VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304 – voordracht 1

.

RUDOLF STEINER

GA 304

Inhoudsopgave; voordracht [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]   [8]  [9]
Aan het eind van voordracht 6 staat een vragenbeantwoording bij deze voordracht, maar ook een die bij voordracht 1 hoort.
vragenbeantwoording bij de 3e voordracht.
.

Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer
Grundlage

9 openbare voordrachten gehouden tussen 23 februari 1921 en 16 september 1922 in verschillende steden.

OPVOED- EN ONDERWIJSMETHODEN vanuit de ANTROPOSOFIE

Voordracht 1, Den Haag 23 februari 1921

Die anthroposophische Geisteswissenschaft und die grossen Zivilisationsfragen der Gegenwart

De antroposofische geesteswetenschap en de grote vragen van de hedendaagse beschaving

Deze voordracht is vertaald:

Wat is de betekenis van de antroposofie? Dat zij de mens de weg tot inzicht in hogere werelden wijzen kan? Zeker. Maar daar kan het niet bij blijven.
De antroposofie biedt ook inzicht in de vraagstukken van het dagelijkse, praktische leven. Want dáár wil de antroposofie tot bloei komen: in de grote vragen waarvoor de moderne mens zich gesteld ziet. Niet voor niets richtte Rudolf Steiner zich ook op thema’s als onderwijs, landbouw, geneeskunde, economie.
In de twee voordrachten in deze bundel laat hij zien hoe en waarom de antroposofie opgenomen kan en wil worden in de werkelijkheid van het leven.
Ze werden in 1921 in Den Haag gehouden.

Vertaling: Huub Houben
Uitgeverij Nearchus

.

Steineralle pedagogische voordrachten

Steineralle artikelen op deze blog

.

2529-2371

,

,

 

.

VRIJESCHOOL- Sprookjes (2-4/22)

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

De drie mannetjes in het bos

.

Er was eens een man wiens vrouw stierf en een vrouw wier man stierf; en de man had een dochter en de vrouw had ook een dochter.

Hier sterft de ziel van een Ik en er was ook een ziel die Ik-loos, geestloos was geworden. En deze ziel wil zich met het andere Ik verbinden. Als dat gebeurt, zal zich een drama voltrekken, want de jonge zielenkrachten zullen daaronder te leiden hebben. Dat zijn de beide dochters. In hun wezen zijn ze zo totaal anders, net zo als de beide ouders die hen mee in het huwelijk brengen. 

De meisjes kenden elkaar en gingen samen wandelen en kwamen daarna bij de vrouw thuis. Deze sprak tot de dochter van de man: ‘Hoor eens, je moet tegen je vader zeggen dat ik met hem wil trouwen; dan mag jij je elke morgen met melk wassen en je krijgt wijn te drinken, maar mijn dochter moet zich met water wassen en zij krijgt ook water te drinken.’

Melk is niet meteen een aards product. Het wordt gevormd in levende wezens en hangt samen met de voortplanting onder invloed van de maankrachten. Melk geeft wel kracht om op aarde te leven.
In de sprookjes duidt melk altijd op een kosmische kracht die gezond maakt.
Heel anders is dit met de wijn. Het is een nobel aards product dat ontstaat onder invloed van de zon; wanneer je in de cultuurontwikkeling zoekt, vind je bijv. dat het individualiserend werkt, dat het het Ik-bewustzijn doet toenemen. Het vieren van de Dionysos-feesten in de Oudheid bijv.

De vrouw belooft dus: jij kan je wezen rijker maken door kosmische kracht en het doen groeien tot een individualiteit met een aards bewustzijn.
De ontwikkeling is voor haar, het zal haar goedgaan.


Water om te wassen en water om te drinken duiden het tegendeel aan. Water staat wel het meest bekend als iets scheppends, als het element dat leven geeft, maar hier is ongetwijfeld iets negatiefs bedoeld; water bestond eerder dan melk en wijn: de ontwikkeling gaat achteruit. De taal heeft, dat iets ‘verwatert’. 
Alleen met water te moeten leven, betekent: heen- en weer dobberen op het gevoel en geen ontwikkeling doormaken.

Het meisje ging naar huis en vertelde haar vader wat de vrouw had gezegd. De man sprak: ‘Wat moet ik doen? Trouwen is een vreugde, maar ook een verdriet.’ Omdat hij geen besluit kon nemen, trok hij eindelijk zijn laars uit en zei: ‘Neem deze laars, er zit een gat in de zool, ga ermee naar de zolder, hang hem aan de grote spijker op en giet er dan water in. Als het water erin blijft staan, zal ik weer een vrouw nemen; loopt het er echter uit dan doe ik het niet.’ Het meisje deed zoals haar bevolen was, maar door het water trok het gat dicht en de laars vulde zich tot bovenaan toe. Zij vertelde haar vader hoe de proef was uitgevallen. Daarop ging hij zelf naar boven en toen hij zag dat het waar was, ging hij naar de weduwe en vroeg haar ten huwelijk, en de bruiloft werd gevierd.

Hoe onzeker het Ik geworden is sinds de ziel die met hem verbonden was, zoin vrouw, gestorven is, blijkt wel uit zijn vraag aan het lot. De mogelijkheid en het vermogen om met zekerheid door het leven te gaan, zijn weg, het is op: de zool van de laars is kapot.
In het sprookje is het dak van een huis, het hoofd. Het hoofd in het huis van het lichaam. We gebruiken ‘dak’ hiervoor ook, bij bijv. ‘uit je dak gaan’. De man wordt zich daar bewust van zijn situatie. Nu laat hij het aan het toeval over en zijn lot wordt dat hij in verbinding treedt met een materialistische ziel: hij trouwt met de vrouw.

Toen de beide meisjes de volgende morgen opstonden, stond er voor de dochter van de man melk klaar om zich mee te wassen en wijn om te drinken, maar voor de dochter van de vrouw stond er water om zich te wassen en water om te drinken. De tweede ochtend stond er water om zich te wassen en water om te drinken zowel voor de dochter van de man als voor de dochter van de vrouw. En op de derde ochtend stond er water om zich te wassen en water om te drinken voor de dochter van de man, en melk om zich te wassen en wijn om te drinken voor de dochter van de vrouw, en zo bleef het verder. De vrouw werd de aartsvijandin van haar stiefdochter en zij was er altijd op uit haar het leven met de dag zuurder te maken. Ook was zij jaloers omdat haar stiefdochter mooi en lieflijk was, maar haar eigen dochter lelijk en afstotelijk.

De nieuwe vrouw ontpopt zich voor de dochter van de man als een harde pseudo-moeder zonder verinnerlijking: ze wordt een boze stiefmoeder. Voor de ‘stijve’ moeder telt alleen de materie, de stoffelijkheid. Zij leeft alleen met wat de zintuigen kunnen vatten en ze is doof voor al het bovenzintuiglijke. 
De sprookjes schetsen dit voortdurend. Want als de zekerheid van de ziel en de blik op de geest verduisteren, wordt dit het lot van alle mensen in onze culturele ontwikkeling.

Toen het op een keer ’s winters gevroren had dat het kraakte en bergen en dalen onder de sneeuw lagen, maakte de vrouw een papieren jurk, riep het meisje en sprak: ‘Hier, trek deze jurk aan en ga naar het bos om een mandje aardbeien te plukken; daar heb ik zin in.’

In de Germaanse mythologie vinden we: Als de tijd van de Fenris-wolf aanbreekt, de tijd van het zwaard, van de ellende, van de echtscheidingen, dan komt de Fimbul-winter. [zie Edda]
Onze voorouders zagen een tijd komen waarin de zielen zullen verstarren en ten prooi vallen aan de koude en de ijzige adem van het intellect waarbij het warme, levende voelen gedood wordt, zodat de mensen zich heel moeilijk tot elkaar kunnen verhouden.
Dat is de Fimbul-winter en het thuisland van de boze stiefmoeder. Haar gevoel is koud en berekenend en ze haar het goede.
Midden in de winter verlangt zij naar aardbeien en die moet de echte dochter voor haar halen.

Aardbeien ranken met hun driedelige bladeren laag op de aarde en daar worden ze rijp, zoete, rode vruchten met heerlijk sap; als we haar helende werking zien, begrijpen we waarom schilders uit de middeleeuwen bij het goddelijke kind aardbeien schilderden, bij het kribbetje, zelfs de krib op een aardbeienbed.
De grote symboolschilder Jeroen Bosch laat in zijn ‘De tuin der lusten’ * een hele groep mensen aardbeien vinden die ze met hun handen en op hun hoofd dragen. De levenwekkende, genezende en bloedvernieuwende aardbei wordt een symbool voor die krachten die in ons beginnen te werken, wanneer de liefde die alles beter maakt ons bezit wordt. Deze genezende liefde is met het goddelijke kind naar de aarde gekomen. 
Naar deze liefde verlangt de verharde ziel, want zij heeft die nodig, maar kan die zelf niet vinden; ze heeft die nodig als een genezende kracht als de Fimbul-winter heerst.

 ‘Lieve hemel,’ zei het meisje, ‘’s winters groeien er toch geen aardbeien, de aarde is bevroren en de sneeuw heeft alles toegedekt. En waarom moet ik in deze papieren jurk lopen? Het is buiten zo koud dat je adem bevriest – de wind waait er dwars doorheen en de doorns scheuren hem kapot.’ – ‘Wil jij mij soms tegenspreken?’ zei de stiefmoeder. ‘Maak dat je weg komt en kom mij niet weer onder de ogen voor je het mandje vol aardbeien hebt.’ Toen gaf zij haar nog een stukje hard brood en sprak: ‘Daaraan heb je genoeg voor de hele dag,’ en zij dacht: daarbuiten zal zij wel doodvriezen en verhongeren zodat ik haar nooit meer hoef te zien.
Het meisje was gehoorzaam, zij deed de papieren jurk aan en ging met het mandje naar buiten. Wijd en zijd was er niets te zien dan sneeuw, geen groen sprietje stak eruit.

Als een mensenziel een ‘papieren jurkje’ draagt, kan de omhulling bijna niet armelijker en schameler zijn. Dat geeft de boze stiefmoeder aan de dochter, d.w.z. wat de dochter nog met haar oorspronkelijke ziel uitstraalde, is nu afgepakt. 
Het is meisje is gehoorzaam; ze neemt de koude voor lief en is met deze armoedige omhulling ook nog bereid om naar aardbeien te gaan zoeken.

Toen zij in het bos kwam, zag zij een klein huisje waaruit drie kleine mannetjes naar buiten zaten te kijken. Zij zei hen goedendag en klopte bescheiden aan de deur.

Nog tot het begin van de 16e eeuw waren veel mensen vertrouwd met de elementaire wereld. Ze zagen niet, zoals wij nu, alleen maar de uiterlijke dingen. Ze zagen vooral ook het wezen(lijke) dat ermee verbonden was. Nu is het geest-zielenwezen van de mens veel vaster met het lichamelijke verbonden, bij die vroegere mens was dit ‘losser’, ‘doorlaatbaarder’ en daardoor konden ze een directer contact hebben met de voor ons onzichtbare wezens die we alleen nog als naam kennen: fee, nimf, dwerg, kabouter enz. De krachten van deze elementairwereld werden ook beelden, imaginaties. 
Er zijn heel veel vertellingen over natuurgeesten – bijv. in vorm van natuursagen – er bestaan berichten over bovennatuurlijke belevingen die zo plastisch worden beschreven dat je het gevoel krijgt dat het werkelijk zo is. Min of meer bewust gingen de mensen over een drempel naar een ander niveau van waarnemen en dat overviel hen dan eens in huis, dan weer buiten in de natuur en sommigen konden die twee werelden niet scheiden. Men leefde dan toch in een soort eenheidswereld: die met de dingen die je gewoon kon zien en ervaren en die overging naar een wereld die niet meteen met de zintuigen was te ervaren. 
In het Duits is bijv. de uitdrukking ontstaan: ; ‘Gib acht wie ein Wichtelmann’ – let op als een kabouter (een soort van). Deze wezens werden als zeer slim afgeschilderd en als zeer goede waarnemers. Ze worden omschreven als oude wijze mannetjes met grote hoofden en mutsen op: ze zijn de symbolen geworden voor oeroude wijsheid op aarde. Ons sprookje neemt hier zoiets als realiteit.

In de technische wereld – de techniek is een product van de mensengeest – kan de natuur niet meer zo scheppend zijn, zoals ze zou willen; de natuur als wijsheidsdraagster trekt zich terug. In de volksmond zegt men: de dwergen en gnomen zijn erop uitgetrokken. Voor de blik van de moderne mens zijn zij niet waarneembaar, maar wel voelt hij hoe landschappen kunnen verschillen: ‘rijk gevuld, of kaal en verlaten’.
In een tijd van kille berekening en egoïstische uitbuiting is voor die kleine wezens in de natuur weinig ruimte.

Zij riepen: ‘Binnen,’ en zij liep de kamer in en ging bij de haard zitten om zich te warmen en haar ontbijt op te eten. De mannetjes zeiden: ‘Geef ons er ook een stukje van.’ – ‘Met plezier,’ sprak zij, brak haar stukje brood doormidden en gaf hun de helft. Zij vroegen:. ‘Wat doe je hier midden in de winter in je dunne jurkje in het bos?’ – ‘Ach,’ antwoordde zij, ‘ik moet een mandje vol aardbeien zoeken en mag pas thuis komen als ik ze heb.’ Toen zij haar brood had opgegeten, gaven ze haar een bezem en spraken: ‘Veeg daarmee de sneeuw voor de achterdeur weg.’ Maar toen zij buiten was, spraken de mannetjes tot elkaar: ‘Wat zullen wij haar geven, omdat zij zo lief en zo goed is en haar brood met ons heeft gedeeld?’ Toen zei de eerste: ‘Ik geef haar dat zij elke dag mooier wordt.’ De tweede sprak: ‘Ik geef haar dat er goudstukken uit haar mond rollen bij elk woord dat zij spreekt.’ De derde sprak: ‘Ik geef haar dat er een koning komt die haar tot vrouw neemt.’

Bescheiden komt de echte dochter nu in deze sfeer terecht; ze straalt naar de dwergen medegevoel en liefde uit, want daar hebben de natuurwezens heel erg behoefte aan en zij lijden ook tijdens de Fimbul-winter. Voor de natuur is het heel belangrijk hoe de mens over haar denkt, of ze die harteloos uitbuit en verstoort of wel dat hij de wezenskracht van de natuur leert kennen en erkennen.
Terwijl verstarring en kou in de ziel heersen, zijn er verborgen toch liefdeskrachten aanwezig – liefdeskrachten die het goddelijke kind op aarde heeft gebracht: onder het sneeuwdek groeiden ze om vrucht te dragen. Je moet alleen in staat zijn om de sneeuw weg te vegen. Wie niet aan de verleiding toegeeft het kwaad met zijn eigen wapens te bestrijden, maar bereid is zelf nood en kou te lijden, ontwikkelt het vermogen om de sneeuw weg te kunnen vegen. Die mens vindt de aardbeien, helpt de natuur en dient de mensen tegelijkertijd. De natuur beloont hem daarvoor.
Waar medelijden en liefde heersen, straalt het ware oerbeeld van de mens van hem af: de jonkvrouw wordt steeds mooier. De woorden die uit haar mond komen, worden rijker aan inhoud en betekenis. Ze zitten vol wijsheid zodat ze rijkdom betekenen voor de omgeving, zoals de gouden munten; en de ziel zal naar zijn hogere, ware Ik (de koning) toegroeien en uiteindelijk één met hem worden.

Het meisje deed zoals de mannetjes gezegd hadden, zij veegde met de bezem de sneeuw achter het huisje weg, en wat denk je dat zij daar vond? Louter rijpe aardbeien die helemaal donkerrood uit de sneeuw te voorschijn kwamen. Haastig en vol blijdschap vulde zij haar mandje, bedankte de kleine mannetjes, gaf hun elk een hand en snelde naar huis om haar stiefmoeder het verlangde te brengen. Toen zij binnentrad en ‘Goedenavond’ zei, viel er meteen al een goudstuk uit haar mond. Daarop vertelde zij wat haar in het bos was overkomen en bij elk woord dat zij sprak rolden er goudstukken uit haar mond zodat de hele kamer er weldra mee bezaaid lag. ‘Kijk me die opschepperij eens aan!’ riep de stiefzuster, ‘om dat geld zomaar rond te strooien,’ maar zij was heimelijk jaloers en wilde ook naar het bos om aardbeien te zoeken. De moeder sprak: ‘Nee, lief dochtertje, het is te koud, je zou bevriezen.’ Maar omdat zij haar niet met rust liet, gaf zij tenslotte toe, naaide een prachtige bontmantel voor haar die zij aan moest trekken, en gaf haar boterhammen en koek mee voor onderweg.

De aan de materie gebonden stiefmoederziel zorgt voor haar dochter en voorkomt dat zij honger krijgt en kou moet lijden. Ze krijgt een bontmantel: het dierlijk-driftmatige verwarmt haar.

Het meisje ging het bos in en liep regelrecht naar het huisje toe. De drie kleine mannetjes zaten weer naar buiten te kijken, maar zij groette hen niet en zonder naar hen om te kijken en zonder hen te groeten stampte zij de kamer in, ging bij de haard zitten en begon haar brood en haar koek op te eten. ‘Geef ons er wat van!’ riepen de kleinen, maar zij antwoordde: ‘Ik heb niet eens genoeg voor mezelf, hoe kan ik er dan nog iets van weggeven aan anderen?’ Toen zij klaar was met eten, spraken zij: ‘Hier heb je een bezem, veeg daarmee buiten voor de achterdeur alles schoon.’ – ‘Nou zeg, vegen jullie zelf maar,’ antwoordde zij, ‘ik ben jullie dienstmeid niet.’

Zij krijgt geen contact met de kracht van de elementairwezens in de natuur. Zij deelt niets met hen, ze is egoïstisch en alleen met zichzelf bezig. Zij kan niets bijdragen aan het wegvegen van de alles bedekkende koude. Ze zou een activiteit moeten kunnen ontplooien waarbij liefde kan ontwaken en die vrucht kan dragen.

Toen zij zag dat zij haar niets wilden geven, liep zij de deur uit. Toen spraken de mannetjes tot elkaar: ‘Wat zullen wij haar geven, omdat zij zo onaardig is en een slecht jaloers hart heeft dat niemand iets gunt?’ De eerste sprak: ‘Ik geef haar dat zij elke dag lelijker wordt.’ De tweede sprak: ‘Ik geef haar dat er bij elk woord dat zij spreekt een pad uit haar mond springt.’ De derde sprak: ‘Ik geef haar dat zij ongelukkig aan haar eind komt.’ Het meisje zocht buiten naar aardbeien; toen zij er echter geen vond, ging zij verbolgen naar huis. En toen zij haar mond opende om haar moeder te vertellen wat haar in het bos was overkomen, sprong er bij elk woord een pad uit haar mond, zodat allen een afkeer van haar kregen.

Lelijkheid is het tegendeel van schoonheid. De ziel die gekluisterd is aan de natuur van de zintuigen, kan het goede steeds slechter tot uitdrukking brengen. Daarmee gaat een ander proces hand in hand: de taal verandert, bij elk woord springt er een pad uit haar mond.
Ooit was de pad het symbool van de uit het duister van de aarde opwellende vruchtbaarheid; ze woont nu eenmaal in moeras modder en deze golden als de schoot van waaruit het oerleven ontsproot. Later werd de pad tot symbool van het seksuele. De middeleeuwse schilders waarvan er velen uit dezelfde bron putten als onze sprookjesopvoeders, beeldden de pad in deze zin af. Kijk ook eens naar de padachtige monsters op de dommen. Bij liefdeloze mensen die zich afgekeerd hebben van de zuivere geest van de natuur, raken de geslachtelijke krachten vervreemd van hun hogere zingeving, ze verschrompelen tot pure seksualiteit – verschrompelen tot pad. Het gevolg daarvan is dat hun taal ‘schuin’ wordt en giftig en wat die mens zegt roept tegenzin en afkeer op.

Nu werd de stiefmoeder nog veel bozer en zij dacht er alleen maar aan hoe zij de dochter van haar man die elke dag in schoonheid toenam, op alle mogelijke manieren verdriet kon doen. Tenslotte nam zij een ketel, zette die op het vuur en kookte er garen in. Toen dat gekookt was, hing zij het over de schouders van het arme meisje en gaf haar ook een bijl; daarmee moest zij naar de bevroren rivier gaan, een bijt hakken en het garen spoelen. Zij gehoorzaamde, ging erheen en hakte een bijt in het ijs, maar midden onder het hakken zag zij een prachtige koets komen aanrijden waarin de koning zat.

Onzelfzuchtigheid, goedheid en geduld werken in het leven stimulerend op rechtschapen mensen, die roepen steeds op dat ze worden nagevolgd. Maar in de wereld van de ziel heerst een geestelijke wet waarbij het toenemen van de goedheid ook het kwaad dat ons wil verleiden toeneemt. De stiefmoeder wil steeds meer. Ze heeft sterk garen gekookt en het ijverige kind moet het schoonmaken. We kennen de uitdrukking; “er goed garen bij spinnen’. We kennen ook het beeldende ‘hersenspinsel’. Wanneer dergelijke hersenspinsels steeds weer hardnekkig en met gloeiende begeerte als voorbeeld dienen, dan wordt er werkelijke ‘garen gekookt’. Maar wie het leed moet dragen, is degene die luistert naar het lot en naar het goede streeft. Die krijgt de last van deze hersenspinsels op de schouders gelegd, die moet gedragen worden: de stiefmoeder hangt het garen om haar schouders. Uiteindelijk wordt ze weggestuurd om het garen te gaan wassen. Weer is zij degene die gehoorzaam is aan het lot; zij moet de gevolgen dragen van wat anderen ‘uitgekookt’ bedacht hebben.
De verstarring en de verharding is nog ondoordringbaarder geworden. Om in het ijs te hakken is nog meer inspanning nodig dan het wegvegen van sneeuw. Alleen met de grootst mogelijke activiteit kom je bij stromend-levende; de jonkvrouw moet zelfs een bijl gebruiken; met actieve slagkracht moet ze door de verstarring en de verharding heenbreken. Nu krijgt ze toegang tot het reinigende element; alleen daarin kan opgelost worden wat de materialistische ziel aan hersenspinsels heeft uitgedacht. Dat geldt voor de uiterlijke en de innerlijke wereld. ‘Maar midden onder het hakken zag zij een prachtige koets komen aanrijden waarin de koning zat’.

De koets hield stil en de koning vroeg: ‘Mijn kind, wie ben je en wat doe je daar?’ – ‘Ik ben een arm meisje en spoel garen.’ De koning kreeg medelijden en toen hij zag hoe mooi zij was, sprak hij: ‘Wil je met mij meerijden?’ – ‘O ja, heel graag,’ antwoordde zij, want zij was blij uit de buurt van haar moeder en zuster te komen.
Dus stapte zij in de koets en reed met de koning weg; en toen zij in zijn slot gekomen waren, werd de bruiloft met grote pracht gevierd zoals de kleine mannetjes het meisje toegedacht hadden. Na een jaar kreeg de jonge koningin een zoon.

Als de ziel met het goede bezig is, roept zij een geestelijke activiteit in het leven; voor zo’n beginnend proces kennen we de uitdrukking ‘zich vermannen”, de man in het innerlijk, het Ik is geroepen en dit Ik, dit koninklijke Ik heeft het vermogen om de ziel voor de bruiloft te vragen. De eenwording met de bevruchtende kracht van de geest heet in de taal van de middeleeuwen de mystische bruiloft.
Lenz gebruikt ook het woord ‘über’zeugend naast bevruchtend. ‘Zeugen’ is o.a. fokken, dus voortbrengen van nieuw leven. ‘Über’-zeugen gaat hier bovenuit; het brengt iets geestelijks voort.
De vrucht van deze bruiloft noemden de middeleeuwers: de vrucht van de geest in de schoot van de ziel. Maar dit nieuwe begin in de mens, dit subtiele gebeuren, vraagt om een zorgvuldige aandacht; want waar het lichaam van de vrouw in de hoogste zin van het woord scheppend is, wanneer zij een kind ter wereld brengt, zo is de ziel in de hoogste zin van het woord scheppend wanneer de vrucht van de geest in haar tot verschijning komt. Iedereen die iets scheppends heeft verricht, moet die aandacht oefenen; nooit is de mens kwetsbaarder dan wanneer hij het uiterste in zijn werken gegeven heeft. Hier proberen de tegenmachten in te grijpen.

En toen de stiefmoeder van het grote geluk had gehoord, kwam zij met haar dochter naar het slot en zij deed alsof zij op bezoek kwam. Maar toen de koning eens was uitgereden en er ook verder niemand aanwezig was, pakte de boze vrouw de koningin bij het hoofd en de dochter pakte haar bij de voeten, en samen tilden zij haar uit bed en wierpen haar het raam uit in de voorbijstromende rivier. Daarna ging de lelijke dochter in het bed liggen en de oude dekte haar toe en trok de dekens tot over haar hoofd. Toen de koning weer terugkwam en met zijn vrouw wilde spreken, riep de oude: ‘Stil, stil, dat kan nu niet, zij ligt te baden in het zweet, u moet haar vandaag met rust laten.’ De koning vermoedde niets kwaads en kwam pas de volgende morgen terug, maar toen hij met zijn vrouw sprak en zij hem antwoord gaf, sprong er bij elk woord een pad uit haar mond, terwijl er vroeger altijd een goudstuk uitgerold was. Hij vroeg hoe dat kwam, maar de oude vertelde dat zij dat van het zweten had gekregen en dat het wel weer over zou gaan.

Maar ’s nachts zag het koksmaatje hoe een eend door de keukengoot kwam aanzwemmen die sprak:

                                                        ‘Koning, wat doet ge?
                                                         Slaapt ge of waakt ge?’

En toen hij geen antwoord gaf, sprak zij:

                                                        ‘Wat doen mijn gasten?’

Toen antwoordde het koksmaatje:

                                                         ‘Die slapen vaste.’

Toen vroeg zij verder:

                                                         ‘Wat doet mijn kindje klein?’

En hij antwoordde:

                                                          ‘Het slaapt in het wiegje fijn.’

Toen ging zij in de gedaante van de koningin naar boven, gaf het kind te drinken, schudde zijn bedje op, dekte hem toe en zwom als een eend weer weg door de goot. Zo kwam zij twee nachten; de derde nacht sprak zij tot het koksmaatje: ‘Ga aan de koning zeggen dat hij zijn zwaard moet pakken en dat op de drempel driemaal over mij heen moet zwaaien.’ Toen rende het koksmaatje weg en vertelde het aan de koning; die kwam met zijn zwaard en zwaaide het driemaal over de geestverschijning – en bij de derde maal stond zijn vrouw voor hem, fris, levend en gezond en precies zoals zij vroeger was geweest.


Bij het wezenlijke van medelijden en liefde hoort, dat ze zich voor alles met begrip openstellen en alles – ook het kwaad – argeloos tegemoet treden. Want er is altijd geloof in de kracht van de verandering. Wanneer echter de nieuwe kiem, de vrucht van de geest is geboren, dan moeten medelijden en liefde met oplettendheid samengaan. Het kwaad moet herkend worden, niet alleen maar verdragen. Maar het jonge paar heeft deze wakkerheid nog niet. Het sprookje zegt dat de koning was weggegaan dat hij de koningin alleen liet. Wij zeggen: de mens is geestelijk afwezig – maar nu zou er juist tegenwoordigheid van geest moeten zijn.
De koningin ia in de stroom gegooid en wordt een eend. De ziel moet van de wil van het kwaad ten ‘ondergaan’. Bij wie de ziel uitvloeit, verwatert – het Duits heeft ‘verschwimmen’, is niet in staat om te handelen. Alleen ’s nachts nog in het rijk van de dromen, verschijn nog het ware zlef van de moeder. Het Ik echter is helemaal ten prooi gevallen aan de verwisseling. Het niet-spirituele, het lelijke dat zich in de taal uit in het ‘schuine’, in het ‘pad-achtige’, heeft zich een plaats veroverd. 
Maar een kinderlijke kracht, vol jeugdige frisheid – het koksmaatje – staat open voor de waarschuwende stem. De koning moet driemaal met zijn zwaard over zijn rechtmatige gemalin, de geest-ziel – zwaaien, want zij is de geest-ziel, sinds zij in het huwelijk trad met de geest.
Het zwaard kan helpen en beschermen, maar ook verwonden en doden. Het is in de ware zin van het woord tweesnijdend. Ook het woord is tweesnijdend: het kan helpen en redden, ook kwetsen en doden. Na de zegen van het zwaard verlangen betekent: om hulp vragen door de geesteskracht van het spreken. De gezonken gemalin wordt omhoog gehaald naar het volle leven. 
Tegen het woord wordt gezondigd wanneer dit misbruikt – seksueel – geworden is; de kracht van het woord kan genezen en de zonde wegnemen.

Nu was de koning zeer verheugd, maar hij hield de koningin in een kamer verborgen tot de zondag waarop het kind gedoopt zou worden. En toen het was gedoopt, sprak hij: ‘Wat moet er gebeuren met iemand die een ander uit zijn bed tilt en in het water gooit?’ -‘Die verdient niet beter,’ antwoordde de oude, ‘dan dat men de booswicht in een vat stopt met spijkers erdoor en dat van de berg afrolt het water in.’ Toen zei de koning: ‘Je hebt je eigen vonnis uitgesproken,’ en hij liet zo’n vat halen en de oude met haar dochter erin stoppen; daarna werd de bodem dichtgespijkerd en het vat de berg afgerold tot het in de rivier terechtkwam.

Wat in de nacht duidelijk was geworden en ten einde gebracht, heeft toch nog bescherming nodig. Opnieuw laat het sprookje zien hoe christelijk het is, zonder daar al te veel woorden aan te besteden. Bij de doop krijgt het doopkind zijn naam en wordt door het woord van de sacramentshandeling met Christus verbonden. Dan kan de confrontatie met het kwaad plaats hebben. Door de rechtsprekende macht van de volmaakte mens – de koning en zijn gemalin spreekt het kwaad zijn eigen oordeel uit. En de ondervinding wordt bewaarheid: onrecht dat iemand wordt aangedaan, komt vroeg of laat weer op je pad. ‘Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in’, zegt het volkse spreekwoord. 
De kuil – Duits Grube – duidt erop, net zoals het woord ‘vat’ dat het sprookje gebruikt – dat het kwaad ingeperkt wordt, teruggebracht in de kleinste ruimte. Dat er ook nog spijkers door het vat worden geslagen, wil zeggen: al die kwetsende praat, de stekeligheden, de verwondingen die je een ander aandoet, moeten nu op jezelf betrokken, doorgemaakt worden.
Het vat wordt dichtgespijkerd: het kwaad wordt opgesloten en aan de stroom van het leven en het lot overgegeven. 
Kwade leugenachtige bedoelingen en slechte daden hebben zichzelf berecht.

 *Lenz geeft hier ‘Garten der himmlischen Wonne’ dat vertaald zou betekenen ‘de tuin van de hemelse liefde’. Maar er is alleen ‘de tuin der lusten’. In een verklaring van de daar gebruikte symboliek komt de aardbei in een heel ander licht te staan. 

.

 

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2528-2371

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-3-1/8)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de derde levensfase van 14 – 21 jaar hechtte Steiner grote waarde aan het tijdstip waarop een kind kan gaan oordelen. Niet dat een kind niet op jongere leeftijd oordeelt, maar dan oordeelt het nog zeer van zich uit, dus sterk subjectief. Met het intreden van de puberteit ontstaat er ook een vermogen om veel objectiever te kunnen oordelen.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 14 – 21: begrip(s)oordeel

GA 304

Voordracht 4, Aarau 11 november 1921

Blz. 114

Mit der Geschlechtsreife tritt das Kind in dasjenige
Lebensalter ein, wo es gewissermaßen erst in der richtigen Weise der
Außenwelt gegenüber urteilsfähig auftritt.

Met de puberteit komt het kind in de leeftijdsfase waarin het in zekere zin pas op een goede manier tegenover de buitenwereld in staat is met oordelen te komen.

Blz. 115

Ich deute mit wenigen Worten eines der bedeutsamsten Erkenntnis­probleme an. Wer ein Kind zu früh zum Urteil entwickelt, zum selbstän­digen Urteilen, der bringt Todeskräfte statt lebendige Kräfte in das sich entwickelnde Kind hinein. Allein derjenige, der mit seiner Autorität so wirkt, daß er dem Kinde wirklich den selbstverständlichen Glauben erweckt, er tue das Richtige und er sage das Richtige, und es dürfe hin­genommen werden, wer also in diesem Sinne der Repräsentant der Welt ist für das Kind, der bereitet es nicht durch Beherrschung seines Verstandes, nicht durch Beherrschung irgendwelcher Urteilsfähigkeiten, sondern der bereitet es durch seinen lebendigen Menschen selber darauf vor, an der Welt nun wie ein lebendiger Mensch sich weiter zu entfalten. Leben muß an Leben entwickelt werden. Nicht indem wir von abstrakter Anschaulich­keit, von abstrakten intellektualistischen Begriffen ausgehen, sondern indem wir dem Kinde entgegenbringen eine Welt in einem lebendigen Menschen, machen wir es zu einem wirklichen Weltbürger.
Das alles läßt sich in einigen Strichen ja charakterisieren, aber es setzt eben voraus, daß man in die Einzelheiten der sich entwickelnden Kin­deskräfte, ich möchte sagen, von Tag zu Tag hineinschauen kann. Dann wirkt die Art und Weise, wie man selber irgend etwas durch die Türe in die Klasse hineinträgt so, daß das Kind in der Tat an dem Leben des Erziehenden, des Lehrenden sich heraufrankt zum eigenen Leben.

Ik duid met een paar woorden een van de belangrijkste problemen aan wat betreft kennis. Wie een kind te vroeg het oordelen leert, het zelfstandig oordelen, voegt het zich ontwikkelende kind doodskrachten toe, in plaats van levende. Alleen wie met zijn autoriteit zo werkt dat hij bij het kind het vanzelfsprekende vertrouwen wekt dat hij het juiste doet en zegt en dat dit aanvaard mag worden, wie dus op een bepaalde manier de vertegenwoordiger van de wereld is voor het kind, bereidt het niet door het beheersen van zijn eigen verstand voor, niet door de beheersing van bepaalde vermogens tot oordelen, maar die bereidt het door zijn eigen levend mens-zijn zelf voor, zich als een levend mens te ontwikkelen aan de wereld. Niet door van abstracte aanschouwelijkheid, van abstract intellectualistische begrippen uit te gaan, maar door het kind in een levend mens een wereld te geven, maken we het tot een echte wereldburger. 
Dit kun je wel met een paar lijnen karakteriseren, maar het vraagt van te voren wel dat je iedere dag in de bijzonderheden van de ontwikkelingskrachten in het  kind waar kan nemen. Dan is wat je zelf de klas in brengt van dien aard dat het kind daadwerkelijk aan het leven van de opvoeder, van de leerkracht zich kan optrekken voor zijn eigen leven.
GA 304/114-115
Niet vertaald

Voordracht 6, Oslo november 1921

Blz. 160/161

In unserem heutigen mehr oder weniger materialistisch denkenden Zeitalter wird viel über die Geschlechtsreife des Menschen gesprochen. Allein dieses Phänomen wird gewöhnlich als ein vereinzeltes hingestellt, während es für die unbefangene Beobachtung in Wahrheit nur die Folge
 einer völligen Metamorphose des ganzen menschlichen Lebens in dem entsprechenden Lebensalter ist. Der Mensch entwickelt in diesem Lebensalter nicht nur die mehr oder weniger seelisch-geistig oder physisch gefärbten erotischen Empfindungen, der Mensch beginnt von
diesem Lebensalter an erst sich unmittelbar urteilend, von seiner Persönlichkeit aus urteilend, sich auslebend in Sympathie und Antipathie, zur Welt sich zu stellen. Der Mensch wird ja erst jetzt im Grunde genommen ganz in die Welt hinausgestellt. Der Mensch wird da erst reif, sich an die
Welt so hinzugeben, daß in ihm selbständiges Denken, selbständiges Fühlen, selbständiges Beurteilen der Welt stattfindet.

In onze huidige tijd van min of meer materialistisch denken wordt veel over de geslachtsrijpheid van de mens gesproken. Alleen, dit verschijnsel wordt gewoonlijk als een apart iets afgeschilderd, terwijl voor de onbevangen blik zich alleen maar het gevolg vertoont van een volledige metamorfose van het hele menselijke leven in deze levensfase waar we het over hebben. De mens ontwikkelt in deze fase niet alleen meer of minder zijn ziel en zijn geest of zijn fysiek gekleurde erotische gevoelens, hij begint vanaf deze leeftijd pas zich direct oordelend, vanuit zijn persoonlijkheid oordelend, wat zich vertoont in sympathie en antipathie, zich tegenover de wereld op te stellen. De mens wordt nu pas rijp zich zo op de wereld te richten, dat in hem het zelfstandige denken, het zelfstandige voelen, het zelfstandig beoordelen van de wereld plaatsgrijpt.

Blz. 162

Im Grunde genommen ist der Lehrer, der Erzieher für das Kind im Volksschulalter die Welt. Dasjenige, was Welt ist, lebt sich nicht durch Willkür dar, sondern einfach durch die naturgemäße Gesetzmäßigkeit der menschlichen Entwickelung, lebt sich durch dasjenige dar, was der Lehrer, was der Erzieher dem Kinde ist. Der Lehrer, der Erzieher, ist für das Kind die Repräsentation der Welt. Und wohl dem Kinde, das, bevor es im Reifezeitalter einzutreten hat mit seinem eigenen Urteil, mit seinem eigenen Wollen, mit seinem eigenen Fühlen zur selbständigen Stellung in die Welt, wohl dem Kinde, das zuvor die Welt vermittelt erhält durch jemanden, in dem sich die Welt in dieser entsprechenden Weise spiegelt!

In de aard van de zaak is de leerkracht, de opvoeder voor het kind in de basisschool de wereld. Wat er in de wereld is, is er niet door willekeur, maar eenvoudigweg door de van nature gegeven wetmatigheden in de menselijke ontwikkeling, het wordt voorgeleefd door wat de leerkracht, de opvoeder voor het kind is. De leerkracht, opvoeder is voor het kind de vertegenwoordiger van de wereld. En wat een weldaad is het voor een kind dat, voor het in de puberteit komt met zijn eigen oordeel, met zijn eigen wil, met zijn eigen gevoel bij zijn zelfstandige positie in de wereld, wat een weldaad, dat het eerst de wereld aangereikt heeft gekregen door iemand waarin de wereld op deze manier gespiegeld wordt.
GA 304/160-162
Niet vertaald

Blz. 165

Durch völlig innere Selbständigkeit lernt das Kind sich eigentlich erst
von der Umgebung unterscheiden mit der Geschlechtsreife.

Door een totale innerlijke zelfstandigheid leert het kind pas met de geslachtsrijpheid zich van zijn omgeving te onderscheiden.
GA 304/165
Niet vertaald 

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2527-2370

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 10 (10-5-2/2)

..

In de 10e voordracht bespreekt Steiner de – naar zijn zeggen – moeilijk te begrijpen metamorfose die geleid heeft tot de vorm van ons hoofd.

Aangezien het begrip ‘metamorfose’ in zijn werk veelvuldig voorkomt, ook op het terrein van de opvoedkunst, is het van groot belang dat de opvoeder/leraar met dit begrip vertrouwd raakt.

Er zijn verschillende artikelen die daarbij kunnen helpen.

Zie de reeks [10-5/volgnr]

De antroposofische arts Leen(dert) Mees hield m.n. rond de jaren 1970 vele voordrachten over antroposofische onderwerpen.
Hij bundelde zijn voordrachten tot een reeks boeken, w.o. bijv. ‘Dieren zijn wat mensen hebben’, waarin hij een verrassend licht werpt op de samenhang mens-dier. Dit boek is – naast nog een aantal – te downloaden op ‘Antrovista‘.

Ook wijdde Mees zijn aandacht aan ‘metamorfose’ en probeerde de opmerkingen van Steiner over metamorfosen in of van het menselijk skelet te duiden.

Uit zijn ‘Geheimen van het skelet’ zijn gezichtspunten over metamorfose.

Hoofdstuk 2 draagt als titel:

METAMORFOSEN IN PLANTEN-, DIEREN EN MENSENRIJK

.
In artikel [10-5-2/1] was Mees aan het woord over de metamorfose bij plant en dier. Het eindigde ermee dat ‘de plant een vormmetamorfose vertoont‘.

Mees bereidt hier voor wat we nodig hebben om de vormverandering in de mens zelf – en hier de in de 10e voordracht met name genoemde verandering van wervel naar hoofd – in zijn essentie te kunnen begrijpen, al gaat het hier nog niet om dié metamorfose.

Tegelijkertijd geeft dit hoofdstuk wezenlijke verschillen aan tussen mens en dier en daarmee is het ook een uitbreiding van de gezichtspunten die Steiner aangeeft. [10-8]
Mees staat ook even stil bij ‘begeerte’ en zijn opvattingen kunnen een aanvulling zijn bij [4-3-3].

Ook kunnen de opvattingen van Mees een verdieping betekenen voor waar het in de dierkundeperioden om gaat. 

Het vorige artikel eindigde met:  ‘de plant een vormmetamorfose vertoont’.

Dit geldt niet voor het dier. Er is geen sprake van dat de pop een metamorfose van de vorm van de rups is, of de vlinder van de vorm van de pop. Dit samen genomen met het feit dat gezegd is dat elke fase van de dieren-metamorfose in de volgende verdwijnt, kan ons al het gevoel geven dat wij naar een totaal ander element te zoeken hebben. Bij de plant zagen wij dat de metamorfose gewekt wordt door invloeden van buitenaf, met name door de zon. Daarom was de plant te beschrijven als een wezen ’tussen hemel en aarde’.

Bij de dieren-metamorfose hebben wij ook naar datgene te zoeken wat zich metamorfoseert en wat dus duidelijk niet een vorm is. Dit ligt voor mij reeds besloten in de uitdrukking: gedaanteverwisseling. Bij de planten-metamorfose zou men dit woord immers nooit kunnen gebruiken. Bij het dier verwisselt iets voortdurend van gedaante. Wat is dit ’iets’?

De dieren-metamorfose speelt zich af tussen eicel en voldragen vorm. Reeds hierin is het verschil met de plant uitgedrukt. De bloem van de plant is het blad-principe dat zich, door de omgeving hiertoe gebracht, in een andere vorm vertoont. Men zou haast kunnen zeggen: de bloem is niet alleen van de plant, zij is ook van de zon.

De dieren-metamorfose speelt zich veel meer in de innerlijke wereld van het dier af. Datgene wat zo-even een ’iets’ genoemd werd, werkt binnen in het dier en wanneer wij willen vragen wat dat ’iets’ is, kunnen wij tot de verrassende slotsom komen dat het zich vertoont in de voldragen vorm. Wat werkt dus als ’iets’ in het dier, wat neemt voortdurend een andere gedaante aan? Datgene, wat wij als voldragen vorm zien, de slak, de slang, de leeuw, enzovoort. Wij zouden het dier kunnen beschrijven als het resultaat van een drang die in hem werkt en die in het voldragen dier zichtbaar wordt.

Wat moeten wij onder deze drang verstaan? Wij moeten daartoe het dier weer in zijn eigen omgeving opzoeken. Zoals de plant tussen hemel en aarde, leeft het dier tussen zich zelf en de omgeving. Dit dierenleven kan door iedereen bestudeerd en niet anders aangesproken worden dan als een begeerte.

Dan worden twee dingen duidelijk. Op de eerste plaats is het woord ’begeerte’ niet iets vaags, niet iets dat in alle dieren dezelfde vorm aanneemt. De dierlijke begeerte, niet te scheiden van het begrip diereninstinct, is voor elke diersoort specifiek. Wanneer wij daarnaast vragen wat er in iedere begeerte leeft, kan mijns inziens het antwoord slechts zijn: streven naar bevrediging.

Wanneer wij daarnaast vragen in welke omgeving een dier leeft, dan is het antwoord: in dié omgeving die zijn begeerte kan bevredigen. Men moet dus nooit uit het oog verliezen dat ’omgeving’ hier niet identiek is met ruimte. Een mier, een vlinder en een leeuw hebben op dezelfde plaats in de wildernis een totaal verschillende omgeving, afhankelijk van hun gewaarwordingen.

De metamorfose van het dier is dan de metamorfose van een begeerte die zich afspeelt in de ontwikkeling van eicel tot voldragen vorm. Het dier is een zichtbaar geworden begeerte. Ik meen dat de conclusie die men hieruit trekken kan, hoewel misschien verrassend, toch een voor de hand liggende is: het dier is een eenheid van begeerte, vorm en omgeving.

Bij alles wat een dier doet kunnen wij zeggen: het zoekt iets in zijn omgeving wat zijn begeerte kan bevredigen. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat de omgeving het dier voortdurend tot ander gedrag brengt.

Eén ding hebben plant en dier in hun metamorfose gemeen: waar de bloem het zaad voortbrengt, de vlinder het ei, het zoogdier de eicel, is in beide gevallen de kringloop gesloten; zij speelt zich voor onze ogen geheel op aarde af. Kortweg uitgedrukt: plant en dier blijven altijd ’hier’.

De specifieke metamorfose van de mens

Hoe staat het nu met de metamorfose bij de mens? Uit hetgeen over plant en dier gezegd is, waarbij met de begrippen vorm en begeerte naar het principe verwezen werd dat zich metamorfoseert, zullen we bij de metamorfose van de mens naar iets moeten zoeken dat zich principieel van datgene onderscheidt wat in plant en dier werkzaam is. Hier stuiten wij al dadelijk op een moeilijkheid omdat in het algemeen de opvatting voet gevat heeft dat mens en dier in wezen niet verschillend zijn; kortweg gezegd, de mens is het hoogste zoogdier, maar in elk geval een dier. Er kan in dit bestek natuurlijk niet te lang over dit vraagstuk gefilosofeerd worden. In brede kringen begon deze opvatting pas geaccepteerd te worden in de vorige eeuw. Dat de wortels reeds vroeger liggen, doet daaraan niet af. Er zijn vele schrijvers die zich in de laatste jaren op dit onderwerp geworpen hebben en getracht hebben aan te tonen welk netwerk van illusies in de opvatting dat de mens een dier is, leeft [1].

Een korte beschouwing kan ons misschien reeds op de goede weg helpen om het onderscheid tussen mens en dier aan het licht te brengen.

Laten wij ons afvragen wat het verschil is tussen een moeder die een baby, en een hond die jongen verwacht. — Als de hondjes en de baby geboren worden kan men zeggen dat in beide gevallen geboren werd wat verwacht werd, doch nu begint zich een merkwaardig verschil te tonen. Men kan namelijk vragen: wat zal een klein hondje worden? Het enige juiste antwoord is: een grote hond. Wat is het antwoord op de vraag: wat zal de baby worden? Als men dan zou zeggen: een volwassen mens, moet men er toch rekening mee houden dat de moeder hiermee blijkbaar niet bevredigd is. Wanneer zij haar kind in de armen heeft, zal zij maar al te vaak zeggen: wat zal dit wel worden? Het is duidelijk dat het antwoord ’een volwassene’ niet voldoende zou zijn. Zij bedoelt iets totaal anders, iets wat zij nog steeds verwacht.

Wanneer treedt dit te verwachten ’iets’ in verschijning? Oppervlakkig gezien kent ieder het antwoord ten dele wanneer hij een jongeman of een jonge vrouw ontmoet, die hij de laatste keer nog slechts als kleuter heeft gezien. In een gesprek met de trotse moeder zal men dan vaak te horen krijgen: wie had dat ooit kunnen denken!

Wij mogen echter niet concluderen dat de verwachting hiermee ook werkelijk vervuld is. Dit zou betekenen dat men van zo’n jongeman of vrouw dus niets verder zou verwachten. Iedereen voelt dadelijk het absurde daarvan.

Wij kunnen nog verder gaan en vragen: zou een gezond mens, ook al is hij nog zo oud, ooit tevreden zijn met de uitspraak dat men van hem niets meer verwacht? Ik geef toe, wij kunnen dit alleen voor gezonde mensen zo stellen, doch kunnen er dan tegelijkertijd op wijzen dat wij hiermee inderdaad in de mens iets gevonden hebben wat te karakteriseren is met de uitspraak: het eigenlijk menselijke in ons is iets dat altijd verder verwacht wordt.

Doordenkt men deze gedachte, dan verbindt ze zich met het feit dat een moeder reeds in verwachting was vóór de geboorte van haar kind. De voorstelling dat de geboorte daarmee een poort wordt, waardoor een wezen vanuit het hiervoor-maals verwacht wordt, hoeft ons dan geen moeite te kosten, mits men geen vooroordelen in die richting heeft.

Zou men niet evenzeer de gedachte mogen uitspreken dat op dezelfde manier het eigenlijk menselijke ook door de poort van de dood verwacht wordt in dezelfde wereld waarvanuit het door de moeder door de poort van de geboorte verwacht werd? Dan dringt zich de gedachte aan ons op dat het eigenlijk menselijke, waarvan wij de metamorfose gaan zoeken, zich van het metamorfoserende in planten- en dierenrijk onderscheidt, omdat van plant en dier gezegd moest worden dat ze altijd hier bleven. Als dat niet voor de mens geldt is de mens dus een wezen dat gedurende zijn leven slechts als tijdelijke gast op de aarde vertoeft.
Daar de verdere inhoud van dit boek zich met dit probleem van de metamorfose van de mens bezig zal houden, moge het voldoende zijn hier het wezen van de menselijke metamorfose met slechts enkele zinnen te karakteriseren.

Wanneer wij ons in verband met de metamorfose van het dier het begrip ‘gedaanteverwisseling’ voor de geest halen, ligt het voor de hand om te vragen: waar vinden wij de eigenlijke gedaanteverwisseling van de mens? Deze vindt men, wanneer de mens tevens gezien kan worden in het licht van een wetmatigheid, waartegenover de moderne wetenschappelijke wereld – in zekere zin zeer begrijpelijk – grote weerstand biedt. Dat is die van de reïncarnatie.

Wanneer wij de verschillende vormen waarin een individualiteit op aarde leeft als evenzovele vormen van een metamorfose willen beschouwen, moeten wij ook hier de wet van polariteit en toename terug vinden. In hoeverre dit inderdaad mogelijk is zal later blijken.

Omdat er steeds weer opvattingen naar voren gebracht worden die in de mens slechts het hoogst georganiseerde dier zien, is het goed er nogmaals op te wijzen dat de gedachtegang, die hier ontwikkeld is, niet op dieren van toepassing is. Een dier is altijd een exemplaar van een soort. Men kan een dierenleven, bijvoorbeeld dat van een leeuw die nu leeft, bestuderen, doch men kon dat honderd jaar geleden ook gedaan hebben. Wanneer de leeuw die nu leeft gestorven is, zal ik over honderd jaar het leeuwenleven nog steeds kunnen bestuderen. In dat opzicht sterft een leeuw dus niet. Natuurlijk, het exemplaar sterft, doch ’het’ leeuw, ’het’ mier, ’het’ vis, de soort blijft bestaan.

Men zal hier onmiddellijk kunnen opmerken dat ook de mens als soort reeds op aarde bestond vóór zijn geboorte en nog bestaat na zijn dood. Het gaat er echter om in de mens als het specifiek menselijke datgene te vinden wat boven de ’soort’ mens uitgaat. Dit gebeurt daar, waar wij met de kern van de persoonlijkheid, met de individualiteit te maken krijgen. In de anatomie en fysiologie, feitelijk ook in de psychologie hebben we met de mens als soort te maken. Het zal echter in niemand opkomen zich bij een gegeven uit een anatomie- of fysiologieboek te vragen: over welk mens gaat het hier? Ook wanneer wij psychologie studeren, hebben wij te maken met zieleneigenschappen die in wezen aan elk mens eigen zijn.

Zodra wij echter met een biografie te maken krijgen, bevat die een inhoud die slechts voor die éne mens op de wereld geldt. De schijnbare tegenspraak die wij ontmoeten als we, speciaal bij de hogere dieren, onderlinge verschillen binnen één soort opmerken, waardoor wij in de verleiding kunnen komen ook bij een dier van een biografie te spreken, kan opgelost worden als men zich erin oefent individuele verschillen te onderscheiden van verschillen door individualiteit. [2]

Reïncarnaties kunnen dan, zoals gezegd, gezien worden als metamorfosen, als men wil, gedaanteverwisselingen van een individualiteit, van een geestelijk wezen dat zich, telkens weer opnieuw in een biografie, in het gebied van ruimte en tijd openbaart. Men kan aldus reïncarnatie ook beschrijven als de metamorfose van een biografie.

De gegeven gedachtegang kan het ons mogelijk maken te begrijpen dat de mens zich – in tegenstelling tot plant en dier – op een bepaald ogenblik van zijn metamorfose van de aarde voor een zekere tijd geheel terugtrekt. Met deze korte aanduiding moet hier voorlopig worden volstaan. In hoofdstuk 4 wordt er nog meer over gezegd [3].

Vorm en wezen

Polariteit en toename zijn algemeen bekende begrippen geworden. Ze zijn echter fenomenen die, zoals gezegd, direct wijzen in de richting van de verbindende eenheid van een wezen dat zich in deze verschijnselen openbaart. Wij leven in een tijd waarin, vooral in de moderne biologie, het woord wezen, dat als een onzichtbaar iets scheppend zou werken in de vormen om ons heen, niet meer voorkomt doch integendeel beslist afgewezen wordt als onwetenschappelijk. Men kan uit deze impasse alleen geraken als men ontdekt en wil toegeven dat, op het ogenblik dat men, als men van een enkele waarneming naar een reeks waarnemingen die men combineert overgaat, ontdekt dat deze samenstelling meer openbaart dan de som van wat elk der afzonderlijke feiten ons leert. Daarmee kan men niet meer in die zin wetenschappelijk blijven als men oorspronkelijk gewild heeft. Wie feiten combineert stelt iets samen, hij schept een compositie en begint de natuur zelf als een compositie te zien. Daarmee is hij onherroepelijk in het gebied van het kunstzinnige terecht gekomen! Dit is één van de redenen waarom er op het gebied van de biologie en antropologie, vooral ook op het gebied van de evolutieleer, zo veel meningen en onenigheden bestaan. Over feiten zelf zal men het altijd wel eens kunnen worden. Bij het samenstellen ontstaat er een resultaat dat op verschillende manieren aan kan spreken. Het wetenschappelijke is dan niet volledig van het kunstzinnige te scheiden, hoezeer men dat ook zou willen.

De weerstand die een kunstzinnige beschouwing in de wetenschap in het algemeen ondervindt, heeft mijns inziens een heel speciale achtergrond. Het woord compositie roept namelijk de associatie met het woord componist op, doch hiermee wordt het begrip wezen, scheppend wezen in een wetenschappelijke beschouwing geïntroduceerd. Daarmee verschijnt echter onvermijdelijk ook een religieus element in onze gedachtegang.

Hiermee wordt op een belangrijk strijdpunt gewezen tussen twee groepen van evolutionisten, wetenschapsmensen die zich met de evolutieleer bezighouden. Een deel redeneert als volgt: wanneer we een horloge zien, kunnen we niet anders dan onmiddellijk de conclusie trekken dat een horlogemaker aan het werk geweest moet zijn. Geen horloge zonder een wezen dat het horloge geschapen heeft. Aangezien de levende natuur vormen vertoont, waarvan we niet kunnen aannemen dat ze ooit door toevallige samenballing van materie ontstaan zijn, kunnen we niet anders dan achter het ontstaan van de natuurvormen ook een scheppend wezen denken.

De tegenstanders van deze gedachte nemen vanzelfsprekend wel aan dat een horloge door een horlogemaker vervaardigd is. Zodra men echter met vormen in de natuur te maken heeft, willen ze deze gedachte niet consequent voortzetten, omdat, zo zeggen ze, het niet wetenschappelijk is met het begrip horlogemaker te werken, waar deze niet als zichtbaar wezen verschijnen kan. ’Geen horlogemaker, no watchmaker!’ is de leuze. Men kan dit ook aldus uitdrukken: Men wil onder alle omstandigheden een begrip vermijden dat nog enigszins aan religie doet denken, waarbij de gehele schepping als het resultaat van activiteiten van een ongeziene wereld beschouwd zou moeten worden. Het is in te zien, dat deze moeilijkheid alléén dan te vermijden is, wanneer men in de ‘zuivere’ wetenschap niet verder zou willen gaan dan de zintuiglijke waarnemingen zonder enige samenhang te beschrijven. Dan blijft men exact. Doch voor deze wetenschap zouden slechts weinig mensen een werkelijke interesse hebben.

Maar waarom wil men per se het begrip ongeziene wereld met onwetenschappelijk afdoen? Is een gedachte, is een gevoel, is zwaartekracht zichtbaar? Wij moeten nooit vergeten dat de voornoemde houding pas op een speciaal ogenblik in de 19e eeuw naar voren gekomen is, toen men om zo te zeggen overeenkwam alleen nog verklaringen vanuit de zichtbare wereld te accepteren. Daarmee stelde men echter een dogma op. Voor mij is dogma iets dat werkelijk onwetenschappelijk genoemd kan worden.

Wanneer men dus bemerkt dat met het invoeren van een kunstzinnige
benadering in een wetenschappelijke beschouwing iets van een religieus element aan de horizon verschijnt, zou men daarvoor niet terug moeten schrikken. Men zou moeten zeggen: wetenschap van de natuur om ons heen kan alleen dan volle bevrediging geven als ze het in elk van ons levende kunstzinnige en religieuze element aanspreekt. Het zal duidelijk zijn dat dit met het begrip godsdienst, zoals dit woord op het ogenblik nog veel gehanteerd wordt, niets te maken heeft. Toen Louis Bolk in zijn evolutietheorie tot de uitspraak kwam dat voor hem de mens niet als toevallige verschijning op het dierenrijk volgde, maar dat de idee mens van den aanvang af in de dierenevolutie een leidende rol gespeeld heeft, zei hij: ’Op grondslag van aanpassing en selectie kan de evolutie niet anders zijn dan een resultaat, terwijl ik voor mij er liever iets principieels in zie. In zijn uiterste consequentie toegepast moet dit standpunt voeren tot de mening dat in het laagste, laat ik het maar aanduiden als oerorganisme, reeds de noodzakelijkheid besloten lag der menswording. Men zou kunnen opmerken dat elke nieuwe vorm dan tot op zekere hoogte een vormnoodwendigheid zou zijn, ontstaan door de actie van die, de evolutie regulerende en beheersende, in het organisme zelf wonende factor. De opmerking is juist, maar ik wijk voor de consequentie niet terug. Het klinkt mystiek, maar geeft mij zelf toch meer bevrediging dan de consequente toepassing van de selectie- of aanpassingstheorie als enig leidend beginsel der evolutie, waarbij ten slotte de menswording louter spel van het toeval geweest was’[4].

Ik meen dat ook wij er zo langzamerhand eveneens aan toe zijn voor zulke consequenties niet terug te wijken. Wij moeten er alleen voor zorgen een element als voornoemd niet als hypothese in te voeren. Als consequentie van een bepaalde benadering is zij in de meest ware zin van het woord wetenschappelijk verantwoord.

Vorm en genetische structuur

Er is zo-even gezegd dat er in ’t algemeen in de wetenschap, daar waar men zich bezig houdt met gedachten over het ontstaan van vormen (onder meer in de theorieën over evolutie) een grote weerstand bestaat tegen het begrip scheppend wezen; een werkelijkheid naast de in de zichtbare wereld werkende krachten wordt gewoonlijk verworpen. Men zal van dat gezichtspunt uit het ontstaan van de vormen in de levende natuur verklaren door erop te wijzen dat deze het gevolg zijn van de genetische structuur in hun chromosomen. Het is hier niet de plaats om in filosofische beschouwingen hierover uit te weiden. Een enkel voorbeeld uit de praktijk moge het standpunt dat ik ten opzichte van dit vraagstuk inneem, verduidelijken.

Men ontmoet zeer vaak de opvatting: ’Onze gedachten zijn een product van onze hersenstructuur; feitelijk denken onze hersenen’.

Als argument voert men dan aan, dat bij een bepaalde verstoring van die structuur óók een storing in het denken optreedt. Wanneer echter een musicus een piano bespeelt, zal de toestand van het mechaniek, van de toetsen, snaren enzovoort een voorwaarde zijn voor het juiste ten gehore brengen van de compositie. Als er een en ander in het instrument niet werkt of afwezig is, kan het stuk niet goed gespeeld worden. Toch zal niemand kunnen zeggen dat de piano het stuk speelt. Wij spelen en hebben daarvoor een goed instrument nodig. Wij denken en hebben daarvoor gezonde hersenen nodig.

Hetzelfde ontmoeten wij in het samenspel van scheppend wezen en de zogenaamde genetische structuur in onze beschouwing. Als deze structuur verstoord wordt, zal men slechts een verminkte openbaring te zien krijgen. Wanneer zal men eens inzien, dat de vele variaties die men door een gewelddadige beïnvloeding van buitenaf op de genetische structuur, bij de zogenaamde Drosophila-vlieg in het leven roept, niets anders dan de misvormde openbaringen van het eigenlijke wezen zijn!

Wanneer dan de vraag: ’Wat is de oorzaak van de genetische structuur?’ gesteld wordt, is het antwoord hierop niet moeilijk; zij is mede het resultaat van de activiteit van het scheppende wezen dat zich een vorm, tot in alle finesses toe, heeft geschapen en zich daarin ten slotte openbaart. Inderdaad een vorm tot in alle finesses, tot in de kleinste onderdelen van de vorm, tot in de formule toe! [5] In elke schepping van een kunstenaar ervaren wij hetzelfde; met elk product van onze techniek is het niet anders gesteld. Dat men zich dit niet realiseert, komt omdat het scheppende, geestelijke wezen mens, dat een ieder dus zonder uitzondering, uit eigen ervaring kent, steeds meer en meer miskend en over het hoofd gezien wordt. Dat laat duidelijk zien dat wanneer men de vorm door een genetische structuur wil verklaren men feitelijk niets anders doet dan het oorspronkelijke probleem naar een ander punt verplaatsen.

Daarom heeft de gedachte dat leven, ziel en geest slechts functies van materiële vormen zouden zijn, een heel speciale achtergrond. Zij hangt samen met de voorstellingen die zich in de loop der eeuwen over het begrip materie in ons cultuurleven ontwikkeld hebben. Deze voorstellingen moesten de vroegere overtuiging dat de zichtbare wereld door een geestelijk wezen geschapen was, aan het wankelen brengen.

Immers, als men leven, ziel en geest als iets werkelijks opvat, dat een eigen bestaan leidt in onze materiële wereld, dan moet men kunnen begrijpen hoe de vormen ontstaan zijn waarin leven, ziel en geest verschijnen.

Vroeger heeft men daar geen probleem van gemaakt. Een werkelijke geestelijke wereld, die op zich zelf door ons niet waargenomen kan worden, doch die we in de natuur om ons heen in haar openbaring waarnemen, werd als een vanzelfsprekendheid gevoeld. Hierin kwam verandering toen men zich over het wezen van de materie voorstellingen trachtte te maken. Deze voorstellingen ontwikkelden zich in een richting die de vraag opwierp: Kan de vroegere gedachte, dat de wereld door een geestelijk wezen (’God’) geschapen is, nog volgehouden worden? De wereld die wij zien is een materiële. Hoe kan een geestelijk wezen met totaal andere kwaliteiten dan die, welke wij aan de materie moeten toekennen, met deze materie in wisselwerking treden?

Om dit te begrijpen moeten wij ons eerst bewust zijn van de diepe kloof die gaapt tussen twee opvattingen: ’geest heeft de materie gevormd’ enerzijds, en ’geest is een functie van de materiële vorm’ anderzijds. Op dit laatste ben ik in mijn boek ‘De aangeklede engel’ [3] uitvoerig ingegaan. Ik heb daar getracht aan te tonen dat vormen nooit functioneren, dat altijd het scheppende principe zelf met, of in de vorm, functioneert. Daarnaast is dus nu voor ons dit de belangrijkste vraag: hoe kan de brug tussen geest en materie geslagen worden?

Het ontstaan van vormen

Wij hebben hierbij met een tweeledigheid te maken: met datgene wat vormt, wat zich uitdrukt en met datgene wat wij het materiaal kunnen noemen, zoals we ook bij een kunstenaar van zijn materiaal spreken.

Nu is een kunstenaar een stoffelijk, zichtbaar wezen en het is voor ons geen probleem dat hij in staat is vormen in materie te scheppen.

In het geval van vormen in de natuur, en dus ook in het skelet, zullen wij een scheppend principe, zoals het hier al zo vaak genoemd is, ook moeten aanvaarden, al hebben wij hier niet met een zichtbaar wezen te maken. Datzelfde werd bedoeld, toen in het vorige hoofdstuk over ’wezen’ gesproken werd in verband met het begrip metamorfose.

De vraag die nu begrijpelijkerwijze rijst is: Als wij een scheppend wezen in dit geval moeten karakteriseren als niet-materieel, onzichtbaar, bovenzintuigelijk (in het Duits: ’übersinnlich’), hoe kan een dergelijk wezen dan de materie in de concreetheid, zoals wij haar kennen, aangrijpen, hanteren? Grof gezegd: Hoe kan geest materie beetpakken? [6]

Deze vraag geldt feitelijk alleen voor de oorsprong van de levende vormen in de evolutie. Zodra deze op aarde eenmaal verschenen zijn, geldt de algemeen bekende wet: Het levende komt uit het levende voort. Zowel bij verborgen leven (in het zaad of het ei) als bij het geopenbaarde leven (bijvoorbeeld de bloem) hebben wij dus altijd met een levend wezen op aarde te maken.

Misschien zal men zeggen dat het nodig is een definitie van het begrip leven te geven. Ik volsta hier met het citeren van een zin van Prof. Bolk (Hersenen en cultuur), waarin hij uitspreekt: ’Voor mij is het leven een vormprincipe sui generis’. — Leven en vormen scheppend worden daardoor identiek. Ik kan hier volledig achter staan. Wil men een begrip ontwikkelen over het hoe van de oorspronkelijke synthese leven-materie, dan is materie hier in principe dus de zogenaamde dode materie uit het mineralenrijk. Wij moeten ons vervolgens voor de geest halen dat het mineralenrijk gebieden vertoont die men vroeger de vier elementen aarde, water, lucht en vuur noemde, waarvan men het wezenlijke verschil door het invoeren van het begrip aggregaatstoestanden verregaand uit het oog verloren heeft.

Voor velen nu zal het een verrassing zijn te horen dat deze vier elementen tot op zekere hoogte ook weer het principe van een metamorfose vertonen.

Wij moeten begrijpen dat metamorfose hier noodzakelijkerwijze iets anders betekent dan in het voorafgaande, omdat er in de minerale wereld – waar het hier om gaat — niet op dezelfde manier van het leven en van vormen gesproken kan worden. Men noemt haar immers juist vormloos, amorf, waarbij wij hier even af moeten zien van het rijk van de kristallen, die een vraagstuk op zichzelf zijn. Wij hebben te maken met kwantiteiten, kwaliteiten en eigenschappen.

Er kan alleen dan een verband met metamorfose gevonden worden, als we kunnen aantonen dat ook in het mineralenrijk iets in verschillende gedaanten verschijnen kan, zoals wij dat van het wezen gezegd hebben in het gebied van de vormen van de levende natuur. Wij zullen dan tevens ook weer iets van een tegenstelling en een toename moeten vinden.

Aarde, water, lucht en warmte zouden verschillende verschijningsvormen van iets gemeenschappelijks moeten zijn. Dat lucht, water en aarde als toestanden in elkaar kunnen overgaan is bekend. Men kent ontelbare stoffen in gasvormige, vloeibare en vaste toestand. Zodra echter het element warmte of vuur aan de orde komt, bestond er tot voor kort in de fysica een onoverbrugbare kloof tussen warmte en materie. Warmte was immers arbeidsvermogen van beweging. Van een overgang, bijvoorbeeld van warmte naar lucht (lucht-materie) kon in een wetenschappelijke beschouwing nooit sprake zijn.

Dit is thans anders geworden, sinds men tot de conclusie moest komen dat ook materie, dus zowel vaste en vloeibare als gasvormige, in laatste instantie als verdichte energie opgevat moet worden. Daarmee was het essentiële verschil tussen warmte en materie opgeheven. Arbeidsvermogen en energie drukken ten slotte met verschillende woorden hetzelfde uit.

Hiermee moge op het ogenblik volstaan worden. Energie is dan dus het principe waar wij naar gezocht hebben toen wij ons tot taak stelden de vier elementen als metamorfose van elkaar te beschouwen; energie vertoont zich hier in vier gedaanten: die van warmte, lucht, water en aarde. Dat we tevens met een polariteit en een toename te maken hebben van verdichting en verdunning is duidelijk. Daarmee wordt echter een brug geslagen tussen de begrippen wezen en materie, als men deze laatste ontstaan denkt door verdichting van een warmte-toestand. Wat is energie? Hoe komen wij aan dat woord? Energie hebben betekent in het menselijke leven: tot activiteit in staat zijn. Hoe verwant is dit begrip met ons woord wil.

Wij kunnen nu nóg een stap verder gaan.

Er is in het voorafgaande al zo vaak over vormende krachten gesproken. In de chemie en in de fysica komt het woord kracht ontelbare malen voor. Maar is het woord kracht eigenlijk niet een volkomen leeg, abstract begrip, als wij niet aan een wezen denken waar die kracht van uitgaat? Ik weet maar al te goed hoe ver het tegenwoordige wetenschappelijke denken zich van zulk een conclusie verwijdert. Ik ben er evenzeer van overtuigd dat het er vlak vóór staat. Jaren geleden sprak een vriend tijdens een discussie uit: ’Wil is een kracht die in staat is een weerstand te overwinnen’. Ik vond en vind dit nog steeds een zeer goede omschrijving. Daarmee wordt van wil als van een kracht gesproken.

Wanneer deze wil tot scheppen ’in den beginne’ bestaan heeft en we vragen ons weer af: hoe heeft geest materie kunnen pakken, moeten we ons in elk geval voorstellen dat deze materie slechts warmte geweest kan zijn. Warmte is de brug, de schakel tussen wil en onze dichtere materie.

Zo komen wij tot een wonderlijke, misschien wel wonderbaarlijke reeks: willend wezen, kracht, warmte, materie, vorm. Wanneer hier vorm genoemd wordt, spreekt het wel vanzelf dat door de genoemde factoren pas dan een vorm kan ontstaan als wij weer aan het begrip gezichtspunt denken, dat wij van te voren al ingevoerd hebben. Zonder dit kan er nimmer sprake zijn van een inhoud, een idee die aan elke vorm ten grondslag moet liggen, wil zij niet slechts een contour zijn.

Dat een geestelijk wezen een bron van willen, kracht en activiteit is en daardoor, van een gezichtspunt uitgaande, tot vormen-scheppen in staat is, is een dagelijkse ervaring van ieder mens. Dat de mens op het ogenblik op aarde het enige scheppende wezen is in een zichtbare gedaante, doet niets af aan het feit dat hij in werkelijkheid een geestelijk wezen is.

Men heeft in vroegere tijden de wereld altijd als een schepping van geestelijke wezens gezien. Dit zien, deze vorm van weten is langzamerhand verloren gegaan. In de antroposofie* wordt over deze wezens, die men hiërarchische wezens noemt, met dezelfde concreetheid gesproken als wij dat doen over de zichtbare wezens om ons heen.

Het ligt nog ver van ons af om te overzien hoe de overgang van wezen en energie enerzijds, naar de verdichting van de warmte tot in de zichtbare vormen anderzijds, plaats vindt. Deze laatste verschijnen bovendien nog in zoveel soorten, zoals planten, dieren en mensen. Even ver ligt echter voor het wetenschappelijke denken bijvoorbeeld het begrip energie, die de essentie van de materie blijkt te zijn, af van de uiteindelijke toestand waarin zij als mineralenrijk verschijnt.

Ik ben mij er dan ook van bewust slechts allereerste aanduidingen voor een oplossing gegeven te hebben. Een groot aantal vragen blijft voorlopig onbeantwoord liggen. De voornaamste bedoeling was te laten merken hoe de moleculaire voorstellingen over materie zich in de laatste eeuwen tot voor kort in een zodanige richting ontwikkeld hebben dat de tegenwoordige materialistische wereldbeschouwing er het gevolg van moest zijn!

Ik houd deze ontwikkeling echter voor uiterst belangrijk, omdat men ertoe gekomen is in scherp geformuleerde gedachten te denken. Dit denken, dat steeds beter leert onderscheiden, moet echter als het consequent blijft, voortdurend weer bereid zijn eens gevormde stellingen op te geven, ingewortelde voorstellingen om te buigen. Zij heeft dit ook voortdurend gedaan. Doch hoe vaak ontmoet men steeds weer de neiging op elk ogenblik te zeggen: nu weten wij het eindelijk. Ons denken moet niet verstarren, doch beweeglijk blijven. Laten wij onze blik steeds open houden voor nieuwe ontdekkingen en opvattingen.

[1] Zie o.a. Hermann Poppelbaum: Mens en dier, uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist 1973
[2] Steiner ‘Theosofie’ GA 9, vertaald
[3] In De aangeklede engel (uitgegeven bij Vrij Geestesleven, Zeist) heb ik getracht aan te tonen dat de reïncarnatiegedachte dan pas verantwoord uitgesproken kan worden, als men eerst in de mens dat principe heeft leren onderscheiden waarvoor reïncarnatie denkbaar, acceptabel zou zijn, zowel als datgene waarvoor zij beslist niet geldt.
[4] Hersenen en cultuur, pag. 49 ff.
[5] Formule betekent kleine vorm
[6] Dit is geen voetnoot in het boek van Mees, maar inmiddels heeft de antroposofische arts Arie Bos een boek gepubliceerd dat dit onderwerp uitvoerig behandeld: ‘Hoe de stof de geest kreeg‘.

.

L.F.C. Mees ‘Geheimen van het skelet’   (volg link voor een PDF-versie)

Op deze blog staan ook verschillende artikelen die de metamorfose (van de plant) behandelen:

Metamorfose van de planten

Goethes fenomenologische methode

Ook in het tijdschrift van de Ver, v Vrije Opvoedkunst verschenen talloze artikelen over metamorfose

Algemene menskunde: voordracht 10 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2526-2369

.

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – scheikunde (3-1)

.

Helmut von Kügelgen, Erziehungskunst jrg. 15-8-1951
.

de eerste kennismaking met de scheikunde*
.

Schets van een onderwijsperiode

De opvatting over het periodeonderwijs zoals dat op de vrijescholen sinds de oprichting daarvan wordt gegeven, wint terrein. De commentaren op de nieuwe onderwijsorganisatie in Württemberg hebben betrekking op het voorbeeld van de vrijescholen en raden aan, in ieder geval voor bepaalde vakken om de lesstof concentrisch te behandelen in een onderwijsperiode van enkele weken.
Ook in Beieren zijn er, overigens zonder het voorbeeld van de vrijeschool te noemen, voor een paar vakken perioden ingevoerd; de ouders werden er door de pers op voorbereid dat hun kinderen nu een keer drie weken lang het zwaartepunt gaan leggen op bepaalde lesstof. In een paar streken in Noord-Duitsland moest het verbrokkelde leerplan wijken – in ieder geval in de basisschool – voor ‘totaalonderwijs’, d.w.z. dat de leerkrachten vrij zijn op een meer harmonische manier vakken die tot nog toe apart werden gegeven, bij elkaar te nemen. Het schetsen van de opbouw van een periode zal daarom steeds meer in de belangstelling komen te staan.

De onderstaande schets van een scheikundeperiode heeft ook nog een ander doel. Het is voor de leerkracht steeds stimulerend te zien hoe een ander het aangepakt heeft bij het voorbereiden van de eigen periode – en de ouders die het wetenschappelijk onderwijs aan hun kinderen met een paar beelden en gedachten vergezeld willen laten gaan, vinden er wellicht ook een stimulans in.

Een periode slaagt alleen maar in de samenwerking van leerkracht en klas, d.w.z. het is een gegeven van de lotsomstandigheden en ook van de vaardigheden die ze allebei meenrengen. Daarom zijn er geen normen. De periode is altijd persoonlijk vormgegeven en kan voor de kinderen als een klein kunstwerk ontstaan. 
Hier wordt een poging gedaan iets van dit levende proces weer te geven.

 Als de kinderen 13 jaar zijn (7e klas), wanneer ze op de grens staan van hun derde zevenjaarsfase en in de puberteit komen, moeten hun interesses steeds intensiever vergroot worden. Nu zijn ze in staat om zaken te gaan begrijpen die niet direct met de mens verbonden zijn; het is echter nog niet aan te raden het beeldende bij de behandeling van de stof achterwege te laten. Juist als de kinderen begeleid worden naar de maatschappelijke omgeving, moet je abstracties vermijden, want die kunnen ze alleen maar leren en niet beleven. 
Met dit als achtergrond wordt er veel niet gegeven van wat in de gangbare lesboeken al aan het begin staat. 
Wij hebben alles gedaan nog zonder chemische formules – we hebben ook het opsommen van stoffen als chemisch element vermeden en zijn grootsere processen nagegaan. Water bijv. hebben we nog als eenheid behandeld en het splitsen daarvan in waterstof en zuurstof voor later bewaard.
Bij de lucht is het wat ander. De kinderen kennen het verschil tussen frisse en bedompte lucht; ze weten door de plantkundelessen dat met behulp van het zonlicht de plant in het luchtelement groeit: nu zou je de lucht die tot nog toe ook als één ‘ding’, één element’ werd gezien, kunnen onderzoeken op meer elementen.
Je moet je goed realiseren dat je nu wat in de kinderwereld nog één was, a.h.w. gaat ondergraven, dat het anders is en dat de kinderen dat goed moeten ervaren.
De ‘voeding’ voor de vlam en de opbouw van de plant uit de lucht zijn eigenlijk verbazingwekkende wonderen. Deze verwondering voor de wat simpele feiten is toch de juiste begeleiding bij de verarming die de abstracties met zich mee brengen. 
Spannende proeven die een kind niet kan begrijpen of meebeleven, waarbij het zich alleen maar verwondert, brengen het in de war of roepen negatieve sensatiegevoelens op.

Wanneer je bij scheikunde niet met losse stoffen begint, maar met processen die zich voordoen, moet je ook bij dit vak dezelfde weg bewandelen die bij een kunstzinnige opvoedingsmethode op elk terrein zijn vruchtbaarheid bewijst: het doen staat voorop. Gevoel, beleving gaat daarmee hand in hand, het begrip komt later. 
In het taalonderwijs gaat het bijv. eerst om het ‘doe’woord – het werkwoord, vervolgens om het ‘hoe’woord – het ‘eigenschapswoord’ (bijvoeglijk of bijwoordelijk) en als laatste om het ‘noem’woord – het zelfstandig naamwoord.

Het verdergaande proces levert het kind een beeld waarin het begrip al zit. En met name een levend, kiemkrachtig, ‘onaf’ begrip dat met het kind mee kan groeien, duidelijker gaat worden, omvattender. 
Juist het enthousiasme bij de eerste kennismaking brengt een menselijk-morele basis mee voor alle latere fasen die niet meer verloren gaat. Je moet niet vergeten dat deze eerst ervaringen bijna onuitwisbaar zijn en zowel wat het goede als het verkeerde betreft een leven meegaan. Daarom wordt steeds de relatie gezocht tussen de scheikundige processen en wat zich in de mens afspeelt. Als hoogtepunt moet de belangstelling van de kinderen uitmonden in ‘menskunde’. Ook worden er natuurlijk zoveel mogelijk voorbeelden uit het dagelijks leven gezocht, met het doel om technische en economische processen te gaan begrijpen, omdat zo ook een mogelijkheid gegeven is om sociale omstandigheden te leren doorzien die niet door geboden of theoretisch stimulerende praatjes te vervangen is.

Verbranding*

De heer van de elementen, het krachtige, veranderende, scheppende vuur vertoont de kinderziel een oerbeeld van een wereldmacht die de stof aangrijpt.

Het doel van het eerste deel van deze periode was om te laten beleven dat vuur meer is dan vlammen, dat het een wereldprincipe is, een gebaar van de schepper. 
Iets aan algemene basiskennis, maar dit dan diepgaand en diep ervarend moet worden uitgewerkt.

Ik begon met het aansteken van een lucifer en het aandachtig bekijken van de vlam en dit proces te benoemen. 
Daarna werd er papier, een kaars, hout en dorre bladeren, vet, brood, suiker, rubber, alcohol, petroleum verbrand en later werd ook nog een gasvlam aangestoken.
Door het waarnemen wordt duidelijk:
warmte, licht, rook, damp, geur, roet streven naar boven. Maar damp en roet slaan ook weer neer, die behoren meer bij wat als iets zwaars, vormloos, als as neervalt.
Deze aardse stoffen zijn totaal veranderd. De kracht van het vuur heeft gescheiden wat in het leven als eenheid bestond. Als we erover nadenken, zien we dat alles wat we in brand staken uit het rijk van het leven stamt. Zo komen we bij de eerste basisregels die vanaf nu de scheikundeles kunnen begeleiden:

Vuur scheidt de stof – alle stoffen die uit iets levens komen, zijn brandbaar.

Dat met de vlam slechts een beeld gegeven is, niet het wezen van het vuur, wordt duidelijk zodra we voorwerpen zo in de vlam houden, dat die ze niet grijpen kan, bijv. kopervitriool in een reageerbuisje. 
De blauw-groene kristallen, waar de kinderen zo dol op zijn, vallen uiteen tot een vormloos, asachtig, witachtig poeder – er stijgt waterdamp op. Het vuur heeft gescheiden – maar een paar druppels water doen de groen-blauwe kleur terugkeren en vanuit de oplossing ontstaan weer de kristallen. 

Weer wordt er een basale wet geformuleerd die van blijvende betekenis is:

Zoals het vuur de stoffen scheidt, zo brengt het water ze weer samen

De elementaire kracht van het water die alles onzelfzuchtig verbindt, wordt langzamerhand zichtbaar. De vier elementen als fundamentele krachten van de natuur kenden de kinderen al. Nu beginnen ze die in een nieuw perspectief te zien. Hier zie je een voorbeeld van hoe begrippen groter worden en anders. Nu zien de kinderen de elementen als krachten, als aanzet van processen die door de schepping heen werken. 
Het vaste, zware dat zich samentrekt, het gasvormige dat de ruimte in wil, zich snel wil verspreiden (bijv. bij de stank van het verbrande rubber). Hier klinken a.h.w. grondakkoorden. 

Vóór je hout gaat verbranden zou je de kinderen in een vertelling waaraan de kinderen iets moois beleven, groei en leven van de bomen in het bos moeten schetsen. De volheid van het licht in de lente in een beukenbos; hoe het doordringen van het zonlicht en de warmte het leven weer wekt. Staand in warmte van de zon en in de verwarmde lucht met behulp van het water dat alles verbindt, dat je in het droge hout haast niet meer terugvindt, vormt de boom jaar na jaar de jaarringen. 
Alles wat leeft neemt warmte en licht op en als het vuur ingrijpt, wordt dat weer teruggeven. 
In de kachel stoken we de verkoolde planten die lange tijden geleden van de zon haar gaven kregen.
Bij het verbranden wordt zichtbaar hoe de kracht van het vuur stap voor stap het scheiden voltrekt. De stukken beukenhout verhit in een ijzeren pijp worden zwart en verdwijnen. Wat verdwijnt wordt opgevangen: in een waterfles verzamelt zich vloeibaar houtteer; aan het einde van de pijp stroomt iets naar buiten wat ik weer kan aansteken. De samenhang van het vaste moet opgeheven worden, want alleen het gasvormige kan vlammen vormen; dat kun je nu ook bij de kaarsvlam zien. En een vlam kan alleen ontstaan als er ook lucht bijkomt. (Houtskool branden)

Een eenvoudige proef laat zien dat om met een vlam te verbranden er lucht nodig is, zelfs dat kracht van het vuur de chemisch samengestelde lucht verdeelt om met een deel ervan de zichtbare vlam te voeden.
Boven een kaars die op een kurk drijft, wordt een glas geplaatst. Na enige tijd dooft de vlam – water dringt in de leeg geworden ruimte omhoog en vult ongeveer een vijfde op: de levenslucht van de vlam is opgebruikt, zoals ook wij in een afgesloten ruimte zouden stikken. 
Omdat er altijd kinderen zijn die weten dat het om zuurstof gaat en dat ook zeggen, ga je daarop in, zonder meteen al te verklaren waarom deze naam is gekozen.

Als we nog meer verschijnselen van het verbranden laten zien, moeten we ook naar het rijk van het ‘levenloze’ gaan. Dan ontstaat zeker de vraag of er op aarde niet een bepaalde tijd een ontwikkelingsfase was waarin deze stoffen als iets levends groeiden, zoals bijv. de steenkool. Maar deze vraag wordt nog niet beantwoord.
Met name in het begin van de periode kunnen er vele vragen ontstaan die we nog openlaten. 
De kinderen moeten op deze leeftijd vragen leren stellen, maar ook leren daarbij geduld te hebben. Vragen die niet beantwoord worden, maar vragen zijn vanuit het hart, zijn voor de ontwikkeling van de jonge zielenkrachten zelfs vruchtbaarder dan de antwoorden die niets meer zijn dan klare, afgeronde begrippen (abstracties) waaraan je tot het eind van je leven niet meer mag tornen. Daardoor wordt innerlijk luisteren gestimuleerd, een bepaalde inspanning, je wil tot iets komen, het gaat om toekomstkrachten. Het kind leert zich te interesseren en deze interesse te verzorgen. Want de rijkdom van de wonderbaarlijke schepping toont zich alleen aan degene die daar vragend bij betrokken is.

Een stuk staal wordt in het vuur roodgloeiend. Het rode koper krijgt een donkere laag, terwijl de vlam groen oplicht, maar de metalen kunnen pas verbranden, wanneer er veel lucht bij kan komen.
We nemen metaalpoeder waarbij zich om de kleinste deeltjes lucht bevindt.
IJzervijlselsnippers branden in een roodachtig-gele vonkenregen. Zinkpoeder laat de vlam in vaal spookachtig licht groen-blauw oplichten. Deze kleur is met geen enkele te vergelijken van de vlammen die we eerst zagen. Aluminiumpoeder vertoont zich flitsend in een verblindend wit licht dat pijn doet aan onze ogen. Nog feller, nog meer zijn afkomst uit een vreemde wereld verradend licht het magnesium op. Een hoopje poeder gloeit – door de lucht gegooid gaat het als een vlammenbal uit. 
Bij alle verbrandingen van metaal blijft een kruimelige rest achter.
Er wordt nog niet uitvoerig op de metalen ingegaan, behalve dan op het ijzer waarvan de vlam dicht bij de vlam komt van het verbranden van stoffen uit het bereik van het leven. De kinderen krijgen geen genoeg van de vonkenregen. 
Over het ijzer wordt veel verteld. Vooral over zijn betekenis in de levenssfeer, in het menselijke bloed. 
In de periode, waarmee in de herfst werd begonnen, kan nu ook verteld worden over het bewustzijns – en wilskracht wekkende vermogen van het ijzer in het bloed waarmee op een verrassende manier een link kon worden gelegd naar het Michaëlsfeest.
Een volgend uitstapje – beide werden in de huiswerkopgaven verwerkt- legde een verband tussen de menselijke kennis en de historische daden van de menselijke geest waaraan wij onze beschaving te danken hebben.
Een scène zich afspelend in het door gaslicht verlichte laboratorium van Robert Bunsen, dramatisch-spannend verteld en met het enthousiasme uit de begintijd van onze techniek doorspekt, werd voor de kinderen afgespeeld. Bunsen scheidde de gasvlam in een licht- en warmtevlam. Met zijn aanwijzingen vervaardigden de technici de bunsenbrander die door de toevoer van lucht de intensiteit van de warmte buitengewoon verhoogde.
Tot aan onze gashaard – ook het vuursteentje van de gasaansteker is door de metaalverbranding te verklaren – tot aan de gasvlam bij het lassen dat in het economisch leven zoveel gemak met zich meebrengt: dat danken wij aan de eenvoudige ontdekkingen van Bunsen.
Wanneer je dan zijn betekenis voor de ontwikkeling van de scheikunde noemt, voor de spectraalanalyse, span je ook al weer een boog naar de toekomst en bereid je al voor wat pas jaren later lesstof zal zijn.

*De opbouw en het kunnen geven van de periode dank ik aan de aanwijzingen van de overleden eerste schoolarts en scheikundeleraar van de vrijeschool, Eugen Kolisko.
.

Deel 2     deel 3

7e klas scheikunde: alle artikelen

Scheikunde: alle artikelen

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2525-2368

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-3-1/7)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de derde levensfase van 14 – 21 jaar hechtte Steiner grote waarde aan het tijdstip waarop een kind kan gaan oordelen. Niet dat een kind niet op jongere leeftijd oordeelt, maar dan oordeelt het nog zeer van zich uit, dus sterk subjectief. Met het intreden van de puberteit ontstaat er ook een vermogen om veel objectiever te kunnen oordelen.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 14 – 21: begrip(s)oordeel

GA 302A

Voordracht 5, Stuttgart 21 juni 1922

Blz. 74

Dann aber ist zu berücksichtigen, daß nun der Übergang, den ich etwa kurz damit kennzeichnen möchte, daß ich sage, das Kind findet den Übergang von der Kenntnis zur Erkenntnis -es ist charakteristisch, daß dieser Übergang von der Kenntnis zur Er­kenntnis eigentlich mit einer großen Schroffheit geschieht -, daß man daher durchaus, gerade wenn man von der einen Unterrichtsstufe, die
bei uns in der 9. Klasse liegt, zur Unterrichtsstufe, die bei uns in der 10. Klasse liegt, heraufrückt, dann berücksichtigen muß, daß weitaus die meisten Kinder, sich selber unbewußt, diesen Übergang von der Kenntnis zur Erkenntnis durchaus durchmachen. Es beginnt dann näm­lich der Drang der Menschenseele, dasjenige, was an sie herankommt, in der Urteilsform zu verarbeiten.

Dan moeten we echter in de gaten hebben dat nu de overgang bij het kind ontstaat van kennis naar oordelend kennen – het is karakteristiek voor deze overgang dat die eigenlijk vrij ongenuanceerd plaatsvindt – en dan moet je je goed realiseren dat je met name wanneer je van het ene onderwijsniveau dat bij ons in de 9e klas ligt verdergaat naar de onderwijsfase die bij ons in de 10e klas ligt, verreweg de meeste kinderen het zich niet bewust zijn dat ze deze overgang van kennis naar oordelend kennen doormaken. Dan begint namelijk de drang in de ziel van de mens te ontstaan om wat op hem afkomt op een oordelende manier te verwerken.
GA 302A/74
Niet vertaald

Voordracht 6, Stuttgart 22 juni 1922

Blz. 101/102

Wenn das Kind dann geschlechtsreif geworden ist, und die Kenntnis in Erkenntnis übergehen soll, dann lehnt es deshalb, weil sein Intellekt jetzt erwacht ist, einfach das Urteil des Lehrenden, des Erziehenden schon von selber ab. Dann wird nichts mehr mit der bloßen Autorität erreicht, dann müssen wir konkurrieren können, dann müssen wir wirklich mit dem Kinde schon konkurrieren; denn eigentlich ist man tatsächlich mit 17 Jahren so gescheit als mit 35 in bezug auf die Urteilsfähigkeit. Gewisse Nuancen kommen vor, aber im wesentliehen ist man mit 17 Jahren, was das Formal-Logische betrifft, so gescheit als mit 35 Jahren. Man muß also eigentlich schon mit dem Kinde
konkurrieren, sobald es geschlechtsreif geworden ist.

Wanneer het kind dan in de puberteit komt en de kennis oordelend kennen moet worden, dan wijst hij omdat zijn intellect nu wakker geworden is, simpelweg het oordeel van de leerkracht, de opvoeder als vanzelf af. Dan bereik je niets meer met alleen maar autoriteit, dan moeten we kunnen concurreren, dan moeten we daadwerkelijk met het kind kunnen concurreren; want eigenlijk ben je feitelijk met 17 jaar net zo slim als met 35 wat betreft het oordeelsvermogen. Er komen bepaalde nuances voor, maar wezenlijk is dat je met 17 jaar, wat het formeel-logische betreft, net zo verstandig als met 35 jaar. Je moet eigenlijk met het kind gaan concurreren, zodra het in de puberteit is gekomen.
GA 302A/101-102
Niet vertaald

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2524-2367

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/21)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.
Jorinde en Joringel

Er was eens een oud slot middenin een groot dicht woud.

Tussen wakker zijn en slapen kan zich de droom bevinden. De net niet bewuste beeldenwereld. Deze beelden kunnen ‘ware’ beelden zijn – voorstellingen in beeld van wat zich in begrippen moeilijk laat omschrijven. Lenz gebruikt het woord ‘Wahrtraum’ dat zoveel betekent als ‘voorspellende’ droom. Sprookjes, zegt zij, zijn de ‘Wahrträume’ van de volkeren.

Wat is het voor beeld als we meegenomen worden naar een oud slot, midden in een groot woud. 
Daarmee wordt ons een beeld geschetst van ons eigen lichaam, de behuizing van ons wezen. Eens was dat een grootse en rijke verschijning, met veel mogelijkheden om ‘naar binnen te gaan en naar buitten’, (met deuren en poorten) en nog meer mogelijkheden om naar binnen en naar buiten te kijken (met heel veel vensters). Maar het ligt ver van ons verwijderd, oud en vergeten achter woekerende vegetatie. Wie heeft zo’n landschap niet een keer innerlijk beleefd? 
Vegetatie in de volle levenskracht kan ons wel verkwikken, ook in het bos en in de uiterlijke wereld.
Maar hier heerst de wildernis, hier is het onbegaanbaar, het schemerduister van de onzekerheid is rondom ons. Daar doorheen te gaan en licht te brengen vraagt  een soort doorzettingsvermogen en sterkte om machten te kunnen weerstaan die daar huizen en zich opdringen aan de zoekende ziel. Dat zijn opgaven en beproevingen.

Daar woonde heel alleen een oude vrouw, die een aartstovenares was.

Vaak wonen in een slot een koning, koningin, prinsessen, koks enz., a.h.w. een verzameling van allerlei zieleneigenschappen, maar hier woont heel alleen een oude vrouw. Ze beschikt nog over een magisch weten uit lang vervlogen tijden; aan het oude is nauwelijks nog een herinnering over, maar het ‘spookt’ daar nog rond en valt op de ziel aan.
Geloof maar niet dat wij niet dergelijke gebieden in ons hebben waar dit oude nog op de loer ligt. Wij dragen ook verleden(s) met ons mee en hoe zou het heden eens toekomst kunnen worden als we het verleden niet zouden kunnen overwinnen?

Overdag veranderde zij zich in een kat of in een nachtuil, maar ’s avonds kreeg zij haar menselijke gedaante weer. Zij kon het wild en de vogels naar zich toe lokken en dan slachtte, kookte en braadde zij die. Wanneer iemand tot op honderd passen het slot naderde, moest hij stil blijven staan en kon niet van zijn plaats komen tot zij hem door een toverspreuk bevrijdde; maar als een reine jonkvrouw binnen die kring kwam, veranderde zij haar in een vogel en sloot haar op in een korf en die korf bracht zij naar een kamer in het slot. Zij had wel zevenduizend korfjes met zulke bijzondere vogels in het slot.

Deze aartstovenares heeft duidelijk een dag- en een nachtkant.
De uil slaapt overdag en is ’s nachts actief. Symbool van de wijsheid dat blind is in het wakkere denkleven, maar de ogen zijn open in het rijk van de dromen; de vogel van Pallas Athena die kennis bracht in de wereld van de droombeelden.
De kat, zacht speeldiertje en klein roofdier tegelijk, is overdag slaperig en ’s nachts heel wakker. In Egypte droeg de godin van de liefdesbetovering een kattenkop. Is liefde niet altijd een betovering en heeft deze niet ook haar dag- en nachtzijde? Hier wordt geschetst hoe overdag de nachtkant wakker wordt in de liefdesdrift: de kat sluipt; en in de kennisdrift: de uil zweeft voorbij. En hoewel in de nacht het menselijke weer wakker wordt, maar ook het vuur van de begeerte begint op te laaien, vallen de onschuldige natuurdriften daaraan ten prooi: het wild en de vogels worden geslacht en gebraden.
Magie verlamt de wil en houdt deze vast. De zielenkrachten met de kwaliteiten van de jonkvrouw (de reine jonkvrouwen) komen in deze omgeving in haar ban. De kracht van de kennis, de begaafdheid van het verstand, dus de menselijke krachten verworden hier tot instinctieve, dierlijke, verdoofd: ze worden vogels.

Nu was er eens een jonkvrouw, die heette Jorinde; zij was schoner dan alle andere meisjes. Zij en een schone jongeling, genaamd Joringel, waren met elkaar verloofd. Zij waren in de bruidsdagen en zij beleefden de grootste vreugde aan elkaar.

Mooier dan alle wezenlijke zielenkrachten (als alle ander meisjes) is de ziel zelf. Wanneer deze zover ontwikkeld is dat ze zich het geestelijke aspect van het Ik bewust wordt, – dat ze zich kan overgeven en een kan worden – dan wordt ze de bruid. De individuele mensengeest die van alle kanten wijzer wordt – gedachten wint – die overtuigen – het Duits heeft über-zeugen, waar ‘zeugen’ lichamelijk voortbrengen’ betekent, maar ‘über’ gaat daarbovenuit en betekent ‘geestelijk voortbrengen’ dan kan deze de ziel bevruchten, hij is de bruidegom. 

Om nu eens vertrouwelijk samen te kunnen praten gingen zij in het woud wandelen. ‘Pas op,’ zei Joringel, ‘dat je niet te dicht bij het slot komt.’ Het was een mooie avond, de zon scheen helder tussen de stammen van de bomen door in het donkere groen van het woud en de tortelduif koerde klaaglijk in de oude meibeuken.
Jorinde schreide af en toe, zij ging op een zonnig plekje zitten en weeklaagde; Joringel klaagde ook. Zij waren zo ontdaan, alsof zij moesten sterven; zij keken om zich heen, zij waren in de war en wisten niet welke kant zij op moesten om weer thuis te komen. De zon stond nog half boven de berg en was al half onder. Joringel keek door het struikgewas en zag de oude muur van het slot vlakbij; hij schrok en werd doodsbang. Jorinde zong:

‘Mijn vogeltje met het ringetje rood
Zingt lijden, lijden, lijden!
Het zingt voor het duifje, zingt zijn dood,
Zingt lijden, lij – – tuwiet, tuwiet, tuwiet.’

Joringel keek naar Jorinde. Jorinde was in een nachtegaal veranderd, die zong: ‘Tuwiet, tuwiet.’

Als de dag in schemering verandert en het avond wordt, raakt de mens makkelijk in zo’n tussenstadium, dat het sprookje zo treffend bij Jorinde schetst. De mens verzinkt in dromen en deze kunnen zo sterk worden dat de ziel er niet meer los van komt; ze verzinkt in zichzelf, wordt meegetrokken in een onbewust element. Ze raakt in de ban van de betovering. Vooral meisjes kunnen daaraan ten prooi vallen.
Wanneer de persoonlijkheid zich vormt, de mens een individu wordt en dan met een ander een toekomst ziend, treden ziel en geest met elkaar in een vertrouwd gesprek over de eeuwige bestemming, dan kan als geestelijk octaaf diezelfde stemming de innerlijke mens aangrijpen. Geest en ziel bevinden zich tussen twee werelden. In de beeldentaal worden die dag en nacht genoemd. Nacht en dag zijn twee aspecten van de binnenwereld. De maan was heerser van de opeenvolgende tijd, volgens de maanperioden. denk bijv. aan ‘a fortnight’= veertien nachten, rep. veertien dagen, ‘a sennight’ = zeven nachten, toen in de mensheid de van nature helderziendheid nog beslissend was en ook de voorspellende droom en de profetische openbaring. Het was de zuiver oorspronkelijken tijd van het moederrecht, het vrouwelijke tijdperk van de mensheid. De beeldentaal zegt: de mens was nachtmens en noemt deze tijd ‘nacht’. In het mannelijke tijdperk werd de zon de heerser van de tijd; het denken kwam tot ontwikkeling, natuurlijke helderziendheid en droombeeld-wijsheid verdwenen. De beeldentaal noemt deze tijd ‘dag’. Wakkerheid in de zintuigwereld en activiteit in het denken, dat is ‘dag’. Wakkerheid in het droomleven, passiviteit in het denken, dat heet ‘nacht’. Nacht en dag bevinden zich in de mens: de nacht als het verleden, de dag als het heldere heden. Maar oude, nog oudere toestanden kunnen – het huidige dagbewustzijn verduisterend – naar boven komen. Zo’n crisis beschrijft dit sprookje. De ziel – Jorinde – voorvoelt dit, zingt het als toekomstlied.

Als de ziel bevleugeld was en met hoge vluchtkracht begiftigd, in zich gesloten als een ring en vol actief met de kracht van het bloed (mijn vogel met het ringetje rood, dan zou ze moeten ervaren dat de oorspronkelijke geest moet sterven, geest die als genade een geschonken erfenis was – het duifje. De ziel kan geen bruid meer zijn, tot overgave bereid, bestemd om één te worden. Oeroude magie verduistert, de ziel zinkt in het instinctieve. Haar stem is alleen nog te horen in de nacht, zij wordt nachtegaal. Wie in de ban raakt van een medium of tot een slaaptoestand vervalt, lijkt op deze nachtvogels. Dat hoeft niet altijd een ziekelijke toestand te zijn. In ieder mens kan het diep-vrouwelijke van de ziel tot zo’n beleven vervallen. Dan moet, beeldend gezegd, de bruidegom de bruid beschermen. Het Ik moet wakker blijven; maar hier is ook het Ik in de ban van de betovering geraakt.

Een nachtuil met gloeiende ogen vloog driemaal om haar heen en krijste driemaal: ‘Hoei-hoe-hoe-hoe.’ Joringel kon zich niet bewegen; hij stond daar als versteend, kon niet schreien, niet spreken, geen hand en geen voet bewegen. Nu was de zon onder: de uil vloog in een struik en dadelijk daarna kwam een oude gebogen vrouw daaruit te voorschijn, geel en mager – met grote rode ogen en een kromme neus die met de punt tot aan haar kin kwam. Zij mompelde wat, ving de nachtegaal en droeg die op haar hand weg. Joringel kon niets zeggen en niet van zijn plaats komen; de nachtegaal was weg. Eindelijk kwam de vrouw terug en zei met doffe stem: ‘Gegroet Zachiël, als het maantje in het korfje schijnt, maak los, Zachiël, te rechtertijd.’ Toen kwam Joringel los. Hij viel voor de vrouw op zijn knieën en smeekte haar hem zijn Jorinde terug te geven; maar zij zei dat hij haar nooit terug zou krijgen en liep weg. Hij riep, hij schreide, hij jammerde, maar alles tevergeefs. ‘Hoeh, wat zal er met mij gebeuren?’

In de mysteriën van Eleusis werd er bij maanlicht een offergave in een mand gebracht. We weten nu niet wat er in die korf zat, maar de maan moest schijnen. De lettergreep ‘el’ betekent in het Hebreeuwse ‘God’, Zachariel is de naam van een aartsengel. Wat betekent Zachiel hier? Men gebruikt de naam ook voor de duivel. Wil de verbastering zeggen dat in deze nachtelijke tover, verloren gegane oude resten zijn van wat eens een heilig mysterieweten was? Zoals ook de Hagazussa, de in het woud levende zieneres en priesterlijke hoedster van de stam, tot gedemoniseerde heks werd in een voortdurende neergang? Als de ziel zich wil ontworstelen aan zulke atavistische machten, dan heeft het Ik een nieuwe ontwikkeling nodig. Behoedende, zorgende krachten moeten worden verworven.

Joringel ging weg en kwam tenslotte in een vreemd dorp; daar hoedde hij lange tijd de schapen. Vaak liep hij om het slot heen, maar niet te dicht erbij.

Zoals een herder zijn kudde hoedt en die groter laat worden, het leven verzorgt zoals dat in de natuur voorkomt, dat hij niet zelf schept, maar behoedend beschermt, zo is er een trap van innerlijke ontwikkeling waarop hetzelfde op geestelijk vlak gebeurt. De mens leert behoeden en verzorgen wat hem van boven als een levende openbaring geschonken wordt. Hier brengt hij geen leven voort, maar hij behoedt en verzorgt het en wat bij hem binnenstroomt, wordt steeds meer. Herdersvolkeren leven met dit bewustzijn. Wat ze in de droom als openbaring kregen, namen ze aan. ‘De Heer geeft het de Zijnen in de slaap’. noemt de Bijbel deze toestand. Wat ze uiterlijk deden, was in overeenstemming met het innerlijke leven. (Dat vind je in het verhaal over Abel). Dit nachtbewustzijn in de positieve uitwerking moet het Ik ervaren en op een nieuwe manier nabeleven. Anders zou het Ik de ziel geen recht kunnen doen die op een ongezonde manier ten prooi was gevallen aan de nachtzijde. Het sprookje zegt: Joringel werd herder en hoedde lange tijd de schapen.

Eindelijk droomde hij op een nacht dat hij een bloedrode bloem vond met in het midden een mooie grote parel. Hij plukte de bloem, liep ermee naar het slot en alles wat hij met de bloem aanraakte werd uit de betovering verlost; ook droomde hij dat hij zijn Jorinde daardoor terug had gekregen. Toen hij ’s morgens wakker werd, ging hij zoeken over berg en dal of hij zo’n bloem kon vinden. Hij zocht tot aan de negende dag, toen vond hij de bloedrode bloem vroeg in de morgen. In het midden lag een grote dauwdruppel zo groot als de schoonste parel. Deze bloem droeg hij dag en nacht tot hij aan het slot kwam.

De bloedrode bloem met de parel is het beeld voor de werkzame liefde zoals ons bloed dat meedraagt; maar dat doet het met de onschuld van de plant. Deze liefde moet omsluiten wat als kostbare winst zich verdicht heeft uit de diepten van de ziel, zoals de parel die in het water geboren wordt. Is water niet in alle sprookjes een beeld van de diepe golvende zielenwereld, waarin de gedachten op-duiken of ten ondergaan (het Duits heeft ‘ver-schwimmen’), waarin een beeldenwereld ontstaat en vergaat?
Wat als een kostbaar extract uit de zielenwereld – zo diep als een water – verkregen kan worden, moet omhuld worden en gedragen worden door liefde vanuit het Ik, die ook aardse werkelijkheid heeft zoals de rode bloem die vanuit de aarde groeit. Negen dagen moet Joringel naar de bloem zoeken: de mens heeft negen wezensdelen: de lichamelijkheid in het minerale, plantaardige en dierverwant-zijn; in zijn ziel in het denkende, voelende en willende; in de geest in het geestzelf, de levensgeest en de geestmens. [1] Dat zijn de negen trappen zoals vele sprookjes deze negenheid brengen. De mens moet zich ontwikkelen, wil hij deze negenheid in zijn wezen herkennen.
’s Morgens op de negende dag wordt de bloedrode bloem gevonden. De parel is een dauwdruppel geworden: gift van de nacht aan het begin van de dag. De bloem door de dag en de nacht heendragen betekent: voortschrijdend leren kennen, in het dagheldere werkelijkheidsdenken en in de nachtwakkere beelden, de imaginaties.

Toen hij honderd passen van het slot af was, verstarde hij niet, maar kon doorlopen tot aan de poort. Joringel was zeer verheugd, hij raakte de poort met de bloem aan en deze sprong open. Hij trad binnen en liep over het slotplein, luisterend waar het gefluit van de vele vogels vandaan kwam; eindelijk hoorde hij ze. Hij liep door en vond de zaal waar de tovenares bezig was de vogels in de zevenduizend korfjes te voeren. Toen zij Joringel zag werd zij boos, heel erg boos, zij schold, zij spuwde gif en gal naar hem, maar zij kon niet dichter bij hem komen dan op twee passen afstand. Hij stoorde zich niet aan haar en ging de korfjes met de vogels bekijken; maar er waren vele honderden nachtegalen, hoe kon hij daartussen zijn Jorinde terugvinden? Terwijl hij daar zo stond te kijken, merkte hij dat de oude stilletjes een korfje met een vogel weghaalde en ermee naar de deur liep. Vliegensvlug sprong hij erop af, raakte met de bloem het korfje aan en ook de oude vrouw; nu kon zij niets meer betoveren en daar stond Jorinde, zij viel hem om de hals en was net zo mooi als vroeger. Daarna veranderde hij ook alle andere vogels weer in jonkvrouwen en toen ging hij met zijn Jorinde naar huis en zij leefden lang en gelukkig met elkaar.

Liefde is de hoogste kennende kracht die de mens als vermogen heeft, want die vraagt van ons om zo tot een ander door te dringen, als was men het zelf. Zo’n activiteit die tegelijkertijd onzelfzuchtig is, kan de bancirkel doorbreken die de magische betovering getrokken heeft en heeft de kracht deuren te openen.
De tovenares met de rode bloem aanraken betekent: oude, decadent geworden magie door kennis onschadelijk maken. 
Het korfje met de nachtegaal aanraken betekent: herkennen wat de ziel insloot en isoleerde en wie verwant was geworden aan de dieren, weer veranderen; vanuit het gebonden zijn aan de driften, ontstaat een vrije ziel met Ik-krachten. Het ligt in het wezen van de onzelfzuchtige liefde besloten dat haar kracht verandering teweeg kan brengen bij iedereen die ermee aangeraakt wordt, haar werking is zegenrijk. Ook worden door de liefdesdaad van Joringel de andere zielen die tot het driftmatige vervallen waren en onvrij geworden eveneens bevrijd.

[1] Voor een nadere uitleg van deze begrippen zie: Algemene menskunde voordracht 1 vanaf [1-7-2/1]

Een jeugdvriend van Goethe, Jung-Stilling, heeft dit sprookje opgetekend uit de mond van een oude nicht.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2523-2366

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – – Rudolf Steiner over euritmie (GA 156)

.

RUDOLF STEINER OVER EURITMIE

GA 156

Blz. 105

So ist es mit unserer Eurythmie, die nicht verwechselt werden darf mit irgendeiner der aus dem materialistischen Zeitalter hervorgegangenen körperlichen, sportlichen, turnerischen oder tänzerischen Bestrebungen, sondern die vielmehr herausgegriffen ist aus unseren geistigen Bestrebungen, damit die Menschen gerade auch in dieser Sphäre erfahren können im unmittelbarsten, innigsten Erleben, wie der Geist wirkt. Ich habe schon von verschiedenen Seiten her gezeigt, wie man zu dieser Eurythmie gekommen ist.

Met onze euritmie is het zo, dat deze niet verwisseld mag worden met een of ander streven op het gebied van het lichamelijke, van sport, gymnastiek of dans die ontstaan zijn in een materialistische tijd; veel meer is het zo dat die uit ons geestelijk streven gehaald is opdat de mensen juist ook op dit gebied kunnen ervaren in een direct intiem beleven, hoe de geest werkt. Ik heb al vanuit de meest verschillende invalshoeken laten zien hoe we tot deze euritmie gekomen zijn.

Blz. 106

Das Bestreben bestand, der Menschheit etwas zu geben, was, ich möchte sagen, auch schon in einem äußerlichen Sinn den Geist der Evolution zeigt. Das konnte man nur, wenn man sich klar war darüber, daß wir im unmittelbaren Leben auch in einer Welt der Formen leben, und daß das Vorwärtsschreiten ein Hineindringen in die Welt der Bewegung ist. Die Welt der Formen beherrscht unseren physischen Leib, die Welt der Bewegung beherrscht unseren Ätherleib. Es müssen nun gefunden werden die Bewegungen, die dem Ätherleib eingeboren sind. Es muß der Mensch angeleitet werden, dasjenige in Gesten, in Bewegungen des physischen Leibes zum Ausdruck zu bringen, was dem Ätherleib natürlich ist. Sie werden in den letzten Vorträgen über «Okkultes Lesen und okkultes Hören» gesehen haben, daß im Weltenall, im kosmischen Werden, etwas liegt von regelmäßiger Bewegung. Das überträgt sich auf den menschlichen Ätherleib. Unsere materialistische Kultur der Gegenwart, aus der sich Geister wie Herman Grimm heraussehnten, hat dazu geführt, daß man gar kein Verständnis dafür hat, daß der Mensch sich nur dann richtig in äußeren Formen bewegen kann,

Er werd naar gestreefd om de mensheid iets te geven wat uiterlijk gesproken de geest van de evolutie al vertoont. Dat ging alleen als je helder zag dat wij in het dagelijks leven ook in een wereld van vormen leven en dat lopen betekent dat je verder gaat in de wereld van het bewegen. De wereld van de vormen beheerst het fysieke lichaam, de wereld van de beweging beheerst ons etherlijf.
Toen moesten de bewegingen die het etherlijf aangeboren zijn, worden gevonden. De mens moet een aanleiding vinden om in gebaren tot uitdrukking te brengen met bewegingen van het fysieke lichaam, wat voor het etherlijf een natuurlijke zaak is. U zult in de laatste voordrachten van deze reeks [1] gezien hebben dat er in de kosmos, in het ontstaan van het wereldal, iets aanwezig is van regelmatige beweging. Dat wordt overdragen op het menselijke etherlijf. Onze materialistische cultuur van nu, heeft ertoe geleid dat de mens helemaal geen begrip heeft voor het feit dat hij zich alleen dan op een goede manier in uiterlijke vormen bewegen kan, 

wenn er nicht so «dalkerte» – verzeihen Sie den trivialen Ausdruck – Bewegungen dabei hat wie beim Sport, beim modernen Turnen oder beim Fußballspielen, sondern wenn er in sich verfolgt die Bewegungen, die in naturgemäßer Weise seinem Ätherleibe eingeboren sind, wenn man anfängt, die Bewegungen des Ätherleibes in die Bewegungen des physischen Leibes hineinzutragen, wenn der Ätherleib fortlebt in den Bewegungen des physischen Leibes. Das wird versucht in der Eurythmie. Es wird sich herausstellen, daß der Mensch in seinen Bewegungen wirklich ein Zwischenglied ist zwischen den kosmischen Buchstaben, den kosmischen Lauten und dem, was wir selbst gebrauchen in den menschlichen Lauten und Buchstaben in unseren Dichtungen. Ganz sicherlich wird in dieser Eurythmie eine neue Kunst entstehen. Diese Kunst ist für jeden Menschen. Und man möchte, daß die Menschheit ergriffen würde von Verständnis für diese Kunst, so daß sie wirklich schon betrieben würde bei den Kindern, angefangen von den kleinsten, wo sich ja schon jene innigste Freude daran

wanneer hij niet van die nietszeggende bewegingen zou maken zoals in de sport, bij de moderne gymnastiek of bij het voetballen, maar wanneer hij in zichzelf de bewegingen zou volgen die op een natuurlijke manier in zijn etherlijf aangeboren zijn, wanneer hij begint de bewegingen van zijn etherlijf op de bewegingen van zijn fysieke lichaam over te dragen, wanneer het etherlijf verder doorleeft in de bewegingen van het fysieke lichaam. Dat wordt in de euritmie geprobeerd. Het zal duidelijk worden dat de mens in zijn bewegingen werkelijk het midden is tussen de kosmische letters, de kosmische klanken en wat we zelf nodig hebben aan menselijke klanken en letters in onze gedichten. Heel zeker zal met deze euritmie een nieuwe kunst verschijnen. Deze kunst is er voor elk mens. En je zou willen dat de mensheid begrip voor deze kunst zou kunnen krijgen, zodat deze al met kinderen gedaan kan worden, om te beginnen met de kleinsten die daar al heel veel plezier mee hebben gehad,

Blz. 107

herausgestellt hat, bis zu den größten Kindern, auch bis zu solchen von siebzig, achtzig und neunzig Jahren. Immer ist es gut, wenn der Mensch verstehen lernt, in physische Bewegungen das umzusetzen, was dem Ätherleib natürlich und eingeboren ist. Es ist wie selbstverständlich im geistigen Leben, daß das, was man dichterisch sagen kann, seine Interpretation finden kann in jenen Bewegungen, die unsere Eurythmie bringt. Ein pädagogisches, ein künstlerisches und ein hygienisches Prinzip drückt sich in der Eurythmie zugleich aus. Ein pädagogisches Prinzip insofern, als der Mensch ja, wenn er heranwächst mit Eurythmie, wenn er von den ersten Kindheitsjahren an Bewegungen im Sinne der Eurythmie gemacht hat, dann mit seinem Leibe Bewegungen ausgeführt hat, welche so wirken, daß, ich möchte sagen, die Götter sich so recht verbunden fühlen mit der Erde. Daher ist sie so recht ein Mittel, die Verbindung herzustellen zwischen den göttlich-geistigen Hierarchien und dem heranwachsenden Kinde. Für den Okkultisten ist es unmittelbar klar, daß eine materialistische Kultur eine furchtbare Diskrepanz auslöst zwischen dem, was dem Menschen eingeboren ist, und dem, was der Kopf und das Herz oft lernen muß.

zoals bleek, tot aan de oudsten aan toe, en ja ook mensen van zeventig, tachtig en negentig. Het is altijd goed als de mens leert om in fysieke bewegingen om te zetten wat het etherlijf van nature aangeboren is. In het geestesleven is het vanzelfsprekend dat wat je dichterlijk kan zeggen, een interpretatie kan vinden in die bewegingen die onze euritmie met zich mee brengt. En tegelijkertijd komt er in de euritmie iets pedagogisch, kunstzinnigs en hygiënisch tot uitdrukking.
Iets pedagogisch in zoverre de mens als hij met euritmie opgroeit, als hij vanaf zijn prilste kindertijd bewegingen in euritmische zin heeft gemaakt, met zijn lichaam bewegingen uitgevoerd heeft, die zo werken dat – ik zou willen zeggen – de goden zich dan pas goed verbonden voelen met de aarde. Daarom is de euritmie werkelijk een middel om de verbinding te bewerkstelligen tussen de goddelijk-geestelijke hiërarchieën en het opgroeiende kind. Voor de kenner van ziel en geest is het zonder meer duidelijk dat een materialistische cultuur een ernstige discrepantie doet ontstaan tussen wat de mens aangeboren is en wat het hoofd en het hart dikwijls moeten leren.

Ich will damit keine Kritik üben, sondern nur auf eine Tatsache hinweisen. Es gibt eigentlich bisher in der Welt nichts Unnatürlicheres, als daß die Kinder, die heranwachsen, heute ungefähr vom sechsten, siebten Jahre an dasjenige lernen müssen, was sie eben lernen müssen. Ich sage nicht, daß sie es nicht lernen sollen, denn selbstverständlich müssen sie lernen, das bringt die äußere soziale Notwendigkeit mit sich. Aber für die Seelen ist es vielfach so, als wenn man eine naturgemäße Entwicklung des menschlichen Leibes dadurch herbeiführen wollte, daß man den Kindern im sechsten, siebten Jahre die Hände und Beine bricht. So ungefähr macht man es, wenn man die Kinder zwingt, Buchstaben zu lernen, denn für den Menschen sind Lesen- und Schreibenlernen die unnatürlichsten Beschäftigungen, die es gibt. Man muß sie dazu zwingen, obwohl die größte Disharmonie besteht zwischen der Kunst des Lesens und Schreibens und dem, wohin die Seele will. Es ist jammervoll anzuschauen, aber es ist eine Notwendigkeit; es nützt nichts, daß man

Ik wil hiermee geen kritiek spuien, maar alleen op een feit wijzen. Er is in de wereld tot nog toe eigenlijk niets onnatuurlijkers dan dat kinderen die opgroeien tegenwoordig vanaf ongeveer het zesde, zevende jaar moeten leren, wat ze nu eenmaal moeten leren. Ik zeg niet dat ze het niet moeten leren, want vanzelfsprekend moeten ze leren, dat vraagt de uiterlijke sociale noodzaak nu eenmaal. Maar voor de zielen is het vaak zo, alsof je een natuurlijke ontwikkeling van het menselijke lichaam wil bevorderen door de kinderen als ze zes, zeven jaar zijn hun handen en voeten breekt. Dat gebeurt er ongeveer wanneer je kinderen dwingt letters te leren, want voor de mens is het leren lezen en schrijven een van de meest onnatuurlijke bezigheden die er zijn. Je moet ze ertoe dwingen hoewel er een grote disharmonie bestaat tussen de kunst van het lezen en schrijven en dat wat de ziel wil. Het is spijtig te zien, maar het is nu eenmaal nodig, het heeft geen zin dat je

Blz. 108

sich davor verschließt. Aber es wäre so ziemlich alles andere gescheiter in diesem Alter, als die Kinder schreiben und lesen zu lehren. Selbst wenn sie angewiesen würden, aus einfachem Straßendreck Figuren zu machen, so wäre das viel gescheiter. Wir können nur eines tun: Wir können versuchen, den verkümmerten Ätherleib – denn er verkümmert unter den heutigen Notwendigkeiten – sich bewegen zu lassen in den eurythmischen Bewegungen des physischen Leibes, die die Götter wollen. Das soll Eurythmie bieten in pädagogischer Beziehung. Wenn viele Menschen heute klagen, daß ihnen dies oder jenes weh tue, ohne daß ihnen so recht etwas fehlt, so ist das gar nicht zu verwundern; denn der Mensch versucht heute nicht mehr, wie es die Griechen taten, einen Einklang herzustellen zwischen den äußeren Bewegungen des physischen Leibes und denen des Atherleibes. Und wenn er es doch tut, so macht er etwas sehr Komisches. Wenn er sich sagt: Es war von den Griechen sehr gescheit, was sie in den Olympischen Spielen gemacht haben, also machen wir das auch, – dann ist das wirklich sehr komisch; denn es bedeutet nichts anderes, als wenn zum Beispiel einem Menschen von fünfundzwanzig Jahren es nicht gefallen würde, an einer Universität zu studieren, 

je daarvoor afsluit. Al het andere zou verreweg verstandiger zijn op deze leeftijd dan de kinderen te leren lezen en schrijven. Zelfs als het niet anders zou kunnen dan met modder van de straat figuren te maken, dan was dat veel verstandiger. Wij kunnen maar één ding doen. We kunnen proberen het slecht zich ontwikkelende etherlijf – want het ontwikkelt zich onder de huidige omstandigheden slecht – te laten bewegen met de euritmische bewegingen van het fysieke lichaam, zoals de goden dat willen. Wat de pedagogiek betreft moet de euritmie dat aanreiken. Wanneer vandaag de dag veel mensen klagen dat dit of dat pijn doet, zonder dat ze toch iets tekortkomen, dat is dat toch niet zo wonderlijk, want de mens probeert tegenwoordig niet meer, zoals bijv. de Grieken deden, harmonie te bereiken tussen de uiterlijke bewegingen van het fysieke lichaam en die van het etherlijf. En als hij dat toch doet, doet hij iets belachelijks. Wanneer hij zegt: het was erg bekeken van de Grieken hoe ze dat bij de Olympische Spelen deden, dus dat doen wij ook – en dat is echt ronduit belachelijk; want dat betekent niets anders dan dat bijv. een mens van vijfentwintig jaar het niets vindt om aan een universiteit te studeren

und er lieber das tun würde, was ein fünf- oder zehnjähriger Knabe macht. Einfach das Griechische in unsere Zeit herüberzunehmen, ist das Lächerlichste, was man tun kann; es ist eine Versündigung am Vertrauen in die Menschheitsentwicklung. Wenn das heute gesucht werden soll, was die Griechen auf ihre Art in den Olympischen Spielen suchten, dann muß Eurythmie sich einleben in die Menschheit, dann müssen die Menschen versuchen, die Gesundheit ihres Leibes von der Seele aus dadurch zu bewirken, daß sie den Ätherleib nicht verkümmern lassen, sondern den physischen Leib die vom Ätherleib geforderten Bewegungen machen lassen. Das ist die hygienische Seite der Eurythmie. Die künstlerische Bedeutung der Eurythmie wird schon einmal den Menschen aufgehen, wenn man erkennt, wie der Mensch mit seinem ganzen Wesen in das Künstlerische eintauchen muß, wie der Mensch nicht nur der Schöpfer ist von diesem und jenem, sondern

en liever doet wat een vijf- of zevenjarig kind doet. Simpelweg in onze tijd te verplaatsen wat Grieks is, is het meest belachelijke wat je kan doen; dit is zondigen tegen het vertrouwen in de ontwikkeling van de mensheid. Als tegenwoordig dan gezocht moet worden wat de Grieken op hun manier in de Olympische Spelen zochten, wordt het in de mensheid tijd voor de euritmie, dan moeten de mensen proberen de gezondheid van hun lichaam vanuit de ziel te bewerkstelligen, dan moeten ze hun etherlijf niet laten verkommeren, maar hun fysieke lichaam de door het etherlijf gewilde bewegingen laten maken. Dat is de hygiënische kant van de euritmie. De kunstzinnige betekenis van de euritmie zal eens voor de mensen duidelijk worden, wanneer men erkent hoe de mens met zijn hele wezen in het kunstzinnige op moet gaan, zoals de mens niet alleen de schepper is hiervan, maar 

Blz. 109/110

wie der Mensch selbst Kunstmittel werden muß; das wird er dadurch, daß er das Künstlerische mit seinem eigenen Leibe ausübt. Und das tut er durch Eurythmie. Eurythmie ist nichts Willkürliches, das etwa aus der gleichen Gesinnung heraus entsprungen wäre wie andere Bestrebungen der Gegenwart. Sie fragt: Welche Bewegungen sind für den Menschen der Gegenwart in bezug auf den Ätherleib die besten in pädagogischer und in hygienischer Beziehung, welche Bewegungen führen am besten zum Verständnis des wahren Künstlerischen und stellen den Menschen am besten hinein in das volle, wahre Leben ? Daher glaube ich, daß diese Eurythmie schon populär werden wird in unseren Kreisen, daß sie hingenommen werden wird als dasjenige, was viel, viel helfen kann. Sie können Ihre Kinder gewiß nicht unmittelbar Anthroposophie lehren, aber Eurythmie können sie treiben, und sie werden in ganz anderer Weise dem Leben, dem sie entgegengehen, gewachsen sein, als wenn sie nicht Eurythmie treiben. Meine lieben Freunde! Ich habe in vieler Beziehung schon gesprochen von dem Verhältnis des großen Rundbaues draußen zu dem kleinen, vom Verhältnis dessen, was im großen Raum des Baues ist, zu dem, was im kleinen Raum drinnen ist.

hoe de mens zelf een middel voor kunst moet worden; dat wordt hij wanneer hij het kunstzinnige met zijn eigen lichaam uitoefent. En dat doet hij met euritmie. Euritmie is niet iets willekeurigs, dat uit dezelfde opvattingen ontstaan zou zijn als alle andere strevingen in deze tijd. Euritmie stelt de vraag: welke bewegingen zijn voor de mensen in de huidige tijd wat het etherlijf betreft de beste in pedagogische en in hygiënische zin, welke bewegingen leiden het beste tot het  begrijpen van het echte kunstzinnige en die de mens in staat stellen in het volle, echte leven te staan? Vandaar dat ik geloof dat deze euritmie in onze kringen zeker populair zal worden, dat ze gezien gaat worden als iets wat veel, veel helpen kan. U kan uw kinderen zeker niet direct antroposofie leren, maar ze kunnen wel euritmie doen en ze zullen op een heel andere manier tegen het leven opgewassen zijn, dan wanneer ze geen euritmie zouden doen. 

Beste vrienden! Ik heb al vanuit veel gezichtspunten gesproken over de verhouding van het grote ronde bouwwerk buiten, t.o.v. het kleine, over de verhouding van de grote binnenruimte t.o.v. van de kleine binnenruimte.

Nun könnte jemand fragen : Wie gehen die Formen des kleinen Raumes aus denen des großen Raumes hervor? Die Antwort ist: Es versuche jemand, nach eurythmischen Gesetzen die Formen des großen Raumes des Baues tanzen zu lassen, dann werden die Formen des kleinen Raumes des Baues daraus. Man versuche sich vorzustellen, es vereinige ein Mensch alles das in seinen eurythmischen Bewegungen, was im großen Rundbau zum Ausdruck kommt und tanzt das hinein in den kleinen Raum und strahlte aus von da, was er tanzt, dann würde die Zwölfheit der Säulen und die Kuppel des kleinen Raumes von selber daraus. Und dann hoffe ich, daß noch etwas eurythmisch tanzen wird im Bau: das Wort! Das wird eine gute Akustik haben. Kurz, man kann Eurythmie definieren als Erfüllung desjenigen, was nach seinen natürlichen Gesetzen der menschliche Ätherleib verlangt vom Menschen. Daher ist wirklich in dieser Eurythmie etwas gegeben, was zu unserem geistigen Leben dazu gehört, und was aus seiner Ganzheit heraus gedacht ist. 

Nu zou iemand kunnen vragen: hoe ontstaan de vormen van de kleine ruimte uit die van de grote? Het antwoord is: laat iemand maar eens proberen de vormen van de grote ruimte van het bouwwerk te dansen, dan zullen de vormen van de kleine ruimte daaruit ontstaan. Je moet je eens voorstellen dat een mens wat er allemaal tot uitdrukking komt in het grote ronde bouwwerk in zijn bewegingen zou kunnen brengen en dat in de kleine ruimte danst en vandaaruit uitstraalt wat hij danst, dan zou de twaalfheid van de zuilen van de koepel van de kleine ruimte vanzelf tevoorschijn komen. En dan hoop ik dat er in het gebouw nog iets danst: het woord. Dat zal een grote akoestiek hebben. Kortom; je kan euritmie definiëren als het geheel van wat langs natuurlijke wetmatigheden het menselijke etherlijf van de mens vraagt. Vandaar dat in deze euritmie daadwerkelijk iets zit van wat tot ons geestesleven hoort en wat vanuit de totaliteit gedacht is. 
GA 156/105-110
Niet vertaald

.

Euritmiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldklankfiguren

.

2522-2365

.

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-3-1/6)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de derde levensfase van 14 – 21 jaar hechtte Steiner grote waarde aan het tijdstip waarop een kind kan gaan oordelen. Niet dat een kind niet op jongere leeftijd oordeelt, maar dan oordeelt het nog zeer van zich uit, dus sterk subjectief. Met het intreden van de puberteit ontstaat er ook een vermogen om veel objectiever te kunnen oordelen.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 14 – 21: begrip(s)oordeel

GA 302

Blz. 123     vert. 123

Mit der Geschlechtsreife wächst das Kind hinein in die Empfindung, daß es nun selbst schon etwas beurteilen kann; aber es hat das Bedürfnis, sich anzulehnen, die selbstverständliche Autorität, die selbstgewählte Autorität zu finden, sich zu sagen: Der ist so, die ist so, daß man darauf etwas geben kann, wenn man sich ein Urteil zu bilden hat. – Das ist wichtig, daß wir das Kind in einer richtigen Weise in dieses Selbstverständliche der Autorität gegenüber hineinwachsen lassen.

Bij het intreden van de geslachtsrijpheid groeit in het kind het gevoel dat het zelf wel iets kan beoordelen; maar het heeft de behoefte om ergens tegen aan te leunen, om de vanzelfsprekende autoriteit, de zelf gekozen autoriteit te vinden, om te kunnen zeggen: Deze man, die vrouw is zó, dat men er wat aan heeft als men zich een oordeel moet vormen. – Het is belangrijk dat we het kind op de juiste wijze laten ingroeien in deze vanzelfsprekendheid van de autoriteit.
GA 302/123
Vertaald/123

Blz. 136/137  vert. 134

Wenn wir das Kind so erziehen und aufziehen, daß wir es schon für reif halten, wenn es in die Schule kommt, und möglichst zu eigenen Urteilen anführen in dem Moment, wo es sprechen gelernt hat, das heißt, alles auf Anschauung gründen, dann lassen wir das Kind in dem Entwickelungszustand, wo es sprechen gelernt hat, und wollen es nur nicht weiterkommen lassen. Wenn wir also dieses nicht herankommen lassen, daß das Kind wirklich einen Wandel durchmacht mit der Geschlechtsreife, daß es wirklich etwas ablegt dadurch, daß wir es erst an die Autorität gewöhnt haben, dann kann es nicht über die Autorität hinauswachsen. Es muß erst die Autorität gefühlt haben. Es muß dann mit der Geschlechtsreife über das Autoritätsgefühl hinauswachsen und das Urteil suchen.

Als we de kinderen zó opvoeden dat we ze al als rijp beschouwen wanneer ze de school binnenkomen, en zo mogelijk al tot een eigen oordeel aanzetten op het moment waarop ze hebben leren spreken, dat wil zeggen alles op argumenten baseren, dan laten we ze in de ontwikkelingsfase waarin ze hebben leren spreken; dan willen we niet dat ze verder komen. Als we niet toelaten dat de kinderen een echte verandering doormaken bij het intreden van de geslachtsrijpheid, dat ze echt iets afleggen door het feit dat we ze eerst hebben laten wennen aan autoriteit, dan kunnen ze niet boven die autoriteit uitgroeien. Eerst moeten ze de autoriteit hebben gevoeld. In de puberteit moeten ze boven het autoriteitsgevoel uit groeien en op zoek gaan naar hun oordeel.
GA 302/136-137
Vertaald/134

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2521-2364

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 10 (10-5-2/1)

.

In de 10e voordracht bespreekt Steiner de – naar zijn zeggen – moeilijk te begrijpen metamorfose die geleid heeft tot de vorm van ons hoofd.

Aangezien het begrip ‘metamorfose’ in zijn werk veelvuldig voorkomt, ook op het terrein van de opvoedkunst, is het van groot belang dat de opvoeder/leraar met dit begrip vertrouwd raakt.

Er zijn verschillende artikelen die daarbij kunnen helpen.

Zie de reeks [10-5/volgnr]

De antroposofische arts Leen(dert) Mees hield m.n. rond de jaren 1970 vele voordrachten over antroposofische onderwerpen.
Hij bundelde zijn voordrachten tot een reeks boeken, w.o. bijv. ‘Dieren zijn wat mensen hebben’, waarin hij een verrassend licht werpt op de samenhang mens-dier. Dit boek is – naast nog een aantal – te downloaden op ‘Antrovista‘.

Ook wijdde Mees zijn aandacht aan ‘metamorfose’ en probeerde de opmerkingen van Steiner over metamorfosen in of van het menselijk skelet te duiden.

Uit zijn ‘Geheimen van het skelet hier zijn gezichtspunten over metamorfose.

Hoofdstuk 2 draagt als titel:

Metamorfosen in planten-, dieren en mensenrijk

De planten-metamorfose

Het verschijnsel van de metamorfose, zoals Goethe het bespreekt, houdt in dat een scheppend principe op een bepaalde manier verschillende vormen in het leven roept. Die bepaalde manier bestaat daarin, dat de vormen die achtereenvolgens ontstaan, een tendens tot ontwikkeling vertonen. Deze ontwikkeling wordt voltooid door het bereiken van een eindpunt, dat ten opzichte van het uitgangspunt een tegenstelling betekent. Wat hiermee uitgesproken is, kan het best verduidelijkt worden door de voornoemde metamorfosen van de plant van dichtbij te bezien.

Aan de (hogere) plant als geheel nemen wij boven de grond de stengel met de bladeren en de bloem als karakteristieke delen waar. Nu was het, ook vóór Goethe, natuuronderzoekers opgevallen dat soms een stengelblad voor een gedeelte bloemblad-(kroonblad)-karakter krijgt. Ook het omgekeerde komt voor: dat een kroonblad een groen gedeelte vertoont. Meeldraden kunnen ten dele weer tot bloembladen worden. Vruchtbladen kunnen tot stengelbladachtige vormen uitgroeien, enzovoort. Voor Goethe werd het duidelijk dat er aan al deze plantenorganen: stengel, kelk en kroonbladeren, meeldraden en vruchtbladeren, een zelfde vormgevend principe ten grondslag moet liggen. Hij merkte echter tevens op, dat vanaf het laagste stengelblad tot aan het verschijnen van de bloem een voortdurende toename van kwaliteit, van specialisatie, van fijnheid, van schoonheid te beleven valt. Men kan ook andere woorden kiezen en spreken van verborgen en geopenbaard. Vooral als men de tegenstelling zaad-bloem bedenkt, wordt zo’n uitdrukking gerechtvaardigd. Van zaad tot bloem vinden wij in de plant voortdurend een toename van wat we ’zich openbarend’ zouden kunnen noemen.

’Steigerung’ noemde Goethe dat; zaad en bloem waren voor hem polariteiten. ’Polaritat’ en ’Steigerung’ zijn de wetten die met het begrip metamorfose wezenlijk verbonden zijn. Het woord ’Steigerung’ laat zich moeilijk precies in het Nederlands vertalen. Wij willen zowel het woord toename als ontwikkeling daarvoor gebruiken, hoewel de begrippen zich niet geheel dekken met de uitdrukking van Goethe.

Nu openbaart zich het wezen der metamorfose echter nog niet in het constateren van de genoemde vormverwantschappen tussen de verschillende plantenorganen. Daarvoor moet men zich het volgende voorstellen.

Als we een volgroeide plant, een roos bijvoorbeeld bezien, kunnen we de volgende indruk krijgen: in de loop der tijd zijn stengelstukken en bladontplooiing ontstaan. Deze bladontplooiing wordt ten slotte tot bloem. Dan houdt de verdere groei op. In de bloem komt de plant telkens opnieuw tot een eindpunt. In werkelijkheid verloopt de plantenontwikkeling anders. De stengelgroei van een plant begint altijd met een bladvorming. Ook de eerste ontkieming begint met het ontwikkelen der – in aanleg reeds aanwezige – zaadbladeren of zaadlobben. Zodra in dit blad-knop gebied een neiging tot ontplooiing gewekt wordt (door warmte-, licht-, kortom lente-invloeden) begint het steeltje daaronder te groeien en wordt tot stengel-gedeelte.

Intussen hebben zich in het (blad)knop gebied, in de bladoksels een of meer nieuwe knoppen gevormd. Zodra die tot verdere ontwikkeling gebracht worden door de genoemde invloeden, begint opnieuw een stengelgroei. Deze stengel is dus het oorspronkelijke steeltje van de knop. Op die manier ’schuift’ een plant als het ware steeds een bladknop omhoog. Tevens treden bij elke verdere stap min of meer nieuwe bladvormen op; eenzelfde principe toont zich telkens in een enigszins veranderde gedaante. De plant kan dus gezien worden als een kleiner of groter aantal bladknop-stengel-geledingen, eindigend in een
bloemknop-stengelstuk. Deze worden telkens om zo te zeggen ’gewekt’ door invloeden van de tijd van het jaar. De plant is een jaargetijdenwezen.

Dit hangt tevens samen met de beschreven polariteit zaad-bloem. Zij vertoont als beeld de tegenstelling aarde-hemel (kosmos). Het is deze laatste die de ’Steigerung’ in het leven roept. Immers, bij elke volgende knop-stengel-trap zullen de bladeren, zoals gezegd, er iets anders uitzien, het verschijnsel ’Steigerung’ vertonen. Dat zich dit bij de verschillende planten niet overal op dezelfde wijze vertoont, doet aan het principe niets af. Van dat gezichtspunt uit bezien kan men zeggen: De omgeving brengt de plant voortdurend tot andere vormen.

Wanneer je je wat langer bezighoudt met ‘metamorfose’ kan je ook op de gedachte komen of metamorfose en variatie identiek zijn en zo nee, wat het verschil dan is. Ook Mees bespreekt dit.

Wanneer kunnen we van variaties spreken? Stellen we ons een groot veld voor, vol bloeiende margrieten. Elke plant vertoont de beschreven metamorfose in haar bouw. Vergelijkt men nu de bloemen of de kelkbladeren of de
stengelbladeren op gelijke hoogte van verschillende planten met elkaar, dan merkt men dat bijvoorbeeld twee margrieten nooit precies hetzelfde zijn. Hier heeft men met variatie te maken. Waarom niet met metamorfose?
Omdat er geen sprake is van polariteit en toename. Men zou ze kunnen beschrijven als spelingen van dezelfde vorm.
Daarom zijn muzikale variaties van een thema ook geen metamorfosen in de eigenlijke zin van het woord. Het thema is niet het verborgene, de variatie openbaart het thema niet verder. Men zou eerder het tegendeel kunnen beweren! De variaties omspelen slechts het thema, meestal volgens een traditioneel schema.

‘Variaties vertonen een ’naast elkaar’, metamorfosen een ’na elkaar’.

( ) 

Bij ‘metamorfose’ gaat het om een idee dat een ontwikkeling ondergaat en er is een toename in de zin van een ’Steigerung’, er is sprake van grote tegenstellingen — al is de ontwikkeling natuurlijk nog niet afgelopen.

Mees maakt een onderscheid tussen de metamorfose bij planten en die bij dieren:

De dierenmetamorfose

Wanneer wij van de metamorfose in de plantenwereld overgaan op die in de dierenwereld, zullen velen van ons onmiddellijk denken aan de bekende voorbeelden van de vlinder en de kikker. Voor de metamorfose die in deze
diergroepen bestudeerd wordt heeft de Nederlandse taal een unieke uitdrukking: gedaanteverwisseling. In de insectenwereld kent iedereen de reeks: ei, rups, pop, vlinder; bij de amfibieën: ei, donderkopje, kikker.

De reeks ei, rups, pop, vlinder vertoont een aantrekkelijke gelijkenis met de reeks zaad, blad, knop, bloem. Ei en zaad zijn overeenkomstige uitgangspunten. De stengel en de bladeren, het eigenlijke bladgebied van de plant, en de rups van de vlinder, vertegenwoordigen de meest vitale periode van de desbetreffende metamorfose. Het eigenlijke groeigebied van de plant is haar bladgebied. Iedereen weet hoe zeer gemaaid gras of gesnoeide bomen deze vitaliteit aan den dag brengen. Evenzeer is bekend hoe snel kleine rupsen groter worden, levende op en zich voedende met diezelfde groene bladeren. Pop en knop kunnen beide zonder bezwaar als ogenblikken van schijnbare stilstand gekarakteriseerd worden, van stagnatie. Min of meer in het verborgene wordt de volgende fase voorbereid. Als dan ten slotte bloem en vlinder verschijnen, is datgene wat in voorbereiding was zichtbaar geworden. Dat vlinder en bloem bovendien in hun verschijning een intieme verwantschap vertonen, vooral in hun kleurige pracht, zal iedereen duidelijk zijn.

Dat vinden we bijv. vanuit een andere invalshoek, in het ‘Leesboek voor de plantkunde‘.

Bij de gedaantewisseling van de kikker krijgen wij te maken met een metamorfose in het hogere dierenrijk, de gewervelde dieren. Dat hier nog een gedaantewisseling in uiterlijke stadia plaats vindt is feitelijk iets opmerkelijks, waarvoor geen verklaring gegeven hoeft te worden. Wij kunnen echter onmiddellijk begrijpen dat de genoemde gedaanteverwisselingen in zulke duidelijk van elkaar gescheiden fasen slechts bijzondere voorbeelden zijn van hetgeen zich ten slotte in elk dier afspeelt. Vanaf het begin dat het dier zich gaat ontwikkelen zien wij een onafgebroken vormwisseling, metamorfose, die ten slotte resulteert in de voldragen dierenvorm. Stellen wij deze vorm tegenover het ei, dan kunnen wij ook hier van een polariteit spreken. Daarbij kan men in de embryonale ontwikkeling zonder meer een voortdurende ’Steigerung’ ontdekken.

Oppervlakkig beschouwd zal men de dieren- en de planten-metamorfose in zoverre met elkaar kunnen vergelijken. Het zal velen duidelijk zijn dat er echter een diepgaand verschil is. De planten-metamorfose kan men aan de ontwikkelde plant in haar geheel — in het algemeen gesproken – bestuderen. De metamorfose die zich afspeelt in de vormen van de stengelbladeren, de kelkbladeren, de bloembladeren enzovoort is aan de hele plant af te lezen.

Bij het dier verloopt dit heel anders, immers in de metamorfose bij de dieren gaat iedere fase geheel over in de volgende. Kort gezegd: als de rups pop wordt is de rups weg, als de pop vlinder wordt is de pop weg. Reeds daardoor voelen wij dat wij met een heel andere wereld te doen hebben. Het zal er nu om gaan het verschil tussen planten- en dierenwereld in dit opzicht zo duidelijk mogelijk te karakteriseren. Wij kunnen dat het beste doen door weer de vraag te stellen: wat metamorfoseert zich in de plant? Goethe heeft van de plant gezegd dat zij van het begin tot het eind blad is. De metamorfose van planten wordt aan bladvormen afgelezen en wij kunnen de plant de metamorfose van een vorm noemen. De metamorfose vertoont zich in de reeks die de bladvormen van onderen naar boven gekeken vertonen. De plant is een vorm-metamorfose, zoals wij gezien hebben.

Mees gaat nog dieper in op de metamorfose bij het dier om die dan ook op te zoeken bij de mens.
Daarover gaat [10-5-2/2] nog niet oproepbaar.

.
L.F.C. Mees ‘Geheimen van het skelet’   (volg link voor een PDF-versie)

Op deze blog staan ook verschillende artikelen die de metamorfose (van de plant) behandelen:

Metamorfose van de planten

Goethes fenomenologische methode

Ook in het tijdschrift van de Ver, v Vrije Opvoedkunst verschenen talloze artikelen over metamorfose

Algemene menskunde: voordracht 10 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2520-2363

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (30)

.
Een kleine terugblik op de folklore van Pinksteren.

Mellie Uyldert over verborgen wijsheid van oude rijmen
.

DE PINKSTERBRUID

Verscheen de levensgeest in het voorjaar bij voorkeur als paas-haan of paas-haas, in de zomer treffen wij hem vaker in een vrouwelijke gestalte aan, o.m. als de Pinksterbruid of de Pinksterblom. Waarschijnlijk hangt dit samen met de gestalte van Moeder Aarde als de Germaanse godin Irtha of Hertha, wier feest nog lang gevierd is in haar heiligdom in de duinen bij Kraantje Lek (bij Haarlem), op de tweede maandag in augustus: Hertha’s Dag, wat verbasterd is tot Hartjesdag – waarop nog altijd vuurtjes gestookt worden door de jeugd in de Amsterdamse Jordaan! Gebruiken blijven, al wisselen hun interpretaties mét de verandering in het menselijk denken!

De Pinksterbruid was waarschijnlijk oorspronkelijk een meikoningin die op de eerste mei werd rondgedragen, nadat aan de vooravond allerlei gebruiken hadden plaatsgevonden, zoals het planten van de bloeiende tak voor het raam van de alderliefste, en het rechtspreken door de opgeschoten jongens, die de op het erf van onbeminde dorpelingen aangetroffen bezittingen op een grote hoop onder de dorpslinde op de brink neergooiden, waar de getroffenen dan maar moesten komen zoeken!

Op de zaterdag voor Pinksteren, de z.g.. Luilak, gaat de jeugd er al vroeg op uit om te dauwtrappen, eertijds een plechtige ommegang op blote voeten door de bedauwde velden in de vroegte, om alle kwade stoffen aan de aardbodem kwijt te raken, als voorjaarsreiniging en – heiliging. Nu is dat meestal ontaard in een belletje-trekken bij de langer slapende volwassenen, waarbij de kinderen een enorm lawaai maken door het slaan op metalen voorwerpen, onder het roepen van: Luilak!

Daarna pleegt men in Haarlem naar de bloemenmarkt te gaan en daar een plant te kopen ter ere van de lente, en dat is waarschijnlijk overgebleven van het vroeg naar de wei gaan en daar bloemen plukken om de pinksterkrans te maken, zoals dat nu nog op Terschelling gebeurt. De meisjes plukken daar veel varens en wollegras, meidoorntakken, boterbloemen en harlekijnorchis, wat op hoepels gebonden wordt tot kransen en nog meer versierd met gekleurde eierschalen en knipsels. Met deze pinksterkransen trekt men de boeren tegemoet als zij van het melken terugkomen, en in ruil voor zo’n krans, die de boer om de hals gehangen wordt, geeft hij dan een emmertje verse melk. Aan de pinksterpaal worden tenslotte de kransen opgehangen.

In vele plaatsen moet dan ’s avonds het pinkstervuur worden gestookt en om aan brandstof daarvoor te komen, loopt de jeugd het dorp door met een mooi versierd meisje, dat als pinksterbruid boven op een plank staat te pronken, terwijl de jongens die plank op de schouders torsen, al zingend:

Hier is onze fiere pinksterblom,
en ik zou haar zo graag eens wezen:
met haar mooie kransen op het hoofd,
en met haar rinkelende bellen!
Recht is recht, krom is krom,
zeg, blief je nog iets te geven voor de
fiere pinksterblom?
Want de fiere pinksterblom moet vóórt!

Boer, ik vraag jou voor de laatste maal:
heb je soms nog takkebossen?
In het duister stoken wij een vuur,
dat fikt en vlamt en dat knettert!
Vuur en vlam! Rook en smook!
Zeg, danst misschien je mooie Trineke
deze avond ook
met de fiere pinksterblom in ’t rond?

Bij elke boerderij wordt dit lied gezongen, waarop de bewoners wat brandstof afstaan, die op de handkar geladen wordt, welke door de achterhoede van de stoet wordt voortgeduwd.

Op de pinksteravond brandt dan het pinkstervuur, waar omheen gedanst wordt, en overheen gesprongen ’om het hele jaar niet ziek te worden’. De pinksterblom rinkelt met de belllen aan polsen en enkels en schudt de versierde haren – het kan een meisje of een jongen zijn – zwaait met de arm en stampt met de voet: de levensgeest die het heil brengt!

.
Pinksteren en Hemelvaart: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

2519-2362

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-3-1/5)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de derde levensfase van 14 – 21 jaar hechtte Steiner grote waarde aan het tijdstip waarop een kind kan gaan oordelen. Niet dat een kind niet op jongere leeftijd oordeelt, maar dan oordeelt het nog zeer van zich uit, dus sterk subjectief. Met het intreden van de puberteit ontstaat er ook een vermogen om veel objectiever te kunnen oordelen.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 14 – 21: begrip(s)oordeel

GA 301

Blz. 148/149 vert. 148/149

Wenn das Kind liebevoll herangebildet wird in der Anlehnung an seine Autorität, wenn das Kind Fühlen und Wollen lernt in der Anlehnung an den andern, an den erwachsenen Menschen, an den Erzieher und Unterrichter, dann wird im rechten Augenblicke, nämlich bei der Geschlechtsreife sein eigenes selbständiges Fühlen und Wollen geboren. Unser Fühlen und Wollen können wir erst dadurch in der richtigen Weise entwickeln, daß wir sie an dem andern, uns als Autorität geltenden Menschen richtig ent­wickeln. Kommen wir zu früh zum selbständigen Entwickeln des Willens, kommen wir namentlich zu gewissen, ich möchte sagen, ge­heimen Funktionen des Willens zu früh, so schadet uns das für das ganze Leben. Und wir kommen zu feineren Organisationen des Willens zu früh, wenn wir versucht werden, namentlich moralische und reli­giöse Impulse verfrüht dem eigenen Urteil zu unterwerfen.
Man kann nicht anders, als sagen, daß das Kind bis zur Geschlechtsreife lernen sollte, sittlich zu sein und religiös zu sein durch den Ein­fluß der sittlichen und religiösen Autoritäten. Erst mit der Geschlechtsreife beginnt das seelisch-geistige Wesen des Menschen so leibfrei zu sein, daß wir es dem eigenen Urteil überlassen können.

Wanneer het kind liefdevol ontwikkeld wordt doordat het steunt op de autoriteit, wanneer het kind voelen en willen leert door op anderen te steunen, de volwassenen, op de opvoeder en leraar, dan wordt op het juiste ogenblik, namelijk met de geslachtsrijpheid zijn eigen zelfstandig voelen en willen geboren. Ons voelen en willen kunnen we pas op de juiste manier ontwikkelen als we deze aan de ander, aan de mensen die voor ons als autoriteit gelden, ontwikkelen. Is er een te vroege zelfstandige ontwikkeling van de wil, dan komen namelijk ook bepaalde verborgen functies van de wil te vroeg en dat is schadelijk voor het hele leven. En tot intiemere wilsorganisaties kom je te vroeg wanneer er geprobeerd wordt, met name morele en religieuze impulsen te vroeg aan het eigen oordeel te onderwerpen.
Je kan niet anders zeggen dan dat het kind tot aan de puberteit moet leren, moreel te zijn door de invloed van morele en religieuze autoriteiten. Pas met de geslachtsrijpheid begint het ziele-geestwezen van de mens zo vrij van het lichaam te worden dat wij het aan het eigen oordeel kunnen overlaten.
GA 301/148-149
Op deze blog vertaald/148-149

Blz. 151  vert. 151

Und wiederum, was bei sehr vielen Menschen heute geradezu destruktiv auftritt für ihre ganze spätere seelische Entwicklung, das ist das, daß sie zu früh zum Urteilen kommen, daß wir an sie den Unterrichtsstoff so heranbringen, daß sie noch nicht reif sind für diesen Unterrichtsstoff. Sie nehmen eine Menge gebildeter Urteile auf, die dann in ihnen fortwirken. Da spricht man ja wohl auch davon, daß im Menschen ein Begriff, eine Vorstellung mit den anderen sich asso­ziiert. Es gibt kein unglücklicheres Sprechen als dieses über das Asso­ziieren der Vorstellungen. Denn wenn sich die Vorstellungen bei uns assoziieren, wenn eine sich mit der anderen zusammenballt und wir nachlaufen müssen, dann sind wir schon von unserem Vorstellungs­leben besessen, dann haben wir es gar nicht mehr in unserer Gewalt. Es handelt sich eben darum, daß wir den Menschen durch Erziehung und durch Unterricht davor schützen, daß das Assoziationsleben über das Willensleben die Oberhand gewinne.

En tevens is wat bij zeer veel mensen vandaag de dag destructief is voor heel hun verdere zielenontwikkeling, een gevolg van het te vroeg tot oordelen zijn gekomen, dat wij aan hen lesstof hebben aangeboden waarvoor ze nog niet rijp waren. Ze nemen heel wat gevormde oordelen op die dan in hen verder werken. Men heeft het er ook wel over dat in de mens zich een begrip, een voorstelling met andere associeert. Je kunt niet ongelukkiger spreken dan over dit associëren van voorstellingen. Want wanneer voorstellingen bij ons associëren, wanneer de ene met de ander samenklontert en wij dat moeten volgen, worden we wel door ons voorstellingsleven opgeslokt, dan hebben we het zelf niet meer in de hand. Het gaat erom dat we de mensen door opvoeding en onderwijs ervoor behoeden dat het leven in associaties over het wilsleven de boventoon voert.
GA 301/151
Op deze blog vertaald/151

Blz. 168  vert. 168

Nun liegt die Sache so, daß dasjenige, was man menschliches Urteilsvermö­gen nennen könnte, selbständige Urteilsfähigkeit, eigentlich erst mit der vollen Geschlechtsreife im Menschen auftritt. Eine Art von Vor­bereitung findet allerdings in der menschlichen Natur auf diese Urteilsfähigkeit hin eben vom 12. Lebensjahre ab ungefähr statt. Deshalb ist dies vom 12. Lebensjahre ab eine Art von drittem Abschnitt der Volksschulzeit, weil ja gewissermaßen schon hereinleuchtet dasjenige, was dann die Hauptsache in der menschlichen Wesenheit nach erlangter Geschlechtsreife ist, die selbständige Urteilsfähigkeit.

Nu is het zo dat wat men het menselijk oordeelsvermogen zou kunnen noemen, eigenlijk pas met de volle geslachtsrijpheid in de mens verschijnt. Een soort voorbereiding op dit kunnen oordelen, vindt in de menselijke natuur echter ongeveer vanaf het 12 levensjaar plaats. Vandaar dat deze fase vanaf het 12e jaar een soort derde fase is van de basisschooltijd, omdat in zekere zin zich al aankondigt wat dan het belangrijkste in het mensenwezen is nadat de geslachtsrijpheid is bereikt: het zelfstandig kunnen oordelen.

Blz. 169

Wiederum mit der Ge­schlechtsreife werden andere Kräfte selbständig, die uns in die Außen­welt in der mannigfaltigsten Weise einführen. Aber in dem System dieser Kräfte ist zugleich enthalten das menschliche selbständige Ur­teilsvermögen. So daß wir sagen können: der eigentliche Träger des menschlichen Urteilsvermögens, dasjenige im Menschen, was die Kräfte enthält, die ein Urteil hervorbringen, das wird im Menschen im Grunde genommen erst mit der Geschlechtsreife geboren und bereitet sich lang­sam zur Geburt vor vom 12. Jahre ab. Wenn man dies weiß und richtig würdigen kann, dann ist man sich auch bewußt, welche Verantwortung man übernimmt, wenn man den Menschen zu früh an selbständiges Urteil gewöhnt. Ja, in dieser Be­ziehung herrschen ja insbesondere in der Gegenwart die allerverderb­lichsten Vorurteile: man möchte so früh wie möglich den Menschen an selbständige Urteile gewöhnen.

En met de geslachtsrijpheid worden weer andere krachten zelfstandig die ons op velerlei manieren onze intrede in de buitenwereld laten doen. Maar in dit krachtensysteem zit tegelijkertijd het vermogen van de mens om zelfstandig te oordelen. Zodat we kunnen zeggen: de eigenlijke drager van het menselijke oordeelsvermogen, wat in de mens de kracht in zich heeft een oordeel te vellen, wordt basaal gesproken pas met de geslachtsrijpheid geboren en bereidt zich daar langzaam op voor vanaf het 12e jaar. Wanneer je dit weet en naar waarde weet te schatten, ben je je ook bewust, welke verantwoording je op je neemt, wanneer je een mens te vroeg zelfstandig laat oordelen. In dit opzicht heersen er, vooral tegenwoordig, de meest funeste vooroordelen: men zou het liefst de mens zo vroeg mogelijk willen laten wennen aan zelfstandig oordelen.

Wir haben gesagt: der Mensch ist so zu halten bis zur Geschlechtsreife, daß er unter dem Einfluß der Autorität steht, daß er anerkennt irgend etwas deshalb, weil es die selbstverständlich neben ihm wir­kende Autorität eben gebietet, eben so will. Wenn wir das Kind ge­wöhnen, in der richtigen Weise zu uns als Lehrer, als Erzieher zu ste­hen und hinzunehmen die Wahrheit, weil wir sie als Autorität ver­treten, gerade dann bereiten wir das Kind in der richtigen Weise vor, später im Leben ein freies, ein selbständiges Urteil haben zu können. Wollen wir nicht als selbstverständliche Autorität neben dem Kinde stehen, wollen wir gewissermaßen verschwinden, und fordern alles der kindlichen Natur ab, dann bearbeiten wir dieses Kind so, daß wir seine Urteilsfähigkeit zu früh herausfordern, ehe das, was wir also astra­lischen Leib nennen, mit der Geschlechtsreife erst selbständig frei er­scheint; wir bearbeiten das, was wir so astralischen Leib nennen, indem es noch in der physischen Natur des Kindes drinnen wirkt. Dadurch prägen wir dem Kinde, wenn ich mich jetzt so ausdrücken darf, in sein Fleisch ein dasjenige, was wir ihm nur einprägen sollten in seine Seele. Dadurch aber bereiten wir in dem Kinde etwas vor, was sein

We hebben gezegd: we moeten ons zo op de mens richten tot aan zijn puberteit dat hij de invloed van de autoriteit ondergaat, dat hij iets accepteert, omdat de vanzelfsprekend naast hem werkende autoriteit dat nu eenmaal verlangt, wil hebben. Wanneer wij het kind vertrouwd maken met op een juiste wijze t.o.v. ons als leraar, als opvoeder te staan en de waarheid te accepteren omdat wij die als autoriteit vertegenwoordigen, juist dan bereiden wij het kind op de juiste manier voor, later in het leven een vrij, een zelfstandig oordeel te kunnen hebben. Willen wij niet als vanzelfsprekende autoriteit naast het kind staan, willen we in zekere zin verdwijnen en verlangen we alles van de kinderlijke natuur, dan beïnvloeden we dit kind zo, dat wij zijn oordeelskracht te vroeg opeisen, vóór wat wij astraallijf noemen, met de geslachtsrijpheid pas zelfstandig vrij wordt; we beïnvloeden dan wat we astraallijf noemen als het nog in de fysieke natuur van het kind actief is. Daardoor laten we bij het kind iets – als ik me zo mag uitdrukken – in zijn vlees achter, terwijl we dat achter zouden moeten laten in zijn ziel. Daardoor echter leggen we in het kind iets wat hij voor zijn

Blz. 170

ganzes Leben als ein Schädling in ihm leben wird. Denn es ist etwas ganz anderes, ob wir zum freien Urteil, nachdem wir gut vorbereitet sind, im 14., 15. Jahre heranreifen, wo der astralische Leib, der der Träger des Urteils sein kann, frei geworden ist, oder ob wir früher herangezogen werden zum sogenannten selbständigen Urteil. Im letz­ten Fall wird nicht unser Astralisches, das heißt unser Seelisches, herangezogen zum selbständigen Urteil, sondern da wird unser Leib herangezogen. Unser Leib aber wird herangezogen mit allen seinen naturgemäßen Eigenschaften, mit seinem Temperamente, mit seiner Blutbeschaffenheit, mit alledem, was in ihm Sympathie und Antipathie hervorruft, mit alledem, was ihm keine Objektivität gibt. Mit anderen Worten, wenn das Kind zwischen dem 7. und 14. Jahre schon selb­ständig urteilen soll, so urteilt es aus demjenigen Teil der Menschen­natur heraus, der später niemals wiederum abgestreift werden kann, wenn wir nicht dafür sorgen, daß er selber in naturgemäßer Weise in der Volksschulzeit versorgt wird, nämlich durch Autorität. Lassen wir zu früh urteilen, so urteilt der Leib das ganze Leben hindurch. Dann bleiben wir ein schwankender Mensch in unserem Urteil, der abhängig ist von seinem Temperament, von allem möglichen in seinem Leibe. Werden wir so vorbereitet, wie es der Natur unseres Leibes entspricht, wie der Leib es fordert durch seine eigene Natur, werden wir zur rech­ten Zeit in Anlehnung an die Autorität erzogen, dann wird in der richtigen Weise frei dasjenige, was urteilen soll in uns, dann werden wir später auch im Leben ein objektives Urteil gewinnen können. So ist die beste Vorbereitung zur selbständigen, freien menschlichen Per­sönlichkeit die, wenn wir das Kind nicht zu früh zu dieser freien Persönlichkeit bringen, sondern im rechten Lebensalter.

hele leven als een schadelijk element met zich meedraagt. Want het is iets heel anders of wij op ons 14e of 15e jaar een vrij oordeel kunnen ontwikkelen na een goede voorbereiding waarbij het astraallijf dat de drager van het oordeel kan zijn, vrij is geworden, of dat we eerder tot het zogenaamde zelfstandige oordelen zijn gebracht. In het laatste geval wordt niet ons astraallijf, d.w.z. onze ziel tot zelfstandig oordelen gebracht, maar ons lichaam. Maar ons lichaam echter ontwikkelt zich met alle eigenschappen die het van nature heeft, met zijn temperament, met de eigenschappen van het bloed, met alles wat in hem sympathie en antipathie oproept, met alles wat niet ín staat voor objectiviteit. Met andere woorden, wanneer het kind tussen het 7e en het 14e jaar al zelfstandig moet oordelen, dan oordeelt het uit dat deel van de mens waar hij zich later nooit meer van kan bevrijden, wanneer wij er niet voor zorgen dat hij zelf op een natuurlijke manier in de basisschoolleeftijd geholpen wordt, namelijk door autoriteit. Laten we te vroeg oordelen, dan oordeelt het lichaam, het hele verdere leven. Dan blijven we een aarzelend mens in ons oordeel, dat afhankelijk is van zijn temperament en wat al niet in zijn lichaam. Worden we zo voorbereid dat het in overeenstemming is met de aard van ons lichaam, zoals het lichaam het vraagt vanuit zijn eigen natuur, worden we op de juiste tijd opgevoed met naast ons een autoriteit, dan komt op de juiste manier vrij wat er in ons moet oordelen, dan zullen we later ook in het leven een objectief oordeel kunnen krijgen. Dus is de beste voorbereiding voor een zelfstandige, vrije menselijke persoonlijkheid er een waarin het kind niet te vroeg deze vrije persoonlijkheid wordt, maar op de juiste leeftijd.
GA 301/168-170
Op deze blog vertaald/168-171

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2518-2361

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/20)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

VLEERKENS VOGEL

Er was eens een heksenmeester, die nam de gestalte aan van een arme man, ging langs de huizen bedelen en ving mooie meisjes! Geen mens wist waarheen hij ze bracht, want zij kwamen nooit meer te voorschijn. Op een dag verscheen hij voor de deur van een man die drie mooie dochters had; hij zag eruit als een arme vermoeide bedelaar en droeg een mand op zijn rug alsof hij daarin milde gaven wilde verzamelen. Hij vroeg om een beetje eten en toen de oudste dochter naar buiten kwam om hem een stuk brood te geven, raakte hij haar slechts even aan en toen kon ze niet anders: zij moest in de mand springen. Daarop spoedde hij zich met forse schreden weg en bracht haar een duister woud in, naar zijn huis dat daar middenin stond. Van binnen was het huis prachtig. Hij gaf haar wat zij maar wenste en sprak: ‘Liefje, het zal je bij mij bevallen, je hebt alles wat je hartje begeert.’

Wat doet een heksenmeester? Hij gooit twee werelden door elkaar, de wetmatigheden van onze gewone wereld zet hij op zijn kop, werkelijkheid wordt tot schijn en schijn wordt werkelijkheid. 
De heksenmeester in het sprookje doet hetzelfde op een hoger niveau. Hij representeert de zintuigmens in ons, want die is de grote tovenaar. Voor hem geldt alleen de blijde wereld van de kleurenpracht, dus alles wat je met de zintuigen waarneemt. En omdat hij die als zaligmakend weet voor te stellen, wordt de geestelijke wereld die daar werkzaam in is, tot iets zintuiglijks betoverd. 
Waar zit die tovenaar in de mens? De mens heeft nog al wat plekjes. Hij woont diep in het bos, zegt het sprookje. Dat betekent daar waar het plantenleven woekerend groeit, iemands vegetatieve leven. Vandaaruit worden de zielenkrachten gegrepen (de mooie meisjes) en die wil hij beheersen.
Een bruiloft van de ziel met wat aan de zintuigen is gebonden, is het tegendeel van de koninklijke bruiloft die we telkens in de sprookjes tegenkomen. Misschien vertelt het sprookje daarom dat hij ze op zijn rug wegdraagt.

Dat ging zo een paar dagen door, toen zei hij: ‘Ik ga op reis en moet je voor korte tijd alleen laten; hier zijn de sleutels van het huis, je kunt overal binnengaan en alles bekijken, alleen niet in de kamer waarop dit sleuteltje past, dat verbied ik je op straffe des doods.’ Hij gaf haar ook een ei en sprak: ‘Bewaar dit ei zorgvuldig voor mij, ik wil graag datje het steeds bij je draagt, want als het verloren gaat, zou dat een groot ongeluk veroorzaken.’ Zij nam de sleutels en het ei aan en beloofde alles te doen wat hij had gezegd. Toen hij weg was, liep zij het hele huis door van boven naar beneden en bekeek alles. De kamers glansden van het goud en het zilver en zij geloofde, dat zij nog nooit zoveel pracht bij elkaar had gezien. Tenslotte kwam zij ook bij de verboden deur; zij wilde er voorbij lopen, maar zij was zó nieuwsgierig, dat ze geen rust had. Zij bekeek de sleutel die er net zo uitzag als iedere andere sleutel, zij stak hem in het slot en draaide er een beetje aan, toen sprong de deur open, maar wat zag zij toen zij binnentrad? Er stond een groot bloedig bekken middenin de kamer waarin dode, in stukken gehakte mensen lagen, daarnaast stond een houtblok waarop een blinkende bijl lag. Zij schrok zo vreselijk dat het ei dat zij in haar hand hield, in het bekken viel. Zij haalde het er weer uit en veegde het bloed af, maar tevergeefs, het kwam op hetzelfde ogenblik weer te voorschijn; zij veegde en krabde maar zij kon het er niet af krijgen.
Het duurde niet lang of de man kwam van de reis terug en het eerste waarom hij vroeg was de sleutel en het ei. Bevend gaf zij ze hem, maar hij zag meteen aan de rode vlek dat zij in de bloedkamer was geweest. ‘Ben je tegen mijn wil die kamer ingegaan?’ sprak hij. ‘Dan zal je er tegen je eigen wil weer binnengaan. Je leven is ten einde.’ Hij wierp het meisje neer, sleepte haar aan de haren erheen, sloeg haar op het blok het hoofd af en hakte haar in stukken, zodat haar bloed op de grond wegvloeide. Daarop wierp hij het meisje bij de anderen in het bekken.

De wereld van de zintuigen kan voor de ziel op een indrukwekkende manier glanzen: het huis van de tovenaar straalt door zilver en goud en het meidje mag, moet ervan genieten. Altijd zijn er nieuwe aspecten te ontwikkelen en onbekende ruimten gaan open. De opgave en de beproeving die de heksenmeester eist is om het ei goed te bewaren. Een ei is een levenskern. Daaruit komt steeds weer nieuw leven voort. In de Oudheid vind je het vaak als symbool op een grafsteen. Het beeld voor de innerlijke kern van de mens die in de dood blijft bestaan, het is het onvergankelijke eeuwige in de mens. Het bewustzijn van het ware Ik. Of het nu hier is of aan gene zijde in de geestelijke wereld: de eeuwige kern van het Ik is de centrale levenskiem. 
De heksenmeester haalt eerst de oudste dochter. De eerstgeborene is dat deel van de ziel dat zich het eerst ontwikkeld heeft, de waarnemende, voelende ziel. Die ontwikkelt zich al in het kind. Die moet tot het huwelijk gedwongen worden, dus een zintuiglijke ziel worden. Of ze de bloedkamer binnengaat of niet, ligt in haar vrijheid, hij geeft haar de sleutel.
Deze plaats is een geestelijke ruimte waarin het bloed aan het zintuiglijke leven gebonden is en dat de ziel gevangen kan houden. Daar heerst de lagere natuur van driften en begeerten. De beproeving is dit te leren kennen, maar toch de zuiverheid van het eeuwige Ik-bewustzijn te bewaren.
Als de oudste dochter, de voelende ziel, het ei in haar bezit heeft, dat leeft het weten van de eeuwigheid van de \ik-kiem in het voelen. Daar moet het in reinheid bewaard worden. Maar ‘zij laat het ei in het bloed vallen’. Het eeuwige wordt als een innerlijk diepe beleving van de lagere natuur van het bloed uitgeleverd. Daardoor valt de ziel aan de heksenmeester toe. Ze kan zich niet meer staande houden – het Duits heeft hier – be-haupt-en, met als kern ‘hoofd’, wij zouden nog kunnen zeggen ‘het hoofd bieden’, en wordt ont-hoofd, de eenheid die ze is gaat verloren, die valt uiteen.

‘Nu ga ik de tweede halen,’ sprak de heksenmeester en ging weer in de gedaante van een arme man naar het huis om te bedelen. Nu bracht de tweede dochter hem een stuk brood en hij ving haar net zoals de eerste, door haar slechts even aan te raken en daarop nam hij haar mee. Het verging haar niet beter dan haar zuster, ook zij liet zich door nieuwsgierigheid verleiden, opende de bloedkamer en keek naar binnen en moest dat bij zijn terugkeer met haar leven bekopen.

De tweede dochter kennen we als de ziel die zich naar het denken richt, en het vergaat haar evenzo. Zij moet de wereld van de heksenmeester die aan de zintuigen is gebonden, met haar denken verhelderen, ophelderen. Vanuit het denken zou zij de kiem van haar eeuwige Ik zuiver moeten bewaren, maar ook zij laat deze ‘in het bloed vallen.’ En ook zij verliest haar eenheid, verliest haar hoofd en de kracht van de zintuigmens overwint.

Daarop ging hij de derde halen, maar die was schrander en slim. Toen hij haar de sleutel en het ei had gegeven en was vertrokken, borg zij eerst het ei zorgvuldig weg, daarna bekeek zij het huis en ging tenslotte de verboden kamer binnen. Ach, wat zag zij daar! Haar twee lieve zusters lagen daar in het bekken, jammerlijk vermoord en in stukken gehakt. Maar zij begon hun ledematen uit te zoeken en aan elkaar te leggen, hoofd, romp, armen en benen. En toen er niets meer aan ontbrak begonnen de ledematen te bewegen, voegden zich aaneen en beide meisjes openden hun ogen en werden weer levend en zij kusten en omhelsden elkaar vol vreugde. Bij zijn terugkomst eiste de man meteen de sleutel en het ei op en toen er geen spoor van bloed op te bekennen viel sprak hij: ‘Jij hebt de proef doorstaan, jij wordt mijn bruid.’ Hij had nu geen macht meer over haar en moest doen wat zij verlangde. ‘Welaan,’ antwoordde zij, ‘eerst moet je een mand vol goud naar mijn vader en moeder brengen en het er zelf op je rug heendragen; onderwijl zal ik de bruiloft voorbereiden.’ Daarna liep zij naar haar zusters die zij in een kamertje had verstopt, en zei: ‘Het ogenblik is gekomen waarop ik jullie kan redden – de booswicht zal jullie zelf weer naar huis dragen, maar zodra jullie thuis zijn, moet je mij hulp zenden.’ Zij liet beide meisjes in een mand kruipen en bedekte hen helemaal met goud, zodat er niets van hen te zien was; daarna riep zij de heksenmeester binnen en zei: ‘Breng nu de mand weg, maar pas op dat je onderweg niet blijft staan om uit te rusten, ik kijk uit mijn venstertje en let erop.’
De heksenmeester tilde de mand op zijn rug en ging ermee weg, de mand was echter zo zwaar dat het zweet hem over zijn gezicht liep. Toen ging hij zitten om een beetje uit te rusten, maar dadelijk riep er een uit de mand: ‘Ik kijk uit mijn venstertje en zie dat je zit uit te rusten, wil je wel eens doorlopen.’ Hij dacht dat zijn bruid hem dat toeriep en ging weer verder. Nogmaals wilde hij gaan zitten maar er werd dadelijk geroepen: ‘Ik kijk uit mijn venstertje en zie dat je zit uit te rusten, wil je wel eens doorlopen.’ En zo vaak hij stilstond werd er geroepen en dan moest hij weer verder tot hij eindelijk steunend en buiten adem de mand met het goud en met de beide meisjes het huis van hun ouders binnenbracht.

De bruid echter bereidde thuis het bruiloftsfeest voor en nodigde de vrienden van de heksenmeester daarvoor uit. Daarna nam zij een doodskop met grijnzende tanden, zette hem een hoofdtooi op met een bloemenkrans, plaatste hem voor het zolderraam en liet hem van daar naar buiten kijken. Toen alles klaar was ging ze in een vat met honing zitten, sneed daarna een veren bed open en rolde daarin rond zodat zij eruit zag als een wonderlijke vogel en geen mens haar kon herkennen. Toen liep zij het huis uit en onderweg ontmoette zij enkele bruiloftsgasten die vroegen:

‘Zeg, Vleerkens Vogel, waar kom je vandaan?’
‘Uit Vlere Vleerkens huis ben ik gegaan.’
‘Wat doet dan daar de jonge bruid?’
‘Zij keerde van onder tot boven het huis,
Door het zolderraam kijkt zij nu uit.’

Tenslotte kwam zij de bruidegom tegen die langzaam naar huis terugliep. Hij vroeg net als de anderen:

‘Zeg Vleerkens Vogel, waar kom je vandaan?
‘Uit Vlere Vleerkens huis ben ik gegaan.’
‘Wat doet dan daar de jonge bruid?’
‘Zij keerde van onder tot boven het huis,
Door het zolderraam kijkt zij nu uit.’

De bruidegom keek naar boven en zag de versierde doodskop; hij dacht dat het zijn bruid was, knikte haar toe en groette haar vriendelijk. Toen hij echter samen met zijn gasten het huis was binnengegaan, kwamen de broers en de familieleden van de bruid aan die waren gezonden om haar te redden.
Zij sloten alle deuren van het huis zodat niemand kon ontsnappen, staken het huis in brand en zo kwam de heksenmeester met zijn trawanten in de vlammen om.

Pas de derde dochter wordt de situatie meester. Die kennen we als de willende ziel. Het is in de ziel de kracht die zich het laatst heeft ontwikkeld als hoogste zielenkracht. ‘Wil’ mag niet worden verwisseld met begeerte of wens, ook niet met een eenzijdige koppigheid. Er moet inzicht zijn en in het handelen slimheid, zelfs list, zegt het sprookje. Voor ze het huis verder onderzoekt, legt ze het ei weg. Ze beslist zelf over wat ze doet. Ze weet dat ze de wereld van de schitterende zintuigbeleving wakker binnen moet gaan. En zo komt ze te weten hoe de slagkracht van het boze haar beide zielenzusters vernield en gedood heeft. Maar omdat zij het ei bewaard heeft, kan zij de voelende en denkende ziel genezen  en weer heel maken. (Hoe vaak zeggen we niet: ik voel me verscheurd, verdeeld, (terneer)geslagen, uit elkaar gerukt, maar ook: ik heb me weer teruggevonden, heb mijn positieven weer bij elkaar, voel me weer ‘composed’.)
Nu ze de tovenaar overwonnen heeft, kan ze de oorspronkelijke heelheid van de ziel weer herstellen. Ze stuurt de beide zusters weer terug naar het ouderlijk huis. Die vinden weer aansluiting van het oude Zelf, bij het oerwezen van de ziel.
En omdat kennis en de overwinning van het kwaad wijsheid in zich dragen, worden de zusters met goud bedekt terug-gedragen
En nu laat de derde dochter, de door de doorstane beproeving volledig tot bewustzijn van zichzelf gekomen wilsziel, zien wat van de zintuigmens geworden is. Eens maakte die ook de hoge vlucht van de geest. Want de wereld van de zintuigen was nog niet in de kale zintuiglijke wereld weggedrukt. Er leefde nog een geestelijke wereld in die voor hem oorspronkelijk nog waarneembaar was,
De witte zielenvogel met de veren dragende bevlogenheid was zijn deel. Hij was een – het Duits heeft – Fitcher- vertaald als Vleerkens vogel. Fitcher komt uit het IJslands, fitfuglar, een watervogel, wit als een zwaan.
Maar nu is er in het huis van het lichaam – voor zover dat van hem is, want ieder mens heeft zijn eigen ‘huis’- geen leven meer. De mens die alleen in de zintuigen leeft, ontwikkelt zich niet verder, hij vergaat met de stoffelijkheid waarin hij opgaat. In waarheid beleeft hij alleen nog doodsprocessen, want stof vergaat en de geest blijft.
De hoogstmogelijke blik (het venster in de gevel) laat hem de bruid zien die hij door het doden van het leven verworven heeft.
En verder laat de ziel die de geestvolle wil bezit aan de vogel wat er van zijn zielenvogel is geworden. Want ze zegt: ‘Uit Vlere Vleerkens huis ben ik gegaan.’
Op aarde gaand, zonder de dragende zielenvogel, met geplukte veren bedekt, list en bedrog verspreidend met op de achtergrond de schijnlevende, grijnzende dood – dat is het beeld van de ziel zonder geest.
Alle oorspronkelijke krachten waaruit de ziel stamt (ouders en verwanten), moeten samen sterk staan en het geestesvuur aansteken, dat voor de heksenmeester en zijn trawanten de dood betekent.

Wikipedia

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2517-2360

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-3-1/4)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de derde levensfase van 14 – 21 jaar hechtte Steiner grote waarde aan het tijdstip waarop een kind kan gaan oordelen. Niet dat een kind niet op jongere leeftijd oordeelt, maar dan oordeelt het nog zeer van zich uit, dus sterk subjectief. Met het intreden van de puberteit ontstaat er ook een vermogen om veel objectiever te kunnen oordelen.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 14 – 21: begrip(s)oordeel

GA 297  blz. 93  vert. 93

Jene Selbständigkeit dem Leben gegenüber, die auf eigene Urteilskraft aufgebaut ist, jene Selbständigkeit, die darauf beruht, in alle Dinge lebensvoll unterzu­tauchen, sie entwickelt sich im Grunde genommen erst mit der Geschlechtsreife im vierzehnten Lebensjahr bis zum zwanzigsten, einundzwanzigsten Jahr hin.

Die zelfstandigheid voor het leven die op het eigen oordeel berust, die erop berust levendig in te gaan op de dingen, komt in de aard der zaak pas tot ontwikkeling met de puberteit in het veertiende tot het twintigste, eenentwintigste jaar.
GA 297/93
Op deze blog vertaald/93    

Blz. 131 vert. 131

Im Grunde genommen tritt erst nach der Geschlechtsreife in der menschlichen Natur die eigene Urteilsfähigkeit, das freie, unabhän­gige Verständigsein auf. Greift man früher zu diesem unabhängigen Verständigsein, appelliert man bei dem Kinde vor der Geschlechts­reife zu sehr an den Verstand, appelliert man nicht an dasjenige, was von Person zu Person durch Autorität übertragen wird, dann ertötet man vieles von dem, was sich gerade zwischen dem sech­sten, siebenten und vierzehnten, fünfzehnten Lebensjahre, also während der Volksschulzeit, in dem Kinde entwickeln will.

In de aard van de zaak ontstaat pas na de geslachtsrijpheid in de menselijke natuur het eigen oordeelsvermogen, het vrije, onafhankelijke verstandig zijn. Doe je eerder een beroep hierop, appelleer je bij het kind vóór de puberteit te zeer aan het verstand, appelleer je niet aan wat van persoon tot persoon door de autoriteit overgedragen wordt, dan maak je veel kapot van wat nu juist tussen het zesde, zevende jaar en het veertiende, vijftiende, dus gedurende de basisschool, in het kind tot ontwikkeling wil komen.
GA 297/131
Op deze blog vertaald/131

Blz. 174  vert. 174

Solch ein Umschwung findet dann wiederum so um das elfte, zwölfte Lebensjahr herum statt. Da scheint schon in das Leben, das sich noch ganz unter Autorität stellt, dasjenige herein, was nach der Geschlechtsreife im voll ausgestalteten Sinn auftritt; es leuchtet schon herein, was dann die eigene Urteilsfähigkeit nach der Ge­schlechtsreife ist. So wirken wir als Erzieher, als Unterrichter, daß wir an die Urteilsfähigkeit des Kindes appellieren, daß wir das Au­toritätsprinzip zurücktreten lassen. Aber das, was da in dem Kinde spielt, was sich nach der Geschlechtsreife als eigene Urteilsfähigkeit herausgestaltet, das spielt schon in das Autoritätsalter von dem zwölften Jahre an herein. Da können wir sehen – wenn wir richtig den Umstand, der da in der Seelenverfassung des Kindes eintritt, erblicken -, wie das Kind neue Interessen entwickelt. Richtige Auf­fassungsmöglichkeiten für physikalische Erscheinungen, für selbst die einfachsten physikalischen Begriffe werden erst so um das elfte, zwölfte Jahr herum entwickelt.

Zo’n verandering vindt ook plaats rond het 11e, 12e levensjaar. Dan begint in het leven dat zich nog helemaal stelt onder de autoriteit iets op te lichten wat na de puberteit vol tot ontplooiing komt; wat dan de eigen oordeelskracht na de puberteit is, werpt zijn stralen vooruit. Op deze manier werken wij als opvoeder, als leerkracht, we appelleren aan het oordeelsvermogen van het kind; we laten het autoriteitsprincipe een stapje terugdoen.
Maar wat zich in het kind afspeelt, wat na de puberteit als het eigen oordeelsvermogen naar buitenkomt, is al wel zichtbaar op het twaalfde jaar, dat nog een autoriteitsjaar is. Dan kunnen we zien – wanneer dat in de ziel van het kind plaatsvindt – hoe het kind nieuwe interesses ontwikkelt. Om op de juiste manier natuurkundige verschijnselen, zelfs wat de meest eenvoudige natuurkundebegrippen betreft, te kunnen begrijpen, ontwikkelen zich de mogelijkheden daarvoor zo rond het 11e, 12e jaar.
GA 297/174
Op deze blog vertaald/174

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2516-2359

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen – media (19-12/1)

.

Freek Zwanenburg, Antroposofisch Magazine nr. 5 2017
.

MEDIAWIJSHEID

Ik bezoek regelmatig vrije basisscholen voor lezingen en brainstormsessies over mediawijsheid. Hier signaleer ik een groeiend gevoel van urgentie en verantwoordelijkheid om een krachtige, holistische visie en beleid ten aanzien van iot en media te ontwikkelen. Leraren en ouders denken samen na over vragen als: Welke houding ten opzichte van media willen wij overbrengen? Welke relevante digitale vaardigheden willen wij aan kinderen meegeven? En hoe kunnen wij iet en media op kunstzinnige en morele wijze integreren in hetvrijeschoolonderwijs?

Vanuit de antroposofie bezien vormen technologie en media een grote uitdaging voor de moderne mens. Er zijn fantastische mogelijkheden, maar op verkeerde wijze ingezet kan het gebruik ervan tot fysieke problemen, verslaving, verlies van vitaliteit, eenzaamheid en materialisme leiden. Tot een verstarring van het denken, voelen en willen. Voor een gezonde ontwikkeling zou een kind juist bezig moeten zijn met kunst, met de natuur, met levendige verhalen en daadwerkelijke contacten.

Moeten we daarom bang zijn voor iets, het enkel als slecht zien? Nee. Het is juist ook de antroposofie die oproept om met een heldere geest en gebalanceerd gevoelsleven naar deze hedendaagse uitdagingen te kijken. Sluit je niet af van het moderne bestaan vanwege de mogelijk schadelijke elementen ervan, zei Steiner. We leven niet voor niks in deze tijd, juist de moderne uitdagingen bieden ons de mogelijkheid om als mensheid verder te groeien.

Dit is ook voor vrijescholen een belangrijke inspiratie. Kijk zo genuanceerd en objectief mogelijk naar de mogelijkheden en beperkingen van moderne technologie en media en baseer daarop je pedagogische en didactische keuzes. Focus niet te veel op de negatieve effecten, maar kijk ook naar de mogelijke meerwaarde. Zo kunnen vrijescholen kinderen ‘mediawijsheid’ meegeven: ‘het vermogen om digitale media in te zetten als gereedschap voor persoonlijke ontwikkeling en eigen welzijn, en dat van anderen’ Hoe ziet dat er in de praktijk uit? Een sporadische inzet van het digibord ter verrijking van de les. Reken- of taalsoftware om naar niveau te kunnen differentiëren. Filmopnames maken en die integreren in het eindtoneelstuk. Een klassengesprek over hoe met elkaar om te gaan op WhatsApp. Media creatief en sociaal leren inzetten, gezond en kritisch. Dat is de potentie van mediawijsheid op de vrijeschool.

Onze kinderen groeien op in een complexe wereld waarin het dagelijkse leven meer en meer bepaald wordt door technologie en digitale media. Nu zijn het vooral smartphones en tablets met internet, maar over tien jaar zijn dat waarschijnlijk robots, ingebouwde chips, nano-technologie en immense virtuele en ‘augmented’ werkelijkheden. Het ontwikkelen van een gezonde en bewuste omgang met deze digitale gereedschappen is misschien wel een van onze meest urgente opvoedtaken in deze tijd. Hoe leren wij kinderen om niet slaaf, maar baas te worden van de moderne technologie?

Freek Zwanenberg werkt bij Bureau Jeugd & Media en is gespecialiseerd in de mediapedagogiek in het vrijeschoolonderwijs. Hij geeft medialessen op scholen, verzorgt lezingen op ouderavonden en is samen met Justine Pardoen auteur van het Handboek Mediawijsheid (hier in PDF te lezen).

.

Voor meer over media: opvoedingsvragen onder nr. 19-12

.

2515-2358

.

.

.

.