VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraken bij de Kerstspelen uit Oberufer (voorwoord)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

gehalten in Dornach 1915 bis 1924
und ein Aufsatz Weihnachten 1922

Vorbemerkung [2]

blz. 7

Zum ersten Male werden die Ansprachen Rudolf Steiners zu den Weihnachtspielen, soweit sie sich erhalten haben, in Buchform veröffentlicht. In dem das Buch einleitenden Aufsatz aus dem Jahre 1922 erzählt Rudolf Steiner – er nennt ihn eine Christfest-Erinnerung – «von den volkstümlichen Weihnachtspielen». Dort schon wird von ihm im wesentlichen mitgeteilt, was er oftmals in verschiedenartiger Form den jeweils neuen Zuhörern über die Entstehung und Wesensart dieser Spiele nahezubringen suchte. Man kann daher vergleichen, wie einmal Rudolf Steiner über diese Spiele schreibt und dann über sie auch spricht. Bereits bei der Herausgabe der Einführungen zu den Eurythmie-Aufführungen, Bibl.Nr. 277, wurde auf dieses Moment hingewiesen und betont, daß die Wiederholungen bei diesen Ausgaben aus der Sache heraus nicht vermeidbar sind. Daß aber im Grunde genommen es ein Widerspruch ist, gesprochenes Wort zu drucken, betonte Rudolf Steiner bei der Drucklegung von Vorträgen oder Vortragszyklen immer wieder. So sei auch hier darauf aufmerksam gemacht. Doch treten gerade oftmals bei den Wiederholungen in kaum bemerkbaren Zügen neue Aspekte auf, so daß sich gesamthaft ein reiches Bild dieses «Lebens der Vergangenheit» ergibt, zugleich ein nicht unwesentliches, kaum bekanntes Kapitel deutscher Theatergeschichte, wie wir es sonst nicht finden.

Voorwoord

Voor de eerste keer worden de toespraken van Rudolf Steiner bij de Kerstspelen, voor zover ze bewaard gebleven zijn, in boekvorm gepubliceerd. In een inleidend artikel uit 1922 waarmee het boek opent, vertelt Rudolf Steiner – hij noemt het een ‘herinnering aan een christusfeest – ‘over de volkse kerstspelen’. Daarin wordt door hem het meest wezenlijke meegedeeld, wat hij dikwijls in verschillende vormen aan de telkens nieuwe toeschouwers over het ontstaan en het karakter van deze spelen probeerde duidelijk te maken.
Daarom kan je vergelijken hoe Rudolf Steiner de ene keer over de spelen schrijft en dan ook over ze spreekt. Al bij de uitgave van de inleidingen bij de euritmie-opvoeringen, GA 277, wordt hieraan gerefereerd en benadrukt, dat herhalingen bij deze uitgaven door de aard van de zaak niet zijn te vermijden. Rudolf Steiner benadrukte steeds weer bij het in druk verschijnen van voordrachten of voordrachtenreeksen dat het in wezen elkaar tegenspreekt om gesproken woord te drukken. Maar juist bij de vele herhalingen zitten vaak nieuwe aspecten die je nauwelijks opmerkt, zodat dit alles bij elkaar een rijk beeld van dit ‘leven in het verleden’ oplevert, tegelijkertijd een niet onbelangrijk, nauwelijks bekend hoofdstuk uit de Duitse theatergeschiedenis, zoals we nergens anders aantreffen.

Auf eine chronologische Übersicht wurde verzichtet. Es ist aber an entsprechender Stelle jeweils bemerkt worden, wenn eine Ansprache durch einen fast gleichlautenden Wortlaut nicht wieder abgedruckt wurde, oder aber eine solche stattfand, von welcher sich keine Nachschrift erhalten hat. – 1909 ist das Oberpfälzische Weihnachtspiel in Berlin aufgeführt worden, wie Leopold van der Pals in seinen «Erinnerungen», die wir im Anhang wiedergeben, mitteilt. Ein Jahr später spricht Rudolf Steiner dann in Berlin am 22. Dezember 1910 über die Oberuferer Spiele. Der Vortrag ist veröffentlicht in Band Nr. 125 der Gesamtausgabe: «Wege und Ziele des geistigen Menschen. Lebensfragen im Lichte der Geisteswissenschaft» – unter dem Titel «Das Weihnachtsfest im Wandel der Zeiten». Auch als Einzelheft ist der Vortrag erhältlich. Es darf angenommen werden, daß Rudolf Steiner auch bei den Berliner Aufführungen, von denen Dr. Karl Schubert – Seite 107 – im Anhang berichtet, Einführungen gab. Doch liegen von diesen keine Nachschriften vor. Was grundsätzlich über solche Einleitungen zu sagen ist, findet sich in der Selbstbiographie «Mein Lebensgang» von Rudolf Steiner im Kapitel XXV ausgeführt (Bibl.-Nr. 28).
Hinweise auf Personen oder Sachverhalte erfolgen nur einmal, nicht bei Wiederholungen.

Van een chrnonologische volgorde werd afgezien. Op de plaats in kwestie is echter iedere keer aangegeven wanneer een toespraak niet opnieuw afgedrukt is, omdat er al een bestond die bijna dezelfde is of er een gehouden werd waarvan geen afschrift bewaard gebleven is. 
In 1909 is in Berlijn het ‘Oberpfälzische kerstspel’ opgevoerd, zoals Leopold van der Pals in zijn ‘herinneringen‘ meedeelt, de wij hier in het aanhangsel weergeven. Een jaar later spreekt Rudolf Steiner dan in Berlijn op 22 december 1910 over de kerspelen uit Oberufer. De voordracht staat in GA 125: onder de titel ‘Het kerstfeest in de loop van de tijden’. De voordracht is ook los te verkrijgen.
Aangenomen mag worden dat Rudolf Steiner ook bij de opvoeringen in Berlijn waarover Dr. Karl Schubert – blz. 107 in het aanhangsel vertelt, inleidingen hield. Maar daar zijn geen afschriften van. 
Wat er basaal over deze inleidingen gezegd moet worden, staat in hoofdstuk 25 van de autobiografie van Rudolf Steiner ‘Mijn levensweg‘ 

Verwijzingen naar personen en zaken worden maar eenmaal gegeven, niet bij herhaling.

[1] GA 274
[2] GA 274
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2078-1950

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen (1-8)

.
Marjolein Wolf, Weleda Puur kind, lente 2006, nr. 17
.

Onbevangen op ontdekkingsreis
.

Negen maanden lang is de baby omsloten door natuurlijke grenzen. En dan, plotseling, komt hij terecht in de wijde wereld, in zijn blootje: een en al huid. Dit natuurlijke jasje is zijn steun en toeverlaat op de ontdekkingsreis die voor hem ligt. Hoe bied je jouw baby én zijn huidje de bescherming die hij nodig heeft. En wat kan hij zelf? Deze vragen legden we voor aan pedagoge Hanne Looij.

Wie een pasgeboren baby in de wieg ziet liggen, kan zich verbazen hoe afhankelijk zo’n kleintje is van de mensen om hem heen. Hij lijkt niets te kunnen, maar schijn bedriegt. Want al vanaf het eerste moment is hij bezig met het verkennen van zijn grenzen. En in het begin heeft hij maar één instrument tot zijn beschikking om dit te doen en dat is zijn lijfje. Of beter gezegd: zijn huid.

De ene huid is de andere niet en dat geldt ook voor baby’s. Dat neemt niet weg dat iedere babyhuid in diverse opzichten verschilt van die van een volwassene. Zo is hij bijvoorbeeld vier tot vijf keer dunner, wat komt doordat bepaalde elementen nog nauwelijks zijn ontwikkeld. Bij volwassenen bestaat het bovenste laagje van de huid uit een hoornlaagje: een beschermend laagje dat voornamelijk uit dode cellen bestaat. Dat laagje is bij baby’s nog niet aanwezig. Ook heeft de babyhuid nog bijna geen haar. Vandaar dat deze zo zacht aanvoelt en er zo glanzend uitziet. Zelfs de handpalmen en de voetzolen – bij volwassenen vaak met eelt bedekt – voelen bij een baby nog aan als fluweel. Tel daarbij op dat de babyhuid nog een relatief laag vetgehalte heeft en je kunt je voorstellen dat het geheel dun en kwetsbaar is.

Een kring van lieve mensen

Maar er zijn meer redenen waarom de huid van de baby supergevoelig is. Hier bevinden zich namelijk ook receptoren, die prikkels van buitenaf aan de hersenen doorgeven. Zijn dat er bij de volwassen huid al een paar duizend per vierkante centimeter, bij de babyhuid is deze dichtheid nog hoger. De meeste receptoren liggen in de vingertoppen, in de lippen en de tong. Dat verklaart waarom een baby’tje alles wat hij te pakken krijgt in zijn mond wil stoppen: op deze manier neemt hij de wereld om hem heen waar. De huid is het zintuig van de tastzin en de steun en toeverlaat op de grote ontdekkingsreis die voor hem ligt. Want wie is hij en hoe zit de wereld in elkaar? Maar om daar achter te komen, heeft hij ook mensen nodig. En het liefst mensen die van hem houden. Onderzoeken tonen aan dat liefdevolle aanraking in de eerste weken een grote invloed heeft op de ontwikkeling van een mens. Kinderen die veel gestreeld en gemasseerd worden, ontwikkelen aantoonbaar meer lichaamsbewust-zijn en een hoger zelfbewustzijn dan zij die dergelijke aanrakingen moeten ontberen. 

Hé, een lijf!

Een baby’tje vraagt om omhulling, in alle opzichten: om kleertjes om hem heen, om de beslotenheid van een wiegje, maar ook om de koesterende armen van zijn ouders, ieder contact, of het nu met een hand is of met een luier, leert hem iets over zichzelf. Zo begint hij te beseffen dat hij een lichaam heeft dat ergens ophoudt, dat zijn grenzen heeft. Kun je hem als ouder daarbij ondersteunen?

‘De meest directe manier om je baby de grens van zijn lijfje te laten beleven, is door hem regelmatig te masseren en hem van top tot teen zachtjes in te wrijven met een olie,’ antwoordt Hanne Looij op mijn vraag.
‘Maar ook door weerstand, bijvoorbeeld als je hem een trappelzak aandoet of zijn beentjes in een flanellen luier wikkelt. Al trappelend en maaiend, merkt hij dat hij armpjes en beentjes heeft. Waar het om gaat is dat hij niet in een lege ruimte trappelt, maar zichzelf beleeft als hij beweegt. Soms kun je een baby bijna zien beseffen: Hé, ik heb blijkbaar een lijf!
En als je hem met zijn hele lijfje in een omslagdoek wikkelt, vindt hij dat ook heerlijk. Tenminste, de meesten. Begrenzing geeft rust. Daarom is het ook een belangrijke hulp voor een baby om in slaap te kunnen vallen. Het spreekt voor zich dat je niet moet overdrijven. Hij moet niet het gevoel krijgen dat hij in een ijzeren harnas zit.’

Tot hier en niet verder

‘Voor een goede start, adviseer ik ouders altijd om de eerste weken na de geboorte de natuurlijke begrenzing van de baarmoeder een beetje na te bootsen’, zegt Hanne. ‘Dus kleed je kindje de eerste maanden in verschillende laagjes en gebruik daarvoor het liefst natuurlijke materialen zoals wol en katoen: die ademen. Zijn kleertjes worden zo een extra huidje, iets dat bij hem hoort. Dat geeft hem een veilig gevoel. En vergeet het hoofdje niet. De fontanel is nog open en vaak hebben baby’s nog maar heel weinig haar. Bovendien is het hoofd van een baby in verhouding een groot deel van zijn lichaam; via zijn hoofd kan hij dus erg veel warmte verliezen. Door het te bedekken met een mutsje, scherm je hem af. Je legt eigenlijk een grens aan, zo van: je komt tot hier.’

Je neus stoten hoort erbij

‘Natuurlijk heeft een grens meer functies. De muren van je huis beschermen je tegen invloeden van buitenaf, maar daarnaast beperken ze je ook. Als je naar buiten wilt, kun je niet door de muur heen lopen. Probeer je dit toch, dan stoot je je neus. Deze uitdrukking betekent dat je geconfronteerd wordt met jezelf. En dat is wat een grens ook doet. Die maakt je bewust van een stuk van jezelf dat je nog niet kende. Iedere uiterlijke beperking is een uitdaging om innerlijk sterker te worden.

Als je baby bijvoorbeeld in de box ligt en gewoon een beetje aan het mopperen is vanwege een kleine ongemakkelijkheid, pak hem dan niet direct op. Door hem even te laten liggen, wordt hij een moment op zichzelf teruggeworpen. Misschien is die ervaring niet aangenaam, maar hij vormt wel een basis voor groei en ontwikkeling. Je geeft je kind de kans te ontdekken dat hij kleine probleempjes ook heel goed zelf kan oplossen. Zo beleeft en ontwikkelt hij zijn eigen innerlijke kracht.

Als je nooit de beslotenheid van je eigen wezen ervaart, ontwikkel je ook geen gevoel van eigenheid. En zou je ook nooit de ander kunnen begrijpen. Een baby beleeft dit natuurlijk nog onbewust, maar dit soort ervaringen zijn een voorwaarde om later tot een bewuste beleving van dit gevoel te komen. In feite is de hele opvoeding erop gericht om dit proces zo evenwichtig mogelijk te laten verlopen.’ 

KLEINE ANTENNETJES

Haartjes beschermen niet alleen de tere babyhuid, ze tasten ook af wat er om hen heen gebeurt. De zenuwen rond de haarwortels reageren al wanneer een zuchtje wind de babyhaartjes 0,001 millimeter ombuigt.

UIT DE ZON

Om de huid te beschermen maken de pigmentcellen in de opperhuid de bruine kleurstof melanine aan. Onder invloed van de zon neemt die activiteit sterk toe, maar niet bij baby’s. Zij moeten het nog zonder deze natuurlijke bescherming stellen. Zet daarom het eerste jaar je baby niet in de volle zon.

.
Zie in dit artikel een hersenfoto van een kind dat aandacht kreeg en van een kind dat dit niet kreeg.

Hanne Looij: Caleidoscoop van een levende pedagogie.
.
Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

2077-1949

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het leerplan van klas 7

.

Voor een goed begrip van het leerplan, de leerstof e.d. is het zeer aan te bevelen de artikelen: Rudolf Steiner over het leerplan en Rudolf Steiner over het kind, de leerkracht, ontwikkeling, lesstof en leerplan eerst te lezen.

In de pedagogische voordrachten GA 293 – 311 is relatief maar weinig meegedeeld over de leerstof op zich. Veelal wordt deze besproken in samenhang met de ontwikkeling van het kind.
Uit deze voordrachten volgt hier wat er over de leerstof van de 6e klas kan worden gevonden.

Het is raadzaam ook even terug te kijken bij wat er aan een voorafgaande klas over het vak werd gezegd; vaak is er sprake van ‘voortzetting van wat in vorige jaren is aangelegd’.
.

LEERSTOF VAN KLAS 7

Aardrijkskunde

Dann versuche man in der Geographie die Dinge über die Himmelsverhältnisse fortzusetzen und mit der Betrachtung der geistigen Kul­turverhältnisse der Erdbewohner, der Erdenvölker, zu beginnen; im­mer im Zusammenhang mit dem, was man über die materiellen Kul­turverhältnisse, namentlich die wirtschaftlichen Verhältnisse, in den zwei ersten Jahren, in denen Geographie getrieben wurde, für die Kin­der gewonnen hat.

Dan probeert men in de aardrijkskunde verder te gaan met de sterrenkunde en een begin te maken met de beschouwing van de geestelijk-culturele omstandigheden van de aardebewoners, de volkeren op aarde – steeds in samenhang met wat men de kinderen heeft geleerd over de omstandigheden van de materiële cultuur, met name de economische omstandigheden, 163 in de eerste twee jaar dat men aardrijkskunde gaf.
GA 295/162-163
Vertaald/150

Algebra zie rekenen

Euritmie

Und dann im vierten, fünften und sechsten Schuljahr kommen hinzu die Formen, also für Konkretes, Abstraktes und so weiter, wobei solche Dinge für die Kinder ja möglich werden, weil sie in der Grammatik ja mittlerweile so weit vorwärtsgekommen sind. Dann setzen wir das fort im siebenten und achten Schuljahr für kompliziertere Formen.

En dan komen er in de vierde, vijfde en zesde klas de vormen bij voor concrete en abstracte dingen enzovoort, waarbij 177 dat voor de kinderen ook mogelijk wordt, omdat ze in de grammatica inmiddels zo ver zijn gekomen. In de zevende en achtste klas wordt dat dan voortgezet met gecompliceerdere vormen.
GA 295/176-177
Vertaald/161

Geschiedenis

Im siebenten Schuljahr wird es sich darum handeln, daß man dem Kinde recht begreiflich macht, welches Leben der neueren Menschheit mit dem 15. Jahrhundert heraufzieht, und daß man dann die euro­päischen und so weiter Verhältnisse etwa bis zum Beginn des 17. Jahr­hunderts schildert. Es ist dies der allerwichtigste Zeitraum, auf den man viel Sorgfalt verwenden muß. Es ist wichtiger sogar als das Nächst­folgende.

In de zevende klas zal het erom gaan dat men het kind goed duidelijk maakt hoe het leven er vanaf de vijftiende eeuw voor de moderne mensheid uit gaat zien en dat men de situatie in Europa en elders schetst tot ongeveer het begin van de zeventiende eeuw. Dit is een uitermate belangrijke periode, die men zorgvuldig dient te behandelen. Belangrijker zelfs dan de tijd daarna.
GA 295/162
Vertaald/150

Ebenso habe ich die tiefste Befriedigung gehabt, wie von unse­rem Lehrer der siebenten Klasse in dieser geisteswissenschaftlichen Weise Geschichte vor den Kindern entwickelt worden ist – aber wie gesagt, nicht Geisteswissenschaft, sondern die Geschichte gei­steswissenschaftlich-methodisch behandelt. Da verwandelt sich dasjenige, was sonst mehr oder weniger den Kindern fremd bleibt, in etwas, was das Kind unmittelbar verwandt mit seiner eigenen Wesenheit weiß. Und da kann man überall die Brücke herstellen zwischen dem, was das Kind erfährt vom Entwicklungsgang der Menschheit und dem, was in das Kind hineinsprühen kann, damit es ein brauchbares Mitglied der künftigen Menschheit sein soll.

Net zo was ik diep tevreden met hoe door onze leraar van de zevende klas op deze geesteswetenschappelijke manier geschiedenis is ontwikkeld – maar niet, zoals gezegd, de geesteswetenschap, maar de geschiedenis geesteswetenschappelijk behandeld. Dan metamorfoseert zich iets, in wat anders voor de kinderen min of meer vreemd blijft, in iets, wat het kind omdat het verwant is met zijn eigen wezen, meteen weet. En dan kan je overal een brug slaan tussen wat het kind ervaart van de gang van de ontwikkeling van de mensheid en wat in het kind sprankelen kan, zodat het een bruikbaar lid van de toekomstige mensheid zal zijn.
GA 297/220
Vertaald op deze blog/220

Gezondheidsleer – zie voedingsleer

Gymnastiek

Kompliziertere Geräteübungen sind erst im siebenten und achten Schuljahr zu machen, in dem die freien Übungen auch fortgesetzt wer­den. Aber die freien Übungen sollen alle mit Laufen, Klettern, Sprin­gen zusammenhängen

Ingewikkelde oefeningen aan toestellen doet men pas in de zevende en achtste klas, waarbij ook de vrije oefeningen worden voortgezet. Maar de vrije oefeningen moeten allemaal samenhangen met rennen, klimmen en springen.
GA 295/177
Vertaald/161

Maatschappijleer

Sozialkunde

Es wird berichtet über den Unterricht in sozialer Erkenntnis.
Dr. Steiner: In der 7. und 8. Klasse könnte man das geben, was in den ,,Kernpunkten der sozialen Frage” steht.

Er wordt verslag gedaan over het onderwijs in sociale kennis.

Dr.Steiner: In de 7e en 8e klas zou je goed kunnen behandelen wat in deKernpunten‘ staat.
GA 300A/123
Niet vertaald

Meetkunde

Zie klas 6

Muziek

Und in den beiden letzten Schuljahren, im siebenten und achten Schuljahr, bitte ich zu berücksichtigen, daß das Kind überhaupt nicht mehr das Gefühl hat, es werde «dressiert» zu irgend etwas, sondern daß das Kind schon das Gefühl hat, es treibe Musik, weil das ihm Vergnügen macht, weil es das genießen möchte, als Selbstzweck, zur Freude. Dahin 295/176 hat der sogenannte Musikunterricht zu wirken. Daher kann in diesen zwei Jahren das musikalische Urteil geweckt und ausgebildet werden. Es kann schon darauf aufmerksam gemacht werden, welchen Charak­ter dieses musikalische Kunstwerk hat und welchen jenes hat. Welchen Charakter ein Beethovensches Kunstwerk hat und welchen Charakter ein Brahmssches Kunstwerk hat. In einfachen Formen also sollte man das Kind zum musikalischen Urteil bringen. Vorher muß man das mu­sikalische Urteil zurückhalten, aber jetzt muß man es pflegen.

En wilt u er in de twee laatste schooljaren, in de zevende en achtste klas, op letten dat het kind volstrekt niet meer het gevoel heeft dat het ‘gedresseerd’ wordt tot iets, maar dat het kind het gevoel heeft dat het muziek maakt omdat het er plezier in heeft, omdat het ervan wil genieten, als doel in zichzelf, om de vreugde die het geeft. Zo moeten de muzieklessen werken. Daardoor kan in deze twee jaar het muzikale oordeel gewekt en ontwikkeld worden. Men kan de kinderen er gerust op wijzen wat voor karakter het een of andere kunstwerk heeft. Welk karakter een werk van Beethoven heeft en welk karakter een werk van Brahms heeft. Met eenvoudige vormen moet men het kind dus tot een muzikaal oordeel brengen. Voor die tijd moet men terughoudend zijn met het muzikale oordeel, maar nu moet men erop ingaan.
GA 295/175-176
Vertaald/160

Natuurkunde

Dann gehen Sie im siebenten Schuljahr über zu der Erweiterung des Akustischen, des Thermischen, also des Wärmelehreunterrichts, des optischen Unterrichts, des Elektrizitäts- und Magnetismusunterrichts. Und erst von da aus gehen Sie über zu den wichtigsten mechanischen Grundbegriffen, also Hebel, Rad an der Welle, Rolle, Flaschenzug, Rollenzug, Schiefe Ebene, Walze, Schraube und so weiter.

In de zevende klas breidt u de akoestiek en het thermische, de warmteleer dus, de optica, de elektriciteit en het magnetisme uit. En pas van daaruit komt u bij de belangrijkste mechanische grondbegrippen: hefboom, wiel, rol, katrol, takel, hellend vlak, wals, schroef enzovoort.
GA 295/166
Vertaald/153

In der 7. Klasse wären Optik, Magnetismus ausführlicher zu bespre­chen als in der 8. Klasse. Dann die Mechanik der festen Körper.|

In de 7e klas zou de optica, het magnetisme uitvoeriger aan de orde moeten komen dan in de 8e klas. Dan de mechanica van de vaste lichamen.
GA 300A/122
Niet vertaald

Niet-Nederlandse taal

X.: Was soll ich lesen im Französischen in der 7. Klasse? Ich hatte Gedichte genommen.

X.: Wat moet ik lezen in de Franse les in de 7e klas? Ik heb gedichten genomen.

Dr. Steiner: Fabeln lesen. La Fontaine.
In der 7. Klasse kann man ihn (Dickens:Christmascarol )schon lesen. Sie können auch selbst eine zusammenhängende Prosa auswählen; es ist nur beispielsweise ange­führt gewesen. Es gibt einige ganz nette Schulausgaben für unsere Schulen. Es müßten natürlich in irgendeinem Lebensalter Proben gelesen werden.

Fabels lezen. La Fontaine.
In de 7e klas kan je kun je Christmascarol van Dickens lezen. U kan ook zelf een samenhangend stuk proza kiezen; ik heb het maar als voorbeeld gegeven. Er bestaan voor onze scholen een paar heel aardige schooluitgaven. Op een of andere leeftijd moeten natuurlijk wel stukken (uit een geheel) gelezen kunnen worden. 
GA 300B/33
Niet vertaald

Rekenen en algebra

Im siebenten Schuljahr versuche man, nachdem man zur Buchsta­benrechnung übergegangen ist, Potenzieren, Radizieren beizubringen; auch das, was man das Rechnen mit positiven und negativen Zahlen nennt. Und vor allen Dingen versuche man, die Kinder in das hereinzubringen, was im Zusammenhang mit freier Anwendung des prak­tischen Lebens die Lehre von den Gleichungen genannt werden kann.

In de zevende klas probeert men de kinderen, na de overgang naar het letterrekenen, machtsverheffen en worteltrekken bij te brengen, ook het rekenen met wat men noemt positieve en negatieve getallen. En in de allereerste plaats probeert men de kinderen vertrouwd te maken met datgene wat de leer van de 1 vergelijkingen genoemd kan worden, in samenhang met een vrije toepassing op het praktische leven.
GA 295/169-170
Vertaald/155-156

Scheikunde

Dann gehen Sie aus von einem solchen Vorgang wie von der Ver­brennung und suchen von einem solchen alltäglichen Vorgang dann den Übergang zu gewinnen zu einfachen chemischen Vorstellungen.

Dan behandelt u het proces van verbranding en zo’n alledaags proces neemt u dan als uitgangspunt voor de overgang naar eenvoudige scheikundige voorstellingen.
GA 295/166
Vertaald/153

Taal

Im siebenten Schuljahr wird man das wieder fortzusetzen haben, was im sechsten Schuljahr gemacht worden ist. Und nun versuche man, an den Sprachformen dem Kinde ein richtiges plastisches Erfassen der Ausdrucksformen für das Wünschen, Erstaunen, Bewundern und so weiter zu entwickeln. Man versuche, daß das Kind lerne, dieser inneren Konfiguration der Gefühle gemäß die Sätze zu formen. Dabei gehe man weniger so vor, daß man etwa Gedichte oder sonstiges malträtiert, um zu zeigen, wie der oder jener einen Wunschsatz geformt hat, sondern man gehe direkt darauf los, indem man das Kind aussprechen läßt etwas Gewünschtes, dann den Satz formen läßt. Dann läßt man aussprechen etwas Bewunderndes und läßt dann den Satz formen, oder man hilft dem Kinde, den Satz zu formen. Und dann vergleicht man den Wunschsatz mit dem Satz der Bewunderung, um auf diese Weise die Anschau­ung der inneren Plastik der Sprache weiter auszubilden.
Nun wird das, was in der Naturgeschichte heraufgebracht worden ist, es dem Kinde schon ermöglichen, im Aufsatze leichte Charakteristi­ken zu geben, sagen wir von dem Wolfe, von dem Löwen, von der Biene und so weiter. Neben diesem mehr auf das allgemein Menschliche in der Bildung Hingehenden pflege man in dieser Zeit besonders die Abfassung von geschäftlich-praktischen Dingen. Der Lehrer muß sich darum kümmern, was es für geschäftlich-praktische Dinge gibt, und 295/160 muß sie dann in dieser Zeit in einer vernünftigen Form in die Köpfe seiner Schulkinder hineinbringen.

In de zevende klas moet men dan weer voortzetten wat in de zesde gedaan is. En nu probeert men om het kind aan de hand van de taaluitingen op werkelijk plastische wijze de uitdrukkingsvormen voor wensen, voor verwondering, bewondering enzovoort te laten ‘pakken’. Men probeert het kind te leren om zinnen te vormen die in overeenstemming zijn met deze innerlijke configuratie van gevoelens. Daarbij gaat men niet zozeer gedichten en dergelijke te lijf, om te laten zien hoe deze of gene een wens in een zin heeft gegoten, nee, men laat een kind zonder omhaal zelf een wens uitspreken en dan de zin vormen. Dan laat men het de een of andere bewondering uiten en zin gieten, of men helpt het kind de zin te vormen. En dan vergelijkt men de zin die een wens uitdrukt met de zin die bewondering uitdrukt, om op die manier de innerlijke vormkracht van de taal verder aanschouwelijk te maken.
Nu zal dat wat in de ‘natuurlijke historie’ behandeld is, de kinderen al de gelegenheid bieden om bij het opstel eenvoudige karakteristieken te geven van bijvoorbeeld de wolf, de leeuw, de bij enzovoort.
Naast deze onderwerpen, die meer op het ontwikkelen van het algemeen menselijke zijn gericht, houden we ons in deze tijd vooral met het beschrijven van praktisch-zakelijke dingen bezig. De leraar moet oog hebben voor wat er aan praktisch-zakelijke dingen bestaat en hij moet
ze dan in deze tijd in een verstandige vorm in de hoofden van zijn leerlingen zien te krijgen.
GA 295/159-160
Vertaald/147-148

Und man ver­suche mit dem, was an physikalischen und chemischen Begriffen ge­wonnen wird, eine zusammenfassende Anschauung hervorzurufen über Erwerbsverhältnisse, Betriebsverhältnisse – also diesen oder jenen Be­trieb – und Verkehrsverhältnisse; das alles im Zusammenhang mit dem physikalischen, chemischen und geographischen Unterricht, aus der Naturgeschichte heraus.

En men probeert om met behulp van de natuur- en scheikundige begrippen die men heeft ontwikkeld een algemeen beeld te geven van handel en bedrijfsleven — een of andere bedrijfstak dus — en verkeer. Dat alles in samenhang met natuurkunde, scheikunde en aardrijkskunde, uitgaande van de ‘natuurlijke historie’.
GA 295/165
Vertaald/152

Tekenen

Dann sollte im siebenten Schuljahr alles das gepflegt werden, was sich auf Durchdringungen bezieht. Also als einfaches Beispiel sagen Sie: «Da haben wir einen Zylinder, der wird von einem Pfosten durch­drungen. Der Pfosten muß durchgesteckt werden durch den Zylinder.» Sie müssen zeigen, was da in dem Zylinder für eine Schnittfläche ent­steht beim Hineingehen und beim wieder Herausgehen. Das muß mit dem Kinde gelernt werden. So etwas muß es lernen, was entsteht, wenn sich Körper oder Flächen gegenseitig durchdringen, so daß es weiß, welcher Unterschied ist, ob eine Ofenröhre oben senkrecht durchs Plafond geht, wobei ein Durchdringen im Kreis erfolgt, oder schief, wobei ein Durchdringen in der Ellipse erfolgt. – Dann muß das Kind in diesem Jahr eine gute Vorstellung beigebracht erhalten vom Perspekti­vischen. Also einfaches perspektivisches Zeichnen, Verkürzung in der Entfernung, Verlängerung in der Nähe, Überdeckungen und so weiter. Und dann wiederum die Verbindung des Technischen mit dem Schönen, so daß man in dem Kinde eine Vorstellung davon hervorruft, ob es schon oder unschön ist, wenn irgendeine, sagen wir, teilweise Überdeckung einer Wand eines Hauses durch einen Vorsprung hervorge­rufen wird. Ein solcher Vorsprung kann schön oder unschön eine solche Wand überdecken. Solche Dinge wirken ungeheuer, wenn sie einem Kinde gerade im siebenten Schuljahre, also wenn es dreizehn, vierzehn Jahre alt ist, beigebracht werden.
Das alles steigert man ins Künstlerische, indem man gegen das achte Schuljahr hingeht.

In de zevende klas vervolgens moet alles worden behandeld wat te maken heeft met doorsnijdingen. Een eenvoudig voorbeeld: ‘Daar hebben we een cilinder, die wordt doorsneden door een balk. De balk moet door de cilinder gestoken worden.’ U moet laten zien wat voor snijvlak ontstaat in de cilinder op de plaats waar de balk er in- en waar hij eruit gaat. Dat moet met het kind geleerd worden.

Het kind moet leren wat er gebeurt wanneer lichamen of vlakken elkaar doorsnijden, zodat het weet wat het verschil is tussen een kachelpijp die van boven loodrecht door het plafond gaat, waarbij het snijvlak een cirkel is, en een die er scheef doorgaat, waarbij een ellips ontstaat. Dan moet men het kind in deze klas een goede voorstelling bijbrengen van het perspectief. Eenvoudig tekenen in perspectief, verkorting bij veraf gelegen en verlenging bij dichtbij gelegen objecten, bedekking enzovoort. En dan weer de verbinding van techniek en schoonheid, zodat men in het kind de voorstelling oproept of het mooi is of niet wanneer een vooruitstekend gedeelte van een huis een deel van de muur bedekt. Zo’n vooruitstekend gedeelte kan op fraaie of lelijke wijze zo’n muur bedekken. Zulke dingen hebben een enorme werking wanneer ze kinderen juist in die zevende klas worden bijgebracht, wanneer ze dertien, veertien jaar zijn. Dat alles culmineert dan in het kunstzinnige tegen het achtste schooljaar.
GA 295/171-172
Vertaald/157-158

Vertelstof

Dann müssen Sie sich in die Lage versetzen, Erzählungen über die Volksstämme zu bringen, wie die Volksstämme geartet sind, was mehr mit der Naturgrundlage zusammenhängt. 

Vervolgens moet u zich erop voorbereiden om verhalen over de volkeren te vertellen, over hun karakter, wat vooral samenhangt met de natuurlijke omstandigheden waarin zij leven.

7.Erzählungen über die Volksstämme

7. verhalen over volkeren
GA 295/19-20
Vertaald/19

Voedings- en gezondheidsleer

Im siebenten Schuljahr kehre man wiederum zum Menschen zurück und versuche namentlich das beizubringen, worauf ich gestern hingedeutet habe, was in bezug auf die Ernährungs- und Gesundheitsver­hältnisse dem Menschen beigebracht werden sollte.

In de zevende klas keert men weer terug naar de mens en probeert men vooral datgene over te brengen waar ik gisteren op heb gewezen, namelijk wat een mens moet weten over voeding en gezondheid. [65]=Zie Opvoedkunst, 14e voordracht.] 
GA 295/165
Vertaald/152

.

7e klasalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Het leerplan: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 7e klas

..

2076-1948

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de Kerstspelen uit Oberufer (14)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:
.

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 25-12-1923  [2]
während der Gründungsversammlungen
der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft

blz. 85

Ich habe mir gestern erlaubt, einiges über die historische Herkunft der Spiele zu sagen, die wir Ihnen hier während dieser Weihnachtstagung aufführen. Heute möchte ich nur noch etwas hinzufügen über die Art und Weise, wie diese Spiele in den ungarischen deutschen Kolonien aufgeführt worden sind in der Zeit, als sie Ende der vierziger Jahre, Anfang der fünfziger Jahre des vorigen Jahrhunderts Karl Julius Schröer dort gefunden hat. Die Spiele waren handschriftlich das Besitztum der gewissermaßen angesehensten Familien im Dorfe. Und sie wurden gespielt von dem Dorfe aus, in dem sie vorhanden waren, in den Nachbardörfern im Umkreise von zwei bis drei Stunden. Wenn im Herbste die Weinlese vorüber war, also etwa Mitte oder Ende Oktober, dann kamen – nicht jedes Jahr, aber wenn es, ich möchte sagen, gerade das Schicksal ergab – die Bauernhonoratioren des Dorfes zusammen und besprachen sich. Der Schullehrer, der zu gleicher Zeit Notar war, war nicht dabei; er hielt sich zur Intelligenz, und die Intelligenz verachtete diese Spiele. Aber die Bauern, nachdem ein paar

Toespraak Dornach 25 december 1923
tijdens de stichtingsvergaderingen van de Algemene Antroposofische Vereniging

Ik heb gisteren de vrijheid genomen iets over de historische herkomst van de spelen te zeggen die wij hier tijdens deze kerstconferentie opvoeren.
Vandaag zou ik nog iets willen aanvullen over de manier waarop deze spelen in de Hongaars-Duitse nederzettingen opgevoerd werden in de tijd toen zij op het eind van de jaren veertig, begin vijftig van de negentiende eeuw daar door Karl Julius Schröer werden gevonden.
De spelen waren als handschrift het bezit van de in zekere zin meest aanzienlijke families in het dorp. 
En vanuit het dorp waar ze aanwezig waren, werden ze gespeeld in de nabij gelegen dorpen, in een omtrek van twee tot drie uur.
Wanneer in de herfst de druivenpluk voorbij was, dus midden of eind oktober, dan kwamen – niet ieder jaar, maar wanneer, ik zou willen zeggen, het lot het bepaalde – aanzienlijke boeren van het dorp bijeen en overlegden. De schoolmeester, die tegelijkertijd notaris was, was er niet bij; hij rekende zich tot de intellectuele elite en die verachtte deze spelen. 
Maar de boeren, nadat de spelen een paar

.blz. 86

Jahre aus irgendwelchen Gründen die Spiele wiederum nicht gespielt wurden, sagten dann: Na, unseren jungen Burschen könnte es auch nichts schaden, wenn sie wiederum was besseres zu tun hätten zur heiligen Weihnachtszeit! – Und dann wurde beratschlagt, ob richtige Burschen dazu da sind, die man brauchen kann zum Spielen. Eine Liste wurde zusammengestellt. Dann aber, wenn man die Burschen gefragt hat, ob sie spielen wollen, und wenn sie nun ausersehen waren zu spielen, stellte man einzelne strenge Bedingungen.
Es will viel heißen für diese Gegenden, daß die Burschen – denken Sie, die ganze Zeit von Oktober bis zu Weihnachten hin und Heilige Dreikönige – sich nicht betrinken durften, nicht zu dem Dirndl gehen durften und was wir hier schon gar nicht durchführen können, absoluten Gehorsam leisten mußten dem, der die Sache mit ihnen ein- studierte. Nun, wenn wir so etwas verlangen würden wie das letzte, dann würden uns die Mitspielenden schön auf den Kopf kommen!
So wurden denn durch Wochen hindurch mit außerordentlichem Fleiß diese Übungen gemacht, in denen die Spiele einstudiert wurden. 

jaar om een of andere reden weer niet gespeeld werden, zeiden dan: wel, het zal voor onze jonge knapen ook niet verkeerd zijn, dat ze tegen de heilige kersttijd weer eens iets beters te doen hebben!
En dan werd er overlegd of de juiste jongens er waren die voor de spelen gebruikt konden worden. Er werd een lijst opgesteld. 
Dan echter, wanneer men de jongens gevraagd had of die wilden spelen en als ze uitverkoren waren om te spelen, stelde men een paar strenge voorwaarden.
Het betekende veel voor deze streken dat de jongens – denk er eens aan, van oktober tot aan de kerst en Driekoningen – zich niet mochten bedrinken, niet naar de meisjes mochten gaan en wat we hier al helemaal niet kunnen doorvoeren, absoluut gehoorzaam moesten zijn aan de man die ze met hen instudeerde. Wel, als wij zoiets zouden eisen als dat laatste, dan zouden de medespelers daar ons wel even op aanspreken!
Zo werden dan wekenlang met buitengewone ijver de repetities gehouden waarin de spelen werden ingestudeerd.

Aber noch etwas gab es, was wir nicht durchführen können. Derjenige, welcher etwas vergessen hatte oder etwas schlecht machte, mußte; einen halben Kreuzer Strafe zahlen. Nun, das können wir auch nicht durchführen, Strafen können wir nicht verhängen fürs Vergessen! Und so wurden dann in strengster Weise diese Übungen gemacht bis zum ersten Adventsonntag. Denn am Adventsonntag fing man schon an, das Paradeis-Spiel, das Sie gestern gesehen haben, zu spielen. Zu Weihnachten gab es das Christ-Geburt-Spiel und gegen den 6. Januar dann das Spiel, das in den nächsten Tagen noch hier zu sehen sein wird.
Die Anordnung des Spieles – ich habe ja schon gestern einiges davon erwähnt – war so, daß die Burschen sich versammelten und sich anzogen im Hause des Lehrmeisters, und von da aus dann in das Wirtshaus gingen, in dem die Aufführung stattfand. Aber der Teufel, der wurde schon früher weggeschickt. Sie haben ihn ja gestern auch gesehen. Er war mit einem Kuhhorn ausgestattet und tat etwas, was wir wiederum nicht nachmachen können, denn er tutete zu jedem Fenster hinein. Vielleicht würde das gerade unserem Dorf unten auch Spaß machen, aber wir wollen es zunächst nicht probieren. Dann aber sprang

Maar er was nog iets wat we hier niet kunnen doen. Wie wat vergeten was of iets slecht uitvoerde, moest geld* betalen. Dat kunnen we ook niet invoeren, we kunnen geen straf opleggen voor vergeten!
En zo werden deze oefeningen op de meest strenge manier gehouden tot aan de eerste adventszondag. Want op deze zondag begon men al het Paradijsspel dat u gisteren hebt gezien, te spelen. Tegen de kerst was er het spel over de geboorte van Christus en tegen de 6e januari dan het spel dat hier de komende dagen nog te zien zal zijn.
De organisatie van het spel – ik heb er gisteren al iets over gezegd – was zo, dat de jongens zich verzamelden en zich in het huis van de leermeester omkleedden en vandaar naar de herberg gingen waar de opvoering plaatsvond.
Maar de duivel werd er al eerder opuit gestuurd. U hebt hem gisteren ook gezien. Hij was uitgerust met een koeienhoorn en deed iets wat wij ook weer niet kunnen doen, want hij toeterde door elk raam heen. Misschien zouden ze dat in ons dorp hier beneden nog wel leuk vinden, maar we gaan het maar niet proberen. 
Maar dan sprong hij 

blz. 87

er auch auf jedes Fuhrwerk hinauf und trieb so sein Unwesen. Dann gesellte er sich zu der ganzen Kumpanei, wie man es nannte. Dort wurde es so aufgeführt: in der Mitte des Wirtshaussaales war die Bühne, und an den Wänden standen die Bänke für die Zuschauer. Die Einstudierung schilderte mir Karl Julius Schröer, mein alter Freund und Lehrer, sehr genau; er hat ja diese Spiele niedergeschrieben nach der Art, wie er sie gehört hat von den Bauern selber, sie dann korrigiert nach dem Manuskript. Es sind immerhin Fehler unterlaufen. Und ich muß schon sagen, erst im Laufe der Jahre komme ich auf so manches, was eigentlich ursprünglicher Text dieser Spiele war. So zum Beispiel konnten wir wirklich die verflossenen Jahre niemals zurechtkommen mit den ersten zwei Zeilen, welche der Herrgott spricht im ParadeisSpiel. Da steht bei Schröer: Adam, nimm an den lebendigen Atem, den du empfangest mit dem Tahen (Tag). Es reimt sich weder, noch hat es einen Sinn. Erst in diesem Jahre wurde mir ganz klar, es stimmt ab- solut:
Adam, nimm an den lebendigen Atem,
Den du empfangest mit dem datem…

op iedere wagen en haalde zo zijn grappen en grollen uit. Daarna sloot hij zich aan bij de hele spelersgroep, de ‘kompanij’ zoals die genoemd werd. Het werd daar zo opgevoerd:
In het midden van de gelagkamer was een toneel gebouwd en tegen de muren stonden de banken voor het publiek. 
Karl Julius Schröer, mijn oude vriend en leraar, schetste voor mij precies hoe er ingestudeerd werd; hij heeft immers deze spelen opgeschreven naar wat hij van de boeren zelf hoorde, en dan volgens het manuscript verbeterde. Er zijn nu eenmaal fouten ingeslopen. En ik moet zeggen dat ik pas in de loop van de jaren op veel stuit wat eigenlijk de oorspronkelijke tekst van deze spelen was. 
Zo kon ik de voorbije jaren nooit uit de voeten met de eerste twee regels die Godvader in het Paradijsspel spreekt. Bij Schröer staat: Adam, nu neem de adem des levens die je deze dag ontvangt. (Adam, nimm an den lebendigen Atem, den du empfangest mit dem Tahen (Tag). Het rijmt niet en is ook niet zinvol. Pas dit jaar werd het mij heel duidelijk: het is absoluut goed:
Adam, nimm an den lebendigen Atem,
Den du empfangest mit dem datem….

mit dem Datum. Das ist absolut volkstümlich, also an diesem Tage. Das ist durchaus dasjenige, was da gestanden hat. Ich habe es daher wirklich schmerzlich empfunden, als schon vor einigen Jahren mit einer ungeheuren Schlampigkeit und Nachlässigkeit diese Spiele nachgedruckt wurden. Mir ist oftmals diese Zumutung gestellt worden, daß ich diese Spiele wieder erscheinen lassen soll; ich wollte es nicht tun, ohne eben erst diese Spiele redigiert zu haben. Aber es wurden solche Drucke mit großer Nachlässigkeit gemacht, und daher ist in den Drucken, die jetzt verbreitet sind, überall zeilenweise solcher Unsinn zu sehen.
Natürlich haben wir hier andere Mittel zur Verfügung. Wir spielen nicht in einem Wirtshause, können auch nicht die Anspruchslosigkeit entfalten, wie sie dort war, aber trotzdem: im Grundcharakter möchten wir diese Spiele so geben, wie sie eigentlich unter den Bauern bis in die Mitte des 19. Jahrhunderts herein ursprünglich aufgeführt worden sind. Sie lernen da Spiele kennen, in denen Sie erstens wirklich

met de datum’. Dat is absoluut volks, dus op deze dag.
En dat heeft er ook beslist gestaan. Ik vond het echt heel erg, toen een aantal jaren geleden deze spelen zijn gedrukt met een vreselijke slordigheid en nalatigheid. Men heeft mij dikwijls gestimuleerd deze spelen weer te laten verschijnen; ik wilde het niet zonder eerst deze spelen te hebben geredigeerd. Maar er werden er gedrukt met grote nalatigheid en vandaar dat er in de drukuitgaven die nu in omloop zijn, overal zinnen staan met dergelijke onzin.
Natuurlijk staan ons ook andere middelen ten dienste. Wij spelen niet in een herberg, we kunnen ook niet de eenvoudig, bescheiden houding aannemen, zoals daar, toen, maar ondanks dat: wij willen deze spelen zo geven als ze eigenlijk onder de boeren tot in het midden van de 19e eeuw oorspronkelijk werden opgevoerd. 
U leert hier spelen kennen waarin U allereerst

blz. 88

die Grundgebräuche der Leute von dazumal ersehen können. In diesen Begrüßungen, wie sie vorhanden sind vor diesem Christ-Geburt-Spiel zum Beispiel, liegt etwas, was in schöner Weise den Kontakt herstellte zwischen den Spielern und dem damaligen Publikum. Es fühlte sich jeder eigentlich mit zur Sache gehörig, der dazumal erschien gerade durch diese Begrüßungen, die eigentlich etwas wunderbares sind. Daher habe ich nachgeforscht, ob es nicht auch vor dem Paradeis-Spiel eine solche Begrüßung gegeben hat, und Sie konnten wirklich, ohne daß das historische Dokument vorliegt, rein aus dem Geiste der Überlieferung eine solche Begrüßung vorgespielt bekommen im vorigen Jahr auch für das Paradeis-Spiel.
Sie werden ferner sehen, daß in diesen Spielen wirklich innerste Frömmigkeit waltet, aufrichtige, ehrliche Frömmigkeit, immer mit einer gewissen Derbheit zusammen waltet. Und damit ist gerade etwas im Grundcharakter der damaligen christlichen Frömmigkeit gegeben. Die war ohne Sentimentalität durch und durch absolut ehrlich. Der Bauer konnte nicht sentimental werden, er konnte nicht ein langes Gesicht machen; er mußte auch lachen, selbst bei dem Frömmsten. Und das tritt uns bei diesen Spielen in einer so schönen Weise entgegen.

kan opmaken wat de basale gewoonten van de mensen van toen waren. In die begroetingen die erin zitten voor het geboortespel bv. zit iets wat op een mooie manier het contact bewerkstelligt tussen de spelers en de toenmalige toeschouwers.
Iedereen voelde zich eigenlijk bij de zaak betrokken dat toen ontstond door deze begroetingen die eigenlijk iets wonderlijks zijn. Daarom ben ik nagegaan of er ook bij het Paradijsspel niet zo’n soort begroeting heeft gezeten en u kon werkelijk, zonder het historische document te hebben, puur uit de geest van de overlevering een dergelijke begroeting vorig jaar ook in het Paradijsspel voorgespeeld krijgen.
U zal verder zien dat in deze spelen werkelijk de meest innige vroomheid heerst, oprechte, eerlijke vroomheid, altijd met een zekere boersheid samengaand. En daarmee is juist iets aangegeven van het grondkarakter van de christelijke vroomheid van die tijd.
Die was zonder sentiment, absoluut door en door eerlijk. De boer kon niet sentimenteel worden, hij kon geen uitgestreken gezicht vertonen; hij moest ook lachen, zelfs bij het meest vrome. En dat komen we bij deze spelen zo prachtig tegen.

Manche Ausdrücke werden dadrinnen als in der Sprache unbekannt auffallen, zum Beispiel wird mancher bei «Kletzen gefressen» nichtwissen, was das bedeutet. Das sind nämlich getrocknete Birnen und Pflaumen, die insbesondere in diesen Gegenden zur Weihnachtszeit als solche Kletzen gegessen werden. Es wurden die Birnen getrocknet, dann in Spalten geschnitten, Pflaumen wurden getrocknet, und das bildete dann die Kletzen. Aber insbesondere wurden diese getrockneten Früchte in das Brot hinein verbacken, und im Brote drinnen wurden diese kleinen Stückchen von den Kletzen mit besonderem Appetit genossen. Das war zu Weihnachten in diesen Gegenden etwas ganz besonders Gutes, das Kletzenbrot. Daher haben Sie gehört im Paradeis-Spiel:
Hätten Adam und Eva Kletzen gfress`n,
’s wär ihna tausendmal nützer gwes>n –
als wenn sie den Apfel im Paradies gegessen hätten! Gerade in solchen Dingen, die so ganz aus dem Volkstum heraus sind, kann man sehen,

Veel uitdrukkingen vallen op doordat ze in de taal onbekend zijn, bv. zal menigeen bij ‘Kletzen fressen’ – ‘pruimedanten genomen’ niet weten wat dat betekent. Dat zijn nl. gedroogde peren en pruimen, die met name in deze streken tegen de kersttijd werden gegeten. De peren werden gedroogd en versneden, pruimen werden gedroogd en dat vormde dan de ‘Kletzne’ (pruimedanten). Die werden vooral in het brood meegebakken en in het brood werd van deze kleine stukjes van de pruimedanten met smaak genoten. In deze streken was dat tegen kersttijd iets heel bijzonders, het pruimedantenbrood. Vandaar dat u in het Paradijsspel hebt gehoord:

Hadden Adam en Eva pruimedanten genomen,
het was hun duizendmaal beter bekomen 

dan toen zij in het Paradijs van de appel aten!
Juist aan zulke dingen die zo helemaal uit het volk komen, kan je zien,

Manche Ausdrücke werden dadrinnen als in der Sprache unbekannt auffallen, zum Beispiel wird mancher bei «Kletzen gefressen» nichtwissen, was das bedeutet. Das sind nämlich getrocknete Birnen und Pflaumen, die insbesondere in diesen Gegenden zur Weihnachtszeit als solche Kletzen gegessen werden. Es wurden die Birnen getrocknet, dann in Spalten geschnitten, Pflaumen wurden getrocknet, und das bildete dann die Kletzen. Aber insbesondere wurden diese getrockneten Früchte in das Brot hinein verbacken, und im Brote drinnen wurden diese kleinen Stückchen von den Kletzen mit besonderem Appetit genossen. Das war zu Weihnachten in diesen Gegenden etwas ganz besonders Gutes, das Kletzenbrot. Daher haben Sie gehört im Paradeis-Spiel:
Hätten Adam und Eva Kletzen gfress`n,
’s wär ihna tausendmal nützer gwes>n –
als wenn sie den Apfel im Paradies gegessen hätten! Gerade in solchen Dingen, die so ganz aus dem Volkstum heraus sind, kann man sehen,

hoe authentiek deze spelen gebleven zijn. 
Nu zouden we u daadwerkelijk willen laten zien wat uit dit oude volksleven bewaard gebleven is als een stukje Middeleeuwse geschiedenis dat doorloopt tot in deze tijd, 

Ik mag u misschien nog attent maken op onze affiche die zeker meer nog op het Driekoningenspel slaat dan op het Herdersspel, maar die is ook vandaag al door ons gebruikt. 
We willen vanuit de kleurige stemming vormgeven aan wat m.n. deze Kerstspelen in deze tijd nog kunnen betekenen.

Anlässlich der Weihnachtstagung 1923/24 wurden am 24. und am 25. Dezember infolge des grossen Andranges sowohl das Paradeis-Spiel als auch das Christ-Geburt-Spiel um 4.30 Uhr und um 6 Uhr aufgeführt. Beide Ansprachen entsprechen sich fast wörtlich, so dass nur die erste Einführung hier zum Abdruck gelangt.

Bij de kerstconferentie 1923/24 werden op 24 en 25 december door de grote vraag én het Paradijsspel ‘en het Herdersspel om 4.30u en om 6.u opgevoerd. De beide toespraken komen bijna letterlijk overeen, zodat alleen die bij de eerste opvoering hier is afgedrukt.

*Een halve ‘Kreuzer’: van de 13e tot de 19e eeuw in Zuid-Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland in omloop, oorspronkelijk een zilveren munt met twee opgelegde kruizen, later een munt van onedel metaal met relatief weinig waarde.

.

[1] GA 274
[2] GA 274
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2075-1947

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (16) – over de egel

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 123                                                                                                   hoofdstuk 16

Over de egel

Een zonderling moet je hem wel noemen, onze egel!
Wie heeft hem nou eigenlijk een keer goed en precies gezien?
Als hij eens opgerold wordt gevonden, laat hij zich alleen zien als een stekelbol die je hoogstens heel voorzichtig kan proberen op te tillen, wie weet! Maar hoe hij er eigenlijk uitziet, of hij ook een staartje heeft?
’s Nachts doorkruist hij snuffelend tuinen, velden en struikgewas, eerder iets stuntelig trippelend en daarbij snuivend. Zijn galop is echt een egelgalop, dan gaat het wat sneller. Wie zulke pootjers heeft als een egel, kan ook geen grote sprongen maken en al helemaal niet in bomen klimmen, toch verstaat meester egel verbazingwekkend goed de kunst om bij de jacht nog menige vluchteling in te halen. Het gebeurt zeker ook wel, dat de domkop op een helling over de kop slaat omdat hij z’n evenwicht verliest en naar beneden rolt. Maar wat geeft het eigenlijk: hij weet zich wel te redden, hij rolt zich op en komt behouden beneden als werd hij op engelenvleugels gedragen. Dus heeft hij met zijn stekeljas ook tegelijkertijd altijd zijn voertuig bij zich bij steile hellingen. Dat doet geen mens hem na, woonhuis, op z’n minst toch slaapkamer, vaste beschutting en rolwagen, alles bij elkaar. Egel, jij aardekruiper, je bent een moordkerel!
Beneden steekt hij langzaam zijn kop weer uit en is dan, als zijn stekelkleed nog niet op orde is, best angstaanjagend om naar te kijken, met die rimpels in zijn snuit en grimmig kijkend. Maar al gauw zit alles weer recht en de heldere, vrolijke, vriendelijke donkere oogjes blikken naar buiten, zorgeloos, zoals op zijn eerste levensdag, want hij is toch een aardige, eerlijke en trouwe knaap. Ook de juiste weg is snel gevonden, want egels hebben een goed gevoel voor plaats.
Van de zintuigen zijn reuk en gehoor veruit de scherpste. Uit het brede bekje druppelt bijna altijd een beetje speeksel, dus de egel hoort niet echt tot de meest aantrekkelijke dieren – hij stinkt zelfs een beetje. Maar moeten we hem dat bij zoveel goede eigenschappen kwalijk nemen?
Iets bijzonders is onze egel onder de dieren wel, hoor.
Zoals een mens of een beer, loopt hij ook met zijn hele voetzool op de grond, maar de voetjes aan de korte en dikke pootjes zijn plomp.
Deze ridder met die lange spitse stekels is bang als geen ander. Zijn enige wapen, het stekeljasje, is tegen niemand gericht, die het niet zelf in zijn eigen huid prikt. Wat is dat toch voor een zonderlinge afweer waarmee de aanvaller zichzelf moet verwonden! Wanneer hij ervan afziet, zal geen egel hem wat aandoen.
Honden en vossen haten de goede egel hardgrondig, de honden omdat ze zich vreselijk aan hem ergeren, zoals je al aan hun woedende geblaf kan horen. Maar egels hebben meer geduld dan honden. Hier geldt: wachten is het wapen van de egel. En wie zich eens een paar keer tot bloedens toe zijn snuit heeft gestoten, wordt vanzelf verdraagzamer. Maar vossen zijn erdoor verslagen, al moet je hen wel nageven, dat ze de opgerolde egel naar het water rollen waarin hij zich onmiddellijk moet openen en dan is het al met hem gebeurd. Ook wanneer de vos de egel simpelweg omdraait, zodat de pootjes naar boven liggen en dan zijn verschrikkelijk stinkende en bijtende urine over hem spuit, kan de uiterst fijngevoelige neus van de egel dat niet verdragen. de egel moet zich openrollen en weer is het met hem gedaan.
Gebraden egel hoeft wellicht niet slecht te smaken, zoals zigeuners schijnen te weten. Ze pakken de egel in in een dikke laag vochtige klei en gooien hem dan in het vuur, zodat hij met zijn eigen sappen gaar wordt. Op het laatst wordt de kleiklomp kapotgeslagen en de stekels blijven daarin steken. Zo heeft ieder zijn lievelingskostje en weet dat op z’n eigen manier klaar te maken.
Naast de hond en de vos is ook de uil een gevaarlijke vijand van de egel, omdat hij van die lange klauwen heeft waardoor hij door de stekels heen zijn prooi kan pakken.
’s Winters slapen de egels diep en vast. Voor ze gaan liggen, hebben ze zich nog vol gevreten met alle maar denkbare lekkere dingen, zodat ze een lekker vol buikje mee kunnen nemen in hun winterslaap. Goed, lekker eten betekent voor de egel zoveel als alle mogelijke insecten, zoals krekels, kakkerlakken en sprinkhanen, mestkevers en alle andere kevers en hun larven en in de lente natuurlijk veel meikevers. Verder verdwijnen achter het brede egelbekje ontelbare naaktslakken. Al wordt de egel dan altijd tot de familie van de insecteneters gerekend en een gebit hebben wat daarbij hoort met zesendertig scherpe tandjes, hij schijnt zich toch ook raad te weten met allerlei andere lekkere hapjes. Hij vangt zelfs op een handige manier muizen door ze met zijn wroetsnuit uit hun schuilplaats te trekken. Zelfs kikkers moeten eraan geloven, wanneer een egel hen te pakken krijgt, ja zelfs slangen!
Bijzonder rijk gedekt is de egeltafel natuurlijk in de herfst en de menukaart is dan heel afwisselend. Ook zoete dingen zoals fruit versmaadt hij niet, maar het liefst eet hij dierlijk voedsel. Eet smakelijk, oude stekelheld! Omdat de egel in tuinen in velden zoveel ongedierte vangt, moeten we hem als goede vriend verzorgen en vertroetelen.
In de late herfst wanneer het voedsel niet meer zo rijkelijk voorhanden is, weet de egel niets beters te doen dan zich voor te bereiden op de winterslaap.
Onder dichte takken richt hij zijn goede nest in, behaaglijk warm bekleed, een holletje in de grond, zelden ook een dieper gat met twee uitgangen. Wat doet het er dan toe wanneer buiten de sneeuw jaagt en de koude stormen waaien! De egel slaapt, o, zo diep! De warmte van zijn bloed wordt lager, zijn ademhaling houdt bijna op.
Bij zijn voorbereiding kan je hem in een werkelijk verrassende toestand gadeslaan. Hij walst door het dorre loof en prikt het aan zijn stekels. Dan loopt hij als een dikke bal met zijn bladerenvracht rustig naar huis. Dus de egel weet zijn stekels te gebruiken. Zoete vruchten draagt hij eveneens op deze manier naar huis.
Na de winterslaap begint het hart van de egel weer krachtig te slaan en het bloed verwarmt hem weer, kortom, het vreedzame egelleven begint weer opnieuw. Dat gebeurt wanneer de sneeuw allang gesmolten is en de aarde weer zacht is. Die heeft hem een bedje gegeven, hij vertrouwde dat en nu mag ze hem weer voedsel geven.
In gevechten moet hij zich staande weten te houden, wanneer hij zich met tegenstanders moet meten die zich weren en bijten zoals bv. de hamster, maar ook hier bewijst de held zijn moed die zijn stekels heel goed weet te gebruiken. Daarom hoeft hij ook niet bang te zijn van slangen. Loopt hij tegen een adder aan, dan wordt die overmeesterd via zijn kop. De slang verweert zich op haar manier en bijt met haar giftanden in de snuit van de egel, in zijn bek, in z’n spitse neus, waar het maar aankomt. Steeds opnieuw en het bloed van de egel begint te stromen, het gif vloeit in dergelijke hoeveelheden dat zelfs een veel sterkere en grotere tegenstander dan een egel al gauw het loodje moet leggen. Maar dat alles doet de egel niets, niet zijn wonden en niet het slangengif. Het tast zijn bloed niet aan en het lijkt wel of hij niet de minste pijn voelt. Hij wacht rustig af tot de slang doodmoe is en dan bijt hij haar de kop af. Ze kan nog kronkelen wat ze wil, maar de egel vreet haar op als hoogst welkome prooi.
De egel gaat alleen op jacht. Alleen in de paartijd zijn mannetje en vrouwtje bij elkaar. Dan kan je ze samen zien spelen en elkaar uitdagen. Het leger of zoals je wil, het egelnest waarin de jongen ter wereld komen, wordt zorgvuldig onder dichte bosjes, heggen of zelfs in een korenveld gebouwd. De pasgeboren jongen zijn eerst nog blind. Het zijn er zo’n drie tot zes in getal. De stekelvacht is er al vanaf het begin, maar de stekels zijn eerst nog zo zacht, dat ze die naam nauwelijks verdienen. Ook het oprollen moet beetje bij beetje worden geleerd. Het zal de jonge egeltjes niet moeilijk vallen, want als je als egel wordt geboren, zit het eenvoudig in je bloed.

.
meer

mooie tekeningen/foto’s

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

2074-1946

.

.

.

.

VRIJESCHOOL –– Het leerplan – Caroline von Heydebrand (7e klas)

.

Kort na het overlijden van Rudolf Steiner in maart 1925 verscheen voor de eerste keer een schriftelijke weergave van het leerplan van de vrijeschool.
Die werd samengesteld door Caroline von Heydebrand die vanaf het begin in 1919 aan de vrijeschool in Stuttgart was verbonden. Zij had ook de begincursus – GA 293294 en 295 – bijgewoond en de vele lerarenvergaderingen met Rudolf Steiner (GA 300abc). 
In de jaren 1919 – 1925 tekenden zich de contouren van een leerplan af dat nadien in grote lijnen hetzelfde is gebleven.
Dat betekent echter niet dat het ‘achterhaald’ zou zijn. In velerlei opzichten zijn de ideeën nog altijd even verfrissend en laten ruimte voor ontwikkeling.

Caroline von Heydebrand, Mitteilungsblatt, okt. 1925
.

HET SCHOOLKIND VAN HET TWAALFDE JAAR TOT DE PUBERTEIT

Zoals het negende jaar een belangrijke cesuur in het leven van de wordende mens betekent, zo is ook het binnengaan in het twaalfde jaar van een bijzondere betekenis. 
Op deze leeftijd begint het kind zich steeds sterker te verbinden met zijn bottensysteem dan eerder het geval was. 
Het jongere kind beweegt met een vanzelfsprekende gratie door zijn spiersysteem dat gevoed wordt door de ritmische bloedsomloop. Nu neemt de jonge mens bezit van zijn skelet, hij gaat a.h.w. van de spieren via de pezen naar het skelet, zijn bewegingen verliezen het ritme en de bevalligheid, worden hoekig, onbeholpen, willekeurig. Het kind komt in de ‘vlegeljaren’ en weet niet wat het met zijn ledematen moet beginnen.
Maar alles wat in het leven en in de wetenschap moet gehoorzamen aan mechanische wetmatigheden, kan nu zonder nadeel zinvol aan het kind bijgebracht worden daar het zich met zijn geest-zielenwezen sterker met de mechanica van zijn bottensysteem verbindt. 
Een hele wereld van nieuwe leergebieden gaat in deze tijd voor hem open. 

De zevende klas

Aardrijkskunde

Verder gaan met klimatologische verhoudingen en beginnen met te schetsen hoe de geestelijk-culturele verhoudingen van de bewoners op aarde zijn, steeds in samenhang met wat over fysische en economische verhoudingen al geleerd is.

Biologie

De leerling is in de voorafgaande jaren van het mensenrijk naar het dieren- en plantenrijk naar de aarde tot aan de verschillende mineralen afgedaald. Nu gaat de beschouwing weer terug naar de mens. Je bespreekt voedings- en gezondheidsverhoudingen. Aan het eind van de eigenlijke kindertijd, aan het begin van de puberteit is de opgroeiende mens zo ver dat hij begrip en betrokkenheid kan opbrengen voor voeding- en gezondheid, zonder die egoïstisch te benaderen, zoals oudere mensen gewoonlijk doen.

Euritmie

Door de keuze van de gedichten is het mogelijk een goede samenwerking te krijgen met het vak Nederlands. De uitdrukkingsvorm voor wens, verbazing, verwondering die het kind hier leert, kan nu door de euritmische bewegingen die erbij horen met het hele lichaam worden ervaren.
De aanzet voor geometrische vormen, concentratie- en beheersingsoefeningen, groepsvorming en staafoefeningen worden verder ontwikkeld.

Tooneurtimie:
Hier wordt begonnen met het werken aan de mol-toonladders. Je gaat verder met het weergeven van melodieën van oude meesters, bv. voor fluit en viool die door de kinderen zelf worden bespeeld. Je kiest melodieën van Mozart, Bach, Corelli, Telemann, Händel enz. Al in de voorafgaande jaren spelen de kinderen zelf voor de euritmie eenvoudige fluit- of vioolmelodieën.

Geschiedenis

Er moet zorgvuldig aandacht besteed worden aan de verhoudingen in Europa en buiten Europa vanaf het begin van de 15e tot aan het begin van de 17e eeuw, het tijdperk van de ontdekkingen en uitvindingen. Het kind moet een diepe indruk krijgen van het buitengewoon groot belang van deze tijd waarin de nieuwere mensheid binnengaat.

Gymnastiek

Voortzetting van de oefeningen met een meetkundig karakter, met en zonder stok, ook als oefening voor het uithoudingsvermogen. Sterke ritmes. Verdergaan met oefeningen met een rij, aangepast aan de leeftijd.

Toestel:
Verdergaan met oefeningen die weer tot meer lichaamsbeheersing leiden. Op de brug oefeningen met kort steunen, aan de rekstok eenvoudige draaiingen. Wandrek en ringen: gebogen houding. Oefeningen met de dubbele bok.

Handenarbeid

Voortzetting van de 6e klas.

Handwerken

Jongens en meisjes naaien met de hand een blouse of een ander kledingstuk. De meisjes voorzien hun blouses van borduurwerk dat ze zelf ontwerpen. Er wordt begonnen met leren over de stoffen.

Meetkunde

Wordt voortgezet tot aan de stelling van Pythagoras.

Muziek

In de zevende klas wordt in het bijzonder de beleving van het octaaf  verzorgd. Twee-, drie- en vierstemmige liederen worden zowel a capella als ook met begeleiding van instrumenten gezongen. Naast het meer gewone volkslied, komt ook het oudere, polyfoon geschreven volkslied, zodat ze dit in zich opnemen, wat later moet leiden tot het begrijpen en uitvoeren van oudere en nieuwere polyfone koormuziek. De theoretische begrippen, ontdekt door praktische oefeningen, worden uitgebreid. Langzamerhand wordt het muzikale oordeel gewekt en begrip voor eenvoudige muzikale vormen. De leerling wordt gewezen op het karakter van een muzikaal kunstwerk, bv. op het verschil in karakter van een stuk van Beethoven met dat van Brahms. Hij moet opgevoed worden tot het genieten van wat muzikaal mooi is.

Natuurkunde

De leerling vergroot zijn kennis over de akoestiek, optica, warmteleer, magnetisme en elektriciteit. Daarbij leert hij de belangrijkste zaken uit de mechanica kennen: de hefboom, raderen met aandrijfas, katrol, het schuine vlak, cilinder, schroef enz.

Niet-Nederlandse talen

Engels en Frans:
De nadruk ligt op leesstukken en de behandeling van het taalkarakter. Het leven, het doen en laten van de volken die de taal spreken wordt behandeld. Je geeft een heel beknopt resumé van de betreffende literatuur. Bij de leesstukken laat je zelden vertalen, maar wat gelezen is, vrij navertellen. Je zou bij Frans bv. delen uit de komedies van Molière, bij Engels bv. Christmas Carol van Dickens kunnen lezen.

Latijn en Grieks:
De leergang van de zesde klas wordt voortgezet. Af en toe kun je kleine stukjes van Homerus gebruiken, zonder al te veel in te gaan op de formele moeilijkheden.

Rekenen

Potentiëren, worteltrekken, negatieve getallen en de leer van de vergelijkingen in samenhang met het praktische leven worden doorgenomen.

Scheikunde

Vanuit het alledaagse proces van verbranding leert het kind de eerste simpele scheikundige voorstellingen kennen. Met hulp van de al geleerde begrippen uit de natuurkunde, scheikunde, aardrijkskunde schets je een samenvattend geheel van handel- nijverheid- en verkeersverhoudingen.

Taal

Je laat het kind in de manier van taalgebruik een goede plastische opvatting ontwikkelen van de uitdrukkingsvormen bij ‘wensen’, ‘verwonderen’, ‘verbazen’. enz. Het kind leert de constructie van deze zinnen bij zijn gevoel vormen. Je laat een zin vormen die uitdrukt dat iets gewenst is, dan een die bewondering uitdrukt en deze zinnen worden met elkaar vergeleken om zo begrip te wekken voor de innerlijke plastiek van de taal. 
In het opstel laat je iets karakteristieks uit de natuur beschrijven. Wat zakelijk-praktisch is wordt in de zakenbrieven zorgvuldig verder ontwikkeld.

Tekenen

Getekend worden voorwerpen die elkaar doordringen, het korter worden, elkaar overlappen op een eenvoudige manier met perspectief. Ook hierbij wordt begrip en gevoel gewekt voor het mooie aan de techniek.

Tuinbouw

Wat in de 6e klas werd begonnen, wordt voortgezet

Vertelstof

Volkeren- en rassenkunde* bieden lees- en vertelstof.

*In 1919 geeft Rudolf Steiner een opsomming van de vertelstofmotieven voor de verschillende klassen. Voor klas 7 geeft hij aan: ‘Erzählungen über die Volksstämme [GA 295/19] Vertaald als ‘verhalen over volkeren’.
In de pedagogische voordrachten zegt Steiner nergens iets over ‘rassen’. 
Er is door hem ook geen vak ‘rassenkunde’ geïntroduceerd.
In zijn antroposofisch werk vinden we wél allerlei gezichtspunten over de rassen.
In de pedagogische en ook andere voordrachten vinden we dat ‘antroposofie’ – dus dan óók zijn rassenopvattingen – NIET in de lesstof thuishoort. [zie hier]
Desalniettemin hebben leraren in het verleden deze ‘antroposofische rassenkunde’ wél als periodestof aangeboden. 
In 1996 leidde dit tot een ‘rel’.
In een latere uitgave van von Heydebrands leerplan komt de ‘rassenaanwijzing’ niet meer voor.  

.

Meer artikelen over het leerplan

7e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 7e klas:  alle beelden

.

2073-1945

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 6 (6-4)

 

.

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Enkele gedachten bij blz. 97-102 in de vertaling [1]

HET BOVENZINTUIGLIJK WAARNEMEN

In de 1e voordracht schetst Steiner een mensbeeld dat wij aan en in ons zelf en om ons heen kunnen ervaren. Dat omvat o.a.:
Het fysieke lichaam, dat we kunnen zien, aanraken enz. 
We hoeven ons waarnemingsvermogen niet extra te ontwikkelen om van dit wezensdeel te kunnen zeggen dat het er ‘IS’. 
Dat geldt niet voor het etherlijf, astraallijf en Ik. Om die te kunnen waarnemen, hebben we anders ontwikkelde zintuigen nodig. 

Steiner heeft voor die ontwikkeling wegen gewezen. Een methode a.h.w. om een waarnemingsvermogen te ontwikkelen dat je de niet-zintuiglijke werkelijkheid toont.
Zijn bekendste boek daarover is: ‘Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten’ GA 10 – ooit vertaald als: ‘Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden’, nu met de titel: ‘De weg tot inzicht in hogere werelden‘.

Steiner is ervan overtuigd dat de mens in staat is, zijn bewustzijn te verruimen.

Op een bepaalde manier heeft hij daarin gelijk gekregen: vanaf het verschijnen van allerlei soorten drugs in de jaren zestig van de vorige eeuw, is het begrip ‘bewustzijnsverruimende middelen’ geen term waar we van opkijken. De beschrijvingen van de ‘trips’ die gebruikers van LSD gaven, tonen ons een andere wereld dan die van de zintuiglijke waarneming.

Dat is beslist niet de wereld van de hogere gebieden die Steiner beschrijft: die is niet te bereiken langs ‘chemische’ weg, maar alleen door een verhoogde activiteit van ons eigen Ik. I.p.v. ‘de roes’, een ‘verhoogde wakkerheid’.

Naast de zekerheid dat deze werelden door innerlijke activiteit ontsloten kunnen worden, geeft Steiner aan dat om de resultaten van dit geestelijk wetenschappelijk onderzoek te kunnen begrijpen, het niet nodig is dat je zelf ‘helderziend’ bent, maar dat ‘het gezonde verstand‘ en ‘de goede wil’ het je mogelijk maken te ervaren dat de ‘bewijzen’ voor die geesteswetenschappelijke feiten als ‘uitingen’ in de wereld zichtbaar zijn.

Dus, het ‘echte’ etherlijf kunnen we als niet geschoolde niet waarnemen, wél de uitingen die zich bv. voordoen in groei en regeneratie. 
En zo is het ook met de overige wezensdelen astraallijf en Ik.

In de 1e voordracht gaat Steiner dan nog – zei het summier – verder met de wezensdelen, ‘waarover we nu nog niet beschikken – in de (verre) toekomst wél‘, door ze in ieder geval te noemen: geestzelf, levensgeest en geestmens. 
Ook die zijn alleen te ontwikkelen door het Ik.

In deze 6e voordracht belicht Steiner een andere ontwikkeling van het Ik.

Ook hierbij krijgen we te maken met het feit dat wij slechts naar hem kunnen luisteren, omdat het mededelingen zijn vanuit zijn geesteswetenschappelijke inzichten. 
Daarbij komt tegelijkertijd nóg een moeilijkheid: Steiner gebruikt begrippen die in onze taal voorkomen, maar niet met dezelfde betekenis.

Het is dus lastig om wat je zelf aan inhoud geeft aan deze bestaande woorden, nu op een andere manier te moeten ‘leren’ – in ieder geval díe inhoud te kennen.

Het gaat om de woorden

IMAGINATIE, INSPIRATIE EN INTUÏTIE

en uiteraard om de rol van het IK.

Steiner heeft in deze voordracht bepaalde krachten ‘elementaire’ krachten genoemd, op blz. 97 (vert.) noemt hij ze  ‘wereldkrachten’, vertaald als ‘kosmische’ krachten. De elementaire, waarmee we op aarde direct hebben te maken, reiken in wezen veel verder – de warmte tot aan de zon – en zijn dus ook ‘kosmische’ krachten. 

Als hier af en toe sprake is van ‘niet kunnen verdragen’, niet ‘kunnen opgaan in’, is het niet zo moeilijk je voor te stellen dat we met ons fysieke lichaam niet kunnen opgaan in de zonnewarmte, dat verdragen we niet: we moeten ervoor beschermd worden. De warmte moet zodanig worden afgezwakt, dat we die wél kunnen verdragen.
Op een ander niveau kunnen we zeggen dat we kleuters over het algemeen geen algebra kunnen leren of ingewikkelde nano-theorieën. Ze hebben het vermogen (nog) niet dat nu te kunnen. We ‘beschermen’ ze daar dan ook tegen door het bij hen weg te houden, hun iets te geven wat wél bij hen past. 

In de 2e voordracht maakt Steiner duidelijk dat er buiten ons een ‘gedachtewereld’ aanwezig is; een wereld waarin we verkeerden vóór we geboren werden. Die gedachtewereld komt, na onze geboorte, nog bij ons binnen – maar niet in de vorm waarin deze existeert in de ‘kosmische’ wereld: de krachten van deze gedachtewereld ‘stralen’ bij ons binnen, maar worden afgezwakt, geremd, gedempt door onze antipathiekracht. Zo ontstaan de voorstellingsbeelden.

Iets dergelijks komt ook in deze 6e voordracht voor:

Blz. 98-99   vert. 97

Mit unserem Ich, das die jüngste Bildung unserer Evolution ist, könnten wir nicht durch diese Weltenkräfte schreiten, wenn dieses Ich sich unmittelbar an diese Kräfte hingeben sollte. Dieses Ich könnte nicht an alles sich hingeben, was in seiner Umgebung ist und worin es selbst drinnen ist. Dieses Ich muß jetzt noch davor bewahrt werden, sich ergießen zu müssen in die Weltenkräfte. Es wird sich einmal dazu entwickeln, in die Weltenkräfte hinein aufgehen zu können. Jetzt kann es das noch nicht.

Met ons ik, de jongste loot in onze evolutie, kunnen we ons niet te midden van deze kosmische krachten begeven, althans als het zo zou moeten zijn dat het ik zich direct aan deze kosmische krachten overgeeft. Dit ik zou zich niet aan alles kunnen overgeven wat om hem heen is en waarin het zelf is opgenomen. Dit ik moet er in de huidige ontwikkelingsfase nog voor behoed worden te moeten uitstromen in de kosmische krachten. Eens zal het zich zo ontwikkelen dat het kan opgaan in de kosmische krachten. Nu kan het dat nog niet.

Ook ons volledig wakkere Ik kan ‘in die andere wereld’ niet ‘direct’ leven: wel ‘indirect’, d.w.z. in het beeld van die wereld:

Deshalb ist es notwendig, daß wir für das völlig wache Ich nicht versetzt werden in die wirkliche Welt, die in unserer Umgebung ist, sondern nur in das Bild der Welt. 

Daarom is het noodzakelijk dat we met ons volledig wakkere ik nog niet leven in de werkelijke wereld om ons heen, maar slechts in het beeld van de wereld.

En wat ons in de 2e voordracht vanuit de ziel redenerend bij het ‘beeld’ bracht, doet het ook wanneer we in de 6e voordracht vanuit het Ik redeneren:

Daher haben wir in unserem denkenden Erkennen eben nur die Bilder der Welt, was wir vom seelischen Gesichtspunkte aus schon angeführt haben.

En daarom nu hebben we in ons denkend kennen slechts beelden van de wereld – wat we ook al gezegd hebben vanuit het oogpunt van de ziel.

In de 6e voordracht is het standpunt bij alles: bezien vanuit de geest:

Jetzt betrachten wir es auch vom geistigen Gesichtspunkte aus.

Nu bekijken we dit ook vanuit geestelijk oogpunt.

Im denkenden Erkennen leben wir in Bildern; und wir Menschen auf der
gegenwärtigen Entwickelungs stufe innerhalb von Geburt und Tod können mit unserem vollwachenden Ich nur in Bildern von dem Kosmos
leben, noch nicht in dem wirklichen Kosmos. Daher muß, wenn wir wachen, unser Leib uns zuerst die Bilder des Kosmos hervorbringen. Dann lebt unser Ich in den Bildern von diesem Kosmos.

In het denkend kennen leven we in beelden, en wij mensen kunnen in de huidige ontwikkelingsfase tussen geboorte en dood met ons volledig wakkere ik slechts in beelden van de kosmos leven, maar nog niet in de werkelijke kosmos. Daarom moet ons lichaam ons, wanneer we wakker zijn, eerst de beelden van de kosmos verschaffen. Dan leeft ons ik in de beelden van deze kosmos.
GA 293/98
Vertaald/99

‘Het lichaam’, daarvoor kunnen we vanuit de 2e voordracht gezien, zeker de hersenen als lichamelijk ‘spiegelingsorgaan’ beschouwen. 

De ‘beelden van de kosmos’: dat gaat wel verder dan de in de 2e voordracht genoemde ‘beeldenwereld’ waarin we leefden vóór de geboorte, waarbij Steiner dan heel vaak zegt: respectievelijk de conceptie.

Even later drukt Steiner dit nog wat pregnanter uit:

Denn der wirkliche Vorgang dabei ist der: Wenn das Ich des Morgens in den Wachzustand übergeht, so dringt es in den Leib ein, aber nicht in die physischen Vorgänge des Leibes, sondern in die Bilderwelt, die bis in sein tiefstes Inneres der Leib von den äußeren Vorgängen erzeugt. Dadurch wird dem Ich das denkende Erkennen übermittelt.

Want in werkelijkheid gebeurt er het volgende: wanneer het ik ’s morgens in de waaktoestand overgaat, dan dringt het door in het lichaam, maar niet tot in de fysieke processen van het lichaam, nee, het dringt door in de beeldenwereld die het lichaam tot in zijn diepste innerlijk van de processen in de buitenwereld ontwikkelt. Daardoor krijgt het ik het denkende kenvermogen.

Dit is lastige inhoud. M.n. denk ik, door de vertaling van Leib in lichaam, waarbij we aan iets fysieks denken. In uiteenzettingen over het geheugen blijkt dat het etherlijf de uiterlijke indrukken als beelden in zich opneemt, die, bij herinneren door het astraallijf worden ‘gelezen’ en door het astraallijf als bewustzijnslijf in het wakkere kennen komen, waardoor ook het Ik ‘erbij’ kan. (Zoiets denk ik op dit ogenblik)Rudolf Steiner over het geheugen.

Wat hierboven aan de orde is gekomen, is voor een deel ook al besproken in [6-3]. Daar vind je Steiners opmerkingen over hoe het Ik zich verhoudt tot het gevoel en de wil.

Op blz. 99  vert. 98 gaat hij verder met het Ik in de waaktoestand bij het denkende kennen:

Daher werden Sie verstehen, wenn ich Ihnen jetzt das Leben des Ich charakterisiere während dessen, was man im gewöhnlichen Leben Wachzustand nennt – was also umfaßt: voll Wachen, träumend Wachen, schlafend Wachen -, wenn ich charakterisiere, was das Ich, indem es im gewöhnlichen Wachzustande im Leibe lebt, eigentlich in Wirklichkeit durchlebt. Dieses Ich lebt im denkenden Erkennen, indem es aufwacht in den Leib; da ist es voll wach. Es lebt darin aber nur in Bildern, so daß der Mensch in seinem Leben zwischen Geburt und Tod,  fortwährend nur in Bildern lebt durch sein denkendes Erkennen .

Nu zult u begrijpen wat ik ga zeggen over het leven van het ik in de toestand die we in het gewone leven ‘waaktoestand’ noemen; dit omvat dus: volledig wakker-zijn, dromend wakker-zijn en slapend wakker-zijn. Ik zal u nu karakteriseren wat het ik, levend in het gewone waakbewustzijn van het lichaam, eigenlijk in werkelijkheid beleeft. Het ik leeft bij het ontwaken in het lichaam in het denkende kennen en is daarbij volledig wakker. Maar het leeft slechts in beelden, zodat de mens in zijn leven tussen geboorte en dood door zijn denkend kennen voortdurend alleen maar in beelden leeft, 

Bijna onopvallend zegt Steiner hier in een tussenzin (die ik even apart neem)

wenn er nicht solche Übungen macht, wie sie in meinem Buche «Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?» angedeutet sind,

tenzij men oefeningen doet zoals die in mijn boek ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’* aangeduid zijn.

*De weg tot inzicht in hogere werelden‘.

In enkele pedagogische voordrachten werkt Steiner dit nader uit. Hij gaat er dan wellicht vanuit dat de leerkracht deze oefeningen moet doen om ook het niveau te bereiken dat bij een beter waarnemen van het kind hoort.
Zie daarvoor bv. GA 297, deze voordracht – op deze blog vertaald

Nemen we nog even de korte karakteristiek erbij:

De geest benaderen we vanuit: wakker, dromen, slapen.
Ik, als geestelijke kern, ben overdag in het denkende kennen volledig wakker.
In wat er in mijn voelen en willen omgaat, tot in het lichamelijke toe, daarvoor droom en/of slaap ik ook overdag.
Wat we wel als ervaring kennen is, dat er in ons gevoelens kunnen opborrelen; vaak weten we niet waar die vandaan komen. We kunnen er met ons wakkere wezen, met ons denkend kennen niet bij, maar ervaren het wel. In dit dromend wakker zijn, maken we dromend iets mee.
Dat nu, zegt Steiner, is wat we in feite altijd al ‘inspiratie’ hebben genoemd: geïnspireerde voorstellingen, onbewust geïnspireerde voorstellingen:

Blz. 100-101   vert. 98

Dann senkt sich erwachend das Ich auch ein in die Vorgänge, die das Fühlen bedingen. Fühlend leben: da sind wir nicht voll wach, sondern da sind wir träumend wach. Wie erleben wir denn eigentlich das, was wir da im träumenden Wachzustande fühlend durchmachen? Das erleben wir tatsächlich in dem, was man immer genannt hat Inspirationen, inspirierte Vorstellungen, unbewußt inspirierte Vorstellungen. Da ist der Herd von alledem, was aus den Gefühlen beim Künstler hinaufsteigt in das wache Bewußtsein. Dort wird es zuerst durchgemacht. Dort wird auch alles das durchgemacht, was beim wachen Menschen oftmals als Einfälle hinaufsteigt ins Wachbewußtsein und dann zu Bildern wird.

Vervolgens daalt het ik bij het ontwaken ook af in de processen die het voelen bepalen. Voelend leven – daarin zijn wij niet volledig wakker, nee, we zijn dromend wakker. Hoe beleven we eigenlijk datgene wat we voelend doormaken als we dromend wakker zijn? Dat beleven we in feite als datgene wat men altijd inspiratie genoemd heeft: geïnspireerde voorstellingen, onbewust geïnspireerde voorstellingen. Daar is de bron van alles wat bij een kunstenaar uit het gevoelsleven opborrelt in het waakbewustzijn. Daar wordt het het eerst ervaren. Daar wordt ook alles ervaren wat bij de wakkere mens soms als invallen tot het waakbewustzijn doordringt en dan tot beelden wordt.

Steiner geeft nu zelf aan, wat hij nog aan ‘inspiratie’ zou willen toevoegen:

Was in meinem Buche: «Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?» Inspirationen genannt wird, das ist nur das zur Helligkeit, zum Vollbewußtsein heraufgehobene Erleben desjenigen, was bei jedem Menschen unten im Gefühlsleben unbewußt an Inspirationen vorhanden ist. Und wenn besonders veranlagte Leute von ihren Inspirationen sprechen, so sprechen sie eigentlich von dem, was die Welt in ihr Gefühlsleben hineingelegt hat und durch ihre Anlagen heraufkommen läßt in ihr volles Wachbewußtsein. Es ist das ebenso Weltinhalt, wie der Gedankeninhalt Weltinhalt ist. Aber in dem Leben zwischen Geburt und Tod spiegeln diese unbewußten Inspirationen solche Weltenvorgänge, die wir nur träumend erleben können; sonst würde unser Ich in diesen Vorgängen sich verbrennen, oder es würde ersticken, namentlich ersticken.

Vert. 99

Wat in mijn boek De weg tot inzicht in hogere werelden inspiratie* genoemd wordt, dat zijn eigenlijk dezelfde inspiraties die bij ieder mens diep in het onbewuste gevoelsleven leven — maar die dan volledig tot bewustzijn gekomen zijn, en in helderheid beleefd worden. En wanneer mensen met een bijzondere aanleg het over hun inspiraties hebben, dan bedoelen ze eigenlijk datgene wat de kosmos in hun gevoelsleven heeft gelegd en door hun aanleg laat doordringen tot hun volledige waakbewustzijn. Dat is evenzeer een kosmische inhoud als de gedachte-inhoud kosmisch is. Maar in het leven tussen geboorte en dood spiegelen deze onbewuste inspiraties kosmische processen die we alleen dromend kunnen beleven, want anders zou het ik verbranden in deze processen of stikken – ja, stikken is een beter woord.

*inspiratie: imaginerend, inspirerend en intuïterend: De termen imaginatie, inspiratie en intuïtie worden door Steiner gebruikt om de drie hogere kenvermogens aan te duiden. Wat deze vermogens inhouden zet hij o.a. uiteen in GA 13  De wetenschap van de geheimen der ziel (1910)  en in GA 12  Zelfkennis en hoger inzicht, (Nu: meditatie) eerder: De trappen van het hogere bewustzijn,

Over dat ‘verstikkende’ gaat Steiner nog even verder en hij geeft daarmee een voorbeeld van wat al enkele keren heeft geklonken: dat het Ik niet te veel kan doordringen in gevoel (en wil).

Blz. 101  vert. 99

Dieses Ersticken beginnt auch manchmal beim Menschen in abnormen Zuständen. Denken Sie nur einmal, Sie haben Alpdruck. Dann will ein Zustand, der sich abspielt zwischen Ihnen und der äußeren Luft, wenn bei einem Menschen in diesem Wechselverhältnis nicht alles in Ordnung ist, in abnormer Weise übergehen in etwas anderes. Indem das übergehen will in Ihr Ich-Bewußtsein, wird es Ihnen nicht als eine normale Vorstellung bewußt, sondern
als eine Sie quälende Vorstellung: als der Alpdruck. Und so qualvoll wie das abnorme Atmen im Alpdruck, so qualvoll wäre das gesamte Atmen, wäre jeder Atemzug, wenn der Mensch das Atmen vollbewußt erleben würde. Er würde es fühlend erleben, aber qualvoll wäre es für ihn. Es wird daher abgestumpft, und so wird es nicht als physischer Vorgang, sondern nur in dem träumerischen Gefühl erlebt.

Dit verstikt worden begint soms ook wanneer iemand zich in een abnormale toestand bevindt. Stelt u zich maar eens voor dat iemand last heeft van nachtmerries. Wanneer bij iemand de wisselwerking tussen hemzelf en de lucht buiten hem niet helemaal in orde is, dan bestaat er de tendens dat die toestand tussen hem en de lucht op niet normale wijze wil overgaan in iets anders. Doordat het wil overgaan in zijn ik-bewustzijn wordt het hem niet als een normale voorstelling bewust, maar als een kwellende voorstelling: als een nachtmerrie. En eenzelfde kwelling als het abnormale ademen bij een nachtmerrie zou het hele ademen zijn, iedere ademteug, wanneer men het volledig bewust zou beleven. Men zou het voelend beleven, maar een kwelling bleef het. Daarom wordt het ademen afgezwakt en niet als fysiek proces beleefd, maar slechts in het dromende gevoel.

En wat al eerder ook werd opgemerkt: het Ik kan niet doordringen tot in de wil:

Und gar die Vorgänge, die sich beim Wollen abspielen, ich habe es Ihnen schon angedeutet: furchtbarer Schmerz wäre das! 

En dan de processen die zich bij het willen afspelen! Ik heb het al gezegd: dat zou afgrijselijk pijn doen!  [6-3]

Maar dat is wel het gebied van de gewone intuïties. Want, het Ik dat slaapt bij het willend doen, heeft, als het met dat sterk verminderd bewustzijn toch belevenissen heeft, deze als onbewuste intuïties:

Daher können wir weiter sagen als drittes: Das Ich im wollenden Tun ist schlafend. Da wird das erlebt, was erlebt wird mit stark herabgedämpftem Bewußtsein – eben im schlafenden Bewußtsein – in unbewußten Intuitionen. Unbewußte Intuitionen hat der Mensch fortwährend; aber sie leben in seinem Wollen. Er schläft in seinem Wollen. Daher kann er sie auch nicht im gewöhnlichen Leben heraufbolen. Sie kommen nur in Glückszuständen des Lebens herauf; dann erlebt der Mensch ganz dumpf die geistige Welt mit.

Ten derde kunnen we dus zeggen dat het ik slaapt bij het willend doen. Daar heeft het ik belevenissen met een sterk verminderd bewustzijn — een slapend bewustzijn – in onbewuste intuïties.*

*inspiratie: imaginerend, inspirerend en intuïterend: De termen imaginatie, inspiratie en intuïtie worden door Steiner gebruikt om de drie hogere kenvermogens aan te duiden. Wat deze vermogens inhouden zet hij o.a. uiteen in GA 13  De wetenschap van de geheimen der ziel (1910)  en in GA 12  Zelfkennis en hoger inzicht, (Nu: meditatie) eerder: De trappen van het hogere bewustzijn,

Onbewuste intuïties heeft men voortdurend, maar ze leven in het willen. Daarom kan men ze zich in het dagelijks leven niet bewustmaken. Ze komen alleen op gelukkige momenten tot bewustzijn: dan beleeft de mens zeer vaag de geestelijke wereld mee.
GA 293/100-101
Vertaald/99

Op blz. 101, 102 en 103 (vert. 99, 100, 101, 102) vat Steiner dit alles nog een keer samen en gaat in op wat men gewoonlijk onder intuïtie verstaat en wat er nog meer over gezegd kan worden vanuit de optiek van het Ik m.b.t. wakker-dromen-slapen.
Om je deze gezichtspunten eigen te maken, zal je gewoon de inhoud met aandacht moeten bestuderen.

Over ‘de wil en Goethe’ (vert. 102) en het hoofd (vert. 102) zal nog apart worden ingegaan.

In dit schema zie je nog eens de verhouding van het Ik t.o.v. denken, voelen, willen.
Bij dat volledig wakker in beelden, had imaginatie kunnen staan:

.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 6: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.
2072-1944

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de Kerstspelen uit Oberufer (13)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 24-12-1923  [2]
während der Weihnachtstagung der Allgemeinen Anthropoasphischen Gesellschaft

blz. 81

Wir werden uns gestatten, Ihnen einige Weihnachtspiele vorzufüh
ren aus altem Volkstum. Heute werden wir damit beginnen, Ihnen das Paradeis-Spiel vorzuführen, dann morgen und in den nächsten Tagen das Christ-Geburt-Spiel und das Dreikönig-Spiel. Diese Weihnachtspiele stammen aus jenen Zeiten, in denen man durch Europa hindurch vorzüglich, aber nicht nur zur Weihnachtszeit, sondern auch zur Osterzeit und sogar zur Pfingstzeit ähnliche Spiele aufgeführt hat. Es sind solche Spiele von den germanistischen Gelehrten gesammelt, und man kann sie in allerlei Veröffentlichungen in den Bibliotheken finden. Solche Spiele wurden aufgeführt bis ins 19. Jahrhundert herein in den

Toespraak Dornach 24 december 1923
tijdens de kerstvergadering van de Algemene Antroposofische Vereniging

Wij zijn zo vrij om voor u een paar kerstspelen op te voeren uit het oude volkse leven. Vandaag beginnen we om u het Paradijsspel te laten zien, dan morgen en in de komende dagen het Herdersspel en het Driekoningenspel. 
Deze kerstspelen stammen uit die tijden waarin men door heel Europa vooral, maar niet alleen met Kerstmis, ook met Pasen en zelfs met Pinksteren dergelijke spelen opvoerde.
Dit soort spelen zijn door geleerden in de germanistiek verzameld en je kan ze in allerlei publicaties in de bibliotheken vinden. Zulke spelen werden opgevoerd tot in de 19e eeuw in de 

blz. 83

Marktflecken und Dörfern, weniger in den Städten. Nun muß man aber doch sagen: Diejenigen Weihnachtspiele, die wir Ihnen hier vorführen, haben einen gewissen außerordentlichen, bedeutsamen Vorzug vor anderen solchen Weihnachtspielen. Die anderen Weihnachtspiele, die in Mitteleuropa aufgeführt worden sind, wurden eigentlich von Jahrzehnt zu Jahrzehnt verbessert. Dasjenige, was aus altem Volkstum in einer wunderbaren Weise vorhanden war, ist von allerlei intelligenten Leuten verbessert worden, und man hat sie dann also von Jahrzehnt zu Jahrzehnt wieder aufgeführt. Was aus dem dann werden kann, das wirklich altem Volkstum künstlerisch und religiös und musikalisch entstammt, sieht man an der Karikierung des Volkstümlichen in den Oberammergauer Passionspielen. Aber in diesen Weihnachtspielen, die wir hier aufführen, ist etwas, was tatsächlich, so wie es gespielt worden ist, noch bis ins 16., 15. Jahrhundert zurück unverfälscht erhalten geblieben ist, und zwar aus folgendem Grunde. Diese Spiele, um die es sich hier handelt, sind wohl gespielt worden im Elsaß,  durch den Süden von Baden und Württemberg hindurch, wo`hl auch bis nach Bayern hinein. Sie werden es aus einer Anspielung in einem der Spiele in den nächsten Tagen ersehen, wie hingewiesen wird auf äen Rhein.

marken en dorpen, minder in de steden. Maar nu moeten we toch zeggen: de kerstspelen die we hier voor u opvoeren, hebben een zekere buitengewone, belangerijke pre op die andere kerstspelen. De andere kerstspelen die in Midden-Europa opgevoerd werden, werden door de tientallen jaren heen verbeterd. Dat wat vanuit het volksleven op merkwaardige wijze nog bestond, is door allerlei intellectuele lieden verbeterd en men heeft ze dan dus ook door tientallen jaren heen opgevoerd. Wat er dan worden kan van wat uit het oude volksleven echt kunstzinnig en religieus en muzikaal stamt, zie je aan het karikaturaal worden van dit volkseigene in de passiespelen van Oberammergau. Maar in de kerstspelen die we hier opvoeren, zit iets wat werkelijk nog onvervalst aanwezig is zoals het gespeeld werd, nog tot in de 16e, 15e eeuw terug en wel hierdoor:
De spelen waarom het hier gaat zijn wellicht gespeeld in de Elzas, in het zuiden van Baden en Württemberg, misschien ook in de richting van Beieren. U zal in een toespeling in een van de spelen van de komende dagen zien, hoe er naar de Rijn gewezen wordt.

Sie wurden in den Gegenden nördlich vom Rhein – von der Schweiz aus gesehen – gespielt. Dann wanderten Stämme, unter denen diese Weihnachtspiele gespielt wurden, nach dem Osten hin aus, nach Ungarn. Man kann zunächst fragen: Warum wanderten im 15., 16. Jahrhundert deutsche Stämme nach Osten hinüber, nach Ungarn? Es wanderten ja solche Stämme aus in die Gegend von Preßburg, das heute in der Tschechoslowakei liegt, von der Donau abwärts über Preßburg nach den Zipser Gegenden, südwärts von den Karpaten, nach Siebenbürgen, nach dem Banat, der Gegend zwischen der südlichen Donau und der Theiß. Dahin wanderten diese schwäbischen Stämme aus. Und unter diesen Stämmen, die auswanderten, waren am charakteristischsten die Haidbauern. Und eben diese Leute sind in jener Gegend in Oberufer, etwas stromabwärts an der Donau, ansässig geworden und brachten sich aus ihrer ursprünglichen Heimat diese Weihnachtspiele mit, erhielten sie nun unverfälscht und spielten sie in der dortigen deutschen Kolonie von Jahr zu Jahr. Sie wurden

Ze werden in de streken ten noorden van de Rijn – vanuit Zwitserland gezien – gespeeld. Toen trokken stammen die deze kerstspelen speelden, naar het oosten, naar Hongarije. En je kan meteen vragen: waarom gingen er in de 15e, 16e eeuw stammen naar het oosten, naar Hongarije? Ja, er trokken van die stammen naar de streken van Pressburg, dat tegenwoordig in Tsjecho-Slowakije ligt (nu Slowakië), vanaf de Donau verder over Pressburg naar de streken van Spiš  ten zuiden van de Karpaten, naar Siebenbürgen, naar de Banaat, de streek tussen de zuidelijke Donau en de Theiss. Naar deze streken waaierden de Zwabenstammen uit. En onder deze stammen die zich verspreidden waren de ‘heide’-Haidboeren de meest karakteristieke. En deze mensen kozen hun vaste woonplaats in de streken van Oberufer, iets stroomafwaarts aan de Donau en zij namen de kerstspelen uit hun oorspronkelijke thuisland mee, bewaarden ze in hun ‘oer’staat en speelden ze daar elk jaar in die Duitse nederzettingen. Ze werden

blz. 83

als ein teures Gut in gewissen Familien aufbewahrt und so behandelt, wie sie vor Jahrhunderten waren. Da hat sie mein guter Freund und Lehrer, Karl Julius Schröer, kennengelernt, dort in Oberufer; es hatte sich noch keine Intelligenz, kein Verbesserer hineingemischt. Diese Spiele wurden in den fünfziger Jahren des vorigen Jahrhunderts so aufgeschrieben, wie die Bauern, welche sie gespielt haben, sie Karl Julius Schröer diktieren konnten aus ihrem Gedächtnisse heraus, als er dahin kam. Er war ja in Preßburg Lyzeumsprofessor. Als er dahin kam, wo die Spiele gespielt wurden von den Haidbauern draußen in den Dörfern, da ging er zunächst – nicht wahr, man ist ja auch höflich – zu der Intelligenz des Dorfes, zum Beispiel zu dem Schulmeister, der zugleich Dorfnotär war. Der sagte: Das ist dummes Zeug, es ist gar nicht einmal der Mühe wert, daß man sich damit beschäftigt! – Dort hatte sich natürlich die Intelligenz nicht darum gekümmert, glücklicherweise hat sich die Intelligenz nicht darum gekümmert gehabt. So konnten sie noch die Spiele aufführen, wie sie von den Bauern hinterlassen worden waren. Das war ein besonderes Glück, denn dadurch sind sie in diesen Gegenden so erhalten geblieben, wie sie waren. Man kann höchstens noch die Frage aufwerfen: Wie kamen denn die Leute dazu, dort in dieser Gegend dieses teure Erbgut aufzubewahren? 

bij bepaalde families als een kostbaar goed bewaard en zo gelaten zoals ze al eeuwen waren. Toen leerde mijn goede vriend en leraar, Karl Julius Schröer, ze daar in Oberufer, kennen; er had zich nog geen enkele intelligente verbeteraar mee bemoeid. Deze spelen werden in de jaren vijftig van de vorige [=19e] eeuw zo opgeschreven, zoals de boeren die erin meegespeeld hadden, deze aan Karl Julius Schröer toen hij daar was, hadden kunnen dicteren vanuit hun geheugen. Hij was professor in Pressburg. Toen hij daar kwam, waar de spelen door de Haidboeren in de verspreid liggende dorpen gespeeld werden, ging hij meteen – je wil ook beleefd zijn, niet waar – naar de intelligentsia van het dorp, bv. naar de schoolmeester die tegelijkertijd de dorpsnotaris was. Die zei: ‘Dat is waardeloos, niet de moeite waard om je daarmee bezig te houden!’ De intellectuele elite gaf daar natuurlijk helemaal niets om, gelukkig maar. Zo konden de spelen dus nog worden opgevoerd, zoals ze door de boeren nagelaten waren.
Dat was een heel gelukkig iets, want daardoor bleven ze in die streken zo bewaard als ze waren. Je zou hoogstens nog de vraag kunnen opwerpen: hoe kwam het dat de mensen daar in deze streek dit kostbare erfgoed bewaarden?

Dann muß man sagen: Vorangegangen sind den heutigen Ausgewanderten die aus der Tschechoslowakei nach den ungarischen Gebieten ausgewanderten Mährischen Brüder. Und diese Mährischen Brüder mit ihrem intimen, christlichen tiefen Leben, das in so schöner Weise das Bruderschaftsprinzip zum Ausdrucke gebracht hat, waren schon dort, als dann die anderen Stämme, die ich jetzt meine, die Haidbauern und so weiter den Drang verspürten, auch hinüberzuwandern nach dem Osten. Es ist nicht irgendein besonderer wirtschaftlicher Beweggrund oder dergleichen gewesen, sondern es war tatsächlich ein idealer Grund für jene Menschen, als sie nachzogen dem schönen, intimen christlichen Bruderschaftsleben der Mährischen Brüder, die schon da hinübergewandert waren. Noch vor dem Auftreten des Luthertums haben diese aus dem eigentlich noch menschlichen Gemüte Mitteleuropas eine ideale christliche Atmosphäre hinübergetragen, die nicht die Schäden des in den westlichen Ländern vorhandenen Katholizismus mit sich nahm,

Dan moet je zeggen: vóór de huidige kolonisten zijn uit Tsecho-Slowakije de wegtrekkende Mährischen Brüder naar Hongaarse streken gegaan. En deze broederschap met zijn diep intiem christelijk leven dat zo mooi het broederschapprincipe tot uitdrukking heeft gebracht, bevond zich daar al, toen die andere stammen die ik nu bedoel, de Haidboeren enzo, de drang in zich voelden om ook te emigreren naar het oosten. Het is niet een of andere economische reden o.i.d. geweest, maar het had werkelijk een ideële grondslag voor de mensen: dat fijne, intieme christelijke broederschapsleven als dat van de Mährische Brüder, die daar al heen getrokken waren, toen ze er ook heen gingen. 
Nog vóór het verschijnen van het lutheranisme namen deze vanuit een eigenlijk nog menselijke Midden-Europese gemoedsstemming een ideële christelijke sfeer mee die niet alle tekortkomingen van het katholicisme van de westelijk gelegen landen met zich meenam,

blz. 84

aber auch nicht die Schäden des Protestantismus enthielt, sondern die wirklich echtes, wahres Christentum war, aus brüderlicher Menschheitsgesinnung heraus geboren. Das wanderte hinüber. Und angezogen von der idealen Gesinnung wanderten dann andere deutsche Stämme in die Gegenden hin, die von den Mährischen Brüdern besiedelt und mit dem Christentum durchtränkt worden waren und nahmen dahin das Teuerste mit, was sie hatten: diese christlichen Weihnachtspiele. Diese Weihnachtspiele blieben in der ursprünglichen Gestalt dadurch, daß sie getrennt waren von dem Mutterlande, daß nicht über sie kommen konnte die spätere Intelligenz. Und in dieser ursprünglichen Gestalt hat sie mein alter Lehrer und Freund, Karl Julius Schröer, in Oberufer, das eine halbe Eisenbahnstunde von Preßburg entfernt ist, wo er dazumal Professor am Lyzeum war, gefunden und aufgeschrieben, so wie sie die Bauern ihm vorgesprochen haben. – Sie haben sie immer eingelernt gegen die Weihnachtszeit hin. So ließ er sie sich vorprechen und so sind sie uns ganz unverfälscht erhalten geblieben; so sind sie noch aufgeführt worden bis um die Mitte des 19. Jahrhunderts hinein. Heute wären sie ohne ihn verschwunden.

maar ook niet de tekortkomingen van het protestantisme, maar alleen wat het werkelijk echte, ware christendom was, ontstaan vanuit een broederlijk mensengevoel. Dat verplaatste zich. En aangetrokken door deze ideële stemming trokken toen andere Duitse stammen naar die streken waarin de Mährische broeders zich hadden gevestigd en die door en door christeliljk waren geworden en daar naartoe namen ze het kostbaarste mee dat ze hadden: deze christelijke kerstspelen.
Deze kerstspelen bleven zo origineel, omdat ze van het moederland waren gescheiden, zodat de latere intelligentsia er geen vat op kreeg. En in deze oorspronkelijke vorm heeft mijn oude leraar en vriend, Karl Julius Schröer, ze in Oberufer, dat maar een half uur met de trein van Pressburg vandaan ligt, waar hij destijds professor was, gevonden en opgeschreven, zoals de boeren dat hem voorgesproken hebben. Altijd studeerden ze die weer tegen de kersttijd in. Zo liet hij ze aan hem voorspreken en zo zijn ze onvervalst voor ons bewaard gebleven; zo zijn ze nog opgevoerd tot in het midden van de 19e eeuw. Zonder hem zouden ze nu verdwenen zijn.

Karl Julius Schröer hat die Dinge, so wie sie gerade da unten üblich waren, erhalten. Ich habe viel im Beginne der achtziger Jahre über diese Dinge mit ihm sprechen können. Er war voll von Erinnerungen an die Aufführungen, die er dort gesehen hat, und so sind mir diese Spiele auch ans Herz gewachsen. Daher möchten wir sie unter unseren Gemeinschaften so aufführen – mit einigen Variationen, denn genau so, wie es in den Wirtshäusern aufgeführt wurde, können wir es hier nicht tun, auch manches andere, was dort ausgeführt worden ist, können wir hier nicht ausführen -, aber so echt diese Dinge nur dargestellt werden können, möchten wir Ihnen diese schönen Stücke echten Volkstums vorführen. Zum Beispiel hatte dort der Teufel vor der Aufführung ein Kuhhorn, und da rannte er im ganzen Dorfe herum und blies mit diesem Kuhhorn hinein in jedes Fenster und forderte die Leute auf, zum Spiel zu kommen: das sei Christenpflicht eines jeden zum Advent. – Nun, Sie können sich schon denken: das können wir hier nicht ausführen. Wir würden schön ankommen, wenn wir den Leuten sagen würden: das sei Christenpflicht zum Advent! – Außerdem mußte der

Karl Julius Schröer heeft de dingen zoals ze daar gebruikelijk waren, vastgelegd. In het begin van de jaren achttienhonderdtachtig heb ik veel met hem over deze dingen kunnen spreken. Hij zat vol herinneringen aan de dingen die hij daar gezien had en zo zijn deze spelen me na aan het hart komen te liggen. Daarom zouden wij ze in onze instellingen zo willen opvoeren – met een paar veranderingen, want net zoals ze in de herbergen werden opgevoerd, kunnen wij dat hier niet doen, ook veel andere dingen die daar gedaan worden, kunnen we hier niet doen – maar zo authentiek als deze dingen maar getoond kunnen worden, zouden wij graag deze stukken van origineel volksleven voor u willen opvoeren. De duivel bv. had vóór de opvoering een koeienhoorn en daarmee rende hij door het hele dorp en blies daarmee door ieder raam en riep de mensen op naar het spel te komen: dat was in de adventstijd voor ieder een christelijke plicht.
U begrijpt wel: dat kunnen we hier niet doen. Ze zien ons aankomen, wanneer we zouden zeggen: dat is een christenplicht in de adventstijd! Bovendien moest de duivel

blz. 85

Teufel auf jeden Wagen, der vorbeifuhr, hinaufsteigen, machte Unruhe, polterte herum und so weiter. Auch das und manches andere müssen wir hier bleiben lassen. Aber all dasjenige, was möglich sein kann, soll eben in voller, echter Wahrheit vorgeführt werden. Ich will jetzt die Aufführung nicht länger aufhalten, doch wollte ich dasjenige, was zu sagen ist über die Art und Weise, wie die Aufführungen üblich waren und wie die Weihnachtspiele unter den Bauern einstudiert wurden, in einigen einleitenden Worten kurz mitteilen.

op iedere kar klimmen die voorbijreed, onrust veroorzaken, luid schreeuwend rondgaan enz. Ook dat en nog veel meer moeten wij achterwege laten. Maar alles wat mogelijk is, moet diep en echt waar werden opgevoerd.
Nu wil ik de opvoering niet langer ophouden, maar ik wilde wel wat er gezegd kan worden over de gebruikelijke manier waarop de spelen werden gespeeld en hoe de kerstspelen door de boeren werden ingestudeerd, kort in een paar woorden zeggen.

.

[1] GA 274
[2] GA 274

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2071`-1943

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over de kleuren op de muren van de lokalen (1-1/2)

.

Oene Schreuder, vrijeschool Wageningen, nadere gegevens onbekend

Deel 1
.

OVER KLEUREN EN WANDVERSIERING IN VRIJESCHOLEN

II WANDVERSIERING

In de ontwikkeling van de beeldende kunst is een interessante beweging te volgen die verloopt van groot naar klein naar groot.
Denken we bijvoorbeeld aan de Bijbelse muurschilderingen van Michelangelo (vanaf de aardeschepping tot aan David en Salomo) dan kunnen we het gevoel krijgen van: kosmisch, spiritueel en groot.
Stel ik mij echter een schilderij met appels op een schaal voor van Cézanne (eind 19e eeuw), dan krijg ik de indruk: begrensd, niet alleen door een lijst om het werk heen, maar ook uit liefde voor het detail, kortom klein, hoe spiritueel die appels ook weergegeven zijn.
Kijken we naar de tijd na 1900, dan zien we dat de kunst langzamerhand de grenzen van het kader wil doorbreken, zodanig, dat de toeschouwer, de mens, deelgenoot van het kunstwerk zal kunnen worden.
Picasso begint in 1909 met de collage (bijv. stukken krant in een compositie).
Dan vinden we bij de DADA, de montage (bijv. een object uit fietsonderdelen).
Ook krijgen we de assemblage; 500 brilmonturen op een groot bord.
Een stap verder is de “enviroment-art” (parallel aan de zgn. “pop-art“),  in de omgeving wordt kunstzinnig gemanipuleerd, bijv. in de VS is een landschap met kilometers lange gekleurde gordijnen doorbroken.
In 1959 komen we voor het eerst de “happening” tegen; bijv. een man die in het stedelijk museum gaat staan als kunstobject. Daarmee wil tot uiting gebracht worden, dat het alledaagse, iedere mens (toeschouwer) op zichzelf al een kunstwerk is.

Al met al zijn we weer bij het idee “groot en groots” aangeland.
Misschien gebeurt het, dat sommigen bij de laatste kunstvormen uithaken en het schilderij aan de muur verkiezen, toch ligt er een dieper streven achter al deze nieuwgezochte kunstuitingen, nl. dat ieder mens, en niet een culturele elite alleen, weer kan instappen in de kunst. De kunstobjecten worden – om zo’n stap te vergemakkelijken – uit het leven van alledag gekozen.

De vrijescholen nu, zijn wat kunst betreft uiterst trendgevoelig. U weet allen, dat “happenings” in onze school aan de orde van de dag zijn, maar ook, geloof ik, dat de enviroment art, omgevingskunst op een hele bijzondere manier is opgevat, nl. in de vorm van muurschilderingen.

En Rudolf Steiner heeft daarmee dezelfde bedoelingen voor ogen gehad als de moderne kunstenaar nl. om ieder mens(enkind) weer te laten vertrouwen op het kunstzinnige in de mens en een vertrouwensband te laten krijgen met de kunst in het algemeen.

In onze cultuur moeten we helaas constateren hoe er alom kunstzinnige schraalheid heerst en steeds weer meer moeten er therapeutische ‘kunstgrepen’ worden gedaan om te proberen iets te redden van dat vertrouwen in de kunst.

Een schoolgebouw is nu bij uitstek zo’n “omgeving” om kunstzinnig en zodoende medisch-preventief in te richten. Wat mensen in hun kinderjaren aan “prikkels” opdoen op kunstzinnig gebied, kan bepalend genoemd worden voor het verdere leven (vandaar preventief).

Bovendien heeft R. Steiner de kunst ook nog consequent en op een begrijpbare wijze aangepast, aan die “omgeving”.

Ik zal een overzicht geven van de aanwijzingen die hij gaf voor de verschillende motieven van klas 1 t/m 12; alle (evenals de kleuren op de muur) aangepast aan de leeftijdsfase en leerstof.

Klas
1 – Sprookjesvoorstellingen (eveneens kleuterklas).
2 – Fabels en legenden.
3 – De levende, maar nog niet vanuit de waarneming afgebeelde wereld; planten.
4. – De “waarneembare” wereld; dieren.
5 – Mensengroepen, mensen die samen iets doen.
6 – De eenzame mens in de natuur.
7 – 8 – Reproducties van Rafael en Leonardo da Vinci.
9 – Reproducties van bijv. Giotto; technische situatieschetsen; een hemelkaart, waarin men de verschillende sterrenbeelden in figuren bijeenzet.
10 – Reproducties van Holbein en Dürer. Ook bijv. het binnenste van de zee met daarin levende dieren; Voorstellingen die zowel instructief, als kunstzinnig zijn.
11 – Holbein, Dürer, ook Rembrand, evt. ook oudere meesters. Tevens geologische doorsnijdingen met kunstzinnig uitgewerkte kaarten e.d.
12 Reproducties van Rembrand, ook voorstellingen van fysiologische en anatomische zaken bijv. de bouw van het oor, het oog.

N.B: De moderne én klassieke beeldende kunst leren de leerlingen kennen in kunstgeschiedenisverband.

Wanneer je zo’n hele reeks van klas 1 tot en met 12 doorneemt is er een opvallende scheiding tussen 1 t/m 6 en 7 t/m 12.
Krijg je bij de eerste zes het gevoel te maken te hebben met zeer levendige beeldrijke, fantasievolle schilderijen op de muur, zo krijgt je bij de ‘bovenbouw’ het idee te maken te hebben met meer technisch wetenschappelijke, tot exacte waarneming aansporende afbeeldingen.
Plotseling komen er (naast muurschilderingen!) reproducties op de muur vanaf klas 7. Een aanduiding, dat het hier om een andere kijkhouding gaat bij de kinderen (puberteit).

Wanneer je bijvoorbeeld naar klas III – de levende, maar nog niet vanuit de waarneming afgebeelde wereld, planten – kijkt, stel ik me daarbij een meer expressionistische schildertrant voor; planten in hun oervorm, dieren in hun zielenkleur, etc. (De Goethe-stijl)

Nemen we daarentegen bijvoorbeeld klas 10 – het binnenste van de zee – dan stel ik me daarbij een meer op waarneming geënte impressionistische schilderstijl voor. (Evenzo duidelijk in klas 12). In de reproducties is een zuiver kunstzinnig element vertegenwoordigd.

Wat zou nu zo’n motief voor een muurschildering in de lagere klassen kunnen zijn?

In de eerste klas en ook de tweede is uitzoeken/kiezen daarvan een verrukking.
We hoeven maar een sprookjesboek open te slaan, of de rijke beelden rollen aan je ogen voorbij. Uit zo’n verhaal kun je een aantal treffende gebeurtenissen of stemmingen pakken en die in een reeks beelden op de muur aanbrengen.
Zo’n geschilderd sprookje kan tot jaarmotief worden voor de kinderen, Het bijbehorend verhaal vertel je natuurlijk aan de kinderen en plotseling zie je dan hun hoofden omdraaien naar de muur uit herkenning.

Belangrijk is m.i. bij zo’n muurschildering, dat er een element in zit dat naar de toekomst verwijst, bijvoorbeeld iemand die op weg is of een ontwikkelingsgang doormaakt.

In sprookjes- en heiligenlegenden-motieven (ook fabels) is dat goed tot uiting te brengen in bijv. een prins (te paard), die op weg gaat en allerlei gevaren (lees: ontwikkelingsmogelijkheden) ontmoet.

In het sprookje van de “twee gebroeders” (uit Grimm), wat aanleiding was voor de muurschildering in de 1e klas, heb ik de jongste broer, die naar het westen trekt (en zelfs een doodsmoment beleeft) een toekomstgericht gebaar (hij wijst naar zijn doel) meegegeven. in feite geef je a.h.w. een spiegel aan de kinderen, immers ook zij zijn op weg naar een toekomst in het avondland.

Veel moeilijker – ik heb daar geen ervaring mee – lijkt mij een overgang te vinden naar de 3e klas met: “de levende, maar nog niet de uiterlijk waarneembare natuur”. Het zal moeten gaan om ‘oer’-beelden, innerlijke beelden t.a.v. planten etc., denk ik.

De vierde klas krijgt hetzelfde jaarmotief, maar de blik is nu naar “buiten” in de wereld gericht. De ‘waarneming vanuit het “ik” gaat een rol spelen voor de 9/10 jarige.
Het penseel moet zich aanpassen na de 3e klas.

Een poging waard lijkt het me om in de 4e. klas de dieren zó te schilderen, dat ze in hun eigen ‘kleur’ gevat zijn. (Een flegmatische koe in een sappige kleur). Ook de penseelstreek (rond-straalsgewijs) kan daartoe effecten geven.

De vijfde klas – waarvan leraren vaak zeggen, dat de groepsgeest het meest harmonisch is – heeft tot thema: mensengroepen. Bijvoorbeeld zouden we hier kunnen denken aan een groep mensen die samenwerken in een houtzagerij o.i.d. (een marktplein misschien). We kunnen daarbij ook denken aan de economische aardrijkskunde, die dat leerjaar centraal staat.

De zesde klas, de eenzame mens in de natuur. Zelf heb ik daarbij iets in mijn hoofd als een chinees of japans motief van een prachtig landschap met een berg en een meer met daarin een enkele mens (in een roeibootje) of een steenhouwer…
Duidelijk is hier weer aangesloten bij de leeftijdsfase van de 11-jarige. Ze staan aan de vooravond van de puberteit, een fase, waarin het mensenkind geheel op zichzelf wordt teruggeworpen en waarin ook het fysieke sterk beleefd gaat worden.
Vele dingen in het leven zullen kritisch en scherp worden betwijfeld. De natuur echter blijft een permanent gegeven van waaruit weer vertrouwen geput kan worden. (Thema in de zesde klas is ook mineralogie)

Vanaf de 7e klas worden de reproducties geïntroduceerd en de overige muurschilderingen in de bovenbouw zijn specialistischer van aard.
Voor wat de stijl betreft, waarin de muurschilderingen opgezet moeten worden, heeft R. Steiner gezegd, dat het een ‘algemeen menselijke’ moest zijn. Wat dat nu precies inhoudt, daar zou je als kunstenaar, volgens mij een levenstaak van kunnen maken om dat te verwerkelijken.
Enerzijds geeft hij door zoiets uit te spreken een enorme vrijheid aan de kunstenaar, aan de andere kant wil hij er volgens mij voor waarschuwen, dat het geen plaatjes uit een rijmpjesboek worden, of dat er vanuit een specifieke kunstrichting wordt gewerkt, kubistisch of surrealistisch of naïef.
Vele prentenboeken in de winkel zijn verlucht met sterk stijlgerichte afbeeldingen, waardoor ze vaak aantrekkelijker zijn voor volwassenen dan voor kinderen.
‘Algemeen menselijk’ schilderen betekent ook vaak een strijd aangaan met een al te persoonlijke stijl.

Op nog maar weinig vrijescholen is men zover gekomen om aandacht te besteden aan muurschilderingen. Toch is het mijn overtuiging, dat dit een manier is om de kunst een werkelijke sociale rol te laten spelen en haar te maken tot iets, waar kinderen en volwassenen vrijuit van kunnen genieten, zo in het dagelijks leven en tot iets waar voor men niet naar galeries of tentoonstellingen behoeft te gaan.

Bij kinderen is het nog zo duidelijk dat zij de wereld om hen heen als mooi en schoon willen beleven; misschien kunnen wij als opvoedkunstenaars er een penseelstreekje toe bijdragen, dat zij ook later hun volwassenwereld, kunstzinnig zullen willen inrichten.

Muurschildering:

bron
.

Deel 1 van deze artikelen gaat over de kleuren van de klassenmuren.

Over de kunstzinnige inrichting van een lokaal: alle artikelen
.

Rudolf Steiner in GA 300B/228 e.v.
.

Dit onderwerp wordt ook behandeld in het boek ‘Schöpferisches Gestalten mit Farben
.

korte film (Duits)

.

2070-1942

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Over de kleuren op de muren van de lokalen (1-1/1)

.

Oene Schreuder, vrijeschool Wageningen, nadere gegevens onbekend

.

OVER KLEUREN EN WANDVERSIERING IN VRIJESCHOLEN

.

I KLEUREN IN DE KLAS

In een tweetal artikelen (het eerste in deze, het tweede in de volgende schoolkrant) wilde ik graag ingaan op een zo kenmerkend vrijeschoolaspect, namelijk de omgang met kleuren; ditmaal niet op tekenpapier, maar op de muren.

Met opzet start ik met eerst een indruk te geven van de kleuren per klas, in de hoop in het volgende artikel te kunnen aantonen, hoe de wandschilderingen a.h.w. ingebed liggen in die “klassenkleur”.

Wanneer men zich met dit onderwerp bezighoudt, valt er ongelooflijk veel te ontdekken, vooral aan de hand van aanwijzingen van Rudolf Steiner, en het enige wat ik in dit bestek kan doen, is m.i. enkele losse flodders te lanceren, plus nog wat persoonlijke kanttekeningen.

De vraag: ‘Kleuren, in een schoolgebouw?’ is tegenwoordig waarschijnlijk minder wereldschokkend dan dat ze 100 jaar geleden zal zijn geweest bij de ingebruikneming van de eerste Waldorfschool te Stuttgart, waar een groot aantal klassen in een blauw-lila teint gehuld waren.

Men hoeft nu maar een modern bankgebouw o.i.d. in te lopen, of men wordt geconfronteerd met een stevig kleurenarsenaal in trappen, balies, gordijnen etc.

Maar hoe was dat in de twintiger jaren? [van de 20e eeuw]

Ondanks de kleurrevolutie middels impressionisme en expressionisme, was men wat betreft de kleur in de architectuur de ‘kleurenschuwheid’ van de 19e eeuw nog lang niet te boven! Kleur werd nog louter als siermiddel gezien en had nog geen functie in de bouwkunst.
Dit in tegenstelling tot het oude verleden, waarin bv. de Egyptische kunstenaar, die de piramide schiep niet na voleinding van de bouw in grauwe steen gedacht heeft: ‘En nu de kleur nog!’, nee, kleur en vorm en lokale omstandigheden waren volledig in overeenstemming. (Denk aan de kleurnuances in de gepolijste marmerplaten).

Rudolf Steiner nu heeft, rond 1920, opnieuw gewezen op de betekenis van kleur in de architectuur, vanuit een esthetische én pedagogische invalshoek; dit overigens in contrast met zijn tijdgenoten, de functionalisten, die in hun bouwwerken geen kleur (behalve wit) tolereerden, om hun zo zuiver opgebouwde architectonische vormen (vlakken) niet te kort te doen!
Natuurlijk leefden er ook elders in Europa (vooral in Nederland: Oud, Rietveld, Mondriaan, ‘De Stijl’) ideeën omtrent kleur in architectuur, maar deze vonden vaak geen direct respons en ze verhuisden, al dan niet met de artiest, naar Amerika. De kleuren gingen daar een heel eigen leven leiden binnen de kunst en kwamen na W.O.II in een nieuw jasje gestoken terug naar Europa.

Wat beoogde Rudolf Steiner nu met kleuren in klaslokalen?

Niet alleen stond hem de schoonheid van een gebouw voor ogen, maar telkens weer onderstreepte hij het belang van kleur, door werking en waarde die ze heeft op de ziel van de (opgroeiende) mens. Dr. Zeylmans van Emmichhoven heeft dit later nog eens wetenschappelijk bewezen met behulp van de zgn. ‘Kymographion’ (registratie van een kloptempo na inwerking van een bepaalde kleur).
Hij heeft zijn vindingen met een therapeutisch doel voor ogen toegepast in de Rudolf Steinerkliniek te Den Haag.
Leidraad voor beiden is geweest ‘Goethe’, die steeds gezocht heeft naar het wezen van iedere kleur.

Evenmin ging het Rudolf Steiner om vaste concepten, maar om een levend opnemen van de kleur waartoe Goethe uitnodigde!
Een belangrijk aspect hierbij waren de zogenaamde complementaire kleurverschijningen. Wanneer je het oog enige tijd op bijv. een violet gordijn richt, zal als nabeeld een groengele kleur te voorschijn getoverd zijn! (Hierin zie je duidelijk hoe de kleuren ‘on-materieel’ in de mens aanwezig zijn!)

Wanneer we nu de aanwijzingen van Rudolf Steiner omtrent kleur in de klas eens wat nader onder de loep nemen, kunnen we “aanvoelen”, hoe hij die kleuren niet alleen in overeenstemming laat zijn met de ontwikkelingsfase van het kind (kleuter, puber etc.), maar ook – vooral hij het jongere kind – rekening houdt met de z.g. tegenkleur, die innerlijk wordt opgeroepen.

Een ander belangrijk facet in de kleurbepaling was de functie van een lokaal of ruimte (scheikundelokaal – toneelzaal etc.).
Voordat ik nu kleur bij klas ga plaatsen lijkt het me goed korte kleurbelevenissen te beschrijven aan de hand van de cirkel. Belangrijker zijn misschien nog uw eigen gevoelens ten aanzien van de kleur aan de hand van objectieve waarnemingen.

GEEL: is de dunste sluier voor het licht, heeft de neiging om weg te vlieden vanuit een centrum; is sprankelend (als in vlammen, citroenvlinder) of edel, vol, rijp, het koren, goud, de zon (zonsopgang-ondergang).

ORANJE: is feestelijk, geeft plezier en hartelijkheid (zonsopgang -ondergang, vuur, bloemen). Kan soms ook iets verraderlijks scherps hards hebben (verkeerslichten, slangenkleur samen met groen, zwammen e.d.)

ROOD: is dynamisch, wekt activiteit, is aanvallend, kleur van het hoge, voorname (koningen, priesters) en het lage, de duivel (+zwart). De kleur van het  bloed. De kleur van zonsopgang en zonsondergang

Goethe: Ze geeft een indruk van ernst en waardigheid, evenals van hulde-stemming en warme liefde.
In vele bloemen; roos (diep), papaver (oppervlakkig); in robijn, granaat, koraal; in vogels, vissen, insecten enz. enz.

PERZIKBLOESEM ROSE: is zacht, moederlijk, teer, luchtig, niet zo zwaar als rood. De kleur van de lentebloesem. De zuivere kleur die soms heel even aan de ochtendhemel verschijnt (a.d. Middellandse Zee).

BLAUW: is diep en oneindig, zoals de sterrenhemel, kan helder, koel zijn, soms koud als sneeuw, afstandelijk, objectief, het begrenst (i.t.t. geel) naar buiten toe, is omhullend naar binnen toe, is bescheiden. Veel te vinden in kristallen, ook onderin een vlam en vaak in bloemen die dichtbij de grond groeien. Duidelijke contrasten te vinden in warme blauwen (ultramarijn, kobalt) en koude blauwen (indigo, pruisisch. Denk aan maanstemmingen).

VIOLET ; vraagt om innerlijkheid. Kan diep (viooltje), maar ook licht zijn (in wolken bv.) Het wordt vaak gekozen in cultische ruimtes (kerken, tempels, 
rouwcentra). Ook te vinden in stenen (amethist), in gecompliceerde bloemen.

GROEN: een heerlijke kleur, werkt rustgevend, evenwichtig, harmoniserend (het groen in de natuur). Wil levenskracht uiten, wil omhoog streven van de aarde (denk aan bosrand in de lente!!).
Het is de kleur van de Christus; de iconenkunst werkt veel met rood en groen. Het groen is een beminnelijke middelaar te midden van de diversiteit van kleuren.

Wanneer we zo afzonderlijk de kleuren belichten merken we op, dat binnen een kleur nog weer zoveel mogelijkheden liggen, tussen bijv. koude en warme, lichte en donkere kleuren, tussen diepe en vluchtige, tussen dichte en open kleurnuances. Dit drukt ons nog eens met de neus op de enorme rijkdom en zeggingskracht, van een enkele kleur en waarschuwt ons meteen voor het gevaar te snel te willen etiketteren, in de zin van bijv. ; “De zesde klas moet blauw zijn”. Het gaat er m.i. ook hierbij weer om, hoe we omgaan met een kleur en niet zozeer om het antwoord op de vraag; “Wat doen we met kleuren”.

Ik hoop dat dat ook enigszins mag blijken uit de manier waarop Rudolf Steiner verschillende indicaties geeft voor verschillende schoolgebouwen.

Voor de nieuwbouw te Stuttgart 1922 gaf hij aan;

Klas 1/3: roodnuances 
Klas 4: lichtgroen 
Klas 5: groenblauw 
Klas 6: blauw 
Klas 7: indigo
Klas 8/9: violet
Klas 10: lila
Klas 11: licht rood-lila

gymnastiekzaal: rood-lila;
euritmiezaal: malve;
handwerken: oranje;
handenarbeid: licht violet, sterk naar het rood neigend;
natuurkundelokaal: blauw;
dokterskamer: roodachtig;
gang: roodachtig-lila.

Voor de Goethe school in Hamburg:

Klas 1 t/m 3: rood geleidelijk aan lichter
Klas 4 t/m 6 : oranje         idem
Klas 7: geel
Klas 8 en 9: groen, resp. lichter groen
Klas 10 en 11: blauw resp. violet-blauw
Klas 12: violet

natuurkundelokaal: groen;
zanglokaal: lila

Voor de New-School in London: 

5-6 jarige kinderen: rood oranje geel 

7-8 jarige: groen
9 jarige: donker groen
10-11 jarige: blauw

euritmiezaal: lichtviolet 
en gangen: geel.

Wanneer we deze voorbeelden langslopen, merken we al gauw op dat Rudolf Steiner niet alleen naar de lokalen in de gebouwen heeft gekeken, maar ook naar de atmosfeer waarin de kinderen leven en hoe zij zich (hoogst verschillend) bewegen in hun wereld.

Op het schoolplein in Stuttgart zie je rustig keuvelende kinderen, terwijl je in Hamburg wordt overrompeld door een overstelpende bewegingsdrang (evenals in Wageningen).

Zijn vraag zal geweest zijn; “Wat heeft het kind hier te weinig aan zielenkleur of wat heeft het daar te veel. Misschien heeft Steiner met opzet de rood-oranje-nuances in Hamburg laten doorgaan tot aan de 7e klas om de rustgevende kracht van de tegenkleur – het groen – haar subtiele spel te laten spelen.

In dit verband kunnen we ook denken aan het prachtige perzikbloesem-roze van de kleuterklassen; in de kleur zelf vinden we het tedere, prille, en omhullende in de complementaire, een beleven van evenwicht en vredige rondheid. Voor kleuters is dit beleven nog heel primair.

Evenwel, nog andere gezichtspunten zijn van belang;

Wat denkt u van een gang in roodachtig lila (Stuttgart)? Hier zouden we kunnen zeggen: “Colour follow function”;
Wat moet een gang doen? Zij moet uitnodigen, een onthaal vormen voor wat van buiten naar binnen toe wil. Hier helpt het hartverwarmende rood. Maar ook vindt er voortdurend beweging plaats (klassen die van lokaal wisselen bijv.) en ontmoetingen! Gangen als slagaders in een gebouw: het rood als kleur der communicatie.

Nu geel (London). We zouden kunnen denken aan een gebouw met een hal (centrum) van waaruit overal gangen of trappen lopen naar de lokalen (omtrek). Als langs zonnestralen bewegen de kinderen zich van en naar hun werkdomeinen.
En een natuurkundelokaal blauw (Stuttgart)?
Hier zijn vergissingen uitgesloten: het gaat om objectieve observaties, zakelijk en exact, soms nuchter en koel.
Het blauw draagt zijn steentje bij: door haar heldere, begrenzende kristallijne karakter.

Dit zijn zo enkele grepen, maar duidelijk wordt hieraan wellicht: hoe kleuren zich niet in bepaalde ruimtes laten dwingen, maar wel, dat elke ruimte op zijn beurt vanuit haar eigen pedagogische, functionele of plaatsgebonden bijzonderheid om een kleur vraagt.
Daarnaast hebben we paraat in ons bewustzijn het hele unieke eigen wezen van de afzonderlijke ‘kleur(nuances).

Dan misschien nog iets ten aanzien van de veel gehoorde opmerking: ‘waarom zulke weke, pastelkleurige tinten in de vrijescholen, kleuren die je ook tegenkomt in de ‘nat-in-nat’-schilderingen?

Met dekkende verf zou je ook kleuren kunnen aanbrengen. Wanneer we een antwoord proberen te vinden op deze vraag, komen we vanzelf op het punt, wat de muren te “vertellen” hebben. Dan zien we enerzijds de hele fysieke kant van het steen, dat ons moet beschermen tegen regen en koude en wind, maar aan de andere kant worden we gewaar, hoe muren tegelijkertijd iets doorlaatbaars moeten hebben.

Ieder weet hoe belangrijk het raamoppervlak bijvoorbeeld is in een muur; men moet van binnen naar buiten, maar ook van buiten naar binnen kunnen (kijken). Een muur met kleine raampjes geeft een heel andere stemming aan een huis dan een grote glaswand. Een hele dichte wand is ontoegankelijk of liever gezegd, ‘onuitgankelijk’.

De transparante, letterlijk doorluchtige kleuren, schenken aan de inwonende wel de vrijheid om als het ware een “uitzicht” naar “‘buiten” te hebben.
Dit wordt nóg meer zichtbaar, wanneer er een wandschildering, een panorama verschijnt.
De techniek van het aanmaken en aanbrengen van de verf wilde ik nu even buiten beschouwing laten.

Dan tot slot nog dit; wanneer we onze blik langs de kleuren, laten glijden door de vrijeschool heen (zie voorbeelden Stuttgart en Hamburg), dan merken we steeds op hoe de kinderen zich ieder jaar opnieuw kunnen verbinden met een kleur. Ze beginnen als kleuters met het perzikbloesemroze, doorlopen in onder- en bovenbouw van de vrijeschool, hoe dan ook de gehele kleurencirkel en eindigen in de 12 klas (±18 jaar) met een violetkleur, wat we kunnen zien als een intensivering, een verdichtsel en doorgronding van waar ze mee gestart zijn.

Evenals aan de vertelstof, die van jaar tot jaar een ander thema heeft, zien de kinderen aan verandering van kleur, dat ze in ontwikkeling zijn. Aan en met de kleur ontwikkelt zich hun zielenleven.

Nu de lente bijna haar intocht gaat doen kunnen we overal genieten van het grootse kleurenspel in de natuur. .

Het is bijna zintuigbedwelmend, want het wemelt van kleurverrassingen in de natuur. Complementaire kleuren, opvolgende kleuren, harmoniërende en contrasterende kleuren, alles is aanwezig.

Zie een krokus met donkerpaarse bloemblaadjes en een helder geel hart, de tulpen met het roze-rood en het groen, de iris met blauw en geel in het bloemblad, of de frisgroene berkenblaadjes tegen een witgrauwe stam, de beuk met haar donkerbruin en roodachtige gloed tegen een zachtgroene, stam. Straks de bloesems met roze-wit tegen een zacht-blauwe voorjaarshemel.

De kleuren spelen hun eigen spel.

Kleuterklas:

.

meer bij bron

Pieter HA Witvliet:

Aanvulling:

E.A. Karl Stockmeyer verwijst in zijnAngaben Rudolf Steiners für den Waldorfschulunterricht (eerder getiteld: Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfschule*) naar de aanwijzingen die Steiner voor de kleuren op de klassenmuren gaf.
Daarbij tekent hij aan:

Toen de school in 1919 in het oude Haus zur Uhlandshöhe werd geopend, moest ze het doen met rood gepleisterde muren en waren er kon nog geen sprake zijn van schilderachtige decoraties. In de zomer van 192o, toen het eerste deel van de grote barakken in gebruik werd genomen, stelde Rudolf Steiner voor om de paar nieuwe klaslokalen in de barakken blauwpaars te kleuren en de voorlopige zangzaal indigoblauw.
De kleur zou in drie stappen naar boven lichter worden.
Een eigen kleur voor elke klas was op dat moment nog niet aan de orde, omdat te verwachten was dat de klaslokalen van jaar tot jaar zouden moeten worden gewisseld. Dat veranderde in het voorjaar van 1922, toen in ieder geval de eerste bouwfase van het grote schoolgebouw voltooid was.
Rudolf Steiner bezichtigde  samen met mij de nieuwe klaslokalen. De drie laagste klassen zouden in de grote barakken blijven en deze lokalen zouden in de oude paarse kleurstelling blijven. De vierde klassen en alle hogere klassen zouden naar het nieuwe schoolgebouw verhuizen. (Daarom begint de lijst onder het kopje “Nieuwbouw 1922” pas met de vierde klas.)
Voor de twee toen al gevestigde scholen in Hamburg-Wandsbek en Londen deed Rudolf Steiner eigen voorstellen. Deze verschillen in detail van de specificaties uit Stuttgart, maar één ding valt op: de kleurlijst van de muurkleuren begint overal met het rood van het spectrum voor de laagste klas en eindigt met violet of paars voor de hoogste klassen.
Op 29 juli 1920 werd er voor de schoolbanken een licht blauwachtig paars gekozen. Dat werd nog gebruikt, maar dat ging niet meer toen in 1922 de klaslokalen werden geschilderd volgens de lijst: vanwege de noodzakelijke uitwisselbaarheid kon dit niet worden gehandhaafd.
*Deel 2, blz. 454

Meer op VRIJESCHOOL  in beeld: gebouwen

deel 2
.
Rudolf Steiner in GA 300B/228 e.v.

Dit onderwerp wordt ook behandeld in het boek ‘Schöpferisches Gestalten mit Farben‘ 

.

2069-1941

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de Kerstspelen uit Oberufer (12)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 14-12-1923  [2]

blz. 77

Wir erlauben uns heute, Ihnen zwei Spiele aus altem Volkstum vorzuführen, welche jener Reihe von Spielen angehören, die zu den Festeszeiten im alten christlichen Volkstum des Mittelalters oftmals und für weite Gegenden gespielt worden sind.
Wir müssen uns nämlich klar darüber sein, daß die Festesgelegenheiten zur Zeit etwa vom 12., 13. Jahrhundert bis eigentlich zum vorigen Jahrhundert, noch bis in die Mitte des vorigen Jahrhunderts, daß die großen Feste des Jahres – das Weihnachtsfest, Osterfest, Pfingstfest, auch einige andere Feste – in christlichen Gegenden ganz außerordentlich bedeutsame Einschnitte des Jahres waren. Und wie das christliche Jahr überhaupt zugeteilt ist an alles das, was das Bewußtsein durchdringt, so wird das menschliche Herz zu besonderen Zeiten geradezu aufgerufen, diese Erinnerungen zu durchdringen mit demjenigen, was wiederum die größten Tatsachen im religiösen Leben und im religiösen Bewußtsein sind.Es gibt Osterspiele, es gibt Pfingstspiele, Fronleichnamspiele, auch Spiele zu anderen heiligen Festen. Die liebenswürdigsten, die besonders tief ins Gemüt gehenden solcher Festspiele waren die Weihnachtspiele. Diese Weihnachtspiele sind uns insbesondere aus denjenigen Zeiten erhalten, in denen das Mittelalter zu Ende gegangen ist. Und

Toespraak Dornach 14 december 1923

We nemen vandaag de vrijheid om voor u twee spelen uit het oude volksleven op te voeren die bij een reeks spelen behoort die ter gelegenheid van de feesttijd in het oude christelijke volksleven van de middeleeuwen dikwijls en in ver weg gelegen gebieden werden gespeeld.
We moeten namelijk duidelijk weten dat de feestelijke gebeurtenissen in de tijd van ongeveer de 12e, 13e eeuw tot eigenlijk in de vorige eeuw, nog tot in het midden van de vorige eeuw, dat die grote feesten van het jaar – Kerstmis, Pasen, Pinksteren, ook nog een paar andere feesten – in christelijke gebieden heel bijzondere gebeurtenissen in het jaar waren die veel betekenden. En zoals het christelijke jaar helemaal al gericht is op alles wat het bewustzijn doordringt, werd in deze bijzondere tijden het menselijke hart aangesproken zich te verrijken met wat toch de grootste feiten in het religieuze leven en voor het religieuze bewustzijn zijn.
Er zijn paasspelen, pinksterspelen, spelen op Sacramentsdag, ook spelen op andere heilige feesten. De populairste, die bijzonder diep op de ziel werkten, waren de kerstspelen. Met name deze spelen zijn bewaard gebleven uit de tijd dat de middeleeuwen afliepen. En 

blz. 78

auch diejenigen zwei Spiele, die wir Ihnen heute vorführen, stammen aus dem zu Ende gehenden Mittelalter. Sie sind wohl noch im 16. Jahrhundert überall gespielt worden, in den Gegenden sogar hier ringsherum. Sie werden es bei dem einen der Spiele finden, wie darauf hin- gewiesen wird, wie die Sonne über dem Rhein scheint. Daraus können Sie entnehmen, daß diese Spiele in einer Rheingegend ursprünglich heimisch sind. Aber gerade diejenigen Spiele, die wir Ihnen heute vorführen, sind nicht hier in diesen Gegenden gefunden; sie sind aufgefunden von meinem alten Lehrer und Freund Karl Julius Schröer, in der Mitte des vorigen Jahrhunderts, in jenen Gegenden Oberungarns, die dazumal eigentlich noch urdeutsch waren, deren Deutschtum heute längst verklungen ist, dem slawischen und magyarischen Element Platz gemacht hat. In diesen Gegenden waren deutsche Kolonien, wie sie ja überall in Ungarn zerstreut sind. In der Preßburger Gegend, nördlich von der Donau, auch weiter hinüber, südlich von den Karpaten, das sogenannte ungarische Bergland entlang hinein bis nach Siebenbürgen; wiederum unten an der unteren Donau, im sogenannten Banat. In der letzteren Gegend sind die Schwaben seßhaft geworden, die ausgewandert sind aus Deutschland; in den Gegenden des nördlichen Ungarn, in den Gegenden, aus denen diese Spiele stammen, haben wir sächsische Kolonisten

ook de twee spelen die wij vandaag voor u opvoeren, komen uit de middeleeuwen die ten einde liepen. Wellicht zijn ze in de 16e eeuw nog overal gespeeld, zelfs in de streken die hier in de omtrek liggen. U zal bij een van de spelen horen dat daar gewezen wordt op hoe de zon boven de Rijn schijnt. Daaruit kun je concluderen dat deze spelen oorpronkelijk in een omgeving van de Rijn thuishoorden. Maar de spelen die we vandaag voor u opvoeren, zijn echter niet hier in deze streken gevonden; ze zijn door mijn oude leraar en vriend Karl Julius Schröer gevonden, in het midden van de vorige eeuw, in streken in Bovenhongarije die toen eigenlijk nog door en door Duits waren – dat Duitse behoort allang tot het verleden, het heeft plaats gemaakt voor Slavische en Hongaarse elementen.
In deze streken lagen Duitse kolonies zoals die overal in Hongarije verstrooid liggen. In de streek rond Pressburg, ten noorden van de Donau, ook nog verder, ten zuiden van de Karpaten, het zgn. Hongaarse bergland tot aan Siebenbürgen, ook nog naar beneden, aan de benedenloop van deDonau, in het zgn. Banaat. In laatste genoemde omgeving vestigden zich Zwaben die uit Duitsland weggetrokken zijn naar de streken van Noord-Hongarije; in de streken waaruit deze spelen komen, hebben we Saksische kolonisten.

Diejenigen aber, welche diese Spiele gepflegt haben, sind wahrscheinlich sogar alemannischen Ursprungs und sind ursprünglich seßhaft gewesen wohl in den Gegenden, die das Elsaß umfassen und die nördlich von dem die Nordgrenze der Schweiz bildenden Rhein gelegen sind. Diese Deutschen sind ausgewandert, haben sich niedergelassen in der Preßburger Gegend, nördlich von der Donau, der sogenannten Oberuferer Gegend, und haben als ein teures Andenken an ihre alte, mehr westlich gelegene Heimat diese Weihnachtspiele sich mitgebracht.
Jedes Jahr, wenn das Weihnachtsfest herannahte, fing man an, diese Weihnachtspiele im Dorfe einzustudieren. Eigentlich fing man schon damit an, wenn die Weinlese vorüber war. Da tat sich derjenige um, welcher diese Weihnachtspiele in seiner Familie bewahrte; eine wohl
angesehene Familie war es in den einzelnen Dörfern, welche diese Spiele aufgeschrieben hatte, und wiederum der angesehenste und älteste

Degenen echter die voor deze spelen zorgden, zijn wellicht zelfs van Alemaanse komaf en woonden waarschijnlijk wel in de streken die de Elzas omvatten en die noordelijk liggen van de Rijn die de noordgrens van Zwitserland vormt. Deze Duitsers zijn weggetrokken, ze vestigden zich in de buurt van Pressburg, ten noorden van de Donau, het zgn. gebied van de bovenoever ‘Oberufer’, en hebben als een geliefde herinnering aan hun oude, meer naar het westen gelegen thuisland deze kerstspelen meegenomen. 
Ieder jaar als de kersttijd naderde, begon men in het dorp met het instuderen van de kerstspelen. Eigenlijk werd daar al mee begonnen, als de druivenpluk voorbij was. Dat deed degene die deze kerstspelen binnen zijn familie bewaarde – het was een familie die in deze dorpen wel aanzien had, zij had deze spelen opgeschreven en de meest geziene en oudste van de familie was de zgn. leermeester. In oktober al, wanneer de druivenpluk voorbij was, riep hij uit de omgeving de jongens bij elkaar. Toen mochten alleen jongens spelen. Hij riep die jongens samen die hij geschikt vond, niet alleen met het oog op de kunst van het spelen, wat betreft het volks kunnen spelen, maar ook geschikt in moreel-religieus opzicht.

blz. 79

der Familie war der sogenannte Lehrmeister. Er sammelte um sich, wenn die Weinlese vorüber war, im Oktober schon die Burschen. Nur Burschen durften dazumal spielen. Er sammelte die Burschen, welche er tauglich fand, nicht nur in künstlerischer Beziehung, in volkstümlich künstlerischer Beziehung, sondern auch tauglich fand in moralisch- religiöser Beziehung. Es wurde ja sogar den Burschen während des Studierens, der Vorbereitung, auferlegt, ein besonders frommes Leben zu führen, damit sie durch ihre ganze Gesinnung, wenn sie zu Weihnachten auftreten sollten, in der richtigen Weise für dasjenige, was in diesen Spielen enthalten war, eintreten konnten. Dann wurde von Woche zu Woche studiert und in strenger Weise darauf gesehen, daß alles dasjenige, was ringsherum war, wirklich auch beobachtet wurde in diesen alten Spielen. Es war eigentlich alles bestimmt, wie jede einzelne Person sich zu verhalten hat.Nachdem lange Zeit diese Spiele vorbereitet waren, die Weihnachtszeit herannahte, rüsteten sich dann diejenigen, die vom Lehrmeister durch viele Wochen hindurch unterrichtet worden waren, und zur Weihnachtszeit zogen sie zunächst im Dorfe herum, zogen dann nach jenem Wirtshause hin, dass man zur Aufführung ausersehen hatte. In einem einfachen Wirtshause wurde nun mit den denkbar einfachsten Mitteln dasjenige aufgeführt, was Sie in den zwei heutigen Spielen sehen werden.

Tijdens het instuderen en de voorbereiding kregen deze jongens opgelegd om een bijzonder vroom leven te leiden, zodat ze door hun hele gemoedsgesteldheid als ze met Kerstmis moesten optreden, op de juiste manier konden staan voor wat in deze oude spelen bewaard was gebleven. Week na week werd er geoefend en er werd streng op gelet dat alles wat met deze oude spelen te maken had, overal in acht werd genomen. Het lag eigenlijk helemaal vast wat ieder pesroon op zich, moest doen. Nadat deze spelen lang waren voorbereid en het kersttijd werd, maakten degenen die door de leermeeester het wekenlang geleerd hadden, zich klaar en tegen de kersttijd trokken ze dan door het dorp, dan naar de herberg die men gekozen had om het daar op te voeren. In een eenvoudige herberg werd nu met de simpelste middelen opgevoerd wat u nu in de twee spelen gaat zien.

Es sind zwei Proben davon, wie man die Heilige Geschichte dargestellt hat.
Das erste Spiel stellt dar die Paradeis-Geschichte, die Versuchung von Adam und Eva. Das zweite Spiel stellt dar, daß Christus erscheinen wird den Hirten zu Bethlehem, und alles dasjenige, was sich daran angeschlossen hat.
Zweierlei, meine sehr verehrten Anwesenden, ist aus diesen Spielen ersichtlich.Erstens, wie tief in das Gemüt mit einer echten, ehrlichen Frömmigkeit das Christentum eingeströmt war. Und auf der anderen Seite auch, wie jede Sentimentalität dazumal noch diesen einfachen Leuten fremd war. Ein sentimentales Wesen, das immer etwas unwahr ist, irgend etwas falsch Mystisches, war durchaus nicht mit dieser echten, ehrlichen volkstümlichen Frömmigkeit irgendwie verknüpft.
Ich selber war im tiefsten Sinne hingerissen, als ich, als ganz junger Kerl, von meinem verehrten Lehrer, Karl Julius Schröer, dazumal

Het zijn twee voorbeelden van hoe men het heilige verhaal uitbeeldde.
Het eerste spel stelt het paradijsverhaal voor, de verleiding van Adam en Eva. Het tweede spel stelt voor dat Christus verschijnt aan de herders in Bethlehem en alles wat er zo bijgekomen is. 
Twee dingen, geachte aanwezigen, zijn bij deze spelen wel duidelijk.

Ten eerste, hoe diep het christendom in het gemoed met een echte, eerlijke vroomheid innerlijk was aangekomen. En aan de andere kant ook, hoe iedere vorm van sentiment dat altijd iets onwaarachtigs heeft, iets mystieks op een verkeerde manier, absoluut niet met deze echte, eerlijke volkse vroomheid hoe dan ook maar verbonden was. 
Ikzelf was zeer diep geraakt, toen ik, als heel jong ventje, door mijn vereerde leraar, Karl Julius Schröer, destijds

blz. 80

Ende der siebziger Jahre, Anfang der achtziger Jahre des vorigen Jahrhunderts, dieseWeihnachtspiele kennenlernte, und ich beschäftigte mich dann selber viel damit. Und so darf versucht werden, dasjenige vorzuführen, was meiner Ansicht nach durch, man kann sagen, Jahrhunderte in deutschen Gegenden Mitteleuropas jedesmal um die Weihnachtszeit mit einer ehrlichen, elementarischen Frömmigkeit gefeiert worden ist, was dann als treues Erbstück hinübergebracht worden ist in die damaligen deutschen Kolonien in Ungarn, so wie es in diesen alten Zeiten vorgeführt worden ist. Allerdings ganz so primitiv kann man es nicht machen. Aber so gut als möglich muß man es machen. Und wir machen es hier so, daß man durchaus eine Vorstellung davon bekommt, wie es zu Weihnachten in diesen deutschen Kolonistendörfern aussah. So – heraufholend ein Stück christlichen deutschen Volkstums – sollen diese Weihnachtspiele jetzt in einer unverfälschten Gestalt vor Sie hintreten.
Sie werden sehen, wie alles aber darauf abgestellt ist, die Darstellung zu etwas Intimem zu machen, welches das ganze Publikum – es war ja das einfache Dorfpublikum – miterlebte. Daher werden Sie sehen den Sternsinger, der auftritt, um die ganze Sache einzuleiten. Sie werden sehen, wie er in der Tat die Brücke von den Spielenden zu dem Publikum hin bildet, so daß alles einen außerordentlich gemütvollen, innigen, herzlichen Ausdruck haben kann. 

aan het eind van de jaren achttienzeventig, begin jaren tachtig, deze spelen leerde kennen en ik hield me er veel mee bezig. En zo mogen we dan proberen  op te voeren wat naar mijn mening, je kan wel zeggen, eeuwenlang in Duitse streken in Midden-Europa iedere keer rond de kersttijd met een eerlijke, basale vroomheid gevierd werd, wat als een trouw erfstuk meegebracht werd naar de Duitse koloniën in Hongarije, zoals het in die oude tijd opgevoerd werd. Maar zo primitief als men het toen deed, gaat het nu niet. Maar we moeten het zo goed mogelijk proberen. En we doen het hier zo dat je zeker een beeld krijgt van hoe het er tegen de kerst in deze Duitse kolonistendorpen uitzag.
Op deze manier – een stukje christelijk Duits volkseigen ophalend – zouden deze kerstspelen nu op een onvervalste manier voor u moeten staan.
U zal zien hoe alles er echter op gericht is, de voorstelling tot iets intiems te maken, wat het hele publiek – het waren de eenvoudige dorpstoeschouwers, beleefde. Vandaar dat u de sterrenzanger ziet die optreedt om het geheel in te leiden. U zal zien hoe hij inderdaad de brug van de spelers naar het publiek is, zodat alles een buitengewoon gemoedvolle, innige, hartelijke uitdrukking kan hebben. 

Das, was ich Ihnen sagte, was einen nur veranlassen kann, diese Überlieferungen aus altem Volkstum lieb zu haben, hat dazu geführt, daß wir gerade innerhalb unserer anthroposophischen Bewegung jedes Jahr auch das Spielen dieser alten Volksstücke zu unserer Aufgabe gemacht haben, und es nun auch dieses Jahr wiederum tun. Und dazu haben wir Sie eingeladen.
Gerade in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts ist so vieles von diesen alten Dingen verschwunden, und man muß eigentlich dankbar dafür sein, daß ein Mann, der als Gelehrter im Volkstum gelebt hat, wie Karl Julius Schröer, sich selber zu den Lehrmeistern hinbegeben hat, sich hat vorsagen lassen dasjenige, was der Lehrmeister oder diejenigen, welche Mitspieler waren, im Gedächtnis gehabt haben. Denn sie haben ihm etwas gesagt, was wirklich jahrhundertealtes, heiliges Gut ist. Und so ist es erhalten worden. Im Volkstum ist es leider heute höch

Wat ik u heb gezegd, wat voor iemand alleen maar aanleiding kan zijn om te houden van wat uit het oude volkse is overgeleverd, heeft ertoe geleid dat wij binnen de antroposofische beweging ieder jaar ook het spelen van deze oude volksstukken tot onze opdracht hebben gemaakt en het ook ieder jaar weer doen. En daarvoor hebben we u uitgenodigd.
Vooral in de tweede helft van de 19e eeuw is zoveel van deze oude dingen verdwenen en je moet er eigenlijk dankbaar voor zijn dat een man die als geleerde in dit volkse leefde, zoals Karl Julius Schröer, zelf naar de leermeesters is gegaan, zich heeft laten voorspreken wat de leermeester of wie medespeler was, zich nog wist te herinneren. Want zij hebben hem iets gezegd wat werkelijk eeuwen oud geheiligd goed was. En zo is het bewaard gebleven. Onder het volk is het tegenwoordig helaas 

blz. 81

stens in ganz vereinzelten Gegenden vorhanden, wo es auch übrigens wieder versucht wird unverfälscht zu geben. Es lebt eben ein Stück alten Volkstumes auf, wenn wir uns so in die Dinge vertiefen, wie es durch eine möglichst unverfälsche Darstellung, wie wir sie nun versuchen, geschehen kann. In diesem Sinne die Sachen anzusehen, hatten wir Sie freundlich eingeladen, dieses alte Volksgut mit uns anzusehen.

hoogstens nog bestaand in heel eenzame streken waar overigens wordt geprobeerd het onvervalst weer te geven. Zo leeft wel weer een stukje oud volkseigen op als wij ons op deze manier in de dingen verdiepen zoals dat door een zo veel mogelijk onvervalste voorstelling, zoals wij nu proberen, kan gebeuren. Wij hebben u vriendelijk uitgenodigd om er op deze manier naar te kijken, met ons te kijken naar dit oude volksgoed.

                                                             0-0-0

Im Anschluß an die beiden Aufführungen von dem «Paradeis-Spiel» und von dem «Christ-Geburt-Spiel» in Dornach am Freitag, den 14. Dezember 1923, reiste die Spielergruppe am Samstag zur Probe nach Schaffhausen, wo am Sonntag, den 16. Dezember 1923, die beiden Spiele aufgeführt wurden. Rudolf Steiner kam am Sonntag nachgefahren und hielt eine Ansprache, von der sich aber keine Nachschrift erhalten hat. Dann reiste er weiter nach Stuttgart. Marie Steiner war damals in Berlin. – In dem 1967 erschienenen Buch: Rudolf Steiner/Marie Steiner-von Sivers «Briefwechsel und Dokumente 1901-1925» schreibt Rudolf Steiner mehrmals über dieses in Vorbereitung befindliche Gastspiel.

Aansluitend op de beide opvoeringen van het Paradijsspel’ en het ‘Herdersspel’ in Dornacde twee spelen opgevoerd werden.h op vrijdag 14 december 1923, reisde de spelersgroep op zaterdag om te oefenen in Schaffhausen waar op zondag 16 december 1923. Rudolf Steiner ging er op zondag naartoe en hield een toespraak, waar geen stenoverslag van is. Daarna ging hij naar Stuttgart. Marie Steiner was toen in Berlijn. 
In het in 1967 verschenen boek ‘Rudolf Steiner/Marie Steiner-von Sivers ‘Brieven en documenten 1905-1925’, [GA 262/208] schrijft Rudolf Steiner verschillende keren over de voorbereidingen voor dit gastspel.

,

[1] GA 274
[2] GA 274

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.
2068-1940

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (74/2)

.

Het is vaak een dilemma: jij wilt ‘zus’ met je kind, maar in de wereld gaat het ‘zo’.
Veel ouders gaan bijna vanzelf mee in de stroom van ‘het alledaags geaccepteerde’.
Dat kan speelgoed zijn, mode en in deze tijd: het ‘sinterklaasjournaal’.

Iedereen kijkt ernaar, de kinderen praten erover op school en/of op straat. Het buurkind ook. En jij wilt je kind niet ‘een vreemd figuur’ laten slaan, omdat jij het niet laat kijken.

Je moet sterk staan om dat te kunnen.

Maar die sterke ouders bestaan.

InOpspattend grind’ 74/1 staat een brief van Judith de Haan, ouder en kleuterjuf.
Ze plaatste die in de Facebookgroep Vrijeschool, wat een stroom van reacties teweegbracht van ouders die durven te staan voor hun mening:

Goed geschreven! Precies de reden waarom ik met mijn zoontje er niet naar kijk! Inmiddels is hij 7, nog heerlijk gelovend maar hoort van vriendjes je vriendinnetjes dat er van alles gaande is en maakt zich dan al zorgen! Laat staan als we er naar kijken.

Daarom kijken we het hier niet ☺️ ben het helemaal met je eens.

Beste Judith, ik begrijp je als ouder erg goed. Wij kunnen gelukkig nog als ouder de keuze maken om geen intocht van sinterklaas te kijken en geen sinterklaas op tv. We bakken tijdens de intocht wel samen pepernoten en lezen veel verhaaltjes voor. Dit is voor mijn dochters al spannend genoeg. Het valt me gelukkig op dat ze op school gewoon meegaan in het spel en niet het gevoel hebben dit te missen. Dank aan een dijk van een kleuterjuf! Helaas komen we op tv teveel onverantwoorde programma’s tegen voor die we als ouder niet bij de ontwikkeling van het kind vinden passen.

Precies. Ook wij vieren een knusse sinterklaas. Met schoentjes en zekerheden

Heel waar! Het legt precies uit wat ik in mijn omgeving wel eens probeer uit te leggen. (Waarom wij niet met alle hysterie mee doen.)

Helemaal mee eens! Verhelderend en steekt ook een riem onder het hart, niet iedereen in mijn omgeving begrijpt waarom ik ervoor kies om niet deel te nemen aan alle heisa eromheen.

Heb zelf ook de KLOS gevolgd en dit artikel slaat de spijker op zijn kop.

Precies de reden dat wij dit niet kijken en niet naar een intocht gaan. Vandaag vroegen verschillende mensen aan m’n dochter van 5: Ben je bij de intocht geweest? Heb je Sinterklaas al gezien? Zij antwoord: Nee daar ben ik niet zo van. Ook daar kreeg ze hele verschillende reacties op. Maar hier geen nerveuze kleuter en we gaan hier gewoon een fijne gezellige tijd tegemoet.

Dit stuk geeft zo goed weer waarom ik mijn kinderen niet laat kijken. En dan te bedenken dat het vaak al op Sint Maarten begint, het geeft kinderen hierdoor niet eens de gelegenheid om het ene feest achter zich te laten en het andere feest te beginnen

Wat een prima stukje! ik zie in mijn omgeving dat ouders moeite doen om kinderen hier niet naar te laten kijken, ze af te leiden met mooie prentenboeken, verhalen, koekjes bakken, etc etc, maar de druk van klasgenootjes wordt steeds groter en ’t gaat ten koste van zoveel…..nou ja, jij hebt dat prima verwoord hierboven, dank!

Helemaal eens!! Mijn kleuter kijkt dan ook niet!!

Lastig. Sint en Piet zijn natuurlijk voor kinderen gewoon echt, niet een verhaal.. Dat dat hele sinterklaas gebeuren op tv een beetje too much is ben ik het met je eens.. haalt het hele gezellige en mysterieuze ervanaf..

Inderdaad: niet laten kijken is de beste optie!
Onze oudste werd vanaf 7 pas een beetje TV-proof. Hebben het heel lang op 1x per week gehouden en meestal video’s die ze goed aan kon.
Kinderen missen er niets door! In die tijd veel naar buiten geweest, geknutseld, gebakken, spelletjes gedaan. Ben benieuwd wat voor volwassenen we straks om ons heen hebben die al jong halve dagen met tv, tablet, computers doorbrengen… Om over de getoonde zaken nog maar te zwijgen!

Mij valt al jaren op dat de rode draad in het Sinterklaasjournaal steevast is dat er ‘ iets mis gaat’, dat ‘ er een probleem is’…Een ware weerspiegeling van de journalistiek in de grote mensenwereld waarin we het nog nooit zó goed hebben gehad en zo oud zijn geworden maar o, o wat is er toch allemaal mis in de wereld en wat moeten we ons zorgen maken…. Ik ben blij dat ik een jaren ’60 kind was; echt zorgeloos kind mocht zijn …!!

Precies waarom ons zoontje er niet naar mag kijken. Hij maakt zich al zo snel druk om de kleinste dingen. Dit zou echt voor heel veel stress zorgen.

en dáárom kijken mijn kinderen niet naar het sinterklaasjournaal. En daar kunnen de ouders van de kleutertjes ook voor kiezen. Die zouden mogen inzien dat het journaal helemaal niet geschrikt is voor de kleuterleeftijd.

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Opspattend grind: alle artikelen

.

2067-1939

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Paradijsspel – regie-aanwijzingen (3-6)

.

AANWIJZINGEN VOOR DE TONEELBELICHTING

In het boek            ‘Weihnachtspiele aus alten Volkstum’
                                               ‘Die Oberuferer Spiele’

staan ook aanwijzingen voor de belichting.
Deze werden door Rudolf Feuerstack die vele jaren belichter was aan het Goetheanum, voor dit boek samengesteld. 

Hij zegt:

‘De volgende belichtingsaanwijzingen berusten op wat Rudolf Steiner opmerkte bij zijn enscenering (Jan Stuten)* op het toneel in de ‘Schreinerei’ van het Goetheanum in Dornach. De belichting toen werd gedaan door Ehrenfried Pfeifer die ze ook optekende. Deze aanwijzingen moeten alleen als aanzet beschouwd worden, voor het praktisch gebruik op andere tonelen zal men een eigen belichting moeten vinden. Ons lijkt het wezenlijk dat het hierbij gaat om een zeer bescheiden, geen ingewikkelde verbeeldende belichting

Voor het Paradijsspel zijn dat er maar een paar:

Voetlicht en bovenlicht: wit, rood

Alles wit rood

Adam bijt in de appel en gooit deze weg:
wit en rood sterk terug tot op een kwart
Regie-aanwijzingen

De komanij zingt: ‘O heilige drievuldigheid’
wit en rood weer vol
Regie-aanwijzingen

.
*Jan Stuten leidde na Rudolf Steiners dood de opvoeringen in Dornach.
.

Kerstspelen: alle artikelen

.

2066-1938

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de Kerstspelen uit Oberufer (10)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 22-12-1920

blz. 70

Wie seit vielen Jahren wollen wir auch diesmal Ihnen ein Weihnachtspiel vorführen, ein Volksspiel, welches in eine dramatisch-politische Zeit des Volkes zurückführt, ein Spiel, das gepflegt worden ist, lange bevor die moderne Arbeit der Bühne und des Bühnenspiels innerhalb Europas, des neueren Europa überhaupt, aufgekommen ist.
Die Spiele, die bei uns hier vorgeführt werden – das Adam und Eva-Spiel, welches gestern dargestellt worden ist und in den nächsten Tagen wiederum dargestellt werden wird, und das heutige Spiel, das Christ-Geburt-Spiel, und das Spiel, das ebenfalls in den nächsten Tagen vorgeführt werden wird, das Dreikönig-Spiel – diese Spiele lernte ich vor jetzt fast vierzig Jahren durch meinen längst verstorbenen Freund und Lehrer, Schröer, kennen. Karl Julius Schröer war eine Persönlichkeit, die in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts ganz besondere Verdienste gehabt hat um die Erkenntnis jener deutschen Dialekte, welche namentlich den deutschen Kolonisten angehören, die einmal – wahrscheinlich schon im 16. Jahrhundert, gewiß aber im 17. Jahrhundert – aus Gegenden, die uns hier gar nicht so ferne liegen, aus Süddeutschland und vielleicht der Nordschweiz nach dem Osten hin ausgewandert sind; deutsche Kolonisten, die sich sowohl in West

Toespraak Dornach 24 december 1922

Zoals al sinds vele jaren willen wij ook deze keer voor u een kerstspel opvoeren, een volksspel dat teruggaat tot een politiek dramatische tijd van het volk, een spel dat in ere werd gehouden lang voor het moderne toneelwerk en toneelspel binnen Europa, het nieuwe Europa, opgekomen is.
De spelen die hier bij ons opgevoerd worden – het Adam- en Evaspel dat gisteren* opgevoerd werd en de komende dagen weer opgevoerd zal worden en het spel van vandaag, het Christus-geboortespel en het spel dat eveneens de komende dagen opgevoerd zal worden, het Driekoningenspel – deze spelen leerde ik bijna veertig jaar geleden kennen door mijn al lang geleden gestorven vriend en leraar, Schröer. Karl Julius Schröer was een persoonlijkheid die in de tweede helft van de 19e eeuw zich bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt voor de kennis van die Duitse dialeicten die met name horen bij de Duitse kolonisten die eens – waarschijnlijk al in de 16 eeuw, maar zeker in de 17e – vanuit streken die hier niet eens zo ver vandaag liggen, uit Zuid-Duitsland en wellicht Noord-Zwitserland naar het oosten getrokken zijn; Duitse kolonisten die zich zowel in West-Hongarije

*Op 23 december 1922 vonden er ’s middags om 5u rn 6.30u twee opvoeringen plaats van het Paradijsspel, waarvan geen schriftelijke aantekeningen zijn.

blz. 71

ungarn niederließen, im nördlichen und im südlichen Westungarn, dann auch in Nordungarn, südwärts der Karpaten und in anderen Gegenden Ungarns.
Karl Julius Schröer hat alle diese Gegenden bereist und in mannigfaltigster Weise die verschiedenen dialektischen Sprachen studiert. Es war so, daß dieses Wesen des Volkes schon dazumal eigentlich in der Abenddämmerung war; andere Völkerschaften nahmen diese Volkstümer auf, absorbierten sie. Es sind außerordentlich interessante und schöne Bücher, die zwar im Gewande des Wörterbuches auftraten, die aber dennoch außerordentlich interessant für denjenigen sind, der sich damit beschäftigen will, in denen Schröer die Sprache bearbeitet, die, wie gesagt, in uns nicht ferne liegenden westdeutschen Gegenden aufgekommen ist und dann durch Kolonisten nach dem Osten bis nach der Donau und den Karpaten also hineingetragen worden ist.
Unter diesen Leuten, in den fünfziger Jahren des vorigen Jahrhunderts, fand Karl Julius Schröer diese Weihnachtspiele, die wir hier aufführen; er hat sie dort kennengelernt. Diese Weihnachtspiele sind wohl entstanden im 16. Jahrhundert oder noch früher unter den Leuten, noch als sie mehr im westlichen Deutschland gelebt haben, bis zum Rhein hinüber. Das können wir noch aus gewissen Sätzen in den Stücken selber entnehmen. 

vestigden, in het noorden en zuiden van West-Hongarije, als ook in Noord-Hongarije, ten zuiden van de Karpaten en in andere streken van Hongarije. Karl Julius Schröer is door al die streken gereisd en heeft op heel veel manieren de verschillende dialecttalen bestudeerd. Het was zo, dat dit kenmerkende van het volk toen eigenlijk al in z’n nadagen verkeerde; andere volksgroepen namen dit volkseigene in zich op, absorbeerden het. Het zijn buitengewoon interessante en mooie boeken, die weliswaar in de vorm van een woordenboek verschenen, maar toch buitengewoon interessant voor de mensen die zich daarmee willen bezighouden, waarin Schröer de taal bewerkt die, zoals gezegd ontstaan is in streken die niet ver van ons vandaan liggen, West-Duitse streken en dan door kolonisten naar het oosten is gebracht tot aan de Donau en de Karpaten dus.
Onder deze mensen, in de jaren vijftig van de 19e eeuw, vond Karl Julius Schröer deze Kerstspelen die wij hier opvoeren; hij heeft die daar leren kennen. Deze Kerstspelen zijn wellicht ontstaan in de 16e eeuw of nog eerder, onder mensen die toen nog meer in het westen van Duitsland woonden, tot over de Rijn. Dat kunnen we nog horen aan bepaalde zinnen in de stukken zelf.

Sie sind dann, als sie auswandern mußten, von den Menschen mitgenommen worden und wurden immer wieder und wiederum alljährlich im Kolonistenlande, in Ungarn, aufgeführt. Unter dem Stand der sogenannten Haidbauern, welche in der Nähe von Preßburg, einer heutigen tschechoslowakischen Gegend, ihren ursprünglichen Duktus vom alten Volkstum her, lange bewahrt haben, wurden die hier aufgeführten, wieder aufgeführten Spiele eben jedes Jahr dort volkstümlich aufgeführt, aufgeführt in demjenigen Dialekt, den sich diese Leute vom Westen nach dem Osten hingetragen haben. Diese Volksspiele sind gerade innerhalb dieses Kolonistenvolkes in einer echteren alten Gestalt erhalten geblieben, als sie in anderen Gegenden, wo auch ähnliche Spiele gespielt wurden, erhalten worden sind. Denn diejenigen, die sich von dem Stamme ihres Volkstums getrennt haben, in die Fremde gezogen sind, haben solche Dinge wirklich als ein heiliges Gut bewahrt. Bei den armen Leuten – denn das waren

Die zijn dan, toen de mensen zich moesten verspreiden, door hen meegenomen en ze werden steeds weer ieder jaar in de kolonistenstreken, in Hongarije, opgevoerd. Onder de groep van de zogenaamde ‘haid’boeren in de buurt van Pressburg, tegenwoordig een Tsjecho-Slowaakse streek, werden de spelen die híer opgevoerd worden, lang in hun oorspronkelijke opzet vanuit het oude volkse, bewaard, ook ieder jaar op een volkse manier opgevoerd, in het dialect dat deze mensen meegebracht hadden van het westen naar oosten. Deze volksspelen zijn juist binnen dit kolonistenvolk in een echtere oude vorm bewaard gebleven dan in andere streken waar ook dergelijke spelen gespeeld werden. Want degenen die zich afsplitsten van de stam van hun volk en naar de vreemde getrokken zijn, hebben die dingen werkelijk als een heilig goed bewaard. Bij de arme lieden – want dat waren

blz. 72

sie wirklich – von Oberufer zum Beispiel und den benachbarten Gegenden auf der ungarischen Donau-Insel Schütt war es so, daß in einer besonders angesehenen Familie Abschriften dieser Spiele vom Vater auf den Sohn und von diesem auf den Enkel immer wiederum übergingen. Derjenige, welcher diese Spiele bewahren durfte, war in der Regel auch derjenige, welcher die Art und Weise, wie man sie spielte, in mündlicher Überlieferung von seinen Vorfahren erhalten hatte. Er war der sogenannte Lehrmeister. Er versammelte vielleicht mit einem Gehilfen im Herbste, wenn die Weinlese vorüber war, diejenigen Burschen des Ortes, die er für geeignet hielt, die Spiele aufzuführen. Nur Burschen wurden dazu verwendet; ein Gebrauch, den wir nicht nachmachen können. Diesen Burschen wurde Ernstliches auferlegt in dieser Zeit. Vor allen Dingen mußten sie einen außerordentlichen, sittlichen Lebenswandel führen, mußten friedfertig mit den übrigen Dorfbewohnern in der ganzen Zeit von der Weinlese bis zum Advent leben. Dann erst wurden sie für würdig gehalten, wirklich mitzutun bei demjenigen, was dann vom Advent bis zum Heiligen Dreikönigs-Tag an solchen Spielen aufgeführt worden ist.
In solchen Spielen drückte das Volk dasjenige aus, was für seine Anschauung, für seinen ästhetischen Genuß, möchte ich sagen, das Richtige war.

ze echt – van Oberufer bv. en de streken daaraan grenzend op het Hongaarse Donau-eiland Schütt was het zo, dat in een familie met een bijzonder aanzien overgeschreven stukken van deze spelen steeds van vader op zoon en van deze op de kleinzoon weer overgingen. Wie deze spelen mocht bewaren, was als regel ook degene die de manier waarop werd gespeeld mondeling van zijn voorouders meegekregen had. Hij was de zgn. leermeester. Hij verzamelde wellicht met hulp in de herfst, wanneer de druivenpluk voorbij was, die jongens uit de plaats die hij voor geschikt hield de spelen op te voeren. Het ging alleen om jongens; een gebruik dat wij niet kunnen overnemen. Deze jongens kregen de plicht zich deze tijd ernstig aan bepaalde regels te houden. Boven alles moesten ze een buitengewoon moreel netjes leven leiden, in harmonie leven met de overige dorpsbewoners, de hele tijd na de druivenpluk tot aan advent. Dan werden ze waardig bevonden om echt mee te kunnen doen met wat dan vanaf advent tot de heilige Driekoningendag aan dergelijke spelen opgevoerd werd.
In dit soort spelen drukte het volk uit wat in zijn opvatting, in zijn esthetisch genieten, zou ik willen zeggen, het juiste was.

Aber diese Spiele waren zu gleicher Zeit – ihre Stoffe sind ja den wichtigsten, für das Volk wichtigsten Partien der biblischen Geschichte entnommen – dem Volke ein Ausdruck seiner innigsten Frömmigkeit. Daher durften zum Beispiel auch in der ganzen Zeit, in der geübt wurde für diese Spiele, in dem Dorfe keine Musik aufgeführt werden, die eine andere gewesen wäre als die, die zu den Spielen gehörte. Und es ist uns überliefert, daß, als einmal einzelne Spielleute in ein Dorf kamen – sie sind mit ihren Spielen in die verschiedenen Dörfer herumgezogen-, man ihnen zu Ehren die Dorfmusik hat aufspielen lassen. Da sagten sie ganz entrüstet: Hält man uns denn für Komödianten, daß man uns mit dieser Musik kränkt? – Sie betrachteten das als etwas durchaus Ernstes, was in der Aufführung solcher Spiele lag.
Dann, wenn die Adventszeit und später die Weihnachtszeit herangekommen war, wurden diese Spiele in einem Wirtshause aufgeführt. Die Leute aber trugen tatsächlich ihr frommes, echt frommes

Maar deze spelen waren tegelijkertijd – de onderwerpen zijn de voor het volk belangrijkste stukken uit de Bijbelse geschiedenis – voor het volk een uitdrukking van de meest innige vroomheid. Vandaar dat bv. de hele tijd dat er voor deze spelen geoefend werd, in het dorp geen muziek ten gehore mocht worden gebracht, anders dan die tot de spelen behoorde. Overgeleverd is ons dat toen er eens een paar spelers in een dorp kwamen – zij zijn met hun spelen naar verschillende dorpen getrokken – men om hen eer te bewijzen dorpsmuziek had laten spelen. Toen zeiden ze heel  geschokt: houdt men ons dan voor komedianten om ons met deze muziek te beledigen? Ze beschouwden de uitvoering van deze spelen als iets heel serieus.
Als het dan advent en later kerst was geworden, werden de spelen in een herberg opgevoerd. Die mensen hadden een echt vroom gemoed, droegen een heilige stemming

Gemüt, ihre heilige Stimmung, möchte ich sagen, in dieses Wirtshaus hinein. Diese Spiele tragen echt volkstümlichen Charakter schon dadurch in sich, daß sie erstens in der ganzen breiten Entwickelung des europäischen Spielwesens darinnen stehen. Man sieht das in den Nachwirkungen der Bilder, denn solche sind es, die immer wiederum eingestreut sind in die Handlung der Spiele. Man sieht, wie sich die Spieltradition aus dem alten Griechenland bis in diese einfachen Volksspiele hinein fortgesetzt hat.Aber etwas anderes ist noch viel, viel wichtiger. Es ist dieses, daß eingestreut sind immer zwischen die zarteste, echte Frömmigkeit atmende Stimmung derbe Volksszenen mit robusten Späßen. Das ist gerade das Eigentümliche, das in diesen Stücken zum Beispiel neben der außerordentlich zart gezeichneten, in wunderbar frommer Verehrung gekennzeichneten Gestalt der Jungfrau Maria hingestellt ist der etwas tölpische Joseph. Es wurde auch nicht gerade besonders zart dargestellt in der Szene, wo neben das Ergreifende, zum Beispiel wo die Hirten dem Jesus-Kinde opfern, hingestellt ist, neben diese fromme, heilige Szene dasjenige, was die Hirten auf dem Felde an lustigen Späßen untereinander austauschen und so weiter. Gerade das zeigt

met zich mee wanneer ze zo’n herberg binnengingen.
Deze spelen hebben een echt volks karakter alleen al doordat ze in de eerste plaats een plek innemen in de heel brede ontwikkeling van wat er in Europa aan spelen was. Je merkt dat aan de nawerking van de beelden, want die zijn zodanig dat ze steeds weer in de handeling van de spelen opgenomen zijn. Je ziet hoe de speltraditie uit het oude Griekenland verder gegaan is in deze eenvoudige volksspelen. Maar er is iets wat nog veel belangrijker is. Dat is dat er steeds tussen de tederste, echte vroomheid ademende stemming lompe volkscènes met ruwe grappen zitten. Dat is nu juist het bijzondere dat in deze stukken bv. naast wat buitengewoon teer gebracht wordt, de wonderbaarlijk vrome verering in de gestalte van de jonkvrouw Maria, de wel wat lomp optredende Jozef staat. En net zo bijzonder behoedzaam werd de scène, naast de aangrijpende van bv. de herders die het kindje Jezus hun geschenken brengen, opgevoerd, naast deze vrome scène, die van de herders op het veld met hun vrolijke grappen over en weer, enz. Juist dat laat ons echter zien,

uns aber, wie diejenigen, deren Namen nicht erhalten sind, die aus echter Volksempfindung heraus diese Spiele gemacht haben, die wahre, ehrliche Frömmigkeit des Volkes kannten, die niemals sentimental wurde. Gerade dann war sie ehrlich, wenn sie nicht in die unehrliche Sentimentalität verfiel, wenn daneben vertragen werden konnte zugleich das Lachen und die derben Späße. Und in schöner Weise haben diejenigen, die solche Spiele gestaltet haben, herauszuformen gewußt aus dem derben Volksspaß dasjenige, was in einer zarten, frommen Verehrung, möchte ich sagen, himmelwärts dringen will.
Wie gesagt, Karl Julius Schröer hat in den fünfziger Jahren diese Spiele noch selbst von den Bauern der Haiddörfer aufführen sehen. Dazumal war es, gerade auch um die Weihnachtszeit, daß ich von ihm hörte von diesen Volksspielen. Er sprach mit einer ungeheuren inneren Hingabe, denn er liebte alles dasjenige, was volkstümlich war, und in seinen Worten lag selber etwas von einem Abglanz der Weihe, welche von den Bauern mit diesen Stücken verbunden wurde.

dat degenen van wie we geen namen hebben, die uit een echt volksbeleven deze spelen uitgevoerd hebben, de echte, eerlijke vroomheid van het volk kenden, die nooit sentimenteel werd. Juist dan was het eerlijk als ze niet verviel tot een oneerlijke sentiment, wanneer daarnaast het lachen en de ruwe grappen verdragen konden worden.  En op een mooie manier hebben zij, die dergelijke spelen uitgevoerd hebben, uit de ruwe volkshumor weten te vormen wat in een tedere, vrome verering, zou ik willen zeggen, naar de hemel wil opstijgen. Zoals gezegd, Karl Julius Schröer heeft in de jaren vijftig deze spelen nog zelfs door de boeren van de haiddorpen op zien voeren. Het was toen ook juist rond Kerstmis dat ik van hem over deze volksspelen hoorde. Hij sprak er met een ongekende toewijding over, want hij hield van alles wat volkseigen was en in zijn woorden lag zelf iets van de afspiegeling van deze eerbied die door de boeren met deze spelen werd verbonden.

blz. 74

Er übergab mir dann das Büchelchen, in dem er in den sechziger Jahren diese Stücke verfolgt hat, und ich konnte mit ihm nachher noch manches Gespräch führen, in dem er aufmerksam darauf machte, in welcher Weise der Dialekt gehandhabt wurde, in welcher Weise die Sprache geformt wurde in bäuerlich künstlerischer Weise, kann man schon sagen. So konnten wir über Gebärden, über die ganze Gestaltung des Stückes sprechen. Es war schon eine Offenbarung echten Volkstumes; sie wuchs mir dazumal wirklich recht gründlich ans Herz. Und als wir in der Lage waren, innerhalb der Anthroposophischen Gesellschaft nun schon vor vielen Jahren solches aufzuführen, war es vor allen Dingen mein Bestreben, zur Weihnachtszeit immer diese Stücke aufzuführen, soweit das bei den verwendeten Mitteln, die man für ein Bühnenmäßiges hatte, selbstverständlich möglich war, so daß ein Bild gegeben wird dessen, was das Volk in alten Zeiten vor sich hatte, und was es in gewissen Gegenden bis vor kurzer Zeit noch bewahrt hat.
Jetzt sind wohl diese Spiele zum großen Teil verlorengegangen. Wir durften selbst während der Kriegszeit die Spiele aufführen. Freunde von uns durften sie in den Lazaretten aufführen und während des furchtbaren Krieges die Kranken erfreuen und befriedigen mit diesen Spielen. 

Hij gaf mij toen het boekje waarin hij in de jaren zestig deze stukken opgeschreven had en ik kon er daarna met hem nog vaak over spreken, waarbij hij erop wees, hoe het dialect gebruikt werd, hoe de taal gevormd werd op een boerse, kunstzinnige manier, zou je kunnen zeggen. Zo konden wij over gebaren, over de hele uitvoering van het stuk spreken. Het was al met al een openbaring van het echte volkse, ik heb ze toen werkelijk in mijn hart gesloten. En toen we in de gelegeneid kwamen binnen de antroposofische vereniging, nu al weer vele jaren geleden zoiets uit te voeren, was het vooral mijn streven om altijd tegen de kersttijd deze stukken op te voeren, vanzelfsprekend in zoverre dat met de middelen die we konden gebruiken, die we voor toneelspelen hadden, mogelijk was, zodat we een beeld kunnen geven wat het volk in oude tijden zag en wat tot voor kort nog in bepaalde streken werd bewaard.
Nu zijn die spelen wel voor een groot gedeelte verloren gegaan. Wij mochten zelfs gedurende de oorlog deze spelen opvoeren. Vrienden van ons mochten dat in de lazaretten en tijdens die vreselijke oorlog, de zieken met deze spelen wat vreugde geven, iets wat gelukkiger maakt.

Auch in Dornach spielen wir sie hier nun seit Jahren und versuchen es auch in diesem Jahre wiederum so, daß dadurch wirklich ein Bild entsteht zu gleicher Zeit von dem religiösen Gehalte und von dem volkstümlich-künstlerischen Streben.
Dasjenige, was Inhalt der Aufführungen ist, meine sehr verehrten Anwesenden, ist so überliefert, wie es immer vom Vater auf den Sohn und Enkel übergegangen ist, und wie es dann Karl Julius Schröer nach seinem Eindrucke beim Hören aufgezeichnet hat, wie er es aufgezeichnet hat nach dem, was ihm die Mitspielenden sagten. Nur in einem Falle habe ich mir erlaubt, ein in der Überlieferung nicht Vorhandenes hinzuzufügen. Sie konnten es gestern schon sehen beim Paradeis-Spiel, werden es dann sehen, wenn das Paradeis-Spiel wiederum aufgeführt wird, aber ich bin fest davon überzeugt, daß dieses Stück vorhanden war, und es kann sich nur darum handeln, den Geist, der dazumal im Volke lebte, wiederum lebendig werden zu lassen, so daß

Ook in Dornach spelen we ze nu al sinds jaren en we proberen het ook dit jaar weer zo dat daardoor werkelijk een beeld ontstaat van én de religieuze inhoud als ook van wat we volks-kunstzinnig nastreven.
De inhoud, zeer geachte aanwezigen, is zo doorgegeven dat het steeds van vader op zoon op kleinzoon overgegaan is en zoals Karl Julius Schröer het naar zijn indruk bij het luisteren opgetekend heeft, en naar wat de spelers tegen hem zeiden. Slechts in één geval ben ik zo vrij geweest, iets toe te voegen aan er wat in de overlevering niet bij zat. U hebt het gisteren al bij het Paradijsspel kunnen zien, en zal het zien wanneer het Paradijsspel weer opgevoerd wordt, maar ik ben er vast van overtuigd dat dit stuk erbij heeft gezeten en het kan er alleen maar om gaan de geest die toen in het volk leefde, opnieuw levend te laten worden, zodat

blz. 75

schon eine Überlieferung, die eben zu der Zeit da war, die schon einmal vorhanden war, ich möchte sagen, schwarz auf weiß vorhanden gewesen ist und nur verlorengegangen ist, daß die nun ‘bühnenmäßig notwendig geworden ist. Wir versuchen durch die Aufführung dieser Spiele ein echtes Bild von dem zu geben, was in vielen Gegenden als Volkstum im 16. Jahrhundert bis zum 11. Jahrhundert zurück- gelebt hat und was am treuesten die armen Leute bewahrt  haben, die dazumal gerade im Untergang ihres Volkstums lebten, welches Volkstum Karl Julius Schröer bewahren wollte, indem er es aufzeichnete in Wörterbüchern, sprachdramatischen Büchern, und indem er es uns gerade erhalten hat in diesen Weihnachtspielen.
Es sind viele dieser Weihnachtspiele auch von anderen dann gesammelt worden, aber mir scheint doch, daß diese Spiele der Haidbauern diejenigen sind, wo dasjenige, was da einmal im Spätmittelalter war, am reinsten bewahrt worden ist.

dus een overlevering die er toen bij zat, waarover je kon beschikken, ik zou willen zeggen, zwart op wit aanwezig was, en nu verloren is gegaan, dat die nu toneeltechnisch noodzakelijk is geworden. Wij proberen door de opvoering van deze spelen een echt beeld te geven van wat in vele streken als volkseigen in de 16e eeuw – tot in de 11e eeuw terug, leefde en wat de arme lieden zo trouw bewaard hebben die toen al leefden in wat van het volkse zou verdwijnen, wat Karl Julius Schröer wilde bewaren toen hij het optekende in woordenboeken, taal-dramatische boeken en wat hij met name voor ons bewaard heeft met deze Kerstspelen. Door anderen zijn er nog veel van deze kerstspelen verzameld, maar het lijkt mij toch dat deze spelen van de haidboeren zo zijn als toen ze in de late middeleeuwen zo puur mogelijk bewaard gebleven zijn.

.

[1] GA 274.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2065-1937

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (74/1)

.

Tv blijkt in ons leven nog erg dominant te zijn: als ‘het’ erop komt, betekent het wat; is het belangrijk en ‘je moet het gezien hebben, anders tel je niet mee’.

Al sinds jaar en dag bestaat het ‘sinterklaasjournaal’, avonturen die Sint en zijn Pieten beleven alvorens het dan toch weer 5 december wordt.

Er kijken veel kinderen naar en op die manier worden Sint en Piet DE Sint en Piet.

Op de vrijescholen wordt al sinds jaar en dag Sinterklaas gevierd, met daarbij bijzondere gezichtspunten, zoals die o.a. zijn te vinden in deze reeks artikelen.
Die stroken heel vaak niet met ‘Het Journaal’.

Voor veel vrijeschoolouders een dilemma.

Dat wordt door een ouder/kleuterjuf, Judith de Haan, verwoord in een brief aan de NOS:

Beste makers van het Sinterklaasjournaal,

Lang geleden was er eens in Nederland een opleiding speciaal voor kleuterleidsters. De KLOS genaamd. Ik volgde die opleiding in het begin van de jaren tachtig.
Ik leerde over de specifieke ontwikkelingsfase van de kleuter en de activiteiten die hierbij passen. Ik leerde over het belang van ritme en herhaling en ik leerde dat verhalen altijd goed moeten aflopen zodat kleuters vol vertrouwen kunnen gaan slapen.
Ik leerde ook dat er een werkelijke wereld en een fantasiewereld bestaat.
Met heel veel plezier werk ik nog steeds in een kleutergroep. Ik heb veel
onderwijsvernieuwingen de revue zien passeren. De basis die ik ooit op die opleiding voor kleuterleidsters kreeg ervaar ik echter als nog altijd actueel en waar.
Juist in een tijd waarin jonge kinderen zo veel input krijgen blijven ritme en herhaling belangrijk. Zo kan een kind zich spelend verbinden met de wereld om hem heen. Het geeft een kleuter houvast om te weten dat de tekenspullen altijd op die plank in die kast staan. Wat fijn om al te weten hoe een liedje of verhaaltje afloopt, herhalen geeft rust.
Kleuters leven in het NU, zij kunnen nog niet overzien wat 4 weken later is.
In de fantasiewereld van een kleuter is een scheiding tussen ‘net als of’ en ‘echt’. Dat kleuters dat verschil maken kenmerkt gezond spel.
Het sinterklaasjournaal maakt die scheiding tussen ‘net als of’ en ‘echt’ niet. Alleen de naam journaal al doet vermoeden dat het om een serieus programma gaat, niet om een fantasieverhaal.
Waarom mogen de figuren Sint-Nicolaas en Piet niet meer in de wereld van de fantasie blijven?
En waarom loopt de verhaallijn niet iedere dag goed af zodat kleuters met een gerust hart kunnen gaan slapen?
Ik vind het te vergelijken met het vertellen van een sprookje, je stopt het verhaal toch ook niet als Hans van Grietje is opgesloten door de heks. “morgen vertel ik verder” en je wenst je kind welterusten.
Jaar in jaar uit zijn er kinderen in mijn kleutergroep die zich oprecht zorgen maken of alles wel goed komt met Sint-Nicolaas. Komt het grote boek wel op tijd boven water, vinden de wegwijspieten de weg wel, zal pakjesavond wel doorgaan?
Het valt mij op dat er vaak gebruik gemaakt wordt van een cliffhanger aan het einde van een uitzending van het Sinterklaasjournaal, ‘ben benieuwd of de Pieten alle verlanglijstjes gaan ophalen vannacht, morgen horen jullie hier meer over’.
Een prima truc voor soaps als GTST, maar niet passend bij een doelgroep van jonge kinderen.

Als kinderen 5 jaar zijn is hun fantasie vaak op een hoogtepunt.
Ik vind het prachtig dat kleuters van houten groentekisten, een plank en een lap een huis, een bed of een boot bouwen, wat een beweeglijkheid in het denken en voorstellen op die leeftijd! De andere kant hiervan is dat kinderen van 5 jaar ’s avonds ook opeens bang kunnen zijn, die schaduw op de muur was er overdag nog niet, zou het misschien een reus zijn?
Menig ouder zal dit verschijnsel herkennen, opeens vraagt een kind toch om een klein lampje aan te laten.
Ik zou de naam van het programma veranderen. Geen sinterklaasjournaal, maar
Dieuwertje en het Sinterklaasfeest.
Het valt mij op dat jonge kinderen graag kijken naar wat andere kinderen doen.
Ik zou voor iedere aflevering een filmpje maken waarbij jij, Dieuwertje, iets knutselt, tekent, timmert of bakt samen met kinderen. Kinderen die zingen, dansen, gymmen en muziek maken. Alles in het teken van Sinterklaas, maar als persoon heb je dan geen contact met Sinterklaas en de Pieten.
Als Sinterklaas en de Pieten dan in beeld komen is het als in een verhaal, dat losstaat van de werkelijke wereld. En iedere dag loopt dat verhaaltje goed af.
Want kleuters en zorgen over een feest? zijn een onnodige combinatie!

Met vriendelijke groeten,
Judith de Haan.

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Sint-Nicolaas   jaartafel

Jaarfeesten: alle artikelen

.

2064-1936

.

.

.

.

.