VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 10

 .

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

voordracht 1
de bladzijden verwijzen naar de vertaling van 1993

Velen – ik ook – vinden deze voordracht verre van gemakkelijk.
Hierin worden dé achtergronden van de dierkunde behandeld.

Gelukkig hoef je lang niet alles te kunnen navertellen om een goede periode dierkunde te kunnen geven – op veel andere plaatsen vertelt Steiner e.e.a. veel eenvoudiger en geeft hij in direct spraakgebruik als waren er kinderen aanwezig, voorbeelden.

Toch wil ik een poging doen bepaalde onderwerpen uit deze voordrachten nader te bekijken.

HOOFD EN ZON

Op 1 september 1919 gaat Steiner in ‘Algemene menskunde als basis voor de pedagogie’ [1] veel uitgebreider in op wat hij in ‘Opvoedkunst’, 7e vdr. [2] al had aangestipt.

– We hebben het wezen van de mens besproken vanuit het ge­zichtspunt van de ziel en van de geest. Althans, we hebben globaal belicht hoe de mens beschouwd kan worden uitgaande van geest en ziel. We zullen dat wat op deze wijze vanuit deze twee gezichtspunten bekeken is, moeten completeren door de drie gezichtspunten van geest, ziel en lichaam met elkaar te verbinden, opdat we een volledig overzicht van de mens zullen krijgen en dan over kunnen gaan tot het doorgronden, het be­grijpen van ook de fysieke verschijningsvorm.-

Voor wie moeite heeft met de inhoud van de begrippen geest en ziel zoals Steiner deze gebruikt, kunnen mijn uiteenzettingen daarover wellicht tot  hulp zijn.
Zie daarvoor mijn blog: ‘antroposofie, een inspiratie

Bij de dierkunde gaat het, wanneer aan het begin daarvan de mens wordt besproken, om de driedeling: hoofd, romp en ledematen.
Steiner wijst dan allereerst op de vorm: het ronde hoofd; de romp als segment van een kogel en de stralenvormige ledematen.

Bij die vormen horen bepaalde functies. Bij het hoofd het denken; bij de romp het voelen en bij de ledematen het doen, het willen. En bij deze vormen en functies horen nog de organen: hoofd: zenuw/zintuigorganen; romp: ademhaling-bloedsomlooporganen; ledematen: stofwisselingsorganen.
Zo wordt de indeling meestal kortweg weergegeven.

Je kunt daarin nog uitbreiden en preciezer onderscheiden:

(1) Elementair levensproces:
      bewegingssysteem, locomotie
bijbehorend deelproces:
energieverbruik – vermoeidheid
arbeidsprestatie, bijdrage aan de wereld
orgaansysteem:
 extremiteiten: benen, armen, handen

(2) Elementair levensproces:
stofwisseling, metabolisme
bijbehorend deelproces:
stofopname, stofomwerking, stofuitscheiding, excretie, reproductie
orgaansysteem:  
digestieve systeem, urogenitaal stelsel

(3) Elementair levensproces:
adem, respiratie
bijbehorend deelproces:
zuurstofopname, gaswisseling, koolzuuruitscheiding
orgaansysteem:
        ademhalingsstelse
l, respiratoire systeem

(4) Elementair levensproces:
bloedsomloop, circulatiesyteem
bijbehorend deelproces:
instromen van substantie; transport; verdeling; uitstromen van                         substantie
orgaansysteem: 
circulatiestelsel

(5) Elementair levensproces:
informatiewisseling, sturing
bijbehorend deelproces:
       opname van prikkels; verwerking van de prikkels, beantwoorden van de        prikkels
 orgaansysteem:
 zintuigorganen, zenuwsysteem,  endocriensysteem [3]

Wanneer je met de kinderen in de 4e klas naar de mens kijkt, gaat het eigenlijk alleen maar om de elementaire drieledigheid: hoofd, romp en ledematen. 

Nieuw is dat Steiner de vormen van hoofd, romp en ledematen verbindt met de kosmos: het hoofd met de zon; de romp met de maan en de ledematen met de sterren.

Eerst zullen we ons nogmaals te binnen brengen wat ons vanuit verschillende perspectieven moet zijn opgevallen: na­melijk dat de mens in de drie gebieden van zijn wezen verschil­lende vormen heeft. We hebben erop gewezen (GA 294/7e vdr) dat de vorm van het hoofd in essentie die van de bol is, en dat deze bolle vorm van het hoofd het eigenlijke, lichamelijke wezen van het men­selijk hoofd uitdrukt. Vervolgens hebben we erop gewezen dat de borst van de mens een fragment van een bol is, zodat we dus – wanneer we het schematisch tekenen – het hoofd een bolle vorm en de borst de vorm van een maansikkel kunnen geven en het ons zodoende duidelijk is dat deze maansikkel een fragment, een deel van een bol is. Met andere woorden, we kunnen de sikkelvorm van de menselijke borst completeren. En u zult dit middengebied van het wezen van de mens, de vorm van de borst, slechts dan op de juiste wijze zien, wanneer u ook dit als een bol beschouwt – maar dan als een bol waarvan slechts een gedeelte, een sikkel, zichtbaar is en waarvan het andere gedeelte onzichtbaar is [zie tekening 1].

dierkunde Steiner 2

Daaraan kunt u wellicht zien, dat men in vroeger tijd, toen men meer dan later het vermogen had vormen te zien, geen ongelijk had, wanneer men zei dat de vorm van het hoofd overeenkomt met de zon en de vorm van de borst met de maan. En zoals men ook slechts een fragment ziet van de maan, wanneer ze niet vol is, zo ziet men in de vorm van de borst eigenlijk slechts een fragment van het middengebied van de mens. U ziet dus dat het hoofd van de mens hier in de fysieke wereld een tamelijk voltooide vorm heeft. De vorm van het hoofd manifesteert zich fysiek als iets voltooids. Ze is als het ware helemaal zoals zij zich voordoet. Ze verbergt het minst van zichzelf.

In de 7e vdr. “Opvoedkunst” zegt Steiner dat je dit zou kunnen boetseren, uit was, of brooddeeg.
Ik heb dat in al mijn 4e klassen gedaan. Je kunt er nog bepaalde gezichtspunten bij in de praktijk brengen, al hoeft dit niet. Ik heb het hoofd weleens uit blauwe bijenwas gemaakt – blauw als kleur van ‘het koele’ dat bij de functionaliteit van het hoofd hoort als het ‘koele’ denken. Geel voor de stralende ledematen en groen als midden tussen blauw en geel.
Toen ze klaar waren, zeiden kinderen altijd: ‘net babytjes’.
Ik vond de vorm eigenlijk net een embryo.

dierkunde Steiner 5

Wie schetst mijn verbazing toen ik in een boek van Blechschmidt [4] deze foto zag:

dierkunde embryo 1

Foetus op het einde van de 3e maand, 75 mm lang. Je ziet de figuur weer waarover in de voordracht wordt gesproken. [4.1]

Plato:
Welnu, allereerst moet ge dan iets weten over de gedaante van de mens en zijn gevoelens. Want onze allereerste verschijningsvorm als mens was heel anders dan nu. Zo waren er, wat het menselijk geslacht betreft, drie soorten en niet twee zoals tegenwoordig het mannelijk en het vrouwelijk geslacht. Nee, er bestond ook een derde geslacht dat het gemeenschappelijke van de twee andere in zich droeg. Nu bestaat alleen de naam ervan nog, en de geslachtsvorm zelf is verdwenen. In de oertijd was er dus een man/vrouw-vorm die bestond uit het gemeenschappelijke tussen man en vrouw, zowel in naam als in vorm. Nu kennen wij dat begrip nog uitsluitend als een scheldwoord. De verschijningsvorm van ieder mens was toen bovendien helemaal rond, want rug en zijde waren cirkelvormig. Ieder mens had vier handen en evenveel benen. Bovendien had hij twee gezichten die geheel identiek waren en op een ronde nek stonden. Maar op de beide gezichten, die een tegengestelde kant uitkeken, was een schedel geplaatst. Wel waren er vier oren, twee geslachtsdelen en voorts alle andere organen in hun overeenkomstige verhouding. Het schepsel liep rechtop, net als wij, en kon gaan waar het wilde. En wanneer die mens het op een lopen zette, deed hij dat als een ware acrobaat met gestrekte benen die in een cirkelvormige beweging rond- en rondgingen, en ook zijn armen gebruikte hij zodat hij op acht ledematen steunde die razendsnel rondgingen.

Het bestaan van deze drie geslachtssoorten en hun verschijningsvorm vond zijn oorzaak in het feit dat het mannelijk principe uit de zon te voorschijn is gekomen en het vrouwelijk uit de aarde, terwijl het geslacht dat het midden houdt tussen beide van de maan afstamt. Want ook de maan houdt het midden tussen twee: de aarde en de zon. Zij waren allemaal bolvormig en leken sterk op elkaar, zowel in wezen als in vorm, omdat zij op hun ouders leken. Bovendien kenmerkten zij zich door hun grote kracht en macht en hun geestkracht was zo groot dat zij zelfs samenzweerden tegen de goden. Van hen wordt dan ook hetzelfde verhaal verteld als Homeros vertelde over Ephialtos en Otos, die de hemel wilden bestormen om de goden te bevechten. Daarop overlegden Zeus en de andere goden wat hun te doen stond, maar zij konden geen raad schaffen. Enerzijds hadden zij de middelen niet om het menselijk geslacht uit te roeien zoals zij met het geslacht der giganten hadden gedaan, dat ze door middel van de bliksem verdelgden. Met de mensen was dat niet mogelijk, want dan zouden tevens alle eerbewijzen en offers, die immers van hen afkomstig zijn, verdwijnen. Anderzijds konden de goden dit opstandig gedrag toch niet toestaan. Maar ten langen leste kreeg Zeus een ingeving en sprak: ‘Ik geloof dat we toch over het middel beschikken om een eind te maken aan de opstandige goddeloosheid van de mensen zonder hen uit te roeien; dat is mogelijk door ze te verzwakken. Want ik zal nu ieder van hen doormidden snijden en door hun groter aantal zullen zij tegelijkertijd nuttiger voor ons, goden, worden. Zij zullen rechtop lopen op twee benen, maar als zij doorgaan met hun opstandig gedrag en zich niet rustig houden, dan zal ik ze nogmaals doormidden klieven zodat zij eenbenig door het leven moeten.’ Zo sprak hij, en tegelijkertijd sneed hij alle menselijke wezens in tweeën. Het leek net de kwalsterbezievrucht die men doorsnijdt om die te drogen, of op het doorsnijden van een ei met een haar. En bij het doorklieven van ieder menselijk wezen droeg hij Apollo op om gezicht en hals een halve slag te draaien naar de kant van de snede zodat ieder mens bij het zien van zijn eigen wond weer tot bezinning zou komen. En voorts droeg hij Apollo op om de wonden te genezen. Dus draaide Apollo het gezicht van alle mensen een halve slag en trok hij de huid van de zijkanten bijeen en legde de huid op wat voortaan de buik wordt genoemd: het leek net op het dichttrekken van een beurs met een koordje. In het midden van de buik liet hij een kleine opening, wat wij nu de navel noemen.De vele andere huidplooien streek hij glad, terwijl hij beide borsthelften in de borstkas met elkaar verbond. Dat deed hij met een bepaald instrument dat lijkt op wat leersnijders gebruiken wanneer zij de geplooide vellen leer over hun leest leggen om ze glad te maken. Toch liet hij een paar plooien zitten en wel bij de maag en bij de navel als blijvende herinnering aan deze jammerlijke gebeurtenis. Toen dus de mens zag dat zijn gedaante in tweeën was gesneden, ontstond in iedere helft het verlangen om weer samen een geheel te vormen, en zo legden ze de armen om elkaar heen in een innige omhelzing, ernaar verlangend dat de aparte delen weer aaneen zouden groeien. En ze dreigden van honger en uitputting om te komen, omdat zij weigerden iets los van elkaar te ondernemen. En wanneer de ene helft stierf en de andere dus alleen achterbleef ging die helft op zoek naar een wederhelft en omhelsde vervolgens de eerste de beste helft van een hele vrouw of van een man die hij vond (want nu waren man en vrouw gescheiden). Op deze manier ging het mensenras zijn ondergang tegemoet. Maar Zeus had medelijden met de mens en verschafte nog een ander middel door hun geslachtsdelen naar de voorzijde van het lichaam te verplaatsen. Want tot op dat ogenblik hadden zij ook hun geslachtsdelen aan wat oorspronkelijk de buitenkant was en zij plantten zich niet voort door elkaar te bevruchten, maar in de aarde zoals krekels doen. Die organen verplaatste hij dus naar de voorkant waardoor hij het voortplantingsproces naar het lichaam zelf verlegde, met het mannelijk lid in het vrouwelijk deel. Hij deed dit met de bedoeling dat wanneer een man in zijn omarming een vrouw trof, een verwekking kon plaatsvinden en het mensenras zou blijven voortbestaan. Maar wanneer een man een man trof, zou uit dat samenzijn tenminste bevrediging en rust kunnen voortkomen waardoor zij aan het werk zouden gaan om hun brood te verdienen. Zo is dus sinds die scheiding bij de mensen het liefdesverlangen ingeplant, waardoor de oorspronkelijke staat van de mens weer wordt hersteld en tevens de wens ontstaat om uit twee een te maken en de oorspronkelijke natuur van de mens te helen. [5]

ZON EN HOOFD
Wanneer de zon aan een heldere hemel ondergaat en de horizon nadert, kun je de ronde vorm prachtig zien. Dat geldt ook wanneer deze opkomt: langzaam, maar toch vrij snel verschijnt ze als segmentje om daarna in haar volle rondheid boven de kim uit te stijgen. De schemering die voorafging aan haar verschijnen verdwijnt en de wereld ‘gaat een licht op’.  De ochtendnevel verdwijnt: het wordt warmer.

Diezelfde ronde vorm is ook waar te nemen bij een zonsverduistering. Bij dit proces lijkt het wel op de wereld de adem inhoudt. Indrukwekkend hoe stil alles wordt; hoe het lijkt of het leven op aarde ophoudt; het wordt donker – niet ‘aardedonker’- en de dieren maken geen geluid meer. Het vogelgezang verstomt; de mensen zwijgen. Wanneer de zon dan weer begint te verschijnen verkeert dit proces in zijn tegendeel: alles komt weer in beweging: de vogels kwetteren; een haan kraait; de mensen praten weer met normaal stemgeluid; vanuit de hemel komt het verblindende licht weer naar je toe.

De zon = leven. Leven is ritme: dag en nacht; de seizoenen. Tijd. Maar ook ruimte: zonder de aanwezigheid van licht zouden we die in de drie dimensies niet kunnen beleven.

In liederen en gedichten wordt de zon bejubeld. Ze is de onvoorwaardelijke voorwaarde voor het leven.

Franciscus van Assisi

‘Wij danken U, o Heer
Voor al Uw scheppingen.
En wel het meest voor zuster Zon
Die ons verlicht en warmte geeft.
Haar schone stralende flonk’rende pracht
Getuigt, o Heer, van Uw godd’lijke macht.

Hans Andreus (1926-1977)

Liggen in de zon

Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato
de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht
ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo
ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht.

Ik lig languit lig in mijn huid te zingen
lig zacht te zingen antwoord op het licht
lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen
te zingen van het licht dat om en op mij ligt

Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder
te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil
ik weet alleen het licht van wonder boven wonder
er ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.

Maria Vasalis

RA

De ochtendstond onthulde zijn gezicht
gegoten door het duister van de nacht.
Hij sliep, maar door de vingren van het licht
werden zijn trekken langzaam naar omhoog gebracht.

Het voorhoofd hoog, gekoepeld als een oude tempel,
’t verzegeld heiligdom der ogen in een donkre nis
onder de dubbele streng-getrokken drempel,
de neus gekromd, de mond verlengd in droefenis.

Zo lag hij neer, toen zag ik zijn gestrekte armen
als vleugels aan weerskanten uitgespreid.
Eenzaam, buiten bereik van elk erbarmen
maar in uiteindelijke onkwetsbaarheid.

Ik waakte en zag, in eerbied en in vrezen:
hij was een vogel en een god, nachtlijks gestorven,
dagelijks herrezen.

0-0-0

Heel het plantendek over de aarde is a.h.w. een antwoord op de verhouding ervan t.o.v. van de zon; drukt de relatie uit die het heeft met ‘de hemel’.

Dit is o.a. onderwerp in de plantkundeles in klas 5, zoals hier beschreven.

Voor het leven betekent de zon zoveel, dat we haar gerust het centrale punt van de kosmos kunnen noemen, maar ook de belangrijkste planeet.

Wanneer ze ’s morgens opgaat, gaat de aarde letterlijk een licht op. Daardoor wordt weer zichtbaar hoe de voorwerpen zich tot elkaar in de ruimte verhouden: we zien het weer voor ons. Er is weer orde. Is het toeval dat wij – wanneer ons iets duidelijk wordt – zeggen dat er ons een licht opgaat? Is het toeval dat we spreken van ‘ons licht ergens over laten schijnen’ wanneer we bedoelen dat we willen weten hoe ‘het ene’ zich t.o.v. ‘het andere’verhoudt?

Klaarheid, helderheid, overzicht zijn zonder de zon op aarde niet mogelijk. De verwantschap met ons denken is duidelijk zichtbaar. Zoals de zon–voor onze be-leving – het centrale punt van de kosmos is – zo is ons denken het centrale punt vanwaaruit wij licht werpen op onze leefwereld. Met klaarheid, helderheid en overzicht staan wij als denkende wezens in de wereld.

Ons hoofd met het denken, gecentreerd in de hersenen in onze schedel is in bovenstaande vergelijking een soort zon.

Aan het hoofd van het embryo en de pasgeborene, zelfs nog bij oudere baby’s is duidelijk het ronde, de bol- de kogelvorm waarneembaar, zelfs nog bij de kin.

dierkunde baby

[6]

Bij de hoofdvorm die we waterhoofd noemen, is de bolvorm nog sprekender.

dierkunde waterhoofd

[7]

Hoewel aan het kind zowat alles nog verandert, is het toch in het oog springend dat de schedelvorm – met de oren – eigenlijk niet meer verandert, alleen groter wordt. Het gezicht, de borst en de ledematen veranderen gedurende het hele leven.

dierkunde baby 2

[8]

De oren lijken al bijna ‘klaar’. Zij veranderen niet meer, worden alleen groter.

In dit opzicht is de gedachte niet zo vreemd, dat het hoofd – de schedel – ‘oud’ is; de rest van het lichaam nog ‘jong’. Dit moet zijn vorm, die ook nooit definitief wordt, nog krijgen. De definitieve vorm lijkt die van het gestorven lichaam te zijn.

Gezichtsschedel, romp en ledematen zijn onderhevig aan de grootste veranderingen.

dierkunde grijsaard

Deze 90 jaar oude Jagan-Indiaanse was in 1950 een der 9 laatste Jagans die van dit volk overgebleven waren [9]

Bij het ouder worden komt het eigen gezicht steeds meer uit de bol/kogeltendens te voorschijn.

Zeer vruchtbaar om tot beter inzicht te komen, is de opmerking van Steiner dat de werkelijkheid pas tot ons begint te spreken wanneer we deze in tegenstellingen proberen te zien.

Wanneer je er op begint te letten, zie je dat Steiner dit ook doet: denken tegenover willen; geest tegenover lichaam; wakker tegenover slaap, enz.

De gelaatsuitdrukking van de baby tegenover die van de grijsaard is op bovenstaande foto’s duidelijk waarneembaar. De neus en de kin zijn bij de eerste nog nauwelijks ontwikkeld; bij de grijsaard bijna tot een afsluiting gekomen.
Je kunt je dus afvragen welke krachten hier werkzaam zijn.
Steiner heeft daarover veel gezegd, o.a. in GA 294.
Daar gaat het bv. om krachten die vanuit het hoofd werkzaam zijn in de rest van het lichaam en tegenovergestelde krachten, die werken vanuit het lichaam op het hoofd.
Ook werkt hij dit nog zo uit dat hij van bepaalde onderwijsvakken zegt dat ze de krachtenstroom vanuit het hoofd versterken ( al dan niet negatief) en dat er door deze vakken vanuit het lichamelijke op het hoofd gewerkt wordt (al dan niet negatief).
En dan zijn er nog de krachten die vanuit het lichamelijke ‘naar buiten’ werken en krachten die vanuit de periferie ‘naar binnen’ werken.

Wie ‘denken, voelen en willen’ als leidraad gebruikt om mens en wereld beter te begrijpen, zal, wanneer het denken nader onderzocht wordt, dit als functie van de in het hoofd aanwezige hersenen opvatten. En dat dit denken zich veelal uit in het hebben van voorstellingen. Deze komen tot stand door onze zintuigen. Eerst zien we iets concreets; later kunnen we ons dit als (voorstellings)beeld weer voor de geest! roepen.
Maar dit beeld is t.o.v. het concreet aanschouwde, onstoffelijk maar ook ‘nieuwer’; soms zie je bij de bakker een poster hangen van een heerlijk uitziende taart. Je kunt er zeker van zijn, dat die concrete taart allang weg is: opgegeten, bedorven, in de compostbak. Het beeld leeft voort. Dat kan er na jaren nog zijn, zoals we beseffen wanneer we het fotoboek van onze jeugd opslaan.
Het is niet vergezocht, vind ik, dat ‘hoofd’ als voorstellingsorgaan, met ‘oud’ kan worden geassocieerd.
Wanneer jouw leidraad om mens en wereld te onderzoeken ook wordt een keuze voor het standpunt dat het leven niet uit de dood ontstaat, maar de dood uit het leven, m.a.w. dat niet de materie het leven voortbrengt, maar het leven de materie nodig heeft zich te manifesteren, kun je niet om het begrip ‘reïncarnatie’ heen. In dit verband is ‘vorig’ ‘oud’ en de al zo ver volmaakte schedelvorm bij de pasgeborene kan in dit opzicht ‘oud’ genoemd worden. (Soms gaat dit zelfs zo ver dat bepaalde baby’s – die te laat? werden geboren er de eerste dagen als oude mannetjes of vrouwtjes uitzien – in hun gezicht vooral, dat er later weer heel jong! uitziet).

In GA 201 zegt Steiner:
( ) De schedelbeenderen worden gevormd door die krachten die op de mens inwerken tussen dood en nieuwe geboorte ( ). 
De bouw en functionaliteit van het hoofd (Hauptesorganisation) zoals wij die zien tussen geboorte en dood, is het gevolg van die vormingsprocessen die plaatsvonden vanaf de laatste dood tot aan de aardse belichaming in dit leven. 
Het hoofd brengen wij mee wanneer we worden geboren. Daarom is het hoofd eerst niet aangepast aan de aardse verhoudingen, maar aan de verhoudingen die eigenlijk buitenaards zijn.
Het hoofd krijgen we als het resultaat van de vorige incarnatie, als voorstellingsdrager; maar de wilskrachten gaan vanuit de rest van het organisme uit.10]

Het ‘oude’ betreft dus vooral de hersenschedel met de ‘zonnevorm’.
Het nieuwe voor de nieuwe incarnatie drukt zich uit in de ontwikkeling van de borst en de ledematen die weerspiegeld worden in de aangezichtschedel: de borst (adem) in de neus; de ledematen (stofwisseling) in de mond met de beweeglijke onderkaak.

BORST EN MAAN
Het borstgedeelte verbergt al heel veel van zichzelf; het laat een deel van zijn wezen onzichtbaar. Voor het inzicht in het wezen van de mens is het zeer belangrijk voor ogen te houden, dat een groot stuk van het borstgedeelte onzichtbaar is. En zo kunnen we zeggen: het borstgedeelte toont aan de achterkant zijn fysieke verschijningsvorm, naar de voorkant gaat het over in de ziel. Het hoofd is geheel en al lichaam; de borst van de mens is naar achteren toe lichaam en naar voren toe ziel. Het werkelijk lichamelijke aan ons is dus alleen het hoofd dat op de schouders rust. We hebben lichaam en ziel doordat we in onze borst, als afgezonderd deel van de gehele borst, de ziel opne­men en laten werken.

Hier heb ik iets beschreven van de fysieke bouw van de mens. Wat de botvorming betreft, staat het hoofd met zijn verstarde, vast geworden schedelbotten, het dichtst bij wat aan karakteristieks voor het fysieke is gevonden: het levenloze, meest verdichte, doodse, onbeweeglijke. Tegenover de beweeglijkheid van de ledematen. De romp neemt een  – letterlijke – middenpositie in. De botten van de wervelkolom verdichten zich naar boven toe en openen zich naar onder, in de zwevende ribben die a.w.h. ook ledemaat zouden willen worden.

De wervelkolom vertoont in zijn bouw een sterk ritme, maar ook de organen van de borst: hart en longen zijn bij uitstek de organen waar het ritme direct zichtbaar is.

 

dierkunde embryo 2

de maanvorm in: Embryo in week 5  [4] [4.2]

Nu zijn er in deze beide delen van de mens ledematen in­geplant, uiterlijk gezien vooral in het borstgedeelte. Het derde deel is immers de ledematenmens. Hoe kunnen we de ledematenmens nu eigenlijk begrijpen? De ledematenmens kunnen we alleen begrijpen, wanneer we voor ogen houden dat bij de lede­matenmens andere stukken van de bolvorm zijn overgebleven dan bij de borst. Bij het borstgedeelte is een stuk van de perife­rie overgebleven. Bij de ledematen is meer iets van het binnen­ste overgebleven, van de radiussen van de bol, zodat de binnen­ste delen van de bol dus de ledematen vormen.

Het werkt echter niet – zoals ik u al zo vaak heb gezegd -wanneer men de verschillende delen slechts schematisch met elkaar in verband brengt. Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven. We zeggen: we hebben de ledematenmens en die bestaat uit de ledematen. Maar nu moet u weten dat ook het hoofd zijn lede­maten heeft. Wanneer u de schedel nauwkeurig bekijkt, dan vindt u daaraan onder andere de boven- en onderkaak [zie tekening 2]. Die zitten er net als ledematen aan. De schedel heeft ook zijn ledematen; de boven- en onderkaak zijn als lede­maten aan de schedel bevestigd. Alleen zijn ze aan de schedel onderontwikkeld. Ze zijn tot volle wasdom gekomen aan de rest van de mens, maar aan de schedel zijn ze verkommerd – daar zijn ze eigenlijk alleen vormingen van het bot. En er is nog een verschil: wanneer u de ledematen van de schedel, de onder- en bovenkaak dus, bekijkt, dan zult u zien dat zich daarbij voorna­melijk de werking van het bot manifesteert. Wanneer u de ledematen aan ons lichaam bekijkt, dus het eigenlijke wezen van de ledematenmens, dan zult u de essentie moeten zoeken in de omhulling met de spieren en bloedvaten. In zekere zin zijn de botten in onze armen, benen, handen en voeten alleen maar aanwezig ten behoeve van ons spier- en bloedstelsel. En in zekere zin zijn bij de boven- en onderkaak – als ledematen van het hoofd – de spieren en bloedvaten geheel onderontwikkeld. Wat betekent dat? De wil bedient zich van bloed en spieren, zoals we al gehoord hebben. Daarom zijn voor de wil hoofdza­kelijk de armen, benen, handen en voeten gevormd. Bloed en spieren – de voornaamste dienaren van de wil – zijn tot op ze­kere hoogte onthouden aan de ledematen van het hoofd, omdat daarin ontwikkeld moet zijn wat naar het intellect, naar het kennende denkvermogen neigt. Wilt u dus bestuderen hoe de wil van de wereld zich in de uiterlijke vormen van het lichaam openbaart, bestudeert u dan armen en benen, handen en voe­ten. Wilt u bestuderen hoe de intelligentie van de wereld zich openbaart, bestudeert u dan het hoofd als schedel en kijkt u hoe het uit botten is opgebouwd en hoe aan het hoofd de boven- en onderkaak vastzitten – en ook andere delen die er als ledematen van het hoofd uitzien. U kunt namelijk overal de uiterlijke verschijningsvormen beschouwen als openbaringen van het in­nerlijk. En u begrijpt de uiterlijke vormen slechts, wanneer u ze ook als openbaringen van het innerlijk ziet.

Ik heb altijd geconstateerd dat het voor de meeste mensen heel moeilijk te begrijpen is welk verband er bestaat tussen de pijpbeenderen van armen en benen enerzijds en de platte been­deren van het hoofd anderzijds. Het is juist voor een leraar goed om zich hier een begrip eigen te maken dat volstrekt niet gang­baar is. En daarmee komen we bij een heel, heel moeilijk hoofd­stuk, misschien voor ons voorstellingsvermogen wel het moeilijkste dat we moeten behandelen in deze pedagogische voordrachten.

U weet dat Goethe als eerste zijn aandacht heeft gericht op de zogenaamde werveltheorie van de schedel. Wat wordt daar­mee bedoeld? Daarmee wordt bedoeld: de toepassing van de idee van de metamorfose op de mens en zijn verschijnings­vorm. Wanneer je de wervelkolom van de mens bekijkt, dan zie je, zoals u weet, dat de ene wervel boven de ander ligt. Het ruggenmerg gaat daar doorheen. We kunnen dan één wervel met zijn uitstulpingen apart nemen [Rudolf Steiner schetst een wervel]. In Venetië heeft Goethe aan de hand van de schedel van een schaap als eerste waargenomen dat alle botten van het hoofd omgevormde ruggenwervelbotten zijn. Dat wil zeggen, wanneer men zich voorstelt dat bepaalde organen groter zijn geworden en andere organen kleiner, dan krijgt men uit deze wervelvorm het schaalvormige bot van het hoofd. Op Goethe heeft dat een grote indruk gemaakt, want hij heeft daaruit moe­ten concluderen – wat voor hem van grote betekenis was – dat de schedel een gemetamorfoseerde, een op een hoger plan om­gevormde wervelkolom is.

Men kan nu betrekkelijk gemakkelijk inzien dat de botten van de schedel door omvorming, door metamorfose, zijn ont­staan uit de wervels van de ruggengraat. Maar nu wordt het heel moeilijk om ook de botten van de ledematen als omvorming, als metamorfose van de wervels, respectievelijk de botten van het hoofd, op te vatten. Het is al moeilijk bij de ledemaatbotten van het hoofd, dus bij boven- en onderkaak. Goethe heeft dit ge­probeerd, maar nog op een uiterlijke wijze. Waarom is dat moeilijk? Nu, dat berust op het feit dat ieder bot van het lichaam dat buisvormig is wel degelijk ook een metamorfose, een omvorming van het bot van het hoofd is – maar op een heel bijzondere wijze. Men kan zich vrij eenvoudig voorstellen dat de ruggengraatwervel gemetamorfoseerd wordt tot het bot van het hoofd, door zich sommige delen vergroot en andere ver­kleind voor te stellen. Maar het lukt niet zo gemakkelijk de stap te maken van de pijpbeenderen van armen of benen naar de botten van het hoofd, die schaalvormig zijn. Als u dit wilt bereiken, dan moet u namelijk eerst een bepaalde procedure volgen. U moet met de pijpbeenderen van armen en benen hetzelfde doen, wat u zou doen als u bij het aantrekken van een kous of handschoen deze eerst binnenstebuiten zou keren: u moet het binnenste eerst naar buiten keren, u moet het omstul­pen. Nu is het vrij eenvoudig zich een handschoen of kous binnenstebuiten gekeerd voor te stellen. Maar het pijpbeen is niet gelijkmatig gebouwd. Het is niet zo dun, dat het binnen en buiten op dezelfde wijze gevormd is. Het is binnen en buiten verschillend gevormd. Zou u uw kous zo construeren, dat u hem aan de buitenkant een kunstzinnige vorm geeft met allerlei uitstulpingen en holtes, en zou u hem dan elastisch maken en omkeren, dan zou u aan de buitenkant niet meer dezelfde vorm krijgen die zich na omkering aan de binnenkant bevindt. En zo is het ook bij het pijpbeen. Men moet het binnenstebuiten keren, dan ontstaat de vorm van het bot van het hoofd, zodat de menselijke ledematen niet alleen gemetamorfoseerde botten van het hoofd zijn, maar bovendien ook nog binnenstebuiten gekeerde.

Waarom is dat zo? Dit is zo, omdat het hoofd zijn middel­punt ergens in zichzelf heeft: een concentrisch middelpunt. De borst heeft haar middelpunt niet in het midden van de bol; het middelpunt van de borst is heel ver weg. Dat is hier in de tekening slechts fragmentarisch weergegeven, want het zou een heel grote tekening worden, wanneer alles erop zou moeten staan. De borst heeft een middelpunt dat heel ver weg is.

En waar is het middelpunt van het ledematenstelsel? Met deze vraag komen we op de tweede moeilijke kwestie. Het lede­matenstelsel heeft zijn middelpunt in de gehele periferie. Het middelpunt van het ledematenstelsel is een bol – het omge­keerde dus van een punt. Het oppervlak van een bol. Dat mid­delpunt is eigenlijk overal; daardoor kunt u naar alle kanten bewegen; van alle kanten richten de stralen van de bol zich naar binnen. Ze verenigen zich met u.

Wat in het hoofd is, gaat van het hoofd uit; wat door de ledematen gaat, gaat naar binnen en concentreert zich daar. Daarom ook moest ik in de andere voordrachten zeggen: u moet zich de ledematen voorstellen als zijnde ingeplant. Wij zijn werkelijk een hele kosmos, alleen wat daar van buitenaf in

dierkunde Steiner 3

ons door wil stralen, dat verdicht zich slechts aan het uiteinde en wordt alleen daar zichtbaar. Een minuscuul deeltje van wat we eigenlijk zijn, wordt zichtbaar in onze ledematen, zodat de ledematen weliswaar iets fysieks zijn, maar slechts een miniem deeltje van wat eigenlijk leeft in de ledematen van de mens: het geestelijke. Lichaam, ziel en geest leven in het ledematenstelsel van de mens. Het lichaam is slechts in aanzet aanwezig; maar in de ledematen leven ook de ziel en de geest, welke in feite de gehele kosmos omvat.

Nu zou men ook nog een andere tekening van de mens kun­nen maken. Men zou kunnen zeggen: de mens is in de eerste plaats een reusachtige bol, die de gehele kosmos omvat; vervol­gens een kleinere bol en een nog kleinere. Alleen de kleinste bol wordt geheel zichtbaar; de grotere bol wordt slechts ten dele zichtbaar; de grootste bol wordt alleen zichtbaar aan de uitein­den van de stralen – de rest blijft onzichtbaar. Zo heeft de mens vanuit de kosmos zijn vorm gekregen.

dierkunde Steiner 4

We keren terug naar het middengebied, het borststelsel, waar het hoofdstelsel en het ledematenstelsel samengaan. Wanneer u kijkt naar de ruggengraat met de aanhechtingen van de ribben, dan zult u zien dat dat de poging is zich naar voren toe af te sluiten. Van achteren is het geheel afgesloten, naar voren toe is het bij een poging gebleven: het afsluiten lukt niet helemaal. Hoe dichter de ribben bij het hoofd liggen, des te meer lukt het hun zich af te sluiten, maar hoe verder ze naar onderen liggen, des te minder lukt het. De laatste ribben sluiten zich niet meer aaneen, aangezien ze daar tegengewerkt worden door de kracht die van buiten komt en in de ledematen leeft.

De Grieken hadden nog een zeer sterk bewustzijn van deze samenhang tussen de mens en de gehele macrokosmos. En de Egyptenaren wisten het heel goed, maar hun kennis was enigs­zins abstract. U kunt dat ook aan Egyptische of andere oude beelden zien, waarin deze gedachte over de kosmos tot uitdruk­king wordt gebracht. U begrijpt niet wat de mensen in vroeger tijd gemaakt hebben, wanneer u niet weet dat ze dat gemaakt hebben in overeenstemming met hun geloof: het hoofd is een kleine bol, een wereldlichaam in het klein; de ledematen zijn een deel van het grote wereldlichaam waar dit overal met zijn stralen in de menselijke gestalte dringt. De Grieken hadden daarvan een mooie, harmonische voorstelling – daarom was hun ruimtelijke vormgeving ook zo goed en waren ze zulke goede beeldhouwers. Ook tegenwoordig kan niemand de plasti­sche kunst werkelijk doorgronden, wanneer hij zich niet be­wust wordt van deze samenhang van de mens met de kosmos. Anders aapt hij alleen maar gebrekkig en uiterlijk de vormen van de natuur na.

Nu zult u, beste vrienden, juist naar aanleiding van wat net gezegd is kunnen inzien, dat de ledematen meer op de wereld zijn gericht en het hoofd meer op de individuele mens is ge­richt. Waarnaar zullen de ledematen dus met name gericht zijn? Naar de wereld, waarin de mens zich beweegt en zelf zijn positie voortdurend verandert. De ledematen zullen in verband staan met de bewegingen van de wereld. Neemt u dat goed in u op: de ledematen zijn betrokken op de bewegingen van de we­reld.

In ons bewegen, in ons handelen in de wereld, zijn we ledematenmens. En wat is nu de taak van ons hoofd ten opzichte van dit bewegen van de wereld? Ik heb u al vanuit een ander perspectief gezegd dat het hoofd op de schouders rust. Het hoofd heeft ook de opgave om voortdurend het bewegen van de wereld in zichzelf tot rust te brengen. Wanneer u zich met uw geest verplaatst in het hoofd, dan kunt u zich daarvan een goed beeld vormen door u even voor te stellen dat u in een trein zit; de trein beweegt vooruit en u zit er in alle rust in. Zo zit uw ziel in rust in het hoofd, dat zich door de ledematen laat voortbewe­gen, en brengt de beweging innerlijk tot rust. U kunt zelfs gaan liggen in de trein – als er plaats is – en rusten, hoewel die rust eigenlijk niet echt is, want u rijdt, misschien wel in een couchet­te, met sneltreinvaart door de wereld; maar toch, u heeft een gevoel van rust. Zo brengt het hoofd ook alle bewegingen die de ledematen in de wereld uitvoeren in uzelf tot rust. Het borst-gedeelte bevindt zich daar midden tussen. Dat gedeelte ver­bindt de bewegingen van de buitenwereld met dat wat door het hoofd tot rust wordt gebracht.

Denkt u zich eens in: ons doel als mens is nu juist de bewe­gingen van de wereld door onze ledematen na te bootsen, op te nemen. Wat doen we dan? We dansen. U danst in feite; wat men gewoonlijk dansen noemt, is maar een deel van het echte dansen. Het was het uitgangspunt van elk dansen, de bewegin­gen van de planeten en andere hemellichamen – ook van de aarde – in de bewegingen van de ledematen na te bootsen.

Maar hoe zit dat dan met het hoofd en met de borst, wanneer we de kosmische bewegingen dansend nadoen in onze bewe­gingen als mens? Welnu, het lijkt alsof de bewegingen die we in de wereld maken worden tegengehouden in het hoofd en in de borst. Ze kunnen zich niet door de borst tot in het hoofd voort­zetten, want dat heerschap rust op de schouders – die laat de bewegingen niet door tot in de ziel. De ziel moet in rust aan de bewegingen deelnemen, omdat het hoofd op de schouders rust. Wat doet de ziel dus? Ze begint vanuit zichzelf te reflecteren wat de ledematen dansend uitvoeren. Ze begint te brommen wanneer de ledematen onregelmatige bewegingen uitvoeren; ze begint te fluisteren wanneer de ledematen regelmatige bewe­gingen uitvoeren en ze begint zelfs te zingen wanneer de har­monische kosmische bewegingen door de ledematen uitge­voerd worden. Zo wordt de dansende beweging, die naar buiten gericht is, naar binnen toe omgezet in zang en muziek.

De fysiologen die zich met de zintuigen bezighouden zullen nooit in staat zijn te begrijpen wat gewaarwording is, wanneer ze de mens niet als kosmisch wezen zien; ze zullen altijd zeggen: in de buitenwereld treden bewegingen van de lucht op, in zijn innerlijk neemt de mens klank waar. Hoe het verband is tussen de bewegingen van de lucht en de klank, dat kan men niet weten. – Dit staat in de fysiologie- en psychologieboeken, in de eerste aan het eind, in de laatste aan het begin; dat is het enige verschil.

Hoe komt dat? Dat komt doordat de psychologen en fysiolo­gen niet weten, dat datgene wat uiterlijk beweging is bij de mens, innerlijk in de ziel tot rust gebracht wordt en daardoor in klanken begint over te gaan. En zo is het met alle andere zin­tuiglijke waarnemingen ook. Omdat de organen van het hoofd niet meedoen aan de uiterlijke bewegingen, kaatsen ze deze uiterlijke bewegingen in de borst terug en maken ze deze bewe­gingen tot een klank, tot een andere zintuiglijke gewaarwor­ding. Daar ligt de oorsprong van de gewaarwordingen. Maar daar ligt ook de samenhang van de kunstvormen.” De vormen van muziek, van toonkunst, ontstaan uit de plastische en
archi­tectonische kunst, doordat de plastische en architectonische kunsten naar buiten toe zijn, wat de muzikale kunst naar bin­nen toe is. De weerspiegeling van de wereld van binnen naar buiten, dat is de muzikale kunst. – Op deze wijze heeft de mens een plaats in de kosmos. Beschouwt u een kleur eens als een tot rust gekomen beweging. De beweging neemt u uiterlijk niet waar – net zoals u, liggend in de trein, de illusie kunt hebben dat u in rust bent. U laat de trein buiten u bewegen. Zo laat u uw lichaam door fijne bewegingen van de ledematen, die u niet waarneemt, meebewegen met de wereld buiten u, en zelf neemt u in uw innerlijk kleuren en klanken waar. Dat heeft u te dan­ken aan het feit dat uw hoofd – als vorm – in een toestand van rust gedragen wordt door het ledematenorganisme.

Ik zei u al dat dit een ingewikkeld punt is; dat is het vooral, omdat in onze tijd niets gedaan wordt om deze dingen te begrij­pen. Alles wat we in de huidige tijd als opvoeding en onderwijs ontvangen, zorgt ervoor dat de mensen onwetend blijven over zoiets als wat ik vandaag verteld heb. Wat gebeurt er nu ei­genlijk door onze huidige opvoeding en door het onderwijs in deze tijd? Tja, de mens leert een sok of een handschoen echt niet volledig kennen, wanneer hij hem niet ook eens omkeert, want hij weet dan nooit waarmee zijn huid eigenlijk in aanra­king komt. Hij kent alleen de buitenkant. Zo kent de mens door opvoeding en onderwijs in deze tijd enkel en alleen de buiten­kant van de dingen. Daardoor heeft men alleen begrippen ter beschikking die van toepassing zijn op de helft van de mens. En men kan niet eens de ledematen begrijpen. Want de geest heeft die al binnenstebuiten gekeerd.

We kunnen dit ook nog anders bekijken. We kunnen zeggen: laten we de gehele, volledige mens, zoals hij in de wereld voor ons staat, in eerste instantie als ledematenmens beschouwen; hij manifesteert zich als zodanig als geest, ziel en lichaam.

Beschouwen we hem als borstmens, dan manifesteert hij zich als ziel en lichaam. De grote bol [zie de tekening op blz. 154]: geest, lichaam, ziel; de kleinere bol: lichaam, ziel; de kleinste bol: alleen maar lichaam. Tijdens het concilie van 869 hebben de bisschoppen van de katholieke kerk de mensheid verboden iets over de grote bol te weten te komen. Ze hebben toen tot dogma verklaard, dat alleen de middelste en kleinste bol bestaan: dat de mens slechts bestaat uit lichaam en ziel, en dat iets geestelijks alleen maar als een eigenschap van de ziel bestaat. De ziel zou naar één kant ook iets geestachtigs zijn. Geest bestaat niet meer – sinds 869 – voor de van het katholicisme uitgaande cultuur van het avondland. – Maar met de afschaffing van de verbinding met de geestelijke wereld is ook de verbinding van de mens met de wereld afgeschaft. De mens is meer en meer op zijn ego teruggeworpen. Daardoor werd de religie zelf steeds egoïstischer, en tegenwoordig leven we in een tijd waarin we – laten we het zo uitdrukken – weer vanuit de geestelijke waarneming de verbinding van de mens met de geestelijke wereld en daardoor met de wereld moeten leren kennen.

Wie is er eigenlijk schuldig aan, dat we een natuurweten­schappelijk materialisme hebben gekregen? Dat we een natuur­wetenschappelijk materialisme hebben gekregen, is voorname­lijk te wijten aan de katholieke kerk, want die heeft in 869 op het Concilie van Constantinopel de geest afgeschaft. Wat is er toen eigenlijk gebeurd? Kijkt u nog eens naar het menselijk hoofd. Dit heeft zich in de loop van het wereldgebeuren zo ontwik­keld, dat het nu het oudste deel van de mens is. Het hoofd is eerst voortgekomen uit hogere dieren of, nog verder terug­gaand, uit lagere dieren.0 Wat ons hoofd betreft, stammen we af van de dierenwereld. Daar is niets aan te doen – het hoofd is alleen maar een verder ontwikkeld dier. Wanneer we de voor­ouders van ons hoofd willen zoeken, komen we bij de lagere dieren uit. Onze borst is pas later aan het hoofd aangezet; die is niet meer zo dierlijk als het hoofd. De borst hebben we pas in een later tijdperk gekregen. De ledematen hebben wij mensen pas het laatst gekregen; dit zijn de allermenselijkste organen. Dat zijn geen metamorfoses van dierlijke organen, maar ze zijn er later aan toegevoegd. De dierlijke organen zijn zelfstandig uit de kosmos gevormd, ten behoeve van de dieren; de men­selijke organen zijn later zelfstandig aan de borst toegevoegd. Maar doordat nu de katholieke kerk het menselijk bewustzijn van zijn verbinding met de kosmos, het bewustzijn dus van de eigenlijke aard van zijn ledematen heeft laten verdoezelen, heeft ze aan later tijden slechts weinig kennis van de borst doorgegeven en voornamelijk kennis van het hoofd, van de schedel. En toen is het materialisme tot de ontdekking gekomen dat de schedel van de dieren afstamt. Nu zegt men dat de gehele mens van de dieren afstamt, terwijl de organen van de borst en ledematen er pas later bij gevormd zijn. Juist doordat de katho­lieke kerk voor de mens de ware aard van zijn ledematen, zijn verbinding met de wereld, heeft verborgen, is ze er de oorzaak van dat de latere materialistische tijd een gedachte koestert die alleen voor het hoofd geldt, maar door het materialisme voor de gehele mens gehanteerd wordt. In wezen heeft de katholieke kerk het materialisme op het gebied van de evolutieleer ge­creëerd. Vooral de leraren in deze tijd zouden zulke dingen moeten weten, want zij dienen interesse te hebben voor wat er in de wereld gebeurd is. En zij dienen de ware achtergronden van de gebeurtenissen in de wereld te doorzien.

We hebben vandaag geprobeerd te belichten hoe het komt dat onze tijd materialistisch geworden is, aan de hand van iets heel anders: van de bolvorm en de maanvorm en van de stralenvorm van de ledematen. We zijn namelijk begonnen met iets dat schijnbaar het tegendeel is, om een grote, geweldige cul­tuurhistorische gebeurtenis toe te lichten. Maar het is
noodza­kelijk dat vooral de leraren in staat zijn de ware achtergronden van culturele gebeurtenissen te doorgronden, anders kunnen ze met opgroeiende mensen niets beginnen. Wanneer de leraar zich in de achtergronden verdiept, dan zal hij iets in zich opne­men wat noodzakelijk is, wil hij vanuit zijn innerlijk, via on- en onderbewuste verbindingen met het kind, op de juiste wijze opvoedend werken. Want dan zal hij werkelijk eerbied hebben voor de mens als schepping. Hij zal in de vorm van de mens overal verbindingen met de grote wereld zien. Hij zal zich anders opstellen tegenover het bouwwerk van de mens dan wanneer hij in de mens alleen maar een soort beter ontwikkeld beestje ziet, een beter ontwikkelde diergestalte. De leraar van tegenwoordig stelt zich – hoewel hij wel eens in zijn bovenka­mer de illusie heeft dat dat anders is – toch zo op, dat volgens hem de opgroeiende mens een klein beestje, een klein diertje is, en dat hij dit diertje moet ontwikkelen – iets verder dan de natuur al gedaan heeft. Hij zal heel andere gevoelens hebben, wanneer hij zegt: daar is een mens; van hem uit bestaan er verbindingen met de hele wereld; in ieder afzonderlijk kind dat opgroeit leeft iets – wanneer ik daaraan werk, dan doe ik iets wat betekenis heeft voor de hele wereld. We zijn in de klas. In ieder kind ligt een centrum van de wereld, van de macrokosmos uit gezien. Deze klas is het middelpunt, ja, er zijn hier vele middelpunten voor de macrokosmos. – Denkt u zich eens in, voelt u dat eens mee, wat dat betekent! Dat betekent dat daar de idee van het heelal en zijn verbinding met de mens overgaat in een gevoel dat alle afzonderlijke handelingen in het onderwijs tot heilige daden maakt. Zonder zulke gevoelens over de mens en de kosmos zullen we niet in volle ernst en op de juiste wijze kunnen onderwijzen. Zodra we zulke gevoelens hebben, wor­den ze via onderaardse verbindingen op de kinderen over­gedragen. Ik heb u in ander verband al gezegd dat het altijd een wonderlijke indruk maakt, wanneer men ziet hoe de draden naar koperen platen in de aarde gaan en de aarde de elektriciteit zonder draden verder geleidt.0 Stapt u de school in met enkel egoïstische mensengevoelens, dan heeft u allerlei draden-woorden namelijk – nodig, om met de kinderen te communice­ren. Heeft u grote kosmische gevoelens, die opgeroepen wor­den door ideeën als die welke wij net ontwikkeld hebben, dan gaat er een onderaardse leiding naar het kind. Dan bent u één met de kinderen. Dat is een facet van de geheimzinnige verbin­dingen die er bestaan tussen u en de schoolklas. Wat wij peda­gogie noemen, moet uit zulke gevoelens opgebouwd zijn. De pedagogie mag geenszins een wetenschap zijn, ze moet een kunst zijn. En waar bestaat er een kunst die men kan leren zonder voortdurend in gevoelens te leven? Maar de gevoelens waarin men moet leven, om die grote levenskunst die pedagogie heet uit te kunnen oefenen, deze gevoelens die men moet heb­ben ten behoeve van de pedagogie, die ontvlammen alleen wan­neer men het grote heelal beschouwt en zijn verbinding met de mens.

[1] GA 293
 Algemene menskunde als basis voor de pedagogie, voordracht 10
[2] GA 294
GA 294 Opvoedkunst – methodisch-didactische aanwijzingen, voordracht         7
[3] Rohen, Joh.W. ‘Morphologie des menschlichen Organismus,
Stuttgart, 2000, door Leber aangepast
[4] Blechschmidt, E. ‘Vom Ei zum Embryo’ 1968, Stuttgart
[5] Plato Symposion
[6,7,8] Nieuwe medische encyclopedie, Rotterdam, 1981
[9] Wonderen der evolutie, Amsterdam 1981
[10] GA 201 voordracht 9 en 10

.

Algemene menskunde: alle artikelen

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

.

266-251

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

9 Reacties op “VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 10

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – ‘antroposofisch’ onderwijs (2) | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – De eerste jaren van een kind | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: VRIJESCHOOL – Peuter-kleuter – de kindertekening (2) | VRIJESCHOOL

  4. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 311 – voordracht 7 | VRIJESCHOOL

  5. Pingback: VRIJESCHOOL – De eerste zeven jaar (1) | VRIJESCHOOL

  6. Pingback: VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  7. Pingback: VRIJESCHOOL – STEINER OVER DIERKUNDE (13) | VRIJESCHOOL

  8. Pingback: VRIJESCHOOL – STEINER OVER DIERKUNDE (9) | VRIJESCHOOL

  9. Pingback: WAT STAAT OP DEZE BLOG | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s