VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 311 – voordracht 5

 

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom): vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

 

GA 311

Vertaling
inhoudsopgave
voordracht  [1]  [2]   [3]   [4]   [6]   [7]  vragenbeantwoording         vertaling
    
.

RUDOLF STEINER

Die Kunst des Erziehens aus dem Erfassen der Menschenwesenheit
De kunst van het opvoeden vanuit het besef wat is de mens

 

Inhoudsopgave 5e voordracht 16 augustus 1924:
Over rekenen

Abstracties sluiten niet aan bij het leven. <1>
Kind hoeft nog niet alles te begrijpen. <2>
Beeldende ontwikkeling van het getallenbegrip,
om tot begrip eenheid e.v. te komen. <3>
Ritmisch tellen. <4>
Tellen, een wilsaangelegenheid; het hoofd als toeschouwer. <5>
Lichaam handig maken <6>
Verdelen <7>
Nog eens: tellen <8>
Van geheel naar delen <9>
De vier rekenbewerkingen. <10>
Aanschouwelijke bewijzen voor de stelling van Pythagoras. <11>

 

Voordracht 5, Torquay, 16 augustus 1924

Blz. 78:

Wenn man einem Kinde etwas beibringen will, muß man schon et­was von dem eigentlichen Wesen der Sache verstehen, um nicht sich im Unterrichte und in der Erziehung in Dingen zu bewegen, die dem Leben fernliegen. Alles, was dem Leben naheliegt, kann man ver­stehen. Man könnte auch sagen: was man in Wirklichkeit versteht, muß dem Leben naheliegen. Die Abstraktionen liegen dem Leben nicht nahe.
Nun ist es heute so, daß der Lehrende, der Erziehende, von ge­wissen Dingen von vornherein nur Abstraktionen hat, daß er mit ge­wissen Dingen dem Leben nicht nahesteht. Das macht für die Er­ziehung und den Unterricht die allergrößten Schwierigkeiten. Be­denken Sie nur das folgende: Sie wollen einmal darüber nachdenken, wie Sie dazu gekommen sind, Dinge zu zählen; was eigentlich damit getan ist, daß Sie zählen. Sie werden wahrscheinlich finden, daß der Faden Ihrer Untersuchungen irgendwo abreißt, daß Sie wohl Zählen gelernt haben, aber nicht recht eigentlich wissen, was Sie tun mit dem Zählen.

<1>Wanneer je een kind iets leren wil, moet je natuurlijk ook zelf iets van de essentie van de zaak begrijpen om je bij de opvoeding en het onderwijs niet in dingen te begeven die ver van het leven af staan. Alles wat bij het leven hoort, kun je begrijpen. Je zou ook kunnen zeggen: wat je in werkelijkheid doet, moet aansluiten bij het leven. Abstracties sluiten niet aan bij het leven.
Nu is het tegenwoordig zo, dat de onderwijsgevende, de opvoeder van bepaalde dingen a priori alleen maar abstracties heeft, dat hij met bepaalde dingen niet dicht bij het leven staat. Dat betekent voor de opvoeding en het onderwijs de allergrootste moeilijkheden. Denk eens aan het volgende: je wil er eens over nadenken hoe je ertoe gekomen bent, dingen te tellen; wat je eigenlijk doet, wanneer je telt. Je zal waarschijnlijk merken dat je onderzoeksdraad ergens afbreekt, dat je wel hebt leren tellen, maar dat je eigenlijk niet goed meer weet, wat je doet als je telt.

Nun werden allerlei Theorien für die Pädagogik ersonnen, wie man den Begriff der Zahl, wie man das Zählen einem Kinde beibrin-gen soll, und gewöhnlich richtet man sich dann auch nach solchen Theorien. Wenn man damit auch äußerlich Erfolge erzielen kann, an den ganzen Menschen kommt man mit diesem Zählen oder mit solchen Dingen, die dem Leben fernliegen, nicht heran. Die neuere Zeit hat ja gerade dadurch bewiesen, wie sie in Abstraktionen lebt, daß sie solche Dinge wie die Rechenmaschine für den Unterricht er­funden hat. Im kaufmännischen Büro mögen die Leute Rechenma­schinen benützen, wie sie wollen, das geht uns jetzt nichts an, aber im Unterricht verhindert die Rechenmaschine, die sich ausschließlich an den Kopf wendet, von vorneherein, daß man in einer wesensge­mäßen Weise mit der Zahl an das Kind herankommt.
Es handelt sich darum, daß man das Zählen wirklich aus dem Leben

Nu worden er allerlei theorieën voor de pedagogiek bedacht, hoe men het getalbegrip, hoe men het tellen aan een kind moet aanleren en meestal houdt men zich dan aan zo’n theorie. Wanneer men daarmee ook uiterlijk succes kan hebben, de hele mens wordt met dit tellen of met andere dingen die ver van het leven afstaan, niet bereikt. De modernere tijd heeft juist bewezen hoe ze in abstracties leeft, met dingen als een rekenmachine* voor het onderwijs uit te vinden. Op het handelskantoor mogen de mensen dan rekenmachines gebruiken zoveel ze willen, daar hebben wij niets mee te maken, maar in het onderwijs is het telraam dat hoofdzakelijk voor het hoofd bedoeld is, van meet af aan een obstakel om op een wezenlijke manier het kind aan te spreken met het getal.
Het gaat erom, dat je het tellen daadwerkelijk uit het leven

Blz. 79:

heraus gewinnt. Dabei wird vor allen Dingen wichtig sein, daß man von vornherein weiß: es kann sich gar nicht darum handeln, daß das Kind restlos alles versteht, was man ihm beibringt. Das Kind muß vieles auf Autorität aufnehmen, aber es muß es naturgemäß, sachgemäß aufnehmen.
Daher können Sie finden, daß das, was ich Ihnen nun über das Bei­bringen des Zählens sagen werde, vielleicht noch schwierig ist für das Kind. Aber das schadet nichts. Es ist außerordentlich bedeutsam, daß im Leben des Menschen solche Momente eintreten, wo man sich im 30., 40. Jahre sagt: Jetzt verstehe ich etwas, was ich damals im 8. oder 9. Jahre oder sogar noch früher in mich auf Autorität hin aufgenommen habe. – Das belebt. Wer dagegen all die Dinge be­trachtet, die man heute als Anschauungsunterricht in den Unterricht einführen will, der kann tatsächlich ins Verzweifeln geraten, wie trivial die Dinge gemacht werden, um sie, wie man sagt, dem Ver­ständnis des Kindes näherzubringen.

haalt. <1> <2>Daarbij is vooral van belang dat je vanaf het begin weet: het gaat er helemaal niet om dat het kind meteen alles helemaal begrijpt wat je het aanleert. Het kind moet veel op gezag aannemen, maar op een natuurlijke, zakelijke manier.
Vandaar dat je van mening kan zijn dat wat ik u nu zeg over het aanleren van getallen, nog moeilijk is voor een kind. Maar dat geeft niets. Het is buitengewoon belangrijk dat er in het leven van de mens ogenblikken voorkomen waarvan je op je 30e, 40e jaar zegt: nu begrijp ik pas, wat ik toen op mijn 8e of 9e of zelfs nog eerder op gezag aangenomen heb. – Dat stimuleert. Wie daarentegen alles bekijkt wat men tegenwoordig als aanschouwelijkheidsonderwijs bij het leren in wil voeren, die kan zich inderdaad wanhopig beginnen te voelen over de trivialiteit waarmee de dingen gedaan worden om die, zoals men zegt, de kinderen aan het verstand te peuteren. <2>

Denken Sie einmal, Sie nehmen selbst das kleinste Kind, das sich noch recht ungeschickt dabei benimmt, und Sie sagen ihm: Sieh ein­mal, du stehst jetzt da. Hier nehme ich ein Stück Holz. Da habe ich ein Messer. Ich zerschneide nun dieses Stück Holz. Kann ich das auch mit dir machen? Da wird das Kind doch selber darauf kommen, daß ich das mit ihm nicht machen kann. Und nun kann ich dem Kinde sagen: Sieh einmal, wenn ich das Holz zerschneiden kann, dann ist das Holz also nicht so wie du, und du nicht so wie das Holz, denn dich kann ich nicht zerschneiden. Es ist also ein Unterschied zwischen dir und dem Holz. Der Unterschied besteht darinnen, daß du eine Einheit bist. Das Holz ist keine Einheit. Du bist eine Einheit. Dich kann ich nicht zerschneiden. Dasjenige, was du bist, deshalb, weil ich dich nicht zerschneiden kann, das nenne ich eine Einheit.
Nun, man wird jetzt allmählich dazu übergehen, dem Kinde ein Zeichen für diese Einheit beizubringen. Man macht einen Strich: I. Man bringt also dem Kinde bei, daß es eine Einheit ist, und man macht dafür diesen Strich.
Nun kann man abgehen von dem Holz und dem Vergleiche mit dem Kinde, und kann jetzt zu dem Kind sagen: Sieh einmal, da hast

<3>Denk eens in, je kunt zelfs het kleinste kind nemen, dat zich daarbij best wel onbeholpen kan gedragen en je zegt tegen hem: kijk eens, daar sta jij. Hier heb ik een stuk hout. Hier heb ik een mes. Ik snijd dit stuk hout nu doormidden. Kan ik dat met jou ook doen?’  Daar zal het kind zelf wel op komen dat ik dat met hem niet doen kan. En dan kan ik zeggen: ‘Kijk eens, wanneer ik het hout doormidden kan snijden, dan is het hout niet zoals jij bent en jij bent niet als het hout, want jou kan ik niet doormidden snijden. Er is dus een verschil tussen jou en het hout. Het verschil is dat jij een eenheid** bent. Het hout is geen eenheid. Jij bent een eenheid. Jou kan ik niet doormidden snijden. Wat jij bent, omdat ik je niet kan doorsnijden, dat noem ik een eenheid.’
Welnu, dan ga je er langzamerhand toe over het kind een teken voor deze eenheid te leren. Je maakt een streep: l.
Je leert het kind dat dit een eenheid is en daarvoor maak je de streep.
Nu kun je de vergelijking kind – hout loslaten en zeggen: ‘Kijk eens, daar is je

Blz. 80:

du deine rechte Hand, da hast du auch deine linke Hand. Und man wird dem Kinde beibringen können: Wenn du nur diese eine Hand hättest, dann könnte sich diese eine Hand überall hin bewegen, wie du selber. Aber wenn du so weitergehst, dann kannst du dir nicht begegnen, du kannst dich nicht angreifen. Wenn sich aber diese Hand und diese Hand bewegen, dann können sie sich angreifen, dann können sie zusammenkommen. Das ist etwas anderes, als wenn du bloß allein gehst. Weil du allein gehst, bist du eine Einheit. Aber die eine Hand kann der anderen Hand begegnen. Das ist nicht mehr eine Einheit, das ist eine Zweiheit. Siehst du, du bist einer, aber du hast zwei Hände. Das bezeichnest du dann so: II.
Auf diese Weise bringen Sie den Begriff der Einheit und der Zwei­heit aus dem Kinde selbst heraus zustande.
Nun gehen Sie weiter, rufen ein zweites Kind heraus und sagen:
Wenn ihr aber geht, könnt ihr euch auch begegnen, könnt ihr euch auch berühren. Ihr seid eine Zweiheit. Es kann aber noch einer dazu­kommen. Das kann bei den Händen nicht der Fall sein. So kann man übergehen beim Kinde zur Dreiheit: III.

rechterhand; daar is ook je linkerhand.’ En dan zul je het kind kunnen leren: ‘Wanneer je nu alleen deze ene hand zou hebben, dan zou die hand overal naar toe kunnen bewegen, zoals jij zelf. Maar wanneer jij zo doorloopt, dan kun je jezelf niet ontmoeten; je kunt jezelf niet beetpakken. Maar wanneer deze hand en die hand zich bewegen, dan kunnen die elkaar pakken, dan kunnen die bij elkaar komen. Dat is wat anders dan wanneer je in je eentje bent. Omdat jij alleen gaat, ben je eenheid. Maar de ene hand kan de andere hand ontmoeten. Dat is geen eenheid meer, dat is een tweeheid. Zie je, jij bent één; maar je hebt twee handen.’ Dat geef je dan zo aan: l l.
Op deze manier breng je het begrip eenheid en tweeheid vanuit het kind zelf, tot stand.
Nu ga je verder, roept er nog een tweede kind bij en zegt: ‘Wanneer jullie op pad gaan, kun je elkaar ontmoeten, je kunt elkaar ook aanraken. Jullie zijn een tweeheid. Maar er kan er nog een bij komen. Dat kan bij de handen niet het geval zijn.’ Zo kun je met het kind overgaan naar de drieheid: l l l .

Auf diese Weise kann man aus dem, was der Mensch selber ist, die Zahl ableiten; Man kommt vom Menschen zu der Zahl. Der Mensch ist etwas Lebendiges, nichts Abstraktes.
Und man kann übergehen und sagen: Sieh einmal, du hast noch irgendwo eine Zweiheit. Man treibt das so lange, bis das Kind zu seinen beiden Beinen und Füßen kommt. Jetzt sagt man: Aber du hast schon des Nachbars Hund gesehen, ist der auch nur auf zwei Füßen? Dann wird das Kind dazu kommen,in den vier Strichen II II das sich Aufstützen von des Nachbars Hund kennenzulernen, und es wird so aus dem Leben heraus allmählich die Zahl aufbauen lernen.
Da ist es nun gut, wenn der Lehrer wieder überall offene Augen hat und alles mit Verständnis anschaut. So könnte ganz gut, weil man zuerst, wie es ja auch natürlich ist, diese sogenannten römischen Zah­len anfängt zu schreiben – denn das ist dasjenige, was das Kind selbstverständlich gleich auffaßt – nun der Übergang gefunden wer den von der Vier mit Hilfe der Hand zu der Fünf: V. Da wird man dem Kinde sagen: Das ist so, wenn du das (den Daumen) zurückhältst,

Op deze manier kun je uit wat de mens zelf is, het getal afleiden: je komt vanuit de mens bij het getal. De mens is iets levends, geen abstractie.
En je kunt verdergaan en zeggen: ‘Kijk eens, jij beschikt nog ergens over een tweeheid.’ Je gaat net zo lang door tot het kind op zijn beide benen en voeten komt. Je zegt: ‘Maar je hebt de hond van je buurman toch weleens gezien, staat die ook alleen maar op twee voeten?’ Dan komt het kind op de vier strepen l l l l die het leert kennen omdat buurmans hond daarop staat en zo zal het vanuit het leven langzamerhand de getallen gaan opbouwen.
En dan is het weer goed dat de leerkracht opnieuw voor alles zijn ogen open heeft en naar alles met begrip kijkt. Zo kun je heel goed, omdat je in het begin, dat is ook het natuurlijke, de zgn. Romeinse cijfers bent gaan schrijven – want dat begrijpt het kind vanzelfsprekend meteen – nu de overgang vinden vanuit de vier met behulp van de hand naar de vijf: V. Dan kun je tegen het kind zeggen: ‘Nu is het zo, wanneer je deze (de duim) weghoudt,

Blz. 81:

so kannst du diese vier so benützen wie der Hund: I I I I . Dann aber kommt noch der Daumen dazu, jetzt sind es fünf: V.
Ich stand einmal einem Lehrer gegenüber, der in der Erklärung der römischen Zahlen bis zu vier gekommen war, aber nicht darauf kommen konnte, warum es den Römern eingefallen ist, nun nicht fünf Striche nebeneinander zu machen, sondern dieses Zeichen V zu machen für die Fünf. Bis zu I I I I konnte er es ganz gut bringen. Da sagte ich: Nun, machen wir es einmal so, legen wir die fünf Finger so auseinander, daß sie zwei Reihen bilden, und dann haben wir es:
da haben wir in der römischen Fünf die Hand drinnen. Das ist auch die Entstehung der römischen Fünf. Die Hand ist da drinnen.
In einem so kurzen Kurs kann man natürlich nur das Prinzip er­klären. Aber auf diese Weise bekommt man die Möglichkeit, die Zahl selber unmittelbar aus dem Leben abzulesen. Und dann erst, wenn man in dieser Weise unmittelbar aus dem Leben die Zahl her-ausgewirkt hat, versucht man, das Zählen durch Anführen der Zah­len nacheinander durchzunehmen. Aber man versuche dieses so durchzunehmen, daß es den Kindern nicht gleichgültig bleibt. Ehe man ihm sagt: Jetzt sage mir einmal die Zahlen hintereinander auf:

dan kun je deze zo gebruiken als de hond: l l l l. Dan komt de duim er ook bij, nu zijn het er vijf: V.
Ik stond eens tegenover een leraar die met de uitleg van de Romeinse cijfers tot vier was gekomen, maar er niet op kon komen waarom de Romeinen de inval hadden gekregen nu geen vijf strepen naast elkaar te maken, maar dit teken V te maken voor de vijf. Tot l l l l kon hij het heel goed volgen. Toen zei ik: ‘Wel laten we het eens zo doen dat we de vijf vingers zo uit elkaar leggen dat ze twee rijen vormen en dan hebben we het al: we hebben de Romeinse vijf in onze hand.’  Zo is de Romeinse vijf ook ontstaan. Daarin zit de hand.
In zo’n korte cursus kun je natuurlijk alleen maar het principe aangeven. Maar op deze manier krijg je de mogelijkheid het getal zelf direct aan het leven af te lezen. En pas dan, wanneer je op deze manier direct uit het leven het getal hebt laten ontstaan, probeer je het tellen door te nemen, door de getallen na elkaar op te voeren. <3> Maar dat probeer je zo door te nemen dat het voor de kinderen niet lood om oud ijzer is. <4>Voor je hem zegt: ‘Noem de getallen eens na elkaar op:

1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 usw., gehe man zunächst vom Rhythmus aus. Sagen wir, wir gehen von 1 zu 2 = 1 2, 1 2, 1 2; wir lassen das Kind stärker auftreten bei dem 2, gehen zu 3 auch so ins Rhythmische hin­über = 1 2 3, 1 2 3. Auf diese Weise legen wir den Rhythmus in die Zahlenreihe hinein und bilden so auch die Fähigkeit beim Kinde, die Dinge zusammenzufassen. Wir gelangen so wirklich in einer natur­gemäßen Weise dazu, dem Kinde aus dem Wesen der Zahl heraus die Zahlen beizubringen.
Der Mensch glaubt gewöhnlich, er habe die Zahlen ausgedacht, indem er immer eins zum andern hinzugefügt hat. Das ist aber gar nicht wahr, der Kopf zählt überhaupt nicht. Man glaubt im gewöhn­lichen Leben gar nicht, welch ein merkwürdiges, unnützes Organ für das Erdenleben dieser menschliche Kopf eigentlich ist. Er ist zur Schönheit da, gewiß, weil das Antlitz den anderen gefällt. Er hat noch mancherlei andere Tugenden, aber zu den geistigen Tätigkei­ten ist er eigentlich gar nicht so stark da, denn dasjenige, was er geistig

1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9,’ enz. ga je eerst van het ritme uit. Laten ze zeggen, dat we uitgaan van 1 naar 2 = 1  2, 1  2, 1  2; we laten het kind de 2 sterker benadrukken en dat doen we ook ritmisch met de 3 = 1 2 3, 1 2 3. Op deze manier brengen we het ritme in de getallenrij en zo vormen we in het kind ook de vaardigheid de dingen bij elkaar te kunnen nemen. Zo lukt het ons daadwerkelijk op een natuurlijke manier om aan het kind uit het wezen van het getal de getallen aan te leren. <4>
<5> Gewoonlijk gelooft de mens dat hij de getallen uitgevonden heeft door aan het ene telkens het andere toe te voegen. Dat is echter helemaal niet waar, het hoofd telt echt niet. Men gelooft in het dagelijks leven helemaal niet wat een merkwaardig, nutteloos orgaan dit menselijke hoofd eigenlijk is voor het aardse leven. Voor het mooie is hij er zeker wel, omdat de ander een gezicht aardig kan vinden. Het hoofd heeft nog allerlei andere deugden, maar voor de geestelijke activiteit is het eigenlijk helemaal niet zo sterk aanwezig, want hetgeen het geestelijk

Blz. 82:

in sich hat, führt immer zurück in das frühere Erdenleben; er ist das umgestaltete frühere Erdenleben. Und einen richtigen Sinn hat es eigentlich nur dann für den Menschen, einen Kopf zu haben, wenn er etwas weiß von seinen früheren Erdenl eben. Alles andere kommt gar nicht aus dem Kopf. Wir zählen nämlich in Wirklichkeit im Unter­bewußten nach den Fingern. In Wirklichkeit zählen wir 1-10 an den Fingern und 11, 12, 13, 14 an den Zehen weiter. Das sieht man zwar nicht, aber man macht das so bis 20. Und dasjenige, was man im Körper auf diese Weise tut, das spiegelt sich im Kopfe nur ab. Der Kopf schaut nur bei allem zu. Der Kopf im Menschen ist wirk­lich nur ein Spiegelungsapparat von dem, was der Körper macht. Der Körper denkt, zählt; der Kopf ist nur ein Zuschauer.
Dieser Kopf hat eine merkwürdige Ahnlichkeit mit etwas ande­rem. Wenn Sie hier ein Auto haben (es wird gezeichnet) und Sie sitzen bequem darinnen, so tun Sie gar nichts, der Chauffeur da vorne muß sich plagen. Sie sitzen drinnen und werden durch die Welt gefahren. So ist es auch mit dem Kopf; der plagt sich nicht, der ist einfach auf Ihrem Körper, läßt sich ruhig durch die Welt tragen und schaut allem zu. Dasjenige, was getan wird im geistigen Leben, das wird alles vom Körper aus gemacht. Mathematisiert wird vom Körper aus, gedacht wird auch vom Körper aus, gefühlt wird auch vom Körper aus.

in zich draagt, gaat steeds terug op vorige aardelevens; het is het omgevormde vroegere aardeleven. En echt zin voor de mens om een hoofd te hebben, heeft het eigenlijk alleen maar, wanneer hij iets weet van zijn vroegere aardelevens. Al het andere komt helemaal niet uit het hoofd. We tellen namelijk in werkelijkheid onderbewust met de vingers. In werkelijkheid tellen we 1 – 10 met de vingers en 11, 12, 13, 14 met de tenen verder. Dat zie je weliswaar niet, maar dat doe je zo tot 20. En wat je op deze manier in je lijf doet, wordt in het hoofd alleen maar gespiegeld. Het hoofd kijkt bij alles alleen maar toe. Het hoofd van de mens is in werkelijkheid alleen maar een spiegelapparaat van wat het lichaam doet. Het lichaam denkt, telt; het hoofd is slechts toeschouwer.
Dit hoofd vertoont een merkwaardige overeenkomst met wat anders. Wanneer je hier een auto hebt ( het wordt getekend – in het boek ontbreekt de tekening!) en u zit daar comfortabel in, dan doe je helemaal niets, de chauffeur op de voorstoel moet het moeilijke werk doen. U zit erin en wordt door de wereld rondgereden. Zo is het ook met het hoofd; dat doet geen moeite, dat zit alleen maar op je lijf, laat zich rustig door de wereld dragen en kijkt alles aan. Wat aan geestelijk leven wordt verricht komt allemaal vanuit het lichaam. Wiskunde komt vanuit het lichaam, ook denk je vanuit het lichaam en ook voel je er vanuit.

Die Rechenmaschine entspringt eben dem Irrtum, als ob der Mensch mit dem Kopf rechnete. Man bringt dann dem Kinde mit der Rechenmaschine die Rechnungen bei, das heißt, man strengt seinen Kopf an, und der Kopf strengt dann damit den Körper an, denn rechnen muß doch der Körper. Man berücksichtigt nicht, daß der Körper rechnen muß. Das ist wichtig. Deshalb ist es richtig, daß man das Kind mit den Fingern und auch mit den Zehen zählen läßt, wie es überhaupt ganz gut wäre, wenn man möglichste Ge­schicklichkeit bei den Kindern herausfordern würde. Es ist zum Bei­spiel nichts besser im Leben, als wenn man den Menschen im ganzen geschickt macht! Das kann man nicht durch Sport; der macht nicht eigentlich geschickt. Aber geschickt macht es zum Beispiel, wenn man den Menschen einen Griffel zwischen der großen und der nächsten Zehe halten läßt und ihn schreiben lernen läßt mit dem

De rekenmachine vindt zijn oorsprong in de vergissing dat de mens met zijn hoofd rekent. Je leert het kind rekenen met de rekenmachine, dat betekent, je maakt zijn hoofd moe en het hoofd maakt daarmee het lichaam moe, want rekenen moet uiteindelijk het lichaam. Men heeft niet in de gaten dat het lichaam moet rekenen. <5> Dat is belangrijk. <6>Daarom is het goed dat je het kind met zijn vingers en ook met zijn tenen laat tellen, zoals het ook heel goed is, wanneer je het kind zoveel mogelijk uitdaagt in behendigheid. Er bestaat niets beters in het leven dan wanneer je de mens handig maakt. Dat kun je niet door sport; die maakt eigenlijk niet handig. Maar handig maakt het de mens bv. wanneer je een potlood tussen zijn grote en de teen ernaast laat houden en hem dan laat schrijven met zijn

Blz. 83:

Fuß, Ziffern schreiben läßt mit dem Fuß. Das ist etwas, was durchaus Bedeutung haben kann, weil in Wahrheit der Mensch mit seinem ganzen Körper seelendurchdrungen, geistdurchdrungen ist. Der Kopf ist der sich anlehnende und nichtstuende Fahrende, während-dem der Körper überall der Chauf feur ist; der muß alles tun.
Und so muß man von den verschiedensten Seiten her versuchen, dasjenige, was das Kind als Zählen lernen soll, aufzubauen. So ist es wichtig, daß man, wenn man eine Zeitlang so gearbeitet hat, auch dazu kommt, das Zählen nicht bloß durch Zulegen von einem zum anderen – das ist sogar das allerwenigst wichtigste Zählen – hervor­ruft, sondern man bringt dem Kinde bei: das ist die Einheit. Jetzt teilt man das ab (siehe Zeichnung): 

voet, cijfers laat schrijven met zijn voet. Dat kan beslist van betekenis zijn, omdat de mens in waarheid met zijn hele lichaam doordrongen is van ziel en geest. Het hoofd is de reiziger die het zich laat aanleunen, die niets doet, terwijl het lichaam overal de chauffeur is; die alles moet doen. <6>
En dus moet je vanuit de meest verschillende kanten proberen op te bouwen wat het kind bij het tellen moet leren. En daarom is het belangrijk dat je, wanneer je een tijdlang zo gewerkt hebt, er ook toe komt het tellen niet alleen door het ene bij het andere te leggen – dat is zelfs het allerminst belangrijke tellen – maar dat je het kind leert: dit is de eenheid. <7>Nu verdeel je dat (zie tekening):

das ist die Zweiheit. Es ist da nicht eine Einheit neben die andere gelegt zur Zweiheit, sondern da ist die Zwei­heit aus der Einheit hervorgegangen. Das ist die Einheit (siehe oben), das ist nun die Dreiheit. Auf diese Weise kann man die Vorstellung hervorrufen, daß die Einheit eigentlich das Umfas­sende ist, dasjenige, was die Zweiheit, die Dreiheit, die Vierheit zu­sammenfaßt. Wenn man auf diese Weise zählen lernt (siehe Schema) i, 2, 3,4, usw., werden dieBegriffe desKindes lebendig. Dadurch ent­steht in dem Kinde ein innerliches Durchdringen des Zahlenmäßigen.
In gewissen Zeiten des Altertums hat man überhaupt unsere Be­griffe des Zählens, wo immer nur eine Bohne neben die andere ge­legt oder eine Kugel an der Rechenmaschine neben die andere ge­setzt wird, gar nicht so gekannt, sondern man hat eben gesagt: Die Einheit ist das größte; jedes zwei ist nur die Hälfte davon und so weiter. Auf diese Weise kommen Sie in das Wesen des Zählens hin­ein, anschaulich, am Außending. Man soll das Denken des Kindes immer nur am Außending, am Anschaulichen entwickeln, die Ab­straktion möglichst fernhalten.
Das Kind bekommt dann nach und nach die Möglichkeit, die Zah­lenreihe zu haben bis zu einem gewissen Grade, meinetwillen zuerst

dat is de tweeheid. Niet de ene eenheid naast de andere gelegd, is de tweeheid, maar de tweeheid is uit de eenheid ontstaan. Dit is de eenheid – boven – dit is de drieheid.

GA 311 blz. 83

Op deze manier kun je de voorstelling oproepen, dat de eenheid eigenlijk het meest omvattende is, die de tweeheid, drieheid en de vierheid  omvat. Wanneer je op deze manier leert tellen (zie schema) 1, 2, 3, 4, enz. worden de begrippen van het kind levend. Daardoor raakt het kind innerlijk doordringen van wat getallen zijn.
Op bepaalde tijden in de oudheid kende men helemaal niet ons begrip van tellen, waarbij steeds slechts één boon naast de andere gelegd wordt of één bolletje op het telraam naast het andere geplaatst wordt, maar men zou gezegd hebben: de eenheid is het grootst; iedere 2 is daarvan maar de helft enz. Op deze manier kom je in het wezen van het tellen, aanschouwelijk, aan het uiterlijke ding. Je moet het denken van het kind altijd alleen maar aan het uiterlijke ding, aan het aanschouwelijke ontwikkelen, abstracties zoveel mogelijk verre houden.
<8>Het kind krijgt dan langzamerhand de mogelijkheid de getallenrij te kennen tot een bepaalde hoogte, voor mijn part eerst

Blz. 84:

bis 20, dann 100 usw. Aber man gehe auf diese Weise vor, um dem Kinde das Zählen lebendig beizubringen. Ein Kind kann dann zäh­len. Wirklich zählen soll das Kind zuerst lernen – ich sage das aus­drücklich -, nicht gleich rechnen, sondern zählen. Das Kind soll zählen können bevor man ans Rechnen geht.

Wenn man nun dem Kinde das Zählen nahegebracht hat, so wird es sich darum handeln, ans Rechnen heranzudringen. Auch das Rechnen muß aus dem Lebendigen herausgeholt werden. Das Lebendige ist immer ein Ganzes und als Ganzes zuerst gegeben. Man verübt Schlechtes an dem Menschen, wenn man ihn dazu veranlaßt, immer aus den Teilen ein Ganzes zusammenzusetzen, wenn man ihn nicht dazu erzieht, auf ein Ganzes hinzuschauen und dieses Ganze dann in Teile zu gliedern. Dadurch, daß man das Kind veranlaßt, auf ein Ganzes hinzuschauen, es zu gliedern und zu teilen, dadurch führt man das Kind an das Lebendige heran.
Man bemerkt ja vieles nicht, was die materialistische Zeit eigent­lich mit Bezug auf die Menschheitskultur getrieben hat. Heute wird man gar keinen besonderen Anstoß daran nehmen, sondern es als etwas Selbstverständliches betrachten, Kinder mit dem Baukasten spielen zu lassen, einzelne Steinchen zu haben und aus denen so ein Gebäude zusammenzusetzen.

tot 20, dan 100 enz. Maar zo moet je het doen om de kinderen op een levendige manier het tellen aan te leren. Een kind kan dan tellen. Echt tellen moet een kind allereerst leren – ik zeg dat met nadruk – niet meteen leren rekenen, maar tellen. Het kind moet kunnen tellen vóór het gaat rekenen. <8>

<9>Wanneer je nu het kind vertrouwd hebt gemaakt met het tellen, dan komt het rekenen aan de beurt. Ook het rekenen moet tevoorschijn komen uit het leven. Het leven is altijd een geheel en als geheel het eerst gegeven. Je doet iets slechts voor de mens, wanneer je hem ertoe brengt steeds uit de delen een geheel te vormen, wanneer je hem er niet toe opvoedt, eerst naar het geheel te kijken en dit geheel dan te verdelen. Door het kind aan te sporen naar het geheel te kijken, naar de delen te kijken en dan te verdelen, breng je het kind bij het leven.
Je merkt veel niet van wat de materialistische tijd eigenlijk met betrekking tot de cultuur van de mensheid gedaan heeft. Tegenwoordig zegt men er niets van, men vindt het vanzelfsprekend, dat kinderen met een blokkendoos spelen, een paar steentjes te hebben en daarmee een gebouw te maken.

Das ist von vornherein ein Wegführen des Kindes vom Lebendigen. Das Kind hat aus seiner Wesenheit her­aus gar nicht das Bedürfnis, aus Teilen ein Ganzes zusammenzu­setzen. Das Kind hat viele andere, allerdings unbequemere Bedürf­nisse. Das Kind hat, wenn es nur einmal darauf kommt, gleich das Bedürfnis, wenn man ihm eine Uhr gibt, sie gleich zu zerteilen, das Ganze in die Teile zu zerlegen, und das entspricht viel mehr der Wesenheit des Menschen, nachzusehen, wie sich ein Ganzes in die Teile gliedert.
Das ist dasjenige, was nun auch beim Rechenunterricht berück­sichtigt werden muß. Daß das auf die ganze Kultur einen Einfluß hat, mögen Sie aus folgendem Beispiel ersehen.
So bis ins dreizehnte, vierzehnte Jahrhundert herein legte man gar keinen so großen Wert darauf, im menschlichen Denken ein Ganzes

Dat is meteen een wegvoeren van het leven. Het kind heeft van binnenuit helemaal de behoefte niet om uit delen een geheel te maken. Het kind heeft veel andere, zeker minder gemakkelijkere behoeften. Het kind heeft, wanneer hij het eenmaal door heeft, meteen de behoefte, wanneer je hem een horloge geeft, het uit elkaar te halen, het geheel in delen te splitsen en dat is veel meer in overeenstemming met het wezen van de mens, kijken hoe een geheel zich in delen laat verdelen. En dit moet ook bij het rekenonderwijs in aanmerking worden genomen. Dat dit op de hele cultuur van invloed is, moge uit het volgende voorbeeld blijken.
Zo tot in de dertiende, veertiende eeuw hechtte de mens er helemaal niet zo’n grote waarde aan om denkend een geheel

Blz. 85:

aus seinen Teilen zusammenzusetzen. Das kam erst später auf. Der Baumeister baute viel mehr aus der Idee des Ganzen heraus, und gliederte in die Teile, als daß er aus Teilen ein Gebäude zusammen­gesetzt hätte. Das Zusammensetzen aus Teilen kam eigentlich erst später in die Menschheitszivilisation hinein. Und das hat dann dazu geführt, daß die Menschen überhaupt angefangen haben, alles aus kleinsten Teilen sich zusammengesetzt zu denken. Daraus kam die atomistische Theorie in der Physik. Die kommt nur aus der Erzie­hung. Unsere hohen Gelehrten würden gar nicht so sprechen von diesen winzigen kleinen Karikaturen von Dämonen – denn es sind Karikaturen von Dämonen -, von den Atomen, wenn man sich nicht in der Erziehung daran gewöhnt hätte, aus Teilen alles zusammen-zusetzen. So ist der Atomismus gekommen. Wir kritisieren heute den Atomismus; aber eigentlich sind die Kritiken ziemlich überflüssig, weil die Menschen nicht loskommen von dem, was sie sich seit vier bis fünf Jahrhunderten angewöhnt haben verkehrt zu denken: statt von dem Ganzen in die Teile hinein zu denken, von den Teilen auf das Ganze zu denken:

uit de delen samen te stellen. Dat kwam pas later. De bouwmeester bouwde veel meer uit de idee van het geheel, de delen onderscheidend, dan dat hij uit de delen een gebouw samenstelde. Het samenstellen uit delen kwam eigenlijk pas later in de mensheidsbeschaving. En dat heeft er dan toe geleid dat de mensen pas toen begonnen zijn om alles uit de kleinste deeltjes samengesteld te denken. Vandaaruit kwam de atomistische theorie in de natuurkunde. Die komt enkel en alleen uit de opvoeding. Onze grote geleerden zouden helemaal niet zo over deze nietige, kleine karikaturen van demonen spreken – het zijn karikaturen van demonen -, over de atomen, wanneer ze er via de opvoeding niet gewend aan waren geraakt, alles uit delen in elkaar te zetten. Zo is het atomisme ontstaan. We hebben tegenwoordig kritiek op het atomisme, maar eigenlijk is die kritiek tamelijk overbodig, omdat de mensen niet los komen van waaraan zij al vier of vijf eeuwen gewend zijn: er verkeerd over te denken

statt von dem Ganzen in die Teile hinein zu denken, von den Teilen auf das Ganze zu denken.
Das ist etwas, was man sich besonders beim Rechenunterricht sagen sollte. Wenn Sie von ferne auf einen Wald zugehen, haben Sie doch zuerst den Wald, und dann erst, wenn Sie nahekommen, glie­dern Sie den Wald in die einzelnen Bäume. So müssen Sie auch beim Rechnen vorgehen. Sie haben ja niemals in Ihrer Börse, sagen wir, i, 2, 3, 4, 5, sondern Sie haben einen Haufen Geldstücke. Sie haben die 5 zusammen. Das ist ein Ganzes. Das haben Sie zuerst. Sie haben auch gar nicht, wenn Sie sich eine Erbsensuppe kochen, i, 2, 3, 4, 5 bis 30, 40 Erbsen, sondern Sie haben einen Haufen. Sie haben auch nicht, wenn Sie ein Körbchen Äpfel haben, i, 2, 3, 4, 5, 6, 7 usw. Äpfel, sondern einen Haufen Äpfel in Ihrem Körbchen. Sie haben ein Ganzes. Was geht es uns zunächst an, wieviel wir haben, wir haben einen Haufen Äpfel (es wird gezeichnet). Jetzt kommen wir mit diesem Haufen Äpfel nach Hause. Drei Kinder sind da. Wir wollen zunächst gar nicht darauf ausgehen, die Teilung gleich so vorzunehmen, daß jedes das gleiche bekommt. Vielleicht ist das eine Kind klein, das andere groß. Wir greifen hinein, geben dem größeren

in plaats van te denken vanuit het geheel naar de delen, ze denken vanuit de delen naar het geheel.
Dat moet in het bijzonder bij het rekenonderwijs worden gezegd. Wanneer je van verre een bos nadert, zie je toch eerst het bos en pas wanneer je dichterbij komt, ga je de aparte bomen onderscheiden. Dat moet je ook bij rekenen volgen. Je hebt in je portemonnee nooit, laten ze weggen 1, 2, 3, 4, 5, maar je hebt een handje munten. Je hebt er 5 bij elkaar. Dat is het geheel. Dat heb je eerst. Je hebt ook zeker niet, wanneer je erwtensoep kookt, 1, 2, 3, 4, 5 tot 30, 40 erwten, maar je hebt een hoopje. Je hebt ook niet, wanneer je een mandje met appels hebt, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 enz. appels, maar een hoeveelheid appels in je mand. Je hebt een geheel. Wat interesseert het ons aanvankelijk hoeveel we er hebben, wij hebben er een aantal (het wordt getekend) Nu komen we met deze appels thuis. Er zijn drie kinderen. We willen nu nog helemaal niet zo werken de deling meteen zo te maken dat ieder evenveel krijgt. Misschien is het ene kind klein, het andere groot. Wij regelen het, geven het grotere

Blz. 86

Kind einen größeren Haufen, dem kleineren Kind einen kleineren Haufen; wir gliedern den Haufen Äpfel, den wir haben, in drei Teile.
#Bild s. 86
Beim Teilen ist es ohnehin so eine merkwürdige Geschichte! Da hatte einmal eine Mutter ein großes Stück Brot und sagte zu dem einen Kind, das Heinrich hieß: Du mußt jetzt teilen, aber christlich teilen. Da fragte der Heinrich: Was heißt denn das, christlich teilen? Nun ja, sagte die Mutter, du mußt das Brot in ein kleineres und ein größeres Stück schneiden, das größere gibst du deiner Schwester Anna, du behältst das kleinere. Darauf sagte Heinrich: Nein, dann soll nur die Anna christlich teilen!
Da muß man noch andere Begriffe zu Hilfe nehmen. Wir machen das so, daß wir zum Beispiel dem einen Kind das geben (siehe Ab­grenzung bei der Zeichnung), dem zweiten Kind diesen Haufen, und dem dritten Kind diesen Haufen. Damit wir es ordentlich über­schauen können, zählen wir zunächst den ganzen Haufen, denn zäh­len kann das Kind schon.

kind een grotere hoop, het kleinere kind een kleiner hoopje; we verdelen de hoop appels die we hebben in drie delen:

GA 311 blz. 86

Bij delen heb ik hier zondermeer een merkwaardig verhaal! Er was eens een moeder die een groot stuk brood had; ze zei tegen haar ene kind die Henk heette: ‘Jij moet nu delen, maar christelijk delen.’ Toen vroeg Henk: ‘Wat is dat dan, christelijk delen?” ‘Nu’, zei de moeder, ‘jij moet het brood in een klein en een groot stuk snijden, het grotere geef je aan je zusje Anna, jij houdt het kleinere.’ Toen zei Henk: ‘Nee, dan moet Anna maar christelijk delen!’
Dan moet je nog andere begrippen te hulp nemen. Nu doen we het zo, dat wij bv. het ene kind dit geven (zie de begrenzing in de tekening), het tweede kind dit hoopje en het derde kind dit hoopje. Om het goed te kunnen overzien tellen we eerst de hele hoop, want tellen kan het kind al.

Es sind 18 Äpfel. Jetzt habe ich es zu zäh­len. Wieviel hat das erste Kind? 5. Wieviel hat das zweite Kind? 5. Wieviel hat das dritte Kind? 8.
Somit bin ich vom Ganzen ausgegangen, vom ganzen Haufen Äpfel, und habe ihn in drei Teile aufgeteilt.
Sehr häufig macht man es im Unterricht so, daß man sagt: Du hast 5 und noch einmal 5 und 8; die zählst du zusammen, dann gibt das 18.    Da gehen Sie vom Einzelnen aus und kommen zum Ganzen. Aber das gibt dem Kind tote Begriffe, keine lebendigen Begriffe. Gehen

Er zijn 18 appels. Nu moet ik tellen. Hoeveel heeft het eerste kind? 5. Hoeveel het tweede kind? 5. Hoeveel het derde kind? 8
Dus zo ben ik van het geheel uitgegaan, van de hele hoop appels en die heb ik in drie delen opgesplitst.
Heel vaak doet men het in het onderwijs zo, dat men zegt: ‘Je hebt er 5 en nog een keer 5 en 8; die telt men dan op, dat zijn er 18. Hierbij ga je van de losse uit en kom je bij het geheel. Maar dat levert het kind dode begrippen op, geen levende. Ga

Blz. 87:

Sie vom Ganzen aus, von den 18, und teilen Sie es auf in die Summanden, so bekommen Sie die Addition.
Unterrichten Sie also nicht so, daß Sie ausgehen von dem einzelnen Addenden oder Summanden, sondern gehen Sie von der Summe aus
– die ist das Ganze – und gliedern Sie sie in die einzelnen Addenden. Dann können Sie dazu kommen, nun zu sagen: Aber ich kann jetzt auch anders aufteilen. Ich kann so teilen -ii ich habe nun andere Ad­denden, das Ganze bleibt immer gleich. Dadurch, daß Sie die Addi­tion nicht so nehmen, wie man sie sehr häufig nimmt, indem man zuerst die Addenden hat und dann die Summe, sondern zuerst die Summe gibt und dann die Addenden, kommen Sie zu ganz lebendi­gen, beweglichen Begriffen. Sie kommen auch darauf, daß da, wo es nur auf die Zahl ankommt, das Ganze eben etwas Gleichbleibendes ist; die einzelnen Summanden, Addenden, können sich ändern. Dieses Ei­gentümliche der Zahl, daß man sich die Addenden in verschiedener Art gruppiert denken kann, das kommt dabei sehr schön heraus.

je van het geheel uit, van de 18 en verdeel je die in optellers, dan krijg je een optelling.
Leer het niet zo aan dat je uitgaat van losse getallen***, maar ga uit van de som – dat is het geheel – en verdeel dan in de losse getallen. Dan kun je erop komen te zeggen: ‘Maar ik kan nu ook anders delen. Ik kan ook zo verdelen….ik heb nu andere getallen, het geheel blijft steeds hetzelfde. Omdat je de getallen niet zo neemt, zoals ze ze vaak worden genomen wanneer men eerst de getallen heeft en dan de som, maar eerst de som geeft en dan de getallen, dan kom je tot heel levendige, beweeglijke begrippen. Je komt erop dat daar waar het slechts aankomt op het getal, het geheel iets is wat gelijk blijft; de losse, de optellers en de opteltallen kunnen steeds anders zijn. Het karakteristieke van het getal dat je de losse getallen op een verschillende manier gegroepeerd kan denken, komt daarbij heel mooi naar voren.

Dann können Sie übergehen und sagen: Wenn aber etwas nicht nur Zahl ist, sondern die Zahl in sich hat, wie der Mensch, dann kann man nicht in verschiedener Weise teilen. So zum Beispiel wenn Sie den menschlichen Rumpf nehmen und dasjenige, was daran hängt, Kopf, Arme und Füße – da können Sie nicht in beliebiger Weise das Ganze aufteilen, da können Sie nicht sagen: ich schneide den einen Fuß so heraus, die Hand so heraus und so weiter, sondern das ist in bestimmter Weise schon von der Natur aus gegliedert.
Wo es bloß auE das Zählen ankommt, da ist nicht von der Natur aus gegliedert, da kann ich in verschiedener Weise aufteilen.
Das ist dasjenige, wodurch Sie überhaupt die Möglichkeit bekom­men, Leben und lebendiges Fließen in den Unterricht hineinzubrin­gen. Alle Pedanterie fällt heraus aus dem Unterricht, und Sie wer­den sehen, es kommt etwas in den Unterricht hinein, was das Kind außerordentlich gut braucht: es kommt in gesundem Sinne, nicht in kindischem Sinne, Humor in den Unterricht hinein. Und Humor muß in den Unterricht hineinkommen.
Übersetzen Sie das Wort «Humor» gut; das wird immer im Unter­richt mißverstanden!

Dan kun je verder gaan en zeggen: wanneer iets niet alleen een getal is, maar het getal in zich draagt, zoals de mens, dan kun je niet op een verschillende manier delen. Als je bv. de menselijke romp neemt en dat wat eraan hangt, hoofd, armen en voeten – daar kun je niet op een willekeurige manier het geheel opdelen, daar kun je niet zeggen: ik snij de ene voet zo weg, de hand zo enz, maar dat is op een bepaalde manier al door de natuur verdeeld.
Waar het alleen op tellen aankomt, is het niet vanuit de natuur verdeeld, daar kan ik op verschillende manieren delen.
Hierdoor krijg je bovendien de mogelijkheid leven en een levendige stroom in het onderwijs  te brengen. Alle pedanterie valt uit het onderwijs weg en je zult zien dat er iets in het onderwijs komt, dat het kind buitengewoon goed gebruiken kan: er ontstaat op een gezonde manier, niet op een kinderachtige manier, humor in het onderwijs. <9>En bij het lesgeven hoort humor.
Vertaal het woord ‘humor’ goed; dat wordt in het onderwijs steeds verkeerd begrepen.

Blz. 88:

So müssen Sie überhaupt im Unterricht vorgehen: überall von dem Ganzen ausgehen. Nehmen Sie einmal an, Sie wollen, ganz aus dem Leben heraus, folgendes machen. Die Mutter hat das Mariechen geschickt, Äpfel zu holen. Das Mariechen hat 25 Äpfel bekommen. Das hat die Kaufmannsfrau auf einen Zettel aufgeschrieben. Das Mariechen kommt nach Hause und bringt nur 10 Äpfel. Die Tat­sache liegt vor, die ist aus dem Leben: das Mariechen hat 25 Äpfel bekommen und hat nur 10 nach Hause gebracht. Das Mariechen ist ein ehrliches Mariechen, hat wirklich keinen einzigen Apfel auf dem Wege aufgegessen, hat aber doch nur 10 Äpfel nach Hause gebracht. Jetzt kommt jemand nachgelaufen, der auch ehrlich ist, und bringt alle die Äpfel nach, die das Mariechen auf dem Weg verloren hat. Jetzt wird die Frage entstehen: Wieviel bringt der nach? Man sieht ihn erst von ferne kommen. Jetzt will man vorher wissen, wieviele er nachbringt. Nun, das Mariechen ist angekommen, 10 Äpfel hat es gebracht, 25 hatte es bekommen, das sieht man auf dem Zettel, auf dem die Frau es aufgeschrieben hat. Es hat also 15 Äpfel verloren.

Dat moet je in het onderwijs zeer zeker doen: overal va

n het geheel uitgaan. Neem eens aan dat je echt vanuit het leven het volgende wil doen. <10>Moeder heeft Marie erop uitgestuurd om appels te halen. Marie heeft 25 appels gekregen. Dat heeft de verkoopster op een briefje geschreven. Marie komt thuis en heeft maar 10 appels. Zo ligt het, het is uit het leven: Marie heeft 25 appels gekregen en heeft er maar 10 thuisgebracht. Marie is een eerlijke Marie, ze heeft echt geen enkele appel opgegeten en toch heeft ze er maar 10 thuisgebracht. Nu komt er iemand achter haar aan gelopen die ook eerlijk is en die brengt alle appels mee die Marie onderweg verloren is. Nu zal de vraag rijzen: hoeveel worden er gebracht? Je ziet hem alleen maar van verre aankomen. Je wil wel van te voren weten met hoeveel hij er aankomt. Marie is thuisgekomen en heeft 10 appels meegebracht, ze heeft er 25 gekregen, dat staat op het papiertje dat de dame heeft geschreven. Ze is dus 15 appels verloren.

Sehen Sie, jetzt haben Sie die Rechnung gemacht. Gewöhnlich macht man es so: etwas ist gegeben, man soll etwas abziehen, und dann bleibt etwas übrig. Aber im Leben – Sie werden sich davon überzeugen – kommt es viel häufiger vor, daß man dasjenige, was man ursprünglich bekommen hat, und dasjenige, was übriggeblieben ist, weiß, und man muß dasjenige, was verlorengegangen ist, auf­suchen. Man soll also die Subtraktion, damit man die Sache lebendig treibt, so machen, daß man vom Minuend und vom Rest ausgeht, und den Subtrahend sucht; nicht vom Minuend und Subtrahend aus­gehen und den Rest suchen. Das ist tot. Lebendig ist es, vom Minuend und vom Rest auszugehen und den Subtrahen den zu suchen. Dadurch bekommen Sie Leben in den Unterricht hinein.
Sie werden das schon sehen, wenn Sie die Sache von der Mutter und dem Mariechen ins Auge fassen und den, der den Subtrahenden bringt. Das Mariechen hat vom Minuend den Subtrahend verloren, und das will man so rechtfertigen, daß man von dem, der da nach­kommt, den man herankommen sieht, wissen will, wieviel er bringen muß. Da kommt in die ganze Subtraktion Leben, wirkliches Leben

Kijk, zie je, nu heb je de berekening gemaakt. Gewoonlijk doet men het zo: iets is gegeven, je moet er iets van aftrekken en dan blijft er wat over. Maar in het leven – daar kun je je van overtuigen – komt het veel vaker voor, dat je, wat je oorspronkelijk gekregen hebt weet en wat over is weet je en wat er verloren is gegaan, moet je opzoeken. Je moet de aftrekking dus, om de zaak levendig te behandelen, zo maken, dat je van het aftrektal en van de rest uitgaat en de aftrekker zoekt; niet van het aftrektal en de aftrekker uitgaan en de rest zoeken. Dat is doods. Levend is, uitgaan van het aftrektal en de rest en de aftrekker opzoeken. Daardoor krijg je leven in het lesgeven.
Je zult het al wel zien, wanneer je kijkt naar het geval van de moeder en Marietje en van degene die de aftrekker thuisbrengt. Marie is van het aftrektal de aftrekker verloren en dat wil je zo vereffenen dat je van degene die erachter aankomt wil weten hoeveel hij er mee moet brengen. Dan komt er leven in de hele aftrekking, echt leven

Blz. 89

hinein. Wenn man nur danach fragt: wieviel bleibt übrig – bringt das nur Totes in die Seele des Kindes hinein. Sie müssen immer darauf bedacht sein, überall das Lebendige, nicht das Tote in das Kind hin­einzubringen.
Und so können Sie dann weitergehen. Sie können die Multipli­kation so treiben, daß Sie sagen: Das Ganze, das Produkt ist vor­handen; wie kann man finden, wievielmal irgend etwas in diesem Produkt drinnensteckt? Sehen Sie, da kommen Sie auf Lebendiges. Denken Sie einmal, wie tot es ist, wenn Sie sagen: Ich teile mir diese ganze Gruppe von Menschen ab, da sind drei, da sind noch einmal drei usw., und ich frage jetzt: wievielmal drei sind da? Das ist tot, da ist kein Leben drinnen.
Wenn ich umgekehrt vorgehe und das Ganze nehme und frage, wie oft irgendeine Gruppe drinnen stecke, dann kann ich Leben hin­einbringen. Ich kann zum Beispiel zu den Kindern so sagen: Seht, ihr seid hier in der Klasse eine gewisse Zahl. Zählen wir es ab. Ihr seid 45. Jetzt suche ich mir 5 heraus, 1, 2, 3, 4, 5, die stelle ich daher. Nun lasse ich abzählen, wievielmal sind diese 5 da drinnen in diesen 45? Sehen Sie, da gehe ich wieder aufs Ganze, nicht in den Teil.

in. Wanneer je slechts vraagt: hoeveel blijft er over – beng je alleen iets doods in de ziel van een kind. Je moet er altijd op bedacht zijn overal het levende, niet het dode aan het kind te brengen.
En zo kun je dan verder gaan. Je kunt de vermenigvuldiging zo doen, dat je zegt: het geheel is het product, dat is aanwezig; hoe kun je vinden hoeveel keer iets in dit product zit? Kijk, dan kom je op iets levends. Denk eens hoe doods dat is, wanneer je zegt: deze hele groep mensen verdeel ik, hier zijn er drie, daar nog eens drie enz. en nu vraag ik: hoeveel keer drie zijn er? Dat is dood, daar zit geen leven in.
Wanneer ik het omgekeerd doe en het geheel neem en vraag, hoe vaak een of ander groepje daarin zit, dan kan ik er leven in brengen. Ik kan het bv. zo tegen de kinderen zeggen: ‘Kijk, jullie zijn hier in de klas met een bepaald aantal. We tellen ze. Jullie zijn met 45. Nu zoek ik er 5 uit, 1, 2, 3, 4, 5, die laat ik daar staan. Nu laat ik tellen, hoe vaak deze 5 in deze 45 zitten. Zie je, dan ga ik weer naar het geheel, niet naar het deel.

Wie­viel solcher Fünfer-Gruppen kann ich noch machen? Da komme ich darauf, es sind noch acht Fünfer-Gruppen da drinnen. Also ich mache die Sache umgekehrt, gehe vom Ganzen aus, vom Produkt, und suche, wie oft ein Faktor da drinnen steckt. Dadurch belebe ich mir die Rechnungsarten und gehe vor allen Dingen vom Anschau­lichen aus. Und darauf kommt es an, daß wir das Denken nie, nie, nie loslösen von dem Anschaulichen, sonst kommt an das Kind früh der Intellektualismus, die Abstraktion heran, und wir verderben das ganze Kind. Wir machen es trocken, und außerdem züchten wir in ihm – wir werden noch sprechen von der geistig-seelisch-physischen Erziehung -, wir zuchten in ihm die Austrocknung auch des physi­schen Leibes, die Sklerose.
Wiederum hängt viel davon ab, daß wir so rechnen lehren, wie es hier beobachtet worden ist, damit der Mensch im Alter noch beweg­lich bleibt, noch geschickt ist. Wenn Sie am menschlichen Körper, so wie ich es beschrieben habe zählen lehren, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9,

Hoeveel van zulke groepjes van 5 kan ik nog maken. En dan kom ik erachter dat er nog acht groepjes van vijf in zitten. Dus ik doe het omgekeerd, ga van het geheel uit, van het product en zoek op hoe vaak een factor daar in zit. Daardoor maak ik de rekenvormen levend en ga ik bovenal van het aanschouwelijke uit. En het komt erop aan dat wij het denken nooit, nooit, nooit losmaken van het aanschouwelijke, anders komt het kind te vroeg in het intellectualisme, de abstractie en dan bederven we het hele kind. We maken het dor en bovendien stimuleren we in hem – we zullen nog spreken over de opvoeding van geest, ziel en lichaam -, we stimuleren in hem het uitdrogen, ook van het fysieke lichaam, de sclerose.
Opnieuw hangt er veel vanaf dat we zo het rekenen aanleren zoals het hier bekeken is opdat de mens nog op hoge leeftijd beweeglijk blijft, nog mee kan komen. Wanneer je aan het menselijke lichaam, zoals ik het beschreven heb, leert tellen, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9,

Blz. 90:

10 und dann weiter mit den Zehen – ja es wäre schon ganz gut, wenn man die Kinder gewöhnen würde, bis 20 wirklich mit Fingern und Zehen zu zählen, nicht mit der Rechenmaschine -, wenn Sie das die Kinder lehren, dann werden Sie sehen, durch dieses kindliche Meditieren – denn wenn man an den Fingern zählt, wenn man mit den Zehen zählt, so muß man auch an die Finger und Zehen denken, das ist ein Meditieren über den eigenen Körper, und zwar ein gesundes Meditieren -, da bringt man Leben hinein in den Körper. Man ist dann im Alter mit den Gliedern noch geschickt; sie behaupten sich, weil sie am ganzen Organismus das Zählen gelernt haben. Wenn man nur mit dem Kopfe denkt, nicht mit den Gliedern und dem übrigen Organismus denkt, dann können sie sich später auch nicht behaupten, und man kriegt die Gicht.
Wie man aus dem Anschaulichen heraus, nicht aus dem, was man heute oftmals «Anschauungsunterricht» nennt, alles in Erziehung und Unterricht besorgen muß, das möchte ich Ihnen nun an einem bestimmten Fall zeigen, der ja tatsächlich im Unterricht eine ganz besondere Rolle spielen kann.  

10 en dan verder met de tenen – ja het zou al heel goed zijn, wanneer je de kinderen eraan zou wennen, tot 20 werkelijk met vingers en tenen te tellen, niet met het telraam -, wanneer je dat de kinderen aanleert, dan zul je zien, dat door deze kinderlijke manier van bezinning – want wanneer je met de vingers telt, wanneer je met je tenen telt, dan moet je aan je vingers en tenen denken, dat is een bezinning over je eigen lijf en wel een gezonde bezinning – daarmee breng je leven in het lijf. Dan ben je in de ouderdom met je ledematen nog behendig; je kunt er nog wat mee, omdat ze het tellen hebben geleerd aan het hele organisme. Wanneer je alleen maar met het hoofd denkt, niet met de ledematen en de rest van het organisme denkt, dan kun je er later niet veel meer mee en je krijgt jicht. <10>

Hoe je alles vanuit het aanschouwelijke, niet vanuit wat men tegenwoordig dikwijls ‘aanschouwelijkheidsonderwijs’ noemt, in opvoeding en onderwijs moet doen, wil ik nog graag laten zien aan een bepaald iets dat in het onderwijs daadwerkelijk een bijzondere rol moet spelen.

Es ist der Fall des pythagoreischen Lehrsatzes, den Sie ja wohl alle kennen, wenn Sie unterrichten wer­den, den Sie vielleicht schon in einer ähnlichen Weise durchschaut haben, aber wir wollen ihn heute doch noch besprechen. Sehen Sie, der pythagoreische Lehrsatz bedeutet etwas, was man sich tatsäch­lich im Unterrichte so als ein Ziel hinstellen kann für die Geometrie. Man kann schon die Geometrie so aufbauen, daß man sagt: man will alles so gestalten, daß sie gipfelt in dem pythagoreischen Lehrsatz, daß das Quadrat der Hypotenuse eines rechtwinkligen Dreiecks gleich ist der Summe der beiden Kathetenquadrate. Es ist etwas ganz Grandioses, wenn man das so recht ins Auge faßt.
Ich habe einmal einer Dame, die dazumal schon älter war, weil sie das so liebte, Geometrie beibringen sollen. Ich weiß nicht, ob sie alles vergessen hatte – aber vermutlich hatte sie nicht viel gelernt gehabt in den Mädchenerziehungsinstituten, in denen man so als Mädchen erzogen wird -, jedenfalls wußte sie nichts von Geometrie. Ich fing nun an und gipfelte das Ganze bis zum pythagoreischen

<11>Dat is de stelling van Pythagoras die u allemaal wel kent, wanneer u in het onderwijs werkzaam bent, die u wellicht op een soortgelijke manier inzichtelijk is, maar we willen hem vandaag toch nog bespreken. Kijk, de stelling van Pythagoras is  iets wat je je concreet als doel kan stellen in de meetkunde. Je kan de meetkunde zo opbouwen dat je zegt: ik wil alles zo organiseren dat het uitmondt in de stelling van Pythagoras, dat het kwadraat van de hypotenusa van een rechthoekige driehoek gelijk is aan de som van de kwadraten van de beide rechthoekszijden. Dat is iets grandioos, als je er goed naar kijkt.
Ik moest eens een dame die toen al ouder was, omdat ze er zo van hield, meetkunde leren. Ik weet niet of ze alles vergeten was – maar vermoedelijk had ze op het meisjesinternaat waar je als meisje opgevoed werd niet veel geleerd – in ieder geval wist ze niets van meetkunde. Ik begon en liet alles uitmonden in de stelling van

Blz. 91:

Lehrsatz hin. Nun hatte der pythagoreische Lehrsatz für die Dame in der Tat etwas außerordentlich Frappieren des. Man ist nur gewöhnt an dieses Frappierende. Aber nicht wahr, man soll einfach das ver­stehen, daß, wenn ich hier ein rechtwinkliges Dreieck habe (es wird gezeichnet), die Fläche, die als Quadrat über der Hypotenuse er­richtet wird, gleich ist der Summe dieser beiden Quadratflächen über den Katheten (Fig. I). Daß, wenn ich also Kartoffeln pflanze,

Pythagoras. Nu had deze stelling voor die dame inderdaad iets buitengewoon frapperends. Men is alleen gewend aan dit frapperende. Maar, niet waar, je moet simpelweg begrijpen dat wanneer ik hier een rechthoekige driehoek heb (het wordt getekend) het vlak dat als kwadraat op de hypotenusa staat, even groot is als het totaal van deze twee kwadraten op de rechthoekszijde. (Fig.l)

fig.lGA 311 blz. 91

Dat, wanner ik aardappelen poot en die  overal op gelijke afstand van elkaar zet, ik, wanneer ik deze akker en deze samen met aardappelen beplant, precies evenveel aardappelen zal poten als hier op deze akker. Dat is iets verrassends, iets heel verrassends en wanneer je er zo naar kijkt kun je het eigenlijk niet doorzien.
En juist dat je het niet kunt doorzien, dat het zo wonderbaarlijk is, moet je in het onderwijs benutten als een innerlijke stimulans; je moet ervanuit gaan dat je iets hebt wat niet zo makkelijk te doorzien is, dat moet je steeds weer toegeven. Je zou willen zeggen: bij de stelling van Pythagoras is het zo: je kan die aannemen, maar je raakt het houvast steeds weer meteen kwijt. Je moet steeds weer opnieuw

Blz. 92:

daran glauben, daß das Hypotenusenquadrat gleich ist der Summe der beiden Kathetenquadrate.
Nun kann man ja allerlei Beweise finden, und der Beweis sollte eigentlich ganz anschaulich geliefert werden. Er ist leicht zu liefern, solange das Dreieck gleichschenklig ist. Wenn Sie hier ein gleich­schenklig-rechtwinkliges Dreieck haben (es wird gezeichnet, Fig. II),

geloven dat het hypotenusakwadraat gelijk is aan de som van de kwadraten van de beide rechthoekszijden.
Nu kun je allerlei bewijzen vinden en het bewijs moet eigenlijk heel aanschouwelijk geleverd worden. Het is makkelijk om het te leveren zolang de driehoek gelijkbenig is. Wanneer je hier een rechthoekige gelijkbenige driehoek hebt (het wordt getekend, fig.l l)

GA 311 blz. 93 1

so ist dieses hier die eine Kathete, dies ist die andere Kathete, das ist die Hypotenuse. Das, was ich jetzt orange zeichne (1, 2, 3, 4), ist das Quadrat über der Hypotenuse. Das, was ich blau zeichne, sind die Quadrate über den beiden Katheten (2, 5; 4, 6).
Nun ist es wiederum so, wenn ich in der richtigen Weise hier über diesen beiden blauen Feldern (2, 5; 4, 6), Kartoffeln anpflanze, be­komme ich gleichviel, wie wenn ich in dem orangen Feld (1, 2, 3, 4) Kartoffeln anpflanze. Das orange Feld ist das Quadrat über der Hypotenuse, die beiden blauen Felder (2, 5; 4, 6) sind die Quadrate über den beiden Katheten.
Nun können Sie ja den Beweis einfach machen, indem Sie sagen:
Die zwei Stücke (2, 4) von den beiden blauen Quadraten, die fallen da (ins Hypotenusenquadrat) herein, die sind schon drinnen. Das da (5) können Sie hier heraufsetzen (auf 3). Wenn Sie sich das Ganze ausschneiden, können Sie das Stück (6) hier darauflegen (auf i), und Sie haben es gleich. Also, da ist die Sache ganz durchsichtig, wenn man ein sogenanntes rechtwinklig-gleichschenkliges Dreieck hat. Aber hat man nicht ein rechtwinklig-gleichschenkliges Dreieck, sondern eines von verschiedenen Seiten (wie Fig. I), da kann man das folgende machen: Zeichnen Sie sich dieses Dreieck noch einmal

dan is dit hier de kleine rechthoekszijde, dit is de andere, dit is de hypotenusa. Wat ik oranje teken (1,2,3,4) is het kwadraat op de hypotenusa. Wat ik blauw teken zijn de kwadraten op de beide rechthoekszijden.
Nu is het weer zo, wanneer ik op de juiste manier op deze beide blauwe velden (2, 5; 4, 6 ) aardappelen poot, dan krijg ik net zoveel als wanneer ik dat op de oranje velden (1, 2, 3, 4) doe. Het oranje veld is het kwadraat op de hypotenusa, de beide blauwe velden (2,5; 4,6) zijn de kwadraten op de beide rechthoekszijden.
Nu kun je het bewijs eenvoudig maken en zeggen: de twee stukken (2, 4) van de beide blauwe kwadraten die vallen daar (in het hypotenusakwadraat) binnen, die zitten er al in. Dit (5) kun je hier zetten ( op 3). Wanneer je het zou uitknippen, zou je het stuk (6) hier erop kunnen leggen (op 1) en dan heb je het al. Dus, nu is het goed te doorzien als je een zgn. rechthoekige gelijkbenige driehoek hebt. Maar als je die niet hebt, maar een met verschillende kanten (zoals fig.l) dan kun je het volgende doen: teken de driehoek nog een keer

Blz. 93:

heraus (Fig. III: ABC). Zeichnen Sie jetzt das Quadrat über der Hy­potenuse ABDE. Nun können Sie in folgender Weise zeichnen: Sie
#Bild s. 93
können das Dreieck ABC, das Sie hier haben, hier daran zeichnen:
BDF. Dann können Sie dieses Dreieck ABC, respektive dieses BDF, was dasselbe ist, noch einmal hierher zeichnen: AEG. Dadurch, daß Sie dieses Dreieck hier noch einmal haben, können Sie sich das Qua­drat über dieser einen Kathete so herzeichnen (rot) CAGH. Jetzt ist das, was ich rot gezeichnet habe, das Quadrat über der einen Kathete (CAGH).
Ich kann nun auch, wie Sie sehen, das Dreieck hierher zeichnen:
DEI. Hier habe ich es auch. Dann habe ich in dem, was ich hier jetzt grün zeichne, das Quadrat über der anderen Kathete: DIHF; dann habe ich da zwei, das Quadrat über der einen Kathete, das Quadrat über der anderen Kathete. Ich benutze nur bei dem einen diese Kathete AG, bei dem anderen diese Kathete DI. Die Dreiecke sind da (AEG) und da (DEI); aber gleich (d.h. kongruent). Wo habe ich das Quadrat über der Hypotenuse? Das will ich nun violett hin-einzeichnen, damit wir es gut unterscheiden können: ABDE. Das Quadrat über der Hypotenuse habe ich hier. Jetzt soll ich an der Figur selber zeigen, daß rot (1, 2) und grün (3, 4, 5) zusammen violett (2, 4, 6, 7) gibt.
Nun werden Sie ja leicht einsehen können: ich nehme dieses rote Quadrat (1, 2) hier zuerst; dasjenige, was die beiden Quadrate gemeinschaftlich

(fig.lll: ABC)

GA 311 blz. 93 2

Teken nu het kwadraat van de hypotenusa ABDE. Nu kun je op de volgende manier tekenen: je kunt de driehoek ABC, die je hier hebt, er hier bij tekenen: BDF. Dan kun je deze driehoek ABC, respectievelijk deze BDF, die hetzelfde is, nog een keer hier tekenen: AEG. Doordat je deze driehoek hier nog eens hebt, kun je het kwadraat op deze ene rechthoekszijde zo opnieuw tekenen (rood) CAGH. Nu is dit, wat ik rood getekend heb, het kwadraat op de rechthoekszijde (CAGH).
Ik kan nu ook, zoals je ziet, de driehoek hier tekenen DEI. Hier heb ik die ook. Dan heb ik met wat ik hier nu groen teken, het kwadraat van de andere rechthoekszijde: DIHF; dan heb ik er twee, het kwadraat op de ene, het kwadraat op de andere rechthoekszijde. Ik gebruik alleen bij de ene deze rechthoekszijde AG, bij de ander deze DI. De driehoeken zijn daar (AEG) en daar (DEI); ze zijn gelijk (d.i. congruent). Waar heb ik het kwadraat op de hypotenusa? Dat wil ik nu paars tekenen, zodat we het goed kunnen onderscheiden: ABDE. Het kwadraat op de hypotenusa heb ik hier. Nu moet ik op de figuur zelf aantonen, dat rood (1,2) en groen 3, 4, 5) samen violet (2, 4, 6,7) oplevert.
Nu, dat zul je makkelijk kunnen snappen: ik neem dit rode kwadraat (1,2) hier eerst; wat de beide kwadraten gemeenschappelijk

Blz.94:

haben (2), das fällt ja übereinander. Nun kommt da noch das Stück vom grünen Quadrat (4) herein. So habe ich also diese Figur (2, 4), die Sie da gezeichnet sehen, und die nichts an­deres ist als ein Stück von dem violetten Quadrat ABDE, richtig ein Stück von dem violetten Quadrat. Dieses Stück von dem violetten Quadrat DE enthält dieses Stück von dem roten Quadrat (2); bleibt davon nur noch der Zipfel hier übrig (1); den enthält es noch nicht. Aber außerdem enthält diese Figur diesen Zipfel von dem grünen Quadrat (4). Jetzt muß ich nur noch darauf kommen, das unter­zubringen, was mir da übriggeblieben ist (1, 3, 5).
Nun müssen Sie einmal sehen: da ist Ihnen ein Stückchen vom roten Quadrat übriggeblieben (1), da ein Stückchen vom grünen Quadrat (3), und da ist Ihnen dieses ganze Dreieck (5) übriggeblie­ben, das auch zum grünen Quadrat DIHF gehört. Jetzt nehmen Sie das, was Sie hier haben, was Ihnen da noch übriggeblieben ist, und setzen es da an: dasjenige, was Ihnen hier noch übriggeblieben ist (5), nehmen Sie und setzen es da an (6). Jetzt haben Sie auch noch die Zipfel da (1, 3). Wenn Sie das ausschneiden, kommen Sie richtig darauf, daß diese beiden Flächen (1, 3) in diese Flächen (7) hinein-gefallen sind.

hebben (2), dat overlapt elkaar. Nu komt daar nog bij het stuk van het groene kwadraat (4). Dus krijg ik dit figuur (2, 4) dat je daar getekend ziet en dat niets anders is dan een stuk van het violette kwadraat ABDE, inderdaad een stuk van het violette kwadraat. Dit stuk van het violette kwadraat DE omvat dit stuk van het rode kwadraat (2); daarvan blijft alleen de punt hier over (1); die zit er nog niet bij. Maar bovendien bevat deze figuur de punt van het groene kwadraat (4). Nu moet ik er nog toe komen, onder te brengen wat ik nog over heb (1, 3, 5).
Nu moet je eens kijken: je hebt nog een stukje van het rode kwadraat over (1), daar een stukje van het groene (3) en daar is de hele driehoek (5) overgebleven, die ook bij het groene kwadraat DIHF hoort. Nu neem je wat je hier hebt, wat nog overgebleven is en dat leg je dan hier aan: wat je hier nog over hebt (5) neem je en leg je er hier aan (6). Nu heb je nog de punt (1, 3). Wanneer je die uitknipt, kom je er op dat deze beide vlakken (1, 3) in dit vlak (7) terecht zijn gekomen.

Es kann natürlich noch deutlicher gezeichnet werden, aber ich denke, Sie werden die Sache durchschauen. Es handelt sich jetzt nur noch darum, daß es sich durch die Sprache noch näher mit­teilt. Auf diese Weise haben Sie einfach durch das Flächen-überein­anderlegen gezeigt, daß der pythagoreische Lehrsatz richtig ist. Wenn Sie gerade diese Art des Übereinanderlegens nehmen, so wer­den Sie etwas finden. Sie werden zwar sehen, wenn Sie die Sache aus­schneiden, statt daß Sie es aufzeichnen, daß sie sehr leicht überschau­bar ist; trotzdem, wenn Sie später darüber nachdenken, wird es Ihnen wieder entfallen. Sie müssen es immer wieder von neuem suchen. Sie können es sich nicht ganz gut im Gedächtnis merken, daher muß man es immer wieder aufs neue suchen. Und das ist gut. Das ist näm­lich ganz gut. Das entspricht dem pythagoreischen Lehrsatz. Man soll immer wieder von neuem darauf kommen. Daß man ihn ein­sieht, soll man immer wieder vergessen. Das entspricht dem Frap­pierenden, was der pythagoreische Lehrsatz hat. Dadurch bekommen

Het kan natuurlijk nog duidelijker worden getekend, maar ik denk dat je de zaak wel doorziet. Het gaat er nu nog om dat je het door middel van de taal nog preciezer zegt. Op deze manier heb je eenvoudig door de vlakken over elkaar te leggen, laten zien, dat de stelling van Pythagoras juist is.
Wanneer je juist deze manier om de vlakken over elkaar te leggen neemt, dan zul je het vinden. Weliswaar zul je zien, dat wanneer je het uitknipt in plaats van te tekenen, de zaak dan heel eenvoudig te overzien is; ondanks dat: wanneer je er later over nadenkt, is het je weer ontschoten. Je moet het steeds weer opnieuw zoeken. Je kunt het niet goed in je geheugen krijgen, daarom moet je het steeds weer opnieuw uitzoeken. En dat is goed. Dat is namelijk heel goed. Dat hoort bij de stelling van Pythagoras. Je moet er steeds weer opnieuw opkomen. Dat je hem snapt, moet je ook steeds weer vergeten. Dat hoort bij het frapperende dat de stelling van Pythagoras heeft. Daardoor krijg je

Sie das Lebendige in dieSache hinein. Sie werden schon sehen, wenn Sie dieses von den Schülern wieder und wieder machen lassen, die müssen es herausdrucksen. Sie kommen nicht gleich wieder darauf, sie müssen jedesmal nachdenken. Das entspricht aber dem Innerlich-Lebendigen des pythagoreischen Lehrsatzes. Es ist gar nicht gut, wenn man den pythagoreischen Lehrsatz so beweist, daß er platt philiströs einzusehen ist; es ist viel besser, daß man ihn immer wie­der vergißt und immer wieder von neuem suchen muß. Das entspricht dem Frappierenden, daß es doch etwas Sonderbares ist, daß das Hypotenusenquadrat gleich ist der Summe der beiden Katheten­quadrate.
Nun können Sie ganz gut mit elf- oder zwölfjährigen Kindern die Geometrie so weit bringen, daß Sie den pythagoreischen Lehrsatz in einem solchen Flächenvergleich erklären; die Kinder werden eine ungeheure Freude haben, wenn sie das eingesehen haben, und sie be­kommen Eifer. Das hat sie gefreut. Jetzt wollen sie es immer wieder machen, besonders, wenn man sie es ausschneiden läßt. Es wird nur ein paar intellektualistische Taugenichtse geben, die sich das ganz gut merken, die es immer wieder zustandebringen. Die meisten, ver nünftigeren Kinder, werden immer wieder sich verschneiden und daran herumdrucksen, bis sie herausbekommen, wie es sein muß. Das entspricht aber dem Wunderbaren des pythagoreischen Lehr-satzes, und man soll nicht aus diesem Wunderbaren herauskommen, sondern drinnen stehen bleiben.

Blz. 95:

leven in de zaak. Je zal wel zien dat wanneer je dit keer op keer door de leerlingen laat maken, zij daarbij nog aarzelen. Zij komen er niet meteen weer op, ze moeten iedere keer nadenken. Dat hoort echter bij die levendigheid die in de stelling van Pythagoras zit. Het is helemaal niet goed wanneer je de stelling zo bewijst dat die beperkt oppervlakkig te begrijpen is; het is veel beter dat je hem steeds weer vergeet en steeds weer opnieuw  moet zoeken. Dat hoort bij het frapperende, dat het toch iets wonderbaarlijk is dat het hypotenusakwadraat even groot is als de som van de beide kwadraten van de rechthoekszijden.
Nu kun je heel goed met elf-twaalfjarige kinderen zo ver met meetkunde komen, dat je de stelling van Pythagoras met een dergelijk vergelijken van de vlakken kan uitleggen; de kinderen zullen buitengewoon blij zijn, wanneer ze het gesnapt hebben en ze krijgen er zin in. Ze hebben er plezier in gehad. Nu willen ze het steeds opnieuw doen, vooral wanneer je ze laat uitknippen. Er zullen wel een paar intellectualistische deugnieten zijn die het heel goed in de gaten hebben, die het steeds voor elkaar krijgen. De meeste, verstandigere kinderen zullen het steeds weer verknippen en erbij aarzelen, tot het lukt, zoals het zijn moet. Dat hoort bij de wonderbaarlijke stelling van Pythagoras en je moet dit wonderbaarlijke niet kwijtraken, maar het vasthouden. <11>

*Rechenmaschine: rekenmachine – zie Pascal; wat de school betreft: zijn er op de scholen al rekenmachines of wordt hier het telraam, de abacus, bedoeld, zoals je zou kunnen concluderen op blz.83?

**Ik heb ‘eenheid’ hier bewust gekozen, – geheel of totaliteit – kan ook worden gebruikt, omdat het een voorbode is op weg naar het getal één, als eenheid, als nog ongedeeld. In de eerste rekenles in klas 1 wordt vaak gezegd dat één het grootste getal is; dat kun je later wel zeggen, maar daarvoor moet het kind wel ervaren hebben wat ‘eenheid’ is.

***Steiner maakt hier een onderscheid tussen het opteltal en de opteller van een optelling bv. 8 + 5 =  wordt 8 het optel(ge)tal (Addend) genoemd: het is een gegeven. 5 komt er bij, daar zit de activiteit, uitgedrukt in de uitgang -er: opteller.(Summand) ‘Het antwoord heet ‘som’. In het woordenboek ‘Duden’ wordt nauwelijks onderscheid gemaakt tussen Addend en Summand. Ik heb ze hier even vermeden en maar gewoon ‘getallen’ gebruikt. Som: In het Nederlands wat verwarrend, want de opgave wordt ook som genoemd. Het antwoord ‘de som’ is hier ‘het geheel’.

 

Steiner: alle pedagogische voordrachten

Steiner: alle artikelen op deze blog

Rekenen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

889-820

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Alle klassen – spraakoefeningen

 

SPREKEN IS ZILVER, maar als je het  doet, ga dan voor het goud…..
.

Veel mensen spreken slecht: te vlug, binnensmonds, verwaarlozen op het eind van een woord de lettergreep of een eindklank.

Veel kinderen spreken slecht. Meestal door nabootsing. Gejaagd, onrustig (door de tijd?) In het onderwijs is er nauwelijks aandacht voor ‘spraak’,

Toen ik vrijeschoolleerkracht werd, was er in de opleiding veel aandacht voor spraak.
Ik leerde vooral veel van mijn – inmiddels overleden – oud-collega JOKE WELTEVREDEN, aan wie ik met dankbare herinnering terugdenk.

Van haar zijn veel van de volgende oefeningen.

Spraakoefeningen moet je ook als leerkracht doen om beter en bewuster met je eigen spreken om te gaan.

Hoe eenvoudig ze ook zijn, ze vragen toch om een bepaalde techniek, die via een blog nauwelijks aan te geven is.

Ieder college zou m.i. minstens 1x per jaar onder leiding van een spraakdocent flink moeten oefenen. Het voorbeeld van de leerkracht werkt nog lang door, tot in de bovenbouw toe.

En aangezien ook lang niet alle vrijeschoolleerlingen behoorlijk spreken……..

Bij alle oefeningen is de manier waarop de adem gebruikt wordt essentieel.
Een zin moet worden uitgesproken in één ademstroom, de komma is een rustmoment. Inademen: alsof je de geur van een bloem opsnuift. De schouders mogen er in geen geval bij worden opgetrokken: het gaat om de ‘buikademhaling’.
Goed ademen is heel belangrijk.

Steeds de oefeningen op dezelfde manier doen is saai. Je kunt het oefenen verlevendigen door afwisseling. Hard/zacht; langzaam/snel’ een combinatie ervan. Ze kunnen ondersteund worden door (arm- hand) gebaren. Je zult ze veel klassikaal doen, maar ……..  Dus ook individuele beurten -ik neem nu ‘zeven zwarte zwanen’ als voorbeeld, maar dit kan bij veel meer oefeningen: het eerste kind zegt ‘zeven’; het tweede ‘zwarte’ enz. van tevoren de kinderen aanwijzen; die moeten dan extra opletten; maar je kunt natuurlijk ook op het laatste ogenblik een kind aanwijzen voor het volgende woord. Moeilijker wordt het nog als het eerste woord hard, het tweede zacht enz. gesproken moet worden.
De individuele beurten geven je natuurlijk informatie over hoe het kind spreekt.

B

Het overbekende ‘hier is de sleutel van de Bibelebontse berg’ is een prachtige B-oefening.
Het is een oefening waarbij je veel leuke variaties kunt bedenken.

Hier is de sleutel Van de Bibelebontse berg,
Op die Bibelebontse berg
Staat een Bibelebonts huis,
In dat Bibelebontse huis
Wonen Bibelebontse mensen.
En die Bibelebontse mensen
Hebben Bibelebontse kinderen,
En die Bibelebontse kinderen
Eten Bibelebontse pap,
Met een Bibelebontse lepel
Uit een Bibelebontse nap.

Bv.: alleen de B uitspreken waar die voorkomt; alleen de woorden met een B uitspreken. (Welk kind zegt ook ‘pap’ – verschil b-p!)
Individueel: ieder kind een zin (door de klas aanwijzen)
Het heel vlug spreken, maar ook heel langzaam om goed de lettergrepen te gaan onderscheiden. (Bi  be  le bont se    enz)
Of bij de laatste zin beginnen en zo terug.

0-0-0

oven, oven
bak onder, bak boven
bak bol, bak rond
bak bolletjes voor mijn mond

Het gaat om een duidelijke =b= met enige spanning vóór de lippen. Uiteraard ook een mooie ronde =o=, waarbij de lippen ook echt in de o-stand staan. Met jongere kinderen is ook beweging erbij mogelijk.

0-0-0

bezige boeren boenen bonte biggen schoon

zie hierboven

0-0-0

B    D

deze bakker bakt beter bruin brood
dan die bakker daar bakt

Voor de techniek: lees de opmerkingen bij B(r)  D  voor ‘doe die deur daar dicht’; en ‘bij Bram enz’.

0-0-0

B D

BD  BD  BD  BD  BD  BD   Brrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrr

De =r= moet eigenlijk een ‘tongpuntje-R’ zijn – geen brouw-R.
Door steeds vlugger =bd= achter elkaar te zeggen en dan ineens wat meer kracht achter de adem te zetten – een soort blazen – kunnen de lippen en daarmee vaak tegelijk het tongpuntje gaan ‘flipperen’. Dan heb je hem bijna!

0-0-0

B    G   K   W

hoort!   – hoe de brullende bruisende branding
ziet! – hoe de golven zo grimmig en grauw
beuken en breken op de boeg van het schip
kreunend kraakt er de mast als met kracht
windstoot op windstoot zich werpt op zijn prooi

=hoort, ziet= moeten krachtig worden uitgesproken, een soort roep; aan heel de oefening moet een zeker ritme ten grondslag liggen; de zinnen moeten van begin tot eind op 1 ademteug worden uitgesproken; in de =w= kan zelfs iets van ‘wind’ hoorbaar worden.

0-0-0

B   P

brede balken breken niet,
maar platte planken buigen

Zie de opmerkingen bij de andere =B= en =P=oefeningen.

0-0-0

 

BR

Bij Bram de brave Brabander brak brand uit.

Deze tongbreker vraagt om een krachtige =b= gevolgd door de rollende =r=.
Je kunt hem door te variëren enkele malen achter elkaar laten spreken. Bv. door de klemtoon te verleggen: bij Bram,  
Brabander, brand. Je kunt de kinderen elkaar laten vragen: ‘Moet je luisteren: ‘Bij Bram”…’enz.  ‘Wat zeg je?’  ‘Bij Bram’…’  ‘Bij wie?” Enz.
En erg wakker makend is de oefening terug spreken: uit brand brak…enz.

0-0-0

de brullende bruisende branding slaat tegen de klip

De =br=moet duidelijk klinken, liefst met iets aangehouden rollende =r=. Klinkers mogen er niet teveel uitspringen. De =t= van slaat en tegen zouden nog net apart gehoord moeten worden. De =kl=scherp en de =p= ook, alsof er water tegen de rots petst.

0-0-0

bruisend beukt de branding op het brede strand
brullend breekt de branding brokken van het land
de brullende bruisende branding slaat tegen de klip

De =br=moet duidelijk klinken, liefst met iets aangehouden rollende =r=. Klinkers mogen er niet teveel uitspringen. De =t= van slaat en tegen zouden nog net apart gehoord moeten worden. De =kl=scherp en de =p= ook, alsof er water tegen de rots petst.

0-0-0

Bram, de brave breiende
broer van Brielse Brechtje
breit een brons bruin broekje
en brengt een brokje bros gebakken brood

de techniek van deze tongbreker is eveneens al gegeven (zie hierboven)

0-0-0

Bram de brave broer 
van breiende brouwende Brielse Brechtje
bracht in zijn bronsbruin broekje
een bril en een brokje bros gebroken bruin brood
zonder brommen of brullen
over de brede brug te Breukelen.

Vóór je deze oefening gaat doen, moeten de kinderen een echte =r= dat is met rollende tongpunt – niet over de keel als ‘brouw’=r=, kunnen spreken. zie daarvoor de techniek van de =r= op ‘alle spraakoefeningen‘.

0-0-0

Brechtje breikous brak een been
Brechtje sprak: ‘Denk niet dat ik ween,
Brechtje zat tevree bij ‘t raam,
Breide er een flink stuk aan.

Opnieuw een =br=combinatie. Voor de techniek: zie alle spraakoefeningen onder BR

0-0-0

B    R    A

Er was eens een meisje, dat heette Barbara.
Barbara had een groentewinkel en verkocht goede rabarber,
daarom noemden alle mensen dat meisje:
Rabarberbarbara.
Later begon ze een café met een Bar.
Op het raam stond:
Rabarberbarbarabar.
Daar kwamen wilde mannen op bezoek: echte Barbaren, de Rabarberbarbarabarbarbaren.
wat hadden die lange baarden!
Die baarden heten
Rabarberbarbarabarbarbarenbaarden
En de barbier die de baarden moest knippen was een
Rabarbarbarbarabarbarbarenbaardenbarbier

Wanneer je door de jaren heen heel regelmatig aan spraakvorming hebt gedaan, kun je met oudere kinderen ook deze moeilijkere tongenbrekers oefenen.
De klanken die er het meest toe doen, zijn bij allerlei oefeningen besproken.
Hier heb je a.h.w. ook een ‘vertel’stuk, telkens wanneer niet de tongenbreker aan de beurt is. Barbara en wat er verder volgt, komt dan ook een beetje apart te staan. Je kunt die afwisseling ook gebruiken om bijv. een kind de verteller te laten zijn, waarbij de klas de tongenbreker zegt, maar ook omgekeerd. Daarbij heb je een goede gelegenheid om te horen hoe ieder kind het individueel doet (en/of kan)

0-0-0

D

doe die deur daar dicht

De ‘ d’ moet mooi krachtig met de tong tegen de boventanden worden gesproken. Deze oefening kan verlevendigd worden door accentverschillen: DOE die deur enz;  doe DIE deur enz; doe die DEUR enz. Hierbij moeten de klinkers geen overmatige aandacht krijgen en mogen er niet ‘uitgeschreeuwd’ worden. Je kunt ook alleen de ‘d’s’ spreken; ook weer met accent verschil en steeds vlugger/langzamer; harder/zachter.

0-0-0

duw die draaideur daar door

Een variant op doe die deur daar dicht.
Zie de opmerkingen voor deze oefening

0-0-0

deze dingen die daar dit en dat
duid ik met deze hand

het gaat om een krachtige =d= tong tegen de boventanden!  Je kunt uiteraard wijzen met de hand en met accentverschillen spreken.

0-0-0

dof dreunt de donder door de dalen
dreunende donder dof en dreigend

deze oefening moet bijna ‘staccato’ worden gesproken; nadruk veel sterker op =d= dan op de klinkers die er niet mogen ‘uitspringen’.

 0-0-0

Dikkerie, Dikkerie, Dok,
De muis zat op de klok.
De klok sloeg één
De muis verdween.
Dikkerie, Dikkerie Dok

Hier moet de D mooi spits klinken, ook kort. Ook de k .
Wanneer je dit bv. in de 1e rekenperiode in de 1e klas spreekt, kun je versteld staan van wat de kinderen weten te rijmen, als je verder gaat met ‘de klok sloeg twee’ (tot twaalf, of in ieder geval tot 10).

0-0-0

denkt aleer gij doende zijt
en doende denk dan nog

De =d=wat kort en spits, maar niet zo krachtig als in de oefening ‘doe die deur daar dicht’. De klinkers mogen hier wel wat sterker, bv. =oe= en =o=. Uiteraard ieder zin op één adem. =kt=moet goed hoorbaar zijn en niet geplakt met de =a=

Guido Gezelle

0-0-0

E

twee gele penen
kregen elk twee benen
ze stevenden er mee heen en weer
elk leek nu wel een stevige heer

Wat voor de =o= geldt, geldt ook voor de =e=. Deze zuiver als =e= te spreken is voor jongere kinderen vaak moeilijk, omdat het verschil met de =i= niet zo groot is. Veel kinderen schrijven bijv. ‘pir’ i.p.v. ‘peer’. E-oefeningen kunnen een bewustzijn wekken voor de het verschil, wat de spelling bij het schrijven ten goede komt. Het voorbeeld van de leerkracht is hier heel belangrijk.

0-0-0

weet wat je eet
boter en brood
kaas of ’n ei
de keuze is vrij
maar weet wat je eet

In deze oefeningen komen nog andere klinkers aan bod. Wat erover het spreken van die klinkers werd opgemerkt, moet hier worden toegepast. De =ei= is een wat moeilijkere klank. Wanneer je een =è= zegt en je verandert deze subtiel naar de =i= ontstaat hij vanzelf. Een goede oefening om de klanken bewust te horen en te spreken, is om deze zonder de medeklinkers te laten horen:
=ee=  =a= =e= =ee=  enz.

0-0-0

ezels eten netels niet
en netels eten ezels niet

De =e= zuiver als =e= te spreken is voor jongere kinderen vaak moeilijk, omdat het verschil met de =i= niet zo groot is. Veel kinderen schrijven bijv. ‘pir’ i.p.v. ‘peer’. E-oefeningen kunnen een bewustzijn wekken voor de het verschil, wat de spelling bij het schrijven ten goede komt. Het voorbeeld van de leerkracht is hier heel belangrijk.

0-0-0

 

EU

de deur die steunt
de deur die kreunt
de deur die zeurt:
‘geef mij een beurt
geef mij wat smeer
dan steun en kreun en zeur ik niet meer’

Evenals de =e= en de =o= moet de =eu= mooi zuiver gesproken worden. Bij het aanleren van de tweeklanken, meestal in klas 2, ondersteunen dergelijke oefeningen het goed leren kennen van de klank.

0-0-0

beukende stormen
beukende dreunende stormen
beukende dreunende steunende stormen
bij barre bittere koude

Een van de aandachtspunten is de overgang van =de= naar =st= en van =de= naar =dr=. Je zou wat langzamer kunnen beginnen en het tempo naar de derde zin kunnen opvoeren om met een soort climax te eindigen, waarbij de =b= en de =k= heel duidelijk moeten klinken.

0-0-0

F

zie V

0-0-0

GR

grommend graaft de hond een grote kuil in de grauwe grond

Als de =r= goed is aangeleerd (zie aldaar) moet ook de combinatie =gr= geen problemen opleveren. Wie nog met een keel=r= spreekt, kan hier het verschil voelen tussen de plaats in de keel en de plaats van het tongpuntje.

0-0-0

Grauw, gries, granaat,
gruwelijk is dat.

Als de =r= goed is aangeleerd (zie aldaar) moet ook de combinatie =gr= geen problemen opleveren. Wie nog met een keel=r= spreekt, kan hier het verschil voelen tussen de plaats in de keel en de plaats van het tongpuntje.

0-0-0

H

Hendrik, haal hele hoge halmen hierheen

De =h= krachtig uitspreken, heeft snel ademnood tot gevolg. Dus een diepe inademing vooraf, maar niet met de schouders omhoog! Buikademhaling! Ritmisch de zin verdelen helpt ook bij de beheersing van de ademstroom, want tussendoor mag er niet ingeademd worden.

0-0-0

Hans hakt hout achter het achterhuis 
Als Hannetje Hans hout had horen hakken
Had Hannetje Hans achter het achterhuis helpen houthakken.

De =h= is een klein, met overmaat uitgesproken, die snel tot te veel uitademen leidt: je kunt er zelfs een beetje duizelig van worden. De =h= moet zeker aandacht krijgen, maar meer aandacht moet uitgaan naar de erachter liggende klinker – die mag er dan weer niet ‘uitvliegen’.

  0-0-0

H   B

haastig holde het haasje over de heide
borg zich bang in het beukenbos

De moeilijkheid is hier het juiste ritme te vinden voor de 1e zin; die moet a.h.w. een beetje ‘dansen’. De =h=moet wel goed hoorbaar zijn, maar weer niet met al te veel adem. De lettergrepen mogen niet verdwijnen. De =b= kun je mooi duidelijk laten horen.

variant:
over de heide holde ’t haasje
borg zich bang in ’t beukenbos

Ritmisch ‘loopt’ deze beter.

0-0-0

K

Karre – karre – karre-kiet kiet – kiet,
Je hoort me wel, maar je ziet me niet.
Kerre – kerre – kerre-kiek – kiek – kiek,
Mijn nestje is in ‘t riet-riet – riet,
Als je ‘t zoekt dan vind je ‘t niet.

De -k- moet mooi scherp klinken, gevolgd door rollende -r- Karrekiet en kerrekiek zou je iets vlugger kunnen laten spreken.
Je moet wel iets over deze vogel vertellen. Op Wikipedia geschreven als karekiet.

0-0-0

knikkende, knakkende, knoestige knoesten buigen en breken

De ‘k’ als droge keelklank moet duidelijk zijn te horen. De volgende klinkers mogen niet teveel nadruk krijgen – ze mogen er niet ‘uit’schieten. Je kunt aan de grillige vormen van de eik denken en bij elke k met hand(en) en arm(en) een ondersteunend hoekig gebaar maken. Bij buigen en breken zou je de b moeten benadrukken, de ui wat langgerekt, met het ondersteunende gebaar van het langzaam buigen van een tak, die je dan op de br  breekt en de k is de knal van het breken. Breken spreek je dan kort – als tegenstelling met buigen – en heftig in de k. Zie oefening hieronder.

0-0-0

korte knorrige knokige knapen knikken

De ‘k’ als droge keelklank moet duidelijk zijn te horen. De volgende klinkers mogen niet teveel nadruk krijgen – ze mogen er niet ‘uit’schieten. Zie oefening hierboven.

0-0-0

Kaatje kakelt als een kip

Zie de opmerkingen voor =k= en de klinkers.

0-0-0

De koning koos een keukenknecht,
die deed zijn werkje lang niet slecht.
Klip, klap, kloep.

Wat kookte deze keukenknecht?
Klip, klap, kloep. (?

De knecht die kookte koningssoep.
De koning koos een keukenmeid,
die deed haar werkje goed, altijd.
Klip, kloep, klap

Wat kookte deze keukenmeid?
Klip, kloep, klap. (?)

De meid die kookte koningspap.

Deze oefening vraagt om mooi spreken. Van begin van de zin tot de punt of komma, op één ademstroom. Je kunt het metrum als steun nemen: ‘de koning koos een keukenknecht’. Ook aan de intonatie kan worden gewerkt: bij ‘lang niet slecht’ kan ‘lang’ bv. iets langer worden aangehouden. Ook de vraag moet duidelijk met de vragende intonatie worden gesproken.

0-0-0

Kaatje kakelt als een kip

De =a’s niet al te sterk, wel even ‘gerekt’. Zoals elke zin: van begin tot eind op één ademtocht, naar het eind de stem wat naar beneden (naar de punt)

0-0-0

koppig koorts en krabbekat
krakers in haast elke stad

Het verschol =o=  =oo= moet duidelijk zijn; de =kr=combinatie: Als de =r= goed is aangeleerd (zie aldaar) moet ook de combinatie =kr= geen problemen opleveren. Wie nog met een keel=r= spreekt, kan hier het verschil voelen tussen de plaats in de keel en de plaats van het tongpuntje.

0-0-0

koene Karel kan de knuppel krachtig slaan

De ‘k’ als droge keelklank moet duidelijk zijn te horen. De volgende klinkers mogen niet teveel nadruk krijgen – ze mogen er niet ‘uit’schieten.

0-0-0

boer Krelis die heeft klompen aan
van kli  kla  kleppe  klompen  klaan
En als hij naar de stal wil gaan
heeft hij zijn kli  kla  klompen aan

zijn vrouw wil naar de stad toe gaan
en heeft haar hoge hakjes aan
stapt  die  da  deftig  door de straat
als zij op hoge hakjes gaat

maar is zij thuis op de boerderij
en gaat zij naar de groene wei
heeft zij haar  kli  kla  klompen  aan
ja,  kli  kla  klompen klaan

De =k=  moet mooi scherp klinken, gevolgd door de =l= die licht moet zijn, geen ‘dikke’. Het heeft een mooi ritme; adem (via de buik) aan het begin en twee zinnen zonder tussenademing; let op dat bijv. =gaan= niet =ga= wordt.
Vóór de volgende twee zinnen even rust om te ademen.

0-0-0

de kat krabt de krullen van de trap

Deze tongbreker kan pas, wanneer de =r= zie aldaar – goed gesproken wordt. Het is vooral later, de snelheid waarmee deze gesproken wordt.

0-0-0

KN

korte knorrige knokige knapen knikken

De ‘k’ als droge keelklank moet duidelijk zijn te horen. De volgende klinkers mogen niet teveel nadruk krijgen – ze mogen er niet ‘uit’schieten.

0-0-0

KR

krom, kramp, krent, kras
kreukels in je nieuwe jas

ook bij deze oefening geldt:

Als de =r= goed is aangeleerd (zie aldaar) moet ook de combinatie =gr= geen problemen opleveren. Wie nog met een keel=r= spreekt, kan hier het verschil voelen tussen de plaats in de keel en de plaats van het tongpuntje.

0-0-0

K   S   P  U

ketsende stenen petsen,
petsende stenen ketsen,
tegen de muren van de schuren van de buren

Vooral de =k=, de =st= en de =p= moeten het geluid van de ketsende stenen oproepen. De =u= moet wat lang gerekt en mag er niet ‘uitspringen’.

0-0-0

K Z

Kijk de timmerman eens werken,
Lustig gaat het klop, klop, klop.
Met een hamer slaat hij aldoor,
Weer de spijker op zijn kop.

Ziege-zaag, ziege-zaag:
De timmerman is druk vandaag.

Bij -klop- bijna direct van- kl- naar -p-, zodat je het dichtst bij de klanknabootsing komt. De -z- van ziege en zaag, even langer aanhouden, om weer het geluid van het zagen te krijgen. Dit vraagt ook om het ritme van het zagen. Uiteraard kan er weer veel bewogen worden.

0-0-0

L

Leentje leerde Lotje lopen       (ook wel: Liesje)
langs de lange lindenlaan.
Maar toen Lotje niet wou lopen
toen liet Leentje Lotje staan.

Bij de -l- gaat het om een ‘dunne’, lichte klank. Je kunt de oefening ook lopen, waarbij Leentje bv, wat ’nuffig’ loopt en heel overdreven licht haar voeten optilt. Als tegenstelling kun je ook met een ‘dikke’, zware -l- de oefening doen, zodat de kinderen een gevoel krijgen hoe deze klank ongeveer moet klinken. Ook in de euritmieles wordt de klank geoefend met het -l-gebaar en dus: zie boven: overleg met de euritmiecollega!

0-0-0

Lex en Leo lopen liever
liever lopen Lex en Leo

Bij de =l= gaat het om een ‘dunne’, lichte klank. Een kleine ‘opening’ tussen Lex en Leo, m.a.w. niet overduidelijk aan elkaar plakken.

(Tevens een mooi voorbeeldje van een oefening die Steiner aanraadt om het dromerig-slapende kind wakkerder te maken: een zin naar voren lopen en in omgekeerde volgorde weer achteruit. Dan wel tussen ieder woord een klap)

0-0-0

M

mummelende mannen namen mompelend bij murmelende muren hun mulle malle mutsen af

Bij uitstek een oefening op werkelijk iedere lettergreep duidelijk uit te spreken; de =n= tussen mannen/namen zou je ook nog net allebei moeten horen; ook de =le= van mulle en malle mag niet worden ‘ingeslikt’

0-0-0

moede maaiers maaien met moeite mooi

De =m= enigszins krachtig vanuit de even opeen gehouden lippen dat geldt ook voor:

moeder maakt mooie muziek met haar mond

0-0-0

meneer Molenaar, maal me mijn maatje mooie meel
morgen moet mijn mooie moeder melige meelmoes maken.

De =m= enigszins krachtig vanuit de even opeen gehouden lippen.

0-0-0

N

neem nooit natte noten, natte noten nimmer niet

De -n- moet in de neus worden gevoeld; een beetje met de adem de klank door de neus stuwen; daar moet het a.h.w. een beetje kriebelen. Een beetje de richting op van de nasale -ng-. Je kunt de -n- telkens aan het begin van het woord iets langer aanhouden. Nnnnneeem nnnnnooit   enz. Je moet wel genoeg adem hebben om bij pas tussen noten en natte – bij de komma – weer in te ademen.
(Het is ook een goede oefening wanneer je neusverkouden bent! en je zal merken dat je meer moet snuiten)

0-0-0

naarstig naait de nijvere naaister naad na naad

De -n- moet in de neus worden gevoeld; een beetje met de adem de klank door de neus stuwen; daar moet het a.h.w. een wat kriebelen. Iets de richting op van de nasale -ng-. Je kunt de -n- telkens aan het begin van het woord iets langer aanhouden. De zin moet op één ademteug worden gesproken.

0-0-0

neem nooit natte noten, natte noten nimmer niet

De -n- moet in de neus worden gevoeld; een beetje met de adem de klank door de neus stuwen; daar moet het a.h.w. een beetje kriebelen. Een beetje de richting op van de nasale -ng-. Je kunt de -n- telkens aan het begin van het woord iets langer aanhouden. Nnnnneeem nnnnnooit   enz. Je moet wel genoeg adem hebben om bij pas tussen noten en natte – bij de komma – weer in te ademen.
(Het is ook een goede oefening wanneer je neusverkouden bent! en je zal merken dat je meer moet snuiten)

0-0-0

NG

ning, nong, nang,
de gong hing in de lange gang
ding, dong, dang

De =ng= in de 1e (+ de =n=) en 3e regel moet lang worden aangehouden, alsof de gong klinkt. In de 2e minder, ook wat sneller.
Je kunt een bepaalde toonhoogte kiezen en a.h.w. de oefening op 1 toon zingen.
Flink door de neus: heilzaam voor verstopte neuzen!

O

Ozewieze  woze  wieze walla kristalla
kristoze wiezewoze zewieze wies wies wies wies

In deze oefeningen gaat het om de klinkers. De =o= in O—-ze—–wie—–ze
wO—ze wieze wAlla    kristAlla     kristO ze wieze wO  ze wieze wIEs, wIEs, wIEs, wIEs.
Het is een kinderliedje waarbij het uitsluitend om de klanken gaat. Het ritme van het liedje kun je ook gebruiken bij het spreken.

0-0-0

 

olke    bolke   rubi   solke  olke  bolke   knol

Het bekende spelletje dat je al met heel jonge kinderen spelen kunt: de een een vuist op tafel – de ander zijn vuist daarboven op; daarop ieder je andere vuist en je eerste weer wegtrekken en er bovenop.

Het gaat om een mooie, een ronde =o= die niet met veel nadruk eruit mag springen. Een =h= ‘denken’ voor ‘olke’, zodat niet de (lelijke) glottisslag ontstaat.
De =l= niet te ‘dik’.

0-0-0

zit bij de kroning de koning op een troon?
draagt bij de kroning de koning een kroon?

Een zuivere =o= spreken is nog niet eenvoudig, vooral in gebieden waar het dialect hem wat veranderd heeft. Het helpt enorm wanneer de mond, de lippen, ook zoveel mogelijk de O-stand aannemen. Hierbij mag gerust wat ‘overdreven’ worden: de mooie O is het resultaat. Deze twee regels vragen ook om een zekere cadans. De =k= en de =r= moeten natuurlijk ook goed hoorbaar zijn.

0-0-0

OE

In Ulm  –  um Ulm   –  und um Ulm herum

In zekere zin een soort pendelslag: pom pom – rust; pom pom – rus;t pom pom pom pompom

0-0-0

O   M

wie kan er horen
de klokken van de toren
wie hoort er (horen) alom
het (naar ‘t) klokkengebrom

bimmmmm     bammmm  bommmm

Deze oefening kan a.h.w. ‘gezongen’ worden, maar dan op 1 toonhoogte, bv. de
‘hoge’ e.
wie kan er horen                        lang, kort, kort, lang, kort
de klokken van de toren            kort, kort, kort, kort, kort, lang, kort
wie hoort er (horen) alom         kort, lang, kort, kort, lang
het (naar ‘t) klokkengebrom     kort, lang, kort, kort, lang

De ‘oo’ van horen/toren; de ‘o’ van om/brom moeten iets langer, dus bij de laatste twee het uitklinken van de =m= iets later. Bij het echte zingen hoor je vaak dat bv. in zo’n woord als ‘gebrom’ de klinker te snel verdwijnt, afgeknepen a.h.w. en de medeklinker te veel aandacht krijgt.
De =m= moet daarentegen in ‘bimmmm, enz. veel meer nadruk krijgen dan de klinker, die wel heel even moet klinken als een soort klepelslag. Daarna de =m=steeds zachter laten worden, dus lang aanhouden. Dat betekent weer: goed (= door de neus, niet met de schouders omhoog) inademen.
Wanneer het lukt om deze oefening ‘door de neus’ te spreken, kunnen =n= en =m= zodanig in de neusholte resoneren, dat de oefening een gunstige invloed heeft op verstopte neuzen! Evenals neem nooit natte noten’

 0-0-0

P

Plippertie, plippertie, plop,
ake, bake, bonenstaken.
Klippertie, klippertie, klop,
hake, bake, noten kraken

De p mooi met de lippen laten ‘ploppen’; de klinkers a, a o, a mooi lang, maar niet omhoog. Zin 1 en 3 kunnen consonantisch en wat vlug; 2 en 4 zangerig, vocaal.

0-0-0

daar prijkt protsig de plompe padde in de poel

zie hierboven

0-0-0

P     B     K

potten en pannen
koppen en kommen (kannen)
boeren en burgers
komen hier kopen

Combinaties van verschillende klanken wekken bewustzijn voor iedere afzonderlijke klank, die in aparte oefeningen zijn gedaan. De mogelijkheden om de oefening op allerlei manieren te zeggen, zijn hierboven al aangegeven.

0-0-0

PF

pfui  pfeife  – pfiffige  – pfeiferpfiffe

=pf= is best lastig te combineren. Niet te vlug; de tijd nemen. Je kunt het een beetje ‘Duits’ uitspreken, maar de klanken ook ‘Nederlands’ nemen.

0-0-0

PF

empfange      empfinde    pfunde   pfeffer

De =p= als plofklank ‘eindigt’ met de lippen wat van elkaar, maar voor de =f= moeten ze weer gesloten zijn. Dit vergt wel enige wakkerheid.
Over de =pf= zegt Steiner: ‘deze moet heel energiek en beweeglijk gedaan worden’.
GA 295 10e werkbespreking

0-0-0

P PL

de plompe pad plonst pardoes in de plas

Als je deze regel niet te langzaam spreekt, merk je dat er aandacht nodig is voor de =pl= en de =p’s= die snel volgen. Ze moeten allemaal goed te horen zijn; ook de -st- Toch wel een kleine tong- en lippengymnastiek.

0-0-0

PL

plippertie, plippertie, plop
ake bake bonenstaken

De combinatie =pl= vraagt veel wakkerheid van lippen en tong. De =p’s= moeten goed ‘ploppen’. De klinkers in =ake= enz mooi lang, met meer nadruk, maar ze mogen er niet ‘uitspringen’. Voor =ake= kan een =h= gedacht worden, zodat niet de lelijke glottisslag ontstaat.

0-0-0

pliep, plap, plip
daar kom ik in een wip

plep, plap, plop
daar kom ik in galop

plep, plip, plap
daar kom ik op de trap

Bij de =pl=mag de =l= niet te ‘dik’; de klinkers nauwelijks, maar wel een duidelijke scheiding tussen de laatste =p= en de volgende begin=p=

0-0-0

PL KL KN

pliep – plap – pliek – kliek   (ook gezien: kliep – plap – pliek – kliek)
klinkt klapperrecht
knetterend trappend rossengetrippel.   
(vertaling Joke Weltevreden?)

Deze ‘vertaling’ van een spraakoefening die Steiner aanraadde tijdens de cursus ‘Praktijk van het lesgeven’ [1]  bevat veel combinaties =pl=kl=kn=tr= die duidelijk hoorbaar moeten zijn. Het gaat hier om de medeklinkers, zodat de klinkers nauwelijks aandacht hoeven te krijgen en er in geen geval mogen ‘uitspringen’.

[1] GA 295/38
vertaald*/126

*de spraakoefening werd niet vertaald:

Klipp plapp plick glick
Klingt klapperrichtig
Knatterend trappend
Rossegetrippel

0-0-0

PL     SP

plet, plat, pluit
spet, spat, spuit
daar kom ik (he)t water al uit

Bij de =pl=mag de =l= niet te ‘dik’; dat de klinkers nauwelijks, maar wel een duidelijke scheiding tussen de laatste =p= en de volgende begin=p=; dat geldt ook voor de =t= en de volgende =s=

0-0-0

PR

prrr – prr = pruttelt de pap
roosje met haar pruimenmondje
lust de pruimen niet

De =r= moet mooi rollen; dat lukt na enige spanning achter de lippen door de =p= even ‘tegen te houden’ en dan meteen daarna de =r= laten volgen.

0-0-0

R

‘Zacht voor het kind: trrrrrrrrrrrrrrrrrrrr
Wat harder voor mevrouw: trrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrr
En heel luid voor mijnheer trrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrr

De R is voor veel kinderen, maar ook volwassenen – een moeilijke klank. Niet iedereen heeft een R waarbij het voorste deel van de tong lenig beweegt.

Met oudere kinderen kun je de R oefenen door langzaam de combinatie T-D te oefenen in ‘te dip, te dap, te dop en dat steeds vlugger. Dan kan het gebeuren dat de tong ineens ‘wakker wordt’ en kan rollen.

Lukt het, dan kan ‘de wekker aflopen’

0-0-0

tri    tra    troep
we lopen op de stoep

tri   tra   trap
we lopen op de trap

tri   tra   tree
we lopen naar benee (beneden)

Nog een combinatie TR die kan helpen de rollende R te ontwikkelen:

Deze oefening kan natuurlijk ook ‘gelopen’ worden, met allerlei varianten: op tenen, op hielen, vlug, langzaam enz.

0-0-0

ri  ra  roets
we rijden in een koets

ri  ra  ree
we rijden in (op) een slee

ra  ri  ree
wie rijdt er met ons mee?

Je zou hier een soort R-beweging kunnen maken met de denkbeeldige leidsels om de rollende R te stimuleren. Je kunt altijd een euritmist(e) vragen hoe je dit het beste kunt doen.
Je hebt hier een uitgelezen mogelijkheid om in samenwerking met een collega aan iets te werken vanuit verschillende vakgebieden. Dit geldt natuurlijk voor alle klanken.

0-0-0

Rom, bom, bom
Tamboertje, tamboertje,
tamboertje laat je trommel gaan,
rom, bom, bom

Ook hier weer veel variaties mogelijk. De ‘rom’ moet natuurlijk met een echte rollende r en alsof er een roffel klinkt: rrrrrrrrrrrrrrrrrom, die kun je zelfs 2 of 3x doen en dan de bom, bijna zonder de o, waarbij de m goed mag naklinken mmmm; tamboertje enz. wordt ‘gewoon’ gesproken om dan weer te eindigen in rrrrrrrrrrom, bom, bom, waarbij het ritme lang, kort, kort kan zijn.

0-0-0

romm  –  bomm  –  bomm  –
romm  –  bomm  –  bomm  –
tamboerr, tamboerr, tamboer sla op je tromm
romm  –  bomm  –  bomm  –  rommelde bommelde bomm!

Ook hier weer veel variaties mogelijk. De ‘rom’ moet natuurlijk met een echte rollende r en alsof er een roffel klinkt: rrrrrrrrrrrrrrrrrom, die kun je zelfs 2 of 3x doen en dan de bom, bijna zonder de o, waarbij de m goed mag naklinken mmmm; in deze oefening krijgt tamboer ook in de slot-r- nog nadruk. Je kunt verschillende ritmes toepassen. De =b= mag bijna ploffend, alsof je een slag op een grote trom geeft, maar de volgende =o= mag er dan niet ‘uitfloepen, dus meteen naar de =m=.

0-0-0

rondom ranken rode rozen
ritselend ruist het ranke riet
razend rennen rasse rossen
ruimte roept in’t ver verschiet

Uiteraard hoort de =r=rollend gesproken te worden; geen keel- of brouw-r, maar met het puntje van de tong. Niet te land hier! Evenwicht met de klinkers.
Spreken in 1 ademtocht van begin zin, tot einde zin; in een zekere cadans.

0-0-0

R  D

achter de Roomse kerk hangen drie droge doeken.

De moeilijkheid zit bij =dr= de tong moet voor de =d= tegen de boventanden, maar direct terug om de =r= echt te laten rollen.

0-0-0

 

S

sissende slangen sluipen vlug voort

De scherpe s moet duidelijk naar voren komen. De armen kunnen hier een ondersteunende beweging maken: het schuifelen en ook op vlug voort kan bv. een beweging naar voren worden gemaakt. Als je alleen de beginletter doet, en een hele klas laat dit sisgeluid horen, word je wel iets gewaar van de dreiging die er van deze klank kan uitgaan. De overgang van s – tussen de tanden – en de v – gebruik van de lippen vraagt om een duidelijk snelle wisseling: een activiteit die bewustzijn wekt voor wat je daar met je mond eigenlijk doet.

variant:
sissende slangen
sluipen en schuifelen
soms in sombere spelonken

0-0-0

SCH

de schipper bepekte zijn schip met pek
Met pek bepekte de schipper zijn schip.

De =sch= is een klank die snel te schraperig wordt; de =g=klank erin mag niet te veel over de keel gesproken worden. De =p= moet ook goed hoorbaar zijn.
De eind =k= en = p= mogen niet wegvallen.

0-0-0

S   H   K

sterk is de smid als hij slaat op het aambeeld
hoort hoe zijn hamer met harde slagen
komt met veel kracht op het klinkend metaal

De zinnen in een zeker ritme spreken, helpt mee bij een goede verdeling van de accenten: lang, kort, kor, lang bijv. in de 1e zin: accent op =st= en =sm=en =sl=
De =s=mooi scherp; de =k=mooi ‘ketsend’. Klinkers niet te veel ‘eruit’

0-0-0

SI     SJ

Er was eens een man
Die had drie zonen.
De eerste heette Sjak,
De andere Sjaksjawwerak,
De derde Sjaksjaweraksjakonimini.
Nu was er ook een vrouw
Die had drie dochters
De ene heette Sipp,
De andere Sippsiwwelipp,
De derde Sippsiwellippsippelimini.
Toen trouwde Sjak met Sipp,
En Sjaksjawwerak met Sippsiwwelipp,
En Sjaksjaweraksjakonimini, trouwde Sippsiwelippsippelimini. 

De =s= moet wel enigszins scherp blijven. De =p= moet wel een beetje ploffen. De moeilijkheid zit ook nog in het onthouden van die lange namen. Een echte ‘bewustzijnsoefening’ wordt het, wanneer je deze omgekeerd probeert. 

0-0-0

SL

slingerde slang, slingerde slang
sla de hamer  op de stang
sla de hamer op het ijzer
ijzer en staal, wel duidend maal
niet ernaast, maar wel erop
boven op zijn stalen kop.

Sterk vanuit het ritme: lang, kort, kort, lang;    lang kort lang kort lang kort lang

0-0-0

sluw slangetje sluipt stil langs de sloot

Het gaat om de scherpe =s= in een goed hoorbare combinatie met de =l=; ook de combinatie (slui)=pt/st= moet goed goed hoorbaar zijn.

0-0-0

SP

De spin spant met haar sprietige poten
al spinnend en spannend haar web.

Scherpere s en ploppende p. De d bij spinnend en spannend moet ook goed hoorbaar zijn en vooral de b van web – die dreigt als laatste klank vaak weg te vallen.

0-0-0

spin                span                 spaan
en spaan komt achteraan
spaan             span                 spin
nu spaan in het begin
spin               span                  spaan

Het gaat om een mooie =sp= klinkers goed toto hun recht laten komen. Je kunt het tempo opvoeren en dan bv. de hele oefening zonder het woord span uit te spreken en in plaats daarvan een klap in de handen of een stamp met de voet of wat ook; uiteraard kan dat ook met de andere woorden afgewisseld worden of alleen de =sp=

0-0-0

SPR

Hij sprak met sprotje;
in een lang gesprek
was het onuitsprekelijk moeilijk
tot een afspraak te komen,
daar Sprotje een spraakgebrek had.

Wanneer de = r= goed is beoefend (zie de =R=oefeningen) moet de combinatie =s p r= duidelijk te horen zijn. Deze oefening vraagt ook dat regel 2, 3 en 4 op één ademstroom gesproken worden; na komen even ademen en met áfdalende’ intonatie; bij onuitsprekelijk  kan op =spre=demeer nadruk worden gelegd.

0-0-0

ST

stapvoets stoot het sterk en stevig paard tegen de stompe steenweg

De =st= moet mooi scherp. Je kunt er nog een ritme in aanbrengen.
De trochee: lang -k ort; lang – kort.

0-0-0

ST  R

als de straffe storm staat op het strand
stappen wij stevig door het stuivende zand

Elke zin in één adem is belangrijk. Medeklinkers moeten duidelijk hoorbaar zijn; de klinkers krijgen minder aandacht. Ook de laatste d’s hoorbaar!

0-0-0

STR  SN  SCH  SP

daar streed een snip op ’t schip
die sneed met zijn bek
het spek van ’t spit

Bij de aanwijzingen voor deze klankcombinaties: zie boven

0-0-0

T

tik, tak, tikketak,
tikt het takje tegen het dak

Hier gaat het om de t: een mooie ‘droge’, scherpe. De klinkers hoeven niet zo benadrukt te worden, maar de medeklinkers, ook de k, om het geluid van de regen te accentueren. Je kunt ook eens alleen de beginletters doen. Hoe jonger het kind, des te meer helpt ook de beweging. Hier kun je bv. met de nagels van de vingers het geluid mee laten spelen, op de bank, maar ook tegen de ruit enz.
Uiteraard moet de laatste d duidelijk verschillen van de daarvoor gesproken t’s. Zie volgende oefening.

0-0-0

tik, tak (4x)
tikt het telkens op de tegels
op de tegels telkens weer

Hier gaat het om de t: een mooie ‘droge’, scherpe. De klinkers hoeven niet zo benadrukt te worden, maar de medeklinkers, ook de k, om het geluid van de regen te accentueren. Je kunt ook eens alleen de beginletters doen. Hoe jonger het kind, des te meer helpt ook de beweging. Hier kun je bv. met de nagels van de vingers het geluid mee laten spelen, op de bank, maar ook tegen de ruit enz. Zie oefening hierboven.

0-0-0

tien tenen trippelen traptreden op

De =tr= is lastig, maar de =r= moet: geen keel-r! goed hoorbaar zijn. 

0-0-0

T D N L —-L N D T

TDNL   LNDT

Steeds sneller achter elkaar is heel lastig. De klanken moeten echt de klanken blijven -de =l= mag bijv. geen =el= worden. Op den duur kan er -zie BD – een =R= achter komen.

0-0-0

TR

trip, trap, trippeltrap,
trippelt Trijntje van de trap
trip, trap, trippeltrap trippelt Trijntje op de trap
trrrrrrrrrrrrrrrrrrrr…………..boem!

Bij deze oefening zou je de =r=al goed, d.i. als tongpunt r – rollend- moeten kunnen. De combinatie =tr= kan wel helpen de =r=verder te ontwikkelen. Zie de aanwijzing bij de R in ‘alle spraakoefeningen” : te dip, te dap.
Je kunt de zinnen langzaam de trap op en vlug de trap af; hard-zacht. Het mooiste vinden de kinderen natuurlijk het glijden van de trap, vooral de laatste: boem. De =oe= mag er natuurlijk goed uitspringen.

0-0-0

UI

pluim, pluim, pluim
een bruine pluim
een bruine hanepluim

De =ui= is een klank waarvoor je moeite moet doen om hem zuiver te laten klinken. Het mag dan ook gerust wat overdreven ‘deftig’ gebeuren in deze oefening. Je kunt, wanneer je de tweeklanken aanleert, laten horen dat ze eigenlijk ook uit twee klanken bestaan: de =i= die de andere (dat is ook zo bij de =ei=) beïnvloedt, deze kleurt, a.h.w. Je begint de =u= (niet =uu=) te zeggen en vervolgens voeg je langzaam de =i= erbij. Dan hoor je de =u= veranderen en min of meer een =ui= worden.

0-0-0

 

V

vlug, vlug vlindertje
waar vlieg je toch heen?
ik vlieg er zo vlug – ik vlieg er zo vrij
ik vlieg met de wind – over velden en wei

De ‘v’ wordt hier afgewisseld met de ‘w; stemhebbend en stemloos staan hier mooi tegenover elkaar. Belangrijk is hier ook het ritme en de ademhaling: op de juiste plaats: dat is nooit ergens half in, maar altijd aan het begin van de nieuwe zin.

0-0-0

vlug voort door de poort  – hoort!
wie weet waar – daar!
volgt vlug in vliegende vaart  – te paard!
halt! – he daar! – ho!

De =v=moet wel stemhebbend blijven; =o= mag er niet uitspringen – geldt ook voor de andere klinkers – =t= moet goed hoorbaar zijn.
Je kunt de oefening door hard/zacht ‘spannend’ maken.

0-0-0

V

vele vogeltjes vliegen over velden en vlakten

De =v=moet wel stemhebbend blijven; de klinkers mogen er niet uitspringen – 

0-0-0

V     F

visser Frits vist frisse vissen
frisse vissen vist visser Frits

De afwisseling =v=/=f= moet duideliijk te horen zijn. Niet makkelijk: van stemhebbend naar stemloos. De klanken =v= en =f= los oefenen en dan steeds sneller achter elkaar, vervolgens toepassen in deze oefening.

0-0-0

W

Waaie, waaie, windje.
Buiten loopt het kindje.
Als de wind niet waaien wil,
Staan de molenwiekjes stil.
Waaie, windje, waaie,
Laat de wiekjes draaien.

Let op het kleine ‘beuwstzijnsmoment’: waaie, waaie, windje en waaie, windje, waaie. De w met de lippen bijna op elkaar, waardoorheen de lucht ontsnappen kan en zo hoorbaar de W vormt.
Je kunt dit ritmisch spreken, waarbij de kinderen met gestrekte horizontale armen de molenwieken nabootsen. Wanneer er twee kinderen precies achter elkaar staan en in de bewegingen precies tegenovergesteld maken, vormen ze net een molen. Dat kun dus met tweetallen tegelijk. Of de helft van de klas doet het en de andere helft spreekt het en omgekeerd.

0-0-0

Het wevertje zat naast zijn vrouw,
Hij wist niet wat hij wezen zou.
Hij weefde een ditje, hij weefde een datje,
Hij weefde een kussentje voor zijn katje.

De -w- kan weer mooi tot zijn recht komen, bij een naaibeweging: alsof je een draad door een stuk stof haalt. Ritme belangrijk. Een ditje en een datje vraagt enige uitleg. En -katje- wordt vaak – gatje.

0-0-0

De wind waait over het water
Wijd weg over het water
Meeuwen zweven door de wind gedreven
vlug voort
Wolken jagen met regenvlagen over de zee
Golven grimmig en grauw
Beuken en breken in de branding op het strand

De w met de lippen bijna op elkaar, waardoorheen de lucht ontsnappen kan en zo hoorbaar de W vormt. Pas erop dat de klinkers in =waait= en =water=enz. er niet teveel uitspringen, hoewel ze iets langer moeten klinken. =Meeuwen= enz.: een ritmische zin. De =g=mag een beetje ‘grimmig’ klinken. De =b(r)= in de laatste zin is een mooie alliteratie die ook duidelijk gehoord mag worden.

0-0-0

Wie niets weet en weet, dat hij niets weet, 
weet meer dan hij die niets weet
en niet weet dat hij niets weet.

De =w= met de lippen bijna op elkaar – een klein ‘Engels’ begin: aanzetten als voor =oe= waardoorheen de lucht ontsnappen kan en zo hoorbaar de W vormt. Pas erop dat de =ee= in weet en meer er niet teveel uitspringen, wat makkelijk kan omdat ze in het ritme gesproken de nadruk krijgen, en iets langer moeten klinken. Bovendien vraagt de =ee= om klankzuiver te worden uitgesproken, anders komt de =ie= in zicht.

0-0-0

W     NG

de wingelende, wongelende wielen van de wagen
wentelen al wingelend en wongelend voort

De = w=is een klank die een beetje op de Engelse manier, startend met een =oe= aanzet, gesproken mag worden. De =ng= mag iets langer worden aangehouden. De =t= van voort: hoorbaar!

0-0-0

Z

zeven zwarte zwanen zwemmen
zwemmen in de zuiderzee

Als je hier de ‘z’ goed wil laten horen, wordt het geheel iets overdreven. Dat is niet erg. Het roept bewustzijn op voor de klank. Je kunt ook hier eens alleen de beginklank zeggen (en die dan afwisselen met een S-oefening bv.)

0-0-0

zie, zilveren zwanen zwemmen over de zilveren zee

zie hierboven

0-0-0

ZW

zwarte zwanen zwemmen
zwemmen in  de zee
meeuwen zweven zwenkend
zwierend met hen mee

Uiteraard moet de =z= goed hoorbaar zijn. De klinkers in meeuwen, zweven, zwierend mogen wat langer klinken om het gevoel van dat zweven te benadrukken. Let op de uitspraak van de = eeuw= (omdat kinderen die deze klank niet goed uitspreken, hem ook vaak fout schrijven).

0-0-0

combinaties van klanken

kranige kerels komen naar voren
pakken hun paarden aan palen gebonden
snuivend en stampend staan zij daar
dan rijden de ruiters in razende vaart
achtervolgend de vluchtende vijand te paard

Bij de afzonderlijke klanken =k=; =p=; =s=; =r=;=v= zijn spraakaanwijzingen gegeven.

dat geldt ook voor de klanken die hierin nodig zijn:

In ’t dampig donker muffig kot
lispelen heksen met spinnige spot
hun gewroet en gestook wordt plots verstoord
door het krakend gekners dat door stilte zich boort
van geroeste scharnieren
van knarsende piepende deuren
en ’t klikken van ’t koperen slot

0-0-0

droog en dor, smachtend van dorst,
liepen zij langzaam de lange weg
zon en zand – wijd en zijd
de hitte was hevig
en nergens was hulp
‘moed houden mannen,’ maande de oudste
‘speurt en spiedt in het rond nu naar sporen
die wijzen op water in deze woestijn

In deze alliteratie komen allerlei klanken voor die in meer speciale oefeningen behandeld zijn. Wat daarover werd gezegd, moet je nu toepassen.
De allitererende woorden krijgen in het ritmisch spreken de nadruk, voor zover mogelijk. Let op de klanken die ‘eruit’ kunnen vliegen: bijv. mOEd    mAnnen mAAnde; de nadruk moet juist meer liggen op de =m=

De 4e klas leert de alliteratie vooral vanuit de verzen in de Edda. Wanneer je zo’n rijm loopt – eigenlijk stilstaat en alleen op de allitererende klank een stap zet of in de handen klapt, wekt dat veel bewustzijn ‘voor het moment’.

0-0-0

Er was eens een nachtwacht, 
die voormiddernacht moest nachtwaken
en een andere nachtwacht
die de namiddernacht moest nachtwaken,
daarom heette de ene de voormiddernachtwacht
en de andere de namiddernachtwacht.
Toen zei de voormiddernachtwacht
die de voormiddernacht moest waken
tegen de namiddernachtwacht
die de namiddernacht moest nachtwaken:
Wil jij niet eens de voormiddernachtwacht waken
in plaats van de namiddernachtwacht?
Dan zal ik in de plaats van de voormiddernachtwacht
jouw namiddernachtwach nachtwaken,
dan ben ik dus voor een keer
de voormiddernachtwachtnamiddernachtwachtnachtwaker
en jij de namiddernachtwachtvoormiddernachtwachtnachtwaker.

0-0-0

Klappertandend kwam Kees Koukleum kolen kopen.
“Kijk,kijk”, kakelde kolen koopman Kuipers,
“Kees Koukleum klappertandt!”
“Koud Kees?” kakelde kolen koopman Kuipers.
“Kerel”, klaagde Kees Koukleum,
“kille kuiten, koude knieën, krampachtig klapp’rende kiezen, kippenvellende kaken, compleet krakende knoken!”
 
0-0-0

Heb je andere spraakoefeningen en wil je deze delen met je collega’s, stuur ze naar
vspedagogie  apenstaartje gmail punt com

Spreektherapie

Het antroposofisch mensbeeld en spraaktherapie

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

 

888-819

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Gemanipuleerde vrijeschoolinformatie op Wikipedia

.

VRIJESCHOOLONDERWIJS op Wikipedia

Wat zegt Wikipedia over zichzelf:

‘De artikelen in deze encyclopedie worden geacht een neutraal standpunt uit te dragen. Wikipedia is in principe door iedereen te bewerken. Dat is ook een van de redenen dat Wikipedia geen garantie voor de juistheid en evenwichtige kwaliteit van de informatie kan geven. Daarnaast is, door het open karakter van het project, de kans op vandalisme altijd aanwezig’.

Het artikel ‘vrijeschoolonderwijs’ is geschreven door dezelfde figuur die vanaf deze blog – zonder mijn toestemming – dus gestolen – vele artikelen op een eigen blog heeft geplaatst.

Over het betreffende artikel.

.
Vrijeschool: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

887-818

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Pascal

.

 Blaise Pascal

Uitvinder van de rekenmachine

Het principe van onze moderne rekenmachine is niet nieuw. Oorspronkelijk telden de mensen op hun vingers (dat kun je wel op je vingers natellen); later legden ze steentjes of stokjes neer. Maar de oosterlingen hadden al sinds onheuglijke tijden een telraam, een abacus, door middel waarvan het optellen mechanisch geschiedde, en de moderne rekenmachine doet in beginsel hetzelfde: rekenen met mechanische middelen.

De eerste rekenmachine werd uitgevonden door een jongen van negentien jaar, Blaise Pascal, in het jaar 1642. Als jongen was hij te zwak om naar school te gaan, maar hij zat altijd met zijn neus in de boeken. Daar zijn vader bang was, dat zijn hersens overspannen zouden raken, hield hij hem zoveel mogelijk van zijn studie af. Pascal was dol op wiskunde en op zijn twaalfde jaar was hij al een hele Piet in de trigonometrie, later deed hij zelfs bekende mathematici versteld staan over nieuwe wiskundige oplossingen, die hij had bedacht.

De belangstelling van Pascal beperkte zich niet tot de exacte wetenschappen; zijn boek Pensées, uitgegeven na zijn dood, is wereldbekend geworden.

De rekenmachine van Pascal was natuurlijk nog maar primitief en is sindsdien veel verbeterd. In 1694 maakte Gottfried Leibnitz de eerste ‘calculator’, waarmee men door herhaaldelijk op te tellen kon vermenigvuldigen. In het laatste deel van de negentiende eeuw kwamen er een groot aantal optel- en rekenmachines op de markt. In 1850 maakte D. Parmelee de eerste machine, die door toetsen in beweging werd gebracht en in 1857 construeerde Thomas Hill een rekenmachine, eveneens door toetsen bewogen, die verschillende rekenkundige bewerkingen tegelijk uitvoerde.

In 1892 vond William Burroughs, een kantoorbediende van vijfendertig jaar, een zo geperfectioneerde rekenmachine uit, dat deze algemene bekendheid verwierf en overal gebruikt werd. Dit beleefde hij echter niet meer, want hij stierf op zijn eenenveertigste jaar. Sinds de uitvinding van de rekenmachine hebben nog tal van andere mechanische uitvindingen hun intrede gedaan in de administratie van de grote kantoren. Er zijn machines, om rekeningen uit te schrijven, cheques worden machinaal uitgeschreven, men heeft kasregisters, die feitelijk gemoderniseerde rekenmachines zijn en het werk van kantoorbedienden beter doen dan mensen. Dicteermachines zijn gekomen in de plaats van stenografen; op de postkantoren worden brieven niet meer met de hand gestempeld, zelfs de uren en minuten staan er op. Tabulators verrichten in een ogenblik door een handomdraai zoveel werk, dat een kantoorbediende hiervoor soms uren nodig zou hebben; op de redacties van de kranten staan telexmachines, die rustig doorwerken zonder dat een mens ernaar hoeft om te zien. Het enige wat men te doen heeft, is zo nu en dan een jongen te sturen, die een stuk van de rol af scheurt; op de stroken staan dan de laatste berichten over alles wat er in de wereld gebeurt. Authentieke stukken worden mechanisch en automatisch gekopieerd, om als bewijsstukken te dienen; op de banken worden de munten gescheiden en geteld door elektrische machines. Men maakt op grote bankinstellingen zelfs gebruik van een elektrische inrichting om handtekeningen onder cheques te zetten en er zijn ten slotte machines, die op de politiebureaus de vingerafdrukken sorteren en er de verlangde uitpikken.

Dit alles is voor een deel te danken aan het initiatief van Blaise Pascal. Ongetwijfeld zou hij nog veel gedaan hebben voor de ontwikkeling van de techniek, als hij niet ten gevolge van zijn zwakke lichamelijke gesteldheid op negenendertigjarige leeftijd was gestorven.

.

8e klas vertelstof: alle biografieën

Vertelstof: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

Algemene menskunde: leeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

886-817

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 311 – voordracht 4

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom): vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com

 

GA 311

Vertaling
inhoudsopgave
voordracht  [1]  [2]   [3]   [5]   [6]   [7vragenbeantwoording       
.

RUDOLF STEINER

Inhoudsopgave 4e voordracht 15 augustus 1924:

Zelfopvoeding. <1>
Moed bij tekortkomingen in het begin. <2>
Lotsverbondenheid met de kinderen. <2
Leerkracht blijft bij klas <3>

Voorbeeld van een beeldende vertelling. <4>
Methodiek van het vertellen. <5>   <8>
Meditatieve stemming van de opvoeder. <6>
Behandeling van de temperamenten. <7>
Religieuze stemming/godsdienstonderwijs <8A>
Symmetrie-oefeningen en innerlijk vormgevoel. <9>
Behendigheidsoefeningen aan eigen lichaam voor ontwikkeling van het denken. <10>
Schilderen. <11>
Periodeonderwijs. <12>

Voordracht 4, Torquay, 15 augustus 1924

blz.62:

Ich habe ausgeführt, wie man versuchen soll, in schildernder, in Bilder darstellender Form in den Jahren zwischen dem Zahnwechsel und dem 9. und 10. Lebensjahre alles dasjenige an das Kind heranzubringen, was die Seele des Kindes dann aufnehmen soll, so aufnehmen soll, daß das Aufgenommene dann in naturgemäßer Weise weiterwirkt, weiterwirken kann durch das ganze Leben. Es ist das natürlich nur dann möglich, wenn man nicht tote Vorstellungen und Empfindungen in dem Kinde wachruft, sondern solche Vorstellungen und Empfindungen, die leben.
Um das zu können, muß man sich selber erst das Gefühl für das Leben des Seeleninhaltes aneignen. Man wird Geduld haben müssen als Lehrender und Erziehender mit der eigenen Selbsterziehung, mit dem Erwecken dessen in der Seele, was wirklich keimen und wachsen kann in der Seele. Man wird in dieser Beziehung an sich selbst die schönsten Entdeckungen machen können. Man darf nur nicht, um solche Entdeckungen machen zu können, den Mut gleich beim ersten Anhub verlieren.

Ik heb uiteengezet hoe je moet proberen op een schilderende manier beelden te geven in de jaren tussen de tandenwisseling en het 9e en 10e levensjaar om zo alles aan het kind te geven wat zijn ziel dan moet opnemen, zodanig dat dit dan op een natuurlijke manier verder werkt, verder werken kan het hele leven door. Dat is natuurlijk alleen mogelijk, wanneer je geen dode voorstellingen en gewaarwordingen in het kind oproept, maar voorstellingen en gewaarwordingen die leven.
<1>Om dat te kunnen, moet je zelf eerst het gevoel krijgen voor wat er aan zieleninhoud leven kan. Je zult geduld moeten hebben als onderwijzer en opvoeder met je eigen zelfopvoeding, met het opwekken in je ziel van wat daarin werkelijk kan kiemen en groeien.<1>
In dit opzicht kun je aan jezelf de mooiste ontdekkingen doen. <2> Je moet alleen, wil je zulke ontdekkingen kunnen doen, niet meteen de moed verliezen als je eraan begint.

Der Mensch sollte, wenn er irgendeine Tätigkeit beginnt, die eine geistvolle Tätigkeit sein soll, es eigentlich unter allen Umständen ertragen können, ungeschickt zu sein. Wer nicht ertragen kann, ungeschickt zu sein, die Dinge zuerst dumm und unvollkommen zu machen, der wird sie aus dem Innern heraus eigentlich niemals vollkommen machen können. Und insbesondere im lehrenden und erziehenden Beruf müssen wir erst dasjenige in unserer eigenen Seele entzünden, was wir eigentlich ausüben sollen; richtig entzünden. Wenn es uns gelingt, einoder zweimal bildhafte Darstellungen zu ersinnen, bei denen wir sehen, daß sie bei den Kindern einschlagen, dann werden wir nämlich eine
merkwürdige Entdeckung an uns selber machen: Wir werden sehen, daß uns dann das Erfinden von solchen Bildern immer leichter und leichter wird, daß wir nach und nach so erfinderische Menschen werden, wie wir uns das von uns gar nicht vorgestellt hätten.

De mens zou, wanneer hij deze of gene activiteit ontplooien gaat die een geestrijke activiteit moet zijn, eigenlijk onder alle omstandigheden moeten kunnen verdragen, dat hij er onbeholpen in is. Wie niet kan verdragen dat hij onbeholpen is, dingen eerst dom en onvolmaakt doet, die kan ze vanuit het innerlijk eigenlijk nooit vervolmaken. En in het bijzonder bij het beroep van onderwijsgevende en opvoeder moeten we juist eerst in onze eigen ziel laten ontvlammen wat we eigenlijk ten uitvoer willen brengen; echt laten ontvlammen. Wanneer het ons lukt, een of twee keer beeldrijke verhalen te verzinnen waarbij we zien dat de kinderen ervan smullen, dan zullen we juist een merkwaardige ontdekking aan ons zelf doen: we zullen dan merken dat het maken van dergelijke beelden steeds makkelijker wordt, dat we stap voor stap zo creatief worden dat wij dat van onszelf niet hadden kunnen denken.

blz.63:

Maar daar hoort nu eenmaal bij, in het begin misschien welgemoed dat je verre van wat goed is maar wat aanklungelt. Dan zou je wellicht zeggen, dan moet ik helemaal geen opvoeder worden, als ik in het begin nog zo helemaal onbeholpen voor de kinderen sta! Maar dan kan de antroposofische wereldbeschouwing je verder helpen. Je kan tegen jezelf zeggen: iets brengt mij vanuit mijn karma bij de kinderen, zodat ik ook als onhandige opvoeder bij hen kan zijn. En die, bij wie ik niet onhandig mag zijn, die komen pas in latere jaren door het karma bij mij. Dit vol moed het waagstuk in het leven aangaan, dat heeft de leraar en de opvoeder nodig – het vraagstuk van de opvoeding is zeer zeker helemaal geen lerarenvraagstuk, maar een kindervraagstuk.<2>
En zo zou ik U graag een voorbeeld geven van wat door de ziel van het kind opgenomen kan worden, zodat het met het kind meegroeit en dat je later nog in de gelegenheid bent erop terug te komen en latere ervaringen en gevoelens uit wat je oorspronkelijk gaf te voorschijn te halen.

Nichts ist nützlicher und fruchtbarer im Unterricht, als wenn Sie dem Kinde zwischen dem 7. und 8. Lebensjahre etwas in Bildern geben und später, vielleicht im 13., 14. Lebensjahre, wieder in irgendeiner Form darauf zurückkommen können. Gerade aus dem Grunde wird bei uns in der Waldorfschule versucht, die Kinder möglichst lange bei einer Lehrkraft zu lassen. Die Kinder werden, wenn sie in die Schule kommen, mit dem 7. Lebensjahre einer Lehrkraft übergeben. Die steigt dann mit den Klassen auf, soweit es eben geht.
Das ist deshalb gut, damit die Dinge, die einmal keimhaft in dem Kinde veranlagt werden, immer wieder und wiederum den Inhalt der
Erziehungsmittel abgeben können.
Denken wir uns nun, wir bringen einem sieben- oder achtjährigen Kinde eine Bilder enthaltende Erzählung. Das Kind braucht die Bilder nicht sogleich zu verstehen. Warum das ist, werde ich Ihnen nachher sagen. Es handelt sich nur darum, daß das Kind angemutet wird dadurch, daß der Erzieher die Sache, ich möchte sagen, in graziöser Form vorbringt. Nehmen wir an, ich erzähle dem Kinde folgendes:

<3> Niets is beter bruikbaar en vruchtbaarder in het onderwijs dan de kinderen tussen het 7e en het 8e jaar iets in beelden te geven en later, misschien als ze 13, 14 jaar zijn, daar op een of andere manier weer op terug te komen. Met name daarom proberen we bij ons in de vrijeschool de kinderen zo mogelijk lang bij één leerkracht te laten. De kinderen worden, wanneer ze op school komen met hun 7e overgedragen aan een leerkracht.
Die gaat dan door de leerjaren met ze mee, zover als het gaat. Dat is daarom goed, opdat de dingen die ooit als kiem in het kind gelegd werden, steeds weer opnieuw tot opvoedingsmiddel kunnen dienen.<3>
Verbeelden we ons eens dat we een zeven- of achtjarig kind een beeldrijk verhaal vertellen. Het kind hoeft die beelden niet gelijk te begrijpen. Waarom, zal ik u later nog zeggen. Het gaat er alleen om dat, ik zou willen zeggen, de boeiende manier waarop de opvoeder de zaak brengt, indruk maakt op het kind. Laten we aannemen, ik vertel het kind het volgende:

blz.64

«Da war einmal in einem Walde, wo die Sonne durch Bäume drang, ein Veilchen, ein bescheidenes Veilchen unter einem Baume, der große Blätter hatte. Und das Veilchen konnte durch eine Öffnung, die durch die Baumkrone entstanden ist, hindurchschauen.
Und das Veilchen sah, indem es hindurchschaute durch die weite Öffnung in dem Walde, den blauen Himmel. Das kleine Veilchen sah zum ersten Male den blauen Himmel, denn es war an dem Morgen dieses Tages eben erst aufgeblüht. Nun erschrak das Veilchen, als es den blauen Himmel sah und geriet in große Angst. Aber es wußte noch nicht, warum es in so große Angst geraten war.
Da lief ein Hund vorbei, ein Hund, der nicht gut aussah, der etwas bissig und böse aussah. Un d das Veilchen fragte den Hund : Sag mir einmal, was ist denn das da oben, das Blaue, das so ist wie ich? – denn es war der Himmel auch blau, wie das Veilchen blau war.
Und der Hund in seiner Bosheit sagte: Oh, das ist ein riesengroßes Veilchen, wie du, und dieses riesengroße Veilchen ist so groß geworden, daß es dich mächtig schlagen kann.

<4> In een bos, waar het zonlicht door de bomen drong, stond eens een viooltje, een bescheiden viooltje, onder een boom, die grote bladeren had. Het viooltje kon door een opening kijken, die tussen de boom­toppen was ontstaan en het viooltje zag, terwijl het door de wijde ope­ning in het bos heen keek, de blauwe hemel. Het kleine viooltje zag voor het eerst de blauwe hemel, want het was op de ochtend van deze dag pas gaan bloeien.
Nu schrok het viooltje, toen het de blauwe hemel zag en het werd heel erg angstig. Maar het wist nog niet, waarom het zo angstig was geworden.
Toen liep er een hond langs, die er niet vriendelijk uitzag, maar een beetje boosaardig. Het viooltje vroeg de hond: „Zeg mij toch, wat is dat daar boven, dat blauwe — zo blauw als ik?” Want de hemel was ook blauw, zoals het viooltje blauw was. En de kwaadaardige hond zei: „O, dat is een reuze groot viooltje zoals jij en dit reuzengrote viooltje is zo groot geworden, dat het je geweldig hard kan slaan”.

Und das Veilchen bekam eine noch viel größere Angst, denn es glaubte, dieses Veilchen da oben wäre so groß gewachsen, weil es da sein sollte zum Schlagen von ihm selber. Und das Veilchen zog seine Blütenblätter ganz zusammen und wollte nicht mehr hinaufschauen zu dem großen Veilchen und verbarg sich unter einem großen Blatt des Baumes, das gerade durch einen Windstoß heruntergefegt wurde.
Und so blieb es den ganzen Tag, indem es sich in seiner Angst versteckt hatte vor dem großen Himmelsveilchen.
Und als der nächste Morgen kam, da hatte das Veilchen die ganze Nacht noch nicht geschlafen, denn es hatte immer nur nachgedacht, wie es sich verhielte mit dem großen blauen Himmelsveilchen, von dem es geschlagen werden sollte. Und immer erwartete es, daß jetzt und jetzt der erste Schlag kommen sollte, und er war nicht gekommen.
Und am Morgen, da kroch das Veilchen hervor, weil es jetzt gar nicht müde war, denn es hatte die Nacht hindurch immer nachgedacht und war frisch und nicht müde – Veilchen werden müde, wenn sie schlafen und werden nicht müde, wenn sie nicht schlafen – und

Het viooltje werd nog veel angstiger, want het geloofde, dat het viooltje daar boven zo groot was geworden, om hem te slaan. En het viooltje trok zijn bloemblaadjes helemaal samen en wilde niet meer opzien naar het grote viooltje.
Het verschool zich onder een groot blad van de boom, dat juist door een windvlaag omlaag gejaagd was. Daar bleef het de hele dag, zich in zijn angst verschuilend voor het grote hemelviooltje. Bij het aanbreken van de volgende dag had het viooltje nog niet geslapen, want het had de hele nacht slechts nagedacht, hoe het toch was met het grote blauwe hemelviooltje, dat hem zou slaan. Het verwachtte steeds, dat elk ogenblik de eerste klap zou komen, maar die kwam niet. En ‘s morgens kwam het viooltje te voorschijn, omdat het nu helemaal niet moe was, want het had de hele nacht steeds nagedacht en was fris en niet moe. Viooltjes worden moe, als ze slapen, en worden niet moe, als ze niet slapen.

blz.65:

das erste, was das Veilchen sah, war die aufgehende Sonne und das
Morgenrot. Und als das Veilchen das Morgenrot sah, da wurde es gar nicht ängstlich. Und es war innerlich erfreut und froh über das Morgenrot.
Nach und nach kam wiederum, als das Morgenrot sich verlor, der
weißlich-blaue Himmel hervor. Er wurde immer blauer und blauer.
Und das Veilchen mußte wieder denken, was der Hund gesagt hatte, daß das ein großes Veilchen wäre, was es selber schlagen würde.
Und siehe da, da kam ein Lamm vorbei. Und jetzt wollte das Veilchen wiederum fragen, was das da oben wäre. Was ist denn das da oben? sagte das Veilchen, Da sagte das Lamm: Das ist ein großes Veilchen, blau wie du selber. – Jetzt wurde das Veilchen schon wiederum ängstlich und meinte, es würde von dem Lamm nur wieder dieselbe Auskunft bekommen wie von dem bösen Hund. Aber das Lamm war gut und fromm. Und weil es so gute und fromme Augen
machte, da fragte das Veilchen noch einmal: Ach, mein liebes Lamm,
wird mich denn das große Veilchen da oben schlagen?
O nein, antwortete das Lamm, das wird dich nicht schlagen, das ist ein großes Veilchen, und seine Liebe ist so vielmal größer als deine eigene Liebe, als es mehr blau ist, als du mit deiner kleinen Gestalt blau bist.

Het eerste, wat het viooltje zag, was de opgaande zon — het morgenrood. Toen het viooltje het morgenrood zag, werd het hele­maal niet angstig. Het was innerlijk verheugd en blij om het mor­genrood. Toen het morgenrood verbleekte, kwam geleidelijk aan de wit-­blauwe hemel te voorschijn. Die werd steeds blauwer en blauwer en het viooltje moest er weer aan denken, wat de hond gezegd had: dat dit een groot viooltje was, dat hem slaan zou. En ziedaar, er kwam een lammetje langs. Nu wilde het viooltje nog eens vragen, wat dat daarboven was. „Wat is dat daar boven?” vroeg het viooltje. Het lammetje zei: „Dat is een groot viooltje, blauw zoals jij zelf bent”. Nu werd het viooltje al weer angstig en dacht, dat het van het lammetje ook weer hetzelfde antwoord zou krijgen als van de boze hond. Maar het lam was goed en vroom. En omdat het zulke goede en vrome ogen had, vroeg het viooltje nog een keer. „Ach mijn lieve lammetje, zal het grote viooltje daar boven mij dan slaan?” „O neen”, antwoordde het lam, „het zal je niet slaan. Het is een groot viooltje en zijn liefde is even zo vele malen groter als jouw eigen liefde; zoals het méér blauw is, als jij met je kleine gestalte blauw bent. (2)

Toen begreep het viooltje meteen, dat dit een groot viooltje is, dat helemaal niet zal slaan, maar zoveel blauw heeft, om zoveel meer liefde te schenken en dat het grote viooltje het kleine viooltje zal beschermen tegen alles wat vijandig is in de wereld. Toen voelde het kleine viooltje zich zo gelukkig, omdat alles, wat het zag als blauw in het grote hemelviooltje, hem leek als de god­delijke liefde, die hem van alle kanten toestroomde. En het kleine viooltje zag altijd omhoog, alsof het wilde bidden tot de God van de viooltjes. [1] <4>
<5> Wanneer je zo ongeveer aan de kinderen vertelt, zullen ze ongetwijfeld luisteren. Naar zoiets luisteren ze altijd. Maar je moet vanuit zo’n stemming vertellen, dat de kinderen, wanneer ze het verhaal gehoord hebben, een beetje de behoefte hebben dit verhaal ook innerlijk gevoelsmatig te verwerken. Dat is erg

blz.66:

belangrijk. En alles hangt ervan af hoe je in staat bent door je eigen gevoel bij de kinderen de orde te bewaren. Daarom moet je meteen, wanneer je zoiets bespreekt als ik net besproken heb, ook de orde bewaren.
We kregen op de vrijeschool eens een leerkracht die prachtig kon vertellen, heel prachtig, maar het maakte op de kinderen niet de indruk waardoor ze in vanzelfsprekende liefde naar haar opkeken. Wat was het gevolg?
Wanneer het ene spannende verhaal verteld was, wilden de kinderen meteen een tweede. En de leerkracht gaf toe, had al een tweede voorbereid. Dan wilden de kinderen daarop gelijk een derde; de leerkracht gaf toe; had een derde voorbereid. Het kwam ten slotte zo ver dat deze leerkracht op den duur niet genoeg meer kon voorbereiden. –
Het is natuurlijk ook noodzakelijk dat je niet aan een stuk door als een fietspomp voortdurend de kinderen inpompt – we zullen zo nog horen, hoe je moet afwisselen -, maar het gaat erom dat je nu verder gaat, dat je het kind eerst laat vragen, dat je aan het kind ziet, aan zijn gezicht, zijn mimiek, dat het iets wil vragen. Je laat het vragen en spreekt dan over zijn vraag naar aanleiding van het net vertelde verhaal.

So wird einen ein kleines Kind wahrscheinlich fragen: Warum hat denn der Hund eine so böse Antwort gegeben? – Da wird man dem Kinde dann schon in der ganz kindlichen Weise beibringen können: Der Hund ist ein Wesen, das zum Wachedienst bestimmt ist, der den Leuten graulich machen soll, der gewöhnt ist, die Leute vor sich fürchten zu machen. Und man wird dem Kinde erklären können, warum der Hund diese Antwort gegeben hat. Man wird ihm auch erklären können, warum das Lamm jene Antwort gegeben hat, die
ich angegeben habe. Man wird in dieser Beziehung, nachdem man die Erzählung gegeben hat, lange mit den Kindern fortsprechen können, und man wird finden: Eine Frage bringt bei den Kindern gerade die andere. Alle werden zuletzt auf alles Mögliche und Unmögliche übergehen. Da handelt es sich darum, daß man in der Tat jene selbstverständliche Autorität, von der wir noch viel sprechen

Zo zou een klein kind waarschijnlijk kunnen vragen: ‘Waarom heeft de hond dan zo boos geantwoord?’ Dan kun je het kind al op heel kinderlijke manier bijbrengen: de hond is een wezen dat waakzaam moet zijn; die tegen de mensen tekeer moet gaan, die gewend is de mensen bang te maken. En je kunt het kind uitleggen, waarom de hond dit antwoord gaf. Je kan het ook uitleggen waarom het lam het andere antwoord gaf, dat ik aangaf. In deze context kun je, nadat je verteld hebt, lang met de kinderen doorspreken en je zult ervaren: de ene vraag roept bij het kind de andere op. Uiteindelijk zullen ze allemaal tot al het mogelijke en onmogelijke overgaan. Dan gaat het erom dat je die vanzelfsprekende autoriteit, waarover we nog veel zullen praten,

blz.67:

met jou in de klas komt. Anders gebeurt het dat, terwijl jij met een kind bezig bent, de anderen meteen streken, kattenkwaad gaan uithalen. En als je dan gedwongen wordt je om te keren en vermaningen te geven, heb je al verloren. Met name bij kleinere kinderen moet je de gave hebben veel niet te zien.
Zo kon ik een keer voor een van onze leraren veel bewondering hebben. Er was een echte deugniet in de klas – nu is hij na een paar jaar heel fatsoenlijk geworden – en ja, terwijl de leerkracht net bezig was geweest met een kind op de eerste rij, springt hij vlug uit zijn bank en geeft de leraar een klap op zijn achterste. Ja, als de leraar nu veel bombarie was gaan maken, was de jongen altijd stout gebleven. Maar de leraar deed, alsof hij het niet merkte. Aan bepaalde dingen moet je nu eenmaal helemaal geen aandacht schenken en dan door handelen vanuit het positieve, weer op de manier dus, waarmee je je in positieve zin bezighoudt met dit kind. Over het algemeen is het opmerken van iets negatiefs iets heel verkeerds.

Wanneer je geen orde kan houden, wanneer je niet de vanzelfsprekende autoriteit hebt – waardoor je die krijgt zal ik nog bespreken – dan krijg je wat bij de lerares gebeurde: de betreffende leerkracht kon de ene vertelling aan de andere plakken, de kinderen zaten steeds in spanning, maar die spanning mocht niet verdwijnen. Wanneer deze leerkracht nu over wilde gaan, tot ontspanning, wat ook moet – want anders worden de kinderen op het eind zenuwpezen -, dan ging het ene kind uit zijn bankje en ging spelen, het andere ging een paar toonoefeningen maken, de derde ging euritmie doen, de vierde begon een ander te slaan, weer een ander ging naar buiten en zo was het al gauw een gedoe, dat de kinderen niet opnieuw bij elkaar gebracht konden worden om het volgende spannende verhaal te horen.
Het gaat er ook overal om vanuit wat voor sfeer ook het goede in de klas wordt behandeld. Hierbij kun je echt de wonderbaarlijkste ervaringen hebben. Het gaat

blz.68:

sich dabei durchaus um so etwas, wie, ob die Lehrkraft selber Selbstvertrauen genug hat zu sich oder nicht.
Die Lehrkraft muß mit einem solchen Gemüte, in einer solchen Seelenstimmung in die Klasse hereinkommen, daß sie geeignet ist, sich wirklich in die Seele der Kinder ganz zu vertiefen. Wodurch erreicht man dieses? Dadurch, daß man seine Kinder kennt. Sie werden sehen, daß sich darinnen in verhältnismäßig kurzer Zeit eine Praxis erringen läßt, selbst wenn man fünfzig oder noch mehr Kinder in der Klasse hat. Man lernt seine Kinder kennen; man lernt seine Kinder vorstellen; man weiß, welches Temperament das einzelne Kind
hat, welche Begabung es hat, welche Physiognomie es hat und so weiter.
Bei unseren Lehrerkonferenzen, die die Seele des ganzen Unterrichtes sind, werden gerade diese einzelnen Kinderindividualitäten sorgfältig besprochen, so daß das Hinschauen auf die Kinderindividualitäten das Wesentliche desjenigen bildet, was im Laufe der Lehrerkonferenzen die Lehrer selber lernen. Dadurch vervollkommnen sich die Lehrer. Das Kind gibt eigentlich eine große Anzahl von Rätseln auf, und im Lösen dieser Rätsel entwickeln sich die Empfindungen, die man in die Klasse hineintragen muß.

daarbij ook beslist om zoiets als heeft de leerkracht zelf genoeg zelfvertrouwen of niet. <5>
<6>De leerkracht moet met zo’n gevoel, zo’n zielenstemming in de klas binnenkomen dat hij in staat is zich daadwerkelijk helemaal in de ziel van het kind te verdiepen. Waardoor bereik je dat? Door je kinderen te kennen. Je zult zien dat je daarmee binnen een betrekkelijk korte tijd ervaring opdoet, zelfs als je vijftig of meer kinderen in je klas hebt. Je leert je kinderen kennen; je leert dat je de kinderen voor de geest kan halen; je weet welk temperament ieder kind heeft, welke talenten het heeft, welke fysiognomie het heeft enz.
In onze lerarenvergaderingen, die het hart zijn van heel het onderwijs, worden de individuele kinderpersoonlijkheden zorgvuldig besproken, zodat het  waarnemen van de kinderindividualiteiten het wezenlijke uitmaakt van wat de leraren in de loop van de tijd in de lerarenvergaderingen zelf leren. Daardoor vervolmaken de leraren zich. Het kind geeft eigenlijk een groot aantal raadsels op en met het oplossen van deze raadsels ontwikkelen zich de gevoelens die je in de klas moet meenemen.

Daher kommt es, daß wenn eine Lehrkraft in der Klasse ist – man kann es manchmal erfahren -, die nicht innerlich selber erfüllt ist von dem, was in den Kindern lebt, so balgen sich die Kinder in der Klasse, wenn sie kaum fünf Minuten angefangen hat, geben gar nicht acht, treiben nur Spaße. Man kann erleben, daß es dann nicht weiter geht mit einer solchen Lehrkraft; man muß sie durch eine andere ersetzen. Musterhaft ist die ganze Klasse vom ersten Tage anbei der anderen Lehrkraft!
Diese Dinge können Sie erleben. Es hängt lediglich davon ab, wie die Seelenverfassung der Lehrkraft ist; ob die Seelenverfassung wirklich so ist, daß die Lehrkraft geneigt ist, morgens meditierend sich die ganze Schar der Kinder mit ihren Eigentümlichkeiten durch die Seele ziehen zu lassen.
Sie werden sagen: Dazu braucht man ja eine Stunde. Das braucht man nicht. Wenn man eine Stunde braucht, so kann man es eben

Daardoor komt het, wanneer een leerkracht in de klas is – je kunt het soms meemaken – die innerlijk niet zelf vervuld is van wat in de kinderen leeft, dat de kinderen beginnen te ravotten in de klas, wanneer deze nog maar vijf minuten begonnen is, letten niet op, trappen alleen geintjes. Je kunt dan meemaken, dat het met zo’n leerkracht niet verder gaat; die moet door een andere vervangen worden. Bij de andere leerkracht gedraagt de klas zich vanaf de eerste dag voorbeeldig!
Deze dingen kun je meemaken. Het hangt er alleen vanaf hoe de zielenstemming van de leraar is; of die zielenstemming werkelijk zo is dat de leerkracht bereid is, ’s morgens mediterend heel de kinderschaar met hun bijzonderheden door zijn ziel te laten gaan.
Je zult zeggen: daar heb je wel een uur voor nodig. Dat heb je niet. Wanneer je er een uur voor nodig hebt, dan kun je het nog niet. Wanneer het tien minuten of een kwartier kost,

blz.69:

nicht. Wenn man dazu zehn Minuten oder eine Viertelstunde braucht, dann kann man es. Gewiß, anfangs wird es schwierig gehen, aber nach und nach muß dieser innerliche psychologische Blick erworben werden, der es möglich macht, daß die Lehrkraft schnell die Dinge überschaut.
Sehen Sie, man muß, um die Stimmungen zu erzeugen, die notwendig sind, um dieses bildhaft Erzählerische in die Kinder hineinzubringen, vor allen Dingen einen guten Blick haben für die Temperamente der Kinder. Deshalb gehört es schon zur Methodik des ganzen Erziehungs- und Unterrichtsbetriebes, zunächst die Temperamente der Kinder entsprechend zu behandeln. Und es stellt sich heraus, daß die beste Behandlung für die Temperamente diese ist, zunächst einmal die Kinder gleichen Temperamentes zusammenzusetzen. Erstens ist es für den Lehrer übersichtlich, wenn er weiß, da drüben hat er die Choleriker, dort drüben hat er die Melancholiker, da die Sanguiniker. Er hat dadurch einen Anhaltspunkt zum Erkennen der ganzen Klasse.

dan kun je het. Zeker, in het begin zal het moeilijk gaan, maar stap voor stap moet deze innerlijk psychologische blik worden verworven die het mogelijk maakt dat de leerkracht snel de dingen overziet. <6>
<7> Zie je, je moet om de stemming op te roepen die nodig is om dit beeldrijke vertellen aan de kinderen te geven, bovenal een goede kijk op de temperamenten van de kinderen hebben. Daarom hoort het bij de methodiek van de hele opvoedings- en onderwijsactiviteit om allereerst de temperamenten adequaat te behandelen. En het blijkt dat de beste behandeling voor de temperamenten is: allereerst de kinderen met hetzelfde temperament bij elkaar te zetten. Ten eerste is het voor de leraar overzichtelijk, wanneer hij weet dat daar de cholerici zitten, daar heeft hij de melancholici, daar de sanguinici. Hij heeft daarmee een aanknopingspunt bij het kennen van de hele klas.

Simpelweg door het temperament van het kind te bestuderen en het naar zijn temperament een plaats te geven, heb je al iets aan jezelf gedaan om in de klas de noodzakelijk vanzelfsprekende autoriteit te bewaren. De dingen komen gewoonlijk uit andere lagen dan je denkt. En de onderwijsgevende en de opvoeder moet ook innerlijk aan zichzelf werken.
Wanneer je de flegmatici bij elkaar zet, oefenen zij over en weer een verbetering aan zichzelf uit. Zij gaan zich zo vervelen dat zij gaandeweg een hekel krijgen aan het flegma; dan gaat het altijd steeds beter. De cholerici slaan en stompen elkaar en worden uiteindelijk het slaan en stompen van de ander zat. En zo slijpen de afzonderlijke temperamenten, juist wanneer zij naast elkaar zitten, zich bijzonder goed aan elkaar af.
Maar ook de leerkracht zelf moet, als hij met de kinderen zulke dingen, zoals de net gegeven vertelling, doorspreekt, de vanzelfsprekende instinctieve gave in zichzelf ontwikkelen het kind naar zijn temperament te behandelen.

blz.70:

Wanneer ik een flegmatisch kind heb, dan behandel ik het, wanneer ik op de een of andere manier met het kind napraat over zo’n verhaal,  zo, dat ik dat zelf met een nog groter flegma doe dan het kind. Een sanguinisch kind dat steeds van de ene indruk naar de andere fladdert, er niet één kan vasthouden, bij hem probeer ik de indrukken nog sneller te laten wisselen dan hij zelf doet. Voor een cholerisch kind probeer je het op een zo afgemeten mogelijke manier, zodat je zelf in je lesgeven cholerisch wordt en dan zul je zien dat het zijn choleriek kwijtraakt door de cholerische manier van doen van de opvoeder. Het gelijke moet met het gelijke behandeld worden. Je moet daarbij alleen niet lachwekkend worden. <7>
<8> En dan speel je het langzamerhand klaar, daadwerkelijk die stemming op te roepen  waarin zo’n verhaal niet alleen verteld wordt, maar ook kan worden besproken.

Maar je bespreekt een verhaal eerst, alvorens je het laat herhalen. De slechtste methode is, een verhaal te vertellen en dan te zeggen: ‘Jij, Edith Muller, moet het nu weer aan mij vertellen.’ Dat heeft helemaal geen zin. Zin heeft het alleen, wanneer er een tijdje verstandig over wordt gesproken of gekletst – je hoeft in de klas niet altijd verstandig te praten, er kan ook gekletst worden, dat gebeurt meestal het eerst – wanneer er een tijdlang over gesproken wordt.

Daarmee maakt het kind zich de zaak eigen. En dan kun je het eventueel laten  navertellen. Maar dat is minder belangrijk. Want in de eerste plaats is het niet belangrijk dat het kind zoiets in zijn geheugen prent. Daarop komt het juist in de leeftijd tussen de tandenwisseling en het 9e of 10e jaar waarover ik het nu heb, zeer weinig aan; het is zelfs beter wanneer je erop rekent dat het kind dát onthoudt wat het in zijn geheugen opnemen kan en wat het vergeet, dat mag het vergeten. Op de vorming van het geheugen kun je bij andere onderwijsstof letten dan bij verhalen, zoals ik nog zal bespreken.
Nu willen we nog even de vraag behandelen: Waarom heb ik dan zo’n verhaal met zo’n inhoud gekozen? De rede is, omdat de voorstellingen die in dit verhaal spelen, met het kind

blz.71:

mee kunnen groeien. In het verhaal heb je al het mogelijke waarop je later terug kan komen: het viooltje wordt bang, omdat het het grote viooltje aan de hemel ziet. Dat hoef je met het kleine kind nog niet uitvoerig te bespreken. Later, wanneer het nodig is ingewikkelde leerstof door te nemen, kan er bij gelegenheid, wanneer er ergens angst voor optreedt, op worden teruggekomen. In dit verhaal is sprake van groot en klein. Klein en groot komen herhaaldelijk steeds weer in het leven voor, en beïnvloeden elkaar; daar kun je later op terugkomen. In dit verhaal komt allereerst naar voren de bitse raad van de hond, daarna de goedgunstige, liefdevolle raad van het lam. Wat kun je daar later, wanneer je het weer ophaalt, nadat het kind zoiets liefdevol in zich heeft opgenomen en er rijp voor is, aan gezichtspunten aanknopen over goed en kwaad, over die tegenstrijdige gevoelens die in de ziel wortelen!


Noch bei einem sehr reifen Kinde kann man auf diese einfache kindliche Erzählung wieder zurückkommen, kann ihm klarmachen, daß man ja oftmals nur Angst hat vor einer Sache, weil man sie mißversteht, weil sie schlecht dargestellt wird. Dieses Zwiespältige im Empfindungsleben, das man
vielleicht später bei diesem oder jenem Lehrstoffe zu besprechen hat,
kann in der wunderbarsten Weise gefunden werden, wenn man im
späteren Leben auf diese Erzählung zurückkommt.
Und im Religionsunterricht, der ja erst später auftreten muß, wie schön ist diese Erzählung gerade zu benützen, indem man zeigt, wie das Kind die religiösen Gefühle entwickelt an dem Großen, das der Beschützer des Kleinen ist, und wie man das echte religiöse Gefühl entwickeln muß dadurch, daß man in sich dasjenige findet, was an dem Großen beschützend auftritt. Das kleine Veilchen ist ein kleines blaues Wesen. Der Himmel ist ein großes blaues Wesen. Daher ist der Himmel der blaue Gott des Veilchens.
Es wird das auf mehrfacher Stufe im Religionsunterricht zu benützen sein. Wie schön kann man später anknüpfen, vergleichen, wie das menschliche Innere selbst ein Göttliches ist! Man kann später zu


Nog bij een zeer rijp kind kun je op deze simpele kinderlijke vertelling weer terugkomen, kun je hem duidelijk maken dat je dikwijls alleen maar bang voor iets bent, als je het verkeerd begrijpt, omdat het slecht uitgelegd werd. Deze tweestrijd in het gevoelsleven die je misschien later bij de een of andere leerstof moet bespreken, kan op de meest wonderbaarlijke manier gevonden worden, wanneer je in het latere leven op dit verhaal terugkomt.
<8A> En in het godsdienstonderwijs dat pas later moet komen, hoe mooi is dit verhaal daarin niet te gebruiken, wanneer je laat zien hoe het kind zijn religieuze gevoelens ontwikkelt aan het grote dat de beschermer is van het kleine en hoe je het goede religieuze gevoel moet ontwikkelen door in jezelf te vinden wat met  grote beschermend optreedt. Het kleine viooltje is een klein blauw wezen. De hemel is een groot blauw wezen. Vandaar dat de hemel de blauwe god van de viooltjes is.
In de godsdienstles kun je dit op verschillend niveau benutten. Hoe mooi kun je later aanknopen, vergelijken hoe het menselijk innerlijk zelf iets goddelijks is! 

blz.72:

dem Kinde sagen: Sieh einmal, dieses große Himmelsveilchen, der
Veilchen-Gott, der ist ganz blau, in alle Weiten. Jetzt denkst du dir ein kleines Stück herausgeschnitten, das ist das kleine Veilchen. So ist Gott überhaupt groß wie der Welten-Ozean. Deine Seele ist ein Tropfen von Gott. Aber so, wie das Wasser des Meeres, wenn es einen Tropfen bildet, dasselbe Wasser ist wie das große Meer, so ist deine Seele dasselbe, was der große Gott ist, nur eben ein kleiner Tropfen.
Und so wird man es, wenn man die richtigen Bilder findet, für das ganze kindliche Alter einrichten können, daß man später auf diese Bilder wiederum zurückkommen kann, wenn das Kind reifer ist.
Aber es handelt sich darum, daß der Lehrer selber Gefallen und Sympathie für diese Bildhaftigkeit findet. Un d Sie werden sehen, wenn Sie ein Dutzend solcher Erzählungen durch Ihre Erfindungsgabe ausgebildet haben, dann können Sie sich gar nicht mehr retten; sie kommen überall, wo Sie gehen und stehen. Denn die menschliche Seele ist ein unversieglicher Quell, die es hervorbringen kann, wenn ihr nur einmal das Hervorzubringende auf der ersten Stufe entlockt ist.
Der Mensch ist nur so träge, daß er die ersten Anstrengungen nicht machen will, um dasjenige, was in der Seele drinnen sitzt, aus sich hervorzubringen.

Je kunt later tegen het kind zeggen: ‘Kijk eens, dit grote hemelviooltje, de God van de viooltjes, is helemaal blauw. Denk nu eens aan een klein stukje dat eruit gesneden is, dat is het kleine viooltje. Zo is God eigenlijk groot als de wereldoceaan. Jouw ziel is een druppel van God. Dus, net zoals het water van de zee, wanneer het druppels vormt, hetzelfde water is als dat van de grote zee, zo is je ziel hetzelfde als wat de grote God is, maar slechts een kleine druppel. <8A>
En zo zul je, wanneer je de juiste beelden vindt, het voor heel de kinderleeftijd zo kunnen organiseren, dat je later op die beelden weer terug kan komen, wanneer het kind rijper is. Maar het gaat erom dat de leraar zelf dit beeldende fijn vindt, er sympathie voor heeft. En dan zul je zien: wanneer je een dozijn van dergelijke verhalen door je creativiteit ontworpen hebt, dan ben je er nergens meer veilig voor; ze zijn overal waar je gaat of staat. Want de mensenziel is een niet verzegelde bron die ze kan bedenken, wanneer ze in de beginfase eenmaal aan haar ontlokt zijn. De mens is alleen zo traag, dat hij de eerste pogingen niet doen wil om wat in de ziel zit naar buiten te brengen. <8>


Wir wollen uns nun einen anderen Zweig des bildhaften Lehrens und Erziehens einmal vor die Seele führen. Dabei wird es sich darum handeln, daß gerade bei dem ganz kleinen Kinde der Intellekt, der Verstand, der abgesondert in der Seele wirkt, noch nicht eigentlich ausgebildet werden soll, sondern alles Denken soll am Anschaulichen, am Bildlichen entwickelt werden.
Nun wird man schon mit etwa achtjährigen Kindern ganz gut Übungen der folgenden Art machen können, wenn sie auch zunächst ungeschickt sind: Man stelle zum Beispiel vor das Kind diese Figur Tafel 3 hin (Fig. I, das Dunklere). Und nun versuche man auf alle Weise, das Kind dahin zu bringen, daß es aus sich selbst heraus das Gefühl bekommt: Das ist nicht fertig, da fehlt etwas. Man wird natürlich nach der Individualität des Kindes vorgehen müssen, um das Gefühl

<9> Nu zullen we ons eens een andere tak van het beeldende leren voor de geest halen. Daarbij gaat het er om dat juist bij het heel kleine kind het intellect, het verstand dat afgezonderd in de ziel werkt, eigenlijk bij het kleine kind nog niet ontwikkeld moet worden, maar al het denken moet aan het aanschouwelijke, aan het beeldende ontwikkeld worden.
Nu kun je al met ongeveer achtjarigen heel goed oefeningen van de volgende soort doen, ook wanneer ze daar in het begin nog onhandig in zijn: je laat bv. aan het kind deze figuur zien:

blz.73 fig. 1

GA 311 blz. 73  1

het donkere gedeelte.
Nu probeer je het kind op allerlei manieren ertoe te laten komen dat het uit zichzelf een gevoel krijgt: dit is niet klaar, hier ontbreekt iets. Je moet natuurlijk naar de individualiteit van het kind te werk gaan om het gevoel

blz.73:

dieses Fehlens hervorzubringen. Man wird zum Beispiel zu dem Kinde sagen müssen: Sieh einmal diese linke Hälfte, die geht doch bis da herunter, und die
rechte nur bis dahin. Das ist doch nicht schön, wenn das eine ganz bis da herunter geht, das andere nicht, nur bis daher. Und so wird man das Kind allmählich dazu bringen, daß es diese Figur ergänzt, daß es wirklich empfindet: Die Figur ist nicht fertig, Fig. I die muß ergänzt werden. Und es wird das Kind dazu gebracht werden können, dieses zu der Figur hinzuzusetzen. Ich zeichne das rot, was das Kind natürlich auch weiß zeichnen kann; was von dem Kinde ergänzt werden soll, ist von mir durch eine andere Farbe angedeutet (Fig. I, heller). Das Kind wird sich zunächst höchst ungeschickt benehmen, aber es wird nach und nach im Ausgleichen von etwas ein denkendes Anschauen und ein anschauendes Denken entwickeln. Das Denken wird ganz im Bild bleiben.

dat er iets ontbreekt op te roepen.  Je zult misschien tegen het kind moeten zeggen: ‘Kijk eens naar de linker helft; die loopt toch tot naar beneden; en de rechter maar tot daar. Dat is toch niet mooi als het ene helemaal naar onder gaat en het andere niet, maar tot daar.’ En zo kun je het kind stap voor stap ertoe brengen, dat het deze figuur afmaakt, dat het echt voelt: de figuur is niet klaar, moet nog worden aangevuld. En het kind kan ertoe gebracht worden, dit stukje er bij te zetten. Ik teken het rood, wat het kind natuurlijk ook met wit kan tekenen; wat het kind moet afmaken heb ik met een andere kleur aangegeven (zelfde figuur, het lichtere). Daar zal het kind eerst nog erg onhandig in zijn, maar steeds meer,  door het met elkaar in evenwicht te brengen, een denkend waarnemen en een waarnemend denken ontwikkelen. Het denken zal geheel in het beeld blijven.

Und habe ich einmal ein paar Kinder in der Klasse dazu gebracht, in dieser einfachen Weise die Dinge zu ergänzen, dann werde ich weiter vordringen können. Dann werde ich vielleicht noch diese Figur dem Kinde vorzeichnen (Fig. II). Nun werde ich diese komplizierte Figur als unfertig von dem Kinde empfinden lassen und das Kind veranlassen, nun dasjenige, was
geschehen kann zur Fertigstellung, zu machen (Fig. II, heller). Auf diese
Weise werde ich in dem Kinde Formgefühl hervorrufen, Formgefühl,
durch welches das Kind veranlaßt wird, Symmetrie, Harmonie zu empfinden.
Das kann nun wiederum weiter ausgebildet werden. Ich kann zum
Beispiel dem Kinde ein Gefühl davon hervorrufen, welches die innere angeschaute Gesetzmäßigkeit dieser Figur ist (Fig. III). Ich bringe dem

En heb ik het voor elkaar gekregen dat een paar kinderen in de klas op deze eenvoudige manier dingen af maken, dan kan ik verder gaan.
Dan kan ik misschien dit figuur voor het kind tekenen:

GA 311 blz. 73  2

blz.73 fig. ll

Nu zal ik dit gecompliceerde figuur door het kind als niet af laten beleven en het kind ertoe aansporen te doen wat er gebeuren moet om de vorm af te maken.
figuur: het lichtere gedeelte. Op deze manier zal ik in het kind een gevoel voor vorm oproepen, vormgevoel waardoor het kind gestimuleerd wordt symmetrie, harmonie te voelen.
Dat kan nog verder ontwikkeld worden. Ik kan bv. bij een kind een gevoel oproepen voor wat de innerlijke wetmatigheid van die figuur is. Ik geef het kind deze figuur:

blz.74:

GA 311 blz. 74  1

blz.74 fig.lll

Het krijgt er dus een gevoel voor dat deze lijn hier naar elkaar gaat, de andere hier uit elkaar. Dit zich sluiten en uit elkaar gaan is iets dat ik het kind goed kan bijbrengen.
Nu maak ik deze figuur voor het kind:

GA 311 blz. 74  2

blz. 74 fig. lV

ik maak de ronde lijnen recht met hoeken en ik spoor het kind aan nu zelf de lijnen daarbinnen op de daarbij behorende manier te maken.

[het ‘sich entsprechen’ betekent hier ook ‘het tegenovergestelde’]

Je zult veel moeite hebben met achtjarige kinderen; maar juist bij achtjarigen is dan het resultaat  buitengewoon groot wanneer je ze er toe kan brengen, ook wanneer je het van te voren hebt laten zien, bij nog meer figuren het zelf te doen. Je moet het kind zover krijgen, dat het van hem uit de binnenfiguren  maakt, met hetzelfde karakter, maar nu hoekig.

Auf diese Weise erzieht man das Kind zum wirklichen Formgefühl, zum Empfinden in der Harmonie, in der Symmetrie, in dem Sichentsprechen und so weiter. Und dann kann man von solchen Dingen dazu übergehen, bei dem Kinde eine Vorstellung davon hervorzurufen, wie sich etwas spiegelt. Wenn hier (Fig. V) eine Wasseroberfläche ist, hier ir-

Op deze manier leg je bij het kind een echt vormgevoel aan, een gewaarworden van harmonie, in de symmetrie, in wat op elkaar antwoordt. En dan kun je er toe overgaan bij het kind een voorstelling op te roepen hoe het spiegelt. Wanneer hier een wateroppervlak is, hier een of ander

GA 311 blz. 74  3

blz.74 fig. V

blz.75:

gendein Gegenstand, ruft man in dem Kinde die Vorstellung hervor und zeigt ihm, wie sich das spiegelt. – Auf diese Weise kann man das Kind nach und nach in die Harmonien hineinführen, die sonst auch in der Welt herrschen.
Man kann dann auch dazu übergehen, das Kind an sich selber geschickt werden zu lassen im anschaulichen bildhaften Denken:
Zeige mir mit deiner linken Hand das rechte Auge! Zeige mir mit deiner rechten Hand das rechte Auge! Zeige mir mit deiner rechten Hand das linke Auge! Zeige mir von rückwärts aus mit der rechten Hand die linke Schulter! Mit der linken Hand die rechte Schulter!
Zeige mir mit der rechten Hand dein linkes Ohr! Zeige mir mit der linken Hand das linke Ohr! Zeige mir mit der rechten Hand deine rechte große Zehenspitze und so weiter. Man kann also das Kind an sich selber die kuriosesten Übungen machen lassen. Zum Beispiel auch: Beschreibe einen Kreis mit deiner rechten Hand um die linke!

voorwerp, roep je bij het kind de voorstelling op en laat hem zien, hoe zich dat spiegelt -. Op deze manier kun je het kind stap voor stap in de harmonieën binnen leiden, die er ook in de wereld bestaan. <9>
<10> Je kan er ook toe overgaan het kind handig te laten worden aan zijn eigen lichaam met het aanschouwelijk beeldende denken: ‘Wijs met je linkerhand je rechteroog aan! Laat me met je rechterhand je rechteroog zien. Met je rechterhand je linkeroog! Laat me met je rechterhand op je rug je linker schouder zien! met de linkerhand de rechterschouder!
Met je rechterhand je linkeroor! Met je linkerhand je linkeroor! Met je rechterhand je rechter grote teen enz. Je kunt het kind aan zichzelf de wonderbaarlijkste oefeningen laten maken. Bv. ook: beschrijf een cirkel met je rechterhand om de linker! 

Beschreibe einen Kreis mit deiner linken Hand um die rechte! Beschreibe zwei Kreise, die die Hände ineinander bilden! Beschreibe zwei Kreise, mit der einen Hand nach der einen Seite, mit der anderen Hand nach der anderen Seite! Man lasse es immer schneller und schneller machen. Bewege schnell den mittleren Finger deiner rechten Hand! Bewege schnell den Daumen der rechten Hand! Bewege schnell den kleinen Finger!
So läßt man am Kinde selber mit rascher Geistesgegenwart allerlei
Übungen machen. Was ist der Erfolg solcher Übungen? Wenn ein
Kind solche Übungen um das 8. Lebensjahr herum macht, so lernt es
durch solche Übungen denken, und zwar denken für das Leben.
Wenn man direkt denken lernt durch den Kopf, so ist das nicht denken für das Leben, dann wird man später denkmüde. Dagegen wenn
man in dieser Weise am eigenen Körper in schneller Geistesgegenwart auszuführende Bewegungen macht, bei denen nachgedacht werden muß, dann wird man später lebensklug; man wird einen Zusammenhang bemerken können zwischen der Lebensklugheit eines Menschen im 35., 36. Jahre und dem, was man an solchen Übungen hat machen lassen im 7. und 8. Jahre. So hängen eben die verschiedenen Epochen des Lebens zusammen.

Een cirkel met je linkerhand om de rechter!Beschrijf twee cirkels met de handen ineen! Beschrijf twee cirkels met de ene hand naar de ene kant, met de andere hand naar de andere kant! Dat laat je steeds sneller doen. Beweeg snel de middelvinger van je rechterhand! Beweeg snel de duim van de rechterhand. Beweeg je pink snel!
Op deze manier laat je het kind zelf met vlugge tegenwoordigheid van geest allerlei oefeningen maken. Wat is het gevolg van zulke oefeningen? Wanneer een kind rond het 8e jaar dat doet, dan leert het door deze oefeningen denken en wel denken voor het leven. Wanneer je direct door je hoofd leert denken, is dat geen denken voor het leven, dan word je later denkmoe. Wanneer je daarentegen aan je eigen lichaam met snelle tegenwoordigheid van geest bewegingen uitvoert waarbij nagedacht moet worden, dan word je later levenswijs; je kunt een samenhang ontdekken tussen de levenswijsheid van een mens op z’n 35e, 36e jaar en wat je aan zulke oefeningen hebt laten doen op het 7e, 8e jaar. Zo hangen de verschillende fasen van het leven nu eenmaal samen.

blz.76:

Und aus dieser Menschenkenntnis heraus muß man versuchen, wirklich das einzurichten, was man an das Kind heranzubringen hat.
So kann man auch gewisse Harmonisierungen in den Farben erreichen. Nehmen wir an, ich mache zunächst mit dem Kinde die Tafel 4 Übung, daß ich solch eine Malerei bringe (siehe Zeichnung I). Jetzt bringen wir ihm bei, indem wir sein Gefühl erregen, daß neben dieser roten Farbfläche (innen) eine grüne Farbfläche sich harmonisch gut fühlen läßt. Das muß natürlich mit Farben ausgeführt werden, dann sieht man es besser. Jetzt versucht man dem Kinde klarzumachen: Ich werde die Sache einmal umdrehen. Schau, ich mache hier (innen) das Grün (Zeichnung II); was wirst du mir da rundherum machen? – Dann wird das Kind rundherum rot malen. Man bekommt dadurch, daß man diese Dinge macht, das Kind dazu, allmählich die Harmonik der Farben zu empfinden. Das Kind lernt wissen: Wenn ich hier in der Mitte eine rote Fläche habe, ringsherum Grün (Zeichnung I), so muß ich, wenn nun das Rot grün wird, das Grüne rot machen.
Dieses Sichentsprechen von Farbe und Form auf das Kind wirken lassen, das ist von einer ungeheuren Bedeutung gerade in diesem Lebensalter gegen das 8. Jahr hin.

En vanuit deze menskunde moet je proberen praktisch te organiseren wat je het kind aan te bieden hebt. <10>
<11> Op die manier kun je ook bepaalde kleurharmonieën bereiken. Laten we aannemen dat ik eerst met het kind zo’n soort schilderoefening doe:

GA 311 blz. 76  1

blz.76 tek.  l

Nu leren we hem, zijn gevoel stimulerend, dat naast dit rode vlak (vanbinnen) een groen vlak harmonisch goed voelt. Dit moet natuurlijk met kleur worden gedaan, dan zie je het beter. Nu probeer ik de kinderen duidelijk te maken: ik zal het eens omkeren. ‘Kijk, ik maak het hier (van binnen) groen:

GA 311 blz. 76  2

blz.76 tek. ll

wat zou je daar nu omheen zetten?’ Dan zal het daar rood omheen maken. Daardoor krijg je, wanneer je dit doet, het kind ertoe langzamerhand de harmonie van de kleuren gewaar te worden. Het kind leert: wanneer ik hier in het midden een rood vlak heb en daaromheen groen (tek.l) dan moet ik, wanneer het rood groen wordt, het groene rood maken. Dit tegengesteld bij elkaar passen van kleur en vorm, op het kind laten werken, is van enorme betekenis, juist op de leeftijd tegen het 8e jaar. <11>

<12> Wat je nodig hebt om met dit innerlijk vormende onderwijs verder te komen, dat is – ja, ik moet het door iets negatiefs uitdrukken – dat is: geen urenrooster! Op de vrijeschool hebben we het zgn. periodeonderwijs, geen urenrooster. Het bezigzijn met een leeronderwerp zal vier tot zes weken duren. Wij hebben niet van 8 – 10 rekenen, van 9 – 10 lezen, van 10 – 11 schrijven, maar we nemen de stof waarmee we ons doorlopend in het hoofdonderwijs bezighouden.

blz.77:

schäftigen, Morgen für Morgen vier Wochen lang. Erst dann wechseln wir, wenn die Kinder entsprechend weit gekommen sind. Wir wechseln niemals so ab, daß wir von 8 bis 9 Uhr Rechnen und von 9 bis 10 Uhr Lesen haben, sondern wir treiben Rechnen sechs Wochen lang für sich, wir treiben ein anderes Fach auch vier oder sechs Wochen lang für sich, je nachdem, was es ist. Wir haben nur in einzelnen Fällen, von denen ich noch sprechen werde, Stundenpläne. In der Hauptsache, bei dem sogenannten Hauptunterricht, haben wir strenge den Epochenunterricht eingeführt. Diese Epochen hindurch nehmen wir nur Gleichartiges, wie eines aus dem anderen hervorgeht.
Dadurch entheben wir das Kind des ungeheuer innerlich seelisch
Störenden, daß es in einer Stunde Dinge auf seine Seele wirken lassen muß, die in der nächsten Stunde wieder ausgelöscht werden.
Diese Dinge können nicht vermieden werden, wenn nicht dieser sogenannte Epochenunterricht eingeführt wird.
Gewiß, es wird gegen diesen Epochenunterricht vielfach eingewendet, daß die Kinder die Dinge wieder vergessen. Allein das ist ja eine Sache, die nur für einzelne Unterrichtsfächer, zum Beispiel für das Rechnen in Betracht kommt, und da kann man durch kleine Wiederholungen die Sache ausbessern. Für die meisten Unterrichtsfächer kann überhaupt dieses Vergessen keine große Rolle spielen, jedenfalls nicht im Verhältnis zu dem, was gewonnen wird, an Ungeheurem gewonnen wird dadurch, daß das Kind konzentriert eine
gewisse Epoche hin bei einer Materie festgehalten wird.

Iedere morgen vier weken lang. Pas daarna wordt er gewisseld, wanneer de kinderen dienovereenkomstig verder gekomen zijn. We wisselen nooit zo, dat we van 8 – 9 rekenen en van 9 – 10 lezen, maar we rekenen zes weken lang, we doen een ander vak ook vier of zes weken lang, al naar gelang wat het is. Slechts in een paar gevallen, waarover ik nog zal spreken, hebben we een urenrooster. Hoofdzakelijk, bij het zgn. hoofdonderwijs hebben we consequent het periodeonderwijs ingevoerd. Tijdens deze perioden doen we hetzelfde vak, het een komt uit het andere voort.
Daardoor wordt het kind gevrijwaard van wat de ziel innerlijk vreselijk stoort, dat het een uur lang dingen op zich moet laten inwerken, die dan in het uur daarop weer  moeten verdwijnen. Dit kan niet worden vermeden, wanneer je niet dit zgn. periodeonderwijs invoert.
Zeker, tegen dit periodeonderwijs wordt misschien ingebracht dat de kinderen dingen weer vergeten. Dat is alleen iets wat maar opgaat voor bepaalde vakken, bv. voor rekenen en dan kun je dat door kleine herhalingen weer verbeteren. Voor de meeste vakken kan het vergeten echt niet zo’n grote rol spelen, tenminste niet in verhouding tot hetgeen er aan winst is, ongelooflijke winst doordat het kind geconcentreerd door een zekere tijd een bepaalde materie vasthoudt. <12>

1) GA 311 (Duits)

2)  Vertaling uit ‘ ‘Zonlicht’/85′  W.Erlanger

GA 311 voordracht  [1]   [2]  [3]   [5]   [6]   [7vragenbeantwoording         vertaling

Steiner: alle pedagogische voordrachten

Steiner: alle artikelen op deze blog

meer over vertellen:  alle artikelen
voor praktijkervaringen met temperamenten
temperament en rekenen
meer over vormtekenen

885-816

VRIJESCHOOL- 6e klas – mineralogie (3)

.

Hier volgen in alfabetische volgorde, enige feiten over de meest behandelde gesteenten in de mineralogieperiode van de 6e klas:


Een cursief woord: meer daarover in mineralogie 2

afzettingsgesteente
asbest
bariet
basalt
bauxiet (aluminiumerts)
calciet
cassiteriet (tinerts)
conglomeraat
delven
diamant
edelsteen
erosie
erts
fluorescerende mineralen
fluoriet (vloeispaat)
fossielen
galeniet
geologie
gesteenten
gips
glimmer
gneis
grafiet
graniet
ijzererts
kalksteen
klei
kopererts
korund
krijt
kristallen
kryoliet
kwarts
lagen
lava
leisteen
marmer
metalen
meteoriet
mineralen
obsidiaan
omzettingsgesteente/metamorfe gesteente
puimsteen
pyriet
silicium
stalagmieten/stalagtieten
steenkool
steenzout
stollingsgesteente
talk
veldspaat
versteend hout
vruchtbare lagen
vuursteen
zand
zinkblende
zwavel

AFZETTINGSGESTEENTE
.
De geleidelijke, maar nooit ophoudende beweging van het weer breekt zelfs het hardste gesteente nog in kleine stukjes. (erosie.) Rivieren voeren deze deeltjes weg en laten ze op een andere plek achter. Gedurende miljoenen jaren wordt laag voor laag opgebouwd, die geleidelijk aan een harde massa worden. Het soort gesteente dat op deze manier werd gevormd, wordt afzettingsgesteente genoemd, omdat het bestaat uit afgezette lagen, ook wel sedimenten genaamd. Bij afzettingsgesteenten van deze soort horen ook zandsteen, dat bestaat uit samengeperst zand, en leisteen, dat bestaat uit samengeperste klei. Gesteenten die zich hebben gevormd doordat er water overheen stroomt. Op een gegeven moment raakt het water verzadigd van mineralen, waardoor deze zich in de vorm van kristallen gaan afzetten. Geleidelijk aan vormen ze lagen en gaan er tenslotte als gesteenten uitzien. Steenzout en sommige soorten kalksteen zijn afzettingsgesteenten van deze soort. Sommige soorten kalksteen bestaan hoofdzakelijk uit krijtachtige overblijfselen van kleine zeediertjes, zoals koraal. Steenkool is een apart soort afzettingsgesteente. Het ontstond doordat planten die bedolven werden in moerassen, gingen rotten. Door de druk veranderden ze langzamerhand in het bekende harde, zwarte ‘gesteente’. Afzettingsgesteenten zijn zeer belangrijk, omdat ze een groot aantal fossielen bevatten. Dit zijn overblijfselen van planten en dieren. Elke gesteentelaag ontstond tijdens een bepaalde periode in de geschiedenis van de aarde. Door de fossielen in de verschillende lagen te bestuderen, kunnen we te weten komen in welke volgorde dieren en planten op aarde verschenen en hoe ze zich ontwikkelden.

afzettingsgesteente

.
ASBEST

Als we wel eens een film of foto’s hebben gezien van brandweermannen die een felle brand proberen te blussen, is ons misschien opgevallen dat sommigen van hen speciale, witte pakken droegen die geen vlam vatten. Deze plakken branden niet doordat ze van een soort gesteente zijn gemaakt. Sommige mineralen hebben van nature de vorm van dunne draden of vezels. Deze worden alle asbest genoemd. De meeste asbestvezels kunnen, evenals die van katoen of wol, tot garen worden gesponnen en daarna kunnen er kleren van worden geweven. Dit soort kleding is dus van een steensoort gemaakt en brandt daarom niet. Asbest wordt ook voor andere producten gebruikt die hittebestendig moeten zijn, zoals de remvoeringen van auto’s en de brandvrije schermen in schouwburgen. Het wordt samen met cement ook gebruikt als dakbedekking. De meest voorkomende asbestsoort is een soort serpentijn, dat grijze, zijdeachtige vezels heeft. Serpentijn is in de meeste gevallen groen en gevlekt als een slang.
(ten tijde dat dit werd geschreven was er nog nauwelijks iets bekend over de schadelijke werking van asbestdeeltjes bv. op de longen. Gezien de actualiteit (‘er is geen asbest vrijgekomen’) moet dit zeker worden behandeld)

asbest

Asbest Onbrandbaar mineraal van de hoornblende-groep. Vooral serpentijn-asbest is gewichtig. (Zwitserland e.a.).

0-0-0

BARIET
.
Als iemand naar het ziekenhuis gaat om een röntgenfoto van zijn maag te laten maken, krijgt hij eerst bariumpap te eten. Dit is een krijtachtig, wit, vloeibaar mengsel, dat ervoor zorgt dat de inwendige organen op de röntgenfoto te zien zijn. Deze vloeistof wordt direct vervaardigd van het mineraal bariet. Van bariet wordt onder andere witte verf gemaakt. Bariet is kleurloos tot wit, geel, grijs of bruin. Voor een delfstof is bariet vrij zwaar. Het woord bariet komt van het Grieks (barus = zwaar). Een Nederlands woord voor bariet is zwaarspaat.

bariet


BASALT

Verscheidene soorten stollingsgesteente worden gevormd ais de lava afkoelt. Basalt is de meest voorkomende vorm. Het is een zeer oninteressant uitziend, donker en dof gesteente. Het bevat kristallen, maar die zijn zo klein, dat ze met het blote oog niet te zien zijn. Een van de interessantste eigenschappen van basalt is dat het zich bij afkoeling soms splijt in massieve, veelzijdige zuilen. Het bekendste voorbeeld hiervan is de Giant’s Causeway (Reuzendam) in Noord- lerland. Volgens de legende zijn deze zuilen een overblijfsel van een bouwwerk van reuzen die naar Schotland wilden oversteken.

basalt

 

BAUXIET

Bauxiet is vrijwel de enige ertssoort die wordt gebruikt voor de winning van aluminium, een van de lichtere en belangrijkste metalen. Gewone klei bevat ook wel aluminium, maar uit klei is het niet gemakkelijk te winnen. Bauxiet moet eerder worden beschouwd als een gesteente dan als een mineraal, want het is een mengsel van mineralen. Het belangrijkste hiervan is alumina, een aluminiumoxyde. Een gedeelte van het gevonden bauxiet wordt als mineraal gebruikt om er cement, scheikundige stoffen en schuurmiddelen — materialen die worden gebruikt om te slijpen en te polijsten — van te maken. (kryolieterts)

CALCIET

De grote krijt- en kalksteen rotsen aan de kust en elders bestaan bijna altijd geheel uit één mineraal, namelijk calciet. De bekende stalactieten en stalagmieten in de kalksteengrotten zijn gevormd uit calciet. Al deze verschijningsvormen van calciet zijn enigszins onzuiver. Krijt, de witste soort, is de puurste, maar kalk­steen kan gele, bruine en zelfs rode vlekken bevatten, die door onzuiverheden worden veroorzaakt. De zuiverste vorm van calciet zijn heldere kristallen. Als we goed kijken, kunnen we calcietkristallen vinden in vele krijt- en kalksteenrotsen. Ze verschijnen in vele vormen en maten; sommige zijn nogal plomp, andere zien er uit als gescherpte potloden. Weer andere zijn prachtig gekleurd. De zuiverste vorm van calciet wordt IJslands spaat genoemd. Door dit kristal kan men letterlijk dubbel zien. Als we een stukje IJslands spaat op een regel van een boek leggen, zullen we, als we door het kristal kijken, twee regels zien. Dit effect is het gevolg van een optische eigenschap, polarisatie genaamd. Calciet is een van de meest voorkomende mineralen. Het is een carbonaat en daarom sist het, als er een zuur overheen wordt gegoten. Dit is een goede manier om carbonaten te testen. (mineralen.)

calciet


CASSITERIET

Vrijwel al het tin dat we gebruiken, is afkomstig van het erts cassiteriet, ook wel tinerts genaamd. Het woord cassiteriet komt van de naam die handelslieden vroeger aan de Britse Eilanden hebben gegeven. Deze eilanden werden de Cassiterieten — Tineilanden — genoemd, omdat er waardevolle tinmijnen waren. Cassiteriet is over het algemeen donkerbruin of zwart van kleur en is een hard en zeer zwaar erts, bijna zo zwaar als lood. Het meeste cassiteriet wordt gevonden in lagen kiezelsteen in stroom- beddingen. (vruchtbare lagen.)

CONGLOMERAAT

Conglomeraat is een van de gemakkelijkst te herkennen gesteenten. Het wordt vaak puddingsteen genoemd, omdat het gesteente veel lijkt op een pudding. Het bestaat uit kiezelsteen, gruis en zelfs uit grote keien, samengekit door cement, zand of klei. Breccie is iets dergelijks, maar bevat scherpe stukken steen in plaats van afgeronde kiezelstenen. Zowel conglomeraten als breccies zijn afzettingsgesteente.

conglomeraat

DELVEN

Kolossale hoeveelheden mineralen en gesteenten worden elk jaar uit de bodem gehaald. Het uit de grond halen van gesteenten en mineralen wordt delven genoemd. Het delven van mineralen kan aan de oppervlakte of duizenden meters onder de grond gebeuren. In beide gevallen worden de mineraallagen vaak met behulp van springstoffen opengebroken. Steenkool- en ijzerlagen worden soms aan de oppervlakte gedolven. Grote, sterke graafmachines graven de losgemaakte lagen dan af. Een andere methode van delven aan de oppervlakte was vooral vroeger het delven van vruchtbare lagen. Het grind in de rivieren en meren werd uitgebaggerd en nauwkeurig onderzocht op zware metaalertsen, zoals bijvoorbeeld goud en edelsteen. (vruchtbare lagen.) Goud wordt tegenwoordig alleen nog maar diep onder de grond gedolven. Om het te bereiken worden diepe schachten in de grond geboord en vanuit de schachten worden tunnelgangen gegraven. De diepste mijnen bevinden zich in Zuid- Afrika. Sommige mineralen kunnen op verschillende manieren ondergronds worden gedolven. We noemen hier slechts twee voorbeelden: om zwavel ondergronds te laten smelten wordt zeer hete of oververhitte stoom gebruikt. Daarna wordt de gesmolten zwavel door middel van hoge luchtdruk met geweld naar de oppervlakte geduwd. In Nederland wordt zout gewonnen door water naar de zoutlaag te pompen. Dit water lost het zout op. De aldus ontstane pekel wordt weer omhooggepompt en verwerkt. Het uitgraven van gesteenten lijkt in vele opzichten op het delven van ertsen aan de oppervlakte, maar de explosieven worden voorzichtiger gehanteerd. Men moet er bijvoorbeeld voor oppassen dat waardevolle bouwsteen niet wordt verbrijzeld, want dan is hij waardeloos geworden. Deze methode, waarbij gebruik wordt gemaakt van springstoffen, is noodzakelijk bij stevige steenlagen, zoals kalksteen en graniet. Voor het afgraven van zand-, grind- en leisteenlagen zijn echter geen springstoffen nodig. Deze lagen zijn van nature al zacht en los. Vaak kunnen ze zonder meer worden afgegraven door graafmachines.

(Zeer regelmatig vinden nog mijnrampen plaats. I.v.m. de ‘economische aardrijkskunde’ in klas 5 is het zeker nodig de kinderen erop te wijzen dat iedere dag voor onze behoeften aan ….vele mensen dagelijks in gevaar verkeren. Enige tijd geleden nog in Chili waar mensen na 3 maanden werden gered. Als ‘Alleen op de wereld’ is voorgelezen in de jaren daarvoor, zal dat zeker herinneringen oproepen)

delven

DIAMANT

Diamant is het hardste mineraal en tevens het waardevolste van alle edelgesteenten die worden gebruikt om tot sieraden te worden verwerkt. Een diamant die is geslepen en gepolijst, is de meest schitterende edelsteen. Enkele van de beroemdste diamanten ter wereld behoren tot de Britse kroonjuwelen: de Koh-i-noor (berg van licht), de Eerste Ster van Afrika, die gezet is in de scepter met het kruis, en de Tweede Ster van Afrika, die is gezet in de koningskroon. De Sterren van Afrika zijn afkomstig uit ’s werelds grootste diamant, de Cullinan, die bijna anderhalf pond woog. In zijn natuurlijke staat is de diamant soms bedekt met een doffe, grijze laag. In deze vorm wordt hij een ruwe diamant genoemd. De ruwe diamant wordt zo geslepen, dat hij vele platte kanten (facetten) heeft, waardoor de grootst mogelijke schittering ontstaat. De geslepen diamant schittert in alle kleuren van de regenboog. Het slijpen en polijsten van de facetten wordt gedaan met slijpborden die bedekt zijn met diamantstof. Diamant is zo hard, dat het enige materiaal waarmee het kan worden gekloofd, diamant zelf is. Ruwe diamanten die niet geschikt zijn om tot mooie sieraden te worden geslepen en gepolijst, worden in de industrie als slijpmateriaal gebruikt. Ook punten van steenboren worden van diamant gemaakt. Deze diamanten worden industriediamanten genoemd. Diamant is een zuivere kristalvorm van koolstof. Het is bijna ongelooflijk dat zowel diamant als grafiet uit dezelfde substantie bestaat. Diamant is het hardste en schitterendste mineraal, maar grafiet is een van de zachtste en dofste mineralen.


Duurste diamant, de Pink Star, geveild voor 66,8 miljoen euro.
Op een veiling in Hongkong is gisteren* de duurste gekleurde diamant ter wereld verkocht: de Pink Star.
Een roze steen in een platinum ring is gisteren* bij Sotheby’s in Hongkong voor 71.200.000 dollar (66,8 miljoen euro) geveild. Het was dan ook de Pink Star die onder de hamer ging, een perfecte roze diamant qua kleur en helderheid van 59,6 karaat. De duurste diamant ooit.
De koper is geen Amerikaan of Europeaan, maar een juwelier uit Hongkong, ChowTai Fook. Het typeert de trend. De rijke Aziaten storten zich op diamanten en vooral de zeldzame natuurlijk gekleurde stenen. Van de laatste stegen de prijzen het afgelopen decennium explosief. Vroeger waren grote gekleurde diamanten het bezit van royalty of de adel, nu zijn het de superrijken, de filmsterren en de sporthelden die hun status aparte nog eens bevestigen met een gekleurde diamant. Deze glimmertjes van formaat zijn vooral in trek bij verlovingen en huwelijken. Zo kreeg Jennifer Lopez een licht roze 6 karaats diamant ter waarde van 1,2 miljoen dollar van haar vriend Ben Affleck. Mariah Carey kreeg een iets groter roze steentje van 17 karaat met een waarde van 2,5 miljoen hij haar verloving. Ook Paris Hilton kreeg indertijd bij een van haar verlovingen een 24 karaats kanariegele diamant van 4,7 miljoen dollar van een vriend met wie ze vier maanden later niet meer wilde trouwen.
De hype is inmiddels overgeslagen naar Azië. Sotheby’s heeft dat goed ingeschat. De Pink Star werd drie jaar geleden ook geveild voor de som van maar liefst 89 miljoen dollar, maar de koper kon niet betalen.
Sotheby’s had de verkoper een bedrag van 60 miljoen voor de steen gegarandeerd, wachtte het einde van de recessie af en sloeg nu toe.
Mei vorig jaar werd de Oppenheimer Bleu, een heldere blauwe diamant van 14,62 karaat, voor 57,5 miljoen dollar verkocht. Die komt dus nu op de tweede plaats van duurste diamanten.
In 2015 ging de Blue Moon of Josephine voor 48,5 miljoen dollar van de hand. De diepblauwe diamant van 12,03 karaat houdt nog steeds de titel als duurste steen per karaat met bijna 4 miljoen dollar.
Dus was de tijd rijp voor Sotheby’s om de Pink Star te veilen. De roze diamant werd in 1999 in Zuid-Afrika gevonden en woog ruw 132,50 karaat. Na twee jaren kloven, slijpen, polijsten en design bleef de grootste roze diamant van 59,6 karaat over.

Vroeger golden gekleurde diamanten als niet zo interessante afwijkingen tenzij ze groot waren, maar de laatste twee decennia is het tij gekeerd. Gekleurde diamanten zijn duurder, veel duurder dan de traditionele doorzichtige oftewel de witte diamant, behalve de gekleurde bruine, die ook wel als cognac of champagnekleurig wordt genoemd om die stenen aantrekkelijker te maken. Deze zijn iets goedkoper dan de witte. Rode, roze, blauwe en groene diamanten zijn uiterst zeldzaam, uiterst gewild en extreem prijzig.

*05-04-2017

EDELSTENEN

Zo nu en dan brengt de natuur mineralen van zo’n buitengewone schoonheid voort, dat we ze gebruiken als juwelen. We noemen deze mineralen edelstenen. De mooiste edelstenen, zoals diamant, robijn, smaragd en saffier, zijn zeer zeldzaam en daardoor erg waardevol. De grootste juwelierszaken ter wereld fonkelen van de glans van diamanten, het vurige rood van robijnen, en het zuiverste groen of blauw van smaragden en saffieren. De waarde van een edelsteen is niet alleen afhankelijk van de schoonheid of zeldzaamheid van de steen, maar ook van de hardheid. Het heeft geen zin een mooie steen in een ring te zetten, als de steen gemakkelijk kan worden beschadigd. Op deze manier zou hij zijn pracht snel verliezen. De vier voornaamste edelstenen zijn zo waardevol doordat ze grote schoonheid en zeldzaamheid verenigen met grote hardheid. Diamant is de hardste van allemaal. Niet alle edelstenen zijn echter stenen. Prachtige, melkwitte parels, voor ringen en halssnoeren, worden gevormd in de lichamen van schelpdieren, die pareloesters worden genoemd. Barnsteen is een geelachtig bruine edelsteen, die wordt gevormd door de hard geworden hars van pijnbomen uit het verre verleden. Het wordt fossiele hars genoemd. Andere edelstenen zijn ook erg in trek, maar minder hard en niet zo zeldzaam als de echte edelstenen. Daardoor zijn ze ook niet zo waardevol. Meestal worden ze halfedelstenen of gewoon stenen genoemd. Hieronder bevinden zich vele kwartsvariëteiten en granaten, die in gneis worden gevonden. De schoonheid en glans van een edelsteen kunnen worden vergroot door het slijpen en polijsten van de natuurlijke kristallen, hetgeen zeer voorzichtig moet gebeuren. Oneffenheden aan de oppervlakte kunnen dan tegelijkertijd worden verwijderd. Het slijpen en polijsten vereist een hoge graad van vakmanschap. Voor elke edelsteen bestaat een speciale manier van slijpen om de schoonheid het best tot haar recht te doen komen. Edelstenen kunnen worden geslepen met vele vlakke kanten, ook facetten genoemd, of met een zacht, rond oppervlak. De diamant die als briljant is geslepen, heeft achtenvijftig facetten. Diamant is een zeldzame kristalvorm van het chemische element koolstof. Robijn en saffier zijn verschillend gekleurde kristalvormen van het mineraal korund. Smaragd is de zeldzaamste en waardevolste vorm van het mineraal beril. Een andere kristalvorm van beril is de edelsteen aquamarijn, die er blauwachtig groen uitziet. De topaas is een andere waardevolle edelsteen, die zowel kleurloos als geel, blauw of roze kan zijn. Al deze edelstenen zijn verschillende kristalsoorten. Verscheidene edelstenen zijn ondoorschijnend; ze laten geen licht door. De belangrijkste is de opaal. Deze steen heeft geen eigen kleur, behalve als achtergrond. Maar hij glinstert en glanst in steeds wisselende kleurschakeringen. De turkoois is een andere edelsteen die ondoorschijnend is. Hij is blauwachtig groen en heeft een prachtig spinnenwebachtig patroon. Edelstenen zijn om hun schoonheid en zeldzaamheid altijd beschouwd als amuletten of geluksstenen. Er is voor elke maand van het jaar een edelsteen, die maandsteen wordt genoemd. Als we de edelstenen dragen van de maand waarin we zijn geboren, brengt deze geluk.

edelsteen
edelsteen 2

 topaas

EROSIE

We kunnen ons nauwelijks voorstellen dat er gesteenten zijn die vanzelf afslijten. Immers, met hamer en beitel kunnen ze nauwelijks worden gebroken. Maar gesteenten slijten inderdaad af als gevolg van de voortdurende weersinvloeden. Dit proces wordt erosie genoemd. Regenwater dat over het gesteente stroomt, of zeewater dat ertegenaan slaat, spoelt heel geleidelijk stukjes steen los en voert deze met zich mee. Het kan ook zijn dat door het water sommige mineralen in het gesteente worden opgelost, waardoor het in kruimelige deeltjes uiteenvalt. Het water sijpelt in scheuren in het gesteente en zet uit wanneer het bevriest. Hierdoor wordt het gesteente met geweld uit elkaar gedreven. De hete zon overdag en de vorst ’s nachts kunnen er de oorzaak van zijn dat het gesteente splijt. Dit zijn allemaal voorbeelden van erosie, waardoor fantastische vormen in de natuur kunnen ontstaan. Het is niet mogelijk deze verandering tijdens een mensenleven waar te nemen, maar het resultaat is na miljoen jaren duidelijk zichtbaar. Zelfs het hardste graniet zal eens verbrokkelen. Als de verpulverde of opgeloste mineralen worden afgezet, zal er zich een nieuw gesteente gaan vormen. Dit wordt afzettingsgesteente genoemd. Dit proces duurt eveneens weer vele miljoenen jaren.

erosie


ERTS

Metalen zijn buitengewoon belangrijk in ons huidige bestaan. Slechts een paar worden er in de natuur als zuivere metalen gevonden. Dat zijn goud, zilver, koper en platina. De meeste metalen komen voor in mineralen, waarin ze een verbinding vormen met andere chemische elementen. Voordat ze door de mens gebruikt kunnen worden, moeten de metalen worden gezuiverd en uit de mineralen worden gehaald. Mineralen die na behandeling zuiver metaal leveren, heten ertsen. De meeste ertsen zijn oxyden: samenstellingen van de metalen met zuurstof. Carbonaten zijn samenstellingen van de metalen met zwavel. De minerale ertsen worden niet vaak in hun natuurlijke vorm gebruikt. Ze moeten worden behandeld voordat ze te gebruiken zijn. (bauxiet (aluminiumerts), cassiteriet (tinerts), kopererts, galeniet (looderts), ijzererts en zinkblende.)

FLUORESCERENDE MINERALEN

Sommige mineralen gloeien in het donker op als bepaalde soorten onzichtbaar licht, zoals ultraviolet licht, erop schijnen. Ze worden fluorescerende mineralen genoemd, naar fluoriet, dat die eigenschap vertoont. Ultraviolet licht is het licht dat in de zonnestralen zit en waarvan we bruin worden. Sommige mineralen, fosforescerende mineralen genoemd, blijven gloeien nadat het licht is verdwenen. Ze hebben hun naam te danken aan een chemisch element, fosforus genaamd, dat in het donker opgloeit. Naast fluoriet zijn de twee bekendste fluorescerende mineralen scheeliet, een wolframerts, en willemiet, een zinkerts. Sommige diamantsoorten, zoals calciet en opaal, zijn ook fluorescerend. Enkele willemietmineralen zijn ook fosforescerend.  

fluoriet 3


FLUORIET OF VLOEISPAAT

Fluoriet (vloeispaat) is een prachtig en interessant mineraal dat kan gaan gloeien in het donker. Sommige fluorietsoorten hebben een blauwachtige glans als er onzichtbaar licht, zoals ultraviolet licht, op schijnt. Fluoriet geeft zijn naam dan ook aan dit effect, fluorescentie genaamd. (fluorescerende mineralen)
Als fluoriet langzaam wordt verhit, vertoont het een bleke, groenige glans. Fluoriet kristalliseert uit in gave kubusjes, die zowel kleurloos als geel, bruin, groen, purper en blauw kunnen zijn. Een gestreepte blauwe variant wordt Blue John genoemd. Deze werd vroeger gebruikt om er ornamenten uit te snijden. Tegenwoordig wordt het meeste fluoriet gebruikt in hoogovens om de materialen gemakkelijker te laten smelten. Een deel van het fluoriet wordt gebruikt in bepaalde soorten tandpasta en in het drinkwater teneinde dit van fluor te voorzien.

fluoriet 4


FOSSIELEN

De meeste kennis omtrent het leven in vroeger tijden hebben we verkregen door het bestuderen van resten van planten en dieren, die in het gesteente bewaard zijn gebleven. Deze overblijfselen noemen we fossielen. Sommige fossielen zijn de werkelijke resten van wezens als bijvoorbeeld de dinosaurussen, de verschrikkelijke hagedissen. Andere zijn alleen maar afdrukken van de vorm van vergane planten of dieren die in de loop van de geschiedenis letterlijk in steen zijn veranderd. Versteende bossen zijn fossielen van deze soort. (versteend hout.) Bijna alle fossielen zijn afkomstig uit gesteente dat door afzetting is ontstaan. In gesteente dat door de warmte is gevormd, is elke plant of dier onmiddellijk verbrand. Enkele van de best bewaarde fossielen worden gevonden in kalksteen. Sommige soorten kalksteen, zoals koraal, zijn zelf samengesteld uit de kalkskeletten van oude, in zee levende wezens. Enkele van de meest voorkomende fossielen in kalksteen zijn de brachiopoden. In menige kalksteengroeve kunnen ze duidelijk worden waargenomen. Steenkool is een speciaal soort gesteente dat door afzetting is ontstaan en waarin we vaak de afdrukken vinden van bladeren van planten die miljoenen jaren geleden hebben gegroeid.

fossielen 2
fossielen


GALENIET

Galeniet bevat veruit het meeste lood. Heel vaak wordt het verontreinigd door waardevolle deeltjes zilver. Galeniet is heel zacht en zwaar. Het kan gemakkelijk in kleine kubusjes worden gebroken. Het heeft bijna dezelfde kleur als lood. Evenals vele andere metaalertsen is galeniet een sulfide.

galeniet


GEOLOGIE

Geologie is de wetenschap die zich bezighoudt met veranderingen in de aardkorst. Geologen zijn mensen die geologie beoefenen. Zij bestuderen de manier waarop de aarde zich heeft ontwikkeld, hoe de landmassa’s en de zeeën werden gevormd, en hoe de bergketenen en dalen ontstonden. Zij observeren hoe onder invloed van het weer sommige gesteenten uit elkaar worden geslagen en hoe uit de verschillende stukken steen weer nieuw gesteente wordt gevormd. Geologen bestuderen ook de aard en samenstelling van de gesteenten en mineralen die de aardkorst vormen. De studie van gesteenten wordt petrologie genoemd; de studie van mineralen mineralogie.

GESTEENTEN

Onder gesteenten worden alle materialen verstaan waaruit de aardkorst of buitenste laag van de aarde is samengesteld. Hiertoe behoren ook zachtere materialen als klei en zand. De studie van de gesteenten wordt petrologie genoemd. Gesteenten bestaan uit stoffen die een vaste chemische opbouw of samenstelling hebben. Deze stoffen noemt men mineralen. Sommige gesteenten, zoals krijt, bevatten slechts één mineraal. Andere, zoals bijvoorbeeld graniet, bevatten twee of meer mineralen. In heuvelachtige streken en aan zee zien we vaak stukken gesteente boven de grond uitsteken. Elders ligt het massieve gesteente onder de zachte bodem. Vaak kunnen we dit onder de grond liggend gesteente waarnemen als er nieuwe wegen door de heuvels worden aangelegd. Als we naar het blootgelegde gesteente kijken, kan het ons opvallen dat het uit een aantal lagen bestaat. Dit betekent dat het een van de voornaamste soorten gesteenten is, namelijk afzettingsgesteente. Dit gesteente is laag voor laag ontstaan uit materiaal uit rivieren en zeeën, dat zich jaren geleden heeft afgezet. Het is vooral interessant omdat het fossielen bevat; dat zijn overblijfselen van planten en dieren. De twee andere soorten gesteente zijn stollingsgesteente en omzettingsgesteente. Ze hebben geen duidelijk waarneembare lagen, zoals de afzettingsgesteenten. Stollingsgesteenten worden gevormd als het gesmolten materiaal binnen de aarde afkoelt aan of dicht bij de oppervlakte. Omzettingsgesteenten ontstaan als de stollings- en afzettingsgesteenten ten gevolge van hitte en druk opnieuw smelten en kristalliseren. De meeste stollings- en omzettingsgesteenten bevatten geen fossielen.

gesteenten

GIPS

Naar alle waarschijnlijkheid hebben we al vaak een stukje gips in handen gehad, want het krijt waarmee op het bord wordt geschreven, is van gips gemaakt. Gips is net als krijt wit van kleur en tamelijk zacht. Als we ooit eens een arm of been hebben gebroken, hebben we gips ook in een andere vorm leren kennen, namelijk als gebrand gips. (Het branden van gips werd het eerst in Parijs gedaan; vandaar dat dit gips in het Engels nog steeds ‘plaster of Paris’ heet.) Dit wordt gebruikt voor het maken van gipsafgietsels van allerlei aard. Gips wordt ook gebruikt door bouwers om vele soorten pleisterwerk en muurbedekkingen te maken. ‘Plaster of Paris’ wordt gemaakt door het gips te verhitten. Als er water aan is toegevoegd, kan het in elke gewenste vorm worden gekneed, maar het droogt snel en wordt dan hard. Gips wordt gevonden in afzettingen die zijn gevormd door indamping van zeewater. Soms wordt gips in de vorm van grote heldere kristallen gevonden. Het wordt ook in vaste vorm gevonden; we noemen het dan albast, dat beeldhouwers vaak gebruiken om er standbeelden en ornamenten uit te houwen.

gips


GLIMMER

Het schitterende laagje sneeuw op kerstbomen en kerstkaarten en op sommige soorten fantasiebehang is een poedervorm van het mineraal mica (een soort glimmer). De meeste mica wordt gebruikt in de natuurlijke vorm, die bestaat uit transparante, vlokachtige plaatjes, die gemakkelijk uit elkaar kunnen worden gehaald. Micaplaat wordt veel toegepast bij elektrische installaties als isolatiemateriaal, dat is een stof die geen elektriciteit geleidt. Het is veruit het beste isolatiemateriaal dat er bestaat. De dunne micaplaatjes zijn zeer buigzaam en elastisch; ze kunnen in iedere gewenste vorm worden gebogen en nemen altijd hun oorspronkelijke vorm weer aan. Dikke micakristallen bestaan uit een veelvoud van deze plaatjes en worden vaak om deze reden ‘pakjes’ genoemd. Glimmer wordt alom gevonden in het koninkrijk van de mineralen. Het vormt de glinsterende spikkeltjes in het granieten de banden in gneis en glimmerschist. De meeste zakelijke toepassingen van glimmer zijn afkomstig van pegmatiet; dit is een vorm van graniet met enorm grote kristallen.

glimmer mica


GNEIS

Gneis is een gesteente waarin de mineralenzijn gerangschikt als vrij dikke, donkere en lichte banden. De voornaamste mineralen in het gneisgesteente zijn kwarts, veldspaat en glimmer, dezelfde mineralen die we ook in graniet vinden. Sommige gneisgesteenten zijn ook uit graniet gevormd. Door grote hitte en druk in de aarde worden de mineralen in het graniet in lagen samengedrukt en uitgerekt. Gneis is dan ook een omzettingsgesteente gesteente. Als de mineraallagen dun zijn, wordt het gesteente schist genoemd. De mineralen zien er uit als vlokkige laagjes, die gemakkelijk van elkaar kunnen worden gescheiden. glimmerschist is een schistsoort die grote aantallen dunne, glinsterende plaatjes glimmer bevat. Vele specimina van schist en gneisgesteenten zijn bezaaid met kleine, donkerrode granaatkristallen. Granaten zijn halfedelsteen.

gneis


GRAFIET

Het zwarte lood van potloden waarmee we schrijven, is geen echt lood, maar grafiet, vermengd met klei. Grafiet is een van de zachtste mineralen en voelt vet aan. Sommige machines worden er dan ook mee gesmeerd. Hoewel het er niet op lijkt, is grafiet qua samenstelling hetzelfde als diamant, de hardste substantie die we kennen. Grafiet en diamant zijn beide vormen van pure koolstof. De onderlinge verschillen ontstaan door de verschillende structuren van hun kristallen. Diamanten vormen sterke, transparante kristallen, terwijl grafiet kristalliseert in dunne, zwarte vlokjes. Grafiet wordt hoofdzakelijk gevonden in metamorf gesteente of omzettingsgesteente als gneis en schist. Van oorsprong is het waarschijnlijk afkomstig van plantaardige stoffen die in lagen gesteente werden opgesloten en door grote hitte en druk veranderden. Dit proces wordt metamorfose genoemd.

grafiet


GRANIET

Graniet is een van de bekendste gesteenten. Graniet is een bijzonder mooi gesteente, vooral als het gepolijst is. Daarom wordt het op grote schaal gebruikt voor de bouw van monumenten en voor façades van gebouwen. Graniet is tamelijk licht en heeft gekleurde spikkeltjes. Als we goed kijken, zien we dat de spikkeltjes eigenlijk bundels kleine kristallen zijn. De voornaamste kristallen in graniet zijn veldspaat, dat zowel wit als grijs of roze van kleur kan zijn, en doorzichtige kwarts. Kleine zwarte micaspikkeltjes die rondom de andere kristallen verspreid liggen, doen het graniet er fonkelend uitzien. Graniet is een stollingsgesteente. Het is een van de meest verbreide gesteenten op aarde. Het meeste van dit gesteente ligt diep onder het aardoppervlak, waar het werd gevormd toen het magma afkoelde.
Pegmatiet is een gesteente dat dezelfde soorten kristallen bevat als graniet, maar deze kristallen zijn veel groter.
Gabbro is een stollingsgesteente dat veel donkerder en zwaarder is dan graniet, doordat het vaak donkergroene mineralen bevat.

graniet


IJZERERTS

IJzer en staal zijn onze belangrijkste metalen. Er zijn elk jaar miljoenen tonnen ijzererts nodig om reusachtige hoogovens en staalfabrieken te bevoorraden. Gelukkig worden de verschillende ijzerertsen op vele plaatsen nog in grote hoeveelheden gevonden. De belangrijkste zijn hematiet, magnetiet, limoniet, alle soorten ijzeroxyde en de klapperstenen (sferosiderieten), die ijzercarbonaat bevatten. Hematiet is meestal bloedrood van kleur. De naam is afkomstig van het Griekse woord (haima) voor bloed. Soms wordt het gevonden in ronde, niervormige brokken en dan wordt het niererts genoemd. Vaak komt het voor in de vorm van grijze of zwarte, spiegelende kristallen. Magnetiet, het rijkste ijzererts, ziet er zwart en metaalachtig uit. Het is een krachtige, natuurlijke magneet, die stukken ijzer en staal kan aantrekken. Van magnetiet kunnen onder andere kompasnaalden worden gemaakt. Als gevolg hiervan wordt het mineraal ook wel zeilsteen genoemd. (Deze benaming dateert uit de tijd dat er alleen nog maar zeilschepen waren.) Limoniet is geelachtig bruin van kleur. Vaak wordt het gevonden in moerassen en ondiepe meren, en het wordt soms moeraserts genoemd. De geelbruine kleur van zand, klei en vele andere gesteenten wordt veroorzaakt door de vlekken van het limonieterts. Klappererts bestaat uit steenachtige massa’s die het carbonaatmineraal sideriet bevatten.

ijzer

magnetiet pyriet

KALKSTEEN

Kalksteen is een buitengewoon bruikbaar gesteente. Hiervan worden zeer grote hoeveelheden verpulverd en gebruikt voor het maken van cement, dat we nodig hebben voor het bouwen van huizen. Het wordt ook gebruikt in de ijzererts en staalindustrie om onzuiverheden uit de metalen te halen. Kalksteen is het meest bruikbaar als bouwsteen doordat het sterk is en gemakkelijk kan worden gehakt en bewerkt. Er zijn diverse soorten kalksteen, die in kleur variëren van helder wit tot vaalbruin. De zuiver witte vorm is meestal bekend als krijt. Alle kalksteensoorten bestaan bijna geheel uit één mineraal, calciet, of een mineraal dat er veel op lijkt, dolomiet. Als we een kalksteengebied bezoeken, zullen we zien dat het gesteente uit een aantal parallelle lagen bestaat. Het is een typisch voorbeeld van een afzettingsgesteente, dat ontstond doordat het materiaal zich laag voor laag opstapelde en werd samengedrukt. Deze lagen ontstaan op twee manieren. Water dat over calciethoudend gesteente stroomt, zal dit heel geleidelijk aan oplossen en met zich meevoeren, bijvoorbeeld naar een meer. Sommige waterdieren gebruiken deze opgeloste kalk bij het maken van hun harde schelp. Als deze dieren sterven, vallen de schelpen op de bodem van het meer en vormen daar een dikke laag. Soms droogt een meer op, en dan blijft er een laag opgeloste kalk achter, die op dezelfde wijze wordt gevormd als ketelsteen in een waterketel. Als we water koken, vormen de mineralen erin een laagje ketelsteen. In een kalksteengebied zullen we niet veel rivieren aan de oppervlakte zien. In plaats daarvan zijn er wel veel grotten, holen en ondergrondse rivieren, karstverschijnselen genaamd. Water slaat heel langzaam een deel van het gesteente weg, vergroot de gaten in het gesteente en verdwijnt onder de grond. In de onderaardse grotten bevinden zich enorme kalkuitsteeksels, die of uit het plafond komen (stalagtieten) of uit de vloer steken (stalagmieten). Ze zijn ontstaan door het constante druppelen van water dat opgeloste kalk bevatte.

kalksteen

 

kalksteen 2

KLEI

De geoloog deelt klei in bij de steensoorten, omdat een groot deel van de aardkorst uit klei bestaat. Klei is echter niet zo hard en sterk als graniet. Het is zacht en week en bestaat uit heel fijne korreltjes, die losjes zijn samengepakt. Klei wordt wel ongeveer zo hard als steen als het wordt gebakken. Bakstenen, het meest gebruikte bouwmateriaal, worden op deze manier gemaakt. Dit bakken wordt doorgaans gedaan in een enorme oven. In sommige landen waar het weinig regent, worden huizen gebouwd van stenen die stro bevatten en door de zon zijn gedroogd. In Egypte is deze methode bijvoorbeeld duizenden jaren toegepast. De meeste kleisoorten zijn grijs, bruin of rood van kleur, maar de zuiverste klei is wit. Het wordt kaolien of porseleinaarde genoemd. Dit is de klei die wordt gebruikt voor het vervaardigen van mooi, glad papier en in de industrie bij het vervaardigen van verf, zeep, poeder en medicinale zalf. De meeste kleisoorten worden gevormd doordat bijvoorbeeld door weersinvloeden bepaalde stukken steen afbrokkelen. Porseleinaarde wordt gevormd doordat hete gassen vanuit het binnenste der aarde samen met graniet een chemische reactie ondergaan en dit ontbinden of afbreken.

KOPERERTS

koper is een van de weinige metalen die in zuivere vorm in de bodem worden aangetroffen. (mineralen.) Het meeste koper wordt echter gewonnen uit kopererts, een verbinding van koper met andere mineralen. Koper vormt een grotere groep mineralen dan enig ander metaal. Honderden soorten zijn ervan gevonden en vele ervan zijn bruikbare ertsen. Koper is een zeer bruikbaar metaal. Het kan op zichzelf worden gebruikt, maar ook in combinatie met andere metalen, in zogenaamde legeringen, zoals brons en geelkoper. Het wordt bijvoorbeeld gebruikt voor het maken van koperen draden, koperen pijpen, bronzen munten en koperen sieraden. In vele delen van de wereld bevinden zich kopermijnen. De belangrijkste producent is het Afrikaanse Kopergebied. Er zijn eveneens enorm grote mijnen in Canada en de Verenigde Staten. Het meest voorkomende kopererts is chalcopyriet of koperkies, dat zowel ijzer als kopersulfide bevat. Het heeft een prachtige, donkergele kleur, die net als een pauwenstaart alle kleuren van de regenboog laat zien. Daarom wordt chalcopyriet soms pauwenstaarterts genoemd. Soms wordt het verward met ijzerpyriet, dat er veel op lijkt. Beide mineralen zijn vaak voor goud aangezien en hebben daarom de naam het ’goud der dwazen’ gekregen. Chalcopyriet is bovendien een zwavelverbinding, maar het is zwart. Cupriet is een roodbruine zuurstofverbinding, die door zijn verschijningsvorm ook wel roodkoper wordt genoemd. De twee koperertsen met de mooiste kleuren zijn azuriet en malachiet, allebei koolstofverbindingen. Azuriet is mooi donkerblauw van kleur. Malachiet heeft een donkergroene kleur. De groene aanslag of patina, die men dikwijls ziet op koperen en bronzen beelden en sieraden, is een dun laagje malachiet.

koper 2

 

KORUND

Men zou niet zo gauw denken dat een vurig rode robijn, een schitterend blauwe saffier en een slijpsteen veel met elkaar gemeen hebben, maar toch is dat zo. Het zijn alle drie verschillende vormen van het zeer harde mineraal korund, dat na diamant het hardste mineralen is. Robijn en saffier zijn zeldzame en waardevolle kristalvormen van korund.(edelsteen) Een slijpsteen wordt gemaakt van de gewone dofgrijze vorm van het mineraal. Korund is een uitstekend schuur- of slijpmateriaal, doordat het zo hard is. Soms wordt het gevonden, vermengd met het mineraal magnetiet, en dit mengsel wordt amaril genoemd. Gepoederd amaril wordt op papier en doek aangebracht om het bekende amarilpapier te maken, dat we gebruiken om metalen vlakken glad te maken.

korund

KRIJT

Krijt is een zuivere vorm van kalksteen., dat verblindend wit van kleur is als het pas is gedolven. Het is erg zacht en niet goed te gebruiken als bouwsteen. De meeste krijtafzettingen bevatten ronde brokken van een veel harder materiaal, genaamd vuursteen Het krijt dat wordt gebruikt om op borden te schrijven, is helemaal geen echt krijt, maar een ander soort mineraal, namelijk gips

krijt


KRISTALLEN

Als we heel goed naar gewoon tafelzout kijken, zullen we zien dat het bestaat uit een groot aantal kleine, fonkelende kubusjes of kristallen. Zout is een van de vele gewone mineralen die kristalliseren (kristallen vormen). Elk mineraal vormt een verschillend soort kristal. Sommige vormen kubusjes, zoals zout, andere zien er uit als hondentanden, zoals de kristallen van calciet; weer andere bestaan uit platte, vlokachtige kristallen, zoals mica. De kristallen kunnen kleurloos zijn én ongeacht welke kleur van de regenboog hebben. Sommige mineralen hebben altijd kristallen van dezelfde kleur, andere hebben kristallen in verschillende kleuren. Een van de meest voorkomende kristallen, kwarts, vormt roze, rokerig gele en bruine, gouden, violette en heldere kristallen. Niet voor niets worden kristallen dan ook wel de bloemen van het koninkrijk der mineralen genoemd. De meest opzienbarende voorbeelden van minerale kristallen zijn edelsteen als diamanten en robijnen. Halfedelstenen, als de gekleurde kwartskristallen, zijn eveneens waardevol door hun schoonheid. 

kristallen

 apatiet   fluoriet   goud   steenzout

KRYOLIET

Kryoliet is een boeiend en zeldzaam mineraal. De naam betekent bevroren steen. Als we een stukje in een glas water laten vallen, wordt het onzichtbaar. Dat komt doordat het de lichtstralen bijna op dezelfde wijze breekt als water, zodat het lijkt, althans in onze ogen, dat er alleen maar water in het glas zit. Een ander interessant feit omtrent kryoliet is dat het gemakkelijk smelt, zelfs in de vlam van een lucifer. Kryoliet wordt hoofdzakelijk gebruikt bij het vervaardigen van aluminium.[bauxiet ]Het wordt gebruikt om het aluminiumerts te ontbinden voordat het smelt. Kryoliet is zelf een bestanddeel van aluminium. Groenland is de enige plaats waar het in grote hoeveelheden wordt gevonden.

KWARTS

Kwarts is een van de meest voorkomende mineralen. Het is een van de voornaamste mineralen in de massieve granietgesteenten, waaruit een groot deel van de aardkorst bestaat. zand en grind bestaan bijna helemaal uit kwarts. Kwartskristallen zijn bijzonder mooi. Ze zijn zeskantig en hebben puntige uiteinden, net als een potlood dat aan beide zijden is geslepen. Ze komen in een verbazingwekkende hoeveelheid verschillende kleuren voor en vele worden dan ook beschouwd als sier- of halfedelstenen. Ze zijn waardevol, omdat ze zowel hard als mooi zijn. De zuiverste vorm waarin kwarts voorkomt, is bergkristal, dat helemaal helder is. Het heeft bepaalde eigenschappen die het geschikt maken voor toepassingen in radio- en telefoonapparatuur. Kwartskristallen hebben allerlei verschillende tinten als ze kleine onzuiverheden bevatten. Een van de beste kwartsedelstenen is de amethist; deze edelsteen is prachtig violet van kleur; citrien heeft een goudachtige, donkergele kleur; roze kwarts is bleekroze van kleur; rookkwarts is bruinachtig zwart van kleur. De kristallen in enkele kwartssoorten hebben zich niet goed ontwikkeld, en daardoor worden de mineralen ondoorschijnend, dat betekent dat ze geen licht doorlaten. Mooie, ondoorschijnende vormen van kwarts zijn de agaat en de onyx, die beide veelkleurig gelaagd zijn. De agaat heeft grillige banden in fijne kleurnuances. De onyx heeft strakke banden in slechts enkele kleuren.

kwarts amethist agaat jaspis

 

LAGEN

Het meest kenmerkende van afzettingsgesteente is dat ze zijn opgebouwd uit een aantal lagen. Toen de lagen werden gevormd op de bodem van een rivier of de zee, lagen ze min of meer horizontaal op elkaar. Heden ten dage zijn de lagen in sommige kalkrotsen nog horizontaal, maar vele afzettingsgesteenten zijn door plooiingen van de aardkorst weggeduwd en ondersteboven gekeerd. De lagen hebben bepaalde glooiingen, die we ook wel hellingen noemen. Sommige lagen zijn zelfs verticaal. Vele zijn in zachthellende bochten gebogen, die over het algemeen plooien worden genoemd. Het komt ook wel voor dat de lagen niet zijn gebogen, maar dat ze in verticale richting zijn verschoven. Deze verandering in de lagen wordt breuk genoemd.

gesteente lagen

 

LAVA

Lava is het gesmolten gesteente dat uit vulkanen wordt gestoten als deze tot uitbarsting komen. Een snel bewegende stroom van rode, hete lava is een van de opmerkelijkste schouwspelen die de natuur heeft te bieden. Het kan echter ook buitengewoon gevaarlijk zijn. De oude Romeinse stad Pompeji werd door de lavastromen uit de Vesuvius geheel overspoeld en vernietigd. Als de lava afkoelt, vormt ze een groot aantal verschillende stollingsgesteente. Het soort gesteente dat wordt gevormd, is afhankelijk van de snelheid waarmee de lava afkoelt. Het glasachtige obsidiaan (ook wel vulkanisch glas genoemd), het poreuze puimsteen en basalt zijn bijvoorbeeld stollingsgesteenten. Gesmolten gesteente dat niet aan de oppervlakte is gekomen, laat andere soorten stollingsgesteente ontstaan, waaronder graniet.

vulkaan

LEISTEEN

Onder bepaalde omstandigheden worden kleilagen samengeperst. Ze vormen dan een stevig soort gesteente dat kleischalie wordt genoemd. Een belangrijk soort kleischalie wordt oliekleischalie genoemd. Het wordt zo genoemd omdat het vol olie zit. De olie kan er door verhitting gemakkelijk uit worden gehaald en als brandstof worden gebruikt. Kleischalie is een veel voorkomend soort afzettingsgesteente. Sommige huizen hebben daken die bedekt zijn met dunne lagen leisteen. Een schoolbord kan eveneens van leisteen zijn gemaakt. Leisteen is een omzettingsgesteente, dat wordt gevormd uit kleischalie dat onder grote druk heeft gestaan. Door die druk treedt een nieuwe gelaagdheid op, waarlangs het gesteente makkelijk splijt in dunne, parallel liggende platen. De leisteenplaten kunnen gekleurde strepen overdwars hebben. Deze tonen hoe het leisteen door opeenvolgende lagen klei werd gevormd, voordat het werd samengedrukt tot leisteen. De klei zelf kan afkomstig zijn van verschillende bronnen, want het water heeft deze klei van oudere gesteenten weggespoeld. Verschillende gesteenten produceren klei in een grote verscheidenheid van kleuren, en daarom is het mogelijk dat sommige soorten leisteen rood, groen of purper van kleur zijn, hoewel het meestal grijs of zwart is.

lei

MARMER

Marmer is een van de mooiste gesteenten. De oude Grieken en Romeinen hieuwen hun standbeelden uit marmer en bouwden er hun prachtige tempels van, en het is nog steeds een geliefkoosd materiaal voor de kunstenaar en de architect. Marmer ontstaat doordat kalksteen door hitte en druk binnen in de aarde verandert. Daarom is het een omzettingsgesteente. De zachte, kalkachtige deeltjes van het mineraal calciet in het kalksteen zijn veranderd in grote kristallen in het marmer. Dit geeft aan marmer de glans. Door de druk is marmer hard geworden en is het gevrijwaard van gebreken of scheuren. Daarom kan het goed worden gepolijst. Het mooiste marmer is helder wit van kleur. Een van de mooiste soorten is Carraramarmer uit Italië. De rokerige sporen en aantrekkelijk gekleurde krullen in de meeste algemene soorten marmer zijn ontstaan door verontreinigingen die aanwezig waren in het originele kalksteen. Sommige zogenaamde marmersoorten zijn eigenlijk kalksteensoorten die heel goed zijn gepolijst.

marmer

METALEN

Slechts een paar metaalsoorten worden in de metaalvorm zoals wij ze kennen in de aardkorst gevonden. Ze worden zuivere metalen genoemd. Bij deze categorie horen goud, zilver, koper en platina. Deze metalen kunnen in hun zuivere vorm worden gevonden doordat ze niet reageren op of een combinatie vormen met andere chemische elementen. De meeste metalen, zoals ijzer en aluminium [bauxiet] , reageren gemakkelijk op andere stoffen, bijvoorbeeld zuurstof, en vormen daarmee verbindingen. We vinden ze dus in de bodem als verbindingen. Het mineraal hematiet bijvoorbeeld bestaat uit een verbinding van ijzer en zuurstof. Het wordt een ijzererts genoemd, omdat het metaal eruit kan worden gehaald. Zowel de natuurlijke metalen als de ertsen staan bekend als metallieke mineralen. Goud, zilver en platina staan bekend als edelmetalen, omdat ze zeldzaam zijn en derhalve kostbaar. Ze worden vaak gebruikt voor het maken van sieraden. Goud bijvoorbeeld kan tot heel dunne blaadjes worden geplet, die als versiering kunnen dienen. Veel goud en platina wordt in
stroom- beddingen gedolven; het zand hierin wordt goudhoudend zand genoemd. (vruchtbare lagen) Het meeste zilver wordt niet als een zuiver metaal gevonden, maar gecombineerd met zwavel in het erts argentiet. De meeste kopersoorten worden eveneens verkregen uit zwavelverbindingen, zoals koperkies. Koper wordt gebruikt voor het maken van munten, vaten, sieraden en draad voor elektrische installaties.

metalen


METEORIET

De meeste gesteenten werden diep in de aarde gevormd, maar sommige zijn tot ons gekomen uit de ruimte. Deze gesteenten worden meteorieten genoemd, omdat het de overblijfselen zijn van meteoren, ook wel vallende sterren genaamd. Meteorieten zijn zeer zeldzaam; doordat de meeste meteoren nogal klein zijn, verbranden ze als ze met hoge snelheid in de dampkring komen. Er zijn twee belangrijke meteorietsoorten. Steenmeteorieten zijn gelijk aan zware gesteenten op aarde. IJzermeteorieten bevatten hoofdzakelijk een metaalmengsel, ook wel legering genoemd, dat bestaat uit ijzer en nikkel.

meteoriet

MINERALEN

De aardkorst is samengesteld uit verschillende soorten gesteenten. De gesteenten zelf zijn samengesteld uit een verzameling substanties die we mineralen noemen. Mineralen zijn samengesteld uit bepaalde chemische basiseenheden, die we elementen noemen. Het bekende mineraal kwarts bijvoorbeeld bestaat uit een bepaalde hoeveelheid van het element silicium en een bepaalde hoeveelheid van het element zuurstof. In kwarts komen beide elementen altijd in dezelfde verhouding voor. Sommige mineralen zijn opgebouwd uit slechts één element. Deze worden vaak natuurlijke elementen genoemd. Het zijn de metalen goud , zilver, koperen platina, en de niet-metalen grafiet en diamant; deze laatste twee zijn allebei vormen van het element koolstof. De meeste mineralen bestaan uit twee of meer elementen. Vaak wordt een metalliek element zoals ijzer gecombineerd met een element dat niet metalliek is, zoals zuurstof of zwavel. Mineralen die verbindingen vormen met metaal en zuurstof komen veel voor. Ze worden oxiden genoemd. Mineralen die metalen gecombineerd met zwavel bevatten, worden sulfiden genoemd. Deze komen eveneens veel voor. IJzeroxiden en -sulfiden worden bijvoorbeeld over de gehele wereld gevonden. Metallieke elementen kunnen ook verbindingen aangaan met groepen andere elementen om mineralen te vormen. De bekendste groepen zijn die van de silicaten en carbonaten. Silicaten bevatten silicium, gecombineerd met zuurstof. Kleisoorten zijn ingewikkelde aluminiumsilicaten. [bauxiet] Carbonaten bevatten koolstof, gecombineerd met zuurstof. Het gewone krijt en kalksteen zijn vormen van calciumcarbonaat. Zuurstof is het meest voorkomende element in de aardkorst. Het op één na meest voorkomende element is silicium. Vele mineralen die metallieke elementen bevatten, kunnen op dusdanige wijze worden behandeld, dat het zuivere metaal er kan worden uitgehaald. Deze mineralen worden erts genoemd. Ze zijn erg belangrijk doordat we voor het maken van gebruiksvoorwerpen voornamelijk aangewezen zijn op deze ertsen. Een groot aantal mineralen kan worden gevonden in prachtige kristallen, die een veelvoud van vormen en maten hebben. De hardste en zeldzaamste kristallen worden gebruikt voor het maken van juwelen. Ze staan bekend onder de naam edelsteen. De diamant, die bekend staat als de hardste substantie, is de kostbaarste edelsteen. De hardheid van een mineraal en de vorm van de kristallen kunnen vaak hulpmiddelen zijn bij de identificatie van het mineraal. Andere hulpmiddelen ter herkenning van een mineraal zijn de kleur, de glans, het uiterlijk en het soortelijk gewicht.

mineralen

zwavel

OBSIDIAAN

Obsidiaan of vulkanisch glas is een natuurlijk glas, dat ontstaat als de lava uit een vulkaan snel afkoelt. Het meeste obsidiaan is gitzwart. Het is hard en breekt in scherpe stukjes. Daarom gebruikten de mensen het vroeger voor de vervaardiging van gereedschappen en wapens. Obsidiaan is een van de stollingsgesteente. Het is een gestolde vloeistof, net als glas. Dezelfde stof kan in de vorm van kristallen in graniet worden gevonden.

obsidiaan

OMZETTINGSGESTEENTEN OF METAMORFE GESTEENTEN

De gesteenten die samen de aardkorst vormen, veranderen steeds. Sommige gesteenten worden veranderd doordat ze in contact komen met gesmolten gesteente, andere veranderen door de grote hitte en druk, veroorzaakt door bewegingen in de aardkorst. Gesteenten die op een van deze manieren zijn veranderd, worden omzettingsgesteenten of metamorfe gesteenten genoemd. Metamorf betekent: van gedaante verwisseld. De twee andere soorten gesteentenstollingsgesteenten en afzettingsgesteenten — kunnen veranderingen ondergaan en omzettingsgesteenten worden. Op die manier wordt het gespikkelde stollingsgesteente graniet, een gesteente dat opgebouwd schijnt te zijn uit laagjes gneis, en het doffe afzettingsgesteente kalksteen wordt een glanzend marmer. De veranderingen in het uiterlijk worden veroorzaakt door de hergroepering en nieuwe groei van de minerale kristallen in de gesteenten. Soms kunnen door veranderingen geheel nieuwe kristallen ontstaan. In omzettingsgesteenten worden maar weinig fossielen  gevonden doordat deze meestal worden vernietigd door de grote hitte en druk.

omzettingsgesteente

 

PUIMSTEEN

Waarschijnlijk hebben we thuis wel een stukje van dit gesteente. Het wordt gebruikt om harde stukjes huid of vlekken van handen te verwijderen. Puimsteen is een grijs, glasachtig schuim. Het zit zo vol met luchtbellen, dat het op water blijft drijven. Puimsteen is een stollingsgesteente, dat ontstaat als gesmolten lava uit een vulkaan snel afkoelt. Hete gassen in de lava banen zich met geweld een weg en laten de lava opzwellen tot een stevige schuimmassa.

puimsteen

PYRIET

Pyriet is een van de mineralen die per vergissing vaak voor goud worden aangezien doordat het er zo koperachtig-geel uit ziet. Daarom wordt het ook ’goud der dwazen’ genoemd. In feite is het een heel gewoon mineraal, dat ijzer en zwavel bevat. Het bevat te veel zwavel om als ijzererts gebruikt te kunnen worden, maar het is wel waardevol als zwavel leverancier. Vele pyrietlagen zijn ook rijk aan koper en goud. Het woord pyriet betekent vuur. Deze naam is aan het mineraal gegeven, omdat er vonken af vliegen als er met een hamer op wordt geslagen.

pyriet 2

SILICIUM

Silicium is een van de chemische elementen die we de bouwstenen der natuur kunnen noemen. Met uitzondering van zuurstof komt het element silicium het meest in de aardbodem voor. Het wordt nooit alleen gevonden, maar steeds in combinatie met andere elementen, bijna altijd met zuurstof. De eenvoudige combinatie van silicium met zuurstof doet het gewone mineraal kwarts ontstaan. Zand, kwartskristallen en vuursteen zijn alle verschillende vormen van dit mineraal. Mineralen die nog veelvuldiger voorkomen dan kwarts, zijn de ingewikkelde silicaten. In deze mineralen wordt kwarts niet alleen verbonden met zuurstof, maar tevens met een of meer metallieke elementen. Deze elementen zijn onder andere aluminium [bauxiet] , ijzererts, calcium, natrium en kalium. Het meest voorkomende silicaat is veldspaat, dat wordt gevonden in de meeste oorspronkelijke stollingsgesteente, zoals graniet. Andere veel voorkomende silicaten zijn klei en mica. Kwarts wordt gebruikt bij de vervaardiging van glas. Het wordt gemaakt door vermenging van zuiver zand, verbrijzelde stukjes kwarts of gebroken vuurstenen met kalk en potas (die verkregen is uit zout) in een zeer hete oven.

toermalijnsilicium toermalijn

STALACTIETEN EN STALAGMIETEN

De meeste kalksteenplateaus bevatten reusachtige grotten, die zijn uitgehold door ondergrondse rivieren. Het eerste dat ons opvalt bij het binnentreden van die grotten zijn de reusachtige ‘ijspegels’ van steen die vanaf het plafond naar beneden hangen, en de steenkolommen die vanuit de vloer omhoogrijzen. Deze ‘ijspegels’ worden stalactieten genoemd, en de kolommen stalagmieten. Deze zijn ontstaan door het constante druppelen van het water uit de bovenkant van de grot. Het water bevat tamelijk veel kalkspaat doordat het over het gesteente stroomt. Elke keer dat er een druppel valt, wordt er boven in de grot een klein beetje kalkspaat afgezet. Waar het water valt, komt ook kalkspaat terecht. Na vele jaren groeien deze kalkafzettingen uit tot stalactieten en stalagmieten.

stalactieten

STEENKOOL

De harde, zwarte steenkool die we in onze kachels stoken is een speciale steensoort. De meeste steensoorten worden gevormd van materie die uit het binnenste van de aarde zelf afkomstig is, ofwel anorganische materie. Maar steenkool is een gesteente dat is ontstaan door rottende planten, dus van organische materie. Het wordt in lagen gevonden in bepaalde door bezinking ontstane gesteenten, en wordt zelf ook als zodanig beschouwd. Het wordt ook vaak een mineraal genoemd. Steenkool was tot voor enkele jaren een zeer belangrijk product. We stookten het in kachels, en in krachtcentrales werd steenkool gebruikt om elektriciteit op te wekken. Gasfabrieken verbrandden het om gas en cokes te produceren. Fabrieken vervaardigden een grote hoeveelheid chemicaliën uit steenkool, waaronder aspirine, plastic en verfstoffen, en zo waren er nog honderden andere gebruiksmogelijkheden. Het gebruik van steenkool voor al deze doeleinden is thans een aflopende zaak. De laatste tijd gaat men hoe langer hoe meer over van steenkool op aardgas en aardolie*, die precies dezelfde mogelijkheden bieden als steenkool. Driehonderd miljoen jaar geleden waren delen van de aarde bedekt met moerassen en reusachtige planten. Varens werden net zo hoog als bomen nu. Als de planten doodgingen, vielen ze op de bodem van het moeras en begonnen te rotten. Lagen modder kwamen daar bovenop te liggen. Meer planten groeiden, rotten weg en werden begraven onder de modder. In de loop der jaren veranderde de modder in gesteenten en de lagen verrotte planten werden steenkoollagen. Als we een stukje steenkool van dichtbij bekijken, zien we vaak de fossielen van de bladeren van reusachtige varens.

steenkool
steenkool 2

*en inmiddels zijn op dit terrein ook de inzichten verdergegaan.

STEENKOOL DELVEN

Het delven van steenkool — het opgraven van de steenkool uit de bodem — was tot voor kort een belangrijke tak van industrie. Soms wordt steenkool aan de oppervlakte gedolven, maar meestal wordt dat onder de grond gedaan. De belangrijkste steenkoolsoorten zijn bruinkool of ligniet, vetkool en antraciet. Ligniet is zacht en dof. Bitumineuze kool is gedeeltelijk glanzend, maar sommige stukjes zijn dof. Antraciet is heel hard en glanzend.

STEENZOUT
Het meeste tafelzout is afkomstig van enorme lagen steenzout. Deze lagen bestaan bijna geheel uit het mineraal haliet. Deze mineralen werden miljoenen jaren geleden gevormd door indamping van vroegere zeeën. Dus steenzout is inderdaad een afzettingsgesteente. Zout wordt bijvoorbeeld gebruikt bij het koken om de smaak van bepaalde spijzen te verbeteren en als conserveringsmiddel. Om gezond te blijven moeten we op z’n minst 10 pond zout per jaar eten. Deze hoeveelheid krijgen we via ons voedsel automatisch naar binnen. Het meeste zout wordt gebruikt in de industrie voor het vervaardigen van een groot aantal verschillende soorten chemicaliën, zoals soda (dat gebruikt wordt voor het maken van glas) en chloor (voor het reinigen van water). Steenzout bestaat uit een stevige, glimmende massa, die wit van kleur kan zijn, maar normaal geel, bruin of rood is. Het ziet er totaal anders uit dan het mooie, zuivere, witte zout dat we op tafel hebben staan. Het meeste steenzout wordt gewonnen door water in de lagen te pompen. Het zout lost in het water op en vormt pekel, die wordt teruggepompt naar de oppervlakte. Sommige zoutsoorten worden echter diep onder de grond met machines gedolven.

STOLLINGSGESTEENTE

Diep binnen in de aarde ligt gesmolten gesteente, dat magma wordt genoemd. Het koelt af zodra het dicht bij of aan de oppervlakte komt en vormt dan een soort gesteente dat we stollingsgesteente noemen. Er zijn drie soorten stollingsgesteente, namelijk dieptegesteente, ganggesteente en
uitvloeiingsgesteente. Toen de aarde afkoelde, was stollingsgesteente het eerste gesteente dat ontstond uit de gesmolten massa. Het stollingsgesteente dat wordt gevormd uit het magma dat aan de oppervlakte komt (uitvloeiingsgesteente), is een ander soort gesteente dan wat zich onder de grond vormt (dieptegesteente of ganggesteente). Magma baant zich met geweld een weg uit de bodem door de kraters van vulkanen; in deze vorm is het bekend onder de naam lava. De lava die snel afkoelt, vormt een soort natuurlijk glas, dat obsidiaan (lavaglas) wordt genoemd, of een grijsachtig gesteente met luchtbellen, dat puimsteen wordt genoemd. Als de lava wat geleidelijker afkoelt, bevat het gesteente dat daaruit wordt gevormd mooie kristalmineralen. Basalt is bijvoorbeeld zo’n soort gesteente. Magma dat ondergronds blijft, baant zich met geweld een weg in ander gesteente, voordat het afkoelt. Het stollingsgesteente dat op deze wijze wordt gevormd, koelt heel langzaam af. Het wordt dieptegesteente genoemd. De mineralen die ze bevatten, hebben voordat het gesteente hard wordt, voldoende tijd uit te groeien tot grote kristallen. Deze kristallen zijn zeer goed met het blote oog waarneembaar. Graniet is een van de bekendste stollingsgesteenten van deze soort. Oplossingen van mineralen bewegen zich met het magma onder de grond voort. Als het magma is afgekoeld en hard is geworden, dringt de oplossing door spleten in de omliggende rotsen en laat rijke, minerale aders achter. Dit stollingsgesteente wordt ganggesteente genoemd. Deze aders voorzien ons van vele van de meest waardevolle ertsgangen, onder andere die van goud, zilver en lood.

stollingsgesteente
stollingsgessteente 2

 

goud

TALK

Met dit mineraal komen we al op zeer jeugdige leeftijd in contact, namelijk in de vorm van talkpoeder. Het is ideaal voor de babyhuid doordat het een van de zachtste mineralen is. Slechts een klein deel van de talkproductie wordt als babypoeder gebruikt. Zeer grote hoeveelheden talk worden gebruikt bij het maken van aardewerk, verf en papier. Door de grote zachtheid van talk voelt het enigszins vettig aan. Daarom wordt talk in vaste vorm vaak speksteen genoemd. Kleermakers gebruiken kleine stukjes speksteen voor het aanbrengen van krijtstrepen op kledingstukken. Ze noemen het Spaans krijt.

talk

Talk (steatiet, speksteen), waterhoudend magnesiumsilicaat, zeer zacht, ’t poeder is z.g. schnifpoeder, ook een bestanddeel van blanketsel enz.

0-0-0

VELDSPAAT

Veldspaat is de meest voorkomende en wijdverbreidste van alle mineralen. Verscheidene soorten veldspaat worden gevonden in de vorm van kristallen in granieten andere stollingsgesteenten De kristallen kunnen wit, roze, groen of blauw van kleur zijn. Grote hoeveelheden veldspaat worden gebruikt voor de fabricage van serviesgoed en glas. Veldspaat wordt gedolven uit lagen pegmatiet, dat een vorm van graniet is en grote kristallen bevat. Veldspaten zijn de meest voorkomende silicaatmineralen. Onder invloed van het weer vallen ze uit elkaar en vormen daarna een aantal kleisoorten, waaronder de zeer bruikbare kaollen of porseleinaarde.

veldspaat

 

VERSTEEND HOUT

In het noordelijk deel van Arizona in de Verenigde Staten kunnen we iets aantreffen dat lijkt op een groot bos gevelde bomen, maar als we de boomstronken aanraken, ontdekken we dat ze van steen zijn in plaats van hout. Het hout is versteend, veranderd in steen (men zegt ook wel gepetrificeerd). Dergelijke versteende wouden vinden we ook in andere delen van de wereld. De boomstronken veranderden in steen, nadat ze miljoenen jaren geleden werden bedolven onder lagen modder en zand. Water dat veel kiezelzuur (silicium) bevatte, sijpelde in de boomstronken en langzamerhand namen de mineralen de plaats van het rottend hout in. Na verloop van tijd werd de hele structuur van het hout vervangen en veranderd in steen.

„Fossielhout”. Soms hebben de mineralen, die men zo noemt, niets met hout te maken.

VRUCHTBARE LAGEN

Vruchtbare lagen — lagen met zware mineralen worden gevonden in rivierbeddingen of aan de kust. Gesteenten brokkelen af door de stroom of branding. De afgebrokkelde deeltjes worden weggespoeld door het water. De zware mineralen zinken eerder dan de lichtere en vormen langzamerhand een laag. Vaak worden in rivieren of aan de kust lagen edelstenen en kostbare metalen gevonden.

gesteente lagen 2

VUURSTEEN
.
Vuursteen kan men in de vorm van ronde en boomstamachtige brokken in de meeste krijtgroeven vinden, maar het ziet er heel anders uit dan krijt en is ook heel anders van samenstelling. Vuursteen is zwart of grijs van kleur en is een vorm van het gewone kiezelzuur. Net als krijt is vuursteen afkomstig van de resten van kleine zeediertjes. Vuursteen is heel hard. Als erop wordt geslagen, splijt het niet, maar springen er vlijmscherpe schilfers af. In het prehistorisch tijdperk hebben de mensen duizenden jaren lang vuursteen gebruikt om er wapens en gereedschappen (tondeldoos) van te maken. In de meeste musea zijn hiervan mooie voorbeelden te vinden. Tegenwoordig wordt vuursteen hoofdzakelijk gebruikt bij de wegenbouw.

vuursteen

ZAND

Zand is een veel voorkomend en zeer bruikbaar materiaal. We gebruiken het bijvoorbeeld bij de vervaardiging van glas en beton. Zand wordt langs de meeste kuststroken gevonden. Het voortdurend gebeuk van de golven tast de gesteenten die de kustlijn vormen aan. Het vermaalt de gesteenten in steeds kleinere stukjes, totdat ze uiteindelijk zandkorrels zijn geworden. Als het zand opdroogt, wordt het gemakkelijk door de wind weggeblazen, waardoor duinvorming optreedt. De duinen bewegen zich langzaam golvend landinwaarts. Ze zijn in staat rivieren te dempen en gebouwen te bedelven. In grote zandwoestijnen zijn de duinen steeds in beweging. Als er een sterke wind staat, kunnen verblindende zandstormen optreden. Zand kan een groot aantal mineralen bevatten; dit is afhankelijk van het soort gesteente waaruit het is ontstaan. Het meest voorkomende mineraal in zand is kwarts. Gewoon zand is geelachtig bruin van kleur. Zwart zand is afkomstig van stollingsgesteente. Evenals bij klei gaan zandkorrels op den duur aan elkaar vastzitten en vormen zo een hard, gelaagd gesteente ofwel afzettingsgesteente. Dit gesteente wordt zandsteen genoemd. Het kan verschillende kleuren hebben, die variëren van wit tot geel en rood. De roodachtige kleur wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van ijzer. Als gevolg van grote hitte en druk verandert zandsteen in een ander soort gesteente, dat kwartsiet wordt genoemd. Dit is een van de hardste en taaiste soorten gesteente.

zand

 

ZINKBLENDE

Zinkblende is het voornaamste zinkerts. Vaak wordt het sfaleriet genoemd. Zowel de woorden blende als sfaleriet betekenen misleidend of verraderlijk. Het mineraal wordt zo genoemd omdat het moeilijk te herkennen is en omdat het op waardevollere mineralen als bijvoorbeeld galeniet kan lijken; dit laatste mineraal is een rijke bron van lood en zilver. Het kan bijna wit, goudachtig en zelfs groen van kleur zijn, maar over het algemeen is het bruin of zwart. Evenals galeniet is zinkblende een zwavelhoudend erts.

zinkblende

ZWAVEL

Zwavel is een geel mineraal; het is een van de chemische elementen die de fundamentele bouwstenen van de natuur zijn. Het is een ongewoon mineraal doordat het smelt bij een temperatuur die net boven het kookpunt van water ligt. Het is tevens brandbaar. Als het brandt, laat het verstikkende zwaveldampen vrij. Dit zijn de dampen die we ruiken als we in de buurt van een vulkaan komen. Zwavel is dan ook aanwezig in en rondom de gesteenten die we bij vulkanen vinden, vaak in de vorm van prachtige kristallen. Zwavel is een van de meest waardevolle ruwe materialen voor de chemische industrie. Het wordt eerst verwerkt tot zwavelzuur, en daarna worden er vele producten van gemaakt, waaronder een groot aantal soorten kunstmest. Zwavel zelf wordt gebruikt voor het verharden of vulcaniseren van rubber dat voor banden wordt gebruikt. Het wordt tevens gebruikt voor het vervaardigen van buskruit. Zwavel gaat een verbinding aan met metalen; dit levert samenstellingen op die we sulfiden noemen. Pyriet is het meest voorkomende zwavelhoudende erts. Vele waardevolle ertsen zijn sulfiden. Galeniet (looderts), zinkblende(zinkerts), chalcopyriet (kopererts) en cinnaber (kwikerts) zijn alle sulfiden.

zwavel 2

 

Hulpmiddelen om mineralen te identificeren

HARDHEID
Een hulpmiddel voor het herkennen van een mineraal is het bepalen van zijn hardheid. De Duitse delfstofkundige Friedrich Mohs heeft een schaal opgesteld waarin bekende mineralen in volgorde van hun hardheid zijn gerangschikt. Hij rangschikte talk, dat een van de zachtste mineralen is, als nummer 1 en diamant — het hardste mineraal — als nummer 10. Alle andere mineralen zijn in volgorde van hardheid in deze schaal opgenomen.

1.talk
Kan met een vingernagel worden ingedrukt.

2.gips
Kan met een vingernagel worden ingekrast.

3.Calcium
Kan met een koperen munt of draadnagel worden ingekrast.

4.fluoriet
Kan met glas worden ingekrast.

5.apatiet 
Kan met een lemmet van een gewoon zakmes worden ingekrast.

6.veldspaat
Kan met kwarts worden ingekrast.

7.kwarts
Kan met een harde stalen vijl worden ingekrast.

8.topaas 
Kan met korund worden ingekrast.

9.korund (smaragd, robijn, saffier)

10.diamant

Elk mineralen in deze schaal kan het mineraal dat lager is gerangschikt bekrassen. kwarts (nr. 7) bijvoorbeeld kan veldspaat (nr. 6) bekrassen en kan bekrast worden door topaas (nr. 8). Mineralen die even hard zijn, kunnen elkaar bekrassen. We kunnen de positie van een mineraal in deze schaal bepalen door te proberen of het mineraal bekrast kan worden door een materiaal waarvan de hardheid bekend is. Dit wordt vaak de krastest genoemd. Als we mineralen in het vrije veld gaan verzamelen, zou het nogal lastig (en duur) zijn de tien mineralen die in de schaal zijn opgenomen mee te nemen om op deze wijze de gevonden exemplaren te bekrassen. We kunnen dit dan beter doen met een paar eenvoudige dingen waarvan we de hardheid weten:

Vingernagel 2½
Koperen munt 3½
Lemmet van een mes, glas 5½
Harde stalen vijl 7½

Als we hiervan uitgaan, zien we dat mineralen die een hardheid van minder dan 5½ hebben, kunnen worden bekrast door een mes en dat mineralen met een hardheid van meer dan 5½ glas kunnen bekrassen.

GLANS

De wijze waarop licht door metaal wordt gereflecteerd, wordt de glans van het mineraal genoemd. Deze eigenschap kan van groot nut zijn bij het herkennen van mineralen, die we kunnen verdelen in twee groepen: Mineralen met een metaalglans en mineralen zonder metaalglans. Mineralen met een metaalglans zien er uit als metaal. Galeniet en pyriet zijn twee van de vele ertsen die een metaalglans hebben. Er zijn verscheidene soorten glanzen, zoals de glasglans (kwarts), parelmoerglans (glimmer), vetglans (kwartsiet) en zijdeglans (asbest). De meest voorkomende is de glasachtige glans van kwarts en vele andere mineralen. Mica en andere mineralen die uit elkaar splijten tot dunne, parallelle lagen, hebben een glans die op die van parels lijkt. Deze glans bepaalt het bekende regenboogachtige uiterlijk van een parel, die is opgebouwd uit dunne laagjes. Sommige mineralen, zoals asbest en bepaalde soorten gips, zijn van dunne vezels gemaakt. Hun glans ziet er zijdeachtig uit. Sommige loodmineralen hebben de schitterende glans van diamanten, die adamanten wordt genoemd. Sulfaat en zinkblende hebben een glans die harsachtig wordt genoemd; deze glans is net als die van hars van pijnbomen. 

HET TESTEN VAN KOOLSTOFVERBINDINGEN

Koolstofverbindingen zijn de meest voorkomende mineralen. krijt en kalk bijvoorbeeld bestaan hoofdzakelijk uit calciet; dit is een calciumcarbonaat. De meeste carbonaten zijn gemakkelijk te herkennen doordat ze sissen of gaan bruisen als er een zuur overheen wordt gegoten. Het zuur dat meestal door geologen wordt gebruikt, is verdund zoutzuur. Maar meestal kan men met gewone huishoudazijn, eigenlijk een zwak zuur, dezelfde resultaten bereiken. De reactie van het carbonaat zal sneller zijn als we met een mes van het gevonden exemplaar een beetje poeder afkrabben en dit testen.

VORMEN

mineraalvormen

 

Mineralogie: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 6e klas mineralogie

.

884-815

.

.

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 55 – voordracht 6

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER:
.

GA 55
.

Die Erkenntnis des Übersinnlichen in unserer Zeit und deren Bedeutung für das heutige Leben

Bovenzintuiglijke kennis in onze tijd en de betekenis daarvan voor nu


Voordracht 6, Keulen 1 december 1906 (soms vermeld als Berlijn, 10 januari 1907)

Die Erziehung des Kindes vom Standpunkt der Geisteswissenschaft

De opvoeding van het kind vanuit het standpunt van de geesteswetenschap

Niet te verwarren met de ‘Opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’, nu vertaald als ‘De opvoeding van het kind’.

Inhoudsopgave:      die uit het boek heb ik aangevuld

Blz.:

118/119  Opvoeding niet zonder kennis van mens   [1]
119  Etherlijf; fysiek lichaam door etherlijf; verschil met dieren   [2]
119/120  Astraallijf, naam ‘astraal’;   [3]
120  Goethe: «Urworte, Orphisch».  [4]
120  Ik; innerlijke god; Jahve;   [5
121/123  Ontwikkeling wezensdelen; verschillende ‘geboorten’; wat dit betekent voor opvoeding  [6
123/126  Nabootsing; voorbeeld; niet leren voor tandenwisseling; invloed op organen; invloed van kleuren; speelgoed ook blz. 130) ; fantasie.   [7]
126/128  Autoriteit; nog geen oordeel; eerbied;   [8
128  Betekenis klank voor het spreken  [9]
129 Betekenis van vertelstof, muziek  [10]
129 Gymnastiek  [11
129 Waarde kunstzinnige; religieuze i.v.m. ether-en astraallijf  [12]
130 Wezen puberteit; oordeelsvorming  [13
132 Ether- en astraalomhulling; invloed daarop door omgeving (a.h.w. vervolg op blz. 121)  [14
 

blz. 118:

Als vor drei Jahrzehnten die geisteswissenschaftliche Be­wegung ihren Anfang nahm, handelte es sich bei den eigentlich führenden Persönlichkeiten nicht darum, eine neue Idee in die Welt zu bringen, nach welcher eine Begierde nach übersinnlichen Welten Befriedigung finden sollte, sondern darum, eine geistige Einsicht weiteren Kreisen zugänglich zu machen, durch welche man die geistigen und auch die praktischen Lebensfragen lösen könne. – Eine von diesen Fragen ist die des heutigen Themas, eine Frage, die uns ins alltägliche Leben hineinführt und darum jeden Menschen interessieren muß. Die Erziehungsfrage kann nur im Zu­sammenhang mit intimer Kenntnis vom Wesen des Men­schen gehandhabt werden. Für keine Strömung ist das Wesen der Geistesforschung günstiger als für die Erziehungsfrage, durch welche sich durch eine Erkenntnis, die eindringt ins übersinnliche Leben, leitende Grundgedanken ergeben.

Toen een dertig jaar geleden de Theosofische Beweging begon, ging het de eigenlijk leidinggevenden er niet om de wereld een nieuw idee te geven dat het verlangen naar bovenzintuiglijke werelden zou kunnen bevredigen, maar om geestelijk inzicht voor grotere kringen toegankelijk te maken waarmee men geestelijke en ook praktische levensvragen zou kunnen oplossen. – Een van die vragen is het thema van vandaag, een vraag die ons in het leven van alledag brengt en daarom ieder mens zou moeten interesseren. [1] De opvoedingsvraag kan alleen in samenhang met een grondige kennis van het wezen van de mens  behandeld worden. Voor geen richting is het geestelijk onderzoek zinvoller dan voor de vraag van de opvoeding; door een kennen dat doordringt tot het bovenzintuiglijke leven, zijn richtinggevende basisgedachten het resultaat.

Wir müssen auch hier wieder ausgehen von der Betrach­tung des Wesens des Menschen. Was der Verstand erfassen kann, das ist ja für die Geistesforschung nur ein Teil des menschlichen Wesens. Das, was wir am Menschen greifen und sehen, diese physische Leibeswesenheit hat er mit der ganzen übrigen Natur gemeinsam. Nicht durch Spekula­tion, nicht durch Gedankenphilosophie, sondern durch das­jenige, was mit hellseherischem Blick der höhere Sinn schauen kann, forscht der Geisteswissenschafter. Ihm zeigt sich als

We moeten ook hier beginnen van het beschouwen van het wezen van de mens. Wat het verstand vermag te begrijpen is voor het onderzoek van de geest maar een deel van het mensenwezen. Wat wij van de mens kunnen beetpakken en zien, deze fysieke lichamelijkheid heeft hij met de overige natuur gemeen. Niet door speculatie, niet door gedachtefilosofie, maar door hetgeen met de helderziende blik van de hogere zintuigen waargenomen kan worden, onderzoekt de geesteswetenschapper. Hem wordt

blz.119:

zweites Glied im Menschen der Ätherleib, ein geistiger Or­ganismus, der wesentlich feiner ist als der physische. Er hat nichts mit dem physikalischen Begriff von Äther zu tun und wird besser nicht als ein Stoff, sondern als eine Summe von Kräften, als eine Summe von Strömungen, von Kraftwir­kungen beschrieben. Er ist aber der Architekt des aus ihm heraus kristallisierten physischen Leibes, welcher sich aus ihm herausentwickelt wie etwa das Eis aus dem Wasser. So müssen wir uns vorstellen, daß alles, was am Menschen physischer Leib, physischer Organismus ist, herausgebildet ist aus dem Ätherleib. Diesen haben wir gemeinsam mit allen lebenden Wesen, mit der Pflanzen- und Tierwelt. Er hat eine ähnliche Form wie der physische Leib, seine Form und Größe schließen sich der Form und Größe desselben an. An den unteren Teilen aber ist er verschieden, bei den Tieren ragt er weit heraus. Man beschreibt hiermit, was man als Ätherkörper kennt, etwa so, wie man einem Blinden sagt, eine Farbe ist blau oder rot. Ebensowenig wie dem Sehenden dies phantastisch erscheint, ist für den, welcher die in jedem Menschen schlummernden Fähigkeiten entwik­kelt, Phantasie in dem Beschriebenen.

[2] een tweede deel van de mens getoond, het etherlijf, een geestelijk organisme, dat wezenlijk fijner is dan het fysieke. Het heeft niets te maken met het natuurkundige begrip ether en het is beter niet over stof te spreken, maar over een totaliteit van krachten, een totaliteit van wat stroomt, van krachtwerkingen. Het is echter de architect van het uit hem gekristalliseerde fysieke lichaam, dat zich uit hem ontwikkelde, zoiets als ijs uit water. Zo moeten we ons voorstellen dat alles wat aan de mens fysiek lichaam, fysiek organisme is, zijn vorm krijgt vanuit het etherlijf’. Dit hebben wij gemeen met de planten- en dierenwereld. Het heeft net zo’n vorm als het fysieke lichaam; de vorm en de grootte sluiten aan bij de vorm en de grootte daarvan. De onderste delen echter verschillen; bij de dieren bevindt het zich ver daarbuiten. Wat men als etherlijf kent, beschrijft men net zo, als wanneer men aan een blinde zegt dat een kleur blauw of rood is. Net zo min als dit voor iemand die zien kan, onzin is, zo is voor degene die de in ieder mens sluimerende vaardigheden ontwikkelt, deze beschrijving onzin.

Als drittes Glied des menschlichen Wesens erkennen wir den Astralleib, den Träger von all dem, was wir Leiden­schaften, niedere und zum Teil auch höhere nennen, alles, was der Mensch an Lust und Leid, Freude und Schmerz, Begierde und Trieb in sich trägt. Der Astralkörper ist Träger auch der gewöhnlichen Gedankenwelt, der Willensim­pulse. Er wird wiederum durch die Entwicklung höherer Sinne geschaut. Er umgibt den Menschen wie eine Art Wolke, die den physischen und Ätherleib durchsetzt. Ihn haben wir mit der ganzen Tierwelt gemein. Alles in ihm ist Bewegung, alles spiegelt sich in ihm ab, was an Gemütsbewegungen sich vollzieht. Warum hat er den Namen «Astral»? Wie

[3] Als derde wezensdeel van de mens kennen wij het astraallijf, de drager van alles wat we hartstochten noemen, lagere en gedeeltelijk ook hogere; alles wat de mens aan lust en leed, vreugde en verdriet, begeerte en drang in zich draagt. Het astraallijf is ook drager van de gewone gedachtewereld, van de wilsimpulsen. Het kan eveneens waargenomen worden door de hogere zintuigen. Het bevindt zich om de mens heen als een soort wolk die etherlijf en fysiek lichaam doordringt. We hebben het samen met de dieren. Alles erin is in beweging, alles wordt erin gespiegeld wat zich aan gemoedsbewegingen voltrekt. Waarom krijgt het de naam ‘astraal’? Zoals

blz.120:

der physische Körper durch seine physischen Stoffe mit dem ganzen Erdenkörper zusammenhängt, so steht der Astral­leib mit der ganzen die Erde umgebenden Welt der Sterne in Verbindung. Alle die Kräfte, die den Astralleib durch­dringen und des Menschen Schicksal und Charakter bedin­gen, sind deshalb so benannt worden von solchen, die tief hineingeschaut haben in den geheimnisvollen Zusammen­hang mit der ganzen die Erde umgebenden Astralwelt. In einem orphischen Gesange an den orphischen Urgott drückt Goethe, der tief hineingeschaut hat in die Zusammenhänge zwischen der Natur, dem Menschen und dem Kosmos, in schöner Strophe dasjenige aus, was sich im Astralleib ab­spielt:

[4] Wie an dem Tag, der dich der Welt verliehen,
Die Sonne stand zum Gruße der Planeten,

Bist alsobald und fort und fort gediehen
Nach dem Gesetz, wonach du angetreten.
So mußt du sein, dir kannst du nicht entfliehen!
So sagten schon Sibyllen, so Propheten,
Und keine Zeit und keine Macht zerstückelt
Geprägte Form, die lebend sich entwickelt.*

Durch das vierte Glied ist der Mensch die Krone der Schöpfung. Es umfaßt das, als Kraft begriffen, was ihm die Fähigkeit gibt, zu sich «Ich» zu sagen, was ein jeder nur zu sich selbst sagen kann. Es ist der Ausdruck dafür, daß die Seele ihren göttlichen Urfunken in sich sprechen läßt. Alles, was sie mit den anderen Menschen gemeinsam hat, kann als Bezeichnung an ihr Ohr klingen, aber was jeder als inneren Gott in sich hat, kann nicht von außen an ihn herantreten. Deshalb wurde es in den jüdischen Geheimschulen der un­aussprechliche Name Gottes genannt, das Jahve, das «Ich bin der Ich-Bin» der Hebräer, das der Priester selbst nur

het fysieke lichaam door zijn fysieke stoffen met de hele aarde samenhangt, zo staat het astraallijf in verbinding met de wereld van de sterren die de hele aarde omgeeft. Alle krachten die het astraallijf doordringen en die het lot en het karakter bepalen zijn daarom zo genoemd door diegenen die diep hebben kunnen schouwen in de geheimzinnige samenhang van de astraalwereld die de aarde omgeeft.
In een geheimzinnige zang aan de geheimzinnige oergod drukt Goethe, die de samenhang tussen natuur, mens en kosmos intens waarnam, in een mooie strofe uit, wat zich in het astraallijf afspeelt:

(van deze strofe geen vertaling gevonden)

[5] Door het vierde wezensdeel is de mens de kroon van de schepping. Het omvat, als kracht opgevat, wat hem de mogelijkheid geeft, tegen zichzelf  ‘Ik’ te zeggen, wat iedereen alleen maar tegen zichzelf zeggen kan. Er wordt mee uitgedrukt dat de ziel haar goddelijke oervonk in zich kan laten spreken. Alles wat de mens met de andere mensen gemeen heeft, kan als betekenis tot zijn oor doordringen, maar wat ieder als een innerlijke god in zich heeft, dat kan niet van buiten tot hem doordringen. Daarom werd in de joodse mysteriescholen de onuitsprekelijke naam van God genoemd: Jahve, ‘ik-ben-die-ik-ben’, de Hebreeër, die de priester zelf slechts met

*Goethe citaat Urworte orphisch (2)

blz.121:

mit Schauern nannte. Dieses «Ich bin der Ich-bin» schreibt sich die Seele zu. – Wir sprachen von der Gemeinschaft des physischen Körpers mit der materiellen, des Ätherkörpers mit der Pflanzen-, des Astralkörpers mit der Tierwelt; sein Ich hat der Mensch mit niemand und mit nichts gemeinsam; daher wird er durch dieses zur Krone der Schöpfung. Diese viergliedrige Wesenheit hat man in allen okkulten Schulen als Vierheit der menschlichen Natur angesprochen. Von der Kindheit an bis zum reifen Alter bilden sich diese vier Kör­per heraus, indem jeder dieser Teile sich besonders entwik­kelt. Daher müssen wir jeden am werdenden Menschen gesondert betrachten, wenn wir ihn verstehen wollen. Ver­anlagt finden wir sie alle nicht nur im Kinde, sondern schon im Embryo. Die Entwicklung aber der vier Glieder ist ganz voneinander verschieden. Der Mensch entwickelt sich nicht ohne Umgebung, er ist kein Wesen für sich.

schroom uitspraak. Dit ‘Ik-ben-die-ik-ben’ wordt aan de ziel toegeschreven. –
[6] We spreken over het gemeenschappelijke van het fysieke lichaam met de materiële, van het etherlijf met de planten-; van het astraallijf met de dierenwereld; zijn Ik heeft de mens met niemand en met niets gemeenschappelijk; vandaar dat hij hierdoor de kroon van de schepping wordt. Dit vierledige wezen heeft men in alle mysteriescholen als vierheid van de menselijke natuur bestempeld. Vanaf kind tot volwassenheid ontwikkelen deze vier wezensdelen zich, waarbij ieder deel zich op een bijzondere manier ontwikkelt. Daarom moeten we ze bij de zich ontwikkelende mens ieder afzonderlijk bekijken, willen we hem begrijpen.
Als aanleg vinden we ze niet alleen in het kind, maar ook al in het embryo. Maar de ontwikkeling van deze vier wezensdelen verschilt heel erg van elkaar. Zonder omgeving ontwikkelt de mens zich niet, hij is geen wezen op zich.

Er kann nur gedeihen und sich entwickeln, wenn er von andern Wesen­heiten des Kosmos umgeben ist. Als Embryo muß ihn der mütterliche Organismus umschließen, und erst, wenn er eine gewisse Reife erlangt hat, kann er aus ihm frei werden. Bis zu einer gewissen Stufe muß er umschlossen sein vom müt­terlichen Organismus.
Ähnliche Vorgänge gehen noch öfter mit dem Menschen vor sich während seiner Entwicklung. Geradeso wie der physische Leib als Keim bis zur Geburt vom mütterlichen Organismus umgeben ist, so bleibt der Mensch nachher von geistigen Organen umgeben, die der geistigen Welt ange­hören, von einer Äther- und einer Astralhülle. Er ruht in denselben wie bis zu seiner Geburt im Mutterschoß.
Wenn ein gewisser Zeitpunkt in der Altersentwicklung erreicht ist, die Zeit des Zahnwechsels, dann löst sich um den Ätherleib herum ebenso eine Ätherhülle los wie bei der physischen Geburt die physische Hülle. Da wird dann der

Hij kan slechts gedijen en zich ontwikkelen, wanneer hij door andere wezens van de kosmos omringd wordt. Als embryo moet hij omhuld worden door het organisme van de moeder en pas wanneer hij een bepaalde rijpheid heeft bereikt, kan hij daarvan vrij worden. Tot een bepaalde fase moet hij omhuld worden door het moederlijk organisme.
Soortgelijke processen voltrekken zich nog vaker bij de mens tijdens zijn ontwikkeling. Net zoals het fysieke lichaam als kiem tot aan de geboorte door een moederlijk organisme omhuld wordt, net zo blijft de mens daarna omhuld door geestelijke organen die tot de geestelijke wereld behoren; door een ether- en astraalomhulling. Daar rust hij in zoals tot zijn geboorte in de moederschoot.
Wanneer een bepaald tijdstip in de leeftijdsontwikkeling bereikt is, de tijd van de tandenwisseling, dan maakt zich om het etherlijf een etheromhulling los zoals bij de fysieke geboorte de fysieke omhulling. Dan wordt het

blz.122:

Ätherleib nach allen Richtungen frei, da wird er erst ge­boren. Vorher hatte sich an ihn eine Wesenheit derselben Art angeschlossen, so daß Strömungen hinaus- und hinein­gingen wie die Gefäße der physischen Mutter in den physi­schen Leib des Kindes. So wird nach und nach das Kind zum zweiten Mal, ätherisch, geboren. Dann ist noch immer der Astralleib von einer schützenden Hülle umgeben, von einer den Leib bewegenden und durchkraftenden Hülle bis zur Zeit der Geschlechtsreife. Dann zieht auch die sich zu­rück, und der Mensch wird zum dritten Mal geboren; die astralische Geburt findet statt.

etherlijf naar alle kanten vrij, het wordt nu geboren. Daarvoor was er een wezen mee verbonden, zodat stromen in- en uitgingen zoals in de bloedvaten van de fysieke moeder in het fysieke lichaam van het kind. Op deze manier wordt het kind langzamerhand voor de tweede keer geboren. Dan wordt nog steeds het astraallijf door een beschermende omhulling omgeven, door een omhulling die het lichaam doet bewegen en doorstraalt met kracht tot aan de tijd van de puberteit. Dan trekt ook deze zich terug en de mens wordt voor de derde keer geboren; de astrale geboorte vindt plaats.

Diese dreifache Geburt zeigt, daß wir jede einzelne die­ser Wesenheiten getrennt betrachten müssen. So wie es un­möglich ist, daß man das äußere Licht an das Auge des Kindes heranbringen kann, solange es im Mutterleibe ist, so ist es für den Seelenzustand, wenn nicht unmöglich, so doch im höchsten Grade schädlich, äußere Einflüsse an den Ätherleib heranzubringen, ehe derselbe nach allen Seiten hin frei geworden ist. Ebensowenig darf an den Astralleib vor der Geschlechtsreife etwas herangebracht werden, was ihn unmittelbar beeinflußt. Vom geisteswissenschaftlichen Standpunkt aus darf auf den Menschen bis zum siebten Jahre erzieherisch nur so gewirkt werden, daß wir bewußt nur seinen physischen Körper beeinflussen. Wir dürfen sei­nen Ätherleib vorher so wenig beeinflussen wie den physi­schen vor der Geburt

Deze drievoudige geboorte toont aan, dat we ieder wezensdeel apart moeten bekijken. Zoals het onmogelijk is om licht van buiten op het oog van het kind te laten vallen zolang het in het moederlichaam is, zo is het voor de situatie van de ziel, weliswaar niet onmogelijk, maar in de hoogste mate schadelijk, invloed van buitenaf op het etherlijf uit te oefenen, voordat het in alle richtingen vrij geworden is. Net zo min mag je het astraallijf voor de puberteit iets geven wat onmiddellijk van invloed is. Vanuit het standpunt van de geesteswetenschap mag met de mens tot het zevende jaar opvoedkundig alleen zo gewerkt worden, dat wij bewust alleen zijn fysieke lichaam beïnvloeden. We mogen zijn etherlijf net zo weinig beïnvloeden als het fysieke lichaam voor de geboorte.

Wie aber die Pflege der Mutter von Einfluß ist auf die Entwicklung des Embryo, so muß auch hier die Unantastbarkeit des Ätherleibes geschützt werden, wenn sich das Kind gedeihlich entwickeln soll.
Was heißt das fürs physische Leben? Bis zum Zahnwech­sel ist nur der physische Leib den Wirkungen von außen übergeben; daher dürfen wir bis dahin nur diesen erziehen. Und wenn in dieser Zeit etwas von außen an den Ätherleib

Zoals echter de zorg van de moeder van invloed is op de ontwikkeling van het embryo, zo moet ook hier de onaantastbaarheid van het etherlijf beschermd worden, wil het kind gedijen in zijn ontwikkeling.
Wat betekent dat voor het fysieke leven? Tot aan de tandenwisseling is alleen het fysieke lichaam overgeleverd aan de invloeden van buiten; vandaar dat we alleen dit mogen opvoeden.
En wanneer in deze tijd iets van buiten aan het etherlijf

blz.123:

herangebracht wird, so ist das eine Versündigung gegen die Gesetze der Menschenerziehung.
Was am Ätherleib des Menschen haftet, ist nicht nur das, was dem Ätherleib der Pflanze eignet; für den Menschen wird er zum Träger dessen, was von seelischer Dauer ist; Gewohnheiten und Charakter, Gewissen und Gedächtnis, seine bleibende Temperamentsanlage haftet am Ätherleib.
Am Astralleib haftet außer den genannten Gefühlsanlagen die Urteilsfähigkeit. Danach wissen wir, wann wir einzu­greifen haben in die betreffenden Anlagen. So wie bis zum siebenten Jahre die äußeren Sinne des Kindes freigegeben werden, so werden bis zum vierzehnten Jahre die Gewohn­heiten, das Gedächtnis, das Temperament und so weiter frei, und dann bis zum zwanzigsten, zweiundzwanzigsten Jahre der kritische Verstand, das selbständige Verhältnis zur Umwelt. Hieraus ergeben sich ganz bestimmte Erzie­hungsprinzipien für die einzelnen Lebensepochen, nämlich bis zum siebten Jahre die Pflege alles dessen, was Zusam­menhang hat mit dem physischen Leibe. Dies ist nicht nur in äußerer mechanischer Weise aufzufassen, sondern es kommt noch vieles hinzu.

wordt gedaan, is dat tegen de wetten van de menselijke opvoeding.
Wat aan het etherlijf van de mens blijvend is, zijn niet alleen maar de eigenschappen van het planten-etherlijf; voor de mens wordt hij de drager van wat in de ziel blijft: gewoonten en karakter, geweten en geheugen, de blijvende temperamentsaanleg, het maakt deel uit van het etherlijf.
Bij het astraallijf blijft, buiten de genoemde gevoelsaanleg, de kracht om te oordelen. En daardoor weten we wanneer we handelend moeten optreden wat die aanleg betreft. Zoals tot aan het zevende jaar de zintuigen vrij worden, net zo tot aan het veertiende de gewoonten, het geheugen, het temperament enz. en dan tot het eenentwintigste, tweeëntwintigste het kritische verstand, de zelfstandige verhouding tot de wereld. Hieruit volgen heel bepaalde principes voor de opvoeding van deze afzonderlijke levensfasen, namelijk, tot het zevende jaar de verzorging van alles wat samenhangt met het fysieke lichaam. Dit moet je niet alleen opvatten als een uiterlijke technische manier van doen, maar daar komt nog veel meer bij kijken.

Die Organe bilden sich nach und nach aus; wichtige physische Organe kommen zur Entfal­tung in dieser Zeit. Es ist daher wichtig, wie wir auf die Sinne wirken, was das Kind sieht und wahrnimmt. Eine Fähigkeit des Menschen ist hierbei maßgebend, der Nach­ahmungstrieb. Der griechische Philosoph Aristoteles sagt bezeichnend: Der Mensch ist das nachahmendste der Tiere. Bis zum Zahnwechsel ist das für das Kind besonders zu­treffend; da steht es unter dem Zeichen der Nachahmung. Daher muß man in die Umgebung des Kindes alles das bringen, was durch die Sinnesorgane bildend auf dasselbe wirken kann. Dasjenige, was als Lichtstrahl durchs Auge, als Ton durchs Ohr dringt, hat die Bedeutung, daß es für

De organen ontwikkelen zich stap voor stap; belangrijke fysieke organen ontplooien zich in deze tijd. En daarom is het belangrijk hoe wij met de zintuigen omgaan, wat ziet het kind en wat neemt het waar. Eén vermogen van de mens is hier maatgevend, [7] de drang tot nabootsing. De Griekse filosoof Aristoteles zegt* typerend:’ De mens is het dier dat het meest nabootst.
Tot de tandenwisseling klopt dat voor een kind helemaal; het staat onder het teken van de nabootsing. Daarom moet je in de omgeving van het kind alles zo organiseren dat het door de zintuigen vormend kan werken. Wat als lichtstraal in het oog, als toon in het oor doordringt betekent,

*Aristoteles zegt: In ‘Over de dichtkunst’ Poëtica hfd.4)
.

blz.124:

die physischen Organe bildend wirkt. Durch Ermahnung hingegen wird nichts erlangt in diesen Jahren. Gebot und Verbot haben gar keine Wirkung. Die größte Bedeutung aber hat das Vorbild. Was das Kind sehen kann, das, was geschieht, betrachtet es als etwas, was es tun und nachahmen darf. So überraschte einmal ein gutgeartetes Kind seine Eltern damit, daß es Geld aus einer Kassette genommen hatte. Die Eltern waren entsetzt und glaubten, das Kind hätte einen Hang zum Stehlen. Auf Befragen stellte sich aber heraus, daß das Kind einfach nur nachgeahmt hatte, was es Vater und Mutter täglich hatte tun sehen. Es muß deshalb das Vorbild so sein, daß durch Nachahmung des­selben im Kinde innere Kräfte erweckt werden können. Darum kann man durch Predigen nichts nützen, nur da­durch, wie man in der Umgebung des Kindes ist. Daher soll man mit dem, was man tut, auf die Gegenwart des Kindes Rücksicht nehmen, sich nicht gestatten etwas zu tun, was es nicht nachahmen darf. Es ist dies viel wichtiger, als etwas selbst zu tun und dann dem Kinde zu verbieten.

dat dit op de fysieke organen vormend inwerkt. Met vermanen wordt op deze leeftijd niets bereikt. Gebod en verbod werken niet. Van de grootste betekenis echter is het voorbeeld. Wat het kind kan zien, wat er gebeurt, bekijkt het als iets wat het doen en nabootsen mag. Zo zorgde een kind met een goed karakter bij zijn ouders voor een onaangename verrassing: het zou geld weggepakt hebben uit een kistje. De ouders waren geschokt en geloofden dat het kind een neiging tot stelen had. Bij navraag bleek het kind simpelweg alleen maar nagedaan te hebben, wat het vader en moeder dagelijks had zien doen. Het voorbeeld moet daarom zo zijn dat door het nabootsen daarvan in het kind innerlijke krachten gewekt kunnen worden. Daarom helpt gepreek niets, maar wel hoe je in de omgeving van het kind bent. Daarom moet je bij wat je doet rekening houden met de aanwezigheid van het kind, je niet permitteren iets te doen wat het niet mag nabootsen. Dat is veel belangrijker dan zelf iets te doen om dat vervolgens het kind te verbieden.

Es ist also wichtig, daß der Erzieher in diesen Jahren ein Vorbild ist, daß er nur Dinge tut, die das Kind nachahmen darf. Auf Vorbild und Nachahmung beruht die Erziehung in diesen Jahren. Das erkennt der, welcher hineinsieht in die Wesenheit des Menschen, und der Erfolg gibt ihm recht. Darnach ist es auch nicht richtig, dem Kind vor dem Zahn-wechsel den Sinn der Buchstaben einprägen zu wollen; es kann zunächst nur die Form derselben nachahmen, indem es sie nachmalt. Denn die Kraft zum Begreifen des Sinnes haftet erst am Ätherleib.
Alle diese Feinheiten lassen sich begreifen vermöge der Geistesforschung; bis ins einzelne kann diese Wissenschaft hineinleuchten in das, was zu geschehen hat. Organbildend, für die physischen Organe von Bedeutung ist alles das, was

Het is dus belangrijk dat de opvoeder in deze jaren een voorbeeld is, dat hij slechts dingen doet die het kind na mag doen. In deze jaren berust de opvoeding op voorbeeld en nabootsing. Wie inzicht heeft in het wezen van de mens beseft dit en het resultaat stelt hem in het gelijk. Daarom is het ook niet juist het kind voor de tandenwisseling de betekenis van de letters te willen aanleren; het kan er alleen de vorm maar van nadoen wanneer hij die schildert. Want het vermogen om de zin ervan te begrijpen behoort bij het etherlijf.
Al deze subtiele onderscheidingen kun je dankzij het onderzoeken van de geest begrijpen; tot in de details kan deze wetenschap licht werpen op wat moet gebeuren. Orgaan vormend, voor de fysieke organen is alles van belang wat

blz.125:

in der Umgebung des Kindes vor sich geht, auch in mora­lischer Beziehung, und von dem Kinde wahrgenommen wird. So ist es nicht gleichgültig, ob das kleine Kind Schmerz und Leid oder Freude und Lust um sich her sieht. Denn Freude und Lust begründen gesunde Anlagen, sind gesunde Organbildner; was anderes einfließt, kann zum Begründer von Krankheit werden. Alles um das Kind her­um sollte Freude und Lust atmen, und beides hervorzu­rufen sollte der Erzieher bedacht sein, bis auf die Farbe der Kleider, der Tapeten und der Gegenstände. Dabei ist sorg­fältig die individuelle Anlage des Kindes zu berücksichtigen.

in de omgeving van het kind gebeurt, ook wat de moraliteit betreft en wat door het kind waargenomen wordt. Zo is het niet om het even of het kleine kind pijn of verdriet of vreugde en plezier om zich heen ziet. Want vreugde en plezier doen een gezonde aanleg ontstaan, zijn gezonde orgaanvormers; is het anders, dan kan dat de aanleg tot ziekte worden. Alles om het kind heen zou vreugde en plezier moeten ademen en de opvoeder moet dat weten op te roepen, tot in de kleur van de kleding, het behang en de spullen. Daarbij moet je zorgvuldig kijken naar de individuele aanleg van het kind.

Ein Kind, das zu Ernst und Stille neigt, sollte dunklere, bläuliche, grünliche Farben in seiner Umgebung sehen, ein lebhaftes, lebendiges Kind gelbliche, rötliche Farben. Dies scheint ein Widerspruch zu sein. Allein es verhält sich so, daß durch die Fähigkeit der Sinne die Erweckung der Ge­genfarbe wachgerufen wird. Das Bläuliche wirkt belebend, während für lebhafte Kinder die ins gelblich-rötliche spie­lenden Töne die Gegenfärbung aufrufen.
Sie sehen, ganz ins Praktische hinein leuchtet da die Gei­stesforschung. Die Organe, welche in der Entwicklung sind, muß man so behandeln, daß sie sich entsprechend entfalten können, daß sie veranlaßt werden, die inneren Kräfte her-auszubilden. Darum sollte man dem Kinde auch keine fer­tigen Spielsachen geben wie Baukasten, Puppen und so weiter. Man gebe ihm lieber eine aus einer alten Serviette hergestellte Puppe mit Tintenaugen, Nase und Mund. Jedes Kind zieht eine selbstgemachte Puppe, aus einem Stiefel-knecht oder einer alten Serviette, den schön ausgeputzten Wachsdamen vor. Warum? Weil dadurch die Imagination geweckt wird, weil die Phantasie in Tätigkeit gesetzt wird und die inneren Organe anfangen zu arbeiten zur Freude und Lust des Kindes. Wie lebendig und interessiert ist solch

Een kind dat neigt naar ernstig en stil zijn, zou blauwachtige, groenachtige kleuren in zijn omgeving moeten zien; een druk, levendig kind geelachtige, roodachtige kleuren. Dit lijkt in tegenspraak. Maar het ligt zo dat door de capaciteit van de zintuigen de tegenkleur opgeroepen wordt. Het blauwachtige veroorzaakt levendigheid, terwijl voor drukke kinderen de geelachtig-roodachtige schakeringen de tegenkleur oproepen.
Zo zie je dat het onderzoeken van de geest uitmondt in de praktijk. De organen die zich ontwikkelen moet je zo behandelen dat ze zich dienovereenkomstig kunnen ontplooien, dat ze gestimuleerd worden de innerlijke krachten te vormen. Daarom moet je een kind ook geen kant-en-klaarspeelgoed geven zoals blokkendozen, poppen enz. Geef ze liever een pop van een oud servet met inkt-ogen, neus en mond. Ieder kind heeft liever een zelfgemaakte pop uit een laarzenknecht [die zag er als een menselijke figuur uit] of een oud servet dan de fraai uitgedoste dames van was. Waarom? Omdat daardoor de verbeeldingskracht wordt gewekt, omdat de fantasie aangespoord wordt en de inwendige organen beginnen te werken door de vreugde en het plezier van het kind. Wat is zo’n kind levendig en geïnteresseerd

blz.126:

ein Kind bei einem Spiel, wie geht es mit Leib und Seele auf in dem, was seine Imaginationen ihm vorspielen. Wie lässig und unvergnügt sitzt das andere da; denn bei einer fertigen Puppe ist keine Möglichkeit mehr, etwas hinzu zu ergänzen, und seine inneren Organe werden zur Untätig­keit verdammt, wenn es solche fertigen Dinge bekommt. Solange der physische Leib in seiner Entwicklung begriffen ist, hat das Kind einen außerordentlich gesunden Instinkt für das, was ihm gut ist, wenn er ihm nicht verdorben wird. Solange der physische Leib der einzige ist, der frei zur Außenwelt in Beziehung steht, zeigt er selbst, was ihm frommt. Wenn frühzeitig viel weiter eingegriffen wird, so wird dieser Instinkt ausgetrieben, der sonst zeigt, was dem Kind gedeihlich ist. Auf Freude, Lust und Begierde muß sich hier die Erziehung aufbauen. In dieser Zeit wäre jeg­licher Anflug von Askese gleichbedeutend mit Ausrottung der natürlichen Gesundheit und Entwicklungsmöglichkeit.

bij het spel, hoe het met lichaam en ziel opgaat in wat zijn verbeeldingskracht hem voorspeelt. Hoe onverschillig en niet blij zit het andere erbij; want bij een pop die helemaal af is, bestaat geen mogelijkheid meer iets toe te voegen en de inwendige organen worden tot passiviteit gedoemd, wanneer het die kant-en-klare dingen krijgt. Zolang het fysieke lichaam zich ontwikkelt, heeft het kind een buitengewoon gezond instinct voor wat goed voor hem is, wanneer het niet voor hem bedorven wordt. Zolang het fysieke lichaam het enige is dat in een ongedwongen verhouding tot de wereld staat, laat het zelf zien wat goed voor hem is. Wanneer er vroeg veel meer wordt ingegrepen, wordt dit instinct dat juist laat zien wat goed is voor een kind, uitgebannen. Op vreugde en plezier en gretigheid moet hier de opvoeding bouwen. In deze tijd zou iedere zweem van dit systematisch achterwege laten gelijk staan aan het doen verdwijnen van de natuurlijke gezondheid en ontwikkelingsmogelijkheid.

Wenn das Kind gegen sein siebentes Jahr hinlebt, bei dem allmählichen Zahnwechsel, lösen sich die äußeren Hüllen des Ätherleibes ab und dieser wird ebenso frei, wie vorher der physische Leib. Jetzt muß der Erzieher alles heran­bringen, was den Ätherleib ausbildet. Aber er muß sich hüten, zu großen Wert darauf zu legen, daß die Vernunft und der Verstand ausgebildet werden. In dieser Zeit, zwi­schen dem siebenten und zwölften Jahre des Kindes handelt es sich vorzugsweise um Autorität, Glauben, Vertrauen und Ehrfurcht. Gewohnheit und Charakter sind die speziellen Äußerungen des Ätherleibes, während auf die Urteilskraft in dieser Zeit nicht gewirkt werden soll, da dies vor der Geschlechtsreife ohne Schaden nicht geschehen kann.
Die Ausbildung des Ätherleibes fällt in die Zeit vom siebenten bis zum sechzehnten Jahre, beim Mädchen bis zum vierzehnten Jahr. Fürs ganze spätere Leben bleibt von

Wanneer het kind zijn zevende jaar nadert, wanneer het langzamerhand gaat wisselen, maken de perifere omhullingen van het etherlijf zich los en dit komt nu net zo vrij als voordien het fysieke lichaam. Nu moet de opvoeder alles aandragen wat het etherlijf doet ontwikkelen. Maar hij moet vermijden een te grote waarde toe te kennen aan het vormen van verstand en begrip. [8] In deze tijd tussen het zevende en het twaalfde jaar van het kind gaat het veel meer om autoriteit, geloof, vertrouwen en eerbied. Gewoonte en karakter zijn bijzondere uitingen van het etherlijf, terwijl in deze tijd niet op het oordeelsvermogen moet worden gewerkt, omdat dit voor de puberteit zonder nadelige gevolgen niet kan gebeuren.
De vorming van het etherlijf valt in de tijd van het zevende tot het zestiende, bij meisjes tot het veertiende jaar. Voor heel het latere leven blijft

blz.127:

Wichtigkeit, daß in dem Kinde das Gefühl von Ehrfurcht geweckt und genährt wird. Das kann etwa folgendermaßen geschehen: Es wird ihm von bedeutenden Menschen nicht nur der Geschichte, sondern auch aus den umgebenden Le­benskreisen ein Bild gegeben durch Mitteilungen und Er­zählungen, etwa von einem Verwandten, vor dem man Achtung und Ehrfurcht haben kann. Es wird dem Kinde Ehrfurcht und Scheu eingeflößt, die ihm verbietet, irgend­einen Gedanken von Kritik oder Opposition der verehrten Person gegenüber aufkommen zu lassen. Dann darf es die­sen Menschen einmal sehen; es lebt in heiliger Erwartung des Augenblicks, und eines Tages steht es vor der Türe dieser Person und empfindet eine heilige Scheu, auf die Klinke zu drücken und das Zimmer zu betreten, das ihm ein Heiligtum ist. Diese Momente der Ehrfurcht sind Kräfte für das spätere Leben. Von ungeheurer Bedeutung ist, daß der Erzieher, der Lehrer selbst, in dieser Zeit dem Kinde Autorität sei.

belangrijk dat in het kind het gevoel van eerbied wordt gewekt en gevoed. Dat kan als volgt gebeuren: Er wordt hem niet alleen van belangrijke mensen hun geschiedenis verteld, maar ook vanuit de daarbij horende levensgebieden een beeld geschetst door mededelingen en vertellingen, bv. over een familielid voor wie men eerbied en respect kan hebben. Men boezemt het kind eerbied en ontzag in die het hem onmogelijk maken een of andere gedachte van kritiek of verzet ten opzichte van deze vereerde persoon te laten opkomen. Dan mag hij een keer bij deze mens op bezoek; met een heilige verwachting leeft hij naar het ogenblik toe en op een dag staat hij voor de deur van deze persoon en ervaart een heilige aarzeling om de deurklink naar beneden te drukken en de kamer binnen te gaan, die voor hem een heiligdom is. Deze ogenblikken van eerbied zijn krachten voor het latere leven. Van ongelofelijke betekenis is, dat de opvoeder, de leraar zelf in deze tijd voor het kind een autoriteit is.

Nicht an Grundsätze muß das Kind glauben, sondern an Menschen. Die Menschen, die das Kind um­geben, die es sieht und hört, die müssen seine Ideale sein, und aus der Geschichte oder Literatur muß es sie wählen. Hier gilt der Spruch: «Ein Jeder muß sich seinen Helden wählen, dem er die Wege zum Olymp hinauf sich nach­arbeitet.» Ganz falsch ist es, wenn die materialistische Welt­anschauung gegen die Autorität sich ausspricht, das Kind schon zur Selbständigkeit anhält und das Gefühl der Hin­gebung und Verehrung mißachtet. Die gesunde Entwicklung leidet Schaden, wenn es schon vor der Geburt des Astral­leibes auf sein eigenes Urteil gestellt wird. Wichtig ist, daß in dieser Zeit das Gedächtnis herausgebildet wird, und zwar geschieht das am besten auf ganz mechanische Weise. Nicht die Rechenmaschine sollte benützt werden, sondern ganz mechanisch gedächtnismäßig sollte das Einmaleins, sollten

Niet in principes moet een kind geloven, maar in mensen. De mensen die het kind omringen, die het ziet en hoort, die moeten zijn ideaal zijn en hij moet ze kiezen uit de geschiedenis of de literatuur. Hier geldt de spreuk: ‘Ieder moet zijn eigen held kiezen, hem navolgend de Olympus op’.*

Heel verkeerd is het wanneer het materialistische wereldbeeld zich uitspreekt tegen autoriteit, het kind al tot zelfstandigheid aanspoort en het gevoel van vertrouwen en eerbied hebben, miskent. De gezonde ontwikkeling lijdt eronder wanneer vóór de geboorte van het astraallijf het kind op zijn eigen oordeel aangewezen is. Het is belangrijk dat in deze tijd het geheugen gevormd wordt en dat gaat het best op een heel automatische manier. Geen telraam moet gebruikt worden, maar de tafels van vermenigvuldiging moeten als automatisme in het geheugen geprent worden, net als

*Uit Goethes ‘Iphigenie auf Tauris’ (Akte 2, Sc.1); letterlijk: Ein jeglicher enz.

blz.128:

Gedichte und so weiter eingeprägt werden. Nur ein mate­rialistisches Vorurteil kann für diese Zeit behaupten, daß man sich diese Dinge erst merken soll, wenn man sie ver­steht. In alten Zeiten hat man in dieser Hinsicht richtiger erzogen. Vom ersten bis siebenten Jahre sang man vor, allerlei Verse, die guten alten Ammen- und Kinderlieder. Es kommt dabei nicht auf den Sinn an, und so finden wir in alten Liedern zwischen bedeutungsvollen Zeilen etwas, was nur wegen des Klanges da ist. Es kam beim Vorsingen nur auf den Zusammenklang und die Harmonie für das kindliche Ohr an, daher die oft sinnlosen Reime. Zum Bei­spiel: «Flieg, Käfer flieg, dein Vater ist im Krieg, deine Mutter ist im Pommerland, Pommerland ist abgebrannt; flieg, Käfer, flieg.» Pommerland bedeutet, nebenbei gesagt, in der Mundart des Kindes Mutterland. Der Ausdruck stammt noch aus jener Zeit, in der man an den geistigen Menschen geglaubt hat, der aus der geistigen in die physi­sche Welt kommt. Pommerland war das Land der geistigen Herkunft. Nicht auf den Sinn aber kommt es hier an, son­dern auf den Klang

gedichten enz. [9] Alleen een materialistisch vooroordeel kan voor deze tijd beweren dat men deze dingen pas moet onthouden, wanneer men ze begrijpt. In oude tijden heeft men in dit opzicht beter opgevoed. Vanaf het eerste tot het zevende jaar zong men allerlei versjes, die goede oude baker- en kinderliedjes. Het gaat niet om de betekenis en daarom vinden we in oude liedjes tussen de regels die iets betekenen, iets wat er alleen maar is ter wille van de klank. Bij het voorzingen kwam het alleen aan op de samenklank en de harmonie voor het kinderoor, vandaar vaak rijmen zonder betekenis. Bij voorbeeld: (zie het Duits, in het Nederlands zou je kunnen denken aan: ‘Oze wieze woze of Arabine koeterine van je trif troef traf; enz. In Steiners voorbeeld komt ‘Pommerland’ voor.)

Pommerland betekent, dit terzijde, in de kindertaal moederland. De uitdrukking komt nog uit de tijd toen men aan de geestelijke mens geloof hechtte die uit de geestelijke wereld in de fysieke komt. Pommerland was het land van je geestelijke oorsprong. Maar het komt niet op het zinnige van de woorden aan, maar op de klank.

Daher haben wir soviele, viele Kinder­lieder, die eigentlichen Sinn nicht aufweisen. – Gedächtnis, Gewohnheit und Charakter müssen in ihren Grundfesten in dieser Periode angelegt werden. Der Weg dazu ist die Autorität. Ein Mensch, bei dem dies nicht geschieht, weist eine mangelhafte Erziehung auf. Wo richtig erzogen wird, muß das Hinaufschauen zur Autorität in dieser Zeit zur Geltung kommen, während Grundsätze erst nach der astra­lischen Geburt am Platze sind. Dasjenige, was vom Kind als innerste Natur eines Menschen geahnt wird, was in der Autorität verehrt wird, was überhaupt zu ihm strömt vom Erzieher, das bildet des Kindes Gewissen, den Charakter und sogar sein Temperament aus und wird zur dauernden Anlage bei ihm. Dann müssen wir uns klar sein, daß in

Daarom hebben we zo veel, veel kinderliedjes waarin eigenlijk niets zinnigs staat. – Geheugen, gewoonte en karakter moeten in deze periode basaal worden aangelegd. De weg daartoe is de autoriteit. Gebeurt dit bij een mens niet, dan wijst dit op een gebrekkige opvoeding. Waar goed wordt opgevoed, moet in deze tijd het opkijken tegen een autoriteit tot gelding komen, terwijl grondregels pas na de astrale geboorte op zijn plaats zijn. Wat een kind als het diepste wezen van een mens voorvoelt, wat vereerd wordt in de autoriteit, wat daadwerkelijk van de opvoeder naar het kind stroomt, dat vormt het geweten van het kind, het karakter en zelfs zijn temperament en wordt tot een blijvende aanleg. Dan moeten we helder hebben, dat in

blz.129:

diesen Jahren bildend auf den Ätherleib wirkt, was durch Gleichnisse und Sinnbilder den Geist der Welt kennen­lernen läßt. Daher der Segen der Märchenbilder in dieser Zeit und das Vorführen großer Persönlichkeiten und Hel­den in Sage und Geschichte.
Man muß in dieser Zeit auf die Pflege des Ätherleibes ebenso bedacht sein wie vorher auf diejenige des physischen Leibes. Wie in den ersten Jahren durch Lust und Freude organbildend gewirkt wurde, so muß vom siebenten bis zum vierzehnten – für die Jungen bis zum sechzehnten – Lebens­jahre alles ausgebildet werden, was das Gefühl erhöhter Gesundheit und Lebensfreudigkeit hervorruft; daher der Wert des Turnunterrichtes. Mangelhaft ist derselbe aber, wenn der Turnlehrer mit dem Blick des Anatomen die Tur­ner betrachtet, wenn er nur nach dem äußeren Zweck einer Gliedbewegung zielt. Es kommt vielmehr darauf an, daß der Lehrer sich intuitiv so hineindenkt in die fühlende Seele des Kindes, daß er weiß, durch welche Bewegung des Leibes die Seele den Eindruck von Kraftgefühl, von Gesundheits­gefühl bekommt, was dem Menschen Wohlgefühl, Lust sei­ner eigenen Leiblichkeit bereitet

deze jaren vormend op het etherlijf inwerkt, wat door gelijkenissen en zinnebeelden je de geest van de wereld doet leren. [10] Vandaar de zegen van de sprookjesbeelden in deze tijd en het ten tonele voeren van grote persoonlijkheden en helden in sage en geschiedenis.
[11] Je moet in deze tijd net zo’n zorg dragen voor het etherlijf als daarvoor voor het fysieke lichaam. Zoals in de eerste jaren door plezier en vreugde orgaanvormend gewerkt werd, zo moet vanaf het zevende tot het veertiende – voor de jongens tot het zestiende – jaar alles ontwikkeld worden wat een betere gezondheid en levensvreugde oproept; vandaar de waarde van het gymnastiekonderwijs. Dit blijft echter in gebreke, wanneer de gymnastiekleraar met de blik van een anatoom naar de gymleerlingen kijkt, wanneer zijn doel alleen maar ligt in het uiterlijk bewegen van de ledematen. Het komt er veel meer op aan dat de leraar zich intuïtief inleeft in de voelende ziel van het kind, dat hij weet, door welke beweging van het lichaam de ziel de indruk meekrijgt van het gevoel van kracht, van gezondheid, wat het eigen lijf aan gevoel kan geven goed in je vel te zitten, je prettig te voelen.

So erst bekommt die Turn­übung einen innerlichen Wert und Einfluß auf das Gefühl der wachsenden Kraft. Eine rechte Turnübung ist nicht nur für das äußerlich anschauende Auge, sondern auch für den fühlenden Menschen.
Einen großen Einfluß bis in den Äther- und Astralleib hinein übt jedes Künstlerische. Daher muß echtes, wahres Künstlerisches den Ätherleib durchdringen. Gute Vokal-und Instrumentalmusik zum Beispiel ist von hoher Be­deutung, und das Kinderauge sollte viel Schönes um sich her erblicken.
Aber durch nichts ist der Religionsunterricht zu ersetzen. Die Bilder des Übersinnlichen prägen sich tief in den Ätherleib

Dan pas krijgt de gymoefening een psychische waarde en is van invloed op het gevoel van toenemende kracht. Een goede gymoefening is niet alleen voor het van buiten ernaar kijkende oog, maar ook voor de mens die voelt.
[12] Een grote invloed tot in het ether- en astraallijf oefent alles uit wat kunstzinnig is. Daarom moet het echte, ware kunstzinnige het etherlijf doordringen. Goede vocale en instrumentale muziek bijvoorbeeld is van grote betekenis en het kinderoog moet veel moois om zich heen kunnen zien.
Maar niets kan het religieuze onderwijs vervangen.
De beelden van het bovenzinnelijke komen diep in het etherlijf binnen.

blz.130:

ein. Es kommt hier nicht darauf an, daß der Schüler kritisieren kann, daß er sein Urteil fällt über irgendein Glaubensbekenntnis, sondern darauf, daß er eine Anschau­ung empfängt von dem, was übersinnlich ist, was über das Vergängliche hinausgeht. Daher sind alle religiösen Vor­stellungen in bildliche Darstellungen zu bringen.
Die größte Sorgfalt muß gelegt werden auf die Erzie­hung aus dem Lebendigen heraus. Dadurch, daß das Kind zu viel mit totem Stoff zu tun bekommt, wird viel an ihm verdorben, während alles, woran es das Lebendige ahnen kann, wichtig ist für den Ätherleib. Alles sollte Handlung, Tat, Leben sein; das belebt den Geist. Selbst im Spielzeug ist dies Moment von Bedeutung. So sind die alten Bilder­bücher zum Ziehen, zwei Klötze, die es hämmernd ver­binden kann, anregend, indem sie die Ahnung von innerer Bewegung des Lebens geben. Nichts Schlimmeres für den Geist, als aus fertigen geometrischen Gegenständen Formen zusammenstellen und -setzen zu lassen. Darum soll das Kind nicht mit dem Baukasten bauen, sondern von Grund auf alles selbst aufbauen

Het komt er hierbij niet op aan, dat de leerling kritiek kan hebben, dat hij een oordeel velt over een of andere geloofsovertuiging, maar dat hij een voorstelling krijgt van iets wat bovenzintuiglijk is, wat boven het vergankelijke uitgaat. Vandaar dat je alle religieuze voorstellingen in beelden moet kleden.
De grootst mogelijke zorgvuldigheid moet aan de dag worden gelegd om op te voeden vanuit het levende. Omdat het kind zoveel met doodse stof te maken krijgt, wordt er veel aan hem verpest, terwijl alles waaraan hij het levende ervaren kan, belangrijk is voor het etherlijf. Alles moet activiteit, doen, leven zijn; dat maakt de geest levend. Zelfs bij het speelgoed is dit van belang. Zo zijn de oude prentenboeken waarbij je aan plaatjes kunt trekken om bv. twee blokjes te laten hameren, stimulerend want ze geven een voorgevoel van een inherente beweging van het leven. Niets slechter voor de geest dan uit kant-en-klare geometrische voorwerpen vormen naast of tegen elkaar leggen of opzetten. Daarom moet het kind niet met een blokkendoos bouwen, maar alles helemaal zelf opbouwen.

Das Kind muß lernen, das Lebendige aus dem Unlebendigen zu machen. Durch das Fertige, Un­lebendige wird die materielle Zeit das Lebendige auslöschen. Vieles erstirbt an dem sich entwickelnden Gehirn, wenn das Kind Dinge machen soll, die keinen Sinn haben, wie Flecht­arbeiten und so weiter. Ganze Anlagen bleiben dadurch unentwickelt. Vieles, was Unheil in unserem sozialen Zu­sammenleben bedeutet, ist auf die Kinderstube zurückzu­führen. Das Spielzeug des Unlebendigen bildet auch nicht den Glauben an das Lebendige heran, und daher besteht der tiefere Zusammenhang zwischen der Kindererziehung und der Glaubenslosigkeit unseres Zeitalters. So haben die Dinge einen tiefen Zusammenhang
Wenn die Geschlechtsreife erlangt wird, fallen die astralen

Het kind moet leren iets levends te maken uit wat niet leeft. Door wat af is, niet leeft zal de materialistische tijd het levendige uit doven. In het zich ontwikkelende brein zal veel afsterven, wanneer een kind dingen moet doen die geen zin hebben, zoals vlechtwerkjes maken enz. Heel veel aanleg blijft daardoor onontwikkeld. Veel van wat in ons sociaal leven als onheil werkt, is terug te voeren op de opvoeding in de kindertijd. Het dode speelgoed vormt niet het geloof aan iets levends en daarom bestaat er een diepere samenhang tussen de opvoeding van het kind en de ongelovigheid van onze tijd. Zo vertonen de dingen een diepe samenhang.
[13] Met de puberteit valt de astrale

blz.131:

Hüllen, von denen der Leib umgeben ist, ebenfalls ab. Mit dem Gefühl für das andere Geschlecht tritt die persön­liche Urteilskraft hervor. Jetzt erst kommt die Zeit, in der man an die Urteilskraft appellieren kann, an das Ja und Nein, an den kritischen Verstand. Kaum dann, wenn der Mensch diesen Jahren entwachsen ist, vermag er ein eigenes Urteil abzugeben, geschweige denn früher. Es ist ein Un­ding, wenn solche jungen Menschen schon urteilen und auf die Kultur, auch nur im kleinsten Umfang, Einfluß ausüben wollen. So wenig ein Kind im Mutterleibe hören und sehen kann, vermag der noch nicht astral entwickelte Mensch vor dem zwanzigsten Jahr ein gesundes Urteil zu bilden. Für jedes Lebensalter ist der entsprechende Einfluß nötig, für das erste Vorbild, Nachahmung, für das zweite Autorität und Nacheiferung, für das dritte Grundsätze. – Äußerst wichtig ist, wer den jungen Menschen in diesem Lebensalter als Lehrer entgegentritt, um ihnen ihre Lernbegierde und ihren Freiheitsdrang in die rechten Bahnen zu lenken.

omhulling waarmee het lichaam omgeven is, eveneens weg. Met het gevoel voor het andere geslacht ontstaat ook de persoonlijke oordeelskracht. Nu pas komt de tijd waarin je aan het oordeelsvermogen kan appelleren; aan het ja en nee, aan het kritische verstand. Nauwelijks nog nadat de mens deze jaren ontgroeid is, is hij in staat een eigen oordeel te geven, laat staan de jaren daarvoor. Het is een onding wanneer zulke jonge mensen al oordelen en op de cultuur, ook maar in de geringste mate, invloed willen uitoefenen. Net zo min als een kind in de moederschoot horen en zien kan, is de nog niet astraal ontwikkelde mens voor het twintigste jaar in staat een gezond oordeel te vormen. Voor iedere leeftijd is de daarbij behorende invloed nodig; voor het eerste: voorbeeld, nabootsing; voor het tweede: autoriteit en navolging; voor het derde: principes. – Heel erg belangrijk is het wie de jonge mens in deze leeftijdsfase als leraar ontmoet om zijn leergierigheid en zijn drang naar vrijheid in goede banen te leiden.

Die geistige Weltanschauung erfüllt den Erzieher mit einer Fülle von Grundsätzen. Diese Grundsätze helfen dem Lehrer bei der Entwicklung des Menschengeschlechtes. Gei­steswissenschaft kann dadurch praktisch eingreifen in die wichtigsten Vorgänge des Menschenlebens und wir sehen sie im richtigen Verhältnis zum täglichen Leben. Dadurch, daß wir den Menschen in allen seinen Gliedern kennen, wissen wir, auf welche Glieder wir zu wirken haben und was wir tun müssen, damit unter solchen Verhältnissen, wie sie wirklich sind, der Mensch gedeiht. Wenn eine Mutter sich selbst nicht ordentlich ernähren kann, so wirkt das durch den Mutterleib auf den Embryo; wie dessen Mutter gepflegt werden muß, so auch die spätere Umgebung des Kindes; dadurch wird das Kind mitgepflegt. Das ist etwas, was auch ins Geistige zu übertragen ist. Weil nun das Kind

De geestelijke wereldbeschouwing vervult de opvoeder met een volheid aan gezichtspunten. Deze helpen de leraar bij de ontwikkeling van het menselijk geslacht. Geesteswetenschap kan daardoor van praktische invloed zijn bij de belangrijkste processen in het mensenleven en wij zien ze in een goede relatie tot het dagelijks leven. Omdat wij de mens in al zijn geledingen kennen, weten we op welke wezensdelen we moeten werken en wat we moeten doen opdat onder zulke verhoudingen zoals ze daadwerkelijk zijn, de mens gedijt. Wanneer een moeder zich zelf niet goed kan voeden, dan werkt dat door het moederlichaam op het embryo; zoals zijn moeder verzorgd moet worden, zo moet dat ook met de latere omgeving van het kind; daardoor wordt het kind eveneens verzorgd. Dat is iets wat ook over te brengen is op geestelijk niveau. Omdat het kind nu eenmaal

blz.132:

in der Äther-Mutterhülle schlummert, in der Astral-Um­gebung wurzelt, so kommt es darauf an, wie in seiner Um­gebung die Dinge sich vollziehen. Jeder. Gedanke, jedes Gefühl, alles Unausgesprochene, was diejenigen bewegt, die in seiner Umgebung sind, wirkt mit; da gilt nicht: Fühlen und denken darfst du dies und jenes wohl, wenn du es nur nicht sagst. – Mit reinen Gedanken und Gefühlen muß man das Kind umgeben und darum bis ins innerste Herz Rein­heit bewahren, keine unlauteren Gedanken sich gestatten. Durch Worte wirken wir nur auf das Sinnesvermögen, Ge­fühle und Gedanken impfen wir der schützenden Mutterhülle des Äther- und Astralleibes ein und sie gehen auf das Kind über. Solange es von Hüllen umgeben ist, müssen wir diese pflegen. Pfropft man unreine Gedanken und Leiden­schaften in diese hinein, so verdirbt man ebensoviel, als wenn man in die physische Hülle des Mutterleibes Schäd­liches bringt. Bis in diese Feinheiten hinein vermag somit die geistige Weltanschauung zu leuchten. Aus der Erkennt­nis der Menschennatur heraus erfüllt sie den Erzieher mit der nötigen Einsicht.

[14] in de etheromhulling van de moeder sluimert, in de astraalomhulling wortelt, komt het erop aan hoe zich de dingen in zijn omgeving voltrekken. Iedere gedachte, ieder gevoel, alles wat niet uitgesproken wordt, wat degenen beweegt die zich in zijn omgeving bevinden, werkt mee; daar geldt niet: voelen en denken mag je dit of dat wel, als je het maar niet zegt. – Met zuivere gedachten en gevoelens moet je het kind omringen en daarom tot in het diepst van je hart zuiverheid bewaren, je geen bedenkelijke gedachten permitteren.
Door woorden werken we alleen maar op de vermogens van de zintuigen; gevoelens en gedachten prenten we de beschermende moederomhulling van het ether- en astraallijf in en die gaan over op het kind. Zolang het door die omhulling is omgeven, moeten we die ook verzorgen. Stop je er onzuivere gedachten en drift in, dan bederft dat net zoveel als wanneer je de fysieke omhulling van het moederlichaam beschadigt. Tot in deze gedetailleerde zaken kan de geesteswetenschap haar licht laten schijnen. Vanuit het kennen van de mensennatuur vervult zij de leraar met het nodige inzicht.

Geisteswissenschaft soll nicht eine Theorie sein und Über­zeugungen lehren; sie soll handeln, eingreifen ins praktische Leben. Indem sie gesundes Leben bewirkt, indem sie ge­sunde Menschen in leiblicher und geistiger Beziehung macht, erweist sie sich nicht nur als richtige, sondern als gesunde Wahrheit, die ausfließen muß in das ganze Leben des Men­schen. Am besten können wir durch Geisteswissenschaft der Menschheit dienen und ihr soziale und andere Kräfte zu­führen, wenn wir diese herausholen aus dem werdenden Menschen. Der werdende, der sich entwickelnde Mensch ist eines der größten Rätsel des Lebens. Derjenige, der es prak­tisch löst, erweist sich als der rechte Erzieher, als der wahre Rätsellöser in der Bildung des Menschen.

Geesteswetenschap moet geen theorie zijn en overtuigingen aanleren; zij moet actief zijn, handelend kunnen optreden in de praktijk van het leven. Als zij gezond leven bewerkstelligt, als ze in lichamelijk en geestelijk opzicht de mensen gezond maakt, levert zij niet alleen een bewijs van haar juistheid, maar ook van haar gezonde waarheid die moet uitstromen in het hele leven van de mens. Het beste kunnen we door de geesteswetenschap de mensheid dienen door aan deze, sociale en andere krachten toe te voegen die wij ontlenen aan de wordende mens. De wordende, de zich ontwikkelende mens is een van de grootste raadsels van het leven. Degene die deze in de praktijk oplost, bewijst de adequate opvoeder te zijn, de echte oplosser van de raadsels in de vorming van de mens.
GA 55/voordracht 6/118  
Niet vertaald

*Nadere verklaring

Rudolf Steiner: alle artikelen

Voor de begrippen: fysiek lichaam; etherlijf; astraallijf en Ik
Deze begrippen komen ook in ‘Algemene menskunde’ ter sprake vanaf
[1-7-2]

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

883-814

..

.

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Goodyear

.

Charles Goodyear

De uitvinder van de gevulcaniseerde rubber

Charles Goodyear werd geboren in 1800 in New Haven, Connecticut. Zijn vader was mecanicien en had een ijzerwinkel. De farmers uit de buurt kwamen bij hem hun gereedschap en werktuigen kopen en Charles stond altijd aandachtig te luisteren naar hun gesprekken. Als een van de klanten een stuk gereedschap nodig had, dat niet in de handel was, maakte Charles’ vader, Amasa, het zelf. De farmers in Connecticut zeiden tegen elkaar: ‘Spreek met Goodyear en het komt in orde.’ Die eigenschap, om de handen uit de mouwen te ste­ken, nieuwe middelen te verzinnen en elke opdracht consciëntieus uit te voeren, erfde Charles van zijn vader en daarenboven zijn handigheid in het gebruik van gereedschappen.

Op een keer stond Charles Goodyear in New York voor een winkel, waar rubber reddingsgordels in de open etalage lagen. Hij betastte de glimmende metalen ventielen, en op dat ogenblik kwam de eige­naar van de zaak naar buiten en vroeg hem, wat er van zijn dienst was. ‘Mooie kleppen, hè meneer?’ ‘Nee,’ zei Charles, ‘dat vind ik niet, ik kan ze wel beter maken; maar iets anders, hebt u misschien een baantje voor me?’ ‘Nee, ik kan je niet helpen, maar als ik jou was, zou ik niet in de rubberbranche gaan, rubber deugt niet. Het blijft niet goed. Als je het in de zon legt, wordt het kleverig, en dan kun je d’r niks meer mee beginnen.’ Het was voor de eerste keer, dat Charles rubber had gezien en dat vreemde goedje maakte zo’n indruk op hem, dat het hem zijn leven lang niet meer met rust liet. Hij kon aan niets anders meer denken; vandaar de bijnaam de rubberman, die hij later kreeg.

Rubber is een plantaardig product van het sap van bomen, die in tropische of subtropische streken groeien. Lang voordat de blanken in Amerika kwamen, verzamelden de Indianen dat sap al in Yucatan, en maakten ze er ballen van. Heden kan men in de ruïnes van de stad Chichen-Itza nog een prachtig tlachtli zien, gemaakt van vlakke, bij elkaar passende stenen; op dat veld speelden de Maya-Indianen hun balspel. Aan beide kanten van het veld, hoog boven de hoofden van de spelers, waren twee grote stenen ringen, waar­door de tegenpartij de bal moest zien te trappen of slaan kunnen we niet zeggen, want ze lieten de bal op hun heup komen en gaven hem daarmee een zet. Iets dergelijks als korfbal dus, maar veel moeilijker.

De eerste Spanjaarden, die in Mexico kwamen, vermeldden reeds, dat de Indianen rubberschoenen droegen, doch in Europa gebruik­te men ruim tweehonderd jaar rubber* bijna alleen maar, om er ballen van te maken. Behalve ballen maakte men ook nog enkele andere gebruiksvoorwerpen van guttapercha, zoals zwemgordels, regenjassen, warmwaterkruiken en dergelijke, doch deze artikelen waren niet populair, want als het erg warm was, werd het gutta­percha kleverig en bij hevige kou werd het hard en bros. Hier zag Charles Goodyear een schone taak voor zich weggelegd: hij nam zich voor een procedé uit te vinden, waardoor rubber onder alle omstandigheden zijn veerkracht behield.

Daar hij geen verstand van scheikunde had, stak hij zijn licht op bij drogisten en handelaars in chemicaliën. Als laboratorium diende de keuken en zijn apparaten bestonden uit de plank, waarop zijn vrouw deeg kneedde, de deegrol en de keukenkachel. Zonder geld, zonder kennis, zonder goede hulpmiddelen ploeterde hij van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en telkens moest hij verhuizen, omdat de buren zich bij de politie beklaagden over de stank, die hij maakte. Hij trok van de ene stad naar de andere, en verkeerde voortdurend in moeilijkheden. Als hij te veel schulden had gemaakt, vertrok hij weer naar een andere plaats. Soms werd hij zelfs in gijzeling gezet, maar in de gevangenis gaf hij de moed niet op en hij was er van overtuigd, dat er onverwachts uitkomst zou komen.

Toen hij in New York woonde, was hij zo arm, dat hij met zijn vrouw en zeven kinderen een woning had van twee kamers en een keukentje. In die ruimte moest dan bovendien nog plaats worden gevonden voor zijn pannen en zijn rubber en daar moest hij dan werken. Zijn vrouw behield steeds haar vertrouwen in hem en spon garen, dat ze langs de huizen verkocht, anders waren de kinderen van honger omgekomen.

In 1823 ontdekte een Schotse chemicus, Charles Macintosh, dat men door middel van nafta twee lagen rubber stevig op elkaar kon plakken en richtte een fabriek van regenjassen op, van macintoshes. De regenjassen voldeden echter niet in het gebruik, want de oude fout bleef bestaan, bij warm weer werden ze kleverig en in de kou hard. Als Goodyear er nu in slaagde betere rubber te maken, zou hij zijn uitvinding aan Macintosh kunnen verkopen, dacht hij. Hij ging met nog groter ijver aan het werk. In 1834 nam hij patent op een procedé, waardoor de rubber volgens hem onder alle om­standigheden bruikbaar zou blijven. Het bleek echter een fiasco te zijn. Twee jaar later, in 1836, kreeg Goodyear opdracht van de re­gering der Ver. Staten, om rubberpostzakken te maken, die geen vocht doorlieten. ‘Nu ben ik er bovenop!’ juichte Goodyear. Hij deed zijn uiterste best en leverde de zakken met een kloppend hart af. Helaas! Bij enigszins warm weer werd de rubber zo zacht en plakkerig, dat de postzakken volkomen onbruikbaar waren. Ondanks alle tegenspoed bleef Goodyear volhouden, dat hij er iets op zou vinden. Hij maakte rubber schoenen, rubber jassen, rubber handschoenen, maar als ze klaar waren, waren ze niet naar zijn zin. Iedereen lachte hem uit en noemde hem de rubberman, waarmee ze eigenlijk bedoelden de rubbermaniak, want zijn hoed was van rubber, zijn kleren waren van rubber en hij had heel gekke rubber schoenen aan zijn voeten. Kortom, men dacht dat hij niet goed bij zijn hoofd was, want hij hield maar vol, dat op den duur alle men­sen rubber jassen en -schoenen zouden dragen.

Op een van zijn zwerftochten kwam Goodyear in Massachusetts terecht en kreeg daar een opdracht, om bepaalde artikelen met rub­ber te bekleden. Hij kweet zich zo uitstekend van die opdracht, dat hij het procedé voor vijftigduizend dollar verkocht. Zoveel geld had hij van zijn leven nog niet bij elkaar gezien. Maar zijn doel, het verbeteren van de kwaliteit en van de consistentie van rubber, had hij daarmee nog niet bereikt. Telkens wilde hij uitroepen ‘Eure­ka!’ maar telkens bleek het weer een mislukking. Op een keer maak­te hij een stuk rubber schoon met een zuur, dat zwavel bevatte en hij stond versteld over het effect. Hij was zich niet bewust van het hoe en waarom, maar nam voor alle zekerheid patent op zijn uit­vinding. Kort daarop maakte hij kennis met Nathaniel Hayward, die in een rubberfabriek in Roxbury had gewerkt. Samen namen ze allerlei proeven met zwavel, tot Goodyear Hayward uitkocht en de proeven alleen voortzette, maar voorlopig vond hij niets.

We hebben nu gezien, dat Goodyear zijn hele leven gezwoegd heeft, om rubber tot een in alle opzichten bruikbaar handelsartikel te maken, dat hij een ellendig leven leidde, honger leed en zelfs in de gevangenis kwam, omdat hij zijn schulden niet kon betalen. We we­ten, dat hij zich nooit door tegenslag liet ontmoedigen en onder alle omstandigheden zijn veerkracht behield; dat hij onwrikbaar bleef in zijn overtuiging, dat zijn moeite eindelijk beloond zou worden. En toch, als Goodyear niet zo’n zorgeloos en slordig man was ge­weest, was hij misschien nooit beroemd geworden, want tenslotte had hij zijn succes te danken aan zijn slordige manier van werken. Op een goede keer liet hij een mengsel van rubber en zwavel op de hete kachel vallen. Vloekend om zijn onhandigheid, wilde Good­year de rubber zo gauw mogelijk van de kachel halen, maar tot zijn grote verbazing was de rubber hard geworden. De god van het vuur, Vulcanus, had de consistentie van de rubber veranderd: het stuk rubber was gevulcaniseerd. Dat was me een opwinding! Zijn vrouw en kinderen kwamen kijken en zelfs de buren kwamen aangelopen. Weer begon voor Goodyear een periode van koortsachtig werken en toen hij na herhaalde proeven de zekerheid had, dat hij eindelijk zijn doel had bereikt, vroeg hij in 1844 patent aan op zijn procedé. Nauwelijks had hij dat gedaan, of men begon van alle kanten pro­cessen tegen hem, doch het gerecht stelde hem in het gelijk en in 1852 werd hij tot onbetwistbaar uitvinder van het procedé, om rub­ber te vulcaniseren, geproclameerd.

Toen vertrok de rubberman naar Engeland, om daar zijn uitvinding te demonstreren en in de hoop, dat hij de zakenmensen financieel voor zijn plannen zou interesseren. Daar klopte hij echter aan dovemansdeuren. Van Engeland ging hij naar Frankrijk, en daar slaagde hij erin een rubberfabriek op te richten; hij kreeg echter zo weinig bestellingen, dat de zaak failliet ging. In 1855 kwam Good­year voor de zoveelste maal in de gevangenis, wegens het niet be­talen van zijn schulden, ditmaal in Frankrijk. Toen hij uit de gevan­genis was ontslagen, hervatte hij onmiddellijk zijn pogingen om de wereld te overtuigen van het grote belang van zijn uitvinding. Ette­lijke malen reisde hij heen en weer tussen Europa en Amerika, maar kreeg overal nul op ’t rekest. Zijn krachten waren echter langzamerhand door al de ontbering, die hij had geleden, en het vermoeiende leven, dat hij had geleid en door de teleurstellingen, die hij had ondervonden, gesloopt; zo stierf hij in 1860 in New York in de ouderdom van zestig jaar, niet alleen doodarm, maar met een schuld van $ 200.000.-.

De ironie van het noodlot heeft gewild, dat Goodyear zich op het eind van zijn leven ging beschouwen als een mislukkeling, terwijl het alleen aan zijn uitvinding te danken is geweest, dat we thans in geruisloos rijdende automobielen over onze perfecte verkeerswegen kunnen glijden en dat de rubber een van de machtigste economische wapenen van wereld is geworden.

* De naam rubber is eigenlijk van latere tijd; vroeger noemde men het caoutchouc, guttapercha of gummi. De vorige generatie sprak nog van een vlakgummi, dat op school werd gebruikt, om fouten uit te vegen. Juist om deze eigenschap heeft men het in de Engels sprekende landen rubber genoemd (to rub out = uitvegen).
.

8e klas vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

Algemene menskundeleeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeldalle beelden

882-813

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen en het leerplan (12-7)

.

Ontwikkelingsfasen van de mensheid en ontwikkelingsfasen van het kind

.

In de reeks Haeckel en het leerplan ging het erom te onderzoeken in hoeverre zijn recapitulatietheorie een of de basis vormt voor het leerplan van de vrijeschool.

Je kunt vaststellen dat in Steiners pedagogische voordrachten GA 293-311 door hem geen verwijzingen naar Haeckel zijn gegeven bij het vormgeven van het leerplan. Hij spreekt wel over Haeckels recapitulatietheorie, maar wijst deze juist af waar het gaat om de ontwikkeling van het kind na de geboorte.

Wie het leerplan van de vrijeschool en Ernst Haeckels recapitulatietheorie in één adem wil uitspreken, vindt daarvoor bij Steiner geen aanknopingspunten.

Er zijn wel uitspraken van Steiner over de ontwikkeling van de mensheid en de individuele mens:

‘Zoals de individuele mensen vanaf het ogenblik dat ze voor de eerste keer uit de schoot der goden afdalen als individuele zielen een ontwikkeling hebben doorgemaakt, net zo heeft de hele mensheid een ontwikkeling doorgemaakt.’ [1]

In GA 55: ‘Waarom hebben we eigenlijk bij de opvoeding van een kind een school nodig? Wat na de geboorte groeit, heeft een beschermende omgeving nodig, net zoals de kiem in het moederlichaam. Want pas op een bepaald tijdstip begint de mens een nieuw leven. Vóór hij bij dit punt aankomt, is zijn leven een herhaling van eerdere levensfasen. Ook de kiem maakt dus een herhaling van alle stadia van de ontwikkeling van oertijden af, door. En zo herhaalt het kind na de geboorte vroegere stadia van de mensheidsfasen.’

Steiner citeert dan Friedrich August Wolf** die  de fasen van de mensheid vanaf de kinderleeftijd karakteriseerde. Hij vervolgt:

Dit schema beantwoordt aan een goede, geestelijk waardevolle basis, maar we mogen het niet zo strikt opvatten. We moeten de hele afstamming van de mens erbij betrekken. De mens stamt niet af van lagere dieren. Weliswaar stamt hij af van wezens die ver van de nu levende mens afstaan, maar die toch helemaal niet leken op apen. De geesteswetenschap wijst op tijden waarin de mens Atlantis bewoonde. Geest en ziel van de Atlantiër waren anders dan bij de mens van nu. Zij hadden geen zgn. verstandsbewustzijn. Ze konden niet schrijven en rekenen. Hun bewustzijn was in zekere zin slapend. Veel uit de geestelijke werelden konden zij waarnemen. Hun bewustzijn leek op dat van een slapende mens met levendige dromen. Maar de beelden die in hun bewustzijn opstegen, waren niet chaotisch, maar ordelijk en levendig. Toen had ook de wil nog veel macht om op de ledematen in te werken. Achtergebleven nakomelingen van hen zijn de huidige hogere zoogdieren, namelijk de apen, Het dagelijkse Atlantische bewustzijn was een beeldbewustzijn. Ons droombewustzijn is daarvan een overblijfsel. De origineelste fantasie van nu is  qua beelden maar een zwakke afspiegeling van deze beeldenwereld van de Atlantiërs. En de Atlantiër beheerste de beelden. Logica, verstandswetten waren er toen niet. In het vrije spel van de kinderen hebben we daarvan nog een flauwe afspiegeling; in het kinderlijke spel klinkt de beeldende waarneming nog door. Leven sproot voor de Atlantiër uit alles, zoals tegenwoordig uit het speelgoed van het kind. In de Lemurische tijd incarneerde de mens voor de eerste keer in een fysiek lichaam. Dat wordt tegenwoordig herhaald bij de geboorte van het fysieke lichaam. Toen daalde de mens af in zijn lichaam en ontwikkelde dit met zijn ziel en geest steeds hoger. De Lemurische en Atlantische fase herhaalt de mens tot zijn zevende jaar. Vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit wordt de ontwikkelingsfase herhaald waarin de grote geestelijke leiders van de mensheid werkzaam waren. De laatsten van hen waren Boeddha, Plato, Pythagoras, Hermes, Moses, Zarathustra enz. Toen werkte de geestelijke wereld nog meer actief op de mensheid in. In de heldensagen is dit voor ons bewaard gebleven. Deze geestesgesteldheid van de oude cultuurperioden moet daarom aan het schoolonderwijs in deze jaren ten grondslag liggen. Tot de twaalfde eeuw, de tijd van de stichting der steden, hebben we de fase die overeenkomt met die van het zevende tot het veertiende van het kind. Daarin kon slechts sprake zijn van het principe van gemeenschap en autoriteit. Iets van de macht en glans van de grote leiders moet in deze jaren voor de kinderen aanwezig zijn. De vraag naar de leraar is daarom in alle schoolzaken de belangrijkste. De leraar moet een vanzelfsprekende autoriteit zijn voor de kinderen; zoals het gezag van wat de grote leraren te zeggen hadden, vanzelf instroomde in de mensenzielen. Het is verkeerd wanneer een kind aan zijn leerkracht twijfelt. Dat is erg schadelijk. De verering die een kind voor een leraar heeft, moet de denkbaar grootste zijn. Dit moet zo ver gaan dat het goede hart dat de leraar het kind toedraagt – en het is vanzelfsprekend dat hij dat doet – voor hem een geschenk is.'[2]

In deze voordracht krijgen we geen nadere mededelingen over ‘de Lemurische en Atlantische fasen’ die het kind zou herhalen en die in het leerplan van de vrijeschool te herkennen zouden zijn.

Leerplan houdt toch vooral in’: vakken, leerstof. Als Steiner het belangrijk zou hebben gevonden dat het leerplan een belangrijke mogelijkheid zou moeten geven om voorbije fasen van de mensheid te herhalen of dat het leerplan een uitdrukking zou moeten zijn van wat het kind aan voorbije fasen herhaalt, dan zou hij dat zeker benadrukt hebben.

Wanneer hij in de hierboven geciteerde woorden Lemurië en Atlantis noemt, kun je door ‘speelgoed, fantasie’ wel een verbinding leggen naar wat in de kleuterklas gebeurt. Voor de omgang met het kind kun je daaruit halen: de kleuter heeft het vrije spelen nodig. Nu zou je kunnen zeggen: in de vrijekleuterklas staat op het lesrooster ‘vrij spel’: dat is dus ‘Atlantis’. Maar op het rooster staat vrij spel omdat je aan het kind kunt aflezen dat het a.h.w. ‘het vrij spelen is’; in het vrije spel volkomen zichzelf is. Het kind moet dus de gelegenheid krijgen om veel vrij te spelen – of de drang daartoe nu een Atlantische erfenis is of niet.

Zo’n soort betoog kun je ook houden m.b.t. ‘autoriteit’. Wat Steiner de ‘vanzelfsprekende autoriteit’ noemt die de leerkracht in zijn optiek voor de kinderen tussen 7 en 14 moet zijn, kun je terugvoeren op zijn uitspraak hierboven geciteerd. Maar in de praktijk van alle dag kun je waarnemen dat de kinderen deze autoriteit in de oudere daadwerkelijk zoeken, in hun ouders of grootouders, maar ook in hun leerkracht met wie ze toch een deel van hun leven doorbrengen.

Wil je leerplan en ontwikkelingsfase, van de mensheid en van wat het zich ontwikkelende kind daarvan zou herhalen, in verband brengen met elkaar, zul je ieder onderwerp grondig moeten bestuderen: de mensheidsfase en de ontwikkeling bij of van het kind.

Ik herhaal hier nogmaals dat speculeren het grote gevaar is. Wie zou er vanuit een helderziend vermogen iets over kunnen zeggen? Wie er iets ‘helderziend’ over zegt, heeft waarschijnlijk die vermogens niet en wie ze wel heeft, komt er niet mee naar buiten.
Blijft dus over, wat Steiner noemt, de gedachtefilosofie. Het filosoferen over ‘vertelstof en mensheidsontwikkelingsfase met het oog op ontwikkeling van kinderen’ bv. kan daarmee interessante gezichtspunten opleveren. Maar wie durft te zeggen dat ze ook ‘waar’ zijn. Wat je wel als ‘waar’ kunt nemen, is dat de kinderen in de hun aangeboden vertelstof helemaal opgaan. Dat er een innerlijk verlangen is naar verhalen, beelden, avonturen enz. Waar komt zo’n verlangen vandaan. Wie het helderziend kan waarnemen…. enz. Maar hoe dicht komen we bij de waarheid met de gedachtefilosofie.

Er zijn mensen (geweest) die pogingen doen of deden om in dit m.i. overigens heel boeiende onderwerp, dieper door te dringen.

Zo kwamen in de deze reeks over het leerplan Henk van Oort, Werner Govaerts en Karel Post Uiterweer ter sprake. Van Johanna Berens vind je hier een artikel en van Frans Lutters hier. Van Wim Veltman hier. Er zullen er zeker meer zijn: ik ken ze niet allemaal.

Op basis van de uitspraken van Steiner kunnen de gezichtspunten van Haeckel hierbij geen rol spelen: zij gelden slechts voor de ontwikkeling van kiemcel tot geboorte. Hem toch meenemen in de gedachtefilosofie over het leerplan, levert teveel speculatie op om in de buurt van de waarheid te komen.

[1] GA 97/125
Niet vertaald
[2] GA 55/134 e.v.
Vertaald

.

Haeckel en het leerplan: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

881-812

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (12)

.
Op een weblog van een maniakale criticaster is , zonder mijn toestemming – de integrale tekst van dit artikel overgenomen onder ‘Vrije School, pedagogisch-didactische achtergronden van Pieter Witvliet’.
Ik heb dus niets met die blog van doen en ook niet met de eventueel gemanipuleerde tekst.

De criticaster heeft dit stukje misbruikt door er links in te plaatsen die naar zijn eigen blogs leiden!

opspattend grind

Wikipedia
.

Wie een encyclopedie raadpleegt, doet dit in het volste vertrouwen dat het te raadplegen artikel is geschreven door objectieve deskundigen. De uitgever let er nauwkeurig op dat zij die een bijdrage leveren geen charlatans zijn of fervente tegenstanders van bv. de geestelijke stromingen die zij beschrijven. Die verwachting leeft er ook m.b.t. de digitale encyclopedie Wikipedia.

Hierop bevindt zich een stukje over het vrijeschoolonderwijs.

Wie van de tot standkoming van dit artikel de ‘geschiedenis’ leest, ziet dat het is geschreven door ene Ramon DJV. Deze in Leuven woonachtige De Jonghe/Verachtert, ex-vrijeschoolouder, heeft het tot zijn levenstaak gemaakt Steiner, de antroposofie en de vrijescholen in een zo kwaad mogelijk daglicht te stellen.

Op talloze blogs leeft hij zijn frustraties uit. Dat moet kunnen: ieder zijn ‘hobby.’

Maar dat een dergelijke verbeten tegenstander : ” VRIJESCHOOL: ZIEKE IDEEËN IN ANTROPOSOFISCHE SCHIJNWOORDEN VERPAKT” ‘objectieve’ stukjes kan plaatsen in een encyclopedie, lijkt mij meer dan bedenkelijk.

Voor de laster, list en leugen van de Jonghe/Verachtert, zie:

‘Focus op Antroposofie’ gefocust
‘Focus op steinerscholen.com’ gefocust
Kritiek op de vrijeschool

In september 2018 zijn er in het artikel over de vrijeschool op Wikipedia veranderingen aangebracht die veel meer recht doen aan de realiteit.
.

Opspattend grind: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

880-811

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Faraday

.

Michael Faraday

.
De grote onderzoeker op het gebied van het verband tussen het magnetisme en de elektriciteit

In 1796 stond in het hartje van een van de vuilste wijken van Lon­den een groezelige smidse. Een ventje van vijf jaar keek naar zijn vader, die met zijn hamer het witgloeiende ijzer smeedde.
Dat ventje was Michael Faraday. Zijn vader was veel te zwak voor het zware werk van een smid en verdiende nauwelijks de kost. Mi­chael was dan ook ondervoed en mager en toen hij dertien jaar was, moest hij zelf de kost gaan verdienen en werd tot zijn geluk aange­nomen als loopjongen in een boekhandel. Een jaar later werd hij leerjongen bij een boekbinder en zo had hij al die tijd gelegenheid boeken te lezen.

Op zekere dag kreeg hij opdracht van een klant een aantal afleverin­gen van een encyclopedie in te binden. Faraday bond de afleverin­gen niet alleen in, maar bestudeerde ze ook, vooral de artikelen, die betrekking hadden op elektriciteit. Zo werd die boekbinderswerkplaats zijn universiteit. Als hij iets niet begreep, vroeg hij de klanten om uitlegging en ze schepten behagen in zijn intelligente vragen. Bij een van die gelegenheden gaf een klant hem een kaartje, om een lezing van Humphrey Davy bij te wonen.

Dolblij ging Faraday naar de lezing van de beroemde geleerde. Hij had papier en potlood meegenomen en maakte ijverig notities over de lezing van de uitvinder van de davyveiligheidslamp voor mijn­werkers. Thuisgekomen was Faraday tot laat in de nacht bezig met het uitwerken van zijn notities en het maken van schema’s. De vol­gende dag nam hij een kloek besluit en stuurde alles aan Davy met het nederig verzoek, of de grote geleerde hem wilde zeggen, welke fouten hij had gemaakt. Davy vond zijn aantekeningen zo goed en was zo verrukt over de duidelijkheid van de aantekeningen en de schema’s, dat hij hem onmiddellijk uitnodigde met hem te komen praten.

Met kloppend hart stond de jonge Faraday de volgende dag voor Humphrey Davy. Het resultaat van dit eerste onderhoud was, dat Faraday in het jaar 1813 – hij was toen tweeëntwintig – amanuen­sis werd op het laboratorium van Davy tegen een salaris van vijftien gulden per week. Hij leerde daar misschien meer dan hij als gewoon student op de universiteit zou hebben geleerd. In datzelfde jaar be­zocht Davy de beroemdste universiteiten van het vasteland van Eu­ropa en nam Michael Faraday als assistent mee. Dat was de beste leerschool, die Faraday zich ooit had kunnen wensen, want samen met Davy bezocht hij de universiteiten van Parijs, Genua, Florence, Rome, Napels en Genève. Ze kwamen daar iedere dag in contact met de knapste mannen en Faraday gaf zijn oren goed de kost.

Hij had het natuurlijk ontzettend druk als assistent van Davy, maar vond toch tijd om zijn dagboek zorgvuldig bij te houden. Daarin noteerde hij alles, wat hem maar van belang leek: zijn reiservarin­gen, zijn eigen werk, de experimenten van Davy, de transportmid­delen, de natuurtaferelen, zijn indrukken van de beroemde mannen, met wie ze omgingen, hun opmerkingen over de politiek, al voegde hij er bij, dat hij zich daar niet druk over maakte. Eens reed Bona­parte hem voorbij, maar hij maakte daarvan slechts een korte notitie. In 1816 publiceerde Faraday een verhandeling over kalk, zijn eer­ste wetenschappelijke artikel. Van dat ogenblik af schreef hij meer en meer en verwierf een steeds groter naam. Hij schreef dikwijls dingen, die regelrecht ingingen tegen de meningen van geleerden, die als een autoriteit op hun gebied golden, maar wat hij beweerde, was altijd steekhoudend. In 1823, op zijn tweeëndertigste jaar, werd hij lid van de Royal Society en op zijn drieëndertigste jaar hield hij voordrachten voor dat hoge college.

Faradays naam was inmiddels zo gevestigd, dat hij veel geld ver­diende als adviserend chemicus. Het enige, waarvoor hij zich echter werkelijk interesseerde, was de zuivere wetenschap en daarom gaf hij op den duur alle bijverdiensten op. Hij weigerde zelfs een professo­raat aan de universiteit van Londen, op grond van de overweging, dat hij zich dan niet meer geheel aan zijn studie zou kunnen wijden. De Royal Society begreep, dat hij op die manier belangrijker werk zou kunnen doen en stelde hem in staat al zijn tijd te besteden aan de wetenschappelijke onderzoekingen, die hem het belangrijkste toe­schenen.

Ongeveer in dezelfde periode, dat Faraday naam begon te maken in de wetenschappelijke wereld, ontdekte Hans Oersted, een Deen, de verwantschap tussen elektriciteit en magnetisme. Faraday was opge­togen over deze ontdekking en begon onmiddellijk allerlei toestellen te construeren, om er achter te komen, welke invloed een magneet op elektriciteit heeft, en welke uitwerking elektriciteit op een mag­neet. Hij begon daarom te experimenteren met een elektrisch geladen draad en een magneet. Daarbij construeerde hij nu eens bewegingen in de draad en dan weer in de magneet en daarmee had hij het grond­beginsel ontdekt, waarop nu de elektrische motoren berusten.

Tien jaar, nadat Faraday tot de ontdekking was gekomen, dat hij een elektrisch geladen draad om een magneet kon laten draaien, kwam hij op de gedachte, dat een elektrische stroom een andere elektrische stroom kon verwekken in een afzonderlijke stroomkring. Uitgaande van die gedachte slaagde hij er in betrekkelijk korte tijd in, het beginsel uit te werken, waarop alle elektrische generatoren en transformatoren berusten, Zijn ontdekking heeft een volslagen omwenteling veroorzaakt in de technische industrieën over de gehe­le wereld.

In de dagelijkse omgang was Faraday een vriendelijk en bescheiden mens met een religieuze aanleg. Op het toppunt van zijn roem schreef hij: ‘Onze natuurwetenschap, die ons al deze dingen leert, moet erop gericht zijn ons indachtig te doen zijn aan Hem, die deze dingen heeft geschapen.’

In de laatste jaren van zijn leven leed Faraday veel aan hoofdpijnen en duizeligheid en ook liet zijn geheugen hem in de steek, zodat hij soms dezelfde proeven enige malen achter elkaar deed. Op zijn eenenzeventigste jaar hield hij zijn laatste voordracht. Lang tevoren had de Engelse regering hem al een jaargeld gegeven en koningin Victo­ria had hem een huis geschonken.

Hij stierf in 1867, op zijn zesenzeventigste jaar, zittend in zijn stoel, alsof hij rustig aan het werk was.
.

8e klas vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

8e klasalle artikelen

Algemene menskundeleeftijd 14 – 21 jaar

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

879-810

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 6e, 7e, 8e klas – breinbrekers

.

 

HET CAUSALE DENKEN TEGEN HET 12e JAAR
.

Er zijn heel watgewone raadsels; rekenraadsels en daarnaast ook de zgn. breinbrekers.

Vanaf klas 6, maar zeker daarna, kunnen ze de leerlingen letterlijk aan het denken zetten.

Ik kon er een poosje geleden zelfs een toepassen in de praktijk.

Ik ben een fervent wandelaar en trek er regelmatig een hele dag op uit om op de ‘lange-afstands-wandelpaden’ Nederland te doorkruisen.
Zo liep ik langs een vrij breed kanaal. Aan de overkant zat een visser die op het punt stond met zijn werphengel in te gooien. Hij riep mij toe of ik kon schatten hoeveel meter uit de kant ‘hij neerkwam’. Het was een zonnige dag en ik had een hoed, met rand, op. Ik moest een paar handelingen verrichten, maar kon hem na een minuut toeroepen dat hij 3 meter van de kant was neergekomen.
Hij kon ik dat weten?

Simpelweg omdat ik een breinbreker kende met de volgende opgave:

[1]
HOE BREED IS…..
Hoe kun je berekenen hoe breed een rivier is, als je aan de oever staat. Dat je een pet met een klep op hebt, is wel een voorwaarde, maar meer heb je dan ook niet nodig.

Trek de klep van de pet zo ver naar beneden dat de rand de overkant van de rivieroever ‘raakt’. Blijf net zo rechtop staan als je al stond en draai een kwartslag naar links/rechts. Nu ‘raakt’ de rand van de klep de grond (pad, dijk, weg enz) Dat punt moet je fixeren. Vanaf de plaats waar je stond tot aan het gefixeerde punt meet je de afstand. Dat is de afstand van de breedte van de rivier.

[2]
Overbekend is het probleem van DE WOLF, DE KOOL EN DE GEIT
Jij moet die in een bootje naar de overkant van het water brengen. Zitten de wolf en de geit bij elkaar, dan gaat het mis: de wolf vreet de geit op; net zo wanneer de geit en de kool bij elkaar zijn: de geit vreet de kool op. Hoe kom je aan de overkant?

Wanneer je dit met leerlingen ‘speelt’, vinden ze de oplossing vrij snel, omdat ze in een concrete situatie zijn. Maar dat probleem denkend, d.i. abstract oplossen – ook zonder tekenen – is veel moeilijker. Je krijgt hier overduidelijk te maken met oorzaak en gevolg en het daarbij behorende uitgangspunt: stel dat….., dan…..Enz.

1) Stel dat je eerst de kool naar de overkant brengt. Gevolg: geit en wolf samen: gaat niet. Stel: eerst de wolf naar de overkant. Gevolg: geit en kool samen: gaat niet. Dus: eerst de geit. Kool en wolf blijven samen achter.
2)Dan: stel: nu de kool. Gevolg: wolf blijft alleen en de kool komt bij de geit; dat laatste kan niet, tenzij je de kool weer mee terug neemt. Maar in die situatie was je al.
Dan moet je dus als tweede de wolf overzetten. Gevolg: die komt bij de geit, dus de geit moet mee terug.
3)Die laten we achter, want we moeten nu de kool wegbrengen. Aan de overkant wordt die door de wolf niet opgegeten, dus kunnen we veilig de geit gaan halen.

Bij 2 kun je ook de geit weer mee terugnemen. De kool blijft dan alleen en daarbij komt de wolf, tenslotte haal je de geit weer.

[3]
Een VARIATIE  op  de ‘de geit, de kool en de wolf’ is deze:

Na een gevaarlijke reis door de jungle komen 3 zendelingen en 3 koppensnellers aan bij een rivier die dwars door het oerwoud stroomt. Er ligt één bootje aan de kant, dat plaats biedt aan slechts 2 personen maximaal. 1 van de zendelingen en 1 van de koppensnellers kunnen roeien. Maar de koppensnellers willen de zendelingen graag een kopje kleiner maken. Daarom mogen deze op geen van de oevers in de minderheid zijn. De koppensnellers zijn er zeker van dat ze de zendelingen te pakken krijgen en beloven te doen wat ze vragen. Hoe spelen de zendelingen het klaar uit de handen van de koppensnellers te blijven,

Vertreksituatie:  de hoofdletter is de roeier

Kkk Zzz

1e actie:                             K k →
Resultaat: k Zzz                                                                   k                                                                 ←K

2e actie:
k Zzz                                 Kk→                                            k

resultaat:
Zz                                                                                           k k
←K
3e actie:
Kz                                        Zz                                          k k
resultaat:
Kz                                                                                           zk k
Dit kan niet: 2 k eten de z, dus:

4e actie:
Kz                                         ←Z k                                         zk
resultaat:
K z Z k                                                                                     zk

5e actie:
K k                                        z Z→                                          zk
resultaat:
K k                                                                                            zkz
6e actie:
K k                                    ←Z                                                 zkz

7e actie:
k                                        K Z→                                             zkz
resultaat:
k                                                                                                zkzZ
←K
8e actie:
k K→                                                                                        zkzZ

resultaat
Kkk Zzz

[4]
Nog een VARIATIE
5 volwassenen en 2 kinderen komen bij een brede rivier die zij moeten oversteken. In de roeiboot die er ligt is slechts plaats voor 1 of 2 kinderen of 1 volwassene. Voor 1 volwassene + 1 kind is de ruimte onvoldoende. Toch bedenken ze een manier om aan de overkant te komen…

Eerst roeien de twee kinderen naar de overkant. 1 kind blijft achter, het andere roeit terug. Daarna roeit de eerste volwassene alleen naar de overkant. Het kind dat daar nog was roeit terug en vervolgens roeien beide kinderen weer naar de andere kant. Op deze manier komt iedereen veilig aan de overkant.

[5]
RANGEREN

breinbreker rangeren


Bij de remise staan twee trams, een gele (C) en een rode (B). De ene heeft 2 bijwagens, een blauwe (D) en een paarse (E), de andere 1, een witte (A). Zij moeten elkaar passeren en daarbij gebruikmaken van het zijspoor. Nu is het zo, dat dat zijspoor maar net lang genoeg is voor óf een tram óf voor een bijwagen. Hoe bereikt de rangeerder met zo weinig mogelijk handelingen dat de trams elkaar passeren en wel met hun eigen bij- wagen(s). Je moet weten, dat de trams voor en achteruit kunnen en dat ze kunnen duwen en trekken.

Oplossing:
B rijdt met A naar achteren. C koppelt D en E los en rijdt voorbij de wissel, dan het zijspoor op. B rijdt met A tot aan D en E. C gaat op de plaats staan waar A en B stonden. Aan A-B worden D-E vastgemaakt. Ze rijden terug voorbij het zijspoor. Hierop wordt E geparkeerd. A-B-D rijden weer terug en C haalt E van het zijspoor en rijdt weer terug. A-B-D rijden weer terug voorbij het zijspoor, daarop wordt D geparkeerd. A-B rijden weer naar voren en C haalt D van het zijspoor. Beide koppels zijn elkaar gepasseerd en kunnen verder.

[6]
LIJNEN

raadsel 1

Verbind deze 5 punten met 3 rechte lijnen. De lijnen mogen elkaar niet kruisen.

Wie zo’n vraagstuk voor het eerst ziet, is geneigd ‘braaf’ de punten te volgen. Maar dan lukt het niet. Je moet hier letterlijk buiten de kaders denken – ‘out of the box’. Dat vraagt – ook weer letterlijk – een ruimer denken.

raadsel 2

Zo staat zo’n opgave ineens voor veel meer, dan simpelweg oplossen: het is een appel aan het creatievere denken; het denken langs andere wegen; vanuit andere perspectieven enz.

[7]
Het  ‘buiten de kaders’ denken, is ook nodig om dit vraagstuk op te lossen:

PUNTEN EN LIJNEN

16 punten in rijen van 4. Hoe verbindt u met 6 rechte lijnen alle 16 punten met elkaar zonder ook maar één keer uw pen van het papier te tillen? Lijnen mogen elkaar kruisen, kunnen door meerdere punten gaan, maar als lijn mogen ze elkaar niet overlappen.

raadsel 3

Oplossing

raadsel 4

Variant

Hoeveel vierkanten kun je tekenen zonder je potlood op te tillen. Je mag niet 2x over dezelfde lijn.

Oplossing:

[8]
NAAR DE GARAGE

Een chauffeur verwisselt een wiel, maar alle 4 de wielmoeren rollen in een put
Hij zal nu naar een garage moeten. Met de auto. Dat lukt hem. Hoe?

Het 4e wiel kan er aangezet worden door van de 3 andere wielen 1 moer te halen en met deze 3 moeren kan het 4e wiel worden vastgezet. En dan met
(aan)gepaste snelheid naar de garage!

[9]
WAT ZEI DE WIJZE WOESTIJNREIZIGER

Twee woestijnreizigers komen bij een oase. Daar ontmoeten zij iemand die zegt dat er nog maar net water is voor één persoon. De twee spreken af dat de eigenaar van de kameel die het laatst bij de oase is, het water krijgt. Beiden blijven lang staan tot er een wijze man langs komt. Ze stijgen af. De wijze fluistert hen iets in het oor. Daarna springen zij op een kameel en rijden zo hard als ze kunnen naar de oase.

Wat heeft de wijze gezegd?

Door ‘scherp’ te lezen zie je, dat ze niet op ‘hun’ kameel, maar op ‘een’ kameel springen.
Dat was de opdracht van de wijze: ‘neem de ander z’n kameel (en rij zo snel als je kunt’)

Wie als eerste aankomt, weet dat zijn eigen kameel de laatste is: de eigenaar daarvan – de winnaar dus – krijgt het water.

[10]
WIE ETEN HET MINST?

Witte honden eten meer dan witte katten. Zwarte honden eten meer dan witte honden. Zwarte honden eten minder dan zwarte katten. Welk huisdier eet het minst?

Oplossing:

Witte honden eten meer dan witte katten: dus de witte katten eten na deze zin het minst;
Zwarte honden eten meer dan witte honden: dan de zwarte honden ook meer dan de witte katten: die eten nog steeds het minst;
Zwarte honden eten minder dan zwarte katten: dan kunnen de laatste niet het minst eten en blijven dus de witte katten over.

[11LIJNEN TREKKEN

Probeer deze vorm te tekenen zonder dat de pen van het papier af gaat en zonder twee keer over dezelfde lijn te gaan

breinbreker 1

 
 
breinbreker 1 OPL
 
.
verbind deze 9 punten met vier rechte lijnen waarbij de ene lijn de volgende moet raken. De pen mag niet van het papier af.
 
breinbreker 2
.
 
 
breinbreker 2 OPL
 
.

[12] HOEVEEL POOTAFDRUKKEN?

Een os ploegt de hele dag een veld om. Hoeveel pootafdrukken laat hij in de laatste voor na?

Het gaat hier om ‘de praktijk van het leven’, m.a.w. wat gebeurt er in werkelijkheid.

De ploeg achter de os gooit alle aarde, dus ook die met de pootafdrukken van de os, om. Hij kan dus geen pootafdrukken achterlaten.

.

[13] HOEVEEL PER DAG?

Een man heeft 300 varkens en geeft opdracht dat de varkens moeten worden geslacht. Een oneven aantal per dag en dat drie dagen lang. Zeg hoeveel varkens er iedere dag moeten worden geslacht.

Om tot het antwoord te komen, moet een klas of een leerling al iets weten van rekenwetmatigheden.

Hier bijv. dat 2 oneven getallen bij elkaar opgeteld een even getal opleveren. Dus 3 oneven getallen weer een oneven (3 + 5 = 8;  8 + 13 = 21)

Dat betekent dat uit het gegeven van de vraag hierboven: oneven aantal x 3 blijft een oneven aantal. 300 is echter even. M.a.w. de opgave kan niet worden uitgevoerd, dus niet worden uitgerekend.

.

[14] HOE KAN DAT?

Jan, Piet en Roger gaan naar een café.
Jan neemt zijn nicht mee, die hem in de winkel een handje helpt.
Piet is twee jaar weduwnaar. Hij neemt zijn dochter mee, die hem in de huishouding bijstaat.
Roger neemt zijn vrouw mee.
Eenmaal in het café bestelt Jan voor ieder een drankje.
Even later komt de ober met vier glazen op zijn dienblad.

Ieder proost.

Hoe kan dat?

Oplossing:
De nicht, de dochter en de vrouw zijn een en dezelfde persoon

Ingestuurde reactie:
Ridzerd

De dochter van Piet is getrouwd met Roger en Jan is een oom van de dochter van Piet.

.

[15PIZZA-ETEN

Drie vriendelijke dames gaan, elk vergezeld van twee dochters, een pizza eten. In het restaurant vragen zij naar een tafel met 7 stoelen. En bestellen 7 pizza’s. Even later zitten alle dames heerlijk te eten. Hoe kan dit?

De drie dames zijn een moeder met twee dochters. Die dochters hebben ieder ook twee dochters, dus ze zijn met 7 personen.

[16]  WIE IS HET?

Het is een broer van mijn broer, maar toch is hij geen broer van mij.
Ik heb ook geen halfbroers.

Ik, de spreker, ben het zelf.
.

[17]  ONTBREKENDE LETTERS

In onderstaande reeks ontbreken in de twee laatste witte cirkels de letters die met de gegeven letters een reeks vormen.

Wat zijn de ontbrekende letters?

breinbreker 3

Het woord ‘reeks’ kan er toe leiden aan bekende reeksen te denken, bijv. het alfabet; de maanden van het jaar: j-f-m enz. De dagen van de week. Of zoals hier: een, twee drie: e-t-d. De ontbrekende letters zijn dus de A van acht en de N van negen.

[18] LUCIFERRAADSEL

1)

Er bestaan veel ‘luciferspelletjes’.

Je moet goed waarnemen en ‘vooruit’ denken: het vóór je zien!

Dat valt nog niet mee. Vaak wordt de methode ‘gissen en missen’ toegepast: maar wat proberen, tot er (ineens) de oplossing ligt.

Een ander probleem is: kinderen en lucifers – in een luciferdoosje!
Het lijkt me goed dat je als leerkracht voor de doosjes zorgt en uitdeelt en weer ophaalt, zodat de kinderen niet zelf met lucifers van huis hoeven komen (tenslotte weet je het nooit….)
Maar ook in de klas kunnen lucifers op kinderen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefenen.
Wie eens, het liefst per ongeluk, een vonk in een luciferdoosje kreeg, terwijl je dit vasthield, weet wat voor een steekvlam dit geven kan en dat in de paniek het brandende doosje wordt losgelaten, met eventuele gevolgen.

Dus is het goed dat te demonstreren en even stil te staan bij ‘brandgevaar’.
En laat de kinderen één keer een lucifer afstrijken, dan is die spanning waarschijnlijk wel weg.

.

luciferraadsel-1

 

.

luciferraadsel-1a
luciferraadsel-4a
luciferraadsel-4b
luciferraadsel 3B 2

Maak de som kloppend door 1 of 2 lucifers een andere plaats te geven en/of weg te nemen:

Oplossing:

.

2)

PIRAMIDEN WORDEN RUITEN…

Verplaats 5 lucifers en maak van de piramiden   3  ruiten

.
3)

luciferraadsel-3a

DE PAARDENSTAL

Een manegehouder bezit acht paarden. Elk paard is omgeven door 4 hekken. Maar dan worden er ’s nachts 3 hekken gestolen. Hoe moet de manegehouder de hekken plaatsen, zodat zijn 8 paarden nog steeds door 4 hekken omgeven zijn?

luciferraadsel-3b

4)

Leg 9 lucifers neer, zoals op het plaatje is aangegeven. Verleg dan 4 lucifers zó, dat er tegelijk liefst 5 driehoeken ontstaan, die onderling qua grootte mogen verschillen.

5)

Haal 6 lucifers weg en laat daardoor twee vierkanten ontstaan van de overgebleven lucifers:

Je kan hierin 2 grote vierkanten waarnemen van 2 bij 2 lucifers; die ieder bestaan uit 4 vierkanten; nu maakt het niet uit of je de ‘bovenste’, dan wel de ‘onderste’ gebruikt. Haal daar 4 lucifers uit. Nu zijn de 4 vierkanten verdwenen en is alleen dit grote vierkant over. Je moet nog 2 lucifers weghalen en daarmee 1 vierkant overhouden: je moet immers 2 vierkanten laten ontstaan. Of je nu boven of beneden 2 lucifers die een hoek vormen, weghaalt, maakt niet uit. Er verdwijnt een vierkant door en nu zijn er nog 2.

6

Maak de som kloppend door 2 lucifers een andere plaats te geven:

Oplossing 

19BREIEN

Twee moeders en twee dochters breien enthousiast aan babybroekjes. Ieder maakt zijn breiwerk af, maar vreemd genoeg zijn er daarna maar 3 babybroekjes af. Wat is er aan de hand?

Oplossing:
Eén van de moeders is ook de dochter van de andere moeder. Ze zijn dus met z’n drieën.

20) HOE KAN HET?

Twee kinderen zijn in hetzelfde jaar geboren, op dezelfde datum en dezelfde moeder schonk ze het leven. Zo op het oog dus een tweeling. Maar nee!

Oplossing:
De twee kinderen zijn een deel van een drieling.

21) DAAR VRAAG JE ME WAT!

Welke eenvoudige vraag kun je naar waarheid met ‘ja’ en ‘nee’ beantwoorden?

Oplossing:

Weet jij een ontkenning van drie letters?

(Als je er een weet, kun je ‘ja’ antwoorden; als je er geen weet, antwoord je met ‘nee’, maar met dit antwoord heb je tòch een antwoord gegeven: nee is een ontkenning van drie letters!)

22) HOE KAN DAT?
Naast elkaar staan twee mensen naar een sportwedsrijd te kijken. De één is de vader van de dochter van de ander. Hoe is dat mogelijk?

Oplossing:

Het betreft hier een echtpaar

.

23) WIE SPREEKT DE WAARHEID?

Hans, Piet en Roger hebben al dagen woorden met elkaar. Hans zegt dat Piet liegt. Piet zegt alsmaar dat Roger liegt. Roger houdt vol dat Hans en Piet liegen. Door logisch nadenken vindt u de oplossing van de vraag: wie liegt niet?

Dit is een (te?) moeilijke opgave.

Je moet redeneren:
Als Hans de waarheid spreekt, liegt Piet en dan zou Rogier niet liegen en dus de waarheid spreken. En die is dat Hans liegt.

Als Rogier de waarheid zou spreken, klopt zijn uitspraak over Hans niet omdat Hans beweert dat Piet liegt en zou Hans werkelijk liegen dan moet Piet de waarheid spreken terwijl deze nu juist zegt dat Rogier liegt. Roger liegt dus ook.
Piet liegt niet.

.

24) BIJZONDERE GETALLEN

1961 is een jaartal dat wanneer je het op z’n kop zet, weer 1961 is.

Welke 3 eerstkomende jaren hebben dat ook?

Je ziet meteen dat het iets met 1, 6 en 9 kan zijn.

6119;  6969; 9116

Je kan ook de 8 mee laten doen, maar sommige kinderen hebben die geleerd met het bovenste bolletje kleiner en consequent gedacht, kun je dan niet omkeren; dat moet je dus afspreken.    6889   8698   8968

Je kunt de som nog verder uitbreiden door ook vóór 1961 te zoeken, dat kan met en zonder 8                        1691       1881

25) DE WERELDKAMPIOEN SCHAAKMAT

Een jongeman die nog maar net met schaken was begonnen trof bij toeval de wereldkampioen. Hij raakte met hem in gesprek en daagde de wereldkampioen uit met de woorden: ‘Speel met mij twee partijen tegelijk en ik garandeer u dat u niet beide partijen van mij wint.’
De wereldkampioen lachte schamper en liet twee schaakborden klaar zetten.

Ieder speelde eenmaal met wit, terwijl de wereldkampioen begon. Inderdaad bleek de beginner gelijk te hebben. Wat deed hij?

Oplossing:
Wie begint, begint met wit. De wereldkampioen begon dus met wit. Op het tweede bord begon de jongeman met wit, maar nadat de wereldkampioen was begonnen. De jongeman kon dus de zetten van de kampioen precies nadoen en zou deze winnen, wat voor de hand ligt, verliest hij toch de andere partij.
.
26HOEVEEL BALLEN MINIMAAL?

In een jutezak zitten 30 ballen in zes verschillende kleuren. Hoeveel moet je er minimaal in één keer uit de zak nemen om er zeker van te zijn dat je minstens 4 ballen  van dezelfde kleur hebt.

Oplossing:
Stel dat je er 6 pakt. Dan kun je geluk hebben en al 4 dezelfde kleuren hebben. Maar in het andere (ergste) geval, heb je er van iedere kleur maar één. Herhaalt zich dat 3x dan heb je van iedere kleur wél 3 dezelfde. Dan hoeft er nog maar 1 bal bij, onwillekeurig de kleur.

In één greep dus 3 x 6 + 1= 19

.
27IN ACHTEN

Een boer heeft een stuk land dat er uitziet als op de tekening. Hij is oud en wil het land eerlijk verdelen onder zijn 8 zoons. Na enig gepeins slaagt hij daarin. U ook?
De korte zijden zijn 1 cm, de lange 4 cm.
oplossing:

De zijden, zonder de afwezige ‘hoeken’ zijn 6 bij 6 = 36 cm2. 

Dus, die vier hoekjes eraf: er blijven er 32 over. Gedeeld door 8 = ieder 4 cm.

Die kun je op verschillende manieren intekenen:

O.a. zo:

maar iedere combinatie van 4 hokjes is mogelijk.

Maar iedere verdeling is niet even logisch. Hier kun je iets over ‘ruilverkaveling’ aan vastknopen, bijv.

28) VERDEEL in vieren

Een tuinder wil zijn grond zó verdelen dat hij voor zijn radijsjes, aardappelen, graan en bonen een even groot, gelijkvormig stuk grond kan bebouwen. Inderdaad lukt het hem de grond in 4 even grote, gelijkvormige delen op te splitsen. U ook?

Omdat je moet verdelen, zul je te maken krijgen met breuken.

Je moet 4 verschillende producten kwijt op 3 helen ( verleng de verticale en horizontale halve lijn in het midden. Als je 4 producten op 1 hele wil zetten, is die ene hele 1/3  van al het land. Daarop 4 producten, betekent ruimte voor ieder product van 1/3  : 4  = 1/12.

Je hebt echter 3 helen, dus op iedere hele kunnen 3 x 1/12.

Dat kan nog op veel verschillende manieren. Logische, maar ook onlogische. Die moeten de leerlingen vinden.

Het meest logische is natuurlijk dat de afzonderlijke gewassen aaneengesloten staan
bijv:

een aanleiding om over ruilverkaveling te spreken, bijv.

29) VERDEEL

Deze opgave heeft iets van de vorige (27, 28)

Een ridder bezit een flink stuk land dat 4 bij 8 km meet. Hij wil het onder zijn 4 zonen verdelen waarbij ieder een even groot stuk krijgt. Er staan nog 4 bomen in en iedere zoon krijgt op zijn stuk grond ook een boom. De onderste boom op de tekening bevindt zich 500 m van de landbegrenzing (onder) en de bomen daarboven op resp. 1500, 2500 en 3500m. Ze staan alle 1500m verwijderd van de linker landbegrenzing. Hoe kan die verdeling eruit zien?

Oplossing:

Net als bij de vorige som ligt de oplossing voor het grijpen wanneer je de grond in vierkante (kilo) meters verdeeld. De aanwijzing over de afstand van de bomen betekent dat iedere boom in een vierkant staat. 4 x 8 = 32. Iedere zoon krijgt dus 8 vierkanten, waarbij ieder dan een ‘boomvierkant’ krijgt.

Uiteraard zijn er verschillende oplossingen.

Deze opgave vind je ook als vierkant getekend. Het principe blijft gelijk.
Je kunt hem moeilijker maken door nog te eisen dat alle stukken eenzelfde vormen moeten hebben. Door de stukken te kleuren wordt het zichtbaarder.

30) HOEDENRAADSEL

3 geblinddoekte mannen staan bij een kartonnen doos waarin 4 hoeden liggen: 2 zwarte en 2 witte. Ieder pakt een hoed en zet ‘m op. Ze gaan achter elkaar staan en mogen de blinddoek afdoen. Nu wordt aan alle 3 gevraagd wie er zeker van is dat hij een witte hoed draagt.

Nr. 3 zegt dat hij het niet weet. Nr.2 zegt: ‘Ik niet!’. Dan weet nr. 1 dat hij een witte hoed op heeft.  Hoe?

Oplossing:

Nr. 3, de achterste, ziet de kleur van de 2 hoeden voor hem. Zouden die alle twee zwart zijn, dan heeft hij een witte. Zouden ze alle twee wit zijn, dan draagt hij een zwarte. Hij weet het niet, zegt hij. Dat betekent dat nr. 1 en 2 of wit-zwart of zwart-wit moeten hebben. Die conclusie trekt nr.2 ook, maar ziet wel de kleur van nr. 1. Omdat nr. 2 zegt, geen witte hoed te dragen, weet nr.1, die dezelfde conclusie trok als nr.2 wat nr. 3 betreft, dat hij dan de witte op moet hebben.

WIE DE HOED PAST……
Drie jongens staan geblinddoekt bij een doos waarin vijf hoeden liggen: twee zwarte en drie witte. Ieder pakt een hoed en zet hem op. Ze gaan achter elkaar staan en zetten hem op. Vervolgens doen ze hun blinddoek af. De eerste ziet de twee voorste, de tweede ziet de voorste. Nu wordt aan ‘alle drie gevraagd wie er een witte hoed op heeft. Wie zeker is dat hij een witte hoed op heeft mag het zeggen. Het blijft even stil. Dan zegt de voorste: ”Ik heb een witte hoed op.’
Hoe kan hij dat weten.

Oplossing:
De eerste – dat is hier de achterste in de rij – ziet wat de jongens vóór hem op hun hoofd hebben. Zouden die allebei een zwarte hoed dragen, dan had hij een witte. Kennelijk is dat niet zo, want hij zwijgt. Nummer 2 redeneert: ‘Wanneer de achterste niets zegt dan moeten de twee voorste of een zwarte en een witte of twee witte hebben. Hij zegt niets, waardoor de voorste die hetzelfde redeneert nu weet dat hij de witte op moet hebben.

31) HOEVEEL SOKKEN

In een mand liggen 100 sokken: 50 witte en 50 rode. Als je in het donker een paar van dezelfde kleur wil pakken, hoeveel sokken moet je dan minimaal uit de mand halen?

Oplossing:

als je 2 sokken pakt, kun je al geluk hebben en 2 dezelfde pakken; maar je kunt 1 witte en 1 rode hebben. Als je er dan nóg 1 pakt, of die nu rood of wit is, heb je altijd een paar van dezelfde kleur. Dus: minimaal 3 sokken.

32) MAATBEKER
Je hebt een langwerpig 4-literblik, het is nergens rond, dat helemaal vol zit met vloeistof. Probeer daaruit precies twee liter te krijgen zonder maatbeker o.i.d. Je hebt alleen een emmertje dat groot genoeg is.

Oplossing: neem de emmer, giet uit het blik door het schuin te houden zoveel vloeistof in de emmer dat het niveau in het blik op zeker ogenblik ‘waterpas’ staat van bijv. linksonder in de hoek tot rechtsboven aan het uiterste randje. Dan is er precies de helft = twee liter uit (of er nog in).

 

33) WELKE KNOOP

Welke knopen zijn echte knopen?
Kun je, al waarnemend, de trekbeweging uitvoeren en zien of het een echte knoop betreft?
Ter controle kun je de leerlingen een touwtje geven om de knoop eerst te leggen (op zich al een goede waarnemingsoefening) en dan ter controle, trekken.

.

De enige echte knoop is   C

.

[34] PARKEREN
Een auto (nummer een ) staat geparkeerd in een garage. Na zijn werk wil de bestuurder eruit. Gelukkig dat de andere auto’s niet op de handrem staan. Hoe moet hij de auto’s verplaatsen om er uit te komen?

Als je niet meteen overgaat om de auto’s in de vorm van bijv. lego- of dominostenen, paperclips e.d. te leggen en dan maar proberen, maar visueel je probeert voor te stellen hoe je moet schuiven, zal je merken dat dit een moeilijke concentratie-oefening is. De oplossing die je zo vindt, zal je toch met voorwerpjes willen controleren.

Oplossing:

De chaos op het parkeerterrein zo eens aankijkend, is het wel meteen duidelijk dat 10 weg moet en dat kan alleen als 13 en 14 naar voren gaan. Dan moet 12 wegkunnen en dat kan alleen als 11 ook naar voren gaat, maar ja, 5 staat in de weg; als 4 nou weg zou zijn, kan dat, maar 4 wordt geblokkeerd door 3, maar die kan naar links, dus eerst die maar eens verplaatst. Nu 4 naar voren. En 5 geheel naar rechts. Nu kan 11 helemaal naar voren. 12 is al aardig vrij, maar 6 staat nog in de weg, maar die kan naar voren. Als nu ook 7 naar voren rijdt, kan 12 helemaal naar links. 8 kan nu ook naar links. 13 en 14 kunnen vooruit; 10 kan helemaal naar rechts waardoor de uitgang vrij is.

[35] VELDEN KLEUREN

Je hebt een vierkant met 16 velden.
4 velden moeten ingekleurd worden met blauw,
3 velden met rood, 3 met paars, 3 met wit en 3 met geel.
Op een horizontale, verticale en diagonale lijn mogen geen 2 dezelfde kleuren staan.

Hoe kan het vierkant worden ingekleurd?

Oplossing:

Strategie van Inez van der Haer (via Facebook):
Blauw op de hoeken plaatsen lukt uiteraard niet binnen de gegeven regels. Vandaar verschoven, elk 1 plek opzij tegen de klok in. Overige 4 kleuren: handig om deze alle 4 in ’t midden te zetten, weet je zeker dat het daar goed staat. Toen per kleur de vertikalen/horizontalen en diagonalen weggestreept die niet meer mogelijk waren…wordt de oplossing vanzelf zichtbaar. Ik vind vooral de ‘paardensprong’ opvallend tussen de vakjes met dezelfde kleur (1 opzij en 2 vooruit).

Paardensprong: mooie ontdekking!

Deze oplossing levert er nog 3, door de figuur steeds te draaien.

En dan zijn er nog meer mogelijkheden:

die je ook weer kunt draaien.

Bestaat er een formule om te kunnen uitrekenen hoeveel mogelijkheden?

[36] IN ÉÉN KEER

Teken dit zonder je potlood van het papier op te tillen:

Dat kan nooit als je niet iets ‘extra’ doet. Maar wat?
‘Out of the box’ is weer de kreet. Zie bijv. breinbreker 6 en 7, hoewel deze toch weer anders is.

Oplossing:

Neem een vel papier en vouw horizontaal vanaf de onderkant – daar komt de vouw – een stukje, kleiner dan de helft, om. De rand van het omgevouwen stukje vormt a.h.w. een rand op het papier eronder. Neem pen of potlood en begin

op het niet gevouwen stuk naar de rand van de vouw met de 1 – omhoog, steel omlaag tot vouw. Ga over de vouw door met een boogje, passeer de vouw weer en maak de 0 en dat drie keer, ga over de vouw met een grote halve boog om de nullen en de 1 heen tot aan de vouw links naast de 1 en sla de vouw terug, maak de boog af naar het punt naast de rechter 0: potlood of pen zijn niet van het papier geweest!

.

[37] BOEKJE

Vooruit denken is een heel ander proces dan op iets terugblikken. Het resultaat van het eerste is er nog niet, van het tweede wel. Over het laatste denk je dan nóg eens: achteraf, erna. Dat is deels de letterlijke opvatting van na-denken: de oorspronkelijke gedachte bestaat al.
In onze taal is ‘nadenken’ ook ‘erover’ (na) denken: dan is er nog geen resultaat – dat zou je dus ook ‘vooruit denken’ kunnen noemen. Je moet het resultaat denkend scheppen.

Kun je nu ‘vooruit denkend’ – dus zonder het concrete papiertje met de opgave,  dit probleem oplossen: kun je het voor je zien, doorzien?

Hoe kun je deze vorm vouwen zodat je een boekje krijgt dat precies goed genummerd is. Je mag knippen, maar geen pagina’s aan elkaar plakken.

Oplossing

Om te kunnen knippen, moet je vouwen, Neem het vel zoals het hier ligt. Vouw de rechterhelft naar de linker helft, zodat 5 op 2 ligt, 4 op 1 7 op 8 en 6 op 3.
Vouw nu de bovenste helft op de onderste: de 4 ligt nu op de 5 en de 7 op de 6. Plooi vervolgens de 4 en de 5 tussen de 6 en de 3 en vouw de 1 en de 2 onder de stapel. Knip de pagina’s los en het boekje is klaar.

[38] VOORUITDENKEN

Vooruit denken is een heel ander proces dan op iets terugblikken. Het resultaat van het eerste is er nog niet, van het tweede wel. Over het laatste denk je dan nóg eens: achteraf, erna. Dat is deels de letterlijke opvatting van na-denken: de oorspronkelijke gedachte bestaat al.
In onze taal is ‘nadenken’ ook ‘erover’ (na) denken: dan is er nog geen resultaat – dat zou je dus ook ‘vooruit denken’ kunnen noemen. Je moet het resultaat denkend scheppen.

Kun je nu ‘vooruit denkend’ – dus zonder eerst de stukjes los te knippen en dan op goed geluk maar leggen, dit probleem oplossen: kun je het voor je zien, doorzien?
Dat is echt niet zo makkelijk. Je kan de stukjes losknippen en dan tóch proberen ‘vooruit’ te zien en dat dan (stap voor stap) controleren.

Tip: als je het deel met de koppen als uitgangspunt neemt – neerlegt zoals hierboven, ontstaat er een vierkant dat met de punt naarboven wijst:

Oplossing:

0-0-0

39] DOOR EEN BRIEFKAART KRUIPEN

Er doen zich natuurlijk allerlei ogenblikken voor waarop je in je klas met iets verrassends kan komen.

Vanaf klas 3 is die verrassing groot, wanneer je de vraag stelt: kan jij door een ansichtkaart stappen.

Of door een A-4’tje.

Dat kan!  Hoe?

De oplossing vind je hier

Goed oefenen, zodat je het moeiteloos kan en dan met de kinderen oefenen die het geweldig vinden om daarmee thuis de show te stelen!

0-0-0

40] ZEVENSTER

Leg op een willekeurig punt van de ster een muntje, knoop o.i.d. en schuif hiermee langs een rechte lijn naar een andere punt. Nu een tweede op een onbezette punt en ook deze schuif je naar een vrij punt. Ga zo door tot je er zeven heb weggelegd en er nog één punt overblijft.

Oplossing:

Je begint uiteraard op een willekeurig punt. Dan gaat het erom dat je elke volgende (munt, knoop) op een punt legt waarvandaan het mogelijk is deze te verschuiven naar het punt dat vrij is gekomen door de vorige munt te verschuiven.

0-0-0

[41] HOEVEEL SCHAKELS?

De bezitster van deze ketting wil alle schakels los hebben en vraagt een juwelier dat voor haar te doen, waarbij ze het liefst allemaal heel moeten blijven. ‘Dat kan niet’, zegt de juwelier.
En hij vertelt haar hoeveel schakels er zullen sneuvelen.

Ja, hoeveel eigenlijk?

Oplossing:

Je hoeft maar 1 schakel door te knippen. Daarna kun je de andere een voor een loshaken.

0-0-0

[42] WIE IS WAT

Gerrit, Sjaak en Bob zijn, niet per se in deze volgorde, aanvaller, verdediger en keeper bij de plaatselijke voetbalvereniging.
De keeper, die het kleinst is van de drie, is vrijgezel.
Gerrit, de schoonvader van Sjaak, is langer dan de verdediger.

Wie speelt op welke plaats?

Als Gerrit en Sjaak familie van elkaar zijn, is Bob de vrijgezel, dus de keeper.
Als Gerrit langer is dan de verdediger, is hij de verdediger dus niet, maar de aanvaller.
Sjaak moet dus de verdediger zijn.

0-0-0

[43-1] LOGISCHERWIJS

.

welk figuur komt er logischerwijs op de lege plaats?

oplossing:
Altijd lastig, dit soort puzzels. Welke strategie leidt tot een oplossing. Je moet ‘ergens’ durven beginnen, wat vindingrijk zijn: om welke vormen gaat het; is er een patroon te ontdekken: regelmatig of juist weer niet; staan ze in een soort volgorde en hoe dan? Enz.

Hier kan opvallen dat er van de verschillende figuren steeds 1 meer is:
Van het rode blaadje rechtsonder is er maar 1
Van het rode hartje met punt naar boven: 2
Van het rode blaadje met steeltje naar beneden: 3
Van het hartje met punt naar boven: 4
Van het klavertje met steeltje naar boven: ook 4
Van het rode vierkant: 6
Van het klavertje met steeltje naar beneden: 7
Van de rode ruit: 8

De 5 ontbreekt en dus zou het hartje met de punt naar boven of het klavertje met het steeltje naar beneden de oplossing kunnen zijn: dan hebben we een logische volgorde: 1 t/m 8.
Als leerlingen dat hebben gevonden, zou ik ze allebei goed rekenen!

Als je bovenaan begint zie je eerst – in de vorm van de ruit – de 8; het klavertje met de steel naar beneden volgt: 7; dan als volgend nieuw figuur: rode vierkant: 6; dan als nieuw figuur klavertje met steel naar boven: logischerwijs de 5.
Dat is de echte oplossing: op het lege veld komt een zwart klavertje met de steel naar boven.

0-0-0

[43-2]  LOGISCHERWIJS

Welk getal komt logischerwijs in het lege veld?

Oplossing: De 3 is opgebouwd uit: 1  +  1  +  1, d.w.. door het cijfer links, schuinlinks en boven de 3; dat geldt ook voor de ernaast staande 5 = 3  +  1  +  1; en de 7 = 5  +  1  +  1; het geldt ook voor de andere getallen. Het lege veld is dus het resultaat van 25  +  25  +  13=  63

0-0-0

[43-3]

Oplossing:
Het gaat erom dat je een bepaalde logica ontwikkelt, logisch redeneert, op grond van wat je waarneemt. Je moet dus oplettend kijken.
De linker- en rechterbovenvleugel vormen in a-b en c-d een soort spiegelende tegenstelling. Vanuit e gezien, komt dan nr. 2 in aanmerking.
De linker- en rechterondervleugel doen dat ook en bij nr. 2, naast e, is dit ook het geval.
[Nr. 2 hoort logischerwijs op de plaats van het vraagteken.

0-0-0

[43-4]

oplossing:

Er gebeurt iets met het blokje, rondje en driehoekje. Zit daar regelmaat ‘logica’ in. Het zwarte blokje schuift na a, in b enz. één plaatjse op en zou dus terechtkomen op de plaats die 1, 2 en 4 laten zien. 3 vervalt daardoor.
Het driehoekje blijkt telkens vijf plaatsen, naar rechts beginnend, te verschuiven. Dan kom je trecht bij 2 en 3. 3 is vervallen. Blijft 2.
Wat doet het rondje. Het verschuift steeds vijf plaatsen, naar links beginnend en komt zo ook in 2.

Nr. 2 hoort logischerwijs op de plaats van het vraagteken.

0-0-0

[43-5]

oplossing:
Uiteraard gaat het om: hoe verspringen de wijzers.
De kleine blijkt overal 1 uur terug te gaan. ‘Logischerwijs’ kom je dan bij 1 of 2. De grote wijzer schuift steeds 5 blokjes op (25 min.) Dan kom je ‘logischerwijs’ op 2.
Het verschil tussen de tijden is steeds 1u 25 min terug. Ook dan kom je bij 2.

0-0-0

[43-6]

Oplossing:
De grote wijzer verspringt van a naar b 10 min, dan 20, dan 30, dan 40. De sprong van e zal dus 50 min zijn, dan is het 10 over half 4, dus nr 1

0-0-0

[43-7]

Oplossing:

Vanaf  a  is er steeds een opvolgend deel zwart. Dat betekent dat 2 of 3 logischerwijs volgt. Vanaf d gebeurt er niets meer met de kop; dat betekent dat 2de meest logische in de volgorde is

0-0-0

43-8

Oplossing:
rondje en driehoekje verplaatsen zich tegen elkaar in, zodat op de open plaats alleen nr. 3 past

0-0-0

43-9

Oplossing:
Gezien de ‘kopbedekking’ van het vogeltje ligt het voor de hand dat dit in de gevraagde figuur zwart moet zijn. Dat betekent dat alleen 3 en 4 in aanmerking komen. 4 is echter identiek aan b, die valt dus af. 3 blijft over.
Dat is ook nog te vinden door naar de dekveren te kijken. Die nemen in beide kolommen steeds met 1 af. Ook zo kom je bij 3 uit.

0-0-0

43-10

oplossing:

nummer 4 – moet logischerwijs de draad naarboven hebben.
Steeds zijn er 13 draadwikkelingen, om die op de ontbrekende plaats ook te krijgen is nr. 4 nodig.

0-0-0

[43-11]

Oplossing:  

De visjes ‘kijken’ per horizontaal tweetal naar dezelfde richting. Dan is het logisch dat het om visje 3 of 4 gaat.
De rechter kolom visjes hebben resp. 2 en 4 zwarte vlakjes. De reeks 2, 4 roept als volgende 6 op: 6 vlakjes zijn zwart in nr. 3

0-0-0

.

43-12

Oplossing:

Er verdwijnt steeds meer ‘zwart’. Eerst alle rondjes. Die zwart waren en wit zijn geworden, verdwijnen ook. Dan is 4 de meest logische.

0-0-0

.

43-13

Oplossing:
Als je het dikke zwarte segment neemt, met de gestippelde punt zie je die naar links bewegen vanaf linksonder in a en tegelijkertijd wisselt het zwart met het gestippelde af. Dat volgend kom je uit bij 2
Als je bij de boogjes de dikke zwarte volgt, zie je die voortdurend 1 plaats zakken. Op het vraagteken kom je dan ook bij 2 uit.

Antwoord: 2

0-0-0

[43-14]

Oplossing:
Het ziet er moeilijker uit dan het is: wat bij de linker allemaal zwart is, is bij de rechter allemaal wit en omgekeerd, natuurlijk; dat betekent dat we nummer 3 moeten hebben.

0-0-0

[43-15]

Oplossing:
Een logica in het verspringen van de zwarte vakjes is niet te vinden. De aantallen brengen je wél op het spoor: bovenste rij: 7 zwarte vlakjes; 2e rij ook, dus de 3e rij ook, wat wil zeggen dat nr. 2 de aanvulling tot 7 zwarte vlakjes geeft.

NR. 2

0-0-0

[43-16]

Oplossing:
Meestal moet je bij deze breinbrekers goed kijken wat er verandert in de gegeven plaatsjes en of daar een logica in te ontdekken valt. Het doortrekken van deze logica leidt dan altijd tot het te vinden plaatje.
In deze breinbreker kan je ontdekken is dat niet zo. Drie van de vier de plaatjes waaruit je kan kiezen, zijn al in gebruik. Daar volgt uit dat het 4e plaatje – dus nr 3 – op het vraagteken moet komen.

0-0-0

.

[43-17]

Oplossing: wanneer je b.v. op de peer let, zie je dat deze resp. achter, in het midden en voor komt; ga je vanaf 3 terug naar 1 met de vrucht die in 3 voor zit: de paddenstoel, dan zit deze bij de keuzeplaatjes in 1 op de plaats van de peer, dus is de oplossing 1

0-0-0

43-18

Twee vormen van verandering vallen op: er komt telkens iets bij: een oor en streepje bij de kan, een steeltje aan de peer. Tegelijkertijd wisselt de appel van positie: vóór of achter. Dat laatste gaat met een vaste regelmaat, zodat logischerwijs de appel in het zoekveld vóór de peren moet staan. Dan blijven mogelijkheid 1 en 4 over. Bij het ‘erbij komen’ gaat het telkens om 1 iets: 1 oor, 1 streepje, 1 steeltje. Logischerwijs moet er bij mogelijkheid 1 of 4 ook 1 iets bijkomen. Dat gebeurt alleen bij nr. 1.

Nr. 1

0-0-0

43-19

Logisch is dat er op het vraagteken een klok komt met Romeinse cijfers, dus 1  of 4.
Dan moet er iets zijn met de wijzers; als we daar verschil vinden, is dat ook altijd een verschil in tijd. Zit er een logische tijdverloop in.
Op de klokken met de Romeinse cijfers vind je die logica niet. Dan blijft over de vergelijking van steeds 2 klokken. Die blijken in rij 1 en 2 steeds 1 uur en een kwartier te verschillen. In de 3e rij zou er dus een klok moeten komen die 1 uur en 15 min. verschilt met de tijd van 10 voor half 10. Dat is klok 1

0-0-0

[43-20]

Er staat geen vraagteken, maar de vraag blijft, welk hondje mag erbij

Oplossing:

Deze is niet zo makkelijk. De tekening op de rug, bv. levert niets op. Misschien de richting waarin ze gaan. Dan zou het om 1 gaan, maar dat is té gemakkelijk. want kijk je naar hun staart, dan zou het 3 moeten zijn en 1 aspect is ook erg weinig. Ze tillen ook allemaal hun poot op en dan ontdek je ineens: dat is overal de rechterpoot. Dat lijkt een logisch vervolg, waarbij 1 definitief afvalt. Verder kijkend naar de poten valt op de ze allemaal hun linkerachterpoot naar voren zetten. Dat doet alleen 3.

Antwoord: 3

0-0-0

43-21

Oplossing:

Opvallend is meteen dat er boven 2 grote zwarte driehoeken zijn en daaronder 2 grote witte; daaronder links weer een zwarte. Dat doet vermoeden dat er rechtsonder ook een grote zwarte driehoek moet staan, dus nr. 1 of 4. Aangezien in de linkerkolom de bovenste en onderste identiek zijn, ligt het voor de hand dat dat ook in de rechterkolom het geval is. Dan gaat het om nr. 4.

0-0-0

43-22

Oplossing:

Deze is lastig. het rechterblok is het linkerblok op zijn kop (180º) gedraaid. Op de gevraagde plaats komt nr. 4

0-0-0

43-23

Oplossing:
Onmiddellijk vallen de kurken op: een rij wit, dan zwart en vervolgens weer 2 witte: daar hoort een fles bij met een witte kurk, dus 3 of 4.

De kleine labels op de hals wijzen ook in die richting: 4; dat wordt nog bevestigd door de glazen: er zijn steeds 2 witte en 1 zwarte; dus  ook hier 4

0-0-0

43-24

Oplossing:

Er zijn steeds 2 witte kersen, dus nr. 3 kan het niet zijn. Het valt op dat de zwarte kers steeds van plaats wisselt. Zit daar een logica in? De zwarte kers is een keer los, voor en achter; in de rechterkolom missen we de kers voor.
Bij de blaadjes valt het op dat er steeds een half blad verdwijnt. Dus is het nr. 2

0-0-0

43-25

Oplossing:

Moeilijk:
Je ziet een afwisseling met ‘zwart worden’ tussen ‘trapezium’ en ‘driehoek’.
Zodat op de ontbrekende plaats een trapezium moet komen. 1 en 2 vallen af, want die hebben hun driehoekjes niet meer. Dan zou moeten opvallen dat het nieuwe zwarte vlak in de rechter zeshoek, steeds overeenkomt met het tegenoverliggende vlak in de binnenste ‘ring’van de linker zeshoek. Dan is het dus 4

0-0-0

[43-26]

.

Oplossing:
Opvallend dat er steeds meer ‘zwart’ in komt. Bi 1 zie je drie zwarte ‘dingetjes’, bij 2: 4; bij 3: 5. Daarbij een logisch vervolg zoeken, vraagt voor het vraagteken een plaatje met 7 x zwart. Dat heeft 1 en 2. Maar alle mutsjes blijven gelijk. Dat van 1 wijkt af. Daarom 2.

0-0-0

[43-27]

Oplossing:

In de horizontale peren zit een mooie afwisseling (verticaal veel minder logisch); dat vermoedt oplossing 4; wat de blaadjes betreft, blijft dezelfde logica bewaard: boven 2 met zwart, dezelfde kant op; in het midden 2 zwarte in tegenovergestelde richting; onder weer een naar links wijzend, boven zittend; dit laatste heeft ook het blad bij 4, dus oplossing: 4
Je kan ook zeggen: de rechter peer is overal opgebouwd uit de vrucht van de 1e peer en de blaadjes van de tweede.

0-0-0

[43-28]

0-0-0

[43-29]

Oplossing:

De vazen zijn allemaal gelijk, dus moet er iets met de bloemen zijn. Je gaat ze al snel tellen en ziet dat de bovenste drie en de onderste drie vazen steeds 8 bloemen hebben. Dan de middelste rij ook. Daar ontbreken er dan 3. Die vinden we bij vaas C

0-0-0

[43-30]

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is breinbreker-45.jpg

Opvallend zijn o.a. de 3 verschillende ogen. Die komen in de 2 horizontale rijen alle 3 voor, dus dan is het logisch dat dit ook op de onderste rij gebeurt. Dan valt vis 3 af. 
Er is ook opvallend een patroon tussen kop en staart. Het patroon van vis 2 ontbreekt – deze heeft ook het ontbrekende oog: dus 2.

0-0-0

[43-31]

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is breinbreker-46.jpg

Oplossing:

Deze lijkt heel moeilijk, maar is het niet. Je moet goed waarnemen; op de veranderingen letten e.d. Dan zie je dat de de 2e en 3e figuur losgemaakt zijn van de 1e figuur; m.a.w. 2 en 3 in elkaar geschoven, vormt 1; voor de 3e rij betekent dit dat figuur 4 ontbreekt.

[43-32]

Oplossing:

Het is snel duidelijk dar er verschillen zijn in de hals van de giraffe en de bladeren van de palm.
Bij de hals val op dat er telkens 2 in een rij gelijk zijn: de linker en de rechter.
Dus de gezochte hals is dan 2 of 3.
Bij de palmbomen is steeds 2 en 3 gelijk.
Dan moeten we nummer 3 hebben.

[43-33]

Oplossing:

We zien 3 soorten rokjes, in de bovenste rij ontbreekt het witte. Voor de oplossing vallen 1 en 3 dus af. Opvallend zijn ook de 3 verschillende strikken.
De strik met de stippeltjes wordt gedragen door…2 en 4, dus dat biedt geen oplossing. De schoentjes dan: iedere rij heeft 4 zwarte. Dan kan alleen 4 in aanmerking komen.
Oplossing: 4

[43-33]

.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is breinbreker-49.jpg

 
 

Oplossing: we zien dat de kopjes in elke rij hetzelfde zijn, maar dat biedt geen oplossing, want alle vier de invulmogelijkheden hebben dat. Ook de staarten en pootjes leveren geen gegevens op. Dan blijven de takken met de blaadjes over. Logisch is in ieder geval dat het nr. niet is, want die heeft een zwarte tak. In de verticale rijen tellen de blaadjes af: 1, 0, en zelfs een soort -0 (het uiteinde van de tak; 2e kolom: 2, 1, 0; derde kolom 3, 2, -logischer wijs 1, dus nr. 4

0-0-0

[43-34]

Oplossing:

Deze is niet zo moeilijk: je ziet dat het kwart dat weg is, van linksboven af tegen de klok in verdwijnt. Als we die reeks volgen, komen we uit bij 6

0-0-0

[43-35]

Oplossing:

De zwarte vlakjes ‘bewegen’. Vanaf linksboven naar rechts: ze schuiven naar binnen. Bij de 4e en 5e vlinder zien we iets dergelijks. Voor de hand ligt dat de logisch passende vlinder nr. 1 is.

[43-36]

Oplossing:
Nadat je wellicht van alles geprobeerd hebt: heeft het met de voor- zij- of bovenkant van doen; of met een combinatie, kom je er misschien ineens toe van beide dobbelstenen naast elkaar, de ogen op te tellen. De bovenste samen 18; die twee eronder: samen 18; dan is het logisch dat ook de onderste twee 18 zijn; daarvoor is 6 nodig. Die vind je bij nummer 3.

43-37

Oplossing: Het is meteen duidelijk dat de shirtjes wit, zwart en gestreept zijn. Dan zou het 2 of 4 kunnen zijn. Hetzelfde geldt voor de broeken: Dan blijft 2 over. Wat nog eens wordt bevestigd door de zwarte pet, die ook in elke rij 1x voorkomt.
Nr. 2

43-38

Oplossing: De horizontale donkere band valt meteen op en het kan alleen maar gaan om nr. 2 of 4. Omdat er alleen nog verschillen zijn in de takjes, moet daar de oplossing gezocht worden. De vazen in de bovenste rij vertonen hebben links resp. 10, 11 en 12 blaadjes; de 2e rij: 11, 12 en 13: dus  vanaf links steeds 1 meer; de onderste rij begint met 9, 10, dus worden er 11 blaadjes gezocht. Die heeft vaas 2.

[43-39]

Oplossing: Een heel simpele: boven links = boven rechts; midden links = midden rechts; beneden links is identiek aan nr. 2

[43-40]

.

Oplossing:

Lastig, want er is veel te vergelijken. Maar wat snel opvalt is, dat de middelste en rechter toren gelijk zijn. Dan zou 1 de oplossing zijn. Opvallend is ook dat de (horizontale) rechthoeken van links en rechts steeds dezelfde zijn. Ook dat pleit voor 1 (al heeft 4 dat ook). In de torens is de rijen het 3e vlakje vanaf beneden staat wit, maar niet in 4, zodat de nadruk nog meer op 1 ligt.

[43-41]

Oplossing:

Je zou kunnen zeggen dat er 3 zwarte vlinders zijn en dat daarom nr. 2 als 3e witte vlinder logisch is.
Omdat de lijfjes bij de witte nogal een sterke overeenkomst vertonen, valt 2 echter weer af. Drie lijkt ook geen optie vanwege het overwegende zwart. 4 vertoont nauwelijks overeenkomsten met de kleine zwarte, dus blijft 1 over, mede bijv. door het witte lijfje

 

[43-42]

Oplossing:
Het valt op dat de bovenste rij twee steeltjes naar beneden heeft en de onderste ook. Logisch is dan dat het gezochte blad het steeltje naar boven heeft. 3 en 4 vallen dus af. Dan moet er nog iets logisch met de bladjes te ontdekken zijn. Dit is in deze opgave vrij moeilijk: de twee zwarte blaadjes op de takjes die naar beneden gericht zijn, verschillen qua plaats van de zwarte blaadjes die naar boven gericht zijn. Dan is het nr. 1.

0-0-0-

43-43

Oplossing:

Twee dingen vallen op: de zwarte banden op de potten en de kleur van de penselen. De zwarte banden lijken van ‘laag naar hoog’ op te klimmen. Dan zouden we uitkomen bij 1 of 4. Wat zien we aan de penselen? In de bovenste rij verschuift de zwarte kleur van links naar rechts; net zo in de middelste rij. Dan is het logisch dat dit ook in de onderste rij gebeurt. Daar moeten we het haar aan de rechterkant hebben. Dat is bij nr. 1 .

0-0-0

43-44

Oplossing:

Het heeft iets weg van een klok met wijzers. Al snel valt op dat de grote wijzer telkens 2 blokjes vooruitspringt. Dan komen we uit bij nr. 1 of 3. De kleine wijzer moet nu uitkomst bieden. Die ligt telkens op het volgende lijntje. Dat gebeurt bij 3.

0-0-0

[43-45]

Oplossing:
Als het kwartje valt, heb je gezien dat alle bloemen in totaal steeds 7 blaadjes hebben. Dan komt alleen nr 2 in aanmerking.

0-0-0

[43-46]

Oplossing:

Na enig aandachtig vergelijken, valt het op dat in de bovenhelft van de rijen 1 en 2, de linker en rechter gelijk zijn. Voor de 3e rij blijven dan 1 en 4 over.
Dan moet de oplossing in de onderhelft van de figuren liggen. Dan valt op dat de middelste en de rechter identiek zijn. Dat is in de onderste rij nr. 4.

0-0-0

[43-47]

Oplossing:

de middelste en rechtervoet van de lamp zijn steeds hetzelfde; dus moet het 1 zijn. De linker- en rechterkap zijn gelijk. Ook dat pleit voor 1. De bodemrand van de voet is bij alle 3 of zwart of wit. Ook dat wijst naar 1

Antwoord: nr.1

0-0-0

[43-48]

Oplossing:

Deze is ook niet zo makkelijk. Als je steeds de 3 horizontale bekijkt, kan het opvallen dat het rechter figuur ontstaat door a.h.w. de middelste van de eerste ‘af te trekken’. Dan is het nummer 2.

0-0-0

[43-49]

Oplossing:

Wanneer je de plaatjes waarnemend aftast, vallen bijv. de staarten op: in elke rij zijn de linker en rechter staart hetzelfde. Dan gaat het om 1. Dat wordt nog eens bevestigd door de pootjes en de kopjes.

0-0-0

[49-50]

Oplossing:

Het valt meteen op dat het zwart-witte boven de linkerpoot steeds hetzelfde is. Dat betekent dat 1 en 4 afvallen. De zwarte puntjes in de staartveren: telkens komt er van links naar rechts 1 bij. (boven: 2, 3, 4; middelste: 4, 5, 6; onderste dus:3, 4    5: dat is bij nr. 2

0-0-0

[49-51]

.

Oplossing:

Je ziet de zwarte puntjes a.h.w. steeds een hokje opschuiven en dan komen logischerwijs alleen 2 en 4 in aanmerking. De pijltjes staan in de linker kolom alle horizontaal, in de rechter verticaal. dan blijft 2 over.

Nr. 2

0-0-0

[49-52]

.Oplossing: Het ziet er even moeilijk uit, maar dan ineens zie je dat van de middenkolom de helft van het figuur – de onderste – ontbreekt in de rechterkolom. Dat is voor het gezochte bij figuur nr. 4

0-0-0

.

Oplossing:

Het valt al snel op dat de stelen van de middelste en rechter paddenstoel gelijk zijn; dat betekent voor de gezochte paddenstoel de steel van 2 of 3. De hoed van de linker en rechter paddenstoel is steeds gelijk, dan is het nr. 2

0-0-0

Een rol pakpapier is gekleurd met dwarse strepen. De rol begint met een rode streep. Daarna groen, geel, blauw, geel en oranje. Na oranje begint hetzelfde patroon weer met rood.

Je knipt ongeveer een meter van het pakpapier af, precies langs de grens tussen een rode en oranje streep. Je hebt 12 GELE strepen.

Hoeveel BLAUWE strepen zijn er dan?

Oplossing

.

.

Bij 2 gele banen, zit 1 blauwe; bij 12 gele dus blauwe.

.

[45] Mikado

Bij het bekende spel Mikado gaat het erom de stokjes zo weg te halen dat de andere niet bewegen.

Hoe is de volgorde om dat hier te doen? (Een waarnemingsoefening)

Kun je het zien en onthouden zonder opschrijven?

Oplossing:
Door aandachtig waarnemen zie je dat 5 boven ligt, gevolgd door:
 1   3   6   2   4   7

0-0-0

Bij het bekende spel Mikado gaat het erom de stokjes zo weg te halen dat de andere niet bewegen.

Hoe is de volgorde om dat hier te doen? (Een waarnemingsoefening)

Kun je het zien en onthouden zonder opschrijven?

Oplossing:

3  7  4  5  1  2  6

0-0-0

Bij het bekende spel Mikado gaat het erom de stokjes zo weg te halen dat de andere niet bewegen.

Hoe is de volgorde om dat hier te doen? (Een waarnemingsoefening)

Kun je het zien en onthouden zonder opschrijven?

Oplossing:

1   4   8   3   5   2   6   7

0-0-0

Bij het bekende spel Mikado gaat het erom de stokjes zo weg te halen dat de andere niet bewegen.

Hoe is de volgorde om dat hier te doen? (Een waarnemingsoefening)

Kun je het zien en onthouden zonder opschrijven?

Oplossing:

1   8   2   4   7   5   3  

0-0-0

Bij het bekende spel Mikado gaat het erom de stokjes zo weg te halen dat de andere niet bewegen.

Hoe is de volgorde om dat hier te doen? (Een waarnemingsoefening)

Kun je het zien en onthouden zonder opschrijven?

Oplossing:

1   8   4   7   5   6   2   3 

0-0-0

Bij het bekende spel Mikado gaat het erom de stokjes zo weg te halen dat de andere niet bewegen.

Hoe is de volgorde om dat hier te doen? (Een waarnemingsoefening)

Kun je het zien en onthouden zonder opschrijven?

Oplossing:

2   1   5   6   3   8   4   7

0-0-0

In welke volgorde haal je de stokjes van elkaar zonder dat ze bewegen. Kun je die volgorde onthouden – dus niet opschrijven?

Oplossing:

2   1   6   5   3   7   4

0-0-0

Bij het bekende spel Mikado gaat het erom de stokjes zo weg te halen dat de andere niet bewegen.

Hoe is de volgorde om dat hier te doen? (Een waarnemingsoefening)

Kun je het zien en onthouden zonder opschrijven?

Oplossing:

2   1   8   3   5   6   7   4

0-0-0

Bij het bekende spel Mikado gaat het erom de stokjes zo weg te halen dat de andere niet bewegen.

Hoe is de volgorde om dat hier te doen? (Een waarnemingsoefening)

Kun je het zien en onthouden zonder opschrijven?

Oplossing:

5    2   7   6   4   3   1  

0-0-0

Bij het bekende spel Mikado gaat het erom de stokjes zo weg te halen dat de andere niet bewegen.

Hoe is de volgorde om dat hier te doen? (Een waarnemingsoefening)

Kun je het zien en onthouden zonder opschrijven?

.

Oplossing:

 2   5   4   1   6   3

0-0-0

Bij het bekende spel Mikado gaat het erom de stokjes zo weg te halen dat de andere niet bewegen.

Hoe is de volgorde om dat hier te doen? (Een waarnemingsoefening)

Kun je het zien en onthouden zonder opschrijven?

Oplossing:

2   7   3   5   6   4 (niet goed te zien: het lijkt of 1 erop ligt), 8   

0-0-0

Bij het bekende spel Mikado gaat het erom de stokjes zo weg te halen dat de andere niet bewegen.

Hoe is de volgorde om dat hier te doen? (Een waarnemingsoefening)

Kun je het zien en onthouden zonder opschrijven?

Oplossing:

3   5   1   2   4   6

0-0-0

Bij het bekende spel Mikado gaat het erom de stokjes zo weg te halen dat de andere niet bewegen.

Hoe is de volgorde om dat hier te doen? (Een waarnemingsoefening)

Kun je het zien en onthouden zonder opschrijven?

Oplossing:

3   6   7   1   5   8   4   2

0-0-0

Bij het bekende spel Mikado gaat het erom de stokjes zo weg te halen dat de andere niet bewegen.

Hoe is de volgorde om dat hier te doen? (Een waarnemingsoefening)

Kun je het zien en onthouden zonder opschrijven?

Oplossing:

5   1   7   3   4   2   6

0-0-0

Bij het bekende spel Mikado gaat het erom de stokjes zo weg te halen dat de andere niet bewegen.

Hoe is de volgorde om dat hier te doen? (Een waarnemingsoefening)

Kun je het zien en onthouden zonder opschrijven?

Oplossing:

5   7   3    1    4    6   2   8

0-0-0

Bij het bekende spel Mikado gaat het erom de stokjes zo weg te halen dat de andere niet bewegen.

Hoe is de volgorde om dat hier te doen? (Een waarnemingsoefening)

Kun je het zien en onthouden zonder opschrijven?

Oplossing:        

7   1   8   2   5   3   6   4

0-0-0

Bij het bekende spel Mikado gaat het erom de stokjes zo weg te halen dat de andere niet bewegen.

Hoe is de volgorde om dat hier te doen? (Een waarnemingsoefening)

Kun je het zien en onthouden zonder opschrijven?

Oplossing:

5  3  6  7  1  4  2

0-0-0

Bij het bekende spel Mikado gaat het erom de stokjes zo weg te halen dat de andere niet bewegen.

Hoe is de volgorde om dat hier te doen? (Een waarnemingsoefening)

Kun je het zien en onthouden zonder opschrijven?

Oplossing:

2  4  1  6  5  3  7 

0-0-0

Welke twee figuren zijn gelijk?

Oplossing:

B en D

0-0-0

Welke twee figuren zijn gelijk?

Oplossing:

A en D 

0-0-0

Welke twee figuren zijn gelijk?

Oplossing:

B en D 

0-0-0

Welke twee figuren zijn gelijk?

Oplossing 

A  en B

0-0-0

Welke twee figuren zijn gelijk?

Oplossing:

A en B

0-0-0

Welke twee figuren zijn gelijk?

Oplossing:

A en C 

0-0-0

Welke twee figuren zijn gelijk?

Oplossing:

A en C

0-0-0

Welke twee figuren zijn gelijk?

.

Oplossing:

A en C

0-0-0

Welke twee figuren zijn gelijk?

Oplossing:

A en D 

0-0-0

Welke twee figuren zijn gelijk?

Oplossing:

B en C

0-0-0

Welke twee figuren zijn gelijk?

Oplossing:

B en C 

0-0-0

Welke twee figuren zijn gelijk?

Oplossing:

B en D 

0-0-0

Welke twee figuren zijn gelijk?

Oplossing

C en D 

0-0-0

Welke figuren zijn hetzelfde?

Oplossing:

 C en D 

0-0-0

Welke twee figuren zijn gelijk?

Oplossing:

D en B

0-0-0

Welke twee figuren zijn gelijk?

Oplossing:

en D

0-0-0

Welke twee figuren zijn gelijk?

Oplossing:

A en D

0-0-0

Welke twee figuren zijn gelijk?

Oplossing:

B en D

0-0-0

46 KROOS DAT ZICH VERDUBBELT

In een vijver is een erg agressieve soort kroost ontdekt. Die groeit zo snel dat de plantjes zich elke week verdubbelen. Na 8 weken was de vijver helemaal dicht gegroeid.
Na hoeveel weken was de vijver voor de helft begroeid met dit kroos?

Oplossing:

Veel leerlingen (en zij niet alleen!) zullen op 4 weken uitkomen.
Als je goed leest: =elke week verdubbelen= betekent 4 weken= de helft, dat de 5e week de vijver – 2x de helft- vol zou zijn.

Als je dat inziet, weet je meteen dat de vijver na 7 weken voor de helft vol is; de 8e week verdubbelt deze helft en dat betekent: vol.

0-0-0

47 VIER DECILITER MELK AFMETEN

We hebben een pak melk van 1 liter. In ons recept staat dat we 4 deciliter melk moeten toevoegen. Maar ik heb even geen maatbeker, wel een lege beker van 5 en een van 3 deciliter.

Hoe kan ik exact 4 deciliter afmeten?

En wat als ik maar 1 deciliter nodig heb?

Wat te doen.

Oplossing:

We beginnen met de beker van 5 vol te doen. Met die beker vullen we nu die van 3. Er blijft dan 2 Dl over in de beker van 5. We doen de inhoud van de beker van 3 terug in het pak en gieten de 2 Dl in de beker van 3. Dan doen we die van 5 weer vol en vullen daarmee de beker van 3 (daar zat nog 2 in). Nu hebben we exact 4 Dl in de beker van 5. En dat was ons doel.

Oh ja, willen we slechts 1 Dl overhouden dan doen we eerst hetzelfde als hiervoor. Dan gieten we de beker van 3 weer leeg in het pak en uit de beker van 5DI (waar nog 4 Dl in zat) gieten we die van 3 vol zodat er nu exact 1 Dl overblijft.

48. HET BOOTJE IN DE SLUIS

Er ligt een bootje in de sluis van het kanaal. Aan de zijkant hangt een touwladder in het water. Het water staat zo hoog dat er nog 4 sporten droog zijn. De afstand tussen de sporten is 37cm.

Nu gaat de sluis open en het water stijgt met 3 cm per seconde. Als na 25 seconden de deuren van de sluis open gaan, hoeveel sporten zijn er dan nog droog?

Oplossing:

Welke omstandigheden je er ook (als afleiding) bij vermeldt: er verandert niets: de touwladder hangt aan de boot en stijgt simpelweg mee: er blijven altijd 4 sporten droog!

0-0-0

49] DE KETTING

Tussen de feestdagen door heeft Lies de kasten opgeruimd. Ergens verstopt in een lade vond zij nog 4 stukjes van een gouden ketting die van haar oma is geweest.
Nu wil Lies er graag een hele ketting van laten maken. Ze heeft drie stukken met 4 schakels elk en een stuk met 3 schakels. Zij is bij de juwelier geweest en die rekent 5 Euro om een schakel open te zagen en daarna weer aan elkaar te zetten. Omdat er in totaal 4 stukken aan elkaar gezet moeten worden rekent de juwelier 4 keer 5 euro dus 20 euro. Lies loopt naar huis en denkt: “Dat kan wel goedkoper!” Heeft zij gelijk?

Oplossing:

Ja, het kan goedkoper! Ze kan het stuk met de 3 schakels los laten zagen: 2x zagen = 3 losse schakels; die 3 kunnen de drie stukken van 4 schakels met elkaar verbinden. 

50] HOE LOST ZE DIT OP?

Een boer is flink in de financiële problemen geraakt, maar een bekende van hem leent hem geld. Helaas lukt het de boer niet het bedrag binnen de afgesproken termijn terug te betalen en nu zal hij zijn hele bezit moeten verkopen. ‘Welnu’, zegt de geldschieter, ‘we laten het lot beslissen.’
De boer en zijn huwbare dochter en de geldschieter staan naast de boerderij op het grindpad dat uit witte en zwarte kiezels bestaat. De geldschieter raapt snel twee kiezels op en stopt die in een zak, terwijl hij zegt: ‘In deze zak zitten een witte en een zwarte kiezel. Je dochter pakt er een uit. Is het een zwarte dan moet ze met mij trouwen en jij bent je schulden kwijt. Is het een witte, dan hoeft zij niet met mij te trouwen en scheld ik je de schulden ook kwijt. De boer staat voor een moeilijke beslissing, want het geluk van zijn dochter gaat hem boven alles en hij weet dat zij de geldschieter verafschuwt. Hij wijst het voorstel resoluut af. ‘Laat mij maar’, zegt de dochter. Ze weet niet dat de geldschieter twee zwarte steentjes in de zak heeft gedaan en haar lot lijkt bezegeld als de handtekeningen op de overeenkomst worden gezet. Toch redt ze zich eruit: zij trouwt de geldschieter niet en de schulden worden kwijtgescholden. Hoe heeft ze dat voor elkaar gekregen?

Oplossing:

Ze pakt een steentje zodanig dat zij alleen als eerste kan zien welke kleur het heeft. Het speelt zich in een flits af, maar zij laat het zwarte steentje op het grindpad vallen. ‘Ik zie het niet meer, tussen al die witte en zwarte steentjes,’ zegt ze en terwijl ze opnieuw een greep in de tas doet, haalt ze het (tweede) zwarte steentje eruit. ‘O, dit is een zwarte, dan heb ik dus een witte laten vallen. Dan gaat het huwelijk niet door en jij, vader, bent verlost van je schulden.’ De bedrieger bedrogen, zullen we maar zeggen.

51] NAAR DE OVERKANT

De scouts hebben een vlot gebouwd bij het meer. Op het vlot is er plek voor twee personen. Ze willen graag met het vlot ook de jongste groep (welpen) mee laten doen. Er kunnen twee personen op het vlot waarvan eentje moet roeien en alleen de oudere padvinders zijn sterk genoeg om te roeien. Maar daar worden ze wel moe van. Het oversteken kost ongeveer 15 minuten. Daarna moet de roeier minstens 15 minuten rust nemen.

Hoelang duurt het om met de hulp van 3 oudere scouts 3 welpen over het meer te zetten?

Oplossing:

We starten scouts 1 en 2 naar de overkant. De roeier (1) blijft achter en de andere (2) roeit terug. Nu gaat scout 3 met A naar de overkant en blijven daar. Daar staat 1 klaar die het vlot weer terugbrengt Nu gaat 2 roeien met B als passagier. A en B blijven aan de overkant wachten met 2 terwijl 3 weer oversteekt. Bij de start staat C nog samen met 1, die naar de overkant gaan. Dan zijn A, B en C over maar 2 gaat nog een keer naar de start om samen met 1 (die roeit) ook over te steken. In totaal gaat het 9 keer over het meer dus In totaal 2 uur en 15 minuten werk.

51] WELK BAKJE

Bakje 3 is al vol. Welk bakje is daarna als eerste vol?

Oplossing:
Wanneer bij 3 het water over de rand stroomt, komt het nooit meer in een ander bakje

0-0-0

52] HOEVEEL VIERKANTEN

Hoeveel vierkanten zijn dit?

Oplossing:

Er zijn 19 vierkanten

0-0-0

53] HOEVEEL DRIEHOEKEN

Het is altijd handig om een map te hebben liggen met een voorraad opgaven die kinderen kunnen maken in ‘verloren ogenblikken’: wanneer ze met alles (snel) klaar zijn of wanneer ze graag extra werk doen, enz.

Hoeveel driehoeken tel je?

Oplossing:

Er zijn 13 driehoeken

0-0-0

54] WELKE KLEUR?

Op een veldje stonden vier palen. Drie ervan waren rood, één blauw.
Er werden drie kinderen geblinddoekt en ieder werd bij een paal gebracht die achter hun rug stond en die ze niet konden zien toen de blinddoek afging. 
Op de vraag: ‘welke kleur heeft jouw paal’, riepen ze alle 3 tegelijk: ‘Rood!’

Hoe konden ze dat weten?

Oplossing:

Ze kunnen alle drie elkaars palen wél zien en de blauwe, waar niemand bij staat. Dan is het meteen duidelijk: de drie kinderen staan alle drie bij een rode paal.

Alle breinbrekers

.

Alle rekenraadsels

Alle taalraadsels

Alle ‘gewone’ raadsels

.

 

 
878-809

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (9-1)

 

HET ONTSTAAN VAN ROME


De Romeinen hebben eeuwenlang het overgrote deel van Europa beheerst. Ook Neder­land en België behoorden lange tijd tot het enorme Romeinse rijk. De Romeinen zijn genoemd naar de stad Rome, maar ze heetten eigenlijk ‘Latijnen’. Er was een tijd dat Rome een kleine nederzetting was aan de oevers van het riviertje de Tiber. Het zou toen nog wel enige tijd duren voordat de bewoners ervan hun wil aan de rest van de toen bekende wereld zouden opleggen. Vele duizenden jaren voor Chr. werd Italië al be­woond door verschillende volkeren. Ze hielden schapen en deden aan landbouw en visvangst. Ongeveer 800 jaar v. Chr. landde een vreemd volk in Italië. Het waren de Etrusken en ze kwamen waarschijnlijk uit Klein-Azië. Ze brachten een vrij hoge bescha­ving mee en overheersten al spoedig de andere volken in Italië. De Etruskische bescha­ving verbreidde zich over heel Italië. Een van de overheerste volkeren, de Latijnen, kwam op den duur in verzet tegen de Etrusken. De Latijnen versloegen de Etrusken en namen hun plaats in als leidend volk. Ze zetten de Etruskische beschaving voort.

40 Latijnse dorpen

De Latijnen woonden in Midden-Italië aan de Tyrreense Zee. Hun gebied heette ’ Latium’. [zie aanvulling in de reactieruimte] De Latijnen waren een volk van herders en landbouwers. Hun dorpen waren kleine, afzonderlijke staatjes, elk met een eigen koning. Tegen de 8e eeuw v. Chr. bestond Latium uit veertig van deze dorpen, waartussen een hechte band bestond door bloedverwantschap en de godsdienst. De hoofdstad van Latium was Albalonga, aan het Meer van Albano. Ieder jaar begaven de Latijnen zich naar deze stad om er feest te vieren. De feestdagen, die een godsdienstig karakter droegen, duurden vier dagen.

Dorpen op heuvels

In de laaggelegen gebieden van Latium, langs de rivier de Tiber en aan de kust van de Tyrreense Zee, waren vele moerassen. In dit vochtige gebied heerste de muskiet, die malaria overbracht.
Maar in de heuvels was de grond vruchtbaar en geschikt voor landbouw. Daarom bouwden de Latijnen hun dorpen op de heuvels.
Vandaaruit ontgonnen ze het moerasgebied en legden dijken aan langs de Tiber, die daardoor niet meer kon overstromen.
De rivier bleek bovendien een uitstekende handelsweg naar de zee en naar het bin­nenland te zijn.
Zelfs toen het meeste moerasland was drooggelegd, bleven de Latijnen hun dorpen bouwen op de heuvels. Daar waren ze veiliger tegen de rooftochten van de Liguriërs en de Feniciërs, die met hun schepen de rivier opvoeren. Ook tegen aanvallen van volkeren uit het binnenland waren de dorpen op de heuveltoppen beter beveiligd.
Die volkeren probeerden verschillende keren om zich van Latium meester te maken.

6e klas rome 10

Latijnse herders

6e klas Rome 11

(slecht leesbare tekst links:)
Deze kaart van Italië laat zien waar de verschillende volkeren woonden in de tijd dat de Latijnen Rome stichtten.

(rechts:)
Deze tekening laat zien hoe Rome ontstond op het kruispunt van twee belangrijke handelswegen. Bij het eilandje in de Tiber was de rivier doorwaadbaar. Op de linkeroever zien we de zeven heuvels waarop de stad zou worden gebouwd.

21 april 753 v. Chr.

De Latijnen moesten zich vaak verde­den tegen aanvallen van de Etrusken. Die probeerden vanaf de rech­teroever van de Tïber in Latium bin­nen te dringen, op de plaats waar een eiland in de rivier lag en waar het water doorwaadbaar was. De Latijnen besloten om de linkeroever van de Tiber, recht tegenover dit eiland, een versterkt dorp te bouwen. Het zou de vesting worden die de Etrusken moest beletten de rivier over te steken. Op de oever bij het eiland lagen verschillende heuvels, in totaal zeven.
De ‘Palatijn’, een van die heuvels, leek het meest geschikt om er een vesting op te bouwen. Vanaf die heuvel konden de Latijnen het rondliggende gebied goed overzien, ook de rivier de Tiber. Deze rivier was een belangrijke handelsweg. Van zee kwamen schepen met zout voor de volkeren in het binnenland. Naar zee voeren schepen met wol, die de Latijnen ruilden tegen de handelswaar van andere volkeren.
Zo werd de ‘Palatijn’ de plaats voor het nieuwe versterkte Latijnse dorp. De overlevering wil dat men op 21 april van het jaar 753 v. Chr. aan de bouw ervan begon. Het dorp werd ’Roma’ genoemd. Misschien is deze naam afgeleid van het Etruskische woord ’rumon’, wat ’rivier’ bete­kent. Volgens anderen komt de naam van het Griekse ’ròme’, wat ’kracht’ betekent.

De zeven heuvels

Het dorp Rome ontstond dus op de heuvel ’Palatijn’. Al spoedig werd Rome een belangrijke handelsneder­zetting. Naburige volkeren die in moerasachtige streken woonden, ont­vluchtten de malaria en vestigden zich op de andere heuvels bij het dorp. De nieuwkomers bestonden uit groe­pen Sabijnen, Latijnen en Etrusken, die met de bewoners van de ’Palatijn’ een verbond sloten.

Zo ontstond een grote nederzetting op de zeven heuvels aan de oever van de Tiber, waar de bewoners het zoge­naamde ’ verbond van de zeven heuvels’ sloten. Overigens waarborgde dit verbond niet altijd een vreedzame samenleving. De Latijnen, Sabijnen en Etrusken, allen oorlogszuchtig van aard, raakten nogal eens in bloedige gevechten met elkaar verwikkeld. Maar langzamerhand brachten de handelsbelangen de verschillende volkeren op de zeven heuvels nader tot elkaar. Ze smolten samen tot het grote, nieuwe Rome.

6e klas Rome 12 - 0002

Op 21 april 753 v. Chr. begonnen de Latijnen aan de bouw van het dorp Rome, op de heuvel ‘Palatijn’ tegenover een eilandje in de rivier de Tiber.

6e klas Rome 13 - 0003Zo moet de constructie van een Latijns huis zijn geweest.

Hoe een nieuw dorp werd gesticht

De oude gebruiken bij het stichten van een nieuw dorp waren waarschijnlijk van de Etrusken afkomstig. Ongetwijfeld zal Rome volgens dezelfde gebruiken zijn gesticht. Op de heuvel werd een groot vuur van takkenbossen ontstoken. Iedere bewoner van het nieuwe dorp sprong door de vlammen om zo ’gereinigd’ te worden van zijn zonden. Vervolgens werd een diepe kuil gegraven. Iedereen wierp daarin wat aarde uit het dorp waaruit hij afkomstig was. De leider van het nieuwe dorp trok vervolgens een priesterlijk gewaad aan en spande een stier en een koe voor de ploeg. Dan ploegde hij de voor, waarlangs men de muren van het dorp zou bouwen.

6e klas Rome 14 - 0002

Op de plaats waar de muren van het nieuwe dorp moesten komen, werd met de ploeg een voor getrokken.

De Latijnse godsdienst

De Latijnen waren een godsdienstig volk. Elk dorp, elk bos, elk huis en elke haard had een eigen beschermgod, die ’genius’ werd genoemd. Ook de mens had zo’n genius en de Latijnen geloofden, dat deze de mens van de geboorte tot de dood vergezelde. Kinderen stonden onder bescherming van vele goden.
Lucina moest het kind beschermen tijdens de geboorte, Cumina als het sliep, Rumina terwijl het melk dronk, enzovoorts.

Offers in de open lucht

6e klas Rome 15Zo brachten de Latijnen een offer. In het bos werd een ram geslacht.

De Latijnen bouwden geen tempels en brachten hun offers aan de goden in de open lucht. Dit gebeurde bijna altijd in de bossen.

6e klas Rome 18Dit oude Romeinse reliëf toont een offerplechtigheid aan de Latijnse god Penates, de beschermgod van het gezin.

Herders en boeren

De Latijnen woonden in ruwhouten hutten met lemen wanden en strooien daken. Ook Rome bestond aanvankelijk uit dergelijke hutten.
De inwoners waren herders en boeren, die ook nog wat handel dreven.
Sommigen beoefenden de jacht of de visserij. Na de terugkeer van hun akkers en weidegronden hielden de Latijnen zich vaak bezig met het maken van gereedschappen en andere voorwerpen die in het gezin nodig waren. Zo kon men een herder ’s avonds zien werken als schoenmaker of kleermaker.

6e klas Rome 16

Latijnse boeren bezig met het maken van gebruiksvoorwerpen.

Grensstenen

Iedere Latijnse stam had een eigen gebied. De grenzen daarvan werden aangegeven met zware stenen, de grensstenen. Voordat deze stenen geplaatst mochten worden, moesten eerst offers worden gebracht aan Termine, de beschermgod van de grenzen. Geld kenden de Latijnen niet. Alle handel vond plaats door het ruilen van goederen. Boeren boden melk, kaas, groenten en wol aan. Ze kregen er van de handwerkslieden metalen voorwerpen, potten kleding en schoenen voor terug.

6e klas Rome 17

Op de grens van hun gebied handelen Latijnen met een boer uit een ander gebied. Tussen hen in de grenssteen.

6e klas geschiedenisalle artikelen

6e klasalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Vrijeschool in beeld6e klas geschiedenis

 

877-808

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Grohmann: Leesboek voor de dierkunde – (2) de bruine beer

.

GERBERT GROHMANN

‘leesboek voor de dierkunde’

blz. 16                                                                            hoofdstuk 2

De bruine beer

De bruine beer is het grootste en sterkste roofdier dat in Europa als ook in de gematigde zones van Azië voorkomt. Zijn kracht berust minder op behendigheid en snelheid, maar veel meer op zijn ongelofelijke lichaamskracht. Men zegt van de beer dat hij de kracht heeft van twaalf mannen. Een gedode koe kan hij in zijn armen wegdragen. Een volgroeide beer kan wel meer dan twee meter lang en meer dan 700 kg. wegen.
In sprookjes en legenden komen dikwijls beren voor en kunnen daarin de rol van goede, maar ook van slechte wezens vervullen.
Dit dier, dat niemand in de wildernis tegenkomt zonder erg te schrikken, heeft dus twee verschillende kanten. Aan de ene kant is de beer een goedmoedige kerel, die je ook onder de lichamelijk zeer sterke mensen aantreft, maar aan de andere kant een erge bozerik. Iedereen kent hem wel als dansende beer. Jonge beren zien er niet schuw uit en zelfs schattig, vooral als ze aan het spelen zijn; een volwassen beer daarentegen is, ook wanneer die getemd is, niet te vertrouwen. Hij werd geen echte mensenvriend en onverwacht en verraderlijk kan hij baas en verzorger aanvallen. Vreselijk zijn de kracht en de felheid van de reus wanneer hij door de jacht getergd of gewond raakt of ook, wanneer de berin haar jongen verdedigt. Dan richt ze zich met haar kolossale gestalte op – en komt op twee poten aangewaggeld om zijn tegenstander te omarmen en met een ongekende kracht tegen zich aan te drukken. Maar een paar, bijzonder dappere jagers wagen het om een beer met een mes te lijf te gaan. De schijnbaar trage gezel kan een vluchtend mens maar al te gemakkelijk inhalen. Wee de achtervolgde die niet snel een list bedenkt om zijn leven te redden! Menigeen is toch nog ontsnapt door op de grond te gaan liggen en zich dood te houden. Maar je moet wel over veel moed beschikken om je door een wilde beer te laten besnuffelen en om te laten rollen, zonder je te bewegen of maar te ademen. Mensen die zich dood houden, laat de beer namelijk gewoon liggen en er is ook geen enkel geval bekend dat hij mensenvlees aangeraakt zou hebben.
Gevaarlijk zijn ook de klauwen van een beer. Die hebben lange keiharde, maar stompe nagels, want de beer kan ze bij het gaan niet zoals de katachtige roofdieren intrekken. Ze kunnen daardoor afschuwelijke wonden veroorzaken. Alleen bij dieren met een dikkere huid kunnen ze geen schade aanrichten. Men zegt dat de beer in het gevecht eerder van zijn klauwen gebruikt maakt dan van zijn tanden. Maar de klauwen stellen de beer wel in staat, ondanks zijn lichaamsgewicht in bomen, maar ook op steile rotsen te klimmen. Wanneer een beer in een boom klimt, gedraagt hij zich natuurlijk wat onbeholpen, zelfs lomp; wie hem echter ziet bij het overwinnen van rotsachtige hindernissen, moet toch zijn behendigheid bewonderen.

Hoe vaak beren vroeger zelfs bij ons voorkwamen, blijkt al uit de vele plaatsnamen, zoals bv. Bärenstein, Bärenfels, Bärental. Bärenburg. Natuurlijk zijn er ook in alle andere landen, bv. in Scandinavië, waar beren nu nog voorkomen, veel plaatsen met de naam van dit dier. Vroeger strekte het woongebied van de beer zich uit van het Atlasgebergte in Noord-Afrika tot de Noordzee en van Spanje over heel Rusland tot Noord- en Midden-Azië. In de dichter bevolkte gebieden is de beer natuurlijk al lang uitgeroeid. Alleen in het hooggebergte of waar hij zich in ondoordringbare wouden of onoverzichtelijke rotsgebieden verbergen kan, komt hij tegenwoordig nog voor.

Met name moet van de beer gezegd worden dat hij de mens liever mijdt. Sommigen zeggen zelfs dat hij laf is, wanneer hij niet geprikkeld is of met zijn jongen verrast wordt. Een oude Laplander vertelde dat hij eens in de wildernis een grote beer tegenkwam die net een rendier had doodgeslagen. Men weet dat zo’n situatie bijzonder gevaarlijk is, maar de beer maakte zich uit de voeten het bos in alsof hij wilde zeggen: ‘Arme sloeber, je bent zelf aan het verhongeren!’ en kwam pas weer terug toen de Laplander een groot stuk rendiervlees afgesneden had. De lappen geloven heilig dat een beer vrouwen noch kinderen iets aandoet. Ze moeten het hem alleen te verstaan geven en het tegen hem zeggen. Zo spreken de Lappenkinderen, wanneer er een beer komt, de woorden: “Beste grootvader, raak mij niet aan, want ik ben maar een kind!” Zo veel mensenverstand en goedheid schrijven de Lappen de beer toe.

Je kan van de beer beslist niet zeggen dat hij een echt roofdier is, hoewel hij bij gelegenheid als een gevreesde en sluwe rover hele streken angst en schrik aanjaagt. Dat kun je al aan zijn gebit zien, waar je weliswaar zeer sterke vangtanden, maar niet de voor de roofdieren karakteristieke hoektanden vindt. het gebit van een beer is dat van een alleseter. We weten uit de vele dierverhalen hoe graag Bruin de beer jacht maakt op de bijenhoning. Telkens wanneer er zich weer een gelegenheid aandient, breekt hij de bijenkorven open en plundert ze. Ja je mag van hem nauwelijks verwachten, dat hij zich, zolang het lukt, volvreet met plantaardig voedsel. Maar ook kevers en insectenlarven die hij met zijn klauwen tevoorschijn woelt, zelfs slakken dienen hem tot welkom voedsel. Wanneer hij echter na de winterslaap vermagerd en uitgehongerd uit zijn schuilplaats komt, is het zelfs grote dieren niet aan te raden hem tegen het lijf te lopen. Ook mierenhopen schoffelt de beer om en laat zich de mieren met hun larven goed smaken. Daarbij bromt hij dan gemoedelijk en vol welbehagen. Kun je je dan eigenlijk wel voorstellen dat de gewelddadige rover grassprietjes afgraast of ’s nachts in een zittende houding door rijpende korenvelden schuift om zo gemakkelijk mogelijk de rijpe aren op te vreten; dat hij paddenstoelen en zwammen eet, van de bosbessen snoept en afgaat op zoete vruchten.
Wanneer in de herfst in de bergen de vele bessen rijp worden, heeft de beer een goede tijd om zijn dikke buik vol te vreten. Dan kun je hem als een fijnproever snuffelend en smakkend zijns weegs zien gaan. Ja, echt waar, voor deze tevreden gezel hoeft niemand bang te zijn; geen herder hoeft te vrezen voor zijn kudde. Wordt de beer echter door honger geplaagd of wanneer hij eenmaal gewend is aan vleeskost, dan wordt hij een boze woesteling die de mens zonder erbarmen vervolgen en uitroeien moet. Een roofzuchtige beer is de doodsvijand van alle kuddedieren. Hij jaagt een afgescheiden schaap of een koe op, tot ze uitgeput neervallen of hij maakt ze bang door een vreselijk gebrul, tot ze door verwarring in een afgrond storten en daar de dood vinden. Dan heeft de beer het gemakkelijk. Maar de vlugge dieren van de wildernis, hert, ree of gems kan hij met zijn logge lichaam niet inhalen. Ook is er waargenomen dat de sterke stieren van een kudde in een gevechtslinie met de kop naar beneden zich moedig tegen  de binnendringende rover opstelden en hem ontgoocheld op de vlucht joegen. In sommige streken wordt de beer zelfs voor paarden gevaarlijk. Een jager beschrijft hoe meerdere grazende paarden door een grote beer die uit het kreupelhout tevoorschijn kwam aangevallen werden. De beer haalde twee van de paarden die in een enorme vlucht ervandoor gingen met machtige sprongen in, sloeg ze met zijn klauwen neer en verscheurde ze. Daarbij brulde hij luid. Uit zulke berichten kunnen we opmaken hoe het met de veronderstelde lompheid en goedmoedigheid van de beer daadwerkelijk gesteld is. Onbesuisdheid vertoont de rover in het bijzonder, wanneer hij ’s nachts in een veestal inbreekt om daar zijn buit weg te halen. Het komt voor dat hij dan de dakbedekking eraf haalt. Is hij eenmaal in de stal, dan slaat hij daar een koe neer, rukt die los van de strik, omvat ze met zijn voorpoot, pakt met de andere de balk en is sterk genoeg om die koe op deze manier door de opening te slepen. Daarna wordt het slachtoffer met gemak weggebracht. Zoals al vaker waargenomen werd, klimt een beer zelfs met een gewurgd paard of rund in zijn poten over gevaarlijke bergkammen of over twee naast elkaar liggende boomstammen over een afgrond.

Als dan uiteindelijk de koude dagen aanbreken en de eerste sneeuw valt, treffen beer en berin voorbereidingen voor de winterrust. Weliswaar is zo’n winterrust voor een beer niet per se noodzakelijk; dat kun je zien aan de beren in gevangenschap. Het komt voor dat de winterslaap op warmere dagen en tegen het einde van de winter onderbroken wordt, maar in streken met strenge winters en veel sneeuw gaan alle beren naar binnen. Eerst zoekt een beer een geschikte plaats op, waar iemand hem niet zo gauw zal vinden en storen. Het liefst heeft hij een grot of ook wel een holle boomstam. Vindt hij een kuil in het struikgewas, dan maakt hij die eerst geriefelijk met loof en mos. Soms moet een beer ook eenvoudigweg takken bij elkaar buigen tot een soort woning en daarna laat hij zich opgerold ondersneeuwen. Zijn dikke pels en de dikke speklaag door het vele eten beschermen hem tegen de kou. Als de beer in zijn winterslaap gestoord wordt, is hij erg geïrriteerd en brommerig. Als jagers hem ontdekken, jagen ze hem op met stokken of door luid roepen. Vaak slaapt hij wel zo vast, dan je hem alleen maar door een schot wakker kan maken. Wat leuk moet dat zijn, wanneer je uit een holle boom plotseling een beer ziet kruipen. De beer, die met zijn kleine oogjes nog een beetje slaapdronken knippert, herkent het gevaar en probeert door het cordon van jagers heen te breken. Maar nu komt hij voor een meute dappere, bijzonder afgerichte honden te staan die de beer echter met adequate slagen van zijn klauwen en beten dikwijls lelijk toetakelt. Een beer is ook voor grote en sterke honden nog een gevaarlijke tegenstander. De klauwen van een neergeschoten beer zijn een buit die de jager vereert en waarop hij trots is. Het vlees wordt natuurlijk opgegeten en het vel met zijn dichte warme pelsharen is geschikt om op te slapen; ook voor kleding en mutsen te gebruiken. Zo is de beer in meer dan een opzicht een welkome jagersbuit. Nooit is een beer zo dapper en stelt zich zo met doodsverachting aan ieder gevaar bloot, wanneer het erom gaat haar jongen te verdedigen.

Bij veel volkeren die de beer goed kennen, geldt deze als zinnebeeld van moederliefde. Het duurt zes jaar tot een jong volwassen is. Zo moeten tot een berenfamilie dus kinderen behoren met verschillende leeftijden. Uiteindelijk bijt de moeder naar de groten, dat ze weggaan, want ze moeten nu eenmaal zelfstandig worden; maar men zegt dat ze terugkeren als er weer jonge beertjes geboren worden en dan mogen ze blijven om op de kleintjes te passen, bv, wanneer de ouders erop uit moeten trekken om voedsel te zoeken. Men heeft echter ook waargenomen dat grotere beren de kleinere door het water droegen. Beren kunnen goed zwemmen en ’s zomers liggen ze graag te zonnen. Veel van de beren doet aan mensen denken. Vooral wanneer hij gaat staan komt het mensachtige tevoorschijn. Dan loopt hij, weliswaar onhandig, op twee poten. Hij is een zoolganger zoals de mens en hij zet niet zoals de meeste dieren alleen maar zijn tenen neer, maar met zijn hele zool die ook nog onbedekt is. De gevilde voet doet zo sterk denken aan menselijke handen en voeten, dat je het bijna overwinnen moet het vlees te eten. De beer gebruikt zijn sterke, beweeglijke armen waarin zijn sterkste kracht zit, als de armen van een mens en bij het vechten eerder dan zijn tanden. Zijn klauwen zijn geschikt dat hij ze bijna als handen kan gebruiken. Wanneer het machtig zware dier met zijn massieve ledematen op een sukkeldrafje loopt, met de kop naar beneden en een beetje schommelt – want de beer is een telganger – dan kan hij op een betoverd dier lijken. Daarom hebben bepaalde volkeren van Noord-Azië, de Giljaken en Aino, ook steeds een slecht geweten, wanneer ze beren doden en om deze reden organiseren ze ieder jaar een plechtig berenfeest. Door dansen en zingen en ook muziek maken om een in het midden opgehangen, gedode en versierde beer, wordt vergiffenis gevraagd, tegelijkertijd echter ook dank gezegd voor het vlees en de pelzen. Op deze manier zal er verzoening zijn met het berengeslacht voor alles wat het moest worden aangedaan. Als bij een beer echter de wildheid naar buiten komt, wordt hij een geweldadige rover; dan laat hij ook zien, wat er gebeurt wanneer grote lichaamskracht niet door verstand en goedheid van het hart gestuurd en geleid worden. In plaats van goed te doen en te helpen, zoals sterke mensen dat doen, richt het dier niets dan onheil en verwoesting aan, tot schrik van allen. Gelukkig echter heeft onze bruine beer ook de andere kant, de vriendelijke en die kunnen wij fijn vinden, ja er zelfs van houden en bewonderen.

Grohmann: leesboek dierkunde: inhoudsopgave

Eigen vertaling van ‘Lesebuch der Tierkunde’

Dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek plantkunde

Vrijeschool in beelddierkunde

.

876-807

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 55 – voordracht 7

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER

GA 55

Die Erkenntnis des Übersinnlichen in unserer Zeit und deren Bedeutung für das heutige Leben

Bovenzintuiglijke kennis in onze tijd en de betekenis daarvan voor nu

Voordracht 7, Berlijn 24 januari 1907

Schulfragen vom Standpunkt der Geisteswissenschaft

           Schoolvragen vanuit het standpunt van de geesteswetenschap

Inhoud:

Ontwikkeling mensheid en ontwikkeling individuele mens  [1]
4-ledig mensbeeld [1
‘Geboorte’ van de wezensdelen   [2]
Jean Paul  [3]
Kind herhaalt vroegere fasen van de mensheidsontwikkeling [4]
Ontwikkelingsfasen bij Friedrich August Wolf  [5]
Atlantis [6]
Lemurië  welke fasen herhaalt de zich ontwikkelende mens [7
Leraar vanzelfsprekende autoriteit [8]
Leraar moet thuis zijn in psychologie  [9]
Niet wat hij gestudeerd heeft, maar innerlijke houding is belangrijk [10]
Hoe moet de school zijn  [11]
Over aanschouwelijkheid, rekenen, natuurkunde en geheugen; schilderen van planten; gevoel door geschiedenis; wil door religie  [12]
Tussen 7 en 14 zin voor schoonheid; daarna abstractie  [13]
Het gaat niet zonder religie  [14]

Es handelt sich im heutigen Vortrag um Dinge, die un­mittelbar verwirklicht werden können. Aber wir wollen bei dieser Betrachtung stets die ganze Menschheitsentwick­lung vor Augen haben, dann werden wir auch die Einzel-entwicklung des jungen Menschen verstehen und sie leiten können. Mitten hinein in die Erziehung stellt sich die Schule mit ihren Anforderungen. Aus dem Wesen des Menschen und aus der Menschheitsentwicklung heraus wollen wir sie zu fassen suchen. Vier Leibesglieder unterscheiden wir zu­nächst am Menschen: physischer Leib, Äther- oder Lebens-leib, astralischer Leib und das Ich, der Mittelpunkt des Men­schen. 

[1] Het gaat bij de voordracht van nu om dingen die onmiddellijk verwerkelijkt kunnen worden. Maar wij willen bij deze beschouwing steeds de hele mensheidsontwikkeling voor ogen houden, dan zullen we ook de individuele ontwikkeling van de jonge mens begrijpen en er leiding aan kunnen geven. Midden in de opvoeding staat de school met haar eisen. Uit het wezen van de mens en uit die van de ontwikkeling van de mensheid willen wij proberen deze te begrijpen. Allereerst onderscheiden we aan de mens vier wezensdelen: fysiek lichaam, ether- of levenslijf, astraallijf en het Ik, de kern van de mens.

Aber mit der physischen Geburt werden noch nicht alle vier Glieder für äußere Einwirkungen frei. Mit der physischen Geburt wird nur der physische Leib frei; zur Zeit des Zahnwechsels wird der Ätherleib geboren, zur Zeit der Geschlechtsreife der Astralleib. Wie Augen und Ohren vor der physischen Geburt unter der schützenden Mutterhülle, so werden Gedächtnis, Temperament und so weiter, die am Ätherleib haften, vor dem Zahnwechsel unter der schützenden Hülle des Äthers entwickelt. Jean Paul sagt:
Ein Weltreisender, der alle Länder durchquert, lernt auf allen seinen Reisen nicht soviel, wie das Kind bis zum sie­benten Jahre von seiner Amme. – Der Erzieher muß Frei­heit geben dem, was sich durch die Naturkräfte selbst ent­wickelt.

[2] Maar met de fysieke geboorte worden nog niet alle vier de delen voor de werking van buitenaf vrij. Met de fysieke geboorte komt alleen het fysieke lichaam vrij; tegen de tijd van de tandenwisseling wordt het etherlijf geboren; tegen de puberteit het astraallijf. Zoals de ogen en de oren vóór de fysieke geboorte zich ontwikkelen onder de bescherming van de moederlijke omhulling, net zo worden geheugen, temperament enz. die bij het etherlijf horen vóór de tandenwisseling ontwikkeld onder de bescherming van het etheromhulsel.
[3] Jean Paul zegt: Een wereldreiziger die alle landen door trekt, leert op al zijn reizen niet zoveel, als een kind tot zijn zevende jaar van zijn kinderjuffrouw.* 

blz.134:

Wozu brauchen wir denn überhaupt bei der Erziehung des Kindes eine Schule? Was nach der physischen Geburt heranwächst, bedarf einer schützenden Hülle, ähnlich wie der Keim im Mutterleibe. Denn erst an einem bestimmten Punkte tritt der Mensch in ein neues Leben. Bevor er an diesen Punkt kommt, ist sein Leben eine Wiederholung frü­herer Lebensepochen. Auch der Keim macht ja eine Wieder­holung aller Stadien der Entwicklung von Urzeiten her durch. So wiederholt das Kind nach der Geburt frühere Menschheitsepochen. Friedrich August Wolf charakterisierte die Stufen des Menschen von der Kindheit an folgender­maßen. Erste Epoche: das goldene mildharmonische Alter vom ersten bis zum dritten Jahre. Es entspricht dem Leben der heutigen Indianer und Südseeinsulaner. Zweite Epoche:
sie spiegelt wider die Kämpfe in Asien, deren Widerschläge und Wirkungen in Europa, die Heroenzeit der Griechen; weiter hinaus die Zeit der nordamerikanischen Wilden, und im einzelnen Kinde die Lebensepoche bis zum sechsten Jahre.

[4] Waarom hebben we eigenlijk bij de opvoeding van een kind een school nodig? Wat na de geboorte groeit, heeft een beschermende omgeving nodig, net zoals de kiem in het moederlichaam. Want pas op een bepaald tijdstip begint de mens een nieuw leven. Vóór hij bij dit punt aankomt, is zijn leven een herhaling van eerdere levensfasenOok de kiem maakt dus een herhaling van alle stadia van de ontwikkeling van oertijden af, door. En zo herhaalt het kind na de geboorte vroegere stadia van de mensheidsfasen.

Friedrich August Wolf**  karakteriseerde de fasen van de mensheid vanaf de kinderleeftijd als volgt:

Tweede fase:
die weerspiegelt de strijd in Azië; de weerslag en werking in Europa; de heldentijd bij de Grieken; verder nog de tijd van de Noord-Amerikaanse natuurvolken en in het individuele kind de levensfase tot het zesde jaar.

Dritte Epoche: sie entspricht der Griechenzeit von Homer an bis zu Alexander dem Großen, reicht im einzelnen Kinde bis zum neunten Jahre. Vierte Epoche: Römerzeit, reicht bis zum zwölften Jahre. Fünfte Epoche: Mittelalter, reicht bis zum fünfzehnten Jahre; die Religion soll hier die Kraft-natur adeln. Sechste Epoche: Renaissance, bis zum acht­zehnten Jahre. Siebente Epoche: Reformationszeit, bis zum einundzwanzigsten Jahre. Achte Epoche: reicht bis zum vierundzwanzigsten Jahre, in ihr erhebt sich der Mensch zur Gegenwart. Dieses Schema entspricht einer guten, gei­stig wertvollen Grundlage, nur dürfen wir es nicht so eng auffassen. Wir müssen die ganze Abstammung des Men­schen mit in Betracht ziehen. Der Mensch stammt nicht vom niederen Tiere. Zwar stammt er von Wesen, die physisch weit hinter den heute lebenden Menschen zurückstanden,

Derde fase:
Die komt overeen met de tijd van de Grieken vanaf Homerus tot Alexander de Grote, in het individuele kind tot het negende jaar.

Vierde fase:
Tijd van de Romeinen, tot het twaalfde.

Vijfde fase:
Middeleeuwen, tot het vijftiende jaar; religie moet hier de natuurkrachten veredelen.

Zesde fase:
Renaissance, tot het achttiende jaar.

Zevende fase:
tot het eenentwintigste jaar.

Achtste fase:
tot het vierentwintigste jaar; hierin bereikt de mens het heden.

Dit schema beantwoordt aan een goede, geestelijk waardevolle basis, maar we mogen het niet zo strikt opvatten. We moeten de hele afstamming van de mens erbij betrekken. De mens stamt niet af van lagere dieren. Weliswaar stamt hij af van wezens die ver van de nu levende mens afstaan,

blz.135:

Der Geist und die Seele der Atlantier waren anders ge­artet als bei den heutigen Menschen. Sie hatten nicht ein sogenanntes Verstandesbewußtsein. Sie konnten nicht schrei­ben und rechnen. Ihr Bewußtsein war gewissermaßen som­nambul. Viele Dinge der geistigen Welten konnten sie durch­schauen. Ihr Bewußtsein war ähnlich dem eines schlafenden Menschen mit lebhaften Träumen. Aber die Bilder, die in ihrem Bewußtsein aufstiegen, waren nicht chaotisch, son­dern geregelt und lebendig. Damals war auch der Wille noch mächtig, auf die Glieder einzuwirken. Degenerierte Nach­kommen von ihnen sind die heutigen höheren Säugetiere, namentlich die Affen. Das gewöhnliche atlantische Bewußt­sein war ein Bilderbewußtsein. Unser Traumbewußtsein ist ein Rest davon. Die kühnste Phantasie von heute ist in ihren Bildern nur ein schwacher Abglanz dieser Bilderwelt der Atlantier. Und der Atlantier beherrschte die Bilder.

maar toch helemaal niet leken op apen. De geesteswetenschap wijst op tijden waarin de mens Atlantis bewoonde.
[6] Geest en ziel van de Atlantiër waren anders dan bij de mens van nu. Zij hadden geen zgn. verstandsbewustzijn. Ze konden niet schrijven en rekenen. Hun bewustzijn was in zekere zin slapend. Veel uit de geestelijke werelden konden zij waarnemen. Hun bewustzijn leek op dat van een slapende mens met levendige dromen. Maar de beelden die in hun bewustzijn opstegen, waren niet chaotisch, maar ordelijk en levendig. Toen had ook de wil nog veel macht om op de ledematen in te werken. Achtergebleven nakomelingen van hen zijn de huidige hogere zoogdieren, namelijk de apen. Het dagelijkse Atlantische bewustzijn was een beeldbewustzijn. Ons droombewustzijn is daarvan een overblijfsel. De origineelste fantasie van nu qua beelden, is maar een zwakke afspiegeling van deze beeldenwereld van de Atlantiërs.
En de Atlantiër beheerste de beelden.

Logik, Vernunftgesetze gab es damals nicht. Im willkürlichen Spiel der Kinder haben wir einen Abglanz davon, im kindlichen Spiel klingt die bildliche Anschauung weiter. Leben quoll dem Atlantier aus allen Dingen wie heute dem Kind aus dem Spielzeug.
In der lemurischen Zeit stieg der Mensch zum ersten Mal in den physischen Leib hinab. Das wird heute bei der phy­sischen Geburt wiederholt. Damals stieg der Mensch in den Leib hinab und entwickelte ihn seelisch-geistig immer hö­her. Die lemurische und atlantische Epoche wiederholt der Mensch bis zum siebenten Jahre.
Vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife wird die Ent­wicklungsepoche wiederholt, in der große geistige Lehrer in der Menschheit auftraten. Die letzten von diesen waren

Logica, verstandswetten waren er toen niet. In het vrije spel van de kinderen hebben we daarvan nog een flauwe afspiegeling; in het kinderlijke spel klinkt de beeldende waarneming nog door. Leven sproot voor de Atlantiër uit alles, zoals tegenwoordig uit het speelgoed van het kind.
[7] In de Lemurische tijd incarneerde de mens voor de eerste keer in een fysiek lichaam. Dat wordt tegenwoordig herhaald bij de geboorte van het fysieke lichaam. Toen daalde de mens af in zijn lichaam en ontwikkelde dit met zijn ziel en geest steeds hoger. De Lemurische en Atlantische fase herhaalt de mens tot zijn zevende jaar.
Vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit wordt de ontwikkelingsfase herhaald waarin de grote geestelijke leiders van de mensheid werkzaam waren. De laatsten van hen

blz.136:

Buddha, Plato, Pythagoras, Hermes, Moses, Zarathustra und so weiter. Damals wirkte die geistige Welt noch mehr in die Menschheit hinein. In den Heroensagen wird uns dies bewahrt. Jener Geist der alten Kulturepochen muß daher dem Schulunterricht in diesen Jahren zugrunde liegen.
Bis zum zwölften Jahrhundert, dem Zeitalter der Städtegründung, haben wir die Epoche, die dem siebenten bis vierzehnten Jahre des Kindes entspricht. Da konnte nun vom Prinzip der Gemeinsamkeit und Autorität die Rede sein. Etwas von der Macht und dem Glanz der großen Führer muß vorhanden sein in diesen Jahren für die Kinder. Die Lehrerfrage ist deshalb in der ganzen
Schulangelegenheit die wichtigste. Eine selbstverständliche Autorität muss der Lehrer den Kindern sein; so wie die Gewalt dessen, wie die großen Lehrer zu sagen hatten, von selbst einfloß in die Menschenseelen. Schlimm ist es, wenn das Kind zweifelt seinem Lehrer. Das schadet sehr. Die Verehrung, die das Kind dem
Lehrer zollt, muß die denkbar größte sein. Dies muß so weit gehen, daß das Wohlwollen, das der Lehr gibt – und es ist selbstverständlich, daß er es gibt -, dem Kinde wie ein Geschenk erscheint
.

waren Boeddha, Plato, Pythagoras, Hermes, Moses, Zarathustra enz. Toen werkte de geestelijke wereld nog meer op de mensheid in. In de heldensagen is dit voor ons bewaard gebleven. Deze geestesgesteldheid van de oude cultuurperioden moet daarom aan het schoolonderwijs in deze jaren ten grondslag liggen.
Tot de twaalfde eeuw, de tijd van de stichting der steden, hebben we de fase die overeenkomt met die van het zevende tot het veertiende van het kind. Daarin kon slechts sprake zijn van het principe van gemeenschap en autoriteit. Iets van de macht en glans van de grote leiders moet in deze jaren voor de kinderen aanwezig zijn.
[8] De vraag naar de leraar is daarom in alle schoolzaken de belangrijkste. De leraar moet een vanzelfsprekende autoriteit zijn voor de kinderen; zoals het gezag van wat de grote leraren te zeggen hadden, vanzelf instroomde in de mensenzielen. Het is verkeerd wanneer een kind aan zijn leerkracht twijfelt. Dat is erg schadelijk. De verering die een kind voor een leraar heeft, moet de denkbaar grootste zijn. Dit moet zo ver gaan dat het goede hart dat de leraar het kind toedraagt en het is vanzelfsprekend dat hij dat doet – voor hem een geschenk is.

Auf die methodisch-pädagogischen Grundsätze kommt es nicht an, sondern darauf daß der Lehrer Psychologie im höchsten Sinne kennt. Seelenstudium ist das wichtigste Element der Lehrerbildung. Nicht wie die Seele entwickelt werden soll, soll man wissen, sondern man muß sehen, wie der Mensch sich wirklich entwickelt.
Und jedes Zeitalter stellt andere Forderungen an den Menschen, so daß allgemein gültige Schemen wertlos sind. Zum Lehrer gehört nicht Wissen und Beherrschen der  Methoden der Pädagogik, sondern ein bestimmter Charakter, eine Gesinnung, die schon wirkt, ehe der Lehrer gesprochen hat. Er muß, bis zu einem gewissen Grade, eine innere Entwicklung

[9] Op methodisch-pedagogische beginselen komt het niet aan, maar wel dat de leraar uitermate thuis is in de psychologie. Studie van de ziel is het belangrijkste deel van de lerarenopleiding. Niet hoe de ziel ontwikkeld moet worden, maar weten moet men hoe de mens zich daadwerkelijk ontwikkelt.
[10]En ieder tijdperk stelt aan de mens andere eisen, zodat algemeen geldende schema’s waardeloos zijn. Bij de leraar hoort niet een weten en beheersen van pedagogie-methoden, maar een bepaald karakter, een houding die al werkt vóór die leerkracht gesproken heeft. Hij moet, tot op zekere hoogte, een innerlijke ontwikkeling

durchgemacht haben, er muß nicht nur gelernt, er muß sich innerlich verwandelt haben. Man wird einst beim Examen nicht das Wissen, ja nicht einmal die pädagogischen Grundsätze, sondern das Sein prüfen. Leben muß die Schule für das Kind sein. Sie soll nicht nur das Leben abbilden, sie soll das Leben sein, denn sie soll eine frühere Lebensepoche lebendig machen. Die Schule soll ein eigenes Leben erzeugen; nicht soll das äußere Leben hineinfließen. Was der Mensch später nicht mehr hat, soll er hier in der Schule haben. Bildliche, gleichnisartige Vorstellungen sollen in rei­cher Weise erweckt werden. «Alles Vergängliche ist nur ein Gleichnis»: von diesem Satz muß der Lehrer voll über­zeugt sein. Er darf nicht denken, wenn er bildlich redet:
das ist nur ein Gleichnis. Wenn er voll mitlebt mit dem Kinde, dann geht aus seiner Seele Kraft in die des Kindes über. Ins Bild, in den Reichtum der Imagination, muß man die Naturvorgänge kleiden. Erschaffen muß man, was hin­ter dem Sinnlichen ist.

doorgemaakt hebben; hij moet niet alleen maar gestudeerd hebben; hij moet zich innerlijk ontwikkeld hebben. Eens zal men bij het examen niet de kennis, zelfs niet de pedagogische beginselen onderzoeken, maar hoe je wezenlijk bent. [11] Voor een kind moet de school leven zijn. Ze moet niet slechts een spiegel zijn van het leven, ze moet zelf het leven zijn, want ze moet een eerdere fase levend maken. De school moet een eigen leven creëren; het uiterlijke leven moet niet naar binnen komen. Wat de mens later niet meer heeft, dat moet hij hier op school krijgen. Beeldende voorstellingen, gelijkenissen moeten op een rijkelijke manier gewekt worden. ‘Al het vergankelijke, is maar een gelijkenis’: van deze zin moet de leerkracht vol overtuigd zijn. Hij mag niet denken, wanneer hij in beelden spreekt: dat is maar een vergelijking. Wanneer hij volledig meeleeft met het kind gaat vanuit zijn ziel een kracht naar het kind toe. In beelden, in de rijkdom van de imaginatie, moet men de processen in de natuur kleden. Wat achter het zintuiglijke ligt, moet je scheppen.

Unser heutiger Anschauungsunter­richt ist darum ganz verfehlt, da er nur aufs Äußere hin­weist. Das Samenkorn hat nicht nur die Pflanze in sich, sondern auch die Sonnenkraft, ja den ganzen Kosmos. Auferwecken muß man die gleichnisartigen Kräfte, damit das Kind sich in die Natur einlebt. Nicht an der Rechenmaschine, sondern an den lebendigen Fingern muß man mit dem Kinde rechnen. Die lebendige Geisteskraft muß angeregt werden. Man muß dem Kinde nicht nur die Pflanze zeigen und beschreiben, sondern sie vom Kinde malen lassen. Dann werden frohe Menschen aus der Schule hervorgehen, die dem Leben einen Sinn abgewinnen. Rechnen und Natur­kunde schult die Denkkraft, das Gedächtnis und die Erinne­rung. Geschichte schult die Gefühlskräfte. Fühlen mit allem Großen und Schönen entwickelt Liebe zu dem, was geliebt sein muß. Der Wille aber wird nur ausgebildet durch die

[12] Het huidige aanschouwelijkheidsonderwijs is daarom zo fout omdat dit alleen op het uiterlijke wijst. De zaadkorrel heeft niet alleen de plant bij zich, maar ook de zonnekracht, ja heel de kosmos. Mobiliseren moet men de kracht van de gelijkenissen opdat het kind zich kan inleven in de natuur. Niet aan het telraam, maar het kind moet rekenen met zijn levende vingers. De levendige geestkracht moet aangewakkerd worden. Men moet het kind niet alleen de plant tonen en beschrijven, maar ze door de kinderen laten schilderen. Dan zullen er blije mensen van school gaan die zin aan het leven kunnen ontlenen. Rekenen en natuurkunde schoolt de denkkracht, het geheugen en het herinneren. Geschiedenis schoolt de gevoelskrachten. Meevoelen met al het grote en mooie ontwikkelt liefde voor wat men moet liefhebben. De wil wordt alleen gevormd door de 

blz.138:

religiöse Anschauung. Die muß alles durchdringen. Jean Paul sagt: Horchet wie richtig ein Kind spricht und fraget dann seinen Vater, er soll es erklären. – Das Kind kann nicht alles verstehen, was es tatsächlich kann. Und so ist es auch bei allen Menschen. Nur unsere materielle Zeit will dem Gedächtnis so wenig zumuten. Zuerst lernt das Kind, später versteht es das Gelernte, und noch später lernt es die Gesetze kennen.
Zwischen dem siebenten und vierzehnten Jahre muß auch der Schönheitssinn entwickelt werden. Er ist es, der uns auch die symbolische Auffassung der Dinge vermittelt. Vor allem soll aber Leben dem Kinde werden und möglichst wenig abstrakte Ideen. Die sollen erst nach der Geschlechtsreife kommen. Dann soll es erst die Theorien lernen, wenn es schon sinnvoll in die Dinge eingedrungen ist. Der Geist der Natur soll zuvor gesprochen haben, die Tatsachen selbst, die ja hinter dem Sinnlichen liegen. Man muß nicht fürch­ten, daß nach der Schulzeit alles vergessen werde.

religieuze voorstelling. Die moet alles doordringen. Jean Paul zegt: ‘Luister aandachtig hoe goed een kind spreekt en vraag dan zijn vader, hij zal alles verklaren. – Het kind kan niet alles begrijpen wat het feitelijk al kan. En dat is zo bij alle mensen. Alleen, onze materialistische tijd wil het geheugen zo weinig aansporen. Eerst leert het kind, later begrijpt hij het en nog later leert hij de wetmatigheden. 
[13] Tussen het zevende en veertiende jaar moet ook de zin voor schoonheid ontwikkeld worden. Die maakt het ons ook mogelijk de symbolische betekenis van de dingen te verstaan. Bovenal moet echter het kind leven krijgen en zo min mogelijk abstracte ideeën. Die moeten pas na de puberteit komen. Dan moet het pas theorieën leren, wanneer het al op een zinvolle manier thuis geraakt is in de dingen. De geest, de natuur moet voordien hebben gesproken, de feiten zelf, die achter het zintuiglijke liggen. Men moet niet bang zijn dat na de schooltijd alles vergeten wordt. 

Es kommt nur darauf an, daß es Früchte trägt, daß der Geist geformt wird. Nur das bleibt, was der Mensch gefühlt und empfun­den hat. Das Einzelne geht, das Allgemeine bleibt und wächst. Nie aber kann ein Unterricht ohne religiöse Grund­lage geführt werden. Eine religionslose Schule ist einfach eine Illusion. Auch in Haeckels Welträtsel steht ja eine Religion. Wer Religion bekämpft, tut es entweder von einem hohen Standpunkt aus, wie Schiller sagt «aus Religion», oder von einem sehr tiefen Standpunkt aus. Aber nie kann eine Theorie eine Religion ersetzen. Religionsgeschichte kann das nie ersetzen. Wer in einer tief religiösen Grundstimmung ist, der kann auch Religion geben. Der Geist, der in der Welt lebt, lebt auch im Menschen. Man muß fühlen, daß man in einer geistigen Weltordnung steht, von der man seine Mission empfängt. Es gibt ein Wort: «Ein Blick ins Buch,

Het komt er alleen op aan dat het vrucht draagt, dat de geest wordt gevormd. Alleen wat de mens beleefd, gevoeld heeft, blijft. De details vergaan, het algemene blijft. [14] Nooit echter kan onderwijs zonder religieuze basis geleid worden. Een school zonder religie is simpelweg een illusie. Ook in HaeckelsWelträtsel‘ zit een religie. Wie religie bestrijdt, doet dit of vanuit een hoog standpunt, zoals Schiller zegt ‘vanuit religie’ of vanuit een zeer laag standpunt. Maar nooit kan een theorie in de plaats komen van een religie. Die kan niet in de plaats komen van geschiedenis van de religie. Wie een diepe religieuze grondstemming heeft, kan ook religie geven. De geest die in de wereld leeft, leeft ook in de mens. Men moet voelen, dat men in een geestelijke wereldorde staat van waaruit men zijn opdracht ontvangt. Er is een woord: ‘Een blik in het boek 

blz.139:

und zwei ins Leben, das muß die Form dem Geiste geben.» Aber die Schule muß unmittelbares Leben sein; das Buch selbst muß Leben sein, muß erfreuen wie das Leben selbst. So können wir den Spruch so formen:

Ein Blick ins Buch, der wie ein Blick ins Leben,
Der kann die rechte Form dem Geiste geben.

en twee in het leven, dat moet de vorm aan de geest geven. 

Maar de school moet het directe leven zijn; het boek zelf moet leven zijn, moet vreugde geven als het leven zelf.
Dus kunnen we de spreuk zo formuleren:

Een blik in het boek, die als een blik in het leven is,
kan de juiste vorm aan de geest geven.
GA 55/133-139  
Niet vertaald

.

 

 

alle pedagogische voordrachten

Rudolf Steiner: alle artikelen

Menskunde en pedagogie 12

voor de begrippen: fysiek lichaam; etherlijf; astraallijf en Ik

875-806

.