VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over periodeonderwijs

PERIODEONDERWIJS

Hier volgen uit de pedagogische voordrachten Gesamt Ausgabe 293 t/m 311 Steiners voornaamste opmerkingen over periodeonderwijs.

Wir machen nicht den Stundenplan so, daß wir die erste Stunde schreiben, die zweite lesen und so weiter, son­dern wir fassen durch lange Zeiträume das Gleichgeartete zusammen. Für die späteren Dinge setzen wir auch bestimmte Zeiten fest, in denen wir die Dinge so betreiben, daß wir nicht immer stundenmäßig einen Gegenstand auf den andern folgen lassen, sondern daß wir durch lange Zeit hindurch die Kinder mit einem Lehrgegenstand beschäftigen und dann erst wiederum, wenn wir sie wochenlang damit beschäftigt haben, zurückkommen auf anderes. Dadurch konzentrieren wir den Unterricht, und wir sind in der Lage, dadurch viel ökonomischer zu unterrichten, als wenn wir jenes furcht­bar Kraft- und Zeitverschwendende mit dem Stundenplan betreiben: daß wir in der ersten Stunde einen Lehrgegenstand nehmen und daß in der nächsten Stunde wieder ausgelöscht wird, was in der vorhergehen­den gelernt worden ist.
.

We hebben geen lesrooster, waarin men in het eerste uur schrijft, in het tweede uur leest enzovoort, nee, we nemen gedurende langere tijd gelijksoortige din­gen samen. [  ] Voor latere dingen stel­len we ook bepaalde tijden vast. Maar we zullen niet steeds ieder uur een ander onderwerp nemen, maar ons gedurende langere tijd met één onderwerp bezighouden. Pas na weken gaan we op iets anders over. Daardoor concentreren we de lessen en zijn we in staat veel economischer te werken dan met het energie- en tijdverspillende rooster. Met zo’n rooster vaagt men in het tweede uur weg wat in het eerste geleerd is.
GA 294/158-159
vertaald: 130-131

0-0-0

Nun möchte ich gleich von Anfang an Sie darauf aufmerksam ma­chen, daß wir einen großen Wert darauf legen werden, den Unterricht möglichst konzentriert zu gestalten. Wenn man das nicht tut, kann man auf alle diese Dinge nicht Rücksicht nehmen, von denen ich eben gespro­chen habe, namentlich auf die Temperamente nicht. Daher werden wir das, was man im äußeren den Stundenplan nennt, nicht haben. In die­ser Beziehung werden wir also geradezu entgegengesetzt der Einrich­tung arbeiten, die das Ideal der modernen materialistischen Erziehung ist. In Basel zum Beispiel spricht man vom Vierzigminutenbetrieb. Man läßt gleich wieder etwas anderes folgen. Das heißt nichts anderes, als alles, was in den vierzig Minuten voranging, sofort wieder auszulö­schen und furchtbare Verwirrung in den Seelen anzurichten. Wir werden uns genau überlegen, welcher Lehrstoff einer gewissen Altersstufe des Kindes entspricht, und dann werden wir diesen Lehr­stoff, das Lesen zum Beispiel, durch eine gewisse Zeit hindurch verfol­gen. Das heißt, das Kind wird seinen Vormittagsunterricht im Lesen wäh­rend sechs bis acht Wochen haben, dann wird Schreiben an seine Stelle treten, dann Rechnen, so daß das Kind sich die gesamte Zeit hindurch jeweilig konzentriert auf einen Unterrichtsstoff. So daß etwa, wenn ich es schematisch andeuten wollte, unser Unterricht darin bestehen würde, daß wir möglichst am Morgen beginnen – das heißt aber nur möglichst, denn es werden alle möglichen Modifikationen eintreten – mit Lesen, so daß wir einige Wochen lesen, dann schreiben, dann rechnen. Aber es wird der Unterricht so ge­staltet, daß die Aufmerksamkeit des Kindes durch Wochen hindurch auf dasselbe konzentriert ist.Dann werden wir am Ende des Schul­jahrs Repetitionen folgen lassen, wodurch aufgefrischt wird, was im Anfang durchgenommen wurde. Absondern und fortdauernd pflegen werden wir nur alles Künstlerische. Entweder nachmittags oder, wenn die nötige Zeit vorhanden, vormittags, sollen wir das Künstlerische als besondere Willensbildung pflegen.
.

Nu wil ik u er van meet af aan op wijzen, dat we er veel belang aan zullen hechten om het onderwijs zo geconcentreerd mogelijk vorm te geven. Doet men dat niet, dan kan men geen aandacht schenken aan al die dingen die ik net besproken heb, met name niet aan de temperamenten. Daarom zullen we niet hebben wat men in het reguliere onderwijs een lesrooster noemt. In dit opzicht zullen we dus lijnrecht ingaan tegen de inrichting van het onderwijs die het ideaal is van de moderne materialistische opvoeding. In Bazel bijvoorbeeld heeft men het over het ‘veertig-minuten-bedrijf’. Na die tijd volgt er steeds weer iets anders. En dat wil alleen maar zeggen dat alles wat in de veertig minuten daarvoor is behandeld, onmiddellijk weer teniet wordt gedaan en er een verschrikkelijke verwarring in de zielen teweeg wordt gebracht. We zullen zorgvuldig onderzoeken welke leerstof in een bepaalde leeftijdsfase thuishoort en dan zullen we deze leerstof — lezen bijvoorbeeld – gedurende een bepaalde tijd blijven behandelen. Dat wil zeggen, het kind zal ’s ochtends gedurende zes tot acht weken les krijgen in lezen, dan in schrijven, dan in rekenen, zodat het kind zich de gehele tijd steeds op één onderwerp concentreert. In een schema aangeduid zou dat er zo uitzien: de lessen beginnen ’s ochtends als het kan met lezen, als het kan tenminste, want er zullen allerlei aanpassingen nodig zijn; we lezen dus enkele weken, dan schrijven we, dan rekenen we. [ ]
Maar het onderwijs wordt zo inge­richt dat de aandacht van de kinderen weken lang op hetzelfde on­derwerp is geconcentreerd. Dan zullen we aan het eind van het schooljaar repeteren, zodat de stof van het begin van het jaar weer wordt opgefrist. Los daarvan, en zonder onderbreking, beoefenen we alleen al het kunstzinnige, ’s Middags, of als de tijd er is ook ’s morgens, moeten we het kunstzinnige beoefenen, als datgene wat in het bijzonder de wil vormt.
GA 295/16-17
vertaald:17-18

0-0-0

So haben wir nötig, daß, ohne daß der Bogen überspannt wird, nicht durch Anstrengung, sondern durch Ökonomie der Erziehung, Konzentration bei den Kindern erreicht werden soll. Dies können wir in der Weise, wie es der heutige Mensch braucht, nur erreichen, wenn wir etwas abschaffen, was heute noch sehr beliebt ist: wenn wir den verfluchten Stundenplan in den Schulen abschaffen, dieses Mordmittel für eine wirkliche Entwicklung der menschlichen Kräfte. Man denke nur einmal nach, was es heißt: von 7-8 Rechnen, von 8-9 Sprachlehre, von 9-10 Geographie, von 10-11 Geschichte! Alles das­jenige, was von 7-8 die Seele durchwogt hat, wird ausgelöscht von 8-9, und so weiter. In diesen Dingen ist es heute notwendig, den Sachen auf den Grund zu gehen. Wir dürfen überhaupt nicht mehr daran denken, daß Lehrfächer da sind, damit «Lehrfächer» gelehrt werden; sondern wir müssen uns klar sein: im Menschen vom 7. bis 14. Jahre müssen entwickelt werden in der richtigen Weise Denken, Fühlen und Wollen. Geographie, Rechnen, alles muß so verwendet werden, daß in der richtigen Weise Denken, Fühlen, Wollen ent­wickelt werden.  Für ein bestimmtes Lebensalter ist zum Beispiel vor allen Dingen notwendig, etwas Rechnen beizubringen. Dazu muß man zwei, drei Monate ver­wenden, um an den Vormittagen Rechnen beizubringen. Nicht einen Stundenplan, der alles durcheinander enthält, sondern der Rechnen eine Zeitlang treibt – dann weitergehen. Und genau die Dinge so einstellen, daß sie eingestellt sind auf das, was die Menschennatur in einem bestimmten Zeitpunkt verlangt!  Wer denkt denn heute daran, daß der Stundenplan der Mord ist der wirklichen Erziehung des Menschen?
.

Dan is het noodzakelijk,  zonder dat de boog te gespannen wordt, dat niet door inspanning, maar door economie van de opvoeding, concentratie bij de kinderen wordt opgeroepen. Dit kunnen we op de manier die de mens van nu nodig heeft, alleen bereiken, wanneer we iets afschaffen wat tegenwoordig nog heel geliefd is: wanneer we dat vervloekte urenlesrooster in de scholen afschaffen; deze om zeep helper van een echte ontwikkeling van de menselijke vermogens. Denk eens in wat het betekent: van 7-8 rekenen; van 8-9 taal; van 9-10 aardrijkskunde; van 10-11 geschiedenis!  Alles wat van 7-8 door de ziel gaat, wordt van 8-9 weer uitgewist, enz. Nu is het zaak bij deze dingen tot de basis te gaan. We mogen er helemaal niet meer aan denken dat er leervakken zijn, dat er ‘leervakken’ geleerd moeten worden, maar voor ons moet het helder zijn: in de mens van 7-14 jaar moeten op de juiste manier denken, voelen en willen ontwikkeld worden. Aardrijkskunde, rekenen, alles moet zo gebruikt worden, dat op een goede manier denken, voelen en willen ontwikkeld worden. Voor een bepaalde leeftijd is het bijv. vooral nodig zoiets als rekenen aan te leren. Daarvoor moet je twee, drie maanden de tijd nemen om dan ’s morgens het rekenen aan te leren. Geen urenrooster waarop alles door elkaar staat, maar een tijd lang rekenen – dan verdergaan. En dan de zaken zo organiseren dat ze ingaan op wat de natuur van de mens op een bepaald tijdstip nodig heeft. Wie denkt er vandaag-de-dag aan dat het urenrooster moord betekent voor een echte opvoeding van de mens?
GA 296/50-51
Niet vertaald*

0-0-0

Und auch so gehen wir vom Leben aus, daß wir zum Beispiel in den Lehrplan hinein nicht jene, von manchem so wohltätig emp­fundene Abwechslung bringen, daß jede Stunde etwas anderes ge­trieben wird, sondern wir treiben irgendeinen Gegenstand in den hauptsächlichsten Schulstunden so lange, bis ihn das Kind be­herrscht, bis das Kind drinnen ist in der Sache. Wir haben daher nicht den stundenmäßigen Lehrplan, sondern für die hauptsäch­lichsten Schulfächer haben wir einen Lehrplan, der etwa durch drei Monate bei dem Gleichen bleibt. Natürlich ist davon ausgeschlos­sen das Sprachenmäßige und so weiter.

.
En ook hier gaan we zo van het leven uit, dat wij bijv. in het leerplan niet zetten wat door sommigen als een weldadige afwisseling gezien wordt, dat er ieder uur wat anders wordt gedaan, maar wij behandelen een vak op de belangrijkste schooluren zo lang tot het kind het beheerst, tot het kind thuis is in het onderwerp. Daarom hebben wij geen urenlesrooster, maar voor de belangrijkste schoolvakken hebben we een leerplan dat wel een maand of drie [1] bij hetzelfde blijft. Natuurlijk vallen de talen enz.[2]. daarbuiten.
GA297/210
Niet vertaald*

0-0-0

Als ich meinen Weihnachtskurs hielt, da wurde dann in den Stunden, die einer Fragebeantwortung gewidmet waren, auch die Frage aufgeworfen, wie verhält es sich mit der Ermü­dung? Ich erwähnte, daß es durchaus im Sinne unserer Pädagogik liegt, nicht in der Weise die Aufmerksamkeit der Kinder zu zerstäuben, daß man in einer Stunde Religion, in der anderen Zoologie und dergleichen hat, sondern daß es darauf ankommt, den Unterricht möglichst so zu geben, daß die Aufmerksamkeit der Kinder konzentriert sein kann. Daher haben wir den Unterricht so, daß ein gewisses Gebiet durch Wochen hindurch getrieben wird, durch eine längere Schulzeit hindurch. Das ist ein Gesichtspunkt, der hervorgeholt wird aus der besonderen Erkenntnis der kindlichen Wesenheit.
.

Toen ik mijn kerstcursus [GA 303 – zie onder] gaf werd er in een vragenuurtje de vraag gesteld naar vermoeidheid. Ik gaf als antwoord dat het de bedoeling van onze pedagogie is de aandacht van de kinderen niet te verstrooien door dan een uurtje godsdienst, gevolgd door een uur biologie enz. te geven, maar dat het erop aankomt de lessen zo te geven dat de kinderen erop geconcentreerd kunnen zijn. Daarom hebben we de lessen zo dat een bepaald vak weken achtereen behandeld wordt, gedurende een langere schooltijd. Het is een gezichtspunt dat gelegen is in een bijzonder kennen van het wezen kind.
GA 298/140
Niet vertaald*

0-0-0

Ich muß dabei an dem einen Tag das mehr objektive Charakterisierende, am anderen Tag das Urteilende, Betrachtende darstellen, dann wirke ich dahin, daß sich die drei Glieder des dreigliedrigen Menschen tatsächlich in der richtigen Weise ineinander einfügen.Das sind solche Dinge, die Ihnen zeigen, was man eigentlich leisten kann, wenn man den gesamten Unterricht gliedert, wenn man ihn also wirklich den Lebensverhältnissen anpaßt. Das kann natürlich niemals anders richtig werden, als wenn der Lehrplan so gestaltet ist, wie er bei uns gestaltet ist, daß man wirklich eine längere Zeit hindurch denselben Gegenstand behandelt. Ich möchte wissen, wie man es machen sollte, wenn an einem Tag Physik ist in der ersten Stunde und am nächsten Tag Religion. . Natürlich ist es sehr schwierig, den gesamten Unterricht in dieser Weise zu gestalten, aber wenigstens nähern kann man sich einer solchen Gestaltung des Unterrichts.
.

De ene dag moet ik dus meer objectief-karakteriserend vertellen, de volgende dag oorde­lend-beschouwend. Dan werk ik ernaartoe dat de drie leden van de drieledige mens zich werkelijk goed in elkaar voegen. Dat zijn dingen die duidelijk maken wat je kunt bereiken als je in het totale onderwijs een geleding aanbrengt, dus als je het echt aanpast aan de levensomstandigheden. Dat kan uiteraard alleen op de juiste manier gebeuren als het leerplan zo is vormgegeven als dat bij ons het geval is, dat je eenzelfde onderwerp echt langere tijd behandelt. Ik zou wel eens willen weten hoe je dat voor elkaar moest krijgen als je de ene dag het eerste uur natuurkunde gaf en de volgende dag het eerste uur godsdienst. Ik zou wel eens willen weten hoe je dan rekening moest houden met dat wat er van de vorige dag is overgebleven.
Natuurlijk is het heel moeilijk het gehele onderwijs op deze manier in te richten. Maar je kunt zo’n inrichting van het onderwijs op z’n minst benaderen.
GA 302/49
vertaald/48

0-0-0

Zunächst kommt es ja darauf an, in dem Sinne zu unterrichten und zu erziehen, den ich den seelisch-ökonomischen nennen möchte. Heute, im gewöhnlichen Erziehungs- und Unterrichtswesen, zersplittert man den Unterricht sehr stark, und dadurch wirkt er nicht konzentriert ge­nug auf das heranwachsende Kind ein. Es handelt sich um folgendes. Nehmen Sie einmal an, man will irgend etwas in der Schule mit dem Kinde durchnehmen, das für das Kind dann einen bleibenden Besitz des Lebens bedeuten soll. [ ]
Es handelt sich darum, daß im Sinne des Waldorfschul-Gedankens der ganze Unterricht so veranlagt werde, daß in der möglichst kürze­sten Zeit möglichst viel mit den allereinfachsten Mitteln an die Kinder herangebracht werde, so daß dem Kinde nirgends die innere seelische, nicht einmal die verstandesmäßige, meine ich hier, sondern die innere seelische, empfindungsgemäße Überschau verlorengeht.
Sie begreifen, daß das gerade an die Lehrerschaft besondere An­forderungen stellt. Und ich habe zum Beispiel aus dem, was ich see­lisch-ökonomischen Unterricht nenne, die Überzeugung gewonnen, die ich dezidiert – sie ist ja vielleicht nicht immer so dezidiert realisiert -, die ich aber so dezidiert aussprechen möchte, daß ich sage: Will man in einer halben Stunde in der richtigen ökonomischen Weise, so daß das Kind keinen Schaden erleidet, irgend etwas an das Kind heranbringen, so braucht man dazu mindestens eine Vorbereitung als Lehrer von zwei bis drei Stunden, um das Ganze in einen solchen lebendigen inne­ren organischen Zusammenhang zu bringen, den man dann durch die Schultüre in die Klasse hineinzutragen hat. – Es stellt also an die Lehrerschaft  ein solches Erziehungsprinzip allerdings große Anforderun­gen. Aber diese großen Anforderungen werden von der Sache selbst ge­stellt, und sie müssen einfach, so gut es geht, befriedigt werden. [  ]
Dann beginnt der sogenannte Hauptunterricht, jener Hauptunter­richt, der ja nach den gewöhnlichen Lehrplänen vielfach zerschnitten ist. Gerade das seelisch-ökonomische Prinzip, auf das ich aufmerksam machte, macht nötig, wenn man es zu Ende denkt, daß man sich von dem, was man gewöhnlich Stundenplan nennt, gründlich abwendet. Im gewöhnlichen Sinne haben wir für den Hauptunterricht keinen Stundenplan, sondern das Kind wird, je nachdem ein Gebiet so oder so abgeschlossen werden kann, durch vier bis sechs Wochen in den er­sten zwei Stunden, zwischen denen eine Pause liegen kann, für die kleineren Kinder auch liegen muß, in seiner Klasse unterrichtet. Also vier bis sechs Wochen lang nimmt man ein geographisches Gebiet oder ein Rechengebiet durch. Sind diese vier bis sechs Wochen vorüber, dann wird ein anderes Gebiet begonnen, das wiederum seine entsprechende Zeit hat, das aber nicht fortwährend stundenplanmäßig von irgend etwas anderem durchbrochen wird.
So wird zeitraummäßig das Jahr hindurch dasjenige, was der Lehr­plan nach den entsprechenden Grundsätzen enthalten soll, an das Kind in seelisch-ökonomischer Weise herangebracht, so daß nicht große An­forderungen nach der Richtung hin gestellt werden, daß das Kind in irgendeinem Augenblick das Gefühl hat, es habe Mühe, mitzukommen. Dieses Gefühl soll es nie bekommen. Es soll das Innere des Unterrichtens so eingerichtet werden, daß das Kind nie das Gefühl hat, es bereite ihm Schwierigkeiten, vorwärtszukommen, sondern es soll immer die Sehnsucht haben, wirklich von dem einen zu dem anderen zu kom­men. Und niemals ist das Kind dadurch eigentlich versucht, etwas als abgebrochen zu betrachten, sondern überall ist Anschluß zu erreichen.

Es ist ja wiederum selbstverständlich, daß dann, wenn der Jahres­schluß vor den Ferien herannaht, in einer Art Rekapitulation alles das wiederum an die Seele des Kindes herangebracht wird – man kann das in einem hübschen Zusammenhang tun -, was in den verschiedenen Zeiträumen während des Jahres dem Kinde, wie man sagt, beigebracht worden ist.
Alles das also, was eigentlicher Hauptunterricht ist, fällt in diese Kategorie hinein. Und es wird immer darauf gesehen, daß in solchen vier bis sechs Wochen dem Kinde etwas Ganzes überliefert werden kann, was gerade deshalb, weil es ein Ganzes ist, ihm dann etwas gibt, was es ins Leben mitnimmt, wie es die Dinge ins Leben mitnehmen soll.
.

Allereerst gaat het erom les te geven en op te voeden op een manier die ik zielsmatig-economisch zou willen noemen. Tegenwoordig, in het gangbare opvoedings- en onderwijswezen, versplintert men het onderwijs zeer sterk en daardoor werkt het niet geconcentreerd genoeg op het opgroeiende kind. Het gaat om het volgende. Neemt u eens aan dat we op school iets met het kind willen doornemen wat voor het kind dan een blijvend bezit voor het leven moet betekenen. [ ]
Het gaat erom dat in de zin van de vrijeschoolgedachte het hele onderwijs zo wordt ingericht dat de kinderen in zo kort mogelijke tijd met de allereenvoudigste middelen zo veel mogelijk wordt bijgebracht, zodat voor het kind nergens het innerlijk, het psychische – ik bedoel hier niet het verstandelijke -, gevoelsmatige overzicht verloren gaat.
U begrijpt dat dit aan de leerkrachten bijzondere eisen stelt. En ik heb bijvoorbeeld door wat ik psychisch-economisch onderwijs noem, de volgende overtuiging verkregen die ik, ook al wordt dit niet altijd gedecideerd gerealiseerd, op de volgende gedecideerde manier zou willen uitspreken: wil je het kind in een half uur op de juiste economische wijze het een of ander bijbrengen, zonder het kind schade te berokke­nen, dan heb je daarvoor als leraar minstens een voorberei­ding nodig van twee tot drie uur, om het geheel in een leven­dige innerlijk organische samenhang te brengen. Die moet je dan mee de klas in nemen. — Zo’n opvoedingsprincipe stelt dus grote eisen aan het lerarencollege. Maar deze eisen zijn inherent aan de zaak zelf en daaraan moet gewoon zo goed als dat gaat voldaan worden. [  ]

Dan begint het zogenaamde hoofdonderwijs, het hoofdonderwijs of periodeonderwijs dat bij de meeste gewone leerplannen vaak versnipperd is. Juist het psychisch-economische principe, waarop ik gewezen heb, maakt het noodzake­lijk, als je het tot het uiterste doordenkt, dat je je volledig afwendt van wat men gewoonlijk het lesurenrooster noemt. In deze gebruikelijke zin hebben we voor het hoofdonderwijs geen urenrooster, maar afhankelijk van de tijd die er voor nodig is krijgt het kind gedurende vier tot zes weken in de eer­ste twee uur in zijn klas onderwijs. Daar kan een pauze tussen zitten. Voor het kleinere kind moet er een pauze worden inge­last. Dus vier tot zes weken lang behandel je het vak aardrijks­kunde, of rekenen. Zijn deze vier tot zes weken voorbij, dan wordt er met een andere periode, een ander vak begonnen, die ook weer zo lang duurt als nodig is en niet voortdurend, volgens een of ander rooster, door iets anders wordt onder­broken.
Zo wordt, qua tijd en ruimte, gedurende het hele jaar dat­gene wat het leerplan volgens de geldende uitgangspunten moet bevatten, op een zielsmatig-economische manier aan het kind gegeven. Dit alles op een zodanige manier dat niet zodanig hoge eisen aan het kind gesteld worden dat het op een bepaald moment het gevoel krijgt dat het moeite heeft om mee te kunnen komen. Dit gevoel mag het kind nooit krij­gen. Het interne aspect van het onderwijs wordt zo ingericht dat het kind nooit het gevoel heeft dat het hem moeite kost vooruit te komen, integendeel, het moet er altijd naar verlan­gen om echt van het een naar het ander te komen. En nooit is het kind daardoor geneigd om het bijltje erbij neer te gooien, maar overal is aansluiting te bereiken.
Het spreekt dan ook weer vanzelf dat wanneer de jaarafsluiting voor de vakantie nadert, in een soort herhaling alles weer voor de ziel van het kind geplaatst wordt wat in de ver­schillende perioden tijdens het jaar het kind, zoals men dat noemt, bijgebracht is. Je kunt dat op een mooie samenhan­gende manier doen. Alles wat het eigenlijke hoofdonderwijs is, periodeonderwijs is, valt in deze categorie. En er wordt altijd op toegezien dat in deze vier tot zes weken aan het kind een vak als een geheel kan worden overgebracht. Juist omdat het een geheel is, geeft het hem dan iets wat hij in het leven meeneemt, zoals dat bij de dingen in het leven gebeuren moet.
GA 303/139-141
Vertaald: 151-154

0-0-0

Man kann gewiß glauben, daß die Ausdehnung eines einzelnen Unter­richtsgegenstandes über eine längere Zeit gewisse Schattenseiten hat, und man kann ja auch nicht leugnen, daß es schwierig ist, während einer längeren Zeit die Aufmerksamkeit des Kindes auf einen Gegen­stand zu konzentrieren. [ ]

Dasjenige worauf in der Waldorfschule der größte Wert gelegt  werden muß, ist ja, in ökonomischer Weise, in seelisch-ökonomischer Weise zu unterrichten und zu erziehen. Und wenn man die Sache so einrichtet, daß man tatsächlich durch die ganze Zeit hindurch große Linien gehen läßt, sagen wir, indem man durch zwei Stunden etwas durchnimmt, große Linien gehen läßt, auf welche die Aufmerksamkeit, ohne zu ermüden, oder wenigstens ohne heftig zu ermüden, gerichtet werden kann, und man dann der Möglichkeit zu ermüden dadurch ent­gegenwirkt, daß man gewissermaßen dem Hauptthema dasjenige pa­rallel gehen läßt, was dieses Hauptthema variiert – all das wird ja für den richtigen Erzieher sich aus dem Gefühl ergeben -, dann erreicht man damit mehr, als wenn man den Unterricht nach einem anderen Gesichtspunkte hin einrichtet und die Vorteile dieses anderen Gesichtspunktes einheimst. [  ]

Und da wird man eben auch das noch sehen, daß man bei den kurzen, stundenplanmäßigen Behandlungen einzelner Gegenstände absolut nicht in der Lage ist, den Kindern etwas zu geben, was sich tief genug mit ihrer ganzen gei­stigen, seelischen und leiblichen Organisation verbindet.

Men kan zeker geloven dat de uitbreiding van een enkel onderwijsvak over een langere tijd bepaalde schaduwzijden heeft, en men kan ook niet ontkennen dat het moeilijk is gedurende een langere tijd de aandacht van het kind op één onderwerp te concentreren. [  ]
.

Dat waaraan in de vrijeschool de grootste waarde gehecht moet worden is immers om op economische wijze, op psychisch-economische wijze les te geven en op te voeden. Als je het onderwijs zo inricht rond grote lijnen, laten we zeggen, doordat je gedurende twee uren iets in grote lijnen doorneemt waarop de aandacht zonder te vermoeien, of ten minste zon­der al te erg te vermoeien, gericht kan worden, en als je dan de kans dat de kinderen vermoeid raken tegenwerkt door in zekere zin parallel aan het hoofdthema dingen te behandelen die op dit hoofdthema variëren — dit alles zal bij de goede opvoeder vanuit het gevoel ontstaan —, dan bereik je daarmee meer dan als je het onderwijs volgens een ander gezichtspunt inricht en de voordelen van dit andere gezichtspunt binnen­haalt. [ ]

Dan kom je er achter dat je bij de korte behandeling van de verschillende vakken door middel van een lesrooster absoluut niet in staat bent de kinderen iets te geven wat zich diep genoeg met hun hele geestelijke, psychische en lichamelijke organisatie ver­bindt.
GA 303/312-315
Vertaald: 347-349

0-0-0

Wenn man auf diese Weise Erziehungskunst ausüben will, hat man nötig, das Leben des Kindes konzentriert zu haben. Daher kann man nicht, wie es heute gebräuchlich ist, beim Unterrichte von acht bis neun Uhr Rechnen treiben, von neun bis zehn Geschichte, von zehn bis elf wieder etwas anderes, und so alles mögliche durcheinander. Sondern in der Waldorfschul-Pädagogik haben wir die Einrichtung getroffen, daß durch drei bis vier Wochen hindurch derselbe Gegenstand täglich von acht bis zehn Uhr an das Kind herangebracht wird, so daß es konzen­triert dabei bleibt. Daß das Aufgenommene später wieder vergessen wird, ist kein Einwand gegen diese Methode. Aber es wird damit gerade erreicht, daß das Seelische des Kindes in einer ganz besonderen Weise gefördert wird.
.

Wanneer je op deze manier opvoedkunst wil uitoefenen, gaat het in het leven van een kind om concentratie. Daarom kun je dan niet, zoals tegenwoordig  gebruikelijk is, bij het lesgeven van acht tot negen rekenen, van negen tot tien geschiedenis, van tien tot elf weer iets anders doen – al het mogelijke door elkaar. Maar in de vrijeschoolpedagogie hebben we het zo ingericht dat gedurende drie of vier weken hetzelfde vak dagelijks van acht tot tien met het kind behandeld wordt, zodat het er geconcentreerd bij kan blijven. Dat hetgeen wat opgenomen wordt, later weer vergeten wordt, vormt geen bezwaar tegen deze methode. Maar er wordt juist mee bereikt dat de ziel van het kind op een heel bijzondere manier ondersteund wordt.
GA304A/120-121
Niet vertaald*

0-0-0

Wir haben die Waldorfschule so eingerichtet, daß zunächst der Hauptunterricht am Morgen erteilt wird. Im Sommer etwas früher, im Winter etwa um 8 oder 8 1/4 Uhr beginnt der Hauptunterricht. Dieser Hauptunterricht hat die Eigentümlichkeit, daß für ihn das, was man gewöhnlich den Stundenplan nennt, abgeschafft ist. Stundenplan im gewöhnlichen Sinne haben wir nicht, sondern es wird eine Materie zu­nächst für diesen zweistündigen Vormittagsunterricht, der für die klei­neren Kinder noch einmal durch eine Pause unterbrochen wird, es wird eine Materie für diesen zweistündigen Vormittagsunterricht genommen, und die wird in vier oder sechs Wochen vollendet. Dann wird eine an­dere Materie vorgenommen. Das stellt sich dann so heraus, daß die Kinder nicht haben von 8 bis 9 Religion, von 9 bis 10 Naturgeschichte, von 10 bis 11 Rechnen – also immer in etwas anderes hineingeworfen werden, sondern sie haben zum Beispiel im Oktober vier Wochen Rech­nen, dann drei Wochen Naturgeschichte und so weiter. Dasjenige, was da etwa getadelt werden könnte, weil die Kinder vielleicht etwa vergessen würden, weil das aus dem Gedächtnis wie­derum entschwindet, was als eine zusammenhängende Materie durchgenommen worden ist, das muß ersetzt werden durch die Ökonomie des Unterrichts und die Tüchtigkeit der Lehrerschaft. Nur in den letz­ten Wochen eines Schuljahres werden die Materien wiederholt, so daß eine Art Zusammenfassung für das Schuljahr da ist. Dadurch wächst das Kind ganz mit irgendeiner Materie zusammen.

Eine Ausnahme damit muß gemacht werden für den Fremdsprachen-unterricht, der eigentlich bei uns ein Sprechunterricht ist.
.

We hebben de zaken op de Vrije School zo geregeld, dat in de eerste plaats het hoofdonderwijs [3] tijdens de ochtenduren gegeven wordt. Het hoofdonderwijs begint in de winter om acht uur, kwart over acht, en in de zomer iets eerder. Het is specifiek voor dit hoofdonderwijs, dat voor de uren dat dit gegeven wordt, hetgeen men gewoonlijk de rooster noemt, is afgeschaft. Een urenrooster in de gebruikelijke betekenis van het woord kennen wij niet, maar er wordt een bepaald stofgeheel gekozen om tijdens deze twee ochtenduren – bij de kleinere kinderen onderbroken door een pauze – te behandelen, en in vier tot zes weken af te ronden. Daarna wordt dan weer een ander stofgeheel bij de kop gevat. De kinderen krijgen dus niet van 8 tot 9 godsdienst, van 9 tot 10 biologie, van 10 tot 11 rekenen – en worden dus niet steeds weer plotseling met iets anders geconfronteerd, maar krijgen bijvoorbeeld in oktober vier weken rekenen, daarna drie weken biologie, enzovoort.
De aanmerkingen die daarop gemaakt zouden kunnen worden, dat de leerlingen wellicht het een en ander zouden kunnen vergeten, en dat wat als een samenhangend geheel van de leerstof is behandeld, weer uit het geheugen zou kunnen verdwijnen, dienen gecompenseerd te worden door een doelmatige inrichting van het onderwijs en de vakbekwaamheid van de leraren. Alleen in de laatste weken van het schooljaar wordt de stof herhaald, zodat een samenvatting van het schooljaar wordt gegeven. Daardoor vergroeit het kind met de geboden leerstof.
Een uitzondering moet daarbij gemaakt worden voor het onderwijs in de vreemde talen, wat bij ons eigenlijk spraakonderwijs is.
GA305/136
Vertaald:146

0-0-0

Nun, aus solchen Unterlagen ist auch dasjenige herausgebildet, was an unserer Waldorfschule der Epochenunterricht genannt wird. Dieser Epochenunterrlcht besteht darin, daß man das Kind nicht fort­während dadurch zerstreut, daß man von 8 bis 8 1/4 Uhr Geographie, von 8 3/4 bis ½ 10 Uhr etwas ganz Fremdes, vielleicht Latein, und nachher von ½ 10 bis ½ 11 Uhr meinetwillen Mathematik und Rech­nen gibt oder dergleichen; sondern daß man täglich den Hauptunter­richt so gestaltet, daß man – je nachdem, was eben notwendig ist für die einzelnen Fächer – in der ersten Tageszeit durch 3 bis 4 Wochen hindurch – die Zeit muß natürlich nach den Verhältnissen und dem Unterrichtsinhalt bestimmt werden – immer dasselbe treibt: also sa­gen wir durch 3 bis 4 Wochen durch eine Epoche hindurch, in einer notwendigen, wenn ich so sagen darf, nichts Zwangsmäßiges enthal­tenden, sondern seriös-legeren Weise – Geographieunterricht erteilt; in der nächsten Epoche wird dann ein Unterricht erteilt, der sich aus diesem Geographieunterricht heraus entwickelt usw.Man wird aller­dings finden, daß dieser Epochenunterricht – der so eingerichtet ist, daß also durchgegangen wird im Laufe des Jahres epochenweise das­jenige, was Lehrstoff sein soll in einer Klasse -, man empfindet, daß die Handhabung des Unterrichts und der Erziehung unter solchen Voraussetzungen etwas schwieriger ist als sonst; denn man wird  leichter als Lehrer langweilig, wenn man so lange hintereinander Geo­graphie zu lehren hat, als wenn man nur 2/4 Stunden hindurch Geo­graphie zu lehren hat. Und man muß auch ganz anders in der Sache drinnenstehen, wenn man in dieser Weise den Unterricht erteilen will.
.

Vanuit deze achtergronden komt ook wat we op de vrijeschool het periodeonderwijs noemen. Dit behelst dat we het kind niet voortdurend verstrooien – dat het van acht of kwart over acht aardrijkskunde krijgt; van kwart voor negen tot half tien iets heel anders, misschien Latijn en daarna van half tien tot half elf wat mij betreft wiskunde en rekenen o.i.d., maar dat je iedere dag het hoofdonderwijs [3] zo inricht dat je – al naar gelang wat nodig is voor de aparte vakken – op de eerste uren van de dag gedurende drie of vier weken lang – de tijd moet natuurlijk door de omstandigheden en de lesinhoud bepaald worden – steeds hetzelfde behandelt: dus laten we zeggen gedurende een periode van 3 of 4 weken niet iets waar dwang van uitgaat, maar op een serieus ongedwongen manier – aardrijkskunde; in de volgende periode zit dan het onderwijs dat uit de aardrijkskunde ontwikkeld is. Je zal zeer zeker ervaren dat dit periodeonderwijs – dat zo georganiseerd is dat je op deze manier in de loop van het jaar in perioden door de leerstof van dat schooljaar heengaat – je zal merken dat het hanteren van het lesgeven en opvoeden iets lastiger is dan anders; want je wordt als leraar makkelijker langdradig wanneer je zo lang achterelkaar aardrijkskunde moet aanleren, dan wanneer je maar een half uur aardrijkskunde moet geven. En je moet er ook anders in staan, wanneer je op deze manier les wil geven.
GA306/168-169
Niet vertaald*

0-0-0

Es ist in diesen Tagen einmal gefragt worden, ob es denn gut sei, den Unterricht epochenweise zu erteilen, so wie er in der Waldorfschule erteilt wird. Wenn er richtig erteilt wird, dann ist gerade das epochenweise Erteilen dasjenige, was am allerfruchtbarsten sich erweist. Epochenartiger Unterricht heißt: ich nehme nicht so, daß fortwährend eines das andere beeinträchtigt, etwa von acht bis neun Uhr Rechnen, von neun bis zehn Uhr Geschichte oder Religion oder irgend etwas, was gerade paßt, oder je nachdem der Lehrer in den Stundenplan hineinkommt; sondern ich setze mir drei, vier, fünf Wochen vor, in denen morgens durch zwei Stunden der Hauptunterricht in einem Fach erteilt wird. Es wird immer dasselbe getrieben. Dann wiederum durch fünf bis sechs Wochen im Hauptunterricht irgend etwas, das sich meinetwillen aus dem anderen entwickelt, aber wiederum in diesen zwei Stunden das gleiche. So daß durch Wochen hindurch das Kind auf etwas Bestimmtes konzentriert ist. Nun entstand die Frage, ob denn dadurch nicht zu viel vergessen werde, ob dadurch nicht die Kinder wiederum das alles aus der Seele herausbekommen, was man in sie hineingebracht hat? Wird aber der Unterricht in der richtigen Weise getrieben, dann arbeitet ja während der Zeit, in welcher ein anderer Gegenstand gegeben wird, der frühere Gegenstand in den unterbewußten Regionen fort. Man muß in einem solchen Epochenunterricht gerade mit dem rechnen, was unbewußt arbeitet; und es gibt nichts Fruchtbareres, als wenn man einen Unterricht, den man durch drei, vier Wochen erteilt hat, in seinen Konsequenzen ruhen läßt, damit er nun ohne Zutun des Menschen weiter im Menschen arbeitet. Dann wird man schon sehen: hat man richtig unterrichtet, und frischt gedächtnismäßig die Sache wieder auf, dann kommt es bei der nächsten Epoche, wo dasselbe Fach getrieben wird, in ganz anderer Weise wieder herauf, als wenn man es eben nicht richtig getrieben hat. Aber mit solchen Dingen rechnet man gar nicht, wenn man den Einwand macht: ob auch die Dinge so richtig getrieben werden, da die Dinge vergessen werden könnten! Der Mensch muß ja so viel mit dem Vergessen rechnen. Denken Sie nur, was wir nicht alles im Kopfe haben müßten, wenn wir nicht richtig vergessen könnten und das Vergessene wiederum heraufbringen könnten! Deshalb muß ein richtiger Unterricht nicht nur mit dem Unterricht, sondern auch mit dem Vergessen richtig rechnen.
.

Er werd dezer dagen een keer gevraagd of het goed zou zijn om het onderwijs in periodes te geven, zoals het op de vrijeschool wordt gedaan. Wanneer het op de juiste wijze gegeven wordt, dan blijkt juist het periodeonderwijs lesgeven het allervruchtbaarst te zijn. Onderwijs in periodes betekent: ik doe het niet zo dat voortdurend het een het ander bena­deelt, bijvoorbeeld van acht tot negen uur rekenen, van ne­gen tot tien uur geschiedenis of godsdienst of iets wat pre­cies gelegen komt, of al naar gelang de leraar in het rooster past; maar ik trek er drie, vier, vijf weken voor uit, waarin ’s morgens gedurende twee uur het hoofdonderwijs in een vak gegeven wordt. Er wordt steeds hetzelfde gedaan. Vervol­gens weer gedurende vijf tot zes weken in het hoofdonder­wijs iets wat voor mijn part uit het andere ontwikkelt, maar wederom in deze twee uur hetzelfde. Zodat wekenlang het kind op iets bepaalds geconcentreerd is.

Nu kwam de vraag op of daardoor niet teveel vergeten zou worden, of daardoor de kinderen dat alles niet weer uit hun ziel te voorschijn zouden krijgen wat er bij hen was in­gebracht. Maar als het onderwijs op de juiste wijze wordt uitgevoerd, dan werkt in de periode waarin een ander on­derwerp gegeven wordt, het eerdere onderwerp in de onder­bewuste regionen door. Je moet bij zo’n periodeonderwijs juist rekening houden met wat onbewust werkt. En er be­staat niets vruchtbaardere dan wanneer je het onderwijs, dat je over drie, vier weken verdeeld hebt, op zijn eigen manier laat bezinken, opdat het nu zonder toedoen van de mens verder in de mens werkt. Dan zul je wel zien: heb je goed lesgegeven, en fris je in het geheugen de zaak weer op, dan komt het bij de volgende periode waarin hetzelfde vak wordt gegeven, op een heel andere manier weer naar boven dan als je het niet goed hebt gedaan. Maar met zulke dingen houdt men helemaal geen rekening als men het bezwaar maakt: of de dingen ook zo op de juiste manier gedaan worden aange­zien ze vergeten zouden kunnen worden! Nietwaar, de mens moet zoveel met het vergeten rekening houden. Bedenkt u maar wat we allemaal niet in ons hoofd zouden moeten heb­ben als we niet goed konden vergeten en het vergetene weer naar boven konden brengen! Daarom moet een goed onder­wijs niet alleen met het onderwijs rekening houden, maar op de juiste manier ook met het vergeten.
GA307/185-186
Vertaald:138/139

0-0-0

Sie sehen, worauf es ankommt, ist dieses, daß man wirklich sachgemäß Woche für Woche, Monat für Monat den werdenden Menschen so in Betätigung versetzt, wie das die in ihm sich entwickelnden Kräfte der menschlichen Organisation verlangen. Es kommt also darauf an, daß man abliest aus der Art und Weise, wie sich die menschliche Wesenheit entwickeln will, was man in jedem Lebensalter mit dem Kinde zu machen hat. Da geht es dann allerdings nicht, daß man arbeitet mit jenen Stundenplänen, die irgendeine Betätigung durch eine Stunde oder dreiviertel Stunden einschlagen, dann sofort zu einer anderen überspringen, dann zur dritten und so weiter. Daher wurde in der Waldorfschule jener Unterricht eingeführt, der eine gewisse Zeit hindurch, ein paar Wochen hindurch für die ersten Morgenstunden den gleichen Lehrgegenstand bringt, so daß der Schüler sich ganz hineinlebt in diesen Lehrgegenstand, daß er wirklich nicht gleich, wenn er die Hand angelegt hat,wiederum herausgerissen wird. Ein sogenannter Epochenunterricht also ist die Art,die in der Waldorfschule geübt wird.
.  

Je ziet, waar het op aankomt is dit: dat je werkelijk ter zake week na week, maand na maand de wordende mens zo laat werken als de zich ontwikkelende  krachten in het menselijk organisme vragen. Het komt er dus op aan dat je afleest aan de manier waarop het mensenwezen zich ontwikkelen wil, wat je op iedere leeftijd met het kind moet doen. Dat gaat echt niet wanneer je met urenroosters werkt waarbij het een of andere activiteit betreft van een uur of drie kwartier; meteen daarna overgaand op wat anders, dan naar het derde enz. Vandaar dat op de vrijeschool dat onderwijs ingevoerd werd dat een bepaalde tijd  een paar weken lang gedurende de eerste morgenuren hetzelfde vak brengt, zodat de leerling zich helemaal kan inleven in dit onderwerp, dat hij daadwerkelijk niet meteen, wanneer hij er net een beetje mee bezig is, er weer vanaf gehaald wordt. Het zogenaamde periodeonderwijs is de manier waarop in de vrijeschool geoefend wordt.
GA308/60
Niet vertaald*

0-0-0

Wenn man erziehen will, muß man auch eine gewisse Ellenbogenfreiheit haben. Die hat man aber nicht, wenn in der gewöhnlichen Weise der schauderhafte Stundenplan in der Schule wirkt: von 8 bis 9 Religion, von 9 bis 10 Turnen, von 10 bis 11 Geschichte, von 11 bis 12 Rechnen. Da löscht alles Spätere wiederum das Frühere aus; man kann nichts machen, man verzweifelt als Lehrer, wenn man dann noch zu­rechtkommen soll. Deshalb haben wir in der Waldorfschule das, was man den Epochenunterricht nennen kann. Das Kind kommt in eine Klasse. Im Hauptunterricht ist es so, daß das Kind jeden Tag in den hauptsächlichsten Vormittagsstunden, von 8 bis 10 oder von 8 bis 11, mit entsprechenden kurzen Erholungspausen, einheitlichen Unterricht erhält. Da ist ein Lehrer in der Klasse, auch in den höheren Klassen. Da wechselt nicht stundenmäßig der Gegenstand des Unterrichtes, sondern man braucht für irgend etwas, was man durchnehmen will, zum Beispiel im Rechnen, sagen wir 4 Wochen. Dann wird jeden Tag von 8 bis 10 Uhr das betreffende Kapitel durchgenommen, und immer wieder wird am nächsten Tage an das angeknüpft, was am vorher­gehenden Tage war. Kein Späteres löscht da das Vorangegangene aus; Konzentration ist möglich. Wenn dann 4 Wochen verflossen sind und man ein Rechenkapitel genügend behandelt und abgeschlossen hat, beginnt man mit einem Kapitel Geschichte, das nun wiederum, je nach­dem man es braucht, durch 4 bis 5 Wochen durchgeführt wird, und so weiter. Da wird eben auf das Gegenteil von dem gesehen, was man Fachlehrersystem nennt. Sie können zum Beispiel, wenn Sie die Wal­dorfschule besuchen, unsern Dr. Baravalle einmal in einer Klasse fin­den, wo er gerade Darstellende Geometrie durchnimmt. Die Schüler sitzen vor ihm auf den Bänken, wo sie ihr Reißbrett ausgebreitet haben, er läßt sie zeichnen, er benimmt sich wie der musterhafteste Fachlehrer in der Geometrie. – Wenn man in eine andere Schule kommt, dann schaut man etwa den Professor- oder Lehrerschematismus nach und findet zum Beispiel bei einem die Bemerkung: Prüft in Geometrie oder Mathematik oder dergleichen. Ich habe sehr viele Lehrer gekannt, die damit renommierten, daß sie, wenn sie Mathematiklehrer waren, bei einem Schulausfluge den Kindern nicht einmal die Namen der Pflan­zen sagen konnten. – Aber der Vormittag ist noch nicht vergangen, da finden Sie denselben Dr. Baravalle, in seiner Klasse hin- und her­wandernd zwischen den Bänken, englischen Unterricht treiben. Und aus der Art und Weise, wie er hier in seinen Vorträgen Methodik treibt, ersehen Sie ja, da hat er von allem Möglichen geredet und man konnte nicht herausbekommen, in welchem Fache er eigentlich Lehrer ist. Einige von Ihnen werden geglaubt haben, er habe die Geographie als Lehrfach oder auch die Geometrie und dergleichen. Das Eigentliche, das Substantielle und Inhaltliche des Unterrichtens kann ja so schnell erworben werden, wenn man überhaupt die Anlage dafür hat, irgend­wo ins Erkennen hineinzukommen, etwas in der Seele erkennend er­leben zu können. So also haben wir nicht Stundenplan-, sondern Epochenunterricht. Natürlich nichts pedantisch. Es ist in unserer Wal­dorfschule der Hauptunterricht epochal gegliedert; manches muß na­türlich auch stundenplanmäßig gemacht werden, es schließt sich dann an den Hauptunterricht an.
.

Als je wilt opvoeden moet je ook een zekere vrijheid van handelen hebben. Maar die heb je niet als op school op de gebruikelijke manier dat verschrikkelijke lesrooster werkt: van 8 tot 9 uur godsdienst, van 9 tot 10 gymnastiek, van 10 tot 11 geschiedenis, van 11 tot 12 rekenen. Dan zal al het latere het eerdere weer uitwissen; je kunt niets doen als leraar, je wordt wanhopig als je toch nog iets voor elkaar wilt krijgen. Daarom hebben wij in de vrije school iets wat je het periodeonderwijs kunt noemen. Het kind komt in de klas. In het periode- of hoofdonder-wijs krijgt het kind elke dag gedurende de belangrijkste uren ’s ochtends, van 8 tot 10, of van 8 tot 11, les in één vak, met de nodige korte pauzes om te ontspannen. Er is dan één leraar in de klas, ook in de hogere klassen. Het vak wisselt niet ieder uur; nee, voor iets wat men wil behandelen, bijvoorbeeld voor rekenen, heb je laten we zeggen 4 weken. Elke dag van 8 tot 10 wordt dat betreffende onderwerp doorgenomen en de volgende dag wordt steeds weer aangeknoopt bij wat er de vorige dag aan de orde was. Het latere wist dan het voorafgegane niet uit; men heeft de mogelijkheid om zich te concentreren.
Als er vervolgens vier weken zijn verstreken en je een hoofdstuk uit het rekenen voldoende behandeld en afgesloten hebt, begin je met een hoofdstuk uit de geschiedenis, dat wederom, al naar gelang je nodig vindt, gedurende 4 tot 5 weken wordt gedaan, en zo verder.

Dan wordt juist gelet op het tegendeel van wat men het vakleerkracht-systeem noemt. Wanneer men de vrije school bezoekt, kan men bijvoorbeeld meneer Baravalle in een klas aantreffen waar hij op dat moment beschrijvende meetkunde behandelt.12 De leerlingen zitten vóór hem op hun stoelen, waarop ze hun tekenplank hebben liggen; hij laat ze tekenen, hij gedraagt zich als de meest voorbeeldige vakleerkracht meetkunde. – Als je op een andere school komt, dan bekijk je de lijst van leraren en vind je bijvoorbeeld bij één van hen de aantekening: bevoegd in wiskunde of meetkunde, of iets dergelijks. Ik heb heel veel leraren gekend die erover opschepten dat ze, wiskundeleraar zijnde, tijdens een schoolreisje de kinderen niet eens de namen van de planten konden vertellen. – Maar de ochtend is nog niet voorbij, of u ziet diezelfde meneer Baravalle in zijn eigen klas, heen en weer lopend tussen de banken, Engels   geven. Uit de manier waarop hij hier in zijn voordrachten metho­disch te werk ging, kon u het al merken: hij sprak over allerhande dingen en je kon er niet achter komen welk vak hij eigenlijk geeft. Enkelen onder u zullen hebben gedacht dat het vak dat hij geeft, aardrijkskunde, of meetkunde is, of iets dergelijks. Het eigenlijke, het substantiële en inhoudelijke van het lesgeven kun je je immers heel snel eigen maken als je er in het algemeen aanleg voor hebt om in een leerproces te komen, om iets in je ziel kennend te kunnen doorleven.

Zo hebben we dus geen onderwijs met een lesrooster, maar periodeonderwijs. Natuurlijk niet op een pietluttige manier. In onze vrije scholen is het hoofdonderwijs in perioden opgedeeld; natuurlijk moet er ook veel in vaklessen worden gedaan, dat sluit dan aan bij het hoofdonderwijs.
GA310/97-98
Vertaald:138-139

0-0-0

Was man braucht, um mit einem solchen innerlich zu gestaltenden Unterricht vorwärtszukommen, das ist – ja, ich muß es durch ein Ne­gatives ausdrücken -, das ist: kein Stundenplan! In der Waldorf­schule haben wir sogenannten Epochenunterricht, keinen Stunden­plan. Die Beschäftigung mit einem Gegenstande wird vier bis sechs Wochen fortgesetzt. Wir haben nicht von 8-9 Uhr Rechnen, von 9-10 Uhr Lesen, von 10-11 Uhr Schreiben, sondern wir nehmen eine Materie, mit der wir uns fortlaufend im Hauptunterricht beschäftigen,
Morgen für Morgen vier Wochen lang. Erst dann wech­seln wir, wenn die Kinder entsprechend weit gekommen sind. Wir wechseln niemals so ab, daß wir von 8-9 Uhr Rechnen und von 9-10 Uhr Lesen haben, sondern wir treiben Rechnen sechs Wochen lang für sich, wir treiben ein anderes Fach auch vier oder sechs Wochen lang für sich, je nachdem was es ist. Wir haben nur in einzelnen Fällen, von denen ich noch sprechen werde, Stundenpläne. In der Hauptsache, bei dem sogenannten Hauptunterricht haben wir strenge den Epochenunterricht eingeführt. Diese Epochen hindurch nehmen wir nur Gleichartiges, wie eines aus dem anderen hervorgeht. Dadurch entheben wir das Kind des ungeheuer innerlich seelisch Störenden, daß es in einer Stunde Dinge auf seine Seele wirken las­sen muß, die in der nächsten Stunde wieder ausgelöscht werden. Diese Dinge können nicht vermieden werden, wenn nicht dieser so­genannte Epochenunterricht eingeführt wird. Gewiß, es wird gegen diesen Epochenunterricht vielfach einge­wendet, daß die Kinder die Dinge wieder vergessen. Allein das ist ja eine Sache, die nur für einzelne Unterrichtsfächer, zum Beispiel für das Rechnen in Betracht kommt, und da kann man durch kleine Wiederholungen die Sache ausbessern. Für die meisten Unterrichts­fächer kann überhaupt dieses Vergessen keine große Rolle spielen, jedenfalls nicht im Verhältnis zu dem, was gewonnen wird, an Un­geheurem gewonnen wird dadurch, daß das Kind konzetitriert eine gewisse Epoche hin bei einer Materie festgehalten wird.
.

Wat je nodig hebt om met dit innerlijk vormende onderwijs verder te komen, dat is – ja, ik moet het door iets negatiefs uitdrukken – dat is: geen urenrooster! Op de vrijeschool hebben we het zgn. periodeonderwijs, geen urenrooster. Het bezigzijn met een leeronderwerp zal vier tot zes weken duren. Wij hebben niet van 8 – 10 rekenen, van 9 – 10 lezen, van 10 – 11 schrijven, maar we nemen de stof waarmee we ons doorlopend in het hoofdonderwijs bezighouden.
Iedere morgen vier weken lang. Pas daarna wordt er gewisseld, wanneer de kinderen dienovereenkomstig verder gekomen zijn. We wisselen nooit zo, dat we van 8 – 9 rekenen en van 9 – 10 lezen, maar we rekenen zes weken lang, we doen een ander vak ook vier of zes weken lang, al naar gelang wat het is. Slechts in een paar gevallen, waarover ik nog zal spreken, hebben we een urenrooster. Hoofdzakelijk, bij het zgn. hoofdonderwijs hebben we consequent het periodeonderwijs ingevoerd. Tijdens deze perioden doen we hetzelfde vak, het een komt uit het andere voortt.
Daardoor wordt het kind gevrijwaard van wat de ziel innerlijk vreselijk stoort, dat het een uur lang dingen op zich moet laten inwerken, die dan in het uur daarop weer  moeten verdwijnen. Dit kan niet worden vermeden, wanneer je niet dit zgn. periodeonderwijs invoert.
Zeker, tegen dit periodeonderwijs wordt misschien ingebracht dat de kinderen dingen weer vergeten. Dat is alleen iets wat maar opgaat voor bepaalde vakken, bv. voor rekenen en dan kun je dat door kleine herhalingen weer verbeteren. Voor de meeste vakken kan het vergeten echt niet zo’n grote rol spelen, tenminste niet in verhouding tot hetgeen er aan winst is, ongelooflijke winst doordat het kind geconcentreerd door een zekere tijd een bepaalde materie vasthoudt.
GA311/76-77
Vertaald op deze blog

0-0-0

Sollen die Gegenstände des Epochenunterrichts in einer bestimmten Reihenfolge genommen werden?

Das ist natürlich etwas, worüber viel diskutiert werden könnte, aber einen großen praktischen Wert würde das nicht haben. Es wird sich in den ersten Klassen ja um nicht viel anderes handeln, als daß man Epochen abwechseln läßt mehr für den Unterricht, der im Schreiben, dann beim allmählichen Übergang in das Lesen erteilt wird, dann Rechnen und weniges andere. Man wird finden, ob man die Dinge in der einen oder in der anderen Reihenfolge nimmt, daß es keine übergroße Bedeutung hat. So daß wir bisher wenigstens in unseren Erfahrungen nicht irgendwie Veranlassung genommen ha­ben, auf eine solche Reihenfolge besonders Rücksicht zu nehmen.

.
Moeten de onderwerpen van het periodeonderwijs in een bepaalde volgorde gegeven worden?

Dat is natuurlijk iets waarover je veel zou kunnen discussiëren, maar dat zou niet van grote praktische waarde zijn. Het zal in de eerste klassen om niet veel anders gaan dan dat je de perioden afwisselt voor het schrijven, dan voor het langzamerhand overgaan naar het lezen, dan rekenen en niet veel meer. Je zal ontdekken dat of je nu de dingen in de ene of in de andere volgorde doet, dat geen extra grote betekenis heeft. Zodat we tot nog toe, tenminste wat onze ervaringen betreft niet een of andere aanleiding gezien hebben om met een bepaalde volgorde rekening te houden.
GA311/143
Vertaald op deze blog

[1]  Aanvankelijk spreekt Steiner nog over ‘maanden’ wanneer het gaat over de tijdsduur van de periode. Later wordt het steeds meer 3 à 4 weken. Dat is het in de praktijk van de jaren daarna ook geworden.
In de pedagogische voordrachten brengt Steiner de periode niet in verband met het etherlijf.
In ander verband wordt duidelijk dat dit etherlijf ook ‘tijdslijf’ genoemd zou kunnen worden en de tijd waarin het etherljjf iets ‘leert’ is dan nauw verwant met de 4-wekenperiode. Dit thema is op deze blog (nog) niet behandeld.

[2] Niet alleen de andere talen vallen buiten de periode; ook bijv. handenarbeid, schilderen – kortom: de kunstzinnige vakken.

[3] ‘Hoofd’onderwijs is niet gelijk aan ‘intellectueel’ onderwijs en betekent simpelweg de 1e 2 uur van de dag; op de meeste scholen dus van 8.30u tot 10.30u.
.

een voorbeeld van een uitgewerkte periode: sterrenkunde klas 7

*eigen vertaling

Periodeonderwijs [1]   [2]

ver. van vrijescholen

steinerschool Gent

begeleidingsdienst voor vrijescholen

Artikelen in het blad Vrije Opvoedkunst
.

999-926

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Solon

.

Solon     638-559 v. Chr.

Solon

  De grote Atheense dichter en staatsman Solon. Hij wordt door velen nog steeds beschouwd als de ‘vader van de democratie’.
.
Solon was een Atheens dichter. Hij gebruikte zijn kunst om zijn politieke ideeën op de mensen over te brengen. In 594 v. Chr. werd hij gekozen tot archont, hoofd van de Atheense regering. Hij gaf de stoot tot het doorvoeren van hervormingen, die een einde maakten aan de macht van de aristocratie, aan de armoede en aan de onmenselijke wetgeving. Hij was de grondlegger van de Atheense democratie.
Solon was van adel en lid van de heersende klasse. Hij kwam aan de macht, toen Athene in grote moeilijkheden verkeerde. In alle delen van de samenleving heerste grote onrust en dit dreigde uit te groeien tot een revolutie. Veel boeren gingen gebukt onder zware schulden. Sommigen hadden zich garant gesteld voor leningen en werden slaaf, wanneer ze niet konden terugbetalen. De meeste boeren waren overigens ook niet veel meer dan lijfeigenen. Elk jaar moesten ze een deel van de opbrengst van hun land aan de rijke landheren afstaan om hun schulden te betalen. Die ruilden hun oogsten liever in vreemde landen voor luxe artikelen dan dat ze de groeiende stadsbevolking van voedsel voorzagen.

Solon nam een aantal dappere maatregelen. Daardoor werden de economische problemen van Athene in korte tijd opgelost. Hij schonk de vrijheid aan iedereen die door schuld slaaf was geworden. Hij gaf alle landerijen waarvoor huur betaald moest worden, terug en stelde het strafbaar een lening te sluiten met de vrijheid van de persoon als garantie. De uitvoer van alle voedsel werd verboden. Een uitzondering maakte hij voor olijfolie, waar een overvloed van was.

Het duurde heel wat langer om de politieke problemen op te lossen. Solon begon met het opstellen van een nieuwe grondwet. Daarin werd politieke macht niet verkregen door geboorte, maar bepaald aan de hand van de rijkdom. De bevolking werd verdeeld in vier groepen. Dit gebeurde naar de waarde van de producten die ze voortbrachten. Alle burgers kregen een bepaalde politieke invloed. De rijkste groepen behielden de grootste macht. Alle vrije burgers konden zitting nemen in de volksvergadering. Die vergadering nam wetten aan, koos ambtenaren en behandelde bezwaarschriften van de rechtbanken. Uit de drie hoogste groepen werd de Raad van Vierhonderd gekozen. Deze raad zorgde voor de voorbereidingen van het werk in de volksvergadering en maakte de agenda. Alleen de leden van de twee rijkste groepen konden tot archont worden gekozen of de hoogste ambten bekleden.

Vele nieuwe wetten controleerden de macht van de nieuwe regering. De oude wetten waren afgekondigd door de vroegere archont Draco. Die waren zo streng en onmenselijk, dat ze naar hem draconisch werden genoemd. Solon schafte vrijwel de hele door Draco ingevoerde wetgeving af. Er kwamen gematigde en menselijker wetten voor in de plaats. De wetten werden in houten tabletten gegraveerd en in het openbaar tentoongesteld. Iedere burger moest zweren, dat hij de wetten zou gehoorzamen en eerbiedigen.

Solon gebruikte gedichten om zijn hervormingen te verklaren en te rechtvaardigen. Dit had hij al gedaan om op veranderingen aan te dringen, voordat hij aan de macht kwam. Veel mensen in Athene waren echter niet tevreden over zijn menselijke benadering en zijn leer van de matiging. Boeren klaagden erover dat hij het land niet had herverdeeld. De adel was nog steeds verbolgen over de nieuwe grondwet, waardoor ze hun politieke macht moesten delen met gewone burgers. Solon besloot de Atheners de tijd te geven aan zijn hervormingen te wennen. Hij vertrok uit de stad en maakte gedurende tien jaar lange reizen. Bij zijn terugkeer trof hij een verdeeld volk aan, dat rijp leek voor de tirannie.
Na de dood van Solon begon er een periode van tirannie. De democratie werd echter vijftig jaar later, 510 v. Chr., hersteld. In de Gouden Eeuw van de Atheense democratie die daarna volgde, maakten Griekse filosofen ieder een lijst van de wijsgeren die hen het meest hadden beïnvloed. Solon stond op alle lijsten. Zelfs tegenwoordig wordt deze Atheense staatsman-dichter vaak de ‘vader van de democratie’ genoemd.
.
6e klas Griekse vaas
In het Athene van Solons tijd, werd vaak door middel van versieringen op huishoudelijke spullen een klein verhaal verteld. Op deze waterkruik staat de afbeelding van een olijfboom, die wordt geschud om de vruchten op de grond te laten vallen, waar ze door een hulpje worden opgeraapt.
.
vertelstof: alle biografieën
.
vertelstof: alle artikelen
998-925

.

VRIJESCHOOL – Kleuters: Ik, Jan Klaassen

Poppenkast, bij wie roept dit woord geen goede herinneringen op, wie denkt daarbij niet onmiddellijk aan Jan Klaassen, aan zijn Katrijntje, aan de meestal barse veldwachter, aan de duivel en aan de koning? Is poppenkast zonder Jan Klaassen niet ondenkbaar? Toch worden er hoe langer hoe meer poppenkastvoorstellingen gehouden waar Jan Klaassen niet meer op de speellijst verschijnt of hoogstens alleen maar gastheer is die het spel introduceert. Heeft Jan Klaassen zijn tijd gehad?
“Jan Klaassen en de poppenkast’ is een boekje voor ‘leken’, dat wil zeggen, het richt zich tot de beginnende speler en in de praktijk zal dat meestal een ouder zijn die voor zijn kinderen speelt. Impliciet heeft het de gezinssituatie voor ogen. In het eerste deel maken we kennis met Jan Klaassen en de figuren die bij hem horen. Hoe komt het dat hij zich zo’n eigen plaats veroverd heeft in het Nederlands taalgebied? Wat maakt hem zo herkenbaar en onvergetelijk? Wat vraagt hij van de speler die hem ter hand neemt, want niet ieder spel waar Jan Klaassen zijn neus laat zien, is daarom een echt Janklaassenspel. En wat schenkt hij de speler die hem waardig ter hand neemt? Is Jan Klaassen een opvoeder? Hij heeft er zelf geen weet van, maar de speler kan erachter komen mits hij er niet over spreekt. Want Jan Klaassen doet domme en dappere dingen en kan de kinderen laten lachen. Opvoeden, hij? Hij wordt zelf opgevoed, door Katrijn, door de veldwachter, door alles wat hem overkomt!
In het tweede deel zijn tien heel korte Jan-Klaassenspelletjes opgenomen, voornamelijk bedoeld als inspiratie tot het zelf verzinnen ervan. Het derde deel gaat uitvoerig in op het maken van poppen en poppenkast.
.
Een fantastische opvoeder
Op een avond ga ik naar Kraaybeek in Driebergen om een gesprek te hebben met mevrouw Weissenberg over dit boekje. Kraaybeek is een ‘buiten’, waar appartementen gebouwd zijn voor oudere mensen; de prachtige oude bomen zijn er omheen blijven staan.
Jan Klaassen heeft me in zijn ban en ik ben teveel volwassene om niet te vragen naar de eigenaar van de hand die hem tot leven brengt. Een grootmoeder doet open, ze zou kunnen lijken op Jan Klaassens grootmoeder, zoals ze die beschrijft in het boekje. Nergens een spoor van Jan Klaassen zelf, geen poppenkast, geen poppen. Wel levendige handen; duim, wijs- en middelvinger van de linkerhand voeren herhaaldelijk een onzichtbare Jan Klaassen ten tonele. Ik kijk dan naar die hand en niet naar haar gezicht.

Hoe hebt u Jan Klaassen ontmoet?
‘Dat is heel merkwaardig gegaan. Direct na de tweede wereldoorlog werd ik door het Engelse Rode Kruis verzocht – omdat ik verpleegster geweest ben – om naar Duitsland te gaan en de Duitse jeugd een beetje uiteen te zetten wat zich hier in Nederland eigenlijk afgespeeld heeft in de oorlog. Zodoende kwam ik in een grote jeugdherberg terecht en daar was een opleidingscursus voor poppenkast spelen aan de gang. Daar kon ik gratis aan meedoen, ’s Ochtends, ’s avonds, ’s middags, altijd hadden we poppenkast, en als we ’s avonds bij elkaar zaten, moest ik me van mijn plicht kwijten en over het Hollandse land vertellen.
Er was daar een groep, de Hohenheimers, die zich gespecialiseerd hadden in het Kasparlespel, dat is de Duitse Jan Klaassen.
.
Wie is Jan Klaassen eigenlijk?
‘Jan Klaassen, – nu ja, als je een rij poppetjes neerlegt en een kind, pakweg tussen vier en vijf jaar, vraagt: ‘Nou, wat wil je nu zijn?’ Tien tegen één zegt het kindje dan: ‘Ik ben Jan Klaassen’. En dat is zo. Jan Klaassen is dé mens, van vallen en opstaan. Katrijntje is de huisbakken kant, Jan Klaassen is de hupsakee kant. Samen vertegenwoordigen ze de mens: ‘zwei Seelen wohnen, ach, in meiner Brust, nietwaar?’

Jan Klaassen is ‘het Ik’ in de mens. ‘Wie heeft dat gedaan?’ vraagt de veldwachter, ’lk. Jan Klaassen’. Het is haast vanzelfsprekend dat

ieder volk daar zijn eigen versie van heeft.
De Duitse Kasparlefiguur is meer wat wij zouden noemen een brave Hendrik. Kasparle heeft geen Katrijn aan zijn zijde, hij heeft een kameraad. De Hollandse Jan Klaassen heeft meer iets Jan Steen-achtigs. Maar alle Europese volkeren hebben een Jan Klaassen. dat komt omdat Jan Klaassen de ik-ontwikkeling spiegelt.
Jan Klaassen is de enige pop die benen heeft, duidelijk zichtbaar met witte kuiten en zwarte schoenen. Hij is de mens ten voeten uit. De eigenschappen die we allemaal hebben, en die bij een kind nog zo onverbloemd naar buiten komen, laat hij argeloos zien. En de kinderen vinden het zalig. Ze zien zichzelf en daarom voelen ze zich zo verbonden met hem. Wat Jan Klaassen beleeft, zijn ook hun belevenissen en daarom is het heel belangrijk dat in een Jan Klaassenspel goed goed is en slecht slecht. Geen grijzige schakeringen; jonge kinderen hoeven niet zelf tot een juist oordeel te komen, zij moeten nog de kracht van hun oordeel ontwikkelen.
Jan Klaassen moet ook goed kunnen vechten. Als hij bijvoorbeeld met de draak vecht, dan is het heel belangrijk dat zoiets goed uitgespeeld wordt. Je moet er de tijd voor nemen zo, nu is de kop dood. Pats, en nu de buik. En nu de staart nog, ja, gelukt. Nu is hij helemaal dood. De fout van de televisie is dat het te vlug gaat. Een kind heeft tijd nodig. En herhalingen.
Doordat het kind zich zo met hem kan verbinden en van hem houdt, kan Jan Klaassen ook een fantastisch pedagoog zijn. Allerlei huiselijke problemen kunnen via hem opgelost worden. Als je bijvoorbeeld dat probleem van weglopen neemt, dat ieder kind wel heeft, dan kan dat tamelijk dramatisch gebracht worden, Jan Klaassen is weggelopen en komt terug met een groot verband om zijn hoofd. Hij is onder een auto gekomen. Het mag rustig een beetje bloederig zijn, want dat vinden ze heerlijk; het moet niet gruwelijk zijn, maar ook niet te kleinzerig. En dan wil Jan Klaassen het wéér en moet Katrijntje hem op het zeurderige af waarschuwen. Tenslotte kan aan het publiek gevraagd worden wanneer je dan wél kunt oversteken, en dan geven de kinderen het antwoord. Zo kan je enorm veel problemen oplossen’.
.
Geen gooi- en smijtfilmfiguur

Kinderen tussen vijf en acht jaar vinden het ook heerlijk om sprookjes te horen. Als een van de initiatiefneemsters tot het maken van een getrouwe en volledige vertaling van de sprookjesverzameling van de gebroeders Grimm, heeft mevrouw Weissenberg zeer geijverd voor een herwaardering van de volkssprookjes in de begeleiding van het jonge kind. Op vele vrijescholen en ook door sommige poppenspelgezelschappen worden sprookjes in de poppenkast opgevoerd.

.
Wat is het verschil in uitwerking tussen een sprookje of een Jan Klaassenspel in de poppenkast?
‘Sprookjes horen niet in de poppenkast thuis. Sprookjesbeelden zijn tweedimensionaal. Het zijn imaginatieve beelden van grote schoonheid. Je kunt het in de poppenkast nooit zo mooi maken als het in je voorstelling door het vertellen van het sprookje opgeroepen wordt. De beelden van het sprookje moeten tweedimensionaal blijven, anders boeten ze aan kracht in. Ze hebben een heel andere werking op het kind dan Jan Klaassen. Het Jan Klaassenspel is driedimensionaal. Zie je, als je de pop op je hand hebt, is het driedimensionaal hè?’

Ik zie het. Jan Klaassen staat, zoals de mens, driedimensionaal met zijn voeten op de aarde. De drie vingers die hem vasthouden kunnen in drie richtingen kleine bewegingen maken. Als je dan naar de uitwerking daarvan kinderen vraagt, dan moet je denken aan de heileuritmie (mevrouw Weissenberg is ook heileuritmiste geweest):
‘Als je bij verlamde mensen aan bed bent, dan maak je soms hele kleine euritmiebewegingen met je vingers, en dat heeft een enorme uitwerking op de wilskracht van de patiënt. De kleine bewegingen die Jan Klaassen kan maken – want je hebt nu eenmaal geen grotere vingers – dat zijn eigenlijk euritmiebewegingen. Een kind dat in de zaal zit en dat ziet, maakt deze zaak in het groot mee. Het verlengt om zo te zeggen de beweging iedere keer en dat activeert enorm. Waardoor je natuurlijk ook dat enorme tumult krijgt dat in zo’n zaal kan ontstaan. Dat is de activering van het wilsleven van het kind en deze wilsactiviteit moet een uitlaatklep vinden en dat is het vragen en antwoorden dat zo helemaal bij het Jan Klaassenspel hoort. Als je iets anders in de poppenkast brengt, dan wordt het kind wel geactiveerd, maar het krijgt geen gelegenheid om zich te uiten,het kind kan soms ook angstig worden als de spanning van het verhaal te groot is, zonder dat het zich handelend, vanuit de wil, teweer kan stellen. Je bent bang voor die dingen waar je niets aan dóen kan. Maar Jan Klaassen mag je helpen: ‘Pas op, achter je!’
Je kunt zelf meehelpen de dreiging af te wenden. Als het tumult al te groot wordt, ja, dan zwijgt Jan Klaassen eenvoudig tot de kinderen stil zijn. Eén hand op de lippen en misschien ook half afgewend, met zijn oor naar het publiek om het direct te kunnen horen als ze stil zijn.
.
Jan Klaassen speelt zijn spel, de kinderen spiegelen zich al lachend aan hem, maar wat wordt er van de speler gevraagd?
‘Enorm veel, een enorme tegenwoordigheid van geest en vooral ook humor. En wat is eigenlijk tegenwoordigheid van geest en humor? Dat zijn de kwaliteiten van het ik. Bij het kind wordt het ‘ik’ opgeroepen, maar degene die speelt moet ook honderd procent aanwezig zijn, anders is er niets aan, aan zo’n spel. Maar nu komt natuurlijk de inhoud, die staat om zo te zeggen daar tussen in. Ik heb niets tegen zomaar wat, maar het moet toch ook een beetje zinvol zijn, niet alleen maar kletsboem’.
Het spelterrein moet enigszins afgepaald worden, daarbinnen kan nog heel wat onverwachts gebeuren.
Al is in elke speelgoedwinkel wel een set Jan-Klaassenpoppen te koop en is ook de poppenkast een favoriet cadeau, toch wordt in weinig gezinnen het poppenkastspelen beschouwd als iets wat er net zo bij hoort als voorlezen. Een dergelijk pedagogisch hulpmiddel zou – trouwens ook als bron van plezier – wel degelijk zo’n plaats verdienen.
.
Mevrouw Weissenberg, hoopt u met uw boekje het Jan Klaassenspel in de gezinskul-tuur te introduceren?
‘Ja, ik heb jarenlang mijn tijd aan de sprookjes gegeven, maar daarnaast ook veel aan Jan Klaassen gedaan. Natuurlijk niet zo uitvoerig, omdat ik niet met een poppenkast rond kan trekken. Want al zijn de sprookjes in hun tweedimensionale schoonheid ongelooflijk en onovertroffen, de figuur van Jan Klaassen, driedimensionaal als hij is, spreekt hele andere zieleregionen van het kind aan, die in deze tijd veel te kort komen. Deze kwaliteiten moeten weer opgeroepen worden, maar dan wel op een manier dat het niet een gooi- en smijtfilmfiguur wordt. Het kind moet kunnen beleven: ik ben Jan Klaassen. Daarom heb ik mij op die spelletjes geconcentreerd (het tweede deel van het boekje, L.C.) en er af en toe ook wel in kleine kring over gesproken.
Hoe een Jan-Klaassenspel in de huiselijke sfeer tot stand kan komen, dat heb ik in het boekje beschreven. Je kunt haast om zo te zeggen over je arm heenspelen.’
En Jan Klaasen kijkt inderdaad over haar rechterarm heen. Niets lijkt gemakkelijker. Toch weet ik uit ervaring dat de drempelvrees groot is.
Mevrouw Weissenberg: ‘Je maakt het jezelf veel te moeilijk; het moet werkelijk zo eenvoudig mogelijk. Van de Hohenheimers heb ik geleerd dat je hoofdzakelijk met kleuren kunt werken. Als iets in de nacht speelt, neem je een donkerblauwe doek. Is het de hel? Zwart. Is het een koningsslot, nou dan kan je misschien een goudbrokaat ophangen. Meer is niet nodig. Het kind ziet alles. Die vrijheid moet je het kind ook laten. De activiteit van het aanvullen mag je het kind niet ontnemen, met zoveel tierelantijntjes en coulissen en zo. En als je echt iets erbij nodig hebt, een sleutel bijvoorbeeld, dan moet die levensgroot zijn, veel groter dan gewoon. Werkelijk een knoert van een sleutel.’
Behalve een drempel bestaat er ook een reëel onvermogen. Er is geen gewone ouder die een tweeweekse cursus poppenspelen gedaan heeft. Het is moeilijk langzaam en duidelijk te spreken – geen woord teveel en geen woord te weinig. Ze vertelt hoe ze in een
Jan Klaassenwerkgroepje de deelnemers de opdracht gaf zelf een spel te bedenken en hoe de meesten niet verder kwamen dan steeds maar weer een verse verjaardagstaart. Kan je het leren? En hoe dan?

‘Ja, ik kan alleen maar zeggen: dóen. Doe het. Het publiek waarvoor je begint is meestal tamelijk klein en als je je nu een paar van die dingen inprent: duidelijk, langzaam en gezellig – zelf moet je er ook plezier in hebben – dan leer je aan je eigen fouten. Een poppenkast heb je niet nodig. In de posten van een deur twee kleine spijkertjes, een stok, met aan de uiteinden een lusje er aangebonden, in de deuropening hangen, een doek erover en klaar is Kees. Van de Hohenheimers heb ik geleerd staande te spelen. Dan kan je met je poppen lopen en dansen. Fantasie moet je ook oefenen’.

Ze demonstreert me een gesprekje tussen haar linkerhand – Jan Klaassen – en een leeg theekopje dat op tafel staat.
Juist omdat van de speler de volle aanwezigheid gevraagd wordt – hoewel je in het duister achter de pop blijft – moet je je gezicht laten zien, dat is in het begin ‘eng’. In bestaande gespreksgroepen voor ouders zou best een half uur ingeruimd kunnen worden om zoiets samen te oefenen, als kunstzinnige activiteit en ook als sociale oefening.
Tot slot praten we over iets dat me, terwijl ik het boekje las, steeds sterker ging bezighouden.
Naast zich heeft Jan Klaassen zijn trouwe, zorgzame, al te zorgzame en soms zelfs kijverige Katrijntje. Er is de laatste jaren wel onderzoek gedaan naar het beeld van de vrouw en moeder, zoals zij in kinderboeken naar voren komt. Wat daarbij, in het licht van de emancipatie van de vrouw, aan de kaak werd gesteld, wordt voor een groot deel vertegenwoordigd door de pannenkoekbakkende Katrijn. Ik citeer het boekje, bladzijde 31: ‘Katrijn is het beeld voor de dagelijkse omgeving: altijd gedoe en gezeur, maar ja, je moet ermee leren leven; teleurstellingen en tegenslagen zijn er om sterker te worden, en niet om moedeloos het hoofd in de schoot te leggen’.
Het is geen geweldig beeld van het vrouwelijk wezen dat hier naar voren komt, al zou je kunnen verdedigen dat ze niet van emancipatoire trekken ontbloot is: als haar iets niet naar de zin is, zal ze het er niet bij laten zitten.
Mevrouw Weissenberg is een beetje verontwaardigd: ‘Kinderen zijn toch geen feministen. Kinderen zijn goddank nog normaal. Jan Klaassen en Katrijntje zijn samen de mens. Ze vertegenwoordigen twee facetten van de mens. Het is de ziel van de mens, die aan de ene kant enorm de daden kan verrichten en opschepperig kan zijn en Katrijntje is de andere kant in de mens die meer de huisbakken kant is, dat wil zeggen alles wat ons meer of minder aan het dagelijkse bindt. Wie heeft die vuile poten op mijn mooi gepoetste zeil gezet? We hebben allemaal beide kanten in ons, maar in zo’n spel moet je die zaak een beetje uit elkaar leggen. Dat is ook het amusante van het spel. Jan Klaassen moppert trouwens ook: ‘God, wat is ze vervelend’. Jan Klaassen is de actieve kant, Katrijntje meer de passieve kant. Dat hoeft niet direct een waardering in te houden. Jan Klaassens activiteit brengt hem ook iedere keer in twijfelachtige situaties, terwijl Katrijntje iedere keer de trouw opbrengt om het dagelijkse te onderhouden. Ieder mens heeft beide kanten in zich en al wordt het in het spel uit elkaar gelegd, het kind beleeft beide figuren als een zieleneenheid. Het is de volwassene die de polariteit niet meer als eenheid ervaart. Jan Klaassen en Katrijntje samen zijn de mens, één mens. Het kind beleeft zichzelf daarin.
Alles bij elkaar maakt, dat je met een zekere lach en een klein beetje schaamtegevoel naar het spel kijkt. Die innerlijke, iets verlegen lach, dat is zo ongelooflijk gezond.’
.
Lili Chavannes, Jonas 5 sept.1980

.
Jan Klaassen en de poppenkast’, geschreven door mevrouw A. Weissenberg-Seebohm, C. Taudin-Chabot en Christja Mees-Henny.
Uitgeverij Christofoor

.

Ook:
.
.
997-924

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (20)

 Carnaval 1

.

Agge mar leut et

Carnaval, zo leert de grote Van Dale ons, is ’de drie dagen die aan de Vasten, dus aan Aswoensdag voorafgaan, inzonderheid de laatste dag daarvoor (Vastenavond) waarop velerlei feestelijkheden, meestal met vermommingen gepaard, in de R.-K. streken plaats hebben; ook die feestviering zelf.’
Het kan bijna niet droger, deze definitie van een van onze uitbundigste folkloristische feesten: een feest van dolle pretmakerij, verkleedpartijen, bals, allerlei evenementen en veel eten en minstens zoveel drinken.
De carnavalsviering bereikt ieder jaar in februari in Noord-Brabant en Limburg haar hoogtepunt, al weet men ook boven de grote rivieren wat carnaval is; maar het blijft daar meer een besloten en wat gezapige aangelegenheid in vergelijking met de ongeremde feestvreugde in het zuiden van ons land. In voorbije tijden was het wel anders maar de reformatie gooide roet in het eten.
‘Ja, vele mans trecken dan niet alleen vrouwecleederen, ende vrouwen manscleederen aen, maer mismaecken hun verder met momaensichten ende hebben harpen, psalten, tamborijnen, luyten, cyters, vedelen, duytsche fluyten, pijpen, ende wijn in haeren welleven, ende sien niet op dat werc des Heeren ende hebben gheen acht op het geschapen sijner handen’
mopperde Caspar Coolhaes in de in 1606 verschenen Comptoir Almanach.
Twee jaar daarvoor verwonderde Walich Sieuwertsz zich erover dat mensen aan deze uitbundigheid meededen ‘die, welcke haer ghereformeert noemen ende daer voor aenghesien willen sijn.’

Toch wilde de overheid juist voor carnaval ook wel wat door de vingers zien. Een oude keur uit Alkmaar vermeldt in ieder geval: ‘Voort en moet men gheen spel spelen met taerlinge om geldt, uitgeseyt drie dagen op den Vastelavondt.’

Langzaam maar zeker werd de carnavalsviering teruggedrongen, maar het feest bleef bestaan en keerde terug en dan nog veel grootser, nog veel uitbundiger. En waarom ook niet? ‘Een jaar lang’ zo verdedigde de godsdiensthistoricus prof. dr. Th. P. van Baaren in 1969 carnaval in een artikel in de N.R.C., ‘hebben wij in het gareel gelopen: wij hebben belasting betaald en onze munten aan de parkeermeters geofferd, wij hebben geen mini-meisjes gemolesteerd en geen van onze collega’s een bloedneus geslagen, maar een mens is ook slechts een wezen van vlees en bloed, en het bloed, zoals een Oudhollands spreekwoord zegt, kruipt waar het niet gaan kan. Dus gaan we carnaval vieren. Maar zouden wij het hele jaar carnaval willen hebben? Alstublieft niet! In wezen hebben wij geen hoger ideaal dan te leven in een geordende wereld, een wereld die, althans in geest en hoofdzaak, berekenbaar en voorspelbaar is.

Dit kunnen wij leren uit de godsdienstwetenschap en de cultuurpsychologie.’ Hij vervolgt dan: ‘Er kan een moment komen waarop de mensen het gevoel hebben, dat zij deze orde moeten verbreken, het koste wat het kost (Wie zal dat betalen, zoete lieve Gerritje?), willen zij er niet in verstikken. Wanneer nu iedereen individueel en op elk willekeurig moment aan zulke impulsen gehoor gaf, dan zou een geordende maatschappij weldra onmogelijk worden. Daarom hebben de meeste culturen een ventiel geschapen, een uitlaatklep, waardoor de mensen in de gelegenheid gesteld worden op periodieke tijden stoom af te blazen. Een dergelijke uitlaatklep is in het zuiden van ons land het carnaval. Wanneer men een masker opzet en joelend en zingend door de straten host, dan is men geen ambtenaar of winkeljuffrouw meer, zelfs geen huisvader of huisvrouw, maar men is- een ander mens geworden, een ander die, zolang het feest duurt, zich vrij kan voelen van al die dingen die hem gedurende de rest van het jaar belemmeren en binden.’

Ook anderen kunnen het mooi zeggen. Tilburgs burgemeester mr C. J. G. Becht beschreef het als carnavalsprins Nillis I in 1955 als volgt: ‘Ja, carnaval is meer dan een gemaskerd bal, meer dan een hos- en ’dweilavond’, anders dan een bacchanaal. Carnaval is het volksfeest bij uitnemendheid. Het feest waarin de volksgeest zich in zijn zuiverste of veelzijdigste vorm kan uiten. Het feest, waarin we onszelf ontdekken of terugvinden, om daarna ons alleen-zijn te verliezen in het allen-een-zijn. Tracht uw beste zelf te vinden? Laat u niet leven! Leef!! Hoe? Geef. Wat? Iets van uzelf. Aan wie? Aan mensen om u heen, die minder met levensvreugde bedeeld zijn dan gij. Maar grijp dieper dan uw portefeuille. Grijp in uw hart. Geef van uzelf. Geef uw vreugde, uw lachen, uw hartelijkheid. Wees vrij, wees mens, en maak gelukkig. Dan zijt ge op de goede weg. Dan viert ge op uw manier het feest van

de dankbaarheid om het leven zelf. Agge mar leut et.’
Een belangrijke figuur bij carnaval is prins Carnaval die bijgestaan door zijn raad van elf ervoor zorgt dat overal de feestvreugde op gang komt. Die prinsen dragen uitzonderlijke namen, zijn fraai uitgedost, spelen drie dagen lang de baas. Iedere stad die zich een beetje respecteert, zorgt voor zijn eigen prins Carnaval.
Tussen de bonte avonden en de optochten heeft Steyl in de gemeente Tegelen om de twee jaar een bijzonder evenement. Daar wordt een ‘kaetelgerich‘ gehouden, een volksgericht onder aanvoering van de duivelse vorst Lucifer, waarin de humor de boventoon voert, ook al schroomt men het niet maatschappelijke en persoonlijke kritiek te geven. Het is een zeldzame carnavalstraditie die plaats vindt op carnavalsdinsdag.
Bij feest hoort lawaai en muziek, leder jaar heeft men zijn carnavalschlager. Liedjesdichters, componisten, platenmaatschappijen vechten om het hardst om voor de hit van het jaar te zorgen. Het gaat allemaal om de leut. Dat hebben zeker de kinderen op hun geweten die in deze vastenavondtijd met foekepot of rommelpot rondtrekken. Zo’n rommelpot is een blikje of potje, waarop een varkensblaas is gespannen. Een riet wordt met een knoop aan het einde tegen de blaas gestoken, wanneer die nog nat is. De varkensblaas wordt dan met een touw stevig om de knoop van het rietje gebonden en bij de kachel gespannen en gedroogd. Door het rietje, zo vertelt de deskundige beschrijving, op en neer te bewegen en door er met een wat vochtig gemaakte hand steeds langs te blijven strijken, krijgt men muziek ter begeleiding van de liedjes die gezongen worden, waarmee om lekkernijen of centen wordt gebedeld. Een heel oude gewoonte.
Bredero vertelde er in 1617 al over in zijn Moortje.
.
‘Ja wel, het is te mal, de geck is seecker sot,
Hier schort niet dan een blaas, of so een rommel-pot,
Om voor de luyer deur te rasen en te singhen,
De neske-deurtjes met de kinderlycke dinghen.
Als: gheeft my een Panckkoeck uyt de pan, Ho, man ho!
De Vastelavondt die komt an, So, mijn Heer, also!’
.
Die pannenkoeken horen er op Vastenavond echt wel bij, een uitgezochte lekkernij voor deze tijd. Ook meer moderne liedjes vertellen erover.
.
’Vrouwke, ’t is vastenavond
We komen niet thuis voor ’tavond
’tAvond in de maneschijn
Als vader en moeder naar bed toe zijn
Dan gaan we naar de Fransen
Daar laten we ons potje dansen
Hier ’ne stoel en daar ‘ne stoel
Op elke stoel ’n kussen.
Vrouwke, houdt Uw kinnebak toe
Of ik gooi er ’n pannenkoek tussen.
Tussen uw neus en tussen uw kin
kan nog hendig ’n pannenkoek in.’
.
Naast de pannenkoek is in vele plaatsen het worstenbrood nog een symbool van de Vastenavond. Er zijn nog steeds bakkers die op de hoorn blazen als het worstenbrood gebakken is. Het is per slot van rekening carnaval en dan moet, met de vasten voor de deur, het vlees vaarwel gezegd worden. Het worstenbrood smaakt dus extra best. Over worsten weet men in Boxmeer in het bijzonder mee te praten. Daar organiseert men op maandag voor Aswoensdag het metworstrennen. Een traditie van eeuwen geleden, toen een freule hier met koets en al te water raakte en gered werd door Boxmeerse jongens. De freule stelde een fraaie prijs in, namelijk een wedren om een metworst, die de jaarlijkse beloning moet zijn voor de edelmoedige daad van de Boxmeerse jongelingen aan bovengenoemde dame bewezen. De wedstrijd wordt te paard gehouden en wie als eerste de eindstreep passeert is de koning van de dag, de metworstkoning. Alleen ongehuwde jongelui, geboren en getogen in Boxmeer mogen aan dit koningsrennen deelnemen. De prijs is nog altijd een vele ellen lange metworst met een ton bier, brood en een halve varkenskop.
.
Shell Journaal van Nederlandse folklore 1972
carnaval: alle artikelen
.

Carnaval 2

.

996-923

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (11) worden/zijn

.

Worden / zijn

Evenwichtig gebruik maken van tegengestelde processen

De grote zaal van De Doelen in Rotterdam is nog niet half gevuld als het koor haar jaarlijkse uitvoering van de Johannes Passion van J.S. Bach geeft. Dat is jammer, en niet alleen omdat het een goede uitvoering is. Hoewel ik zelf vaak in de Johannes Passion heb meegezongen, valt het me iedere keer als ik ernaar luister op, dat je er steeds andere dingen aan kunt beleven. Ook merk je dat het beleven van de Passionsmuziek heel stimulerend op je gedachteleven inwerkt. Heel merkwaardig, maar misschien niet onbegrijpelijk, is dat de ‘Johannes’ het wat de belangstelling van het publiek betreft altijd moet afleggen tegen de ‘Mattheüs’, die steeds volle zalen blijft trekken.
Wanneer je beide versies van het passieverhaal naast elkaar beluistert, valt het op dat de Mattheüspassion ten opzichte van de Johannespassion iets extraverts heeft. Zij spreekt sterk het gevoel voor dramatiek aan, is meer breedsprakig in soli en koren en beschrijvend, beeldvormend van karakter. In de Johannes Passion is de beschrijving minder af. De nadruk ligt veel meer op het oproepen van een innerlijke beleving van het gebeuren voor en rond Golgotha. De toehoorder wordt ertoe aangezet om iets te doen met datgene wat door de lijdensgeschiedenis bereikt is, niet alleen nu, maar ook in de toekomst. Het verschil tussen de Johannes en de Mattheüs drukt zich misschien het beste uit in het verschil tussen ‘worden’ en ‘zijn’ (of ‘geworden’). In de Johannes wordt een mens in beweging gebracht, aangezet tot het beleven van een gebeurtenis die in de Mattheüs als een duidelijk uitgekristalliseerd beeld aanwezig is. Hiermee wil beslist geen waarde-oordeel uitgesproken zijn, het gaat veel meer om het karakteriseren van de stemming die beide Passionen beheerst.
.
Tegengestelde tendensen

Niet alleen in Bachs passiemuziek kun je de tegenstelling beleven tussen ‘worden’ en ‘zijn’. Al het leven wordt door die tegenstelling beheerst. In het functioneren van het levende lichaam, de fysiologie, herken je steeds de twee tegengestelde krachten: de een die in beweging brengt, oplost, vernieuwd (wordend) en de andere die vormt, tot stilstand brengt, kristalliseert (de gewordene). Elk lichaamsproces is een samenspel van oplossende, in beweging brengende, toekomstige krachten die ruimte maken voor iets nieuws, en de stollende, vastleggende en gestaltevormende krachten die het resultaat bevestigen. Het menselijk lichaam is voortdurend ‘worden’ in de stofwisseling, in de groei en in het bewegen. De gestalte, de holten, het uitgevormde zenuwstelsel en de hersenen geven uitdrukking aan het ‘zijnde’ in de mens. Zij zijn een tot stilstand gekomen groeiproces.

Het beschrijven van deze tegenstelling zou de suggestie kunnen wekken dat het lichaam een soort slagveld is tussen deze krachten. Dat is niet zo. Je beleeft jezelf niet als een strijdtoneel, maar als een harmonisch functionerend wezen. In de mens is kennelijk iets aanwezig, dat die tegengestelde krachten harmonisch laat samenwerken. De uit de buitenwereld opnemende, inademende beweging van de zintuigen – uitdrukking van het geworden lichaam – en de in de buitenwereld creatief ingrijpende, uitademende beweging van de stofwisselingsorganen – dragers van het wordende in het lichaam – die uit het vernietigde voedsel van buiten het lichaam nieuwe eigen lichaamssubstantie opbouwen en het door middel van de bloedsomloop aan het hele lichaam ten goede laten komen, worden samengevat in een harmonisch geheel, een ritme.
Ritme ontstaat altijd wanneer twee tegengestelde polen afwisselend met elkaar in evenwicht aan bod komen. In het lichaam drukt dat vermogen tot evenwicht, harmonie, ritme zich uit in het hart en de longen, ritmische organen bij uitstek. Hart en longen maken voortdurend in- en uitademende bewegingen, lucht en bloed opnemend en afgevend. Je blijft als mens gezond zolang je in staat bent tot harmonisering van die tegengestelde tendensen en niet beheerst wordt door een van beide krachten. Het steeds weer bereiken van evenwicht stelt je in staat als vrij mens te handelen, te ‘spelen’ met de polaire tendensen en er zo het midden tussen te vinden.

Om dit aanschouwelijk te maken, moet je proberen je voor te stellen wat er zou gebeuren als je alleen maar zou inademen. Het lichaam zou zo rond worden als een ballon en uiteindelijk uit elkaar barsten. Een zeer veel voorkomend ziektebeeld dat deze situatie benadert, is de zogenaamde hyperventilatie. Hierbij geeft de mens zich te veel over aan de indrukken van de buitenwereld en kan die emotioneel niet verwerken. Deze toestand uit zich bij de patiënt onder andere in het voortdurend willen inademen. Hij heeft het gevoel te zullen stikken en haalt daarom nog dieper adem, waardoor hij zich zelf (door een steeds ongunstiger verhouding tussen de koolzuur- en zuurstofconcentratie in het bloed) nog benauwder maakt. Daar naast ontstaat ook een krampend, tintelend gevoel in de handen, zodat een vuist ontstaat die in zijn samengebalde, ronde vorm aan de schedel – zetel van zintuigen en hersenen -doet denken. Een psychisch overgeleverd zijn aan de buitenwereld spiegelt zich in een lichamelijk uit balans zijn. De hyperventilatiepatiënt is psychisch en lichamelijk aan de uitademing overgeleverd. Dat verhindert hem om vrijuit – in- en uitademend – te leven, in harmonie met zichzelf.
.

Tussen ‘worden’ en ‘zijn’
Bij het ademhalen gaat het niet alleen om het in- en uitademen, maar juist om dat ene momentje ertussen! Daar ben je vrij mens, niet meegesleept door een van de tegengestelde krachtstromen. Dat ondeelbaar moment tussen ‘worden’ en ‘zijn’ geeft je gelegenheid tot eigen oordeelsvorming, bezinning, zelfbewustzijn. Om te functioneren in het leven heb je het vermogen tot in- en uitademen nodig, maar het is even noodzakelijk ervoor te zorgen dat je niet de slaaf wordt van een van beide krachten. Hoe evenwichtiger je gebruik maakt van de tegengestelde processen in lichamelijk en psychisch functioneren, des te minder loop je het gevaar in je handelen en denken eenzijdig gericht te zijn.

Ziekte is zo niet het toevoegen van iets ongunstigs (bacterie, virus of gifstof) aan het lichaam, maar het ontbreken van het meest essentiële in het leven, namelijk het vermogen tot het vinden van een midden, een evenwicht. In de vaatverkalking word je beheerst door een verstarringstendens; in de koorts ben je uitgeleverd aan oplossende stofwisselingskrachten. Als je ziek bent, ben je uit het lood geslagen. Een nieuw herwonnen evenwicht maakt je weer vrij mens. Gezondheid, evenwicht en vrijheid zijn in deze zin synoniem.

Niet alleen in het lichaam wordt de vrijheid van het creatieve midden voortdurend belaagd en op de proef gesteld. Ook maatschappelijk gezien wordt een strijd om de vrijheid steeds meer zichtbaar. Dat klinkt vaag, maar het wordt al heel wat minder vaag als je je bijvoorbeeld verdiept in de Wet op het Basisonderwijs.

De kern van het probleem is, kort samengevat, dat de wet een miskenning inhoudt van het feit dat de mens een zich ontwikkelend wezen is, dat in zijn leven verschillende fasen doormaakt. Al die fasen brengen hun eigen opdracht, kenmerk en karakter met zich mee. Elke fase is ook de basis waarop de mens de volgende kan doormaken. In de kleutertijd is het kind bezig zijn lichaam te vormen en zich zo voor te bereiden op het aardebestaan. Pas als de lichaamsvorming een bepaald eindpunt heeft bereikt, krijgt het kind ‘energie’ tot zijn beschikking om aan zijn intellectuele ontwikkeling te werken en te leren denken.

De nieuwe wet gaat er vanuit dat hoe eerder je leert denken, des te gemakkelijker je dat later afgaat. Hoe sneller je tot leren in staat bent, hoe meer je ook kunt leren en hoe nuttiger je voor de samenleving bent. Er is geen benul van het eigene van de ontwikkeling van het kleine kind. De mens wordt als kleine volwassene geboren en het is de taak van de school daar zo snel mogelijk een grote volwassene van te maken.

Zo’n wet komt overigens niet uit de lucht vallen. Allerlei geledingen van de maatschappij zijn doortrokken van een tendens om de menselijke verrichtingen op lichamelijk, psychisch en geestelijk gebied verregaand beheersbaar te maken.
Denk bijvoorbeeld (op medisch gebied) eens aan het toenemend aantal ziektes waartegen je kunt (moet) worden ingeënt, aan het ontmoedigen van aanstaande moeders om thuis te bevallen en aan het groeiende aantal bevolkingsonderzoeken. Het menselijk leven is iets engs geworden; er kan van alles misgaan. Door al deze zorgen word je echter steeds met je neus op het feit gedrukt dat je een lichaam hebt, sterker nog, dat je een lichaam bent. Datgene wat het meest ‘geworden’ is aan een mens – zijn lichaam – is mede door de wetenschappelijk-materialistische benadering van dat wat we menselijk leven noemen, zo allesoverheersend aanwezig in ons denken, dat gaandeweg alle uitingen van het menselijk bestaan – ook de emotioneel-psychische – vanuit het ‘geworden’ lichamelijke worden bekeken.

Wat betreft de substanties waaruit ons lichaam is opgebouwd, hebben wij ook niets unieks. Alle botten van mensen zijn uit dezelfde kalk opgebouwd. Dat geldt echter niet voor datgene wat je met die botten doet, waarvoor je ze gebruikt, namelijk je bestaan op aarde mogelijk maken op een heel persoonlijke manier. Er is echter voor dat persoonlijk omgaan met het lichaam, de emoties, ervaringen en belevenissen – dat geheel waar je ‘ik’ of ‘van mij’ tegen zegt – vanuit de wetenschap geen formule beschikbaar die dat persoonlijke kan veralgemeniseren. Het ik iets dat niet bestudeerd kan worden als de kalk uit je botten. Daardoor valt het individuele weg uit het beeld dat de wetenschap geeft van de mens. Voor het individuele is het gedrag in de plaats gekomen, dat wat je aan de buitenkant, aan het zich gedragende lijf kunt zien. Voor datgene wat steeds vernieuwend is – belevenissen, ervaringen, emoties – daar waar een mens steeds wordt, is nog maar een bijrol gereserveerd. Het psychisch-geestelijke, zich uitdrukkend in de biografie, wordt zo langzamerhand als een gevolg van het lichamelijk functioneren beschouwd.
.
Anti-autoritair*
Je kunt je zorgen maken over zulke ontwikkelingen, en terecht. Maar daar kom je niet veel verder mee. Dat ons denken op boven beschreven wijze functioneert, is een constatering en de zorgen die je je maakt kunnen een uitgangspunt iets tegenover deze eenzijdigheid van onze tijd te stellen. Wat kun je bijvoorbeeld als ouders voor je kleine kind doen, zodat het later echt in staat is te functioneren in een steeds
gecompliceerdere maatschappij, als een echt vrij mens?

In eerste instantie ben je geneigd om tegenover het allesregelende streven in het onderwijs het anti-autoritaire onderwijs te plaatsen, waarin het kind alles mag en aan geen enkele regel of leerplan gebonden is. De ervaring leert dat het kind, ondanks alle vrijheid, tot niets komt. Het blijft toch een zekere leiding nodig hebben en zoeken! Het zijn ongelukkige kinderen aan wie systematisch leiding onthouden wordt. Zo’n anti-autoritaire houding van de opvoeders leidt niet zelden  tot alle mogelijke ziekteverschijnselen bij kinderen. Je kunt bij kinderen die te weinig structuur in de opvoeding aangeboden krijgen. zien dat ook het lichaam die structuur gaat missen. Allerlei lichaamsprocessen gaan onafhankelijk van elkaar functioneren. Zo kunnen de amandelen geweldig gaan opzwellen en ontsteken met enorme vochtafscheiding, waardoor de kinderen eeuwig snotteren en met hun oren tobben. Die amandelen kennen hun plaats niet, weten niet hoe ze in het geheel van het lichaam doelmatig moeten functioneren. Het kind weet als het ware geen leiding te geven aan zijn amandelen.

De leiding die het kind in zijn opvoeding ervaart, spiegelt zich aan de leiding die aan de lichaamsprocessen wordt gegeven door datgene wat van het lichaam gebruik maakt, het individueel-persoonlijke. Anti-autoritair onderwijs is vormloos, chaotiserend, is alleen maar ‘worden’, zoals de voedselstroom in onze darmen chaotisch gemaakt wordt door het verteringsproces. Daar wordt echter nieuwe lichaamssubstantie uit opgebouwd! Dat vormende opbouwproces, dat structurerende, mist het anti-autoritaire onderwijs. In die zin is deze onderwijsrichting net zo eenzijdig als het door en door bedachte en gereglementeerde onderwijs van de basisschool. Het onderwijs dat door de antroposofie geïnspireerd wordt en zowel structuur (‘zijn’) als individuele ontwikkelingskansen (‘worden’) wil bieden, wordt dan ook gegeven in de vrijescholen, die door buitenstaanders zo graag over één kam geschoren worden met het anti-autoritaire onderwijs.
Niet alleen in de opvoeding van het lagere schoolkind is, als reactie op het al te gereglementeerde, het anti-autoritaire en daarmee het op misplaatste wijze vrijlaten van het kind waarneembaar. Al in de manier waarop veel moderne ouders met hun baby’s omgaan, uit zich het miskennen van het belang van het aanbrengen van structuur in de opvoeding en verzorging. Dat is natuurlijk geen boze opzet maar een gevolg van het denken over kinderen vanuit het standpunt van de volwassene. Je vindt het zelf, als ‘geworden’ volwassene, prettig om vrij te zijn, om niet altijd aan banden gelegd te worden, je eigen weg te gaan. Dus zal dat voor de baby ook wel gelden. Een baby is eigenlijk een kleine volwassene. Maar niets is minder waar.
.
Alleseter
Wanneer je naar het lichaam van een baby kijkt, zie je dat de ontwikkeling daarvan nog volop in beweging is. De groei barst er aan alle kanten uit. De organen hebben in hun groei en uitrijping beslist nog geen eindtoestand bereikt. Een baby is lichamelijk geen ‘zijnd’ maar een ‘wordend’ wezen. Daarbij is het geheel op de buitenwereld gericht. Het neemt alle mogelijke indrukken op (plaats van geboorte, het soort ouders dat je hebt, kleding, voeding, warmte etcetera en laat die ten goede komen aan zijn groeiende lichaam.
De baby is een ‘alleseter’, het zwelgt als het ware in datgene wat van buitenaf wordt aangedragen. Het kan ook nog niet goed bepalen wat goed en wat niet goed voor het lichaam is. In het omgaan met al die indrukken zit nog weinig vorm. Aanbrengen van vorm in het waarnemen (selecteren) en van daaruit in het opbouwen van het lichaam is iets wat het kind moet leren en wat hem dus voorgedaan moet worden. Zoals de volwassene als tegenwicht voor het al te gewordene (intellectuele belasting, stress, het moeten handhaven van maatschappelijke positie) iets losmakends nodig heeft en daarom in de vrije natuur gaat wandelen of gaat zeilen, zo heeft de baby het nodig dat zijn drang tot groei en uitdijen van buitenaf begeleid en een vormend houvast geboden wordt.
Je kunt die ‘wordende’ groeitendens enerzijds en de noodzaak van structuur anderzijds, bij baby’s al heel vroeg waarnemen. Het is bijvoorbeeld gebleken dat veel baby’s erg onrustig gaan slapen als ze te vaak – dat wil zeggen elke dag – in bad gedaan worden. Zeker in de eerste maanden moet je daar mee uitkijken. Water werkt zeer ontspannend en losmakend, oplossend bijna. Je geeft je helemaal over aan het warme water als je in bad ligt. Net zo geef je je aan de slaap over; je moet er ook altijd op bedacht zijn niet in bad in slaap te vallen. Na een bad of een goede nachtrust voel je je herboren, je lichaam voelt weer als nieuw. Het wegvallen van het dagbewustzijn heeft de
opbouwkrachten de kans gegeven herstelwerkzaamheden te verrichten. Je lichaam, dat teveel neigde naar het gewordene, verharde, heeft weer ‘wordingskracht’ gekregen, is weer een beetje in oplossing gebracht.
Maar dat heeft een baby niet nodig! Een baby is nog één en al wordingskrachten. Zijn lichaamssubstantie bevindt zich nog in zo’n opgeloste toestand dat er niets anders dan nieuwe dingen in dat lichaam gebeuren. Het kleine kind heeft dat kleine beetje houvast gevende bewustzijn van die paar wakkere uurtjes tussen al dat slapen door hard nodig om het wordende een beetje ‘zijnd’ te laten worden. Bij kinderen die van zichzelf al een sterke hang naar het ‘wordende’ hebben, snel koortsend, erg beweeglijk, vaak verkouden, snel luiereczeem enzovoort) en eigenlijk te ‘waterig’ zijn, kan het veelvuldig baden het broze evenwicht tussen vorm en substantie, tussen zijn en worden, verstoren en het kind nog wateriger maken. Het is zijn houvast kwijt in het structureren van het lichaam. En als je in het leven je houvast kwijt bent dan wordt je daar onrustig van. Wanneer een probleem je zó bezig houdt dat je het niet meer loslaat, dan komt er een moment dat het probleem jou niet meer laat schieten. Dat kan er toe leiden dat je je ook niet meer aan de slaap kunt overgeven; eerst moet je de heerschappij over jezelf terugkrijgen en afstand tot het probleem nemen voordat je in de nacht met de ‘herstelwerkzaamheden’ kunt beginnen. Zo is de te waterig geworden baby ook in zijn slaap bezig wat meer vorm en bewustzijn in zijn lichamelijke ontwikkeling aan te brengen. In die slaap strijden zo ‘zijn’ (bewustzijn) en ‘worden’ met elkaar om een nieuw evenwicht te vinden. Die strijd uit zich naar buiten toe als de genoemde onrust.

Zoals het warme bad ontgrenzend, ‘wordend’ werkt, zo zie je een daarop gelijkend proces zich voltrekken bij het te vroeg stoppen met het inwikkelen van een baby in een wikkel- of omslagluier, wanneer die überhaupt wordt toegepast. Zoals al in diverse toonaarden verkondigd, is het voor een baby heel belangrijk om zijn eigen grenzen te ervaren, in dit geval zijn eigen huid. Bij de gratie van het hebben van een huid kun je je een individueel persoon (gaan) voelen. Je scheidt je af van de buitenwereld. Door heel veel vallen, knieën stoten, stompen van klasgenoten en ga zo maar door, wordt een kind zich daar door middel van zijn huid bewust van. Je zou van een ‘huidbewustzijn’ kunnen spreken. Door je huid wordt je je bewust van jezelf. Dat huidbewustzijn is nog heel ver weg in de eerste maanden. Een baby huilt in de regel wanneer hij wordt uitgekleed. Dat zal wel meerdere redenen hebben (omgevingstemperatuur, honger of fel licht), maar één van de redenen zal toch zeker zijn dat het kind het als heel onaangenaam ervaart dat zijn huidbewustzijn weggevallen is. De wikkelluier, lekker stevig om het hele lijfje heen, fungeert immers als stand-in, als voorlopige huid. Natuurlijk is het helemaal niet slecht om een kind zo af en toe eens te laten spartelen met zijn armpjes en beentjes, ook het bewegen hoort bij het leven. Maar de mogelijkheden daartoe moeten uitgebreid worden in een tempo waarin het kind het bij kan houden. Zo voorkom je dat het kind zijn houvast verliest aan zijn lichaam, zijn huidbewustzijn. Het is daarbij verstandig langzaam te wennen van wikkelluier via trappelzak naar het helemaal vrijlaten van de ledematen.

Er is, kort samengevat, niets op tegen dat een klein kind eens met zijn beentjes spartelt of dat het in bad gaat, maar het moet een beetje begeleid worden en afgestemd op de fase van ontwikkeling. En het is je taak als dan niet beginnend ouder daar een sturend element in te zijn. Dat kan heel lastig zijn. Bij veel van dat wat je je kind onthoudt omdat je denkt dat je zo het beste inhoud aan je opvoeding kunt geven, blijf je in eerste instantie het gevoel houden: ‘Maar ik vind het zelf ook leuk, kan ik het daarom wel verbieden?’ Je gaat met jezelf in discussie. En eigenlijk gaat het daarbij dan niet alleen om het badje of iets dergelijks, maar om je eigen rol en betekenis als opvoeder. De centrale vraag daarbij is elke keer: ‘Ben ik niet te dwingend (te ‘zijnd’) of juist te loslatend (te ‘wordend’), ben ik in staat om mijn kind op een evenwichtige manier op te voeder. Wanneer je zo een aantal opvoedingssituaties doorgeworsteld en geprobeerd hebt daarbij zo bewust mogelijk met je kind bezig te zijn, dan ga je voelen dat dàt nu juist opvoeden is: autoriteit zijn, niet in de zin van allesweter of wetgever, maar als degene die zich een overzicht van de situatie verschaft heeft en van daaruit vormende met het kind meeleeft Je hebt daarbij dan ook niet zoveel aan al die boekjes over kinderopvoeding waarmee de boekhandels vol liggen. Wat je je niet zelf eigen gemaakt hebt, kun je nooit zinvol op je kind overbrengen. Hooguit kom je door het lezen van zulke boeken (en stukjes als het voorliggende!) een stukje verder in je denkproces. Zo groei je zelf ook met je kind mee. Het is heel afgezaagd maar daarom niet minder waar:
opvoeding is zelfopvoeding!
Alleen om dat te demonstreren werden bovenstaande illustraties gegeven.
.
Aart van der Stel, huisarts, Jonas 01-04-1983
.

*In de jaren 70 van de vorige eeuw ontstond er een beweging van ‘anti-autoritair’ opvoeden. Inmiddels is daarvan nauwelijks sprake meer.

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

995-922

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (23-1)

.

driekoningen 1

.
Zingen en springen met de Koningen. Op 6 januari wordt het feest van Driekoningen gevierd, al neemt men het met die datum op het
ogenblik niet zo heel nauw, want als het beter uitkomt wordt het ook wel eens een paar dagen eerder gevierd. Een populair volksfeest, vooral voor de kinderen. Zo populair dat het in 1961 als motief voor een van de kinderpostzegels werd gekozen.
Hil Bottema knipte met vaardige hand voor de zes-cents-postzegel een aardig driekoningenplaatje. Een heel oud feest, dit driekoningenfeest dat de afsluiting van de kerstviering aangeeft.
Het verhaal uit de bijbel is overbekend: de wijzen uit het Oosten die het pas geboren Christuskind in Bethlehem hun goede gaven komen aanbieden: goud, wierook en mirre. Die wijzen werden in het volksgeloof tot koningen en men wist zelfs hun namen: Balthasar, Caspar en de zwarte Melchior. In het tiende vers van Mattheüs 2 lezen wij over deze koningen:
’Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde’. Die vreugde is gebleven bij het vieren van Driekoningen; ook de ster speelt hier nog een opvallende rol, want op deze dag worden door kinderen, verkleed als koningen, allerhande sterren in prachtige versieringen rondgedragen. Een héél oud gebruik. Lang geleden al gingen de kinderen de straat op om liederen te zingen. Voor velen tevens een mooie aanleiding om wat te bedelen. Verschillende van die liederen zijn bekend gebleven, zoals dit sterrelied:
.
Hier treden wij, Heere, met onze Steere,
Wij zoeken Heer Jezus, wij hadden hem geere.
Wij klopten al aan Herodes zijn deur,
Herodes, de Koning, kwam zelvers veur.
Hij sprak er al met een valscher hart:
Hoe ziet er de jongste van drieën zoo zwart?
Al is hij zoo zwart, hij is wel bekend,
Het is er de Koning van Oriënt.
Wij kwamen die hooge bergen opgaan,
Daar zag men de sterre stille staan.
O Sterre, gij moet er zoo stille niet staan!
Gij moet er met ons naar Bethlehem gaan.
Te Bethlehem in die schoone stad,
Daar Maria met haar kindeken zat.
Zoo kleiner kind en zoo grooter God,
Een zalig nieuwjaar verleene ons God.
.
Uit Tilburg komt het volgende oude liedje met een mondje Frans erin.
.
Wij komen van oosten, wij komen van ver,
A la berline postiljon,
Wij zijn er drie koningen met een ster,
A la berline postiljon,
Van cher ami, tot in de knie.
Wij zijn drie koningskinderen,
Sa pater trok na Vendalo, van cher ami.
.
Populair is nog steeds het volgende versje, waarover verteld wordt dat het zou herinneren aan het feit dat lagere ambtenaren op driekoningendag in verschillende gemeenten op het stadhuis een nieuwe hoed kregen.
.
Driekoningen, driekoningen,
geef mij ’n nieuwen hoed,
m’n oude is versleten,
m’n vader mag ’t niet weten,
m’n moeder heeft ’t geld
al op de toonbank neergeteld.
.
Hoewel de reformatie in ons land zich tegen vele kerkelijke feesten heeft verzet, bleek Driekoningen een taai leven te hebben.
De geschiedenis wil dat Willem Barentsz met zijn mannen tijdens hun barre overwintering op Nova Zembla het driekoningenfeest vierde. Begrijpelijk, want zij hadden wel iets bijzonders nodig om de tijd te doden.
En dit is een waar verhaal uit 1662 over de toen twaalfjarige prins Willem lll:

‘Men verhaalt dat de jonge prince van Oranje in den Hage zijnde, op drie koningen dach, in presentie van sijne grootmoeder, de princesse douairière van Orangiën, prins Willem, stadholder van Vrieslant, en meer andere illustre personagien, in het trecken den hooggemelden prince het lot van coning te sijn is toeghekomen, waerop oock een heerlijeke donatie sou sijn gevolgt.’

In Amsterdam was het omstreeks 1900 nog de gewoonte op straat te venten met de zogenoemde trekbrief met de kroon. Op de brief stonden zestien figuren, voorstellende koning, koningin, raadsheer, rentmeester, secretaris, kamerling, hofmeester, voorsnijder, proever, schenker, zanger, speelman, portier, kok, zot, zottin. Bij iedere figuur stond een vierregelig versje. De brief werd in repen gesneden en deze werden op staafjes gerold, waarna ieder op zijn beurt kon trekken welke rol hem werd toebedeeld.
.
driekoningen 2
.
Driekoningen werd ook in huis gevierd met als hoogtepunt een bonenfeest. in het driekoningenbrood was een boon gebakken en wie ’dat heilige boontje’ tijdens de maaltijd te pakken kreeg, was de koning van de dag met alle daaraan verbonden voordelen. Na de maaltijd mochten de kinderen in de keuken het kaarsjesspringen beoefenen, met natuurlijk het bijbehorende gezang.
.
Kaarsies, kaarsies, drie aan een,
Springen wij er over heen.
Al wie daar niet over en kan,
Die en weet er nou niemendal van.
.
Dolle pret; maar omdat de minimode nog niet bekend was, wel een gevaarlijk spelletje waarbij de nodige ongelukken gebeurden en heel wat brandjes moesten worden geblust. Ook daarom afgeschaft.
Nu nog trekken op of rond driekoningendag door steden en dorpen – vooral in Brabant en Limburg – honderden kinderen langs de wegen. Zij dragen hun sterren, zij zingen de liederen, zij maken muziek en zij zijn heel prachtig uitgedost. Als koningen. Er wordt snoepgoed en geld gevraagd. In Den Bosch trekken zij naar de grote kerststal in de Sint- Janskathedraal.
In Tilburg besteedt een deskundige jury aandacht aan de verkleedkostuums en geeft beoordelingen en prijzen. Tot diep in het duister trekken de kinderen met hun sterren, met hun lichtjes, in hun wonderlijke kledij door de straten.
.
driekoningen 3

.

Driekoningen: alle artikelen
Shell Journaal van Nederlands folklore 1972

.

994-921

VRIJESCHOOL – Periode-onderwijs (2)

Periode-onderwijs

Voordat een boer kan oogsten moet hij eerst zeer intensief het land bewerken: ploegen, eggen en met zorg inzaaien. Dan kan hij niet veel meer doen, maar moet hij het zaad aan de donkere aarde en de elementen overlaten.
Wat de oogst zal zijn?
De tijd zal het leren.
Onderwijs moet ook zijn vruchten dragen. Er wordt verwacht, dat de kinderen wat kunnen: lezen, rekenen… De vrucht van intensieve arbeid.
Maar er is meer; er moet meer zijn voor de kinderen. Hun ziel moet kunnen meetintelen als zij op school zijn, het moet spannend zijn, droevig, opwindend.
Met hun ‘hele’ wezen moeten ze door de leerstof heen in beweging kunnen komen.
De kinderen willen betrokken zijn, meeleven met wat hen gebracht wordt. Zo kan het gevoelsleven zich ontplooien in de directe betrokkenheid van de kinderen met datgene wat in de lessen aan de orde komt. Een rijk gekleurd en ontwikkeld gevoelsleven zal voor het hele latere leven zijn vruchten afwerpen. Alle leerstof zal daarom omgevormd moeten worden, juist voor het kind in de
basisschoolperiode, dat- in deze fase geheel en al gevoelsmens is, tot gevoels-ontwikkelingsstof.
Het periodesysteem biedt de mogelijkheid aan de kinderen zich intensief met de leerstof te verbinden. De hoofdvakken, zoals rekenen, taal, aardrijkskunde, biologie, meetkunde, scheikunde, etc., worden gegeven in aaneengesloten perioden, variërend van drie tot zes weken, iedere dag twee lesuren aan het begin van de dag.
Voor het onderwijs en m.n. het periode-onderwijs is de zaterdagschool* van wezenlijk belang. Ondanks het feit, dat de zaterdagsschool vanuit andere gezichtspunten omstreden kan zijn, is het hier duidelijk dat met deze ‘extra’ dag- en dus tevens ‘extra’ periode-ochtend – er wezenlijk pedagogisch belang gediend is.
Want waar het ritme overal in de school duidelijk zichtbaar is in de jaarfeesten, is het ritme dat een schoolweek heeft ‘misschien minder zichtbaar, maar zeker zo belangrijk: iedere dag heeft zijn eigen kwaliteit, zelfs een periode-ochtend heeft zijn eigen ritme in spanning en ontspanning, beweging en rust.
De toegevoegde waarde van de zaterdagschool is voor het periode-onderwijs groot. De bijzondere kwaliteit van de dag is voor de leerkrachten duidelijk te ervaren: de zaterdag maakt een periodeweek tot een geheel. Bovendien – kan de boog – die nooit te lang gespannen moet blijven – naar de maandag toe getrokken worden, waardoor de samenhang tussen de afzonderlijke periodeweken groter wordt.
Doordat een bepaald onderwerp gedurende langere tijd aan de orde is, ontstaat de mogelijkheid het onderwerp uit te diepen, te doorploegen. Het biedt ook de mogelijkheid een vak op kunstzinnige wijze aan te pakken, van verschillende zijden te benaderen. Er kan toneelgespeeld worden in een taalperiode, geschilderd en getekend. Tijdens een rekenperiode gonst het in een klas: tafels worden geklapt en gestampt, er is tijd voor beweging. Het enthousiasme van de kinderen voor het vak dat aan de orde is, is groot, ze kunnen zich er helemaal mee verbinden.
Soms brengt een bepaalde periode de hele school in beweging.

Wanneer een vijfde klas aan het meten slaat tijdens een rekenperiode waarin maten en gewichten centraal staan, zal de hele school dat weten, want alles en iedereen wordt gemeten.

De scheikundeperiode is voor alle klassen een belevenis, omdat de vaak onaangename geuren zich door de hele school verspreiden. Een brand op het schoolplein (benzine-verbrandingsproef) veroorzaakt danig veel deining.
Tijdens de periode ontstaat het periodeschrift, waarin een neerslag komt van hetgeen er tijdens de periode aan de orde is geweest.
Ieder kind maakt zijn eigen boek.
Voor de kinderen ontstaat tijdens de periode een overzichtelijk geheel van een leerstofgebied. Aandacht en concentratie worden niet versnipperd door steeds wisselende vakken.
Juist in deze tijd, waarin concentratieproblemen door een veelheid van wisselende indrukken een groot probleem vormen, is het
periodesysteem een zegen.
Een periode zou een kunstwerk op zich moeten zijn, moet een climax hebben, moet uitblinken en duidelijk afgesloten worden.
Aan het eind van de periode kun je met je klas terugkijken: wat hebben we geleerd? De leerkracht kijkt terug en vraagt zich af hoe hij/zij het anders had kunnen doen. Ondanks een intensieve voorbereiding op de periode ontdek je als leraar altijd weer wat je anders aan had kunnen pakken.
Tot slot mag iedereen het geleerde vergeten in de tijd dat een vak niet aan de orde is.
Er is geploegd en gezaaid en wat er van opkomt als vrucht zal de tijd leren.
Daarin zit het geheim van het periodesysteem.
Iedereen heeft wel de ervaring iets moeilijk te vinden, iets niet te kunnen. Wanneer je het dan laat rusten en het later nog eens oppakt, blijkt het plotseling wel te gaan. Problemen kunnen na een nachtje slapen soms wel opgelost worden. Blijkbaar werkt in het vergeten een kracht, die in later tijd een licht kan doen opgaan.
Wanneer een 4e klas bijv. na de eerste kennismaking met de breuken het rekenen hiermee een poos laat rusten, bloeit in een volgende periode ‘het vergetene’ op wonderbaarlijke wijze weer op. Moeilijkheden kunnen zo soms onverwacht overwonnen worden; waar een kind zich eerst  blind op staarde wordt plotseling doorzien.
Zo werpt het periodesysteem zijn vruchten af.
En toch zijn dat vruchten, die zichtbaar worden op de korte termijn.
De werkelijke vruchten zullen/kunnen in het latere leven plotseling zichtbaar worden, vaak wanneer men de basisschooltijd al helemaal ‘vergeten’ is.
.
Jo (nadere gegevens ontbreken)
.
*Sinds de invoering van de vijfdaagse werkweek schaften veel scholen de zaterdag af. Ook vrijescholen. Sommige probeerden de zaterdag ‘als zegen voor een ritmisch verloop’ wel te handhaven.
Maatschappelijke veranderingen: meer sport op zaterdag; uitstapjes met het gezin; bezoekregeling gescheiden ouders enz. maakten langzamerhand overal een eind aan de zaterdagschool.
.
.
993-920

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Alexander de Grote

Alexander de Grote

Alexander de Grote  356-323 v. Chr.

Alexander de Grote stierf al op zijn 33e jaar tijdens een koortsaanval. Hij liet meer dan 70 nieuwe steden na. Ze lagen overal verspreid, van het huidige Egypte, Perzië, Centraal-Azië, Afghanistan tot in India toe. Deze steden, die allemaal Alexandrië heetten, markeerden de route die deze opmerkelijke jonge
Romeinse kopie van een beeld
van Lysioous
Macedonische koning aflegde. Hij drong diep in Azië door en veroverde alles op zijn weg. Het is nog belangrijker, dat de door hem gebouwde steden centrums voor de Griekse cultuur werden en op die manier alle delen van de bekende wereld beïnvloedden. Het werden vrije en openbare steden waar iedereen elkaar kon ontmoeten en waar men handel kon drijven.
Alexander de Grote verkreeg zijn positie in Griekenland zowel door zijn afkomst als door zijn opvoeding. Hij was de zoon van koning Philippus II van Macedonië en zijn Griekse koningin Olympias. Zijn leraar was de Griekse filosoof Aristoteles. Deze onderwees hem in wijsbegeerte, wetenschap en geschiedenis. Alexander las over de Griekse helden en fantaseerde, dat hij hun opvolger was. Ook leerde hij hoe de Perzen 150 jaar daarvoor Griekenland hadden aangevallen. Samen met zijn vader smeedde hij het plan voor een Macedonische wraakoefening.

Philippus werd in 336 v. Chr. vermoord. Al op 20-jarige leeftijd werd Alexander koning van Macedonië. Griekenland was een deel van zijn rijk. Hij maakte al snel duidelijk dat het zijn bedoeling was dat zo te houden. Terwijl hij in het noorden en oosten oorlog voerde om die delen van zijn rijk onder controle te houden, ontving hij het bericht dat de Griekse stad-staat Thebe in opstand was gekomen. Hij ging met zijn leger naar Griekenland terug, Thebe werd in korte tijd met de grond gelijk gemaakt. Duizenden inwoners sneuvelden en de rest werd als slaaf verkocht. De Grieken kwamen daarna niet meer tegen de heerschappij van Alexander in opstand. Ze gaven hem zelfs het opperbevel over een Grieks-Macedonisch leger, dat volgens de plannen van zijn vader de strijd met het Perzische Rijk zou gaan aanbinden.

In minder dan vier jaar nadat hij in 334 v. Chr. de Dardanellen was overgestoken en Azië was binnengetrokken, had hij heel Klein-Azië veroverd en de Griekse steden aldaar bevrijd. Hij had een bres geslagen in de als onneembaar bekend staande verdedigingswallen van de eiland-staat Tyrus. Toen hij Egypte binnentrok, werd hij daar als farao vereerd. Hij stichtte aan de monding van de Nijl, het eerste Alexandrië. Bij Gaugamela versloeg hij het Perzische leger. Hij nam de macht over in Babylonië, Elam, Medië en Perzië. Toen Perzië in 331 v. Chr. aan zijn voeten lag, had Alexander bereikt waar hij oorspronkelijk

voor op weg was gegaan.
Maar hij ging verder, om een meer persoonlijke oorlog te voeren. Hij marcheerde verder naar het oosten waar hij Bactrië (nu Afghanistan) veroverde en daarna Sogdiana (in Centraal-Azië), waar hij een soort guerrilla-oorlog voerde. Hier trouwde hij met Roxane, de dochter van een plaatselijk stamhoofd.
In 327 v. Chr. trok hij op tegen India. Hij versloeg de koningen Taxala en Poros en bereidde zich voor op de volgende veldslag tegen de Nanda-koning van Magadha. Maar zijn troepen weigerden verder te gaan. Alexander legde zich bij hun besluit neer. Hij trok naar het zuiden en volgde de loop van de rivier de Indus tot aan de monding. Daar splitste hij zijn strijdmacht in tweeën. De helft ervan werd overzee teruggestuurd en met de andere helft trok hij over land door Beluchistan. De overlevenden van deze twee gevaarlijke reizen ontmoetten elkaar in zuidelijk Perzië, waarna ze gezamenlijk naar Susa marcheerden. Het duurde nog tot 324 v. Chr. voordat ze daar aankwamen.
6e  klas Alexander de Grote
Voor Alexander betekenden zijn veldtochten en reizen meer dan alleen een uitdaging voor zijn militaire vaardigheden. Hij beschouwde zijn reizen als ontdekkingen en niet als veroveringen. Alexander had vooral veel waardering voor de Perzen. Na verloop van tijd begon hij hen meer als bondgenoten dan als onderdanen te beschouwen. Hij plaatste Perzen op hoge posten binnen de regering en nam hen op in alle takken van zijn leger, waaronder het elitekorps van de koninklijke lijfwacht-cavalerie. Alexander moedigde zijn landgenoten aan om Perzische vrouwen te huwen. Zo’n 80 van zijn officieren en 10.000 van zijn manschappen deden dit. Hij begon zich naar Perzisch gebruik te kleden en verlangde zelfs van zijn eigen onderdanen dat ze zich voor hem ter aarde zouden werpen, zoals de Perzen dat voor hun heersers hadden gedaan. Zijn pogingen om de Macedoniërs en de Perzen tot één volk te versmelten, zetten kwaad bloed bij de Macedonische troepen. Dit leidde uiteindelijk tot een openlijke opstand. Alexander drukte deze rebellie de kop in door al zijn Macedonische troepen te ontslaan en hen door Perzen te vervangen. Er kwam een verzoening, maar Alexanders neiging om zich steeds eigenzinniger te gaan gedragen, ondervond steeds meer weerstand bij zijn officieren. Degenen die hij niet vertrouwde, werden vermoord. Toen Alexander later begon te geloven dat hij een god was, waren de meesten dat uit angst met hem eens. Ambassadeurs begonnen uit alle windrichtingen, zelfs helemaal uit Libië en Italië, te arriveren. Ze waren allemaal voor die gelegenheid in bloemenkransen gekleed, als gepaste hulde aan de nieuwe goddelijkheid van Alexander. Tussen de plechtigheden door hield hij zich nog bezig met een groot aantal andere zaken. Hij had plannen om de Kaspische Zee te onderzoeken, zich op de kusten van de Perzische Golf te vestigen en te zorgen voor een open verbinding over zee met India.
Maar Alexander werd na een groot drinkgelag ernstig ziek. Hij stierf aan malaria, tien dagen daarna, op 13 juni 323 v. Chr. Zijn lichaam werd naar Alexandrië in Egypte vervoerd.
Alexander was al tijdens zijn leven legendarisch geworden. Verhalen over zijn wapenfeiten verspreidden zich van het ene deel van zijn rijk naar het andere. De legendes bleven tot in onze tijd bestaan. Maar de geschiedkundigen kennen hem op een andere manier. Door de Griekse taal en cultuur te verbreiden, schiep hij een basis waarop Rome later het Romeinse Rijk kon bouwen en in stand kon houden.
.
vertelstof: alle biografieën
.
vertelstof: alle artikelen
992-919

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Nieuwjaar

.

Feestdagen krijgen hoofdletters. De feestdag 1 januari wordt dus geschreven als Nieuwjaar. In samenstellingen vervalt die hoofdletter weer. Zo is het ‘Met Nieuwjaar kijken we altijd naar het nieuwjaarsconcert – een nieuwjaarsduik is ons te koud.’

.

Shell Journaal van Nederlands folklore 1972
.

Veel heil en zegen

.

nieuwjaar 1.

‘Wat soort van Vis men brengt en welke Schepen varen,
Het rijtuyg dat bevragt de Passagiers en Waaren,
Soo meede ’t geen voor nieuws ook aangecomen is,
’t Verloorne en de Vond, wy roepen uyt gewis;
En met dees Nieuwen-Jaar u allen zeegen wenschen,
Leefd altoos vergenoegd, in vree met d’Eeven menschen:
Opdat het u welgaa in dees vernieuwde tyd,
En gy dan reeden hebt, met recht te zyn verblyd.’
.
Dat was het lied dat ’U Ed. Dienaers De Roepers der Stad Nijmegen‘ op 1 januari 1774 voor hun medeburgers van de Keizer Karelstad in petto hadden. Een heel oud gebruik; de gezongen, geschreven, gedrukte nieuwjaarswens waarmee het nieuwe jaar werd ingeluid.
Daar is niet veel van overgebleven. Naast de traditionele nieuwjaarskaarten, steeds meer in combinatie met ‘gelukkig kerstfeest’, genieten alleen de simpele kaartjes van de krantenbezorgers nog enige bekendheid. Als het kaartje persoonlijk wordt afgegeven, verwacht de brenger zijn obligate beloning.
.
Eens is het anders geweest
.
Folklore-kenner J. ter Gouw laat zijn licht fraai schijnen over de Germanen. ‘Elk was nieuwsgierig te weten, of ’t nieuwe jaar hem goed of kwaad zou brengen. De een zat op het dak van zijn huis met zijn zwaard in de hand, waarop tooverrunen gekrabbeld waren, en meende dan in de toekomst te kunnen zien. Vooral lette hij op het ruischen van den wind; – kwam die uit het westen, dan zouden er in dat jaar veel vorsten en helden sneuvelen; woei ’t uit het zuiden dan zou er veel volks omkomen; of uit het oosten, dan zou ’t vee sterven; maar kwam de wind in den nieuwjaarsnacht uit het heilig noorden, dan zou ’t zeker een gelukkig en voordeelig jaar zijn. Anderen zaten aan een kruisweg op een stierenhuid, om zich van de Elfen, die in dien nacht bij menigte rondtrokken, omdat het hun verhuisnacht was, goed geluk te laten voorspellen. Men begrijpt, dat ze, na veel heil gedronken te hebben, op hun stierenhuid spoedig in slaap vielen, en wat ze dan droomden, gold voor profecie der Elfen.’

Alles ging toen en later met veel herrie en lawaai gepaard met daarbij de befaamde baldadigheid. Zelfs de huizen van de deftige poorters binnendringen om de nieuwjaarskost, die daar netjes klaar stond, aan te spreken. Stedelijke overheden hebben alle mogelijke moeite gedaan om de nieuwjaarsviering in ordelijke banen te leiden en om het plechtige karakter van de eerste dag van het jaar niet te verstoren. Met veel vreugde hoorden de gegoede burgers dat het minder bedeelde volk ook nette en passende liedjes kon zingen, waarin de vroomheid niet ontbrak.

Nu singhet en clinghet mit groot gheluut
Al in den Nyeuwen jaeren,
Den Ickers jaeghet al uut ende uut,
Her Jhesus moet ons bewaren.
.
Wie met zo iets op de proppen kwam, kon zeker op een beloning of een versnapering rekenen. Geleidelijk aan nam het zingen bij de huizen af. Het maakte plaats voor geschreven en gedrukte nieuwjaarswensen, waarmee verschillende lagere beroepsgroepen zich tot hun cliënten richtten. Allerlei rijmers vonden werk om voor de beoefenaren van nu al veelal helemaal vergeten beroepen zoals porders, straatvegers, puinhaalders, klokkeluiders, gasopstekers, nachtwakers, boden, jagers, maar dan van veerschuiten, de meest passende nieuwjaarswensen te schrijven; verzen, die vaak voorzien van illustraties, werden aangeboden, nadat zij gezongen of gedeclameerd waren.
.
Op de nieuwjaarsprent van de Amsterdamse nachtwachten van 1 januari 1839 deed de maker zijn best: met fielten, stadgenoten en reine maagden.
.
Eerwaarde tempelheeren en acht’bre burgerstand
Wanneer de klok heeft tien geslagen,
Dan vangen wij het ronden aan,
Totdat de morgen op komt dagen
En elk van ons naar huis kan gaan.
Wanneer er onraad wordt bevonden,
Aan ’t eigendom der stadgenoot,
Of reine maagden zijn geschonden
Geheel van tegenweer ontbloot
De fielten worden zeer onzacht
Gegrepen door de ratelwacht
In ’t holst der nacht, in ’t holst der nacht!
.
De ’asch- en vuilnislieden’ van Den Haag kwamen in 1812 met een ‘zegen- en heilgroet’ èn in het Nederlands èn in het Frans. Vanwege de Napoleontische bezetting.
.
Aldus wat er wenschlyk is,
tot uw heil en tot uw zegen,
Voor elk burger in ’t gemeen en tot elk Heilryks-Zon
Wordt u door ons gewenscht, volzalig zyn uw wegen,
En tot uw waar geluk diene Vorst Napoleon.
Napoleon verdween van het toneel en maakte plaats voor een andere vorst, die evenals zijn opvolgers er zeker van kon zijn in de wensen te worden betrokken. In 1857 richtte de ’vuilnis-karreman’ zich aldus tot ‘Amstels ingezetenen’.
.
Moog, zeer geachte Burgerschaar!
Voor U dit ingetreden jaar,
Een rijke bron van welvaart wezen!
Ja, Landbouw, Scheepvaart, Handelstand,
Zijn, tot het verst verwijderd strand,
Oud-Hollands glorie als voor dezen!
Door eendragt en tevredenheid
Zij Neêrland steeds der rust gewijd!
En heersche ook voorspoed in elks woning!
Zoo rijze uit aller hart en mond:
‘Wij leven op deez’ dierbren grond,
Vereend voor Vaderland en Koning!’
.
Was getekend: UEd. Dienaar J. Domhoff, Vuilnis-Karreman, Wijk 15.
.
Engagement was de schrijvers van deze verzen niet vreemd. Porster Jansje Rijke kwam in 1850 – voor het goede verstaan een jaar na de dood van koning Willem II – met de volgende regels op straat.
Heeft ook alom weêr de bloedvlag gezwierd,
Hier bleef het rustig bij ’t woên der orkanen,
Balie vlocht lauw’ren om Nederlands vanen,
’t Feest onzer zege werd juichend gevierd,
’t Jaar wond een rouwfloers om schepter en kroon,
’t Doodde den vader en kroonde den zoon.
.
Het was niet alleen goedhartigheid die al deze verzen deed ontstaan. Er werd ook een tegenprestatie verwacht.
.
Veel van deze nieuwjaarsliederen zijn regelrechte bedelverzen, zoals de Nieuwjaarswensch aan mijne geachte begunstigers, en dat waren dan de Haarlemmers, van A. Krook.
Neen, ’t is geen schand’ om arm te zijn,
Te zitten in den nood,
Vol ongemak, vol angst en pijn
En zonder daag’lijks brood!
.
Het wintert wel, de nacht is lang,
En ’t ongeluk is mijn deel,
En geen verdiensten hoegenaamd,
O God, wat lijd ik veel!
.
En ’k ben voor het werken onbekwaam,
’k Lijd daarom bitter veel;
Maar ach! hoe treurig dat het zij,
De rampspoed is mijn deel.
‘k Ga ginder, naar die schoone buurt,
Daar alles weelde biedt;
’k Bel aan dat groote, rijke huis
Misschien wel niet voor niet.
.
Mijn hart is goed, ja – kon ik maar,
Ik werkte zeker trouw,
Weest dus mijn hulp, want ’k weet geen raad,
Als men niet koopen zou! , ,,
.
Maar neen – het muschje valt niet neêr
Van armoê en ellend’,
Want als het beestje niet meer vindt,
Is ’t God die eten zendt.
.
Ziet dus op ons, uw evenmensch
In diepen ootmoed neêr,
Dan leent gij – weest daar zeker van,
Aan onzen lieven Heer. –
.
Dan zij voor U dit nieuwe jaar
Een schoone, nieuwe tijd,
Want dan hebt gij een traan gedroogd,
Die God, den Heer verblijdt.
.
Ook in de huiselijke kring bleef het vaak niet bij de handdruk, de omhelzing, de korte gelukwens. Van de kinderen werd meer verwacht. Tegen het einde van het jaar werd gezwoegd om op grote vellen papier in fraaie letters wensen uit te schrijven voor vader en moeder, grootmoeder en grootvader, ooms en tantes. In 1827 schreef een ‘lief hebbende Kleinzoon’ – de grootvader van een der schrijvers – aan ‘Mijne Waarde Grootmoeder’ enkele gevoelige regels. Moge het een aansporing zijn om zelf in oude paperassen op zoek te gaan naar zulke versjes. Ze vormen een heerlijke wandversiering. In een lijstje.
.
De nooit begonne eeuwigheid,
Bevat een God wiens wys beleid,
En aanzijn nooit zal enden;
Hiervan getuigt dit nieuwe Jaar,
En eischt dat wij nu met elkaar
Een loflied tot hem wenden.
Een rijke oogst van voorspoed daal,
Op uw en d’uwen neder,
Opdat Gods gunst u steeds bestraal
Dit wenscht mijn hart U teder.
.
nieuwjaar 2
nieuwjaar 3
.
Het spreekt vanzelf dat de rederijkers zich bij het vervaardigen van nieuwjaarswensen ook niet onbetuigd hebben gelaten. Een mooie gelegenheid om weer eens iets op papier te zetten met als gevolg een grote stroom jaardichten, liedekens en refereinen. In de schouwburgen werden liederen voorgedragen en samenspraken op de planken gebracht, waarvan die van Thomasvaer en Pieternel voor een langdurig en eindeloos gevarieerde en nog niet geheel verdwenen traditie hebben gezorgd.
.
De Amsterdammers die zich op 1 januari 1814, vers bevrijd van het Franse juk, naar de schouwburg spoedden, konden de volgende wens – geschreven door Marten Westerman – horen.
.
’k Wensch vrede aan alle huisgezinnen:
’k Wensch ieder kans om veel te winnen.
En daar toch ieder burgerman,
Nu weer zijn pijpje rooken kan
Wensch ik dat van zijn leven dagen,
Ook geen régie ons meer zal plagen.
De Hemel schenke ons nu ook ’t zoet
Na ’t zure weêr in overvloed.
Kaneel en Koffij, Thee en Suiker
En Rijst met Krenten . . .
.
Toen er in 1919 weer een oorlog voorbij was, brachten Louis Gimberg en Betty Holtrop-Van Gelder in de karakters van Thomasvaer en Pieternel met tekst van Jean Louis Pisuisse in de schouwburg brandende kwesties uit die dagen: de eerste vrouw in het parlement.
.
Pieternel:
Och Thomasvaer, bedaert,
‘k Heb Suze Groeneweg
Gesproken in de stad . . .
.
Thomasvaer:
Suus Groeneweg, wat hamer,
Die naam is mij bekend:
Zit die niet in de Kamer?
.
Pieternel:
Ja zeker, d’eerste vrouw
Die in ons parlement
De eer, wat zeg ik d’eer?
Nee, ’t recht is toegekend,
Bij ’t stellen van de wet
’n Woordje mee te spreken,
En nu ons kiesrecht nog .. .
.
Niet alle tradities houden stand. Jarenlang heeft Amsterdam als nieuwjaarspremière voor een uitgelezen gezelschap een steeds maar weer nieuw geënsceneerde opvoering van Vondels Gijsbrecht van Aemstel gehad met het ovationeel klappen bij de zin ’Vaerwel, mijn Aemsterlant; verwacht een’andren heer.’ Het is sinds kort voorbij en een remplagant stuk dat zo klassiek zou kunnen worden, is nog niet gevonden
.
De nieuwjaarsdagfolklore verdwijnt meer en meer. Het wordt uitslapen, de laatste koud geworden oliebollen nog verorberen, telefonisch wensen aan vrienden en bekenden overbrengen, een extra bezoekje aan opa en oma of aan pa en ma.
.
Alleen hier en daar nog een speciaal gebruik zoals in Roermond waar het ’nuujaorswinse’ een hele ceremonie is gebleven, waaraan de burgerij zo mogelijk getooid met hoge hoed in groten getale deelneemt. De visites gelden bisschop, deken, burgemeester. Er vormen zich op nieuwjaarsdag hele groepen mensen die van de ene ontmoeting naar de andere trekken.
.

In Ootmarsum, waar men hart voor folklore heeft, wordt de nachtwacht uit de ijskast gehaald die dan aan het hoofd van een stoet een nieuwjaarsomgang maakt, waarbij veel gezongen wordt. Als de torenklok de befaamde twaalf slagen heeft afgeleverd, trekken de mensen naar het marktplein en vandaar gaat de hele groep zingend verder door de straten.
.

In Drenthe koesterde men jarenlang een mooi bijgeloof rond nieuwjaarsdag. Er werd gezegd dat men aan de binnenlopende nieuwjaarwensers zou kunnen aflezen hoe het kalverjaar zou zijn. Als de eerste die de boer veel heil en zegen kwam wensen een vrouw was, dan zou het merendeel van de te verwachten kalveren ’vêrskalver’ zijn; was het echter een man dan werden het ’bólkalver’ oftewel stiertjes die heel wat minder waard zijn. Boze tongen beweren dat menige boer er een flinke fooi voor over had om vrouwen om te kopen toch vooral als eerste bij hem aan te komen.
Voor een staartje van de nieuwjaarsviering zorgde koppermaandag, maandag na Driekoningen. Zetters en boekdrukkers boden op deze dag vanouds een proeve van hun werk als nieuwjaarsgeschenk aan. Na de tweede wereldoorlog is deze traditie weer nieuw leven ingeblazen. De opzet is geslaagd. Koppermaandag is weer in.
Een ’Eerekroon voor Laurens Koster en alle voorstanders der boekdrukkunst’ werd, zoals de aanhef dat aangaf, ‘gegeeven op Kopper-maandag MDCCCIII’.
.
Mooi stuk met zes coupletten. Hier is er één van.
.
Waar vind men op aarde,
Een kunst zoo bemind,
Zoo duurbaar voor ’t leven
Van Grijsaard tot Kind?
Wat kunst men mag roemen,
In fraaiheid en schoon,
De drukkunst wint immer,
Van allen de Kroon.
.
Verdwenen sinds kort is de nieuwejaersdunderdag op Walcheren; de eerste donderdag na nieuwjaar, een heel bijzondere dag voor de neringdoenden. De moeite waard om nog in herinnering te brengen. Vroeger kende men -toen over renteverlies en investering nog niet zoveel problemen bestonden – het systeem van de jaarrekeningen. Eens per jaar werden de rekeningen uitgeschreven en betaald. Op nieuwejaersdunderdag stuurde men zijn kinderen of personeel rond bij de leveranciers om de rekening op te halen die vader of de baas dan zelf zou komen betalen. Dat was een mooi dagje uit en er viel nog wel wat af om de genoten klandizie over een heel jaar te honoreren. Menig vader vermaande dan ook aan het begin van de dag ‘en dienkt er om: nie jen eige onbekwaem drienke oor. Dae nie vö spot en smaed van ’n ander loopt. Dat ei je g’oore é?’
Het jonge volk maakte van de vrije dag en de vele glaasjes meteen gebruik om wat beter kennis met elkaar te maken en dan vooral met leden van het andere geslacht om het nieuwe jaar vol goede hoop en verwachting te kunnen beginnen. Er moeten op Walcheren heel wat echtparen rondlopen waarvoor het op nieuwejaersdunderdag begonnen is.
.
nieuwjaar 4
.

.

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

,

991-918
.
.
.
.

VRIJESCHOOL – Periode-onderwijs (1)

Periode-onderwijs

Een van de dingen, die de vrijeschool onderscheidt van andere schooltypen is het zogenaamde periode-onderwijs. Dit betekent, dat de eerste twee lesuren van de dag, als de kinderen nog fris zijn, enkele weken lang steeds aan hetzelfde vak gewijd worden. De vakken, die op deze wijze onderwezen worden zijn: lezen, schrijven, Nederlandse taal, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis, biologie, wiskunde, natuur-en scheikunde. In de benedenbouw (klassen 1 t/m 6) zijn deze vakken over het algemeen in handen van de klassenleraar, die de lengte van de periodes zelf bepaalt, meestal 3, soms 2 of 4 weken, al naar gelang de te behandelen leerstofeenheid.
Aan het begin van het schooljaar stelt hij zijn perioderooster op. Hij houdt daarbij rekening met het jaarritme in de natuur (geen plantkundeperiode in de winter) en de jaarfeesten.
In de bovenbouw, waar het onmogelijk is, dat één leraar al deze vakgebieden bestrijkt, worden ook de periodes door verschillende leraren gegeven.
Als men voor het eerst met deze werkwijze geconfronteerd wordt, welt meestal een stroom van vragen op: “Hoe kan dat nu? Dat is toch veel te weinig tijd per vak en doe je dan niets meer aan meetkunde als geschiedenis aan de beurt is? Hoe gaat dat dan?”
Om al zulke vragen te beantwoorden moeten we wat ingaan op het leer- en verwerkingsproces.
In de eerste plaats kan er in zo’n periode economisch en geconcentreerd gewerkt worden. De aandacht wordt niet elke dag en elk uur op iets anders gericht. Een periode is een afgerond geheel, waar een zekere lijn door loopt. Het is een soort gebouw, dat de leraar samen met zijn klas opzet en wat dan na drie weken klaar is.
En zoals het met de dingen in ons gewone dagelijkse leven gaat, zo gaat het ook hier: wat we afgedaan hebben, leggen we naast ons neer, we vergeten het. Later, als men er ons weer naar vraagt, kunnen we het uit onze herinnering ophalen en staat het ons opnieuw (als nieuw) voor de geest. Zo ook met de periode. Wat intensief beleefd, gemaakt, gedaan of geleerd werd, is tijdens het vergeten gerijpt en komt bij een volgende behandeling verdiept en verrijkt te voorschijn. Het behandelde uit de eerste periode komt snel weer boven en blijkt een “ingeklonken” bodem te zijn geworden, waar men op verder kan bouwen.
De neerslag van dit alles vinden we uiterlijk terug in de periodeschriften. Aanvankelijk klassikaal opgezet, worden ze gaandeweg de zeer persoonlijke verwerking van het behandelde thema. In verzorging en illustraties ademen ze echter van het begin af de eigen geest van de eigenaar.
Tenslotte moeten we nog bedenken dat de inhoud van de periodes ook een zeer belangrijke factor vormt. Rudolf Steiner gaf de hoofdthema’s voor alle leerjaren aan. Thema’s, die afgelezen waren aan de psychische ontwikkelingsfase, waarin het opgroeiende mensenkind zich bevindt. Door deze thema’s aan te houden, is er bij de leerlingen veelal een natuurlijk interesse voor wat er komt en wordt het gehele mensenwezen aangesproken en niet alleen de leer-denkpool.
Periode-onderwijs is een bouwwerk van rust, vreugde en intensieve arbeid.
H.M.de Boer-van Geer, Geert Groteschool Amsterdam, okt.1974

over periodeonderwijs:

periode-onderwijs (2)

Rudolf Steiner over periode-onderwijs

ver. van vrijescholen

steinerschool Gent

begeleidingsdienst voor vrijescholen
.
Artikelen in het blad Vrije Opvoedkunst

.

990-917

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (16)

Tijdens een gesprek in de leraarskamer werd op een dag door mij -bovenbouw biologieleraar- de opmerking gemaakt: bovenbouwers zouden “werkend” een stuk benedenbouw moeten meemaken. Onmiddellijk volgde een uitnodiging een periode dierkunde in de 4e klas te komen geven, waarop ik met enthousiasme inging. Ik zou het inhoudelijke deel van de periode verzorgen; de klasselerares, mejuffrouw Bolt, zou het teken-, schilder- en boetseerwerk voorbereiden en begeleiden.
Al tijdens mijn voorbereiding realiseerde ik me met schrik, dat ik eigenlijk niet wist, hoe je een 4e klas aanspreekt, iets vertelt, laat staan hoe je dit pedagogisch en didactisch verantwoord doet. Nooit was ik dan ook nerveuzer dan vóór de eerste ochtend van deze periode.
Mens- en dierkunde zou behandeld worden, uitgaande van de gestalte, van de vormen, van datgene wat je kunt waarnemen.
In de 3e klas hebben de kinderen het verhaal van de schepping van de mens gehoord: “en God schiep de mens naar Zijn beeld, naar het beeld Gods schiep Hij hen, man en vrouw schiep Hij hen.”
Nu, in de 4e klas, gaan we samen kijken naar dat beeld Gods, we proberen achter de geheimen te komen, die de mens en de dieren ons te vertellen hebben over zichzelf.
De eerste vraag die ik stelde: “Waaraan herken ik een mens als mens, bijvoorbeeld als ik hem in de verte zie lopen?” bleek al direct te abstract. Toch kwamen er leuke antwoorden: “Ze hebben allemaal verschillende gezichten” en: “ze hebben allemaal verschillende kleren aan.”
Maar wat hebben nu alle mensen gemeenschappelijk? Een meisje zei toen: “Ze lopen allemaal rechtop.”
Met dat antwoord was plotseling duidelijk wat ik met mijn vraag had bedoeld en kwamen van alle kanten de antwoorden los. Toch zei ik die eerste ochtend vaak: “Stel je eens voor …”, niet bedenkend dat dat voor een vierdeklasser erg moeilijk is. Hij moet nog echt zien, voelen, boetseren, en ontdekt daardoor de vormen. Dus liet ik, op suggestie van mejuffrouw Bolt, de kinderen voelen aan hun en hun buurmans hoofd.

We ontdekten van de mensengestalte, dat deze bestaat uit hoofd, romp -lijf in kindertaal- en ledematen. Het hoofd bleek rond van vorm als de zon. Afgesloten, hard van buiten, met zijn geheimen van binnen en 7 poorten – de zintuigen- naar de buitenwereld. Het vertoont een vrij geringe, maar fijne beweeglijkheid (mimiek).
De ledematen daarentegen zijn langgestrekt van vorm -als sterrenstralen-, zeer beweeglijk, zacht van buiten, stevig van binnen. Er werd opgemerkt dat alleen de mens echte handen en voeten heeft, dat de voeten alleen maar geschikt zijn om ons te dragen en om te lopen, maar dat de handen alles kunnen: bouwen en graven, grijpen en slaan, schilderen, boetseren, musiceren, bidden, zegenen, groeten en gebaren. Maar: wij moeten werktuigen en instrumenten bedenken om een heleboel dingen net zo goed te kunnen als dieren, die immers speciale graaf- of grijppoten hebben. Omgekeerd: hoe moeilijk is het niet voor een ezeltje om luit te leren spelen! (Grimm)
De romp bleek alles “tussenin” te hebben; afwisselend hard en zacht, half omhullend, je kunt er de vorm van de maansikkel in zien, met hart en longen binnen die omhulling, waarvan de beweging ritmisch is.
Alles wat we zo samen gevonden hadden, werd opgeschreven in een echt periodenschrift, waarbij het voor mij een erg goede oefening was, duidelijk en groot, in 4e klastaal op het bord voor te schrijven wat in de schriften zou komen. De kinderen hadden ook al een hoofd en twee maal een mensenfiguur geboetseerd en ze maakten in hun schrift verrukkelijke tekeningen bij de tekst.
Toen kwam het moment dat de dierkunde begon. Een ochtend om niet gauw te vergeten.
De inktvis was als eerste dier gekozen. Het lukte me, helemaal inktvis te worden en een spannend verhaal te vertellen over dat wonderlijke dier met zijn kop met armen, met zijn haken, zijn inkt en zijn kleuren als het opgewonden is. De stilte in de klas na afloop was een belevenis, en het was geweldig te zien hoe de kinderen toen met waskrijt op grote vellen aan het tekenen gingen.
Na de inktvis volgden mossel en slak, muis, hamster en bever en tot slot paard en kameel, steeds vanuit het dier zelf verteld.
Aan het eind van de periode spraken we er over, met welk deel van de mens inktvis (mossel en slak) het meest overeenkwamen -zij werden kopdieren genoemd-. Muizen waren meer rompjes op hele kleine pootjes en paard en kameel vooral poten-ledematen.
De kinderen hebben ook geschilderd, eerst de mens, later nog paard of kameel en enorm veel getekend, ook gedichtjes gemaakt,
In de loop van de tijd ben ik me verschillende dingen gaan realiseren, maar vooral: dat je als benedenbouw-klassenleraar een duizendpoot moet zijn; creatief, steeds weer in staat iets nieuws te bedenken, maar ondertussen de touwen in handen houdend, je richtend op wat de kinderen van je vragen. En dat het onmogelijke van dit vak,
vrijeschoolleraar te zijn, is dat je het tot nu toe tenminste- eigenlijk nergens kon leren dan alleen maar in de klas.
Ik vind het dan ook erg fijn, de kans gekregen te hebben “werkend” een stuk benedenbouw te leren kennen en mijn respect en bewondering voor de kunst van mijn benedenbouwcollega’s is door dit “werken” enorm gegroeid.
N.Amons-Smink, Geert Grooteschool, okt.1974

Dierkunde: alle artikelen

989-916

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Salomo

Salomo

|

Salomo en Sheba, zoals ze zijn afgeheeld door de 15e eeuwse Italiaanse schilder Piero della Francesca. Door de eeuwen heen zijn Salomo en de koningin van Sheba favoriete onderwerpen voor de kunstenaars geweest. Er bestaan maar weinig aanwijzingen over hoe ze er hebben uitgezien. In dit voorbeeld draagt Salomo de hoofdtooi, die typerend was voor de Semitische mannen in de 15e
eeuw.

Salomo   1015-977 v. Chr.

Veel van de heuvels, meren, bronnen en andere natuurlijke kenmerken van het huidige Israël zouden de oude Israëlieten nog heel bekend voorkomen. Archeologen hebben steden opgegraven, die dateren uit de bijbelse tijd. De voor de inwoners van Israël meest heilige van al deze overblijfselen is de Klaagmuur in de Oude Stad van Jeruzalem. Deze muur grenst aan de rotsachtige heuvel, waarop koning Salomo in de 10e eeuw v. Chr. zijn schitterende tempel liet bouwen. Onder zijn regering bereikte het oude Israël een hoogtepunt, zowel van macht, aanzien als van economische voorspoed.
Salomo volgde zijn vader David als koning op. David was zijn leven begonnen als herder en tot het koningschap opgeklommen. Hij heerste over een rijk dat zich uitstrekte van Egypte tot aan de Eufraat. Salomo was niet de oudste zoon van David. Zijn moeder, Batsheba, drong er echter bij David op aan om Salomo nog tijdens zijn leven als zijn opvolger te kiezen, zodat over de troonopvolging geen meningsverschil zou ontstaan. Na de dood van David liet Salomo zijn rivalen en vijanden vermoorden, omdat hij er zeker van wilde zijn dat zijn gezag door niemand zou worden aangetast.

Door middel van huwelijken werden er verbonden gesloten met de buurstaten. Hij liet op strategische punten garnizoenssteden bouwen, waar hij troepen, paarden en strijdwagens legerde. Verafgelegen gebieden werden door de Israëlieten gekoloniseerd om de belangen van de regering en de handelslieden te beschermen. Israël werd verdeeld in 12 districten. De grenzen liepen dwars door de oude stamgrenzen, om samenzweringen te voorkomen. Elk district moest de koninklijke hofhouding van ongeveer 5000 mensen een maand van het jaar van voedsel voorzien.

De basis voor de economie in het rijk werd voornamelijk gevormd door de handel. De strategische ligging langs de belangrijkste handelswegen tussen Afrika, Azië en het Middellandse Zeegebied werd ten volle uitgebuit. Salomo liet alle karavanen die door zijn gebied kwamen, belasting betalen. Hij verkocht hen voorraden en kocht hun goederen, om ze elders met winst te verkopen. Hij ruilde ook Israëlische produkten, zoals koper, voor de produkten die in zijn eigen land schaars waren. Het is mogelijk, dat hij handel dreef met de koningin van Sheba. Sheba lag aan de Rode Zee, in Zuid-Arabië of in Oost-Afrika. De koningin van Sheba controleerde de scheepvaartroutes naar het oosten en dreef handel in goederen als goud, specerijen en edelstenen. Volgens de legende waren Salomo en de koningin van Sheba geliefden en kregen ze een zoon, die het koninklijk huis van Ethiopië stichtte. Salomo gebruikte de opbrengsten uit de handel om een enorm bouwprogramma te laten uitvoeren. Dit omvatte steden, forten en huizen voor een aantal van zijn vrouwen en buitenlandse kooplieden en gezanten. Maar het grootste deel van het geld werd besteed aan de bouw van een paleis, de beroemde Klaagmuur en een schitterende tempel in de hoofdstad Jeruzalem. De bouw van de tempel duurde zeven jaar. De tempel werd weelderig versierd met gebeeldhouwd cederhout, dat was bedekt met goud en edelstenen. Koning Hiram van Tyrus, een bondgenoot van Salomo, leverde het goud en het cederhout. Ook de bouwmeesters en ambachtslieden kwamen uit Tyrus. Na de voltooiing van de tempel plaatste men daar de Arke des Verbonds. Deze bevatte de tabletten, de stenen tafelen, met de Tien Geboden. Salomo wijdde de tempel zelf in. Duizenden schapen en ossen werden geofferd. Mensen uit alle delen van het rijk waren naar Jeruzalem gekomen om deel te nemen aan het feest, dat zeven dagen duurde. Uiteindelijk eisten het grote bouwprogramma en de koninklijke levensstijl van Salomo toch hun tol. De mensen gingen gebukt onder de hoge belastingen en de dwangarbeid, en werden rusteloos. De oude conflicten tussen de stammen kwamen weer naar boven. Salomo werd ervan beschuldigd zijn God te verloochenen voor de goden van zijn uitheemse vrouwen. Ook de door Salomo onderworpen staten zorgden voor moeilijkheden. Salomo hield het rijk voor de duur van de rest van zijn leven bijeen. Maar zijn zoon Rehabeam die hem opvolgde, was niet zo krachtig en kundig als zijn vader. De tien noordelijke stammen van Israël scheidden zich van het land af. Dit werd daardoor verdeeld in twee landen, Israël en Judea.

De tempel van Salomo bleef bijna 400 jaar staan. De tempel maakte Jeruzalem tot de godsdienstige zo niet politieke hoofdstad van de kinderen Israëls. Nadat de tempel van Salomo in 586 v. Chr. door de Babyloniërs was verwoest, werd hij later weer opgebouwd door de Romeinse heerser Herodes. Daarmee werd in 20 v. Chr. begonnen. De Romeinse keizer Titus vernietigde de tempel van Herodes in 70 na Chr. en verdreef de Israëlieten uit Jeruzalem. De tempel van Salomo werd nooit meer herbouwd. Slechts de westelijke muur van het platform waarop deze tempel stond, is er nog van over. Deze muur, de Klaagmuur, bleef een bron van inspiratie voor de Israëlieten van nu.
.
Salomo behoort ook tot de vertelstof van het Oude Testament in klas 3.
Jakob Streit heeft de bijbelse verhalen naverteld – een voorbeeld van wat beeldend vertellen is – in zijn ‘En het werd licht’
.
vertelstof: alle artikelen
.
988-915

VRIJESCHOOL – Waarom kunstzinnige opvoeding?

.

Waarom kunstzinnige opvoeding?

“Omdat de kunst het levenselement van de menselijke ziel is”.
Dit antwoord kwam spontaan in mij op, toen ik* ging zitten om een inleidend artikel over bovengenoemde vraag te schrijven, en ik heb me toen tot taak gesteld de juistheid van het spontane antwoord te onderzoeken.
Laten we trachten door een tegenstelling het onderwerp duidelijker te belichten.
Er bestaat een bepaalde kunstuiting, die we hier het drama noemen: het is een samenvatting van een aantal levenslopen, die zich op een bepaald punt kruisen en in korte tijd een ontknoping voeren.
Hoe kunnen we nu de menselijke levensloop beschrijven?
De eerste weg is die van de kroniek. Hier worden de gebeurtenissen en lotgevallen uiterlijk beschreven en in chronologische volgorde opgeteld. Men kan zo de lotgevallen beschrijven van een mens, een hond en van een vulpotlood. Wat er gebeurde wordt vlijtig vastgelegd en daarmee is het afgelopen.

De tweede weg is die van de biografie: ook hier worden de gebeurtenissen vermeld, maar bovendien wordt meer gedaan: niet alleen het gebeurde wordt vastgelegd, maar ook wat van binnenuit tot de gebeurtenissen voerde, wordt doorgrond. En hier stuiten wij op een merkwaardig feit.
Waar iedereen, ja zelfs een filmapparaat een kroniek kan samenstellen, daar kan slechts een kunstenaar een biografie schrijven, want de biografie, en ook het drama, verloopt niet logisch, maar kunstzinnig, en ieder, die uit logische argumenten de biografie belichten wil, maakt zichzelf tot een kroniekschrijver, ja zelfs tot een slecht kroniekschrijver, want de goede kroniekschrijver onthoudt zich tenminste van logisch-oorzakelijke beschouwingen en legt slechts het gebeurde zo nauwkeurig mogelijk vast.
Wat is echter het element in de biografie, dat zich niet volgens logische wetten, maar volgens diepere kunstzinnige wetten zich openbaart? Het is het menselijk ik, zijn diepste wezenskern, die zich in de wereld van het zielenleven van het denken, voelen en willen uitdrukt. En aangezien de biografie, het drama, in de tijd zich afspeelt, kunnen we het vorige samenvatten met de volgende woorden:
De biografie is de dramatische uiting van het ik in de tijd.

Openbaart zich het ik nog anders dan in de stroom van het leven, in de biografie? Ja, het ik openbaart zich in de menselijke gestalte. Juist wat hieraan veranderd is, waar niet de erfelijkheid alleen meer spreekt; wat persoonlijke uitdrukking geworden is, door liefde en leed in het gelaat, in de handen gegrift, is stempel van het ik. Het ik plasticeert aan het gegeven erfelijkheidslichaam en vormt het om naar zijn beeld. Samengevat kan het zo gezegd worden:

De gestalte is de plastische uitdrukking van het ik in de ruimte.

Ruimte en tijd, het zijn de twee grondzuilen van onze wereld, en ons ik leeft erin  als plastisch en dramatisch kunstenaar.
Keren we ons van deze algemene beschouwingen af en vragen we ons: wat is de taak van de pedagogie in het algemeen en van de heilpedagogie in ’t bijzonder?
De taak van de pedagogie is dit menselijk ik, deze diepste wezenskern te helpen zich te openbaren in zijn rijkdom en reinheid.
Eens heb ik in een voordracht de opvoeding horen karakteriseren als een aanpassing aan de maatschappij, er werd toen aangetoond dat als men wilde ratten reeds zeer jong aan bepaalde dingen wende, zij minder “lesuren” nodig hadden om het te leren, dan wanneer zij een aantal weken ouder waren; dat er zelfs een grens was, waarna zij niet meer te temmen waren; deze conclusies moesten zonder meer ook voor de mensen-‘temming’ gelden.
Andermaal heb ik de pedagogie horen karakteriseren als een leren van bepaalde vaardigheden die men voor het sociale leven als grondslag nodig had. Deze definitie is al iets sympathieker dan de vorige! Doch beide zijn onvoldoende.
Pedagogie moet meer zijn, het moet er op gericht zijn het “ik” te ontdekken en tot openbaring te brengen en in deze hulp tot het zich doen openbaren, moet de pedagoog een plastisch-en dramatisch kunstenaar zijn,
Geldt dit al voor de gewone pedagogie, hoezeer geldt dit dan voor de orthopedagogie. Hoe moeilijk is het de wezenskern van het misdeelde kind te ontdekken en daarmee de biografie. Makkelijker is de kroniek van de lotgevallen van buiten af.
We hebben twee gebieden min of meer tegenover elkaar geplaatst: de plastische kunst en de dramatische. Is deze opsomming niet zeer eenzijdig?
Hoe staat het met de muziek, hoe met de kleurenwereld van de schilderkunst? De muziek kan men geheel tot het drama, in omvattende zin, rekenen. De muziek verloopt geheel in de wereld van de tijd, zelfs de enkele toon is als trilling zonder tijd ondenkbaar, want haar wezen openbaart zich in de ritmisch-wetmatige beweging. Nietzsche heeft in zijn geniale jeugdwerk “Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik”, al op deze samenwerking gewezen.
Het dramatische element omvat dus het ritmisch-muzikale element, het kleurelement heeft enerzijds een plastisch element in zich, het neigt naar de vorm, anderzijds een dramatisch element: geel en rood, geel en blauw, blauw en rood zijn evenveel drama’s omdat ze hun wezen tegenover elkaar plaatsen en elkaar wederzijds beïnvloeden.
Bestaat de wereld van de logica dan niet? Zeer zeker, maar het is niet het element waarin het Ik kan leven als scheppende persoonlijkheid. De logica is onpersoonlijk, geen twee mensen hebben dezelfde biografie, al geldt voor beiden dezelfde logische wereld waarin zij leven.
Deze logische wereld moeten we leren kennen, dat is een onderdeel van de opgave van de pedagogie, die niet verwaarloosd moet worden; maar als mens leven we niet logisch, maar muzikaal-dramatisch en plastisch-scheppend.
Nemen we een voorbeeld uit de orthopedagogie: het syndroom van Down.
Elk individueel teken is hier afwezig. Familie, land, ras, spreken niet meer, de kinderen lijken op elkaar als broertjes en zusjes van één grote familie.
Een vriend van mij bezocht in Engeland een inrichting waar vele kinderen met dit syndroom bijeen waren gebracht. De rondleidende arts had er plezier in aan te tonen, dat ze allemaal precies op elkaar leken. Een raadselachtige ontwikkelingsstoornis. Naast een volslagen afwezig zijn van intellectuele vermogens staat in elk handboek van de psychiatrie met vette letters vermeld dat ze uitgesproken muzikaal zijn, en bovendien allen geboren acteurs, wat hen bij afwezigheid van het intellect en de blije gezichtsuitdrukking iets levensvrolijks geeft.

heilpedagogie 1

Merkwaardig; wel muzikaal-dramatische aanleg, absoluut gebrek aan plastisch vormende krachten. Hun lichaam, hun handen, hun inwendige organen zijn maar ‘half af’, alsof een beeldhouwer ze half af heeft laten liggen. Laat men ze musiceren, dan kan men ze direct een trommel of triangel geven en in een orkest plaatsen. Laat men ze boetseren dan komen er slechts ongevormde kleiklompen uit zijn handen en het schilderen eindigt onherroepelijk in een paarsachtig moeras, waar alles doorelkaar loopt.
Een van de grondwetten van ons werk is, dat we daar beginnen waar wat is,  en dan langzaamaan werken naar datgene wat er niet is. Zo beginnen we met de syndroom van Downkinderen een dramatisch-muzikale pedagogie. Sprookjes worden gespeeld, liedjes ritmisch in bepaalde vormen, ritmisch, op de grond getekend, gelopen. Het ritme is aanwezig, de vorm ontbreekt, langzaamaan schakelen we steeds meer vormelementen in en wat zien we? De kinderen gaan steeds minder op elkaar lijken en de vorm in het denken en het geheugen wordt langzamerhand geboren. Langzamerhand kunnen ze gaan leren, later ook zonder dat het muzikaal-dramatische element hen helpt.
heilpedagogie 2
Een andere groep kinderen, die nerveus zijn of tot dwangvoorstellingen neigingen hebben, vertonen juist een sterk plastisch vermogen. Kijk eens hoe hun bewegingen angstig afgemeten zijn, hoe ze steeds in hun binnenwereld leven en daar spelen met bepaalde gedachten die ze op allerlei manieren combineren. De inhoud van het geleerde nemen ze zeer snel op, de moeilijkheid begint pas als er in het leven wat mee gedaan moet worden. Het sociale element is hier, bij deze op zichzelf geconcentreerde kinderen, het zwakke punt. Zelf leren, zelf vormen kunnen ze wel; samen doen, op de andere mens letten is moeilijk; zo brengen we hen van het alleen muziek maken tot het orkest en tot het dramatische element van het gemeenschappelijk toneelspelen. Dan komen ze uit zichzelf en ontwikkelen, via het dramatische element, de sociale eigenschappen.
Het geretardeerde kind en de zwaarste psychopaat met dwanghandelingen en voorstellingen hebben een menselijk ik: het moet zich openbaren, ondanks de remmingen van een ongelukkige ‘behuizing’.
Ja, het ik zal deze behuizing zelf moeten herstellen voor het de eigen biografie kan gaan leven.
.
Wat wij in de orthopedagogie willen? Het diep-menselijke IK te voorschijn halen en het laten leven in de zielenwereld van het denken-voelen en willen.
.
*B.C.J.Lievegoed, nadere gegevens onbekend
.
Bernard Lievegoed
Bernardus Cornelis Johannes Lievegoed was een Nederlands psychiater, pedagoog en organisatiedeskundige die nauw betrokken was bij de ontwikkeling van de antroposofische beweging in Nederland. Wikipedia
Geboren
:
2 september 1905, Medan, Indonesië
Overleden: 12 december 1992, Zeist
Boeken: De levensloop van de mens: ontwikkeling en ontwikkelingsmogelijkheden in verschillende levensfasen, meer
.
987-914

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – oudjaar (3)

.
Shell Journaal van Nederlandse folklore 1972
.

Uren, dagen, maanden, jaren

.
Van Kerstmis naar het einde van het jaar is maar een heel klein stapje, welgeteld vijf dagen. Voor velen tegenwoordig vrije dagen, snipperdagen.
Vroeger op het boerenland gelegenheid tot uitslapen. Tussen Kerstmis en Nieuwjaar werd er niet bijster hard gewerkt. In de landbouw was weinig te doen en de veeboeren hadden hun dieren in de stal. Gelegenheid om eens wat anders te doen.
Daarom vrije tijd voor het blazen op de midwinterhoorn, een traditie die in Twente nog steeds in gebruik is, vanaf de eerste zondag van advent tot en met Driekoningen.
 
In Denekamp, Oldenzaal, Losser, Ootmarsum, Tubbergen, Weerselo en in de omgeving van Almelo, Borne en Hengelo hoort men in deze tijd het vreemde melodieuze geluid van deze herauten van Kerstmis. Over de oorsprong van het midwinterhoornblazen bestaan natuurlijk verschillende meningen. Dat kan nu eenmaal niet anders. En we geven hier een paar opvattingen. De een zegt dat het gebruik zijn ontstaan dankt aan het joelfeest van de oude Germanen, die door het blazen op horens in de midwintertijd de vruchtbaarheid van hun essen wilden beschermen tegen demonische geesten. Een andere mening wil de nadruk leggen op een oud gebruik van de Israëlieten, die de tuba staken om de gasten ter bruiloft te noden.
 

De hoorn zelf is een kunststuk met een lengte van 1,20 meter. Het geval bestaat uit twee gekuipte tegen elkaar passende stukken hout, die met sterke houten banden aan elkaar worden bevestigd. De hoorn heeft een schuin afgesneden mondstuk, dat bij voorkeur gemaakt wordt van eenjarige vlierloten. Een heel secuur werkje om een midwinterhoorn te maken: het vinden van het juiste hout, het uitsnijden en passend maken, het bespeelbaar maken. Daarbij gaat de hoorn in de waterput, want vocht is bijzonder belangrijk: als het hout uitdroogt gaat het barsten, maar het mag ook weer niet te nat worden omdat het hout anders zou gaan rotten. Een goede hoorn gaat wel lang mee, maar er moet dan veel zorg en aandacht aan worden besteed. Denk vooral niet dat het best meevalt om zo’n hoorn te bespelen. In de eerste plaats is het midwinterhoornblazen een inspannende bezigheid. De niet geoefende blazer brengt slechts een wat benauwd klinkend toontje voort. En dan gaan de boze geesten echt niet op de loop. De ware blazers letten extra op de klankbodem. En dat betekent dat bij voorkeur boven een put wordt geblazen, zodat de tonen een goede resonantie krijgen.

 
Het blazen zelf kan men nog altijd horen. Want men schat dat er in Twente zo’n tweehonderdvijftig midwinterhoornblazers zijn, die ook in concoursen hun vaardigheid komen bewijzen.
Toon Borghuis schreef er eens een mooi liedje over, natuurlijk in het Twentse dialect.
 
Holt’n doed’lenden hoorn baven de putte
Kneep vast oewe lipp’ op de vleerholten spool;
En blaost den Adventsroop van Vass’ tot de Lutte
Van Saosel naar Lettrop tot aover nen paol.
 
In Friesland gaat het niet om een hoorn maar om een klok. Vanaf 21 december – Sint Thomas – tot nieuwjaar wordt in enkele plaatsen zoals Katlijk (uit te spreken als Ketlik), Oudehorne en de buurtschap Brongerga bij Oranjewoud, allemaal in de buurt van Heerenveen het Sint Thomasluiden beoefend. Vrijwel elke dag en nacht wordt dan de klok geluid en met een vasthoudendheid en energie dat de klokkentouwen het nog wel eens willen begeven. Aan het gebeier komt geen einde. Dat werd vroeger een wild feest waarbij niemand zich onbetuigd liet. Gevolg: allerlei baldadigheden en onzedelijke uitspattingen. De grietman van Smallingerland probeerde er in 1842 dan ook een eind aan te maken en liet het klokkentouw verwijderen, maar dat namen de Friezen niet. Het Sint Thomasluiden is gebleven.
 
M. D. Teenstra uit Drachten rijmde er in 1844 over.
 
Slechts één dag in ’t jaar, aan Sint Thomas gewijd,
Dan komt men uit het veen, van wijd en zijd,
Dan luidt men te Dragten de klokken,
Dan luidt men, dan drinkt men, dan viert men hier feest,
Doch hoe oud of wat oorsprong ’t gebruik is geweest,
Weet niemand, na veel zoeken en blokken.
 
Vlak voor oudejaar, op 28 december is het de dag van de onnozele kinderen. Dat herinnert aan het feit dat – zoals in het bijbelverhaal wordt verteld – koning Herodes in Bethlehem alle pasgeboren kinderen liet ombrengen om er zeker van te zijn dat de zo juist geboren Koning der joden, waarover hij van de wijzen uit het Oosten had gehoord, ook gedood zou worden. Daarom zijn in en in de omgeving van Roermond en Venlo op onnozelekinderendag de kinderen de baas. Vooral de jongste kinderen hebben dan veel te zeggen. Zij spelen voor vader en moeder en maken zelfs uit wat er op die dag gegeten zal worden. Een heel bijzonder privilege. Verkleed als grote mensen en met veel muziek wordt dan tevens een tocht door de straten gemaakt om duidelijk te maken dat het Alderkindere is.
 
En dan oudejaarsdag, 31 december. De dag van de oliebollen en de appelflappen. Alle ellende van een heel jaar wordt vergeten; een nieuw jaar staat voor de deur en vraagt om de nodige bezinning. Vandaar dat de kerkgang voor velen op oudejaar een niet te missen traditie is. Men zingt over de uren, de dagen, de maanden, de jaren die als een schaduw voorbij vlieden. Wel een beetje vreemd dat juist dit lied een nationaal oudejaarslied is geworden. Zwolles burgemeester Rhijnvis Feith schreef het indertijd als nieuwjaarslied. Wie het goed leest, zal trouwens gauw ontdekken dat het echt om een nieuwjaarslied gaat, maar dat doet er niet toe, het wordt op oudejaar gezongen. En wat maakt het ook uit? Als de klok ’s nachts om twaalf uur slaat, is er geen verschil meer tussen oud en nieuw. Dat het zover is, blijft bepaald niet onopgemerkt: de klokken beginnen te luiden, de scheepsfluiten gaan gillen, de glazen worden geheven, vuurwerk gaat de lucht in. Een heidens kabaal al die gillende keukenmeiden, rotjes, vuurpijlen en wat dies meer zij. Op een paar gulden meer of minder wordt niet gekeken. Er gaat in een korte spanne tijd voor miljoenen de lucht in.
 

Hier en daar leven nog speciale gebruiken, zoals in Schildwolde waar men het kloksmeren kent. Kloksmeren is een mooi woord, al weet niemand of dat smeren nu op de klok of de keel van toepassing is. Half december is de kloksmeervergadering, waarbij iedere kloksmeerder zijn eigen traject krijgt aangewezen om het kloksmeergeld bij de bewoners op te halen. Dat is nodig om drank, worst en brood te kopen. Niemand vergeet in Schildwolde dat hij ook eens kloksmeerder is geweest, dus met de opbrengst zit het wel goed. Op oudejaarsavond begint het gebeier van de klok. Het duurt van acht uur op oudejaarsavond tot acht uur op nieuwjaarsdag. Het café is gelukkig aan de overkant, zodat iemand die niet aan het klokkentouw hangt, gemakkelijk even kan gaan doorsmeren. Op die avond komt het hele dorp in het café; er wordt een borreltje geschonken. Voor de gaande en komende man of vrouw. Iedereen wil wel eens zien of de kloksmeerders hun werk wel goed doen. En nog iets zinvols ook. Als er een voordelig saldo is, wordt dat geld voor een goed doel bestemd: hulp bij ongelukken, reisje voor de bejaarden of iets dergelijks.

 
In Dokkum gaat het weer anders. Op deze avond komt iedereen, ook de jeugd, naar de ‘zijl’, de sluis vlak voor het stadhuis. Als de klok twaalf slaat, wordt er gelukgewenst en omhelsd en trekt jong en oud door de straten. In Friesland is het in verschillende streken op oudejaarsavond oppassen geblazen. Men heeft de gewoonte alles wat ‘los zit’ te verplaatsen of naar een centrale plaats te slepen. Dus niets buiten laten staan; dan wordt het een hele toer om de eigendommen weer terug te vinden. De jeugd die aan de gang is geweest, blijkt bijzonder vindingrijk te zijn. Een fiets opgehangen in een boom is nog maar een kleinigheid; een boerenkar wil nog wel eens boven op een dak terechtkomen en om zo’n kar er weer af te halen wordt een hele klus op nieuwjaarsdag.
 
 
 
oudjaar
 
.
 
Jaarfeesten: alle artikelen
.
 

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

986-913.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (8-2)

In dit artikel worden gebruiken beschreven ‘van vroeger”. Soms in de tegenwoordige tijd, alsof deze gebruiken er nog zijn. Dat is niet in alle gevallen zo.

OUDE GEBRUIKEN

Jeremias heeft ghesprocken.
Sint Nicolaas heeft nog maar net de aftocht geblazen om een jaar lang weer in Spanje uit te rusten of de kerstbomen komen op de markt. Iedereen komt zijn boompje uitzoeken om thuis zo feestelijk mogelijk op te tuigen met slingers, ballen, glinstertjes en kaarsen. Die kaarsen dreigen* in de verdrukking te komen nu de elektrische kerstboomversiering hand over hand toeneemt, maar zij die nog een beetje gevoel voor traditie hebben, houden het op het levende licht.
Traditie? De kerstboom met kaarsen is in ons land een vrij jong verschijnsel, overgewaaid uit buurland Duitsland waar men de kerstboom al heel lang kende. Pas na de eerste wereldoorlog werd de kerstboom ook in ons land meer algemeen. Nog aan het einde van de vorige eeuw* foeterde dr. Eelco Verwijs ‘Laat Duitschland zijn kerstboom’, maar het is er toch van gekomen, al was er dan vooral in orthodox-protestantse kringen nog vele jaren verzet tegen de kerstboom als een heidens gebruik. Ook de Duitse gewoonte om elkaar met Kerstmis geschenken te geven, neemt in Nederland toe; maar het blijft een zwakke afschaduwing van wat Sinterklaas te schenken heeft.
Kerstmis is in Nederland een huiselijk feest en dat is goed te merken. Men gaat bij voorkeur niet de straat op om het kerstfeest te vieren, de obligate kerkgang of de kerstmis (mis tot viering van Christus’ geboorte) op de avond voor Kerstmis daargelaten. Vroeger was dat wel anders. Vooral de kinderen kwamen op straat om kerstliederen te zingen; radio, televisie en grammofoonplaten waren nog niet uitgevonden. Het zingen toen was nodig om de stemming er in te brengen en – hoewel het repertoire ook straatliederen bevatte – het waren toch vooral kerstliederen die ten gehore werden gebracht, vaak in de hoop dat de geleverde inspanning een materieel beloninkje zou opleveren.
Jeremias heeft ghesprocken,
Dat Hij comen sal,
Uit Davids wortel ghesproten,
Die ons verlossen sal.
Het gezamenlijk buitenshuis zingen is niet helemaal verdwenen. Het is min of meer opgeleefd in de massale volkskerstzang die in verschillende grote steden wordt georganiseerd en waarvan die in Amsterdam een zekere vermaardheid gekregen heeft. Dan klinkt natuurlijk ook het Stille nacht, heilige nacht, dat in 1818 in het dorpje Oberndorf ten noorden van Salzburg ontstond. Uit nood geboren. Vlak voor Kerstmis raakte daar het orgel van de dorpskapel onklaar en er was geen tijd meer om het te repareren. Toen schreef de dorpsonderwijzer en organist van het nabijgelegen Arnsberg een kerstlied waarbij Josef Mohr de melodie componeerde. Een lied om samen te zingen nu het orgel kapot was. Zo ontstond Stille nacht, heilige nacht en het werd internationaal een van de populairste kerstliederen.

Ook de kerstkaart, waarvan er nu jaarlijks vele miljoenen over de hele wereld worden verzonden, werd bij toeval en uit nood geboren. De geschiedenis vertelt dat dat in 1843 was toen Henry Cole, de stichter van het Victoria and Albert Museum in Londen plotseling ontdekte dat hij geen tijd meer had om aan vrienden en relaties voor Kerstmis een brief te schrijven om hen het allerbeste toe te wensen. Goede raad was duur, maar de inventieve Cole vond een oplossing. Hij liet door de schilder J. C. Horsley een kaart ontwerpen. Deze kaart werd gedrukt en verzonden. Cole was zakenman genoeg om er wat meer te laten drukken die hij voor een shilling per stuk verkocht. Hij haalde er zelfs de pers mee, want een dagblad gaf van die eerste kerstkaart een uitvoerige beschrijving. ‘Een omlijsting van lofwerk in Duitse stijl deelde de kaart in een middenpaneel en twee zijstukken. De zijden waren gevuld met afbeeldingen van het spijzigen van de hongerigen en het kleden van de naakten; op het middenstuk werd een familie aan tafel getoond – een oude man, een jonge vrouw met haar man en enige kinderen – en zij waren weergegeven tijdens het uitbrengen van een heildronk met wijn.’ Niet alleen lof voor de eerste kerstkaart. Critici hekelden het feit dat kunst aan industrie werd gepaard doordat het kunstwerk door het te laten drukken was verveelvoudigd. Er waren er ook die vonden dat de afbeelding de dronkenschap zou bevorderen. De laatste jaren is in eigen land nogal kritiek geleverd op de folkloristische kerstkaartenrage als vorm van geldverspilling; bovendien zo traditioneel dat het allemaal niets meer zegt. Maar dat is één opvatting. Velen zouden de kerstkaart echt niet over boord willen zetten. Folklore of niet. Dat Kerstmis in aantocht is, kan men steeds goed merken in Gouda, de kaarsenstad. Daar wordt in de dagen voor Kerstmis de binnenstad in kaarslicht gezet. Duizenden kaarsen verlichten de gevels en een kolossale kerstboom op het marktplein draagt een ontelbaar aantal kaarsen.

Er is ook feeststemming in het Gelderse rivierengebied waar in Tiel de indrukwekkende kerstveiling van het zogenoemde hardfruit – appels en peren – wordt gehouden. Voor het fruit geveild wordt, kan het publiek in de grote veilinghallen de fruitmozaïeken bewonderen. En het publiek kan zelf ook veilen. Iets waar men letterlijk bij staat te watertanden.
Regelrechte confrontatie met hét onderwerp van Kerstmis – de herdenking van de geboorte van Christus -wordt in Rijen, tien kilometer van Breda geboden. Daar is tegen Kerstmis het kerstdorp Klein Bethlehem te bezichtigen. Op een stuk land ter grootte van een voetbalveld wordt Bethlehem herbouwd met stadsmuren, poorten, het paleis van Herodes en natuurlijk de kerststal. In en rond de kerststal lopen tientallen dieren: schapen, kamelen, de ezel, de os. Er staan levensgrote mensenfiguren, gekleed volgens de traditie uit de tijd van Christus.
Ook elders vindt men openbare kerststallen zoals in Den Bosch, terwijl in de schaapskooi in Rheden op het landgoed Heuven de typische kerstsfeer wordt weergegeven op de avond voor Kerstmis. De schaapherder leest dan voor wie het horen wil het kerstevangelie. Wie daar gaat kijken, moet er aan denken dat volgens een oud verhaal de dieren op kerstavond met elkaar praten. Alleen wie rein van hart en geweten is, kan het horen! Wel van te voren informeren, bijvoorbeeld bij de V.V.V., want dit is nu zo’n gebruik dat zo weer verdwijnt.

Konijn, haas, fazant, gans, kalkoen; het zijn typische

kerstlekkernijen die met veel smaak en goed gegarneerd worden verorberd. Daarnaast natuurlijk kerstbrood en de uit Engeland overgewaaide plumpudding. Heel speciaal voor deze gelegenheid is de Noordhollandse duivekater, een soort cakebrood, waarvan het echte recept een zorgvuldig bewaard bedrijfsgeheim is. Een echt oud-Hollandse lekkernij die men zeker eens moet hebben gegeten. En bij dit alles niet vergeten wat een oude dichter eens voor Kerstmis schreef.
Ghy swemt dan in ruyme weelden,
in leckerney, in lust, in bancketteren.
Maar er is meer waaraan men op deze dag moet denken, want hij gaat voort met:
Vermeut o mensch dyn leven,
doet op de poort van ’t slaperich hert en ooren
siet hoe d’Engeltjens sweven
wiens zoet gejuyg ghij kennelyck meugt hooren.
Tweede kerstdag is vroeger in vele streken van ons land een wilde dag geweest; de naamdag van Sint Stefanus of Sint Steffen. Er werden allerlei spelletjes gedaan, zoals het steffen uit de ton jagen, waarbij een kat uit een vat moest worden geknuppeld. De dierenbeschermers hebben voor dit wrede vermaak een stokje gestoken. In Drenthe trok de jeugd naar de boerderijen met hooi en oud brood om de koeien te voeren. Tegen de boer werd gezegd: ‘Ik steffen joe koe’ en dan moest die boer met wat centen of een goed belegde boterham over de brug komen. Er werd ook gezongen.
Hum, koe, hum,
Sunt Steffen is gekomen.
Hard gelopen; duur verkopen.
Honderd gulden veur die koe
En een dikke stoetbrugg toe.
In Gorssel heeft men nog steeds* het Sint Steffenrijden in ere gehouden, waarbij een bepaalde groep een tocht te paard maakt; het paard wordt die dag afgereden. Dat is een gebruik dat van vader op zoon overgaat. Alleen weinigen weten nog waar het vandaan komt.
.
*Uit ‘Shell-Journaal van Nederlandse  folklore 1972

.

kerstmis: alle artikelen
jaarfeesten: alle artikelen

.

985-912