VRIJESCHOOL – Toets (5)

.

Het toetsen van kinderen kent in het Nederlands onderwijs al een aardig lange historie.
En de opvatting dat het vanzelfsprekend is dat de Staat veel van de inhoud van het onderwijs regelt en voorschrift is nog veel ouder.

Vandaar dat er van tijd tot tijd weer nieuwe plannen, ideeën worden aangedragen door bewindslieden die, pas aan de macht, natuurlijk aan de weg willen timmeren (nodig of niet).
Zo kwam minister Hermans met het onzalige idee van tests voor kleuters.
.

Gaby van der Mee in Het Onderwijsblad van de Aob 21-04-2001
.

Kleutertest Hermans zaait verwarring
.

Heeft jantje van zijn 5 een 8 gemaakt?
.

Kleuters worden al jaren aan het begin van hun schoolcarrière getest. Het hoort bij het leerlingvolgsysteem en ze vinden het leuk. In Den Haag is de test zelfs verplicht. De minister wil ook testen, vooral om te kijken of een school wel zijn best heeft gedaan. Is van de 5 van Jantje een 8 gemaakt? “Verwerpelijk”, zegt de Haagse schoolbegeleider. “Moeilijk uitvoerbaar”, meent de medewerker van het Cito.

De woorden test voor kleuters zijn nog niet gevallen of de spraakverwarring stijgt tot grote hoogte. ‘Bij ons komt een test de deur niet in’, roept de directeur van een basisschool ferm.

Maar een collega met louter allochtone leerlingen zou nu juist wel graag zo’n toets willen, want dan kan hij zien welke vorderingen er gemaakt zijn.

De aanstichter van de verwarring, minister Hermans, liet in de Volkskrant van 5 april weten dat een begintoets voor alle kleuters wel handig zou zijn, dan kan bij de eindtoets vastgesteld worden of de school vooruitgang heeft geboekt met de leerling. Wanneer een school veel ‘toegevoegde waarde’ levert, kan hij in aanmerking komen voor een bonus. Uitgangspunt van Hermans’ nieuwe systeem is een grotere autonomie voor scholen: binnen een stelsel van globale leerstandaarden en toetsen mogen ze zelf uitmaken welke methoden of welke pedagogie ze verkiezen.

In 1995 wilde de toenmalige staatssecretaris Netelenbos de kleutertest gebruiken voor een effectievere inzet van de achterstandsgelden. De
commissie-Kohnstamm bracht een jaar later een negatief advies uit (‘Zo onvoorspelbaar als het leven zelf’, 5 december 1996) en Netelenbos liet het idee varen. De belangrijkste bezwaren van de commissie waren dat aan de hand van een test geen betrouwbare voorspellingen te doen zijn. Bovendien was het onduidelijk wat de minimumeisen zijn waaraan de leerlingen afgemeten kunnen worden. Het heeft alleen zin om nieuwe tests te ontwikkelen, schreef de commissie, als eerst duidelijk wordt wat een voldoende en wat een onvoldoende niveau is.

Verplicht

Hermans pakt toch het oude idee weer op. Volgens zijn woordvoerder is de ‘insteek’ nu echter heel anders. De test moet passen in een kwaliteitssysteem waarin tussendoelen zijn uitgewerkt. Er komen leerstandaarden op hoofdlijnen die voor ouders makkelijk te herkennen en te controleren zijn.

Voor de Haagse basisscholen is een aanvangstest voor kleuters verplicht. “Ze vinden het hartstikke leuk”, vertelt Maaike Arentsen, werkzaam bij het Haags Centrum voor onderwijsbegeleiding. In groepjes worden begrippen als dag en nacht, voorste en laatste getest. Een paar maanden later wordt de toets herhaald. Scholen kunnen zelf kiezen welke toets gehanteerd wordt. Die kan van het Cito zijn, maar ook binnen een methode passen. Bedoeling van het testen is dat door een leerlingvolgsysteem duidelijk wordt hoe het met een leerling gaat. Maaike Arentsen: “Wat Hermans wil is iets heel anders. Hij wil scholen afrekenen op zo’n test. Ik denk dat dat veel ingewikkelder is. De tests zijn nu maar een deeltje van een groter geheel, ze passen in een observatiesysteem. Wij gebruiken daarnaast ook kindertekeningen, je kunt ook bekijken wat voor spelvorm een kind hanteert. Zodra je individuele tests gaat hanteren, wordt het iets heel anders. Want wat test je? Wanneer je een intelligentie-indicatie wilt hebben, zul je een aantal ontwikkelingsgebieden moeten testen. Dat is behoorlijk ingewikkeld.” Bovendien heeft Arentsen bezwaar tegen het plan om de kwaliteit van scholen af te meten aan de vooruitgang van individuele leerlingen: “Er zijn zoveel andere factoren die daarbij een rol spelen. De thuissituatie kan bijvoorbeeld opeens heel slecht zijn waardoor een leerling slechter presteert. Het hoeft niet altijd uitsluitend aan de school te liggen.”

Johan Wijnstra, werkzaam bij het Cito, houdt zich al jaren bezig met de Cito-toets voor groep acht en maakte deel uit van de commissie-Kohnstamm. Het negatieve advies van de commissie over de kleutertest geldt volgens hem niet voor de test die Hermans wil. “Je hoeft niet te voorspellen wat een kind gaat doen, maar brengt in kaart welke positieve of negatieve veranderingen er zijn ontstaan.” Wijnstra is het eens met Hermans dat alleen de eindgegevens van de Cito-toets onvoldoende zijn om de kwaliteit van een school aan af te meten. ‘Aan de andere kant is de ingangsmeting die Hermans voor alle kleuters van alle scholen wil, behoorlijk lastig in te voeren. Je moet weten wat relevant is om te testen. Het is trouwens de vraag of de politiek hiermee akkoord gaat.” De tussenliggende variant, testen als onderdeel van het leerlingvolgsysteem, werkt volgens Wijnstra prima: “Maar dat is niet centraal geregeld, dat is puur voor gebruik binnen de school.”

Het argument van Hermans dat de kleutertest nodig is om de school autonomer te maken, werkt op Wijnstra’s lachspieren. “Dat klinkt nogal paradoxaal: roepen om meer autonomie maar intussen je greep vergroten met steeds meer tests.”

In Europa spant Engeland de kroon als het gaat om testen en toetsen. Volgens Wijnstra is dat nu iets minder aan het worden door het protest van het personeel, maar vooralsnog wordt daar getoetst op de leeftijd van zeven, elf, veertien en zestien jaar.

Verrast

Emeritus hoogleraar Wynand Wijnen was wat verrast toen hij las dat de minister binnenkort met een plan komt waarin de leerstandaarden op hoofdlijnen worden aangegeven. Vorig jaar kreeg Wijnen van staatssecretaris Adelmund de opdracht om de leerstandaarden te bekijken zoals de Onderwijsraad die voorstelt. Het idee moet tegen de huidige kerndoelen van het basisonderwijs afgezet worden. Wijnen: “Ik heb nog wat navraag gedaan, maar niemand weet wat Hermans precies bedoelt.” Of zijn advies dat van Hermans gaat bijten, weet hij daarom nog niet. Ook Wijnen denkt dat het beoordelen van de kwaliteit van een school aan de hand van de individuele toetsen van leerlingen slecht werkt. “Ik ben bang dat het leerproces zo niet in elkaar zit. Instrumenten om de vooruitgang van leerlingen te testen zijn prima, maar die moeten dan binnen het pedagogische klimaat van een school passen. Het voorstel van Hermans vergt een hele absolute normering, de goegemeente zal hier, denk ik, niet makkelijk mee akkoord gaan.” Volgens Wijnen is het heel goed mogelijk om door middel van visitatie de kwaliteit van scholen vast te stellen, als er intern een leerlingvolgsysteem wordt gehanteerd.

Prijskaartje

Aan het toetsen van leerlingen hangt ook een prijskaartje. De commissie-Kohnstamm rekende uit wat het zou gaan kosten als er bij alle kleuters, zo’n 200.000 per jaar, een test afgenomen wordt. Aangezien zo’n test voor een deel individueel is, kan een ervaren testassistent per dag niet meer dan vier à vijf kinderen testen. Er zijn dan 40.000 tot 50.000 testdagen nodig. Een testdag kost, inclusief reis- en trainingskosten, tussen de 200 en 300 gulden. De totale kosten komen op zestien tot twintig miljoen gulden per jaar. (Pakweg de helft in euro’s)
In steeds meer steden worden leerlingen die zich aanmelden bij het vmbo, een dag lang getest om te achterhalen of zij in aanmerking komen voor leerwegondersteunend onderwijs. In Rotterdam is iemand een jaar lang fulltime bezig de aanstaande vmbo’ers te testen. Daar staat dan weer tegenover dat scholen voor leerlingen met een aangetoonde achterstand zo’n 5500 gulden per jaar extra krijgen.
De basisschool kent al diverse toetsen, zoals de entreetoetsen in groep zes en zeven en de eindtoets in groep acht. Ze zijn afkomstig van het Cito en worden klassikaal door de leerkrachten afgenomen. (GvdM)

.
Zie bv. Opspattend grind [4]  [17]  [38]  [58]  [64]  [71]  [79]  [90]  [92].

Toetsenalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

2063-1935

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde (GA 205)

.

In Steiners pedagogische voordrachten [GA 293-311] vinden we concrete aanwijzingen en achtergronden voor het dierkundeonderwijs.

Buiten deze voordrachten heeft hij ook vanuit de meest verschillende invalshoeken gesproken en geschreven over de verhouding mens-dier.

In GA 205, voordracht 12, gaat hij bv. in op het fenomeen ei-vogel. Voor de dierkundeles is het m.i. niet bruikbaar, maar in deze voordracht staan wél gezichtspunten die voor de leerkracht als achtergondkennis belangrijk zijn:

Wenn Sie die Säugetiere betrachten, so werden Sie sich sagen: Die sind noch mehr an die Erde gebunden als der Mensch. Diese Säugetiere sind auch mit dem an die Erde gebunden, womit der Mensch nicht an die Erde gebunden ist, zum Beispiel mit den vorderen Gliedmaßen; denn die Affen gehen auch nur in seltenen Fällen aufrecht, und das tun selbst die Hunde, wenn sie aufwarten, aber es ist ihnen nicht natürlich. Es ist selbst dem Gorilla nicht natürlich, aufrecht zu gehen, er klettert; es sind wirkliche Greiforgane, sie sind zum Fortbewegen, diese vorderen Gliedmaßen. Der Mensch ist also halb abgehoben von der Erde, der Vogel ist ganz abgehoben von der Erde, das Säugetier ist mit seinen vorderen Gliedmaßen ebenso wie mit seinen hinteren Gliedmaßen an die Erde gebunden. Es ist also ganz und gar ein Erdenwesen in gewisser Beziehung. Der Mensch macht sich wieder frei von der Erde durch die aufrechte Stellung seines Rückgrats, das Säugetier ist ganz und gar an die Erde gebunden. Danach ist auch die ganze übrige Gestalt des Säugetieres gebaut. 

Wanneer u naar de zoogdieren kijkt, dan zal u zeggen: die zijn nog meer aan de aarde gebonden dan de mens. Deze zoogdieren zijn ook aan de aarde gebonden waarmee de mens niet aan de aarde gebonden is, bv. de ledematen van voren; want de apen lopen maar in een zeldzaam geval rechtop en dan doen zelfs de honden, wanneer ze [voor aufwarten vond ik geen geschikte vertaling, tegen je opspringen?], maar dat past niet bij ze. Ook de gorilla loopt van nature niet rechtop, hij klimt; het zijn echte grijporganen, de voorste ledematenze zijn er om te kunnen voortbewegen. [1] De mens is dus half van de aarde afgekeerd, de vogel helemaal, het zoogdieris met zijn voorpoten én met zijn achterpoten aan de aarde gebonden. In zeker opzicht is het dus helemaal een aarde aardewezen. De mens maakt zich weer vrij van de aarde door de rechtop positie van zijn ruggengraat; het zoogdier is helemaal aan de aarde gebonden. Ook de rest van de gestalte van de zoogdieren is daarvoor gebouwd. 

Der Mensch ist an die Erde gebunden durch die unteren Gliedmaßen; er macht sich frei. Das Säugetier steht mitten drinnen, steht mit vier Säulen auf der Erde auf: es wird aus der Erde herausgebildet. Es sind also die aus der Erde direkt herauswirkenden Kräfte, die vorzugsweise auf das Säugetier wirken.
Solche Dinge hat eine ältere, instinktive Wissenschaft sehr gut gekannt. Daher hat sie in dem, was beim Menschen sich am unabhängigsten von der Erde bildet, weil es eigentlich nur eine Metamorphose des früheren Erdenlebens ist, daher hat eine frühere Anschauung im Kopfe des Menschen einen Vogel, einen Adler gesehen. In dem Gliedmaßen-Stoffwechselmenschen, der ganz zur Erde hin organisiert ist, hat eine frühere Anschauung gesehen einen Ochsen oder einen Stier oder eine Kuh, weil das ein Tier ist, das nun ganz zur Erde hin organisiert ist. In dem mittleren Teile des Menschen, der gewissermaßen das Verbindungsglied zwischen dem Adler und der Kuh oder dem Kalb ist, in diesem mittleren Menschen hat man dasjenige gesehen, was allerdings sich loslöst in einer gewissen Weise gerade durch den Stoffwechsel von dem Irdischen; das können Sie daraus sehen, nicht wahr, daß der Löwe einen sehr kurzen Darm hat. Sein Stoffwechselsystem ist außerordentlich primitiv, dagegen ist sein Brustsystem, sein Herzsystem in ganz besonderer Weise ausgebildet. Daher auch seine Leidenschaft, seine Wut und so weiter. Den Löwen hat die ältere, instinktive Anschauung in dem mittleren Teil des Menschen gesehen. Das waren durchaus Anschauungen, die auf etwas fußten.

De mens is aan de aarde gebonden door de onderste ledematen; hij maakt zich vrij. Het zoogdier staat er tussenin (er is ook over de vogels gesproken die zich ‘los’ kunnen maken van de aarde), staat met vier staanders op de aarde: het wordt vanuit de aarde gevormd. Het zijn dus de krachten die vanuit de aarde direct op het zoogdier inwerken. Dit soort dingen waren in een oudere, instinctieve wetenschap zeer goed bekend. Daarom vind je, wanneer het gaat om het deel van de mens dat het meest onafhaneklijk van de aarde gevormd is, omdat het eigenlijk alleen maar een metamorfose van eerdere aardelevens is, daarin in het hoofd van de mens, een vogel, een adelaar. In de ledematen-stofwisselingsmens die zo gevormd is dat deze zich helemaal naar de aarde richt, heeft de oude opvatting een os of een stier gezien of een koe, omdat dat dieren zijn die helemaal naar de gericht zijn gevormd. In het middendeel van de mens dat in zekere zin de verbinding vormt tussen de adelaar en de koe of het kalf, zag men wat zich in zekere zin losmaakt van de aarde door de stofwisseling; dat kan je zien aan het feit dat dfe leeuw een zeer korte darm heeft. Zijn stofwisselingssysteem is buitengewoon primitief, maar zijn borstsysteem daarentegen, zijn hartsysteem is op een heel bijzondere manier gevormd. Vandaar zijn begeerte, zijn agressie enz. De oude instinctieve opvatting heeft de leeuw beschouwd als het middendeel van de mens. Dat waren zeer zeker opvattingen die ergens op gebaseerd waren.
GA 205/117-118
Niet vertaald

[1] Veel waarnemingen van de laatste vijftig jaar laten zien dat apen veel meer met hun voorste ledematen doen, dan alleen maar klimmen; ze kunnen er heel ‘handig’ mee zijn. Toch staat de activiteit van hun voorste ledematen voor een veel groter deel in het teken van lijfsbehoud dan bij de mens. ‘Een dier doet wat hij moet’ geldt ook voor de aap: er is bijna geen mogelijkheid tot een vrije keuze, zoals die mens die heeft m.n. ook met zijn handen.

Op een bepaalde manier komen deze dieren: adelaar, leeuw en koe vaak in de dierkundeperiode van klas 4 voor.

Ernst Michael Kranich heeft ze, met het oog op de dierkunde, vanuit een bepaald standpunt behandeld:   de adelaar   de leeuw   de koe

Het is ook altijd goed om kinderen in of naar de toekomst te wijzen. In dit geval komen deze dieren terug wanneer in de periode geschiedenis o.a. over Egypte naar de sfinx gekeken wordt.
Het is bij deze onderwerpen vooral van belang de kinderen geen mening op te dringen, vooral geen antroposofische! Wél kan je de kinderen stimuleren goed te kijken wat ze zien, je kan er verwondering voor wekken, vragenderwijs ze antwoorden laten vinden op het ‘waarom’. En wellicht heeft te maken met wat je in de dierkunde van het jaar daarvoor hebt geleerd over hoofd, borst en ledematen. 

Dan kunnen er bv. dit soort tekeningen/schilderingen ontstaan:

.

Rudolf Steiner over dierkundealle artikelen

Dierkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld4e klas dierkunde    zie de aparte afbeeldingen voor de ‘vier dieren’

.

2062-1934

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 6 (6-3-1)

.

Groen: woorden van Steiner; zwart: de vertaling daarvanblauwmijn woorden.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Enkele gedachten bij blz.      in de vertaling van 1993.

HET IK IN HET ELEMENTAIRE KRACHTENVELD

Wanneer Steiner in deze voordracht over de positie van het IK spreekt, [6-3] is dat hier de positie op aarde, in de wereld. Eigenlijk zoals wij als Ik-wezen op deze aarde leven, in deze wereld ons bevinden. Met daarbij de elementaire krachten.

Een van de krachten noemt hij specifiek: het vuur.

Op blz. 100 zegt hij dan:

In gewissen Gegenden der Erde, zum Beispiel in Süditalien, brauchen Sie nur eine Papierkugel anzuzünden, und in demselben Augenblick fängt es an, aus der Erde heraus mächtig zu rauchen. Warum geschieht das? Es geschieht, weil Sie durch das Anzünden der Papierkugel und die sich dadurch entwikkelnde Wärme die Luft an dieser Stelle verdünnen, und das, was sonst unter der Erdoberfläche an Kräften waltet, wird durch den nach aufwärts gerichteten Rauch nach oben gezogen, und in dem Augenblick, wo Sie die Papierkugel anzünden und auf die Erde weffen, stehen Sie in einer Rauchwolke. Das ist ein Experiment, das jeder Reisende machen kann, der in die Gegend von Neapel kommt. Das habe ich als ein Beispiel dafür angeführt, daß wir, wenn wir die Welt nicht oberflächlich betrachten, uns sagen müssen: Wir leben in einer Umgebung, die überall von Kräften durchzogen ist.

In bepaalde streken op aarde, bijvoorbeeld in Zuid-Italië,° hoeft u alleen maar een propje papier aan te steken en op hetzelfde moment begint het geweldig te roken uit de aarde. Waarom is dat? Omdat u door het papier aan te steken warmte ontwikkelt die de lucht op die plaats verdunt. Dan worden de krachten die anders onder het aardoppervlak werkzaam zijn omhoog getrokken door de opwaartse beweging van de rook, en zodra u dat propje papier dus aansteekt en op de grond gooit, staat u in een rookwolk. Dat is een experiment dat iedere reiziger kan doen wanneer hij in de buurt van Napels komt. Dat is een voorbeeld. Wanneer we de wereld niet oppervlakkig beschouwen, moeten we werkelijk zeggen dat de wereld waarin we leven overal vervuld is van krachten.

*Noot van de uitgever:
Bedoeld is de zgn. ‘solfatare’van Pozzuoli aan de Golf van Napels, een vulkanisch gebied waar op talloze plaatsen zwavelhoudende gassen uit de bodem opstijgen.

Leber zegt erover:

Als Beispiel für das Naturwirken führt Steiner eine Solfatara an, einen schon erloschenen, aber immer noch sehr heißen Vulkan. Konkret und anschaulich beschreibt er – ohne dass er sie mit Namen nennt – die Solfatara von Pozzuoli, welche er auf einer Reise selbst besucht hatte. Sie liegt südlich von Neapel, nahe dem Meer. Der noch erhaltene antike Tempel am Hafen weist zu verschiedenen Zeiten eine unterschiedliche Eintauch­tiefe ins Meer auf, heute steht er mit seiner Basis über dem Meeresspiegel, an den Säulen aber haften zahllose Muscheln, die davon künden, dass der Tempel auch Zeiten kannte, wo er teilweise im Meer untergegangen war. Daran wird ersichtlich, dass man auf tektonisch noch immer hochaktivem Boden steht. Nur wenige Schritte vom Hafen entfernt befindet sich heute der Eingang zum Campingplatz «Solfatara», der auf dem Grund des einst brodelnden Kraters eingerichtet ist. Der vordere Teil des Kraters ist heute baumbestanden; im hinteren Teil, wo die Kraterwände aus Tuff-Fels auf­steigen, kocht noch immer ständig das Grundwasser, sodass regelmäßig Nebelschwaden darüberziehen. Wird in diesem Gebiet nun ein Streich­holz oder gar eine Zeitung entzündet, so zischt rundum Wasserdampf aus dem porösen Gestein hervor und hüllt die Verursacher in Nebel die ein leicht schwefliger Geruch verbreitet. Das zeigt, dass hier die Kräfte aus dem Erdenumkreis mit den innerirdischen Kräften in Wechsel­wirkung treten. Die Verdünnung der Luft durch das Abfackeln wühlt die Tiefen auf.

Als voorbeeld voor de werking van de natuur neemt Steiner een solfatara, een al gedoofde, maar toch nog steeds zeer warme vulkaan. Concreet en aanschouwelijk beschrift hij – zonder dat hij deze met naam noemt – de solfatara van Pozzuoli, die hij op een reis zelf bezocht. Die ligt zuidelijk van Napels, dicht bij de zee. De nog bewaard gebleven antieke tempel aan de haven wijst voor verschillende tijden een verschillende diepte in het water aan; nu staat deze met zijn grondoppervlak boven de zeespiegel, op de zuilen echter zitten talloze mosselen. die ervan getuigen dat de tempel ook tijden heeft gekend waarin hij voor een deel onder water lag. Daaraan wordt duidelijk dat je op tectonisch nog altijd actieve bodem bent. Maar een paar stappen van de haven verwijderd ligt de ingang naar de camping ‘Solfatara’ die op de bodem van de ooit borrelende krater gebouwd is. Het voorste deel van de krater is tegenwoordig met bomen begroeid, achteraan waar de kraterwanden uit tufsteenrotsen omhoog rijzen, kookt het grondwater nog voortdurend, zodat er regelmatig nevelslierten verschijnen. Als je in dit gebied een lucifer of een krant aansteekt, sist er rondom waterdamp omhoog uit het poreuze gesteente en hult de veroorzaker in nevel die een licht zwavelachtige geur verspreidt. Dat laat zien dat hier krachten die rond de aarde aanwezig zijn, in wisselwerking treden met de krachten die in de aarde aanwezig zijn. De verdunning van de lucht door het affakkelen brengt de diepte in beweging.

Solfatara  Fumarole

Vlakbij genoemde camping:
bron

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 6alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2061-1933

.

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Toets (4)

.

Al jaren is er veel heisa rond ‘de toets’.
En ook al jaren zijn er allerlei meningen over.

Pedagogisch gezien wordt de toetst vaak een ‘onding’ genoemd.

Veel kritische geluiden vanuit de vrijescholen zijn er niet. Ik maak graag een uitzondering voor Ingrid Busink in Trouw. Er is geen massale weigering om zich met ‘pedagogische ondingen’ in te laten.

De waardevolle meningen komen veelal van buiten het vrijeschoolonderwijs: Zie bv. Opspattend grind [4]  [17]  [38]  [58]  [64]  [71]  [79]  [90]  [92].
Zo ook deze, van Harm de Vos:
.

In Het Onderwijsblad 8, 21-04-2001
.

Creativiteit wordt gesmoord in toetsslavernij

Het onderwijs staat onder druk. Het gevaar is bijzonder groot dat het werken in het primair onderwijs verwordt tot een vorm van reproductief bezig zijn, waarbij de aard en persoonlijkheid van de individuele leerling dreigen onder te sneeuwen. De creativiteit en de persoonlijke inbreng van de leerkracht worden gesmoord in methode- en toetsslavernij, vreest Harm de Vos.

De onvrede op de werkvloer wordt steeds groter. De aantrekkelijkheid van een baan in het primair onderwijs staat onder zware druk. De klachten over het voortdurend meten en gemeten worden nemen een overheersende plaats in. Naast de algemene, voor alle leerlingen geldende onafhankelijke toetsen, wordt men ook nog opgescheept met toetsen die gekoppeld zijn aan de onderwijsmethodes. Dit vereist een administratie die uren kostbare tijd vergt. Het waarderen en beoordelen van leerlingen wordt vervangen door leerlingvolgsystemen, die langzamerhand zijn verworden tot leerlingachtervolgsystemen.

Tijdens een televisie-interview van kinderen uit groep acht werd de vraag gesteld: ‘Wat is dit jaar de belangrijkste dag in jouw leven geweest?’ Een jongetje antwoordde: ‘De Cito-toets, want daar hangt mijn hele toekomst van af.’ Onderwijs en opvoeding dreigen te worden gedegradeerd tot een simpele vorm van meten en wegen van leerlingen en van de school.

De heersende eenzijdige en enge meetcultuur leidt tot algemene discriminatie. De leerlingen worden al toetsend ingedeeld in vier categorieën: de goeden, de middelmatigen, de zwakken en de problematischen. Als extra categorie: de hoogbegaafden. Bij de leerkrachten komen gevoelens op van ergernis over het discriminerend categoriseren van de leerlingen, ergernis over de tijdsinvestering in registratie en verwerking van de toetserij, ergernis over de eenzijdigheid van de toetsbatterij, die alleen maar de ‘harde’ vakken meet en impliciet een lage waardering toekent aan de creatieve vakken en de aspecten van instelling en gedrag van de leerling. De scholen worden gestigmatiseerd als goed, middelmatig, slecht, problematisch. Publicatie van de gegevens neigt naar het opstellen van een zwarte lijst.

Weer samen naar school

Het project Weer samen naar school stelde zich ten doel het reguliere onderwijs zo in te richten dat meer kinderen die extra zorg en aandacht nodig hadden, er een veilige en kansvolle omgeving zouden vinden. Te veel kinderen werden verwezen naar het afzonderlijke speciaal onderwijs. Honderden leerkrachten en tientallen scholen hebben zich ingespannen om op een creatieve manier het onderwijs in te richten door de verschillen tussen leerlingen uit te drukken in gedifferentieerd en creatief onderwijs. Er werden eigen programma’s en leermiddelen ontwikkeld die rekening hielden met de specifieke maat van de leerling. De creativiteit van de leerkracht en van hele teams kreeg nieuwe kansen. Dit wordt tenietgedaan door de strategie van uniformiteit, de strategie van gelijke monniken, gelijke kappen. Het percentage leerlingen dat ernstige problemen ondervindt, is eerder toe- dan afgenomen. Het totale proces van wsns moet dan ook als mislukt worden beschouwd.

De thans als een hype heersende meet- en regelcultuur scheert in principe alle kinderen weer over dezelfde kam. Terwijl wsns rekening wilde houden met de verschillen tussen de kinderen, wordt thans weer het uniformiteitsprincipe het uitgangspunt. Scholen en leerkrachten die enthousiast waren voor de onderwijsvernieuwingen, worden teruggeworpen op het leerstofgebonden jaarklassensysteem, waarin elke leerling dezelfde maat wordt genomen. Rekening houden met verschillen is niet meer mogelijk. Als school en als individuele leerkracht moet je ervoor zorgen dat elke leerling zo hoog mogelijk scoort. De inspectie geeft daarbij de voorkeur aan het Cito-systeem. Als elke school dat systeem hanteert, is onderlinge vergelijking een peulenschil en kunnen ook de scholen worden ingedeeld in vier categorieën: de goede, de middelmatige, de zwakke en de problematische. Zowel op leerling- als op schoolniveau werkt dit beoordelende maatnemen uitermate stigmatiserend. Nog even en we verdelen de categorieën leerlingen over de overeenkomstige categorieën scholen. We zijn terug bij het systeem van vroegtijdige selectie en uitstoting van de minder acceptabel presterende leerling.

Verschillen

Leven doe je niet alleen. Er is altijd sprake van interactie tussen (aanlegfactoren van) het kind en de invloed vanuit de omgeving. Er zijn specifieke negatieve en specifieke positieve factoren die de ontwikkeling van een kind beïnvloeden. Niet alleen de vroege ervaringen binnen het gezin zijn van invloed op de volwassenwording, maar ook wat het kind in wijder verband meemaakt. Hoe je ook test en toetst, de feitelijke ontwikkeling is niet of moeilijk voorspelbaar. Er kunnen slechts verwachtingen geformuleerd worden.

De huidige manier van beoordelen miskent het verband tussen de sociale condities van het gezin en de schoolprestaties van de kinderen. Als de mogelijkheden van het kind en/of de steun die de omgeving biedt, onvoldoende zijn voor een succesvolle aanpassing aan de eisen van de school, dan wordt het evenwicht tussen de draagkracht en draaglast van een kind verstoord en treden er problemen op. De slechtere schoolprestaties van kinderen uit spanningsvolle en sociaal kwetsbare milieus worden veroorzaakt doordat bij deze categorieën meer risicofactoren een rol spelen. Daarbij kan gedacht worden aan financiële problemen, slechtere behuizing, gezinsconflicten, minder goede interactie tussen opvoeders en kind. Maar ook aan vervreemdingsverschijnselen bij allochtone leerlingen en vreemdheidsgevoelens bij autochtone leerlingen, die zich niet herkennen in de cultuur en de inhoud van het onderwijs en de school.

Schooltaal

In de groep ‘toetsfalende, problematische, zwakke’ leerlingen worden vooral kinderen aangetroffen met extra risicofactoren als permanente armoede, moeder met weinig scholing, matige of ernstige complicaties rond de geboorte, vertraagde of onregelmatige ontwikkeling, genetische afwijkingen en psychopathologie van (een van) de ouders. De kinderen uit deze groepen van de bevolking zijn gebaat bij onderwijs dat is afgestemd op hun eigen leefsituatie.
In zeer sterke mate geldt dit ook voor de nieuwe allochtone leerlingen in primair en voortgezet onderwijs. Daarvoor moeten eigen methodieken worden ontwikkeld, die gevoelens van herkenning en erkenning oproepen. Conflicten tussen inhoud en structuur van het onderwijs en de kwaliteit van het dagelijks leven van de leerlingen leiden tot slechte prestaties, tot afweer en afkeer van de school en tot verzet tegen de heersende omgangsvormen en de (voor de geprivilegieerde groeperingen in onze samenleving) geldende normen en waarden.

De schooltaal is een specifieke groepstaal, niet gefundeerd in het dagelijks leven van de verschillende groeperingen. In de schooltaal weerspiegelt zich de levensstijl van de acceptabele, niet-gecompliceerde maatschappelijke groeperingen met hun eigen zorgen en idealen. Voor veel kinderen is er sprake van een conflict tussen schooltaal en thuistaal. Schooltaal en toets- en testtaal hebben dezelfde herkomst.

Het onderwijs aan kinderen, allochtoon of autochtoon, die op grond van welke achtergrond dan ook belemmeringen ondervinden in hun ontwikkeling, moet worden afgestemd op de eigen leef- en belevingswereld. De methodieken van Paolo Freire en Célestin Freinet lenen zich hiervoor uitstekend. Het reproductieve karakter van het gangbare onderwijs vormt een belemmering voor positieve resultaten, ook voor kinderen die over meer of andere mogelijkheden beschikken dan de doorsnee-schooltaal veronderstelt. De huidige strategie van meten en gemeten worden werkt uitermate demotiverend voor de creatieve leerkracht en voor de teams die zelf iets van hun vak willen maken.

*Harm de Vos is oud-directeur van de Professor Grewelschool, orthopedagogisch onderwijsinstituut te Leeuwarden. Hij maakte deel uit van de voormalige Innovatiecommissie basisonderwijs.

.

Rudolf Steiner:

Het is nodig datgene wat men met het kind in een schooljaar gedaan heeft, vast te stellen, wanneer het schooljaar afgesloten is. Men noemt dat tegenwoordig: een rapport daarover opstellen of en in welke mate het kind het leerdoel heeft bereikt. In veel landen wordt de manier waarop het kind het leerdoel in een jaar heeft bereikt, of soms in tussenrapporten aan de ouders en/of verzorgers zo medegedeeld dat men cijfers genomen heeft van 1 t/m/ 10; ieder getal betekent dat het kind m.b.t. bepaalde onderwerpen een zekere vaardigheid heeft verworven. Soms weet men niet of een 6 of een 7 het juiste niveau weergeeft van wat het kind aan vaardigheid heeft verworven, dan schrijft men 6  1/2 en sommige leerkrachten hebben het al tot de berekeningskunst gebracht om 6  1/4 te schrijven. Ik verzeker u dat ik mij deze manier om de menselijke vaardigheden uit te drukken nooit eigen heb kunnen maken.

Op de vrijeschool doen we het met de getuigschriften anders.
Juist wanneer de leerkrachtengroep zo’n eenheid vormt dat ieder kind op school door iedere leerkracht in zekere zin gekend wordt, dan is het ook mogelijk, vanuit het totale kind een oordeel over dit kind te geven. Daarom ziet het getuigschrift dat wij aan het einde van een schooljaar met het kind meegeven eruit als een kleine biografie, een kort overzicht, over de ervaringen die men met het kind in en buiten de klas gedurende het schooljaar heeft opgedaan.
Het kind heeft dan en de ouders en verzorgers hebben dan voor zich een soort spiegel van hoe het kind op deze leeftijd is. En we hebben op de vrijeschool ervaren dat je zelfs een milde terechtwijzing in dit spiegelgetuigschrift schrijven kan, de kinderen nemen dat tevreden aan.

En dan schrijven we in het getuigschrift nog iets anders.
We verbinden het verleden met de toekomst. We kennen het kind, weten of het op wils-, gevoels- of denkgebied iets tekort komt, of deze of gene gevoelens overheersen. Op basis daarvan maken we voor ieder individueel kind op de vrijeschool een kernspreuk. Die schrijven we in het getuigschrift. Die zou een richtingwijzer voor heel het volgende schooljaar moeten zijn. Het kind neemt deze spreuk zo in zich op, dat het er steeds aan moet denken. En deze spreuk heeft dan de eigenschap op de wil of op de gemoeds- of gevoelseigenschappen te werken.
Daarmee wordt in het getuigschrift niet alleen intellectueel uitgedrukt wat het kind gepresteerd heeft, maar het heeft ook een kracht in zich, het werkt, tot het kind weer een nieuw getuigschrift krijgt.
GA 305/152
Vertaald/164-165

.

Toetsenalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

2060-1932

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (7)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 22-12-1920

blz. 57

Die beiden Weihnachtspiele, die heute vorgeführt werden, sind in derselben Weise, wie sie durch die Jahrhunderte gespielt worden sind, noch gespielt worden in der Mitte des 19. Jahrhunderts in den deutschen Sprachkolonien, die sich in Ungarn finden, etwas ostwärts von Preßburg, nördlich von der Donau, in der sogenannten Oberuferer Gegend. Ungarn war damals durchaus in diesen Gegenden, sowohl nördlich von der Donau, an den Karpaten vorüber und südwärts davon bis hinein nach Siebenbürgen, also über die Zipser Gegend  hinweg, dann wiederum nach dem Banat hin, der Gegend seines Westens, überall von deutschen Kolonisten durchsetzt, welche seit einigen Jahrhunderten von Westen her nach Ungarn einwanderten, ihre Kulturschätze mitnehmend. Und wertvollste dieser Kulturschätze sind wohl gerade diese Spiele. Wir werden zurückgeführt durch diese Spiele – gerade diese hier, die mein verehrter Lehrer, Karl Julius Schröer, in den fünfziger Jahren so gesammelt hat, wie ich es gleich mitteilen möchte, auf die Entwickelung der mitteleuropäischen Weihnacht- und christlichen Spiele überhaupt. Diese Spiele führen uns zurück bis ins 11. Jahrhundert. Sie sind ausgegangen von dem Impuls desjenigen, was sich in den Kirchen abspielt, in das Volkstum hineinwirkt, den Inhalt der heiligen Legende, den Inhalt der Bibel in einer dramatischen Weise ausgestaltet.

De twee kerstspelen die nu opgevoerd gaan worden, zijn op dezelfde manier waarop ze door de eeuwen heen gespeeld werden, nog gespeeld in het midden van de 19e eeuw in de Duitse taalenclaves die zich in Hongarije bevinden, iets ten oosten van Pressburg, ten noorden van de Donau, in de zgn. omgeving van Oberufer. Hongarije lag toen vooral in deze streken, zowel ten noorden van de Donau, voorbij de Karpaten en ten zuiden ervan naar Siebenbürgen, dus verder dan de streek van de Zipsen, dan nog tot aan de Banat, de westelijke omgeving; overal bewoond door Duitse kolonisten die sinds enige eeuwen vanuit het westen naar Hongarije trokken, hun cultuurrijkdom meenemend.
En het meest waardevol van deze cultuurrijkdom zijn wellicht deze spelen. We worden door deze spelen teruggevoerd – met name deze hier, die mijn geachte leraar, Karl Julius Schröer, in de jaren vijftig zo verzameld heeft als ik dadelijk ga zeggen – op de ontwikkeling van de Middeneuropese kerst- en christelijke spelen met name. Deze spelen brengen ons terug tot in de 11e eeuw. Ze gingen uit van de impuls van wat zich in de kerken afspeelt, wat doorwerkt in de bevolking, de inhoud van de heilige legende, de inhoud van de Bijbel als drama vormgegeven.

Ursprünglich war das wirklich so, wie es auch noch war in Griechenland, wo die ganze Dramatik aus den Dionysos-Spielen hervorgegangen ist. So ähnlich war es auch im Mittelalter vom 10., 11. Jahrhundert an vor sich gegangen. Man dekorierte den Altar, man dekorierte die übrige Kirche. Geistliche waren es zunächst, welche diese Spiele aufführten. Wir werden bis zurück ins 11.Jahrhundert finden, wie drei Geistliche in Frauenkleidern in der Kirche selbst die Szene an Christi Grab aufführen, nachdem der Tod eingetreten war. Zwei der Priester stellten die Frauen dar, die ans Grab gekommen waren, der dritte den Engel. Das ist im Grunde genommen eines der ältesten

Oorspronkelijk was het daadwerkelijk zoals het nog in Griekenland was, waar heel de dramatiek voortgekomen is uit de dionysische spelen. Net zo ging het ook in de Middeleeuwen vanaf de 10e, 11e eeuw. Het altaar werd opgesierd, de rest van de kerk. Aanvankelijk voerden de geestelijken die deze spelen op. Tot wel in de 11e eeuw vinden we terug hoe drie geestelijken in vrouwenkleren in de kerk zelf de scène aan het graf van Christus opvoeren nadat de dood was ingetreden. Twee priesters speelden de vrouwen die naar het graf gekomen waren, de derde de engel. Eigenlijk is dat een van de oudste 

blz. 58

Motive, und von solchen biblischen Motiven sind diese Dinge ausgegangen. Wir finden dann, daß zum Beispiel ein sehr häufig gespieltes Spiel das war, welches drei aufeinanderfolgende Szenen vorstellte: den Gang der Frauen zum Grabe Christi, das Gespräch des Heilandes mit Magdalena, und dann einen Chor der Frauen und der Jünger als dritten Teil.
Diese Dinge wurden immer mehr und mehr ausgebildet. Wir finden zum Beispiel im Beginn des 14. Jahrhunderts, daß über die meisten Gegenden Mitteleuropas zu den christlichen Festen manchmal ganz große, bedeutende Spiele schon aufgeführt wurden. So wird uns berichtet, wie am 24. April 1322 in Thüringen, am Fuße der Wartburg, im Hause «die Rolle», aufgeführt wurde ein Stück von den zehn Jungfrauen, den klugen und den törichten Jungfrauen, und die ganze Folgezeit haben wir Berichte zu verzeichnen, die übriggeblieben sind, welche das außerordentlich Eindrucksvolle gerade dieser Aufführung vom Sonntag Misericordiae, am 24. April des Jahres 1322 schildern. Allerdings, das Eindrucksvolle wird in einer sehr realen Weise geschildert. Einer der Teilnehmer an diesem Stücke war der Landgraf Friedrich, der den sonderbaren Beinamen trug: «mit der gebissenen Wange»; dieser Friedrich, der schon etwas schwach offenbar war, als er an diesem Spiel von den klugen und törichten Jungfrauen teilnahm, wurde so gerührt, daß ihn der Schlag traf und er kaum noch zwei Jahre lebte, im Jahre 1323 gestorben ist.

motieven en van dergelijke Bijbelse motieven zijn deze dingen uitgegaan. We vinden dan, dat bv. zeer vaak het spel werd gespeeld met drie elkaar opvolgende scènes: de gang van de vrouwen naar het graf van Christus, het gesprek van de Heiland met Magdalena en dan een koor van vrouwen en discipelen.
Deze dingen ontwikkelden zich steeds verder. In het begin van de 14e eeuw vinden we bv. dat verspreid over de meeste gebieden van Midden-Europa naast de christelijke feesten vaak al heel grote, belangrijke spelen opgevoerd werden. Zo wordt ons verteld dat op 24 april 1322 in Thüringen, aan de voet van de Wartburg, in het huis ‘die Rolle’, een stuk opgevoerd werd van de tien maagden, de wijze en de dwaze maagden en een hele tijd daarna kun je berichten optekenen die nagelaten zijn, die melding maken van wat met name een buitengewone indruk maakte: deze opvoering op de tweede zondag na Pasen, op 24 april 1322. En juist dit imponerende werd op een zeer realistische manier ten tonele gevoerd. Een van de deelnemers aan het stuk was landgraaf Friedrich, die de zonderlinge bijnaam ‘die in zijn wang gebeten is'[2] had; deze Friedrich die kennelijk niet zo sterk was toen hij meedeed in het stuk van de wijze en dwaze maagden, werd er zo door geraakt dat hij een beroerte kreeg en daarna nog maar een paar jaar leefde, hij stierf in 1323.

Dieses Spiel ist dann in Mülhausen aufgefunden worden, ist jetzt auch gedruckt und gehört zu den interessantesten Denkmälern dramatischer Kunst, welche aus der Kirche, also aus der heiligen Handlung, die sich allmählich in Wahrnehmung gestaltet hat, heraus entstanden sind.
Wir haben dann ein sehr interessantes Spiel aus einer etwas späteren Zeit, das sogar etwa 1340 Verse hat, und welches erhalten ist in einer St. Galler Handschrift. Sie enthält die ganze Heilige Geschichte von der Hochzeit zu Kana in Galiläa bis zur Auferstehung, und zwar in einer außerordentlichen eindrucksvollen Weise, indem gerade überall die Szenen herausgestellt sind, wo Christus als Lehrer wirkt. Und die Art und Weise, wie die Sachen inszeniert wurden, scheint tatsächlich eine außerordentliche geschickte dramatische Handlung zu

Dit spel is in Mülhausen opgedoken, is nu in druk verschenen en behoort tot de meest interessante mijlpalen van de dramatische kunst die vanuit de kerk, dus uit de heilige cultus, door die steeds maar te zien, ontstaan zijn.
Dan hebben we een zeer interessant spel uit een iets latere tijd, dat zelfs zo’n 1340 verzen heeft en dat bewaard gebleven is in een handschrift uit St.Gallen.
Het omvat heel de heilige geschiedenis van de bruiloft in Kana in Galilea tot aan de Opstanding en dat op een buitengewoon indrukwekkende manier, omdat m.n. overal de scènes benadrukt worden waarin Christus als leraar werkzaam is. En de manier waarop deze zaken in scène zijn gezet, lijkt inderdaad een buitengewoon knappe dramatische handeling

blz. 59

verraten. Der Vorgang war in der Darstellung so getroffen, daß zuerst nur einiges Wenige ganz dramatisch dargestellt wurde, dazwischen wurde immer etwas erzählt und auch noch etwas pantomimisch dargestellt. Wenn wir also ins 12., 13 Jahrhundert zurückgehen, ist die Darstellung so, daß etwas besonders Packendes dargestellt wird, dann folgt Pantomimisches und dann wiederum wurde erzählt. Aber allmählich ging diese Handlungsweise ganz ins Dramatische über. Man sieht auch, wie die Sachen aus der Kirche allmählich ins Profane herausgewachsen sind. Die ältesten Stücke, die erhalten sind, sind
in lateinischer Sprache erschienen, dann waren nur noch die Überschriften und einzelne Sätze lateinisch, der Text in der Volkssprache, und dann werden allmählich, indem es ins 15., 16. Jahrhundert geht, die Stücke ganz in der Volkssprache abgefaßt, und sie dringen auch von der Kirche nach auswärts.
Die Stücke, die Ihnen heute vorgeführt werden, wurden in der Nähe von Preßburg, namentlich in der Nähe der Oberuferer Gegend, in den Gasthäusern aufgeführt, also von der Kirche ist die Sache durchaus allmählich in das Volk hineingedrungen. Wir sehen, wie mit einem ungeheuren Ernst dasjenige, was aus dem Christus-Impuls heraus gerade im Volke gefühlt und empfunden werden konnte, in diesen Stücken lebt.

te onthullen. Met de gang van de voorstelling was het zo geregeld dat eerst alleen iets kleins heel dramatisch werd neergezet, er tussenin werd steeds iets verteld en een pantomime vertoond. Wanneer we dus naar de 12e, 13e eeuw teruggaan, is de opvoering zo dat er eerst iets heel pakkends vertoond wordt, dan pantomime en dan werd er weer  verteld. Maar geleidelijk ging deze manier van doen over in iets dramatisch. Je kan ook zien hoe de dingen vanuit de kerk geleidelijk aan naar iets werelds toegegroeid zijn. De oudste stukken die bewaard zijn gebleven, zijn in het Latijn verschenen, daarna waren alleen de titel en een paar zinnen nog in het Latijn, de tekst in de volkstaal en daarna worden de stukken geleidelijk aan alleen maar in de volkstaal geschreven en vanuit de kerk gaan ze ook de wereld in. 
De stukken die vandaag voor u opgevoerd worden, werden in de buurt van Pressburg, m.n. in de buurt van Oberufer in de herbergen opgevoerd, dus vanuit de kerk is het langzamerhand tot het volk doorgedrongen. We zien dat met een buitengewone ernst dat wat vanuit de christusimpuls in het volk gevoeld en beleefd kon worden, in deze stukken leeft.

Später sieht man, wie immer mehr und mehr in der weltlichen Legende Traditionen, die nicht in der Bibel stehen, die aber doch in der Überlieferung vorhanden sind, in diese Stücke einlaufen. Die Stücke wurden nicht bloß zu Weihnachten, sondern auch zu Ostern, zu Pfingsten, zu Fronleichnam, in manchen Gegenden zum Feste der heiligen Rosalie und so weiter aufgeführt, schlossen sich aber immer an dasjenige an, was der Kirchenkalender bot. Man sieht überall, wie geradezu die Empfindungen aus der Heiligen Geschichte heraus, die dem Jahreslauf gemäß verlaufen, auch in diesen Stücken enthalten sind, so daß wir ein wunderschönes Stück echten Volkstums erhalten haben, durch das wir in die Jahrhunderte des Geisteslebens zurücksehen, wie es in Mitteleuropa war, dann nach dem Osten herübergenommen wurde. Ein solches wunderbares Stück von Volkstum haben wir noch darin.
Bei den späteren Stücken müssen wir besonders bewundern, daß

Later zie je, hoe er steeds meer tradities in de wereldse legende komen te zitten die niet in de Bijbel staan, maar wel in hoe het werd doorgegeven. De stukken werden niet alleen met Kerstmis, maar ook met Pasen, Pinksteren, Sacramentsdag, in sommige streken op het feest van de heilige Rosalie enz. opgevoerd, maar altijd was er iets wat bij de kerkkalender aansloot. 
Je aiet overal hoe juist het beleven van de heilige geschiedenis die parallel loopt met het jaarverloop, vooral in deze stukken aanwezig is, zodat voor ons een wonderschoon element van echte volkskunst bewaard gebleven is, waardoor we naar de eeuwen van het geestesleven terug kunnen kijken hoe het in Midden-Europa was en wat naar het oosten meegenomen werd. Daar vinden we nog een wonderbaarlijk stuk echt volksleven in. 
In de latere stukken moeten we in het bijzonder bewonderen dat 

blz. 60

einerseits ein wirklicher Ernst, ein großer Ernst und eine wahrhaft christliche Gesinnung in den Stücken leben, daß sie aber gar nicht sentimental sind. Solche Stücke sentimental aufzufassen in der Darstellung, wäre eine vollständig irrtümliche Note, denn es spielte im Volk auch in das Heiligste immer ein gesunder Humor hinein. Und man kann sagen: Gerade darinnen drückt sich eigentlich erst der rechte Ernst aus, daß das Volk durchaus nicht in unwahrer Weise sentimental wurde, sondern seinen Humor hineintrug, und dennoch das ganze Ernste der Heiligen Geschichte auch zum Ausdruck brachte.
Aus dieser ganzen Tradition heraus sind auch diese beiden Stücke. Sie müssen aus ganz anderen Gegenden stammen als aus der, in welcher sie zuletzt gefunden worden sind, denn wir werden im zweiten Stück in der Einführung hören, wie hingewiesen wird auf das Meer und den Rhein; das Meer, das also etwa der Bodensee sein kann, der Rhein, der jedenfalls nicht in der Preßburger Gegend fließt. Also es haben von westwärts her diese Stücke ursprünglich gelebt und sind mit den nach Osten hin wandernden deutschen Kolonisten nach Ungarn gebracht worden, wo sie dann weitergelebt haben. Und wie sie gelebt haben, das hat noch Karl Julius Schröer, der die Stücke hat selber aufführen sehen und sie niedergeschrieben hat in seinem Buche «Deutsche Weihnachtspiele aus Ungarn»,

aan de ene kant een diepe ernst, een grote ernst en een waarachtige, christelijke stemming in de stukken heerst, dat ze daarbij echter niet sentimenteel zijn. Dergelijke stukken bij het uitvoeren sentimenteel op te vatten, zou volledig misplaatst zijn, want bij het volk was er ook bij het meest heilige altijd een gezonde humor bij. En je kan zeggen: juist daarin komt pas echt de grote ernst tot uitdrukking wanneer het volk juist niet op een onechte manier sentimenteel zou worden, maar er humor in stopte en toch de heel grote ernst van de heilige geschiedenis ook nog tot uitdrukking bracht. Vanuit deze hele traditie stammen ook deze beide stukken. Ze moeten uit heel andere oorden vandaan komen dan uit die waar ze dan gevonden zijn, want we zullen in het tweede stuk bij de inleiding horen dat er gewezen wordt op de zee en de Rijn; de zee kan dus het Bodenmeer (Bodensee) zijn, de Rijn die in ieder geval niet in de omgeving van Pressbrug stroomt.
Dus oorspronkelijk leefde men met deze stukken vanuit het westen vandaan, meegebracht door de naar het oosten naar Hongarije wegtrekkende Duitse kolonisten, waar ze dan verder levend gehouden werden. En hoe levend ze nog waren, heeft Karl Julius Schröer, die de stukken zelf nog opgevoerd heeft zien worden, beluisterd en opgeschreven in zijn boek ‘Duitse kerstspelen uit ‘Hongarije’,

nach dem Anhören derjenigen, die sie selber aufgeführt haben, die sie gedächtnismäßig innehatten für die Aufführung, abgehört und niedergeschrieben, nicht irgendwo abgeschrieben, sondern niedergeschrieben nach dem Wortlaute, denn die Leute haben diese Stücke außerordentlich stark in Ehren und in Verwahrung gehalten. Es hat immer einzelne wenige angesehene Familien innerhalb des Dorfes gegeben, in den meisten Dörffern sogar nur eine einzige, welche die Handschrift verwahrten. Es ging stets vom Vater auf den Sohn über. Und wenn nun die Weihnachtszeit heranrückte, wenn die Weinlese vorüber war im Herbste, dann sammelte derjenige, der das-Stück hatte, im Verein mit der Geistlichkeit, dem Pfarrer des Ortes, diejenigen Burschen, welche er für geeignet hielt, in diesem Jahre die Vorstellung zu machen. Die weiblichen Rollen wurden durchaus auch von Burschen dargestellt, etwas, was wir hier – obwohl wir uns sehr bemühen, im Stile der Darstellung

door naar de mensen te luisteren die ze zelf nog opgevoerd hadden, die ze uit hun hoofd kenden bij de opvoering; door te luisteren en op te schrijven, niet zomaar overgeschreven, maar opgeschreven in de woordklanken, want de mensen hebben deze stukken buitengeoon sterk in ere gehouden en veilig bewaard. Er waren altijd een paar families van aanzien binnen het dorp, in de meeste dorpen zelfs maar één die het handschrift bewaarde. Het ging steeds van vader op zoon. En wanneer dan de kersttijd naderde, wanneer in de herfst de druivenpluk voorbij was, riep degene die het stuk had, samen met de geestelijkheid, de priester van het dorp, die jongens bij elkaar die ze voor geschiklt hielden, dat jaar de voorstelling te geven. De vrouwenrollen werden ook allemaal door jongens gespeeld, iets wat wij hier – hoewel we er erg ons best voor doen de stijl van de voorstelling

blz. 61

zu bleiben – nicht nachahmen können, weil unsere Frauen gar zu sehr remonstrieren würden, wenn wir die Stücke nur von Männern darstellen würden. Es würde nicht gehen, so etwas bei uns durchzuführen. Aber im übrigen bleiben wir tatsächlich in dem Stile, wie er sich erhalten hat ins 19. Jahrhundert herein.
Ich habe in meiner Jugend mit meinem verehrten Lehrer, Karl Julius Schröer, der in diesen Sachen ganz darinnen lebte, viel über diese Dinge gesprochen. Wir haben viel geredet über die Art und Weise, wie diese Spiele gespielt wurden, und es ist durchaus möglich, trotzdem wir unter ganz anderen Verhältnissen arbeiten, nicht wie dort in einem ländlichen Wirtshause und dergleichen und nicht unter der unmittelbaren Teilnahme der ganzen Bevölkerung, so wie es dort war, es ist doch möglich, annähernd in dem Stil zu bleiben. Der Ernst, mit dem die Sache angegriffen worden ist von diesen Leuten, konnte einem daraus hervorgehen, daß strenge Vorschriften da waren, wie die Leute, die an der Aufführung als Schauspieler teilnehmeil sollten, leben mußten. In dem Augenblicke, wo sie nach der Weinlese anfingen, die Proben zu machen, wurde die ganze Woche geübt.

ook zo aan te houden, niet kunnen doen, omdat onze dames met alle macht zouden protesteren wanneer wij de stukken alleen door mannen zouden laten spelen. En om dat bij ons door te voeren, gaat niet. Maar voor het overige houden wij de manier aan zoals die bewaard is gebleven tot in de 19e eeuw.
Ik heb er in mijn jeugd met mijn geachte leraar Karl Julius Schröer die hier helemaal voor leefde, veel over gesproken. We hebben veel gepraat over de manier waarop deze spelen gespeeld werden en het is heel goed mogelijk, hoewel wij onder heel andere omstandigheden bezig zijn, niet zoals daar in een plaatelandsherberg enzo en niet met de directe betrokkenheid van de hele bevolking zoals dat daar was, bij benadering die stijl aan te houden. De ernst waarmee de zaak opgepakt werd door deze mensen, kun je aflezen aan het feit dat er strenge voorschriften waren hoe de mensen die als toneelspeler aan de opvoeringen zouden deelnemen, moesten leven. Op het ogenblik waarop ze na de druivenpluk aan de repetities begonnen, oefenden ze de hele week.

Von der Weinlese bis zum Weihnachtsfest, wo die Aufführung war, wurden strenge Vorschriften von ihrem Lehrmeister, Pfarrer, Lehrer und von dem Meister, der das Stück hatte, gegeben. Solche Vorschriften, die sich auf das ganze Leben dieser Burschen erstreckten, zeigen, mit welchem Ernst die Sache unternommen worden ist. Wir hören da, daß zum Beispiel die Menschen, welche teilnehmen sollten, eine Bedingung erfüllen mußten – das brauchen wir nicht vorzuschreiben, weil das natürlich ganz selbstverständlich ist, daß Anthroposophen ein ehrsames Leben führen, aber das scheint bei den Burschen des Ortes nicht immer der Fall gewesen zu sein. So wurde die strenge Vorschrift gegeben: die Burschen müssen die ganze Zeit, während die Proben stattfinden, ein ehrsames Leben führen.
Die zweite Bedingung, die einzuhalten war, war diese: sie dürfen die ganze Zeit über keine Schelmenlieder singen. Nun, ich habe nie gehört, daß Anthroposophen Schelmenlieder singen, also kommt diese Bedingung für unsere Mitspielenden nicht in Betracht! Die dritte Bedingung können wir allerdings nicht erfüllen, die von den Lehrmeistern

Vanaf de druivenpluk tot aan de kerst, wanneer er opgevoerd werd, werden er door de leermeester, de priester, leraar en door de meester die het stuk in zijn bezit had, strenge voorwaarden gesteld. Dergelijke voorschriften die betrekking hadden op het hele leven van die jongens, laten zien met wat voor ernst de zaak ondernomen werd. We horen dat bv. de mensen die zouden meedoen, een afspraak moesten maken – dat hoeven wij hier niet voor te stellen, omdat het natuurlijk heel vanzelfsprekend is dat antroposofen een fatsoenlijk leven leiden, maar dat schijnt bij de jongens van het dorp niet altijd het geval te zijn geweest. Zo werd de strenge regel gegeven: de jongens moeten de hele tijd waarin de repetities plaatsvinden, een zeer fatnsoenlijk leven leiden.
De tweede voorwaarde waaraan voldaan moest worden was deze – ze mogen de hele tijd geen ondeugende liedjes zingen. Wel, ik heb nog nooit gehoord dat antroposofen ondeugende liedjes zingen, dus voor onze leden geldt deze voorwaarde niet! De derde voorwaarde die door de leermeesters van de dorpsjongens werd gesteld, kunnen wij zeker niet stellen.

blz. 62

den Burschen des Ortes gestellt worden ist. Das ist diese, daß sie in der strengsten Weise, während die Proben stattfinden, Gehorsam leisten müssen den Lehrmeistern. Nun, meine sehr verehrten Anwesenden, das ist bei uns nicht durchzuführen! Also das würde uns gar nichts helfen, solch eine Vorschrift etwa zu geben. Ebensowenig ließe sich durchführen diejenige Vorschrift, die da bestimmt, daß Strafen zugelegt werden müßten für jeden Gedächtnisfehler, denn erstens behaupten unsere Leute, sie machen gar keine Gedächtnisfehler, und zweitens würden sie nie eine Strafe bezahlen! Aber Sie sehen aus diesen strengen Bedingungen, die da gestellt worden sind, daß man die Sache mit außerordentlichem Ernst auffaßte. Es ist wirklich ein Stück wunderbaren christlichen Lebens, das sich da erhalten hat. Unter den modernen Verhältnissen gehen auch diese Dinge ganz verloren. Wir betrachten es seit Jahren mit als eine unserer Aufgaben, solche Dinge, die mehr als irgendeine theoretische Geschichtsbetrachtung in das Leben der Vergangenheit hineinführen, auch wiederum lebendig vor die Gemüter der Gegenwart hinzustellen, und wir glauben, daß es wirklich auf diese Art möglich ist, zu zeigen, wie das Christentum vom 11. bis ins 19. Jahrhundert in zahlreichen Gemütern Mitteleuropas, bis weit nach dem Süden vor, gelebt hat. Wir glauben, daß man zeigen kann, wie cliristliche Gesinnung in den Herzen vorhanden war aus dem heraus, was diese Leute als Ausfluß ihrer christlichen Gesinnung in solchen Spielen zu allen Festeszeiten des Jahres geleistet und gezeigt haben.

Ze moesten, tijdens de repetities, strict naar de leermeesters luisteren. 
Nu, zeer geachte aanwezigen, dat kunnen we hier bij ons niet doorvoeren! Dat zou ons dus helemaal niets helpen, zo’n voorschrift geven. En evenmin zouden we de regel kunnen invoeren die voorschrijft dat er een straf opgelegd moet worden bij iedere geheugenfout, want ten eerste beweren onze mensen dat ze die helemaal niet maken en ten tweede zouden ze die straf nooit betalen! Maar aan deze strenge eisen die toen werden gesteld, kun je toch zien dat men alles buitengewoon serieus nam. Het is werkelijk een stukje wonderbaarlijk christelijk leven dat daar bewaard is gebleven. Onder de moderne verhoudingen gaan ook deze dingen totaal verloren. Wij beschouwen het al jaren als een van onze opdrachten deze dingen die meer dan wat voor theoretische geschiedsopvatting ook, tot op het leven van het verleden teruggaan, ook weer levendig voor de harten van deze tijd te vertonen en we geloven dat het werkelijk op deze manier mogelijk is te laten zien hoe het christendom van de 11e tot in de 19e eeuw in talrijke harten in Midden-Europa, tot ver naar het zuiden, leefde.
Wij geloven dat je kan laten zien hoe een christelijke stemming in de harten aanwezig was uit wat deze mensen als uitvloeisel van hun christelijke stemming in dergelijke spelen bij ieder feest van het jaar gepresteerd en getoond hebben..

[1] GA 274
[2] anekdote: hij had een litteken op zijn wang, veroorzaakt door het bijten van zijn moeder.
.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2059-1931

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 6 (6-3)

.

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

WAT IS DE POSITIE VAN HET IK?

Op blz. 96 (vert.) gaat het om de belangrijke vraag: hoe is het gesteld met het eigenlijke centrum van de mens, het ik ( ).

In zijn antwoord maakt hij a.h.w. eerst een grote omtrekkende beweging: naar boven ‘de kosmos’, maar ook een om ons heen, zelfs tot onder ons in de aarde.

Was wir Welt, was wir Kosmos nennen, das ist eine Summe von Tätigkeiten.

( ) Wat wij wereld, wat wij kosmos noemen, is een som van activiteiten.
GA 293/97  
Vertaald/96

Wereld en kosmos in één adem.

En over deze ‘activiteiten’:

Für uns drücken sich diese Tätigkeiten aus auf den verschiedenen Gebieten des elementaren Lebens. Wir wissen, daß in diesem elementaren Leben Kräfte walten.

Die drukken zich voor ons uit in de diverse gebieden van het elementaire leven. We weten dat er krachten werkzaam zijn in dit elementaire leven.
GA 293/97
Vertaald*/96

Hierbij is door de uitgever een voetnoot geplaatst:
*elementaire leven: Steiner doelt erop dat de hele natuur doortrokken is van verschillende soorten lagere geestelijke wezens, ook wel elementaire wezens genoemd. Zie o.m. Natuurwezens. De wereld van vuurwezens, elfen, nimfen en gnomen( )
GA 98

FUNDAMENTELE KRACHTEN

Steiner noemt hier deze wezens niet, maar spreekt over het fundamentele van het leven, het basale, dragende belang, van iets dat onmisbaar is voor het bestaan op aarde, waar de kosmos dan bij hoort, omdat ook van daaruit fundamentele krachten komen.

We hebben dan onmiddellijk te maken met de aanwezigheid van het minerale vaste, het vloeibare, vochtige; met luchtstromen en warmte. Bij deze elementaire verschijningsvormen horen allerlei wetmatigheden: het vaste is sterk onderhevig aan zwaarte, daarbij bv. de aantrekkingskracht naar de aarde; het vloeibare heeft als karakteristiek o.a. het beweeglijke, stromende.
Te denken valt aan rivieren. Maar ook in de mens: dat geldt uiteraard voor het vaste minerale: in het kristallijne van de botten; het vloeibare in het bloed, de lymfe, het weefselvocht; bij de luchtstromen hebben we o.a. te maken met hoge- en lagedrukgebieden, in de mens met de ritmische ademstroom. Ertussenin, er rondom heen, de warmte. En die vormt ook weer een belangrijk element in ons eigen (lichamelijke) bestaan: gebonden aan een vaste temperatuur, van ca 37º, het mag niet veel (5 à 6º) lager of hoger zijn: dan dreigt onmiddellijk levensgevaar.

Hoewel ik ‘op mezelf sta’, een zelfstandig wezen ben, ben ik tegelijkertijd in hoge mate afhankelijk van de mij omringende wereld. Ik zou niet op mezelf kunnen staan als ik geen vaste grond onder de voeten had. En ook voor de luchtstroom in mij, ben ik direct afhankelijk van de luchtstromen om mij heen.
In de 1e voordracht (blz. 24 -vert.) wijst Steiner al op die verbondenheid. In [1-7-2/1] is dit verder uitgewerkt.

Het lichaam is nu eenmaal niet denkbaar zonder de ons omringende omgeving en die strekt zich in wezen in vier richtingen uit: horizontaal links/rechts en verticaal met een boven en beneden.
En ‘tot hoog in de hemel’, van waaruit o.a. zon en maan hun onmiskenbare invloed op het geheel, mens en wereld, uitoefenen. 

Die Lebenskraft waltet zum Beispiel um uns herum. Und zwischen den elementaren Kräften und der Lebenskraft eingesponnen ist alles, was zum Beispiel die Wärme und das Feuer bewirkt. 

De levenskracht bijvoorbeeld werkt om ons heen. En met de elementaire krachten en de levenskracht is alles verweven wat bijvoorbeeld door de warmte en het vuur wordt bewerkstelligd.
GA 293/97
Vertaald/96

Hele bladzijden zijn er gevuld met informatie over warmte of het vuur. 
Hoe het laatste ontstaan is, gaat bv. in de Griekse mythologie terug tot aan de goden. Wat betekende het niet voor de verdere ontwikkeling van de mensheid!
Wat het vandaag de dag, nu, op dit tijdstip, betekent voor ons leven: het vuur in de bakkerij; in de staalfabrieken of bij de smid; wat het betekent voor de viering van bepaalde feesten: paas- en sint-jansvuren, bv.
En altijd de bedreigende kant die ons in ons elementaire bestaan kan vernietigen: brand! 
Ook nu – deze 15e nov. 2019 – wordt Australië geteisterd door enorme branden die het leven van sommige mensen totaal heeft ontwricht!
(In de jaren hierna woedden op verschillende plaatsen op aarde desastreuze branden!)

Steiner maakt nog een uitstapje naar Italië om iets van krachten die vanuit de aarde werken, te illustreren. Zie [6-3-1]

Denken Sie nur, wie sehr wir in einer Umgebung stehen, in der durch das Feuer sehr vieles bewirkt wird.

Bedenkt u eens dat we werkelijk in een wereld leven waarin door het vuur bijzonder veel wordt bewerkstelligd.
GA 293/97
Vertaald/96

Er zijn nog andere krachten werkzaam, bv. die van de straling. Er is natuurlijke straling, maar ook die door de mens is en wordt veroorzaakt. De meesten van ons leven al hun hele leven ‘doorstraald’. Doet dat iets aan/met ons en wat dan. 
Ons ‘Ik’ heeft er geen weet van, voelt het niet, zoals we een pijnscheut in bv. de maag voelen. Er zijn ‘gevoelige naturen’ die meer voelen dan een ander, maar ook deze dringen met hun Ik niet door tot wat er daadwerkelijk in ons gebeurt.

Tot de andere krachten rekent Steiner het licht als hogere kracht dan de warmte – hoewel hij dat hier niet zegt, hij heeft het nu over ‘hogere krachten’.

Wir leben in einer Umgebung, die überall von Kräften durchzogen ist.

( ) We leven in een omgeving die overal door krachten doortrokken is

Nun gibt es auch höhere Kräfte als die Wärme. Die sind auch in unserer Umgebung.

Nu zijn er ook hogere krachten dan de warmte in de wereld om ons heen.

Durch sie gehen wir immer durch, indem wir als physische Menschen durch die Welt gehen. Ja, unser physischer Körper, ohne daß wir es im gewöhnlichen Erkennen wissen, ist so geartet, daß wir das vertragen. Mit unserem physischen Körper können wir so durch die Welt schreiten.

Daar begeven we ons voortdurend in wanneer we ons als fysieke mensen in de wereld bewegen. Ja, zonder dat we dat gewoonlijk weten is ons fysieke lichaam zo ingericht dat we dat kunnen verdragen. Met ons fysieke lichaam kunnen we ons daarom bewegen in de wereld.
GA 293/98
Vertaald/96   

HET IK IN DE FUNDAMENTELE KRACHTEN

De vraag op blz. 96-vert. luidde: hoe staat het Ik daarin?
Misschien op het eerste gezicht een wonderlijke vraag. Maar als je in ogenschouw neemt dat we ‘er’ met ons Ik ‘wakker’ bij zijn, gaat dat niet op voor ons fysieke lichaam in bv. het geval dat we ons evenwicht verliezen en dat weer moeten herstellen vóór we omvallen, of erger: ergens in de diepte storten.
Er is geen ‘tweespraak’: ‘Gauw, je moet je evenwicht herstellen’. Dan lig je al!
Maar al zóu je dat kunnen zeggen, dan nog zou je niet weten hoe je dat moest doen. We weten wel iets van hamer en aambeeld, maar we hebben er niets aan: ook de oorspecialist die er alles van weet, heeft er niets aan: wij kunnen er niet bij komen: kennend wellicht nog een beetje, maar met onze wil al helemaal niet: we kunnen niet ingrijpen. Dat doet ons lichaam voor ons!

‘IK’ ALS JONGSTE LOOT

En passant noemt Steiner hier ons Ik: de jongste loot in onze evolutie,’
Vanuit een bepaalde karakteristiek over de ontwikkeling van de mens(heid) noemt Steiner deze ‘een bewustzijnsontwikkeling’.
Vergelijkbaar met de ontwikkeling van een kind dat ook steeds over meer bewustzijnskracht kan gaan beschikken. We bakenen dat graag wat af met de tijd waarop we iemand volwassen noemen. Bij velen is rond die tijd het sterkere gevoel aanwezig een ‘Ik’ te zijn geworden. Ook a.h.w. een jongste loot in een ontwikkeling die met de geboorte begon. Het duurde bv. ca 3 jaar voor je voor het eerst ‘Ik’ zei.

Ons fysieke lichaam geeft zich dus bijna ‘automatisch’ aan vele van de genoemde krachten over. Ons Ik kan dat niet.

Nog niet, zegt Steiner dan, dat komt ooit in verdere ontwikkelingsfasen.
Dat het Ik meer kan in verdere ontwikkelingsfasen, blijkt wel uit de ontwikkeling van de individuele mens – vergelijk het 3e jaar met bv. het 21e – maar hoe dat in de mensheidsgeschiedenis gaat, weten we niet, in ieder geval niet zoals Steiner schijnt te weten.

IK IN HET KENNEN

Dat we op de een of andere manier beschermd moeten worden voor te veel bewustzijn van de ons omringende krachten – ook die in ons doorwerken – kan ik me nog wel voorstellen. 
Als we werkelijk zo diep daarin zouden moeten doordringen dat we er alles van weten en ermee kunnen handelen, zouden we wel heel erg gebonden zijn aan onze lichamelijkheid. Zoals je leert fietsen: helemaal met je aandacht bij, bijna in de trappers en het stukje weg. Voor niets anders aandacht meer.

Voor mij doemde lang geleden het beeld op van het kijken naar de tv. Je kijkt naar een beeld – als het opgenomen is – niet meer naar de realiteit.
(De relatie beeld-realiteit behandelt Steiner al uitvoerig in de 2e voordracht).
Wat er bij het uitzenden en ontvangen allemaal gebeurt aan techniek – wanneer je daarin zo met je Ik aanwezig zou zijn dat je alle straling, omvorming en alles wat daarbij nog verder gebeurt, technisch-fysiek zou moeten meemaken, zou je aan tv-kijken niet meer toekomen. Wat er allemaal technisch gebeurt, blijft ons bespaard: het beeld is genoeg, sterker: daar gaat het om!

Mit unserem Ich, das die jüngste Bildung unserer Evolution ist, könnten wir nicht durch diese Weltenkräfte schreiten, wenn dieses Ich sich unmittelbar an diese Kräfte hingeben sollte. Dieses Ich könnte nicht an alles sich hingeben, was in seiner Umgebung ist und worin es selbst drinnen ist. Dieses Ich muß jetzt noch davor bewahrt werden, sich ergießen zu müssen in die Weltenkräfte. Es wird sich einmal dazu entwickeln, in die Weltenkräfte hinein aufgehen zu können. Jetzt kann es das noch nicht. Deshalb ist es notwendig, daß wir für das völlig wache Ich nicht versetzt werden in die wirkliche Welt, die in unserer Umgebung ist, sondern nur in das Bild der Welt. Daher haben wir in unserem denkenden Erkennen eben nur die Bilder der Welt, was wir vom seelischen Gesichtspunkte aus schon angeführt haben.
Jetzt betrachten wir es auch vom geistigen Gesichtspunkte aus. Im denkenden Erkennen leben wir in Bildern; und wir Menschen auf der gegenwärtigen Entwickelungsstufe innerhalb Geburt und Tod können mit unserem vollwachenden Ich nur in Bildern von dem Kosmos leben, noch nicht in dem wirklichen Kosmos. Daher muß, wenn wir wachen, unser Leib uns zuerst die Bilder des Kosmos

Met ons ik, de jongste loot in onze evolutie, kunnen we ons niet temidden van deze kosmische krachten begeven, althans als het zo zou moeten zijn dat het ik zich direct aan deze kosmische krachten overgeeft. Dit ik zou zich niet aan alles kunnen overgeven wat om hem heen is en waarin het zelf is opgenomen. Dit ik moet er in de huidige ontwikkelingsfase nog voor behoed worden te moeten uitstromen in de kosmische krachten. Eens zal het zich zo ontwikkelen dat het kan opgaan in de kosmische krachten. Nu kan het dat nog niet. Daarom is het noodzakelijk dat we met ons volledig wakkere ik nog niet leven in de werkelijke wereld om ons heen, maar slechts in het beeld van de wereld. En daarom nu hebben we in ons denkend kennen slechts beelden van de wereld – wat we ook al gezegd hebben vanuit het oogpunt van de ziel. Nu bekijken we dit ook vanuit geestelijk oogpunt. In het denkend kennen leven we in beelden, en wij mensen kunnen in de huidige ontwikkelingsfase tussen geboorte en dood met ons volledig wakkere ik slechts in beelden van de kosmos leven, maar nog niet in de werkelijke kosmos. Daarom moet ons lichaam ons, wanneer we wakker zijn, eerst de beelden van de kosmos verschaffen. Dan leeft ons ik in de beelden van deze kosmos.

Denn der wirkliche Vorgang dabei ist der: Wenn das Ich des Morgens in den Wachzustand übergeht, so dringt es in den Leib ein, aber nicht in die physischen Vorgänge des Leibes, sondern in die Bilderwelt, die bis in sein tiefstes Inneres der Leib von den äußeren Vorgängen erzeugt. Dadurch wird dem Ich das denkende Erkennen übermittelt.

Want in werkelijkheid gebeurt er het volgende: wanneer het ik ’s morgens in de waaktoestand overgaat, dan dringt het door in het lichaam, maar niet tot in de fysieke processen van het lichaam, nee, het dringt door in de beeldenwereld die het lichaam tot in zijn diepste innerlijk van de processen in de buitenwereld ontwikkelt. Daardoor krijgt het ik het denkende kenvermogen.
GA 293/98-99
Vertaald/97

Hier ‘voel’ je de relatie met ‘het spiegelen’ ‘terugstralen’ uit de 2e voordracht.

IK IN HET VOELEN

Iets soortgelijks, maar toch weer anders, speelt zich voor het Ik af bij het voelen en het willen.

Beim Fühlen ist es anders. Da dringt schon das Ich in den wirklichen Leib ein, nicht bloß in die Bilder. Wenn es aber bei diesem Eindringen voll bewußt wäre, dann würde es – neIimen Sie das jetzt seelisch – buchstäblich seelisch verbrennen. Wenn Ihnen dasselbe passierte beim Fühlen, was Ihnen passiert beim Denken, indem Sie in die Bilder, die Ihnen Ihr Leib erzeugt, mit Ihrem Ich eindringen, dann würden Sie seelisch verbrennen. Sie würden es nicht aushalten. Sie können dieses Eindringen, welches das Fühlen bedeutet, nur träumend, im herabgedämpften Bewußtseinszustande erleben. Nur im Traume halten Sie das aus, was beim Fühlen in Ihrem Leib eigentlich vor sich geht.

Bij het voelen is het anders. Bij het voelen dringt het ik wel door tot in het werkelijke lichaam en niet slechts tot in de beelden. Maar wanneer het ik daarbij het volle bewustzijn zou hebben, dan zou het — neemt u dit als zielenervaring letterlijk — verbranden. Wanneer u bij het voelen hetzelfde zou overkomen als bij het denken, namelijk dat u met uw ik in de beelden die het lichaam u verschaft doordringt, dan zou u als zielenwezen verbranden. U zou het niet uithouden. U kunt dit doordringen van het ik — het voelen — slechts dromend, met verminderd bewustzijn, meebeleven. Alleen dromend kunt u uithouden wat bij het voelen eigenlijk in uw lichaam gebeurt.
GA 293/99
Vertaald/97-98

IK IN HET WILLEN

Und was beim Wollen sich abspielt, das können Sie überhaupt nur erleben, indem Sie schlafen. Das wäre etwas ganz Schreckliches, was Sie erleben würden, wenn Sie im gewöhnlichen Leben alles miterleben müßten, was mit Ihrem Wollen vor sich geht. Der entsetzlichste Schmerz ergriffe Sie zum Beispiel, wenn Sie, was ich schon andeutete, wirklich erleben müßten, wie sich die durch die Nahrungsmittel dem Organismus zu- geführten Kräfte beim Gehen verbrauchen in Ihren Beinen. Es ist schon Ihr Glück, daß Sie das nicht erleben beziehungsweise nur schlafend erleben. Denn wachend dies erleben, würde den denkbar größten Schmerz bedeuten, einen furchtbaren Schmerz. Man könnte sogar sagen: das Erwachen ins Wollen besteht darin, daß für den Menschen, insofern er ein wollender ist, der Schmerz, der nur latent bleibt, betäubt wird durch den Schlafzustand im Wollen ins Bewußtsein treten.

En wat zich bij het willen afspeelt, dat kunt u enkel en alleen meebeleven wanneer u slaapt. Het zou een verschrikking zijn wanneer u in het dagelijks leven alles zou moeten meemaken wat er in uw willen gebeurt. Een afgrijselijke pijn zou u bijvoorbeeld overvallen wanneer u werkelijk zou moeten meebeleven hoe in uw benen de krachten die via het voedsel in het organisme zijn opgenomen verbruikt worden bij het lopen. Prijst u zich gelukkig dat u dat niet hoeft mee te maken, respectievelijk alleen slapend meemaakt. Wanneer u dit in waakbewustzijn zou moeten beleven, zou dat de allergrootste pijn, een afgrijselijke pijn oproepen. We kunnen zelfs zeggen: zouden we in de wil wakker worden, dan zou ons de pijn die normaal gesproken latent blijft voor de willende mens, die verdoofd wordt door de slaaptoestand in het willen, tot bewustzijn komen.
GA 293/99
Vertaald/98

Wat het Ik beleeft in denken – voelen – willen is onderwerp van [6-4

.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 6: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2058-1930

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde vdr. 6 (6-1)

.

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 98  vert.

DE KERN VAN DE MENSELIJKE ZIEL: HET  ‘IK’

Vanaf voordracht 6 bekijkt Steiner de mens vanuit een geestelijk standpunt. Wellicht is dat de reden dat hij nu pas langer stilstaat bij het Ik van de mens. 
Ook zijn visie op de mens vanuit het standpunt denken – voelen – willen bv. kan niet om dit Ik heen: immers:

ÍK denk, ÍK voel en ÍK wil.

Dat geldt eigenlijk voor elk gezichtspunt dat over onszelf gaat: het gaat mijn Ik direct aan. 

In de vorige voordrachten laat hij het vrijwel ongemoeid, maar nu gaat een groot deel van de voordracht over de positie van het Ik.

Steiner noemt het Ik hier: ‘het eigenlijke centrum’ van de mens.’

Wat is er zoal te ontdekken aan ‘dit eigenlijke centrum’?

IK BEN HET, MAAR WIE BEN IK EIGENLIJK?

Spreken over denken, voelen en willen, of lichaam, ziel en geest,
is spreken over ons zelf. Het is mijn lichaam, mijn ziel, mijn geest, mijn denken,  mijn voelen, en mijn willen.
En, om bij de laatste drie te blijven: IK denk, IK voel en IK wil.
Het zou dus niet moeilijk moeten zijn alles over het Ik te kunnen zeggen: we zijn het immers zelf. Maar daar begint al een moeilijkheid: Wie ben ik eigenlijk?

En tegelijkertijd is het ook wonderlijk dat we aan ons zelf kunnen vragen wie we zijn. Dat we dat aan een ander kunnen vragen, is duidelijk, maar aan ons zelf/mij zelf?
En wat te denken van het feit dat ik ook een tweegesprek met mezelf kan houden. Iedereen houdt volgens mij wel eens een tweegesprek met zichzelf. “In zichzelf praten”, of hardop, alsof je met een tweede persoon spreekt! Met evenveel  recht van spreken kun je zeggen: “met jezelf spreken”.

Dat veronderstelt toch een soort 2-deling. Veel mensen hebben deze ervaring.
(Ook bij het etherlijf zagen we een soort twee-deling: richting fysiek lichaam en richting ziel (gewaarwordingsziel).
En ook bij het astraallijf: richting etherlijf en richting bewustzijn(sziel)
Op een bepaalde manier geldt dit ook voor het Ik. Dat wordt nog duidelijker in de beschouwingen verderop in de voordracht.

GEWETEN

Het blijkt ook veel voor te komen dat het ene deel a.h.w. “geraadpleegd” wordt, als het andere deel iets wil, of gedaan heeft. Alsof de “raadgever” ook weet heeft van hoe het hoort of niet. Je kunt bij jezelf te rade gaan. Zou dat het ge-weten zijn, kun je je afvragen.
Een antwoord daarop vind je bv. in GA 4/108, vertaald/127. En een uitgebreide verhandeling in GA 59/236, vertaald/148

Je blijkt ook je eigen geweten te kunnen onderzoeken. Het geweten onderzoeken van iemand anders, is in wezen onmogelijk.

PERSOON

Wanneer iemand zich aan een ander voorstelt, zegt deze vaak: “Ik ben …” en dan volgt de eigennaam.

Maar er zijn talen, waarin in dit niet gebeurt.
Wij kennen het “ik heet….”, maar het Frans en het Italiaans bv. hebben: “Ik noem mij”. 
“Hoe heet U”? wordt dan:  “Hoe noemt u zich?”
In het Hongaars vraagt men: “Hoe noemen ze u? “

Ik heet wel Jan, maar ik had ook anders kunnen heten.
Kennelijk valt ons IK niet samen met onze naam. Je kunt hem tenslotte ook veranderen; iets wat met ons zelf niet zo gemakkelijk is.

Ik zou mij als Jan, willen kwalificeren, als “persoon”. 
Als ik dit in de taaluitdrukking serieus neem, zeg ik dus eigenlijk dat ik, als ikzelf, mij manifesteer als persoon, die Jan wordt genoemd.

Ik ben er “als Jan”. Dat is mijn persoontje. Is mijn persoontje ook een persoonlijkheid?  En zo nee, zou hij dat dan kunnen worden; en zo ja, waarom is die dat dan?

En wat te denken van het woord “persoon” in zijn oorspronkelijke betekenis, als masker. Het ‘personare’ in de betekenis van ‘doorheen klinken’: je ziet het wel niet – er zit een masker voor – maar daar klinkt wel iets van mij doorheen.

En opnieuw de vraag, wie verbergt zich achter dat masker. En dan kan ik me nog anders voordoen, dan ik ben. Alsof ik een ander ben.

Steeds duikt die tweedeling op.

DENKEN, VOELEN, WILLEN

Bij denken, voelen en willen: is het mijn denken, voelen en willen.
Als ik mooie (of minder fraaie) gedachten heb, ben ik degene die ze denkt en ik weet ook dat ik ze denk. Ik ben me bewust van mijn eigen denken; bewust van wat ik zelf denk, maar ook: dat ik zelf denk: ik ben mij bewust van mij zelf: zelfbewust.
Of zoals Toon Hermans eens zei: “Goh, ik denk wel eens, wat denk ik nou weer”.

WAKKER, DROMEN, SLAPEN

Ik kan me ook bewust zijn van mijn gevoelens en van wat ik wil. Toch is er verschil met het denken: ik weet altijd dat ik denk en wat ik denk; maar ik weet lang niet altijd wat ik wil. En gevoelens kunnen verwarrend zijn, dan ‘weet je het niet echt hoe het met je zit’.

Om te denken moet je wakker zijn.  Er moet zenuw-zintuigactiviteit zijn. Als we bij de wil, die in het ledematen-stofwisselingsgebied zijn intensiefste aangrijpingspunt heeft, naar de stofwisseling kijken, dan zijn we daar, in tegenstelling tot het denken, helemaal niet wakker bij aanwezig. Van onze eigen verteringsprocessen hebben wij geen weet. Het tegenovergestelde van weten/wakker is het geval: tegenover het bewustzijn staat hier de onbewuste activiteit. T.o.v. het wakkere, kan hier zeker gesproken worden van een gebied waarvoor wij met ons kennende vermogen, slapen.

Ons gevoelsleven, staand tussen denken en willen – hier nu even genoemd wakkerheid en slaap, zou dus een soort middenpositie moeten innemen tussen wakkerheid en slaap: en dat doet het ook. Voor veel van onze gevoelens geldt dat we ze niet echt wakker beleven; maar toch wel ervaren: niet bewust, ook niet onbewust, vager: hier is de term onderbewust op zijn plaats.

Je zou het een wat dromerig beleven kunnen noemen. Soms weet je niet eens waar ze vandaan komen: je bent onderhevig aan bepaalde stemmingen; soms worden ze ineens “wakker”, vooral als je je aan iets ergert (antipathie) of wanneer je wordt overspoeld door een golf van sympathie voor iets of iemand, zo maar vanuit het niets.

SCHEMA’S

Wie ‘iets’ bestudeert, ontkomt niet aan indelingen, schema’s, onderscheid enz.
Dat is bij antroposofie niet anders.

Steiner geeft een aantal aanwijzingen voor het bestuderen van….vul maar in:

Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.

Werkelijk begrip krijgen we, wanneer we de feiten op elkaar betrekken.
GA 293/119
Vertaald/111

Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

De werkelijkheid bestaat uit tegenstellingen. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet naar de tegenstellingen in de wereld kijken.
GA 293/124              
Vertaald/120

Seien Sie sich also klar darüber, daß Sie den Menschen nur dadurch erkennen können, daß Sie ihn immer von drei Gesichtspunkten aus betrachten, indem Sie seinen Geist betrachten. Aber es genügt nicht, wenn man immer nur sagt: Geist! Geist! Geist!

Bedenkt u goed dat u de mens als geesteswezen alleen kunt kennen door hem altijd van drie gezichtspunten uit te beschouwen. Maar u bent er niet wanneer u steeds maar weer ‘geest! geest! geest!’ zegt.
GA 293/132
Vertaald/128

Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige.

Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven
GA 293/148
Vertaald/143

Zo zijn er tot nog toe verschillende schema’s gehanteerd:

Vanuit het  lichaam gekeken: hoofd, romp en ledematen.
Daar kwam bij: zenuw/zintuigsysteem; hart/longensysteem; stofwisseling-ledematensyteem.
Hieraan werd gekoppeld: rust, ritme en beweging.

Vanuit de ziel: denken, voelen, willen

Daar is nu aan toegevoegd: vanuit de geest: wakker, dromen, slapen.

De kern in dit alles: het IK

Het hoeft niet te verbazen dat Steiner als geesteswetenschapper over ‘de geest in ons’ – ons Ik – veel heeft gezegd. En dat weer op de voor hem karakteristieke manier: door te karakteriseren vanuit verschillende standpunten:

Durch das Selbstbewuβtsein bezeichnet sich der Mensch als ein selbständiges, von allem übrigen abgeschlossenes Wesen, als „Ich“.

Door het zelfbewustzijn kan de mens zich bestempelen als een zelfstandig wezen, afgezonderd van al het overige, als een ‘Ik’.
GA 9/27
Vertaald/43-44

Im „Ich“ faβt der Mensch alles zusammen, was er als leibliche und seelische Wesenheit erlebt.
Leib und Seele sind die Träger des Ich; in ihnen wirkt es.
Wie der physische Körper im Gehirn, so hat die Seele im „Ich“ ihren Mittelpunkt.

In dat woordje „Ik” omvat de mens alles wat hij als lichamelijk wezen en als zielswezen beleeft. Lichaam en ziel zijn de dragers van het „Ik”, dat in hen werkt. Zoals het fysieke lichaam ten opzichte van de hersenen, zo vindt de ziel haar middelpunt in het „Ik”.

Das „Ich“ bleibt als die eigentliche Wesenheit des Menschen ganz unsichtbar.

Het „Ik” als het eigenlijke wezen van de mens, blijft onzichtbaar. 

Mit seinem Ich ist der Mensch ganz allein.

Met zijn „Ik” staat de mens helemaal alleen. [op zichzelf gesteld]

Dieses „Ich“ ist der Mensch selbst. Das berechtigt ihn, dieses „Ich“ als seine wahre Wesenheit anzusehen.

Dit „Ik” is de mens zelf. Het geeft hem het recht om dit „Ik” als zijn ware wezen te beschouwen.

Er darf deshalb seinen Leib und seine Seele als die „Hüllen“ bezeichnen, innerhalb deren er lebt; und er darf sie als leibliche Bedingungen bezeichnen, durch die er wirkt.

Hij mag op grond daarvan zijn lichaam en zijn ziel als omhulsels zien, waarbinnen hij leeft, en hij mag ze als zijn lichamelijke voorwaarden aanduiden, waardoor hij kan werken. 

Das Wörtchen „Ich“ ist ein Name, der sich von allen anderen Namen unterscheidet.

Het woordje „Ik” is een naam die zich van alle andere namen onderscheidt.

Es kann ihn keiner anwenden zur Bezeichnung eines andern; jeder kann nur sich selbst «Ich» nennen. Niemals kann der Name «Ich» von außen an mein Ohr dringen, wenn er die Bezeichnung für mich ist. Nur von innen heraus, nur durch sich selbst kann die Seele sich als «Ich» bezeichnen. 

Het woordje ‘Ik’ kan niemand gebruiken met betrekking tot een ander; elk mens kan alleen zichzelf ‘Ik’ noemen. Nooit kan de naam ‘Ik’ van buitenaf naar mij toe komen als men mij bedoelt. Alleen van binnenuit, alleen door zichzelf kan de ziel zich ‘Ik’ noemen.
GA 9/28
Vertaald/44

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 6: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2057-1929

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Paradijsspel

.
Pieter HA Witvliet
.

paradijsspel in jip-en-janneketaal
.

Nee, dit is ABSOLUUT GEEN PLEIDOOI om voortaan een andere taal in het Paradijsspel uit Oberufer te gaan gebruiken.

Iedere vorm van aanpassing – hoe mooi verder van taal – haalt het niet bij wat Sanne Bruinier destijds maakte van het Oberuferer dialect. 
Zij was onnavolgbaar – onnavolgbaar! in staat het klankrijke, sappige, boerse, van het dialect over te brengen in een bepaalde vorm Nederlands waarin ze allerlei elementen uit de taal van vervlogen jaren gebruikte.
Het is dus geen bestaand (oud) dialect, noch Middeleeuws, noch Middelnederlands.

Het Paradijsspel – maar dat geldt ook voor het Kerstspel en het Driekoningenspel – is qua taal niet te verbeteren zonder dat de diepe gemoedsbeleving van de dialectklanken verloren gaat.
Altijd zal – ook al is de taal nog zo bloemrijk vervangen – er meer intellect, dus minder leven, het spel binnendringen.
(Een interessante ervaring van een groep spelers)

Ook onze bestaande dialecten willen ‘vertalen’ naar het Nederlands zou aan de zeggingskracht van die dialecten veel afbreuk doen. Uitdrukkingswijze, intonatie, beleving gaan bij de dialectsprekende mens dieper dan de mens die de grootste gemene deler van de taal: het ABN spreekt.
Als spreker van beide kom ik uit ervaring tot die conclusie.

Mijn jip-en-janneketaal verhoudt zich tot de taal van de Kerstspelen als een grijsgrauwe regenboog tot de werkelijke pracht van de regenboogkleuren.

Waarom ‘vertaal’ ik de woorden dan naar begrijpelijk Nederlands?
Omdat er telkens maar weer opmerkingen zijn over ‘hoe moeilijk die teksten te begrijpen zijn’.
Dat tekent onze huidige situatie: we willen weten, kennen; we leven tenslotte in een intellectualistische tijd. En natuurlijk: als de woorden je niets zeggen, moet je het hebben van het beeld. Ook dat heeft het vermogen om tot je te spreken: beeldentaal!
Dat geldt vooral bij kinderen; zij hebben een veel mindere behoefte bij deze spelen ‘alles’ te begrijpen, omdat ze ook een groot deel langs een andere weg verstaan.

Maar goed, voor de mensen dus die de tekst moeilijk vinden, hier een huis-tuin-en keukenversie.
Maak er een folder van, zet die tekst in de schoolkrant, kortom verspreid die onder de mensen die er behoefte aan hebben, zodat ze van tevoren – thuis! – zich kunnen voorbereiden op de inhoud. 

Daarmee zouden de klachten over de verstaanbaarheid tot het verleden moeten gaan behoren en hoeft de heilloze weg van het ‘hertalen’ niet ingeslagen te worden.

PARADIJSSPEL

Lied bij binnenkomst

1. Singhen wilc uyter herten myn
Ik wil met heel mijn hart zingen
alst leyt in myn gemoet,
zoals ik het voel
heer, laet ‘t myn mond gegeven syn
heer, geef dat mijn mond 

dat het u preysen doet!
u kan prijzen
want ghy syt onsen god
want u bent onze God
– laet af van alle spot –
spot niet
die alle dinc geschaepen heit
die alles geschapen heeft
ent al bestiert nae syn beleyt,
en alles met beleid bestuurt
geloofd, geloofd sy god!
geloofd, geloofd zij God

2. En in het midden daer stond een boom,
En in het midden stond een boom 
met kostlycke vrugt belaen,
met daaraan de kostelijkste vruchten
die haer van god verboden wierd:
die werden door God verboden
die soudense laeten staen.
die moesten ze laten staan
Sy en mochten die niet smaeken,
daarvan mochten ze niet proeven
sy en mochten daer aen niet raeken.
die mochten ze niet aanraken
Den boom sou syn het leven:
de boom zou het leven betekenen
daer omme wil god niet en gheven
daarom wil God niet de vruchten geven
de vrught die hong daer aen.
de vruchten die eraan hingen

De boompjesdrager

Goê sanghersluyden myn, coomt naederby
Mijn beste zangers, kom eens dichterbij
en siet wat grote vreught en eer u deusen dach geschiedt:
en kijk eens wat u aan vreugde en eer op deze dag overkomt
veul vollecks sit bijeene alhier in deusen sael, groot ende kleyn,
er zitten heel wat mensen in deze zaal, groot en klein
die syn gecomen al te mael u spel te hooren.
die zijn allemaal gekomen om u spel te horen
So wilt rontsomme staen
dus kom eens rondom me staan
en neerstellic een wyl voor haerluy singhen gaen.
dan gaan we aanstonds even voor hen zingen
Toont een betaamelyc en vroom gesicht,
toon een fatsoenlijk en ernstig gezicht
soodat ghyse allen oock van herten sticht;
zodat ze er ook van harte beter van worden
merckt dat u stemme suver word’ gehoordt
let erop dat uw stem zuiver wordt gehoord
en hertelyck klinck’ u gesanck ende woord.
en dat uw woord en gezang hartelijk klinkt
Alevel groeten me te voren
Maar van te voren groeten we
de goê gemeynt, so u wel vlytigh aen wilt hooren.
de mensen hier die aandachtig naar u gaan luisteren
Maer laet ons teersten groeten god vader in synen troon,
Maar laten we allereerst Godvader op zijn troon groeten
en groeten me desgelyc synen eenighen soon,
en groeten we net zo zijn enige zoon
mitgaeder den heylighen geest hooch vereert,
en daarbij ook de heilige geest, hoog vereerd
die aen ons menschen den wegh ter waerheyt leert.
die aan ons mensen de weg van de waarheid leert
Groeten me tesamen heel de heilighe triniteit:
Laten we samen heel de heilige drievuldigheid groeten,
vader, soon ende geest gedrieën in eenicheit.
vader, zoon en de heilige geest, met z’n drieën een eenheid
Groeten me Adam en Eva in den hove,
Groeten we Adam en Eva in de hof
daer me allen wel geern souden binnen moghen.
daar zouden we allemaal wel graag naar binnen mogen
Groeten me oock alt geboomt ende gediert,
Groeten we ook alle bomen en de dieren,
soo veul als in het paradys gevonden wierd.
zoveel als er in het paradijs worden gevonden
En groeten me fyn neffens de andere dieren
En daarnaast groeten we ook de andere dieren
de veughelkens die soo schone slaen ende tierelieren.
de vogeltjes die zo mooi slaan en tierelieren
Groeten me oock het gantsche firmament,
Groeten we ook het hele uitspansel
alsoo god heere heyt gheset aen swaerelts end.
dat God zo aan het einde van de wereld heeft gezet
Groeten me seer de edele overheydt;
Groeten we de edele overheid
Groeten me meester, nu als tallentyd.
Groeten we zoals altijd de meester
Groeten me de eerwaerde geestlycken soo goet me connen,
Groeten we de eerwaardige geestelijken zo goed als we kunnen
Noyt en moghen me iet speulen, als sy ’t niet en gonnen.
nooit mogen we iets spelen als zij het ons niet gunnen

Groeten me tsaem de schepenen en den schout,
Groeten we allemaal de schepenen en de schout
De vroe raetheeren nae vermoghen, jong ende oud.
en jong en oud naar vermogen de wijze raadsheren
Want we sullense al gaeder gevoeghelyck eeren
want die moeten we fatsoenlijk eren
Naerdien sy over ons ghestelt syn van god ons heere.
want God heeft die toch boven ons gesteld
En nu, goê sanghersluyden myn, fanght vlytigh aen,
En nu, mijn beste zangers, begin eens ijverig
den boom, dwelc in het midden van den hof doet staen,
de boom, die daar in het midden van de hof staat
daer van en mach niemant de vrught niet en aenroeren,
daarvan mag niemand de vruchten aanraken
soo hy nae gods ghebieden tleven wilt voeren;
als hij naar Gods gebod wil leven
die boom willen me oock groeten op syn best
die boom willen we ook groeten op ons best 

met al syne vrughten, van de eerste tot de lest.
met al zijn vruchten, van de eerste tot de laatste
Die quaie Eva isser eenmael van gaen eten,
die slechte Eva is er een keer van gaan eten
toen heyt Adam – die hals – er oock van gegeten.
toen heeft Adam, de sukkel, er ook van gegeten
Daervuur wirdense van god verstooten meteenen;
daardoor werden ze door God meteen uit het paradijs verdreven
aen deuse saack willen me allen exempel nemen.
aan deze zaak willen we allemaal een voorbeeld nemen.
Allenich den duvel, die en willen me niet groeten,
Alleen de duivel, die willen we niet groeten
veur dien de lieve heer ons mach behoeden,
voor hem mag de lieve God ons behoeden
we willen den booserick in syne steerte knypen
we willen de booswicht in zijn staart knijpen
en in syne leul’ eken haeren grypen.
en bij zijn lelijke haren grijpen
Alsoo, goê sanghersluyden myn, hebt ghe allen wel geheurt
Dus, mijn beste zangers, nu hebben jullie allemaal wel gehoord
van dat tonser schaede int paradys is gebeurt.
over wat er tot ons nadeel, in het paradijs is gebeurd
Laet ons tende groeten ons leermeester goet
Laten we op het einde onze goede leermeester groeten
en groeten me oock syne const en synen moet,
en groeten we zijn kunde en zijn moed
met dwelck hy onse rauwe stemmen 
sonder als te veul slaegh 
waarmee hij onze ruwe stemmen zonder al te veel slaag
heyt tomen kennen.
in het gareel heeft gekregen
Nu weet ghy wat van u begheert u oud compaan,
Nu weten jullie wel wat je oude vriend van je wil
goê sanghersluyden myn. Soo fanghet aen.
dus, mijn beste zangers, laten we beginnen.

De engel

k Treet voor uluyden sonder spot!
Zonder te spotten treed ik voor u op!
goên avend saamen gheve u god,
God geve u hier samen een goede avond
een goên avend ende geseeghende tyt
een goede avond en een gezegende tijd
mooch ons van daerboven syn toegeseit.
mag ons van daarboven toegezegd zijn
Agtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren,
Geachte, wijze, goedgunstige heren
oock deugtsaame vrouwen
ook deugdzame vrouwen
ende jonckvrouwen in alle eere,
en juffrouwen met alle eer
wilt altegaer niet euvel duyden
neem ons alles bij elkaar niet kwalijk
dat wy ons spel gaen toonen voor uluyden,
dat wij ons spel voor jullie gaan opvoeren
en wel van Adam en Eva, ent verhael
en wel over Adam en Eva en het verhaal
hoese uytet paradys verdreeven syn eenmael.
hoe ze eens uit het paradijs zijn verdreven
Soo ghy bereyt syt om ons aen te hooren,
Als u bereid bent om naar ons te luisteren
swycht stil en opent wyt u ooren.
wees dan stil en zet uw oren wijd open

Lied

1. Hoe koel schynt ons den morgen,
Wat lijkt de morgen nog fris
de sonne leyt verborgen,
de zon is nog niet opgekomen
en alles wat leeft god eere gheeft.
en alles wat leeft, geeft god de eer

2. Wy coomen van alsoo veer gegaen
Wij komen nog al van ver
uytet land van Babilon vandaen.
uit het land van Babylon.
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles…

3. Eens schiep de heer die boven troont
Eens schiep de heer die boven zijn troon heeft
het wereldryck en wat daar woont.
het wereldrijk en wat erop woont
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja alles…

4. God schiep de gansche wyde aerdt,
God schiep heel de wijde wereld
met alle schepselen nae haer aerdt,
met alle schepselen zoals ze zijn
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja alles…

5. Als oock de hooghe hemelstent
Als ook de hoge hemel
met zon ende maan aent firmament.
met zon en maan aan ’t firmament
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja alles…

6. En maeckt, als ’t al geschaepen is,
En maakt, als alles geschapen is
de mensch nae syn gelyckenisd
de mens naar zijn evenbeeld.
.
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja alles…

7. Wel heeft god alle werck volbraght:
God heeft al het werk mooi gemaakt
den lighten dach en oock de nacht.
de lichte dag en ook de nacht
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja alles…

8. Adam formeert hy uytet stof
Adam formeert hij uit stof
en set hem in syn groenen hof.
en plaatst hem in de groene hof
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles…

God spreekt

Adam, nu neemt den adem des levens,
Adam, neem de levensadem
dien ghy ontfaet mit deuzen dach
die je vandaag krijgt
neemt oock verstant waerdoor ghy leert
neem ook verstand waardoor je leert
dattic u uyt stof heb geformeerd.
dat ik je uit stof heb gemaakt
Soo leef dan. En van stonde af aen
Zo leef dan. Van begin af aan
gaet steevast op uw voeten staen!
ga stevig op je voeten staan
Spreeckt op, Adam, en segt my nu,
Spreek Adam en zeg me nu

myn schepping, hoe behaegt sy u?
mijn schepping, hoe bevalt je die?

Verwondert u niet de aarde wyt?
Verwonder je je niet over de wijde aarde?
der zonne glans en heerlyckheyt?
de glans van de zon, de pracht
en myn gewelfden hemelsboogh?
en mijn gewelfde hemelboog
‘k Mocht weten, Adam, oft u oogh
‘k zou willen weten Adam of je 
mit lust op al dit schoone blickt.
met plezier naar al dit moois kijkt.

Adam

O heer, hoe wys heeft ‘t al besc:hickt
O heer, hoe wijs is dit allemaal gedaan

u goddelycke majesteyt
door uw goddelijke majesteit
Oock myn heeft u almogentheyt geschaepen
ook ik ben door u, almachtige, geschapen
soo dat ick erken hoeck nae u beelt geschaepen ben.
zodat ik erken hoe ik hoe ik naar uw beeld geschapen ben
U wil mach volghen t’ allen tyt,
Dat ik te allen tijde uw wil mag volgen
soals ghy myn int herten lyt.
zoals u dat in mijn hart hebt gelegd

God:

Siet, Adam, veulderhand gediert
Kijk eens Adam, allerlei dieren
dwelc u van myn geschonken wierd.
die ik u heb geschonken
lck gheef het u in heerschappy,
ik geef u er de zeggenschap over
en bergh’ en daelen noch daer by oock
en berg en dal hoort daar ook bij
het gevogelt van den hemel,
de vogels in de lucht
der visschen spartelend geweemel.
en het spartelend gewemel van de vissen
‘k Wil met u deelen het bestuur
met jou wil ik het bestuur
over de gansche creatuur.
over de hele schepping delen
U woonstee hebt ghy voor altyt
Je zal altijd in mijn groene hof die zo groot is,
in myn geplanten hof so weydt.
kunnen wonen
Proef vryelyck van allen boomen
Proef vrij van alle bomen,
daer van de vrught u wel becoome.
de vruchten ervan zullen goed voor je zijn
Al wat daer groeyt int paradys
Alles wat er in het paradijs groeit
sy u tot kostelycke spys.
is kostelijk voedsel voor je
Doch wil ick, almachtich god
Maar ik, rechtvaardige God,
u gheven één gestrangh gebodt:
 geef je een ernstig gebod
Aensiet den boom van goet en quaat,
Kijk eens naar de boom van goed en kwaad
die ginder in het midden staet.
die daar in het midden staat
(de allerbeste, moet ge weten),
je moet wel weten dat dat de allerbeste is
daervan en sult ghy nimmer eten.
daarvan mag je nooit eten
Ten daghe dat ghy u vermeet
Op de dag dat je dat toch doet
en de verboden boomvrught eet,
en de verboden boomvrucht eet
de doot voor eeuwich sult ghy smaeken,
dan zal je voor eeuwig de dood ondergaan
ja int verderven plots geraeken.
en meteen in verderfelijke omstandigheden raken
Merckt uyt hetgeen ick u geboot
Let wel dat aan het gebod dat ik je gaf
dat hy, die ‘t leven en de doot u gaf,
dat hij die je het leven en de dood gaf,
het alsoo nemen can.
dat ook weer af kan nemen

Lied

1. Adam erkent die alles schiep
Adam erkent, hij die alles schiep
hem selfs en elck dingh int aensyn riep.
hem en elk ding te voorschijn riep
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles…

2. Hy schonk hem alde vrughten soet,
Hij schonk hem alle zoete vruchten
begeerlyck voor ‘t oogh,
begeerlijk om naar te kijken
tot spyze goet.
tot goed voedsel
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles…

3. Eén boom des hofs sou hy vermyden
Eén boom in de hof moest hij vermijden
opdat hy niet mogt schaade leyden.
zodat hij er geen nadeel van zou ondervinden
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles…

4. Die boom sou kennen quaat en goet,
de boom van de kennis van kwaad en goed
God spreeckt: Dit prent in u gemoet.
God spreekt: denk daar goed aan
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles...

5. God nu deet een slaep soo diep
God liet Adam nu
op Adam vallen en hy sliep.
diep in slaap vallen
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja,alles…

6. Hy neemt, als Adam de ooghen sluyt,
Hij neemr als Adam de ogen sluit
syn ribbe en schept een vrouw daeruyt.
een rib en maakt daar een vrouw uit
Ja, alles wat leeft
god eere gheeft.
Ja, alles…

God:

Een ribbe uyt Adams lichaam bouw ick,
Een rib uit Adams lichaam vorm ik
hem ter hulpe, tot een vrouw,
voor hem als hulp, tot een vrouw
Adam wordt wacker, wilt opstaen,
Adam wordt wakker, sta op
Hier neemt u ghesellinne aen.
Hier neem je levenspartner tot je
Sy is geschaepen uyt u lyf,
Ze is uit je lichaam gemaakt
mit u te deelen dit verblyf;
om het leven hier met je te delen
Sy is temet uyt u gebeent,
Ze is zojuist uit je gebeente ontstaan
dies – hebt haer lief,
dus heb haar lief
weest trou vereend
blijf trouw bij elkaar
Myn enghel behoede u allerweeghen.
Overal waar je gaat behoedt mijn engel jullie
U volghe staeg myn milde seeghen.
Mijn milde zegen volgt jullie
Weest vrugtbaer, u naecomelinghen
Wees vruchtbaar, jullie nakomelingen
vervullen ‘t aerdtryck.
bevolken de hele aarde
Alle dingen syn u,
Alles is van jullie
soo ghy gehoorsaem syt.
als je gehoorzaam bent

Adam 

Van herten ben ick hiertoe bereydt o heer,
Daar ben ik van ganser harte toe bereid, o heer
want ghy hebt my gegheven
want van u heb ik al het geschapene gekregen
al creatuur en oock myn leven.
en ook mijn leven

Hoe lieffelyck, Eva, op deuse wys
Wat fijn, Eva om op deze manier
met u te wonen int paradys,
met je in het paradijs te wonen
dwelc god de heer ons wilde gheven
dat God de heer ons wilde geven
om soo vernoegd daerin te leven van lasten vry.
om daar zo fijn in te kunnen leven zonder problemen
Slechts één gebodttgaf ons de goedertieren god.
De goede God gaf ons maar één gebod
Ei, hoort de blye vogels quelen,
Ah, hoor de vogels eens zingen
siet alom het gedierte spelen;
kijk de dieren eens spelen
tsyn boomen overal, veulderhand vrughten sonder tal.
en wat veel bomen en heel veel vruchten
daervan te eten met syn beyden,
daar kunnen we met z’n tweeën van eten
en hoeven maer één boom te meyden.
en we hoeven maar van één boom af te blijven
de beste, die int midden staet.
de beste, die in het midden staat
Daer van god niet en eten laet.
Daar mogen we van God niet van eten
Ten daghe dat wy ons vermeten
De dag waarop we ons daaraan schuldig maken
van de verboden boom te eten,
en van de verboden boom eten
de doot voor eeuwich sulle’me smaeken,
dan zullen we voor eeuwig de dood ondergaan
ja, int verderven plots geraeken.
ja meteen in verderfelijke omstandigheden raken
Merckt uyt hetgeen ons god geboot
Weet dus wel dat God
dat hy, die ’t leven en de doot ons gaf,
die ons het leven en de dood gaf
het alsoo nemen can.
het ook weer af kan nemen

Lied

1. Nu leefdense vol heerlyckheit;
Nu leidden ze een heerlijk leven
elck dingh was tot haar dienst bereydt.
alles stond hun ten dienste
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles...

2. Soo dra de duyvel sulcks vernam
zodra de duivel dit hoorde
hy heimelyck geslopen quam.
kwam hij heimelijk aangeslopen
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles…

3. Al nae der slanghe wyze al in den paradyze.
Als een slang sloop hij het paradijs in
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles…

Duivel:

lek come in het paradys geslopen
Ik kom als een slang
al nae der slanghe wys.
het paradijs binnen geslopen
God schiep temet een menschenpaer,
God schiep zojuist een mensenpaar
hy cierde het soo wonderbaer
hij maakte dat zo wonderbaarlijk mooi
en settet in syn schoon plantsoen:
en gaf het een plaats in zijn mooie tuin
maar ick sal sien
maar ik zal eens kijken
of ‘k se daer uyt can doen
of ik ze eruit kan krijgen
Dies coom ick in het paradys
Dus kom ik in het paradijs
en maek datse eten van de spys.
en zal er voor zorgen dat ze eten van dat voedsel
Hoe, sullense alle vrughten smaeken,
Wat! van alle vruchten mogen eten
en aen die ééne boom niet raeken?
en die ene boom niet mogen aanraken?
Adam, proeft van het sap soo ryck,
Adam, proef eens van het heerlijke sap
soo wort ghy aen u god gelyck.
dan word je net als God
Ghy, rozige Eva, neemt gerust dees appel
Jij, prachtige Eva, neem gerust deze appel
eet nae hartelust en
eet er maar lekker van
gheeft ervan aen Adam oock.
en geef Adam er ook wat van

Lied

Toen pluckte sy den appel af
Toen plukte de duivel de appel af
en Eva dien te eten gaf.
en gaf die aan Eva te eten
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles

Eva

Siet hier Adam, ick ben u vrouw en ghy myn man.
Luister eens, Adam, ik ben je vrouw en jij mijn man
lek bid, beschouw die schoonste daer van alle boomen
ik vraag je, kijk eens naar de mooiste van alle bomen
daervan ick gheen vrught noyt heb genoomen
ik heb er nooit een vrucht van genomen.
Het lust my, voort er van te eten.
Nu heb ik wel zin om er van te eten
Adam, wilt ghy de waarheidt weten,
Adam, wil je de waarheid weten
dit is de allerbeste spys.
dit is het allerbeste eten
Hier, neemt hem aen
Hier, pak aan
en proeft ereis als ghy my mint.
en proef er eens van, als je van me houdt
Het is een lust dit sap te smaeken.
Het is heerlijk dit sap te proeven
Eet gerust!
Eet gerust!

Adam:

Soo het aen my lag, syde ick neen,
Als het aan mij lag, zei ik nee
soo ick eet, isset om u alleen.
als ik het doe, is het alleen voor jou

Ach, hoe dat ‘t myn gemoet verwandelt….
Ach, nu voel ik me totaal anders

Lied:

1. Sy gaf oock haeren man met haer,
nu gaf ze er ook haar man van
geopend wird hem ‘t ooghenpaer.
nu zagen ze alles heel anders
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles...

2. Sy aten en in de eigen stond
Zij aten en op hetzelfde tijdstip
wierd heel de waerelt met verwond.
leed de hele wereld daar ook onder
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles

Duivel

lek ben de duyvel van de echtelie’n
Ik ben de duivel van de echtparen
aldaer wort ick soo menichmael gesien.
daar word ik nogal eens gezien
‘k Blaas haerluy int oor: waerom al’daghen
dan fluister ik in hun oor: waarom elke dag
sichselven en malkander plaaghen?
jezelf en elkaar pesten
De man can sich opknoopen,
De man kan zich ophangen
de vrouw int water loopen
de vrouw in’t water lopen
dan synse van al haer plaaghen af,
dan zijn ze van al hun kwellingen af
by myn hebbense in de hell’haer graf.
bij mij in de hel hebben ze dan hun graf
Adam en Eva heb ick oock bedroghen,
Adam en Eva heb ik ook bedrogen
hebse listichlyck iet voorgelooghen,
die heb ik listig wat voorgelogen
datse overtraden gods gebodt
zodat ze Gods verbod overtraden
en aten dat god verboden hat.
en aten wat God verboden had
‘t Is regt, ‘t is regt, sulcke fruyt
’t Is goed, ’t is goed, 
en gheef ick niet om een duyt;
ik geef geen cent voor dat soort fruit
hadden Adam en Eva pruymedanten genoomen,
als Adam en Eva pruimedanten hadden genomen
‘t waerse duysent mael beter becomen!
dan was dat ze duizend keer beter bekomen

Adam:

Ach, myn gemoet is gansch verwandelt!
Ach, mijn ziel is helemaal veranderd
O vrouw, seer qualyck heb ik gehandeld
O, vrouw, ik heb er zeer slecht aan gedaan
deur dien ick volleghde u raet.
je raad op te volgen
Het bloote swaert nu voor my staet;

alleen het zwaard staat nu voor me
ick sien my naekend en oock bloot,
ik zie dat ik naakt en bloot ben
o Eva, onse sonde is also groot.
o Eva, onze zonde is heel groot

God:

Waer syt ghy Adam, coomt tot my.
Waar ben je, Adam, kom bij me

Adam:

Hier ben ick heer,
Hier ben ik, heer

lek schaem my voor u ooghen seer.
in uw ogen schaam ik me zeer

God:

Wat schaemt ghy u?
Waarom schaam je je

Adam:

Omdat ik at
Omdat ik at

Wat ghy, o heer, verboden hadt.
van wat u, heer, verboden had

God:

En waent ghy Adam, durft ghy hopen
En leef je nu in de waan, Adam, durf je te hopen
dat ghy u straffe sult ontloopen.
dat je je straf zal ontlopen
of dat ghy u vergryp niet boet?
of dat je voor dit vergrijp niet moet boeten
wie gaf u, Adam, d’euvelen moet?
wie gaf jou, Adam, de brutale moed

Adam:

Och heer, ick sweer u by myn trou,
Och, heer, ik zweer het bij mijn trouw
Eva, die ghy my gaeft tot vrouw,
Eva, die u mij tot vrouw gaf
die gaf my van den boom te eten:
die gaf mij van de boom te eten
ick en hadde my waerlyck niet vermeten.
ik zou het echt nooit gedurfd hebben
Een schoonen appel pluckte sy
zij plukte een mooie appel
en beet er in, – ick stond er by –
en beet erin – ik stond erbij
soo overtradt sy u gebodt
zo overtrad zij uw gebod
en met coomt ghy daer aen, heer god.

en nu komt u er net aan, heer God

God:

Waer is de vrouw die sulckx misdeed?
Waar is de vrouw die zich misdragen heeft

Adam:

Ginds by dien boom, heer, dattic weet.
Ik weet het, daar bij die boom, heer.

God:
Wat is dit dat ghy hebt gedaen?
Wat is dit, wat heb je gedaan

Eva:

De boose slangh, heer, dreef my aen
de boze slang, heer, zette mij ertoe aan

met haer bedrogh, soolang
met haar bedrog, net zolang
tot dat ‘k van de verboden vrughten at.
tot ik van de verboden vruchten at
Heer, voortaan doenme wat ghy seght.
Heer, voortaan doen we wat u zegt

God:

Waer syt ghy Gabriël myn knegt?
Waar ben, Gabriël, mijn knecht
Coomt haestelyck hier
kom snel hier
opdat ghy hoort myn goddelycken wil en woordt:
om mijn goddelijke wil en woord te horen
Adam en Eva sult ghy heden
Adam en Eva moet je heden
verjaghen uyt den hof van Eden.
verjagen uit de hof van Eden
Dryft met myn blinkend swaert hen uyt, de poort,
Verdrijf hen met mijn blinkend zwaard uit de poort
die ick voor eeuwich sluyt.
die ik voor altijd sluit

Lied:

Toen joegh de engel Gabriël
Toen joeg de engel Gabriël
hen uyten hof nae gods bevel.
hen op Gods bevel uit de hof
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles…

Engel:

lek heb ontfangen een gebodt
Ik heb een gebod ontvangen
al van den allerhoochsten god
van de allerhoogste God
dat ick Adam en Eva heden
dat ik Adam en Eva nu 
verjaghe uyten hof van Eden.
verjaag uit de hof van Eden

Soo gaet dan henen voor altyt,
Ga weg voor altijd
bebouwt het veldt met noeste vlyt!
bebouw het veld met noeste vlijt
int zweet uws aanschyns eet u broot Adam
in het zweet uws aanschijns, eet je brood, Adam,
– en Eva ghy met noot draegt uwe kinders ondert harte,
en jij Eva, draag met zorgen je kinderen onder je hart
vermenichvuldigt sy u smarte.
veelvuldig is je smart

Eva:

Wee ons, die arme vrouwen
Ach, wij arme vrouwen
moetent om my berouwen!
krijgen nu door mij de schuld
alsnu tmoet syn,
maar als het niet anders is,
soo sullenme ‘t waaghen
dan moeten we het er maar op wagen
ons immer nae gods leer gedraaghen
we zullen ons steeds naar Gods leer gedragen
en bidden dat hy ons behoed.
en vragen of hij ons wil behoeden

Adam:

Coomt maer by my, myn Eva soet!
Kom maar bij me, lieve Eva
Myn god, wanneer roept ghy ons wéér?
Mijn God, wanneer roept u ons weer?
och, laet ons niet lang wachten, heer!
och, laat ons niet lang wachten, heer

Engelt:

Soo gaet en uyt den hove treet;
Ga nu weg uit de hof
tot ick u langsaem wederkeeren heet.
tot ik je geleidelijk weer terug laat komen

Eva::

lek bid, heer god, verlaet my niet nae desen.
Ik vraag, heer God, om me hierna niet te verlaten

Engel:

Eva, wilt sonder twyfel wesen! u man volght nae,
Eva, twijfel niet, je man gaat mee
sorght voor u kind daerneven,
zorg daarnaast voor je kind
Soo sal god u de sonden al vergheven.
Dan zal God je de zonde allemaal vergeven

Lied:

Soo joegh de engel Gabriël
Zo joeg de engel Gabrfiël
hen uyten hof nae gods bevel.
hen uit de hof op Gods bevel
Ja, alles wat leeft god eere gheeft.
Ja, alles…

Duivel:

lck heb die beyden sluw bedroghen.
Ik heb die twee sluw bedrogen
se uyt het paradys geloghen:
ze uit het paradijs gelogen
maer nu wilc sien waer ickse oan vinden
maar nu zal ik eens zien waar ik ze kan vinden
omse met myn kettingh tsaem te binden.
om ze met mijn ketting samen vast te binden
Heer rechter, heer rechter,
Mijnheer de rechter, mijnheer de rechter
eeuwiche schand over Adam en Eva
eeuwige schande over Adam en Eva
in kettingh en band.
met de ketiing vastgebonden
Ick weet ghy en scheltse de schuld niet kwyt.
Ik weet wel dat jij ze de schuld niet kwijtscheldt
sy sullen syn vermaeledyt.
ze zullen verdoemd zijn
In sondighe wereldt gestooten voor goet,
voor goed verstoten in een zondige wereld
so my treffelyck gevallen doet.
dat bevalt mij natuurlijk voortreffelijk
Te daghe en te nacht sallic mit haer syn,
ik zal dag en nacht bij ze zijn
daer jammer is ende groote pyn.
waar gejammer is en grote pijn
Daer blaes ick van agter en veuren int vuur;
nu blaas ik eens van achteren en van voren in het vuur
In myn helle hebbense rust noch duur.
in mijn hel hebben ze rust noch duur
Ick poock er de vlammen vlytigh aen
Ik pook de vlammen eens lekker op
datse mit my sweeten tsaem 
dat ze samen met mij zullen zweten
en sullen eeuwelyc daer branden.
en ze zullen daar voor eeuwig branden
Niemand en rukte z’ uyt mynen handen!
niemand rukt ze uit mijn handen

God:

Pack u wegh satan, ghy helle hond!
Pak je weg, satan, hellehond
welck schandelyck woordt quam uyt u mondt.
wat voor schandalig woord kwam daar uit je mond
Stof ende aerde sy voortaen u spys,
stof en aarde is voortaan je voedsel
en tegen der creaturen wys,
en tegen de manier hoe het in de schepping gaat
wyl ghy dit quaade hebt gedaen,
omdat je dit kwaad heb gedaan
sult ghe op u buyck al’ daghen gaen.
moet je elke dag op je buik verder
Siet hoe is Adam thans soo ryck,
Kijk eens hoe rijk Adam nu is
geworden eenen god geiyck,
geworden als een god
daer hy het goed en quaadt beseft,
omdat hij goed en kwaad kent
wanneer hy syne handen heft
wanneer hij zijn handen heft
en leeve in alle eeuwicheidt.
en leeft tot in eeuwigheid

Lied:

O heilighe drievuldicheydt,
O heilige drievuldigheid
o goddelyck regiment,
o, goddelijk bestuur
aen doot, duyvel en oock de hel
aan dood, duivel en ook de hel
quam nu voor goet een end.
kwam nu voorgoed een eind
Ghy hebt het eeuwich leven
u hebt het eeuwig leven
ons allen weergegheven.
ons allemaal gegeven
Nu syt gepresen alsoo seer!
Nu zij dus zeer geprezen!
die ons’ gedachten kent,de heer,
die onze gedachten kent, de heer
syn rijck wil hy ons gheven.
hij wil ons zijn rijk geven

Engel:

Geachte, wijze, goedgunstige heren
oock deugtsaame vrouwen
ook deugdzame vrouwen
ende jonckvrouwen in alle eere,
en juffrouwen met alle eer
wilt altegaer niet euvel duyden
neem ons alles bij elkaar niet kwalijk
dat wy ons spel vertoonden voor uluyden,
dat wij ons spel voor u opvoerden
van hoe god al dingen heyt gemaeckt
over hoe God alle dingen heeft gemaakt
mitgaeder de menschen bloot ende naekt;
ook de mensen, bloot en naakt
die schiep hy deur ’t goddelyck raetsbesluyt
die schiep hij door het goddelijke besluit
nae syn gelyckenis, uyt eene aerdenkluyt
naar zijn beeld, uit een aardekluit
en gafse ‘t paradys tot woon,
en gaf ze het paradijs om in te wonen,
den hof van Eeden alsoo schoon.
in de mooie hof van Eden
Maor de slangh mit haore listigheyt
Maar de slang met haar list en bedrog
heeft Adam ende Eva verleyd
heeft Adam en Eva verleid
datse overtraden gods gebod
zodat ze Gods verbod overtraden
en aten dat god verboden hadt.
en aten van wat God had verboden
So synse gecomen in angst ende noot,
En zo zijn ze in angst en nood terecht gekomen
ten leste geslaeghen mit eeuwiche doot,
uiteindelijk getroffen door de eeuwige dood
tot den barmhert’ gen god
tot de barmhartige God
syn Soon liet nederdaelen
zijn Zoon uit de hemel liet komen
die veur ons menschen deed losgeld betaelen.
die voor ons mensen het losgeld betaalde
‘k Bid soo wy quamen veuls te cort
Ik vraag, als we veel tekort schoten
’t ons niet en aengerekend wordt.
dat ons niet aan te rekenen
Maar alles dat wy schuldich bleven
maar alles wat we schuldig bleven
onze onkunde mach syn toegeschreven:
aan ons onvermogen toe te schrijven
hiermee elckeen het alder best betracht’
dat hiermee iedereen het beste doet
soo wenschen me van god almachtich ‘n goede nacht.
dan wensen we u uit de naam van de almachtige God een goede nacht
.
.

Paradijsspel: alle artikelen

Kerstspel: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2056-1928

.

.

.

.


.

VRIJESCHOOL – Advent (5-1)

.Pieter HA Witvliet
.
Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is aansteekstok-14.jpg

aansteekstok met dover


Het aansteken van de kaarsen moet een ‘plechtig’ ogenblik zijn. Ik weet niet anders of de kinderen zitten vol aandacht te kijken hoe in de donkere zaal de kaarsen meer licht brengen.
Het aansteken met lucifers verstoort meestal het beeld. Wanneer je 4 kaarsen moet aansteken, lukt dat met een kleinere lucifer niet, dus moet er nog eens worden aangeschrapt. Vaak gaat het vlammetje ook weer uit, wat meestal tot een zekere hilariteit leidt. Voor dit aandachtsmoment niet zo gunstig.
Met een mooie aansteekstok
 voorkom je dat het aansteken op allerlei minder fraaie en heel vaak ingewikkelder manieren moet gebeuren die het beeld niet ten goede komen.
Het doven van de kaarsen vraagt m.i. ook om een mooi gebaar. Dat vind ik het uitblazen ‘van afstand’ allerminst. Nog minder het ‘uitknijpen’. Met de aansteekstok is het mooier te doen: bevestig onderaan een dovertje.

Zo’n stok is eenvoudig te maken:

Nodig
rondhout
triplex/hout
koperbuis
lijm
ijzerzaag
rasp/vijl/schuurpapier
gatenzaag 

  1. Neem een rondhout van ongeveer 1 m of iets korter. (doorsnede tussen 13 en 15 mm meestal) De lengte is natuurlijk afhankelijk van het gebruik: moet je er de kaarsen in de zaal mee aansteken, dan zal die iets langer zijn.*
    De onderkant met rasp/vijl/schuurpapier mooi ‘ronden’.

2. Neem een stukje hout of triplex van ongeveer 1cm dik.
Zaag met een gatenzaag met een doorsnee van 6 à 7 cm een rondje uit het materiaal. Zorg ervoor dat de boor van de gatenzaag niet dikker is dan de doorsnede van het rondhout.

3. Rasp het boorgat iets verder uit zo, dat het rondhout er strak inpast.

4. Rasp/vijl/schuur de randen van het rondje fijn glad.

5. Breng wat lijm aan in het gaatje van het rondje en schuif het rondhout erin tot en met 4 cm vanaf de bovenkant. Verwijder overtollige lijm.

6. Neem een stukje koperen buis met een doorsnede van 15mm. Het stokje moet erin kunnen; dit eventueel wat afraspen. 
Snij met een pijpensnijdertje een stukje pijp af met een lengte van 7 à 8cm.
Wanneer je een ijzerzaag neemt, breng dan eerst mooi haaks erop plakband of verfafplakband aan om mooi recht te kunnen zagen. Bij ‘weglopen’ van de zaag, wordt zo ook het buisje niet beschadigd. Wanneer je een bankschroef gebruikt, let dan op of het buisje door het klemmen niet beschadigd wordt. Dat kun je voorkomen door het tussen houtjes o.i.d. te klemmen.
Vijl de ruwe kanten glad.
Poets het buisje mooi glimmend met koperpoets.

7. Lijm het buisje vast op het rondhout en laat het rusten op het rondje. Als er te veel ruimte is, kun je eerst wat band plakken.

8. Pas de dikte van een kaarsje aan zodat het goed vast komt te zitten in het buisje. 

Zorg dat de lontjes van deze kaars en de kaarsen in de krans mooi rechtop staan, anders lukt het aansteken nog niet goed. Van tevoren aansteken is (de eerste keer) niet mooi.

9. Het stokje is nu klaar, maar je kan nog wat versieren met een blauw lint er kruiselings overheen.
Vervolgens een takje groen, dat je gewoon met doorzichtig plakband vastplakt. Altijd lager dan het vlammetje van de kaars!

10. Aan de onderkant bevestig je, eveneens met plakband, een dovertje.

 

*Hiermee kunnen ook kinderen de kaarsen in de grote krans aansteken – als leerkracht hoef je alleen maar het stokje een beetje te ondersteunen, zodat de vlam het groen niet raakt, om de kaars aan te steken.

Met een kleinere uitvoering kan de engel uit het kerstspel bv. de kerstboomkaarsen op het toneel aansteken en na het spel weer een voor een doven.

Wanneer het gewoonte is dat vanuit de adventviering op maandag in de grote zaal een kind van iedere klas het licht van de grote krans mee mag nemen naar de krans in de klas, bewijst zo’n aansteekstok zijn waarde. (Onder het lopen het vlammetje met je holle hand beschermen).
Wanneer je het stokje in een hoek neerzet, breekt meestal het kaarsje. Je kunt het dus het beste ergens voorzichtig neerleggen.
.
Advent: alle artikelen – over de krans: nr. 5

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: advent: jaarfeest    jaartafel

.

`2055-1928

.

.

.

.

 
 
 
 
 

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (73)

.

De vereniging TEGEN DE KWAKZALVERIJ

trekt al jaren ten strijde tegen alles wat in de geneeskunde niet ‘wetenschappelijk’ is.

Dat er af en toe iemand of iets wordt ‘ontmaskerd‘ vormt wellicht een bestaansrecht voor deze vereniging.

Maar het uitgangspunt is tóch: de wetenschap van maat, gewicht en getal.

De ‘materialistische’ leden hebben hun eigen imago flink opgepoetst: ze geven een prijs uit aan wat in hun ogen het slechtst scoort op het veld van de geneeskunde.

Deze ‘meester Kackadorisprijs‘ suggereert dat de vereniging PRECIES weet wat wel en niet bij de geneeskunde hoort. Dat ze dus een autoriteit is op dit gebied.

In die visie past geen ‘ziel’, nog minder ‘geest’ en de antroposofische geneeskunde moet het bij deze club dan ook van tijd tot tijd ontgelden.

Dat geldt ook voor de homeopathie die de vereniging liever vandaag dan morgen verboden zag.

Ze vermeldt dan ook met trots dat in Frankrijk voor geen enkel ‘alternatief middel’ nog een ziekenfondsvergoeding zal worden gegeven: de middelen zijn niet wetenschappelijk bewezen.

Allopathie: dat is het.

De vereniging tegen de kwakzalverij lijkt daarmee een spreekbuis van de grote geneesmiddelenindustrie, dus ook van de farmaciemaffia.

KOORTS

In de antroposofische geneeskunde is koorts nooit iets geweest om te bestrijden: die wordt (deels) gezien als een hulp van het lichaam om een ziekte de baas te worden.

Nog niet zo lang onderschrijft nu ook de reguliere geneeskunst dit fenomeen: in ‘Proceedings of the Royal society‘ schrijven Canadese artsen: (het gaat hier om een griepvirus) ‘koorts is juist een uitvinding van de natuur om het virus te bestrijden.’

Sterker nog: paracetamol en/of ibuprofen, gebruikt om koorts te verlagen bij griep, heeft tot gevolg dat het aantal griepbesmettingen toeneemt – in Noord-Amerika met tienduizenden met ruim duizend extra doden.
Paracetamol tegen griep kost juist veel levens

Daarover horen we de vereniging niet.

Ook nooit eens over de gevaarlijke kant van de medicijnen als ze verkeerd worden gebruikt of bij juist gebruik, vaak door hun bijwerkingen.
Jaarlijks zo’n 200.000 doden.

Daarover horen we de vereniging ook nooit.

Een reden om zich daar zelf eens de Kackadorisprijs voor te geven, zal er wel niet in gevonden worden. 

.

Opspattend grind: alle artikelen

.

2054-1926

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sterrenkunde (1-2-2)

.

Rinke Visser, Jonas jrg.10, nr 6
.

Astrologie, astronomie en astrosofie

Astrologie, astronomie en astrosofie, drie gebieden waarin de mens de door hem gevoelde verbinding met de kosmos heeft uitgedrukt. Wat is hun onderlinge verhouding, wat zijn hun onderlinge verschillen? Je hoort de eerste twee begrippen nogal eens door elkaar gebruiken, het laatste woord wordt nog nauwelijks gebruikt.

Het zou te ver voeren om op deze plaats de geschiedenis van de astrologie en de astronomie uitvoerig te behandelen; we beperken ons tot een korte karakterisering.

De astrologie, ook wel eens sterrenwichelarij genoemd, legt verbanden tussen de stand van de sterren aan de hemel en het menselijk leven. De sterren waar het hier om gaat zijn in de eerste plaats de zeven planeten: Maan, Venus, Mercurius, Zon, Mars, Jupiter en Saturnus. Dit zijn de zeven klassieke planeten. Pas in veel latere tijd zijn de overige ontdekt: Uranus, Neptunus en Pluto. Deze laatste zijn later ook in de astrologie ingevoegd, als aanvulling op de overgeleverde astrologische traditie.
De astrologie is in het oosten ontstaan. We zijn zeker niet in het bezit van
documenten die betrekking hebben op de allervroegste periode. Tot de oudste overleveringen behoren Babylonische lijsten van sterrenstanden, die plaats vonden op het moment van een eveneens opgesomde reeks van gebeurtenissen. In vele culturen is een vorm van astrologie tot bloei gekomen. Voor het bewustzijn van deze oude volken waren de planeten en de sterren geen hemellichamen in de huidige betekenis van het woord. Het waren lichten waarmee de goden hun wil aan de hemel zichtbaar konden maken. Het was aan de priesters om het sterrenschrift te ontraadselen en de betekenis aan de mensen door te geven. Aanvankelijk legde men ook veel meer verbanden tussen het lot van een volk en de sterren, dan tussen individuele lotsbeschikkingen en sterrenstanden. Deze volken zag men dan vaak als gerepresenteerd door de koning. Het lot van de koning was het lot van het volk. Een samenvatting van de oude traditie is bewaard gebleven doordat Ptolemaeus deze in de tweede eeuw na Christus in zijn boek Tetrabiblos heeft opgetekend. Dit werk is in welhaast alle talen vertaald. De astrologie zoals die ook thans beoefend wordt gaat bijna geheel terug op dit werk.

Voor het precies optekenen van de sterrenstanden waren nauwkeurige waarnemingen nodig. Maar dat was niet genoeg. Om de waarnemingen te kunnen gebruiken was er ook een tijdrekening noodzakelijk, anders kon je de verschijnselen onmogelijk goed vastleggen. De tijdrekening is een belangrijk nevenproduct van de astrologie. Hier begint al een astronomisch aspect zichtbaar te worden. Het uiterst nauwkeurig waarnemen en vastleggen van verschijnselen werd een hulpwetenschap die een uiterst praktische waarde bleek te hebben voor bijvoorbeeld het tijdig heffen van de belastingen en voor het bepalen van de wisseling van de seizoenen. We hoeven ons er dus niet over te verbazen dat veel beroemde astrologen uit de oudheid tevens een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de astronomie geleverd hebben.

De ontwikkeling van de astrologie verloopt niet continu. Na de ondergang van het West-Romeinse rijk komt er een voorlopig einde. Pas in de middeleeuwen komt de astrologie opnieuw tot bloei. Het einde komt betrekkelijk definitief als in 1666 Jean Baptiste Colbert onder Lodewijk XIV bij de oprichting van de Franse Academie voor Wetenschappen aan de sterrenkundigen verbiedt zich met astrologie in te laten. Een betrekkelijk definitief einde, want na de Tweede Wereldoorlog heeft de belangstelling voor de astrologie weer zo’n hoge vlucht genomen, dat in 1975 maar liefst 192 Nobelprijswinnaars zich genoodzaakt voelden om een verklaring tegen de astrologie te tekenen. Deze verklaring is ook in Nederland verschenen onder de titel De mythe van de astrologie.

Zoals blijkt mogen we niet zeggen dat de astronomie zich na de astrologie ontwikkeld heeft, ze bestonden al heel vroeg tegelijkertijd. Voor het bewustzijn van de astrologen waren het ook geen gebieden die met elkaar in strijd zijn. Het feit dat de sterren goddelijk zijn hoeft nog geen beletsel te vormen hen goed waar te nemen. Eigenlijk heeft de astronomie pas in de 19e eeuw zijn materialistische karakter gekregen.

Vanuit het standpunt van de moderne natuurwetenschap is het niet moeilijk een vernietigend oordeel over de astrologie te vellen. Zonder moeite kunnen we bewijzen dat de oude opvattingen van waaruit de astrologie gerechtvaardigd kan worden voor ons geen geldigheid meer hebben. Telescopen onthullen ons het materiële karakter van de 77 planeten. Van enig aannemelijke relatie tussen de mens en de onderlinge standen van de planeten blijkt niets.

Met dank aan de bijdragen die astrologen ooit aan de astronomie geleverd hebben, kan de astrologie verder als een dwaling van de menselijke geest terzijde geschoven worden.
De dwaling blijkt dan niet zozeer te bestaan in het feit dat men de sterren als goddelijk ervoer; daarvoor kan men respect hebben. Het gaat echter om de manier van denken waar de kritiek naar uitgaat. En dat is eigenlijk veel interessanter dan allerlei andere argumenten waaruit kan blijken dat de astrologie, zoals die thans wordt bedreven, geen enkele geldigheid zou hebben.

De grote dwaling is: De astrologie denkt in analogieën. Een voorbeeld:

De zon loopt door de dierenriem. Elk jaar staat de zon in hetzelfde seizoen in hetzelfde sterrenbeeld. Bij een jaargetijde horen bepaalde, vaste eigenschappen: opbloeien of afsterven van de natuur, net uit de aarde komen van jonge kiemplantjes of al vrucht dragen.
De stap is nu dat het karakter van het jaargetijde wordt overgedragen op de sterrenbeelden. Als men nu woorden als: vruchtbaar, bloeiend, afstervend, doods, donker, licht, enzovoort in overdrachtelijke zin gebruikt, dan kan men ze op mensen die door het moment van hun geboorte bijzondere verbindingen met zo’n sterrenbeeld hebben van toepassing laten zijn.

Voor de nauwkeurigheid: eigenlijk mogen we in dit verband niet spreken over sterrenbeelden, we moeten zeggen sterrentekens. Het gaat om de tekens van de dierenriem. Deze dragen wel dezelfde namen als de beelden, maar vallen er in onze tijd niet meer mee samen. De beelden en de tekens zijn ten opzichte van elkaar verschoven. De beelden zijn de zichtbare sterrenconfiguraties, die in booggraden gemeten allemaal verschillende afmetingen hebben. De tekens zijn niet zichtbaar, het zijn gelijke delen van de dierenriem, elk deel is 30°. De afspraak is dat de zon bij het begin van de lente altijd het teken Ram binnenschrijdt. Daarmee is de positie van de ‘dierenriem van de tekens’ ten opzichte van de jaargetijden vastgelegd: In het begin van de zomer komt de zon altijd in het teken Kreeft, in de herfst in het teken Weegschaal, in de winter in het teken Steenbok en zoals gezegd in de lente in het teken Ram. Men kan hier meteen het verband leggen met de woorden Steenbokskeerkring en Kreeftskeerkring: Als de zon in het teken Kreeft staat, staat hij voor de landen op het noordelijk halfrond op zijn hoogst. Voor het zuidelijk halfrond is dat het geval als de zon in het teken Steenbok staat. Kijken we nu echter naar de hemel, dan kunnen we eenvoudig waarnemen dat de zon op het moment dat de lente begint in het dierenriembeeld de Vissen staat, en niet in de Ram! Toen de tekens hun naam kregen lagen tekens en beelden nog in dezelfde richting. Nu, tweeduizend jaar later zijn ze een heel beeld ‘uit elkaar geschoven’. De astrologie rekent altijd met de tekens, nooit met de werkelijk zichtbare beelden. De betekenissen hangen dan ook niet meer met de sterren samen, maar met richtingen ten opzichte van het punt waar de zon staat als de lente begint, het punt Ram. Het hoeft nauwelijks opgemerkt te worden dat de astronomie, die geheel op de waarneming afgaat, nooit over tekens spreekt, daar gaat het uitsluitend om de reëel zichtbare beelden.

Na deze uitweiding komen we weer terug op het punt van het denken. De astrologie denkt niet logisch of analytisch, maar analoog. Denken in analogieën is iets geheel anders dan het eenvoudig naast elkaar zetten van bepaalde gegevens. Wie in analogieën wil denken, zal moeten leren in beelden te denken. Het denken in beelden verloopt anders dan het denken in begrippen. Het laatste kan geheel abstract zijn; het gaat er om de begrippen die men hanteert op een logische manier met elkaar in verband te brengen. Het op deze wijze verbinden van begrippen met elkaar leidt tot nieuwe conclusies. Dit denkproces is controleerbaar, het kan door iedereen navoltrokken worden. Bij dit nadenken komen eventueel gemaakte denkfouten aan het licht.

Bij het beelddenken ligt dat anders. In de eerste plaats is een beeld zelden logisch in de gewone zin van het woord.
Beeldentaal heeft zijn eigen logica. De consequentie is dat beeldentaal niet op dezelfde wijze door iedereen verstaan kan worden. Het beeld spreekt je aan, of niet. Het kan je haast niet aangepraat worden. In de literatuurles worden beelden in gedichten wel eens verklaard. Daarmee komt misschien wel de kale betekenis van het gedicht dichterbij, maar niet het beeld zelf. Dat heeft iets van de dauwdruppel: Als je op een afstandje kijkt schittert hij in alle kleuren van de regenboog, kom je dichterbij dan is alle kleur verdwenen. Een heldere kleurloze waterdruppel aan een grassprietje. Elk beeld bevat zijn eigen waarheid, die nooit geheel in verstandelijke taal vertaald kan worden; altijd gaat er iets verloren. Dat iets is de bijzondere verbinding die een beeld geeft met de werkelijkheid achter het beeld.

Een beeld bedenk je niet, je ziet het.

Je spreekt het uit, en de ander ziet het ook, het spreekt hem aan. Het kan dan nog best lang duren eer beiden de werkelijkheid achter het beeld ten volle hebben leren kennen. Een beeld zien is niet hetzelfde als een beeld doorzien. Een beeld draag je in jezelf rond, na een tijd spreekt het zich uit. Dat is een volstrekt a-logisch proces. Het laat zich niet met verstandelijke argumenten overdragen op de ander. Het logische natuurwetenschappelijk denken geeft toegang tot het begrijpen van de dode natuur, tot de gestorven wereld. Het leven moet met een ander denken begrepen worden, waarvan het denken in beelden een voorstadium kan zijn. Het beeld als spiegeling van een levende werkelijkheid, daarop is van toepassing de uitspraak van Paulus: ‘Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben’. Wanneer wij ons verdiepen in de astrologie, merken we al gauw dat we terecht komen in een wereld van beelden. Met die beelden kan men op veel manieren omgaan. In veel gevallen zal men daar afwijzend tegenover staan. In de eerste plaats als die beeldenwereld gehanteerd wordt als gold het een begrippenwereld. Dat zal men vaak zien. Hierdoor komt de astroloog tot conclusies die niet voortvloeien uit het innerlijk verstaan van beeldentaal, maar door het betrekken van een beeld op een heel andere werkelijkheidscategorie dan waaraan het beeld oorspronkelijk ontleend is.

Een ander groot bezwaar kan men aanvoeren als de astrologie ons suggesties doet over uit te voeren handelingen. De beslissingen omtrent onze handelingen liggen geheel binnen het gebied van onze eigen verantwoordelijkheid en moeten vanuit de bij ons horende morele maatstaven genomen worden. Nooit mogen wij ons die persoonlijke verantwoordelijkheid laten ontnemen. Er wordt dan inbreuk gedaan op het gebied van onze vrijheid van handelen, de vrijheid van persoonlijke keuze; de beslissing wordt buiten ons om genomen en onderscheidt zich dan niet van besluiten die op grond van orakels als Tarot en I Tjing tot stand zijn gekomen.

Deze conclusies gelden voor onze tijd, voor mensen met een modern, twintigste-eeuws bewustzijn. Voor de oude culturen waarin de astrologie zijn oorsprong heeft golden ze zeker niet. Het bewustzijn van de mens is veranderd. Zonder ons met astrologie als orakelwijsheid bezig te houden, kunnen we toch inzien dat de beeldenwereld van de oude astrologie op zichzelf geen onzin is. De wijze waarop er mee omgegaan wordt kan echter gemakkelijk tot onzin leiden. Gevaarlijke onzin.

Jung heeft zich uitvoerig beziggehouden met het archetypisch karakter van de astrologische beeldentaal. Daarmee heeft hij in voor de moderne mens verstaanbare taal de rijkdom van de beeldentaal weer zichtbaar gemaakt.

Welke samenhang hebben de verschijnselen die wij aan de sterrenhemel waarnemen? Wat is de bewegingsoorzaak of wie is de beweger van het bewegende? Vragen waarop elke cultuur, elke tijd zijn eigen antwoord gegeven heeft. Het antwoord dat zijn uitersten vindt in de opvatting dat het de goden waren die de sterrenlichten aan de hemel bewogen en de verklaring van alle beweging met behulp van de wetten van de zwaartekracht. (Het onderdeel van de astronomie dat zich met het laatste bezighoudt heet ‘hemelmechanica’. Een merkwaardig woord, als we het homoniem van het woord ‘hemel’ erbij betrekken: de ‘plaats’ waar zich geestelijke wezens bevinden – God, engelen, mensenzielen. Maar dit terzijde). In verschillende oude negentiende-eeuwse astronomieboeken komt men als interessant vraagstuk het zogenaamde ‘drielichamenprobleem’ tegen. Dit probleem luidt, in ‘t kort gezegd: Op welke wijze zullen drie hemellichamen middels de zwaartekracht elkaar in beweging brengen, in het bijzonder als deze lichamen verschillende massa’s hebben? Dit drielichamenprobleem speelt een belangrijke rol bij het leren begrijpen van de planetenbewegingen.

Op een heel andere wijze kan men in onze tijd ook een drielichamenprobleem formuleren: Op welke wijze kan men leren begrijpen dat er een relatie tussen mens en kosmos bestaat, wat is de aard van het ‘mechanisme’ waarin zich de eventuele relatie manifesteert? De astrologie in zijn huidige vorm gaat aan deze vraag voorbij, zich beroepend op oude tradities, de oude astrologie vond het antwoord in een mythologisch bewustzijn, de astronomie stelt de vraag niet.

Steiner heeft de mens beschreven als een wezen met een drievoudige lichamelijkheid: het fysieke lichaam dat we met de hele stoffelijke natuur gemeen hebben, het etherlichaam dat aan dit stoffelijk lichaam de kwaliteit ‘levend’ verleent, dat we gemeen hebben met plant en dier, en het astrale lichaam dat de basis is voor ons bewustzijn en dat we gemeen hebben met het dier.
Door het inzicht dat deze kwaliteiten niet alleen in de mens aanwezig zijn maar eveneens in de kosmos, is het mogelijk de vraag te beantwoorden: Elk van de drie lichamen heeft met de kosmos zijn eigen relatie. We moeten dan ook niet spreken van dé relatie, maar van de verschillende relaties die er tussen mens en kosmos bestaan. Hiermee heeft Steiner het mogelijk gemaakt om de oude astrologische basisregel ‘Zoals boven, zo ook beneden’, zoals die op de Smaragden Tafel van Hermes is vastgelegd, op een nieuwe wijze te begrijpen. We kunnen met behulp van het antroposofisch mens- en wereldbeeld weer op weg gaan naar het inzicht dat de mens een microkosmos is. Dat inzicht kan maar heel langzaam verkregen worden, omdat het niet gaat om een verstandelijk kunnen aanvaarden, waarvoor studie alleen voldoende zou zijn. Het inzicht waar het hier om gaat wordt niet uit het denkende verstand alleen geboren.

Een belangrijk aspect van de vraagstukken rondom astrologie en astronomie is nog buiten beschouwing gebleven: Wat is de verhouding van de aarde tot de kosmos?

Ter illustratie een citaat uit een boek*) dat de geschiedenis van de astronomie behandelt: ‘… Philolaus’ ideeën bevorderden echter de vooruitgang van de sterrenkunde, want per slot van rekening was zijn aarde van ondergeschikt belang in het heelal en was zij geen stilstaand lichaam’. Het inzicht dat de aarde van ondergeschikt belang is in de kosmos, wordt door de materialistische astronomie een vooruitgang genoemd. Wanneer we ter beantwoording van de vraag omtrent de betekenis van de aarde voor de kosmos uitsluitend kwantitatieve grootheden in het geding brengen, kunnen we inderdaad tot geen ander inzicht komen dan dat de aarde een volstrekt onbetekenend nietig stofje in het heelal is. Nemen we daarentegen ook andere aspecten in overweging, dan zullen we wellicht nog tot andere uitspraken moeten komen. Voor de oude beschavingen was de aarde het middelpunt van de kosmos. Daarop is de hele oude astrologie gebaseerd. Voor de moderne mens doet de vraag naar het middelpunt zich niet meer voor. Voor de beantwoording van de vraag naar de relatie tussen mens en kosmos, zal het antwoord dat wij geven op de vraag naar de verhouding van de kosmos tot de aarde van eminent belang zijn.

In de aanhef van dit artikel is gewag gemaakt van drie begrippen: astrologie, astronomie en astrosofie. De eerste twee zijn van verschillende kanten gekarakteriseerd. Uiteraard kan het hier slechts bij een globale verkenning blijven. De astrosofie is als begrip nog buiten beschouwing gebleven, niet expliciet gemaakt ten minste. Impliciet is zij inmiddels wel gekarakteriseerd: als de moderne wijze waarop de mens in al zijn geledingen weer een bewuste relatie tot de kosmos kan vinden.

In de mens heeft de kosmos zichzelf samengevat; als we tot dit inzicht kunnen komen, zullen we ook kunnen gaan begrijpen dat de mens eens de weg naar de kosmos terug zal kunnen vinden.

*) Charles-Albert Reigen: Geschiedenis der Sterrenkunde.

Rinke Visser: astrosofie

.

Sterrenkunde: alle artikelen

.

2053-1925

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het leerplan van klas 6

.

Voor een goed begrip van het leerplan, de leerstof e.d. is het zeer aan te bevelen de artikelen: Rudolf Steiner over het leerplan en Rudolf Steiner over het kind, de leerkracht, ontwikkeling, lesstof en leerplan eerst te lezen.

In de pedagogische voordrachten GA 293 – 311 is relatief maar weinig meegedeeld over de leerstof op zich. Veelal wordt deze besproken in samenhang met de ontwikkeling van het kind.
Uit deze voordrachten volgt hier wat er over de leerstof van de 6e klas kan worden gevonden.

LEERSTOF VAN KLAS 6

Aardrijkskunde

In der Geographie setze man dasjenige fort, was man im fünften Schuljahr gepflegt hat, indem man andere Teile der Erde berücksich­tigt, und versuche dann, den Übergang zu finden von den klimatischen Verhältnissen zu den Himmelsverhältnissen, wovon wir gestern Nach­mittag einige Proben hier vorgeführt haben.

In de aardrijkskunde gaat men door met datgene wat men in de vijfde klas heeft behandeld, waarbij men andere delen van de aarde onder de loep neemt en de overgang probeert te vinden van de klimatologische omstandigheden naar de hemellichamen, waarvan we gisteren enkele voorbeelden hebben gezien.
GA 295/162
Vertaald/150

Algebra

Steiner geeft in GA 295 voorbeelden van hoe het letterrekenen kan worden aangeleerd. Omdat dit nu nauwelijks in een 6e klas gebeurt – veel meer in 7 en 8 – heb ik de aanwijzingen daarover bij klas 7 gezet.

Euritmie

En dan komen er in de vierde, vijfde en zesde klas vormen bij voor concrete en abstracte dingen enzovoort, waarbij dat voor de kinderen ook mogelijk wordt, omdat ze in de grammatica inmiddels zo ver zijn gekomen.
GA 295/177
Vertaald/161

Geschiedenis

In das sechste Schuljahr gehören hinein geschichtliche Betrachtun­gen über die Griechen und Römer und über die Nachwirkungen der griechischen und römischen Geschichte bis zum Beginn des 15. Jahrhunderts .

In de zesde klas horen historische beschouwingen thuis over de Grieken en Romeinen en over de nawerkingen van de Griekse en Romeinse geschiedenis tot aan het begin van de vijftiende eeuw
GA 295/162
Vertaald/150

X.: In der griechischen Geschichte kann man wohl mehr auf die Kultur­geschichte und die Sagen eingehen und das Politische weglassen: die Perserkriege zum Beispiel.

X: Bij de Griekse geschiedenis kan je wel meer ingaan op de cultuurgeschiedenis en de sagen en het politieke achterwege laten, de Perzische Oorlogen, bv.?

Dr. Steiner: Die Perserkriege kann man schon so behandeln, daß man sie kulturgeschichtlich gestaltet. In älteren Zeiten kann man die Kriege noch kulturgeschichtlich behandeln; bis zu unserer Gegen­wart sind sie ja immer unerfreulicher geworden. Man kann die Perserkriege schon wie ein Symptom betrachten der kulturgeschichtlichen Züge.

Dr.Steiner: De Perzische Oorlogen kan je wel zo behandelen dat je ze een cultuurhistorische vorm geeft. In de oudere tijden kun je oorlogen nog cultuurhistorisch behandelen; tot in onze cultuur zijn ze steeds naarder geworden. Je kan de Perzische Oorlogen als een symptoon zien met cultuurhistorische trekken.
GA 300a/82
Niet vertaald

300a/83 X.: Das Innenpolitische ist doch weniger wichtig?

X: De binnenlandse politiek is toch minder belangrijk?

Dr. Steiner: Doch, zum Beispiel, wie das Geld entstanden ist.

Dr. Steiner: Toch wel, bv. hoe het geld is ontstaan

X.: Die Verfassungen kann man wohl kurz behandeln?

X De politieke wetgeving kan je wel kort behandelen?

Dr. Steiner: Ja, aber den Geist der Lykurgischen Verfassung muß man schon schildern, zum Beispiel auch den Unterschied zwischen dem Athenertum und dem Spartanertum.

Dr. Steiner: Ja, maar de geest van de Lycurgische wet moet je wel schetsen, bv. ook het verschil tussen Athene en Sparta

X.:    Bei den Römern ist das Verfassungswesen so breit dargestellt in den Lehr­büchern.

X: Bij de Romeinen is alles over de wetten in de leerboeken breed uitgemeten.

Dr. Steiner: In den Lehrbüchern ist es breit und oftmals sehr falsch behandelt. Der Römer kannte keine Verfassung, aber er wußte aus­wendig nicht nur die Zwölf-Tafel-Gesetze, sondern eine große An­zahl von Rechtsbüchern. Man bekommt eine falsche Vorstellung vom Römertum, wenn man nicht durchnimmt mit den Kindern, daß der Römer ein Rechtsmensch war, und daß das gewußt worden ist. In den Lehrbüchern ist das langweilig dargestellt, aber man muß schon für das Römertum die Vorstellung erwecken, daßjeder Römer ein Rechtsknüppel war und die Gesetze an den Fingern herzählen konnte. Die Zwölf-Tafel-Gesetze sind dort so gelehrt worden, wie bei uns das Einmaleins.

Dr. Steiner: In de leerboeken is het breed uitgemeten en dikwijls helemaal verkeerd. De Romeinen kenden geen grondwet, maar ze kenden niet alleen de twaalftafelenwet uit hun hoofd, maar ook een groot aantal rechtsboeken. Je krijgt een verkeerd beeld van de Romeinse cultuur, wanneer je met de kinderen niet nagaat, dat de Romein een man van het recht was en dat hij dat wist. In de leerboeken is dat langdradig weergegeven, maar voor de Romeinse cultuur moet je wel de voorstelling wekken dat iedere Romein een rechtsfreak was en dat hij de wetten op zijn duimpje kende. De twaalftafelenwet werd daar zo geleerd als bij ons de tafels van vermenigvuldiging,
GA 300A/83
Niet vertaald

Gymnastiek

Vom vierten Schuljahr ab teilen wir die eurythmische Kunst mit dem Turnen, und zwar so, daß wir im vierten, fünften und sechsten Schul­jahr «Gliederbewegen» im Turnen haben, dann alles das, was mit Lau­fen, Springen, Klettern zusammenhängt, und nur einfache Geräteübun­gen.
Kompliziertere Geräteübungen sind erst im siebenten und achten Schuljahr zu machen, in dem die freien Übungen auch fortgesetzt wer­den. Aber die freien Übungen sollen alle mit Laufen, Klettern, Sprin­gen zusammenhängen.

Vanaf de vierde klas moeten euritmie en gymnastiek de uren delen. In de vierde, vijfde en zesde klas werken we in de gymnastiek vooral met bewegingen van de ledematen en verder met alles wat verband houdt met rennen, springen en klimmen, en doen we alleen eenvoudige oefeningen aan toestellen. Ingewikkelde oefeningen aan toestellen doet men pas in de zevende en achtste klas, waarbij ook de vrije oefeningen worden voortgezet. Maar de vrije oefeningen moeten allemaal samenhangen met rennen, klimmen en springen.
GA 295/177
Vertaald/161

Meetkunde:   zie ook tekenen

Nun bitte ich zu beachten, daß wir bis zum sechsten Schuljahr die geometrischen Formen: Kreis, Dreieck und so weiter herausgeholt ha­ben aus dem Zeichnen, nachdem wir zuerst in den ersten Jahren das Zeichnen für den Schreibunterricht getrieben haben. Dann sind wir allmählich dazu übergegangen, aus dem Zeichnen, das wir für den Schreibunterricht getrieben haben, beim Kinde kompliziertere Formen zu entwickeln, die um ihrer selbst willen, um des Zeichnens willen be­trieben werden; auch Malerisches zu betreiben, das um des Malerischen willen betrieben wird. In diese Sphäre leiten wir den Zeichen- und Mal-unterricht im vierten Schuljahr, und im Zeichnen lehren wir, was ein Kreis ist, eine Ellipse ist und so weiter. Aus dem Zeichnen heraus lehren wir dieses. Da setzen wir noch fort, durchaus auch immer zu plasti­schen Formen hinführend, indem wir uns des Plastilins bedienen -wenn es zu haben ist; sonst kann man irgend etwas anderes benützen, und wenn es Straßenkot wäre, das macht nichts! -, um auch Formen­anschauung, Formenempfindung hervorzuholen.Von dem, was auf diese Weise im Zeichnen gelehrt worden ist, übernimmt nun der Mathematikunterricht, der geometrische Unterricht das, was die Kinder können. Jetzt geht man erst über dazu, geometriegemäß zu erklären, was ein Dreieck, ein Quadrat, ein Kreis ist und so weiter. Also die raumesmäßige Auffassung dieser Form wird aus dem Zeichnen hervorgeholt. Und was die Kinder aus dem Zeichnen heraus gelernt haben, daran gehe man jetzt im sechsten Schuljahr mit dem geometrischen Begreifen erst heran. Dafür werden wir dann sehen, daß wir in das Zeichnerische etwas anderes aufnehmen.

Ik wil u er nu op wijzen dat we tot aan de zesde klas de geometrische vormen, cirkel, driehoek enzovoort, hebben afgeleid uit het tekenen, nadat we in de eerste jaren het tekenen hebben gedaan ten behoeve van het schrijven. Dan zijn we er geleidelijk toe overgegaan om uit het tekenen dat we voor het schrijfonderwijs deden gecompliceerdere vormen te ontwikkelen, die om zichzelf, omwille van het tekenen zelf werden uitgevoerd. Ook zijn we gaan schilderen omwille van het schilderen zelf. In deze richting leiden we de teken- en schilderlessen in de vierde klas, en in het tekenen leren we de kinderen wat een cirkel is, wat een ellips is, enzovoort. We doen dat vanuit het tekenen. Dan komen we ook nog bij plastische vormen en gebruiken we boetseerklei — als we dat tenminste kunnen krijgen, anders kan men iets anders gebruiken, desnoods modder, dat doet er niet toe! – om een voorstelling van en een gevoel voor vorm op te roepen.
Wat de kinderen op deze wijze hebben geleerd bij het tekenen, dat neemt de wiskunde, de geometrie dan over. Pas dan gaat men ertoe over om geometrisch uit te leggen wat een driehoek, een vierkant of een cirkel is enzovoort. Het ruimtelijk inzicht in deze vorm wordt dus opgeroepen met het tekenen. En wat de kinderen via het tekenen hebben geleerd, dat wordt dan in de zesde klas behandeld om tot geometrisch begrip te komen. Bij het tekenen komt dan daarvoor in de plaats iets anders.
GA 295/169
Vertaald/155

X.:    Ist es besser, in der Projektions- und Schattenlehre in der 6. Klasse vom Künstlerischen auszugehen oder vom Geometrischen?

X: Is het beter bij de projectie- en de schaduwleer in de 6e klas van het kunstzinni9ge uit te gaan of vanuit het meetkundige?

Dr. Steiner: Es ist unter Umständen das das beste, was eine Brücke baut zwischen einem Unterricht, der nüchtern geometrisch ist, und einem solchen, der doch zur Kunst hinüberführt. Ich glaube nicht, daß man das künstlerisch behandeln kann. Gemeint ist die Zentral-projektion. Ich würde doch glauben, daß die Kinder auch wirklich wissen müßten, wie also der Schatten eines Kegels auf einer so gearte­ten Ebene ist; daß sie eine innere Anschauung haben

Dr. Steiner: Onder bepaalde omstandigheden is dát het beste wat een brug slaat tussen een onderwijs dat gewoon meetkunde is en een die naar de kunst overgaat. Ik geloof niet dat je dat kunstzinnig kan behandelen. Bedoeld is de centrale projectie. Ik zou toch geloven dat de kinderen echt zouden moeten weten waar de schaduw van een kegel op zo’n vlak ligt; dat ze dat innerlijk zien.
GA 300a/265
Niet vertaald

X.:    Soll man solche Ausdrücke verwenden wie Lichtstrahlen, Schattenstrahlen?

X. Zou je zulke uitdrukkiingen moeten gebruiken als lichtstralen, schaduwstralen?

Dr. Steiner: Das ist nun ja eine allgemeinere Frage. Es ist nicht gut, Dinge in der projektiven Geometrie anzuwenden, die es nicht gibt. Es gibt keine Lichtstrahlen, noch weniger Schattenstrahlen. Das ist nicht nötig, daß man mit diesen Begriffen in der Projektionslehre arbeitet. Man sollte arbeiten mit gestalteten Rauminhalten. Es gibt nicht Lichtstrahlen und Schattenstrahlen. Es gibt Zylinder und Kegel. Es gibt einen Schattenkörper, der entsteht, wenn ich einen Kegel habe, der schief ist und von einem Punkt beleuchtet wird, und den Schatten auffallen läßt auf eine geneigte Ebene. Dann habe ich einen Schattenkörper, der da ist. Diesen Schattenkörper als solchen, die Kurvenbegrenzung des Schattenkörpers’ das sollte auch schon das Kind verstehen. Geradeso wie es später in der projektiven Geo­metrie verstehen muß, wenn ein Zylinder einen anderen mit kleinerem Durchmesser durchschneidet. Das ist ungemein nützlich, die Kinder dies zu lehren. Es bringt nicht ab vom Künstlerischen. Es läßt die Kinder im Künstlerischen. Es macht das Vorstellen geschmeidig. Man kann geschmeidig vorstellen, wenn man von vornherein weiß, was für eine Schnittkurve entsteht, wenn sich Zylinder durchschnei­den. Das ist ganz wichtig, daß man diese Dinge bringt, aber nicht Abstraktionen.

Dr. Steiner: Dat is meer een vraag in het algemeen. Het is niet goed om dingen in de projectieve meetkunde te gebruiken die er niet zijn. Er bestaan geen lichtstralen, al helemaal geen schaduwstralen. Het is niet nodig om met deze begrippen in de projectieleer te werken. Je moet werken met gevormde ruimte-inhouden. Er zijn geen licht- en schaduwstralen. Er zijn cilinders en kegels. Er is een schaduwlichaam dat ontstaat wanneer ik een kegel heb die scheef staat en vanuit een punt belicht wordt en een schaduw laat vallen op een schuin vlak. Dan heb ik een schaduwlichaam dat bestaat. Dit schaduwlichaam als zodanig, de begrenzing van de kromme lijnen van de schaduw zou het kind al moeten begrijpen. Precies zoals het later in de projectieve meetkunde moet begrijpen  hoe een cilinder een andere met een kleinere diameter doorsnijdt. Het is buitengewoon nuttig om dat aan de kinderen te leren. Dat leidt niet weg van het kunstzinnige. De kinderen blijven daarmee in het kunstzinnige. Het maakt het voorstellen levendig. Je kan levendig voorstellen wanneer je van te voren weet wat er voor snijcurves ontstaan wanneer cilinders elkaar snijden. Het is belangrijk om deze dingen te doen, maar niet de abstracties.
GA 300a/265
Niet vertaald

Mineralogie

Die Behandlung der Mineralien geschehe durchaus im Zusammenhang mit der Geographie.

De plantkunde wordt vervolgd in de zesde klas en vloeit over in de behandeling van de mineralen. Maar de mineralen worden in ieder geval behandeld in samenhang met de geografie.
GA 295/165
Vertaald/152

Muziek

Dann kommt das vierte, fünfte und sechste Schuljahr. Da wird man ja auch schon drinnen sein in der Zeichenerklärung, der Notenerklä­rung. Man wird schon umfassende Übungen machen können in der Ton­leiter. Namentlich im fünften und sechsten Schuljahr wird man auf die Tonarten eingehen können. Man wird da schon D-dur und so weiter haben können. Mit dem Moll muß man möglichst lange warten, aber es kann doch schon auch in dieser Zeit an das Kind herangebracht werden.

Dan komen de vierde, vijfde en zesde klas. Dan houdt men zich natuurlijk ook al bezig met de verklaring van de tekens, van de noten. Men zal ook al uitvoerige oefeningen kunnen doen met de toonladder. Met name in de vijfde en zesde klas zal men in kunnen gaan op de toonsoorten. Dan kan men het beslist wel hebben over D majeur enzovoort. Met mineur moet men zo lang mogelijk wachten, maar ook dat kan best in deze tijd behandeld worden.
GA 295/175

Vertaald/160

Natuurkunde

Mit dem Physikunterricht beginnen wir im sechsten Schuljahr, und zwar so, daß wir ihn durchaus an dasjenige anknüpfen, was die Kinder gewonnen haben durch den Musikunterricht. Wir beginnen den Phy­sikunterricht, indem wir die Akustik herausgebären lassen aus dem Musikalischen. Also Sie knüpfen durchaus die Akustik an die musi­kalische Tonlehre an und gehen dann über zur Besprechung der physi­kalisch-physiologischen Beschaffenheit des menschlichen Kehlkopfes. Das menschliche Auge können Sie hier noch nicht besprechen, aber den Kehlkopf können Sie besprechen. Dann gehen Sie über – indem Sie nur die wichtigsten Dinge durchnehmen – zur Optik und zur Wärmelehre. Auch die Grundbegriffe der Elektrizität und des Magnetismus bringen Sie in dieses sechste Schuljahr hinein.

Met de natuurkunde beginnen we in de zesde klas, en wel zo dat we aanknopen bij de verworvenheden van de muzieklessen. We beginnen met natuurkunde door de akoestiek te laten ontstaan uit de muziek. U sluit dus met de akoestiek aan bij de klankleer en dan gaat u over tot de bespreking van de natuurkundig-fysiologische hoedanigheid van het strottenhoofd van de mens. Het oog van de mens kunt u dan nog niet behandelen, maar het strottehoofd wel. Dan gaat u over naar de optica en de warmteleer, waarvan u alleen de belangrijkste onderdelen doorneemt. Ook de grondbegrippen van de elektriciteit en het magnetisme behandelt u in deze zesde klas.
GA 295/166
Vertaald/153

Man muß unterscheiden: geschlagene, gerissene, gestri­chene Töne. Am Monochord.

Je moet een onderscheid maken tussen aangeslagen, getokkelde, gestreken tonen. Op het monochord.
GA 300a/68
Niet vertaald

Niet-Nederlandse talen

En degenen die dat willen, kunnen vanaf de zesde klas vrijwillig beginnen met de basis van het Grieks,61 ook dit zoals we in het didactische deel gehoord hebben. Met name proberen we weer het schrijven van de Griekse letters te gebruiken om via het tekenen van vormen tot dat schrijven te komen. En voor degenen die dan Grieks willen leren zal het buitengewoon weldadig zijn om in andere lettervormen te herhalen wat eerst bij het ontwikkelen van het schrijven uit het tekenen is gedaan.
GA 295/160
Vertaald/148-149

Voor kinderen van twaalf tot vijftien jaar is het lyrisch-epische element geschikt, balladen. Ook markante historische beschrijvingen, goed literair proza en afzonderlijke dramatische scènes.
GA 295/181
Vertaald/166

Proza na de poëzie

Er is vanuit de 7e klas een vraag gesteld over het gebuiken van leesboeken in de Engelse les; Steiner betrekt zijn antwoord ook op het Latijn, dat al in de 4e klas wordt begonnen (later weer bijgesteld naar de 5e). 

In de latijnse les kan je Ovidius of Vergilius lezen. De kleine verhalen van Plutarchus.
Er wordt naar Pliniua gevraagd:
Plinius is goede lectuur. Livius voor de oudste leerlingen: dan moet je op de intimiteiten ingaan. Livius is zeer slecht overgeleverd; hij is de beroemde schrijver die telkens verbeterd wordt.
In het Grieks zou ik dit soort spreuken met ze doornemen (Dr.Steiner geeft een voorbeeld); er zijn heel veel van dergelijke tweeregelige gedichtjes in het Grieks.
GA 300a/275
Niet vertaald

X.:    Ich glaube, es wäre gut, in der 6. Klasse etwas Gedrucktes zu lesen.

Ik geloof dat het goed zou zijn in de 6e klas iets wat gedrukt is te lezen

Dr. Steiner: Wie alt sind die Schüler? Man müßte eine mäßig große Erzählung heraussuchen. Man müßte eine Erzählung finden, eine Novelle, etwas, was Substanz hat, nichts Oberflächliches. Es wäre möglich, so etwas wie ein historisches Stück zu lesen aus Mignet. Da lernen sie auch sehr viel daran.
Den Sprachunterricht werden wir neu gliedern müssen. Da ist es auch so, daßman die Schüler so schwer befriedigen kann. Beim Sprach­unterricht muß man die Schüler viel fragen, da herrscht die Ansicht, daß die Schüler unzufrieden sind. Lernen tun sie am meisten an der Lektüre. Viel Hilfe ist das Sich-Hineinfinden in eine zusammenhän­gende Lektüre. Das Auswendiglernen ist nur ein Hilfsmittel. Man geht Satz für Satz vor. Bei den Kleinen immer sprechen.

Dr. Steiner: Hoe oud zijn de leerlingen? Je zou een niet al te groot verhaal moeten uitzoeken. Je zou een verhaal moeten vinden, een novelle, iets wat inhoud heeft, niet iets oppervlakkigs. Het is wel mogelijk zoiets te lezen als een historisch stuk uit Mignet. Daar leren ze ook veel van. Het taalonderwijs zullen we opnieuw moeten indelen. En het is ook zo dat we de leerlingen maar moeilijk tevreden kunnen stellen. Bij het taalonderwijs moet je de leerlingen veel vragen, de opvatting is dat de leerlingen ontevreden zijn. Ze leren het meest van lectuur. Het helpt goed als ze zich kunnen inleven in samenhangende lectuur. Bij de kleintjes altijd spreken.
GA 300a/284
Niet vertaald

Plantkunde

Zie mineralogie

Rekenen

Dann gehe man im sechsten Schuljahr über zur Zins- und Prozentrechnung, zur Diskontrechnung, zur einfachen Wechselrechnung und begründe damit die Buchstabenrechnung, wie wir es gezeigt haben.

In de zesde klas behandelt men dan het berekenen van rente en procenten, van disconto en eenvoudige wissels en legt men daarmee de basis voor het letterrekenen, zoals we hebben laten zien.
GA 295/169
Vertaald/155

Taal

Und wenn es ins sechste Schuljahr geht, da setzen wir natürlich wiederholentlich alles das fort, was wir im fünften gepflogen haben. Und wir versuchen nun, dem Kinde stilistisch stark ein Gefühl von dem beizubringen, was das Konjunktivische ist. Dabei spreche man möglichst über diese Dinge in Beispielen, damit das Kind unterscheiden lerne zwischen dem, was unmittelbar behauptet werden darf, und dem, was 295/159 konjunktivisch ausgedrückt werden muß. Und man versuche, mit dem Kind solche Redeübungen zu machen, in denen man stark darauf sieht, daß nichts durchgelassen werde, was das Kind falsch leistet mit Bezug auf die Anwendung des Konjunktivischen. Also wenn das Kind sagen sollte: Ich sorge dafür, daß mein Schwesterchen laufen lerne – so lasse man ihm nie durch, wenn es sagt: Ich sorge dafür, daß mein Schwester­chen laufen lernt -, damit ein starkes Gefühl von dieser inneren Plastik der Sprache eben in das Spracherfühlen übergehe.
Nun lasse man die Briefe übergehen in leichte, anschauliche Ge­schäftsaufsätze, worin wirklich solche Dinge behandelt werden, die das Kind von anderswoher schon kennengelernt hat. Man kann ja im drit­ten Schuljahr das, was man über Wiese, Wald und so weiter sagt, schon ausdehnen auf geschäftliche Beziehungen, so daß später Stoff da ist für das Ableisten einfacher Geschäftsaufsätze.

In de zesde klas gaan we natuurlijk steeds door met dat wat we in de vijfde klas hebben behandeld. En we proberen nu om het kind een duidelijk gevoel bij te brengen voor wat stilistisch de aanvoegende wijs is. Men gebruikt daarbij zo veel mogelijk voorbeelden om dat uit te leggen, zodat het kind leert onderscheiden tussen datgene wat direct beweerd mag worden en datgene wat in de aanvoegende wijs uitgedrukt moet worden. En men probeert om spreekoefeningen te doen met de kinderen, waarbij men er heel precies op let dat geen enkele fout in het gebruik van de aanvoegende wijs onopgemerkt blijft. Dus als het kind eigenlijk moet zeggen ‘men neme drie eieren’, dat het dan niet mag zeggen ‘men neemt drie eieren’.[*] Daarmee kan een sterk gevoel voor deze innerlijke vormkracht van de taal ontstaan, een aanvoelen van de taal. En nu laat men de brieven overgaan in eenvoudige, concrete, zakelijke brieven, waarin werkelijk dingen behandeld worden die het kind ergens anders al heeft leren kennen. Men kan immers in de derde klas datgene wat men vertelt over weide en bos en dergelijke heel goed uitbreiden tot zakelijke gegevens, zodat er later stof is voor het vervaardigen van eenvoudige zakenbrieven.

*Deze opmerkingen over de aanvoegende wijs of conjunctief, een in het Duits nog veel gebezigde taalvorm, hebben voor het huidige, levende Nederlands natuurlijk geen belang meer.
GA 295/158/159
Vertaald/147

Dr. Steiner: Unglaublich unorthographisch schreiben die Kinder in der 6. Klasse. Wenn sie glücklich mit zwei k schreiben, sind sie über­glücklich; Es ist viel wichtiger, daß sie Geschäftsbriefe schreiben und Buchstabenrechnung lernen, als daß sie glücklich mit zwei k schrei­ben.

Dr. Steiner: In de 6e klas schrijven de kinderen ongelofelijk veel taalfouten. Wanneer ze gelukkig met drie k’s schrijven, zijn ze wel erg gelukkig. Het is veel belangrijker dat ze zakenbrieven schrijven en algebra leren dan dat ze gelukkig met drie k’s schrijven.
GA 300a/129
Niet vertaald

Tekenen

Dann lassen Sie im sechsten Schuljahr einfache Projektions- und Schattenlehre auftreten, die Sie sowohl mit freier Hand behandeln wie auch mit dem Lineal und Zirkel und dergleichen. Sehen Sie darauf, daß das Kind einen guten Begriff bekommt und nachzeichnen, nachbilde kann, wie, wenn hier ein Zylinder ist, hier eine Kugel, und die Kugel vom Lichte beschienen wird, wie der Schatten von der Kugel auf dem Zylinder ausschaut. Wie Schatten geworfen werden! Also einfache Projektions- und Schattenlehre muß im sechsten Schuljahr auftreten. Das Kind muß eine Vorstellung bekommen und muß nach­ahmen können, wie Schatten auf ebenen Flächen, auf gekrümmten Flächen, von anderen mehr oder weniger ebenen oder von körperlichen Dingen geworfen werden. Das Kind muß in diesem sechsten Schuljahr einen Begriff davon bekommen, wie sich Technisches mit Schönem ver­bindet, wie ein Stuhl zu gleicher Zeit technisch geeignet sein kann für einen Zweck, und wie er nebenbei eine schöne Form haben kann. Und diese Verbindung von Technischem mit Schönem soll dem Kinde in den Begriff, in den Griff hineingehen.

Dan behandelt u in de zesde klas eenvoudige projectie- en schaduwleer, zowel uit de hand getekend als met passer en lineaal en dergelijke. Zie erop toe dat het kind dat goed doorheeft en kan natekenen, na kan vormen hoe – als hier een cilinder is, hier een bol en de bol door licht wordt beschenen – de schaduw van de bol er uitziet op de cilinder: hoe schaduwen geworpen worden! Dus eenvoudige projectie- en schaduwleer moet aan de orde komen in de zesde klas. Het kind moet er een voorstelling van krijgen en kunnen nabootsen hoe schaduwen worden geworpen op vlakke en kromme oppervlakken door andere meer of minder vlakke oppervlakken of door ruimtelijke dingen. Het kind moet in deze zesde klas een idee krijgen hoe de techniek zich verbindt met de schoonheid, hoe een stoel tegelijk technisch geschikt kan zijn voor een bepaald doel en daarnaast ook een fraaie vorm kan hebben. En deze verbinding van techniek en schoonheid moet het kind leren begrijpen, moet het in de greep krijgen.

Bij meetkunde zijn de opmerkingen in GA 300a voor de 6e klas, in GA 295 veel meer voor de 7e klas gedacht. Zie ook daar.
GA 295/171
Vertaald/156-157

Vertelstof

Szenen aus der neueren Geschichte. ( )

( ) scènes uit de nieuwere geschiedenis  ( )
.GA 295/19
Vertaald/19

en op blz. 20 eveneens: 6. cènes uit de nieuwere geschiedenis

.

6e klasalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Het leerplan: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 6e klas

..

2052-1924

.

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (6)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

ANSPRACHE DORNACH 19-12-1920

blz. 51

Wir werden uns erlauben, Ihnen heute Weihnachtspiele aus altem
Volkstum vorzuführen. Die beiden Spiele, die wir hier zur Darstellung bringen, sind aufgefunden von Karl Julius Schröer in den fünfziger Jahren des vorigen Jahrhunderts innerhalb der deutschen Sprachinseln in Ungarn, in der Gegend, die nordwärts von der Donau liegt, von Preßburg westwärts liegt. In diesen Gegenden sind zu Ende des Mittelalters und noch etwas später Deutsche eingewandert. Sie haben sich unter anderen Kulturgütern, welche sie in ihrer Einfachheit besessen

TOESPRAAK DORNACH 19-12-1920

We zijn zo vrij om voor u vandaag oude volkse kerstspelen op te voeren. De beide spelen die we hier ten tonele zullen brengen, zijn ontdekt door Karl Julius Schröer in de jaren vijftig van de 19e eeuw in Duitse taalkolonies in Hongarije, in de streek die ten noorden van de Donau ligt, ten westen van Pressburg. In deze streken zijn tegen het einde van de Middeleeuwen en nog later ook Duitsers geïmmigreerd. Ze hebben naast andere dingen uit hun cultuur die ze in hun eenvoud bezaten, 

blz.52

haben, nach ihrem neuen Aufenthaltsorte auch diese Weihnachtspiele mitgebracht.
Karl Julius Schröer, mit dem ich viel in meiner Jugend über diese Dinge gesprochen habe, der mir aus seinen persönlichen Erfahrungen erzählen konnte, wie wiederum in seiner Jugend – in den vierziger und fünfziger Jahren des vorigen Jahrhunderts – unter diesen, ich möchte sagen slawischen und magyarischen Bevölkerungen von den dort lebenden verschlagenen Deutschen diese Weihnachtspiele immer aufgeführt worden sind, und wirklich in außerordentlichem Ernst und mit einem regen Eifer um die Weihnachtszeit auf die Gemüter dieser Menschen gewirkt haben.
Wir haben in diesen Weihnachtspielen deshalb Keime, die sich nach und nach aus einer längeren Kulturstraße herausentwickelt haben, die wir bis ins 13. Jahrhundert zurückverfolgen können. So daß bis in die letzten Jahrzehnte des 12. Jahrhunderts damals das Bedürfnis entstand, über die weitesten Gegenden Mitteleuropas hin – durch Thüringen bis an den Rhein hin und über den Rhein hinüber bis ins Elsaß, dann durch ganz Süddeutschland, durch die Nordschweiz -, was sich bezieht auf die biblische Geschichte, was sich bezieht auf die christlichen Traditionen, namentlich auch auf die christliche Legende, vor dem Volke dramatisch darzustellen.

ook deze kerstspelen naar hun nieuwe leefgebied meegenomen.
Karl Julius Schröer met wie ik in mijn jeugd veel over deze dingen heb gesproken, die mij zijn persoonlijke ervaringen kon vertellen hoe ook in zijn jeugd – in de jaren veertig en vijftig van de 19e eeuw – onder deze, ik zou willen zeggen, Slavische en Hongaarse bevolking van de daar wonende verslagen Duitsers, deze kerstspelen steeds zijn opgevoerd en dat werkelijk met een grote ernst en met een levendige ijver rond de kerststijd deze kerstspelen op het gemoed van deze mensen inwerkte. Vandaar dat in deze kerstspelen kiemen zitten die langzamerhand vanuit een lange weg die de cultuur gegaan is, tot ontwikkeling zijn gekomen die wij tot in de 13e eeuw terug kunnen volgen. We zien dat tot in de laatste tientallen jaren van de 12e eeuw er toen behoefte bestond verspreid over de meest verre gebieden van Midden-Europa, van Thüringen tot aan de Rijn en over de Rijn tot in de Elzas, dan in heel Zuid-Duitsland, Noord-Zwitserland – m.b.t. tot de Bijbelse gschiedenis, m.b.t. tot de christlelijke tradities, vooral ook tot de christelijke legende, dat voor het volk op te voeren.

Man kann geradezu sagen, daß vieles in der neueren Dramatik auf diesen Mysterienspielen – so nennt man sie ja wohl auch – beruht. Zunächst schlossen sich diese Spiele an die kirchlichen Handlungen an. Wenn die Weihnachtszeit, die Osterzeit, die Pfingstzeit, das Fronleichnamfest, manche anderen heiligen Feste herannahten, dann versammelten sich die Leute in der Kirche. Die Kirche selbst wurde dekoriert in der mannigfaltigsten Weise. Und zunächst im 12., 13. Jahrhundert wurde von den Geistlichen selbst, sogar zuerst in lateinischer Sprache dasjenige aufgeführt, was innerhalb der christlichen Tradition, innerhalb der Evangeliengeschichte enthalten ist.
So können wir gut zurückverfolgen, wie zum Beispiel dramatisch dargestellt wurde die Szene an dem Grabe Christi. Es kleideten sich ein drei Priester in Frauenkleider: die drei Frauen, die zu dem Grabe kamen; ein Engel, der auf dem eben verlassenen Grabe saß. Dasjenige,

Je kan wel zeggen dat veel van de nieuwe dramakunst op deze mysteriespelen – zo worden ze ook wel genoemd – gebaseerd is. Aanvankelijk sloten deze spelen aan bij de kerkelijke rituelen. Wanneer Kerstmis, Pasen, Pinksteren, Sacramentsdag dichterbij kwamen, dan kwamen de kerkmensen bij elkaar. De kerk zelf werd uitbundig versierd. En al in de 12e, 13e eeuw werd door de geestelijkheid zelf, maar eerst nog wel in het Latijn, ten tonele gevoerd wat binnen de christelijke traditie, binnen de geschiedenis van de Evangeliën bewaard is. We kunnen dus goed teruggaan naar hoe bv. dramatisch uitgebeeld werd de scène aan het graf van Christus. Drie priesters droegen vrouwenkleren: de drie vrouwen die naar het graf kwamen; een engel, die op het zojuist verlaten graf zat. 

was die Evangelien erzählen, was die Tradition erhalten hat, wurde dramatisch dargestellt.
Man ging aber auch allmählich dazu über, die Dinge, welche man lateinisch zunächst dargestellt hat> dann in der Volkssprache darzustellen. Und im 14. Jahrhundert treffen wir bereits sehr weit ausgebildete dramatische Darstellungen, zum Beispiel der Geschichte von den weisen und törichten Jungfrauen.
Wir wissen, daß im Jahre 1322 in Thüringen, am Fuße der Wartburg, in Eisenach, in dem Hause «die Rolle», ein Spiel von den weisen und von den törichten Jungfrauen aufgeführt wurde, das so bedeutsam in ein Menschenschicksal eingreifen konnte, daß der Landgraf Friedrich, welcher dabei war, der den merkwürdigen Beinamen hat, «mit der gebissenen Wange», daß der Landgraf Friedrich mit der gebissenen Wange davon einen Schlaganfall bekam und im Jahre 1323 an den Folgen dieses Eindruckes sogar gestorben ist.
Aber es ging ja nicht jedem so, sondern es war schon durchaus gerade das, was durch solche Darstellungen dargeboten war, etwas in diesen Zeiten außerordentlich feierliches. Es war lange Zeit gerade die dramatische Darstellung verloren, welche dazumal in Eisenach gegeben worden ist und einen so großen Eindruck gemacht hat.

Als een toneelstuk werd opgevoerd wat in de Evangeliën overgeleverd was, of wat de traditie had bewaard.
Maar er werd ook geleidelijk toe overgegaan om de dingen die men eerst in het Latijn opgevoerd had, nu ook in de volkstaal te brengen. En in de 14e eeuw treffen we al zeer uitgebreide dramatische stukken aan, bv. het verhaal van de wijze en de dwaze maagden.
We weten dat in het jaar 1322 in Thüringen, aan de voet van de Wartburg in Eisenach, in het huis [Duits heeft nu]’die Rolle’, een spel van de wijze en dwaze maagden opgevoerd werd, – wat zo sterk in een mensenlot kon ingrijpen, dat landgraaf Friedrich [2] die erbij was, hij had de merkwaardige bijnaam ‘die in zijn wang gebeten is’, er een beroerte van kreeg en in 1323 aan de gevolgden van deze indruk zelfs gestorven is.
Dat overkwam natuurlijk niet iedereen, juist dergelijke opvoeringen waren in die tijd iets buitengewoon feestelijks. Het toneelstuk dat destijds in Eisenach werd opgevoerd en zo’n diepe indruk had gemaakt, was lange tijd kwijt.

Das Spiel wurde dann später wieder aufgefunden, merkwürdigerweise in Mülhausen im Elsaß, am Tegernsee und in einem Kloster Benediktbeuern, so daß man sehen kann, gerade aus diesem Auftreten am Tegernsee, daß diese Dinge eigentlich aus dem Süden in den Norden gezogen sind.
Wir finden dann sehr bald, wie nicht mehr etwa bloß Geistliche diese Dinge darstellten, sondern wie diese Dinge durchaus vom Volke übernommen wurden, dem Volke sehr ans Herz gewachsen waren.
Das Volk hatte sie außerordentlich lieb. Wir sehen, was ausgeführt wurde. Wir können das noch von einem Stück ablesen, dessen Handschrift erhalten ist. Wir entnehmen dieser Schrift, daß im 15. Jahrhundert die ganze Geschichte des Christus Jesus auf Erden aufgeführt worden ist: von der Hochzeit zu Kana in Galiläa bis zur Auferstehung. Und überall sehen wir, daß man außerordentlich dramatisch, geistig, gerade die wirksamsten Momente, die äußerlich für die Anschauung

Het spel werd later wel gevonden, merkwaardigerwijs in Mülhausen in de Elzas, aan de Tegernsee en in een klooster in Bediktbeuern, zodat je kan zien dat juist door het optrreden aan de Tegernsee deze dingen eigenlijk vanuit het zuiden naar het noorden gegaan zijn.
We vinden dan al zeer snel dat deze dingen niet maar alleen door geestelijken werden opgevoerd, maar dat ze met name door het volk overgenomen werden, ze betekenden voor het volk zeer veel. Het volk had ze in het hart gesloten. We kunnen zien wat er opgevoerd werd. We kunnen dat nog uit een stuk opmaken waarvan het handschrift bewaard gebleven is. We halen uit dit geschrift waarin in de 15e eeuw het hele verhaal van Jezus Christus op aarde opgetekend is:  van de bruiloft in Kana in Galilea tot de Opstanding.
En overal zien we dat men de meest werkzame ogenblikken er buitengewoon dramatisch, 

blz. 54

wirksamsten Momente herausgehoben hat, immer die Dinge, welche das Volk selber in diesen Darstellungen erlebte. Und wir dürfen annehmen, daß im 15. Jahrhundert, Ende des 16. Jahrhunderts und weiter über einen großen Teil der deutsch sprechenden Gegenden diese Volksspiele zur Weihnachtszeit, zur Osterzeit, zur Pfingstzeit, zum Fronleichnamstag, zu anderen Festen aufgeführt wurden.
Das eine der Weihnachtspiele ist ein Paradeis-Spiel, welches sich mehr an die Adventszeit hielt, das andere ist ein direktes christliches Hirten-Spiel, welches wir vor Ihnen hier aufführen. Sie werden aus dem zweiten Spiel, aus der Einleitung sehen, daß vom Rhein gesprochen worden ist, daß diese Stücke gewandert sind. Trotzdem kamen sie, wie Schröer sie aufgefunden hat, wie gesagt in den Oberuferer, in den Preßburger Gegenden – wie man sie ja auch nennt Oberuferer Weihnachtspiele – ostwärts von Preßburg zur Aufführung. Dort sind sie also in der Weihnachtszeit gespielt worden, trotzdem sie ganz anderswo entstanden sind. Ursprünglich sind sie gespielt worden da, wo der Rhein durchfließt. Sie sind also von einer Volksgemeinschaft mitgenommen worden, welche ostwärts gezogen ist, und die sich östlich von der Donau im Banat und so weiter angesiedelt hat. 

geestelijk uit liet springen, steeds die dingen die het volk in deze opvoeringen zelf beleefde. En we mogen wel aannemen dat in de 15e, eind 16e eeuw en later over een groot deel van de Duits sprekende streken deze volksspelen met de kerst, met Pasen, met Pinksteren, met Sacramentsdag, met andere feesten opgevoerd werden.
Een van de kerstspelen is een paradijsspel, dat meer bij de adventstijd hoorde, het andere is een uitgesproken christelijk herdersspel dat wij voor u opvoeren. U zal in dit tweede spel, bij de inleiding zien, dat er over de Rijn wordt gesproken, dat deze stukken zich verplaatst hebben. Afgezien daarvan werden ze, zoals Schröer ontdekte, zoals gezegd in de streken van Oberufer, van Pressburg – en zoals ze worden genoemd Oberuferer kerstspelen – ten oosten van Pressburg, opgevoerd.

Da wurden dann diese Spiele weitergespielt bis eben ins 19. Jahrhundert hinein. In der letzten Zeit gingen viele solche Schätze des Volkes unter den Zeitereignissen, die ganz andere geworden sind, verloren Aber diejenigen, die sich die Spiele noch angesehen haben, waren tief ergriffen, nicht nur von dem Spiel selbst, sondern namentlich von der Art und Weise, wie diese Spiele eingeleitet wurden.
Wenn die Weinlese vorüber war, im Herbste, dann versammelte der Geistliche und einige andere, der Lehrer des Ortes, diejenigen Burschen, die sie für fähig hielten, ein solches Weihnachtspiel aufzuführen. Durch viele Wochen hindurch wurden die Übungen, die Vorübungen gepflogen. Und aus der Art und Weise, wie die Leute sich vorbereiten mußten für das Feierliche dieser Stücke, ersieht man, aus welchem Geiste heraus solche Dinge unternommen worden sind. Es lebte, ich möchte sagen, ein innerlich gemütvolles Christentum, eine innerlichste gemütvolle Christlichkeit noch. Man sieht es in der ganzen Art und Weise der Einleitung solcher Spiele. Es gab bestimmte Vorschrif-

Daar zijn ze in de kersttijd gespeeld hoewel ze heel ergens anders zijn ontstaan. Oorspronkelijk werden ze gespeeld waar de Rijn stroomt. Ze zijn dus door een bevolkingsgroep meegenomen die naar het oosten trok en die zich ten oosten van de Donau in het Banaat en verder vestigden. Daar werden deze spelen dan verder gespeeld, tot wel in de 19e eeuw.
De laatste tijd zijn veel van dergelijke volksschatten door de gebeurtenissen in de tijd, verloren gegaan. Maar wie het spel nog hebben gezien, waren er diep van onder de indruk, niet alleen van het spel zelf, maar vooral door de manier waarop met deze spelen werd begonnen.
Wanneer de druivenpluk voorbij was, in de herfst, zochten de geestelijke en nog wat anderen, de dorpsleraar jongens bij elkaar die ze geschikt achtten zo’n kerstspel op te voeren. Vele weken lang werden de oefeningen, de vooroefeningen gehouden. En op de manier hoe de mensen zich moesten voorbereiden voor het feestelijke van deze stukken, kun je zien vanuit welke geestesstemming dergelijke dingen gedaan werden. Er was, zou ik willen zeggen, nog een innerlijk gemoedvol christendom, iets heel innerlijk zeer christelijks in het gevoelsleven. Dat zie je aan de hele manier van voorbereiding bij deze spelen. Er bestonden bepaalde voorschriften, 

blz. 55

ten, nach denen wochenlang, viele Wochen lang diese Spiele vorbereitet wurden. Der Geistliche, der Lehrer hat die Burschen gesammelt. Es wurden auch die weiblichen Rollen in der Regel von Burschen gegeben; das können wir hier nicht nachahmen. Da würden gar zu sehr unsere weiblichen Mitglieder dagegen protestieren, aber in der Oberuferer Gegend, da wo Karl Julius Schröer diese Dinge entdeckte, waren es durchaus Burschen, welche auch die weiblichen Rollen gaben. Diesen Burschen wurden strenge Vorschriften gegeben. Vorschriften wurden gemacht, die in derselben Weise jetzt, wo wir hier schon seit Jahren den Versuch machen, diese Spiele innerhalb unserer Kreise wiederum zu beleben, für diejenigen der verehrten Zuhörer, die dabei erscheinen wollen, -Vorschriften also wurden denSpielenden gemacht, die für unsere Spielenden nicht mehr jene Bedeutung haben, aber die uns zeigen, mit welchem Ernst die Dinge da aufgefaßt worden sind. So zum Beispiel war einer der Paragraphen, daß diejenigen, die da mitspielen sollten, an den vielen Wochen, vor allem Abend für Abend all die Wochen durch, wo sie diese Proben durchmachten, ein ehrsames Leben zu führen haben. Nun, das ist selbstverständlich ganz natürlich, daß unsere Leute immer ein ehrsames Leben führen! Also dieser Paragraph hat für uns weiter keine Bedeutung. Ferner durften keine Schelmereien verübt werden. 

volgens welke men weken lang, vele weken lang deze spelen voorbereidde. De jongens waren bij elkaar gezocht door de geestelijke, de leraar. Ook de vrouwenrollen werden in de regel door jongens gespeeld; dat kunnen we hier niet navolgen. Dan zouden onze vrouwelijke leden daar al te zeer tegen protesteren, maar in de streken van Oberufer waar Karl Julious Schröer deze dingen ontdekte, waren er alleen maar jongesn die ook de vrouwelijke rollen speelden.
Deze jongens kregen strenge voorschriften. Er werden voorschriften gegeven die op dezelfde manier nu, nu wij hier al sinds jaren proberen deze spelen bij ons weer nieuw leven in te blazen, voor diegenen van de geachte toeschouwers die willen komen kijken – voor onze spelers niet meer die betekenis hebben, maar voor die spelers waren er voorschriften en die laten ons zien met wat voor ernst de dingen beschouwd werden.
Een van de regels was dat degene die wilde meespelen gedurende de vele weken, alle avonden, al die weken, waarin gerepeteerd werd, een eerzaam leven zou leiden. Welnu, voor onze mensen is het vanzelfsprekend heel natuurlijk dat zij steeds een eerzaam leven leiden. Die regel heeft voor ons verder geen betekenis. Verder mochten er geen onzinnige dingen uitgehaald worden.

Das dürfte ja unter Anthroposophen nicht die Regel sein. – Allerdings gab es ‘auch noch eine Vorschrift, eine Art Strafe, die wir hier einfach aus dem Grunde nicht einführen, weil auch dagegen zu stark protestiert würde, und wenn es doch nötig wäre, sie zu verlangen, würde das nicht eingehalten werden. Es war nämlich eine strenge Vorschrift, daß für jeden Gedächtnisfehler, der begangen wurde noch bei der Generalprobe und insbesondere bei den Aufführungen selbst, strenge Strafen bezahlt werden mußten durch den Mitspielenden! Wie gesagt, das können wir nicht einführen. Denn es würden nie diese Strafen bei uns bezahlt.
Nun war aber eine ganz strenge Vorschrift, meine sehr verehrten Anwesenden, die wir gar nicht einführen können, vorhanden. Diese strenge Vorschrift war diese, daß in der Zeit, während welcher die Proben stattfanden, die Probenden also dem Geistlichen oder Lehrer, also allen, die Lehrmeister sein müssen, streng gehorsam sein mußten.

Dat zou onder antroposofen niet de regel mogen zijn –
Bovendien was er nog een voorschrift, een soort straf, die we hier niet invoeren simpelweg omdat ook daartegen te sterke protesten zouden komen en als het toch nodig zou zijn het te eisen, zou het niet ingewilligd wordenj. Het was namelijk het strenge voorschrift dat er bij elke vergeetfout die nog gemaakt werd bij de eindrepetitie en vooral tijdens de opvoeringen, door de spelers een flinke boete betaald moest worden. Zoals gezegd: dat kunnen we hier niet invoeren. Deze boetes zouden bij ons nooit betaald worden
En nu was er, zeer geachte aanwezigen, nog een streng voorschrift, dat we al helemaal niet kunnen invoeren. Dit strenge voorschrift was dat in de tijd waarin de repetities plaatsvonden de uitvoerenden alsook de geestelijke of leraar, dus allen die leermeester moesten zijn, streng gehoorzaam moesten zijn.

blz. 56

Nun, Sie werden begreifen, das können wir unter uns natürlich niemals einführen. Sie sehen aber aus diesen strengen Paragraphen, mit welch außerordentlichem Ernst man an diese Sache ging. Und dieser Ernst ist es, der einem auffällt, wenn man sich in die ganze Art und Weise wiederum vertieft, wie diese Spiele gespielt wurden. Nicht sentimental, oftmals mit einem köstlichen Humor durchsetzt, durchaus aus dem Volksgefühl heraus waren ursprünglich von der Geistlichkeit diese Dinge gegeben, aber das Volk hat sich ihrer bemächtigt, ganz in seinem Geiste aufgenommen. So daß, wie sie hier vorliegen, sie durch und durch volkstümlich sind und uns zurückweisen in das Fühlen, in das Empfinden, in das Denken eines Teiles des christlichen Volkes im 16. Jahrhundert, vielleicht im 15. Jahrhundert noch. Das alles steht vor unserer Seele, wenn wir diese Spiele ansehen.
Wir dürfen uns vorstellen, daß über einem großen Teil von Mitteleuropa, über die Gegenden, die ich früher schon erwähnt habe, vom 14. Jahrhundert bis in die folgenden Jahrhunderte hinein – in einzelnen Gegenden, wie Sie sehen, ist das erst nach und nach verschwunden im 19. Jahrhundert -, zu allen sogenannten heiligen Zeiten diese Spiele, also das Weihnachtspiel, das Osterspiel, das Pfingstspiel vorgeführt wurden.

Nu, u zal begrijpen dat we dat onder elkaar natuurlijk nooit uitvoeren. Maar aan die strenge regels ziet u met wat voor buitengewone ernst men hiermee bezig was. En het is die ernst die opvalt wanneer je je in alles verdiept hoe deze spelen gespeeld werden. Niet sentimenteel, dikwijls met kostelijke humor doorspekt, zeer zeker was dat oorspronkelijk vanuit het volksgevoel door de geestelijkheid aangegeven, maar het volk maakte het zich eigen, nam het helemaal in de geestesgesteldheid op. En wel zo dat zoals we ze nu hier hebben, ze door en door volks zijn en ons verwijzen naar dat gevoel, dat beleven, dat denken van een deel van het christelijke volk in de 16e eeuw, misschine nog in de 15e. Dat staat voor ons, wanneer we naar deze spelen kijken.
We mogen ons wel voorstellen dat verspreid over een groot deel van Midden-Europa, over de streken die ik al eerder noemde, vanaf de 14e eeuw tot in de volgende eeuwen – in een paar gebieden is dat, zoals u ziet, pas in de 19e eeuw, ze langzaam verdwenen, op alle zogenaamde heilige dagen deze spelen, dus het kerstspel, het paasspel, het pinksterspel opgevoerd werden.

Und an der Art und Weise, wie diese Leute das Christentum in sich belebt haben, wie sie in einer außerordentlich volkstümlichen Art und Weise, ich möchte sagen, anschaulich die Evangelien vor uns hinstellen, sieht man, daß sie tief eingegriffen haben in das Volk. Und wir betrachten es als unsere Aufgabe auch, darauf aufmerksam zu machen, wie das geistige Leben durch die Jahrhunderte durch, wie ein Stück des geistigen Lebens Mitteleuropas dadurch erhalten blieb. Derjenige, der noch gesehen hat, wie auch sonst dieses geistige Leben Mitteleuropas, insoferne es Volksleben war, in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts allmählich unter den neueren Zeiten dahingestorben ist, wird viel empfinden können durch diese Auferweckung alter volkstümlicher Zeiten. Aus diesem Geiste heraus, meine sehr verehrten Anwesenden, möchten wir Ihnen zunächst das Paradeis-Spiel und dann auch das Christ-Geburt-Spiel heute vorführen.

En aan de manier waarop deze mensen het christendom beleefden, hoe ze op een buitengewone volkse manier, ik zou willen zeggen, de Evangeliën voor ons aanschouwelijk neerzetten, zie je dat zij op het volk een diepe indruk maakten. En wij vatten het ook als onze taak op erop te wijzen, hoe het geestelijk leven door de eeuwen heen, daardoor als een stuk geestesleven van Midden-Europa bewaard bleef. Degene die nog heeft gezien hoe toch ook dit geestelijke leven van Midden-Europa in zoverre het volksleven was, in de tweede helft van de 19e eeuw langzamerhand in de nieuwere tijd ten onder gegaan is, zal veel kunnen ervaren door het nieuw ingeblazen leven van oude volkse tijden. Vanuit deze stemming, geachte aanwezigen, zouden wij u nu het paradijsspel en dan ook het herdersspel willen laten zien. 

.

[1] GA 274
[2] anekdote: hij had een litteken op zijn wang, veroorzaakt door het bijten van zijn moeder.

.

Rudolf Steiner: toespraken bij de kerstspelen

Kerstspelenalle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

2051-1923

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (17) – nawoord voor de volwassenen

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 128                                                                                                   hoofdstuk 17

Nawoord voor de volwassenen

De schrijver heeft bij het schrijven én aan school  én aan het gebruik thuis in het gezin gedacht en allereerst rekening gehouden met de behoefte van tien- tot twaalfjarige kinderen. Dat daarmee het gebruik van het boek niet beperkt wordt, zal hopelijk de ervaring leren.
Dit boek is een leesboek, maar geen leerboek. Noch de keus, noch de volgorde van de besproken dieren zijn onderhevig aan wat voor dwang of systeem dan ook. Ze zijn in volledige vrijheid gemaakt en ook achter het getal 16 zit niet het allerkleinste geheim.
Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat dit leesboek niet in de plaats kan en wil komen van bv. het eerste dierkundeonderwijs zoals dat op de vrijeschool wordt gegeven.
Dit fundamentele eerste kennismaken met het wezen van de mens en de dieren is zo mogelijk al voorafgegaan.
In hoeverre de auteur – zeker tot voordeel van de kinderen – heeft kunnen vermijden de thans zo populaire vermenselijking van het individuele dier, nag de lezer zelf beoordelen. Echte dierenliefde kan tenslotte toch door niets anders opgeroepen worden dan door een goed begrip.
Dat op een paar plaatsen klassieke woorden in de tekst werden gevlochten, zoals bv. uit Brhems Tierleben, zal wel niemand veroordelen, maar met het oog op het doel van het boek werden er geen bijzondere literatuurverwijzingen gegeven.

Mag dit kleine werk over de ‘oceaan van meningen’ diegenen vinden die het graag willen hebben!

Pasen 1957                                                                                      Dr.Gerbert Grohmann

Meer van de auteur:

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde.

.

2050-1922

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin (2-5)

.

Marjolein Wolf in gesprek met Arie Bos, Weleda Puur Kind, herfst 2005, nr. 16

.

De huid is geen grens, maar een toegangspoort

Veel ouders zijn ervan overtuigd dat bepaalde oliën en zalven voor zwangeren en baby’s prettig in het gebruik zijn en soms een beetje helpen. Maar dat bijvoorbeeld zwangerschapsolie echt helpt striae te voorkomen, dat geloven ze niet.

De huid laat toch niets door? Maar zo is het dus niet: bepaalde stoffen kunnen hun genezende werking juist hebben dankzij de huid. Een gesprek met huisarts Arie Bos.

Als we het over de zintuigen hebben, dan denken we in eerste instantie aan ogen, oren, mond en neus. We zouden dan wel bijna ons grootste zintuig vergeten: de huid, hét instrument van onze tastzin. Maar niet alleen qua oppervlakte is de huid de baas. Je zou zelfs met enige overdrijving kunnen zeggen dat het leven ooit is begonnen en nog begint met dit orgaan.

Arie Bos: ‘Je kunt naar de huid op verschillende manieren kijken, bijvoorbeeld vanuit de evolutie. De allereerste wezentjes van de evolutie zijn weekdiertjes als wormen en slakken. Zij hebben maar één orgaan om mee waar te nemen: de huid. Ze ruiken via de huid en proeven via de huid. Er schijnt zelfs een soort zeester te zijn die licht en donker via de huid kan ‘zien’. De huid is dus een van de eerste organen die gevormd is binnen het evolutieproces.’

Open en kwetsbaar

‘Als een baby net geboren is, speelt de huid een ongelooflijk belangrijke rol.
Het pasgeboren kindje probeert vanaf de eerste dag een helder beeld te krijgen van de wereld om zich heen en is daardoor voortdurend aan het kijken, horen, ruiken, proeven en tasten. Hierdoor ontstaat bewustwording van de eigen identiteit en afgrenzing: er ontstaat een ‘binnen’ en een ‘buiten’. Dat aftasten doet hij met heel zijn lichaam, dat is één groot tastorgaan.’

De huid is het enige zintuig dat meteen na de geboorte klaar is om zijn functie te vervullen. Dit in tegenstelling tot de oogjes en de oortjes, die ‘aan de buitenkant’ wel gevormd zijn, maar nog niet voldoende ontwikkeld om hun taak op zich te nemen. Om die reden hebben de signalen die het kindje in de eerste maanden van zijn leven via zijn huid ontvangt, meer impact op zijn ontwikkeling dan bijvoorbeeld geluiden. ‘Communicatie via de huid is zelfs van levensbelang’, vervolgt Arie Bos. ‘Dat blijkt uit experimenten met dieren die na hun geboorte niet werden aangeraakt. Ze stierven of vertoonden eenmaal volwassen ernstige gedragsproblemen. Dergelijk onderzoek toont aan dat contact via de huid dus letterlijk van levensbelang is. En juist omdat de babyhuid nog zo onervaren is, kun je je voorstellen dat het ook belangrijk is hoe je die aanraakt. Bij een zachte, liefdevolle aanraking geef je als het ware liefde door. Bovendien is het goed om het groeiproces van de baby op die manier te stimuleren. Met name via de huid zou ik zeggen, omdat de andere zintuigen nog niet zo zijn ontwikkeld. De huid is niet, zoals men vaak denkt een grens, maar een poort.’

Een extra beschermend laagje

Aanraken, masseren, knuffelen, het draagt allemaal bij aan een gezonde ontwikkeling, zoals ook kleertjes van natuurlijke stoffen zoals katoen of linnen. Maar ook op fysiek vlak is de huid meer open. Bij een baby bijvoorbeeld vindt de celdeling in de huid veel sneller plaats dan bij volwassenen en is de huid ook vijf keer zo dun. Die grotere interne activiteit maakt dit orgaan extra kwetsbaar, waarom ook wordt aangpraden het kleine kind met behulp van een olie of een zalf (op natuurlijke basis) een extra beschermend laagje te geven.

Door een olie of lotion op onze huid te smeren, gaan we (met behulp van de ingrediënten) als het ware een gesprek aan met onze huid. Dit heeft op verschillende niveaus effect. Om te beginnen zitten er in een olie of lotion werkzame stoffen, die door de huid worden omgezet en laag voor laag dieper het lichaam in worden getransporteerd.

Lange tijd werd gedacht dat dit slechts in beperkte mate gebeurde: de werkzame stof zou aan de oppervlakte van het lichaam blijven en alleen in de bovenste laag zijn werk doen. Maar daar is men van teruggekomen en binnen de geneeskunde wordt nu ook volop gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de huid biedt als toegang naar andere delen van het lichaam.

Veel oliën of lotions doen hun werk specifiek in één van de drie huidlagen. Elke laag heeft namelijk zijn eigen functie. In de onderste, derde laag bijvoorbeeld waar het onderhuids bindweefsel zich bevindt, vinden de stofwisselingsprocessen plaats. Het is een soort vetmantel om je heen, die als stootkussentje fungeert en je beschermt tegen warmteverlies. Het is ook de laag waar je warmte in kunt genereren, bijvoorbeeld door een product te gebruiken waar rozemarijn in zit.

Volgens Arie Bos kunnen we ook nog op een ander niveau kijken naar het gebruik van oliën en lotions. ‘Als je serieus neemt dat de huid bij uitstek een waarnemend orgaan is, dan realiseer je je ook dat zij kan waarnemen wat voor stof bij hem naar binnen dringt en hoe zij daarop moet reageren. De huid is een communicatieorgaan dat die boodschap oppikt.’»
.
Tastzin: alle artikelen, onder nr.2

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

.

Dit is een ingekorte versie van het interview met Arie Bos in het Weleda Verloskundigen Forum najaar 2004 15

.

2049-1921

.

.

.

.

.