VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (77)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

HET WERELDJE VAN BEER LIGTHART

Probeer zelf maar eens – met een blinddoek – hoe het is als je niets meer kan zien.
Beangstigend!
De bijna 14-jarige Beer verliest door een ongeluk het licht in zijn beide ogen. Als blinde moet hij voortaan door het leven. Jaap ter Haar weet m.i. heel gevoelig te beschrijven wat Beer allemaal doormaakt. En zijn ouders. En zijn vrienden.
Het is geen gemakkelijke weg die Beer nu heeft te gaan.
Fijngevoelig wordt beschreven hoe Beer nu meer ‘met zijn innerlijk’ leert te zien, hij ontwikkelt andere zintuigen.
In het ziekenhuis maakt hij kennis met de mensen die op dezelfde kamer liggen, o.a. met ‘de student’ die het niet lang meer zal maken.
Die geeft Beer mooie gedachten mee: telkens vlecht ter Haar dergelijke gedachten door het verhaal. Voor sommigen is dat (te) moralistisch, maar uit eigen ervaring weet (ik ben niet blind, hoor) dat dergelijk mooie woorden een jonge ziel werkelijk verder kunnen helpen.
Wanneer Beer nog een keer naar het voetbalveld gaat, waar zijn ‘oude’ club speelt: ‘doorzag Beer pas later, veel later, wat er in dat kwartiertje langs de lijn in hem was gebeurd. Even voordat Bennie het eerste doelpunt scoorde, richtte hij zijn leven van het zichtbare en lichamelijke op het geestelijke, het wezenlijke van het menselijk bestaan. Al ging dat bijna onbewust, iets daarvan werd hem toch duidelijk. Want even dacht hij aan de woorden, die zijn vader vlak na het ongeluk tegen hem had gezegd: ‘Weet je, Beer, ogen leiden ons vaak van de hoofdzaken af.’
Omdat er ook humor in het boek zit, en dus die mooie gedachten, is het niet alleen maar somberheid. De diepgang voert voor mij de boventoon.

Jaap ter Haar
Omslag: Anjo Mutsaars

Boek

Het is in verschillende uitvoeringen verschenen
Deze bij Uitgeverij Wolters-Noordhoff
in de reeks ‘de vroege lijsters’

Leeftijd v.a. 12jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbespreking: alle auteurs.

.

2870-2691

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen uit Oberufer – Driekoningenspel– alle artikelen

.

Inleiding
Pieter HA Witvliet over: hoe allerlei aanwijzingen hier terecht zijn gekomen

Algemene aanwijzingen  regisseursbijeenkomst 08-09-1979
over de spelen; uit Steiners ‘dramatische cursus’; uit Müller “Spuren auf dem Weg”; over het ‘dialect’, muziek, op het toneel: links/rechts; voor/achter; achtergrond van bepaalde scènes uit alle 3 de spelen; belichting’/schmink
Die over het Paradijsspel gaan, zijn bruin gekleurd. (Herdersspel: paars, Driekoningenspel: rood)

Algemene aanwijzingen  regisseursbijeenkomst 08-11-1979
Waarschijnlijk Willem Veltman over: mysteriespel; plaats boom; bank schriftgeleerden; plaats Eva in de company; dramatische gebaren en bijbehorende spraak; episch, lyrisch, dramatisch; voorbeelden bij figuren uit de 3 spelen.
Die over het Paradijsspel gaan, zijn bruin gekleurd. (Herdersspel: paars, Driekoningenspel: rood)

Algemene aanwijzingen uit de bijeenkomst van 08-09-1979 in chronologische volgorde.

Regie-aanwijzingen uit ‘Weihnachtspiele aus altem Volkstum’
Vergeleken met regie-aanwijzingen van de vrijeschool Den Haag uit de jaren 1970

[4-1 deel 1: van proloog engel t/m koning Kaspar (aanschouwen ster)

[4-2] deel 2: van ommegang 1 t/m ommegang 2 (‘drie koningen tyen’)

[4-3] deel 3 – GT blz. 6 beginnend met ‘Ter tyt Herodis regiment’ t/m ‘met onsen vreuchdensanck’ blz. 13

[4-4deel 4 –  GT blz. 13 beginnend met ‘Verlaet o heer’ t/m blz. 17 Maria: ‘van hier en tot het veer Egyptenlant

[4-5] deel 5 – GT blz. 17 beginnend met het opruimen van krukje en geschenken door page, het plaatsen van de troon van Herodes door duivel t/m einde

ACHTERGRONDEN


Voor algemene achtergronden over de Kerstspelen:
Kerstspelen alle artikelen

.Rudolf Steinertoespraken bij de Kerstspelen
Over ‘Driekoningen‘:
[I] blz. 14    26 december 1915
[XV] blz. 89  27 december 1923
[XVII] blz. 97  31 december 1923 

Gattercompas
Klaus Hünig over: ‘gattercompas’, ‘der heemlen gloria’ en ‘consamaneren’; vrschillende tekstvergelijkingen; afbeeldingen.

Honderduzend vierenveertig en acht
Ernst Bindel over: deze merkwaardige getalcombinatie die de hoofdman gebruikt, of is het 144.000 en 8? Waar duiden deze getallen op; samenhang met het getal 666.

Kerstspelen – Driekoningenspel
Magchiel Matthijsen
over: de Drie Koningen; goud, wierook, mirre; denken, voelen, willlen

Een alternatief Driekoningenspel
Jesse Mulder en Pieter Witvliet over: ervaringen bij het kijken naar een ‘modern’ Driekoningenspel; (Mulder: Als je iets bestaands vernieuwt, dan moet je het wezenlijke van dat bestaande wel meenemen. Anders is het geen vernieuwing maar eerder een vervanging.’; het persoonlijk-subjectieve i.p.v. de boven-persoonlijke beelden.

Herders en Koningen in het Kerstspel uit Oberufer
Erica Schulz over: de spelen in het algemeen; de tegenstelling herders-koningen; de tegenstelling in hun geschenken; denken, voelen, willen; de koningen in het sprookje van Goethe.

Driekoningenspel in jip-en-janneketaal
Pieter HA Witvliet: een hulp om te weten wat er gezegd wordt; geen pleidooi voor welke hertaling dan ook!
.

Jaarfeesten Driekoningen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Driekoningen       jaartafels

Kerstspelen: alle artikelen

Jaarfeesten alle artikelen

Tineke’s Doehoek: Driekoningen

.

2869-2690

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (76)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

HET WOLFSVEL EN ANDERE VERHALEN


Verhalen uit de tijd dat ‘men nog in weerwolven geloofde’. 
Terwijl we weten – en dat weet ook de 12-jarige – dat deze verhalen niet waar gebeurd zijn, roepen ze toch een spanning op: de schrijver neemt je als vanzelfsprekend mee in de sfeer van ‘dat het misschien toch….’ of ‘als het nu eens…’ en dat maakt dat je het verhaal waaraan je begon, ook uit wil lezen, ‘boeiend’, dus. 

Ton van Reen

Ill. Annemarie van Haeringen

Uitgeverij Wolters-Noordhoff
in de reeks ‘de vroege lijsters’

Boek

Leeftijd v.a. 12jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs.

.

2868-2690

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen (2-5/6)

.
René Lecluse, huidarts, Weledaberichten nr. 180 voorjaar 1999
.

De watervoorraad van de huid
.

Veel huidproblemen worden veroorzaakt door uitdroging van de opperhuid. Deze uitdroging is aan verschillende factoren te wijten. Ons klimaat mag dan wel, gemeten aan de hoeveelheid neerslag, erg nat lijken, door de wind en de relatief lage temperatuur zou men het voor de conditie van de huid eerder een droog klimaat kunnen noemen. Daarnaast is de gewoonte om veel, lang en warm te douchen, waardoor de natuurlijke huidemulsie wegspoelt, een uitdrogingsfactor van belang.

De huid zelf is van nature erg zuinig op haar watervoorraad. Deze voorraad ligt opgeslagen in de slijmachtige grondsubstantie van het bindweefsel (slijmstoffen zijn altijd te vinden waar een levend organisme zich tegen uitdroging en verharding wil beschermen). Door het waterbindend vermogen van deze slijmachtige grondsubstantie ontstaat een gezonde spanningstoestand, die de huid een vitale indruk geeft.

Pas onder extreme omstandigheden wordt de watervoorraad aangesproken, zoals bij uitdroging van het lichaam. Uitdroging kan ontstaan door uitzonderlijk vochtverlies bij ziekte of een gebrek aan vochtopname (wat vooral bij baby’s en bejaarden voorkomt).

Overmaat aan vocht

Omgekeerd kan de huid ook een overmaat aan vocht opnemen als de circulatie van het lichaam niet in staat is om via de nieren voldoende water uit te scheiden. Een voorbeeld hiervan is oedeem in de benen bij hartpatiënten. Deze overmaat aan vocht kan vele kilo’s aan lichaamsgewicht bedragen en verdwijnt pas weer met behulp van vocht-afdrijvende medicijnen.

Een andere vorm van vochtregulatie is de zweetproductie die normaal een halve liter per dag bedraagt, maar bij oplopende temperatuur kan toenemen tot tien liter per dag. Omdat zweet voor 99 procent uit water bestaat en weinig stikstof bevat, kan de zweetproductie niet als een alternatief voor de nierfunctie worden beschouwd. In het zweet zitten vochtvasthoudende stoffen die noodzakelijk zijn voor een soepele huid. Een plaatselijk gestoorde zweetproductie leidt onherroepelijk tot huidproblemen (zoals kloven en barsten).

Zelf reguleren

Een veel gehoorde vraag is of veel water drinken zinvol is voor het behoud van een mooie en gave huid. Onder normale, gezonde omstandigheden zullen de nieren de overmaat aan wateropname meteen weer uitscheiden, terwijl de huid haar vochtvoorraad steeds op peil houdt, onafhankelijk van een overmatig opgenomen vocht. In plaats van veel water drinken is het voor de conditie van de huid beter om:

1. de natuurlijke huidemulsie intact te laten
2. eventueel de natuurlijke huidemulsie te herstellen met vochtregulerende crèmes en lotions

Hulp van planten

Dezelfde vochtregulerende en waterbindende werking als in de huid, vinden we terug in de wortel van de iris. Deze bevat net als de menselijke huid een hoog gehalte aan waterbindende slijmstoffen, waardoor de plant zacht en sappig blijft en nooit hard of stekelig wordt.

.

Zintuigenalle artikelen  zie voor de huid onder tastzin

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2867-2689

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – ‘over de eerste dier- en plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner (2/3)

.

Gerbert Grohmann:

OVER DE EERSTE DIER- EN
PLANTKUNDE IN DE PEDAGOGIE VAN RUDOLF STEINER

deel 2

PLANT – AARDE – MENSENZIEL
.

De uitleg van Grohmann is vaak ook ‘pittig’. In zijn ‘Leesboek voor de plantkunde’ heeft hij de volgende onderwerpen ook voor kinderen opgeschreven, met veel eenvoudiger bewoordingen. Ik verwijs ernaar middels een link: overzicht van de hoofdstukken.

Uitwerkingen van de 11e werkbespreking
In GA 295 [1]

 

Grohmann blz. 122

Rudolf Steiner leidde de plantkundige besprekingen van deze werkbespreking in met de woorden:

‘Nu zullen we verder gaan met onze opdracht, waar we nu al een poos onze tanden op stukbijten.’

Drie hele werkbesprekingen bijna uitsluitend over plantkundeonderwijs is t.o.v. de andere vakken inderdaad opvallend veel. Maar nadat we kennis hebben genomen van de inhoud van de twee voorafgaande werkbesprekingen, hoeven we ons niet te verwonderen dat het voor de deelnemers niet makkelijk was, meteen op de aanwijzingen van Steiner in te gaan.

Als hoofdopdracht van de 11e werkbespreking stond kennelijk de vergelijking van de ontwikkelingstrappen van de plant met de ontwikkeling van de kinderziel gepland. Een van de deelnemers had gezinspeeld op de geschriften van de toen bekende arts dr. Schlegel, waarin ook de zgn. signatuurleer behandeld werd. Daarop verklaarde Rudolf Steiner dat Schlegel zich baseerde op oude mystici als Jakob Böhme en anderen. Deze middeleeuwse mystici  kenden bepaalde relaties tot de zielenwereld en daaruit ontwikkelden ze diepzinnigere medische gezichtspunten. Zo staan, volgens Rudolf Steiner, b.v. de paddenstoelen in relatie tot de zieleneigenschap van het vele nadenken, ‘van een zielenleven dat zo geaard is dat het naast de belevenissen van de ziel niet veel nodig heeft uit de buitenwereld, maar alles meer uit zichzelf omhoog pompt’.
Deze zieleneigenschap zou een intieme relatie hebben met alle hoofdpijnachtige ziekten, zodat daaruit dan weer de relatie van de hoofdpijnachtige ziekten met de paddenstoelen zou blijken en dan staat er:

Een behoorlijke ordening van de planten hebben we tegenwoordig nog niet. U moet proberen om juist door die verbanden tussen de menselijke ziel en de planten tot een ordening te komen van de plantenwereld. We willen toch een ordening van het plantenrijk hebben.

Tegenwoordig wordt er over de signatuurleer vaak op een oppervlakkige manier gesproken. Overeenkomsten van bladvormen, wortels, zaden, vruchten of ook wel van de kleuren ervan met menselijke organen zouden op innerlijke samenhang wijzen en ook genezende werkingen laten zien. Hier is het

Blz. 123

onze opdracht over de waarde of over geen waarde van zulke methoden te beslissen. Voor ons is het belangrijker dat Rudolf Steiner de oorspronkelijke vorm van de signatuurleer wel degelijk laat gelden. Ja, hij gaf zelfs een voorbeeld en juist door dit voorbeeld geeft hij ons te kennen, dat de relaties tussen plant en mens die ertoe doen, uiteindelijk toch weer over de ziel gaan.
Wat Rudolf Steiner dan over de indeling van de plant zei, moet uiterst verrassend zijn: we hebben een indeling van het plantenrijk nodig, maar we hebben er geen die tot tevredenheid leidt. Maar we kunnen er een ontwikkelen door de relatie van de menselijke ziel met de wereld van de planten! In eerste instantie kan je maar moeilijk besluiten aan te nemen dat Rudolf Steiner met een ordening of indeling hier bedoelt wat de vaktaal een systeem noemt. Een plantensysteem volgens de wetten van de zielenwereld! En toch geloven we dat we Rudolf Steiner niet verkeerd begrepen hebben, want veel later wordt er nog een keer op hetzelfde probleem teruggekomen. Daarvóór had Rudolf Steiner de vergelijking van de ontwikkelingstrappen van de plant en de zielenontwikkeling van het kind uitvoerig behandeld. Dan zei hij letterlijk:

Als ooit een werkelijk systematisch botanicus zo te werk zal gaan, dan zal hij ook een plantensysteem aan het licht brengen dat met de feiten overeenkomt.

Deze woorden kun je niet verkeerd begrijpen en als ons iets kan laten zien hoe serieus Rudolf Steiner zijn vergelijkende methode nam, d.w.z. dat hij daarmee objectieve, ook wetenschappelijk te bevatten samenhangen (feitelijke relaties) bedoelde, dan zijn het deze perspectieven.

Nu volgt een reeks van opmerkingen van Rudolf Steiner zonder dat de uitwerkingen van cursusdeelnemers waarop deze opmerkingen betrekking hebben, in het stenogram genoemd worden. Wat Rudolf Steiner op te merken had, zal in het kort aangehaald worden.
Hij wees erop dat iedere plantensoort ernaar streeft, in het bijzonder een bepaald deel te ontwikkelen. De planten onderscheiden zich zo dat dan eens de bladeren, dan de stengels, wortels, bloemen of de vruchten de overhand hebben, terwijl het andere zich terughoudt. De stengel zou tot stam kunnen uitgroeien, andere planten kunnen ‘bijna bloem’ zijn. De wezenlijke delen van de plant, blad, stengel, wortel enz. noemde Rudolf Steiner hier ‘(berechtigte) volkomen terecht genoemde delen’. We krijgen een indeling van de planten in de wereld, wanneer we erop letten, welke orgaansystemen overheersen.
Wat hier gezegd wordt, moet natuurlijk in samenhang gezien worden met wat op blz.104 uitgelegd is, want daar gaat het om

Blz. 124

precies dezelfde vragen: wanneer bij een plant de bloei overheerst, moet die met een gevoel vergeleken worden ( de plant, niet alleen de bloeiwijze), wanneer de wortel overheerst, is de plant te vergelijken met gedachten.
Hier zegt Rudolf Steiner alleen:

Als u nu ontdekt dat alles wat bloem is tot een bepaalde zieleneigenschap behoort, dan zult u ook de andere orgaanstelsels bij andere zieleneigenschappen moeten indelen. Het maakt dus niet uit of men afzonderlijke delen tot de zieleneigenschappen laat horen of het hele plantenrijk. Het hele plantenrijk is eigenlijk wederom een enkele plant.’

In een voordracht voor artsen, waarin Rudolf Steiner er ook over sprak dat de planten de tendens hebben, elk van hun organen in zekere zin tot het overheersende te maken, noemde hij als voorbeeld de ananas die de stam tot het overheersende wil maken en de paardenstaart die helemaal opgaat in de stengelvorming. Als plant die de stengel een stam laat worden, kan echter ook de cactus worden genoemd. Andere voorbeelden noemde Rudolf Steiner in het citaat op blz.104.
De plantenwereld van de aarde is in de grond van de zaak één enkele plant die zichtbaar in vele vormen, al naar gelang klimaat, bodemgesteldheid, de baan van de zon, de gang van de sterren over de aardzones verspreid die met steeds weer nieuwe veranderingen zichtbaar wordt. Wat Rudolf Steiner hierboven bedoelde, geldt juist voor deze algemene plant in het speciale geval, de plant in de plant. Wanneer we de bloei als zodanig een bepaalde zieleneigenschap toedichten, dan geldt dat voor de bloei van de algemene plant. Dan zouden echter ook voor blad, wortel enz. de erbij horende algemene eigenschappen aangegeven kunnen worden. En Rudolf Steiner heeft dat op de genoemde plaats gedaan.

De volgende tussenopmerking van Rudolf Steiner luidt:

Hoe is het eigenlijk gesteld met het slapen en waken van de aarde? Nu slaapt de aarde bij ons, maar bij onze tegenvoeters ontwaakt ze. Ze draagt de slaap naar de andere kant. Daar neemt natuurlijk ook de plantenwereld aan deel, en dat bepaalt ook de verschillen in vegetatie. Zo krijgt u dan de mogelijkheid om volgens deze ruimtelijke verdeling van slapen en waken op aarde, dat wil zeggen volgens zomer en winter, een ordening, een indeling van de planten te maken. De vegetatie bij ons is immers anders dan bij onze tegenvoeters.’

Zelfs uit dergelijke verschillen dus, zou een indeling van het plantenrijk kunnen ontstaan. En zo zullen waarschijnlijk nog wel wat andere gezichtspunten gevonden kunnen worden, waarmee een indeling

Blz. 125

ontworpen zou kunnen worden. Dat Rudolf Steiner bovendien op deze plaats in de werkbespreking over dergelijke mogelijkheden kwam te spreken, vond zijn reden zeer zeker alleen maar in de uitvoeringen van de deelnemers die ons niet meegedeeld worden en die eerder uitgesproken werden. Vermoedelijk wilde Rudolf Steiner  – toen hij tegelijkertijd ook corrigeerde – op z’n minst toch aangeven dat je in vele richtingen op realiteiten komt. Dergelijke gezichtspunten kunnen wetenschappelijk gezien wel heel interessant zijn, voor het pedagogische
komen in de eerste plaats toch andere principes aan de orde en het is niet aannemelijk dat Rudolf Steiner hier uit wil nodigen het plantkundeonderwijs van de onderbouw op andere methoden te baseren dan die hij voor de school ontwierp, nl. die van het vergelijken.

Toen een deelnemer een poging deed planten met temperamenten te vergelijken, bracht Rudolf Steiner daartegen in:

Men komt op een hellend vlak, wanneer men de temperamenten direct betrekt op de plantenwereld.’

Op eerdere plaatsen hebben wij er al op gewezen dat de temperamenten in die opsomming van zieleneigenschappen die Rudolf Steiner met bepaalde planten vergeleken wil hebben, niet voorkomen, dat we echter aan de andere kant uitgenodigd worden ons wat de paddenstoelen en zwammen in het bos betreft te vragen, wat dat voor een temperament is. Je komt dichter bij de oplossing van het raadsel, wanneer je eraan denkt dat – dat eveneens al eerder aan de orde kwam – eigenlijk alleen de hogere planten (bloeiende planten) met de mensenziel zijn te vergelijken. Lagere planten horen zogezegd om kosmologische redenen niet bij de huidige mensheidsfase. Ze zijn nog niet helemaal plant geworden en hebben nog te veel van het dierlijke in zich, zoals Rudolf Steiner het uitdrukte *].
Daarom mag wel aangenomen worden dat Rudolf Steiner, toen hij de planten tegenover de menselijke zieleneigenschappen

*] Deze innerlijke verwantschap met de dieren moet niet verward worden met het feit dat sommige planten vooral in het gebied van de bloem, zoals b.v. sommige orchideeën, er dierlijk uitzien. In het plantenrijk zijn er vele gevallen en zitten bij heel bepaalde families bij elkaar, waar orgaanvormen, maar ook hele diervormen uiterlijk nagebootst worden. Ook geuren, substantiële kwaliteiten, vang- en bestuivingsconstructies kunnen in deze richting sprekend zijn. Maar altijd gaat het alleen maar om uiterlijke overeenkomsten, waar innerlijk niets tegenover staat. Bovendien moet bedacht worden dat planten ook dat uit kunnen beelden wat op zich uiterlijk in het bereik van het plantachtige ligt. De plant heeft de onmogelijkheid van gevoelens, emoties, ze kan noch lust noch onlustgevoelens ervaren, omdat ze helemaal geen binnenwereld heeft en toch is ze uiterlijk vergelijkbaar met die zieleneigenschappen.

Blz. 126

in een tabel van de cursusdeelnemers wilde hebben, slechts de bloeiplanten bedoelde.
Wat aan de temperamenten ten grondslag ligt, is duidelijk veel meer een boven alle organische natuurrijken uitgaande algemene uitgebreide verscheidenheid. Wanneer we ons afvragen wat paddenstoelen en zwammen voor een temperament zijn (niet hebben!) dan zal de paddenstoel of de zwam zeer zeker niet zo duidelijk omschreven worden als wanneer we een bloeiplant een heel speciale zieleneigenschap van de mens geven. De woorden van Rudolf Steiner zijn dan wel zo te begrijpen dat de temperamenten niet direct op individuele planten betrokken kunnen worden.
Geesteswetenschappelijk bezien mag misschien nog aanvullend worden toegevoegd dat de drager van het temperament zoals alle blijvende aanleg en karaktertrekken bij de mens het etherlijf is. Drager van de eigenschappen daarentegen waarover Rudolf Steiner hierboven spreekt, affecties, lust-onlustgevoelens, droefheid enz. is het astraallijf, de drager van de ziel. Daaruit volgt dat temperamenten inderdaad niet met die laatstgenoemde eigenschappen op eenzelfde hoogte gesteld kunnen worden, want die zijn in de echte zin van het woord geen zieleneigenschappen.
Ondanks dat kan het in een enkel geval juist zijn, ook iets temperamentsachtigs bij de karakterisering van de bloeiplanten mee te nemen. Door een toespeling op een temperament – de naam moet in dat geval niet genoemd worden – laat zich een bepaalde kant van de plant dikwijls treffend karakteriseren.
Een vogelwikke bijv. maar ook andere vlinderbloemigen, zijn net zo sanguinisch als paddenstoelen flegmatisch zijn en niemand hoeft zich te generen, die relaties pedagogisch ten nutte te maken. De manier waarop Rudolf Steiner later de paddenstoelen als beeld voor de babyleeftijd schetste, is er het mooiste voorbeeld van hoe zogezegd vanuit de geest van een temperament gekarakteriseerd kan worden.

Leesboek: Over de volmaakte en onvolmaakte planten en over kleine kinderen


Hiermee zijn we dan in het vervolg van de 11e werkbespreking op het punt gekomen waarop Rudolf Steiner het woord nam om op een wat langere voordrachtachtige manier uit te weiden over zijn pedagogisch systeem, en het vergelijken van de zielenontwikkeling van het kind met de ontwikkelingstrappen van het plantenrijk in samenhang weer te geven. Dat is in de werkbesprekingsuren de laatste grote opzet over plantkunde. Die mag wel als een hoogtepunt en als leervoorbeeld dienen van een bewonderingswaardige, geniale conceptie. Alles wat er tot nog toe over zieleneigenschappen is gezegd en de spiegeling daarvan in de planten, ontwikkeld door Rudolf Steiner, vormt een soort fundament voor het goed begrijpen van wat er nu volgt, want zonder dit

Blz. 127

voorafgaande zouden de vergelijkingen die nu stap voor stap opgebouwd worden, toch maar analogieën blijven, die je geslaagd of minder geslaagd kan vinden en welke zonder schade door andere kunnen worden vervangen die je veel meer passend en vriendelijker vind. Laten we eens kijken naar wat Rudolf Steiner later over het principiële van zijn methode zelf zei:

U brengt de kinderen zo ver dat ze gaan nadenken over de ziele-eigenschappen van het wordende kind. En dan brengt u dat hele groeiproces van de wordende ziel over naar de plant, u gebruikt als hulpmiddel datgene wat ik gisteren heb verteld over de boom en dan vindt u de parallellen tussen de ziele-eigenschappen en de planten. Daar zit systeem in! Daar wordt niet op willekeurige wijze het een parallel gemaakt aan het ander, zoals men het toevallig tegenkomt. Daarin werkt een principe, werkt vormkracht. Dat moet erin zijn.’

De innerlijke groei van het kind als lichtende ziel, komt overeen met de vervolmaking van de plant in het zonlicht en de lucht.

We zullen nu de samenhangende uiteenzettingen van Rudolf Steiner deel voor deel weergeven om onze eigen bijdragen en uitleg in te kunnen lassen. Rudolf Steiner begon:

‘Het volgende kunnen we wel zeggen, want als de plantkunde op het programma staat zijn de kinderen bijna tien. [In het Duits staat: tegen het elfde jaar!]  We zeggen: ‘Kinderen, jullie waren niet altijd zo groot als je nu bent. Je hebt al heel veel geleerd wat je vroeger nog niet kon. Toen je leven begon, was je klein en onhandig en je kon zelf nog niets doen. Toen je nog heel klein was kon je nog niet eens praten. En lopen ook niet. Veel dingen die je nu kunt, kon je toen nog niet. Laten we allemaal eens goed nadenken, laten we eens terugdenken hoe je was toen je nog een heel klein kindje was. Weet je nog hoe je toen was? Weet je het nog? Kun je je herinneren wat je toen deed?’
Zo vraagt men verder, tot ze het allemaal begrijpen en ‘nee’ zeggen.
‘Je weet dus niets meer van de dingen die je toen deed, toen je nog een heel klein hummeltje was. Ja, beste kinderen, is er dan nog iets anders in je, waarbij je later ook niet meer weet wat je hebt gedaan?’
Ze denken na. Misschien is er
 iemand die er opkomt, anders brengt men de kinderen in de goede richting. Iemand kan dan het antwoord geven: ‘Als ik geslapen heb.’ ‘Ja, als je klein bent, dan vergaat het je net zoals wanneer je in bed ligt te slapen. Je slaapt dus als je nog een kleine dreumes bent en je

Blz. 128

slaapt als je in bed ligt. Nu gaan we naar buiten, en dan zoeken we buiten in de natuur iets wat net zo slaapt als jullie sliepen toen je nog een klein hummeltje was. Je zult dat natuurlijk zelf niet weten, maar de mensen die zoiets weten, die weten dat buiten ook iets net zo diep in slaap is als jullie toen je klein was. En dat zijn de paddenstoelen en zwammen die je in het bos vindt. Paddenstoelen en zwammen zijn zielen die als een kind slapen.

leesboek: Hoe de aarde door middel van haar paddenstoelen bloeit en vrucht draagt

Hier duiken dus de paddenstoelen voor de derde keer op en iedere keer in een andere betekenis. Het is noodzakelijk de gezichtspunten uit elkaar te houden. In de 9e werkbespreking worden de paddenstoelen enkel genoemd als flegmatische plantenaardige verschijningsvormen. Ze zijn a.h.w. te traag, doen nauwelijks mee met de in licht gehulde omgeving, als zouden ze zich kunnen forceren echt groene planten te worden met bladeren enz. Dus zinken ze volledig weg in een soort stofwisselingsactiviteit en vormen alleen de vruchten op een behoorlijke manier.
Voor de tweede keer spelen de paddenstoelen dan een rol in de
10e werkbespreking in samenhang met de bomen. Daar staat dat de aarde op die plaatsen waar bomen groeien zich in een diepe slaap bevindt, terwijl ze daar waar veel paddenstoelen voorkomen, ook ’s zomers wakker is. Hier lijkt een vorm van tegenspraak te zijn t.o.v. de passage in deze werkbespreking. Maar dat is maar schijn, want in de 10e werkbespreking zijn, zoals uit de hele samenhang blijkt, de paddenstoelen helemaal niet de vruchtlichamen waarop het aankomt, maar de aarde is het. Niet de paddenstoel is wakker, maar de aarde op de desbetreffende plek.
In de 11e werkbespreking wordt dan het zintuiglijk waarneembare beeld van een ontwikkelingstoestand van de mens in de uiterlijke natuur opgezocht.
Nu geldt de vergelijking juist wel voor de vruchtlichamen in het bos.
Het hoort bij de uitgangspunten van de geesteswetenschappelijke menskunde, dat bij de pasgeborene en ook nog tijdens de eerste levensjaren het hoofd het centrum en vertrekpunt van groeikrachten voor het hele organisme is. Alleen speelt het hoofd gedurende deze tijd nog niet de rol van een bewustzijnscentrum, zoals later. Het wordt voornamelijk door opbouwende en niet door afbraakkrachten beheerst, waaruit zich ook de slapende zielenhouding van het kleine kind laat verklaren, want opbouwende groei en bewustzijn sluiten elkaar over en weer uit.
Je kan het hoofd van de mens ook vergelijken met de wortel van een plant. Die breidt zich in een eeuwig zich vernieuwende jeugdtoestand als zone voor de fijnste zuigworteltjes sferisch in de bodem uit.

Blz. 129

Deze kwasi-embryonale zone is het meest levendige deel van de hele plant. Al gauw treedt de verharding op en de wortel wordt het meest stevige, het plantendeel dat het langst blijft bestaan, dat dan zelfs kan verhouten ook al vormt de plant boven de aarde geen houtdelen. Hier zit dus de relatie met het menselijke hoofd verborgen. Ook ons hoofd gaat vanuit een vormbare, embryonale jeugdtoestand over in een soort blijvende toestand. Het wordt een lichaamsdeel, een van de meest verharde, maar tegelijkertijd ook een van de meest dode, d.w.z. onderworpen aan afbraakprocessen. Daardoor kan het het centrum van het bewustzijn worden.
Als we nu weer naar de paddenstoelen gaan, dan kunnen we van hen zeggen, zonder de natuurfeiten op de een of andere manier geweld aan te doen, dat zij in  de voortdurende embryonale toestand van een zuigwortel blijven. De fijne paddenstoelendraadjes vlechten zich dooreen, vervilten en vormen in snelle groei waarbij ze de eigenlijke plant (stengel, bladeren) overslaan, het vruchtlichaam. Paddenstoelen zijn kinderzielen die slapen. Ze zijn ‘hoofdig’ (kopfig), waarbij je nog niet eens hoeft te denken aan de af en toe voorkomende kopvorm (of dat ze een ‘hoed’ ophebben) Alleen de wortelverwantschap met de paddenstoelen al, brengt volgens de leer van de drieledigheid van de natuurrijken en de mens duidelijk de relatie met het hoofd naar voren. Maar dit ‘hoofd’ wordt door overdadige, bewustzijnsvijandige levenskrachten overwoekerd.
Deze natuurwetenschappelijke samenhangen moet de leerkracht als achtergrond hebben, wanneer hij de kinderen de paddenstoelen schetst, ook al wordt daar in het vergelijken niets over gezegd. Bij het pas geboren kind zijn de vermogens van de ziel bijna helemaal nog niet gevormd. Er is nog niets aanwezig wat hem zou kunnen helpen, zijn omgeving aan te kunnen of er zelfs maar deel van uit te maken. De innerlijk zon is nauwelijks begonnen te stralen. Ook de paddenstoel kan bijna nog niets. Als je hem vergelijkt met de groene plant, heeft hij geen stengel, geen bladeren, ook geen bloem, alleen een vruchtlichaam. Hij is helemaal doortrokken van stofwisselingsprocessen, zodat je van hem kan zeggen, dat hij zich evenals de zuigeling helemaal richt op de vertering. Ja, paddenstoelen moeten door moeder aarde gevoed, bijna gevoerd worden, omdat zij als niet-groene plant zelf geen organische stof kunnen vormen met het zonlicht. Hun stofwisseling lijkt op die van de dieren.
De paddenstoel zou wat hij tekort komt om een echte plant te worden, pas dan krijgen, wanneer het zonlicht vat op hem zou krijgen. Maar de zon ‘doet geen moeite voor de paddenstoelen en zwammen.’  Zo worden bij deze vergelijkingen overal zielenlicht en uiterlijk zonlicht op elkaar betrokken. Wat het zonlicht doet, wordt zichtbaar in de vorm van de plant die steeds volmaakter wordt,

Blz. 130

het zielenlicht werkt aan de innerlijke vervolmaking.
Het lijkt in eerste instantie in tegenspraak dat, nadat er eerder gezegd is dat alleen bloeiplanten met menselijke zieleneigenschappen kunnen worden vergeleken, hier dan toch bloemloze planten als vergelijking gebruikt worden. Inderdaad, het is niet zo makkelijk te begrijpen en je hebt een duidelijk onderscheid nodig waar je het anders-zijn van beide gezichtspunten moet zoeken.
Enerzijds moet je in de gaten hebben, dat de bloemloze planten hier toch alleen maar vergeleken worden met de vroege ontwikkelingsfase van de kinderen tot de tandenwisseling, dus niet met de volledig ontwikkelde mens, aan de andere kant heeft het woord zieleneigenschappen in het tweede geval toch werkelijk een andere betekenis dan in het eerste. In het eerste geval worden vormen van denken, affecties, lust- en onlustgevoelens, droefenis enz. tot aan de wil eenvoudig als tot de ziel behorend gekwalificeerd, zelfstandige verschijnselen naast elkaar geplaatst; in het tweede daarentegen gaat het meer om de graad van vervolmaking van de kinderziel, die bepaalde belevingen in zichzelf ontwikkelen kan of niet. De vergelijking geldt hier dus exact bekeken, helemaal geen zieleneigenschap op zich, maar de ziel zelf. Wanneer Rudolf Steiner nu ook beide keren kortweg van zieleneigenschappen spreekt, mag toch de verschillende betekenis van het woord niet over het hoofd worden gezien, als je niet aan alle mogelijke inconsequenties ten prooi wil vallen.

We gaan nu weer verder met de woorden van Rudolf Steiner. Nog steeds gebruikt Rudolf Steiner bij de kinderen de directe rede:

Toen kwam de tijd dat je leerde praten en lopen. Je weet dat wel van je kleine broertje of zusje, dat je eerst leert praten en lopen. Eerst praten en dan lopen, of eerst lopen en dan praten. Dat is een eigenschap die je ziel er nog bij krijgt, die had je in het begin niet. Je hebt er iets bijgeleerd. Als je hebt leren lopen en spreken kun je meer dan je eerst kon.
Nu gaan we weer naar buiten en zoeken we iets wat ook meer kan dan de zwammen en paddenstoelen. Dat zijn de algen’ – ik moet de kinderen dan iets van algen laten zien – ‘en dat zijn mossen’ – ik moet het kind mossen laten zien. ‘Wat er in algen en mossen zit, dat kan al veel meer dan wat er in de paddenstoelen zit.’

Leesboek: Het mosOver de plantenwereld van de zee: de wieren en algen

De ziel heeft er een eigenschap bijgekregen als het kind leert lopen en spreken. In de samenvatting aan het eind van de werkbespreking

Blz. 131

staat er bij de algen en de mossen: eerste zielenvreugde van een kind, verdriet en emoties, enz. De vergelijking gaat minder over het lopen en spreken zelf, veel meer de belevingen van de ziel. Voor de plantentrap die door de begrippen algen en mos gekarakteriseerd wordt, zou als een principiële voortgang t.o.v. de paddenstoelen, in de eerste plaats het groen worden genoemd moeten worden.
Daardoor staat het plantachtige van nu af aan open voor het uiterlijke licht, net zoals het kind door zijn zich steeds ontwikkelende zintuigen voor zijn omgeving.

Het eerste resultaat is nog zeer primitief. Laten we eerst eens naar het mos kijken! Mosplantjes zijn nog niet axillair (okselknopen betreffend) gevormd zoals de hogere planten. Het systeem stengel, oksels, blad en oog speelt bij hen nog geen rol. Vandaar dat de zgn. groene blaadjes van het mos wellicht beter groene schubbetjes kunnen heten die blaadjes nabootsen. Ook de wetmatigheid van vertakking zie je bij de mossen niet. Nog half liggend, half opgericht komen ze los van de bodem. Het is inderdaad slechts de allereerste zielenvreugde die hier getoond wordt. Naar onder toe gaan de mossen over in aarde. Moskussentjes zijn zoals we weten zelfs aardevormend , wanneer ze afsterven. Later nam Rudolf Steiner nog het gezichtspunt erbij, dat de vervolmaking van het plantachtige eigenlijk berust op een steeds sterkere invloed van het licht t.o.v. het aards-donkere. Bij het mos kunnen we met eigen ogen zien hoe de zon de bovenste aardlaag afneemt van de duisternis  en tot plantenleven wekt.
Kinderen genieten vaak bijzonder van mos. Wat een verbazing wanneer ze de nietige, geel-rode sterretjes op de stengeltjes ontdekken waarmee het mosplantje in zekere zin een eerste poging doet een bloem na te bootsen! De kinderen kennen de parmantige stuifmeelkapseltjes op de lange steeltjes goed; het zijn pogingen net zo te doen als zaadkapsels van de bloeiende planten. Ook op dit niveau van de plantenwereld is zoals bij het drie-vierjarige kind [in de Duitse tekst staat: de tijd vóór de kinderen leerplichtig worden] de nabootsing het heersende principe.
Bij de algen –waaronder we ons hier wellicht eerst de soorten moeten voorstellen die je met het blote oog kan zien, het zeewier dus,- gaat het net zo. De nabootsing van stengels en bladeren thallus die op zich nauwelijks tot een verdeling kan komen, neemt hier juist verbluffende vormen aan. Het gaat zo ver dat de bladeren afvallen. Omdat algengewassen door het water worden gedragen, ontbreekt iedere kracht zich op te richten. Je kan algen goed als een gesprek opvatten tussen het zonlicht en het water. Inderdaad zijn de

Blz. 132

slap in het drijvende, min of meer vormeloze algenvormen zonder wortels en bloemen, slechts een eerste brabbelen in dit gesprek.
Het ligt natuurlijk op de loer om het oprichten van het mos te vergelijken met het zich oprichten van het kind en dan het mos natuurlijk meer bij het lopen te plaatsen, de algen meer bij het spreken, maar je moet je wel steeds bewust blijven, dat dergelijke vergelijkingen toch aan de oppervlakte blijven en niet werkelijk de kern van de zaak, de ziel, raken!
Wie probeert het net zo als Rudolf Steiner te doen met de methodische aanwijzingen van de vergelijkende methode, kan de ervaring opdoen die velen voor hem al hadden, nl. dat de kinderen zo vanzelfsprekend en open op de vergelijkingen ingaan, ze begrijpen en er fantasievol op doorgaan, dat je jezelf eigenlijk schaamt, omdat je eerst zoveel bedenkingen had.

Leesboek: Over de varens

De volgende trap van het plantenrijk zijn de varens. Daarover zei Rudolf Steiner:

Dan laat ik de kinderen een varen zien en zeg: ‘Kijk eens, die varen kan nog veel meer dan de mossen. De varen, die kan al zo veel, je kunt wel zeggen dat het lijkt alsof hij al blaadjes heeft. Dat lijken toch al wel blaadjes. Ja, je weet niet meer wat je allemaal deed toen je leerde spreken en lopen. Je sliep eigenlijk steeds. Maar als je naar je kleine broertje of zusje kijkt, dan weet je dat ze dan later niet meer zo veel slapen als in het begin. Maar eens kwam het moment dat je ziel wakker werd. Tot dat moment kun je je dingen herinneren. Denk daar maar eens aan! Dat moment in je ziel, dat kan vergeleken worden met de varens. Maar je kunt je later steeds beter dingen herinneren van je zielenleven. We zullen ons eens heel duidelijk voor de geest halen hoe het kwam dat je “ik” ging zeggen. Dat is ongeveer op hetzelfde moment tot waar je je iets kunt herinneren. Maar dat “ik” kwam zo geleidelijk aan. Eerst zei je altijd “Willem” als je jezelf bedoelde.’ Men laat vervolgens de kinderen iets vertellen wat ze nog van hun kindertijd weten. En dan zegt men: ‘Kijk, eerst was het in je ziel echt zo alsof alles in slaap was; het was werkelijk nacht in je ziel.

Blz. 133

Maar nu is ze wakker geworden. En nu is er nog meer wakker geworden, anders had je er niets bijgeleerd. Maar je moet toch nog veel slapen. Nog niet alles is wakker, er slaapt toch nog veel. Er is pas een deel wakker.’

Het kind bevindt zich, wanneer zijn eerste bewustzijn oplicht, zo ongeveer in zijn derde jaar. Dat is de tijd waarin ook het herinneringsvermogen gevormd wordt. Als we voor de karakterisering van deze leeftijdsfase de uitkomsten van de geesteswetenschap erbij nemen, dan is vooral de verhouding van ziel-lichaam van betekenis. De drager van wat de kinderlijke ziel is, het etherlijf, is nog niet geboren, d.w.z. die krachten die met de tandenwisseling vrijkomen en van het kleine kind een schoolkind maken dat in staat is te leren, zijn in deze tijd nog aan het lichaam gebonden en worden nadrukkelijk gebruikt voor de fysieke opbouw. Pas met de tandenwisseling krijgen de zielenkrachten hun zelfstandigheid t.o.v. het lichaam.
We moeten nu voor een beter begrip, al weergeven dat Rudolf Steiner de hele schooltijd (7 -14) met de bloeiplanten vergelijkt. Het vrijkomen van de bloem uit de groene plant, komt overeen met het vrij worden van het etherlijf bij het kind.
Varens hebben nog geen bloemen. Wat later bloem wil worden, zit op de varentrap van het plantenrijk net zo verborgen in de groene delen, zoals de latere ziel van het kind nog in de lichaamsprocessen verborgen zit.
Zo grijpen de grote varentrechters die door vele varens worden gevormd, vooruit op de bloemkelk.
Varens bootsen ook in ander opzicht bloeiende planten na. Een bekend voorbeeld hiervan is onze adelaarsvaren die zijn bladstelen gebruikt om enigszins een stengel aan te geven. Varens over de hele wereld kunnen alleen maar bladeren voortbrengen, maar geen stengels. Bij de adelaarsvaren ziet het er dan zo uit alsof de plant brede, horizontaal staand bladvlakken op lange, loodrechte stengels draagt. En toch is alles alleen maar blad. De plant ‘oefent’ als het ware al op de varenfase nabootsend, een bloeiplant te worden, zoals het kind zich in het nabootsen oefent, te worden als de volwassene.
Een blik op het voortplantingsgedrag van de varens completeert het beeld naar een wezenlijke kant. Zoals bekend ontwikkelen de varens onder aan hun bladeren fijn stuifmeel, dat op de vochtige aarde uitgestrooid wordt. Uit de stuifmeelkorrels komen geenszins meteen nieuwe varenplanten. Het resultaat van het kiemen is eerst een paar centimeter groot, een bladachtige, meest hartenvormige gedaante, de zgn. voorkiem of wel het prothallium. Het draagt, niet zichtbaar voor het blote oog, echte voortplantingsorganen

Blz. 134

en pas als de eicel bevrucht is, groeit op de voorkiem, als een parasiet, de nieuwe varenplant. Hoe het precies zit, kan in ieder plantkundeboek nagelezen worden. Het komt er alleen op aan, hoe wij deze verschijnselen moeten interpreteren.

De voorkiem komt wat de ontwikkelingsgeschiedenis betreft, overeen met het algenniveau. Algen zijn, als je dat zo wil zeggen, voorkiemen die tot reusachtige dimensies zijn uitgegroeid, maar anderzijds komen ze in hun vertakking, in hun manier van voortplanten enz. principieel met voorkiemen overeen. Maar je kan het ook zo opvatten dat de algentoestand bij de varens steeds op een achtergebleven vorm wordt herhaald, wanneer er een nieuwe generatie varens op een eerdere moet volgen. De varen grijpt steeds terug op zijn verleden. Hij ‘herinnert’ zich deze en kan die niet vergeten.

Onze beschouwing kunnen we nog verder voeren: de bevruchtingsprocessen die zich op de voorkiem afspelen, zijn vanzelfsprekend nog een rest van een vroegere dier-plantachtige toestand.
Het is hoogst interessant en verhelderend in welke verhouding de varen zelf tot deze processen staat. Hij brengt die naar buiten en verlegt deze naar een bijzonder ontwikkelingsstadium, dus de voorkiem. Daardoor laat de varen zijn lager staand verleden achter zich. Hij werkt zich op tot een echte plant en we zeggen slechts de waarheid als we zeggen: de plant komt op het niveau van de varen tot zichzelf. Als hij het zou kunnen, zou hij voor het eerst zichzelf  ‘Ik’ noemen. Ook al kan wat hier geschetst wordt maar gedeeltelijk direct in het onderwijs gebruikt worden, is het kennen ervan niet overbodig, want het geeft de leerkracht de zekerheid en de stelligheid dat hij in veel grotere mate dan hij uit kan spreken, realiteiten achter zich heeft staan.

Ook de eigenaardige manier van bladontwikkeling van de varen die zo opvallend afwijkt van die van de bloeiplanten, verdient het om in het bijzonder naar te kijken. Een varenblad ‘bot’ niet uit, het wikkelt zich af vanuit die slakkenvormige knoppen (bisschopstaf) en plaats zich a.h.w. van bovenaf op de aarde, terwijl bij de bloeiplanten de groeiende bladdelen aan de bladbasis liggen. Daarmee wordt een principiële tegenstelling zichtbaar tussen varen en bloeiplant, maar in dit kader moeten we van een verdere uitwerking afzien. Maar wanneer je de zojuist geschetste verhouding ziet, wordt een manier van uitdrukken van Rudolf Steiner wat duidelijker. Rudolf Steiner zei namelijk over de varens dat die ‘er zo uitzien alsof ze bladeren hebben en dat er aan hen iets ‘bladachtigs’ zit. Het varenblad

Blz. 135

dat in zijn uiterlijke vorm af is, is zelfs een zeer zorgvuldig doorvormd blad. Je kan tegen de kinderen zeggen dat de varens met hun bladeren zich veel moeite getroosten omdat ze nog geen bloemenkroon kunnen vormen en dat daarom het blad hun hoogste niveau is. Een spore is a.h.w. stuifmeel en zaadkorrel ineen. Maar Rudolf Steiner scheen – gelet op zijn bijzondere manier van uitdrukken –  het varenblad niet als een echt blad te beschouwen.

Kinderen die euritmieles krijgen, kennen de slakkenvorm zoals die bij de varens voorkomt. De kinderen lopen die als ‘zich inwikkelende en uitwikkelende spiraal’. De bewegingsoefening heeft tot doel de innerlijke relatie van het kind tot zijn omringende wereld te harmoniseren en eventueel ook te verbeteren. Bij dergelijke leservaringen van het kind kan natuurlijk aangeknoopt worden als erover gesproken wordt dat de varen in het plantenrijk net zo is als het kind wanneer dat voor het eerst zijn Ik beleeft.

Nadat Rudolf Steiner de varens had behandeld – in de les kunnen er vanzelfsprekend andere varens bij gehaald worden, zoals de paardenstaart en de wolfsklauw – ging hij verder met de volgende plantentrap, de naaldbomen.

Leesboek: De kerstboom, een stralende, bloeiende en vruchtdragende naaldboom

Hij zei:

‘De eigenschappen van je ziel als je zo vier, vijf jaar bent, die lijken op wat ik je nu laat zien.’

De kinderen moeten nu een plant uit de groep van de gymnospermen (naaktzadigen) (naaldbomen)

‘die nog iets volmaakter van vorm zijn dan de varens,’

te zien krijgen.

Kijk, dan is het later in je ziel zo — als je zes, zeven jaar bent — dat je naar school kunt gaan en alle vreugdevolle dingen die de school je brengt dan in je ziel wakker worden.’

Wanneer je ten slotte nog een keer op de varens en naaktzadigen wijst, zeg je:

‘Kijk eens, die hebben nog geen bloemen. Zo was het in je ziel voordat je naar school ging.’

Voor de botanicus zijn de naaldbomen zonder meer bloeiende planten omdat ze zaden en stuifmeel vormen. Een dennenkegel is een vruchtbloesem. De samenhang die Rudolf Steiner op het oog had, toen hij naaldbomen als bloeiloze plant behandeld wilde zien, is anders. De karakterisering slaat hier niet op de voortplantingsorganen van de plant, maar op het vormen van die bijzondere kwaliteiten zoals de kleurige kroon, geur, nectar enz., die

Blz. 136

gewoonlijk samenvatten in het begrip bloem. Wanneer er in de onderbouw op een bijzondere manier in de plantkunde over de bloem wordt gesproken, wordt deze kant belicht. We zagen al eerder dat er nog geen rekening wordt gehouden met de voortplanting door het bevruchtingsproces, maar dat alleen gezocht wordt de waarneembare veranderingen te beschrijven en te verklaren. Vanuit dit gezichtspunt bezien is de bloei de hoogste en de meest volmaakte verschijning van de plant. Hoogste ontwikkeling, verfijndheid, ja ‘verheerlijktheid’ om met Goethe te preken, tegelijkertijd met het opengaan, zodat het wonder zichtbaar kan worden. Zo moet de bloei hier worden begrepen en zo moeten we deze ook aan het kind geven.
Gekeken naar de uiterlijke gestalte van de naaldbomen kan je ook zeker zeggen dat de naaldbomen iets, maar niet veel verder zijn dan de varens, op hun weg naar vervolmaking. Je kan de kinderen er bijv. op wijzen dat de paardenstaarten eruit zien als kleine dennenbomen en dat ze hun ‘zaadstof’ alvast in kleine ‘dennenkegeltjes’ doen; je kan aanroeren dat de machtige boomvarens in de warmere landen rechte zuilachtige stammen hebben zoals onze dennen en sparren enz. Zo brengen veel kenmerken je van de varentrap naar de naaldbomen en toch wordt met de overgang naar de naaktzadigen pas de stap gezet naar de bloeiplanten!

Nemen we zoals hierboven bij de varens ook nu weer de geesteswetenschappelijke menskunde te hulp, dan krijgen we het volgende: zoals we zagen, wordt pas met de tandenwisseling de ziel van het kind vrij van de lichamelijke processen. De geesteswetenschap noemt dit belangrijke feit de geboorte van het etherlijf. Tot aan dit tijdstip is het kind een niet-bloeiende plant, een cryptogame. Maar ook bij de menselijke ontwikkeling werpen grote gebeurtenissen hun schaduw vooruit. Voor de plantenwereld betekent dit dat uiterlijk een gewas zonder bloemen innerlijk toch al in een bloeiplant veranderd kan worden. Dat is het geval bij de naaldbomen. Ze hebben de processen en de stoffen al in zich die je met recht als behorend bij de bloei kan bestempelen en kan laten zien. In de naalden vinden we de vluchtige, geurende, etherische olie, in het hout en in de bast de harsstoffen. Beide substanties zijn aromatisch zoals dat bij de bloem is of bij de vrucht. Het licht dat bij het verbranden zichtbaar wordt, is het bloeien van dat substantiële, zoals in sommige talen het woord licht identiek is aan bloei. Je moet een naaldboom eerst in brand steken, wil hij bloeien. Eerst is de bloei gebonden aan ‘het lichaam’, zoals de

Blz. 137

zielenkrachten van het kind voor de tandenwisseling. Maar het kind dat voor de tandenwisseling staat, wacht er al op zich wat zijn ziel betreft uit een nog varenachtige plant in een wezen te veranderen van een veel hogere graad van vervolmaking.

We besluiten onze uiteenzettingen met een gedicht van Christian Morgenstern, waarin die kant van de naaldbomen waarover we hebben gesproken, stemmig tot uitdrukking komt:

Das Weihnachtsbäumlein

Es war einmal ein Tännelein
mit braunen Kuchenherzlein
und Glitzergold und Äpflein fein
und vielen bunten Kerzlein:
Das war am Weihnachtsfest so grün
als fing es eben an zu blühn.
Doch nach nicht gar zu langer Zeit,
da stands im Garten unten,
und seine ganze Herrlichkeit
war, ach, dahingeschwunden.
Die grünen Nadeln war’n verdorrt,
die Herzlein und die Kerzlein fort.
Bis eines Tags der Gärtner kam,
den fror zu Haus im Dunkeln,
und es in seinen Ofen nahm –
Hei! Tat`s da sprühn und funkeln!
Und flammte jubelnd himmelwärts
in hundert Flämmlein an Gottes Herz.

Leesboek: Over de tulp        De roos

Hier komen we dan op de grens van de basisschoolleeftijd die overeenstemt met de overgang naar de bloeiplanten. Het rijk van de bloeiplanten wordt gesplitst in twee grote groepen: die van de eenzaadlobbigen (monocotyledonen: lelie, tulp, hyacint, in ieder geval alle bolgewassen, ook nog de herfsttijloos, krokus, zwaardlelie, grassen, palmen e.a.) en tweezaadlobbigen (dicotyledonen: alle andere bloeiplanten met inbegrip van de bomen). De bloembekleedsels van de eenzaadlobbigen zijn simpel, d.w.z. er is nog geen groene kelk (tulp). Bij de tweezaadlobbigen daarentegen is het bloembekleedsel verdeeld in een groene kelk en kleurige kroonblaadjes (roos).
Vanzelfsprekend verschillen de een- en tweezaadlobbigen nog in vele opzichten.

Blz. 138

Leesboek: Over de parallel- en de netnervige bladeren
Overzicht van enige kenmerken van parallel- en veernervige bladeren

Rudolf Steiner zei in de 11e werkbespreking over de bloeiplanten:

Maar toen je naar school ging, kwam er iets in je ziel wat alleen met een bloeiende plant vergeleken kan worden. Maar natuurlijk had je eerst nog maar weinig geleerd, toen je zo acht, negen was. Nu weet je al heel veel, je bent al elf en je hebt al een massa geleerd. Kijk eens, dat is een plant, die heeft zulke bladeren, dat heet parallelnervig (tekening 1). En hier is een plant, die heeft zulke bladeren, die zitten ingewikkelder in elkaar, met vertakte nerven (tekening 2). En als je nu de bloemen bekijkt van die planten (tekening 1) dan zijn die anders dan bij de planten die zulke bladeren hebben (tekening 2). Hun bloemen zijn ingewikkelder en alles is ingewikkelder bij die planten die zulke netnervige bladeren hebben dan die bij andere, die zulke parallelnervige bladeren hebben.’

Nu moet je, zo gaat Rudolf Steiner verder, een eenzaadlobbige, zoals de herfsttijloos bij wie alles eenvoudig is, met het 7-, 8-, 9-jarige kind vergelijken. Het kind moet planten zien waarbij je de groene kelkblaadjes en kleurige bloembladen nog niet kan onderscheiden, waarop je zegt:

En dat ben jij. Zo ben je nu! En je wordt natuurlijk nog ouder. Later, als je twaalf, dertien, veertien jaar bent, dan kun je jezelf vergelijken met planten die kelken kroonblaadjes hebben. Dan zul je in je ziel zo zijn dat je verschil kunt zien tussen groene blaadjes, die men de kelk noemt, en gekleurde blaadjes, die men kroonblaadjes noemt. Maar dat moet je nog worden!’

Het elfjarige kind is juist in een tijdsfase gekomen waarin zijn ziel zich zo ontwikkelt dat deze met een tweezaadlobbige vergeleken kan worden. Deze ontwikkeling begint pas met het elfde jaar zodat dus tegen een kind van die leeftijd nog gezegd kan worden: voorlopig ben je nog als een plant met de eenvoudige bloem.

Ten slotte zullen de kinderen als een soort overzicht nog een keer twee of drie vertegenwoordigers van de verschillende plantengroepen getoond worden. Tegelijkertijd echter zou de leerkracht – aldus Rudolf Steiner – er prachtig op in kunnen gaan de kinderen zich iets te laten herinneren van de kleine, vierjarige Willem, van de zevenjarige Frits en daarbij steeds weer de plant die daarbij hoort, te laten zien. Dan brengen we de kinderen ertoe dat ze nadenken over de zieleneigenschappen van het zich ontwikkelende kind en de groei van de ziel wordt op de plant overgebracht. Wat eerder over de boom werd gezegd, moet eveneens weer als hulp worden genomen.

Blz. 139

Daar zit systeem in! Daar wordt niet op willekeurige wijze het een parallel gemaakt aan het ander, zoals men het toevallig tegenkomt. Daarin werkt een principe, werkt vormkracht. Dat moet erin zijn. U haalt het hele plantenrijk te voorschijn, afgezien van wat er in de plant ontstaat wanneer de bloem vrucht draagt. U wijst de kinderen erop dat de hogere planten ook nog vruchten voortbrengen uit hun bloemen. ‘Maar dat is pas met jullie ziel te vergelijken wanneer je van school af bent.’ Alles tot aan de bloem kan men alleen vergelijken met wat er is voor de geslachtsrijpheid. Het bevruchtingsproces laat men voor kinderen buiten beschouwing, dat kan men daarin niet gebruiken.’

Het vergelijken van de ontwikkeling van de ziel van het kind met de plantentrappen moet dus meteen in het begin van het hele plantkundeonderwijs staan. Het andere – natuurlijk niet alleen maar wat er over de boom is gezegd, maar alles wat er voordien al behandeld is – moet als ‘hulp’ gezien worden. Dat is echt een zeer belangrijke methodische aanwijzing! We hebben dus bijgevolg als leidraad voor het plantkundeonderwijs op dit niveau een soort systeem, afgeleid van het kind zelf. Deze methode biedt niet alleen het voordeel van een beter overzicht – dat zou nog niet echt een pedagogische reden zijn. Bij het tegenover elkaar zetten van de ontwikkeling van een kind en het rijk van de planten, vormt niet de mens in het algemeen (de volwassene) het vergelijkingsobject, maar het kind zelf in zijn eigen beleving. Daardoor verbindt het kind zich veel dieper met de natuur, dan wanneer we het op een andere manier zouden doen. Het kind verliest het contact met de ziel niet, wat noodlottigerwijs voor de opgroeiende mens tegenwoordig overal gebeurt. Op dergelijke fijnzinnigheden te letten is een levensader van de pedagogie van Rudolf Steiner.
Over de onmogelijkheid om het bevruchtingsproces in de onderbouw door te nemen, hebben we ons al eerder uitgelaten. Het kind kan wat zijn ziel betreft ‘bloeien’, wanneer zijn etherische vormkrachten zich losmaken van het lichamelijke; dan ervaart de ziel ook, in het bijzonder door de school, een onderscheid dat te vergelijken is met het zich ontwikkelen van het eenvoudige naar het dubbele bloembekleedsel, ‘vrucht worden‘ kan de ziel nog niet voordat door het contact met de geest een zekere verinnerlijking heeft plaatsgevonden. Het bloeien kan steeds nog als de hoogste trap van de groeiprocessen begrepen worden, tot vrucht worden niet meer, want wat als vrucht tevoorschijn moet komen, moet vanuit de eigen innerlijke bron komen. En daarvoor is bij de groeiende plant geen tegenbeeld. Pas met de geboorte van het astraallijf tegen de tijd van de geslachtsrijpheid begint die verinnerlijking, die als voorwaarde voor het begrijpen van een

Blz. 140

proces in de buitenwereld zoals dat van de vruchtvorming, beschouwd moet worden.
Daarmee is natuurlijk niet gelijktijdig gezegd, dat het kind niet ook al vóór de puberteit geen innerlijke belevingen zou kunnen hebben. Iedere vreugde, iedere pijn wordt van binnen beleefd. Maar ook zulke heftige dingen komen op de ziel van het kind af als wind en zon tot de groeiende plant en veranderen deze. Iets anders is echter om ervaringen en gedachten zo in je op te nemen en ze op heel eigen individuele manier te verwerken, zodat het resultaat werkelijk als de vrucht van een persoonlijk wezen beschouwd kan worden. Maar het schoolkind is tot een dergelijke innerlijke activiteit nog helemaal niet in staat, al ziet dat er soms anders uit.  Goedwillend neemt het gedachten, oordelen, stemmingen van mensen van wie het houdt, in zich op en laat zich daardoor vormen, zoals de plant zonder weerstand zich laat vormen door de elementen. Zo krijgt de bloem-ziel’ steeds meer innerlijke inhoud en wordt steeds vervolmaakter.

Vooreerst, zowat tot aan de Rubicon van het tiende jaar, is eigenlijk alles nog onvoorwaardelijk open, zoals de bloem die nog geen groene kelk heeft alsof ze die in de toestand van een knop zou willen verhullen en onzichtbaar maken. Pas in de tweede helft van de basisschooltijd begint het kind, ook al gevoelsmatig een bepaalde grens om zich heen te trekken. Het begint gevoelens, innerlijke processen en belevingen als iets eigen persoonlijks te verbergen. Je moet wel bedenken hoe totaal verschillend voor en na het tiende levensjaar bijv. schaamte wordt beleefd en hoe daarmee wordt omgegaan! De kinderlijke ziel krijgt nu een groene buitenkelk. Zulke veranderingen waardoorheen al de veel dieper ingrijpende gebeurtenissen van de puberteitsleeftijd zich aandienen, betekenen natuurlijk een verrijking, een proces van aarderijpheid. Het is makkelijk te zien -en daar komt het hoofdzakelijk op aan – dat pas de planten met dubbele bloembekleedsels echte aardeplanten zijn. Niet alleen verbinden zij zich met hun wortels veel sterker met het minerale van de aarde, zij zijn ook in hun stengels, bladeren enz. veel sterker en duidelijker gevormd. Parallelnervigen zijn daarentegen veel minder aards.

Heb je een keer de innerlijke verandering van de kinderziel tijdens de basisschoolleeftijd en de spiegel daarvan in het rijk van de bloeiende planten voor ogen gekregen, dan zal je ook de details vinden, aan de hand waarvan je de kinderen hun innerlijke groei en de zich ontwikkelende vaardigheden begrijpelijk kan maken. Maar dit deel van het pedagogisch werk moet overgelaten worden aan de leerkracht.

Blz. 141

Nu kunnen we weer terug naar wat Rudolf Steiner tegen de kinderen zou zeggen:

Kijk beste kinderen, toen jullie heel klein waren had je een ziel die eigenlijk alleen maar sliep.’ En al naar gelang de situatie herinnert men het kind eraan: ‘Laten we eens kijken, wat was nu als heel klein kind je lust en je leven? Dat ben je nu vergeten omdat je toen sliep, maar je ziet het bij Anneke of Marietje, bij je kleine zusje. Wat is haar lust en haar leven? Eerst is het de speen of het flesje. Ja, en dan beleeft ook de ziel de grootste vreugde aan die speen of dat flesje. Dan komt de tijd, bij het grotere broertje of zusje, dat je niet alleen vreugde beleeft aan je flesje melk, maar ook als je mag spelen. En nu heb ik je toch eerst verteld over de paddenstoelen, over de algen en de mossen. Die hebben bijna alles wat ze hebben van de aarde. We moeten het bos in gaan als we ze willen zien. Daar waar het vochtig is groeien ze, waar schaduw is. Die durven niet pal in de zon te gaan staan. Zo was je ziel ook, toen je nog niet naar buiten durfde om te spelen en enkel genoeg had aan melk, aan je flesje. Bij de rest van de planten ontwikkelen zich bladeren en bloemen, wanneer alleen maar hebben wat ze van de aarde, van het schaduwrijke bos krijgen, maar wanneer ze naar buiten komen, in de zon, de lucht, het licht. Dat zijn de eigenschappen van de ziel die in het licht, in de lucht gedijen.’

Aan het kind moet je nu het verschil laten zien tussen wat als een paddenstoel of als wortels onder de aarde leeft, dat vocht en schaduw nodig heeft en de rest, dat zoals bladeren en bloemen lucht en licht nodig heeft. Dan moet er iets volgen als:

‘Daarom ook worden die planten, die bloemen en bladeren hebben omdat ze van lucht en licht houden, de zogenaamde “hogere” planten genoemd, zoals ook jij als je vijf of zes bent een hogere leeftijd hebt dan toen je nog een speentje had.’

Deze lange verhandelingen klinken op het eerste gezicht als een herhaling. Maar het blijkt al snel waar Rudolf Steiner naar toewerk: hij wilde de begrippen hogere en lagere planten uitwerken. De basis voor het oordeel werd uit de tegenstelling licht en donker gehaald en daarmee werd gelijktijdig het ethische in de beschouwing meegenomen. Het hogere is niet alleen wat als gestalte vervolmaakter is, het is wat verwant is met het licht en daardoor waardevoller t.o.v. het donker. Dergelijke objectieve waardeoordelen, ook bij

Blz. 142

natuurverschijnselen, gaan zonder meer in de richting van wat op school als kwalitatief wereldbeeld verzorgd moet worden. De vergelijking van de ontwikkeling van de kinderiel met die van een volmaakter worden van de plant, vinden vanaf het begin de basis in de daarbij behorende innerlijke en uiterlijke lichtwerking. Alleen daarom al zou het voor het kind nastrevingswaardig moeten zijn in zijn toekomstig leven in zijn ziel steeds meer verwant te worden met het licht. Het is ook goed dat het kind in deze zin oudere kinderen en vooral de volwassene als hogere wezens beschouwt en het begrip van de hogere plant innerlijk uit dergelijke morele gevoelens afleidt. 
Rudolf Steiner liet dan ook direct zo’n bijpassende vrolijke uitnodiging aan de kinderen volgen:

Wees blij! Je zult eens zo rijk zijn in je ziel, dat je lijkt op een roos met kleurig kroonblad en groene kelk. Dat is iets wat nog moet komen, maar wees blij! Het is mooi als men zich kan verheugen op wat men nog moet worden.’

Vreugde wekken over de toekomst! Dat men er vreugde mee oproept, daar komt het op aan.

Hiermee worden de gesprekjes met de kinderen in de directe rede beëindigd. Rudolf Steiner vatte dan de tegenstellingen nog een keer samen in dit schema:

Blz. 143

Men kan dus de zieleneigenschappen die elkaar opvolgen tot aan de geslachtsrijpheid vergelijken met de plantenwereld. Dan houdt de vergelijking op, omdat het kind dan het astrale lichaam ontwikkelt, dat de plant niet meer heeft.

.

Zur ersten Tier-und Pflanzenkunde in der Pädagogik Rudolf Steiners
Menschenkunde und Erziehung Band 3
Verlag Freies Geistesleben Stuttgart, 1979
ISBN 3 7725 0203 2

[1] GA 295  vertaald

Inhoudsopgave

Werkbespreking 9       werkbespreking  10
Vragen

Plantkundealle artikelen

Vrijeschool in beeldPlantkunde

Zie boeken van de schrijver
Die Pflanze
Heilpflanzen
Metamorphosen
Meer
Op deze blog:  leesboek plantkunde
leesboek voor de dierkunde

.

2866-2688

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Maarten (27)

.
Nadere gegevens ontbreken nog
.

sint-maarten

.

Het feest van Sint-Maarten is geen gekerstend heidens gebruik, al werden er heidense gebruiken mee verbonden: de feestdag vond zijn oorsprong uit de kerk.

De heilige Martinus, bisschop van Tours (circa 316-400), bracht aan Gallië de zegeningen van christendom, cultuur en beschaving. Niet hieraan echter dankt deze heilige zijn grote roem, maar aan een daad van christelijke barmhartigheid, in zijn jeugd bedreven.

Als jong krijgsman zag hij te Amiens een halfnaakte bedelaar. Zonder zich te bedenken trok Martinus zijn zwaard, sneed zijn mantel doormidden en reikte de helft aan de bedelaar. Al zijn afbeeldingen stellen deze daad voor.

Toen de Franken in de 5e eeuw hun bekeringstochten buiten Gallië uitstrekten, verschenen zij ook in ons land als vreemde veroveraars uit het zuiden. Te Utrecht stichtten zij een kerkje, dat zij wijdden aan de patroon van Gallië. Dit Sint-Maartenskerkje was de eerste kerk, die in Noord-Nederland verrees. Meermalen drongen de toenmalige heidense bewoners van ons land, de Friezen, weinig gezind de heerschappij en de leer van de Franken te aanvaarden, tot in Utrecht door en verwoestten de kerk. Toen de Angelsaksische geloofsprediker Willebrord in 690 naar deze streken kwam om het bekeringswerk voort te zetten, vond hij het voormalige rijkskerkje nog in puin; hij herbouwde het als kerk van de openbare eredienst. Na zijn verheffing tot aartsbisschop vestigde Willebrord zich te Utrecht (696): hierdoor werd het Sint-Maartenskerkje de bisschopskerk, de kathedraal, Sint-Maarten de patroon van het bisdom Utrecht, dat omstreeks 800 het grootste deel van ons land omvatte. De stad Groningen, steunpunt van het bisdom Utrecht in het noorden, is nog altijd befaamd om zijn Martinitoren.

Aan Sint-Maarten zijn de oudste kerken in ons land gewijd, het eerst in Limburg, waar zij alle aan of bij de Maas liggen, de stroom waarlangs de Frankische beschaving ons land binnentrok. Ook nog lang na Willebrord kozen onze kerken bij voorkeur Sint-Maarten tot patroon.

Zijn beide feestdagen, 11 november, zijn sterfdag, en 4 juli, Sint-Maartens translatie, de dag van de overbrenging van zijn sarcofaag naar de basiliek van Tours, werden vooral te Utrecht, in de kathedraal als in de stad, met grote luister gevierd. Aan de herdenking van ‘de milde Marten’ dankten de schoolkinderen een vrije dag, de armen een broodbedeling, waartoe het klokgelui hen samenriep – gebruiken die ook buiten Utrecht bestonden, ’s Avonds was de stad feestelijk verlicht, op de stoepen stonden brandende fakkels, op de stadspleinen danste men om de vuren. Dan vierde men ‘schuddekorfsdag’: boven het vuur hing een mand, volgens de overlevering gevuld met appels, kastanjes, noten, amandelen en mispels. Doch op 4 juli, eveneens schuddekorfsdag genoemd, zal de inhoud toch wel enigszins anders zijn geweest. Of had 4 juli met 11 november alleen de benaming gemeen? Telkens werd de korf geschud en de kinderen grabbelden naar de geroosterde vruchten. Onafgebroken zongen zij daarbij het liedje, dat nog in Noord- en Zuid-Nederland wordt gezongen:

Stookt vier, maakt vier,
Sinte Maarten komt hier

Ook op gemeentewapens komt Sint-Maarten voor. Zo in Sint-Maarten (Noord-Holland) en Maartensdijk (Utrecht)


Opmerkelijk genoeg treedt Sint-Maarten hier niet op als weldoener, maar als de bedelaar, die smeekt om bedekking en verwarming. Zó komt hij trouwens in alle Sint-Maartensliedjes voor.

Met zijn blote armen,
Hij zoude hem geerne warmen.

Het oud-Germaanse herfstvuur heet nu Sint-Maartensvuur, dat men op het einde van de 18e eeuw nog op straat brandde, blijkens een afbeelding in Jac. Buys’ ‘de twaalf maanden met voorstellingen uit het stadsleven, 1771-1773.

Dit was niet het enige volksgebruik dat op Sint-Maarten werd vastgesteld. Het feit dat de voornaamste feestdag van de heilige viel in het einde van het jaar, maakte 11 november tot een Nieuwjaarsdag voor de boeren. Op Sint-Maarten betaalden zij hun pacht, huurden zij hun nieuwe dienstvolk in en vierden zij feest, want de voorwaarde voor het feest, de voorraad, was aanwezig. In de slachtmaand werd 11 november nu de slachtdag bij uitnemendheid, mogelijk omdat de boeren ervan houden hun werk op vaste dagen te stellen. Het liedje zinspeelt erop:

Sintre Maarten heeft ’n koe,
Die moet naar de slager toe.

Allerlei oogstgebruiken werden nu op Sint-Maarten geconcentreerd.

Ook de schuddekorf was waarschijnlijk een dankoffer voor de oogst.
Zo rolde men in de Eifel en in het Rijndal op Sint-Maarten met stro omwonden korven brandend en wel van de bergen af. Mogelijk waren deze oorspronkelijk gevuld met vruchten van de herfst.

Onze ganzen, in november slachtrijp, werden nu ter ere van de heilige genuttigd en Sint-Maartensganzen geheten. Waarschijnlijk was de gans een oud dankoffer voor de oogst: de Romeinen wijdden en offerden haar aan Mars. Mogelijk heeft het Romeinse leger hier te lande dit ganzenoffer ingevoerd of doen toenemen, terwijl de verwantschap van de namen Mars en Martinus, d.i. man van Mars, de overdracht op de laatste in de hand heeft gewerkt. De gans was toentertijd een profetische vogel.
Na de maaltijd profeteerde men uit zijn borstbeen de winter: de bruine kleur kondigde een strenge, de witte een zachte winter aan.

In november waren de druiven geperst en werd de most tot wijn. Door het uitspreken van de formule

Marlijn, Marlijn,
’t Avond most en morgen wijn

meende men deze verandering te bespoedigen. Zo werd Sint-Maarten ook de patroon van de wijnbouwers.
Op zijn feestdag opende men de nieuwe vaten, dronk men de nieuwe wijn. Hoe uitgelaten men dan feest vierde, toont het doek Sint-Maartenskermis van de Antwerpse schilder Peter Balten (1525-1598) in het Museum te Antwerpen waarop een brooddronken menigte zich aan een groot wijnvat laaft. Op de voorgrond ziet men een stuk of wat armen of bedelaars en ook links op de achtergrond, waar zij zich aan het Sint-Maartensvuur warmen.

De zestiende-eeuwse schilders plachten de bedelaars niet alleen arm, maar ook gebrekkig en hinkend met een kruk voor te stellen, en de krukken op het vaandel dat boven het wijnvat wappert, zijn waarschijnlijk een symbool voor de bedelaar. Rechts snijdt Sint-Maarten te paard zijn mantel door om de helft aan de arme te reiken. De bodem van het wijnvat is geschilderd in wit en rood, welke kleuren misschien teruggaan op Sint-Maartens rode met wit gevoerde mantel.

Nergens in ons land leeft de heilige zo in het hart van de bevolking voort als in Limburg. Nergens zijn de Sint-Maartensvuren, die men ook in oostelijk Brabant en hier en daar in Noord-Holland en Friesland (tussen Sneek en Irnsum) aantreft, zo talrijk als in Limburg. Zijn zij in Zuid-Limburg verdwenen, in Noord- en Midden-Limburg wisten zij zich te handhaven: zowel op het platteland als in de tuinen der buitenwijken kan men ze daar zien branden. Voor deze vuren beginnen de jongens al veertien dagen tevoren rommel bij elkaar te ‘trossen’ onder het zingen van

Vandaag is ’t Sintermerte,
Morgen Sinterkrökke,
Doa komen die gooie herten,
Die hadde so ger ein stökske,
Ein houtje of ein turfke,
Sintermertens körfke.
Hout, hout, turf en hout,
’s Winters is het koud.

De bijeengebrachte voorraad wordt bewaakt: men tracht die elkaar afhandig te maken.
Bij het opbouwen van de troshoop zet men bonenstaken tegen elkaar en vult de ruimte daartussen aan met het brandbare materiaal. De fantastische aanblik van het ontstoken vuur wordt nog verhoogd doordat grote brandende wagenwielen daar bij tientallen omheen schijnen te cirkelen. Zij zijn afkomstig van gloeiende kooltjes, die met wat turf, hars en echte wierook in een bus zijn besloten, die vol gaatjes is geprikt en in snelle beweging aan een ijzeren hengsel in de rondte wordt geslingerd.

Dit is de wierookspot, waarvoor gewoonlijk een stroop- of beschuitbus wordt gebruikt, maar die soms ook van koper is; in Vlaanderen kregen vroeger de kinderen van de gegoeden behalve koperen wel zilveren wierookspotten. Reeds weken voor Sint-Maarten oefenen de Limburgse jongens zich na schooltijd in dit slingeren (in Venlo ‘wirke’ genoemd) en trekken daarvoor in groepjes naar buiten. Tegen de donkere avondhemel kan men dan de wentelende vuurcirkels zich zien aftekenen, terwijl de lucht dik en zwaar is van turfwalm. Dit ‘wieroken’ zal wel teruggaan op een oud zuiveringsgebruik van de velden.

Trekt in Roermond een Sint-Maarten zonder baard mee in de stoet (met ‘Sinterkrökke’ = de Romeinse soldaat van voorheen, die zich in een klooster onderweg even omgekleed heeft), nergens in Limburg openbaart zich de liefde voor Sint-Maarten zo krachtig als te Venlo, wanneer dit het feest van zijn beschermheilige viert: de jeugd loopt al acht tot veertien dagen tevoren langs de straten zijn liedje te zingen! De bewoners gooien dan iets uit het raam: Sint-Maarten geeft dat. Hier wordt op de feestdag zelf gewoonlijk nog een optocht met lampions gehouden, al ziet men in alle straten ook kleine troepjes van kinderen lopen, die hun lampion aan familie en kennissen gaan tonen.
Soms werd te Venlo op de avond van 10 november Sinter-Merte, gezeten in een open rijtuig en gevolgd door duizenden kinderen, plechtig ingehaald. Eén enkele maal heeft op het Mgr. Nolensplein een groot vuur gebrand, doch dit ging uit van de Venlose verkenners.
Te Venlo was Sint-Maarten tevens een groot huiselijk feest. Kwamen de kinderen van hun rondgang met lampions door de stad thuis, dan werd de tafel terzijde gezet, een brandende kaars op de grond geplaatst en allen, kinderen, ouders en dienstpersoneel, dansen hand aan hand daarom heen en zingen onafgebroken:

Sintermertes veugelke
Haet ein ro’èd keugelke,
Haet ein blauw stertje,
Hoepsa Sintermerte.

Onder het zingen werd er eensklaps van achter de deur gestrooid, ofwel Sint-Maarten zelf trad binnen, al of niet gevolgd door Zwarte Piet, die een zak torste. De kinderen moesten voor de heilige dansen of hun gebed opzeggen, daarna begon Zwarte Piet te strooien en men grabbelde naar de appels, kastanjes en noten. Geschenken werden niet gegeven, dit gebeurt alleen met Sint-Nikolaas.

Was Sint-Maarten weer vertrokken, dan kwam het feestgerecht ter tafel, de ‘k’rneelkes’, kleine, vet gesmeerde en rijkelijk met basterdsuiker en kaneel bestrooide krentenbroodjes, die in het wafelijzer werden gebakken.

Het Sint-Maartensvogeltje, waarvan het liedje zingt, kan doelen op de bonte specht met rode vederkuif, bij de Romeinen, evenals de gans, een profetische, aan Mars gewijde vogel, en door de overeenkomst van naam wellicht van Mars op Martinus overgedragen. Het tweede hierboven vermelde liedje noemt een onbekend heilige:

Vandaag is ’t Sinter Merte,
Morgen Sinter Krukke.

Wie was Sinter Krukke? Wat meer licht verschaft wellicht het Noordhollandse

Vandaag is ’t Sinte Marten
En morgen is ’t de kruk.

Nog duidelijker is de Mechelse redactie ‘oep (op) de kruk’: de kruk is in Zuid-Nederland de draagbaar. Tot de oorlog van 1914 werd te Mechelen een kleine jongen, versierd met kleurige papieren kazuifel en mijter, op een ruw draagberrietje door vier jongens over straat rondgedragen. Zijn staf was een pollepel, waarin hij de giften aannam, die werden geborgen in een korf, welke aan de kruk hing te bengelen. Dit ronddragen gebeurde alleen op de zondag na 11 november, niet op de dag zelf. Het liedje kondigde dus aan dat de bedelaartjes de daarop volgende zondag zouden terugkomen. Die zondag na de feestdag heet in Vlaanderen ‘Grote Sinte Merten’, zoals ook de tweede zondag van vastenavond grote vastenavond en de tweede kermiszondag daar grote kermis heet (aldus Catharina van de Graft). Wij voor ons verkiezen de meest eenvoudige verklaring: in onbedorven versies (die er nauwelijks zijn) is Sinter Krukken de bedelaar, die immers op krukken loopt.

In Noord-Nederland trekt Sint-Maarten alleen nog op Terschelling rond. Doch hij heeft er afstand gedaan van zijn bisschopsattributen en gaat, heel eigenaardig, in het wit, versierd met herfstbloemen; aan zijn hals bengelt het centenzakje (Jaap Kunst, Terschellinger Volksleven). Zelf zamelt de heilige de giften in en de begeleidende kinderen zingen een liedje met het slot:

Voor een oortje, voor een duit,
Zó gaat Sinte Marten uit.

Ook het slot van een ander, elders gezongen, Sint-Maartensliedje wijst op dit rondvoeren van de bisschop:

Met honderdduizend lichtjes aan,
Daar komt Sinte Maarten aan.

Kinderomgangen zijn nabootsingen van omgangen van volwassenen. Boerengilden plachten hun geliefde patroon Sint-Maarten te paard het dorp rond te leiden uit dankbaarheid dat hij een jaar lang het vee tegen ziekte en het gewas tegen ongedierte had beschermd. De deelnemers zamelden daarbij geld en levensmiddelen in. De oudste vermelding van een kinderomgang op Sint-Maarten brengt Thomas Naogeorgius (Kirchmair) in zijn Latijns hekeldicht Regnum papisticum, in 1553 te Bazel verschenen. Hij beschrijft daar hoe de kloosterscholieren op Sint-Maarten met hun meester voor de huizen gingen zingen en met een ganzenboutje werden beloond. Zij zullen geestelijke liederen hebben gezongen, die gaandeweg, toen de meester niet meer meetrok, wereldlijk zijn geworden. Verschillende Sint-Maartensliedjes bewaren herinneringen aan vroegere gebruiken. Het zingen van

Kip, kap, kogel,
Sinte Martens vogel

doet vermoeden dat in de ommegang de bonte specht werd voorgesteld, die dan Sint-Maarten zal hebben vertegenwoordigd (‘kogel’ uit ‘kovel’ = kapmantel (van kloosterlingen)). Mogelijk is ook de koe meegevoerd, waarvan het liedje gewaagt:

Sintre Maarten heeft een koe,
Die moet naar de slager toe.

In verband hiermee is opmerkelijk dat hier en daar in Noord-Holland, Groningen en Drenthe de kinderen zich verkleden. Te Roden doen zij dit als oude mensen, liefst met ouderwetse kleren, ook wel als bedelaars. Op Terschelling verkleden de meisjes zich soms. Hier en op Ameland werden ook wel maskers gedragen.

Gezamenlijke optochten zijn een zeldzaamheid geworden; alleen op enkele dorpen van Groningen (Zandeweer, Noordbroek, Zuidbroek, Uiterburen) komen ze nog voor. Doch bij deze optochten en omgangen benoorden de Moerdijk is de herinnering aan Sint-Maarten zelf geheel verdwenen: ‘Sundermeerten, dat is een lanteern’, zeggen Groninger kinderen.
Tevens is het verschil tussen katholiek en protestant vervallen; evenals bij de palmpaas nemen beide gezindten gelijkelijk deel aan de pret van de omgangen, welke door ons hele land worden gehouden, behalve in Zuid-Holland, Zeeland en Utrecht.

Een alleraardigst schouwspel bood in de avond zo’n grote kinderoptocht, waarbij het kaarslicht fantastisch scheen door de uitgeholde wand van grote peen, kalebas, komkommer, mangelwortel en suikerbiet. Vader of moeder hadden daarin met een scherp mes figuren gekerfd: molens, huizen, kerken, poppetjes, sterren, een halve maan, soms ook de initialen van de gelukkige bezitter.

Te Roderwolde kregen de kinderen van de beurtschipper een scheepje uitgesneden, die van de mulder een molen. De bovenhelft van de wortel werd er eerst afgenomen, het kaarsje op de benedenhelft er weer op bevestigd en klaar was het‘ sundermeertentuutje’, de ‘kipkapkogel’, waarbij oorspronkelijk de stengel van een boerenkool (‘mous-stommel’) wel tot handvat diende.

De mooie Nederlandse volkskunst van uitgesneden wortels ziet men nu weinig meer. Men verving ze door houten kistjes en blikken trommeltjes met ingesneden figuren; ook zet men het kaarsje wel in een uitgeholde aardappel met een papieren kapje erover. Nu koopt men meestal lampions, ja, bij gebrek aan deze doen stal- en fietslantarens dienst; zelfs kwam in de laatste tijd voor dat jongens hun zaklantarens af en toe aanknipten.

De kinderen lopen thans in kleine groepjes en lang niet ieder kind heeft een lantarentje. Soms beginnen ze dadelijk na schooltijd te lopen en als het donker wordt, gaan de kaarsjes aan. Of zij wachten tot de schemering valt en dan komen eerst de kleine kinderen met hun lichtjes op straat en dat is wel het aardigst om te zien. Daarna verschijnt de oudere jeugd, wie het meer om de centen is te doen en die het Sint-Maartensliedje vaak maar afraffelt en graag tot kattenkwaad vervalt. In elk huis welkom, gaan zij vrijmoedig in de gang staan en beginnen te zingen nog voordat de bewoners verschijnen. Gewoonlijk dragen zij een zakje op de borst voor de appels, peren, koekjes en centen die ze krijgen. In de huizen ligt dit alles in ruime voorraad voor hen gereed. Bij de thuiskomst gaan de centen in de spaarpot, het lekkers wordt in de trommel geborgen. Juist het ‘zelf oplopen’ van de giften, de onderlinge wedijver wie het meeste zal beuren, mét de grote pret ’s avonds buiten met een lichtje te lopen, makende Sint-Maartens viering tot een kinderfeest bij uitnemendheid, meer dan Sint-Nikolaas- of Kerstfeest.

Daarom is in het algemeen de leiding te betreuren die plaatselijke verenigingen alsook onderwijzers bij deze ommegang verlenen: zij ontneemt het kinderlijke aan het kindervermaak. Deze leiding gaat zelfs zo ver, dat onderwijzers onze oude eerwaardige Sint-Maartensliederen, van hoogst antieke vorm en inhoud, met zoveel bijzonderheden betreffende de Sint-Maartensgebruiken en hun achtergronden, trachten te verdringen door vriendelijk gerijm als:

Sint Maarten was een brave man;
Hij wou alle mensen Het beste wel wensen;
Wie houdt daar niet van?

Of ook dit stukje Duits ‘kunstlied’:

Ik loop met mijn lantaren,
Lantaren loopt met mij,
Daarboven stralen de sterren,
Daaronder stralen wij.
Mijn licht gaat uit,
Ik ga naar huis,
Rabiemel, rabamel, raboem.

Of al even ethisch:

Lampionnetje, lampionnetje,
Schijn maar in de donkere nacht,
Want de sterretjes, want de sterretje
Houden trouw de wacht.

Hoeveel liever horen wij onze jongens en meisjes het karakteristieke Sint-Maartenslied aanheffen met zijn oude kettingrijmen en primitieve zangwijs:

Sinter, Sinter Maarten,
De kalvers dragen staarten,
De koeien dragen horens,
De kerken dragen torens,
De torens dragen klokken,
De meisjes dragen rokken,
De jongens dragen broeken,
Oude wijven schorteldoeken.

Eigenaardig is dat de Hoornse jeugd dit versje zingt in augustus. Op de vierde maandag van augustus begint te Hoorn de Sint-Maartensviering, die enkele dagen duurt. Dan lopen troepjes verklede kinderen met lampions en ook dragen zij langs de huizen hun tafeltjes, versierd met papieren knipsels en bestrooid met zand, waarop een kaarsje staat te branden. Wordt de deur geopend, dan tonen zij hun tafeltje en zingen hun liedje. Sinds de jeugdraad van de Hoornse Gemeenschap de zaak ter hand nam, worden de tafeltjes (in 1960 meer dan 200) en de verkleedgroepen (in 1960 166) door een jury beoordeeld, terwijl het geheel met een optocht wordt besloten. Aldus S. J. van der Molen in Levend Volksleven, Een eigentijdse volkskunde van Nederland (Assen 1961), dat veel aandacht besteedt aan nieuwe ontwikkelingen en verschijnselen.

Hoe interessant echte ‘folkloristica’ in elkaar kunnen zitten mag blijken aan de hand van een Sint-Maartensrijm te Zandvoort, waar het feest nu vrijwel ter ziele is. De voornaamste attractie vormden de Sint-Maartensvuren, vooral afgestoken in het Brederodeduin, waarvoor het materiaal gestolen moest zijn. Vanwege dit stelen en nog meer het brandgevaar en bovendien het vechten tussen Noordbuurters en Zuidbuurters (die elkaars vuren voortijdig wilden ontsteken), heeft de overheid er een eind aan gemaakt. Zulke vuren waren er ook omstreeks 1850 te Vogelenzang, blijkens De Navorscher, I, blz. 31. In Volkskunde, jrg. 1899, blz. 219 bericht P. Gertenbach over het gebruik. Hij heeft het over ‘vuren’ in het meervoud en wijst voorts op het stelen van de brandstof (wat bijvoorbeeld ook in Limburg voorkomt). Het door Gertenbach genoteerde rijm, gezongen tijdens de ommetocht door het dorp, hoorden wij nog omstreeks 1970 aldus:

Mense, pas op je mande!
We zelle ze gaen verbrande
In de Pikker ze del,
-Verstaen je me wel?
Dan zei je ris zien,
Over ’n uurtje misschien,
Hoe ’t brande zel!
– Suntere Maerte, wat is ’t koud!
Geef me ’n turrefie of ’n hout,
Geef me ’n hallif vaatje,
Dan ben je m’n beste maatje!
– Geef me ’n appel of ’n peer,
Dan kom ik ’t hele jaer niet weer!

Gert Helmer, die in Volkskunde, jrg. 1957,blz. 1-21, over ‘Het Sintmaartenslied in Nederland’ heeft geschreven, zag deze voor de helft unieke Zandvoortse lezing over het hoofd. Regel 8-11 zijn algemeen bekend, vooral in Noord-Holland, regel 12 en 13 zijn nog bekender; maar de zeven beginregels, met het overige zestal (waarin beleefd gevraagd wordt) enigszins in tegenspraak, zal men niet licht elders ontmoeten. Men waardere de minzame waarschuwing vanwege onze dievende heerschappen, wier diefstallen (die meteen schoon schip maken, denk aan Oudejaarsgebruiken) op overoude inzichten berusten (vgl. K. ter Laan, Folkloristisch Woordenboek, blz. 392). Verkwikkelijk is de dialectische kleur en het kernachtige ‘toponiem’ (ook: Pikkelse del), dat op een nu vergeten bijnaam kan berusten.

Hoezeer Sint-Maarten leeft, ja, zich nog uitbreidt en nieuwe elementen verkrijgt, mag blijken uit een onderzoek van mijn hand, [Dr.T. de Haan) gepubliceerd in het Jaarboek 1974 van de vereniging ‘Haerlem’. Olijke kinderen combinerende traditionele ‘appel of een peer’ zonder blikken of blozen met ‘Sintermaartie(!), wat is het koud, Ik lijk wel een diepvriesbout’! Ook het kolderieke van een kindertekenfïlm kan men ontmoeten:

Sinte Maarten had een muis,
Die lag in het ziekenhuis;
Met zijn rode petje
Lag hij in zijn bedje.

Dit zijn geen vervalverschijnselen, maar creatieve elementen die bewijzen hoe levend Sint-Maarten is in een stad als Haarlem, die ligt op de rand van het Sint-Maartengebied.

.

Sint-Maartenalle artikelen

Vrijeschool in beeldSint-Maarten     jaartafel

.

2865-2687

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen (2-5/5)

.
René Lecluse, huidarts, Weledaberichten nr. 175 winter 1997
.

De huid als spiegel van je voeding

.
Bij een rondgang door mijn tuin ontdekte ik onlangs dat de bladranden van de wijnrank een witte verkleuring vertoonden. Na enig zoeken en navragen was de oorzaak snel gevonden: magnesiumtekort! De bladgroenkorrels van de plant bevatten magnesium dat verantwoordelijk is voor de groene kleur; net zoals ijzer in ons bloed verantwoordelijk is voor de rode kleur. Een tekort aan magnesium leidt zodoende tot een tekort aan bladgroenpigment, zoals bij de wijnrank in mijn tuin het geval was.

De verschijnselen die ontstaan door een gebrek aan een specifieke stof, hebben in het verleden geleid tot de ontdekking van verschillende vitamines. Onderzoek je bijvoorbeeld een ziekte als rachitis, dan zie je dat dit vaak een gevolg is van een vitamine-D-tekort. Later werd ook de invloed ingezien van zogenaamde sporenelementen, zoals chroom, kobalt, koper, fluor, ijzer, jodium, magnesium, molybdeen, selenium en zink (denk bijvoorbeeld aan schildklierafwijkingen door een jodiumtekort). Vitamines reguleren de biochemische omzettingen bij vele lichaamsprocessen, maar kunnen door het lichaam zelf niet altijd of onvoldoende worden aangemaakt.

Ook van de menselijke huid zijn verschijnselen bekend die ontstaan door een tekort aan een bepaalde stof in de voeding. Zo leidt een gebrek aan vitamine A tot verschijnselen als overmatige verhoorning en haaruitval, terwijl een tekort aan vitamine B1 aanleiding geeft tot een bepaald soort eczeem en ontstoken mondhoeken. Onder normale (voedings)omstandigheden zal een gebrek aan vitamines en sporenelementen niet snel optreden, maar een verkeerde broodbereiding bijvoorbeeld kan al een seleniumtekort geven. En ook het gebruik van bepaalde medicijnen (zoals orale anticonceptiva, bepaalde bloeddrukpillen en sommige antibiotica) kan tot specifieke tekorten leiden, net als bepaalde ziekten en bijvoorbeeld stoornissen in de vochtopname van de darmen.
De meest voorkomende huidafwijkingen die dagelijks op het spreekuur worden gezien, zijn overigens niet het gevolg van een vitaminetekort.

Het is opmerkelijk hoe zuinig de huid omspringt met de aangeboden voedingsstoffen uit het voedsel: zo heeft men uitgerekend dat bij een gezonde huid de dagelijkse behoefte aan eiwit slechts 1 gram is (een envelop weegt al 4 gram!). Daarom is een normaal (gezond) voedingspatroon al voldoende om een gezonde huid te garanderen.

De stoffen die, als je er te weinig van krijgt, tot huidafwijkingen kunnen leiden, zijn veelal als bestanddeel aanwezig in granen, plantaardige oliën en vetten. Bij de samenstelling van je voeding kun je er dus op letten dat je hier voldoende van gebruikt. Aanvullingen met vitaminepreparaten zijn voor de huid in de regel niet noodzakelijk; ook een overdaad aan vitamines kan de gezondheid schaden. De toevoeging van vitamines aan cosmetica dient over het algemeen niet als aanvulling van eventuele tekorten in de huid, maar enkel als hulpstof voor de bereiding en houdbaarheid van het product. Wel gebruiken sommige producenten bijvoorbeeld vitamine A uitwendig om een sterk door zonlicht verouderde huid te ‘verjongen’, omdat dit niet mogelijk is via de voeding.

.

Zintuigenalle artikelen  zie voor de huid onder tastzin

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2864-2686

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Maarten (26)

.

Dieuwke Hessels oktober 2022

.

Een Sint-Maartenspel voor kleuters.
Het hier volgende Sint-Maartenspel leent zich goed voor toneel-, tafel-, of schaduwspel. Te vinden op: Tineke’s Doehoek

Lantarenlied:
‘Ik loop hier met mijn lantaren’

Ik loop hier met mijn lantaren,
Lantaren loopt er met mij.
Daarboven stralen de sterren,
Beneden stralen wij.
Mijn licht is klein, maar helder rein
rabimmel rabammel rabom.
Blijf aan mijn licht, blijf aan mijn licht,
rabimmel rabammel rabom.*

Er was eens een meisje dat met haar lantarentje door de straten liep. Het lichtje
scheen heel mooi en helder en het meisje was er heel blij mee.

Lantarenlied herhalen.

Maar toen kwam opeens de wind met veel geraas en geblaas en blies het lichtje uit. “Ach”, riep het meisje, “Wie laat mijn lantarentje weer schijnen?”
Maar hoe ze ook om zich heen keek, er was niemand.

Daar komt een egel.

Wat ritselt daar tussen de bladeren en trippelt er door het gras?
Wie haast zich zo snel, een stekelige gezel?
“Ach lieve egel”, riep het meisje, “de wind heeft mijn licht uitgeblazen, wie kan mijn lantarentje weer laten schijnen?”
“Oh meisje, helpen kan ik niet, Vraag ’t maar als je iemand anders ziet.
Ik kan hier niet blijven, ‘k moet snel naar huis:
Mijn kindertjes wachten op mij daar thuis.”

Melodie 1:

Het meisje loopt verder.

Daar komt een beer aan.

Wie is dat, die er zo gromt en zo bromt? Het is Bram de Beer, die daar nu aankomt.
“O lieve beer, de wind heeft mijn licht uitgeblazen, weet jij niet wie het weer kan laten schijnen?” De beer schudt langzaam zijn dikke ruige kop.
“Och meisje, helpen kan ik niet, Vraag ’t maar als je iemand anders ziet.
Ik ben zo moe, moet rustig slapen nu, bromm, bromm!”

Daar komt een vos aan.

Wat ritselt zo zachtjes, wie sluipt door het gras?
Een sluw listig vosje, met snuffelende snuit.
Hij zegt tegen het meisje:
“Wat moet jij in ’t bos? Ga gauw terug naar huis! ‘k Wil sluipen en loeren, Jij verjaagt me mijn muis!”
Toen ging het meisje huilend op een steen zitten. “Wil er dan niemand mij helpen?”

Dat hoorden de sterren en zij spraken: “Vraag het aan moeder Zon! Moeder Zon kan het je vertellen.”
Toen vatte het meisje nieuwe moed en ging verder.
Ten slotte kwam ze aan bij een klein huisje. Binnen zat een oude vrouw te spinnen op haar spinnenwiel. Het meisje opende de deur en vroeg: “Weet u misschien de weg naar de zon en wilt u misschien met mij meegaan?” –
“Ik moet vlijtig het wieletje draaien en spinnen, dunne fijne draadjes spinnen. Maar rust wat uit bij mij, je hebt nog een lange weg te gaan.”
Het meisje stapte naar binnen en ging zitten.
Toen het meisje uitgerust was nam zij haar lantarentje op en ging verder.
En weer kwam zij bij een huisje. Daarbinnen zat de oude schoenmaker en beklopte zijn schoenen met zijn hamertje.
“Goede dag, lieve schoenmaker, weet u misschien de weg naar de zon en wilt u misschien met mij meegaan?” –
“Ach, nee”, zei de schoenmaker, “ik moet nog veel schoenen oplappen. Maar rust wat uit bij mij, je hebt nog een lange weg te gaan.”
Toen het meisje was uitgerust, nam ze haar lantarentje weer op en ging verder. Ten slotte zag ze in de verte een hoge berg. “Daarboven zal de zon wel wonen”, dacht ze bij zichzelf en zo snel als een ree ging zij verder.
Ze kwam een klein kindje tegen, dat met een bal speelde. “Kom met mij mee”, riep het meisje, “we gaan naar moeder zon!” Maar het kind wilde liever spelen en huppelde met zijn bal over de weide.
Daarom ging het meisje alleen verder op haar weg, zij klom hoger en hoger de berg op. Maar ook daarboven vond zij de zon niet. “Hier ga ik wachten tot de zon komt”, dacht het meisje, en ging op de grond zitten. En omdat ze zo moe
was van de lange tocht gingen haar ogen dicht en viel ze in slaap.
Maar de zon had het meisje allang gezien. En toen het avond werd, boog zij zich naar beneden en stak haar lantarentje aan.
…Toen werd het meisje wakker. “Oh, mijn lantarentje schijnt weer”, riep zij, en sprong op, en ging blij op weg.
Daar kwam ze het kind weer tegen: “Ik ben mijn bal kwijtgeraakt en kan hem nergens meer vinden”.
“Ik zal je bijlichten”, zei het meisje.
“Daar ligt hij!”, riep het kind en huppelde zingend weg. Maar het meisje liep verder door het dal, tot ze bij het huis van de schoenmaker kwam. De schoenmaker zat treurig in zijn kamertje. “Mijn vuur is uitgegaan. Nu zijn mijn
handen stijf van de kou, en ik kan de schoenen niet meer repareren.”
“Ik zal uw vuur weer aansteken”, zei het meisje. Toen verwarmde de schoenmaker zijn handen en kon weer vlijtig kloppen en naaien.
Het meisje ging langzaam verder door het bos. Zij kwam bij de hut van de oude vrouw. Het was donker in haar kamertje. “Mijn licht is opgebrand”, zei de oude vrouw, “nu kan ik al ’n hele tijd niet meer spinnen.”
“Ik zal voor u een nieuw licht aansteken”, zei het meisje vrolijk. Toen pakte de oude vrouw weer haar spinnenwiel, en vlijtig draaide ze het wiel, en spon en spon een heel fijne draad.
Zo kwam het meisje ten slotte op een open veld, en alle dieren werden wakker door het heldere schijnsel van het lantarentje.
Het vosje snuffelde en knipperde met zijn ogen in het licht. Bram de beer gromde en bromde, hij kroop nog dieper in zijn winterhol.
De egel kwam nieuwsgierig naderbij trippelen: “Wat is dat voor een grote glimworm?”
Het meisje ging nu vrolijk terug naar huis, terwijl ze haar lied zong:
‘Ik loop hier met mijn lantaren…’

Halloween en Sint-Maarten
Christja Mees-Henny

Halloween is nog niet zo lang ‘in’ in ons land. Het Halloween-gespook is uit Engeland en Amerika overgewaaid en de ‘aanloop’ naar Halloween kunnen we al weken vóór 31 oktober volgen via winkeletalages, in restaurants, tijdens
kinderpartijtjes en de aankondiging van bloedige griezelfilms op tv. En natuurlijk kunnen we ons via internet uitputtend nader informeren.
“Het is toch net zo’n soort feest als Sint-Maarten”, hoorde ik laatst iemand zeggen, “ook met al die uitgeholde pompoenen en lichtjes erin, alleen veel spannender!”
Gaat Halloween ons Sint-Maartenfeest beconcurreren? Wat is het verschil tussen deze twee feesten?
De naam Halloween is afgeleid van Hallow-e-én (All Hallows Eve), dat betekent: de avond vóór Allerheiligen. Het feest van Allerheiligen is op 1 november, dat van Allerzielen op 2 november. Op Allerzielen gedenken we de gestorvenen, op Allerheiligen gedenken we in het bijzonder de gestorven heiligen.
In onze tijd, wordt er, behalve dan in de kerk, niet meer zo vanzelfsprekend bij deze twee laatste feesten stilgestaan, bij Halloween merkwaardig genoeg wel, en steeds meer.
Hoe kunnen we dit begrijpen?

La dance macabre (La Chaise Dieu)
Het samen leven met de gestorvenen, de geliefde doden herdenken, speciaal op Allerzielen, met verse bloemen op het graf, en het ophalen van liefdevolle herinneringen, is altijd een heel intiem beleven geweest. Er zijn nog plaatsen
waar de familie op die dag op de begraafplaats bijeenkomt om samen met de gestorvenen een maaltijd te vieren.
In de Middeleeuwen had men nog een relatie met de dood en voor mensen met een helderziende gave was dat een realiteit.
In Chaise-Dieu, (Haute Loire in Frankrijk) in de basiliek St. Robert, wordt dit beleven tot uitdrukking gebracht in een prachtig fresco uit 1640 dat zich 26 meter lang, en 2 meter hoog over de lengte van een hele muur uitstrekt: “La
Dance Macabre.” Hier is te zien hoe de mensheid, van hoog tot laag (van pummel tot keizer) de dans met de dood uitvoert (zie afbeelding). De dood wordt afgebeeld als een skelet, maar óók als een mens door spieren bewogen.
Als we weten dat Rudolf Steiner in een voordracht (opgenomen in GA 141) zegt dat het lot van de mens in het spierensysteem is ingeweven, dan wil dit fresco eigenlijk zeggen: de mens danst gedurende zijn hele leven met de dood, maar óók met zijn eigen lot (karma).
Het met volle eerbied geloven in een ander leven na de dood is door het materialisme echter meer en meer verduisterd geraakt, hoewel er door de publicaties over bijna dood ervaringen e.d. wel scheuren in deze
bewustzijnsverduistering komen.
De geheimzinnigheid en de angst voor het onbekende blijven echter bestaan als het griezelen over misschien wel oude inwijdingsbeelden die decadente vormen hebben aangenomen. Die voor velen ongeloofwaardige geestelijke wereld vertoont zich dan als ‘gespook’.
Een paar jaar geleden liep ik op een avond in Yorkshire in Engeland. Ik wandelde door het stadje. De straatverlichting was uit en ik vond het er eng donker en obscuur. Plotseling verscheen er een groep verklede figuren, met
olielampjes in de hand, uitgedost met puntmutsen, maskers, wijde vleermuismantels en met lichtgevende geraamtes op het lijf geschilderd. Een verteller met hoge hoed op en toverstaf in de hand verzamelde een gehoor om zich heen en stond midden op straat griezelverhalen te vertellen. Langzaam drong het tot mij door dat hier Halloween gevierd werd.
Ik had die dag al gehoord dat de kinderen zich die avond zouden verkleden, maar ook de volwassenen waren hier duidelijk in hun rol.
Hoewel er een ‘uitgeholde pompoen rage’ om dit feest is ontstaan, pompoenen ingekerfd met grijnzende gezichten waar ook licht in brandt, heeft dit feest toch nog een andere achtergrond dan het Sint-Maartenfeest, waarbij ook het
licht in de lantaren essentieel is.
Als we dit weten, kunnen we op deze beide feesten een andere kijk krijgen.
In deze (schorpioen)tijd van het jaar is de sluier tussen de spirituele en de materiële wereld heel dun.
Halloween is een gebeuren van grens- en van drempelervaringen. Geen énkele Heilige is heilig geworden zonder de confrontatie met het boze, zonder de confrontatie met verleidingen, angsten, twijfels, haat, ziekte en de dood.
De afbeelding op de altaarschildering van Grünewald in Colmar, van de verzoekingen van de Heilige Antonius, liegt er niet om. Kommer en kwel, dat moet de mens met grote idealen en geestelijke kracht doormaken vóór hij (zij) als Heilige genezend kan werken.
In het Russische sprookje De schone Wasselissa en de pop moet Wasselissa van haar stiefmoeder het vuur gaan halen bij Baba Yaga in het donkere bos. Na veel angstige belevingen waarin Wasselisa haar grote moed toonde, draagt zij het verkregen vuur ten slotte in een schedel naar huis, en kan zij haar boze stiefmoeder en zusters verjagen.
Halloween is het beleven van drempelervaringen, het feest van St.-Maarten eert een heilige persoonlijkheid die deze drempelervaring doorstaan heeft.
Misschien is het een teken van onze bijna apocalyptische tijd dat we juist nú zo gefascineerd zijn door vleermuizen, skeletten, doodshoofden, heksen, spinnenwebben, duivels, monsters en spookgeschiedenissen waarmee het
verjaarspartijtje van onze ‘kids’ ‘cool’ met dode bloemen en zwarte linten wordt aangekleed.
Des te belangrijker is het om het licht in onze eigen lantaarn brandende te houden.
Zijn de lantarens die op deze twee feesten rondgedragen worden wel gelijk? Maakt het uit wát voor een lantaren je hebt?
Misschien is de lantaren die als uitgeholde knol, biet of wortel uit de donkere aarde (het gebied van het onbewuste) opgegraven is, mét een lichtje erin, op een subtiele manier toch wel heel anders dan de uitgeholde, bóven de grond groeiende zonnige oranje pompoen die van zichzelf al door het licht gevormd is.
Zo is er ook een subtiel verschil tussen de gaven van de Herfsttijd, de oogst van appels, peren en noten die in de St.-Maartenliedjes worden bezongen en die bij dit feest horen, en de overdadige zakken met snoep, die in plaats daarvan helaas zo vaak worden uitgedeeld en meestal de proviand van het Halloweenfeest vormen.
In vele soorten lantarens wordt licht, romantisch kaarslicht, (maar ook wel praktisch licht uit een batterijtje) rondgedragen, maar niet alleen in knollen en pompoenen: denk eens aan de ontelbare variatie van fantastische papieren lantarens!
Dat is ook nog mensenwerk waar het licht in rondgedragen wordt.
Na de intensieve bewerking van dierenhuid tot perkament, zoals in de middeleeuwen, is de modernere methode van papier maken uit vodden en afval niet minder intensief, en daarbij komt dan nog de verwerking tot lantaren door de onuitputtelijke menselijke fantasie en creativiteit die op zichzelf al bewustzijnslicht vertegenwoordigt.
Licht, waarmee wij ook de vraag kunnen beschijnen: willen wij onze kinderen zo vroeg al confronteren met enge decadente inwijdingsmotieven?

decadente inwijdingsmotieven?
Willen kinderen zélf graag wennen aan het griezelen omdat zij Halloween zo
spannend vinden – of is het de economie, die er iets in ziet dit feest te promoten?
Steek je licht maar op!

Sint-Maarten. (Martinus van Tours)

St.-Maarten was Romeins soldaat. Hij is bekend geworden door het feit dat hij de helft van zijn mantel schonk aan een bedelaar die hij op zijn pad tegenkwam. Zo zie je hem op afbeeldingen; op zijn paard en met zijn zwaard zijn mantel in tweeën snijden. De bedelaar ligt op zijn knieën kleumend te wachten.
Waar wachtte de bedelaar op?
Op een halve soldatenmantel of om iets anders?
Op die vraag kom ik zo terug.
De legende vertelt ons ook dat Maarten (toen nog geen Sint) hierom hevig werd bespot door zijn medesoldaten. Het liet hem koud.
`Nachts kreeg hij een visioen: Hij zag Christus bekleed met zijn halve soldatenmantel.
Hij heeft direct daarna zijn dienst in het leger opgezegd en werd priester. Een zeer vroom en ijverig priester. Zo vroom en ijverig dat de paus hem tot bisschop wilde benoemen.
Maarten wilde dat niet, hij voelde zich onwaardig voor zo’n ambt. Hij vluchtte en verstopte zich in een ganzenhok.
Maar de ganzen verraadden hem met hun gesnater. Hij werd gevonden en naar Tours gevoerd, waar hij tot bisschop werd gewijd. (In Duitsland en Frankrijk en andere delen van Europa eet men om dit feit te herdenken met Sint-Maarten gebraden gans.)
Zo werd hij bisschop en dat betekende dat hij een bisdom onder zijn hoede had. In materiële zin moest hij zorgen voor de vele mensen die daartoe behoorden. De meeste bisschoppen deden dat goed, zij hadden landerijen waar boeren werkten en die zij goed betaalden. In Nederland bijvoorbeeld ontstond het gezegde: “Onder de kromstaf is het goed leven.”
Maar ook in spirituele zin moesten zij over hen waken en dat zal ook niet altijd meegevallen zijn in die toch wel ruwe tijden. Zij waren wat men noemt zielzorgers.
Na zijn dood werd hij heilig verklaard en werd Sint-Maarten.
Ik kom nu terug op die halve mantel en de vraag: “Waar wachtte die bedelaar op? Wachtte hij soms ook soms op aandacht en meegevoel?
Als je het zo bekijkt zin er tegenwoordig heel veel “bedelaars”.
Sint-Maarten is de beschermheilige van alle mensen die zorgdragen voor anderen. Daar behoren mensen in veel beroepen toe.
Sint-Maarten is de patroon van alle verzorgers, leraren, verplegers, artsen en ga zo maar door. En niet te vergeten “mantel”zorgers.
De mensen die zo’n beroep uitoefenen kunnen daarbij veel (te veel) van hun levenskrachten wegschenken.
Een uitgeputte verzorger, die dus te veel van zijn levenskrachten heeft weggeschonken, werkt niet goed op de fysieke gezondheid van zijn pupil. Kinderen die een opvoeder hebben die lekker in zijn vel zit, hebben meer
kans levenslustige en blijere kinderen te zijn.
Alle reden dus om te zorgen niet uitgeput te raken. Schenk dus niet je hele mantel, die een symbool is voor het levenskrachten complex.
Technisch gesproken: laat je batterij niet helemaal leeglopen, want dan is het moeilijk, zo niet onmogelijk, om hem weer op te laden.
Als dat bij een mens gebeurt, noemt men dat een burn-out. Dan moet je uit de roulatie en heeft niemand wat aan je. Hoe kun je nu verhinderen dat je burnt- out raakt?
Enkele suggesties: dingen die u allemaal weet maar die je niet genoeg kunt horen:
Wees wakker, hou jezelf in de gaten. Dan voel je uitputting aankomen. Wat je dan kan doen om de batterij weer op te laden is natuurlijk heel verschillend voor iedereen.
Voor de één is het een wandeling, of lekker joggen, voor de ander een stukje pianospelen of een andere kunstzinnige activiteit. Je voelt zelf heel goed waar je van opknapt en waar je van afknapt. Hele mooie momenten in je werk kunnen je ook een enorme push geven.
Wat je graag zou willen doen is niet altijd het beste op zo’n moment. Als je heel moe bent wil je soms maar het liefst lekker onderuit zakken. Maar rust helpt lang niet altijd.
Zeer belangrijk is dat je het tijdig in de gaten hebt en dan iets in je leven verandert.
Doe als Sint-Maarten: geeft niet meer dan de helft van je “mantel”, dan kan je lichtje blijven branden.

In het artikel staan hier enkele liedjes. Ik verwijs door naar ‘vrijeschoolliederen’.

Elf november     Hoog aan de hemel     Lampionnetje      Lampionnerij
Ik loop hier met mijn lantaar    Martijn, Martijn     Sinte-Maartensavond (tekstvariant)   Stergeflonker   Zon en maan en sterre     Als ’t zonlicht gaat verdwijnen

Sint-Maarten reed door weer en wind

De Mantel van Sint-Maarten
Christja Mees-Henny

Schutzmantelmadonna, fresco 15e -eeuws, Wetzwil ob Herrliberg

De bekendste gebeurtenis uit het leven van Sint-Maarten is wel de legende dat hij op een koude winterdag bij de poort van Amiens zijn mantel doorsneed om deze met een bedelaar te delen.
Na de droom waarin die nacht Christus aan hem verscheen, gehuld in de halve mantel die Maarten de bedelaar schonk, besloot Maarten zich te laten dopen en uit het keizerlijke Romeinse leger te treden. Als ridder van Christus wilde hij voortaan door het leven gaan.
In het Romeinse leger was het in die tijd gebruikelijk dat de soldaten zelf
een groot deel van hun uitrusting moesten bekostigen. Maarten schonk de
bedelaar werkelijk een deel van zichzelf.
Afgezien van de historische toedracht ligt er misschien ook een van kracht
vervulde symboliek in dit verhaal besloten.
Vele eeuwenlang zijn mensen geboeid geweest door het voorbeeld van
deze daad van Maarten. Vele kunstenaars hebben zich erdoor laten
inspireren. In kerken, kathedralen en musea in heel Europa zijn hier vele voorbeelden van te vinden.
Op de meeste afbeeldingen is de mantel van Maarten rood; de kleur van het bloed en van de hartewarmte.
Wat is de functie van een mantel? Een mantel omhult. (De mantel der liefde kan onze fouten ’omhullen’).

Maria Im Rosenhag, Martin Schongauer, 15e eeuw, Colmar 

Op vele afbeeldingen zien we hoe Maria het Jezuskind onder haar mantel draagt.
Vaak draagt zij een blauwe mantel, met een rood onderkleed. Er zijn afbeeldingen waarop te zien is hoe Maria haar beschermende mantel over de mensen heen spreidt om ze tegen zichtbare en onzichtbare vijanden te beschermen.
In Rusland wordt het feest van de eerste sneeuw, Maria Schützmantel, op 14 oktober gevierd. Het is er een belangrijk feest omdat Maria Sofia (Sofia is de alwijsheid van God) het bewustzijn van ons kosmisch menszijn vertegenwoordigt.
Zij is de omhulling van Christus en toont de mensen een toekomstige ontwikkeling:
het vermogen om vanuit het geestzelf te leven. Dat wil hier zeggen: leven vanuit de geest en voelen dat Ik en de wereld één zijn onder een kosmische sneeuwmantel.
Het leven van Sint-Maarten laat zien dat zijn ziel, evenals de ziel van Maria, de
Christuskracht omhulde. Daarom was hij heilig. Vanuit de kosmische liefdeskracht genas hij zieken, deed doden opstaan en dreef duivels uit.
Het wegschenken van deze ’liefdesmantel’ heeft het vermogen te helen. De helft van de mantel is door de kracht van de liefde tóch weer een hele mantel. Liefde wordt nooit minder als zij weggeschonken wordt; steeds meer verwarmt en doorzielt zij de mensen; steeds vult zij zichzelf weer aan.
Om het kleed van Christus werd, zoals in de Bijbel wordt verteld, gedobbeld onder het kruis. Dat kleed was in één geheel geweven, het was ondeelbaar.
Christus verscheen in de nacht aan Maarten en maakte duidelijk: “wat ge aan de minste mijner broeders hebt gedaan, hebt ge aan mij gedaan.”
Maarten schonk zijn mantel aan een bedelaar. Zijn wij niet allen mensen, bedelend
om de geest?
Als ik probeer om geen kritiek te hebben maar met verwondering en verbazing de ander waarneem… draag ik bij aan het spinnen van de draden voor de omhulling van Christus.
Als ik probeer met medelijden en liefde om te gaan met een hulpbehoeftige mens… dan draag ik bij aan het weven van de omhulling van Christus.
Als ik probeer te luisteren naar de stem van mijn geweten en daar naar handel… draag ik bij aan het samenstellen en naaien van de omhulling van Christus.
Als ik de poepbroek van mijn kleinkind verschoon, de vloer dweil, mijn huis verzorg… doe ik hetzelfde.
Zo simpel is dat. “Small is beautiful.”

Werkbeschrijving Pompoenlampion – St.-Maarten

Benodigdheden van jezelf:
Een set gutsjes
Een handdoek om op te werken
Appelboor of lepel om hard vruchtvlees eruit te scheppen
Aardappelschilmesje om de kartels in de pompoen te snijden
Benodigdheden:
Pompoen (tip: zoek voor jonge kinderen een klein pompoentje uit, die
zijn minder zwaar te dragen de hele avond)
Waxinelichtje
IJzerdraad
Touw
Door je kind gemaakte handvat (van wc-papierrolletje)
Werkwijze:
Snijdt het bovenste kapje eraf, recht of getand. (Dat laatste zorgt voor dat het kapje er niet zo snel afglijdt).
Haal de pitjes uit de pompoen.
Schraap daarna het –harde- vruchtvlees er met een lepel uit. Ook bij het kapje. De wand moet zo ongeveer 0,5 tot 1 cm. dik blijven. Het moet zo dun zijn dat als je straks een figuur op de pompoen tekent, dit oplicht als er een waxinelichtje in brandt.
Maak de bodem vlak zodat het waxinelichtje niet gaat glijden. Je kunt ook in het midden een uitholling maken ter grootte van het waxinelichtje, of het waxinelichtje stutten met tandenstokertjes.
Maak met de appelboor 3 luchtgaten in het dekseltje, zo blijft het kaarsje zuurstof houden.
Geen appelboorgaten in de pompoen zelf want dan kan de wind het lichtje gemakkelijk uitblazen.
Maak met een gutsje 1 klein gaatje in het deksel en 1 klein gaatje in de pompoen en verbindt beiden met elkaar door een ijzerdraadje. Zo kan je in het donker het deksel weer gemakkelijk op de pompoen zetten.
Maak met een gutsje 2 kleine gaatjes in de pompoen ongeveer 1cm onder de rand.
Doe door beide gaatjes een ijzerdraadje dat je rond buigt.
Bevestig hieraan het touw waar het handvat aan geregen is. Het touw moet dus niet in de pompoen komen want dat kan mogelijk verbranden. Het touw moet ook niet te lang wat een compacte lampion is beter draagbaar.
Maak met je gutsjes een mooie afbeelding op de buitenkant van de pompoen. Zon, maan en sterren of St.-Maarten en de bedelaar……. Of een kindje met een lantaarn!
Als je de lantaarn nog een dag moet bewaren kan je hem het beste in een bak water een paar uur onderdompelen, zo blijft het hard. Of wikkel de pompoen in een natte theedoek.
Neem tijdens de optocht een paar extra waxinelichtjes en een aansteker mee!
Veel plezier!

“Sint-Maarten: de tweede heilige in de reeks van drie heiligenfeesten (Sint-Joris, Sint-Maarten en Sint-Nikolaas) die in de herfsttijd voorbij komen, voordat het kerstkindje/licht geboren wordt.
Op veel interculturele initiatieven van de Waldorfschool wordt in deze tijd soms gekozen voor andere lichtjesfeesten zoals bijvoorbeeld Divali, het geestenfeest of Día de Muertos.
En toch vormen deze heiligenfeesten, met weliswaar een christelijke basis – maar
toch met zeer universeel menselijke waarden, een mooie drie-eenheid die past bij het antroposofisch gedachtegoed.
Daar waar Michaël ons aanmoedigt vol moed onze wilskracht te tonen en goede daden te verrichten, zo spreekt Sint-Maarten ons hart aan. Maarten staat met zijn goede daad symbool voor mededogen en naastenliefde.
Sint-Nicolaas spreekt weer een heel andere kwaliteit in ons mensen aan. Met zijn wijsheid en kennis over de mensheid roept Sinterklaas ons op ons eigen bewustzijn te vergroten. Durf jezelf in de spiegel aan te kijken zodat je een beter mens kan worden?
Zo vertegenwoordigen de drie heiligenfeesten samen drie kwaliteiten van onze menselijke ziel: ons denken, voelen en willen.
Op 11 november vieren we Sint-Maarten; de feestdag met als motief goedheid, de offerbereidheid en deemoed. Sint-Maarten is het eerste lichtfeest van de donkere tijd in het jaar.

Vanaf nu kunnen de kaarsjes weer aan

Waar in oorsprong rond deze tijd van het jaar slechts de armen van deur tot deur gingen om te vragen naar zielenbrood, is Sint-Maarten sinds de laatste eeuw een kinderfeest geworden.
Op vrijescholen en in sommige delen van Nederland lopen kinderen al zingend door de straten in de hoop op fruit of een snoepje.
In ons gezin horen bij dit feest mooie zelfgemaakte lampionnen, waarmee de kinderen in het donker zingend lopen.
Wij eten op de avond van 11 november in het donker met het kaarslicht van onze lantaarns.
We bakken Sint-Maartens broodmaantjes die we met elkaar delen en ik vertel voor het slapengaan een verhaal over offerbereidheid en het zorgen voor anderen.”
Geschreven door Eveline Clignett: Waldorf inspiration.

Lantaren, lantaren, zon en maan en sterren,
brandt op mijn licht, brandt o p mijn licht,
maar niet mijn lieve lantaren..

Op “Antroposofie en het kind” vind je een tutorial over het vouwen van een sterlantaren.

Op diezelfde site vind je ook onderstaand artikel van Marion Vreugdenhil:

De boog van sint Maarten naar Maria Lichtmis

De periode van het jaar waarin wij nu zijn, is voornamelijk in de natuur er een van een neergaande lijn; de sappen in de bomen trekken naar binnen en de bladeren sterven af. Ook wij keren ons naar binnen (letterlijk in onze huizen en
figuurlijk in ons innerlijk), naar de stilte toe.
Tegelijkertijd is onze innerlijke beweging een opgaande lijn; van binnen worden wij lichter.
Dit is het antwoord op de afstervende natuurkrachten: wij ontsteken het licht in onszelf.
De lichtfeesten in de komende periode helpen ons daarbij.
Het eerste lichtfeest Sint-Maarten is ook het eerste feest van de mantelheiligen (Sint-Maarten, Sint-Nicolaas, De drie Koningen en Maria).
Het is ook een donkere periode. De dagen worden korter en de nachten langer.
Maar tijdens de kerstdagen, van 24 december tot 6 januari, staat de tijd even stil. De dag- en nachtlengte nemen even niet toe of af. Alsof alles stil staat rond het wonder van Christus’ geboorte. Daarna worden de dagen weer langer en de nachten korter.
Bij de komende feesten, waarvan de eerste 40 dagen voor Kerstmis begint (St.-Maarten, Advent en St. -Nicolaas ) komen de volgende punten steeds terug: het oude wordt vervangen door het nieuwe en er is/komen stilte en licht.
Daarna zijn er weer lichtfeesten (Driekoningen en Maria Lichtmis) om het 40 dagen na Kerstmis af te sluiten.
Er wordt dus een boog gemaakt van 80 dagen met Kerstmis als hoogtepunt.
Bij de Germanen begon op 1 november een nieuwe periode. Het was de overgang van de herfst naar de winter. Het sterven en de dood leveren contact op met de wereld van de Gestorvenen of onderwereld. De nacht ervoor kwamen alle kwade geesten en donkere dingen naar boven. Met veel lawaai en afschrikwekkende pompoenhoofden werden ze weggejaagd: Halloween. In onze streken vier(d)en we geen Halloween, maar ook bij ons is er dat contact met de gestorvenen. Op 1 en 2 november vieren we Allerheiligen en Allerzielen.
Vanaf de Middeleeuwen werd niet alleen het jaar rond 1 november afgesloten met een oogstfeest, maar ook de pacht en het loon werden betaald en de
jaarcontracten werden wel of niet verlengd.
De Gedenkdag van Sint-Maarten op 11 november, die al vanaf de vijfde eeuw werd gevierd, bleef eeuwenlang een belangrijk oogstfeest. Dit Christelijk feest nam de plaats in van het Germaanse oogstfeest van 1 november.
Vroeger was Sint-Maarten het begin van de advent. Dat is op een gegeven moment verschoven naar 1 december.
Het verhaal gaat dat een bedelaar ridder Maarten smeekt hem iets te geven. Tegen zijn gewoonte in {Maarten was enigszins een losbol} geeft hij de helft van zijn mantel. ‘s Nachts verschijnt God in een droom om hem te bedanken. Vervolgens verandert het leven van Maarten. Hij stapt uit het Romeinse leger, wordt christen, doet goede werken en wordt ten slotte in 371 bisschop.
Bij het Sint-Maartenfeest zien we drie thema’s.
1 Het schenken en ontvangen
2 Het mogen ontmoeten van God
3 Keuze voor een omslagpunt

Ad 1. Het gaat erom dat we waarachtig zijn en iets van ons overschot (mantel) schenken. Om iets te geven, moeten we iets hebben. Zorg dus dat er iets te geven is. Door de vraag van de bedelaar kan Maarten verder met zijn leven.
Stel als ontvanger de ander een vraag, zodat hij/zij kan veranderen. Wees een schenker en sta toe om een ontvanger te zijn. Dat klinkt gemakkelijker dan het is. Ook omdat we net als Maarten niet alles moet geven, maar nog iets voor
onszelf moet overhouden.

Ad 2. Door iets aan iemand te geven spreken we hartenkrachten aan. Daarnaast worden we waargenomen door God. Hij is er dan bij en wij kunnen Hem ontmoeten. Dat gebeurt in ons hart.

Ad. 3 We kunnen ons leven veranderen, het anders doen. Die keuze hebben we, meerdere keren per jaar. Aanhaken op zo’n veranderingsmoment maakt het makkelijker. Maarten heeft net als Joris een zwaard, maar zijn zwaard is
anders. Hij gebruikt zijn zwaard om de gave klaar te maken, zodat hij iets weg kan geven. Maarten laat ons zien dat we iets kunnen doen met het lichtje (of het goddelijke) binnen in ons.

Hoe vieren we Sint-Maarten op school? Er worden die dag knollen uitgehold. De knolgewassen en wortelen worden voor de vorst uit de aarde gehaald. Zij horen bij het donker (en horen er meer bij dan de pompoenen). Door ze uit te hollen kunnen we er een lichtje in laten schijnen; wij maken licht in het donker.
Op 11 november gaan de kleuters en lagere klassen ‘s avonds in het donker naar buiten met hun lantaarntje. Ze gaan met hun klas door het parkje, bij
hutjes van oudere kinderen en langs de huizen voor gaven en zingen er liedjes bij.
Juf verzamelt het lekkers als appels, mandarijnen en noten in een mand. Bij binnenkomst in de klas is er vaak warme chocolademelk en wordt het
lekkers uit de mand uitgedeeld. Een gedeelte wordt bewaard voor in de klas.
In de natuur zien we de herfstbladeren, paddenstoelen en de sterren zijn aan de hemel langer zichtbaar. Naar buiten gaan is voor kinderen nu een feest. Veel klassen maken dan ook een herfstwandeling met juf, maar ouders vaak ook.
Deze periode is er één waar (in de klas, maar misschien ook thuis) veel geknutseld wordt: transparanten, glazen potten beplakken (met waxinelichtjes), bladerknutsels, kaarsen trekken en sterren vouwen. Verder wordt er veel
gezongen en horen ze verhalen van Sint-Maarten, het knolletje en Vrouw Holle.
Voor volwassenen is het een goede periode om op te ruimen, schoon te maken en lekker te koken.
Ruimte maken voor advent en kerst.
Appeltaarten, stoofpotten en pompoensoep, het smaakt in de herfst allemaal net even lekkerder. Als afsluiting mijn recept van pompoensoep, [zie de site van Antroposofie en het kind] die hoe kan het ook anders, bij ons altijd gegeten wordt op 11 november.”

Sint-Maarten: Een mooie Meppeler traditie

Het eerste feest van het schooljaar voor kinderen en ouders om samen aanwezig te zijn wordt in een kort moment neergezet in het stadspark als een schouwspel van Sint-Maarten en de bedelaar.
Van tevoren komen alle kinderen naar school, in het schemerdonker…
Kleuters komen in een klas die slechts weinig verlicht is, hun pompoenlantarentjes staan in de kring al klaar om, na een korte begroeting, te worden aangestoken… daarna gaan de kleuters naar buiten, waar hun ouders al wachten.
Al zingend, ouders hebben een kleine liedbundel gekregen in de week voorafgaande aan het feest, gaan kinderen en ouders, in een lange stoet op weg naar een afgesproken plaats in het park. Alle kinderen [voor] en ouders [achter
hun kind] staan in een grote kring achter glazen lichtpotjes en zingen met elkaar.
Tot het moment dat het stil wordt, heel stil. …..
Dan zien de kinderen de bedelaar, met een lantaren, de grote kring langzaam
binnenlopen en horen ze in de verte het paard van Sint-Maarten.
Het paard met ridder Maarten rijdt de kring binnen. In de kring deelt Sint-Maarten zijn mantel met de bedelaar. Maarten stapt weer op en rijdt nog langs de lichtjeskring en dan de kring uit, hij rijdt door het park: het hoefgeluid van het paard is nog een tijdje te horen.
Na het schouwspel vertrekt ieder weer naar school, onderweg wordt nog wat lekkers uitgedeeld.
Een mooi feest waaraan alle kinderen van school betrokken zijn: hetzij in de optocht, hetzij met het uitdelen of met het verzorgen van de lichtjes in het park.
Op de vieringsdag is er voor de klassen 1/6 in de grote zaal van school een opmaat waarna er voor kleuterouders gelegenheid is om een pompoen-lantaarn te maken aldaar. In de hele school worden die ochtend pompoenen uitgehold waarbij de kinderen van de hogere klassen de kinderen van de klassen 1,2,3 helpen.

Sint-Maarten spelen we in de kleuterklas ook uit.
In het schemerdonker van de ochtend, als de kinderen aangekomen en begroet zijn, de klassenkabouter wakker is gemaakt, liedjes zijn gezongen en vertelseltjes gedaan, dan wordt de kring zo gemaakt dat we het spelletje kunnen gaan spelen. Kindje van de dag mag zeggen welke rol hij wil [bedelaar of Sint-Maarten] of als dat nog te spannend voelt wie het dan mag worden.
Samen helpen we de spelers met de attributen en het klaarzetten.
De bedelaar neemt plaats in de kring, Sint-Maarten, met deelbare mantel om en
met [stok]paard en zwaard, rijdt rond de kring terwijl het lied gezongen wordt [Sint-Maarten, Sint-Maarten, Sint-Maarten reed door weer en wind [te vinden op www.vrijeschoolliederen]

Na het schoolfeest gaan de kinderen langs de deuren, al zingend, met hun ouders, door de straten van menig stad of dorp. Niet alleen kinderen van vrijescholen, [bijna] alle kinderen komen aan de deur. Huizen zien er uitnodigend uit, door de lichtjes die branden bij de deuren.
Vaak wordt er gezongen “Sint-Maarten de koeien hebben staarten” of “Sinte-Maarten mikmak”, veel verder komen ze niet in het algemeen, het liedje” ik wandel al met mijn lantaren” doet ook opmars.
In hun handen hebben ze behalve een lampion ook een [vaak] plastic tas, die als ze naar huis gaan, goed gevuld is met lekkernijen: gezonde en minder gezonde.
[Bedoeld om de komende koude periode door te komen, verwarmd te worden door het lekkers en goeds, tot Sint-Nicolaas komt]
Maar ook kleine presentjes. Hierbij een lijstje van mogelijkheden:
Zakje popcorn
Fruit -mandarijntjes zijn misschien een beetje standaard, maar worden al snel leuk wanneer je er een gezichtje op tekent of misschien zelfs een heel lijfje eraan knutselt, van bijvoorbeeld een pakje drinken ingepakt in een leuk papiertje, of met satéprikkers en suikervrije dropjes.
Rozijntjes in een doosje of zakje [met een strikje].
Nootjes-een handje ongezouten noten in een zakje, ook een zakje gedroogd fruit is prima!
Suikervrije lolly’s
Speelgoed-men hoeft natuurlijk niet iets eetbaars uit te delen. Kleine cadeautjes zijn ook een leuke afwisseling!
Stickers, pennen, leuke gummetjes edelsteentje etc.

Sint-Maarten: 11 november

Sint Maarten was een ridder, die de helft van zijn warme mantel aan een bedelaar gaf. Hij is door deze daad van menslievendheid het symbool geworden van offerbereidheid en goedheid. Je hart wordt aangesproken als je Sint-Maarten viert. Maar ook is Sint-Maarten een lichtfeest, dat Kerstmis voorbereidt. De kinderen die op 11 november met hun lantarens van uitgeholde knollen langs de deuren gaan, combineren de beide aspecten van dit feest.



en bladzijde 8 uit Seizoentafelboekje van deze auteur.

*Ook bestaat de tekst: ‘mijn licht is aan, ik ga vooraan
Mijn licht is uit, ik ga naar huis.

.

Sint-Maartenalle artikelen

Vrijeschool in beeldSint-Maarten     jaartafel

.

2863-2685

.

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen (2-5/4)

.
René Lecluse, huidarts    Weledaberichten 174,  najaar 1997
.

De huid als zintuigorgaan
.

Zoals het oog een specifiek zintuigorgaan is voor het zien en het oor voor het waarnemen van geluid, zo is de huid een specifiek tastorgaan. Door middel van vlak onder de huid gelegen tastknopjes zijn wij in staat om zowel de wereld om ons heen als ook onszelf af te tasten.

In tegenstelling tot wat men zou verwachten heeft dit verregaande consequenties voor onze beleving. Wij zijn immers door onze huid gescheiden van de fysieke wereld om ons heen, en van deze scheiding zijn wij ons ook bewust. De wereld om ons heen toeschouwen wij als een wereld die buiten ons zijn bestaan heeft, onafhankelijk van ons. Al eeuwenlang is dit gegeven een centraal onderwerp van de filosofie en alle religies.

Zelfbewustzijn door weerstand

Door middel van onze tast worden wij ons bewust van een weerstand. Zonder deze weerstand zouden wij ons voelen als een druppel in de oceaan (een heerlijk gevoel overigens dat met enige moeite kan worden nagebootst door een bad te nemen in water met een zeer hoog zoutgehalte voor een extra groot drijfvermogen).

Hoewel het onlogisch lijkt, geeft het tastzintuig bijna geen informatie over de buitenwereld (dat gebeurt namelijk vooral met behulp van andere zintuigen), het tastzintuig vertelt voornamelijk iets over de omgrenzing van het eigen lichaam. Het tastbeleven is niet primitief, maar is een belangrijk zintuig voor de bewustwording van onze fysieke zelfbeleving en ons zelfbewustzijn op aarde.

Als wij in het dagelijks leven te vaak en te veel geconfronteerd zijn met de wereld tegenover ons en als het ware buiten onszelf terecht zijn gekomen, kan massage onze zintuigen activeren en ons weer terugbrengen binnen onze natuurlijke omgrenzing.

Fysieke ontvankelijkheid

Zoals wij door middel van het tastzintuig onze eigen grens van binnen waarnemen, zo kunnen wij met de huid ook alles van de buitenwereld waarnemen wat een fysieke indruk op ons lichaam maakt. Dit komt doordat vlak onder de opperhuid een indrukwekkend gekronkeld netwerk van bloedvaatjes aanwezig is. Als je deze bloedvaatjes in één lijn zou uitleggen, zouden ze een lengte hebben van één meter per vierkante centimeter. Dat is over het gehele huidoppervlak een lengte van 17 kilometer bloedvaatjes! Alle stoffen en producten die deze grensrivier willen overschrijden, worden zorgvuldig en met grote precisie waargenomen en al of niet toegelaten. Vooral vetoplosbare stoffen, maar bijvoorbeeld ook vluchtige etherische oliën dringen gemakkelijk door de dunne opperhuid heen en komen dan spoedig in contact met de bloedbarrière van de huid. Deze toedieningsweg wordt dan ook gebruikt bij de toepassing van bijvoorbeeld etherische oliën in massageolie en badmelk. Daardoor kan een badmelk bijvoorbeeld slaap bevorderend, verwarmend, ontspannend of stimulerend op de stofwisseling werken.

Voor meer informatie over andere zintuigfuncties van de menselijke huid en het menselijk lichaam verwijs ik graag naar het interessante boek van huisarts A. Soesman, getiteld De twaalf zintuigen, uitgeverij Vrij Geestesleven (ISBN 90-6038-349-4).

.

Zintuigenalle artikelen  zie voor de huid onder tastzin

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2862-2684

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen (2-5/3-4)

.

René Lecluse, huidarts, Weledaberichten nr. 179  winter 1998
.

POLAIRE PROCESSEN IN DE HUID (DEEL 4)

.

In de afgelopen drie afleveringen heb ik geprobeerd te beschrijven hoe de huid qua anatomische structuur is opgebouwd uit drie lagen die ieder twee complementaire (polaire) kwaliteiten bevatten.

Nergens in het lichaam vinden we deze polaire kwaliteiten op zo kleine afstand van elkaar en zo wonderlijk gerangschikt als in de huid. Dat deze kwaliteiten door ons worden herkend is te danken aan de natuurwetenschap en de biologie die gedurende de afgelopen tweehonderd jaar de huid in kaart hebben gebracht.

Opperhuid

De polariteit van de opperhuid is, zoals we zagen, leven en dood. De kwaliteit van het leven vinden we in het lichaam overal waar groei, opbouw, regeneratie en reproductie plaatsvinden, samengevat als het ‘levenskrachtenorganisme’ of etherlichaam. Doodsprocessen daarentegen zorgen in het lichaam onder andere voor de stevigheid van het skelet (beeld van de dood!) en voor gezonde afbraak en veroudering.

Lederhuid

De polariteit van de middelste huidlaag (lederhuid of dermis) is plastische vormgeving, tegenover ‘in beweging brengen’ (oplossen van de vorm). Zonder de kwaliteit van plastische vormgeving zou ons lichaam niet de vloeiende schoonheid hebben zoals bijvoorbeeld tot uiting komt in de ‘spiermens’. Bovendien zouden organen zoals de lever zonder deze kwaliteit letterlijk verschrompelen (cirrose genaamd). De stromende en oplossende kwaliteit vinden we terug in het kliersysteem van het lichaam: in het maag-darmstelsel, zweetklieren, slijmvliezen, traanvocht enzovoort.

Subcutis

Ten slotte zagen we hoe in de onderste huidlaag (subcutis) de haarwortels hun naar buiten gerichte groeikracht ontvangen, terwijl het onderhuidse vet verzorgende warmte geeft naar binnen toe. Doelgerichte kracht heeft de mens nodig om actief te kunnen zijn en om zijn doel op aarde te kunnen vinden. Dit is een kwaliteit van het ijzerhoudende bloed, maar ook van de galprocessen die doelgericht voor afbraakkrachten in de spijsvertering zorgen. De verzorgende warmteprocessen daartegenover zijn onmisbaar voor het functioneren van de stofwisseling en het denken. Daarnaast omhullen zij de mens letterlijk met een isolerende warmtelaag.

Harmonische wisselwerking

Zo zien we hoe alle belangrijke krachten voor een gezond functioneren en in stand houden van het lichaam tevens als metamorfose zijn terug te vinden in de opbouw van de huid. Echter, deze tegengestelde krachten zouden niet harmonisch kunnen functioneren zonder een afstemming op elkaar. Het in harmonische wisselwerking brengen van tegenstellingen is een kwaliteit van het ‘ritmische systeem’, met het hart als middelpunt. Deze harmoniserende krachten laten de tegenpolen met elkaar samenwerken, zodat tegenstellingen vruchtbaar worden gemaakt en een nieuwe kwaliteit of structuur ontstaat. Onzichtbaar zijn deze krachten in de huid werkzaam, niet als aparte laag, maar de gehele huid tot een harmonisch geheel samenvoegend. De menselijke huid is zo bezien dus niet alleen de fysieke begrenzing van het menselijk lichaam, maar ook een resultaat van alle in het lichaam werkende krachten.

.

Deel 1,  deel 2   deel 3

Zintuigenalle artikelen  zie voor de huid onder tastzin

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2861-2683

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen (2-5/3-3)

.

René Lecluse, huidarts, Weledaberichten nr. 178  najaar 1998
.

POLAIRE PROCESSEN IN DE HUID (DEEL 3)

.

Alle planeten van ons zonnestelsel hebben een inwendige kern die bestaat uit een vurige, gloeiende massa. Alleen de planeet Pluto maakt, voor zover wij weten, hierop een uitzondering met een kern van ijs. De temperatuur in het binnenste van de aarde wordt geschat op gemiddeld zo’n 3000 graden Celsius! Daardoor beschikt de aarde over een eigen warmte die een aanzienlijk aandeel levert aan de energie van de aardse atmosfeer.

Wanneer wij een reis naar het binnenste van de aarde zouden maken, dan zouden wij onder de minerale aardkorst eerst een waterlaag aanboren (‘mineraalwater’). Daarna zou het alsmaar warmer worden, totdat wij bij het vuur zouden komen dat als een zon in het binnenste van de aarde gloeit.

Als wij dezelfde reis zouden maken in de menselijke huid, dan treffen we onder de ‘minerale korst’ van de hoornlaag de half vloeibare, waterige laag van de lederhuid aan en komen we ten slotte bij het onderhuidse vetweefsel. Net als in het binnenste van de aarde heerst in het onderhuidse vet een aangename warmte. De potentiële energie van vetweefsel is zelfs groter dan dat van koolhydraten en eiwitten; vetweefsel heeft dan ook een belangrijke functie bij de verzorging van de warmte- en energiehuishouding van ons lichaam.

Haarwortels

Naast vetweefsel treffen wij in de onderhuid ook nog haarwortels aan, die als het ware vanuit de opperhuid via een schacht (de haarschacht) zijn afgedaald. De haarwortels zoeken dus letterlijk de warmte op om te kunnen groeien. Vanuit de haarwortel groeit de haar (opgebouwd uit hoornmateriaal) met kracht verticaal naar buiten toe. Dit in tegenstelling tot de hoornlaag van de opperhuid die zonder kracht naar buiten opschuift. Zonder de warmte en voeding van de onderhuidse vetlaag zouden de haren hun groeikracht moeten missen. Wanneer bijvoorbeeld op de hoofdhuid deze voedende laag verdwijnt, dan ontstaat een blijvende kaalheid zoals die veel voorkomt bij mannen vanaf middelbare leeftijd.

Polariteit

Samen met de haarwortels vormt het onderhuidse vet een polariteit, namelijk: verzorgende groeikracht (van het vet) enerzijds en doelgerichte groeikracht (van de haren) anderzijds.

In deel 4 van ‘Polaire processen van de huid’ zal ik trachten de polaire krachten verder te ordenen en te verklaren, waarbij natuurlijk ook zal worden onthuld wat de onzichtbare kracht is die de polariteiten bemiddelt

.

Deel 1deel 2   deel 4

Zintuigenalle artikelen  zie voor de huid onder tastzin

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2860-2682

.

.

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen (2-5/3-2)

.

René Lecluse, huidarts, Weledaberichten nr. 177  zomer 1998
.

Polaire processen in de huid (deel 2)
.

Onlangs [art. van 1998] was onze maan in het nieuws: een ruimtetoestel zou op haar beide polen een geringe hoeveelheid ijs hebben ontdekt. Dit ijs moest volgens de deskundigen afkomstig zijn van kometen en meteorieten die in de loop der tijden op de maan zijn ingeslagen. Ondanks deze mogelijke aanwezigheid van ijs blijft de maan maar een dorre en stoffige planeet, die, opvallend genoeg, wel de waterhoogten op aarde beïnvloedt.

Het grootste verschil tussen maan en aarde is in feite gelegen in de atmosfeer: bij de maan ontbreekt deze atmosfeer en bij de aarde bevat zij naast onder andere zuurstof, stikstof, argon en koolzuur ook water. Als zodanig kunnen de rivieren, wereldzeeën en het poolijs (een zoetwaterreservoir!) tot de atmosfeer van de aarde worden gerekend, terwijl de aardkorst zelf mineraal van aard is.

De lederhuid

Er is een frappante overeenkomst te vinden tussen de waterrijke atmosfeer van de aarde en de lederhuid van onze menselijke huid. Direct onder de dunne opperhuid gelegen, bestaat de lederhuid uit een slijmachtige grondsubstantie. Deze slijmachtige grondsubstantie is in staat veel water te binden en zorgt daardoor voor een vitale spanningstoestand en een plastische vorm. Slijmstoffen zijn overigens altijd te vinden op plaatsen waar een levend organisme zich wil beschermen tegen uitdroging en verharding.

Als bij het ouder worden van de huid het waterbindend vermogen van de slijmachtige grondsubstantie structureel afneemt, wordt de huid slapper en worden de plooien dieper.

Daarnaast beval de lederhuid een groot aantal zweelklieren die in plaats van water te binden precies het tegenovergestelde doen, namelijk water in stroming brengen en laten verdampen! Onder extreme omstandigheden kan de zweetproductie zelfs zo’n twaalf liter per uur bedragen.

Zonder de waterhuishouding van de lederhuid zou ons lichaam zijn waterige atmosfeer moeten missen en zouden wij er net zo uitgedroogd en rimpelig uitzien als ‘maan- en marsmannetjes’ uit diverse sciencefictionfilms.

Vormgeven en oplosssen

Zoals de opperhuid bij zijn bouw de polariteit tussen leven en dood laat zien, zo laat de lederhuid de polariteit tussen plastische vormgeving en oplossend vermogen in het waterelement zien. Evenals bij de opperhuid het geval was, is ook bij de lederhuid het bemiddelende proces tussen deze tegengestelde krachten niet uiterlijk waarneembaar (maar daarover een volgende keer meer).

In het derde deel van ‘Polaire processen in de huid’ zal blijken dat ook het onderhuidse weefsel een interessante polariteit laat zien in zijn anatomische bouw en functie.

.
Deel 1    deel 3   deel 4
.

Zintuigenalle artikelen  zie voor de huid onder tastzin

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2859-2681

.

,

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen (2-5/3-1)

.
René Lecluse, huidarts, Weledaberichten nr. 176 voorjaar 1998
.

Polaire processen in de huid (deel 1)
.

Binnenkort [art. uit 1998] vindt er in onze stad een bedrijfsveiling plaats. In de krant zie ik een trieste foto met een loods vol productiemiddelen die nu worden afgedankt. Het is begrijpelijk dat dit zo’n treurige indruk maakt, maar bomen en planten ontdoen zich ieder jaar van hun productiemiddelen: de bladeren, die gedurende de zomermaanden vol in bedrijf waren bij de vorming van suikers en zuurstof uit koolzuur, staken tijdens de herfst hun productie en sterven af. En dat is, net als de groei van een blad, beslist een fraai gezicht.

Bekijken we een plantenblad, dan valt op dat het oppervlak groot is ten opzichte van de dikte. Dat is precies zo met de menselijke opperhuid, die met een dikte van slechts 0,1 mm (!) een oppervlak heeft van meer dan anderhalve vierkante meter. Ook heeft het plantenblad net als de opperhuid van de mens een waterafstotende laag en zijn er kleine huidmondjes voor de passage van stoffen en water. Onze opperhuid is dus te vergelijken met het bladerdek van bomen en planten.

In feite bestaat de opperhuid uit twee lagen, namelijk de kiemlaag en de hoornlaag (waarvan de laatste aan de buitenkant zit). Samen representeren ze de polaire krachten van leven en dood.
In de kiemlaag vindt immers een langzame maar constante aanmaak van vochtrijke opperhuidcellen plaats. De volgroeiing van zo’n opperhuidcel gebeurt in een tempo van achtentwintig dagen, dat wil zeggen in eenzelfde ritme als de omlooptijd van de maan.

In de vochtarme hoornlaag daarentegen vindt een constante celdoding plaats, waarbij als het ware een ‘tegelpad’ van dode cellen voor een waterafstotende gladde huidlaag zorgt.

Wat in de natuur na elkaar geschiedt tijdens de opeenvolgende seizoenen, namelijk groeien en afsterven, dat vindt in de opperhuid gelijktijdig plaats als continu proces. Deze polaire krachten zouden elkaar onvermijdelijk moeten opheffen als niet steeds een bemiddelend proces aanwezig was dat juist voor een vruchtbare samenwerking zorgt. Bij de huid is deze bemiddelende kracht niet uiterlijk waarneembaar. Daardoor lijkt het alsof de kiemlaag en de hoornlaag op elkaar zijn geplakt. Het fenomeen van aan elkaar tegengestelde krachten die samenwerken komen we overal in de levende natuur tegen.

Uit het bovenstaande kan worden begrepen hoe bepaalde afwijkingen aan het huidoppervlak kunnen ontstaan, zoals bijvoorbeeld schilfering. Bij schilfering blijven de huidcellen te vitaal en sterven niet voldoende af, waardoor er een soort bladerdeegstructuur van de opperhuid ontstaat, die afschilfert (of beter ‘afbladdert’). Van de andere kant leidt overmatige verhoorning tot een zichtbaar tegelpatroon op de huid die dan ook wel ‘vissenhuid’ wordt genoemd.

De volgende keer zullen we zien hoe in de andere huidlagen (lederhuid en onderhuid) sprake is van tegenovergestelde krachten die vruchtbaar samenwerken, maar die van een heel ander karakter zijn dan leven en dood. Ook daar blijkt dan sprake te zijn van een onzichtbare bemiddelaar. 

.
Deel 2     deel 3     deel 4

Zintuigenalle artikelen  zie voor de huid onder tastzin

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2858-2680

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (23)

.

luizen
.

Iedere school heeft er mee te maken. Er zijn altijd kinderen met luizen, de ene tijd meer dan de andere.
We kunnen het (ze) niet laten lopen en proberen er wat tegen te doen.

De ‘luizenmoeders’- ook wel -vaders, is een begrip: ze komen a.h.w. de kinderen ‘vlooien’ om te ontdekken of er luizen zijn.

Er bestaan zelfs luizenklinieken o.a. een in Houten.

Vragen aan een medewerker:

Wetenswaardigheden

Waarom krijgen we de luis maar niet uitgeroeid?

„Luizen vermenigvuldigen zich snel. Een vrouwtjesluis hoeft maar één keer in haar leven te paren.
Dat sperma slaat ze op, om zichzelf de rest van haar leven te bevruchten. Een luis legt per dag acht eitjes. Als je er vijf op je hoofd hebt, krijg je er dus al veertig per dag bij. De luis bestaat al sinds de mensheid en uitroeien gaat niet lukken.”

Waarom krijgen voornamelijk kinderen luizen?

„Er zijn genoeg volwassenen die ze krijgen, maar daar rust nog steeds een taboe op. Er is een grote toename op middelbare scholen. Dat heeft alles te maken met de mobiele telefoon. Wanneer jongeren selfies maken en daarbij hun hoofden dicht bij elkaar houden, kunnen de luizen zo overlopen.”

Was je beddengoed, knuffels, jassen en sjaals: dat was decennia geleden het advies. Gaat dat nog op?

„Dat advies gaat nog rond, maar het is helemaal niet nodig. Je kunt rustig je ongewassen bed inkruipen. Alles van haren ontdoen is genoeg. Mocht je toch een luis op je kussen vinden, dan betekent dat dat hij ten dode opgeschreven was. Na 55 dagen, aan het einde van hun levenscyclus, laten luizen los. Ze kunnen zich echt alleen maar vasthouden aan haar. Dus niet aan gladde oppervlakten en ook niet aan kleding en knuffels. Heb je een jas waar losse haren aan kleven, dan kan een luis zich daar wel aan vasthouden met zijn klauwtjes.”

Zijn er nog meer mythes die stug blijven rondgaan?

„Een hoop. Het beeld dat mensen van luizen hebben is erg gedateerd. Vroeger zei men dat ze op vies haar afkwamen, later juist dat ze van schoon haar houden. Geen van beide is waar. Ze komen af op de zoetheid van je bloed. Als je altijd geprikt wordt door muggen, vindt de luis je ook lekker. Ook verwarren mensen luizen nog weleens met vlooien en denken ze dat ze kunnen springen. Dat kunnen ze niet, maar ze kunnen wel snel lopen als er haarcontact is.”

Zijn ze te bestrijden met huis-tuin-en-keukenmiddeltjes?

„In de winkel verkopen ze van alles waar de luis zogenaamd niet van zou houden, maar een luis kan zijn ademhalingskanaaltjes afsluiten voor schadelijke stoffen. Over de bestrijding horen we de wildste verhalen, met middeltjes van aceton tot mayonaise. In onze kliniek, waar je terechtkomt als het zelf niet lukt, werken we met een medisch apparaat dat de neten doodt. Die zijn overigens niet wit, zoals altijd gedacht werd, maar donkerbruin tot zwart. Tót de luis uitkomt: dan blijft er een transparant eierzakje achter dat wit oogt in het haar.

Als je er thuis vanaf wilt komen, is het enige product van de drogist dat kan werken iets op basis van dimethicone, een siliconensoort Dat heeft een verstikkende werking. Het doodt alleen niet alle  neten. Gefaseerd het hele haar doorkammen met een goede luizenkam werkt beter.

Tips van de expert

Lange haren

Maak lange haren vast in een hoge knot. Gebruik daarvoor geen stoffen elastiek, daar gaan veel haren in vastzitten. Kies voor een kunststof variant.

Gel

Smeer een flinke klodder gel of een ander plakkerig product in je haar. Zo is er minder snel haarcontact met anderen, omdat je geen losvliegende plukken haar hebt.

Luizenkam

Schaf een goede luizenkam aan. Een stevig exemplaar waarvan de tanden niet buigen is raadzaam, zo kam je alle luizen en neten eruit. Doe dit bij voorkeur op nat haar, dan hebben ze minder kans weg te lopen.

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2857-2679

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (88)

.
[in blauw tekst Pieter HA Witvliet]

Regelmatig komt het onderwerp ‘KLEUTERONDERWIJS‘ in het nieuws.
Ik heb daar verschillende keren al melding van gemaakt:

Opspattend grind: [16] Jonge kinderen leren vooral wanneer ze echt – d.i. spontaan – kunnen spelen. Het bedenkelijke van voor-schools onderwijs….

[38Erica Ridzema betoogt dat de kleuter ‘niet kan blijven zitten’ en dat ‘doorkleuteren’ een verkeerde term is: het kind gaat gewoon door met zijn ontwikkeling. Daarvoor moet het ruimte krijgen. Weg met onzinnige toetsen (en beleidsmakers)

[53] Met grote regelmaat verschijnen er opiniestukjes over kind en en spel. Mevrouw Kooijman – haar kinderen van 4 en 6 zijn na een schooljaar ‘ëcht aan vakantie toe’ -pleit voor meer spelen, zelfs voor een ‘lummeltijd’.

[68Sieneke Goorhuis ziet de afkorting VVE voor Voorschoolse en Vroeg-schoolse Educatie liever veranderd in Verwonderen, Verkennen en Experimenteren.
Voorschools leren heeft geen effect, erger nog: het levert minder sociaal gedraag en minder initiatiefkracht op. Vrij spelen is essentieel.

En op 01-10-2022 konden we in het AD lezen:
.

Vroeg leren funest voor ontwikkeling jong kind
.

Het brein van het jonge kind is als een jonge boom. Veel potentie om uit te groeien tot mooie eik met klim- en schommelplezier.
Maar wat als je de schommel te vroeg ophangt en de boomstam bezwijkt? )e gaat tegen de natuur in en maakt iets onherstelbaar kapot. Funest voor breinontwikkeling is het harde en onomstreden bewijs uit de pedagogische en neurowetenschappen. Dinsdag [4-10-2022] is er in de Tweede Kamer een rondetafelgesprek over het jonge kind.

In 2016 was er ook zo’n gesprek met een indrukwekkende gastenlijst. Iedereen was eensgezind: het jonge kind moet meer speelruimte krijgen om zich optimaal te kunnen ontwikkelen. Wat is er in die zes jaar gebeurd? De kleutertoets is afgeschaft, maar verder is de nadruk op vroege geletterdheid en gecijferdheid toegenomen.

Ja, wat is er gebeurd, maar vooral WAAROM is gebeurd wat de onderstaande personen* niet willen.
Het antwoord wordt hieronder al deels gegeven: ‘internationale vergelijkingen laten zien dat Nederlandse kinderen steeds verder achter raken waar het gaat om hun kennis van taal en rekenen.

De regeringsteneur is; we leven in een kenniseconomie en daarom is kennis zo belangrijk, dat je er niet vroeg genoeg mee kan beginnen.
De inspectie zit erbovenop! Een interview met de hoofdinspecteur laat er geen twijfel over bestaan: het gaat om rekenen en taal, om rekenen en taal, om rekenen en taal. 
Wat je weinig hoort, is dat de overheid zich helemaal niet zou moeten bemoeien met de inhoud van het onderwijs, (als dit niet in strijd is met de (grond)wet). De onderwijsgevenden zijn heel goed in staat de gezichtspunten van waaruit ze willen werken, te concretiseren. Dat kúnnen, maar dat hoeven niet per se de opvattingen van de regering(scoalitie) te zijn.

Geen Vereniging van vrijescholen

Het kleuteronderwijs dat de onderstaande personen voorstaat, is in grote lijnen ook het vrijschoolkleuteronderwijs. Daarom is het voor mij verbazingwekkend dat er geen vertegenwoordiger van de vrijescholen bij is. 

100 jaar geleden zei Rudolf Steiner al: 
Je moet altijd willen vaststellen wat een kind kan! Alleen maar vragen stellen moet je niet doen. Je moet willen vaststellen wat een kind kan, niet wat het niet kan.  [wegwijzer 86]

En hoeveel meer heeft hij niet gezegd over het jonge kind, over spel. Ook hij keerde zich tegen de toen al gebezigde term ‘spelend leren’. **
Zijn opvattingen over onderwijs gaan over ‘creatief, beeldend, kustzinnig. Over ‘kennis als gevolg van bezigzijn, niet als doel.’ 
Annerieke Boland (lector ‘Het jonge kind’, Pabo Hogeschool Amsterdam/Alkmaar) stelt dat tot en met de eerste jaren van de basisschool ten onrechte onderscheid wordt gemaakt tussen spelen en leren. 
Hoe ‘vrijeschools’ wil je het: ‘Het is van belang dat leren en ontwikkelen holistisch benaderd wordt’, zegt een van de deelnemers (S.Hay) in zijn bijdrage.

AD:
We rekenen kinderen af op wat ze niet kunnen in plaats van wat ze wél kunnen. Helaas laat de toenemende kansenongelijkheid zien dat de Nederlandse aanpak niet werkt. Sterker, internationale vergelijkingen laten zien dat Nederlandse kinderen steeds verder achter raken waar het gaat om hun kennis van taal en rekenen. Specialisten rondom het jonge kind zeggen: heb vertrouwen in het natuurlijke proces. Kinderen willen niet presteren, ze willen spelen.

Je moet het spel, indien nodig, verrijken maar niet opleggen. Spontaan spel zonder doelstelling van bovenaf. Onmeetbaar én onmisbaar: creatief spel is essentieel voor de fysieke, emotionele en cognitieve groei van kinderen. Daarmee creëren we stabiele, nieuwsgierige en leergierige kinderen. Natuurlijk kun je zeggen: we kunnen toch spelenderwijs leren? Het antwoord is: nee**. Speels leren is iets anders dan leren door spel. Wanneer een jong kind gestuurd speelt, met opgelegde, cognitieve leerdoelen, rekenen we ze af op hun prestatie.

Die schommel wordt dan te vroeg opgehangen. Precies wat er gebeurt als je een 3-jarige naar zwemles brengt. Die blijft twee jaar lang stuurloos in badje 1 hangen en dat doet iets met je zelfvertrouwen. In die tijd had het kind eindeloos kunnen klimmen, klauteren, leren vallen en weer opstaan. Kansengelijkheid is vaak het argument voor vroegtijdige educatie. ‘De gedachte dat vervroeging van de schoolleeftijd de kloof kan verkleinen is echter niet gebaseerd op pedagogische inzichten’ (Goorhuis-Brouwer 2016). Door kinderen al op zo’n jonge leeftijd cognitief te laten leren, komt er teveel gewicht op de jonge boomstam: het geeft (achterstands)kinderen een fundamentele onzekerheid en zorgt voor afnemende creativiteit, verminderde motorische vaardigheden en minder autonomie. Er zijn daarom beleidsmakers nodig met moed. Moed om tegen de stroom in te zwemmen, moed om speelruimte aan het kind van 0-7 jaar te bieden. In het belang van de maatschappij hebben we kinderen nodig die zonder vooraf gesteld doel mogen spelen.

De kinderopvang, met de expertise van duizenden pedagogisch professionals, is de plek bij uitstek om die speelruimte te bieden.

*Gjalt Jellesma, Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang; Felix Rottenberg, Brancheorganisatie Kinderopvang; Myrte van Gurp, Pedagogisch Professionals in de Kinderopvang; Marjet Winsemius, Voor Werkende Ouders en Werk- en Steungroep Kleuteronderwijs, De Kerngroep.

**‘Bij dit organiseren van het spel heeft men heel vaak het allerbelangrijkste niet in de gaten: wanneer het spel strak geregeld wordt en het spel van het kind in een bepaalde richting moet verlopen, dan is het geen spel meer. Het wezenlijke van spel is dat het vrij is.’
Rudolf Steiner GA 297 Idee und Praxis der Waldorfschule blz 58  1919
Op deze blog vertaald/58
.

Rudolf Steinerover spel

Spel: alle artikelen

Opspattend grindalle artikelen

.

2856-2678

.

.

.

.