een kind geboren
dwelc alle dinc vermagh,
dat alles kan,
oock heylig is daerby,
daarbij is het ook heilig,
tis Jesus Christus, hy
het is Jezus Christus hij
die quam om ‘smensen sond voorwaar
die werkelijk kwam voor de zonde van mens
uit synen hemel klaer.
uit zijn reine hemel.

2.
Bedenckt hoe hy is ofgedaelt
Denk er eens aan hoe hij afgedaald is
in noot en nederheyd,
in nood en nederigheid,
in Bethlem so de scrift verhaelt,
in Bethlehem zoals in de Bijbel staat,
al in een schuere leyt.
in een schuur ligt.
Een krib syn woninck is
Een krib is zijn woning
die toch een coninck is,
terwijl hij toch koning is,
den hoochsten koninck wyd ende zyd
wijd en zijd de hoogste koning
op d’ aert in eeuwicheyt.
op aarde tot in eeuwigheid.

Engel:

Agtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren,
Geachte, wijze, goedgunstige heren,
oock deugtsaame vrouwen
ook deugdzame vrouwen
ende jonckvrouwen in alle eere,
en juffrouwen met alle eer,
wilt altegaer niet euvel duyden
neem ons alles bij elkaar niet kwalijk
dat wy ons spel vertoonden voor uluyden,
dat wij ons spel voor jullie opvoerden,
‘k Bid so wy quaamen veuls te cort
Ik vraag als we veel tekortschoten
tons niet en aengerekend wort,
het ons niet kwalijk te nemen,
maer alles dat wy schuldich bleven
maar alles wat we niet hebben kunnen doen
onse onkunde mach syn toegescreven.
door onze onkunde komt.
Hiermet elckeen het alderbest betracht,
Dat iedereen hiermee het allerbeste doet,
so wenschenme van God almagtig een goede nagt.
wensen wij u van de almachtige God een goede nacht.
.

Kerstspelalle artikelen

Vrijeschool in beeld: kerstspelen alle beelden

Kerstmis: alle artikelen

.

2082-1954

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (75)

.

Onderwijsminister Arie Slob wil de scholen 30% meer vrijheid geven.
Het lijkt er zelfs op dat het om ‘inrichtings’vrijheid gaat: die vrijheid die bedoeld is met ‘vrije’ in vrijeschool.

Helaas lijkt het er al jaren op dat de vrijescholen zelf *niet meer zo goed weten waar dit ‘vrije’ voor staat.

Gelukkig is er nog ‘Driegonaal’ die het wél weet.

Gelukkig ook dat John Hoogervorst de vrijeschoolbesturen bij de hand kan nemen.

Vandaar:

30% Vrijheid
.

Sinterklaas heeft zich net weer uit de voeten gemaakt, de kerstman is onderweg. ‘Al het goede komt in drieën’, zal Arie Slob gedacht hebben, die hier een window-of-opportunity zag om het onderwijs met een cadeau te verblijden, namelijk: 30% vrijheid.
In het onderwijsveld toont men zich verbaasd en in verwarring.
“30% Vrijheid, wat is dat en hoe ziet het eruit?”
“Gaat het om les- of leerinhoud die wel of niet verplicht aan bod moet komen?”
Leuk zo’n cadeautje waarvan je niet weet wat het is. Is het om op te hangen en naar te kijken; is het om aan te trekken; is het om op te eten? Kan het nog geruild worden?

Eén ding is wel duidelijk. De minister, en het geldt ook voor de meeste mensen die bij het onderwijs betrokken zijn, hebben geen flauw benul van ‘vrijheid’.  Het moge voor hen een schrale troost zijn: de volle betekenis van het begrip vrijheid gaat de meesten van ons boven de pet.

30% Vrijheid, dat is net zoiets als ‘een beetje zwanger’ zijn. Ik heb het, in het gekrakeel van de afgelopen dagen nog niemand horen opmerken.
30% Vrijheid, dat is net zoiets als de kraaltjes en spiegeltjes waarmee naar verluid, in het verleden vreemde volken werden blij gemaakt. Maar er is niemand die dát opmerkt. Het gesprek gaat alleen maar over de spiegeltjes en de kraaltjes.

“Het rekenen en de wiskunde, die moeten er wel in gebeiteld worden.”
“Die 30% vrijheid, die moet wel strikt bewaakt worden opdat de vrijheid niet misbruikt wordt.”
“Als ik in die 70% met mijn klas niet voor elkaar heb wat daar zou moeten gebeuren, gaat dat dan ten koste van die 30%?”
“Die 30% kan mooi gebruikt worden om iets te doen aan de dramatisch dalende leesvaardigheid.”
Het zijn een paar uitspraken die ik in de media opving.

In 1919 schreef Rudolf Steiner (In De kernpunten van het sociale vraagstuk) dat in de samenleving algemeen het beeld leeft dat leerkrachten onpraktisch en wereldvreemd zijn. Wat er ook de afgelopen jaren in of met het onderwijs gebeurd is, dit beeld van de leerkracht is nog niet echt veranderd.
Door de overheid wordt hij behandeld als een onbekwaam mens die van a tot z moet worden voorgeschreven wat hij hoe en wanneer moet doen. Om er zeker van te zijn dat dat ook gebeurt, moet de leerkracht alles wat hij doet vastleggen, zodat anderen hem daarover ter verantwoording kunnen roepen. En wanneer er in het maatschappelijk debat, of in de waan van de dag, een probleem is (bijvoorbeeld: ontlezing, agressie, loverboys, verslaving, vandalisme, obesitas, homohaat, …), dan wordt het probleem ‘afgehandeld’ door te roepen: “Daar moet het onderwijs aandacht aan besteden!”

Leerkrachten en schoolleiders laten het allemaal gebeuren. Af  en toe sputteren zij wat, maar morgen gaat het weer op de oude voet verder (en overmorgen is er de burnout). Verdienen zij medelijden? Niet per se. Want waarom laten zij toe dat zij als onpraktisch en wereldvreemd behandeld worden? – Zij willen de kinderen niet de dupe laten worden van hun protest? Leuk is dat, voor die kinderen. Hun leerkrachten blijven bij hen, al zitten zij samen op een glijbaan en bewegen zij zich in een snelle afdaling naar beneden – naar een toestand waarin elk besef van vrijheid, van een autonoom en zelfstandig denken, van verantwoording dragen en nemen voor wat je doet of nalaat, oplost in het grote collectieve niets. – Nee, als leerkracht kun je niet de barricade op, anders missen de kinderen hun dagelijks onderwijs…

Veel mensen vinden dit soort sombere en kritische bespiegelingen niet leuk. Ik ga daarom ook niet door op de rol en verantwoordelijkheid van de ouders in dit verhaal. En ook niet over uw en mijn verantwoordelijkheid. Maar ik kan wel aanduiden: daarvoor heb ik ook geen positieve of opbeurende woorden beschikbaar.
Voor wie toch een lichtpuntje zoekt: het enige dat ik nu even kan bedenken is dat wij serieus en met nieuwe ogen proberen te zien en begrijpen wat vrijheid is – en daar naar te leven. (jh)

Driegonaal: 100 jaar vrijeschool

Driegonaal

* Opspattend grind: [2]  [57]

Opspattend grind: alle artikelen

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

.

2081-1953

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (33)

.
Een stukje uit een schoolkrant van de vrijeschool antwerpen. nadere gegevens onbekend, aangevuld en verbeterd door Pieter HA Witvliet

.
de kerstboom

Symbolen ‘staan’ voor iets. Je kan naar het ‘waarom’ vragen. Dan ‘hoort er iets bij’ wat de betekenis, de zin duidelijker tot uitdrukking brengt.
Als de aartsengel Michaël eeuwen geleden al afgebeeld wordt met zwaard en weegschaal, dan hebben die wat Michaël te maken. 
Vele artikelen (o.a. 3, 30, 33) op deze blog gaan over die michaëlsymbolen.

Vaak stammen deze symbolen uit een ver verleden, ‘ergens’ zijn ze voor het eerst gebruikt. Ook met een ‘daarom’. 
Het zou interessant zijn om te kunnen weten uit welke stemming, met welke gedachten die vroegere mensen juist deze symboliek kozen.
Dat is meestal niet te achterhalen, dus gaan we interpreteren.

Een feit is wel dat vele oude symbolen voortleven. Wel niet meer met die oorspronkelijke betekenis en bedoeling, verdwenen zijn ze niet. En daarmee leiden ze ook een beetje een ‘eigen’ leven. Wat weer tot gevolg heeft dat het voorwerp min of meer los komt te staan van zijn oorspronkelijke bedoeling: iets tot uitdrukking brengen, ergens voor staan.

Dat heet vervlakking.

Dan begint het voorwerp voor ‘iets anders’ te staan. 
Kenners van de oude symboliek noemen dat ‘veruiterlijking’.

Zo is de kerstboom ten prooi gevallen aan deze veruiterlijking. Tegelijkertijd is hij tot een soort nieuw symbool geworden: dat van knusheid en gezelligheid, vrolijkheid en dat dan wel weer: veel licht verspreidend in een donkere tijd.

Dat laatste zou je nog kunnen zien als iets ‘christelijks’.

Begrijp me goed: ik veroordeel ‘knusheid en gezelligheid’ helemaal niet – ik zou niet zonder kunnen – maar tegelijkertijd is er met en aan de boom nog zoveel meer te beleven wat echt met het kerstfeest te maken heeft.

Ieder jaarfeest kan – naast het ‘gewoon’ te vieren, ‘eraan mee te doen’- ook oproepen tot bezinning – en is en/of was er voor de bezinning.
En de symboliek kan daarbij helpen.

Je kan je afvragen: waarom is de kerstboom – kerst = Christus, een boom die altijd groen blijft, die nauwelijks bloeit. Grohmann geeft er in zijn ‘Leesboek voor de plantkunde‘ een mooie verklaring voor.

Ook door wat Rudolf Steiner over de kerstboom zei, kan je de boom op een andere manier symbolisch optuigen.
Mensen die zijn aanwijzingen gebruiken, hangen er 30 papieren rode rozen in, om aan te geven dat Jezus 30 jaar op aarde leefde. Als hij na de doop in de Jordaan nog 3 jaar leeft als de Christus, wordt dat gesymboliseerd door boven in de boom 3 witte rozen te bevestigen.

Ook sprak Steiner over diverse andere symbolen die een plaats zouden kunnen krijgen om een diepere relatie tot uitdrukking te brengen tussen waar deze symbolen voor staan en het wezen en de betekenis van Christus.

Hier volgen de door hem gegeven symbolische tekens,
Er staan enkele voorbeelden bij, maar het is geen volledige opsomming.

Het VIERKANT
Het getal vier symboliseert o.a. de vier elementen: aarde, water, lucht en vuur.
Of steen, plant, dier en mens. Je zou hier kunnen spreken (met Leen Mees:) we leven op de aarde, van de planten, met de dieren, onder de mensen.
Op ons halfrond hebben we vier aan de seizoenen gebonden jaarfeesten: Kerstmis, Pasen, Sint-Jan en Michaël.
Horizontaal oriënteren wij ons op aarde in de vier windstreken.
De zeven vrije kunsten hebben hun bijzondere vierluik: spraakkunst, redeneerkunst, retorica en rekenkunde.
Het mensbeeld spreekt over de vierheid: fysiek lichaam, etherlijf, astraallijf en Ik.

De DRIEHOEK  staat symbool voor de drie-eenheid: Vader, Zoon, Heilige Geest;
Maria, Jozef en het Kind; twee ouders en een kind (het gezin); het drieluik in de zeven vrije kunsten: muziek, geometrie en astronomie; 
de drieledige mens: denken, voelen, willen;
hoofd, romp en ledematen

De TAROK of TAROT: ‘Zij die ingewijd waren in de Egyptische mysteriën konden dit teken lezen en begrijpen. Zij konden het “Dodenboek” lezen, dat bestond uit 78 kaarten waarin zich alle gebeurtenissen van de wereld bevinden van het begin tot het einde, van:

ALFA  tot OMEGA, die men kon lezen als men wist samen te stellen in de juiste volgorde» Dit boek bevatte -in beelden- het leven, dat sterft en dat opnieuw ontluikt in een nieuw leven» Hij die het aantal en de beelden juist wist samen te stellen kon dit boek lezen. En deze wijsheid der getallen, deze wijsheid der beelden werd onderricht in de oude tijden.
En Christus wordt ‘de alfa en de omega’ genoemd.

TAO is het teken dat later uitgedrukt werd door de letter T» Op deze T is een cirkel geplaatst; het teken van de goddelijke natuur van de vader die alles omvat»
Het Egyptische anch-teken. Het is de sleutel die de mysteries van hemel en aarde kan ontsluiten. Het is een symbool van onsterfelijkheid.

Het PENTAGRAM
is het symbool van “alles wat de ruimte omvat en van de mensheid die zich ontwikkelt. Het is de ster, het symbool der mensheid dat alle “wijzen” volgen, zoals de “wijzen” aangaven in de oude tijden. Het is de geest van de aarde, van de grote Heros die geboren werd in de Heilige Nacht, opdat het Licht het meest glanze in de meest-diepe duisternis.
Er wordt ook gezegd: de samenstellende driehoeken verwijzen naar de vier elementen en naar spiritualiteit.
Zo ‘correspondeert’ dit teken in zekere zin met de onderste twee: de driehoek en het vierkant, want Steiner had de plaatsing van deze tekens in de kerstboom zo gedacht:

Vanuit een andere invalshoek brengt Steiner de Christus in verband met de zon. De planeten en het ontstaan ervan worden door hem uitvoerig beschreven. Voor hem is Christus ‘een kosmische zonnegeest’. Dan is het niet verwonderlijk dat ook de planetentekens bij hem een plaats krijgen in deze symbolische kerstboom.
Rondom de boom, in een halve lemniscaat.
Ze worden wel aangegeven met kleur:
In de volgorde van onderop rechts:
Saturnus: donkerblauw
Zon: wit
Maan: geel
Mars: rood
Mercurius:
geel
Jupiter: oranje
Venus: heldergroen

Deze volgorde van de planeten stemt ook overeen met de volgorde van de dagen van de week: zaterdag, zondag enz. Die eindigt op vrijdag en vestigt nogmaals de aandacht op het kruis opdat de spiraal het levensteken zou zijn, zoals de tekens aan de stam de geboorte aanduiden, alle een kruis vormend in hun plaatsing.

Over alle gebruikte symbolen valt meer te zeggen dan hier kan worden weergegeven. 

Over de verlichting.

Bovenstaande inhoud ontleende ik voor een deel aan een artikel uit een schoolkrant van de vrijeschool in Antwerpen. Nadere gegevens onbekend.

De auteur heeft Steiners voordracht van 6 december 1906, in GA 96 gebruikt.
Vertaald. Ook in deze vertaling voordrachten uit GA 54 en GA 92

Over Kerstmis is meer werk van Steiner vertaald, bv. hier, uit GA 117
Kerstmis: uit GA 98, GA 127, GA 187

De lijst is niet compleet.

Meer over deze tekens

.

Kerstmis: alle artikelen

.

2080-1952

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (33)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Pieter HA Witvliet
.

Dit is naar mijn smaak het prachtigste kerstboek dat er bestaat.
Geschreven in meeslepende stijl. Er gebeurt van alles: spannende dingen – en gelukkig: het loopt goed af! Dingen om je zorgen om te maken: maar Maria overkomt niets. Mooie dingen: de slechteriken gaan een beter leven leiden. Enz.
Ik bewaar aan het voorlezen de mooiste herinneringen. Niet alleen aan onze eigen kinderen, maar vooral ook aan mijn klassen ( 1 t/m 3 – groep 3 t/m 5).
Na de 1e advent las ik er iedere dag een klein stukje uit voor. De kaars(en) in de adventskrans brandde(n) en de kinderen zaten in het nog schemerige lokaal stil te luisteren.
Zo’n boek gun ik ieder kind: om voor te lezen of om zelf te lezen.

Gunhild Sehlin
Ill. Jan Verheyen

Boek  – het is er nog!

Vanaf 6jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbespreking: alle auteurs

.

2079-1951

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraken bij de Kerstspelen uit Oberufer (voorwoord)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

gehalten in Dornach 1915 bis 1924
und ein Aufsatz Weihnachten 1922

Vorbemerkung [2]

blz. 7

Zum ersten Male werden die Ansprachen Rudolf Steiners zu den Weihnachtspielen, soweit sie sich erhalten haben, in Buchform veröffentlicht. In dem das Buch einleitenden Aufsatz aus dem Jahre 1922 erzählt Rudolf Steiner – er nennt ihn eine Christfest-Erinnerung – «von den volkstümlichen Weihnachtspielen». Dort schon wird von ihm im wesentlichen mitgeteilt, was er oftmals in verschiedenartiger Form den jeweils neuen Zuhörern über die Entstehung und Wesensart dieser Spiele nahezubringen suchte. Man kann daher vergleichen, wie einmal Rudolf Steiner über diese Spiele schreibt und dann über sie auch spricht. Bereits bei der Herausgabe der Einführungen zu den Eurythmie-Aufführungen, Bibl.Nr. 277, wurde auf dieses Moment hingewiesen und betont, daß die Wiederholungen bei diesen Ausgaben aus der Sache heraus nicht vermeidbar sind. Daß aber im Grunde genommen es ein Widerspruch ist, gesprochenes Wort zu drucken, betonte Rudolf Steiner bei der Drucklegung von Vorträgen oder Vortragszyklen immer wieder. So sei auch hier darauf aufmerksam gemacht. Doch treten gerade oftmals bei den Wiederholungen in kaum bemerkbaren Zügen neue Aspekte auf, so daß sich gesamthaft ein reiches Bild dieses «Lebens der Vergangenheit» ergibt, zugleich ein nicht unwesentliches, kaum bekanntes Kapitel deutscher Theatergeschichte, wie wir es sonst nicht finden.

Voorwoord

Voor de eerste keer worden de toespraken van Rudolf Steiner bij de Kerstspelen, voor zover ze bewaard gebleven zijn, in boekvorm gepubliceerd. In een inleidend artikel uit 1922 waarmee het boek opent, vertelt Rudolf Steiner – hij noemt het een ‘herinnering aan een christusfeest – ‘over de volkse kerstspelen’. Daarin wordt door hem het meest wezenlijke meegedeeld, wat hij dikwijls in verschillende vormen aan de telkens nieuwe toeschouwers over het ontstaan en het karakter van deze spelen probeerde duidelijk te maken.
Daarom kan je vergelijken hoe Rudolf Steiner de ene keer over de spelen schrijft en dan ook over ze spreekt. Al bij de uitgave van de inleidingen bij de euritmie-opvoeringen, GA 277, wordt hieraan gerefereerd en benadrukt, dat herhalingen bij deze uitgaven door de aard van de zaak niet zijn te vermijden. Rudolf Steiner benadrukte steeds weer bij het in druk verschijnen van voordrachten of voordrachtenreeksen dat het in wezen elkaar tegenspreekt om gesproken woord te drukken. Maar juist bij de vele herhalingen zitten vaak nieuwe aspecten die je nauwelijks opmerkt, zodat dit alles bij elkaar een rijk beeld van dit ‘leven in het verleden’ oplevert, tegelijkertijd een niet onbelangrijk, nauwelijks bekend hoofdstuk uit de Duitse theatergeschiedenis, zoals we nergens anders aantreffen.

Auf eine chronologische Übersicht wurde verzichtet. Es ist aber an entsprechender Stelle jeweils bemerkt worden, wenn eine Ansprache durch einen fast gleichlautenden Wortlaut nicht wieder abgedruckt wurde, oder aber eine solche stattfand, von welcher sich keine Nachschrift erhalten hat. – 1909 ist das Oberpfälzische Weihnachtspiel in Berlin aufgeführt worden, wie Leopold van der Pals in seinen «Erinnerungen», die wir im Anhang wiedergeben, mitteilt. Ein Jahr später spricht Rudolf Steiner dann in Berlin am 22. Dezember 1910 über die Oberuferer Spiele. Der Vortrag ist veröffentlicht in Band Nr. 125 der Gesamtausgabe: «Wege und Ziele des geistigen Menschen. Lebensfragen im Lichte der Geisteswissenschaft» – unter dem Titel «Das Weihnachtsfest im Wandel der Zeiten». Auch als Einzelheft ist der Vortrag erhältlich. Es darf angenommen werden, daß Rudolf Steiner auch bei den Berliner Aufführungen, von denen Dr. Karl Schubert – Seite 107 – im Anhang berichtet, Einführungen gab. Doch liegen von diesen keine Nachschriften vor. Was grundsätzlich über solche Einleitungen zu sagen ist, findet sich in der Selbstbiographie «Mein Lebensgang» von Rudolf Steiner im Kapitel XXV ausgeführt (Bibl.-Nr. 28).
Hinweise auf Personen oder Sachverhalte erfolgen nur einmal, nicht bei Wiederholungen.

Van een chrnonologische volgorde werd afgezien. Op de plaats in kwestie is echter iedere keer aangegeven wanneer een toespraak niet opnieuw afgedrukt is, omdat er al een bestond die bijna dezelfde is of er een gehouden werd waarvan geen afschrift bewaard gebleven is. 
In 1909 is in Berlijn het ‘Oberpfälzische kerstspel’ opgevoerd, zoals Leopold van der Pals in zijn ‘herinneringen‘ meedeelt, de wij hier in het aanhangsel weergeven. Een jaar later spreekt Rudolf Steiner dan in Berlijn op 22 december 1910 over de kerspelen uit Oberufer. De voordracht staat in GA 125: onder de titel ‘Het kerstfeest in de loop van de tijden’. De voordracht is ook los te verkrijgen.
Aangenomen mag worden dat Rudolf Steiner ook bij de opvoeringen in Berlijn waarover Dr. Karl Schubert – blz. 107 in het aanhangsel vertelt, inleidingen hield. Maar daar zijn geen afschriften van. 
Wat er basaal over deze inleidingen gezegd moet worden, staat in hoofdstuk 25 van de autobiografie van Rudolf Steiner ‘Mijn levensweg‘ 

Verwijzingen naar personen en zaken worden maar eenmaal gegeven, niet bij herhaling.

[1] GA 274
[2] GA 274
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2078-1950

.

.

.

.

.

.