VRIJESCHOOL – Over de kleuren op de muren van de lokalen (1-1/2)

.

Oene Schreuder, vrijeschool Wageningen, nadere gegevens onbekend

Deel 1
.

OVER KLEUREN EN WANDVERSIERING IN VRIJESCHOLEN

II WANDVERSIERING

In de ontwikkeling van de beeldende kunst is een interessante beweging te volgen die verloopt van groot naar klein naar groot.
Denken we bijvoorbeeld aan de Bijbelse muurschilderingen van Michelangelo (vanaf de aardeschepping tot aan David en Salomo) dan kunnen we het gevoel krijgen van: kosmisch, spiritueel en groot.
Stel ik mij echter een schilderij met appels op een schaal voor van Cézanne (eind 19e eeuw), dan krijg ik de indruk: begrensd, niet alleen door een lijst om het werk heen, maar ook uit liefde voor het detail, kortom klein, hoe spiritueel die appels ook weergegeven zijn.
Kijken we naar de tijd na 1900, dan zien we dat de kunst langzamerhand de grenzen van het kader wil doorbreken, zodanig, dat de toeschouwer, de mens, deelgenoot van het kunstwerk zal kunnen worden.
Picasso begint in 1909 met de collage (bijv. stukken krant in een compositie).
Dan vinden we bij de DADA, de montage (bijv. een object uit fietsonderdelen).
Ook krijgen we de assemblage; 500 brilmonturen op een groot bord.
Een stap verder is de “enviroment-art” (parallel aan de zgn. “pop-art“),  in de omgeving wordt kunstzinnig gemanipuleerd, bijv. in de VS is een landschap met kilometers lange gekleurde gordijnen doorbroken.
In 1959 komen we voor het eerst de “happening” tegen; bijv. een man die in het stedelijk museum gaat staan als kunstobject. Daarmee wil tot uiting gebracht worden, dat het alledaagse, iedere mens (toeschouwer) op zichzelf al een kunstwerk is.

 

Al met al zijn we weer bij het idee “groot en groots” aangeland.
Misschien gebeurt het, dat sommigen bij de laatste kunstvormen uithaken en het schilderij aan de muur verkiezen, toch ligt er een dieper streven achter al deze nieuwgezochte kunstuitingen, nl. dat ieder mens, en niet een culturele elite alleen, weer kan instappen in de kunst. De kunstobjecten worden – om zo’n stap te vergemakkelijken – uit het leven van alledag gekozen.

De vrijescholen nu, zijn wat kunst betreft uiterst trendgevoelig. U weet allen, dat “happenings” in onze school aan de orde van de dag zijn, maar ook, geloof ik, dat de enviroment art, omgevingskunst op een hele bijzondere manier is opgevat, nl. in de vorm van muurschilderingen.

En Rudolf Steiner heeft daarmee dezelfde bedoelingen voor ogen gehad als de moderne kunstenaar nl. om ieder mens(enkind) weer te laten vertrouwen op het kunstzinnige in de mens en een vertrouwensband te laten krijgen met de kunst in het algemeen.

In onze cultuur moeten we helaas constateren hoe er alom kunstzinnige schraalheid heerst en steeds weer meer moeten er therapeutische ‘kunstgrepen’ worden gedaan om te proberen iets te redden vandat vertrouwen in de kunst.

Een schoolgebouw is nu bij uitstek zo’n “omgeving” om kunstzinnig en zodoende medisch-preventief in te richten. Wat mensen in hun kinderjaren aan “prikkels” opdoen op kunstzinnig gebied, kan bepalend genoemd worden voor het verdere leven (vandaar preventief).

Bovendien heeft R. Steiner de kunst ook nog consequent en op een begrijpbare wijze aangepast, aan die “omgeving”.

Ik zal een overzicht geven van de aanwijzingen die hij gaf voor de verschillende motieven van klas 1 t/m 12; alle (evenals de kleuren op de muur) aangepast aan de leeftijdsfase en leerstof.

Klas
1 – Sprookjesvoorstellingen (eveneens kleuterklas).
2 – Fabels en legenden.
3 – De levende, maar nog niet vanuit de waarneming afgebeelde wereld; planten.
4. – De “waarneembare” wereld; dieren.
5 – Mensengroepen, mensen die samen iets doen.
6 – De eenzame mens in de natuur.
7 – 8 – Reproducties van Rafael en Leonardo da Vinei.
9 – Reproducties van bijv. Giotto; technische situatieschetsen; een hemelkaart, waarin men de verschillende sterrenbeelden in figuren bijeenzet.
10 – Reproducties van Holbein en Dürer. Ook bijv. het binnenste van de zee met daarin levende dieren; Voorstellingen die zowel instructief, als kunstzinnig zijn.
11 – Holbein, Dürer, ook Rembrand, evt. ook oudere meesters. Tevens geologische doorsnijdingen met kunstzinnig uitgewerkte kaarten e.d.
12 Reproducties van Rembrand, ook voorstellingen van fysiologische en anatomische zaken bijv. de bouw van het oor, het oog.

N.B: De moderne én klassieke beeldende kunst leren de leerlingen kennen in kunstgeschiedenisverband.

Wanneer je zo’n hele reeks van klas 1 tot en met 12 doorneemt is er een opvallende scheiding tussen 1 t/m 6 en 7 t/m 12.
Krijg je bij de eerste zes het gevoel te maken te hebben met zeer levendige beeldrijke, fantasievolle schilderijen op de muur, zo krijgt je bij de ‘bovenbouw’ het idee te maken te hebben met meer technisch wetenschappelijke, tot exacte waarneming aansporende afbeeldingen.
Plotseling komen er (naast muurschilderingen!) reproducties op de muur vanaf klas 7. Een aanduiding, dat het hier om een andere kijkhouding gaat bij de kinderen (puberteit).

Wanneer je bijvoorbeeld naar klas III – de levende, maar nog niet vanuit de waarneming afgebeelde wereld, planten – kijkt, stel ik me daarbij een meer expressionistische schildertrant voor; planten in hun oervorm, dieren in hun zielekleur, etc. (De Goethe-stijl)

Nemen we daarentegen bijvoorbeeld klas 10 – het binnenste van de zee – dan stel ik me daarbij een meer op waarneming geënte impressionistische schilderstijl voor. (Evenzo duidelijk in klas 12). In de reproducties is een zuiver kunstzinnig element vertegenwoordigd.

Wat zou nu zo’n motief voor een muurschildering in de lagere klassen kunnen zijn?

In de eerste klas en ook de tweede is uitzoeken/kiezen daarvan een verrukking.
We hoeven maar een sprookjesboek open te slaan, of de rijke beelden rollen aan je ogen voorbij. Uit zo’n verhaal kun je een aantal treffende gebeurtenissen of stemmingen pakken en die in een reeks beelden op de muur aanbrengen.
Zo’n geschilderd sprookje kan tot jaarmotief worden voor de kinderen, Het bijbehorend verhaal vertel je natuurlijk aan de kinderen en plotseling zie je dan hun hoofden omdraaien naar de muur uit herkenning.

Belangrijk is m.i. bij zo’n muurschildering, dat er een element in zit dat naar de toekomst verwijst, bijvoorbeeld iemand die op weg is of een ontwikkelingsgang doormaakt.

In sprookjes- en heiligenlegenden-motieven (ook fabels) is dat goed tot uiting te brengen in bijv. een prins (te paard), die op weg gaat en allerlei gevaren (lees: ontwikkelingsmogelijkheden) ontmoet.

In het sprookje van de “twee gebroeders” (uit Grimm), wat aanleiding was voor de muurschildering in de 1e klas, hek ik de jongste broer, die naar het westen trekt (en zelfs een doodsmoment beleeft) een toekomstgericht gebaar (hij wijst naar zijn doel) meegegeven. in feite geef je a.h.w. een spiegel aan de kinderen, immers ook zij zijn op weg naar een toekomst in het avondland.

Veel moeilijker – ik heb daar geen ervaring mee – lijkt mij een overgang te vinden naar de 3e klas met: “de levende, maar nog niet de uiterlijk waarneembare natuur”. Het zal moeten gaan om ‘oer’-beelden, innerlijke beelden t.a.v. planten etc., denk ik.

De vierde klas krijgt hetzelfde jaarmotief, maar de blik is nu naar “buiten” in de wereld gericht. De ‘waarneming vanuit het “ik” gaat een rol spelen voor de 9/10 jarige.
Het penseel moet zich aanpassen na de 3e klas.

Een poging waard lijkt het me om in de 4e. klas de dieren zó te schilderen, dat ze in hun eigen ‘kleur’ gevat zijn. (Een flegmatische koe in een sappige kleur). Ook de penseelstreek (rond-straalsgewijs) kan daartoe effecten geven.

De vijfde klas – waarvan leraren vaak zeggen, dat de groepsgeest het meest harmonisch is – heeft tot thema: mensengroepen. Bijvoorbeeld zouden we hier kunnen denken aan een groep mensen die samenwerken in een houtzagerij o.i.d. (een marktplein misschien). We kunnen daarbij ook denken aan de economische aardrijkskunde, die dat leerjaar centraal staat.

De zesde klas, de eenzame mens in de natuur. Zelf heb ik daarbij iets in mijn hoofd als een chinees of japans motief van een prachtig landschap met een berg en een meer met daarin een enkele mens (in een roeibootje) of een steenhouwer…
Duidelijk is hier weer aangesloten bij de leeftijdsfase van de 11-jarige. Ze staan aan de vooravond van de puberteit, een fase, waarin het mensenkind geheel op zichzelf wordt teruggeworpen en waarin ook het fysieke sterk beleefd gaat worden.
Vele dingen in het leven zullen kritisch en scherp worden betwijfeld. De natuur echter blijft een permanent gegeven van waaruit weer vertrouwen geput kan worden. (Thema in de zesde klas is ook mineralogie)

Vanaf de 7e klas worden de reproducties geïntroduceerd en de overige muurschilderingen in de bovenbouw zijn specialistischer van aard.
Voor wat de stijl betreft, waarin de muurschilderingen opgezet moeten worden, heeft R. Steiner gezegd, dat het een ‘algemeen menselijke’ moest zijn. Wat dat nu precies inhoudt, daar zou je als kunstenaar, volgens mij een levenstaak van kunnen maken om dat te verwerkelijken.
Enerzijds geeft hij door zoiets uit te spreken een enorme vrijheid aan de kunstenaar, aan de andere kant wil hij er volgens mij voor waarschuwen, dat het geen plaatjes uit een rijmpjesboek worden, of dat er vanuit een specifieke kunstrichting wordt gewerkt, cubistisch of surrealistisch of naïef.
Vele prentenboeken in de winkel zijn verlucht met sterk stijlgerichte afbeeldingen, waardoor ze vaak aantrekkelijker zijn voor volwassenen dan voor kinderen.
‘Algemeen menselijk’ schilderen betekent ook vaak een strijd aangaan met een al te persoonlijke stijl.

Op nog maar weinig vrijescholen is men zover gekomen om aandacht te besteden aan muurschilderingen. Toch is het mijn overtuiging, dat dit een manier is om de kunst een werkelijke sociale rol te laten spelen en haar te maken tot iets, waar kinderen en volwassenen vrijuit van kunnen genieten, zo in het dagelijks leven en tot iets waar voor men niet naar galeries of tentoonstellingen behoeft te gaan.

Bij kinderen is het nog zo duidelijk dat zij de wereld om hen heen als mooi en schoon willen beleven; misschien kunnen wij als opvoedkunstenaars er een penseelstreekje toe bijdragen, dat zij ook later hun volwassenwereld, kunstzinnig zullen willen inrichten.

Muurschildering:

bron
.

Deel 1 van deze artikelen gaat over het vraagstuk van de kleuren van klassenmuren.
.

Rudolf Steiner in GA 330B/228 e.v.
.

Dit onderwerp wordt ook behandeld in het boek ‘Schöpferisches Gestalten mit Farben
.

korte film (Duits)

.

1966

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.