VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (1-2-5)

.

Een van de meest menselijke vermogens is het kunnen spreken.
Spreken kunnen we alleen leren door nabootsing. 
Omdat in vroegere sociale verhoudingen de moeder thuis voor het opgroeiende kind zorgde, heeft zich in de taal het begrip ‘moedertaal’ (het Engels heeft ‘de moeder tong!) gevestigd.

Rudolf Steiner gaf al in het begin van de vorige aan hoe belangrijk klanken zijn voor de vorming van bepaalde gebieden in de hersenen. 
Het huidig hersenonderzoek geeft hem daarin gelijk. (Al wordt dat niet zo luid verkondigd, simpelweg omdat men het werk van Steiner te weinig kent).

Zie voor verdere onderbouwing nu: Algemene menskunde voordracht 11 [11-3]
Daarna [11-4]
De inhoud van deze artikelen legt de basis voor wat al jaren met kinderen wordt gedaan vanuit een instinctief gezond gevoel van de ouders/opvoeders.

Vingerspelletjes

Ze zijn van oudsher dé spelletjes om een klein kind zinvolle bewegingen te laten maken bij een tekst. Deze kennen de kinderen in zeer korte tijd uit het hoofd en op deze manier wordt hun woordenschat sterk uitgebreid.

Uit steeds meer onderzoeken blijkt er een wezenlijke samenhang te bestaan tussen de bewegingen die met name door de handen worden gemaakt en de ontwikkeling van bepaalde hersengedeelten.

Rudolf Steiner maakte er in een aantal pedagogische voordrachten al melding van dat handen(arbeid) de hersenen positief vormt.

Daarover meer in het artikel ‘handen en intelligentie’.

Vingerspelletjes kunnen zeker tot en met de kleuterklas, maar ook in de 1e klas doen kinderen nog graag mee, als het geen ‘kleuterdingetjes’ zijn; dat kan vooral in de niet-Nederlandse talen: dan is het ook weer zeer zinnig bewegingen met klanken en woorden te verbinden.

Op deze blog staan ook vingerspelletjes voor peuters en kleuters. Het is niet zo eenvoudig om een duidelijke scheidslijn aan te geven.
Uiteraard moeten de spelletjes voor de baby, het jonge kind dat een beetje zitten kan, eenvoudig zijn.

Een van de bekendste is wel;
.

NAAR BED, NAAR BED! ZEI DUIMELOT

Een spelletje voor de al wat fijnere motoriek: de betreffende vinger moet a.h.w. even apart bewogen worden. Vooralsnog doet de oudere dit, later zal het kind het nadoen (nabootsing!)

Naar bed, naar bed! zei Duimelot
Eerst nog wat eten! zei Likkepot.
Waar halen we ’t vandaan? zei Langelot.*
Uit grootvaders kastje! zei Ringeling.
Dat zal ik verklappen! zei ’t Kleine Ding.

Er bestaan uiteraard allerlei kleinere varianten:
Waar zullen we ’t halen, zei Lange Jaap
Uit grootmoeders kastje, zei Korte Knaap

Soortgelijk:

Duimelot is in het water gevallen,
Likkepot heeft hem er uit gehaald.
Langejaap heeft hem thuisgebracht,
Korteknaap heeft hem te eten gegeven, en
Pinkelink heeft alles aan moeder verteld!

Mellie Uyldert heeft een verklaring voor de verschillende vingers:

Zij zegt dat de vingers de krachtstroom geleiden die door de arm wordt aangevoerd, elk op een verschillende trilling naar buiten, wat samenhangt met het doel, waarvoor de vinger de kracht gebruikt.

In de duim ziet zij het werktuig en uitdrukkingsmiddel van het Ik, de wil en het hart. Bij de duim gaat het om zonnekracht. ‘Duimen’, (op geluk hopen) is dan:  ‘die kracht opladen en daaraan de wens verbinden die door die lading van scheppingskracht kans krijgt om in vervulling te gaan!

De wijsvinger zou met het geloof te maken hebben. De bisschopsring wordt aan deze vinger gedragen: hier zou het om de Jupiterkracht gaan. Jupiter doet vriendschappen ontstaan; als men naar iemand wijst, maakt men al een etherische verbinding met die persoon.

De middelvinger zou verband houden met de erffactoren van het voorgeslacht, met traditie en verplichting en verantwoordelijkheid; men draagt er de zegelring met het familiewapen aan!

Bij het afleggen van de eed, worden wijs- en middelvinger tegelijk opgestoken: men zweert bij God en bij het voorgeslacht!

Tegen het z.g. boze oog of de boze blik maakt men het z.g. ‘hoorntje’: men steekt wijsvinger en middelvinger uiteen gespreid in de vorm van een V omhoog of voor zich uit, weert dus onheil af door de krachten van Jupiter en Saturnus. (“Dit heeft niets met de V van Victorie te maken, dat is er later maar bij bedacht!)”

De ringvinger zou de vinger van Venus zijn en met de liefde te maken hebben, de vinger waaraan de trouwring wordt gedragen.

De pink, de vinger van Mercurius, ”die speelkameraadschap kan doen ontstaan, men draagt er de ring van de kleine genegenheid aan. Mercurius geeft ons de spraak en de taal. Het valt op, dat in de overeenkomstige versjes in alle Europese talen de pink steeds degene is, die aan het eind van het avontuur zegt: ik zal alles verklappen! In ’t Frans zeggen de moeders ook: mon petit-doigt me l’a dit!

Het is interessant dat de Duim de actieve is, in de zin van initiatiefnemer: ‘Naar bed, jullie!’ Of hij heeft al iets gedaan en is in het water gevallen. Als we vanuit de drieledige mens kijken, is de duim zeker het meest verwant met de wil. Iemand ‘onder de duim houden’ betekent toch niet meer of minder dan dat je iemand ‘je wil oplegt’. Het is ook de vinger waarmee wij de grootste drukkracht kunnen uitoefenen en is daarmee zeer ‘ledematenverwant’.
De Duitse antroposofische arts Norbert Glas gaf een jaar of vijftig geleden een serie boeken uit met als kern dat het uiterlijk van de mens iets openbaart van zijn innerlijk. Een titel luidt:Die Hände offenbaren den Menschen‘.
Ook hij koppelt aan de duim ‘de wil’.
Hij verbindt aan de vingers geen planetenkwaliteiten, dat doet Uyldert wel en ze laat de wijsvinger bij Jupiter horen. Een jupiterkwaliteit is ‘denkend het overzicht bewaren’; dat komen we bijv. weer bij Glas tegen.
Het uitlikken van de pan is voor Uyldert ook een jupiterkwaliteit, hij immers ‘geeft ook de levensgenieters!’
De middelvinger schaart zij onder Saturnus: ‘het probleem-denken’ en ordenen in rubrieken; de ringvinger, Venus, zoekt dan weer het genot. Ze zou in alle talen een rol spelen wanneer het om eten gaat.
En de pink, als mercuriusvinger, is de Mercurius als boodschapper van de goden.
Het ‘over-brengen’ komt ook in alle talen voor!

 Voor Uyldert hangt de duim samen met de Zon, en daarmee met het hart. Volgens haar weet de duim alles van het hart en als er door het kind op gezogen wordt, aan ‘gelurkt’, Duimelot = duimelurk!, masseert het zijn gehemelte en de daar boven liggende hypofyse: de klier die o.m. zorgt voor de kennis van de buitenwereld).
Zij refereert nog aan Klein Duimpje dat als zinnebeeldig sprookjesfiguur in heel Europa voorkomt, en in India is er vaak sprake van een mythisch wezen, niet groter dan een duim, zittend op een lotusblad op het water, overeenkomend met Andersens Duimelijntje, en dat betekent overal: de eeuwige lichtvonk in het mensenhart, het goddelijke deel in de mens.

We kennen nog meer gebaren met de duim: we liften ermee; we geven te kennen dat iets goed is: duimpje hoog.
Maar bij de Romeinen betekende ‘duim omlaag’: dood voor de gladiator en wij geven met dit gebaar ook iets afkeuringswaardig aan.
In het kinderspel betekende de duim omhoog: ik pas!

‘Door de duim stroomt de kracht, die ons met het eeuwige leven verbindt en die ons de individuele waarde schenkt, het eenmalige van onze persoonlijkheid.’

Voor Uyldert is ‘Duimelot is in het water gevallen’: het goddelijke vonkje, of de geest, valt in de wateren van de ziel bij de incarnatie. ‘Juist zoals de levensgeest in de gestalte van Tyl Uylenspiegel in het water valt. Daar in het menselijk-psychische zou het besef van de goddelijke afkomst te loor gaan, als het geloof van Jupiter (de wijsvinger) het niet uit het water haalde en hogerop in het bewustzijn bracht! – Langejaap, de Saturnusvinger van het abstract denken, brengt hem dan thuis in de begrippen der theologie! Duimelot is daar de immanentie. – Korteknaap, de Venus-vinger, geeft hem te eten: de liefde is het voedsel, dat de eeuwigheid in de mens onderhoudt. – En dat dit gehele proces zo plaats vindt, dat het de oer-vorm van de involutie en evolutie is, van schepping en verlossing, dat wordt door Mercurius onderwezen, van de een op de ander oververteld!’

Zo zouden we dus de diepste en grootste waarheden terugvinden in de eenvoudige beelden en woorden van het kinderrijmpje.

.

Mellie Uyldert: Verborgen wijsheid van oude rijmen

In deze reeks:  [1-2],  [1-2-2]  en [1-2-3]  [1-2-4]

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Nabootsing      lopen-spreken-denken      spel      ritme

Vrijeschool in beeldkleuters

.

2915-2734

.

.

*

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – GA 298 (7-9-1919)

.

In de vertaling van GA 298 ‘Rudolf Steiner in der Waldorfschule‘- vertaald: ‘Beste ouders, lieve kinderen‘ zijn niet alle artikelen uit de Duitse uitgave opgenomen.

Die zijn op deze blog vertaald weergegeven.

GA 298

Blz. 18

ERÖFFNUNG DER FREIEN WALDORFSCHULE
IM STADTGARTENSAAL IN STUTTGART
DURCH KOMMERZIENRAT EMIL MOLT

7. September 1919

OPENING VAN DE VRIJESCHOOL IN DE ‘STADSTUINZAAL’ IN STUTTGART DOOR INDUSTRIEEL EMIL MOLT

Sehr verehrte Anwesende! Liebe Kinder! Im Namen meiner Firma, der
Waldorf-Astoria, heiße ich Sie alle von Herzen willkommen, die Sie
hierhergekommen sind, um teilzunehmen an der einfachen, schlichten
Eröffnungsfeier unserer Waldorfschule. Herzlich willkommen heiße ich
besonders die verehrten Gäste und danke denselben für ihr Erscheinen
und das dadurch bewiesene Interesse an unserem Unternehmen.
Meine sehr verehrten Anwesenden! Diese Gründung der Waldorfschule ist nicht etwa entsprungen einer bloßen Marotte eines einzelnen,

sondern der Gedanke wurde geboren aus der Einsicht in die Notwendigkeiten unserer heutigen Zeit. Es war mir einfach Bedürfnis, in Wahrheit
die erste sogenannte Einheitsschule ins Leben zu rufen und dadurch
einem sozialen Bedürfnis wirklich abzuhelfen, so daß künftighin nicht
nur der Sohn und die Tochter des Begüterten, sondern auch die Kinder
der einfachen Arbeiter in die Lage versetzt werden, diejenige Bildung
sich anzueignen, die heute notwendig ist zum Aufstieg zu einer höheren Kultur. In diesem Sinne ist es mir persönlich eine tiefe Befriedigung, daß
es möglich war, diese Institution ins Leben zu rufen. Aber es genügt
heute ja nicht, eine bloße «Einrichtung» zu schaffen, sondern es tut not,
diese Einrichtung zu erfüllen mit neuem Geiste. Und daß ein solcher
Geist erfülle diese Einrichtung, dafür bürgt uns die anthroposophisch
orientierte Geisteswissenschaft, und ich fühle mich innerlich tief verpflichtet, an dieser Stelle innigen Dank auszusprechen demjenigen, der
uns diese Geisteswissenschaft vermittelt hat, unserem verehrten Herrn
Dr. Rudolf Steiner. Aber ich danke auch der Behörde, welche es uns
ermöglicht hat, mit dieser Einrichtung ins Leben zu treten, so daß wir
heute in der glücklichen Lage sind, unsere Gedanken wirklich in die Tat
überzuführen.

Zeer geachte aanwezigen! Beste kinderen! Uit naam van mijn bedrijf, Waldorf-Astoria, heet ik u allen hartelijk welkom. U bent hier naartoe gekomen om deel te nemen aan de eenvoudige, bescheiden openingsceremonie van onze vrijeschool. In het bijzonder heet ik de geëerde gasten van harte welkom en dank ik hen ook voor hun aanwezigheid en voor de daarmee bewezen interesse in wat we begonnen zijn.
Zeer geachte aanwezigen! Deze oprichting van de vrijeschool is niet ontsprongen aan zo maar een gril van de een of ander, maar de gedachte werd geboren uit het inzicht in wat er in onze tijd nodig is. Voor mij was het simpelweg een sterk verlangen om een echte schoolgemeenschap in het leven te roepen om daardoor daadwerkelijk aan een sociale eis gehoor te geven, zodat in de toekomst niet alleen de zoon en de dochter van de welgestelden, maar ook de kinderen van de eenvoudige werknemer de mogelijkheid krijgen, zich die vorming eigen te maken die in deze tijd nodig is om een meer ontwikkelde cultuur te bereiken. Wat dit betreft is het voor mij persoonlijk een diepe bevrediging dat het mogelijk was, deze instelling in het leven te roepen. Maar tegenwoordig is het niet genoeg om een ‘gewoon’ instituut in het leven te roepen, want het is nodig deze instelling te vervullen met een nieuw elan. En dat zo’n elan deze instelling kan vervullen, daarvoor staat de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap garant en ik voel mij innerlijk diep verplicht om op deze plaats mijn diepe dank uit te spreken aan hem die ons deze geesteswetenschap gebracht heeft, onze geëerde heer Dr. Rudolf Steiner. Maar ik ben ook de overheid dankbaar die het ons mogelijk heeft gemaakt met deze instelling naar buiten te treden, zodat we nu in de gelukkige omstandigheden verkeren, om onze gedachten werkelijk in daden te kunnen omzetten.

Blz. 19

Nun wende ich mich aber besonders an euch, ihr lieben Waldorfleute:
Seien wir uns klar darüber, daß damit, daß wir etwas Derartiges ins
Leben rufen dürfen, uns gleichzeitig eine hohe Verpflichtung auferlegt
ist. Wir wollen uns dessen ganz klar sein, wir wollen an diesem Tage uns
geloben, daß wir uns würdig zeigen wollen der Tatsache, daß wir als die
ersten im Deutschen Reiche die Möglichkeit haben, diesen Gedanken der Einheitsschule, der so viel ausgesprochen wurde, hier in unserem
Stuttgart zu verwirklichen. Wir wollen der Welt zeigen, daß wir nicht
nur Idealisten sind, sondern daß wir Menschen der praktischen Tat sind,
und daß unsere Kinder, gestärkt durch diese Schule, in Zukunft dem
täglichen Leben besser und voller standhalten können.
In diesem Sinne schicken wir euch, ihr lieben Kinder, in diese Waldorfschule, damit ihr euch Kraft dort holt, um, wenn ihr diese Stätte
verlaßt, als ganze Menschen dem schweren euch erwartenden Leben
gewachsen zu sein. Aber es erwarten euch, ihr Kinder, innerhalb der
Schule auch Freuden. Mir, dem es vergönnt war, den Lehrerkursus, den
Herr Dr. Steiner abhielt, mitzumachen, kam es deutlich zum Bewußtsein, wieviel man selbst versäumen mußte in seiner Jugendzeit, und wie schwer es einem in vorgeschrittenem Alter wird, dasjenige nachzuholen,
was man in jenen Zeiten versäumt hat, und es ist mir wirklich ein
Herzensbedürfnis, das auszusprechen, daß, weil man in früheren Zeiten
nicht selbst in der Lage war, diesen Sege zu genießen, man seinem
Schicksal wenigstens dankbar sein muß, wenn man diesen Segen heute
andern zukommen lassen darf. Und so kann ich sagen: Ihr Kinder, die
ihr hineingeht in diese neue Schule, es erwarten euch Freuden, und
denjenigen, denen es vergönnt war, diesen Kursus durchzumachen, den
Herr Dr. Steiner abgehalten hat mit den neuen Lehrkräften, die wissen, daß durch die neue Methode das Lernen nicht mehr, wie es bei uns
Älteren der Fall war, eine Plage ist, sondern daß es bei euch zur Freude
und zur Lust werden wird. Deshalb freut euch, ihr Kinder, daß ihr diese
Schule genießen dürft. Aber zeigt euch, wenn ihr das heute auch noch
nicht in seiner ganzen Tragweite verstehen könnt, zeigt euch bei der
Entlassung aus dieser Bildungsstätte dem Leben und seinen Anforderungen gewachsen, zeigt der Welt dann die herrlichen Früchte dieser neuen
Lehrmethode, die euch zu lebenstüchtigen, zielbewußten Menschen

Nu richt ik mij speciaal tot u, beste waldorfmensen: laat het voor ons heel duidelijk zijn dat wij, nu we iets dergelijks in het leven mogen roepen, ook een hoge plicht op ons genomen hebben. Dat moeten we heel goed beseffen, op deze dag willen wij beloven dat wij ons waardig willen tonen bij het feit dat wij als eerste in het Duitse Rijk de mogelijkheid hebben, deze gedachten van de schoolgemeenschap, die al zo vaak werd genoemd, hier in onze stad Stuttgart te realiseren. We willen de wereld laten zien, dat we niet alleen idealisten zijn, maar mensen van de praktijk en dat onze kinderen, gesterkt door deze school, in de toekomst het dagelijks leven beter aan kunnen en er sterker tegen bestand zijn.
Hiervoor sturen wij jullie, beste kinderen, naar deze vrijeschool, zodat jullie daar krachten kunnen opdoen om wanneer jullie deze plaats verlaten, als volledige mensen opgewassen zijn tegen het zware leven dat jullie te wachten staat.
Maar, beste kinderen, op school wacht jullie ook plezier. Het was mij vergund de lerarencursus die Dr. Steiner hield, mee te maken, en het werd mij duidelijk bewust, hoeveel wij in onze jeugd zelf misgelopen zijn en hoe moeilijk het is als je ouder geworden bent, om in te halen wat er in die tijd verzuimd is en het is mij een grote behoefte vanuit mijn hart uit te spreken dat, omdat je vroeger niet zelf in staat was, van deze zegen te genieten, nu je eigen lot op z’n minst dankbaar moet zijn, wanneer je deze zegen nu aan anderen mag doen toekomen. En zo kan ik zeggen: kinderen, jullie die naar deze nieuwe school gaan: er staat jullie ook vreugde te wachten en degenen die het vergund was aan deze cursus te kunnen deelnemen die Dr. Steiner met de nieuwe leerkrachten heeft gehouden, weten dat door de nieuwe methode het leren niet meer, zoals bij ons ouderen het geval was, een kwelling is, maar dat het bij jullie tot vreugde en plezier wordt. Daarom kinderen, wees blij dat je van deze school mag genieten. Maar laat, ook al kunnen jullie dit nu nog niet in z’n volle omvang begrijpen, laat zien wanneer je dit vormingsinstituut weer verlaat, dat je het leven en wat het van je vraagt, aan kan, laat aan de wereld de kostelijke vruchten van deze nieuwe leermetode zien die jullie tot ijverige, doelbewuste mensen

Blz. 20

erziehen will. Aber auch darüber sind wir uns klar: Was wir hier
schaffen durften, ist nur ein kleiner Anfang. Schwer ist die Last und groß
die Verantwortung, die auf denjenigen ruht, welche sich dieser Aufgabe
unterzogen haben, und groß werden vielleicht die Anfechtungen sein,
welche mit der Zeit von vielen Seiten auf uns einstürmen werden; aber
eines können wir heute schon sagen: Der Wille in uns wird so stark sein
und die Gedanken werden so kräftig sein und der Mut so groß, daß wir
auch alle diejenigen Dinge, die hemmend vielleicht an uns herankommen
möchten, überwinden werden, weil wir wissen, welch hohes Ziel wir
anstreben, und weil wir stets eingedenk sind der Verantwortung, die wir
übernehmen.
Und Ihr, sehr verehrte Lehrer, die Ihr diese Arbeit übernommen habt, die Ihr selbst eingeführt worden seid in den Geist, der diese Schule

beseelen soll, Ihr wißt ja, welch tiefe Verantwortung Euch damit auferlegt ist, und ich richte die Bitte an Sie alle, die Sie mitwirken werden als
Lehrkräfte an der Waldorfschule: seien Sie sich mit mir voll bewußt der
außerordentlichen Schwere der Verantwortung und hören Sie nie auf, diese Verantwortung ebenso tief wie ich jederzeit zu verspüren. Und
nun, meine sehr verehrten Anwesenden, indem ich dieses Institut den
Waldorfleuten und damit auch der Öffentlichkeit übergebe, wünsche ich
aus vollem Herzen: Es möge wieder dort der Geist herrschen, den ein
Goethe, ein Schiller, ein Herder und wie sie alle heißen, die großen
Geisteshelden vergangener Zeiten, uns nahegebracht haben, damit dieser
Geist durch die Schule der Zukunft auch wieder einziehen möge im
deutschen Vaterlande. Wenn das der Fall sein wird, werden wir alle,
die wir die Verantwortung tragen, dessen eingedenk sein, daß wir Diener sind jener geistigen Kräfte. Dann wird die Zeit anbrechen, wo
auch wieder der Aufstieg beginnen wird aus der tiefen seelischen und
körperlichen Not unseres armen Vaterlandes, und wir dürfen hoffen, daß dann die Menschen zahlreicher werden, welche unser Volk wieder
hinaufführen können auf die Höhen und darüber hinaus, auf denen
gestanden haben unsere Geisteshelden, ein Goethe und ein Schiller und
so weiter.
Und indem ich nochmals meinen Wunsch für ein glückliches Gedeihen unseres Unternehmens zum Ausdruck bringe, will ich geloben im

wil opvoeden. Maar dit is voor ons ook duidelijk: wat we hier mogen doen, is nog maar een pril begin. Zwaar is de last en groot de verantwoordelijk die op degenen rust die deze opdracht op zich genomen hebben en misschien worden de uitdagingen groot die met de tijd van vele kanten stormachtig op ons af zullen komen; maar één ding kunnen we nu al zeggen: de wil in ons zal zo sterk zijn en de gedachten zo krachtig en de moed zo groot, dat we alles wat ons misschien zou belemmeren, zullen overwinnen, omdat we weten, wat voor hoog doel we nastreven en dat we er steeds aan denken wat de verantwoording is die we op ons hebben genomen. En u, geachte leraren die dit werk op u heeft genomen, u die ingeleid bent in de geest die deze school moet bezielen, u weet wat voor grote verantwoordelijkheid daarmee op uw schouders is gelegd en ik vraag u allen die als leerkrachten aan de vrijeschool zullen meewerken: wees met mij vol doordrongen van de buitengewone ernstige verantwoording en laat nooit na deze verantwoordelijkheid net zo diep als ik iedere keer te beseffen.
En nu, zeer geachte aanwezigen, nu ik deze school aan de vrijeschoolmensen en daarmee aan de openbaarheid overdraag, wens ik van ganser harte dat hier de geest moge heersen die een Goethe, Schiller, een Herder en hoe ze allemaal heten, de grote helden van de geest uit vervlogen tijden ons hebben gegeven opdat deze geest weer in de school van de toekomst mag heersen in ons Duitse vaderland. Wanneer dat het geval zal zijn , zullen we allen die de verantwoordelijkheid dragen indachtig, dat we dienaren zijn van geesteskrachten. Dan zal de tijd aanbreken waarin ook de weg omhoog weer ingeslagen wordt uit de diepe zielen- en lichamelijke nood van ons arme vaderland en we mogen hopen dat er dan weer meer mensen zullen komen die ons volk weer op het hoge peil en nog hoger, kunnen brengen waarop onze geesteshelden, een Goethe, een Schiller enz. hebben gestaan.
En als ik nog een keer mijn wens voor een gelukkige groei van wat we ondernemen tot uitdrukking breng, wil ik geloven in naam van

Blz. 21

Namen unserer Waldorfleute, im Namen unserer Schule, im Namen
unserer Kinder, daß diese Schule eine Pflanzstätte werden soll, eine
Quelle für alles Gute, für alles Schöne und für alles Wahre.

onze vrijeschoolmensen, in naam van onze school, in naam van onze kinderen, dat deze school een kiemplaats, een bron zal worden voor alles wat goed, mooi en waar is.
GA 298/18    

GA 298  vertaling: Beste ouders, lieve kinderen

Inhoudsopgave GA 298

.

Rudolf Steiner over pedagogie(k)

Rudolf Steiner op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2914-2733

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – GA 298 – inhoudsopgave

.

In de Gesamt Ausgabe van het werk van Rudolf Steiner is onder 298 opgenomen:

RUDOLF STEINER IN DER WALDORFSCHULE

Dit ‘Rudolf Steiner in de vrijeschool’ is in het Nederlands vertaald met de titel:

Beste ouders, lieve kinderen

In de Nederlandse uitgave is een keus gemaakt, zodat GA 298 niet in z’n geheel is vertaald.
Ook heeft de uitgever een vertaling toegevoegd van een voordracht die in de Duitse uitgave niet is afgedrukt. 

De inhoud van de Duitse uitgave met daaraan toegevoegd de vertalingen van de Nederlandse uitgave:

Aufsatz: «Die pädagogische Grundlage der Waldorfschule» (blz.9)
Dit artikel is niet in de vertaling opgenomen. Het is vertaald te vinden in: ‘In het midden de mens‘, blz. 58.
In het Duits is dit ook afgedrukt in GA 24/83 

7. Sept.1919 Ansprache von Kommerzienrat Emil Molt zur Eröffnung der Freien Waldorfschule (blz. 18)  
Niet vertaald in de uitgave, wel op deze blog.

7. Sept. 1919 Ansprache Rudolf Steiners bei der Eröffnung der Freien Waldorfschule (blz. 22)
Deze toespraak is niet in de vertaling opgenomen. Die is vertaald te vinden in:In het midden de mens‘, blz. 48  

21. Dez. 1919 Ansprache bei der Weihnachtsfeier (blz. 35)
Vertaald/39      

10. Juni 1920 Ansprache bei einer Monatsfeier (blz. 40) 
Vertaald/45  

11. Juni 1920 Vortrag, gehalten am Elternabend: «Die Schulgewohnheiten der niedergehenden Zeit und die Schulpraxis des kommenden Tages» (blz. 44)
Op deze blog vertaald

24. Juli 1920 Ansprache bei der Feier zum Abschluß des ersten Schuljahres (blz. 57)
Vertaald/49

23. Nov. 1920 Ansprache bei einer Monatsfeier (blz. 65)
Vertaald/58

13. Januar  1921 Ansprache mit Aussprache am Elternabend (blz. 68)
Vertaald  ‘Het wezen van de Waldorfschool/9   

11. Juni 1921 Ansprache bei der Feier zum Abschluß des zweiten
Schuljahres (blz. 87)
Vertaald/61

17. Juni 1921 Ansprache mit Aussprache an der ersten Mitgliederversammlung des Vereins «Freie Waldorfschule» (blz. 93) 
Op deze blog vertaald

18. Juni 1921 Ansprache bei der Feier zum Beginn des dritten Schuljahres (blz. 102)
Vertaald/68

16. Dez. 1921 Ansprache bei der Grundsteinlegung für das neue Haus der Waldorfschule (blz. 115)  
Op deze blog vertaald

9. Mai 1922 Ansprache mit Aussprache am Elternabend (blz. 122)
Op deze blog vertaald

20. Juni 1922 Ansprache bei der Feier zum Beginn des vierten Schuljahres (blz. 146)
Vertaald/82

20. Juni 1922 Ansprache mit Aussprache an der zweiten Mitgliederversammlung des Vereins «Freie Waldorfschule» (blz. 152)
Op deze blog vertaald

1. März 1923 Ansprache bei einer Monatsfeier nach dem Brande des
Goetheanum (blz. 164)  
Vertaald/89

24. April 1923  Ansprache bei der Feier zum Beginn des fünften
Schuljahres (blz. 168) 
Vertaald/94       

3. Mai 1923 Ansprache bei einer Monatsfeier (blz. 171)
Vertaald/98

25. Mai 1923 Ansprache an der dritten ordentlichen Mitgliederversammlung des Vereins «Freie Waldorf schule» (blz. 174) 
Op deze blog vertaald

22. Juni 1923 Ansprache am Elternabend: «Fragen von Schule und Haus» (blz. 187)  
Op deze blog vertaald

27. März 1924  Ansprache bei einer Monatsfeier (blz. 198)
Vertaald/101

30. April  1924 Ansprache bei der Feier zu Beginn des sechsten Schuljahres (blz. 202) 
Vertaald/106

1. Juni 1924 Vortrag, gehalten an der vierten Mitgliederversammlung des Vereins «Freie Waldorfschule»: «Der Verkehr des Lehrers mit dem Elternhause im Geiste der Waldorfschul-Pädagogik» (blz. 206)
Op deze blog vertaald

Extra in de vertaling:

Vraagstukken in de Waldorfschool – Berlijn, 24 januari 1907
GA 55/133
Vertaald/31     Eerder op deze blog vertaald

Steiners afscheidsbrief aan de leerlingen, 15 maart 1925
Blz. 111

.

Rudolf Steiner over pedagogie(k)

Rudolf Steiner op deze blog

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2913-2732

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (81)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

.

HET HOOFDPIJNMYSTERIE

Tjeerd woont buiten het dorp – z’n vader heeft een kwekerij. Zijn vriendje Arjen woont wel in het dorp, in een nieuwbouwwijk.
Arjen is veel ziek: hoofdpijn. Hij is niet de enige. In de wijk zijn veel meer zieken en de dokter weet geen raad.
Net als Tjeerd een opstel  moet schrijven, vertelt Kees, de knecht op de kwekerij, een wonderlijk verhaal, dat volgens hem echt gebeurde. 
Tjeerds meester die bevriend is met een journalist, begint een vermoeden te krijgen door het opstel van Tjeerd.
Dat leidt uiteindelijk tot de oplossing van het mysterie.
We hebben te maken met een roman van deze tijd waarin corruptie, egoïsme e.d. op grote schaal ellende veroorzaken. Je zal maar op vervuilde grond wonen. Gelukkig worden de schuldigen gevonden, maar daar lijkt het bij te blijven.

Henk Barnard
Ill. Reintje Venema

Uitg. Wolters Noordhoff in de serie ‘De vroege ,lijsters’

Boek

Leeftijd v.a. 11jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs.

.

2912-2732

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (1-2-4)

.

In [1-2],  [1-2-2en [1-2-3werd al gewezen op de grote ontwikkelingswaarde van de interactie tussen (groot)ouders, oudere kinderen en het heel jonge kind.
Taalklanken [zie hier] werken vormend in op de ontwikkeling van de hersenen, die ook ‘groeien’ door aandacht; de woordenschat neemt verbazingwekkend toe.

Alle redenen om met het kind te zingen, te spreken (niet in baby-taal) en te bewegen.
Zonder andere hulpmiddelen dan de menselijke zang- en spreekstem, de menselijke beweging direct nagebootst van de oudere zelf, dus niet van een ‘scherm’ of andere media die de plaats innemen van het directe contact.

Onderstaande spelletjes zijn al jaren oud, maar ‘doen’ het nog steeds.

Draai het wieletje nog eens om

Als ’t kindje in de kinderstoel zit en de ouder er tegenover, kunnen alle bewegingen worden voorgedaan. Natuurlijk doet het kind het niet meteen na, maar als je de handjes en/of armpjes vasthoudt en leidt, komt er een ogenblik dat het kind het zelf doet. 
De armen, in de ellebogen wat gebogen, draaien om elkaar heen. 
Als je dat van je af doet, zoals bij het oprollen van een bolletje touw o.i.d. zal het kind dat hoogstwaarschijnlijk spiegelen en de beweging naar zich toe maken. 
Dus, als je wil dat het kind de beweging ook van zich af leert maken, moet jij ze hoogstwaarschijnlijk naar je toe maken.
Dit geldt voor heel veel bewegingen. 

Draai het wieletje nog eens om,
klap eens in je handjes

Je kan hier viermaal in je handen klappen, op de maat van de volgende regel van het versje.
Dan de handen op heupen:

Zet je handjes in de zij!

dan de handen, met de palmen naar onder, op elkaar boven op het hoofd:

Op je hoofdje allebei!

Daarna zittend heen en weer bewegen, met de handen nog op het hoofd:

Zó varen de schuitjes voorbij!

Muziek en tekst (die weer een beetje afwijkt.)

Uyldert vraagt zich af of deze spelletjes nog een verbinding hebben met een ver verleden, naast natuurlijk de bewegingen die bij ‘een wieltje’ horen: dat draait. Dan hebben we te maken met nabootsingen van bijv. een spinnenwiel. 
Zij herkent echter ook bewegingen die in de oudheid of in oosterse landen gemaakt werden/worden bij godsdienstige plechtigheden en dansen. Ook ziet zij er een voortleven in van rituelen die oefeningen waren voor het scholen van de geest: die bewegingen moesten de krachten van lichaam naar geest beter laten doorstromen.
Uyldert: ‘het draaien van het wieletje is z’n beweging, die tot onmiddellijk doel heeft, de krachtstromen die uit de armen langs de vingertoppen afvloeien, positief en negatief, om elkaar heen te winden, zodat zij door inductie elkaar opvoeren; zo bereikt de levenskracht een hoger potentiaal in het zenuwstelsel en van daaruit in de ziel.
Erbij zingen zou dit zeer bevorderen. 
Klappen zou, door het telkens aanraken van de handen en weer loslaten, de opgewekte stroom onderbreken wat de geestdrift zou verhogen, maar zich ook weer kan ontladen.
Zij ziet ditzelfde terug in het applaus: ontlading om niet te exploderen!
Een versterking van een stroomveldje aan iedere kant van het lichaam ontstaat door de handen op de heupen te plaatsen. 
(Instinctief maken we zo’n handen-in-de-zij-gebaar nog wel, als we tegenover iemand komen te staan en we a.h.w. te kennen willen geven ‘kom maar op!’)
Zo zou de denkhouding bij de ‘denker’ van Rodin voortkomen uit het instinctieve gebaar dat we maken om de overmaat van stroom die door het denken is opgewekt, af te voeren: elleboog op de knie, kin op de bijbehorende hand

Het schommelen ’als de schuitjes’ ziet Uyldert als het met elkaar in evenwicht brengen van de twee stromen die door de gangliën gaan, waardoor de kringloop van kracht door het lichaam bevorderd wordt en ev. stuwingen opgeheven.

Zij ziet dit schommelen terug in wat volwassenen doen die bijv. aan lange tafels gezeten op bepaalde ‘schlagerachtige’ muziek inhaken en meedeinen.
Dit is bijv. nog volop in deze tijd te zien tijdens carnavalszittingen.

0-0-0

Hop Marjanneke

Hop, Marjanneke,
stroop in ’t kanneke,
laat de poppetjes dansen!
Eertijds was de Prins in ’t land,
en nu die kale Fransen!

Dit versje is uit de Franse tijd: Marianne is de Franse maagd, die hier ’de poppen aan ’t dansen’ bracht: de bezetting door de Fransen.  De kale Fransen waren de in lompen gehulde soldaten: de ’sans culottes’!
Weer een versje voor op schoot met de hop-glopbewegingen.

Juf Margot zingt het.

0-0-0

In Den Haag daar woont een graaf

Ook weer een liedje voor op schoot, waarbij de bewegingen worden gemaakt.

In Den Haag daar woont een graaf, 
en zijn zoon heet Jantje;
als je vraagt: waar woont je Pa?
dan wijst hij met zijn handje!
Met zijn vingertjes en zijn duim,
op zijn hoed draagt hij een pluim,
aan zijn arm een mandje
dag mijn lieve Jantje!

Juf Margo zingt het voor.

0-0-0

’t Paardje

’t Paardje stapt, ’t paardje stapt – (rustige beweging)
’t Paardje draaft, ’t paardje draaft! (vlugger!)
’t Paardje galoppeert! galoppeert! galoppeert! (nog vlugger en wilder!)

Het kind zit op een knie. Goed vasthouden. En de bewegingen spreken voor zich.

Uyldert ziet in het hoppen, zoals men dat bij het werkelijke paardrijden óók doet, iets buitengewoon gezonds voor de klieren, die er door worden aangezet: een krachtstroom gaat door het lichaam omhoog. Mensen die bij hun hoofdwerk uitgeput raken, maken soms zelf instinctief een samentrekkende beweging met de anus om de energie omhoog te stuwen. Bij het paard-rijden wórdt dat gedaan. De dagelijkse rijtoer in de vroegte vóór het ontbijt is wérkelijk een middel om jeugdig te blijven!

0-0-0

Paardje, paardje, rij naar stee

Een hop-versje op de knie, met een hoge hop op het laatste woord!

Paardje, paardje rij naar stee,
breng voor ’t kindje koekjes mee!
Koekjes met vier hoekjes,
aan alle kanten even smal!
Raad eens, wie die hebben zal?
’t Kindje krijgt die koekjes al,
als het stout is, niemendal!

0-0-0

Schuitje varen, theetje drinken

De allerkleinsten kunnen op iemands knie zitten. Goed ondersteunen en vasthouden. Heen en weer bewegen. Op het eind kan het kind even worden opgetild en ‘landt’ weer op schoot of knie.

Het kan ook door wat grotere kinderen met elkaar gespeeld worden. Ze zitten tegenover elkaar, benen wijd, armen vooruit en elkaars handen stevig vast. Beurtelings voor- en achterover buigen. Aan het eind loslaten. Het omvallen is de pret!

Schuitje varen, theetje drinken,
varen wij naar de Overtoom,
drinken er zoete melk met room,
zoete melk met brokken –
kindertjes mogen niet jokken!

Bij de Overtoom was een uitspanning, waar men naar toe kon varen over de grachten. Zoete melk met room was toen een traktatie! Of de brokken speculaas-brokken waren, als nu – maar dan reeds in de zomer verkrijgbaar, dan wel dat het versje oorspronkelijk misschien zure melk-met-brokken noemde, dat weten wij niet, aldus Mellie Uyldert.

Een oudere tekst had nog: ’kindje mag wel jokken’.
Jokken betekende toen ‘plezier maken*’. Toen die betekenis verloren, ging werd jokken ‘onwaarheid spreken’.

Het is ook de tijd van de trekschuit*, kennelijk dus óók een nabootsing van het schommelen in de trekschuit.

Uyldert: Bij hoeveel oude volken zien wij niet die schommelbeweging maken tijdens het zingen of intoneren van lange gebeden, hetzij in zittende of in staande houding? – De oudheid wist waaróm -latere volken déden, maar wisten niet meer de reden waarom. Heden ten dage keert het doorzicht in het bewustzijn terug!

Hier wordt het liedje gezongen met een bootje in de hand. (Ik zou geen melluk zingen, maar gewoon melk)

*zie Bert van Zandwijk

0-0-0

Ziet zo rijden de heren

Het kindje zit op de knie van de oudere, eerst rustig op en neer bij de eerste regel:

Ziet, zo rijden de heren! met hun bonte kleren!

maar bij de volgende regels gaat het steeds wat sneller en hoger:

Ziet, zo rijden de vrouwen, met haar wijde mouwen!

en  hotsebotsen bij de laatste regels:

Ziet, zo rijdt de akkerman met zijn paardje achteran!

Mellie Uyldert zeg erbij:

Wie vindt dat deze tekst uit de 17e eeuw (de vrouwen droegen toen wijde bouwen, maar de verbastering in mouwen hebben wij maar zo gelaten, omdat een klein kind die veranderingen in de mode nog niet zo goed volgen kan!) voor de moderne tijd niet meer geschikt is, omdat ze het standsverschil zo accentueert, kan ook genoegen nemen met de volgende, eveneens gangbare, tekst:

’t Paardje stapt, ’t paardje stapt —

(rustige beweging)

’t Paardje draaft, ’t paardje draaft!

(vlugger!)

’t Paardje galoppeert! galoppeert! galoppeert!

(nog vlugger en wilder!)

Hierbij zou men dan natuurlijk kunnen opmerken, dat voor de meeste moderne kinderen een paard al een onbekend dier is, en zijn verschillende stijlen van lopen nog méér!

Zijn die oude rijmpjes niet juist geschikt om het kind ook aan het verleden te schakelen, waar het toch zelf een hele ziele-erfenis uit mee brengt?

Verklaring

Uyldert: De tekst spreekt voor zichzelf. Is het zo erg – of is het niet juist góed – als het kind zich een ideaal vormt van een heer in bonte kleren, die zijn paard (zinnebeeld van het lichaam) zo goed beheerst?

Het hoppen, zoals men dat bij het werkelijke paardrijden óók doet, is buitengewoon gezond voor de klieren, die er door worden aangezet, en voor het opwaarts stijgen van de krachtstroom door het lichaam. Mensen die bij hun hoofdwerk uitgeput raken, maken soms zelf instinctief een samentrekkende beweging met de anus om de energie omhoog te stuwen. Bij het paardrijden wórdt dat gedaan. De dagelijkse rijtoer in de vroegte vóór het ontbijt is wérkelijk een middel om jeugdig te blijven!

0-0-0

Torentje, torentje bussekruit

Bij dit spelletje worden de overbekende bewegingen gemaakt van ‘Olke-bolke’ . De oudere, die met het kind speelt, maakt een vuist (de duim over de vingers heen) en zet deze op de tafel: Torentje! – Nu moet het kind zijn vuistje daar bovenop zetten, om zo de toren op te bouwen: Torentje! – Nu de andere vuist van de oudere daar weer bovenop: Busse – dan de tweede vuist van het kind: kruit! Zo blijft de toren staan.

Wat hangt er uit? Een gouden fluit:
van de bovenste vuist een wijsvinger naar buiten steken.

Een gouden fluit met knopen!

Maar ’t torentje is gebroken!: de vuisten los, laat ze op tafel vallen, de toren rolt dus uit elkaar:

In 1654 ontplofte de kruittoren van Delft, wellicht heeft dat met het ontstaan van het liedje te maken.

Juf Margo zingt het voor (maar maakt geen bewegingen)  (En bussekruit is met T)

Zij heeft nog veel meer gezongen en bij haar hele repertoire staan veel liedjes die, passend bij dit artikel, kunnen worden gedaan.

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Nabootsing      lopen-spreken-denken      spel      ritme

Vrijeschool in beeldkleuters

.

2911-2731

.

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (17-2)

.
Bron: ED, 19-12-2018
.

Stille nacht
.

Stille Nacht is het meest vertaalde en gezongen kerstlied ter wereld.  In Salzburgerland, Oostenrijk, klonk het voor het eerst in een kleine dorpskerk op kerstavond 1818.

Joseph Mohr is de schrijver en hij schreef het gedicht, de tekst van het latere lied, in 1816. Mohr leefde in een Europa dat na de Napoleontische oorlogen in puin lag. Armoede en hongersnood heersten. Mohr, 24 jaar, hulppriester, zette zich in voor broederschap en verbondenheid. Hij wilde de mensen moed inspreken.

We gaan terug naar april 1815, kort voor de slag bij Waterloo.
Op het eiland Sumbawa, toen nog Nederlands-Indië, was een vulkaan uitgebarsten, de zwaarste tot dan toe ooit gemeten. Daarom kende Europa in 1816 geen zomer. De asregen die de Tambora uitspuwde, verspreidde zich over grote delen van de aarde. Drie jaar lang werd het weer erdoor beïnvloed. Het bleef donker en koud, het regende voortdurend.
Het waren sombere tijden: Mislukte oogsten, verwarring en onzekerheid.

Mohr woonde toen nog in Mariapfarr. Daar schreef hij die zes eenvoudige coupletten. Er wordt wel gedacht dat het als een wiegenlied voor de pasgeboren Jezus was bedoeld.
Toch is er niet zoveel bekend over het verdere ontstaan van het lied. 
Maar het veroverde wel de wereld.

Nadat Joseph Mohr (1792-1848)  in 1818 in Oberndorf  hulppriester werd, vond  hij dat hij de regels wel op muziek kon laten zetten. Hij vroeg het aan onderwijzer, koster en organist Franz Gruber (1787-1863), die 4 kilometer verder in Arnsdorf woonde.
De school staat er nog, mét de werkkamer en het bureau waaraan Gruber werkte en waaraan hij die muziek schreef die onsterfelijk werd.

Op 24 december 1818 zou het voor het eerst ten gehore worden gebracht.

Het verhaal doet de ronde dat Joseph Mohr kort voor die dag ontdekte dat het orgel van de Sankt Nikola Kirche in Oberndorf niet goed werkte. Een muis had een van de balgen aangevreten. (Dat verhaal wordt nu weer naar het rijk van de verzinsels verbannen).
In ieder geval: Mohr vroeg Gruber de partituur te herschrijven voor gitaar. Hij liet reparateur Karl Mauracher uit Fügen in Tirol (60 kilometer verderop) komen, maar die kreeg de schade niet op tijd hersteld. Bij de kerststal hoorde hij het lied van Mohr en Gruber en was diep onder de indruk. Gitaarspel in een kerk. dat had nog nooit iemand meegemaakt. (Er wordt aan getwijfeld of hij er echt was, die dag, het kan ook bij een andere uitvoering zijn geweest, in 1819, bijv.)
Mohr zong de eerste stem, Gruber bas, beiden speelden gitaar.
Aanvankelijk was het lied alleen bedoeld voor na de mis op kerstavond. Vaststaat dat de kerkgangers direct onder de indruk waren.
Wel is waar is dat Karl Mauracher de partituur meenam naar Fügen in het Tiroler Zillertal en zo kwam het ook bij de boerenfamilie Rainer. De vier broers en een zus reisden rond om op lokale podia lollige Tiroler liedjes ten gehore te brengen. In 1822 traden ze op voor de Russische tsaar Alexander I en de Oostenrijkse keizer Franz I die in Tirol op doorreis waren. De groep wilde natuurlijk de Tiroler liederen zingen, maar ze sloten af met het ingetogen Stille nacht. En dát vonden de vorsten nu juist zo mooi en ontroerend.
De Rainergroep reisde na 1824 steeds vaker naar het buitenland: Duitsland, Zweden, Engeland, en vanaf 1838 zelfs naar de Verenigde Staten. Viel hun optreden rond de Kerst, dan besloten ze hun optreden met Stille nacht. Dat werd overal zeer op prijs gesteld. 

Er was nog een zanggroep uit Tirol reisde en die reisde zelfs naar Rusland en zo werd ook daar het lied bekend. Het gevolg van dit alles was trouwens dat de wereld tot ver in de 20ste eeuw Stille nacht voor een Tiroler gezang hield. Joseph Mohr en Franz Gruber bleven anoniem.

Er zijn verschillende Stille Nacht Musea, ook een in wintersportoord Wagrain, de plaats waar Joseph Mohr na zijn Oberndorf-periode een school stichtte en waar hij ook begraven ligt. Aan het eind van zijn leven was hem bekend dat zijn lied elders in de wereld werd uitgevoerd, maar wat het toen al teweegbracht kon hij niet weten.

Op een wand is de eerste regel te zien in de driehonderd talen en dialecten waarin de tekst is vertaald. In twee eeuwen groeide de betekenis van dit lied. Sinds 2011 is het Unesco Werelderfgoed. In 1914 zongen Britse, Duitse en Franse soldaten bij een spontane wapenstilstand op kerstavond vanuit hun loopgraven samen Stille nacht. Het blijkt meer dan muziek, meer dan een kerstlied. Het is een wereldwijd symbool van verbroedering en vrede.

stillenacht.com

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis     jaartafel

.

2910-2730

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Frans (4)

.

Het is niet aan te geven voor welke klas dit is: dat hangt helemaal af van hoe ver de klas is.

.

Kerstspelletje

.

Op Vrijechoolliederen is ‘Il est né‘ te vinden.
De andere coupletten:

Zie voor een overzicht

Onderstaand kerstlied ontbreekt daar.

Niet op Vrijeschoolliederen

4

.

Niet-Nederlandse talenalle artikelen

.

2909-2729

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (80)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

.

Petra Weeda, Weleda Puur kind, nr. 13 lente 2004

DIEREN OM ONS HEEN

In de eerste drie jaar van zijn leven floreert een kind het beste in een wereld die klein, overzichtelijk, goed en mooi is. Vanuit die veilige, vertrouwde thuishaven doet hij vanaf het moment dat hij kan lopen niets liever dan op onderzoek uitgaan. Een goed prentenboek voor de allerkleinsten ondersteunt in beeld (en weinig woorden) die ontdekkingstocht. Het laat het kind zonder al te veel omhaal de dagelijkse dingen zien zoals ze zijn. Bijvoorbeeld zoals Marjan van Zeyl in haar onlangs verschenen kartonboekje Dieren om ons heen. Op het eerste gezicht een boekje zoals er al veel zijn, met lieve, natuurgetrouw getekende dieren als een hond, poes, varken, paard enzovoort. Maar Van Zeyl heeft het voor elkaar gekregen in haar tekeningen een subtiele dynamiek te leggen die je weinig aantreft. Als je goed kijkt, is het net alsof het lammetje echt tegen zijn moeders vacht aan staat te schurken, alsof het konijn heel even zijn oren spitst voor een geluid. En de hond loopt zo geconcentreerd achter zijn neus aan dat je haast mee gaat snuffelen. Kortom, een prentenboekje dat ongemerkt en onnadrukkelijk meer zintuigen dan alleen de ogen aanspreekt.

Marian van Zeyl

Uitgeverij Christofoor

Boek

Leeftijd v.a. 2jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs.

.

2908-2728

.

.

.

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (1-2-3)

.

taalontwikkeling (dus: hersenontwikkeling) d.m.v. klanken
.

De gezonde instincten van oudere generaties zorgden eenvoudig voor allerlei liedjes, bewegingen, spelletjes om het taalgevoel te stimuleren. Niet zozeer vanuit een ‘weten’ dat dit goed is, maar eerder nog door het simpelweg omgaan met het kind en wellicht ook door het ontbreken van veel prikkels die nu aan het kind gegeven kunnen worden door wat er in de wereld aan bijv. geluid- en beelddragers, speelgoed (dat vaak eerder speel-slecht’ genoemd zou moeten worden enz.

De eenvoudige spelletjes die vroeger ‘voor moeder en kind’ opgetekend zijn, zijn uiteraard ook voor vader en kind van belang.

Mellie Uyldert had hiervoor nog een sterk intuïtief gevoel.
Zij zegt bijv,: 

Wat de spelletjes van ouders of grootouders met het kind op schoot voor dat kind wel betekenen, wordt veel te weinig beseft! Pas in de laatste tijd is men tot de conclusie gekomen, dat kinderen in de zeer hygiënische kinderhuizen, met moderne afgewogen diëten en pedagogisch speelgoed, minder goed gedijen dan kinderen in armoedige woninkjes, die bij hun ouders zijn en die, weliswaar lang niet altijd pedagogisch bejegend, de nestwarmte krijgen, die de instinctieve ouderliefde nu eenmaal geven kan en de geschoolde opvoedingsambtenaar niet!

Tot die nestwarmte behoren de intieme kwartiertjes tussen moeder en kind, na het bad, bij het voeden, voor het naar bed gaan, als een grapje gemaakt, een liedje gezongen, een bewegingsspelletje gedaan wordt. Waarom kraaien de kleintjes van pret bij het paardje rijden op vaders knie, het schuitje schommelen op moeders schoot? – Omdat het kind daardoor deel neemt aan menselijk contact, omdat het voelt dat het erbij hoort, en iets samen met anderen doet, zoals later, als het meespeelt in een orkest of in een toneelstuk, of meewerkt in een bedrijf. Omdat het zich voelt opgenomen in die grote elektromagnetische stroom, die door alle levende schepselen vaart, van de een op de ander overspringend bij elke aanraking, en daardoor tekorten aanvult en overschotten afneemt, voortdurend stimulerend en kalmerend in het ritme dat het eigen ritme is van onze adem, ons hart, onze gevoelens!

Onderhand leert het kind zijn lichaam beheersen, zijn bewegingen richten, het leert zijn eigen rijkje verkennen om het te leren besturen. De tijd, die we spelend aan onze kinderen besteden, is niet weg – integendeel: wij leggen daarmee de grondslag van een evenwichtige samenleving en mensengeluk!

Zie nu bijv. in dit artikel ‘Algemene menskunde’ [11-5-1]  vanaf hier
en [11-4]  

Daar noemde ik het liedje Ozewiezewoze’:
Soortgelijke liedjes:

Ozewiezewoze en meer

Ala, mala, mink, monk
Dit liedje is pentatonisch, d.w.z. het maakt gebruik van 5 tonen zonder de c en de f. Dat geeft een wat dromerig-zweverige stemming.

Corni, corni, cornette

De spin Wiedewin

De vogeltjes zingen

Dimme-dimme duisje

Du-du, ik zeg du
Voor de u kan je uiteraard alle klinkers nemen

Een, twee, hupsakee

Eun(e)-deun(e)-dip

Haken en ogen

Hela, hola

Iep-sliep

Ikke-pikke-porretje

In de nacht, ay-ah-ah

In galop, hop-hop

In mijn holletje

In plantona

Isme, krisme, krasme

Issie, dissie, dou

Kara-kara, kiet-kiet-kiet

Kling klang klingeklang

Klippe-klap, klippe-klap

Klokjes klingelen o zo teer

Klokkenlied

Li la larm

Li-li lekkere li

Likke, lakke, lorrepottr

Merel, mees en molenwiek

Miene, manne, muis

Olke, bolke, rubisolke

Ora vivat

Ozewiezewoze

Ri-ra-roets

Ringelingelingeling

Rom-bom-bom

Rondertdebonder

Snater, snetter

Spin, spin, spinnetje fijn

Tiereliere, let-let-let

Tierelierelier

Tikke, tak

Ting, tingeljng

Ting tingelingeling

Tok-tok-tok, daar zijn de kippen

Trararetje

Trippel, trappel

Turelure

Twiet-twiet-twiet

Vogeltje, wiedewiet

Wiede, waaie, windje

Wipperde wip

Dit is een keuze voor het doel bovenbeschreven. De liedjes staan alle op ‘Vrijeschoolliederen, bij de leeftijd 4 – 6.

Wanneer het kind wat ouder is en kan zitten, zijn er nog veel liedjes waarop allerlei bewegingen kunnen worden gemaakt. Ook dat is zeer stimulerend voor bepaalde hersengebieden, dat nu veel meer aangetoond kan worden dan vroeger.
Maar het is net of vroegere generaties dit ‘gewoon’ wisten en zo zijn er uit het verleden vele (vinger)spelletjes, liedjes blijven bestaan.

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Nabootsing      lopen-spreken-denken      spel      ritme

Vrijeschool in beeld: kleuters

.

2907-2727

.

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – Aardrijkskunde – weerkunde (3-4)

.

Naast de weerspreuken zijn er ook allerlei verschijnselen in de natuur die op een bepaald soort weer duiden.
Als kind herinner ik me nog dat er soms ineens talloze kleine insecten om je heen begonnen te dwarrelen. Die noemden we op ons eiland ‘meeziken’. Het zijn dondervliegjes. Eerst was het broeierig, vaak gevolgd door onweer.
We hadden ook een paar wilde plantjes in de tuin – het bleek guichelheil te zijn – met van die mooie rode bloemetjes – en wanneer die ’s ochtends niet opengingen, was het de hele dag regenachtig, vochtig weer.

Hieronder een hele lijst met ‘verschijnselen’. Ook weer iets om met je klas te verifiëren.

Zie je                                                                                          voorspel

Betrokken, zeer somber weer                                              onweer of sneeuw

Bewolking, die ’s avonds oplost bij windstoten
en grote vochtigheid                                                             mist

Bladeren, die bij windstilte opdwarrelen                        regen

Bruin-rode gesluierde maan                                              mooi en warm weer

Bruinvissen onder de kust                                                 kou en zware storm

Bijen in zwermen                                                                mooi en warm weer

Dode takken, die afvallen                                                  regen

Donderslagen in de namiddag                                         stortbuien, daarna kans op
                                                                                               zware regen
Dondervliegjes in groten getale                                      mooi, warm weer

Ezel, die balkt                                                                      regen en wind

Ganzen, die onrustig worden                                          regen en wind

Geiten, die hard mekkeren                                             regen, waarschijnlijk kou

Groene specht, die zeer actief is                                   regen

Haan, die ’s avonds kraait                                             regen, misschien wind

Haan, die tijdens regen kraait                                     beter weer

Heldere hemel                                                               kalm weer als de barometer op
                                                                                          mooi weer staat

Hond, die zonder reden jankt                                    regen en wind

Horizon met lila gloed                                                mooi en warm weer

Kat, die opgewonden aan de meubels krabt          regen en wind

Keldermotten in groten getale                                  regen

Kerkuilen, die hard roepen                                      regen en wind

Kerkuilen, die rustig „oehoe” roepen                     warm en mooi weer

Kikkers in groten getale                                           regen

Kippen, die met de vleugels slaan
of zich in het stof wentelen                                      regen, misschien onweer

Klaver met gesloten blaadjes                                  regen of stortbuien

Kring om zon of maan                                             regen of wind

Leeuwerik, die hoog vliegt                                      mooi weer

Lindeblaadjes, die omgekruld zijn                        onweer

Lijsters, die ’s avonds zingen                                 mooi en warm weer

Maan, bruin-rood en dof                                        mooi en warm weer

Maan, die scherp tegen de hemel afsteekt          vorst in de winter

Maan in nevelen gehuld                                          regen en wind

Meeuwen, die zich op de oevers terugtrekken    winderig en erg koud

Merel, die zijn hoogste lied zingt                           regen en wind

Mieren in zwermen                                                   regen

Mist, die zeer vochtig is of mist met wind           regen

Mist op winteravonden                                           soms weer dat aanhoudt

Mist op zomeravonden                                           warm en mooi weer

Mollen, die ’s zomers druk graven                       zacht en regenachtig weer

Mollen, gravend als het vriest                             dooi en regen

Muggen, die in grote groepen
dansen in de avond                                                volgende dag mooi weer

Mussen, die druk tjilpen                                     regen en wind

Muren, die vochtig zijn                                       regen

Muurbloemen met wijd geopende
bloemen                                                                 mooi weer

Onweer in de morgen                                        regen en wind

Oostenwind                                                         ’s zomers zeer warm en droog
                                                                               ’s winters zeer koud, sneeuw bij lage
                                                                                barometer

Paarden, die achteruit slaan                            vochtige kou

Padden in groten getale                                   regen

Populier met omgekrulde blaadjes               onweer

Raven, die hard krassen                                wind, misschien regen

Regenboog, die zeer bleek is                        mooier weer

Regenboog ’s avonds                                      flinke opklaringen voor volgende dag

Regenboog vroeg in de morgen                  zeer vochtig weer

Regenbuien, die ons verrassen                   opklaringen, rukwinden

Regen uit een hemel,
die allang grijs was                                      verscheidene dagen onbestemd

Roodborstje, dat op hoge takken zingt       mooi weer

Roodborstje, dat op lage takken zingt       stortbuien, afkoeling

Schapen, die dicht bij de stal blaten         regen of wind

Schapen, die op hoogten weiden              mooi weer

Schapenwolken, die erg groot 
en dik zijn                                                     stortbuien

Slakken, die uit hun huisjes
zijn gekomen                                               regen

Slakken in groten getale                           regen

Spinnenweb met zeer lange draden        mooi warm weer, beetje wind

Stapelwolken in het westen                     regen, hagel

Sterren, die in groten getale schitteren     vorst in de winter

Stieren, die nerveus en
ongeduldig zijn                                                koud en vochtig

Stro, dat bij windstilte
door de lucht dwarrelt                                  regen

Thermometer, die overdag daalt               ’s winters droog; 

Thermometer, die stijgt                              ’s zomers mooi
                                                                          ’s winters vochtig en zeer zacht

Varkens, die stro naar hun stal brengen    storm

Vee dat beschutting zoekt                            regen en wind                    

Vee dat zich in het veld verspreidt            mooi, warm weer

Veldslakken in groten getale                     regen

Vleermuizen in groten getale                    mooi, zacht weer

Vliegen, die erg bedrijvig zijn  en 
op het gezicht gaan zitten                        onweer, regen

Vogels, die te stil zijn                               ’s zomers onweer; ’s winters vorst

Wazige maan                                             regen en wind

Wespen, die onrustig zijn                      onweer

Wespen in groten getale                        warm

Westenwind                                             regenachtig met opklaringen

Wolken, die na zonsopgang verdwijnen        mooi, waarschijnlijk warm

Wolken, die ’s avonds roze zijn
(alleen aan de horizon)                        aanhoudend mooi weer                                

Wolken, die ’s avonds verdwijnen     fris, volgende dag veel regen

Wolken, die zich naar elkaar bewegen       fris weer, regen

Wolken hoog in de lucht,
aar niet aan de horizon                                  zonnige perioden

Wolken, klein, wit en los van elkaar            mooi en warm

Zee, die hol is bij windstilte                         zware storm

Zon, die gesluierd en rood is                      droog weer

Zon, die in de winter gesluierd is              betrokken en koud

Zon, die in de zomer gesluierd is             mooi en warm

Zon, die midden op de dag omgeven
is door donkere wolken                           flinke stortbuien

Zon, die ondergaat met rode wolken
aan de horizon                                        voortdurend mooi, 

Zuidenwind                                             warmte

Zwaluwen, die hoog vliegen                 mooi weer

Zwaluwen, die laag vliegen                 regen en wind

Zware dauw                                           mooi weer

.

Aardrijkskunde 6e klasalle artikelen

Aardrijkskundealle artikelen

Vrijeschool in beeld6e klas 

.

2906-2726

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – Aardrijkskunde – weerkunde (3-3)

.

Weerspreuken zijn er tot op de dag van vandaag nog steeds. Sommige zijn betrouwbaarder dan andere gebleken.

Je moet er met de kinderen zeker aandacht aan besteden en het is interessant om er een of twee door het jaar heen op hun waarheidsgehalte te beproeven.

Had u verwacht dat er zoveel waarheid school in die oude weerspreuken? Drs. J. F. den Tonkelaar van het KNMI in De Bilt vertelt u hieronder wat er waar is van deze stukjes volksweerkunde..

Drs. J.F. den Tonkelaar*, Spiegel, jrg. onbekend

Morgenrood, water in de sloot

Een oeroude wijsheid die meestal opgaat. Of beter: vroeger opging. Vóór het tijdperk van de industriële revolutie, voor het tijdperk van olie, benzine, gas, fabrieken en huizen met rokende schoorstenen, vóór het tijdperk van de luchtverontreiniging, werd een in ochtendrood badende hemel veroorzaakt door een hoog gehalte aan waterdamp in de atmosfeer. In de loop van de dag leidt dit, o.m. ten gevolge van de toenemende onstabiliteit in de atmosfeer, tot regenbuien.

Tegenwoordig is de ochtendhemel herhaaldelijk rood gekleurd ten gevolge van in de lucht zwevende rook- en roetdeeltjes, stof en afval van uitlaatgassen en verbrandingen. Dit rood is een ander soort rood dan wanneer de verstrooiing van het licht door een hoog gehalte aan waterdamp en door wolkendruppeltjes plaats vindt.

Het industriële ochtendgloren heeft een tint die meer naar het paars neigt, de kleur van de dood …

Dit violetachtige ochtendrood is het sterkst tijdens een luchtdrukverdeling waarbij men in de nabijheid van de kern van een hogedrukgebied vertoeft. Dan kan bij ons, bij zuidoostelijke wind, het door het RUHR-gebied geproduceerde uitbraaksel in de onderste luchtlaag van 1 ã 1½ km dikte blijven hangen. De invloed op de violetkleuring is dan zeer groot. Maar ’t wordt toch een dag met mooi weer.

Dus: morgenrood, water in de sloot — ochtendviolet, zon op de pet.

Wind in de nacht, water in de gracht

Een algemene weerregel is het, dat het ’s nachts minder sterk waait dan overdag. Komt er in de loop van de nacht meer wind dan er de voorgaande avond of dag was, dan wijst dit op de nadering van een depressie. De kans op regen wordt dan wel erg groot.

Regen met St.-Margriet geeft zes weken boerenverdriet

of, zo luidt de oude spreuk ook wel:

Regent ’t op Sint-Margriet, dan krijgen we zes weken lang een natte tied (tijd), maar regent het dan niet, dan regent het in zes weken niet.

Uit een onderzoek, verricht over de jaren 1904 t/m 1947 bleek dat na een droge St.-Margriet (20 juli) de kans op een reeks droge dagen ongeveer zeven keer zo groot is als na een natte St.-Margriet. De kans op een reeks natte dagen is na een natte St.-Margriet ongeveer 4 keer zo groot als na een droge dag op 20 juli. In de periode van 6 weken na St.-Margriet (tot 1 sept. dus), kwamen er na een droge St.-Margriet-dag geen weken voor die geheel nat waren, dus verregenden; evenmin kwamen er na een natte St.-Margriet-dag weken voor waarin het in het geheel niet regende, hetgeen zich wel voordeed na een droge St.-Margriet!

Het laat zich aanzien dat met de regel bedoeld wordt te zeggen: ’n Onbestendig weertype met afwisselend regen, wind en opklaringen rond St.-Margriet heeft ’n grote kans de gehele verdere zomer voort te duren. Heeft het weer rond St.- Margriet ’n droog en meer standvastig karakter dan is de kans groot dat ook de rest van de zomer een fraai beeld te zien zal geven.

Die uitlating: „zes weken boerenverdriet”, wijst daarop.

Daarmee wordt immers gezegd dat de oogstperiode zo regenachtig is dat ’t gemaaide koren maar met grote moeite droog kan worden binnengehaald.

In vele gevallen gaat de St.-Margrietregel dus op.

Avondrood, mooi weer in de boot

Bedoeld wordt een zonsondergang vrijwel zonder wolken, waarbij de hemel nabij de horizon lichtrood gekleurd is. Dit rood wordt veroorzaakt door stof dat in de loop van de dag door de stabiele opbouw van de atmosfeer in de onderste 1 à 2 km is blijven hangen. Dit duidt op de aanwezigheid van een hogedrukgebied.

Is de avondhemel donkerrood gekleurd (bv. in ’t voorjaar bij noordwesten wind, wanneer de lucht vrij van stof is) dan gaat de regel vaak niet op. Wordt het eerder genoemde avondrood gevolgd door ’n grauwe ochtendschemer, dan is de kans op een stralende zon aan een blauwe hemel groot. Die „grauwe ochtendschemer” is een benaming die nog dateert uit het tijdperk van vóór de industrie. Tegenwoordig is die ochtendschemer meer violet!

Hoe losser de wind, hoe vaster het weer

(lopende winden, vast weer)

Zwakke winden uit uiteenlopende richtingen treden doorgaans op in de nabijheid van de kern van ’n hogedrukgebied, dat meestal een „vast” weertype met zich meebrengt. De uitdrukking komt in hoofdzaak in kuststreken voor. Men bedoelt ermee te zeggen: ’s nachts landwind, in de middag een (ruimende) zeewind.

Vrijdagweer – zondagweer

Bij een wisselend weertype t.g.v. grote depressieactiviteit wordt de ene depressie vaak met een dag tussenruimte door een ander opgevolgd. Tussenin passeert dan een gebied met relatief hogere luchtdruk. Hoewel dit natuurlijk onafhankelijk is van het tijdstip van de week, was in vroeger tijden de mens bijzonder geïnteresseerd in het weer dat hij op z’n vrije zondag zou hebben (toen werd er zaterdags nog de gehele dag gewerkt). Het zondagweer vertoonde dan meer overeenkomst met het van vrijdag dan met het weer van zaterdag. Wij zitten nu eenmaal in een streek die meer door depressies wordt bezocht dan door standvastige hogedrukgebieden. De uitdrukking wil zeggen: Als je wilt weten hoe het weer op zondag is, heb je er meer aan af te gaan op het weer van vrijdag dan op het weer van zaterdag!

Pankraas, Servaas en Bonifaas geven vorst en ijs helaas

Rond de 12e, 13e en 14e mei, de dagen die de namen van bovengenoemde (ijs) heiligen dragen, vertoont het weer in West-Europa vaak een beeld dat gekenmerkt wordt door noordenwind die koude lucht uit de poolstreken rechtstreeks naar ons land voert. De nachten zijn dan helder en lang genoeg om de afkoeling zo ver te laten doorgaan dat het kwik onder nul zakt.

Deze koudeperiode, de IJSHEILIGEN genaamd, treedt vrijwel ieder jaar op in de periode tussen 8 en 20 mei. Hij is dus niet strikt aan de 12e, 13e en 14e mei gebonden, maar toont voor deze dagen wel zijn grootste voorkeur.

Is oktober warm en fijn, ’t zal een scherpe winter zijn

Dit gezegde gaat voor ons land niet op. Vermoedelijk stamt de spreuk uit landen als Frankrijk, Midden-Duitsland, Zwitserland e.d. Daar gaat hij vaker op. Een oktoberweertype met een meer dan normale depressieactiviteit bij IJsland, maar daarnaast een bestendige hogedrukgordel boven Midden- en Zuidwest-Europa wordt volgens Engelse onderzoekingen veelal gevolgd door een strenge winter in West-, Midden- en Zuidwest-Europa.

Een dergelijke luchtdrukverdeling in oktober, brengt voor eerder genoemde landen een weerbeeld mee met fraai zonnig en warm weer overdag. De nachten kunnen dan wel koud zijn. De regenval is onder normaal. Vandaar de uitspraak: warm en fijn!

Ring om de zon, water in de ton

De ring om de zon duidt op het binnendringen van vochtige lucht op een hoogte van 6 tot 12 km. De ijskristallen die daar het gevolg van zijn veroorzaken een lichteffect dat zich als een kring om de zon of maan voordoet. Meestal gaat dit weersverschijnsel vooraf aan een naderbij komende depressie. Het lichteffect wordt een „halo” genoemd. Afgezien van de maanden april en mei, volgt er in de rest van het jaar altijd een ander weertype op, met regen!

Vorst met afgaande maan, houdt meestal aan

Van de vele spreuken die een verband leggen tussen de maan en het weer komt in onze streken maar bitter weinig uit. Hoewel de laatste jaren uit onderzoekingen is gebleken dat het weer in bepaalde streken van de aarde (de gordel tussen de subtropen en de evenaar bv.) een zekere koppeling met de maanfasen vertoont (het optreden van tropische cyclonen bv.) is voor West-Europa in dit opzicht nog niets aanwijsbaars te vinden. Deze spreuk komt ook in een andere vorm voor: „Vorst met wassende maan houdt meestal aan”. Dit is juist tegenovergesteld.

„Liggende maan (enkele dagen na nieuwe maan) zal met regen en wind vergaan.” Deze laatste spreuk kan door de oude zeilvaarders meegebracht zijn en betrekking hebben op de subtropen. Over de oorsprong is mij* niets bekend.

Aardrijkskunde 6e klas: alle artikelen

Aardrijkskundealle artikelen

Vrijeschool in beeld6e klas 

.

2905-2725

.

.

.

.

,

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (1-2-2)

.

Een van de meest menselijke vermogens is het kunnen spreken.
Spreken kunnen we alleen leren door nabootsing. 
Omdat in vroegere sociale verhoudingen de moeder thuis voor het opgroeiende kind zorgde, heeft zich in de taal het begrip ‘moedertaal’ (het Engels heeft ‘de moeder tong!) gevestigd.

Rudolf Steiner gaf al in het begin van de vorige aan hoe belangrijk klanken zijn voor de vorming van bepaalde gebieden in de hersenen. 
Het huidig hersenonderzoek geeft hem daarin gelijk. (Al wordt dat niet zo luid verkondigd, simpelweg omdat men het werk van Steiner te weinig kent).

Zie voor verdere onderbouwing nu: Algemene menskunde voordracht 11 [11-3]
Daarna [11-4]
De inhoud van deze artikelen legt de basis voor wat al jaren met kinderen wordt gedaan vanuit een instinctief gezond gevoel van de ouders/opvoeders:

Ze zingen liedjes, bijv. als het kind gaat slapen.

Slaapliedjes

Wanneer je slaapliedjes googelt, krijg je nu in eerste instantie videoclipjes met begeleidende muziek.
Maar begeleiding en beeld is volkomen overbodig. 
Wat er tussen jou en het kindje moet gebeuren, moet een op een plaatsvinden. Ik denk dat het niet verstandig is om dat wat er tussen jullie moet gebeuren, a.h.w. ‘uit te besteden’, de indruk wekkend dat het belangrijkste tussen jullie, zich buiten jullie bevindt.
Om het liedje als ouder zelf te leren om het te kunnen zingen, is een filmpje reuze handig, ook voor eventuele gebaren. Maar voor de interactie ouder-kind is het volkomen overbodig.

Slaapliedjes

Als kindertjes slapen moeten
Pentatonisch

’s Avonds als de maan schijnt
Rustig en simpel

’s Avonds als het donker is
Dit liedje is wat moeilijker, dus eventueel voor als het kind wat ouder is en al een prentenboek met je bekijkt. Dan hoort dit liedje bij kabouter Tummetot

Beschermengel
Pentatonisch

Bij moeder aarde
Pentatonisch

Bijna vangt de avond aan
Heel simpel, pentatonisch. Dit kan je bij wijze van spreken al zingen zodra het kindje is geboren.

De aarde doet haar ogen toe
Heel rustig pentatonisch liedje; je kan het steeds langzamer en zachter laten uitklinken.

De zonne gaat dalen
Pentatonisch

Do-do, kindje van de minne

Eia poppeia

Ik heb er mijn kindje te slapen gelegd

Kaarsje, kaarsje, kaarsje

Katelijne slaapt

Kindje klein

Kindje, lieve kindje mijn

Kling-klang, met zilvr’en zang

Klokjes

Lieve aarde, lieve zon

Lieve, kleine poppedijne

Maantje tuurt, maantje gluurt

Oma’s slaapliedje

Slaap gerust, mijn kindje!

Slaap, kindje, slaap! (1)

Slaap, kindje, slaap! (2)

Slaap maar fijn!

Slaap, mijn kleine wilgenkind!

Slaap, mijn lieve kindekijn!

Slaap nu zacht!

Wanneer wij ’s avonds slapen gaan

Wiegeliedje

Wiegen in mijn armen

Zie bijv. ook: Koesteren door liedjes zingen
Amalia Baraes over: zingen schept een band; eigen liedjes, bestaande en pentatonische; taalontwikkeling; radio of cd?
.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Nabootsing      lopen-spreken-denken      spel      ritme

Vrijeschool in beeld: kleuters

.

2904-2724

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – Aardrijkskunde – weerkunde (3-2)

.

Als onderdeel van de aardrijkskunde komen in klas 6 ook ‘klimatologische verhoudingen’ aan bod.
Dat is een ruim begrip.
Onlosmakelijk verbonden met ‘klimaat’ is uiteraard ‘het weer’.
In dit artikel wordt een voorbeeld gegeven van een keuze van aanpak.

Het op een groot vel papier noteren wanneer iedere dag de zon op- en ondergaat – en/of de maan – kan na een poosje ook aanleiding zijn e.e.a. met (staaf)grafieken aan te geven.

Belangrijk lijkt mij ook ‘de hemel’ waar ter nemen. Wat gebeurt er aan de lucht.
Wolkenvormen in je opnemen, maar ook de kleurschakeringen. Die dan later schilderen geeft een prachtige instap naar het schilderen met grijs, via wit en zwart/blauw.

Voor de leerkracht hier wat ‘wolkeninformatie’ die ook voor de leerlingen interessant kan zijn.

‘Zo maar’ een stukje dat bij een wolkenplaat geschreven werd.
Uiteraard moet je haast wel allerlei ‘weerspreekwoorden – weerspreuken introduceren en verklaren voor zover dat gaat.
.

wolken
.

14] Altocumulus 18] Altocumulus castellanus 15] Altocumulus duplicatus 16] Altocumulus floccus 17] Altocumulus floccus 19] Altocumulus lenticulartis 20] Altostratus 21] Altostratus 2] Altrostratus translucides 34] Bijzon 27] Cirrocumulus 25] Cirrostratus 26] Cirrostratus 29] Cirrostratus 30] Cirrostratus 3] Cirrus 23] Cirrus 24] Cirrus 28] Cirrus 22] Cirrus uncinus 8] Cumulonimbus 9] Cumulonimbus incus 1] Cumulus 6] Cumulus congestus 7] Cumulus congestus 4] Cumulus humulis 5] Cumulus mediocris 25] Halo 33] Irisatie 12] Stratocumulus 13] Stratocumulus 10] Stratus 11] Stratus 31] Tornado

Ontstaanswijze en benaming

Eeuwenlang heeft de mens geloofd dat hij door het bestuderen van de wolken en het waarnemen van het uitspansel in staat zou zijn het weer voor enige tijd vooruit te voorspellen. Onze voorouders waren voor hun bestaan in sterke mate van het weer afhankelijk. Al heel lang geleden leerden zij welke de belangrijkste tekenen aan de hemel waren.

Hoewel wij heden ten dage misschien wat minder afhankelijk van het weer zijn, speelt het weer bij ons doen en laten nog wel steeds een belangrijke rol. Daarvoor kunnen wij bijna onbeperkt weersverwachtingen krijgen via de radio, de televisie, de krant en de telefoon. Nimmer werden wij gedwongen onze eigen geest in dit opzicht te scherpen. De directe betrokkenheid bij de wolken die zo onverbrekelijk met het weer zijn verbonden, is langzaam weggeëbd.

Mist en laaghangende bewolking bestaat uit zeer kleine waterdruppeltjes. Een mistgebied is in werkelijkheid niets anders dan een wolk, die op het aardoppervlak rust. De afzonderlijke waterdruppeltjes zijn te klein om met het blote oog te kunnen worden gezien.

0-0-0

Wanneer de wind de mistdruppeltjes evenwel langs een spinneweb voert, zal het web sommige van die kleine druppeltjes invangen. In de zon schitteren ze als kleine pareltjes. Waarom ontstaan er eigenlijk wolken?Waterdampgehalte van de lucht = grammen water per kilogram lucht.
Lucht kan onzichtbare waterdamp bevatten. Hoe warmer de lucht des te meer waterdamp erin kan zijn opgenomen. Het waterdampgehalte van de lucht kan worden uitgedrukt in het aantal grammen water per kilogram lucht; dat is bijna 1 m3 lucht.

0-0-0

Voor elke temperatuur is er een maximale hoeveelheid waterdamp, die de lucht kan bevatten. In dit diagram verbindt de lijn al deze maximumwaarden. Bij 20 °C, op een zomerdag bijvoorbeeld, kan de lucht maximaal 15 gram water per kilogram lucht bevatten, voordat de lucht ‘verzadigd’ raakt.

0-0-0

Bij 10 °C is het maximale waterdampgehalte nog slechts de helft van dat bij 20 °C.

0-0-0

Bij-10 °C bedraagt het maximale waterdampgehalte nog slechts 1,5 gram, dit is ééntiende deel van het bedrag bij 20 °C. In de zomer is het op 3 km hoogte dikwijls -10 °C. Als lucht die met waterdamp is verzadigd, verder wordt afgekoeld, vindt er condensatie plaats.

0-0-0

De zeer hete lucht bijvoorbeeld die ontsnapt uit de tuit van een ketel kokend water is zwaar beladen met waterdamp, afkomstig van het kokend water. Door contact en menging met de koudere lucht in het vertrek, koelt de ontsnapte lucht snel af. De waterdamp condenseert in een ontelbaar aantal druppeltjes; ze worden zichtbaar als stoom.

0-0-0

In de badkamer neemt de lucht vocht en warmte op, afkomstig van het badwater of de hete douche. Deze warme lucht stijgt en vermengt zich met de andere lucht.

0-0-0

Uiteindelijk ontmoet deze warme en vochtige lucht koude oppervlakken, zoals de spiegel of het raam, waarop de lucht snel afkoelt. Een deel van de geabsorbeerde (= opgenomen) waterdamp wordt op die oppervlakken als ‘condenswater’ afgezet. Dit kan zo’n omvang aannemen dat er na korte tijd talloze sporen van omlaag glijdende druppels ontstaan.

0-0-0

Als in een windstille heldere nacht de naar verhouding warme lucht in contact komt met het koudere gras, condenseert het vocht op dezelfde wijze als is uiteengezet hierboven. De waterdamp wordt afgezet als kleine glinsterende dauwdruppels. De temperatuur waarbij condensatie van waterdamp in de lucht optreedt, wordt de ‘dauwpuntstemperatuur’ genoemd.

0-0-0

Warme lucht stijgt. Hoewel wij dit niet duidelijk kunnen waarnemen, is het beste bewijs ervan de donkere streep, veroorzaakt door stofdeeltjes die door de verwarmde lucht langs de radiator omhoog werden gevoerd. Ze werden op de muur en het schilderwerk van de vensterbank afgezet.

0-0-0

(1) lucht van 20 °C, nog niet voor de helft verzadigd met waterdamp, begint te stijgen en koelt af met ongeveer 1 °C per 100 m.
(2) op 1000 m hoogte is de temperatuur nog slechts 10 °C. De lucht stijgt verder, maar is al wel bijna verzadigd met waterdamp.
(3) op ongeveer 1200 m hoogte, bij een temperatuur van 8 °C, raakt de lucht verzadigd met waterdamp. De wolkenvorming begint, omdat bij verdere stijging van de lucht waterdamp condenseert.
(4) bij nog verdere stijging wordt vrijwel alle waterdamp in wolkendruppeltjes omgezet. De temperatuurdaling bedraagt nu ca. 0,6 °C per 100 m. Pas in de top van de wolk bevriest een groot aantal druppeltjes, omdat daar de temperatuur een heel eind onder nul komt.

0-0-0

Dit diagram laat het verloop van de luchttemperatuur op verschillende hoogten zien op een warme augustusdag. De aan het aardoppervlak verhitte lucht koelt bij stijging af tot dezelfde of iets lagere waarden dan de omgevingstemperatuur op die hoogte; omdat de lucht dan zwaarder is, wordt de stijging afgeremd en zelfs geheel stopgezet. De afkoeling is in dit geval te klein om wolkenvorming toe te laten.

0-0-0

Aan hetzelfde diagram als hiervoor is het verloop van de luchttemperatuur met de hoogte op een koude, buiige augustusdag toegevoegd. Dit is de zwarte lijn. De aan het aardoppervlak verwarmde lucht koelt bij stijging af, maar blijft warmer dan de omgevingslucht. Door zijn geringere gewicht blijft de stijging nu voortgaan, zelfs tot op grote hoogte. Er vormen zich wolken die uitgroeien tot buien. Sommige daarvan geven zelfs onweer.

0-0-0

In de gehele wereld worden Latijnse namen gebruikt om de wolkengeslachten te benoemen. Die namen worden bepaald door de vorm van de wolken en de hoogte waarop ze voorkomen. De naamgeving berust op drie basistypen.
Cirrus voor de ijle vederwolken. Cirrus betekent ‘toefje’ of ‘haarlok’. Deze wolken komen in de allerhoogste niveaus voor.
Cumulus voor de wolken met een hoofdzakelijk verticale opbouw. Cumulus betekent ‘hoop’, ‘stapel’. Hun onderkant bevindt zich meestal in de onderste niveaus.
Stratus voor de wolken, die zich als een horizontaal uitgestrekte laag voordoen. Stratus betekent: ‘laag’, ‘deken’. Middelbare bewolking komt voor in de laag tussen ruwweg 2000 en 5500 m. Hun naam wordt voorafgegaan door het Latijnse woord Alto, dat ‘hoog’, ‘opgetild’ betekent.

0-0-0

 

Uit de basiswoorden zijn combinaties samengesteld die een betere omschrijving geven op grond van de vorm, hoogte en eigenschappen van de wolken. Toevoeging van het woord Nimbus (of Nimbo) betekent dat het uit de desbetreffende wolk regent. Stratocumulus staat voor een grijze of witachtige wolkenlaag, waarin donkere en lichte delen met enige verticale ontwikkeling elkaar afwisselen. Cumulonimbus is de naam voor de stapelwolk, waaruit een regen-, sneeuw- of hagelbui valt.

0-0-0

1] De Cumulus- of stapelwolk bestaat geheel uit waterdruppeltjes en heeft duidelijke contrastverschillen. Zijn randen vertonen een scherpe omlijning. Zolang hij deze eigenschappen behoudt, regent het er niet uit.

0-0-0

2] Altostratus vertoont zich als een grijs- of blauwachtig getinte wolkenlaag met een vezelige, draderige of sluierachtige structuur. Soms zijn er geringe licht-en-donker-schakeringen. Door een dunne Altostratus is de zon of maan nog zichtbaar als een lichte vlek, als door matglas gezien, Altostratus translucidus.

0-0-0

3] Dit is een Cirrus van een draderige soort. Cirruswolken bestaan geheel uit ijskristalletjes. Er komen geen schaduwpartijen in voor. Heel dikwijls komt Cirrus aan de voorzijde van een slecht-weer-gebied voor.

0-0-0

0-0-0

5] Maar de kleine ‘poederdonsjes’ worden dikwijls groter en groter en groeien uit tot middelmatige stapelwolken. Let op de vlakke onderzijde van de wolken. Omdat de stijgende warme lucht overal in dezelfde mate afkoelt, bevindt het ‘condensatieniveau’ (de hoogte waarop zich de wolkenbasis vormt) zich in een groot gebied op dezelfde hoogte boven het aardoppervlak: Cumulus mediocris.

0-0-0

6] Dit is een nog grotere Cumulus. Weliswaar nog met een vlakke onderkant, maar sommige opbollende exemplaren reiken al tot grote hoogte. Deze Cumulus congestus bezit nog steeds scherpe randen en duidelijke contrastverschillen.

0-0-0

7] Het is raadzaam om bij Cumulus congestus aandacht te blijven schenken aan het uiterlijk van de top. Zodra deze een vezelachtige structuur begint te krijgen en de omtrekken rafelig en wazig beginnen te worden, vindt de inzet van de neerslagvorming plaats.

0-0-0

8] Linksboven in het beeld van deze zeer grote Cumulus gaat het opbollende uiterlijk verloren. De randen worden vezelig en de contrastverschillen vervagen. De waterdruppeltjes gaan bevriezen. De wolk bereikt het Cumulonimbus-stadium, hetgeen betekent dat er weldra uit de onderkant een bui gaat vallen.

0-0-0

9] Een Cumulonimbus die tot zeer grote hoogte reikt, heeft dikwijls een aambeeldvormige top, die uit ijskristallen bestaat. Het uiterlijk is egaal, draderig, vezelig, en ook de randen zien er vaak zo uit. De tegenstellingen tussen licht en donker zijn verdwenen. Cumulonimbus incus is zijn naam, soms veroorzaakt hij onweer.

0-0-0

10] Stratus is de wolk die meestal als een laaghangende vormloze egaalgrijze sluier, met een tamelijk gelijkvormige onderkant, boven het landschap hangt. Heel dikwijls ontstaat deze bewolking uit optrekkende mist.

0-0-0

11] Op een winderige dag wil de Stratuslaag na zonsopgang en omstreeks zonsondergang nog wel eens breken en oplossen. Daarbij doen zich nogal eens roze tinten voor. Stratusbewolking bestaat geheel uit waterdruppeltjes.

0-0-0

12] Als er in een wolkenlaag rollen of grote ballen ontstaan, die zowel los van elkaar voorkomen als met elkaar versmolten kunnen zijn, met afwisselend donkere en lichtere delen, dan hebben wij met Stratocumulus te maken, die vrijwel altijd uit waterdruppeltjes bestaat. Meestal zien wij deze bewolking in de vorm van een bank of in delen die samen een dikke laag vormen, overal even hoog boven het aardoppervlak.

0-0-0

13] Bij lage zonnestand worden de afgeronde elementen van Stratocumulus duidelijk belicht.

0-0-0

14] Altocumuluswolken zijn meestal gemakkelijk te herkennen, vooral omdat de ‘schapewolkjes’, die wij op deze foto zien, daartoe behoren. Karakteristiek zijn dan ook de min of meer afgeplatte ballen, rollen en stroken, die in banken of in één wolkenlaag voorkomen, in het algemeen mét schaduwpartijen. Omdat ze hier op middelbare hoogte voorkomen, begint de naam met ‘Alto’.

0-0-0

15] De wolkenelementen van de Altocumulus zijn duidelijk van elkaar gescheiden en hebben merendeels gerafelde randen. Bovendien bezitten ze enige verticale ontwikkeling. Hier komen ze in twéé lagen voor. De ondergaande zon schijnt niet meer op de laagste laag die op 3 km hoogte zweeft, maar nog wel op de hogere banken die tussen de 4\ en 5 km hoogte zitten: Altocumulus duplicatus.

0-0-0

16] Deze Altocumulus-vorm lijkt meer op de kleine plukken of vlokken watten van de kleine Cumulus die op geringere hoogte voorkomt. Ze heten officieel Altocumulus floccus wegens het vlok-achtige karakter van de afzonderlijke elementen en zijn heel dikwijls een voorbode van onweer.

0-0-0

17] Uit de toppen van de Altocumulus floccus vallen soms ‘buien’ van heel kleine sneeuwkristallens, zoals in dit beeld. Dikwijls neemt de windsnelheid met de hoogte toe. De uitsneeuwende kristalletjes blijven dan achter bij de hogere, snel voorttrekkende wolkentop. De vezelige slierten wijzen in de richting waar de wind vandaan komt.

0-0-0

18] Dit is de Altocumulus castellanus. Zo genoemd wegens de vorm van de uitstekende torentjes die boven de vlakke onderkant van de wolk oprijzen en er uitzien als de kantelen op de bastions van vroegere kastelen. Ook deze wolkenvorm is een vrijwel zekere voorbode van onweer. Soms komt dit al na enkele uren. Als ze in de zomer zichtbaar zijn in de ochtend, dan onweert het dikwijls al in de namiddag.

0-0-0

19] Deze lange ellipsvormige, op lenzen of amandelen lijkende wolkenbanken hebben fraai ‘gepolijste’ scherpe omtrekken. Hun kern is donkerder dan het randgedeelte. Deze Altocumulus lenticularis komt juist voor op het hoogtepunt van een weersverbetering of aan het einde van een mooi weerperiode. Na hun verschijning volgt er een weersverslechtering. Bovendien zijn ze dikwijls zichtbaar aan de lijzijde van bergen.

0-0-0

20] Hier beginnen de grotere, afgeronde elementen van Altocumulus-wolken te versmelten tot een structuurloze sluierachtige wolkenlaag van het geslacht Altostratus.

0-0-0

21] Dit is dunne Altostratus waardoorheen nog een waterig zonnetje zichtbaar is. Gewoonlijk wordt de bewolking daarna dikker en dikker. Dit wijst op het naderbij komen van een neerslaggebied. Zodra er uit de bewolking neerslag begint te vallen, verandert de naam in Nimbostratus.

0-0-0

22] Deze windveren bestaan uit fijne dunne witte vezels of draden van kleine ijskristalletjes. Ze hebben hier een kommavorm, die aan de bovenkant eindigt in een haak of toefje. Deze Cirrus uncinus komt dikwijls uit westelijke richting opzetten en neemt snel toe. Meestal hangen ze samen met de nadering van neerslag en wind die bij een depressie horen.

0-0-0

23] In tegenstelling met de horizontale ligging hierboven bezitten deze Cirrus-wolkenstroken een duidelijke verticale ontwikkeling. Ze verplaatsen zich maar langzaam of in het geheel niet en zijn dikwijls in hogedrukgebieden te zien. Het weer blijft fraai en verandert nauwelijks.

0-0-0

24] Soms vertoont de Cirrus nogal warrige vormen, zoals hier. Evenals bij de vorige afbeeldingen hebben wij dan te maken met een hogedrukgebied, waarin tot op grote hoogte weinig of geen wind voorkomt. Een bestendig weerbeeld.

0-0-0

25] De doorschijnende, dikwijls geheel egale, melkachtige sluier die alle blauw van de hemel verdoezelt en de lucht ‘blikkerig’ maakt, bestaat geheel uit ijskristalletjes die soms de vorm van een prisma hebben. In deze Cirrostratus-bewolking wordt het licht van de zonnestralen dan gebroken. Er ontstaan soms heel fraaie, kleurige lichtverschijnselen, zoals kringen om de zon of maan; deze heten halo’s.

0-0-0

26] Niet altijd bedekt de Cirrostratus de gehele hemel. Hier bijvoorbeeld eindigt hij met een scherpe rand. Aan de andere kant blijft de hemel strakblauw. Veel lager drijven kleine Cumulus humiliswolken. Meestal hangt zo’n Cirrostratus-bank samen met een zich op grote afstand bevindend slecht-weer-gebied.

0-0-0

27] Dit ribbelpatroon van golfvormige wolkenbanken zonder schaduwpartijen bestaat uit ijskristallen. Wij hebben hier te maken met Cirrocumulus; dit zijn de allerhoogste schapenwolkjes. Als de ribbels snel langs het uitspansel voorttrekken en bovendien opkomen uit de hoek tussen zuid-zuidwest en noordwest, dan geldt de volgende weerregel: ‘schaapjes aan de hemelbaan duiden wind en regen aan’.

0-0-0

28] Cirrus-wolken in een hogedrukgebied; rustige, vaak met verticale vormen. Daartussendoor zijn verschillende condensatiestrepen zichtbaar bestaande uit ijskristallen, veroorzaakt door vliegtuigen. Bij dit soort Cirrus-luchten handhaven de condensatiesporen zich niet alleen erg lang, maar dikwijls groeien ze verder uit tot lange, brede velden van Cirrus-wolken die een groot deel van de hemel versluieren.

0-0-0

29] Cirrostratus strekt zich soms langs de hemel uit in lange smalle banden. Deze trekken gewoonlijk voort langs de lijn, waarin de banden liggen. Dit is een zeer opvallend voorbeeld van dit wolkengeslacht.

0-0-0

30] Deze typische langgerekte Cirrostratus-wolkenbanden hangen samen met een straalstroom. Deze naam wordt gegeven aan ‘luchtrivieren’ van ongeveer 500 km breed en 6 km dik. In een smalle, nauwelijks een ½ tot 1 km dikke kern van circa 50 tot 100 km breedte, worden soms windsnelheden tot 400 km per uur gemeten. Ze komen voor in het overgangsgebied tussen warme en koude luchtmassa’s. De banden lopen evenwijdig, maar door de perspectivische vertekening lijken ze aan de horizon samen te komen.

0-0-0

31] Midden in het beeld zichtbaar als een dunne draad, hangt onder de wolk een uitstulping als een trechter of een koker; dit zijn miniatuur-tornado’s. In Nederland meestal bij onweersbuien, tijdens windhozen, en dan vaak op de grens van de warme en droge lucht aan de zijkant van de moederwolk met de vochtige koelere lucht eronder. Ze draaien en wervelen rond, meetrekkend met de buienwolk waar ze onder hangen. Deze miniatuur-tornado’s komen hooguit een paar maal per jaar voor. Ze kunnen echter bomen uit de grond rukken en gebouwen doen barsten.

0-0-0

 32] Cumuluswolken zijn soms in een lange baan gerangschikt. Ter weerszijden komt veel minder bewolking voor als gevolg van dalende luchtbewegingen. De bewolking trekt voort in de richting van de baan; wij spreken hier van wolkenstraten.

0-0-0

Dit zijn lichtende nachtwolken, die op het noordelijk halfrond zichtbaar zijn in de maanden mei, juni en juli tussen een uur na zonsondergang en een uur vóór zonsopkomst. Ze gloeien zilverachtig of blauwachtig wit tegen de donkere nachtelijke hemel, in de richting van de zon. Metingen wijzen uit dat ze worden gevormd tussen 70 en 85 km hoogte. Vermoedelijk bestaan ze uit stofdeeltjes, waaromheen een dun laagje ijs is gevormd. Met ons weer hebben ze niets uitstaande.

0-0-0

33] Delen van Cirrocumulus- of Altocumulus-banken zijn af en toe roze, groen, violet of bruinrood gekleurd als gevolg van breking van het zonlicht. Dit verschijnsel heet irisatie (iris = regenboog); het doet zich voor in de omgeving waar de zon door de wolken schijnt.

0-0-0

34] Tot de halo-verschijnselen die zich dikwijls voordoen bij de aanwezigheid van Cirrostratus, behoren behalve de kringen óm de zon of maan ook lichtvlekken bóven de zon zoals een heldere plek in de kleine kring, en heldere gekleurde vlekken – rood aan de zonzijde – links en/of rechts van de zon, eveneens in de kleine kring, op dezelfde hoogte als de zon boven de horizon staat. Dit zijn bijzonnen, hier zichtbaar rechts in het beeld.

0-0-0

Morgenrood … water in de sloot; avondrood … mooi weer in de boot’, dit is een van de oudste weerrijmpjes. En dikwijls is een rode ochtendhemel, zoals hier afgebeeld, (dus niet het vroege gloren boven de kim aan een onbewolkt uitspansel!) de voorbode van nat weer. Wees wijs, en neem bij deze ochtendlucht een regenjas mee! Studie van de wolken zal menig ander teken aan de hemel openbaren dat een goede leidraad zal blijken te zijn voor het op handen zijnde weer.

.

Aardrijkskunde 6e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 6e klas 

.

2903-2723

.

.

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – ‘over de eerste dier- en plantkunde in de pedagogie van Rudolf Steiner (1/2)

.

Gerbert Grohmann:
.

OVER DE EERSTE DIER- EN
PLANTKUNDE IN DE PEDAGOGIE VAN RUDOLF STEINER

deel 1

DIERVORM – MENSENGEEST

Waarom de eerste dierkunde in het 9e à 10e levensjaar?

Blz. 18

De methoden van de vrijeschoolpedagogie worden vaak verkeerd begrepen en wel zo bijv. dat ze uitgelegd worden als iets van een vernieuwingsschool die over een soort patentmethode beschikt die de kinderen sneller, ja bijna spelenderwijs laat leren wat anders wellicht met veel moeite moet worden onthouden. Dan spreekt men onbegrepen van methoden die op het kind zijn toegesneden. Wie in staat is de kern van de pedagogie van Rudolf Steiner maar enigszins te overzien, twijfelt geen ogenblik aan die foutieve opvatting. Methoden die slechts een uiterlijk leerresultaat tot doel hebben, kunnen niet dienstbaar zijn aan de gezonde ontwikkeling van het kind. Wanneer het leren op de vrijescholen werkelijk makkelijker en vanzelfsprekender lijkt te gaan, dan vindt dat zijn basis in het adequaat omgaan met het kind: dat zijn zielenkrachten worden aangesproken die in zijn ziel vanuit de diepte naar bovenkomen en tevreden gesteld willen worden en dat er anderzijds niets overhoop wordt gehaald van wat nog in rust moet blijven omdat we dit dan voor later onvruchtbaar maken. 
Het mensbeeld van Rudolf Steiner is wat dit betreft in staat voor iedere leeftijdsfase nauwkeurige aanwijzingen te geven. Pas wanneer daarmee rekening wordt gehouden, mag je in de ware zin van het woord van kindgericht spreken. 
Het leerplan van Rudolf Steiner is zo ontstaan dat aan de ontwikkeling van het kind wordt afgelezen hoe leerstof en vooral methoden door de jaren heen moeten veranderen. Dit leerplan is een kind van de koningin van alle wetenschappen: de menskunde. 

Het leven van het kind bestaat puur uit niet te vervangen ogenblikken. De kansen die de leerkracht krijgt bijv. na het doorlopen van het 9e levensjaar wanneer het onderwijs in dier- en menskunde begint, komen later nooit meer terug. Wat verzuimd werd, kan later met de beste wil van de wereld niet meer ingehaald worden. Dat het zo moeilijk is dit te begrijpen komt omdat alleen maar de intellectuele kant van het probleem wordt gezien, niet echter hoe de stof en het kind bij elkaar horen, zoals eigenlijk al het methodische meestal alleen vanuit de leerstofkant wordt beoordeeld.

Blz. 19

Rudolf Steiner is zeer uitvoerig op deze vragen ingegaan en we kunnen er niet omheen om zijn uiteenzetting waarom het gaat hier in het kort aan te halen.
De basisgedachten komen uit de 14e voordracht van ‘Opvoedkunst’ [1]  

Hoe je vóór het negende jaar met de kinderen over de natuur moet spreken, is al geprobeerd weer te geven meteen aan het begin van dit geschrift. Voor het eigenlijke biologieonderwijs voor zover het hier gaat om de levende natuurrijken, komt het middendeel van de basisschool in aanmerking, de klassen 4 en 5. Om zwaar wegende redenen moet daarmee in ieder geval niet eerder worden begonnen. In de middenjaren van de basisschool leeft in het kind nog een rest van een gevoel van instinctieve verwantschap met dier en plant. De mens voelt zich, maar niet met de helderheid van het oordelende bewustzijn, dan eens kat, dan eens wolf, dan weer leeuw of adelaar, zoals Rudolf Steiner dat zei. Maar dit gevoel is, als we het voor het onderwijs willen gebruiken, alleen maar aanwezig vlak na het negende jaar. Daarvóór is het weliswaar nog sterker – al vanaf het vierde, vijfde – maar dan treedt het nog niet in contact met het eerste opkomende oordeelsvermogen van het kind. 
Voor de volwassene is het zeker geen makkelijke opdracht om zich in de zielenconstellatie van een kind dat net de drempel van het negende jaar is overgegaan, te verplaatsen. Zoals al in het deel over de eerste plantkundelessen  naar voren is gebracht, wordt het zich instinctief verwant voelen met het plantenrijk wat later rijp dan voor de verwantschap met het dierenrijk. Dan zoekt het kind vanuit een natuurlijk gevoel in de plant afbeeldingen van zieleneigenschappen die voor hem veel interessanter zijn dan de uiterlijke analogieën waarop het gewoonlijk wordt getrakteerd. Maar het zich verwant voelen met het plantenrijk staat al weer op een hoger niveau. Dat betekent: een hogere graad van rijpheid, vandaar dat Rudolf Steiner in zijn leerplan de eerste dierkunde voor de eerste plantkunde zet.

Maar in ieder geval is alleen de rijpheid van het zich verwant voelen, nog niet voldoende om een biologieonderwijs te geven dat rekening houdt met de vragen van die leeftijdsfase. Daarom sprak Rudolf Steiner over een ‘mooi evenwicht in de middelste fase van het negende tot het elfde jaar tussen het instinct en het oordeelsvermogen.’ [2]
Het ene is aan het verdwijnen, het andere begint te ontstaan.

Blz. 20

Het oordeelsvermogen van 9 – 11-jarige kinderen is nog niet hetzelfde zoals dat later na de puberteit op basis van het zelfstandige denken zich ontwikkelt. Het is nog altijd actief in het gevoelsgebied. Hoe het ook zij, we willen de kinderen in ieder geval in een voorfase van het oordelen brengen. 
Door het instinctieve kunnen wij met onze dierkunde aanknopen bij het oereigen innerlijke beleven van de kinderen. Wanneer we dat goed doen, hebben we totaal niets kunstmatigs nodig om de gewenste gevoelsstemming op te roepen. Anders ligt het bij het oordelen. Hierbij is het onze opdracht het instinctieve van de kinderen te gebruiken om het op een hoger niveau te tillen overeenkomstig de leeftijd. De ene blikrichting is op het verleden, de andere op de toekomst gericht. Dat is de innerlijke toestand waarin we ons eerste biologieonderwijs geven. Het is inderdaad eenmalig.
Min of meer zal het op deze leeftijd nog steeds om gevoelsoordelen gaan. De leerkracht legt het kunstzinnig aan door de hele opbouw van zijn lessen en de kinderen nemen het in zich op. Het zou niet goed zijn, omdat dat niet bij de leeftijd past, nu al van de kinderen te verwachten dat zij ‘er vanzelf wel op komen’. Juist wanneer het kind wil leren bewust te oordelen – en dat wil het dus – wil het geleid worden door personen die het als vanzelfsprekend ziet als boven hem staand. Zin voor waarheid laat zich niet ontwikkelen door oordelen te eisen, wanneer het kind nog helemaal niet door zijn constitutie die tot in het lichamelijke reikt, oordelen kan, maar alleen als men hem gelegenheid biedt oordelen als modellen in zijn voelende ziel op te nemen en na te vormen. Je kan iets niet tot ontwikkeling gaan brengen waarvan je van te voren aanneemt dat het al aanwezig is.
Begrip van deze fijnzinnige, subtiele metamorfoseschakeringen van het eerste kiemen van een oordeelsvermogen in de sfeer van het gevoel tot aan de rijpheid van het zelfstandige begripsmatige denken, is noodzakelijk als we de juiste toon willen aanslaan waarop we met de negen-, tienjarige kinderen, ook bij dierkunde, willen spreken. 
.
[1] GA 294/voordracht 14  
Vertaald/184

[2] GA 294/184 
Vertaald/191

Over het 1e dier- en plantkundeonderwijs: inhoud

Rudolf Steiner over: dierkunde

Dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas dierkunde 

.

2902-2722

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over meetkunde (GA 301)

Opmerkingen van Rudolf Steiner over meetkunde die hij in zijn pedagogische voordrachten maakte (GA 293 – 311) en uit enkele andere voordrachten.

.GA 293   GA 294    GA 295

GA 301 

Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft

De vernieuwing van de pedagogisch-didactische kunst door geesteswetenschap

Blz. 212

Voordracht 13, Bazel 10 mei 1920 

Das kindliche Spiel

Das Geometrische wird von demjenigen, der selbst gewisse Erfah­rungen mit der Geometrie gemacht hat, wirklich so empfunden wer­den können, daß es allmählich aus dem Ruhenden ins Lebendige hereingeholt werden sollte. Eigentlich reden wir doch von etwas sehr allgemeinem, wenn wir sagen: Die Winkelsumme eines Dreiecks ist 180 Grad. Das ist bei jedem Dreieck der Fall, nicht wahr. Können wir uns aber jedes Dreieck vorstellen? Wir werden nicht immer aus der heutigen Bildung heraus anstreben, unseren Kindern einen beweglichen Begriff des Dreiecks beizubringen; es wäre aber gut, wenn wir unsern Kindern einen beweglichen Begriff des Dreiecks beibrächten, nicht einen toten Begriff, nicht bloß ein Dreieck, das ja dann immer ein spezielles, individuelles Dreieck ist, hinzeichnen lassen, sondern ihnen sagen: Hier habe ich eine Linie. Ich bringe das dann so weit, daß ich auf irgendeine Weise – ich kann Ihnen natürlich nicht alle Einzelheiten in diesem kur­zen Vortragskurse entwickeln – dem Kinde den Winkel von 180 Grad in drei Teile teile. Ich kann auf unendlich viele Weisen diesen Winkel in drei Teile teilen. Ich kann dann jedesmal, wenn ich diesen Winkel in drei Teile geteilt habe, zum Dreieck dadurch übergehen, daß ich dem Kinde zeige, wie der Winkel, der hier ist, hier auftritt; so werde ich, indem ich die Sache auf dieses übertrage, ein solches Dreieck bekom­men. Indem ich übergehe von den drei fächerförmig nebeneinander­liegenden Winkeln, kann ich unzählige Dreiecke, die sich da bewegen, vorstellen, und diese unzähligen Dreiecke haben selbstverständlich die Eigenschaft, daß ihre Winkelsumme 180 Grad ist, denn sie entstehen ja aus der Teilung der 180 Grade der Winkelsumme. So ist es gut, in dem Kinde die Vorstellung des Dreiecks hervorzurufen, das eigentlich 

Het spel van het kind

Meetkunde zal door degene die er zelf bepaalde ervaringen mee heeft opgedaan, werkelijk zo kunnen worden ervaren, dat het stap voor stap vanuit de rust tot leven moet worden gebracht. Eigenlijk hebben we het toch over iets zeer algemeens, als we zeggen: de som van de hoeken van een driehoek is 180º. Dat is bij iedere driehoek het geval, niet waar. Kunnen wij ons echter iedere driehoek voorstellen?
Wij zullen niet steeds vanuit onze huidige opleiding ernaar streven, onze kinderen een beweeglijk begrip van de driehoek bij te brengen; maar het zou goed zijn als we dat wél deden, geen dood begrip, niet alleen maar een driehoek, dat dan altijd een speciale, individuele driehoek is, laten tekenen, maar hun zeggen: ‘Hier heb ik een lijn.’ Ik ga dan zo ver, dat ik op de een of andere manier – ik kan natuurlijk in deze korte voordrachtscursus niet alle details met u nagaan – voor het kind de hoek van 180º in drie delen verdeel. Dat kan ik op eindeloos veel manieren doen. Ik kan dan iedere keer, als ik deze hoek in drie delen heb verdeeld, naar de driehoek gaan door het kind te laten zien, hoe de hoek die hier zit, ook hier zit; dan zal ik, als ik dat hier naartoe overbreng, zo’n driehoek krijgen. Wanneer ik van de drie waaiervormige naast elkaar liggende hoeken uitga, kan ik me ontelbaar vele driehoeken die zich daar bewegen, voorstellen en deze hebben vanzelfsprekend de eigenschap dat de som van hun drie hoeken 180º is, want ze ontstaan door de deling van de 180º van de hoeksommen. Zo is het goed in het kind de voorstelling van de driehoek op te roepen, wat eigenlijk

Blz. 213

in innerer Beweglichkeit ist, so daß man gar nicht die Vorstellung be­kommt eines ruhenden Dreiecks, sondern die Vorstellung eines beweg­ten Dreiecks, das ebensogut ein spitzwinkliges wie ein stumpfwinkliges, wie ein rechtwinkliges sein kann, weil ich gar nicht die Vorstellung des ruhenden Dreiecks fasse, sondern die Vorstellung des bewegten Dreiecks. Denken Sie sich, wie durchsichtig die ganze Dreieckslehre würde, wenn ich von einem solchen innerlich bewegten Begriffe ausgehen würde, um das Dreieckmäßige zu entwickeln.

in een innerlijke beweging is, zodat je helemaal niet de voorstelling krijgt van een driehoek in rust, maar de voorstelling van een beweeglijke driehoek, die net zo goed een scherpe, of een stomphoekige, of een rechthoekige kan zijn, omdat ik niet de voorstelling van een rustende driehoek neem, maar van de bewegende. Bedenk eens hoe doorzichtig heel de leer van de driehoeken zou worden, wanneer ik uitga van een dergelijk innerlijk bewegend begrip om alles over de driehoek te ontwikkelen.

Over een schilderoefening met meetkundige figuren voor bepaalde kinderen.
Joep Eikenboom zegt over deze oefening:
‘een buitengewoon sterke oefening voor het vasthouden van een innerlijk visueel beeld, en dan vervolgens proberen – door goed op te letten – die voorstelling op papier te krijgen. Wakker maken in de zintuigen op een kunstzinnige manier. Eigenlijk zo’n simpele aanwijzing van R.Steiner, tegelijk geniaal.’
‘Een schilderoefening bruikbaar voor alle kinderen vanaf klas 6, niet alleen voor speciale gevallen.’
.

Rudolf Steiner over meetkunde

Meetkundealle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld6e klas meetkunde

.
2901-2721

.

.

.