Tagarchief: 9e klas scheikunde

VRIJESCHOOL – 9e klas – scheikunde (1)

.
Gerhard Ott, Erziehungskunst jrg. 20 nr.1 1956
.

De affiniteit van stoffen om met elkaar verbindingen aan te gaan

.
Uit de scheikundelessen van de negende klas
.
Cursief van de auteur

Artikelen over scheikundelessen in de zevende en achtste klas* toonden aan hoe noodzakelijk het is – op die leeftijd – om levendige, beeldende begrippen te gebruiken bij het beschrijven van de processen die zich afspelen, en om de aard van de stoffen zelf dicht bij de directe menselijke ervaring te brengen. Het is op deze leeftijd dan ook van groot belang dat processen zoals verbranding, kalkvorming, de werking van water, enzovoort, gepaard gaan met een sterke emotionele betrokkenheid. Men zou kunnen zeggen dat in deze klassen de begripsmatige samenhangen op de achtergrond blijven; de nadruk ligt op rijke, zintuiglijke waarneming – op het emotioneel doorgronden van de verschijnselen en het van binnenuit diepgaand beleven ervan.

In de negende klas echter – na het intreden van de puberteit – ontstaat als een fundamenteel nieuw element het vermogen van het kind tot zelfstandig denken. De jongere probeert nu, vanuit deze nieuwe vorm van levend denken, datgene te herkennen wat voorheen vooral via beelden werd ervaren en met emotionele betrokkenheid werd waargenomen. Voor deze leeftijdsgroep is niet zozeer nieuwe leerstof van belang, maar veeleer een nieuwe wijze van doorgronden van wat reeds bekend was – waarbij gebruik wordt gemaakt van die nieuw verworven zielskracht: het denkvermogen.

Maar zelfs in dit stadium, waarin de dingen van de materiële wereld zich verder beginnen te verwijderen van directe emotionele empathie en beleving, is het van belang begrippen te ontwikkelen waarbij de jongere toch een innerlijke verbondenheid voelt.

Dit kan worden bereikt door chemische stoffen nu sterker te beschrijven in termen van hun posities, maar ze toch te zien als entiteiten die begiftigd zijn met bijzondere eigenschappen, neigingen en vermogens, en uit wier activiteit hun “chemische lotsbestemming” voortkomt wanneer ze andere materiële wezens ontmoeten. En inderdaad: als een weerspiegeling van wat zich in deze periode ook in de psyche van de jongere afspeelt – driften en verlangens, neigingen en afkeer, verwantschap en vervreemding – werkt alles wat nu in het gedrag van chemische wezens waarneembaar is, door op een dieper niveau.
Goethe verwoordde deze merkwaardige relatie tussen de wetten van de chemische wereld en de wereld van de ziel op schitterende wijze in het vierde hoofdstuk van *De Wahlverwandtschaften* (De keuze-verwantschappen). “
In dit loslaten en grijpen, in dit vluchten en zoeken,” zo zegt hij daar, “meent men werkelijk een hoger doel te zien; men schrijft dergelijke wezens een soort wil en keuze toe en beschouwt de kunstmatige term ‘keuze-verwantschappen’ als volkomen gerechtvaardigd.”

Juist deze werkzaamheid van stoffen, die zo dicht bij de eigen psychische sfeer ligt, zorgt ervoor dat de jongere een bijzondere verwantschap voelt met de gebeurtenissen in de chemische processen.

Hierin schuilt het buitengewoon vruchtbare pedagogische potentieel van deze presentatiewijze; de ​​menselijke resonantie ervan kan het begrip bevorderen, zelfs bij het doorgronden van de meest complexe chemische processen. Door een dergelijke presentatie ervaart het kind chemische reacties als het zich voltrekken van een ‘drama’, waarin de elementaire stoffen optreden als de personages. Hun inherente eigenschappen bepalen het verloop van het drama. Als leerkracht kan men waarnemen hoe deze benadering – die nauw aansluit bij het gevoelsleven en de wil van de jongere – zelfs minder theoretisch ingestelde kinderen in staat stelt een werkelijk levendig begrip van chemische processen te ontwikkelen.
Laten we, om dit te verduidelijken, enkele specifieke chemische processen vanuit dit perspectief bekijken.

Wanneer we bijvoorbeeld waterstof vanuit een waterstofcilinder door een aangesloten slang en glazen tuit laten stromen en er een brandende lucifer bij houden, brandt het gas aanvankelijk kleurloos, maar vervolgens – door de invloed van het glas – met een gelige vlam. (1)
We gaan zien dat waterstof een vurig element is: het wil voortdurend branden. Het confronteert ons met deze specifieke eigenschap – als het fundamentele tegenbeeld van zuurstof, dat, zoals we weten, zelf niet brandt, maar juist de verbranding van andere stoffen mogelijk maakt.

Aan deze eigenschap van waterstof – de licht ontvlambare aard – wordt direct een tweede toegevoegd: het is een zo licht gas dat het altijd naar boven toe ontsnapt. Het drijft simpelweg weg uit een rechtopstaande, open cilinder waarin het wordt geleid; omgekeerd kan het van onderaf in een omgekeerde cilinder worden gebracht. In zekere zin keert de aard ervan de wetten om die voor aardse materie gelden: het vertoont lichtheid, geen zwaarte! Een vluchtigheid die van de aarde wegstreeft en een extreme ontvlambaarheid vormen de essentie ervan. Daartegenover staat de aard-affiniteit – de op de aarde gerichte aard – van zuurstof en de uitgesproken onbrandbaarheid ervan. In deze twee stoffen worden we geconfronteerd met oeroude tegenstellingen.

Maar hoe reageren ze op elkaar? Om daarachter te komen, gieten we de waterstof terug in een omgekeerde cilinder en plaatsen we vervolgens snel een brandende kaars bij de onderste rand. Er klinkt een zacht plofje en als we goed kijken, zien we dat de waterstof onder in de cilinder brandt met een vrijwel kleurloze vlam. (3) Maar als we de kaars dieper in de met waterstof gevulde cilinder brengen, dooft de vlam. (4) Als we de kaars er weer uithalen, ontbrandt hij opnieuw aan de onderkant van de cilinder. Dit kan meerdere keren worden herhaald. En omdat de brandende waterstof van een afstand nauwelijks zichtbaar is, lijkt het voor de kinderen aanvankelijk op magie, totdat ze de werkelijke oorzaak van het proces doorzien: namelijk dat waterstof – hoe graag het ook wil branden – alleen kan verbranden als er zuurstof beschikbaar is, maar dat het op zichzelf daartoe volstrekt niet in staat is. Daarom dooft de brandende kaars bij gebrek aan zuurstof, zelfs in een omgeving van uiterst brandbaar waterstofgas. Niets typeert de bijzondere eigenschappen van de twee stoffen treffender. Dergelijke tot nadenken stemmende experimenten, waarbij het zintuiglijk waarneembare proces alleen kan worden verklaard door de afzonderlijke processen met elkaar in verband te brengen, zijn van het grootste belang. Dit zijn bij uitstek ontwakingsprocessen voor de kinderlijke denkvermogens die zich moeizaam een ​​weg naar buiten banen.

Maar wat gebeurde er tijdens de verbranding van de “vuurgeest”? Wat was de “as” van het lichte waterstofgas na de verbranding? We kunnen dit waarnemen als we beter kijken: de cilinder is beslagen; er hebben zich waterdruppels gevormd.
Water is de as van waterstof!

Voor de kinderen is dit een diepgaand inzicht: water verschijnt als de as van het vuurwezen waterstof, wanneer dit door zuurstof wordt gegrepen, verbrand en vanuit zijn staat van aardse vluchtigheid naar aardse zwaarte wordt getrokken. Zuurstof trekt waterstof het aardse rijk in en transformeert het door hun verbinding tot water. Het brandbare vuurwezen zelf wordt geconfronteerd met de krachtige geest van de branddrang, en het in evenwicht brengen van deze oer-tegenstellingen leidt tot de vorming van water.

De vlam – het vuurelement zelf – is echter de kracht die de aanzet geeft tot deze meest intieme van alle verbindingen. Om dit verschijnsel duidelijker voor ogen te krijgen, kan men waterstof en zuurstof achtereenvolgens uit twee cilinders in een kleine open cilinder laten stromen en het gasmengsel met de kaars aansteken, net als voorheen. (5) Nu stormen de twee partners met plotseling geweld op elkaar af: het mengsel van waterstof en zuurstof – knalgas – explodeert!

De verbinding komt tot stand met elementaire kracht. Met een luide knal stroomt de lucht de ruimte in die door de gassen is vrijgekomen, terwijl de wand van de cilinder opnieuw beslaat door waterdamp. (Hetzelfde proces is – zij het minder heftig – waar te nemen wanneer men een kleine hoeveelheid waterstof uit een lange, rechtopstaande cilinder laat ontsnappen en er vervolgens een brandende lucifer in laat vallen: dit levert slechts een geluid op – een fluitend geluid dat wordt veroorzaakt doordat de lucht het lichte vacuüm instroomt.)
 
Nu kunnen we de kinderen echter ook laten zien dat deze vreemde, tegengestelde entiteiten – waterstof en zuurstof – pas ontstaan ​​wanneer we water zelf door middel van een elektrische stroom ontleden. De kracht van elektriciteit verbreekt de hogere eenheid van de stof water en drijft deze uiteen in de polariteiten van waterstof en zuurstof. Daardoor dragen deze elementen een voortdurend streven naar hereniging in zich; ze zoeken elkaar voortdurend op, en juist door dit inherente streven – deze keuzeaffiniteit – brengen ze een veelheid aan chemische processen teweeg.
Deze bespreking wordt afgesloten met een experiment dat deze feiten op bijzonder indrukwekkende wijze demonstreert. Tegelijkertijd vormt het een tegenhanger van het experiment dat in een eerder essay werd beschreven.**
We hebben dezelfde proefopstelling nodig als voorheen: een glazen buis met een bolvormig middendeel, maar ditmaal met daarin een “verbrande” stof – een as – in de vorm van een zwart poeder: koperas, oftewel koperoxide. En de cilinder die gas in deze buis voert, bevat nu brandbare waterstof. Er gebeurt iets opmerkelijks wanneer ik een brander onder de glazen buis houd, precies op de plek waar de as ligt: ​​de waterstofvlam aan het andere uiteinde van de buis krimpt, terwijl de zwarte koperas roodachtig begint te gloeien (en blijft gloeien, zelfs nadat ik de brander heb weggehaald), en aan het uiteinde van de schuin gehouden buis vormt zich een duidelijk zichtbare hoeveelheid water! (6)

Opnieuw krijgen de kinderen een reeks gebeurtenissen te zien die alleen als geheel te doorgronden is door een manier van denken die – dankzij eerdere experimenten – al inzicht heeft verworven in de wezenlijke kenmerken van de betrokken stoffen. Het is voor de kinderen een heerlijk gevoel om – via het pas ontwaakte geestelijke denkvermogen – de verschijnselen die ze met hun alerte zintuigen waarnemen te kunnen begrijpen en ordenen, en daarmee het noodzakelijke verloop van dit proces te kunnen doorgronden.

Want wat leert deze gedachtegang ons? Dit: met behulp van warmte kon de waterstof de zuurstof grijpen die verborgen – of ‘latent’ – aanwezig was in de koperas (zoals in alle asachtige stoffen); de waterstof kon deze zuurstof bevrijden uit haar gebonden staat in dat asmateriaal en zich ermee verbinden. De sterke affiniteit tussen waterstof en zuurstof maakte dit proces mogelijk; zo vond er in de verhitte buis een stille verbranding plaats – een verbinding van de twee tot water. Daardoor nam de vlam aan het uiteinde van de buis onvermijdelijk af, aangezien een aanzienlijk deel van de waterstof al was verbruikt. Maar wat gebeurde er met de zwarte koperas waaruit de zuurstof was onttrokken? Deze veranderde in rood koper – of werd ‘gereduceerd‘, zoals de term luidt. De stof kon terugkeren naar de staat waarin ze verkeerde voordat de zuurstof zich met het koper had verbonden en het tot zwarte as had verbrand.
Hier zien we opnieuw een opgang en neergang van elementaire stoffen: het waterstofgas ‘daalt af’ en verbrandt tot water door de zuurstof die uit de koperas vrijkomt, terwijl de koperas ‘opstijgt’ tot de stralende staat van koper naarmate ze van de zuurstof wordt bevrijd. Waterstof wordt geoxideerd; koperas wordt gereduceerd. Waterstof moet tot as worden, opdat koperas stralend koper kan worden. De ene stof moet zich ‘opofferen’ opdat de andere verheven kan worden! En ook hierin ligt een diepgaand principe besloten dat zijn weerga vindt in de sfeer van de ziel.
Zo worden materiële processen tot beelden die een nauwe en vruchtbare relatie aangaan met de ziel van het kind. Door deze gedachten te denken, vormt zij zichzelf. Tegelijkertijd voelt zij zich – vooral in deze moeilijke leeftijd van aardse rijping – geestelijk geborgen in de wetenschap dat ook het rijk van de materie door wetten wordt beheerst; wetten die in een hogere staat van volmaaktheid en vorm terug te vinden zijn in het rijk van haar eigen ziel.

*Zie scheikunde 7e klas onder nr. 3

**Niet op deze blog

9e klas: alle artikelen

Scheikunde: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen 

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3590-3383

.

.

.

.

VRIJESCHOOL –– Het leerplan – Caroline von Heydebrand (9e klas)

.

Kort na het overlijden van Rudolf Steiner in maart 1925 verscheen voor de eerste keer een schriftelijke weergave van het leerplan van de vrijeschool.
Die werd samengesteld door Caroline von Heydebrand die vanaf het begin in 1919 aan de vrijeschool in Stuttgart was verbonden. Zij had ook de begincursus – GA 293294 en 295 – bijgewoond en de vele lerarenvergaderingen met Rudolf Steiner (GA 300abc). 
In de jaren 1919 – 1925 tekenden zich de contouren van een leerplan af dat nadien in grote lijnen hetzelfde is gebleven.
Dat betekent echter niet dat het ‘achterhaald’ zou zijn. In velerlei opzichten zijn de ideeën nog altijd even verfrissend en laten ruimte voor ontwikkeling.

Caroline von Heydebrand, Mitteilungsblatt, okt. 1925
.

DE JONGE MENS NA DE PUBERTEIT

De volledig ontwaakte denkkracht van de jonge mens en het vermogen te oordelen vraagt om voeding en om mogelijkheden ze te gebruiken in opgaven die door verstand en logica te benutten op te lossen zijn. De verhouding die de jonge mens nu bewust en zelfstandig met zijn omgeving wil krijgen, vraagt om voortdurend contact met het praktische leven en met de verworvenheden van de moderne techniek. Zijn rijke en turbulente gevoelsleven dat de jongen nog meer verbergt dan het meisje, verlangt naar impulsen vanuit serieuze mensheidsproblemen die aan de orde moeten worden gesteld en veelzijdig moeten worden belicht, omdat iedere eenzijdigheid naar zijpaden leidt. Bij de vele moeilijkheden en morele remmingen van deze aan raadsels, wonderen en verrassingen zo rijke leeftijd waarin het bewustzijn langzamerhand heer en meester wil worden over de overrompelende gevoelswereld, helpt het eigen kunstzinnig bezigzijn en het werken met de handen, maar ook de door fantasie, enthousiasme en kunstzinnig gevoel doordrongen lessen van de leraar. De jonge mens volgt nu niet alleen meer de autoriteit van de leraar die hem door de acht jaar basisschool heen heeft geleid, maar hij krijgt nu les van een aantal vakleraren waaruit hij nu zelf zijn favorite leraar kiest. Wat voor hem voordien mooi of lelijk was, goed of verkeerd, nam hij als wet voor zijn handelen aan van de leerkracht; nu gaat hij ertoe over te handelen uit plichtsbesef en gaat op weg naar de vrijheid waarbij plicht betekent: ‘houden van datgene wat je jezelf oplegt.’

9e klas

[De vakken zijn door mij in alfabetische volgorde gezet]

Aardrijkskunde

Aansluitend bij de plooiing van de Alpen en de geologische structuur wordt de  verdeling van de gebergten over de hele aarde besproken (gebergtekruis van de aarde)

Biologie

De antropologie wordt voortgezet

Euritmie

Het hoort bij de leeftijd dat wat tot nog toe geleerd is, nog beter te leren kennen. Zo kan langs deze weg de euritmie vanuit een nieuwe kant aan de leerlingen aangeboden worden, wanneer men op het innerlijke wezen van de klankbeweging ingaat. Bij het uitvoeren van grotere gedichten kan je bij de keuze aansluiten bij wat bij taal behandeld is. Je zal vooral het plastisch-muzikale in de taal moeten uitwerken. Ook worden vormen gebruikt waarin de innerlijke opbouw van een gedicht volgens het rijm tot uitdrukking komt. Andere oefeningen worden onderhouden.

Tooneuritmie:

Op eenzelfde manier wordt verder gewerkt. Nieuw is het kunnen aangeven van de hoofddrieklanken als beeld van de harmonische opbouw van een stuk. Hiermee heb je een zeer goed middel om de grondslagen van de harmonieleer op zo’n manier aan de leerlingen mee te geven dat naast de denkende mens, ook de voelende en willende daarbij actief kan zijn. Want hier wordt ook zichtbaar, wat anders alleen hoorbaar blijft.

Geschiedenis

De geschiedkundige ontwikkeling vanaf de Dertigjarige oorlog tot aan de nieuwe tijd wordt nog een keer doorgenomen, maar voor de leerlingen in een volledig nieuw daglicht gesteld. Stelde de leraar eerder meer de feiten aan de orde, nu komen de meer innerlijk geschiedkundige motieven erbij. Hij schetst het toenemende bewustzijn van de nieuwere mensheid en het verruimen van de horizon door astronomie en aardrijkskunde. De leerling leert de tijd waarin hij geboren is, te begrijpen. Het ontstaan van de nieuwere staatsvormen t.o.v. de oudere sociale verbanden van de zestiende, zeventiende eeuw en het opvallende vermengen van volkeren in de negentiende eeuw. Het gevolg van de Verlichting wordt besproken (n.a.v. bv. de Geschichte des Geistes der Aufklärung in Europa van Lecky)

Gymnastiek 

Verdergaan met de ontwikkeling van de Duitse gymnastiek

De verticale val door het loslaten op hoogte en het overwinnen door de sprong, zwaai, pas. Ontwikkeling van het lopen met weerstand bij het uitwerken van de val.

Handenarbeid

Nu wordt in samenhangende perioden begonnen met het kunstzinnige meer te benadrukken in het boetseren met klei, het werken met steen en hout.

Handwerken

Alle mogelijke kunstnijverheidproductern naar eigen ontwerp zinvol gemaakt: bv. kussens, mappen, boekomslagen voor een bepaald gebruik; mandvlechten, kleinere werkjes, hoeden, kleding enz. Ook schilderen met aquarelverf van affiches en kaften van boeken – als voorbereiding op het boekbinden later.

Kunstgeschiedenis

In deze klas komt als bijzonder vak de kunstgeschiedenis erbij.
‘Op dezelfde leeftijd waarop het kind moet leren begrijpen dat de natuur volgens abstracte natuurwetten is geordend die door het verstand begrepen kunnen worden, op dezelfde leeftijd waarop je in de natuurkunde leert kennen hoe in individuele gevallen oorzaak en gevolg samenhangen, op diezelfde leeftijd zullen we als tegenwicht begrip voor kunst proberen te wekken, inleiden in het begrijpen  hoe de verschillende kunsten in de geschiedenis van de mensheid zich hebben ontwikkeld, hoe het ene of het andere kunstmotief in dit of dat tijdperk van invloed is’. (Rudolf Steiner)
De ontwikkeling vanaf de oude tijden tot ongeveer aan Rembrandt wordt op de meest eenvoudige manier aan een paar grote werken van kunstenaars uit het zuiden en het noorden getoond. Aan belangrijke voorbeelden moeten de leeringen concreet het begrip ‘schoonheid’, de kunst als zodanig, metamorfosen van de kunst, het Griekse schoonheidsideaal en dat van de renaissance enz. leren begrijpen. Zo kunnen tegelijk de leerlingen bv. in de overgang van de schilderkunst van Giotto tot Rembrandt onbevangen die objectieve kunstzinnige oplossing van gevoelsproblemen zien die de eigen leeftijd voortdurend in het diepst van de ziel oproept.

Muziek

Vanaf de negende tot en met de twaalfde klas wordt het zingen in een gemengd koor beoefend. De leerlingen zitten ook in een schoolorkest. Ze worden ingeleid in de muziekliteratuur van verleden en heden. Ze worden gewezen op de schoonheid van de muziek en de elementen van muzikale vormen. Hun muzikale smaak wordt gevormd. Ze kunnen proberen zelf melodieën te maken en in de klas laten horen wat ze thuis op een nstrument hebben leren spelen.

Natuurkunde

Doel is de twee belangrijke verbindingsmiddelen: de locomotief en de telefoon: warmteleer en mechanica worden behandeld om de locomotief precies te leren begrijpen; elektriciteit en akoestiek om de telefoon te leren begrijpen. Daarbij een voor het begrip van de leerling op deze leeftijd aangepaste behandeling van de beweging van de sterren in de kijkrichting in de zin van het principe van Doppler. Het daarvoor noodzakelijke uit de optica moet worden behandeld.

Niet-Nederlandse taal

In de vier bovenbouwklassen wordt het begrip voor het karakter en het leven van de niet-Nederlandse volken verdiept door samenhangende beschouwingen van hun cultuur. Een kernpunt zijn de leesstukken. De nadruk ligt op het lezen, het begrijpen wordt mogelijk door verklartingen in de taal zelf, doelgericht navertellen en vrij spreken over de moeilijkheden.
De grammatica wordt herhaald en voor de leerling in interessant proza behandeld.

Latijn en Grieks:

In het Latijn begin de syntax met de naamvallenleer. Verdergaan met leesstukken over Caesar. Makkelijkere gedichten van Ovidius uit ‘Metamorfosen’ of de ‘Fasti’.
In het Grieks wordt de vormleer afgesloten en wat lezen betreft, zie 7e, 8e klas.

Scheikunde

De elementen van de organische scheikunde worden doorgenomen

Stenografie

De leerlingen maken in deze en de volgende klas kennis met de beginselen van steno.

Taal

De bespreking van Goethe en zijn tijd wordt voortgezet. Met de leerlingen worden enkele stukken uit Hermann Grimms ‘Goethevorlesungen’ gelezen. ‘Vorschule der Ästhetik van Jean Paul biedt een gelegenheid elementaire esthetische problemen te behandelen. Bijzonder geschikt zijn hiervoor de hoofdstukken over de humor. In opstellen laat men thema’s uit de geschiedenis van de vorige jaren aan de orde komen.

Tuinbouw

Tuinbouw wordt nu als periodeonderwijs gegeven. In de zomer een periode werken in de praktijk waarbij de leerling een overzicht moet krijgen van de indeling van een groentetuin, wisselverbouw, kweken en verzorgen van planten. In de winter een periode theoretische lessen waarin ze het wat en hoe van het werk in de praktijk moeten leren begrijpen. Hierbij komt het kweken en verzorgen van 1-jarige planten, vaste planten en struiken, soortenzuivere vermeerdering, veredeling van fruitstruiken met oefenen in de praktijk.

Wiskunde

Puur denkend allerlei oefeningen. Behandeling van combinatietheorieën (permutatie, combinatie en variaties). Verdergaan met algebra: lineaire vergelijkingen met meerdere onbekenden, wegwerken van samengestelde vormen met haakjes, breuken, binomische wet; oplossing van vierkantsvergelijkingen met één onbekende, toepassing bij praktische opgaven uit de stereometrie en wisselkoersen.
Bij meetkunde worden uitvoerig de tweede graadscurven doorgenomen en tvoorbeelden gezocht van curven met een hogere graad in realtie tot de leer van de wiskundige plaatsen (z0nder toepassing van curvenvergelijking, puur constructief)

Beschrijvende meetkunde en meetkundig tekenen: begin van beschrijvende meetkunde en tekenen op de tekentafel

.

Het leerplan: alle artikelen

.

2107-1978

.

.

.

.

.