Tagarchief: Albrecht Dürer

VRIJESCHOOL – Biografieën – Albrecht Dürer

.
Leo J. Capit, Panorama, nadere gegevens onbekend
.

ALBRECHT DÜRER
DE ONRUST WAS ZIJN MEESTER

ALBRECHT DÜRER werd in Neurenberg geboren op 14 mei 1471. Hij stierf op 6 april 1528. Aanvankelijk zou hij goudsmid worden, evenals zijn uit Hongarije afkomstige vader en grootvader. Hij werd echter schilder, tekenaar. In de vijfde eeuw na zijn dood ziet de wereld hem nog altijd als een geweldig kunstenaar. Zijn tekeningen zijn grauwe stukken papier, die scheppingen dragen in verscheidene technieken: zilverstift, houtskool, krijt, penseelwerk. Voorstellingen, zo gaaf en razend knap, dat ze ook de nuchtere twintigste-eeuwse mens nog stil maken.

Kunsthistorici hebben er vele woorden voor. Ze volgen het spoor terug door de cultuur en tonen haarfijn wie er invloed heeft uitgeoefend op wie. Maar de leek in dit atoomtijdperk, die van mooie dingen houdt, vat al zijn bewondering en eerbied samen in de woorden: „Die lui konden tekenen!.

Drie boeren op de markt en boerenpaar; een pentekening, getuigend van Dürers feilloze observatie.

Achter de tekeningen, die nu in stemmige museumzalen onder een uitgekiende belichting te kijk hangen, rijzen de schimmen op van hun makers. Het zijn vage schimmen. Hun tijd ligt zo onwezenlijk ver achter ons. Hun namen zijn hoogstens nog straatnamen. Hun erfenis is aanvaard en verdeeld. Iedereen kent de tekening ‘Gevouwen handen’ van Albrecht Dürer. Het origineel, dat in het Albertina Kunstkabinet in Wenen berust, is tot miljoenen reproducties verveelvoudigd. Het hangt in miljoenen woningen, alom in de westerse wereld. Maar hoevelen, in die huiskamers, kunnen de naam van de maker noemen ?

Dürers wereldberoemde ‘Handen in gebed gevouwen’, een penseeltekening op blauw gegrond papier, was slechts een voorstudie voor het altaarstuk, dat hij maakte in opdracht van de rijke Jakob Heller uit Frankfort. De tekening is tot in de finesses uitgewerkt, omdat Dürer hem precies zo wilde overbrengen op het schilderij.

En toch: bewust kijken naar kunst is altijd een ontmoeting met degene die het kunstwerk schiep. Zijn schim mag nog zo vervaagd zijn, in zijn werk blijft hij altijd de levende mens. Veel werk van Dürer doet ons vandaag wonderlijk modern aan. Dat hoeft op zichzelf geen verdienste te zijn, maar het prikkelt wel onze nieuwsgierigheid naar de persoon van de kunstenaar, die leefde in een van de meest dramatische perioden van de Europese cultuurgeschiedenis.

Achttien maal kraambed

De middeleeuwen ebden weg, toen Albrecht Dürer aan ving te leven. Hun sombere motto ‘Gedenk te sterven’ maakte plaats voor het levensblije devies van de renaissance: Pluk de dag.
In het gezin van de Neurenberger goudsmid Dürer was een geboorte niets bijzonders. Moeder lag achttien maal in het kraambed, maar van haar kinderen bereikten er slechts drie de volwassenheid. Albrecht, de derde zoon, werd uitverkoren om zijn vader op te volgen.
Kind is hij nooit geweest. In die tijd bestonden geen kinderen in onze betekenis van het woord. Het kind, met zijn eigen speelwereldje, eigen kledij en eigen levensritme, werd pas eeuwen later uitgevonden. Albrecht moet meteen al een burgertje in de nadagen van de middeleeuwen geweest zijn, bevoorrecht omdat zijn vader, als artistiek handwerksman in de bloeiende, kunstzinnige handelsstad Neurenberg, in een zekere welstand kon leven. Hij leerde lezen en schrijven, en in zijn ouderlijk huis was papier en tekenstift voorhanden. Zijn eerste zelfportret maakt hij op dertienjarige leeftijd: een ernstig, jong gelaat met attente ogen, ferm, zonder aarzelen getekend. Het is meteen een ongewild getuigenis van zijn karakter. Hij heeft oog voor de waarheid, de werkelijkheid van het leven zelf, zonder verfraaiingen of mystieke verdichtselen.

Heeft die tekening destijds de aandacht van zijn dierbaren getrokken ? Dat moet wel. Zijn vader heeft hem het goudsmidsvak bijgebracht, maar als leerling in het atelier van de grote Neurenbergse schilder Michaël Wolgemut voelt de jonge Albrecht zich beter op zijn plaats. Tekenen en schilderen wil hij — en ook dient geleerd te worden. Als tiener kiest hij zijn eigen idool: de schilder — goudsmidszoon evenals hij zelf — Martin Schongauer, een Elzasser die in Colmar woont.
Vier jaar blijft Albrecht Dürer in de leer bij Wolgemut. Dan ontvlucht hij Neurenberg, gedreven door de wens andere kunstenaars en andere steden te leren kennen. Het is 1490; een nieuwe levenshouding, meer gericht op de aardse werkelijkheid dan op de beloofde zaligheid van het hiernamaals, breekt zich baan. Dürer trekt de wereld in, avontuurlijk en leergierig tot in al zijn vezelen. Hij weet zich nog niet volleerd. Zijn zwerftocht moet zijn kennis verrijken. Hij is Wandergesell.

Hij komt in Colmar, in 1492, en verneemt daar met grote spijt dat de bewonderde Martin Schongauer, die hij zo graag persoonlijk had willen ontmoeten, enkele maanden eerder overleden is. Dan begeeft hij zich naar Bazel. Hij maakt daar houtgravures en geraakt diep onder de indruk van de kunstvoorwerpen die de welgestelden in deze stad van hun reizen naar Florence, Sienna of Rome hebben meegebracht.

Italië lijkt hem het beloofde land. Maar het is zo ver. Hij is werkend reiziger. Hij moet in zijn onderhoud voorzien. Rusteloos hanteert hij de tekenstift en alles heeft zijn belangstelling: een kind, een landschap, een bloem, een insect. Korte tijd is hij weer thuis, in Neurenberg, maar hij vindt er geen rust. Straatsburg is zijn volgende pleisterplaats. Hij maakt er kennis met een schilder van zijn eigen leeftijd, Hans Baldung, achttien jaar en alreeds beroemd. Er ontbloeit een hechte vriendschap. Als Albrecht voelt dat hij eindelijk weer eens huiswaarts moet keren, toont Baldung hoezeer hij hem op zijn beurt bewondert: ‘Gegroet, meester van de Duitse schilderkunst!’ Dürer weet niet beter dan met precies dezelfde woorden te antwoorden. Schaterlachend slaan de beide gezworen kameraden elkaar op de schouder en Albrecht vertrekt naar Neurenberg.

Zijn thuiskomst brengt een groot misverstand teweeg. Zijn vader, betweterig zoals vaders zijn, vindt het nu welletjes en is van oordeel dat Albrecht nu eindelijk de rust moet opbrengen om zich een eigen huis te scheppen. Hij heeft zelfs een bruid voor zijn reislustige zoon in petto: Agnes Frey, de lieftallige dochter van een collega-goudsmid. Albrecht, daarentegen, is alleen maar naar huis gekomen om zijn ouders te vertellen dat hij nu naar Italië wil. Daar komt een kunstenaar eerst recht aan zijn trek! Vader verzet zich. Maar Wolgemut, de oude leermeester, hecht zijn zegen aan het plan. Dan doet vader Dürer er verder het zwijgen toe. Maar Albrecht is een goede zoon. Hij wil zijn ouders niet voor het hoofd stoten. Hij aanvaardt het voldongen feit van de hem wachtende bruid. Zou haar lang niet te versmaden bruidsschat van tweehonderd florijnen misschien nog gewicht in zijn schaal geworpen hebben ?

Ontembare reislust

In elk geval: het huwelijk wordt gesloten. En Albrecht vervaardigt kort daarna een portret van zijn levensgezellin, dat hij siert met het trotse bijschrift: ‘Meine Agnes’. De vader van meine Agnes heeft er kort daarop echter wel spijt van, dat hij zijn dochter aan zo’n rusteloze flierefluiter heeft uitgehuwelijkt, want de jonge mevrouw Dürer moet er al gauw in berusten, dat haar echtgenoot bezwijkt voor de lokstem van het paradijselijke Italië. Zij had zich het huwelijk stellig anders voorgesteld. . .

Albrecht Dürer, bepaald niet geplaagd door heimwee naar huis, reist over de Alpen de nieuwe tijd tegemoet. Hij ademt de lichte lucht van de bloeiende renaissance in en schrijft geestdriftige brieven aan zijn rijke jeugdvriend Pirckheimer. Onder de zon van Venetië, waar zijn werkstukken grif aftrek vinden, komt zijn kunstenaarschap tot volle wasdom. Hij schrijft: „Hier ben ik een heer. Thuis ben ik een arme parasiet!’’

Toch zal hij altijd weer huiswaarts keren. En altijd zal zijn vrouw hem wachten, als hij er weer is, „terug van weg geweest”. De banden met het ouderlijk huis bleven hem binden, meer nog wellicht dan de band met de hem opgedrongen echtgenote, die hem niet kon volgen in zijn onstuimige levensdrang en zijn vrolijke filosofie, maar die er toch altijd was als hij haar nodig had. Hij had haar heel erg nodig toen in 1502 zijn vader overleed. De oude Dürer liet zijn familie achter in benarde financiële omstandigheden. Zijn weduwe, Albrechts moeder, was bijna blind en hulpbehoevend. In de eerste plaats moest er nu geld zijn om de schulden te delgen, om verder te kunnen leven.

Albrecht toog aan het werk. Hij had al wel naam gemaakt, maar was nog niet zo ver gestegen op de ladder der erkenning dat een of andere grootmogende kunstbeschermer zich over hem ontfermde. Dat zou later pas gebeuren. Nu was het Agnes, die raad moest schaffen. Zij trok erop uit om het werk van haar man te verkopen. Het lukte redelijk. Toen de reislust Albrecht Dürer weer te machtig werd, waren zijn dierbaren gevrijwaard voor armoede. Het jaar 1505 ziet hem opnieuw naar Italië vertrekken, na een reeks kortere reizen. Voortdurend is hij onderweg, maar hij laat een spoor van hoog gewaardeerde kunstwerken na. In Venetië wordt hij nu gevierd als een der grootste schilders. Hij verdient veel geld. Zijn werken zijn levensblije juichkreten, die hem ook in zijn vaderstad roem en eer brengen.

Na 1509 staat hij in dienst van keizer Maximiliaan de Eerste. Het is uitstekend voor zijn naam, maar Zijne Majesteit verwijst voor de betaling naar het gemeentebestuur van Neurenberg, waar de vroede vaderen zich doof houden voor Dürers aanmaningen. Als de keizer sterft, adviseert men de kunstenaar de onbetaalde rekeningen aan diens opvolger, Karel de Vijfde, te presenteren. Het is dan 1520 en de nieuwe keizer vertoeft in Antwerpen. Dürer kent de weg en ditmaal neemt hij zijn vrouw mee op reis. Ze vertrekken nogal overhaast:

. . .in Neurenberg is intussen de pest uitgebroken.

Zijn reis naar Antwerpen wordt een triomftocht. Overal kent men zijn werk en in de sinjorenstad biedt de kunstenaarsbent hem een groots banket aan. Maar de keizer is inmiddels afgereisd. Albrecht probeert dan aan Margaretha van Oostenrijk, die in Mechelen vertoeft, het portret van haar vader, Maximiliaan, te slijten. Zij gaat er niet op in. Zakelijk is de reis van de Dürers geen succes, maar wel wordt Albrechts blik opnieuw verruimd. Hij leert in Brussel de wijsgeer Erasmus kennen, die hij later zo treffend zal portretteren. De schilder wordt zeer geboeid door de nieuwe denkbeelden, die in zijn tijd opgeld doen. Als de reformatie een aanvang neemt, is zijn liefste wens Maarten Luther persoonlijk te ontmoeten. Helaas is die wens nooit in vervulling gegaan.

Op zijn reis door de Nederlanden, 1520-’21, houdt Albrecht Dürer een nauwkeurig dagboek bij. Hij beschrijft het carnaval te Antwerpen, de paardenmarkt en de vrouwen te Bergen op Zoom. Het nieuws dat er voor de kust van Zierikzee een walvis te zien zou zijn, doet hem ijlings naar het havenstadje reizen — maar als hij aankomt, is de walvis weg.

In Aken woont hij de kroning van Karel de Vijfde bij. De schilder zal er voor de gelegenheid piekfijn uit gezien hebben. Hij liet zich in Nederland een nieuw gewaad aanmeten, een zogenaamde rock van wollen stof, met bont gevoerd en met fluweel en zijde afgewerkt, voor de kapitale prijs van zevenendertig gulden en twee stuivers. Hij wist een grand seigneur te zijn naar het uiterlijk. Maar de innerlijke onrust bleef hem beheersen in voor- en tegenspoed. Alleen na de dood van zijn moeder, in 1514, weerspiegelt zijn werk iets van bezinning, van neerslachtigheid. Hij heeft haar zo dikwijls alleen gelaten. . .

De jaren twintig van de zestiende eeuw brengen zijn zwanezang. Sedert zijn reis door de Nederlanden voelt hij zich niet meer de oude. Het heet, dat het verfoeilijke Hollandse klimaat hem met een kwaal opscheepte, die hem langzaam ten grave zou richten. Welke Nederlander zou die mogelijkheid willen betwisten ? Maar het is te laat om een diagnose te kunnen stellen.

In 1528, thuis in Neurenberg, waar hij in zijn laatste levensjaren nog onophoudelijk schilderde en tekende, sterft Albrecht Dürer. Aan zijn doodsbed ontbrandt een onverkwikkelijke ruzie tussen zijn vrouw Agnes, die niet van zijn zijde geweken is, en zijn beste vriend Pirckheimer, die haar verwijt dat zij zijn vrienden van hem vervreemd heeft en hem heeft geforceerd zich dood te werken.

De mens Dürer kon sterven, de kunstenaar Dürer trotseert de eeuwen in zijn werken, die van onschatbare waarde blijven. De tekeningen van Albrecht Dürer en die van zijn tijdgenoten getuigen daarvan.  

De vier apostelen, 1526.
Dürer heeft in zijn meesterwerk, het dubbele paneel van De vier apostelen, vier heiligen als contrast tegenover elkaar geplaatst: (van links naar rechts) de evangelist Johannes, Petrus, Marcus en Paulus. De tekst aan de onderzijde van de panelen, die door Dürer zelf is opgesteld vanuit zijn conservatieve geloofsopvatting, behelst een vermaning aan de radicalen onder Luthers volgelingen en dringt aan op een beëindiging van de godsdiensttwisten, die de Neurenbergers in twee vijandige kampen verdeelden.
.

Dürer

Afbeeldingen

Alle biografieën

8e klas: alle artikelen

.

1992

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.