VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (2-2)

.

Kinderkleren: wanneer zitten ze als gegoten?

Lisa heeft het altijd warm. De zweetdruppeltjes parelen op haar voorhoofdje als ze bezig is met haar spel. Vaak ergeren haar kleren haar zo dat ze ze razendsnel uitgooit en poedelnaakt weer verder speelt. Maar dat geeft nauwelijks opluchting want haar spel wordt dan alleen maar onstuimiger en het transpireren neemt toe. Peuterjuf Joyce Honing laat je mee kijken naar de kinderen in haar klasje.

De zomer is voorbij. Het regent en er waait een koude wind. De korte broeken en T-shirts zijn opgeborgen en de kinderen komen met natte jasjes de school binnen. In het peuterklasje is het spel begonnen: een herfstspel. Het rode huisje in de hoek van de klas is veranderd in een eekhoorntjesholletje waar alles naar toe wordt gesleept. Alles wat mooi en verplaatsbaar is, verdwijnt in het holletje. Ook de grote schommelboot heeft daar een plaats gekregen. Er heerst een bedrijvigheid in het klasje alsof een mierenvolk bezig is zich voor te bereiden op de komende winter.

Lisa, een klein blond meisje, sleept druk met stoeltjes. Ze heeft helder blauwe ogen en een stevig, maar niet gedrongen lijfje dat gemaakt lijkt te zijn om te bewegen, te rennen, te klimmen en te sjouwen. Het is een kind dat helemaal haar eigen weg gaat en zich niet laat storen door wat er in haar omgeving gebeurt. Ze is juist bezig met een blok in haar handje de omgegooide schommelboot te beklimmen, als ze met haar voetje blijft steken in haar dunne wijde jurkje. Ze verliest geen moment, legt het blok neer en heeft in een oogwenk haar sokken uitgegooid (de schoenen waren al uit) en haar jurkje over haar hoofd uitgetrokken. Ook haar onderbroekje en hemdje vliegen er achter aan en geheel ontkleed vervolgt ze haar spel. Het zweet staat op haar voorhoofd, haar blonde haartjes plakken in haar nek maar ze speelt stralend verder.

Bezweet toetje
Als ik op haar toeloop om haar weer aan te kleden, voel ik dat ze, ondanks haar bezwete toetje, ijskoude handjes en voetjes heeft. Groene snottebellen liggen op haar bovenlip. Eigenlijk snottert ze altijd. Nog geen uur nadat ik haar heb aangekleed, vraagt ze om de plasketting die peuters die al alleen kunnen plassen meenemen naar de wc, waar ik ze dan even later ophaal. Maar bij Lisa ben ik vaak te laat.

Razendsnel is ze terug in de klas; weer poedelnaakt. Dit uitkleedritueel herhaalt zich bijna iedere morgen een paar keer. Lisa’s moeder, die dit gedrag goed van haar kent omdat ze het thuis ook doet, komt haar dochter tegemoet door haar zo dun mogelijk te kleden. ‘Want,’ zo zegt ze, ‘de zweetdruppeltjes parelen altijd op haar voorhoofd, dus ze heeft het gauw te warm.’ Een logische conclusie. Maar als je goed naar Lisa kijkt klopt er toch iets niet. Iedere keer als ze begint te transpireren en haar kleertjes uit heeft gegooid, wordt haar spel onstuimiger. Ze rent harder dan voorheen en wordt zelfs onrustig. Het lijkt erop dat ze haar warmte op peil wil houden door steeds drukker te bewegen. Het transpireren op haar hoofdje wordt niet minder, maar juist erger. Een verwarrend beeld dus.

In de klas heb ik meestal een kleine voorraad wollen kleertjes liggen. Op een keer, na de zoveelste uitkleedpartij, zocht ik een wollen hemdje en maillot voor haar uit die goed aansluitend om haar lijfje pasten. Dat beviel haar duidelijk goed. Haar spel werd rustiger en haar bewegingen minder heftig. Het was alsof ze beter bij zichzelf kon blijven.
En wat vooral opviel, was dat er geen zweetdruppeltjes meer op haar hoofd verschenen. Haar haartjes werden niet meer nat en haar handen en voeten bleven warm. Toen haar moeder haar bovendien goede passende, niet hinderende kleding aandeed, bleek ze er geen behoefte meer aan te hebben om zich uit te kleden.

Bewegingskinderen

Dit verschijnsel neem ik vaak waar bij de kinderen die ik ‘bewegingskinderen’ noem. De warmte die deze kinderen ontwikkelen door hun actieve bewegingen, verliezen ze ogenblikkelijk weer via de zweetdruppels op hun hoofd. Ze staan daar zoveel warmte af dat ze niet genoeg overhouden om hun handjes en voetjes warm te houden. Daarom vraagt juist zo’n bewegingskind om goede, warme onderkleding, vooral om de buik, de billen en de, beentjes. Want zoals een kachel zijn warmte verliest via de open schoorsteen als je de pijp niet goed afsluit, zo verliest het bewegingskind zijn warmte als je hem niet helpt die wat evenwichtiger over zijn lijfje te verdelen. Deze kleine wildebrassen zijn je ook dankbaar voor goed passende kleren, want ze hebben snel last van jurkjes met wijde stroken of belemmerende, te grote kleren.

Professortje

Eigenlijk vraagt ieder kind om bij zijn aard passende kleren. Roland bijvoorbeeld. Hij heeft een mager lijfje, beentjes die hij niet veel gebruikt, handen die vooral naar boeken zullen reiken en ogen die alles zien, alles opnemen en alles begrijpen. Het lijkt wel alsof zijn ogen de plaats van zijn ledematen hebben ingenomen. Nauwkeurig doet hij verslag van alles wat er in de klas gebeurt. Hij is nog geen drie jaar oud, maar met zijn wijsvingertje in de lucht onderstreept hij ieder woord alsof hij voor een volle zaal toehoorders staat. Kijken en spreken nemen bij hem de plaats in van bewegen. Nauwlettend houdt hij het goede verloop van de ochtend in de gaten. Het zijn de zekerheden waaraan hij zich vastklampt. ‘Juf, als je Lisa hebt aangekleed, gaan we dan boterhammen smeren? En daarna gaan we de klas mooi maken. Zullen we dan, als het niet gaat regenen, naar buiten gaan?’

Rolands lijfje is altijd koud tot op het bot. Alle warmte wordt weggezogen door zijn hoofdje, waarmee hij alles ziet en over alles nadenkt. En, zoals je dat zelf ook wel merkt als je bijvoorbeeld een paar uur ingespannen voor je computer zit te werken: daar krijg je het koud van. Een kind als Roland aanzetten tot meer eten of meer bewegen is onbegonnen werk. Hij is een denker en beschouwer en dat mag hij zijn. Maar zo’n klein professortje verwarm ik wel het liefst van top tot teen met wollen onderbroeken en wollen hemden met lange mouwen. Daardoor zal hij zich behalve in zijn beschouwende hoofdje ook in zijn lijfje meer thuis kunnen voelen.

Fladderend kinderspel

En dan heb ik in mijn klasje nog van de speelse kinderen, die als vlinders van  bloem naar bloem dartelen. Ze zijn meestal aan de tengere kant, net als de denkertjes. Ook voor hen is het goed om het gebied van hart en longen te verwarmen met wollen ondergoed. Daardoor kunnen ze zichzelf niet helemaal verliezen in hun heerlijk fladderende kinderspel en hebben ze een warm ‘huisje’, van waaruit ze hun spel beginnen, maar waarnaar ze ook op ieder moment weer kunnen terugkeren.

Er zijn ook kinderen bij wie je niet zo’n nadruk hoeft te leggen op warme kleding. Dat zijn de mollige, goed etende dromertjes. Vaak hebben ze wat waterige snotneusjes. Maar daarover hoef je niet zo’n zorgen te maken. In tegenstelling tot de bewegingskinderen heeft het bij hen meestal niet met een infectie te maken, maar hoort het meer bij hun lichaamsgesteldheid. Omdat ze hun eigen innerlijke kacheltje steeds brandend houden door goed te eten en weinig te bewegen, zullen zij het snelste last hebben van te warme kleren.

Ouderavond

Op de ouderavonden in de peuterklas is warmte vaak een gespreksonderwerp. En dan beginnen we bij het begin. Want hoe beter je je kunt voorstellen in welke constante, weldadige warmte een kind voor de geboorte leeft, hoe beter je ook begrijpt hoe heerlijk het moet zijn om na de geboorte nog zo lang mogelijk die vertrouwde, omhullende warmte te voelen. Door een baby te kleden in zachte wollen hemdjes, luiertruitjes en mutsjes kun je dat soort warmte het dichtst benaderen. Voor een baby geldt nog sterker dan voor de beweeglijke peuter dat het de warmte nog niet goed kan vasthouden en die via zijn hoofdje weer afstaat. Het is nog niet zo lang geleden dat iedere moeder haar baby als vanzelfsprekend een mutsje opzette, niet alleen buiten maar ook binnen en in de wieg. Voor ons is dat absoluut niet meer vanzelfsprekend. Dat is jammer, want een muts beschermt een babyhoofdje niet alleen tegen kou of te veel zon, maar ook tegen te veel indrukken van buitenaf. En dat is in deze tijd geen overbodige luxe. Een warm pleidooi dus voor de terugkeer van het wollen of zijden mutsje als vast onderdeel van de babyuitzet.

Joyce Honing, Puur kind, Weleda, herfst 1998

.

peuters en kleutersalle artikelen

ontwikkelingsfasenalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

opvoedingsvragenalle artikelen
.

1600-1499

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-2-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 31-33 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Rudolf Steiner noemt de voorstelling o.a. ‘niet meer werkelijk‘ (unter-real). De werkelijkheid lag in de geestelijke wereld vóór onze geboorte – en zoals Steiner er vaak aan toevoegt: vóór onze conceptie.
Maar wat daar werkelijkheid was, is met onze geboorte niet opgehouden te bestaan: vanuit deze geestelijke wereld ‘stromen’ nog altijd krachten in ons die het ons mogelijk maken dat we ons kunnen voorstellen.
En zoals we dagelijks door onze voeding bijv. verbonden zijn met de aarde, ook als we niet eten of drinken, zo lijkt het alsof we ook – maar nu natuurlijk helemaal onstoffelijk – verbonden zijn met een wereld van ‘de gedachtevoeding’.

Iedere vergelijking met iets aards gaat eigenlijk mank: de wereld van de geest is een totaal andere wereld.

Toch probeert Steiner deze voor ons te beschrijven.

In GA 9, theosofie, doet hij dat zo:

Bevor nun der Geist auf seiner weiteren Wanderung betrachtet werden kann, muß das Gebiet selbst erst beobachtet werden, das er betritt. Es ist die «Welt des Geistes». Diese Welt ist der physischen so unähnlich, daß alles das, was über sie gesagt wird, demjenigen wie Phantastik Vorkommen muß, der nur seinen physischen Sinnen Vertrauen will. Und in noch höherem Maße gilt hier, was schon bei der Betrachtung der «Welt der Seele» gesagt worden ist: man muß sich der Gleichnisse bedienen, um zu schildern. Denn unsere Sprache, die zumeist nur der sinnlichen Wirklichkeit dient, ist mit Ausdrücken, die sich für das «Geisterland» unmittelbar anwenden lassen, nicht gerade reich gesegnet. Besonders hier muß daher gebeten werden, manches, was gesagt wird, nur als Andeutung zu verstehen. Es ist alles, was hier beschrieben wird, der physischen Welt so unähnlich, daß es nur in dieser Weise geschildert werden kann. Der Schreiber dieser Darstellung ist sich immer bewußt, wie wenig seine Angaben wegen der Unvollkommenheit unserer für die physische Welt berechneten sprachlichen Ausdrucksmittel wirklich der Erfahrung auf diesem Gebiete gleichen können.
Vor allen Dingen muß betont werden, daß diese Welt aus dem Stoffe (auch das Wort «Stoff» ist natürlich hier in einem sehr uneigentlichen Sinne gebraucht) gewoben ist, aus dem der menschliche Gedanke besteht. Aber so wie der Gedanke im Menschen lebt, ist er nur ein Schattenbild, ein Schemen seiner wirklichen Wesenheit. 

Voordat we de geest op zijn verdere weg kunnen volgen, moeten we eerst het gebied leren kennen waar hij nu in terechtkomt. Dat is de ‘wereld van de geest’. Deze wereld lijkt zo weinig op de fysieke wereld dat iemand die alleen zijn fysieke zintuigen wil vertrouwen alle uitspraken over die wereld wel als pure fantasie moet beschouwen. En in nog sterkere mate geldt hier wat ook al bij de ‘wereld van de ziel’ is opgemerkt: je moet gebruik maken van vergelijkingen om die wereld te kunnen beschrijven. Want onze taal, die hoofdzakelijk in dienst van de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid staat, is arm aan uitdrukkingen die direct op het ‘geestenrijk’ kunnen worden toegepast. Daarom moet met name bij de volgende beschrijvingen de lezer worden verzocht veel slechts als aanduiding op te vatten. Alles wat hier beschreven wordt lijkt zo weinig op de fysieke wereld, dat het alleen maar aanduidingsgewijs, met behulp van vergelijkingen, kan worden geschetst. De schrijver is er zich voortdurend van bewust hoe weinig zijn beschrijving — wegens de onvolmaakte uitdrukkingsmiddelen van onze taal die op de fysieke wereld is toegesneden — kan weergeven wat op dit gebied in werkelijkheid wordt ervaren.

Allereerst moet er de nadruk op worden gelegd dat deze wereld geweven is uit de stof (ook het woord ‘stof’ is hier natuurlijk in zeer oneigenlijke zin gebruikt) waaruit de menselijke gedachte bestaat. Maar zoals de gedachte in de mens leeft is ze slechts een schaduwbeeld, een schim van haar werkelijke wezen.

In voordracht 2 heb ik dit tekeningetje gemaakt:

De muur is hier ‘de spiegel’; voor het denken de spiegelende functie van het aan de fysieke hersenen gebonden denken.

Wie der Schatten eines Gegenstandes an einer Wand sich zum wirklichen Gegenstand verhält, der diesen Schatten wirft, so verhält sich der Gedanke, der durch den menschlichen Kopf erscheint, zu der Wesenheit im «Geisterland», die diesem Gedanken entspricht.
Wenn nun der geistige Sinn des Menschen erweckt ist, dann nimmt er diese Gedankenwesenheit wirklich wahr, wie das sinnliche Auge einen Tisch oder einen Stuhl wahrnimmt. Er wandelt in einer Umgebung von Gedankenwesen. Das sinnliche Auge nimmt den Löwen wahr und das auf Sinnliches gerichtete Denken bloß den Gedanken des Löwen als ein Schemen, als ein schattenhaftes Bild. Das geistige Auge sieht im «Geisterland» den Gedanken des Löwen so wirklich wie das sinnliche den physischen Löwen. Wieder kann hier auf das schon bezüglich des «Seelenlandes» gebrauchte Gleichnis verwiesen werden. Wie dem operierten Blindgeborenen auf einmal seine Umgebung mit den neuen Eigenschaften der Farben und Lichter erscheint, so erscheint demjenigen, der sein geistiges Auge gebrauchen lernt, die Umgebung mit einer neuen Welt erfüllt, mit der Welt lebendiger Gedanken oder Geistwesen. – In dieser Welt sind nun zunächst die geistigen Urbilder aller Dinge und Wesen zu sehen, die in der physischen und in der seelischen Welt vorhanden sind. Man denke sich das Bild eines Malers im Geiste vorhanden, bevor es gemalt ist. Dann hat man ein Gleichnis dessen, was mit dem Ausdruck Urbild gemeint ist. Es kommt hier nicht darauf an, daß der Maler ein solches Urbild vielleicht nicht im Kopfe hat, bevor er malt; daß es erst während der praktischen Arbeit nach und nach vollständig entsteht. In der wirklichen «Welt des Geistes» sind solche Urbilder für alle Dinge vorhanden, und die physischen Dinge und Wesenheiten sind Nachbilder dieser Urbilder. – Wenn derjenige, welcher nur seinen äußeren Sinnen vertraut, diese urbildliche Welt leugnet und behauptet, die Urbilder seien nur Abstraktionen, die der vergleichende Verstand von den sinnlichen Dingen gewinnt, so ist das begreiflich; denn ein solcher kann eben in dieser höheren Welt nicht wahrnehmen; er kennt die Gedankenwelt nur in ihrer schemenhaften Abstraktheit. Er weiß nicht, daß der geistig Schauende mit den Geisteswesen so vertraut ist wie er selbst mit seinem Hunde oder seiner Katze und daß die Urbilderwelt eine weitaus intensivere Wirklichkeit hat als die sinnlich-physische.

Zoals de schaduw van een voorwerp op een muur zich verhoudt tot dat voorwerp zelf dat de schaduw werpt, zo verhoudt de gedachte die via het hoofd van de mens tot verschijning komt [de oudere vertaling had ‘opkomt’]* zich tot het wezen in het ‘geestenrijk’ waarmee deze gedachte overeenkomt. Als nu het geestelijke zintuig van de mens is geopend, dan neemt hij dit gedachtewezen werkelijk waar, net zoals hij met het fysieke oog een tafel of een stoel waarneemt. Hij begeeft zich in een wereld van gedachtewezens. Het fysieke oog neemt de leeuw waar en het op de zintuiglijk waargenomen wereld gerichte denken ervaart de gedachte van ‘de leeuw’ als een schim, als een schaduwachtig beeld. Met het geestelijke oog zie je in het ‘geestenrijk’ de gedachte van ‘de leeuw’ zo werkelijk als het fysieke oog de fysieke leeuw ziet.* Hier is opnieuw de vergelijking van toepassing die ook al met betrekking tot het ‘zielenrijk’ werd gebruikt. Zoals de blindgeborene zijn omgeving na de operatie plotseling verrijkt ziet met nieuwe kleur- en lichteigenschappen, zo ziet iemand die zijn geestesoog leert gebruiken zijn omgeving vervuld van een nieuwe wereld, de wereld van levende gedachten of geestelijke wezens. — In deze wereld zijn in de eerste plaats de geestelijke oerbeelden te vinden van alle wezens en verschijnselen die in de fysieke wereld en in de zielenwereld voorkomen. Denk aan het beeld dat in de geest van een schilder aanwezig is voordat hij het schildert. Dat beeld is vergelijkbaar met wat hier aangeduid wordt als oerbeeld. Het is daarbij onwezenlijk dat de schilder zo’n oerbeeld misschien niet in zijn hoofd heeft als hij begint te schilderen; dat het pas tijdens het daadwerkelijke schilderen geleidelijk helemaal te voorschijn komt. In de echte ‘wereld van de geest’ zijn nu dergelijke oerbeelden voor alle verschijnselen aanwezig; en de fysieke wezens en verschijnselen zijn afbeeldingen van deze oerbeelden. — Als iemand die alleen zijn uiterlijke zintuigen vertrouwt het bestaan van deze ‘oerbeeldenwereld’ ontkent en beweert dat de oerbeelden slechts abstracties zijn die het vergelijkende verstand uit de zintuiglijk waargenomen verschijnselen haalt, dan is dat begrijpelijk; want zo iemand kan die hogere wereld nu eenmaal niet waarnemen; hij kent de ‘gedachtewereld’ alleen in haar schimmige abstractheid. Hij weet niet dat wie geestelijk waarneemt met de geestelijke wezens net zo vertrouwd is als hij zelf met zijn hond of zijn kat, en dat de oerbeeldenwereld een veel intensievere werkelijkheid is dan de zintuiglijk-fysieke wereld.

*102 Met het geestelijke oog… de fysieke leeuw ziet: Vgl. ook wat Steiner in zijn artikel ‘Filosofie en antroposofie’ daarover zegt: Waarheid en wetenschap – Filosofie en antroposofie (1892 en 1918)

Allerdings ist der erste Einblick in dieses «Geisterland» noch verwirrender als derjenige in die seelische Welt. Denn die Urbilder in ihrer wahren Gestalt sind ihren sinnlichen Nachbildern sehr unähnlich. Ebenso unähnlich sind sie aber auch ihren Schatten, den abstrakten Gedanken. – In der geistigen Welt ist alles in fortwährender beweglicher Tätigkeit, in unaufhörlichem Schaffen. Eine Ruhe, ein Verweilen an einem Orte, wie sie in der physischen Welt vorhanden sind, gibt es dort nicht. Denn die Urbilder sind schaffende Wesenheiten. Sie sind die Werkmeister alles dessen, was in der physischen und seelischen Welt entsteht. Ihre Formen sind rasch wechselnd; und in jedem Urbild liegt die Möglichkeit, unzählige besondere Gestalten anzunehmen. Sie lassen gleichsam die besonderen Gestalten aus sich hervorsprießen; und kaum ist die eine erzeugt, so schickt sich das Urbild an, eine nächste aus sich hervorquellen zu lassen. Und die Urbilder stehen miteinander in mehr oder weniger verwandtschaftlicher Beziehung. Sie wirken nicht vereinzelt. Das eine bedarf der Hilfe des andern zu seinem Schaffen. Unzählige Urbilder wirken oft zusammen, damit diese oder jene Wesenheit in der seelischen oder physischen Welt entstehe.

Natuurlijk is de eerste blik in dit ‘geestenrijk’ nog verwarrender dan die in de zielenwereld. Want de oerbeelden lijken in hun ware gedaante heel weinig op hun zintuiglijk waarneembare afbeeldingen. Ze lijken echter eveneens heel weinig op hun schaduwen, de abstracte gedachten. – In de geestelijke wereld is alles voortdurend in actieve beweging, is alles onophoudelijk creatief werkzaam. Rust, het vertoeven op één plaats, zoals dat in de fysieke wereld voorkomt, bestaat daar niet. Want de oerbeelden zijn scheppende wezens. Ze zijn de werkmeesters van alles wat in de fysieke wereld en in de zielenwereld ontstaat. Hun vormen wisselen snel; en ieder oerbeeld heeft de mogelijkheid talloze bijzondere gestalten aan te nemen. Ze laten als het ware de afzonderlijke gestalten uit zichzelf voortkomen; en nauwelijks is de ene gestalte voortgebracht of het oerbeeld is al doende uit zichzelf een andere te voorschijn te laten komen. En tussen de oerbeelden bestaan min of meer verwantschapsbetrekkingen. Ze werken niet onafhankelijk van elkaar. Het ene oerbeeld heeft bij zijn scheppende werkzaamheid de hulp van het andere nodig. Vaak werken talloze oerbeelden samen om een bepaald wezen in de fysieke wereld of in de zielewereld te laten ontstaan.
GA 9/120-122
Theosofie/101-103

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

*Een deel van deze oudere vertaling staat hier

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1599-1498

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-13)

.

De tijd als ritme van de dag

Van de tijdseenheden waarmee we leven, spreekt de dag van 24 uur ons het meest direct aan. In ritmisch opzicht is er ook een duidelijke polariteit: dag en nacht. De verdere indeling in 24 uren is dan meer een rekensommetje: 8 uur slapen en 16 uur om te verdelen over werk, eten en ontspanning. Die verdeling wordt meestal door de praktijk bepaald, door het werk dat er te doen is, door de verbreidheid die optreedt, door het eten dat op vaste uren op tafel staat, enz.
De maaltijden brengen voor het grootste deel van de mensen een heel bepaalde dagindeling, een zeker ritme met kleine variaties. Voor deze mensen is er dus door onze leefgewoonten een bepaalde dagindeling. Die kan meer of minder ritmisch zijn maar ze is er en ze speelt zich voor het grootste gedeelte buiten ons bewustzijn af. Voor 25 procent van de werkende mensen ligt de zaak anders. Deze 25 procent werken namelijk in continuediensten en -bedrijven. Hieronder vallen niet alleen de arbeiders bij Hoogovens of Philips e.a., maar ook bijvoorbeeld buschauffeurs, trambestuurders, verpleegkundigen, horecapersoneel. Dit is een zichzelf ontwikkelende toestand, want naarmate er meer mensen in continuedienst werken, moet er meer nachtelijk vervoer zijn, enz. Dit alles grijpt in elkaar en voert steeds meer tot het niet beleven van dag en nacht. Men denke hier ook aan mijnwerkers bijvoorbeeld die overdag ondergronds werken en in de winter nooit het daglicht zien. Het werkt ook door in de gezinnen. De kinderen leven nog min of meer regelmatig door hun schooltijden en dergelijke, maar de huismoeders worden voortdurend heen en weer geslingerd tussen de regelmaat van het leven van de kinderen en het onregelmatige leven van de man-vader. Voor de kinderen treedt een grote onregelmatigheid op in de tijden dat ze de vader zien. Behalve sociale problemen kan dit ook innerlijke conflicten oproepen.

Voor een deel van onze tijdgenoten is dus ritmisch leven uitgesloten. Iedere bedrijfsarts kan vertellen, hoeveel groter het ziekteverzuim is bij degenen die in onregelmatige diensten werken, dan bij degenen die hun vaste werktijden hebben. Aan het ziek worden door een onritmisch leven, kan in eerste instantie, de betekenis van het ritme voor de dagindeling worden afgelezen.

Er zijn blijkbaar wetten in onze dagindeling, die we niet straffeloos kunnen negeren, bijvoorbeeld slapen overdag en werken ’s nachts, het onregelmatig innemen van de hoofdmaaltijden en alles wat met deze ritmen samenhangt. Juist voor de mensen, die dit betreft, is het echter belangrijk te weten, dat er bepaalde wetten zijn, die met het ritme van de dag te maken hebben, ook al kan men aan de eigen levenssituatie op het moment niet veel veranderen.

Hier komt de vraag op, of men niet individueel dit ritme veranderen kan. Tot op zekere hoogte is dit mogelijk, wanneer het bewust gehanteerd wordt en het onritmische of een tijdsindeling met eigen ritme bewust gecorrigeerd wordt. Men kan bijvoorbeeld zeker zijn eigen middernacht scheppen, maar moet dan wel weten wat men doet en hoe men dit doen kan. Daartoe is het nodig te zien, of er een ‘objectief’ ritme is in de dag van 24 uur. We zullen daartoe uit moeten gaan van de geografische en biologische gegevens, om daarna te komen tot de werking op ziel en geest en omgekeerd van geest en ziel op deze natuurlijke gegevens.

Een etmaal kent twee grote polariteiten. We kunnen van de eerste polariteit uitgaan, die van dag en nacht. In onze wereld, die in tijdszones is ingedeeld, klopt de middernacht niet met 0 uur op de klok en de middag niet met 12 uur. Onze klokken lopen circa 50 minuten voor. De zon staat dagelijks op haar hoogste punt als het horloge 12.50 uur aanwijst. In de zomer wordt dat zelfs 13.50 uur. Ook deze tijden zijn een benadering, daar er tussen Amsterdam en Arnhem bijvoorbeeld nog een verschil van enkele minuten ligt. Dit vertroebelt ons beleven van de tijd. Vooral omdat we het hoogste punt van de zon, pas met veel oefening en ervaring kunnen waarnemen. De middernacht nemen we nooit waar aan de zon. Wel is dit mogelijk aan de maan, bijvoorbeeld bij volle maan. Dan staat hij te middernacht op de hoogste plaats aan de hemel, voor die nacht. Omdat deze hoogste plaats voor elke dag en nacht weer een andere is, behoort deze waarneming praktisch voor de gewone mens tot de onmogelijkheden. Wij leven naar ons horloge en moeten ons dus voor het beleven van de werkelijke middag of middernacht telkens even omschakelen, omdat het horloge ons maar ongeveer met de werkelijkheid verbindt. Daarin ligt reeds een stuk vervreemding van de natuur, dat wil zeggen van licht en duisternis. Als we weten hoe belangrijk het licht is voor alle leven, kunnen we ook tot het inzicht komen, dat het bewust waarnemen van licht en duisteris wel eens belangrijk zou kunnen in.

In zeker opzicht kunnen we dat ook. De polariteit van dag en nacht, staat in een zekere verhouding tot de polariteit van zomer en winter. In de winter zijn de dagen kort en de nachten lang, in de zomer is het omgekeerd. In onze streken is de kortste dag nog geen 8 uur en de langste iets meer dan 16 ½ uur. Van Kerstmis tot St.-Jan worden de dagen steeds langer en wel onregelmatig. Eerst langzaam en dan steeds sneller tot Pasen toe, na Pasen gaat het weer langzamer.
Omstreeks St.-Jan en Kerstmis blijven de dagen gedurende een week ongeveer even lang, omstreeks Pasen en Michael scheelt het per dag 4 of 5 minuten. Daarin zit dus reeds een zeker ritme; we leven iets versneld met het licht naarmate we van Kerstmis verder gaan naar Pasen, van Pasen tot St.-Jan worden we langzamer in de verlenging van de dagen, van St.-Jan tot Michael treedt weer een versnelling op, terwijl het van Michael tot Kerstmis weer vertraagt. Loopt dit niet merkwaardig parallel met het beleven van de ochtend en de avond ten opzichte van het nidden van de dag? Direct na zonsopgang neemt de hoeveelheid licht sneller toe dan later op de ochtend, en ’s avonds neemt het sneller af. Hierin onderscheidt zich het ritme duidelijk van regelmaat.

Daarmee zijn we tegelijkertijd bij de andere polariteit van de dag, namelijk morgen en avond. Naar uren gemeten duurt de schemering niet zo lang, maar kwalitatief zijn het opgaan van de zon en haar ondergaan hoogst belangrijk. Ze zijn dat voor het biologische leven maar vooral ook voor het zielenleven. Met wat voor een verlangen kunnen we in een slapeloze nacht uitzien naar de komst van het eerste licht. En hoe kan een kind ernaar verlangen dat het met St.-Maarten, St.-Nikolaas of Kerstmis donker wordt, of dat met St.-Jan het licht zo lang mogelijk blijft.

Er zijn echter ook ‘objectieve’ kenmerken van ochtend en avond. De kleuren zijn bijvoorbeeld anders dan overdag, intensiever en meer gedifferentieerd. Iedereen kent het verschijnsel dat de vogels een half uur voor zonsondergang zwijgen. Vaak kan men ook waarnemen, hoe voor de zonsopgang de wind sterker wordt en bij zonsondergang gaat liggen. Beleven we dag en nacht vooral bijna vertikaal als licht en duisternis, scherpe tegenstellingen, het beleven van ochtend en avond is meer het gaan van een horizontale weg. We gaan onze levensweg van de morgen tot de avond begeleid door ons wakkere bewustzijn, de dag en de nacht daarentegen kennen de tegenstelling van bewustzijn en bewusteloosheid. Vooralsnog is ons slechts 2/3 van ons leven min of meer bewust. Daartussen ligt telkens 1/3  waarvan we niets weten.

Hoe kunnen we nu met deze ritmen omgaan? Als we ontwaken worden onze zintuigen werkzaam. Bij sommige mensen ineens, bij anderen langzaam aan. Misschien wisten we eerst bij het wakker worden nog net iets van een droom, maar enkele minuten later is dat verdwenen. Onze wakkerheid neemt toe in de loop van de ochtend, maar midden op de dag is het net of we weer wat slaperig worden, een zekere loomheid overvalt ons. We hebben ons met onze zintuigen zo aan de wereld overgegeven, dat we onszelf als het ware aan de wereld verliezen.

In de Oud-Griekse wereld wist men, dat de natuur ons dan teveel gevangen nam en ons bewustzijn wat uitdoofde. Het hoofd van alle natuurwezens, de god Pan nam de mensen dan in het ootje en er ontstond paniek. Paniek ontstaat als de buitenwereld sterker wordt dan ons bewustzijn. Dat is midden op de dag een beetje het geval. Het is goed om er rekening mee te houden. Oude legenden kennen de middagsvrouw, die ons domme dingen laat doen.

De middernacht is anders. We hebben dan de diepste slaap. In de slaap beleven wij verfrissing. Dat komt omdat het bewustzijn overdag onze levenskrachten afbreekt. In de nacht kan zich dat herstellen. Maar de ziel heeft in de nacht ook haar eigen leven. Soms speelt er in onze dromen iets door, dat we in de nacht verwerken, wat we overdag hebben beleefd. Daardoor kijken we na een verfrissende nacht anders tegen de problemen van de vorige dag aan. We hebben er een nachtje over geslapen.

Wat speelt zich hier af? Aan de wisseling van dag en nacht worden we ons als Ik bewust. Ik neem waar en ik denk zolang ik wakker ben. Bij het in slaap vallen verliezen we het bewustzijn van het Ik. Juist door deze wisseling worden we ons van ons Ik bewust. Maar het bewustzijn verliezen, is niet hetzelfde als het verloren gaan van het Ik. Ons waarnemingsvermogen schiet tekort. Uit het verwerken van de dag in de nacht blijkt de activiteit van het Ik, want er is continuïteit van de ene dag op de andere. Het Ik lijkt alleen in de nacht vaak wijzer te zijn dan overdag. We moeten vaak veel moeite doen, om met ons dagbewustzijn te begrijpen wat we bij het ontwaken ‘intuïtief’ weten. Ja, we moeten zelfs moeite doen om dat weten niet onmiddellijk te vergeten. Reeds Nietzsche wist dat de nacht wijzer is dan de dag (‘Die Nacht ist weiser als der Tag gedacht’ uit Zarathustra).

Daarom zijn de overgangen van dag naar nacht en nacht naar dag zo belangrijk. Op dit gebied is wel vrijwel ieder mens geëmancipeerd van de natuurlijke gang van zaken. Wij gaan niet met de kippen op stok en staan niet op bij het hanengekraai. We doen dat naar eigen ritme.

Wie de gewoonte neemt om ’s avonds de dag te overzien, zal na korte tijd de vruchten daarvan bemerken in een meer consequent leven. We bereiden daardoor voor, wat we in de nacht onbewust gaan doen. We bereiden dat bewust voor. We brengen een klein stukje bewustzijn naar de nacht toe. Dit proces wordt bevorderd wanneer we deze terugblik teruglopend doen, dus beginnen bij de avond. Het voert hier te ver om dat geheel te funderen. Hier moet naar de werken van Rudolf Steiner verwezen worden, met name naar die boeken waarin de scholingsweg beschreven wordt. Een weg om te begrijpen wat hier gebeurt, is wanneer we ons duidelijk maken wat er gebeurt als we fysiek terug lopen. We moeten dan ‘ogen in de rug’ ontwikkelen, dat wil zeggen zekerheid krijgen van binnen uit, niet vertrouwend op de zintuigen, maar op een innerlijk gevoel. Als we ons verder op de nacht willen voorbereiden, is het goed ons te verdiepen in alles wat met het leven van de ziel te maken heeft wanneer het uiterlijke zich niet opdringt. Wie zich de tijd geeft om tot een gebed of meditatie te komen, versterkt zijn mogelijkheid om de nacht bewuster te gaan beleven. Want gebed en meditatie betekenen zich verdiepen in inhouden, die de ziel vervullen buiten de zintuigelijke indrukken om. Iedereen kent de ervaring dat een teveel aan zintuigelijke indrukken ons uitloogt. In het waarnemen door de zintuigen versterken wij ons Ik, we worden wakkerder. Maar een gezonde ontwikkeling van het Ik verlangt nu ook het polaire, het zich terugtrekken van de zintuigelijke indruk en het rust zoeken in zichzelf. Maar daarvoor moet er wel een inhoud zijn, omdat anders alleen de zintuigelijke indrukken nawerken.

Zo ontstaat dan een verdere versterking van het Ik. Het Onze Vader is een gebed dat in de eerste drie beden de hogere wereld zoekt en in de volgende vier (brood – schuld – verzoeking – het boze) de aardewereld zoals die er vanuit de geesteswereld uitziet. In dit laatste ligt vooral de zin van ochtendgebed en -meditatie: het leven in de nachtelijke zielen-geesteswereld als het ware mee te nemen in het leven met de zintuigen. Het is daarbij van belang dat dit in volle wakkerheid gebeurt. In het leven is iedere overgang van groot belang. Het wakker beleven van een overgang, bevrijdt ons van schrik en bewusteloosheid. De dingen overvallen ons dan niet meer, maar we treden ze tegemoet.

Zulk een overgang is ook het middaguur. We spraken eerder reeds over de paniek. Het toenemen van het licht is op het middaguur voorbij. De sterkte van de zintuigelijke indrukken neemt af. We hebben het allermeest uitgeademd en gaan nu weer inademen. Het is zaak niet buiten adem te raken en ons niet te laten overweldigen. Enkele minuten concentratie op een geestelijke inhoud zijn voor iedereen praktisch mogelijk. Als het meer dan enkele minuten kunnen zijn, werkt het sterker.

Tenslotte: vanuit het inzicht in dit ademingsproces van de dag en van dag en nacht zullen we – indien ons werk dat mogelijk maakt – ’s ochtends kunnen komen tot meer creatieve arbeid, ’s middags en ’s avonds tot een meer bezonnen opnemen. Voor de meeste mensen is dit nog niet mogelijk. Een ordening in die zin, hoort ook in een nieuwe maatschappij thuis, maar het weten omtrent deze wetten kan ook tot vindingrijkheid leiden.

.

Jacobus Knijpenga, Jonas 8/9, 15-12-1978

.

Ritme: alle artikelen

.

1598-1497

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – warmte (11-4)

.

OVER DE WARMTE

Overal waar mensen een initiatief nemen, kan dat alleen vanuit een
warmtekracht: het vuur van het enthousiasme voor een bepaald ideaal, dat mensen samenbrengt; ook de warme hartekracht, waarmee mensen door alle aanvechtingen van verwarring en twijfels heen, een genomen besluit doordragen en verder laten groeien. Deze warmte is een geestelijke warmte.

De mens, die in de warmte van het enthousiasme, in de liefde voor een ander mens handelt, beleeft daarin de verwerkelijking van de hoogste mogelijkheid van het mens-zijn. Hij voelt zich op zo’n moment het meest mens. De warmte is het levenselement van het Ik, van de menselijke geest.

Wanneer wij ergens warm voor lopen, voelen wij ons doortrokken van een vuurgloed: we worden ook in de fysieke lichamelijkheid verwarmd. Geestelijke warmte en fysieke warmte kunnen in elkaar overgaan.

Daar raken wij aan een groot geheim: de warmte is de brug tussen de geest en het lichamelijke van de mens; het is een punt, waar de geest in het lichamelijke ingrijpt.

Warmte staat aan het begin van alles, wat nieuw is in de wereld.

De lichamelijkheid van elke mens is geheel nieuw te midden van de hem omgevende wereld, planten en dieren.
De voeding wordt in het spijsverteringsproces van zijn plantaardige of dierlijke eigenschappen ontdaan en een volkomen nieuwe menselijke ontstaat, met substantie, die tot in alle uithoeken van het lichaam het stempel van de individualiteit draagt en die een helder instrument voor het Ik, voor de menselijke geest moet zijn.
Dit is alleen mogelijk, wanneer het Ik (met het geheel van vormende krachten, dat de “ik-organisatie” genoemd wordt) op gezonde wijze vanuit zijn warmtesfeer via de lichamelijke warmte kan inwerken op de fysieke lichamelijkheid.

Deze warmte van de menselijke lichamelijkheid heeft een heel bepaalde structuur. In de stofwisselingsorganen, geconcentreerd in de buik, alsook in de ledematen met hun spieren wordt de meeste warmte geproduceerd. Deze warmte stijgt op via de longen, waar een afkoeling plaats vindt en via het hart, dat we als het centrum van onze innerlijke warmte beleven, naar het hoofd.

Daar straalt de mens het meest intens warmte uit en daar treedt hij ook met zijn Ik in verschijning.

De warmte van de mens moeten we ons voorstellen als een zeer gedifferentieerd geheel van warmtestromingen die samen een organisme vormen, dat we de “warmte—mens” kunnen noemen.

Het menselijke organisme heeft voor het handhaven van de warmte op het voor hem passende niveau verschillende mogelijkheden tot zijn beschikking: vermeerdering of vermindering van de warmte-afgifte via de huid door de verwijding of vernauwing van de bloedvaten in de huid; verandering van het aantal ademhalingen per minuut; transpiratie, waarbij de warmte gebruikt wordt voor het verdampen van het zweet; verlangzaming of versnelling van de verbrandingsprocessen van de stofwisseling.
In tijden van hongersnood wordt niet alleen vetweefsel, maar ook spierweefsel en klierweefsel opgebrand.

Hieraan kunnen we aflezen, hoe alles ondergeschikt wordt gemaakt als aangrijpingsmogelijkheid voor de geest.

Het bevorderen van een gezonde ontwikkeling van de warmte-mens is één van de hoofdmotieven van de opvoeding. Dit verdient in onze tijd bijzondere aandacht, omdat de warmte-mens tegenwoordig vaak verkommerd is. Terwijl de temperatuur tussen de tenen van volwassen vrouwen vroeger over het algemeen ongeveer 30° bedroeg, is die tegenwoordig niet hoger dan 20°.

Welke gevolgen de verwaarlozing van de zorg voor de warmteomhulling van een opgroeiend wezen kan hebben, wil ik door twee voorbeelden laten zien.

Koelt een vogelei dat bebroed moet worden, te sterk af, dan kan een misvorming van het hart optreden (bij de mens het centrale orgaan voor het warmte-organisme en het Ik).

Wanneer een pasgeborene in zijn eerste levensuren sterk afkoelt, dan kan dit het ontstaan bevorderen van “autisme”, een verregaande contactstoornis, waarbij het kind opgesloten in zijn eigen wereldje leeft en de warmte van gevoel, die de brug slaat naar andere mensen, lijkt te ontbreken.

De lichamelijke nestwarmte is dus blijkbaar erg belangrijk als fundament voor de verwerkelijking van een innerlijke warmte, die zich kan richten op een ander mens.

Daarnaast is natuurlijk de stemming en de innerlijke levenshouding, die in het ouderlijk huis heersen, erg belangrijk.

Zij vormen het niet fysiek meetbare, maar daarom niet minder belangrijke deel van de “nest-warmte”. De warmte waarmee de ouders trachten hun eigen intuïtie, hun innerlijke richting te volgen, hun levenstaak op te nemen en vol te houden; de warmte waarmee zij zich tot andere mensen richten, over andere mensen spreken of denken, vormt er ook een belangrijk bestanddeel van. Wie een ander mens positief benadert, die, met vertrouwen in diens ontwikkelingsmogelijkheden, ruimte gevend aan diens intenties en warmtekracht, brengt tegelijkertijd iets aan innerlijke warmte bij zijn kind tot ontwikkeling. Wie een ander mens benadert op een kille manier, hem afkraakt of uitschakelt door een vernietigende kritiek, die schaadt daarmee ook iets in de warmtegevoelens van zijn kind.

Innerlijke en uiterlijke warmte zijn onmisbaar voor de groei van levensvertrouwen en levensmoed bij het kind, van waaruit hij initiatieven durft te nemen.

Wie zijn kind wil helpen om datgene tot ontplooiing te brengen, wat het als geestelijk wezen aan mogelijkheden heeft meegenomen bij de geboorte, heeft als een van de voornaamste zorgen het behoeden van deze innerlijke en uiterlijke warmte.

Het kind moet, evenals trouwens de volwassene, voortdurend een “warmte-mantel” dragen om zich als geestelijk wezen te kunnen ontwikkelen.

Wie zou het een stuurman aan willen doen om hem een schip te laten besturen, waarvan de stuurpen met boter is ingesmeerd? Deze stuurman zou geen vat op de besturing krijgen en hij zou de koers niet kunnen varen, die hij op goede gronden had uitgekozen.

In een vergelijkbare situatie bevindt zich het kind, dat misschien via het onderwijs met rijke en zinvolle inhouden in aanraking komt, maar geen goede warmtemantel heeft, zodat zijn Ik ze niet kan opnemen en er zich zo mee kan verbinden, dat zij richtinggevend voor zijn leven kunnen worden.

Warme kleding is eigenlijk voorwaarde voor het zinvol deelnemen aan het
vrijeschoolonderwijs.

Goede kleding heeft het vermogen om warmte vast te houden, afvoer van door het lichaam afgescheiden zweet mogelijk te maken en een voldoende beluchtingsmogelijkheid voor het lichaamsoppervlak over te laten.

Synthetische stoffen voldoen meestal niet aan de eerste twee voorwaarden, door de nauwsluitende mode is ook de beluchting dikwijls onvoldoende mogelijk.

Een voortreffelijk materiaal voor kleding is wol, die de warmte goed vasthoudt, dankzij het grote luchtgehalte – bij dichte kamgarens nog 60 volumeprocent. Daarbij kan wol eenderde van zijn droge gewicht aan waterdamp opnemen, zonder dat de wol nat aanvoelt. Het huidje van wolhaar stoot waterdruppels af. Voorts krijgt men een koel gevoel op de huid doordat er slechts een minimale aanraking is tussen huid en krullend woloppervlak.

Katoen houdt – in tegenstelling tot wol – slecht de warmte vast en neemt matig vocht op, altijd nog veel beter dan kunststof. Het verdient aanbeveling om wol als eerste laag op de huid (ondergoed en kousen) te dragen.

In de eerste negen jaren en vooral in de babytijd is het warm houden van het hoofd extra belangrijk, omdat de ontwikkelingsimpulsen in die tijd van het hoofd uitgaan. Hoe beter de warmte is, des te meer kan de ontwikkeling de specifieke impulsen van de individualiteit volgen. Ik wil niet beweren dat een mens helemaal niet aan de koude blootgesteld zou mogen worden.

Bij sommige kinderen is afwassing van hoofd en borst met water van kamertemperatuur zelfs een belangrijke therapeutische maatregel. Maar toepassing van koel water, zoals voor het “harden” van kinderen wordt aanbevolen, heeft alleen zin op een warme huid en in het algemeen wanneer het warmte-organisme het vermogen heeft om op koude te reageren met warmte.

Zo kan b.v. een korte, koude afwassing na een warm bad voor een niet te jong kind zinvol zijn om zijn warmte-organisatie te leren hierop te reageren.

Wij leven in een koude-cultuur, waarin het dragen van weinig kleding “in” is en waarin de koude van de twijfel, de angst en de heerszucht grote invloed uitoefent.

Wil de gezondmakende impuls, die de vrijeschoolpedagogie tracht te geven, werkelijk vormend kunnen inwerken op de opgroeiende jeugd, dan is een extra behoeden van de warmte, de uiterlijke en de innerlijke, broodnodig!

Dan kan de lichamelijkheid van het kind worden tot een helder klinkend instrument voor het Ik; dan kan het kind positieve relaties met andere mensen aangaan; dan kan het ook initiatieven leren nemen vanuit levensvertrouwen en moed.

.
Joop van Dam, arts †   Informatieblad Ionacentrum Eindhoven, nadere gegevens onbekend
.

Meer over autisme

Menskunde en pedagogiek: over warmte nr. 11

.

1597-1496

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (8-1)

.

Op 5 mei 1818 werd Karl Marx geboren.
Zijn opvattingen stonden ver af van die van Steiner, die een honderd jaar later zijn ideeën over een driegelede maatschappijstructuur kenbaar maakte. In die tijd – o.a. van de Russische revolutie – was de invloed van Marx’ ideeën groot, maar ze stonden vrijwel haaks op de gedachten van Steiner.
Het is daarom niet verwonderlijk dat Steiner ruimschoots aandacht aan hem en aan zijn opvattingen – bijv. over ‘waren, arbeid en kapitaal’ – besteedde.

In de jaren ’70 – ’80 van de vorige eeuw bestond er voor de idee van de sociale driegeleding veel meer zichtbare belangstelling dan nu – min of meer 100 jaar nadat Steiner die ideeën probeerde ingang in de maatschappij te doen vinden.

In het tijdschrift Jonas schreven door Steiner geïnspireerde auteurs met grote regelmaat over de driegeleding. En ook over Marx.

Aangezien deze artikelen nauwelijks aan zienswijze hebben ingeboet, zullen ze hier – in het kader van ‘archieveren’ worden weergegeven, voor zocer ze nog in mijn bezit zijn.

Wat kunnen we doen?

Iedere nieuwe gedachte is het kind van een nieuwe ervaring

Nog is er niets gebeurd; nog kan men zich terugtrekken in een dal van de Hoge Alpen in een „gezonde” natuur om uren- en dagenlang de bedreigingen van onze beschaving te vergeten, te verdringen — waarom ook niet, als men uit de stilte en schoonheid van die oases kracht en moed voor het dagelijkse leven meebrengt. Wie de wereldsituatie echter goed beschouwt en de tijdstendensen volgt, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de ontwikkelingslijnen steeds duidelijker op komende crisissen en catastrofes wijzen. Zo iets schrijft men niet graag neer en zeer zeker niet zonder zorg. Het woord catastrofe gebruik ik bepaald met tegenzin, want met „paniekzaaien” is niemand geholpen. Maar de tekenen des tijds zijn zo overduidelijk, dat men wel blind moet zijn om ze niet te zien.

Zelf zie ik de volgende hoofdproblemen, die stuk voor stuk belangrijk genoeg zijn om de mensheid in haar bestaan te bedreigen of haar ontwikkeling eeuwen terug te zetten:

• De bevolkingsexplosie en de tengevolge daarvan dreigende hongercatastrofe, die tot ernstige conflicten tussen het noorden en het zuiden kan leiden.

• De dreigende milieuvernietiging en -vergiftiging.

• De wedkamp der supermachten USA, USSR en China, die reeds door een fout in het communicatiesysteem tot een oorlog opgevoerd kan worden.

• De zelfvernietiging van de steden die een duizenden jaren oude stadscultuur dreigt te verstoren, wat een enorm sociaal onheil met zich brengen kan.

• De ongeremde exploitatie van de verstandelijke vermogens van de jeugd door de machinerie van het intellectualisme (geprogrammeerd leren, het vervroegd leren lezen, enz.)

• Het verval van de oude — alleszins problematische — moraal, zonder dat nieuwe en betere gedragsregels ervoor in de plaats komen.

Gesteld tegenover deze problemen, die men nog zou kunnen aanvullen en illustreren, komt de vraag in ons op: „Wat kunnen we doen! ” Deze vraag dringt zich vooral aan ons op, omdat men van mening is, dat degenen die de verantwoording dragen niet genoeg en niet het juiste zouden hebben gedaan. Het meest verbreide antwoord op de vraag „Wat te doen” is kort en bondig: revolutie, omwenteling! De onderlinge betrekkingen, de omstandigheden moeten veranderd worden als men werkelijk wat bereiken wil. Pas als het kapitalistische stelsel en de bureaucratische staat geliquideerd zijn, is er een kans om een nieuwe, betere maatschappij en een nieuwe mens te vormen. Revolutie betekent: radicaal opnieuw beginnen, het kwaad bij de wortel aanpakken door de oorzaken van de huidige misstand te verwijderen. En de oorzaken liggen, zo meent men, in de omstandigheden, in de maatschappelijke machtsverhoudingen. Wie draagt de schuld van de milieuvernietiging: het op voordeel beluste „kapitalisme”! Wie verdient aan de oorlogen? Het „kapitalisme”! Wie wil reeds de kinderen op de omgang met machines africhten? Het machtbegerende „kapitalisme”, dat zich een gedwee volk kweekt! —Het is de materialistische interpretatie die meent met de wijziging van de omstandigheden — dus in ons geval met de liquidatie van het kapitalisme en imperialisme – de problemen zelf te kunnen oplossen en zo ook de mensen te kunnen verbeteren.

revolutie

Het is de revolutie die de gewenste grote en ingrijpende verandering in de omstandigheden brengt. Vatten we nog eenmaal kort de geschiedenis van de revolutie samen, om ons een beeld te vormen van de historische praktijk van deze wereldverandering. De revoluties treden in de latere tijd in de plaats van die bewegingen die het „goede oude” wilden herstellen: in de middeleeuwen was het de Renovatie; daarna volgden de Renaissance en de Reformatie. Ook de eerste grote revolutie van de nieuwe tijd, de Engelse, begon nog als een beweging tot herstel van het goede oude recht der Magna Charta (waarin men zijn eigen wensen geïnterpreteerd had), maar na een zestig jaar durende strijd had men tenslotte „de glorierijke revolutie” volbracht, en aan staat en maatschappij een nieuwe ordening gegeven. Zonder plannen gemaakt te hebben en zonder theorie had men de revolutie haast instinctief ten uitvoer gebracht.

Anders verliep de revolutie in Frankrijk: men wist dat er een revolutie zou komen. De gedachten van Montesquieu (machtenscheiding) en Rousseau (gelijkheid) vormden een theorie die de gebeurtenissen hun richting gaven. Met het geweld van een natuurgebeuren brak dan echter de revolutie toch in wezen onvoorgenomen en ongewild los en verzwolg niet alleen de Royalisten en Girondijnen, maar ook haar eigen bijzonderste kinderen, Marat, Danton en Robespierre. Niet de ideale deugdzame mens, die Robespierre en Rousseau zich hadden voorgesteld, werd uit de Franse Revolutie geboren, maar Napoleon, de code civil (het Burgerlijk Wetboek) en — de burgerlijke samenleving van de negentiende eeuw.

Door het voorbeeld van de Franse Revolutie en de kleinere die daarna nog kwamen tot aan de opstand van de Parijse Commune besefte men, wat revolutie eigenlijk was. Karl Marx voorspelde de komende revolutie. Lenin was dat niet genoeg: hij beraamde plannen en voerde tenslotte de revolutie uit.

Met het „uitvoeren” van de revolutie is een wereldhistorisch gewichtig stadium in de geschiedenis der mensheid bereikt: men maakt geschiedenis, plannen en sociale gebeurtenissen volgens bepaalde theorieën. De mensheid overschrijdt zo de drempel van de van buitenaf bepaalde „menselijke geschiedenis”.

Lenin merkte zelf al in de laatste jaren van zijn leven, dat zijn revolutie haar doel niet bereikt had. Weliswaar had hij gepoogd de oude staat, het oude leger en de bureaucratie te vernietigen en was het kapitalisme geliquideerd, maar uit alle hoeken en gaten van de Sovjetstaat kroop de oude bureaucratie tevoorschijn; al spoedig vormde zich, zoals Milovan Djilas het raak gekarakteriseerd heeft, een „nieuwe klasse” van functionarissen, en uiteindelijk bedreef de nieuwe Sovjetstaat de oude imperialistische politiek van Rusland. Men had iets nieuws willen brengen maar was ongewild weer in het oude beland. Ook al herkent men de prestaties van de Sovjetunie volledig, dan kan men nochtans de mening zijn toegedaan dat in de Sovjetstaat een technocratische kaste van functionarissen heerst over een kleinburgerlijke samenleving.

Mao Tse-tung

Vanuit dit aspect moeten we de door Mao Tse-tung in scène gezette grote Chinese cultuurrevolutie beschouwen. Nadat in 1949 de volksrepubliek China door een boerenrevolutie gegrondvest was, begon na een twintigjarige burgeroorlog een fase van kalmering en consolidering, en dat was de aanvang van een nieuwe verburgerlijking. Hoge posten werden bekleed door academici; letterkundige en wetenschappelijke examens openden de weg daartoe, zoals dat ten tijde van het confucianisme ook het geval was. Zo dreigde weer een klasse van functionarissen, litteratoren en technici te ontstaan.

Doordat men in China het gehele examensysteem en de inschrijving van studenten afschafte en in de opvoeding elke theoretische opleiding met praktisch werk verbond, begon er een heropvoedingsproces dat klassenvorming en verburgerlijking verhindert. De terugkeer der mandarijnen is door de proletarische cultuurrevolutie zeker verhinderd. Of echter de cultuurrevolutie werkelijk een spontane, vrije, scheppende beweging van de revolutionaire massa’s of de grootste massa-
indoctrinatie en geestelijke gelijkschakeling aller tijden geweest is, dat zal de toekomst ons moeten leren. — Eén ding laat het verloop van de revolutie in China ons in elk geval zien: de revolutie is geen eenmalig gebeuren meer; volgens de woorden van Mao is het zelfs als voortdurend omvormingsproces van mens en milieu gedacht.

Nieuwe ordening

Duidelijk komt in de volgende vragen de problematiek van de revolutie naar voren, namelijk: „Wat wil ze in de plaats van de oude ordening stellen? ” en „Hoe brengt ze een nieuwe ordening tot stand? ” De Franse en de Russische revolutie hebben in wezen het vraagstuk van de nieuwe ordening en van de nieuwe mens niet opgelost, maar alleen op bepaalde gebieden ingrijpende veranderingen gebracht.

De Chinese cultuurrevolutie, wat voor een zonderlinge en avontuurlijke indruk ze ook op de Europese waarnemer maken mag, heeft in elk geval een belangrijk probleem herkend en geformuleerd: „De uitbuitende klassen werden ontwapend — maar hun reactionaire ideeën blijven stevig in hun hoofden vastgeworteld. Wij hebben hun eigendom in beslag genomen, maar hun hoofden kunnen we niet van reactionaire gedachten bevrijden.”

Om de hoofden nieuwe gedachten in te prenten, begon men de cultuurrevolutie en men prijst nu in heel China de „gedachten van Mao Tse-tung”, omdat men heeft ingezien dat het handelen van de mens door zijn gedachten bepaald en geleid wordt, en men laat de intellectueel lichamelijke arbeid verrichten opdat hij uit de praktijk nieuwe gedachten zal opdoen. De revolutie wordt op deze manier tot opvoedingsproces. Mao weet dat alleen daar een nieuwe wereld, een nieuwe ordening kan ontstaan, waar nieuwe gedachten zijn.

Daarmee krijgt de gedachte, de idee, een betekenis die in de materialistische interpretatie van de geschiedenis in het geheel niet was voorzien. Naast de verandering van alleen de omstandigheden komt de verandering van de mensen en hun gedachten te staan.

Reeds in een geschrift uit het jaar 1845 kan men lezen: „De materialistische leer van de verandering der omstandigheden en der opvoeding vergeet, dat de omstandigheden door de mensen moeten worden veranderd en dat de opvoeder zelf moet worden opgevoed. Om de samenleving te kunnen doorgronden, moet ze in twee delen worden gezien, waarvan het ene deel boven het andere verheven is.”

Deze woorden uit de stellingen over Feuerbach van Karl Marx geven een tweevoudig dilemma aan: Wanneer de omstandigheden — of de opvoeding van de mens — door iemand worden veranderd die niet al zelf veranderd is, die niet al zelf „een nieuwe mens” is, dan moet men zich niet verwonderen als alle, zij het ook met nog zo veel vlijt aangebrachte verandering, tenslotte alleen het oude reproduceert, omdat telkens de verkeerde manier van denken van de vaders weer binnensluipt en zich ermee vermengt.

Aan de andere kant vraagt Marx met recht: Welk deel van de samenleving heeft het recht zichzelf boven de ander te verheffen en hem op te voeden? Alleen de reeds volbrachte zelfopvoeding van een enkeling of van een groep mensen kan de bevoegdheid geven om de omstandigheden te veranderen! Men kan de mensheid niet de chaotische wensen van zijn eigen door het kapitalisme gevormde wezen als revolutionair programma aanbieden. Wel moet deze zelfopvoeding ook werkelijk praktisch zijn, een proces dat zich midden in het maatschappelijke leven van onze tijd afspeelt en daarin voldoet. Dan zal namelijk de omvorming van onszelf niet abstract zijn maar zich tegelijkertijd bezighouden met de verandering van de wereld. Dat weet ook Karl Marx. Hij hecht er veel waarde aan dat het allebei, de verandering van de wereld die van onszelf, op dezelfde wijze en in dezelfde mate zal gebeuren, dat het samenvalt: „De gelijktijdigheid van zowel de verandering van de omstandigheden als van de menselijke bemoeiingen om zichzelf te veranderen, kan alleen als revolutionaire praktijk gebracht en rationeel, op wetenschappelijke feiten gebaseerd, worden begrepen.

Rationeel

Waar kan zo’n revolutionaire praktijk rationeel beginnen? Vele „revolutionairen” uit onze dagen menen: in de dagelijkse politieke strijd. Dat leidt echter, zoals de ervaring ons heeft geleerd, alleen tot een hier en daar proberen, tot onrust en tenslotte tot berusting. De werkelijke revolutie neemt een ander uitgangspunt: ze begint met een verandering van het eigen denken. Normalerwijze wenden we onze gedachten net zoals ze in ons opkomen aan, om de wereld te beoordelen. Daarbij besturen zowel denkgewoonten als antipathie en sympathie onze meningen. Hebben we ons eenmaal het denkbeeld gevormd dat b.v. het materialisme de juiste wereldbeschouwing is, dan zullen we alle gedachten en redenen met ons denken erbij sleuren om deze mening te ondersteunen. Ons denken is dan in één richting geprogrammeerd.

Daartegen helpt slechts één ding: zich tegenover zijn eigen denken plaatsen en het observeren. Met de waarneming en controle van de eigen gedachten begint de werkelijke zelfbevrijding van de mens, die een omwenteling in zijn bestaan betekent. Dit is geen theoretisch probleem, maar een voortdurende practische opgave: Inzicht te verkrijgen in de gedachten en motieven die de eigen denkbeelden en daarmee ook het eigen handelen bepalen. Hiermee begint het proces van de zelfbevrijding. En dat is bepaald geen genoegen, want op hetzelfde moment waarin men ophoudt instinctmatig en volgens gewoonte over alles te oordelen, wordt men om te beginnen onzeker, men begint te vragen. Dat is al een enorme vooruitgang, want de vraag leidt tot beter en misschien ook onbevangener observeren.

Zolang men nog instinctief gewoon „erop los” dacht, wist men op alles een antwoord. Vooral als er in menselijke relaties iets verkeerd ging, was het meteen duidelijk waar dat aan lag. De van zichzelf overtuigde zocht de schuld bij de anderen; de ander, moedeloos geworden, stelde — al even onproductief — vast: mij lukt ook nooit iets. De werkelijke oorzaken opmerken, dat kan alleen hij wiens denken niet geprogrammeerd is. Wie zich vragend aan de verschijnselen weet over te geven, leert uit de praktijk van het leven. Hij krijgt dan ook vanuit de omgang met de mensen en dingen nieuwe gedachten. De theoretici van het marxisme hadden gedacht dat de bevrijde klasse der proletariërs vanzelf wel voor de nieuwe gedachten en nieuwe sociale vormen zouden zorgen. Rosa Luxemburg b.v. geloofde dat het revolutionerende proletariaat de intuitiebron zou zijn, waaruit nieuw denken en nieuw willen geboren zouden worden. Bij een dergelijke opvatting wordt vergeten dat ook het als een mythe vereerde proletariaat het bedorven, in verval geraakte voortbrengsel is van een burgerlijk-kapitalistische samenleving. Het denken van dit proletariaat — voor zover dat tenminste nog bestaat — is door de gedegradeerde vormen der burgerlijke wetenschap geblokkeerd. In werkelijkheid heeft het revolutionaire proletariaat in het geheel geen nieuwe vormen en ideeën voortgebracht, maar werd het integendeel door een kleine groep burgerlijke beroepsrevolutionairen bestuurd en aan de leiband gehouden.

Ervaring

Antroposofie stelt zich ten doel, de weg naar nieuwe gedachten en sociale vormen werkelijk vrij te maken, en ze heeft in de afgelopen tientallen jaren weliswaar niet genoeg maar toch van alles gepresteerd wat de aandacht verdient. Deze wereldbeschouwing doelt geenszins alleen op verinnerlijking en zelfopvoeding, maar in dezelfde mate op wereldhervorming. Voor haar begint echter de praktijk der verandering met de verandering van het practische denken.

In de kennisleer van Rudolf Steiner wordt dat volkomen duidelijk: de eerste schrede naar het verkrijgen van inzicht is een poging om tot rechtstreekse ervaring en waarneming te komen. In het dagelijks leven hebben we om twee redenen geen directe ervaringen. Enerzijds omdat we datgene waarmee we in aanraking komen altijd beschouwen vanuit abstracte gezichtspunten: als het om een mens gaat dan vinden we hem dom of knap, vriendelijk of hatelijk, sympathiek of onsympathiek, en zo vormen we oordelen die al van te voren onder de dictatuur van bepaalde begrippen staan, begrippen die nergens aan getoetst zijn en waarvan de gegrondheid twijfelachtig is. Erger is echter dat deze abstracte brillen ons verhinderen tot werkelijke ervaring te komen.

Anderzijds zorgt heden ten dage de technische wereld om ons heen ervoor dat mensen steeds minder werkelijke ervaringen kunnen maken. In vroeger tijden werden de meeste mensen door hun werk in weer en wind en met ploeg en hamer wezenlijk met de dingen vertrouwd. Men ondervond de gevolgen van het eigen bezigzijn lichamelijk. Tegenwoordig beschermen we ons niet alleen als we ons b.v. in het wegverkeer begeven, met een stalen pantser dat we auto noemen, we zijn ook bij de uitvoering van ons dagelijks werk tegen vele gevolgen „verzekerd”.

Het is echter noodzakelijk dat wezenlijke ervaringen gemaakt en dat deze ervaringen ten volle innerlijk doorleefd worden. Pas dan kan de mens ertoe komen dat hij spontaan vanuit eigen beleven en ervaren zichzelf uitspreekt. Directheid, spontaniteit, vrijheid, het zijn geen geschenken van de natuur, zij moeten door bewuste scholing worden voorbereid.

Nieuwe gedachten

Hoe ieder afzonderlijk zoveel mogelijk ervaringen kan opdoen, is moeilijk in het algemeen te zeggen. Maar zoveel is wel duidelijk: Men kan ernaar streven met zoveel mogelijk mensen een innerlijk levendige ontmoeting te hebben, en ook onaangenaam lijkende ontmoetingen niet uit de weg te gaan.

Verder kan men ervoor zorgen niet in een sleur te verstarren door heel bewust nieuwe werkzaamheden en taken op zich te nemen, ook die waarvoor men niet „geschikt” is. Zelfs de vakantie kan men daartoe gebruiken, door niet alleen zo maar op reis te gaan maar door zich in ander werk, onder andere mensen te hervinden, zich werkelijk te herstellen, zichzelf op een nieuwe plaats te stellen. Uiteindelijk dienen alle oefeningen waarbij de geest geschoold wordt, ter vermeerdering van de ervaring. De controle van de eigen gedachten is daarentegen een oefening die iedereen in de eerste plaats alleen te verwerken heeft. Hierbij gaat het erom niet volgens het gebruikelijke patroon te denken. Niet te vragen: wat was goed — wat was verkeerd — maar zich onbevangen aan de verschijningen over te geven en te vragen: wat is dat?

Werkelijk nieuwe gedachten komen vaak niet in ons op, omdat we al een bepaalde opvatting over het probleem hebben, omdat we al weten — of beter: denken te weten —, wat er moet gebeuren-. Als men echter al weet wat er aan de hand is en wat men te doen heeft, kan men het verschijnsel niet meer onbevangen waarnemen. Alleen daar waar het is gelukt de situatie onbevangen, met open vragende ziel innerlijk te doorleven, alleen daar treden intuïties op.

Iedere nieuwe gedachte is het kind van een nieuwe ervaring; uit het zuivere waarnemen ontstaat de zuivere en nieuwe gedachte. Men zal zo weliswaar niet direct met het oplossen van alle aan het begin genoemde wereldvragen kunnen beginnen, maar wel kan men iets reëlers doen: men zal kunnen beginnen met handelen, met werken, en in deze arbeid legt men kiemen, die zich verder kunnen ontwikkelen.
.

Christoph Lindenberg, Jonas 04-03-1972

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

Boeken van Lindenberg

Vrijescholen, leren zonder angstscroll op alfabet

1596-1495

.

.

VRIJESCHOOL – Biografieën – Karl Marx

.

Vandaag 200 jaar geleden werd Karl Marx geboren.

Karl Marx 1818-1883

De filosoof van de grote ommekeer

Marx deed de uitspraak:

‘De filosofen hebben tot nu toe de wereld verklaard; het komt er echter op aan haar te veranderen’.
Daaraan hield hij zich, hij werd de filosoof van de verandering. Een portret van Marx, de criticus, bestrijder maar ook historicus van zijn tijd.

Karl Heinrich Marx, geboren te Trier op 5 mei 1818, was het kind uit een tot het protantisme overgegane joodse advokatenfamilie – een overgang die in het uiterst conservatieve Pruisen de enige weg was voor joden naar emancipatie en loopbaan. Marx’ jeugdige intelligentie bloesemde in het verlichte en intellectuele ouderlijke milieu. Wanneer hij student wordt, eerst in Bonn, dan in Berlijn, is in dat donkere ‘Moorse’ hoofd (vrienden en kinderen noemden hem graag Mohr) een schat aan kennis opgehoopt: de literatuur, van de oude Grieken tot aan Goethe en Balzac, de filosofie, al weer van de Grieken tot Kant en Fichte, de wereldgeschiedenis. Het was geen dode kennis; de student bezat het soort intellect dat nooit rust: wat hem als wijsgerig of wetenschappelijk probleem werd gesteld, moest worden opgelost; er was een ware passie tot het verwerken van het levens- en studiemateriaal.

Marx heeft nooit een beeldend ‘oog’ gehad; in zijn werk ontbreken de beschrijvingen. Zijn geniaal verstand echter was beeldend. Het stond niet stil bij een verworven inzicht; het vermogen om in problemen door te dringen, bleef hem tot het einde toe eigen. Voor dat vermogen vond hij in de jaren dertig van de vorige eeuw in de filosofie van Hegel een ‘instrument’, de dialectiek. Hegel ontdekte dat wereld en geest en daarmee de wereldgeest, worden voortgestuwd door een logische wetmatigheid, die zich in de vorm van negatie en vervreemding, these en antithese, synthese en nieuwe negatie rusteloos uit. Die ingeschapen dialectiek van al het zijnde werd voor Marx een denkbeginsel, dat voor hem niet als bij Hegel bij ‘de geest’, maar bij ‘de materie’ begon en de ontwikkelingscyclus via het denkend bewustzijn weer bij de materie liet eindigen. Hij zette, kortom, de dialectiek van Hegel ‘op de voeten’.

Radicaal

Daarbij had hij hulp in het radicale denken dat zich na Hegel bij een school van jonge Duitse wijsgeren had gevormd: Feuerbach, Bruno Bauer en andere in veel opzichten revolutionaire voorvechters van nieuwe, democratische en humanistische opvattingen. Door hen werd ook Marx, die als student ongehoorde hoeveelheden wijsheid had verslonden, van de abstracte, de ideale mens geleid tot de mens ‘van vlees en bloed’, zoals hij leeft, lijdt en strijdt. Door zijn radicalisme niet uitverkozen tot de carrière van Pruisisch universiteitsprofessor (hij was, 23 jaar oud, gepromoveerd), dreef het lot hem de weg op van de ‘politiek’. Hij werd in 1842 redacteur van de liberale Rheinische Zeitung, en door die functie uit de academische sfeer in de dagelijkse, harde realiteit verplaatst. Het leven van de kleine, geplaagde mensen, de wijnboertjes en de proletariërs van het Rijnland, maakte van hem al een communist-in-aanleg: hij verdedigde hun rechten en pleitte voor hen als maatschappelijk verdrukten. De Rheinische Zeitung werd in 1843 door de Pruisische regering als ophitsend en staatsgevaarlijk verboden. Marx, die intussen met zijn jeugdvriendin Jenny von Westphalen, dochter uit een adellijk Pruisisch ambtenarengeslacht, was getrouwd, week uit naar Parijs. Hij kwam er midden in de socialistische wieling terecht: nergens zo hevig als in Parijs werd in die jaren gestudeerd op sociale en politieke systemen. Proudhon, Louis Blanc en een sleep van Fourieristen en Saint-Simonisten stelden het heersende politieke systeem ter discussie. Duitse, Poolse en Russische emigranten, onder wie Michael Bakoenin, studeerden Duitse filosofie en Frans socialisme. Wijsbegeerte en politiek werden ook voor de jonge Marx facetten van één radicaal denkproces; een derde facet van maatschappelijke bewustwording leverde hem zijn intense studie van de klassieke Engelse staathuishoudkunde. Alle overgeleverde waarheden en wijsheden werden door Marx aan een kritisch onderzoek onderworpen; zijn conclusie legde hij – in zekere zin – vast in een van zijn Thesen über Feuerbach: ‘De filosofen hebben tot op heden de wereld verklaard; het komt er echter op aan haar te veranderen’.

Het proletariaat

Zo werd Marx in Parijs in de jaren 1843, 1844, de filosoof van de verandering, en op grond van zijn ‘omgekeerde’ Hegeliaanse dialectiek van de alras revolutionaire verandering. Het proletariaat, waarvoor hij tot die tijd meegevoel had getoond, werd de dynamische factor in zijn politieke denkwijze: van slachtoffer van de feodale en veel meer nog de zich snel ontwikkelende kapitalistische productiewijze werd het de drager van de omwenteling, de toekomstige held en protagonist van de geschiedenis. De revolutie zelf werd naar Marx’ nieuwe inzichten een onvermijdelijkheid, niet in deterministische zin, als ‘onafwendbaarheid’, maar als resultaat van de diep zittende, onoplosbare, tot gewelddadigheid leidende tegenstellingen van het heersende kapitalistische systeem zelf. Tegenstellingen, die een ontwaakt, militant en van zijn roeping bewust proletariaat zou moeten leren doorzien, om zijn historische kans te grijpen.

Marx’ bemoeienissen met emigrantenbladen en -acties bezorgden hem een uitwijzing van de Franse regering. Hij ging naar Brussel met zijn gezin; daarheen vergezelde hem ook de fabrikantenzoon Friedrich Engels uit Barmen, die in Manchester werkzaam was op een van de textielbedrijven van zijn vader, en die – oog in oog met de misère van de Britse arbeidersklasse – tot dezelfde conclusies was gekomen als Marx. Marx en Engels zouden een twee-eenheid blijven vormen, en Engels was voorbestemd om Marx’ ‘onvoltooide’ (deel 2 en 3 van Das Kapital) na zijn dood openbaar te maken.

Voor Marx was de mens nu niet langer het individuele fenomeen, maar hij bevatte hem nog slechts als de mens in de zeer concrete politieke en maatschappelijke context van zijn tijd, land, klasse, deel van een geheel. Politiek werd voor Marx geen zaak meer van ‘vuile handen’, maar een wetenschap hoe de maatschappij te begrijpen en hoe haar te veranderen. In Brussel trad Marx in contact met Duitse, uitgeweken arbeiders; hun half geheim genootschap Bund der Gerechten werd door hem en Engels herschapen in de communistenbond, die met open vizier in het sociale strijdperk wilde treden, zoals het door hen samen geredigeerde Communistisch Manifest (1848) zonder omhaal verkondigde. 1848 werd, in bijna heel Europa, tot een revolutiejaar. De Parijse arbeiders vochten voor ’t eerst op de barricaden voor eigen zaak. Hun voorbeeld werd in vele landen gevolgd, ook in Duitsland. Marx keerde spoorslags terug naar het Rijnland en richtte er met een hele keurbende van jonge medestanders (de meesten waren net als hij niet ouder dan dertig) de Neue Rheinische Zeitung op, die een grote invloed kreeg op de volksbeweging en de binnenlandse, revolutionair-democratische politiek. De macht kwam niet aan het volk, zelfs niet aan de bourgeoisie: overal in Europa zegevierde de behoudzucht, er werden nog wat achterhoedegevechten geleverd, zoals in Hongarije, maar de democraten moesten hun nederlaag aanvaarden. Marx week voor de tweede keer uit naar Parijs, werd daar bij de staatsgreep van Louis Bonaparte, de neef van Napoleon I weer buiten de deur gezet, en vestigde zich in 1849 in Londen. In Londen is hij vierendertig jaar later gestorven.

Het kapitaal

De ervaringen van Marx en Engels maakten hen tot de critici, de bestrijders, maar ook tot de historici van hun tijd, hun maatschappij, de kapitalistische. Marx’ vermogen om eigentijdse politieke en economische verschijnselen en gebeurtenissen te vatten, te verklaren, te oordelen, krijgt hier een grote opvlucht. Om te beginnen trok Marx na de gebeurtenissen van 1848 de slotsom uit het optreden van de proletariërs, dat hun eerste mislukte stormloop op de posities van hun onderdrukkers niet hun einde, maar slechts een veel bewogen generale repetitie betekende (het stuk zou vele malen worden opgevoerd, en vele malen nog vallen). Het betekende voor hem ook dat hij zich meer dan voorheen verdiepte in de geschiedenis van de klassenstrijd; een onderzoek dat hem er toe bracht om de eigenlijke voedingsbodem, of als men wil, het strijdperk van zijn eigentijdse samenleving te analyseren en de verborgen beweging en wetmatigheid van de zenuw van die samenleving – het kapitaal – op te sporen en vast te leggen. In een geduldig, hardnekkig en grondig proces van onderzoekingen, voor een groot deel door hem gedaan in de bibliotheek van het British Museum (plaats G7), verrichtte hij nu zijn wetenschappelijk werk: een eindeloze reeks van rapporten, ‘blauwboekjes’, studies over geldomloop, wisselkoersen, het functioneren van banken, de rol van de industrie, de landbouw, vormden in hun eindeloze variatie Marx’ bronnen. Voor hem rees daarbij het panorama van een moderne wereld, die niet uit de lucht was komen vallen; integendeel, zij liet zich tot in haar verste economische uithoeken verkennen. Zij maakte, toen hij een keer haar interne wetten had vastgesteld, de indruk van een ‘natuurhistorisch’ proces, al wist niemand beter dan Marx dat natuur en samenleving twee uiterst verschillende machten zijn: de natuur is ons gegeven, de samenleving hebben wij – mensen – gemaakt. De natuur kan men tot op grote hoogte leren beheersen, de maatschappij kan men volledig omwentelen, want zij rust op een onderbouw van economische verschijnselen. Wat aan wetenschappelijke inzichten, aan godsdienstige voorstellingen, aan kunst en creativiteit in de ‘bovenbouw’ van de maatschappij optreedt, wordt door die onderbouw bepaald – hoewel niet in ‘fatale’ zin: de bovenbouw kan zoveel macht en glans ontwikkelen dat hij weer terugstraalt op de economische fundamenten en daarmee de algemene maatschappelijke dynamiek beïnvloedt.

Marx zag zich door zijn financieel steeds miserabele positie gedwongen om als correspondent aan allerlei bladen mee te werken, en daaraan danken wij een reeks van dikwijls briljante, doorgaans geestrijke, maar bovenal onthullende analyses van de internationale politiek van zijn eeuw. Het Brits Imperium heeft hij gevolgd in zijn financiële kunststukken, zijn koloniale onderdrukking in India, zijn opiumoorlogen in China; Frankrijk heeft hij in de persoon van de door hem gehate Napoleon III in de corruptieve en dictatoriale sfeer van het Tweede Keizerrijk uitgebeeld; de Verenigde Staten voerden naar zijn inzicht een ware strijd om een nieuw soort radicale democratie, die voor hem culmineerde in de burgeroorlog 1861-1865 en in de hem sympathieke figuur van Abraham Lincoln; in Duitsland vervolgde hij de listen en lagen, de gewelds- en veroveringspolitiek van Bismarck met bijzondere betrokkenheid, omdat hij toch met al zijn cosmopolitische visies diep in zijn ziel een Duitser bleef, zorgelijk om de toekomst van zijn geboorteland. Marx, kortom, is de historicus van zijn eigen eeuw geweest, veel meer dan de geschiedschrijving in ’t algemeen wil toegeven; hij bezat het acuut vermogen achter schermen en gevels te kijken, en zijn economisch dialectische opvatting van de geschiedenis hielp hem daarbij, zoals een echte detective geholpen wordt door zijn speurzin en aandacht voor details.

De internationale

Gegeven het kapitalisme, gegeven de ‘onvermijdelijke’ omslag van de bestaande orde in haar ‘negatie’, dit is de verovering van de macht door het proletariaat, heeft Marx gewild, dat dit proletariaat de geschiedenis in eigen hand zou nemen: er voltrekt zich geen sociale ommekeer zonder bewuste ingreep van de mensen. Daarom heeft hij de oprichting van de (eerste) Arbeiders Internationale, de IAA, in 1864, toegejuicht. Hij werd al spoedig de spil waaromheen deze eerste organisatie van arbeiders draaide; zijn adressen, zijn raad, zijn richtlijnen werden toonaangevend voor de overal ontstaande arbeiderspartijen, waarvan de Duitse sociaal-democratie onder Liebknecht en Bebel het meest beantwoordde aan zijn ‘model’. Zonder de IAA zou de partijvorming van de arbeiders, overal ter wereld, tot in Rusland en de Verenigde Staten toe, zeker niet zoveel elan hebben gekregen. Dat de onderlinge meningsverschillen, de strijd met ‘concurrerende’ partijvormingen, waaronder met name die van de anarchisten onder Bakoenin, die een heel andere oplossing voor de machtsaanvaarding door de verdrukten zagen, aan Marx’ Internationale in 1876 de solide basis hebben ontnomen, is een ander verhaal. Een verhaal dat aantoont hoe ook Marx zich kon verkijken, hoe hij de grote omwenteling te snel heeft verwacht (een ‘fout’ van allen die naar ommekeer snakken), hoe hij zich heeft verrekend wat betreft het bewustzijnspeil van de uitgebuite klassen. Hoe ten slotte ook in hem, de intellectuele onderzoeker, de clinicus van de bestaande maatschappij, een utopisch verlangen heeft geleefd: het droombeeld van een wereld, waarin beginselen van macht, vrijheid en humaniteit via de ‘dictatuur van het proletariaat’ een verbond zouden aangaan, om het mensdom tot een hogere historische fase te verheffen. Terwijl de huidige communistische partijen – voor zover zij autonoom kunnen handelen – het oude dogma van de ‘dictatuur van het proletariaat’ meest overboord hebben gegooid, omdat de moderne maatschappij te pluriform is voor zo’n politiek recept, heeft Marx haar voor het eerst menen te zien in de Commune van Parijs. In 1871 na de val van Napoleon III en als gevolg van de Frans-Duitse oorlog kwam het Parijse volk in opstand, vestigde een radicale volksdemocratie, voerde tal van vernieuwingen in, nog wel onder het vuur van de Duitse kartetsen en alras ook van het Franse leger zelf, en bewees dat er een arbeidersbewind mogelijk is. Marx was diep onder de indruk van de Commune en heeft er enkele van zijn beste en ontroerendste politieke artikelen aan gewijd.

De mens Marx

Marx’ persoonlijk leven was, wij zeiden het al, gekenmerkt door een sleep van materieel lijden, geldzorgen, ziekten, sterfgevallen. Zijn beide zoons stierven op de kinderleeftijd. Zijn geliefde dochter Jenny – de oudste, die ‘de zoon’ in feite had moeten vervangen – stierf een jaar voor hem, nadat zijn vrouw Jenny von Westphalen, kennelijk gefnuikt door een bestaan van onuitroeibare  beslommeringen, al eerder overleden was. Het gezin Marx wordt doorgaans afgeschilderd als een hechte eenheid, waar iedereen van iedereen hield. Toch plaatst men tegenwoordig vraagtekens bij die, in het Oostblok nog steeds gangbare hagiografie. Er waren veel interne spanningen, zoals die welke werd veroorzaakt toen Marx bij het trouwe dienstmeisje Helene Demuth een kind maakte, dat onmiddellijk werd uitbesteed en waarover nooit meer werd gepraat. De verhouding tussen vader en dochters was ongetwijfeld innig, er was bij de meisjes een intense bewondering. Tegelijkertijd kan men niet ontkomen aan de indruk dat het genie van Marx te veel levensruimte voor zichzelf nodig had, en dat de familieleden nolens volens vaak in de psychische verdrukking raakten. Engels, die als welgesteld man in 1870 in Londen kwam wonen, heeft Marx levenslang geldelijk uit de puree proberen te halen, maar ook zijn ressources kenden een grens.

Overziet men vanuit de optiek van vandaag het marxisme, dan is men geneigd de conclusie te trekken dat het niet slechts bestreden, maar in veel opzichten verdonkeremaand is, weggedrongen in een historische hoek waar men met enig medelijden van Marx’ overleefde ideeën spreekt. Voor de schrijver van deze regels, die vanuit een intense betrokkenheid één roman en twee studies aan Marx heeft gewijd, ligt dat anders. Ik denk nu niet aan de zogenaamde socialistische landen, waar het marxisme tot een dogmatisch leervak, een belijdenis-met-de-mond, is verlaagd, waar Marx’ naam met andere woorden misbruikt wordt. Ik zie daarentegen dat het marxisme in de negentiende eeuw, die in veel opzichten nog onze geboorte-eeuw mag heten, bij een veelheid van grote culturele verschijnselen – de schilderkunst, de muziek, de literatuur, de natuurwetenschap – een zeer bijzondere bijdrage betekent tot onze civilisatie. Marx was een man van grote, geestrijke beschaving. Hij heeft zijn politiek-economisch onderzoek met evenveel toewijding verricht als Darwin zijn natuurwetenschappelijke ontdekkingen. Beide geleerden hebben voor ons hele besef van de ontwikkelingsgeschiedenis van het mensdom, de natuurlijke en de sociale, pionierswerk gedaan. Marx was een historicus, omdat hij in de geschiedenis zelf het eigenlijk levensterrein van de moderne mens herkend had, zowel van enkelingen als klassen. En deze historicus schreef een meeslepende, soms flonkerende, vaak diepzinnige en intellectuele stijl (de weerspiegeling van zijn persoon), die ons vandaag nog boeiend materiaal en inzichten levert. Hij heeft daarbij de werkende mensen geleerd, hoe zij zich moeten organiseren om hun rechten te verdedigen, maar bovenal om straks de leiding van zaken te nemen, als de huidige heersende klassen blijven doorgaan met hun bankroetierseconomie.

Fetisj en ommekeer

Het is duidelijk waarom men vanuit die heersende kringen en ook vanuit de burgerlijke wetenschap de indruk wil wekken dat Marx ons weinig meer heeft te zeggen, dat zijn optreden misschien destijds, maar nu niet meer van consequentie is. Die consequentie blijkt er integendeel te zijn, nu de historische continuiteit zich weer aandient in alle vormen van bevrijdingsstrijd. Marx had in de beweging van de geschiedenis het eeuwig doorwerkend element van de scheppende verandering opgespoord, en in zijn hoofdwerk en zijn andere studies aangeduid als de dialektiek van een maatschappij, die bij geen enkel conflict, geen enkele innerlijke tegenstrijdigheid kan blijven staan, maar deze moet uitvechten. Niet het compromis, niet het temporiseren, alleen de echte revolutie kan de huidige samenleving verlossen van haar stoffelijke ellende, maar ook van haar onmenselijke vervreemding. Een psychisch effect dat in de kapitalistische maatschappij, bij de fetisjdienst van geld en goed, de mens vervreemdt van arbeid en creativiteit, en daarmee van eigen menselijk bewustzijn.

Marx, kortom, was de filosoof van de ommekeer. Het onderkennen van de fetisj, die ons onderwerpt aan de macht waarmee de mens hem eerst heeft bekleed, en het omverwerpen van een dergelijke valse god, was Marx’ menselijke boodschap. Wie de status-quo beminnen, wie vinden dat onze maatschappijstructuren, hun geweld en hun onrechtmatigheden ten spijt, moeten blijven bestaan; wie in de mens geen nieuwe, betere mogelijkheden ziet, schuift Marx en het marxisme ver van zich, negeert hen. Wie er als de schrijver van deze schets van overtuigd is, dat Marx een perspectief van nog ongekende sociale en humane mogelijkheden heeft ontsloten, huldigt ook vandaag nog in hem een onmiskenbare actualiteit.
.

Theun de Vriers, Jonas 16, 01-04-1983

.

Alle biografieën

1595-1494

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis (2-1/4)

.

HET ONTSTAAN VAN DE BOEKDRUKKUNST 4

Zie deel 3: Toch wijst het voorgaande niet direct op de uitvinding van drukken met losse letters, hoewel er een aanduiding is van een procedé, waarbij metalen letters werden gebruikt. Werden deze misschien bij het ’schrijven’ van een tekst achtereenvolgens op het papier afgedrukt, zo ongeveer als de letters van onze stempels.

Binnen 50 jaar na Waldfoghels tijd is geen enkel stuk drukwerk aan het licht gekomen; geen enkele schrijver heeft ernstig volgehouden dat de proeven van Waldfoghel ouder zijn dan de experimenten van Gutenberg. Men heeft wel verondersteld dat Waldfoghel het denkbeeld van drukken kan hebben opgevangen uit het een of ander dat bij het proces van Gutenberg in Straatsburg in 1438 openbaar werd. Volgens bepaalde akten woonden er verscheidene vroegere Straatsburgers omstreeks 1445 in Avignon. Hieronder was ook een zilversmid!

Volgens een duistere 17e-eeuwse kroniek zou Pamfilo Castaldi van Feltre in Italië de uitvinder der boekdrukkunst zijn. Zijn geboorteplaats schonk zoveel geloof aan dit verhaal, dat er in 1868 een monument voor hem werd opgerioht. Geschiedkundigen vatten het verhaal niet ernstig op, hoewel het een feit is dat hij de eerste drukker van Milaan was.

België laat nog een zwak geluid horen met Jean Brito, die zich te Brugge van ongeveer 1477 tot 1488 met drukken heeft beziggehouden. Geen van die vertelsels berusten echter op iets anders dan op plaatselijke legenden.

De uitvinding verbreidde zich snel over heel Europa. Duitsland en Nederland gingen voorop in de rij van landen waar drukkerijen werden opgericht en vele andere volgden hun voorbeeld. In Italië werd in 1464 een drukkerij opgericht in het klooster Subiaco bij Rome, die korte tijd later naar het centrum van de hoofdstad werd verplaatst.

Op verzoek van enkele hoogleraren kreeg de Parijse Sorbonne in 1470 een drukkerij. Het slotschrift van het eerste gedrukte boek te Parijs draagt het jaartal 1470 en noemt als drukkers: Michael Friburger, Ulrich Gering en Martin Cranz.

Wat Engeland betreft namen enkele kooplieden in 1476 het initiatief. Aan het eind van de 15e eeuw bezaten meer dan 100 Europese steden een drukkerij. Hoewel de techniek nog primitief was, vervaardigden de eerste drukkers prachtige werken. Hun producten (tot ± 1600) noemen we incunabelen of wiegedrukken, omdat de boekdrukkunst zich nog ’in cuna’ (in de wieg) bevond!

Natuurlijk heeft men in de loop der tijd veel weten te verbeteren aan de techniek van het boekdrukken, maar toch is deze bijna drie eeuwen lang in feite ongewijzigd gebleven.

In de 16e eeuw kwam de techniek van de kopergravure op. Aangezien die uitermate geschikt was voor technische en natuurwetenschappelijke werken verdrong die bijna de boekdruk zelf. Het spreekt wel vanzelf dat de kopergravure met kop en schouders uitstak boven de houtsnede. Met de naald graveerde men alles veel fijner in metaal dan men met hout sneed. De houtsnede deed nog slechts dienst voor de armelijke volksprenten, maar omstreeks 1800 beleefde de houtsnijkunst een nieuw hoogtepunt.

Drie procedés

In 1796 werd de grondslag gelegd voor de zgn. steendruk (lithografie). Daarmee ontstond – naast de hoogdruk en de diepdruk – de derde van de drie hoofdprocedés : de vlakdruk. Voordat we over elk van deze drie procedés iets zeggen, vermelden we nog dat vele uitvindingen werden gedaan en dat men nog vele verbeteringen aanbracht. We noemen daarvan slechts de stoomdrukmachine, rotatiepers, tegelijk gieten en zetten van letters enz. Bovendien haalde men steeds grotere oplagen in steeds kortere tijd!

Zonder ons te veel in technische details te verdiepen gaan we hieronder na wat de drie hoofdprocedés waarover we het hadden, precies inhouden.

Om teksten of afbeeldingen te kunnen afdrukken, hebben we drie dingen nodig: 1. een drukvorm (met tekst en/of figuren);
2. papier of een dergelijk materiaal;
3. een werktuig dat – door middel van druk – de tekst en/of figuren overbrengt.

Hoogdruk is het procedé waarbij het te drukken beeld verhoogd is aangebraoht. Om afdrukken te krijgen moeten we de letters en clichés (de verhoogde delen dus) door middel van rollen van inkt voorzien. Doordat het drukbeeld hoger ligt dan zijn omgeving neemt alles wat niet tot de voorstelling behoort, geen inkt op. We kunnen deze methode vergelijken met de rubber lettertjes waarmee kinderen spelen.

Diepdruk moet u zien als het tegengestelde van hoogdruk. Het drukbeeld is hier namelijk niet verhoogd maar verlaagd aangebraoht in het metaal. Vroeger werd het beeld verkregen door etsen of graveren. Tegenwoordig* maakt men echter gebruik van chemicaliën die het beeld in een koperen cilinder bijten. Voorzien we de cilinder nu van inkt, dan komt niet alleen het verlaagde beeld met de inkt in aanraking, maar het gehele cilinderoppervlak. Bij afdrukken zou dit een onleesbare, zwarte en vlekkerige massa geven! Daarom wordt de overtollige inkt vóór het drukken weggeschraapt met een soort verend mes, waaraan men de naam rakel heeft gegeven. Het spreekt wel vanzelf dat alleen de inkt van de oppervlakte wordt verwijderd. Naar de naam van het verende mes spreekt men ook van rakeldiepdruk.
Ten slotte de vlakdruk. Bij deze druktechniek ligt het te drukken beeld op gelijke hoogte met de delen die niet mogen drukken. Na ininkting zou dus alles afdrukken, hetgeen een groezelige massa zou geven. Door gebruik te maken van het feit dat water en vet elkaar afstoten, heeft men dat opgelost. Wanneer men met inkt (vet) op een ondergrond van b.v. metaal een tekst aanbrengt, bereikt men dat alleen die tekst wordt afgedrukt, en wel door de niet voor afdrukken bestemde delen waterhoudend en dus vetafstotend te maken. Als dus een bewerkte plaats eerst met water wordt ingerold (de tekst neemt hierbij geen vocht aan) en daarna met (vette) inkt, neemt uitsluitend de tekst inkt aan. Bij contact tussen beeld en papier wordt dus alleen de tekst overgebracht. De bekende offsetdruk is vlakdruk.

P.J. van der Horst, Vacature, nadere gegevens onbekend *artikel waarschijnlijk uit de jaren 1980 of eerder. Uiteraard heeft de ontwikkeling niet stilgestaan. Om die te zien, zou je bijv. met een klas naar een drukkerij kunnen gaan.

Deel 1    deel 2     deel 3

.

7e klas geschiedenisalle artikelen

.

1594-1493

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis (2-1/3)

het ontstaan van de boekdrukkunst 3

Op grond van de huidige kennis mogen we aannemen dat het drukken met losse letters van metaal door Johann Gutenberg te Mainz of omgeving, tussen 1440 en 1450, is uitgevonden. Zowel in Mainz als in Straatsburg heeft men een standbeeld van hem als de uitvinder der boekdrukkunst geplaatst.

Zoals we al eerder zeiden, is die mening niet onaangevochten gebleven. De meeste aanspraken van andere landen kunnen we gevoeglijk terzijde schuiven. Een daarvan, namelijk die van ons eigen land, verdient een nadere beschouwing. De Hollandse aanspraak op de uitvinding is pas lange tijd na de uitvinding zelf naar voren gekomen. We vinden het eerste gerucht in een in 1499 te Keulen gedrukt boek: de ‘Keulse Kroniek’. Daarin komt o.a. de volgende passage voor: ‘Hoewel deze kunst in Mainz werd uitgevonden, voor zover het betreft de wijze waarop die thans in de regel wordt gebruikt, werden de eerste voorlopers daarvan in Holland gevonden.’

U begrijpt dat dit verhaal niet bepaald veel houvast geeft. Deze mededeling, die steunde op mondelinge verklaringen, stelt vast dat het boekdrukken in Mainz werd uitgevonden. Deze uitspraak wordt echter onmiddellijk in twijfel getrokken met de opmerking dat ‘er al voorlopers in Nederland waren geweest, namelijk in de vorm van Donaten’ (sehoolgrammatica’s), die vóór die tijd waren gedrukt. Geen enkel document bevestigt dit echter. Het zal u niet verbazen dat het woord ‘voorlopers’ (Vurbyldung) een bron van talloze onderzoekingen en redetwisten is geweest.

Een van de overige verhalen over de uitvinding in Holland is van Adriaen de Jonghe, een Nederlandse dokter en geschiedschrijver, ook genoemd Hadrianus Junius. Een door deze Hadrianus Junius geschreven geschiedenis van Holland, ‘Batavia’ geheten, vormt de voornaamste grondslag voor de Hollandse aanspraak op de uitvinding. Junius eiste de eer van de uitvinding zonder voorbehoud op voor Haarlem. Dit baseerde hij op inlichtingen die hij van bejaarde inwoners ‘van onbetwistbare betrouwbaarheid’ uit Haarlem zou hebben gekregen. Hij vermeldt dat vóór 128 jaar – dat is in 1440 – in Haarlem een zekere Laurens Janszoon Coster leefde, van wie op het moment dat Junius dit schrijft nog nazaten in leven waren.

Coster bezat het kostersambt erfelijk, maar het dagelijkse werk dat daaraan was verbonden, verrichtte hij niet zelf; hij was koopman en zorgde in die hoedanigheid voor de leverantie van kaarsen, olie, zeep en wijn. Op een dag toen Coster ‘met zijn kleinkinderen’ (volgens Junius!) in de Hout wandelde, sneed hij enige letters uit boombast; hij constateerde dat die letters op een vel papier een afdruk maakten. Hij begreep dat dit van betekenis zou kunnen zijn en besloot deze proef in het groot te herhalen. Samen met zijn schoonzoon, Thomas Pieterszoon, ontwikkelde hij een betere zwarte inkt, omdat de gewone inkt geen duidelijke afdrukken gaf, en verving de beukenhouten letters door loden. Later gebruikte bij tin om ze sterker en duurzamer te maken,

We vervolgen met een citaat uit de eerdergenoemde, in het Latijn geschreven, ‘Batavia’ van Junius.
‘De nieuwe uitvinding bloeide wegens de graagte waarmee het volk het nieuwe product kocht. Er werden leerlingen aangenomen. Het begin van het ongeluk, want onder hen was een zekere Johann. Nadat deze Johann de kunst van letters gieten en zetten – dus het gehele bedrijf – had geleerd, greep deze op kerstavond, toen allen naar de kerk waren, de gunstige gelegenheid aan en stal de gehele voorraad lettermateriaal met de gereedschappen en werktuigen van zijn meester. Hij begaf zich eerst naar Amsterdam, toen naar Keulen, en uiteindelijk naar Mainz, dat ver genoeg was om hem veilig te doen zijn, opende aldaar een drukkerij en oogstte de vruchten van zijn diefstal. Het is bekend dat binnen het jaar, in 1442, met dezelfde letters die Laurens in Haarlem had gebruikt, zijn eerste werk verscheen, het ’Doctrinale’ van Alexander Gallus, een spraakkunst die in die tijd in algemeen gebruik was, te zamen met de tractaten van Petrus Hispanus. Dit is ongeveer het verhaal zoals ik het heb gehoord van oude en vertrouwde mannen, die het van hun voorvaders hadden vernomen.’

Tot zover Junius.

We moeten bij het voorgaande aantekenen dat Hadrianus Junius verre van kritisch was ten aanzien van de feiten die hij noemt. Uit een stamboom blijkt bijvoorbeeld dat Coster in 1440 nog geen kleinkinderen had! Junius vertelde slechts het verhaal dat toen de ronde deed.

Geen enkele aantekening in officiële stukken legt verband tussen Coster en het drukkersbedrijf. Eerst in 1559 vermeldt een geschreven stamboom van de familie Coster dat deze ‘de eerste druk in de wereld bracht’, en wel in 1446.

Vóór 1470 kon men echter geen met losse letters gedrukte boeken aanwijzen; de oudste boeken droegen geen merk omtrent het jaar van drukken. Wat Coster betreft besluiten we met te vermelden dat er geen enkel bewijsstuk bestaat aan de hand waarvan kan worden aangetoond dat het Hollandse drukwerk aan de aanvang der typografie in Duitsland vóóraf ging. Wat zou er met de drukkerij van Coster zijn gebeurd? Men neemt aan dat zijn nabestaanden de drukkerij hebben voortgezet (tot ongeveer 1470). Volgens Junius zijn de overgebleven letters van Costers drukkerij gesmolten om er wijnkannen van te maken.

In Haarlem heeft men op de Grote Markt voor Laurens Janszoon Coster een standbeeld opgericht. Achter de firma Enschedé en Zonen bevindt zich eveneens een standbeeld te zijner ere. Ook in de Haarlemmerhout vinden we een gedenksteen.

Overige aanspraken

Er zijn meer pretendenten geweest voor de eer van uitvinder der boekdrukkunst. Ze zijn echter weinig geloofwaardig. Een daarvan berust enigszins op een deugdelijke grondslag. In 1890 ontdekte Abbé Requin te Avignon in Frankrijk vijf notariële protocollen in het Latijn, gedateerd 1444 en 1446. Deze vermeldden dat Procopius Waldfoghel, een zilversmid uit Praag, destijds woonachtig in Avignon, zich bezighield met een methode ‘om kunstmatig te schrijven’. Een van die documenten spreekt van ‘twee stalen alfabetten, twee ijzeren vormen, een stalen schroef, achtenveertig tinnen vormen, en verschillende andere vormen, behorende tot de kunst van schrijven’.
Een ander document ging over een belofte die Waldfoghel gegeven had om les te geven in zijn kunst van schrijven. We horen voorts over beloften om geen anderen in te wijden in deze kunst; over de vervaardiging van 27 Hebreeuwse letters gesneden in ijzer ‘volgens de wetenschap en de methode van schrijven’ en over instrumenten van hout, tin en ijzer.

P.J. van der Horst, Vacature, nadere gegevens onbekend
.

Deel 1    deel 2    deel 4
.

Gutenberg, Coster

Geschiedenis klas 7alle artikelen

.

1593-1492

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis (2-1/2)

.

HeT ontstaan van DE boekdrukkunst (II)

Gutenberg of Coster?

Juist omdat de uitvinding van het drukken met losse letters van onschatbare waarde is, hebben vele Europese landen zich de eer van die uitvinding willen toe-eigenen. Het zal u bekend zijn dat men als uitvinder meestal Gutenberg (Duitsland) of Coster (Nederland) noemt. De traditie heeft voor beiden het jaar van uitvinding op 1440 gesteld, hoewel daarvoor geen duidelijke aanwijzing bestaat.

Over de vraag wie van beiden de werkelijke uitvinder is, zijn vele boeken en artikelen geschreven. Ten aanzien van de identiteit van de uitvinder hebben onderzoekers een schat aan bewijzen verzameld. Hiervan heeft echter slechts een klein deel directe bewijskracht. Wanneer men nu vraagt wie na al die onderzoekingen als uitvinder naar voren komt, moet het antwoord luiden dat het niet absoluut zeker is wie recht heeft op het predikaat van uitvinder der boekdrukkunst. Uit de talrijke onderzoekingen van het vele materiaal blijkt echter wel dat Johann Gutenberg de meeste aanspraak op de eretitel maakt!

Dat men niet zeker weet wie de uitvinder is, komt doordat die uitvinding onopvallend heeft plaatsgevonden. Het is toch eigenlijk een vreemde zaak dat de uitvinder zelf zo weinig ruchtbaarheid aan zijn vinding heeft gegeven, terwijl hij over het best denkbare middel tot publikatie beschikte.

Johann Gensfleisch (of: Gansefleisch) Gutenberg werd omstreeks 1400 in Mainz geboren (men neemt wel aan 24 juni 1400). Hij vestigde zich waarschijnlijk ongeveer 1430 als banneling in Straatsburg. Hier vinden we de eerste aanduidingen dat hij proeven nam met boekdrukken.

Uit de stukken van een proces uit 1439, waarbij Gutenberg betrokken was, vernemen we dat hij enkele jaren tevoren een compagnonschap was aangegaan met twee personen die hij in enkele ambachten zou opleiden. De originele verslagen van dit proces zijn bij de inneming van Straatsburg door de Pruisen in 1870 verloren gegaan, zodat we moeten steunen op de tekst uit de tweede hand. Bij een later proces in verband met de dood van een van die compagnons komen we enkele – zij het vage – zinspelingen tegen over de aard van de onderneming. We kunnen daaruit echter afleiden dat de werkzaamheden te maken hadden met het uitwerken van een bepaalde werkwijze die verband hield met het drukken.

Het is niet met zekerheid bekend waar Gutenberg verbleef nadat hij uit Mainz was weggetrokken. Vertoefde hij in de buurt van Mainz? Is hij naar Holland gegaan, waar hij kennis heeft gemaakt met de boekdrukkunst van Coster? Dit zijn slechts enkele van de veronderstellingen!

In 1455 komen we hem weer tegen, nu als aangeklaagde in een proces. In 1450 had hij een groot bedrag geleend van een zekere Johan Fust, goudsmid en geldschieter in Mainz, met het doel ‘zijn werk te voltooien’. In die tijd was de schoonschrijver Peter Schöffer bij Gutenberg in dienst, een knap man die er veel toe heeft bijgedragen om de boekdrukkunst praktisch bruikbaar te maken. Fust kon veel beter met Schöffer opschieten dan met Gutenberg. Bovendien was Schöffer de schoonzoon van Fust!

In 1452 had Gutenberg nogmaals een groot bedrag van Fust geleend. In het proces eiste deze o.a. terugbetaling van het geleende bedrag plus rente. Uit de stukken van deze zaak weten we dat de onderneming een drukkerij betreft. Er wordt o.a. gesproken over uitgaven aan perkament, papier en inkt.

Hoe het proces ook afgelopen mag zijn, het is een feit dat Fust en Schöffer de voornaamste drukkerij in Mainz bezaten toen de drukkunst het stadium van proefnemingen had verlaten!

De zgn. Gutenbergbijbel is overal beschouwd als het eerste boek dat in Europa is gedrukt. Het is dezelfde als de ’42-regelige Bijbel’, die zo heet omdat de meeste pagina’s 42 regels per kolom tellen. De mening dat deze als het eerste in Europa gedrukte stuk moet worden beschouwd, is achterhaald. Al zo’n tien jaar eerder zag het ’Wereld-Oordeel’ het licht: een 74 pagina’s tellend boek. Er zijn trouwens nog vele andere werken vóór de Gutenbergbijbel verschenen. Er bestaat in elk geval een Duits calendarium dat men op 1448 kan dateren.

De verschijningsdatum van de genoemde werken berust op gissingen. Het eerste gedateerde boek dat we kennen, is uit 1454.

In 1457 gaven Fust en Schöffer een prachtig werk uit, te weten het Psalterium. Aan het slot van dit psalmboek stond vermeld dat dit werk was vervaardigd door middel van de kunst van het drukken met losse letters, uitgevonden door Fust en Schöffer. De naam Gutenberg werd niet eens genoemd!

Om nog even terug te komen op de Gutenbergbijbel; na langdurige studie menen vele geleerden te mogen veronderstellen dat deze – op zijn minst gedeeltelijk – door Johann Fust is gedrukt!

Sommige al te geestdriftige pleitbezorgers hebben aan het bewijsmateriaal ten gunste van Gutenberg nadeel berokkend door een aantal documenten te vervalsen. Deze vervalsingen zijn als zodanig onderkend en hebben ertoe geleid dat men ging twijfelen aan de echtheid van alle bewijsstukken.
.

P.J.van der Horst, Vacature, nadere gegevens onbekend
.

Deel 1   deel 3    deel 4

Geschiedenis klas 7alle artikelen

.

1592-1491

.

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis (2-1/1)

.

HET ONTSTAAN VAN DE BOEKDRUKKUNST

We leven in een tijd waarin massa’s boeken, tijdschriften en kranten verschijnen. Daarmee houdt verband dat er zeer veel wordt gelezen. We staan er eigenlijk zelden of nooit bij stil dat er ook eens een tijd is geweest dat men niet zo gemakkelijk over fraai gedrukte teksten kon beschikken. De uitvinding van de boekdrukkunst is dan ook van onschatbare waarde gebleken. Geen uitvinding biedt betere mogelijkheden om de gedachten, ideeën en kennis van de mens door alle tijden heen te bewaren en onder komende geslachten te verspreiden. De gedrukte tekst is altijd de beste en veiligste cultuurdrager geweest en zal dat ook in de toekomst blijven.

Bijna alle teksten die we onder ogen krijgen zijn gedrukt. Daarom kunnen we ons moeilijk voorstellen dat het vroeger bijna onmogelijk of zeer tijdrovend was een tekst te vermenigvuldigen. Afgezien van de delen van de wereld waar de bevolking nog analfabeet is, gebruikt men overal lettertekens. Een onderontwikkeld gebied kan pas tot bloei komen als de bevolking kan lezen en schrijven. Het schrift is uit onze samenleving dan ook niet weg te denken. Alleen door middel daarvan kunnen onze gedachten en woorden worden vastgelegd op het moment dat we ze produceren. Hierdoor kan men op zeer grote schaal van gedachten wisselen. Bovendien deed zich dikwijls de behoefte gevoelen wettelijke of religieuze voorschriften vast te leggen.

In dit artikel zullen we ons niet bezighouden met de ontwikkeling van het schrift, maar met de ontwikkeling’ van het schrijfmateriaal. We leggen de nadruk op het boekdrukken.

De niet-Semitische Soemeriërs maakten gebruik van stukjes klei om hun karakteristieke spijkerschrift in vast te leggen. Door de Babyloniërs verspreidde dit schrift zich naar o.a. de Elamieten, de Assyriërs, de Hittieten en de Perzen. Er zijn grote bibliotheken van kleitabletten bewaard gebleven. Een daarvan is de verzameling van ruim 22.000 tafeltjes die door Assoerbanipal in Ninive was aangelegd.

Schrijfmateriaal

Ook de Egyptenaren kenden omstreeks 2900 voor Chr. een beeldschrift. Omstreeks die tijd had de bereiding van papyrus in Egypte een hoge graad van volmaaktheid bereikt: het was licht, fijn en toch sterk. Het oudstbekende exemplaar dateert van ongeveer 3000 v. Chr.!

In die tijd maakte men in China gebruik van boombast als schrijfmateriaal. Er is echter niets van teruggevonden. Veel later kwam de zijde hier als schrijfmateriaal in gebruik.
Het gebruik van papyrus bleef niet tot Egypte beperkt. Het vond verbreiding in het gehele Middellandse Zeegebied. Het werd in Griekenland in de 7e eeuw v. Chr. ingevoerd.

In verband met o.a. de hoge vrachttarieven en belasting werd de prijs ervan te hoog. Daarbij kwam nog het nadeel dat het erg bros en gevoelig voor vocht was. Bovendien waren voor één enkele tekst vele rollen nodig: het was slechts aan één zijde beschrijfbaar. Papyrus dankt zijn naam aan een in het oude Egypte inheemse rietsoort die in de moerassen groeide. Het komt thans nog in het wild voor op Sicilië. De Egyptenaren gebruikten het voor vele doeleinden: het werd gegeten, van de vezels maakte men touwen, matten, sandalen enz. Voor ons is het van belang dat zij het gebruikten voor het vervaardigen van schrijfmateriaal, dat een belangrijk exportartikel zou warden en eeuwenlang in de Grieks-Romeinse wereld werd gebruikt. Van de drie tot vier meter lange stengel werd de groene bast verwijderd. De resterende mergachtige pit deelde men in moten en sneed er dunne stroken van. Deze stroken werden in horizontale richting dakpansgewijs over elkaar gelegd, bevochtigd en door er met een hamer op te kloppen aan elkaar bevestigd. Om het geheel wat te verstevigen legde men een tweede laag verticaal gerangschikt daarachter. Na in de zon gedroogd te zijn was het goed beschrijfbaar. Door de verschillende vellen aaneen te voegen, kreeg men papyrusrollen van soms wel tientallen meters. Papyrus was duur en daarom gebruikte men daarnaast voor minder belangrijke optekeningen ook kalkstenen scherven. Aangezien papyrus niet zonder beschadiging gevouwen kon worden, bewaarde men het opgerold op een houten of ivoren staaf. Bij het lezen rolde men het in kolommen beschreven vel geleidelijk af. Een enigszins uitvoerig geschrift bestond uit vele rollen.

In Egypte heeft het droge woestijnzand vele papyri uit hellenistisch-Romeinse tijd bewaard. In de keizertijd moest het papyrus het veld ruimen voor het perkament. De grondstof daarvoor (dierenhuid) was overal te krijgen en had een grotere duurzaamheid dan papyrus. Aan het feit dat de bereidingswijze uit
schapenhuiden in Pergamum werd verfijnd dankt het de naam die de Romeinen eraan gaven: perkament.

Het had vele voordelen boven andere materialen, waarvan we hier slechts noemen dat het aan beide zijden kon worden beschreven en dat het vouwbaar was. Op den duur was perkament als schrijfmateriaal echter te kostbaar en stond daardoor een algemene verbreiding in de weg. Het moest geleidelijk zijn plaats afstaan aan een nieuw materiaal dat omstreeks de achtste eeuw vanuit China door de Arabieren in Europa werd geïntroduceerd, namelijk het papier. De uitvinding van dit materiaal speelde een grote rol bij de ontdekking van de boekdrukkunst.

Monnikenwerk

Zoals we in een eerder artikel schreven, dateren de oudstbekende handschriften uit de vierde eeuw. De vroegste Middelnederlandse teksten stammen uit de achtste eeuw. Verspreid over musea en bibliotheken zijn ons vele duizenden handschriften uit deze en latere tijden nagebleven. Vooral de benedictijnen en karthuizers hebben zich met een bijna eindeloos geduld toegelegd op het kopiëren van dit soort teksten.

Het kopiëren van boeken was dus met recht ‘monnikenwerk’. Het was voor de leek niet lonend, omdat het wekenlang of maandenlang schrijven – om één boek te vervaardigen – bijna niet te betalen was. Als er geen geduldig schrijvende monniken waren geweest die hun leven van armoede aan het kopiëren van boeken hadden besteed, zouden er in de middeleeuwen veel meer getuigenissen verloren zijn gegaan. De kloosterlingen schreven dag in dag uit, en verrijkten de wereld met honderden exemplaren per jaar! Ze stonden dagelijks in het ‘scriptorium’ of in de librije over hun lessenaar gebogen om de teksten over te schrijven.

Men kreeg hoe langer hoe meer behoefte aan meer afschriften en een goedkopere vermenigvuldiging; het langzame schrijven ging men als een hindernis beschouwen, Het stuk voor stuk moeizaam overtekenen van boeken was karakteristiek voor de werkwijze van de bezadigde middeleeuwer, maar het schrijfwerk der monniken zou spoedig tot het verleden gaan behoren. Hun manuscripten zouden – na vergelijking en verbetering van schrijffouten – met duizenden tegelijk in druk worden verspreid.

Lang voordat de boekdrukkunst in Europa haar intrede zou doen, was het probleem hoe men bepaalde teksten in meer exemplaren kon reproduceren door de oude volkeren der beschaving op hun eigen wijze opgelost. Zo kenden b.v. de Egyptenaren, de Assyriërs en de Babyloniërs reeds technieken om gebakken tegels te bedrukken. Het is voorts bekend dat de Chinezen reeds vroeg plankjes gebruikten die met inkt werden ingesmeerd om tekens én letters af te drukken.

U vraagt zich nu misschien af hoe men er dan bij komt de uitvinding van de boekdrukkunst toe te schrijven aan een Nederlander of een Duitser uit de 15e eeuw. Onder andere door de aard van de woordtekens waren de omstandigheden in het verre oosten niet gunstig voor de opkomst en de bloei van een boekdrukkunst. Zo bleef alles wat o.a. in China op dit gebied was bereikt in cultuurhistorisch opzicht onvruchtbaar.

Voorafgaand aan de ‘echte’ boekdruk, zoals die thans is, kende men ook in Europa het zgn. blokboek. Zo’n blokboek kwam tot stand door zowel de tekst als de illustraties in hout uit te snijden en de aldus vervaardigde houten ‘stempel’ af te drukken. Voor deze zgn, xylografie (houtsnede) die in de 2e eeuw na Chr. in China ontstond, gebruikte men verschillende houtsoorten met fijne nerf en grote hardheid, zoals hout van perenboom, appelboom, palm en wilde vijgenboom. Het vervaardigen van teksten door middel van houtdruk vroeg veel tijd van voorbereiding en maakte slechts kleine oplagen mogelijk (door slijtage van het hout). Beroemde voorbeelden van blokboeken zijn: ‘Biblia pauperum’, ‘Ars moriendi’ en ’Canticum canticorum’, alle van Nederlandse af Duitse oorsprong.

Na de elfde eeuw ontwikkelde de houtsnijkunst zich snel, mede door de uitvinding van het papier. Na de uitvinding van de losse letters werd de
houtsnede nog aangewend voor illustratie. Het hoogtepunt van de Europese houtsnijkunst werd omstreeks 1500 bereikt, met o.a. Albrecht Dürer. De beroemde series als de ‘Grote Passie’, de ‘Kleine Passie’ en het ‘Leven van Maria’ zijn daar het schitterende bewijs van.

De grote ontwikkeling van de boekdrukkunst begon echter met de toepassing van losse, metalen letters in de 15e eeuw.

Als we proberen ons te verplaatsen in een wereld zonder boekdruk zouden we merken dat we daar niet meer buiten kunnen. Gedrukte boeken e.d. zijn immers zo vanzelfsprekend voor ons! Deze uitvinding is zo belangrijk voor de mensheid gebleken, dat geen enkel feit in de cultuurgeschiedenis de uitvinding van het boekdrukken ook maar kan benaderen in belangrijkheid. Grote denkers hebben de uitvinding van het boekdrukken de geniaalste genoemd die ooit door de menselijke geest aan de samenleving is geschonken. Op geen enkel gebied van menselijke werkzaamheid zou de enorme ontwikkeling in de laatste eeuwen
mogelijk zijn geweest zonder de boekdrukkunst: wetenschap, kunst, techniek, religie, letterkunde enz. Iedereen die kon lezen, kreeg nu de gelegenheid daartoe, en wie niet kon lezen kreeg nu de middelen om zich die vaardigheid eigen te maken.
.

P.J. van der Horst, Vacature, nadere gevenens onbekend
.

deel 2     deel 3    deel 4
.
Geschiedenis klas 7: alle artikelen

.

1591-1490

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (53)

.

Racheda Kooijman-Ruijssenaars is journalist, bladenmaker. In Trouw van 24-03-2018 schrijft ze een opiniestukje:

LAAT KINDEREN VOORAL LEKKER SPELEN

Opmerkelijk in haar artikel vind ik een van de eerste opmerkingen:

‘Afgelopen schoolvakantie gebeurde er in ons huis helemaal niets. Mijn dochters (4 en 6) waren namelijk écht aan vakantie toe. Moe van intensieve schoolweken en grieperig, omdat iedereen dat is.

Kinderen van 4 en 6 zijn ëcht aan vakantie toe – door school!

Ze besluit helemaal niets te gaan doen met de kinderen:

Het gevolg? Mijn kinderen speelden zich een slag in de rondte en rustten uit.

De kinderen rustten uit door TE SPELEN!

Zij pleit voor ‘lummeltijd’:
Tijd waarin je van niets vanzelf tot iets komt. En in het geval van kinderen betekent dat niet dat ouders bepalen wat je gaat doen. Ook al zijn dat leuke dingen. Spelen is belangrijk en vooral spel waarbij kinderen zelf bepalen wat, hoe, hoe lang en wanneer.

Mevrouw Kooijman liet zich inspireren door de filosofie van de inmiddels overleden Hongaars-Amerikaanse opvoeddeskundige Magda Gerber. Zij geloofde dat een kind alles in zich heeft om zich goed te ontwikkelen en dat je als ouder alleen maar begeleidt.
Kinderen ontdekken de wereld door spel. In dat spel bepalen ze alles, omdat ze hun eigen fantasiewereld vormgeven. Met eigen regels en eigen condities. Als we de vrijheid om te spelen en om zelf te ontdekken bij ze weghalen, ontneem je ze dus de enige manier om te leren zich te ontwikkelen. Geen spel betekent geen levenservaring. Geen eigen keuzes maken, geen doelen stellen, geen eigen tijdsindeling maken, geen oplossingen bedenken voor tegenslagen, geen zelfreflectie. Kinderen niet laten spelen is alsof je een kikker ontdoet van zijn pootjes en ’m dwingt om weg te springen.

Over het belang van vrij spel worden al jaren conferenties gehouden met vooraanstaande sprekers. Onderzoekers en leraren zeggen dat vrij spel noodzakelijk is om een sociaal stabiel, gezond, vitaal, creatief, onderzoekend, weerbaar mens te worden. Sommige onderzoekers gaan nog verder: hoe minder vrij spel, hoe groter de kans op depressiviteit en angsten.

Racheda Kooijman-Ruijssenaars, Trouw 24-03-2018
.

In deze rubriek ‘Opspattend grind’ gaat het veel vaker over het jongere kind en spel.  Zie bijv. [5]  [16]  [29]  [38]  [42]  

De auteur had heel vanzelfsprekend Rudolf Steiner kunnen citeren:

Bij dit organiseren van het spel heeft men heel vaak het allerbelangrijkste niet in de gaten: wanneer het spel strak geregeld wordt en het spel van het kind in een bepaalde richting moet verlopen, dan is het geen spel meer. Het wezenlijke van spel is dat het vrij is.
GA 297 Idee und Praxis der Waldorfschule blz 58  1919
Vertaald op deze blog/58
.

Rudolf Steinerover spel

Spel: alle artikelen

Opspattend grindalle artikelen

.

1590-1489

.

..

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-3-1)

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 35 – 38

OVER SYMPATHIE

In zekere zin vormt dit artikel één geheel met dit: over antipathie en sympathie. In het laatstgenoemde ging het ten slotte over de antipathie; dit artikel volgt Steiners opmerkingen over de sympathie.

Het voelen, de ziel, staat tussen denken, voorstellen en willen, handelen in. Vormt in zekere zin het midden:
over wat we voelen kunnen we gaan nadenken en komen daarmee in de sfeer van het voorstellen; vanuit onze belevingen kunnen we ook gaan doen, gaan handelen en komen daarmee in de sfeer van het willen.

Dus: het voelen tussen voorstelling en wil.

Nun haben Sie in einer gewissen Weise das menschliche Seelenleben in zwei Gebiete zerteilt: in das bildhafte Vorstellen und in den keimhaften Willen; und zwischen Bild und Keim liegt eine Grenze. Diese Grenze ist das ganze Ausleben des physischen Menschen selbst, der das Vorgeburtliche zurück- wirft, dadurch die Bilder der Vorstellung erzeugt, und der den Willen nicht sieh ausleben läßt und dadurch ihn fortwährend als Keim erhält, bloß Keim sein läßt. Durch welche Kräfte, so müssen wir fragen, geschieht denn das eigentlich?

Daarmee is het zielenleven van de mens in zekere zin in twee gebieden verdeeld: in het voorstellen — als beeld — en het willen – als kiem – en tussen beeld en kiem ligt een grens. Deze grens is de gehele werkzaamheid van de fysieke mens zelf, de mens die enerzijds het leven voor de geboorte terugkaatst en daar­door de beelden van de voorstelling doet ontstaan, en die an­derzijds de ontplooiing van de wil verhindert en deze daardoor voortdurend in de kiem houdt, alleen maar kiem laat zijn. We moeten ons nu afvragen door welke krachten dat eigenlijk ge­beurt.
GA 293/34
Vertaald/34

‘de gehele werkzaamheid van de fysieke mens’ – het Duits heeft hier ‘Ausleben’ het zelfstandig naamwoord dat bij het werkwoord ‘ausleben’ hoort en de betekenisstrekking daarvan is: tot ontplooiing brengen, reageren, maar ook: af-reageren, ongeremd reageren;
we zouden dat dus op moeten vatten als ‘hoe wij hier en nu: ‘gewoon’ leven; ons leven leven; ons dagelijkse leven hier op aarde.

De zielenkrachten die hij uit deze wereld meebrengt, zijn de krachten van antipathie en sympathie, die in de zielenwereld na de dood sterk overheersend aanwezig zijn: 

Dort herrscht unverhüllt Sympathie und Antipathie.

Daar heersen sympathie en antipathie in hun zuivere gedaante.
GA 293/37
Vertaald/37

Ze zitten in ons, die krachten en ze bepalen voor een deel ons zielenleven: steeds ontstaan er in ons antipathie en sympathie voor wat er uit de wereld naar ons toe komt. We wijzen dingen terug, we omarmen dingen, we gaan erop in.

De omschrijving van de ziel als een vermogen om de buitenwereld tot eigen wereld te maken en van onze binnenwereld uit weer iets in de wereld te zetten, wint met de omschrijving van de ziel als ‘gradaties van antipathie en sympathie’ nog meer aan zeggingskracht. 

Hier maakte ik een opmerking over ‘menskunde’ en ‘mensenkennis’. 
Voor ‘ziel’ of ‘gedrag’ blijkt ook hier dat menskunde op een bepaalde manier synoniem is aan mensenkennis.
In het dagelijks leven doen zich – uiteraard: zie Steiners opmerking hierboven over ‘de gehele werkzaamheid van de fysieke mens‘ – telkens situaties voor die ons iets zeggen over wat er in het gevoel leeft: van onszelf en bij de ander, hoewel dit laatste altijd omgeven blijft door een bepaald ‘niet weten wat er in hem omgaat.’

Wanneer je daar in het dagelijks leven op gaat letten, zul je veel meer gaan zien.

Je staat voor de klas en wil met de kinderen buiten op het plein iets gaan doen. Als je in je onervarenheid zegt: ‘Kinderen, we gaan naar buiten’, heb je de kans dat een grote groep al opstaat en bijna weg is. 
Dat is heel begrijpelijk: in de meeste kinderen sprankelt de levenskracht die sterk met beweging, dus met het willen, verbonden is. ‘Naar het plein’ is nog toekomst, maar die ‘wordt gewild’ en daarmee is de sympathie verbonden. Dat wordt weerspiegeld in het ‘graag’ en de kinderen zijn al weg.
Wanneer je dus eerst nog instructies had willen geven die de kinderen moeten onthouden, gaat het om ‘voorstellen’. Je laat de instructies door een aantal kinderen herhalen en hier zie je het ‘reflecteren’. Je kan ook aan de kinderen merken dat ze dat allemaal niet zo interessant vinden – soms voel je zelfs de weerstand – en daarmee kun je de antipathie ervaren. Zo ervaar je dus ook de sympathie voor het naar buiten gaan.

Wanneer je bijv. als volwassenen onder elkaar iets bespreekt en de ander reageert op je voorstel met; ‘Jaa, laten we dat gaan doen!’, weet je dat hier de sympathie overheerst en het woord ‘doen’ wijst al op ‘de wil’. Het ‘we’ onderstreept een bepaalde eenheid, verbondenheid.
Zegt de ander: ‘Daar zal ik over denken’ of ‘dat neem ik (nemen we mee)’, weet je dat hier de antipathie overheerst: er moet eerst over nagedacht worden – opnieuw gereflecteerd: niet de ledematen komen in actie, maar het hoofd. De ‘meenemer’ gaat als individu; jij blijft als individu achter.

Zo zit het leven vol met situaties waarin zichtbaar wordt ‘hoeveel’ antipathie of sympathie aanwezig is.

Tot zover is het niet zo ingewikkeld.
Moeilijker wordt het weer wanneer Steiner in zijn beschrijving van de sympathie voorbij de grens van het leven gaat: nu na de dood. 

Wir müssen uns klar sein, daß im Menschen gewisse Kräfte vorhanden sein müssen, durch welche die Zurückwerfung der vorgeburtlichen Realität und das Im-Keime-Behalten der nachtodlichen Realität bewirkt wird; und hier kommen wir auf die wichtigsten psychologischen Begriffe von den Tatsachen, die Spiegelung desjenigen sind, was Sie aus dem Buche «Theosophie> schon kennen: Spiegelungen von Antipathie und Sympathie. Wir werden – und jetzt knüpfen wir an das im ersten Vortrage Gesagte an -, weil wir nicht mehr in der geistigen Welt bleiben können, herunterversetzt in die physische Welt. Wir entwickeln, indem wir in diese herunterversetzt werden, gegen alles, was geistig ist, Antipathie, so daß wir die geistige vorgeburtliche Realität zurückstrahlen in einer uns unbewußten Antipathie. Wir tragen die Kraft der Antipathie in uns und verwandeln durch sie das vorgeburtliche Element in ein bloßes Vorstellungsbild. Und mit demjenigen, was als Willensrealität nach dem Tode hinausstrahlt zu unserem Dasein, verbinden wir uns in Sympathie. Dieser zwei, der Sympathie und der Antipathie, werden wir uns nicht unmittelbar bewußt, aber sie leben in uns unbewußt und sie bedeuten unser Fühlen, das fortwährend aus einem Rhythmus, aus einem Wechselspiel zwischen Sympathie und Antipathie sich zusammensetzt.
Wir entwickeln in uns die Gefühlswelt, die ein fortwährendes Wechselspiel – Systole, Diastole – zwischen Sympathie und Antipathie ist. Dieses Wechselspiel ist fortwährend in uns. Die Antipathie, die nach der einen Seite geht, verwandelt fortwährend unser Seelenleben in ein vorstellendes; die Sympathie, die nach der anderen Seite geht, verwandelt uns das Seelenleben in las, was wir als unseren Tatwillen kennen, in das Keimhafthalen dessen, was nach dem Tode geistige Realität ist. Hier komnen Sie zum realen Verstehen des geistig-seelischen Lebens: wir schaffen den Keim des seelischen Lebens als einen Rhythmus von Sympathie und Antipathie.

Het moet ons duidelijk zijn, dat er in de mens bepaalde krachten moeten bestaan die bewerkstelligen dat de realiteit van voor de geboorte teruggekaatst wordt en de realiteit van na de dood in de kiem bewaard blijft. En hier komen we bij de belangrijkste psychologische begrippen van de feiten, die een spiegeling zijn van dat wat u uit Theosofie[4] al kent: spiegelingen van antipathie en sympathie. We worden – en hiermee sluiten we aan bij de eerste voordracht – geboren in de fysieke wereld, omdat we niet meer in de geestelijke wereld kunnen blijven. Wanneer we in de fysieke wereld komen, ontwikkelen we tegen alles wat geestelijk is antipathie, zodat we de geestelijke realiteit van voor de geboorte weerkaatsen met een ons onbewuste anti­pathie. We dragen de antipathiekracht in ons en veranderen daardoor het element van voor de geboorte tot een louter voorstellingsbeeld. En door sympathie verbinden we ons met wat als realiteit van de wil na de dood uitstraalt naar ons verdere bestaan. Van deze twee dingen, sympathie en antipathie, wor­den we ons niet direct bewust, maar ze leven onbewust in ons als ons voelen; ons voelen bestaat uit een ritme, een voortdu­rende wisselwerking van sympathie en antipathie.
GA 293/34-35
Vertaald/34

 

Jetzt nehmen wir die andere Seite, die des Wollens, was Keimhaftes, Nachtodliches in uns ist. Das Wollen lebt in uns, weil wir mit ihm Sympathie haben, weil wir mit diesem Keim, der nach dem Tode sich erst entwickelt, Sympathie haben. Ebenso wie das Vorstellen auf Antipathie beruht, so beruht das Wollen auf Sympathie.

Nu nemen we de andere kant, die van het willen – wat kiem in ons is, wat het leven na de dood in ons is. Het willen leeft in ons omdat wij er sympathie voor koesteren, sympathie voor die kiem die zich pas na de dood ontwikkelt. Berustte het voorstel­len op antipathie, het willen berust op sympathie.
GA 293/37
Vertaald/37

Damit habe ich Ihnen das Seelische geschildert. Sie können unmöglich das Menschenwesen erfassen, wenn Sie nicht den Unterschied ergreifen zwischen dem sympathischen und antipethischen Element im Menschen. Diese, das sympathische und das antipathische Element, kommen zum Ausdruck an sich – wie ich es geschildert habe – in der Seelenwelt nach dem Tode. Dort herrscht unverhüllt Sympathie und Antipathie.

Daarmee heb ik u de ziel beschreven. U kunt onmogelijk het wezen van de mens doorgronden, wanneer u niet het verschil inziet tussen de elementen sympathie en antipathie in de mens. Deze twee, sympathie en antipathie, komen in hun zuivere vorm — zoals ik beschreven heb — tot uitdrukking in de ziele- wereld na de dood. Daar heersen sympathie en antipathie in hun zuivere gedaante.
GA 293/38
Vertaald/37

In de tweede voordrachtenreeks. GA 294, roept Steiner op dezelfde dag de aanwezigen – dat zijn de toekomstige eerste leerkrachten – op om niet te ‘klein’ te denken over de mens; misschien zou je kunnen zeggen: niet te bekrompen, niet te beperkt, niet te begrensd. En dit laatste niet alleen in overdrachtelijke zijn, maar letterlijk: niet tussen de grenzen van leven en sterven, maar daarbuiten: het voorgeboortelijke en het nadodelijke!

Kommen Sie über die Illusion hinweg, daß Sie ein begrenzter Mensch sind, fassen Sie das auf, was Sie sind, als Prozeß, als Vorgang im Kosmos, was es in Wirk­lichkeit ist ( )

Bevrijdt u zich zelf van de illusie dat u een beperkt mens bent, zie u zelf als wat u bent: een proces, een proces in de kosmos, dát bent u in werkelijkheid. ( )
GA 294/32
Vertaald/30     zie Rudolf Steiner: wegwijzers4; 6; 8; 9; 35; 100; 108

Steiner verbindt dit inzicht hier ook met ‘wel of geen ontwikkeling in de cultuur’, zelfs met ‘de ondergang van de cultuur’, omdat zonder dit inzicht de mens gereduceerd wordt tot een ‘mechanisme’.

Is dat l’homme machine’ – tot ‘een hoger dier (hoe vaak horen of lezen we tegenwoordig niet over ‘de mens en de andere dieren’), tot ‘een brein’ en welke omschrijving dan ook die kan ontstaan omdat de mens niet gezien wordt als een geestelijk wezen – als een Ik, een individualiteit die ‘per definitie’ tot de geestwereld moet behoren. Ontkennen of milder, voorbijgaan aan de realiteit van de geest, betekent dan automatisch het Ik als geestelijke realiteit (moeten) ontkennen.

Der Mensch ist so organisiert, daß er mit richtig orientiertem Gefühl sich selber Richt­kräfte gibt aus diesen Gefühlen. Wenn Sie dies nicht gewinnen, was jeden Menschen als ein kosmisches Rätsel ansehen läßt, so werden Sie dann nur das Gefühl sich erringen können, daß Sie jeden Menschen als einen Mechanismus ansehen, und in der Ausbildung dieses Gefühls, daß der Mensch nur ein Mechanismus sein, würde eben der Untergang der Erdenkultur liegen. Der Aufgang der Erdenkultur dagegen kann nur gesucht werden in der Durchdringung unseres Erziehungsimpulses mit der Empfindung von der kosmischen Bedeutung des ganzen Men­schen. Dieses kosmische Gefühl ergibt sich uns aber, wie Sie sehen, nur dadurch, daß wir einmal dasjenige, was im menschlichen Fühlen liegt, als der Zeit angehörig betrachten, die zwischen Geburt und Tod ein­geschlossen ist; was im menschlichen Vorstellen liegt, weist uns hinaus nach der einen Seite auf das Vorgeburtliche, und was im menschlichen Willen liegt, weist uns nach der andern Seite auf das Nachtodliche, auf das keimhaft Zukünftige. Indem wir den dreifachen Menschen vor uns haben, haben wir schon vor uns zuerst das Vorgeburtliche, dann das, was zwischen Geburt und Tod liegt, und drittens das Nachtodliche, nur daß das Vorgeburtliche bildhaft in unser Dasein hereinragt, wäh­rend das Nachtodliche keimhaft schon in uns vorhanden ist vor dem Tode.

De mens zit zo in elkaar dat hij zichzelf richtkrachten geeft door zijn gevoel, als dit gevoel juist georiënteerd is. Leert u niet ieder mens te zien als een kosmisch raadsel, dan zult u enkel en alleen tot het gevoel kunnen komen dat ieder mens een mechanisme is. En de ontplooiing van dit gevoel, dat de mens slechts een mechanisme is, zou de onder­gang van de aardse cultuur betekenen. Alleen wanneer onze opvoedingsimpulsen doordrongen zijn van het gevoel van de kosmi­sche betekenis van de hele mens, kan de cultuur op aarde weer in een opwaartse beweging komen. Dit kosmische gevoel ontstaat, zoals u ziet, alleen doordat we om te beginnen het voelen van de mens verbinden met de tijd tussen geboorte en dood; het voorstel­len van de mens wijst ons op wat daaraan voorafgaat, op het voor­geboortelijke, en het willen van de mens wijst ons aan de andere kant op het ‘nadodelijke’, op de kiemen van de toekomst. In de drieledige mens staat inderdaad voor ons: ten eerste het voorge­boortelijke, ten tweede wat er tussen geboorte en dood ligt en ten derde het nadodelijke, waarbij het voorgeboortelijke alleen als beeld in ons leven doorwerkt, terwijl het nadodelijke al als kiem in ons aanwezig is vóór de dood.
GA 294/33
Vertaald/44

Al die krachten in, van de ziel samengevat in antipathie en sympathie geeft, zoals gezegd, de mogelijkheid tot mensenkennis. Het zal daarom niet verbazen dat we in alles waarvoor we sympathie voelen ‘welwillend’ meegaan; dat we er warmte voor kunnen voelen, liefde dus ook. Dat hoort allemaal bij de wil! 

Als wij bij de kinderen die ons toevertrouwd zijn de wil willen verzorgen, ontwikkelen, ligt het voor de hand dat dat alleen kan in of met sympathie, begeleid met gevoelens van (diepe) sympathie:

Man bedenke nur, wie Sym­pathie, so richtig im irdischen Sinne entwickelt, alles Wollen durch­setzt; also das, was als Zukunftskeim, als nachtodlicher Keim durch den Willen in uns liegt, wird von Liebe, von Sympathie durchsetzt. Dadurch wird gleichsam – aber nicht eigentlich gleichsam, sondern wirklich – alles, was mit dem Wollen zusammenhängt, damit es in der rechten Weise gehemmt oder gepflegt werden kann, auch in der Erzie­hung mit ganz besonderer Liebe verfolgt werden müssen. Wir werden der Sympathie, die schon im Menschen ist, zu Hilfe kommen müssen, indem wir uns an sein Wollen wenden. Was wird denn daher der eigentliche Impuls für die Willenserziehung sein müssen? Es kann kein anderer sein, als daß wir selber Sympathie mit dem Zögling entwickeln. Je bessere Sympathien wir mit ihm entwickeln, desto bessere Methoden werden wir in der Erziehung haben.

Bedenkt u alleen maar dat sympathie, zoals we die hier op aarde ontplooien, al het willen doordringt. Dat wat als toekomstkiem, als ‘nadodelijke’ kiem in onze wil leeft, is dus vervuld van liefde, in sympathie. Daardoor zal als het ware – nee, niet als het ware, – maar werkelijk – alles wat met de wil samenhangt ook in de opvoeding met bijzondere liefde behandeld moeten worden, zodat het op de juiste wijze geremd of gestimuleerd kan worden. We zullen de sympathie die al in een mens leeft te hulp moeten komen door is tot zijn wil te richten. Wat zal daarom de eigenlijke impuls van de wilsopvoeding moeten zijn? Niets anders dan dat wijzelf sympathie voor het kind ontwikkelen.0 Hoe beter de sympathieën die wij voor het kind ontwikkelen, des te beter zullen de methodes zijn die we in de opvoeding hebben.
GA 294/33-34
Vertaald/44-45

Ook dat komt terug in uitspraken uit andere voordrachten:

Aber sie (die anthroposophische Weltanschauung) ist sich klar darüber, daß Seele nur von Seele mit Wärme erfüllt werden kann. Deshalb meint sie, daß vor allem die Pädagogik selbst und dadurch die ganze pädagogische Tätigkeit der Erziehenden beseelt wer­den müsse.

De antroposofische wereldbeschouwing zegt duidelijk dat een ziel alleen maar met warmte vervuld kan worden door een andere ziel. Daarom is zij van mening dat boven alles alle pedagogische activiteit van de opvoeder met bezieling verricht zou moeten worden.
GA 304/217
Op deze blog vertaald/217

Denn dasjenige, was am meisten in der Erziehung in Betracht kommt, sind die Gefühle über das Wesen des Menschen, mit denen wir neben dem Menschen stehen.

Want het belang­rijkste bij de opvoeding zijn de gevoelens over het wezen van de mens, de gevoelens waarmee we naast die mens staan.
GA 303/125
Vertaald/136

0 sympathie voor het kind ontwikkelen: Steiners woordkeus in deze en de volgende zin is ‘Sympathie(n) entwicklen mit’ in plaats van ‘zu’. Daarin klinkt de oorspronkelijke betekenis van ‘sympathie’ – meevoelen – sterker mee

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] GA 9 Theosophie
Vertaald
Voetnoot in de vertaling: 
Rudolf Steiner, Theosofie. Essentie van het mens-zijn. Dit boek, dat tot
de basiswerken van de antroposofie behoort, beschrijft op systematische
wijze het wezen van de mens, reïncarnatie en karma, het leven na de
dood en de weg tot inwijding. Onder het kopje ‘De zielenwereld’ schetst
Steiner hoe in de zielenwereld de verschillende ‘zielsvormen’ elkaar aantrekken of afstoten; deze wereld wordt beheerst door de twee fundamentele krachten sympathie en antipathie

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1589-1488

.

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-12)

.

De onmacht van kalender en klok

Bewustzijn voor ritme en regelmaat

Een kort krantenbericht uit de afgelopen vrieswinter*: op Ameland maakt men normaal zijn afspraken in samenhang met de aankomst en afvaart van de boot: ‘we zien elkaar morgen bij de vroege boot’. Toen de boot bij de ijsgang niet meer varen kon, ontstond er een ander tijdsbewustzijn: we zien elkaar morgen om kwart over tien. Hier een abstracte aanduiding met behulp van het horloge, daar een aansluiting aan een concrete waarneming, die in het gewoonteleven verankerd lag.

Deze twee manieren om de tijd te ervaren doordringen ons hele leven. Op de voorgrond treedt de meetbare tijd. Het werk in werkplaatsen en fabrieken wordt ernaar ingedeeld, de lonen zijn uurlonen. Voor de vrije beroepen en de hogere functies in het bedrijfsleven gelden andere maatstaven: de kwaliteit van het werk, de ervaring en bijzondere capaciteiten worden uitgedrukt in het honorarium, maar de uiteindelijke waardering blijft kwantitatief. De status van velen wordt door de hoogte van het inkomen bepaald. [1]

Kwantiteit beheerst voor een groot deel ons uiterlijke leven. Toch kennen wij allen de uren, die we nooit vergeten omdat er iets wezenlijks voor ons leven gebeurde. Die uren worden niet gewaardeerd naar hun lengte, hun kwantiteit, maar naar hun kwaliteit. Ritmische herdenking van deze uren en dagen (bijvoorbeeld geboorte, huwelijk, enzovoort) vormt een wezenlijk bestanddeel van ons zielenleven. De oorspronkelijke gebeurtenis wordt telkens herhaald met alle gevoelens die er bij horen. Tot ze hun kracht beginnen te verliezen en tot routine worden. Routine werkt leven-slopend; ritme werkt leven-bevorderend.

Ritme is geen regelmaat. De klok kent regelmaat, het hart kent ritme. Het hart is nooit regelmatig. Door bepaalde gevoelens, door veranderende fysieke omstandigheden (maaltijden, slaap), gaat het sneller of langzamer kloppen. Maar het staat altijd in een zekere verhouding tot de ademhaling, namelijk één in- en uitademing op vier hartkloppen.

Dit fundamentele ritme van ons lichaam heeft merkwaardige samenhangen met een kosmisch ritme: 18 ademhalingen per minuut (uitgaande van 72 polsslagen) worden 1080 per uur, dat is 25920 per etmaal.

Het voorjaarspunt (het punt op de dierenriem waar de zon opkomt als dag en nacht in het voorjaar even lang zijn), verplaatst zich elk jaar een heel klein beetje, elk jaar 50 sec van de gradenboog. Dat wordt in 2160 jaar 10800 sec = 1800 min = 30°, dat is één teken van de dierenriem. 12 x 2160 jaar heeft het voorjaarspunt nodig om op dezelfde plaats weer terug te komen, dat is 25920 jaar. Dit zijn evenveel jaren als het aantal ademhalingen van de mens per etmaal. Dan heeft ons zonnestelsel één werelddag doorgemaakt.
Voor wie zich van deze samenhangen rekenschap geeft, wordt het duidelijk hoe sterk de mens in zijn ritmen met zon en aarde verbonden is. Ritmisch beleven van de tijd betekent dus verbinding met de wereld waaruit wij stammen. Deze verbinding wordt ons normaal niet bewust. Ze bestaat in de levensprocessen. Het bewust maken ervan kan het gevoel van verbinding met de wereld om ons heen versterken.

Er zijn andere ritmen, die meer in het bewustzijn liggen. Ze hangen eveneens samen met de verhoudingen in ons zonnestelsel en betreffen achtereenvolgens de tijdsritmen van dag, week, maand en jaar. Wat is het kenmerk van deze ritmen?

Allereerst leven we van dag tot dag zo, dat we van slapen gaan tot slapen gaan leven of van wakker worden tot wakker worden. Dat is een bewustzijnswisseling, verwant met in- en uitademen. We worden wakker en ademen met onze zintuigen de wereld om ons heen in, we gaan slapen en ademen uit. Aan het waken en slapen worden we ik-bewust. Wie niet goed slaapt en niet goed wakker is, verliest snel zijn ik-bewustzijn. Men denke hierbij aan het niet laten slapen van politieke gevangenen bijvoorbeeld.

Week-ritme

Een tweede ritme is dat van de week. Dit lijkt op zichzelf in ons organisme geen grondslag te hebben. het is meer psychisch. Er zijn in ons lichamelijk organisme wel grondslagen voor aanwezig, maar die liggen niet zo aan de oppervlakte als het ritme van de dag.
Men kan hier bijvoorbeeld denken aan de zeven jaren, waarin zich telkens een nieuwe levensfase, ook lichamelijk, openbaart. De namen van de weekdagen verwijzen ons naar de planeten. Maar dat zegt voorlopig niet meer dan dat men er vroeger een samenhang met de planetengoden in zocht.

Kan men een weg vinden om nu weer een verhouding tot dit getal zeven te krijgen? Hier ligt een van de belangrijkste vragen omdat telkens weer voorgestelde kalenderhervorming ook inhoudt dat het ritme van de week doorbroken wordt. Het historische gezichtspunt, dat hier terecht geldt, komt in een volgend artikel ter sprake. Hier kan voorlopig een volgende proefneming worden aangeduid om tot een begrip voor dit psychische ritme te komen.

Wie bijvoorbeeld een artikel moet schrijven of een lezing houden, kan drie dagen besteden aan het verzamelen van materiaal en daarna drie dagen aan de manier waarop men dit materiaal verwerken zal om dan op de zevende dag het artikel te schrijven of de lezing te houden. Juist omdat dit ideaal vaak niet te verwerkelijken is, kan men de resultaten vergelijken wanneer het werk wel of niet zo voorbereid is. Dit ritme geldt voor alles waarin wij productief moeten zijn. Een week als voorbereiding! De oer-productiviteit, de schepping van de wereld wordt beschreven in zeven dagen. Zou dat een waardeloze mythe zijn?

Laten we dit getal zeven nog eens bezien van de kant van de namen der planeten. We zagen reeds bij dag en nacht, bij in- en uitademing, dat ritme ook berust op polariteit, activiteit en passiviteit. Het oerbeeld hiervan vond Goethe in de plant. De plant heeft als oervorm het blad. Ritmisch afwisselend trekt zich dit samen of breidt het zich uit (zaad – kiemblad – stengel – blad – knop – bloem -vruchtbeginsel – vrucht). Als we nu de planetennamen in de week bezien, verschijnen de snellopende planeten (maan, mercurius, venus) afwisselend met de langzaamlopende (mars-jupiter-saturnus). De zon staat dan in het midden. Opnieuw een ritme in polariteit. De week verloopt ritmisch met de zon als rustpunt, de zondag als rustdag.

Eén enkel punt moet hier nog worden genoemd. Een zevenhoek is de eerste meerhoekige figuur, die niet exact-mathematisch te construeren is. Het getal 7 ontsnapt aan de ruimte en gaat zich in de tijd bewegen. Vandaar misschien dat het getal 7 in ons ruimtelijk organisme niet te vinden is?

Het derde ritme is dat van de maand, ten naaste bij dertig dagen. Het ritme van de maan is ruim 29 dagen. Hier klopt het dus niet precies. Het maanritme van ruim vier weken vinden we in eb en vloed weerspiegeld en in de vruchtbaarheidscyclus van de vrouw. Bovendien in het ontkiemen en groeien van de planten (zie de zaaikalender van Maria Thun). Het heeft dus kennelijk met onze levensprocessen te maken, nog iets minder bewust dan het zielenritme van de week. Levensritmen verlopen trager dan zielenprocessen, zoals zielenprocessen trager verlopen dan bewuste gedachtegangen en daden.

Tenslotte als vierde het ritme van het jaar. Dit richt zich naar de zon. We tellen onze jaren naar de ouderdom van ons fysieke lichaam. Telkens als de aarde één tocht rond de zon volbracht heeft is er één jaar verstreken. Op merkwaardige wijze hangt dit jaarritme weer samen met het getal 7. Na de eerste 7 jaar wisselen we onze tanden, na nog eens 7 jaar treden we in de puberteit en na nog eens 7 jaar is onze lichamelijke ontwikkeling voltooid. De verdere 7-tallen voltrekken zich meer merkbaar in de psychische sfeer maar toch ook meer verborgen in het lichamelijke.

Het jaar heeft ook zijn samenhang met het getal 4 van de maand in zijn vier jaargetijden. Zo heeft ook de dag vier perioden: nacht, morgen, middag en avond.

Samenhang

Ook dit is een kenmerk van levend ritme: de verschillende ritmen hangen met elkaar samen, maar ze gaan nergens in elkaar op. Het jaar is geen compleet aantal dagen (365, 2422), de maand is niet precies vier weken en ook geen geheel aantal dagen. Evenzo is de week geen geheel aantal dagen van 24 uur. Geen enkele dag is van zonsopgang tot zonsondergang even lang als de andere. Het lengen en korten van de dagen hebben we allemaal in ons bewustzijn, voorzover het langer of korter licht is. Maar het leeft minder in ons bewustzijn dat een dag duurt van zonsopgang tot zonsopgang en dat dat elke dag verandert, veel in voor- en najaar, weinig in winter en zomer. Daaruit volgt dat ook de week van zonsopgang op zondag tot zonsopgang op de volgende zondag van december tot juni steeds langer wordt en daarna steeds korter. De jaren zelf zijn alle even lang, maar de dagen, weken, maanden passen er niet in. Om het min of meer passend te houden hebben we schrikkeljaren nodig, die dan bij een eeuwwisseling weer uitvallen. Maar helemaal kloppen doet het nooit.

Dit is het kenmerk van ritme tegenover regelmaat: het eerste klopt nooit helemaal. Levensprocessen zijn bewegelijk.

Onze kalender weerspiegelt dat levende nog min of meer: de maanden zijn niet even lang, de paasdatum verschuift, op onregelmatige tijden zijn er feestdagen op een werkdag. Elke verstarring hiervan mag misschien voor industrie en zakenleven voordelen bieden, misschien is het ook gemakkelijker voor de statistiek, maar we worden er steeds verder door van het leven verwijderd.
.

J.Knijpenga, Jonas 15, *26-03-1976
.

[1] Merkwaardig is dat hier, waar een kwaliteitselement zich gaat uitdrukken in kwantiteit, door steeds meer mensen een onbillijkheid wordt beleefd. Waarom geven bepaalde kwaliteiten recht op een hogerre kwantiteit aan inkomen?

.

Ritme: alle artikelen

.

1588-1487

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (16-1)

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit. 
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.
.

De kostbare kant van angstige en onrustige kinderen

We kennen ze allemaal wel, de angstige vogeltjes, de overactieve branieschoppers, de verdrietige tobbertjes.

Het zijn kinderen die je vaak een gevoel van onmacht bezorgen omdat niet duidelijk is waar de angst, de koppigheid of de onrust vandaan komen. Opvoedingsdeskundige Henning Köhler leert je begrijpen wat er eigenlijk in je kind omgaat als het bang of boos is.
Een gesprek met een bevlogen kinderpsycholoog die uit eigen ervaring weet wat het is om een probleemkind te zijn.

Als kind voelde ik me een buitenstaander en het idee dat ik anders was dan ik eigenlijk had moeten zijn, heeft zich toen al heel diep in me genesteld.’

Henning Köhler vertelt met zijn diepe basstem hoe hij in aanraking kwam met drugs en van zijn veertiende tot zijn achttiende voortdurend op de rand van de afgrond leefde. Tot hij een jeugdpsycholoog ontmoette, een wat oudere man met sneeuwwit, lang haar.

‘Hij schreef aan mijn ouders dat ik bijna in het moeras zou wegzakken, maar er met goudkorrels uit te voorschijn zou komen als ze mij mezelf lieten zijn. Die zin ben ik mijn leven lang niet meer vergeten. Als in een flits begreep ik wat een vertrouwen deze man in me had. Op datzelfde ogenblik besloot ik dat ik later, als ik er doorheen zou komen, voor jonge mensen ook zo iemand wilde zijn.’

Henning Köhler werd inderdaad kinderpsycholoog, werkt momenteel in Stuttgart als opvoedingsdeskundige en schrijft boeken over de problemen bij pubers (verslaving en anorexia) en jonge kinderen die hij uit eigen ervaring zo goed kent. In zijn boek ‘Over angstige, verdrietige en onrustige kinderen’ geeft hij een ongewone visie op de ‘binnenkant’ van onrustig of nerveus gedrag bij kinderen. In liefdevolle, soms hartverscheurende beelden zet hij ze voor je neer: het angstige, schuwe, zich weerloos voelende kind dat zich eigenlijk altijd een beetje ziek voelt en voortdurend troost en aandacht vraagt; maar ook het onrustige kind dat zo ontevreden is met zichzelf dat het zich waardeloos gaat voelen – voortdurend bevestigt het in zijn gedrag al het negatieve dat er over hem wordt gedacht.

Köhler legt de keerzijde bloot van het lastige, vaak ook irriterende gedrag zonder in kant-en-klare oplossingen terecht te komen. ‘Want wat heb je eraan als ik zeg dat je lastige kind eigenlijk angstig is en ik je vervolgens vertel hoe je hem moet opvoeden? Zo’n preek nestelt zich in je hoofd, maar er verandert verder niets. Het werkt veel beter als je zelf op ideeën komt voor het omgaan met die problemen.’

Beelden vormen
Naast de bekommernis die Köhler in zijn boek toont voor het kind, valt het respect op dat hij voor ouders heeft. Hij geeft je het vertrouwen dat je als ouder de beste therapeut, dat wil zeggen de beste helpende begeleider bent voor je kind. Hij geeft je ook het materiaal in handen waarmee je kunt leren zien welke hulp jouw kind nodig heeft. Een ding stelt hij daarbij voorop, namelijk dat er een manier is om inzicht te krijgen in het gedrag van je kind die verder reikt dan het verstandelijk begrijpen.

Köhler: ‘Dat inzicht vormt zich als je je ’s avonds voor het inslapen van je kind een beeld van hem vormt. Als je je voorstelt dat je bij hem naar binnen kunt kijken, dan kan het gebeuren dat je een trillend klein vogeltje ziet, dat in paniek in zijn kooi rondfladdert.
En wanneer je regelmatig met zo’n beeld inslaapt, merk je dat je vragen begint stellen die nooit eerder bij je opkwamen. Je trekt daaruit, meestal eerst onbewust, conclusies voor je gedrag. Je gaat zachter tegen hem spreken, of je let erop dat hij niet in al te drukke situaties terechtkomt. Of misschien vind je dat hij andere voeding nodig heeft. Je boort als het ware een diep verborgen bron van wijsheid aan waar je ’s nachts directer toegang toe hebt.’

Kohler heeft een beeld voor het fenomeen dat je ’s nachts antwoord krijgt op vragen waar je overdag tevergeefs mee rondliep. Hij beschrijft het als een ontmoeting in de slaap met de engel van je kind. ‘Eigenlijk kent iedereen dat
verschijnsel wel. Dat is absoluut niet theoretisch en je kunt er onmiddellijk mee aan het werk in de omgang met je kind. Je ziet het alleen al aan de stortvloed van schrille geluiden en felle kleuren waaraan een baby direct na de geboorte bloot staat en die als vergif op hem inwerken. Zo’n teer wezen met zulke gevoelige zintuigen zou dat helemaal niet overleven als het niet werd beschermd door iets dat die indrukken terugwijst. Dat is volgens mij het werk van de engel. Op het moment dat je kind is geboren, neem je als ouder de opvoedingstaak op je, maar vanaf de andere zijde gaat de begeleiding ook verder.’

Drie basisvoorwaarden
Köhler noemt drie basisvoorwaarden voor het gezond opgroeien van kinderen: het bieden van begeleiding, troost en bescherming. En dan vooral bescherming van het ‘geheim’ dat een kind in zich draagt.

Köhler: ‘In de samenleving van nu overheerst de gedachte dat een kind ter wereld komt als een biologisch celklompje met een erfelijke uitrusting en zonder geestelijke kern. Maar er is ook een stroom die het eigene van ieder mens, zijn individualiteit, erkent. Zo bezien brengt iedereen een heel bepaalde impuls om iets te realiseren met zich mee. Dus ieder kind dat wordt geboren draagt zijn eigen levensthema, zijn zoekrichting en zijn vragen in zich. Dat is het geheim dat moet worden ontdekt. Essentieel voor de opvoeding is het inzicht dat dit geheim niet te voorschijn kan komen als een ander mens het niet waarneemt. In die zin hangt het aandachtig observeren van je kind nauw samen met het waarnemen van wat ik ook wel de “lotsmelodie” noem. De engel kun je beschouwen als de begeleider van die lotsmelodie.’

Volgens Köhler kun je de hulp van de engel, of, als je moeite hebt met dat begrip, van de innerlijke wijsheid die in ieder mens leeft, versterken door ervoor te zorgen dat je kind zich goed voelt in het lichaam waarmee hij de wereld waarneemt. Daarin speelt het zorgen voor goed ontwikkelde zintuigen een grote rol.

Zintuigen
Over zintuigen gaat een groot deel van Köhlers boek. Hij gaat daarbij niet uit van vijf maar van twaalf zintuigen. Ten eerste de zintuigen die met het lichamelijke beleven te maken hebben, ten tweede de zintuigen die de verbinding leggen met je gevoel en ten derde de zintuigen die samenhangen met het denken. Door een goede ontwikkeling van met name de lichaamszintuigen, dat wil zeggen de zintuigen waarmee je jezelf waarneemt, schep je de voorwaarde voor een gezonde basis waarmee je kind later de wereld in kan. Köhler schetst hoe bij elk van de problemen als angst, onrust en verdriet bij kinderen een van die lichaamszintuigen in het geding is. Zo heeft een onrustig kind extra zorg nodig voor de ‘levenszin’, het zintuig waarmee je je lichamelijk welbehagen waarneemt. De levenszin is een zintuig dat werkt vanaf het moment dat je baby geboren is, maar het moet dan nog wel worden gevormd. Dat doe je door lichamelijke verzorging, door lichaamscontact, voeding, warmte en vooral ritme.

Bij een goed ontwikkelde levenszin ontstaat bij het kind een onbewuste grondstemming dat het leven goed is. Een onrustig kind heeft veel extra zorg voor dit zintuig nodig.

Bij angstige, overgevoelige kinderen is het vooral de tastzin die aandacht nodig heeft. Het is het zintuig waarmee je de buitenwereld het meest direct waarneemt. De tastzin zit namelijk niet alleen in je vingertoppen maar in de hele huid die het lichaam omsluit. Innerlijk resoneer je mee met alles wat je huid voelt. Angstige kinderen hebben de behoefte om door zachte, behoedzame aanraking wat meer durf te leren krijgen om de verbinding met de wereld aan te gaan.

Het verdrietige kind heeft vaak eerder een bewegingsprobleem. Door lichamelijk beter te bewegen kan het leren ook innerlijk beweeglijker te worden. De ontplooiing van deze ‘bewegingszin’ hangt nauw samen met de ontwikkeling van de ‘evenwichtszin’, omdat je bij alle bewegingen die je maakt voortdurend ook bezig bent om je balans te zoeken.

Hoe beter al deze zintuigen zijn ontwikkeld, hoe beter een kind zich in zijn lichaam thuis zal voelen. ‘Maar,’ zo zegt Köhler, ‘als je kind om welke reden dan ook niet goed in zijn vel zit, is het natuurlijk niet zo dat je daar als ouders meteen schuldig aan zou zijn. Het is waar dat je zoveel mogelijk moet doen om je kind te helpen bij het realiseren van zijn levensmotief. Maar je mag het niet zomaar omdraaien en zeggen dat het de schuld van de ouders is als een kind problemen heeft. Je moet nooit vergeten dat een kind meer is dan alleen het product van de opvoeding. Als je er werkelijk naar verlangt je kind te begrijpen, heeft dat altijd een positieve werking. Alleen al het leerproces geeft je kracht, ook als het met fouten gepaard gaat.’

Waardering tonen
‘Ik ben er diep van overtuigd dat steeds meer kinderen in hun lotsmelodie iets meebrengen dat ons als ouders wakker moet schudden. Angst bijvoorbeeld is niet alleen maar negatief. Kinderen ontwikkelen er ook een grote gevoeligheid in de omgang met anderen door. Hun angst doet dus een appèl aan je om te zien dat er misschien weinig plaats is voor een bepaalde kwaliteit die ze meebrachten, maar dat deze desondanks kostbaar is.
Als we weigeren die kostbare kant te zien, neemt de angst toe. Gedragsproblemen hebben altijd een andere zijde. Probeer daarom niet om kinderen met afwijkend gedrag onmiddellijk te normaliseren. Het eerste wat je zou moeten zeggen is: zoals je bent, zo wil ik je leren kennen. En we zullen wel bekijken hoe we er samen het beste van kunnen maken.

Als je er werkelijk het beste van wilt maken, zul je rekening moeten houden met drie rechten die het kind heeft. In de eerste plaats het recht op begeleiding bij de ontwikkeling van zijn zintuigen. Ten tweede het recht op een harmonieuze lichamelijke ontwikkeling waarbij het zijn krachten op een zinvolle manier kan inzetten. Je zou het ook het recht op creativiteit kunnen noemen. Een kind heeft de behoefte zich uit te drukken in spel, beweging, boetseren, schilderen. Het derde recht is het recht op waardering, Dat treed je met voeten als je een kind  met een analytische blik bekijkt en alleen ziet wat er verkeerd aan hem is.’

Köhler realiseert zich dat er een gevaar verbonden is aan zijn oproep het kind waardering te tonen. Dat gevaar is dat je je kind gaat idealiseren en terechtkomt in illusies. ‘Als je je eigen wensen op je kind projecteert, zie je niet het kind maar datgene wat jij wilt dat het zal worden. Maar wat er uit ons kind wordt, gaat ons helemaal niet aan. Eigenlijk dienen wij alleen de voorwaarden te scheppen waarbinnen het zichzelf kan opvoeden. Dat lijkt een anti-autoritaire uitspraak maar is het niet. De voorstanders van de anti-autoritaire opvoeding hebben namelijk over het hoofd gezien dat een kind niet kan opgroeien zonder dat het aandachtig wordt gadegeslagen en beschermd. Want het is absoluut niet de bedoeling dat wij koffie gaan drinken terwijl de kinderen zichzelf opvoeden!’
.

Petra Weeda, Weleda Puur Kind nr.2, herfst 1998

Köhler:  Over angstige, verdrietige en onrustige kinderen

Petra Weedaboeken

Weledavoor de baby

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Zintuigen: alle artikelen

.

1587-1486

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 192 voordracht 5

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

Van 21 april t/m 28 september 1919 hield Rudolf Steiner in Stuttgart een aantal voordrachten die opgetekend zijn in GA 192 ‘Geesteswetenschappelijke behandeling van sociale en pedagogogische vraagstukken’ [1]

Op 11 en 18 mei en op 1 juni gaan de voordrachten over pedagogie: het zijn de zgn. ‘Drie voordrachten over volkspedagogie’.

De hele voordrachtenreeks gaat vooral over de idee van de sociale driegeleding.
Nu deze geen ingang vond in het cultuurleven van die tijd, was Steiners enige hoop dat er iets van gered zou kunnen worden door de oprichting van de vrijeschool. 
Na 100 jaar vrijeschool weten we dat ook dat niet gelukt is.

GA 192 voordracht 4, 11 mei 1919 [2]

blz. 105/107: De toekomstopgave van de lerarenopleiding:een directe verbinding met het leven zien te krijgen.
blz. 108: De invoering van de experimenteerpsychologie in de school als symptoom voor de de vervreemding van het leven in onze tijd.
blz. 109 e.v. De noodzakelijkheid van antropologische menskunde om drie dwangimpulsen te overwinnen: gemaskeerde dwang priester te worden; politieke dwang, economische dwang.
blz. 112 e.v. De noodzaak voor de pedagoog de grote ontwikkelingsimpulsen in de mensheidsgeschiedenis te kennen, bijv. de overgang van het natuurrecht in het historische recht; of het uitmonden van het modernere geestesleven in parasitisme.
blz. 115 e.v. De hulpeloosheid van huidige politici zoals Helfferich, Kapp und Bethmann Hollweg wat de eisen van onze tijd betreft.
blz. 119 e.v.: Een doel van de school: zo ver brengen dat van het leven geleerd kan worden.
blz. 120 e.v. In het Westen: economisch streven zonder broederlijkheid; in het Oosten broederlijkheid zonder economie; in Midden-Europa de mogelijkheid tot een samengaan van beide.
blz.123 e.v.: De noodzaak om weg te komen van het kleinschalige van vakspecialisatie
[blz. 125 e.v. wat de leerkracht moet weten en moet zijn]

blz. 104

Nicht in dem Sinne, den man gewöhnlich meint, wenn man von der Fortsetzung einer Betrachtung spricht, werde ich heute anknüpfen an dasjenige, was ich letzten Sonntag hier vorgebracht habe. Damals ver­suchte ich, soweit das in skizzenhafter Art möglich war, in vorläufiger formal pädagogischer Weise auseinanderzusetzen, wie die Gliederung eines vom Staats- und Wirtschaftsleben abgesonderten Geistes- und Unterrichtslebens zu denken sei; wie in anderer Weise als bisher dann, wenn solche Absonderung eintritt, die einzelnen sogenannten Lehrfächer verwendet werden müßten zur Ausgestaltung desjenigen, was sich den Unterrichtenden, den Erziehenden als eine Art anthropolo­gischer Pädagogik, besser gesagt als eine Art anthropologisch pädago­gischer Wirksamkeit ergeben müßte. Schon damals bemerkte ich, daß ein Wesentliches sein wird für die Zukunft die Lehrerausbildung und namentlich die Prüfung desjenigen, was ergeben soll, ob irgendeine Persönlichkeit zum Lehrer oder Erzieher taugt.
Ich will die unmittelbare Fortsetzung der formal pädagogischen Dinge einer späteren Betrachtung aufsparen. Ich will nun heute in einer ganz anderen Weise versuchen, Ihnen die Fortsetzung des Vori­gen zu geben.
Ich will versuchen, Ihnen anzudeuten, wie ich mir denken muß aus den Kräften der Zeitentwicklung heraus, daß heute gesprochen werden müßte etwa, sagen wir, auf Lehrerversamralungen oder bei ähnlichen Anlässen, die wirklich der Zeit dienen wollten. Es ist in unserer Gegenwart tatsächlich so, daß, wenn wir aus Wirrnis und Chaos herauskommen wollen, heute in vielen Dingen ganz anders ge­sprochen werden müßte, als man sich nach den Denkgewohnheiten, die überkommen sind, vorstellt.
Heute redet man ja auch auf Lehrerversammlungen, wie nahe-liegende Beispiele Ihnen beweisen könnten, in, ich möchte sagen, dem alten eingefahrenen Geleise fort, während eine wirklich freie Erzie­hung der Zukunft nur eingeleitet werden könnte, wenn die Erziehenden und Unterrichtenden gehoben würden zu jenem Niveau, auf dem man

Niet in de zin, die men gewoonlijk bedoelt, als men er van spreekt een beschouwing te zullen voortzetten, zal ik vandaag aanknopen aan alles, waarover ik de vorige zondag hier gesproken heb. Toen probeerde ik, voor zover dit in een schets mogelijk was op een voorshands formeel pedagogische manier uiteen te zetten hoe de vorming van een van de Staat en het economische leven zelfstandig gemaakt cultuur- en onderwijswezen te denken is; hoe op een andere manier dan voorheen, wanneer een dergelijk zelfstandig staan zou plaats vinden elk van de z.g. leervakken behandeld zou moeten worden, om dat tot zijn recht te laten komen wat het voor de opvoeder, de leerkracht mogelijk maakt om een menskundige pedagogie, om een antropologisch-pedagogische werkzaamheid te ontplooien.
Toen al merkte ik op dat het in de toekomst van wezenlijk belang zal zijn de leerkrachten een juiste opleiding te geven en vooral het z.g. examenwezen een zodanige vorm te geven, dat daaruit kan blijken of een of andere persoonlijkheid geschikt is als opvoeder en leraar.
Ik wil de onmiddellijke voortzetting van het formeel pedagogische voor een volgende keer bewaren. Vandaag wil ik op een heel andere manier proberen om onze vorige beschouwingen voort te zetten. Ik wil proberen u een paar aanduidingen te geven, hoe ik het mij moet denken, dat vanuit de krachten, die in de tegenwoordige ontwikkeling leven, gesproken moest worden, laat ons zeggen, op lerarenvergaderingen of bij dergelijke gelegenheden, waar men werkelijk in onze tijd van nut wil zijn. Het is in onze tijd in werkelijkheid zo, dat, willen we uit de verwarring en chaos komen, we tegenwoordig heel anders zouden moeten spreken dan men naar overgeleverde denkgewoonten zich voorstelt. Tegenwoordig spreekt men ook op vergaderingen van pedagogen, — wat gemakkelijk met enige voorbeelden zou zijn te bewijzen, — op de oude „beproefde” manier verder, terwijl toch een werkelijk vrije opvoeding in de toekomst slechts kan worden ingeleid als de opvoeder en leerkracht op dat niveau

blz. 105

einen Überblick bekommt über die wirklich großen Aufgaben unserer unmittelbaren Gegenwart, insofern sich diese großen Aufgaben dann in Konsequenzen ausbilden lassen gerade für das Erziehungs- und Unterrichtswesen. Gewiß, die Art, wie ich heute zu Ihnen sprechen werde, die wird nicht dasjenige sein, was ich als maßgeblich oder auch nur als irgendwie mustergültig hinstellen möchte. Ich möchte aber ge­wissermaßen die Region andeuten, in der heute zu Lehrenden zu spre­chen wäre, damit diese Lehrenden den Impuls bekommen, von sich aus in ein freies Unterrichtswesen einzugreifen. Gerade diese Lehren­den müßten zu den großen, umfassenden Aufgaben der Zeit herauf-gehoben werden; die Lehrenden müßten in erster Linie durchschauen, was für Kräfte sich eigentlich in den heutigen Weltgeschehnissen ver­bergen; welche Kräfte man kennen muß als vom Alten herkommend, die ausgemerzt werden müssen; welche Kräfte sich zeigen, die einer besonderen Pflege bedürfen aus den Untergründen unseres heutigen Daseins heraus. Eine gewisse, ich möchte sagen, im besten, idealsten Sinne kulturpolitische Betrachtung müßte heute gegeben werden, die grundlegend werden könnte für die Impulse gerade, die in die Lehren­den übergehen müßten. Es müßte zum Beispiel vor allen Dingen ein­gesehen werden, daß unsere Pädagogik auf allen Stufen des Unter­richtens und Unterweisens unendlich verarmt ist, und es müßte ein­gesehen werden, welches die Gründe dieser Verarmung sind. 

gebracht werd, waarop men een blik kan werpen op de werkelijk grote opgaven van onze tegenwoordigen tijd, in zoverre deze grote opgaven ons dan consequenties voor ons handelen geven op het gebied van onderwijs en opvoeding. Wat ik vandaag tot u zal zeggen, daarmee wil ik zeer zeker niet iets toonaangevends, niet iets onberispelijks en voorbeeldigs geven. Ik zou echter enigszins de sfeer willen karakteriseren, waarin heden ten dage tot leerkrachten en opvoeders gesproken zou moeten worden, willen deze leraren de impuls krijgen om van zich uit in een vrij onderwijswezen in te grijpen. Juist deze leerkrachten en opvoeders, moesten doordrongen worden van de grote en omvattende opgaven van deze tijd; zij zijn het in eerste instantie, die moesten doorzien, welke krachten eigenlijk achter de tegenwoordige gebeurtenissen schuilgaan: welke krachten men daarbij moet kennen als komend uit het niet meer levensvatbare verleden en die verdwijnen moeten; — en welke krachten anderzijds zich vertonen in de mensheid, die een bijzondere verzorging nodig hebben. Een zekere, ik zou willen zeggen een in de beste, ideaalste zin van het woord cultuur-politieke beschouwing moest tegenwoordig eigenlijk worden gegeven, een beschouwing, die de basis zou kunnen leggen voor de juiste impulsen, die opvoeders en leerkrachten zouden moeten doordringen. Bovenal zou bijv. moeten worden ingezien, dat onze pedagogie op alle trappen van het gebied van onderwijs en opvoeding, ontzettend is verarmd; en er zou moeten worden ingezien, wat de hoofdoorzaken tot deze verarming zijn.

Diese Pädagogik hat vor allen Dingen verloren den unmittelbaren Zu­sammenhang mit dem Leben. Der Pädagoge redet heute von allerlei methodischen Dingen, und er redet vor allen Dingen von der großen Wohltat, die dem Unterricht durch die staatliche Leitung zufließen soll. Er redet wahrscheinlich von diesen Wohltaten dann noch fort, ich möchte sagen, fast automatisch, wenn er in der Theorie auch irgend etwas schon begriffen haben sollte von der notwendigen Dreigliede­rung des sozialen Organismus. Es waren in keiner Zeit die, ich möchte sagen, selbstlaufenden Denkgewohnheiten so stark, als gerade in der unsrigen, und es zeigt sich dieses Selbstlaufende der Denkgewohn­heiten ganz besonders in der Ausbildung der pädagogischen Ideen. Diese pädagogischen Ideen, sie haben unter etwas gelitten, dem wir noch nicht entkommen konnten in der neueren Zeit, dem wir aber entkommen

Deze pedagogie heeft in de eerste plaats de onmiddellijke samenhang met het leven verloren. De pedagoog heeft het tegenwoordig over allerlei methodiek en hij praat vooral over de grote weldaad, die het onderwijs onder staatsleiding toestroomt. Hij spreekt waarschijnlijk van deze weldaden dan nog door — ik zou bijna zeggen automatisch door — wanneer hij in theorie al iets begrepen heeft van de noodzakelijke drieledige indeling van het sociale organisme. In geen tijd dan de onze waren deze — ik zou willen zeggen — automatische denkgewoonten zo sterk; en dit blijkt wel in het bijzonder bij de vorming van pedagogische ideeën. Deze pedagogische ideeën, zij hebben geleden onder iets, waaraan wij in de nieuwere tijd nog niet hebben kunnen ontkomen, waaraan wij echter moeten ontkomen.

blz. 106

müssen. Ja, es gibt eben heute Fragen, die einfach nicht so beantwortet werden können, daß man sagt: Es ist das eine oder andere nach den bisherigen Erfahrungen möglich. Da wird sofort aus den Herzen, aus den Seelen der Menschen das Zaudern aufsteigen. Heute gibt es unzählige Fragen, die so beantwortet werden müssen, daß man sich sagt: Muß denn nicht das eine oder andere geschehen, wenn wir aus Wirrnis und Chaos hinauskommen wollen? Und dann haben wir es mit Fragen des Wollens zu tun, in die uns nicht hineinzureden haben die oftmals ja berechtigt scheinenden Zauderfragen des Ver­standes in der sogenannten Erfahrung. Denn eine Erfahrung hat nur dann einen Wert, wenn sie vom Wollen in der entsprechenden Weise durchgearbeitet ist. Es gibt heute viel Erfahrung – wenig Erfahrung aber, die vom Wollen in der entsprechenden Weise durchgearbeitet ist. Es wird gerade auf pädagogischem Gebiet viel gesagt, gegen das, rein verstandeswissenschaftlich genommen, sich nicht einmal sehr viel einwenden läßt, das von seinem Gesichtspunkte aus angesehen ganz gescheit ist. Aber heute handelt es sich darum, einzusehen, worauf es eigentlich ankommt: vor allen Dingen einzusehen, wie unsere Päd­agogik lebensfremd geworden ist.

Ja, er zijn tegenwoordig vragen, die eenvoudig niet zo kunnen worden beantwoord, dat je zegt: het ene is mogelijk, .— maar ook het andere zoals we hebben ervaren. En dan beginnen de mensen meteen in hun wil te aarzelen. Tegenwoordig zijn er zoveel vragen, die zo moeten worden beantwoord, dat je zegt: moet het een of ander dan niet worden gedaan, moet er dan niet iets gebeuren, als we uit verwarring en chaos willen komen ? En daarbij hebben we dan met het vraagstuk van de wil te maken, waarbij het verstand en zijn z.g. ervaring niet altijd moet aankomen met zijn, dikwijls zeer gegrond schijnende aarzelingen. Want een ervaring heeft alleen dan waarde voor het leven, wanneer de wil daar op een juiste manier in heeft kunnen werken. Er is tegenwoordig veel ervaring. — maar weinig ervaring is die de mensen zich, doordrongen van heel hun wil, hebben opgedaan. Er wordt juist op pedagogisch gebied veel gezegd, waartegen, — zuiver met het verstand beoordeeld, — niet veel in te brengen is, dat vanuit een bepaald gezichtspunt beschouwd zeer wijs en verstandig kan zijn. Tegenwoordig gaat het er echter om in te zien waar in werkelijkheid alles op neerkomt; en daarvoor moet je bovenal inzien, hoe levensvreemd onze pedagogie is geworden.

Ich darf eine persönliche Bemerkung auch hier machen. In Berlin wurde vor vielleicht dreiundzwanzig Jahren ein Verein für Hoch­schul-Pädagogik gegründet. Vorsitzender dieses Vereins für Hoch­schul-Pädagogik war der Astronom Wilhelm Förster. Ich gehörte die­sem Verein für Hochschul-Pädagogik auch an. Wir hatten eine Serie von Vorträgen zu halten in diesem Verein. Die meisten dieser Vor­träge wurden so gehalten, daß man glaubte, man brauche nur zu er­kennen gewisse formale Dinge über die Behandiung der einzelnen Wissenschaften und die Zusammenstellung der einzelnen Wissen­schaften in Fakultäten oder ähnliches. Ich versuchte – aber wurde auch dazumal wenig verstanden – darauf aufmerksam zu machen, daß eine Hochschule nichts anderes sein dürfe als ein Ausschnitt aus dem all­gemeinen Leben; daß vor allen Dingen derjenige, der etwas reden will über Hochschul-Pädagogik, ausgehen müsse von der Frage: In welcher Lage des Lebens, weltgeschichtlich genommen, stehen wir gegen­wärtig auf all den verschiedensten Gebieten, und was haben wir an

Ik mag hier wellicht een persoonlijke opmerking maken: in Berlijn werd ongeveer 23 jaar geleden een vereniging voor hogeschool-pedagogie opgericht. Voorzitter van deze vereniging was de astronoom Wilhelm Förster*. Ik behoorde ook tot deze vereniging. Wij moesten in deze vereniging een serie voordrachten houden.
De meeste van deze voordrachten werden zo gehouden, dat je zou kunnen geloven, dat het enig nodige was, het in acht nemen van zekere formele dingen bij de didactische behandeling van de afzonderlijke wetenschappen en het samenvoegen van deze wetenschappen tot faculteiten of iets dergelijks. Ik probeerde duidelijk te maken, dat een hogeschool niets anders mocht zijn, dan een deel van het leven in het algemeen; dat bovenal degene, die iets over hogeschoolpedagogiek wil zeggen van de vraag moet uitgaan; in welke levensomstandigheden — wereldhistorisch opgevat — staan we tegenwoordig op de meest verschillende gebieden van het leven; en welke

*Wilhelm Förster, 1832-1921

blz. 107

Impulsen aus den verschiedensten Gebieten des Lebens heraus zu beobachten, um es hineinstraHen zu lassen in die Hochschule, damit wir eine Hochschule zu einem Ausschnitt aus dem allgemeinen Leben machen? Wenn man nicht im Abstrakten, sondern im Konkreten solche Dinge durchführt, da ergeben sich dann die mannigfaltigsten Gesichtspunkte für die Begrenzung, sagen wir der Zeit, die gewidmet werden soll dem einen oder andern sogenannten Fach; da ergeben sich auch die Arten, wie das eine oder andere Fach behandelt werden kann. In dem Augenblick, wo man bloß aus dem, womit heute die Pädago­gik vielfach arbeitet, solche Begrenzung vornehmen will, in dem Augenblick versagt alles; man gestaltet die betreffenden Unterrichts-anstalten zu nichts anderem als zu Abrichtungsanstalten für welt­fremde Leute.
Aber welches sind die ganz inneren Gründe, die tief inneren Gründe, daß das
alles so geworden ist? So wie die großartige Ent­wicklung des naturwissenschaftlich orientierten Denkens in der neueren Zeit heraufgekommen ist, so hat dieses naturwissenschaft­liche Denken, das ja auf der einen Seite in großartiger Weise dahin gelangt ist, den Menschen rein als Naturwesen zu begreifen, doch jede wirkliche Menschenerkenntnis im Grunde genommen abgeschnitten;

impulsen bespeuren wij in deze gebieden, om ze dan in de hogeschool te kunnen laten invloeien, opdat we van deze hogeschool een stuk mensheidsleven kunnen maken. Wanneer je niet in abstracties blijft zweven, maar zulke dingen concreet doorvoert, ontstaan de meest verschillende gezichtspunten om bijv. een tijdslimiet in te stellen waarbinnen aan een of ander vak tijd wordt besteed; en ontstaan er ook vormen hoe het een of andere vak behandeld kan worden. Zodra je alleen op de basis staat waarop de tegenwoordige pedagogiek te werk gaat en dit alles dan wil regelen, — op dat ogenblik blijven we met ons streven steken; en we brengen het in onze onderwijsinrichtingen tot niets anders dan tot een africhten van wereldvreemde mensen. Maar wat is de oorzaak, de diepe oorzaak dat dit alles zo is geworden ? Het natuurwetenschappelijk georiënteerde denken heeft het in de nieuwe tijd tot een grootse ontwikkeling gebracht. Dit denken, dat enerzijds op een grootse wijze ertoe gekomen is de mens puur als natuurwezen te begrijpen, heeft echter iedere werkelijke kennis van de mens in de grond van de zaak onmogelijk gemaakt;

jene Menschenerkenntnis, von der wir schon neulich gesprochen haben als von dem Allernotwendigsten gerade für den richtigen Päd­agogen; jene Menschenerkenntnis, welche den lebendigen Menschen in seinem ganzen Dasein, aber nicht wie es heute so vielfach bloß for­mal dargestellt wird, erkennt, sondern nach seiner inneren Wesenheit, namentlich nach seiner Entwickelungswesenheit. Es gibt ein Sym­ptom, das ich hier auch schon öfters erwähnt habe, für dieses unge­heuer Menschenfremde des modernen pädagogischen Wesens. Wenn man solche Dinge heute sagt, so wird man vielleicht geziehen werden können der Paradoxie. Aber sie müssen heute ausgesprochen werden, denn sie sind das Allernotwendigste. Aus dem Verlust wirklich leben­diger Menschenerkenntnis ist hervorgegangen jenes trostlose, öde Streben, das sich heute als ein Zweig der sogenannten Experimental­psychologie – gegen die ich als solche nichts habe – geltend macht. Die sogenannte Prüfung der Fähigen – ein wahres Schauerbild desjenigen,

die kennis, die we onlangs hebben besproken als het allernoodzakelijkste voor een werkelijke opvoeder; die kennis, die de levende mens in zijn hele levensloop, maar niet zoals tegenwoordig zo dikwijls, alleen op abstract formele manier, maar naar zijn werkelijke innerlijke wezen, en diens ontwikkeling door het leven kent. Er is iets symptomatisch dat ik hier ook al vaker heb genoemd bij het moderne onderwijswezen, dat het buitengewoon vreemd staat tegenover de mensAls je zulke dingen tegenwoordig zegt, kan je er niet aan ontkomen dat het lijkt of je in paradoxen praat. Maar je moet tegenwoordig deze dingen uitspreken, want dat is allernoodzakelijkst. Uit het verlies van een werkelijke levende menskunde is dat troostelooze dorre streven voortgekomen, dat tegenwoordig als een tak van de z.g. experimenteele psychologie, waar ik als zodanig niets tegen heb, zich doet gelden. Dit z.g. onderzoek naar de capaciteiten van de leerlingen: het is echt een karikatuur van wat

blz. 108

was auf pädagogischem Gebiet das wirklich Ersprießliche ist. Ich habe Ihnen vielleicht schon öfter charakterisiert, wie durch äußere experimentelle Veranstaltung das Gedächtnis, sogar der Verstand und anderes am Menschenobjekte geprüft werden sollen, damit man auf äußerlich registrativem Wege herausbekommt, ob jemand ein gutes oder schlechtes Gedächtnis, einen guten oder schlechten Verstand hat. In rein mechanischer Weise, indem man Sätze vorlegt und sie ergänzen läßt, oder indem man in irgendeiner anderen ähnlichen Weise ver­fährt, versucht man ein Bild zu bekommen, was ein werdender Mensch an Fähigkeiten in sich hat. Das ist ein Symptom dafür, daß man alle unmittelbare Beziehung von Mensch zu Mensch, die allein ersprieß­lich sein kann, im Kulturwirken verlernt hat. Es ist das Symptom für etwas Trostloses, welches sich hat entwickeln können, und welches heute als ein besonderer Fortschritt angestaunt wird, dieses Fähig­keitprüfen, das heraufgesprossen ist aus den sogenannten psycho­logischen Laboratorien der neueren Universitäten. Ehe man nicht ein­sieht, wie wir wiederum zurückkommen müssen zu einer unmittelbar aus dem Menschen heraus zu gewinnenden intuitiven Erkenntnis des Menschenwesens, namentlich des werdenden Menschenwesens, ehe wir nicht überwinden dieses trostlose Errichten einer Kluft auch auf diesem Gebiet zwischen Mensch und Mensch,

op pedagogisch gebied werkelijk vruchtbaar is. Ik heb u wellicht al vaker gekarakteriseerd hoe men door uiterlijke experimenten het geheugen, zelfs het verstand, o.a. bij het object mens kan onderzoeken, om op uiterlijk te registreren werkwijze te constateren of iemand een goed of slecht geheugen, een goed of slecht verstand heeft. Op zuiver mechanische wijze, door b.v. het fragment van een zin volledig te laten maken of op andere dergelijke manieren te werk te gaan, probeert men een beeld te krijgen van de vermogens van de wordende mens. Het is een symptoom voor het feit dat men de totale betrokkenheid van mens tot mens die zo vruchtbaar kan zijn voor het culturele leven, is kwijtgeraakt. Het is een symptoom voor iets wat zeer troosteloos is: dit testen van de vermogens, iets wat zich heeft kunnen ontwikkelen en wat tegenwoordig zelfs als een bijzondere vooruitgang bewonderd wordt. Voortgekomen is het uit de z.g. psychologische laboratoria van de nieuwere universiteiten. Niet voordat men inziet, hoe men weer moet komen tot een intuïtieve kennis van het mensenwezen, n.l. van het wezen van de wordende mens,

werden wir gar nicht verstehen können, worin es liegt, eine lebensvolle Pädagogik für ein freies Geistesleben zu schaffen. Ausgekehrt müßte werden aus unseren Unterrichtsanstalten all dasjenige, was am Menschen herumexperimentieren will, um irgend etwas Pädagogisches auszumachen. Als Grund­lage für eine vernünftige Psychologie ist mir die Experimental-Psycho­logie wert; so wie sie sich heute in die Pädagogik, sogar schon in die Gerichtszimmer hineingeschlichen hat, so ist sie das Verderben für dasjenige, was als Gesundes sich entwickeln muß: voll entwickelte Menschen, die nicht durch eine Kluft von den anderen voll entwickel­ten Menschen getrennt sind. Wir haben es dahin gebracht, daß wir alles Menschliche ausgeschlossen haben aus unserem Kulturstreben. Wir müssen es dahin bringen, dieses Menschliche wiederum einzu­schließen. Und wir müssen den Mut aufbringen, gegen manches, was allmählich angestaunt worden ist in der neueren Zeit als große Errungenschaft,

zullen we absoluut niet kunnen begrijpen wat er nodig is om een levensvolle pedagogie voor een vrij geestesleven te scheppen. Uit onze onderwijsinrichtingen moet alles worden geweerd wat met de mens wil experimenteren om ’t een of ander vast te stellen voor ons pedagogisch handelen. Als grondslag voor een rationele psychologie is de experimentele psychologie voor mij waardevol, — de manier echter waarop ze tegenwoordig in de pedagogie, waarop ze zelfs in de rechtszaal is binnengeslopen, is verderfelijk voor alles wat zich als een gezonde verhouding van mens tot mens moet ontwikkelen, als een verhouding van vol ontwikkelde mensen tot elkaar, die niet door een kloof van elkaar zijn gescheiden. Met ons is het zover gekomen dat we bij het ontwikkelen van de cultuur het menselijke hebben buitengesloten. We moeten er weer toe komen het menselijke erbij te betrekken. En wij moeten de moed opbrengen om tegen veel, wat in de tegenwoordige tijd als grote vooruitgang wordt bewonderd,

blz. 109

energisch Front zu machen; sonst kommen wir nie weiter. Daher sind oft diejenigen Menschen, die heute als Lehrer die Hochschulen verlassen, um dann Menschen zu bilden, mit den ver­kehrtesten Anschauungen über das Menschenwesen ausgestattet, weil sie ja wirkliche Anschauungen nicht bekommen, weil an die Stelle der wirklichen Anschauungen etwas so Veräußerlichtes getreten ist wie dieses experimentelle Feststellen der Fähigkeiten. Das müßte man als ein Verfallssymptom erkennen. Wir müssen in uns die Möglichkeit suchen, die Fähigkeiten eines Menschen zu beurteilen, weil er Mensch ist und man selber Mensch ist. Und einsehen müßte man, daß jede andere Methode deshalb von Unheil ist, weil sie gewissermaßen aus-löscht das Erfülltsein vom unmittelbaren lebendigen Begreifen des Menschlichen, das so notwendig ist, wenn wir in heilsamer Weise fortschreiten wollen. Diese Dinge werden heute noch gar nicht gesehen. Sie müssen vor allen Dingen gesehen werden, wenn wir weiterkommen wollen. Wie oft ist auch hier von diesen Dingen gesprochen worden. Man hat ja manchmal über diese Verkehrtheiten ein Lächeln gehabt. Daß diese Dinge aber gesprochen worden sind darum, daß sie wirklich ein Be­standteil des heutigen Geisteslebens werden, davon hatte man nicht immer eine Ahnung.

krachtig front te maken; anders komen we nooit verder. Daarom zijn zo dikwijls die mensen, die tegenwoordig als leraren de hogescholen verlaten, om andere mensen op te voeden en te onderwijzen, met de meest verkeerde begrippen over het mensenwezen toegerust, omdat ze geen werkelijke begrippen krijgen, omdat in de plaats van een levend aanschouwen van het mensenwezen, iets zo uiterlijks als dit experimentele vaststellen van vermogens is gekomen. Dit alles moet je zien als een symptoom van verval. Wij moeten in ons naar de mogelijkheid zoeken, naar de vermogens om een mens te beoordeelen, omdat hij mens is en wij zelf mens zijn. En je moet inzien, dat elke andere methode daarom rampzalig is, omdat ze in zekere zin dit vervuld zijn van het onmiddellijke, levende, menselijke uitdooft, dat wij zo nodig hebben om op een gezonde manier verder te komen. Deze dingen worden tegenwoordig nog in ’t geheel niet opgemerkt. Voor alles is het echter nodig, dat ze opgemerkt worden, als we verder willen komen. Hoe dikwijls hebben we hier niet over dit alles gesproken. Vaak glimlachte men om deze hier gekarakteriseerde misvattingen. Dat over deze dingen echter gesproken wordt, omdat ze werkelijk een bestanddeel van het huidige geestesleven zijn, dit vermoedde men niet altijd.

Aber es kommt heute nicht darauf an, daß man sich etwas anhört wie ein Feuilleton, es kommt heute darauf an, daß man unterscheiden lernt zwischen demjenigen, was bloß, ich möchte sagen, Aperçu und Betrachtung ist, und demjenigen, was Keime zur Tat in sich enthalten kann. Alles Streben der sogenannten Anthropo­sophie, die hier gepflegt wird, gipfelt ja zuletzt darin, aufzubauen die Idee vom Menschen, Menschenerkenntnis zu liefern. Die brauchen wir. Die brauchen wir, weil wir aus den Forderungen der Zeit heraus zu überwinden haben eine dreigliedrige Zwangslage. Es sind zurück­geblieben aus den alten Zeiten dreierlei Arten von Zwang. Erstens der urälteste Zwang, der sich nur in verschiedener Weise maskiert in der Gegenwart, als Priesterzwang. Man würde weiter kommen in der Betrachtung der Zeitlage, wenn man die Maskierung erkennen würde in den ja heute mit Bezug auf äußere Tatsächlichkeiten untergegange­nen, in bezug auf menschliches Denken leider noch fortlebenden

Maar het gaat er nu niet om, dat je naar een feuilleton zit te luisteren, — het gaat er nu om, dat je onderscheid leert maken tussen wat enkel, — ik zou willen zeggen, — als opmerking of beschouwing een bedoeling heeft en wat kiemen tot de daad in zich draagt. Alles wat de z.g. antroposofie die hier verzorgd wordt, nastreeft, spitst zich uiteindelijk toe op het opbouwen van de idee mens, menskunde te geven. Die hebben wij nodig. We hebben die nodig, omdat de tijd eist, dat we ons moeten bevrijden uit een drievoudige keurslijf. Drie soorten dwang zijn uit oude tijden in de onze overgebleven. Ten eerste de overoude dwang, op verschillende manieren zich in de tegenwoordigen tijd maskerend, de priesterdwang. Men zou verder komen met de beschouwing van de toestand van deze tijd, wanneer men deze maskeringen zou doorzien, waarin oude impulsen en ideeën over het staatsleven uit Europa, Amerika en ook Azië — met betrekking tot de werkelijke feiten van de ontwikkeling weliswaar zijn ondergegaan, — in de menselijke denkgewoonten leven ze helaas nog verder,

blz. 110

staatlichen Ideen und Impulsen von Europa und Amerika und auch Asien, die moderne Maskierung alten Priesterzwanges.
Als zweiten Zwang haben wir, etwas später ausgebildet in der ge­schichtlichen Entwickelung der Menschheit, heute auch schon unter den verschiedenen Maskierungen auftretend, den politischen Zwang.
Und als drittes haben wir als verhältnismäßig am spätesten hinzu­gekommenen Zwang den wirtschaftlichen Zwang.
Aus diesen drei Zwangsimpulsen muß die Menschheit sich herausarbeiten; das ist ihre unmittelbare Gegenwartsaufgabe. Sie kann nur herauskommen, wenn sie vor allen Dingen klar sieht, wo die Residuen, wo die Reste sind von dem, was in verschiedener Maskierung heute unter uns lebt, die Masken dieser drei Zwangsimpulse der Menschheit.
Vor allen Dingen muß heute der Blick des Pädagogen hinaufgeho­ben werden bis zu jenem Niveau, wo solche Dinge besprochen werden können, wo man mit den Lichtern, die man bekommt durch solche Dinge, auf die zeitgenössische Entwickelung leuchten kann, wo man überall sehen kann, wie das eine oder andere Zwangsverhältnis in der einen oder anderen zeitgenössischen Tatsache steckt. Nur dann wird man den Mut aufbringen, sich heute zu sagen:

 als de oude priesterdwang, op moderne wijze zich maskerend.
Als tweede dwang hebben we de iets later in de geschiedenis der mensheid ontstane, politieke dwang, die zich tegenwoordig ook al met de meest verschillende maskers op vertoont. En als derde dwang hebben we de in verhouding het laatst optredend: de economische dwang.
Aan deze drie dwangtoestanden moet de mens zich ontworstelen, dat is de onmiddellijke opgave van de tegenwoordige tijd. Hij kan er zich slechts aan ontworstelen, wanneer hij bovenal helder de gestalten doorziet, waarin al deze maskeringen onder ons leven, deze maskeringen’van de drie dwangimpulsen der mensheid. Vóór alles moet tegenwoordig de blik van de opvoeder zich tot dat niveau verheffen, waarop zulke dingen kunnen worden besproken, waar men begrip over deze dingen kan krijgen en waardoor men de tegenwoordige ontwikkeling kan belichten, kan doorzien, waar de een of de andere dwangverhouding achter de feiten van de tegenwoordigen tijd steekt. En dit kan men slechts dan, wanneer men de moed heeft om tot zich zelf te zeggen : omdat de pedagogie

Weil sich die Pädagogik abgesondert hat, gewissermaßen sich zurückgezogen hat in die Schule, ist es dahin gekommen, daß sie solche verschrobenen Ideen aufbringt – was nur ein Symptom ist – wie die Erprobung von mensch­lichen Tüchtigkeiten durch das Experiment. Aber überall, wo heute von allgemein- oder spezialpädagogischer Methode gesprochen wird, sehen wir die Folge dieses Sichzurückziehens in die bloße Schule, in die der Staat die Pädagogik hineingezwängt hat, und diese Entfernung von dem Leben. Niemals kann einer der hauptsächlichsten Lebens-zweige: Geistiges, Rechtliches oder Politisches, und Wirtschaftliches sich voll entwickeln in der Gegenwart – ich sage ausdrücklich in der Gegenwart, und namentlich in unserer Gegend -, wenn diese drei Zweige nicht auf ihren eigenen Boden gestellt werden. Für den äußer­sten Westen, Amerika, und für den äußersten Osten ist es etwas anderes, aber gerade weil es etwas anderes ist, muß bei uns diese Sache ein­gesehen werden. Wir müssen endlich dahin kommen, konkret zu denken, nicht mehr abstrakt zu denken; sonst kommen wir mit Bezug

zich van het leven heeft afgezonderd, zich om zo te zeggen heeft teruggetrokken in de school, daarom is het bijv. zover gekomen dat ze zulke verwrongen ideeën naar voren brengt als die van een onderzoek naar de menselijke vermogens door experimenten, waarmee slechts één symptoom onder vele hier wordt aangeduid. Overal, waar tegenwoordig over algemene of speciale pedagogische methodiek wordt gesproken, zien we de gevolgen van dit zich terugtrekken in de school, waar de Staat de opvoeding heeft voorgeschreven, — zien wij de vervreemding van het leven. Nooit kan zich een van de voornaamste takken van het maatschappelijke leven, kan het geestesleven, het rechts- of politieke leven, kan het economische leven zich tegenwoordig vol ontwikkelen — ik zeg uitdrukkelijk in de tegenwoordige tijd en wel in onze landstreken — als deze drie takken van het leven niet elk hun eigen groeibodem wordt toegewezen. Voor het meest westelijke, voor Amerika en voor het uiterste oosten van de wereld, liggen de zaken enigszins anders. Maar juist, omdat dit zo is, moeten bij ons deze dingen worden ingezien. Wij moeten er eindelijk toe komen om concreet en niet meer abstrakt te denken, anders komen we

blz. 111

auf das Räuniliche zu einer die Menschheit der ganzen Erde be­glückenden Theorie, was Unsinn ist, oder zu einer Art von tausend­jährigem Reich in bezug auf die geschichtliche Entwickelung, was wieder Unsinn ist. Konkret denken auf diesem Gebiet heißt: für einen bestimmten Weltenraum und für eine bestimmte Zeit denken. Wir werden darüber heute noch einiges zu sprechen haben. Der Blick des Pädagogen muß auf diese großen Welterscheinungen gelenkt werden, muß überschauen können, was im geistigen Leben der Gegenwart vorhanden ist, und was in diesem Leben der Gegen­wart anders werden muß dadurch, daß man in dem werdenden Men­schen etwas ganz anderes erzieht als dasjenige, was in den letzten Zeiten gezüchtet worden ist. Was in der letzten Zeit gezüchtet worden ist, hat gerade auf pädagogischem Gebiet bei denjenigen, die dann pädagogisch tätig sein sollten, zu einer furchtbaren Spezialisierung geführt. Man begegnet sehr häufig gerade bei Festreden und auf Naturforscherversammlungen und sonstigen Gelehrtenversammlun­gen den Lobliedern auf die Spezialisierung. Selbstverständlich wäre ich ein Tor, wenn ich nicht einzusehen vermöchte, welche Notwendig­keit dieser Spezialisierung auch auf dem Gebiete der Wissenschaft zu­grunde liegt; aber sie braucht einen Ausgleich, sonst errichten wir Klüfte zwischen Mensch und Mensch,

slechts tot een abstracte, de mensheid van de hele aarde gelukkig makende theorie, wat iets onzinnigs is, — of tot een soort van duizendjarig rijk met betrekking tot de menselijke ontwikkeling, wat eveneens onzinnig is. Concreet op dit gebied denken, wil zeggen: iets denken wat betekenis heeft voor een bepaald deel van de aarde, en voor een bepaalde tijd. We zullen hierover vandaag nog een en ander te zeggen hebben. Het oog van de pedagoog moet op deze grote wereldverschijnselen gericht worden. Hij moet kunnen overzien, wat in het geestesleven van de tegenwoordigen tijd aanwezig is en wat in dit leven daardoor anders moet worden, dat men in de wordende mens iets geheel anders ontwikkelt dan wat in de laatste tijd in hem ontwikkeld is. Wat in de laatste tijd aangelegd is, heeft hen, die op pedagogisch gebied werkzaam moesten worden, tot een vreselijk specialiseren gebracht. Je hoort, vooral bij feesttoespraken, op vergaderingen van natuurwetenschappers of dergelijke bijeenkomsten zeer dikwijls lofliederen op deze specialisering. Ik zou natuurlijk dwaas zijn, wanneer ik niet zou kunnen inzien, hoe noodzakelijk deze specialisering ook op het gebied van de wetenschap was. Maar ze heeft een compensatie nodig, anders maken wij kloven in ’t leven van mens tot mens,

und stehen nicht mehr ver­ständnisvoll als Mensch dem Menschen gegenüber, sondern wir stehen einander gegenüber, hilflos als Spezialist dem Spezialisten, wo­bei wir gar keine andere Handhabe haben, an den Spezialisten zu glauben, als allein diese, daß er durch die tatsächlich vorhandenen Einrichtungen in irgendeiner Weise abgestempelt ist. Aber wir waren auf dem Wege, dieses Spezialistentum auch von der Schule her ins Leben einzuführen. Ob die Wirrnisse der Gegenwart uns vor dem Unglück bewahren werden, daß neben den allerlei anderen Sach­verständigen in die Gerichtsstube auch noch, wie manche wollen, die Psychologen hinberufen werden, die dann an den Verbrechern ihre Experimente machen – geradeso, wie man an den jungen Leuten die Experimente macht -, das wird sich ja zeigen. Ich sage weniger etwas gegen die Sachen selber, als gegen die Art und Weise, wie sie sich in die Gegenwart hineingestellt haben.

staan niet meer begrijpend als mens tegenover de ander, maar staan hulpeloos tegenover elkaar, als specialist tegenover specialist, waarbij wij over geen andere maatstaf beschikken om op de specialist te vertrouwen, dan alleen deze, dat hij door de nu eenmaal voorhanden zijnde inrichtingen op een of andere manier tot specialist bestempeld is. Wij waren echter op weg dit specialistendom vanuit de school ook in het leven in te voeren. Of de verwarring van de tegenwoordige tijd ons voor het ongeluk zal bewaren, dat naast de verschillende andere ter zake kundigen in de rechtszaal ook nog zoals velen willen, de psychologen zullen worden geroepen, die dan bij de misdadigers moeten experimenteren, zoals ze bij de jonge mensen experimenteren, — dit alles zal zich nog uitwijzen. Ik heb minder tegen die dingen zelf te zeggen, dan wel tegen de hele manier, waarop tegenwoordig dit alles zich inleeft in de werkelijkheid.

blz. 112

So liegen die Dinge auf dem Gebiete der Pädagogik, der Schul­bildung und auf dem Gebiete des Staates.
Ja, nach der kurzen Zeit, in welcher gesprochen worden ist, mag das nun inhaltlich anfechtbar sein oder nicht, von dem innerlich be­gründeten Menschenrecht – damals nannte man es Naturrecht -, nach dieser verhältnismäßig kurzen Zeit kam diejenige Epoche, in der man anfing, sich zu genieren, von diesem Naturrecht zu sprechen. Man war selbstverständlich ein Dilettant, wenn man von diesem Natur­recht sprach, das heißt wenn man annahm, daß mit der Existenz des Menschen als einzelnem menschlichen Individuum selbst etwas da ist, was als solches das Recht begründet, man war damit ein Dilettant, und fachmännisch war es bloß, von historischem Recht zu sprechen, das heißt von dem, was sich geschichtlich als Recht herausgebildet hat. Man hatte nicht den Mut, auf das wirkliche Recht einzugehen; deshalb beschränkte man sich darauf, das sogenannte historische Recht allein einer Betrachtung zu unterziehen. Das aber müßte insbesondere der Pädagoge heute wissen. Der Pädagoge müßte genau eingeführt wer­den, namentlich in Lehrerversammlungen, in den Hergang des neun­zehnten Jahrhunderts, wie verloren worden ist der Begriff des Natur­rechts, oder wie er höchstens in Masken fortlebt im heutigen Recht, und wie ein gewisses Zaudern, innere Zauderhaftigkeit der Menschen an dem bloß Historischen hängen geblieben ist.

Zo staan dus de zaken op het gebied van pedagogiek en school ervoor in hun afhankelijkheid van de Staat. Met betrekking tot dit rechts- of staatsleven heeft men gedurende een korte periode — het moge al of niet aanvechtbaar zijn — van een op innerlijke basis rustend mensenrecht gesproken — toentertijd noemde men het natuurrecht. — Na deze naar verhouding korte periode kwam die tijd, waarin men zich begon te generen om dit „natuurrecht” te spreken. Men was natuurlijk een dilettant, als men nog van natuurrecht sprak, d. w. z. als men aannam, dat met de  existentie van de mens als individu zelf iets aanwezig was, wat als zodanig dit recht tot stand bracht; — men was dan dilettant, en vakmensen op dat gebied waren alleen zij, die van het historische recht spraken, d. w. z. van het „recht” dat in de loop van de geschiedenis werd geformuleerd. Men had niet de moed, in te gaan op het werkelijke recht; daarom bepaalde men er zich toe, alleen het z.g. historische recht in beschouwing te nemen. Dit alles echter moet in ’t bijzonder ook de pedagoog weten. Deze zou nl. op bijeenkomsten van leerkrachten en opvoeders, nauwkeurig op de hoogte gebracht moeten worden van de loop van de cultuur in de 19e eeuw, de pedagoog zou moeten weten hoe het begrip natuurrecht verloren is gegaan, hoe het hoogstens gemaskeerd, nog in het tegenwoordige recht verder leeft, en hoe door een innerlijke aarzeling van de mensen aan het historische recht vastgehouden werd.

Wer die Verhältnisse kennt, weiß, daß der Hauptimpuls – der nicht mehr bemerkt wird in seinen äußersten Ausläufern, wo er sich in die Pädagogik einschleicht
– heute noch immer nach der Richtung des historischen Rechtes geht; daß man sich bemüht – um das Goethesche Wort zu brauchen -, von dem Rechte, das mit uns geboren ist, ja nicht zu sprechen. Ich habe öfters in den Vorträgen, die ich hier gehalten habe, darauf aufmerk­sam gemacht, daß wir heute offen und ehrlich die große Abrechnung halten müssen, nicht die kleine. Daher darf nicht davor zurüc-geschreckt werden, in der richtigen Weise zu charakterisieren das­jenige, was ausgemerzt werden muß, denn niemals kann neu gebaut werden, wenn man nicht einen klaren Begriff hat von dem, was die menschlichen Denk- und Empfindungsgewohnheiten verdorben hat.
Man kann schon sagen: Insbesondere an unserer mitteleuropäischen

Wie de verhoudingen kent, weet, dat de hoofdimpulsen tegenwoordig nog steeds naar de richting van het historische recht gaan, dat men er naar streeft, om — als we hier het woord van Goethe mogen gebruiken — niet meer te spreken van het recht „dat met ons geboren is”.
Ik heb al dikwijls in hier gehouden voordrachten op dit alles opmerkzaam gemaakt, en ik zei daarbij, dat we tegenwoordig open en eerlijk in het groot moeten afrekenen met het verleden, niet in kleine, bijkomstige dingen. Daarom mogen we er niet van terugschrikken, om op de juiste manier te karakteriseren, wat verdwijnen moet, want nooit kan iets nieuws opgebouwd worden, als men niet een klaar begrip heeft, van wat de denkgewoonten van de mens en zijn gevoelens heeft bedorven.
We zouden kunnen zeggen: in ’t bijzonder aan onze Middel-Europese cultuur

blz. 113

Kultur ist stark zu bemerken, wie zuerst zusammengebrochen ist eine wirklich positive Staatsidee. Man versuchte sie aufzubauen noch im Anfang des neunzehnten Jahrhunderts; sie ging unter unter dem Ein­fluß der historischen Gebilde, die ihre Impulse geltend machten. Und ohne daß die Betreffenden, die dabei beteiligt waren, es merkten, während sie glaubten, vorurteilslose Wissenschaft zu treiben, kam es dahin, daß dasjenige, was getrieben wurde, nur im Dienste des Staates oder des Wirtschaftskörpers getrieben worden ist. Nicht allein in die Verwaltung der Wissenschaft, sondern auch in den Inhalt der Wissen­schaft und namentlich in alles das, was praktische Wissenschaft ge­worden ist, ist das hineingeflossen, was durch den Einfluß des Staates gekommen ist. Daher haben wir heute so gut wie keine National­ökonomie, weil ein freies, auf sich gestelltes Denken sich nicht ent­wickeln konnte. Daher stehen wir heute gerade mit Bezug auf die wichtigsten Gesetze des Wirtschaftslebens so da, daß man gar nicht verstanden wird, wenn man von echten volkswirtschaftlichen Ge­setzen spricht. Und man merkt dies ganz besonders daran, wie die Päd­agogik in Unordnung gekommen ist, die Pädagogik großen Stiles, die nicht im Leben drinnen steht, sondern sich aus dem Leben heraus zurückgezogen hat in die Schulstube. 

bemerkt je zeer duidelijk, hoe daar in de eerste plaats een werkelijk positieve ideeënopbouw over het Staatsleven is ingestort. Men probeerde nog in het begin van de 19e eeuw om tot zo’n ideeënbouw te komen; hij viel ineen onder de invloed van de gedachte, die enkel het historische recht liet gelden. Dit gebeurde zonder dat zij, die bij dit alles betrokken waren, dit bemerkten, omdat ze geloofden, wetenschap te beoefenen, vrij van alle vooroordeel, en dat leidde  ertoe, dat alles wat zo beoefend werd enkel in dienst van het Staatsleven en het economische leven gebeurde. Niet alleen in de organisatie van de wetenschap maar ook inhoudelijk, en wel bij alles wat practische wetenschap is geworden, is binnengestroomd, wat door de invloed van de Staat is ontstaan. Daarom hebben wij tevens in dezen tijd eigenlijk zo goed als geen werkelijke staathuishoudkundige wetenschap, omdat een vrij onafhankelijk denken, dat de waarheid enkel met zich zelf heeft uit te maken, zich niet kon ontwikkelen. Daarom staan wij tegenwoordig juist met betrekking tot de voornaamste wetten van het economische leven er zo voor, dat men helemaal niet wordt begrepen, wanneer men over werkelijke wetten spreekt. En men bemerkt dit in ’t bijzonder daaraan, dat het opvoedingswezen in zijn heersende, algemeene, grote tendens niet meer in het volle leven staat, zich uit het leven in het schoollokaal heeft teruggetrokken.

Niemals kann eine wirkliche lebensvolle Betrachtung von irgend etwas zustande kommen, wenn man bloß hinweist auf dasjenige, was äußerlich erfahren werden soll -und nicht, wie es erfahren werden soll. Dasjenige, was in der neueren Zeit allein ausgebildet worden ist, die Anbetung der bloßen äußeren Erfahrung, das führt nur in die Konfusion hinein, gerade wenn es gwissenhaft ausgeführt wird. Das was wir brauchen, ist, daß wir im­stande sind, auch die inneren Impulse auszubilden, die uns an die richtige Stelle der Erfahrung hinführen. Sie erinnern sich, daß ich am letzten Freitag aufmerksam gemacht habe in der Weise, wie es allerdings nur kurz geschehen konnte innerhalb dieser Vorträge, wie durch ein Studium der europäischen Wirtschaftsverhältnisse am Ende des vierzehnten und im Beginn des fünfzehnten Jahrhunderts eine Aufklärung darüber gewonnen werden könnte, wie zu gestalten sein werden die Genossenschaften in der Zu­kunft, die aus Produktions- und Konsumtionsimpulsen heraus zu bilden

Nooit kan een werkelijke levensvolle beschouwing van iets ontstaan, wanneer men alleen op datgene wijst, wat min of meer uiterlijk moet worden ervaren en vaststelt, en niet hoe het moet worden ervaren. Wat in de nieuwere tijd enkel ontwikkeld is, is de aanbidding van de uiterlijke ervaring; en die voert enkel tot allerlei onmogelijkheden, vooral wanneer men nauwgezet handelt. Dat, wat we nodig hebben is, in staat te zijn ook de innerlijke impulsen te ontwikkelen, die ons op de juiste plaats brengen in de wereld van de ervaring. U herinnert zich nog wel, dat ik afgelopen vrijdag* erop gewezen heb — in deze voordrachten kon dit natuurlijk slechts in korte trekken, — dat door bestudering van de Europese economische verhoudingen in de 14e en begin 15e eeuw een helder denkbeeld daarover zou kunnen ontstaan, hoe in de toekomst de corporaties, die uit de productie- en consumptie-impulsen tot stand moeten komen,

*am letzten Freitag: Öffentlicher Vortrag vom 16. Mai 1919 abgedruckt in: Rudolf Steiner Neugestaltung des sozialen Organismus», GA 330.

blz. 114

sind. Aber auf diesen für das ganze europäische Leben grund­legenden Betrachtungsgesichtspunkt, der ausgeht von dem, was so deutlich zu lernen ist in dem großen Wendezeitalter der neueren Zeit auf allen Gebieten Ende des vierzehnten Jahrhunderts, Anfang des fünfzehnten Jahrhunderts, wird man nur hingelenkt, wenn man eben die großen Gesichtspunkte aus einer grundlegenden anthroposophi­schen Betrachtung heraus gewinnt. Man fälscht nicht die Tatsachen dadurch, aber man wird hingelenkt auf diejenigen Punkte der Ent­wickelung, wo sich in bedeutsamen Symptomen dasjenige verrät, was doch mehr unter der oberflächlichen Entwickelungsströmung bleibt und was als das eigentlich treibende Element anzusehen ist. Dafür waren der heutigen Pädagogik und wissenschaftlichen Didaktik die innerlich wissenschaftlich-methodischen Richtlinien verborgen; Päd­agogik und Didaktik waren mehr oder weniger auf den Zufall an­gewiesen; auf dieses oder jenes Gebiet lenkte sie der Zufall. Das brauchen wir, daß wir innerliche Richtlinien bekommen, die uns auf diejenigen Wahrheiten hinlenken, die die wichtigen sind: die Richt­linien, die aus Goethes Weltanschauung gewonnen werden können, durch die sich viel, viel erkennen läßt.

zich kunnen vormen. Om echter uit te gaan van een beschouwing van deze periode, die voor het hele Europese leven van zo’n ingrijpende betekenis was; — uit te gaan van datgene, wat zo duidelijk is te leren uit deze grote periode van ommekeer op alle gebieden: daarop valt alleen dan de aandacht, wanneer men werkelijk diepere gezichtpunten, van waaruit de geschiedenis is te begrijpen, uit een antroposofische manier van beschouwen zich eigen maakt. Men vervalst daardoor niet de feiten, maar men wordt naar die punten in de ontwikkeling van dr mensheid geleid, waar zich dat in betekenisvolle symptomen voor ons aan het licht komt, wat meer onder de oppervlakte van de ontwikkelingsstroming blijft en wat als het eigenlijk drijvende element in die ontwikkeling moet worden gezien, Aan de tegenwoordige pedagogiek en wetenschappelijke didactiek was een innerlijk-wetenschappelijke methode voor dit alles verborgen. Pedagogie en didactiek waren meer of minder op toevalsbeschouwingen aangewezen; het toeval leidde hen naar het een of andere gebied. Wij hebben echter innerlijke richtlijnen nodig, die onze aandacht vestigen op die waarheden, die belangrijk zijn in de werkelijkheid. Wij hebben de richtlijnen nodig die gewonnen kunnen worden uit Goethe’s wereldbeschouwing, waardoor veel zou zijn te begrijpen.

Das darf nicht konstruiert sein, das darf nicht aus dem Verstande heraus gesucht werden, das muß gesucht werden aus einem inneren Verwobensein des Menschen mit der Welt, wie es uns ganz abhanden gekommen ist, was sich gerade darin zeigt, daß wir in so äußerlicher Weise das individuelle Men­schenwesen ergründen wollen, wie es durch die pädagogische Ab­zweigung der Experimental-Psychologie geschehen ist. Vor allen Dingen müßte heute ein Licht aufgesteckt werden den­jenigen, die Kinder zu erziehen haben, über den Grundnerv der Entwickelung der neueren Zeit. Und steht man an einem Punkte, wo die Hauptrichtung des Lebens geändert werden muß, so ist vor allen Dingen die Einsicht in dasjenige notwendig, was bisher in der Mensch­heitsentwickelung heraufgekommen ist. Erst ging zugrunde der ele­mentare Impuls nach dem wirtschaftfreien Staatsleben; dann, im letz­ten Drittel des neunzehnten Jahrhunderts und im zwanzigsten Jahr­hundert, traten wir insbesondere in Mitteleuropa unser Geistesleben mit Füßen, machten es zu einem bloßen Parasiten des Daseins. Wieviel

Dit mag niet iets geconstrueerds zijn, het mag niet uit het verstand gesponnen worden. Het moet worden gezocht uit een als mens zich innerlijk verbonden vóelen met de wereld. En dit is ons geheel en al iets vreemds geworden, wat zich dan daarin toont, dat wij b.v. op een zo uiterlijke manier het individuele wezen van de mensen willen doorgronden, als dat door de pedagogische tak van de experimentele psychologie is gebeurd. .— Bovenal zou tegenwoordig bij hem, die kinderen heeft te onderwijzen een licht op moeten gaan over de diepere gronden van de ontwikkeling van de nieuwere mensheid. En omdat we nu op een punt staan waarop de hoofdrichting van het leven veranderd moet worden, is vóór alles inzicht nodig in wat voorheen in de mensheidsontwikkeling is ontstaan. Eerst ging te gronde de elementaire drang naar een staats- of rechtsleven, dat vrij is van economische interessen.; toen, in het laatste derde deel van de 19e eeuw en in de 20e eeuw traden wij, in Middel-Europa in het bijzonder, het geestesleven met voeten, maakten het tot een parasiet in het maatschappelijke leven. Hoeveel

blz. 115

ist eingeflossen in dieses Geistesleben, in dem wir heute drinnen stehen wollen, zum Beispiel von dem großen Impuls des Goetheanis-mus? Nichts, so gut wie nichts! In äußerlicher Weise wird herum-geredet über Goethe; von dem Ungeheuren, das steckt in Goethes Art, die Welt anzuschauen, ist nichts übergegangen in das allgemeine Bewußtsein. Gewissenlos genug, ich habe es öfters erzählt, war die Weimarer Goethe-Gesellschaft, nicht daran zu denken, irgendeinen Menschen an ihre Spitze zu stellen, der etwas von Goethe versteht, sondern einen abgetanen preußischen Finanzminister. Ich habe öfter erwähnt, daß man diese Wahl humoristisch empfinden konnte da­durch, daß er Kreuzwendedich heißt mit Vornamen.So sind wir hineingesegelt in ein Unberücksichtigtlassen unserer geistigen Vergangenheit. Nirgends im Gegenwartsbewußtsein ist das­jenige drinnen, was gerade dem deutschen Geistesleben von der Goe­theschen Seite her sein charakteristisches Gepräge gegeben hat. Alles das ist ausgemerzt worden, ist zum Parasiten gemacht worden. Goethe-Ausgabe über Goethe-Ausgabe ist erschienen – nirgends ist Goethe­scher Geist eingezogen. Derjenige, der die Dinge durchschaut, der muß heute sagen: Auf wirtschaftlichem Gebiet ist es schlimm, auf politischem Gebiet ist es schlimm, auf geistigem Gebiet aber ist es am allerschlimmsten.

is er in dit geestesleven, waarin we tegenwoordig staan, b.v. ingestroomd van de grote impuls van het Goetheanisme ? Niets! Zo goed als niets! Op uiterlijke wijze wordt óver Goethe gesproken; van het geweldige, dat in de manier zit, waarop Goethe de wereld beschouwde, is niets overgegaan in het algemene bewustzijn. De Goethe-vereeniging te Weimar — ik heb dit dikwijls verteld — was gewetenloos genoeg om er niet aan te denken om een mens aan de leiding te plaatsen, die iets van Goethe begrijpt, maar een afgedankte Pruisische Minister van Financiën. ïk heb al vaker op het humoristische gewezen van de keus van deze man, die met zijn voornaam „Kreuzwendedich” (kruis draai je om) heet.
Zo zijn wij er hier dan toe gekomen niet meer te letten op ons verleden op geestelijk gebied. Nergens leeft in het bewustzijn van de tegenwoordige tijd, wat juist het Duitse geestesleven door Goethe iets bijzonder kenmerkends heeft gegeven. Dat is allemaal verdwenen en het geestesleven is tot parasiet gemaakt. De ene uitgave van Goethes werk na de andere is verschenen — nergens heeft de geest van Goethe ingang gevonden. Wie de dingen doorziet moet tegenwoordig zeggen: op economisch gebied ziet het er slecht uit, op politiek gebied eveneens, op het gebied van het geestesleven is de zaak echter het allerergste.

So haben wir zuerst unser politisches Bewußtsein ruiniert; so haben wir nachher unseren Zusammenhang mit unserem eigenen Geistesleben ruiniert. Das sage ich nicht aus einem Pessimis­mus heraus, sondern das sage ich aus dem Grunde, weil aus der Ein­sicht in das, was geschehen ist, hervorgehen muß dasjenige, was zu geschehen hat. Dann, dann kam das, was man den Weltkrieg nennt. Nach dem Zu­sammenbruch des Politischen, das man in künstlicher Weise, schon zerbrochen, doch noch festgehalten hat, nach dem inneren Zusammen­bruch des Geisteslebens der wirtschaftliche Zusammenbruch, von dessen Stärke und Größe sich die Menschen heute noch gar keine Vor­stellung machen, weil sie glauben, wir stehen am Ende oder in der Mitte dieses Zusammenbruchs, während wir erst am Anfang stehen. Dieser wirtschaftliche Zusammenbruch, überall können Sie ihn an dem, was sich als die Weltkatastrophe herausgebildet hat, studieren.

Zo hebben we dan allereerst ons politieke  en ons rechtsbewustzijn geruïneerd, en zo hebben we dan daarna de samenhang met ons eigen geestesleven geruïneerd. Dit zeg ik niet uit een pessimistische stemming, maar omdat uit het inzicht in datgene wat gebeurd is, ontstaan moet, wat voor de toekomst gebeuren moet.
En toen kwam de Wereldoorlog. Na de ineenstorting van het staats- of rechtsleven, dat dan kunstmatig nog verder op de been werd gehouden; — na de ineenstorting van het geestesleven bij verlies van zijn innerlijke inhoud, hebben we de ineenstorting van het economische leven beleefd. Van de intensiteit en omvang van de ontreddering op dit gebied maken de mensen zich nog helemaal geen juiste voorstelling, omdat ze geloven, dat we op het eind, of in het midden van deze gebeurtenissen staan, terwijl we eigènlijk nog in het beginstadium leven. Men kan deze ineenstorting van het economische leven overal aan datgene bestuderen, wat de vorm heeft aangenomen van een wereldcatastrofe.

blz. 116

Würde man heute sachgemäß studieren, ich will sagen, dasjenige, was sich abgespielt hat in dem sogenannten Bagdadbahnproblem vor dem Weltkrieg, da würde man sehen die unglückseligste Zusammenknüp­fung politischen und wirtschaftlichen Lebens. Verfolgt man die ein­zelnen Stadien der Bagdadbahn-Verhandlungen, mit denen ja ins­besondere verknüpft ist der unglückselige Helfferich, so sieht man immer wiederum auf der einen Seite den wirtschaftlichen Kapitalis­mus Kombination über Kombination bildend, auf der andern Seite das Eingreifen national-politischer, chauvinistischer Machinationen; Ma­chinationen, die verschieden sind, je nachdem sie von Osten oder von Westen wirken. In Deutschland beobachtet man verlorenes Taten-Bewußtsein, da das Geistesleben verloren ist, verlorenes Taten-Bewußtsein, da das Staatsleben verloren ist, Beschränkung auf das bloße Wirtschaftsleben. Von Westen überall hineinspielend wirt­schaftlich-politische Aspirationen, die in der Maske des Chauvinismus, oder Nationalismus, der in der Maske des Wirtschaftlich-Politischen auftritt; vom Osten Geistig-Politisches, das sich wiederum in der ver­schiedensten Weise maskiert. Alles das zu einem Knäuel vereint in dem, was sich dann in die Absurdität, in die Unmöglichkeit hinein-verlieren muß in dem Bagdadproblem.

Als je zakelijk zou bestudeerde, wat zich voor de Wereldoorlog heeft afgespeeld, bijv. in het zogenaamde probleem van de Bagdadlijn*, dan zou je de onzalige samenkoppeling van het staatsleven met het economische leven duidelijk bespeuren. Ga je elk van de stadia van de Bagdadspooronderhandelingen na, — waarmee in ’t bijzonder Helfferich** was verbonden, — dan zie je telkens weer, hoe enerzijds het kapitalisme op economisch gebied combinatie op combinatie vormt; hoe anderzijds nationaal-politieke, chauvinistische machinaties ingrijpen, machinaties die een verschillend karakter dragen al naar gelang ze vanuit het Oosten of het Westen komen. In Duitsland zie je dat het bewustzijn van wat Duitsland werkelijk heeft te doen in en voor de wereld, verloren is gegaan, omdat het zijn geestesleven heeft verloren, omdat zijn eigenlijk staatsleven verloren is gegaan. In Duitsland heeft men zich tot het kapitalistisch economische beperkt. Van uit het Westen spelen in de gebeurtenissen overal economisch-politieke aspiraties, zich chauvinistisch maskerend, of nationale aspiraties zich economisch-politiek maskerend. En vanuit het Oosten worden geestelijke impulsen op politiek gebied uitgespeeld, en weer op verschillende manieren zich maskerend. En dat alles was onontwarbaar verenigd in het Bagdadprobleem, in alles wat tot absurditeiten, tot onmogelijkheden leidde.

*in dem sogenannten Bagdadbahnproblem: Die Deutsche Bank, welche schon den Ausbau der Bahnverbindung Konstantinopel-Ankara finanziert hatte, erhielt 1903 auch die Konzession für die Weiterführung der Bahn über Bagdad nach Basra am Persischen Golf. Dies führte in den folgenden Jahren zu politischen Auseinandersetzungen mit England und Rußland, die eine Ausweitung des deutschen Einflußes in dieser Zone befürchteten.
**Karl Helfferich, 1872-1924, wurde 1906 Direktor der Bagdadbahn, 1908 Direktor der Deutschen Bank, 1915 bis 1917 hatte er, zunächst als Staatssekretär des Reichsschatzamtes, dann als Staatssekretär des Inneren und Stellvertreter des Reichskanzlers, die Verantwortung für die Finanzierung des Krieges und für die wirtschaftliche Kriegsführung. Am 23,4.1924 kam er, kurz vor einem großen Wahlsieg seiner Partei, durch das Eisenbahnunglück bei Bellinzona ums Leben.

In diesem Bagdadbahnproblem, in seinem ganzen Hergang, liegt einfach der Beweis für die Unmög­lichkeit einer Weiterentwickelung des alten Imperialismus, für die Un­möglichkeit einer Weiterentwickelung des alten politischen Systems.
Dasjenige, was so sich, ich möchte sagen, an einem großen welt-politischen Problem zeigt, in dem Willen, diese Bahn zu bauen, das zeigt sich auch in den Einzelheiten während des Krieges. Man hat nur die Dinge niemals so betrachtet, daß man sich mit sachgemäßen Richt­linien hingewendet hat zu dem Punkte, wo die äußeren Ereignisse innere Zusammenhänge verraten können. Sehen Sie, Kapp quietschte, Bethmann Hollweg zeterte, und die geistigen Vertreter von Deutsch­land schwiegen. Es war einmal eine solche Situation. Kapp, der Ver­treter der Landwirtschaft, quietschte, weil er nicht mehr aus und ein wußte über all der Kriegswirtschaft mit der Landwirtschaft. Beth­mann Holiweg, der unpolitischste Kopf, zeterte, weil er etwas Ver­nünftiges über die Sache nicht zu sagen wußte. Und die geistigen Leiter

In dit Bagdadprobleem, in zijn hele ontwikkeling, lag eenvoudig al het bewijs voor de onmogelijkheid van een verdere ontwikkeling van het oude imperalisme, voor de verdere ontwikkeling van het gehele oude politieke systeem.
En wat zo bij dit grote wereldprobleem zichtbaar wordt in de wil, om de spoorlijn aan te leggen, kun je ook zien in de verschillende gebeurtenissen gedurende de Wereldoorlog. Men heeft de dingen enkel nooit zo beschouwd, dat men de aandacht gevestigd heeft op dat punt in de uiterlijke gebeurtenissen, waar deze hun innerlijke samenhang verraden. Kijk, Knapp* piepte van angst, Bethmann Hollweg** jammerde en de geestelijke vertegenwoordigers van Duitsland zwegen. Zo was de situatie nu eenmaal. Kapp, de vertegenwoordiger van de landbouw, piepte, omdat hij niet meer wist wat hij moest doen met landbouw in die hele oorlogshandel. Bethmann Hollweg, het minste politieke kopstuk, jammerde, omdat hij over de zaak niets verstandigs wist te zeggen. En de geestelijke leiders

*Wolfgang Kapp, 1858-1922, Generallandschaftsdirektor in Ostpreußen 1906-1920, Mitbegründer der Deutschen Vaterlandspartei.
**Theobald von Bethmann Hollweg, 1856-1921, Deutscher Reichskanzler 1909-1917. Am 5. Juni 1916 hielt Bethmann Hollweg im Reichstag eine Rede «Gegen Schmähschriften des Generallandschaftsdirektors Kapp.»

blz. 117

Deutschlands schwiegen, weil sie sich ganz zurückgezogen hatten in Formal- Schulmäßiges und nichts wußten vom Leben, keine Ahnung hatten, wie die Dinge des Lebens behandelt werden müssen.
Ich weiß nicht, wie viele sich von Ihnen an diese Dinge erinnern. Es ist gar nicht irgendwie aufgebauscht, was ich Ihnen erzähle, son­dern so war wirklich einmal die Situation, daß Kapp quietschte, Beth­mann Hollweg im Reichstag zeterte über die furchtbare Anzapfung, die der arme erfahren hatte, und diejenigen, die etwas wissen sollten über die Dinge, sie schwiegen oder redeten etwas, was ebenso ist als schweigen, was ferne stand dem Leben. Die wirtschaftliche Entwicke­lung, sie konnte eigentlich nur durch eine große, bemerkbare Welt-tatsache ad absurdum geführt werden. Und wie wir auch in bezug auf das Staatliche herabgekommen sind, das bemerkten viele Leute nicht. Sie hatten ja die Hohenzollern, die Habsburger, den Zarismus. Daß innerhalb des Zarismus, des Hohenzollernreiches, des Habsburger-reiches bereits im allerentschiedensten Sinne, weil Unmögliches damit zusammenhing, der Keim der Auflösung war, darüber konnte man hinwegtäuschen, weil ein unnatürlicher Rahmen dasjenige zusammenhielt, was schon in voller Auflösung war, weil kein Staatsimpuls mehr drinnen war.

van Duitsland zwegen, omdat die zich heel formeel schools teruggetrokken hadden en niets wisten van het leven, geen benul hadden hoe met levenszaken om te gaan.
Ik weet niet hoeveel van u zich deze dingen herinneren. Het is in het geheel niet overdreven wat ik u vertel, maar de situatie was nu eenmaal zo dat Knapp piepte, Bethmann Hollweg in de Rijskdag jammerde over de vreselijke geldleningen waarmee de armen te maken kregen en degenen die over die dingen iets zouden moeten weten, zwegen of zeiden iets wat net zo was als zwijgen, wat ver van het leven afstond.
De economische ontwikkeling kon eigenlijk alleen maar door een grote, merkbare wereldzaak ad absurdum gevoerd worden. En hoezeer we ook met betrekking tot de staat gezonken zijn, merkten vele mensen niet. Die hadden de Hohenzollers, de Habsburgers, het tsarendom. Dat bij allemaal daarbinnen al in een alles beslissende zin, omdat er veel mee samenhing wat onmogelijk was, de kiem lag tot verval, kon men zichzelf voor de gek houden, omdat een onnatuurlijk kader bijeenhield, wat zich al in volledig verval bevond, omdat er geen impuls van de Staat meer in zat.

Heute wird von sozialistischer Seite oftmals betont, der Staat müsse aufhören. Niemand hat mehr zum Aufhören eines vernünftigen Staats­wesens geführt, als die Dynastien Europas im neunzehnten Jahrhun­dert. Das Geistesleben, man konnte sich durch Illusionen und durch allerlei Betäubung hinwegsetzen darüber, daß wir es mit Füßen ge­treten haben, insofern es die Errungenschaft des neunzehnten Jahr­hunderts ist. Beim Wirtschaftsleben ging das nicht. Sehen Sie, wenn der Staat darbt, da tröstet er sich damit, daß man sich an Festen erbaut, die mit papierenen Blumen den Dynasten dargebracht werden. Es ist kein Märchen, sondern eine erweislich wahre Tatsache, daß zum Bei­spiel schön gekleidete Frauen auf den Hamburger Brücken sich ge­stürzt haben mit wahrer Wut auf die Zigarettenstummel, die Wil­helm II. weggeschmissen hat, um sie sich als Andenken aufzubewah­ren. Es ist aber auch kein Märchen, daß jener Wilhelm II. sich nicht mit Abscheu abgewendet hat von solcher Speichelleckerei, sondern

Vandaag wordt er van socialistische kant vaak benadrukt dat de Staat zou moeten verdwijnen. Niemand heeft meer tot het verdwijnen van een verstandg staatswezen geleid dat de dynastieën van Europa in de negentiende eeuw. Het geestesleven, men kon er door illusies en door allerlei in slaap sussends aan voorbijgaan en wij hebben het met voeten getreden, voor zover het het resultaat is van de negentiende eeuw. Dat ging niet bij het ecomisch leven. Wanneer de Staat verkommert, troost deze zich ermee zich op te laten vrolijken door feesten die met papieren bloemen aan de leden van de dynastie aangeboden worden. Het is geen fabeltje, maar een nawijsbaar echt feit, dat bijv. prachtig geklede dames op de Hamburger bruggen zich vol furie op een sigarettenpeukje stortten dat Willem II weggegooid had om het als een aandenken te bewaren. Het is ook geen fabeltje dat diezelfde Willem 11 zich met afschuw afwendde van dergelijke hielenlikkerij, maar

blz. 118

gefunden hat, daß das seiner Eitelkeit sehr gut tat; er delektierte sich daran.
Ja, so haben wir zuletzt gerade auf dem Gebiete des Wirtschafts­lebens die merkwürdige Erscheinung erlebt, die man nicht anders charakterisieren konnte, als daß die Landwirtschaft quietschte, die Politik zeterte, die Industrie rieb sich das Bäuchlein vor Wohlbehagen, die Arbeiter zunächst – insofern sie schon einen kleinen Anteil be­kamen von der Industrie – mit, bis sie zur Front kamen und da einen anderen Ton lernten, und dann auch andere Anschauungen verbrei­teten, als sie wiederum in die Heimat kamen. Derjenige lügt heute selbstverständlich, der sagt, daß von der sogenannten Heimat der Niederbruch ausgegangen ist. Der Niederbruch ist von der Front aus­gegangen, weil die Leute es da nicht mehr aushalten konnten. Solche Dinge, sie muß insbesondere der heute wissen, der das Volk erziehen will. Der darf fernerhin nicht in irgendeinem Winkel sitzen und vom Leben nichts verstehen, sondern der muß kennen, was ge­schehen muß. Viel wichtiger als jene Formalien, die auf Lehrertagen tradiert werden, wäre heute, daß gerade vor den Jugendbildnern über diese kulturhistorische Erscheinung gründlich gesprochen würde und auch enthüllt würde dasjenige, was sich gerade auf dem Gebiet des kapitalistischen Wirtschaftslebens so klar zeigt.

wel vond dat het zijn ijdelheid goed deed; hij genoot ervan. Nu hebben we dus op het gebied van de economie het merkwaardige verschijnsel meegemaakt dat je niet anders karakteriseren kon dan dat de landbouw piepte, de politiek jammerde, de industrie wreef over het buikje van genot; de arbeiders voorop – voor zover die al een klein aandeel kregen van de industrie – tot zij aan het front kwamen en daar andere geluiden leerden en dan ook andere opvattingen toen ze weer terug kwamen naar het vaderland. Wie zegt dat van het zgn. vaderland de ineenstorting uitging, liegt natuurlijk. Die is van het front uitgegaan, omdat de mensen het daar niet meer konden uithouden. Die dingen moet vandaag iemand die het volk wil opvoeden wel in het bijzonder weten. Die mag ook nog eens niet in een of ander hoekje gaan zitten en niets begrijpen van het leven, maar die moet weten wat er gebeuren moet. Veel belangrijker dan de vormelijkheden die op lerarendagen doorgegeven worden, is vandaag dat juist voor de mensen die de jeugd moeten vormen over de cultuurhistorische verschijnselen uitvoerig wordt gesproken en ook duidelijk gemaakt wat juist op het gebied van de kapitalistische economie zo duidelijk zichtbaar wordt.

Sie wissen, von der einen Seite behauptet, von der andern Seite be­stritten, wird einer gewissen Gesellschaft zugeschrieben der Satz : «Der Zweck heiligt die Mittel. » In dem Wirtschaftsleben unter dem Einfluß des Kapitalismus hat sich gezeigt während der sogenannten Welt-katastrophe ein anderer Impuls, der heißt: Der Zweck hat die Mittel entheiligt. Denn überall wurden unter den Zwecken, unter den Zielen, die gesetzt worden sind – gerade das enthüllt wiederum das Bagdad­bahnproblem – die Mittel entheiligt, oder aber es entheiligten wieder die Mittel auch den Zweck und die Ziele. Diese Dinge, die müssen gewußt werden, und sie müssen rückhaltlos heute betrachtet werden. Insofern meine ich meine heutige Be­trachtung pädagogisch, als ich glaube, daß vielleicht nicht der Art nach, aber aus jener Region heraus, aus der heute von mir gesprochen wird, vor allen Dingen zu den Lehrern jeder Stufe gesprochen werden

U weet, men beweert, — sommigen bestrijden dit ook — dat een zekere vereniging de spreuk huldigt: „Het doel heiligt de middelen.” In het economische leven, onder invloed van het kapitalisme toonde zich gedurende de wereldcatastrofe iets anders, d.w.z.: het doel heeft de middelen ontheiligd. Want overal werden door de bedoelingen, die men had — dát ook onthult ons juist dit Bagdadlijnprobleem, — de middelen ontheiligd en de middelen ontheiligden ook weer het doel.
Deze dingen nu moeten geweten worden, en ze moeten vandaag zonder terughouding beschouwd worden. Ik geloof, dat de beschouwingen van heden in zoverre pedagogisch kunnen worden genoemd; niet volgens de manier van behandeling misschien, maar door de hele sfeer, van waaruit door mij vandaag is gesproken; vooral tot de leraren van elk onderwijsniveau gesproken moest worden.

blz. 119

müßte. Dem müssen wir entwachsen, was bisher verhindert hat, daß zu den Lehrern der verschiedensten Stufen von den großen Weltereig­nissen gesprochen worden ist. Dadurch erleben wir ja heute das Trost­lose der absoluten politischen Ungeschultheit eines großen Teiles un­serer Bevölkerung. Man trifft heute Menschen – ich kann in diesem Falle nicht höflich sein, denn ich kann nicht einmal sagen: «die An­wesenden sind ausgenommen», wenigstens nicht alle -, man trifft heute Menschen, die nicht wissen, was sich seit Jahrzehnten selbst in den alleräußersten Äußerlichkeiten zum Beispiel der Arbeiterbewegung, abgespielt hat; die keine Ahnung haben, in welchen besonderen For­men das Proletariat seit Jahrzehnten kämpft. Nun, eine Erziehungs­weise des Volkes, die die Menschen so hereinstellt in die Welt, daß sie aneinander vorbeigehen und nichts wissen voneinander, die muß doch zum Niederbruch führen. Gibt es denn nicht heute Bürgerliche, die kaum vom Arbeiter viel anderes wissen, als daß er anders gekleidet ist als sie und ähnliches, die nichts wissen von jenem Streben, das im Ge­werkschaftlichen, im Genossenschaftlichen, in politischen Parteien lebt, die nicht sich die Mühe genommen haben, hineinzuschauen in dasjenige, was rings um sie herum vorgeht. 

Aan alles moeten we ontgroeien, wat tot nu toe heeft verhinderd, dat tot leraren en opvoeders van de verschillende niveaus, over de grote wereldgebeurtenissen is gesproken. Daardoor beleven we immers tegenwoordig het troosteloze van een absolute ongeschooldheid op het gebied van de maatschappelijke vraagstukken bij een groot deel van onze bevolking. Men treft, ik kan in dit geval niet eens beleefd zeggen: „de aanwezigen uitgezonderd”, tenminste niet alle — men treft tegenwoordig mensen, die niets weten van alles wat sinds tientallen jaren, zelfs in de alleruiterlijkste uiterlijkheden, zich heeft afgespeeld, bijv. in de arbeidersbeweging; die geen flauw idee hebben, hoe het proletariaat sinds tientallen jaren strijdt levert.
Welnu, een manier van opvoeding, die de mensen zo in de wereld plaatst, dat ze aan elkaar voorbijgaan, niets van elkaar weten, die moet tot ineenstorting voeren. Zijn er dan onder de burgers, die zelfs nauwelijks van de arbeider iets anders weten, dan dat hij anders is gekleed dan zij, of iets dergelijks, die niets weten van het streven, dat op het gebied van de vakbonden, van de vorming van politieke partijen leeft, geen die de moeite hebben genomen eens te kijken naar alles, wat zich rondom hen afspeelde?

Woher kommt das? Weil die Menschen nie gelernt haben, zu lernen vom Leben, weil sie immer nur lernen, das oder jenes zu wissen. Man denkt: Ich weiß das, ich bin Spezialist auf diesem Gebiete; du weißt das, du bist Spezialist auf die­sem Gebiete. Daran haben sich die Leute gewöhnt, aber niemals sind sie zu etwas anderem gekommen, als daß sie in ihren Schulen ein Wissen aufgenommen haben und die Aufnahme dieses Wissens als ein Ideal betrachteten, während es doch darauf ankommt, daß man lernen lerne – lernen lerne so, daß man, wenn man noch so alt wird, bis zu seinem Todesjahr ein Schüler des Lebens bleiben kann. Heute haben die Menschen, selbst wenn sie die Hochschule absolviert haben, in der Regel in den Zwanzigerjahren ausgelernt. Sie können nichts mehr vom Leben lernen, sie surren nur ab dasjenige, was sie bis dahin aufgenom­men haben. Höchstens daß sie da und dort ein kleines Aperçu machen. Diejenigen, die anders sind, gehören heute zu den Ausnahmen. Das­jenige, worauf es ankommt, das ist, daß wir eine Pädagogik finden, wo gelernt wird, zu lernen, zu lernen sein ganzes Leben hindurch vom

Waar komt dat vandaan? Dat komt, omdat de mensen nooit hebben geleerd, van het leven zelf te leren, omdat ze steeds alleen maar leren om dit of dat te weten. Men denkt: ik weet het, ik ben op dit gebied een specialist, en jij weet dát, en bent op dat gebied specialist. Daaraan zijn de mensen gewend geraakt, maar nooit zijn ze tot iets anders gekomen, dan dat ze op hun scholen een vorm van weten opgedaan hebben en dat hebben ze als een ideaal beschouwd, terwijl het er toch eigenlijk vooral op aankomt, dat men leert leren, — dat men zo leert leren, dat men, al wordt men nog zo oud, dat men tot het jaar van zijn dood, een leerling in het werkelijke leven blijft. Tegenwoordig is men, zelfs als men de hogeschool doorloopt, in de regel op de leeftijd van 20—30 jaar volleerd. Dan kan men niets meer leren van het leven, en men houdt zich dan verder aan alles, wat men tot die leeftijd heeft opgenomen. Hoogstens neemt men hier of daar nog iets nieuws op. Degenen, die anders zijn, zijn nu uitzonderingen. Waarop het aankomt is, dat we een pedagogie vinden, waar geleerd wordt, zijn hele leven lang

blz. 120

Leben. Es gibt nichts im Leben, wovon man nicht lernen kann. Wir stünden auf einem anderen Boden heute, wenn die Menschen gelernt hätten, zu lernen. Warum sind wir heute sozial so hilflos? Weil Tat­sachen aufgetreten sind, denen die Menschen nicht gewachsen sind. Sie können von den Tatsachen nicht lernen, weil sie sich immer an Äußerlichstes halten müssen. Es wird in der Zukunft keine Pädagogik gehen, die fruchtbar sein kann, wenn man sich nicht wird die Mühe geben, hinauf sich zu erheben zu den großen Kulturgesichtspunkten der Menschheit.
Wer heute ein wenig die Welt betrachtet mit einigen anthroposo­phischen Grundlagen, von denen hier so oft gesprochen worden ist, der weiß konkret zu denken über das, was da ist. Er schaut nach Westen, er schaut nach Osten, und er kann sich Aufgaben stellen aus der konkreten Beobachtung. Er schaut nach Westen, in jene anglo-­amerikanische Welt hinein, in der große politische Impulse, die uns Mitteleuropäern schädlich geworden sind, die aber großzügig sind, seit vielen Jahrzehnten – vielleicht seit länger, ich kann sie nur seit Jahrzehnten verfolgen – gespielt haben. Ja, alle diejenigen großen Im­pulse, die im politischen Leben der neueren Zeit sind, sie sind von der anglo-amerikanischen Bevölkerung ausgegangen, denn die wußte immer mit den historischen Kräften zu rechnen. Als ich während des Krieges versuchte, einigen Leuten das beizubringen, und sagte: 

van het leven te kunnen leren. Er is niets in het leven, waarvan je niet kan leren. We stonden er tegenwoordig anders voor, als de mensen geleerd hadden te leren. Waarom zijn we tegenwoordig sociaal zo hulpeloos? Omdat gebeurtenissen plaats gevonden hebben, waartegen de mensen niet zijn opgewassen. Van de feiten kunnen ze niet leren, omdat ze zich buiten het leven hebben geplaatst en zich steeds slechts aan uiterlijkheden hielden. In de toekomst kan er geen vruchtbare pedagogiek zijn, als men niet de moeite wil doen, om zich te verheffen tot brede gezichtspunten ten opzichte van de cultuurontwikkeling van de mensheid.
Wie tegenwoordig een beetje naar de wereld kijkt vanuit die antroposoflsche gezichtspunten, waarover we hier zo dikwijls hebben gesproken, weet concreet over de feiten en gebeurtenissen te denken. Hij kijkt naar het Westen, naar de Anglo-Amerikaansche wereld, hij werpt een blik op de daar heersende grote politieke impulsen, die voor Midden-Europa noodlottig zijn geworden, die echter in een groots politiek systeem zich belichaamden, al sinds vele tientallen jaren – misschien al wel langer, ik kan ze maar een paar decennia volgen -gespeeld hebben. Ja, al die grote impulsen die er in het politieke leven van deze tijd zijn, zijn van de Anglo-Amerikaanse bevolking uitgegaan, wat die hield steeds rekening met de historische krachten. Toen ik tijdens de oorlog dat probeerde een paar mensen duidelijk te maken en zei:

Wir können nur widerstehen den Kräften, die von dort ausgehen, mit ähnlichen, aus den historischen Impulsen herausgeholten Kräften, da lachten sie mich aus, weil man bei uns keinen Glauben hat an große historische Impulse. Wer den Westen, insofern er anglo-amerikanisch ist, richtig zu stu­dieren versteht, der findet dort eine Summe von menschheitlichen In­stinkten, von Impulsen, die aus dem geschichtlichen Leben heraus kommen. Alle diese Impulse sind politisch-wirtschaftlicher Art. Es gilt elementare, bedeutsame Impulse innerhalb des Anglo-Amerika­nertums, die alle politisch-wirtschaftliche Färbung haben, die alle poli­tisch so denken, daß politisch über die Wirtschaft gedacht wird. Aber nun gibt es da eine Eigentümlichkeit; das ist die: Sie wissen, wenn wir reden über das Wirtschaftliche, so fordern wir, daß im Wirtschaftlichen

Wij zijn slechts dan opgewassen tegen de krachten, die van daar komen, wanneer wij eveneens vinden, wat voor ons in de stroom van de gebeurtenissen werkelijke historische impulsen zijn, dan lachte men me uit, omdat men bij ons geen geloof hecht aan grote historische impulsen. Wie het Westen, voor zover het Anglo-Amerikaans is, juist weet te bestudeeren, vindt aldaar een aantal in de mensheid levende instinctieve impulsen, die uit het historische leven komen. Al deze impulsen zijn van politiek-economise aard. Het zijn betekenisvolle impulsen, met elementaire kracht werkend in de Anglo-Amerikaanse mensheid ; ze zijn alle politiek- economisch getint, ze doen op politiek gebied de mensen zo denken, dat vanuit een politiek standpunt over economische belangen wordt gedacht. Nu hebben we daar met de volgende eigenaardigheid te maken: u weet, als wij spreken over het economische leven, dan willen wij, dat voor de toekomst broederlijkheid moet heersen in het economische leven;

blz. 121

in der Zukunft walte die Brüderlichkeit; die war gerade herausgetrieben aus dem westlichen imperialistischen, politisch-wirt­schaftlichen Streben. Die Brüderlichkeit war da gerade weggeblieben, die war ausgeschaltet worden. Daher nahm das, was da lebte, den stark kapitalistischen Zug an.
Die Brüderlichkeit, die entwickelte sich im Osten. Wer den Osten nach seiner ganzen geistig-seelischen Art studiert, der weiß, daß da aus dem Menschen herausquillt wirklich der Sinn für die Brüderlichkeit. Und so war das Eigentümliche im Westen die Hochflut des wirtschaft­lichen Lebens unter der Unbrüderlichkeit, daher zum Kapitalismus hintendierend. Im Osten die Brüderlichkeit ohne die Wirtschaft; bei­des wurde auseinandergehalten durch Mitteleuropa, durch uns. Wir haben die Aufgabe – und das ist dasjenige, was vor allen Dingen der Lehrer wissen müßte -, wir haben die Aufgabe, synthetisch zusammen­zufassen die Brüderlichkeit des Ostens mit der Unbrüderlichkeit, aber wirtschaftlichen Denkweise des Westens. Dann sozialisieren wir im großen Weltensinn, wenn wir das zustande bringen.
Und wiederum schauen wir nach dem Osten mit einer richtigen Richtlinie

in de toekomst zou er broederlijkheid moeten heersen; die is echter verdwenen uit het westelijke, imperialistische, politiek-economische streven. De broederlijkheid is daar weggebleven, uitgeschakeld. Daardoor kreeg alles, wat daar leefde een sterk kapitalistisch karakter.
De broederlijkheid ontwikkelde zich echter in het Oosten. Wie het wezen van het Oosten bestudeert op het gebied van ziel en geest weet, dat daar in de mensheid werkelijk zin voor broederlijkheid leeft. En zo is het eigenaardige van het Westen een overmaat van het economische leven met onbroederlijke, naar het kapitalisme neigende tendenzen; en van het Oosten de broederlijkheid zonder streven op economisch gebied. Beide werden in Midden-Europa van elkaar gehouden, door ons. Wij  hebben de opgave — en dat is vooral wat de leraar, moet weten — wij hebben de opgave synthetisch samen te voegen de broederlijkheid van het Oosten met de zin voor het praktisch economische van het Westen. Dan socialiseren we, in de zin van de grote, levende wereldgebeurtenissen, als we dat tot stand brengen.
Kijken we nog eens naar het Oosten vanuit een juist gezichtspunt.

Da haben wir von alters her ein hohes Geistesleben. Daß es heute schon erstorben wäre, kann nur jemand behaupten, der Rabindranath Tagore nicht versteht. Es lebt da der Mensch ein geistig-politisches Leben. Das ist im Osten. Wo ist sein Gegenpol? Der ist nun wiederum im Westen. Denn diesem geistig-politischen Leben des Ostens fehlt etwas: die Freiheit. Es ist eine Gebundenheit, die bis zur Selbstentäußerung des Menschen in Brahma oder Nirwana geht. Es ist das Widerspiel aller Freiheit. Freiheit hat sich dafür der Westen erobert. Wir sind dazwischen drinnen, wir müssen das synthetisch zu­sammenfassen. Solches können wir nur, wenn wir klar im Leben aus­einanderhalten Freiheit und Brüderlichkeit, und das dazu haben, was die Gleichheit ist. Wir müssen unsere Aufgabe nicht nur verstehen so, daß sich für alle alles schickt. Denn es ist der Verderb alles Wirklich­keitsstrebens, wenn man abstrakt denkt. Diejenigen Menschen ruinie­ren alles wirklichkeitsgemäße Denken, die glauben, man könne über die ganze Erde hin ein einheitlich abstraktes Ideal aufstellen, oder für die Gegenwart eine solche gesellschaftliche Ordnung bestimmen, die

Daar vinden we een groots geestesleven vanuit oude tijden. Dat het tegenwoordig dood zou zijn, kan je alleen maar beweren als je bijv. een Rabindranath Tagore* niet begrijpt. De mens daar leeft een geestelijk-politiek leven. Zo is het Oosten. En waar is de tegenpool? Die is weer in het Westen te vinden. Want dit geestelijk-politieke leven in het Oosten mist iets: de vrijheid. Daar heerst de gebondenheid, die zelfs tot aan het verlies van het zelf tot Brahma of Nirwana voert. Dat is het tegenovergestelde van vrijheid. Het Westen heeft  de vrijheid veroverd. Wij staan daar tussenin, wij moeten dat synthetisch bij elkaar brengen. Zoiets kunnen we alleen, wanneer we vrijheid en broederlijkheid duidelijk van elkaar gescheiden houden, en dan bovendien nog de gelijkheid ierbij hebben. Wij moeten onze opgave alleen niet zo opvatten, als zou die voor de hele wereld goed zijn. Want het is verderfelijk voor alle streven, dat in de werkelijkheid wortelt, wanneer je abstract denkt. Mensen die geloven, dat je een voor de hele aarde geldend abstract ideaal kan formuleren, of in onze tijd kan bepalen, hoe de maatschappelijke orde moet zijn, die eeuwig geldig en goed is

*Rabindranath Tagore, 1861-1941, indischer Dichter und Religionsphilosoph

blz. 122

ewig gültig wäre. Unsinn ist das nicht nur, sondern Versündigung wider die Wirklichkeit, denn jeder Raumteil und jeder Zeitteil hat seine eigene Aufgabe, die man erkennen muß. Dann aber muß man nicht zu faul sein, in die wirklich konkreten Menschenverhältnisse hineinzuweisen. Dann muß man seine Aufgabe dadurch erkennen, daß man die Tatsachen sinngemäß zu studieren versteht. Immer mehr weg von einem solchen sinngemäßen Studieren der Tatsachen hat uns die neuere Volkspädagogik gebracht. Sie will nichts wissen von einem solchen konkreten Eingehen auf Erscheinungen. Denn da fängt ge­rade die Region an, wo sich der Mensch heute unsicher fühlt. Die Menschen möchten heute definieren, statt zu charakterisieren. Sie möchten heute Tatsachengebilde in sich aufnehmen, statt diese Tat­sachengebilde als bloße Symptome hinzunehmen für dasjenige, was sich in den tieferliegenden Impulsen ausdrückt. Ich rede heute so, daß dasjenige, was ich rede, entnommen sein soll der Region, aus der heraus man heute pädagogisch sprechen müßte. Und diejenigen Menschen, die am besten eingehen können in Be­trachtungen über eine solche Region, die sind heute die besten Er­zieher und Unterrichter, nicht diejenigen, die man abfrägt, ob sie das oder jenes in diesem oder jenem Fach wissen; das können sie aus dem Handbuch nachlesen, oder sie können aus dem Konversationslexikon sich vorbereiten für die Stunde. 

die ruïneren alle denken, dat zich op de werkelijkheid baseert. Dit is niet alleen onzin, maar een zondigen tegen de werkelijkheid, want ieder deel van de ruimte, ieder deel van de tijd heeft zijn eigen opgave, die men kennen moet. Daarvoor moet je echter niet te traag zijn, om in de werkelijke, concrete verhoudingen van de mensheid door te dringen. Je moet dan echter wel je opgave kennen, dat je de feiten zinvol weet te bestuderen. De volkspedagogiek heeft ons daar steeds verder vandaan gebracht. Die wil niets weten van zo’n concreet ingaan op de dingen, want daar begint de sfeer, waar de mens zich tegenwoordig onzeker voelt. De mensen willen tegenwoordig het liefst definiëren, inplaats van te karakteriseren. Ze zouden tegenwoordig liever feitenformules in zich opnemen, in plaats van deze feiten enkel als symptomen te beschouwen voor wat als diepere impulsen in het mensheidsproces tot uitdrukking komt. Ik spreek vandaag zo, dat wat ik zeg, ontleend wil zijn aan die sfeer, van waaruit men tegenwoordig over opvoeding zou moeten spreken. En wie zich het beste kan verbinden met de gezichtspunten vanuit deze sfeer, is tegenwoordg de beste opvoeder en leraar, niet degene die men examineert of hij dit of dat van een of ander leervak weet; dat kan je wel in een handboek nalezen, of in een encyclopedie, wanneer je je op een lesuur moet voorbereiden.

Was sie als Menschen sind, das ist das­jenige, was für die zukünftigen Prüfungen in Betracht kommen müßte. Ein solches Geistesleben in pädagogischer Wendung, das macht es schon aus sich selbst notwendig, daß man nicht bloß präpariert wird in einer gewissen einseitigen Weise für das Kulturleben, sondern daß man in allen drei Zweigen des Menschenwesens auch wirklich, als Geisteswirker wirklich drinnen steht. Ich stehe nicht an, zu behaupten, daß derjenige, der nie mit der Hand gearbeitet hat, keine Wahrheit in der richtigen Weise sehen kann, daß er niemals richtig im Geistesleben drinnen steht. Das soll gerade erreicht werden, daß der Mensch hin und her geht in den drei Gebieten des dreigliedrigen sozialen Organis­mus; daß er reale Beziehungen anknüpft zu allen drei Gliedern des­selben; daß er arbeitend, wirklich arbeitend ist in allen dreien. Die Möglichkeiten dazu, oh, sie werden sich ergeben. Aber der Sinn dafür,

Wat men als mens is, daar moet het bij de examens van de toekomst om gaan. Zo’n geestesleven, op de pedagogie toegepast, maakt het op zich al noodzakelijk, dat je niet alleen maar op een eenzijdige manier voorbereid wordt voor het cultuurleven, maar dat je daadwerkelijk als iemand die werkt op het gebied van de drie wezensdelen van de mens, sterk staat. Ik aarzel niet te beweren dat degene die nooit met zijn handen heeft gewerkt, de waarheid niet op een juiste manier kan zien, dat die nooit op een goede manier in het geestesleven kan staan. Er moet nu juist bereikt worden, dat de mens in reële betrekking leeft tot alle drie gebieden van het drieledige sociale organisme; dat hij werkelijk werkzaam is — op zijn manier — op alle drie de gebieden. De mogelijkheden daarvoor zijn wel te vinden. Dat

blz. 123

der muß in die Köpfe namentlich der künftigen Jugendbildner durchaus hinein.
Dann wird ein anderer Sinn noch erwachen: der Sinn, über das Spezialistentum hinauszugehen zu dem, was wir zu erzeugen versuch­ten durch das, was hier Anthroposophie genannt wird. Erreicht wer­den muß, daß nie abreißt der Faden zu einer allgemein menschlichen Betrachtung, zu einer Einsicht in dasjenige, was der Mensch eigent­lich ist; daß man nie im Spezialistentum untergeht, trotzdem man in der Spezialität seinen Mann stellen kann. Das erfordert allerdings ein viel aktiveres Leben, als es heute vielfach beliebt ist. Ich habe öfter eine außerordentlich mißstimmende Erfahrung ge­macht bei allerlei Gelehrten- und Fachversammlungen. Da kommen Leute zusammen mit dem ausdrücklichen Zweck, ihr Fach zu fördern. Nun ja, das wird ja auch stundeniang, manchmal sehr fleißig, sehr emsig getan. Aber dann habe ich oftmals einen sonderbaren Ausdruck gehört, den Ausdruck «Fachsimpelei». Man wollte nur ja auch die Stunden finden, wo man nicht mehr fachsimpelt, nicht mehr von dem redet, ja, was eigentlich sein Fach ist. Es ist zumeist das dümmste Zeug, was dann geredet wird, das langweiligste Zeug, aber es wird nicht fachgesimpelt; es werden so die Leute ausgefragt, sonst manche Dinge besprochen, vielleicht auch manchmal bessere – aber das wird gar nicht gern gesehen-, kurz, man ist froh, wenn man über die Fach­simpelei hinaus ist. 

men zin voor deze dingen heeft, dat is het echter, wat „er in” moet bij de toekomstige opvoeders van de jeugd. Dan zal ook de zin voor iets anders ontstaan: de zin, om boven het specialistendom uit, te komen tot wat wij probeerden te bereiken door alles wat hier antroposofie genoemd wordt. We moeten bereiken, dat nooit de draad afbreekt, die de mens verbindt met een algemeen menselijk beschouwen van het leven, die tot inzicht leidt in alles, wat de mens eigenlijk is; wij moeten zorgen dat men niet ondergaat in het specialistendom, hoewel men in zijn vak zijn mannetje moet staan. Dat eist van ons zeer zeker een veel actiever leven dan waarvan men tegenwoordig houdt. Ik heb vaker bij allerlei vergaderingen van geleerden en specialisten een buitengewoon vervelende stemming ervaren. Daar komen mensen bij elkaar met het nadrukkelijke doel, om hun tak van wetenschap vooruit te brengen. Nu ja, dat wordt dan ook uren lang, vaak met veel inzet, zeer ernstig gedaan. Maar dan heb ik daar dikwijls een wonderlijke uitdrukking gehoord n,l. de uitdrukking „Fachsimpelei.” [puur beroepsmatig, vaktechnisch bezig zijn, ook vakidiotie]. En men wilde daarom ook tijd vinden, waarin men niet meer aan deze „Fachsimpelei” deed, niet meer sprak over alles, wat tot zijn vakgebied hoorde. Wat er dan meestal besproken werd, was echter het vervelendste en oninteressantste, maar er werd niet meer aan „Fachsimpelei” gedaan; men vroeg elkaar van alles, er werden veel andere dingen besproken, misschien ook dikwijls betere – maar dat ziet men niet graag -. kortom, men is blij als men van dat voortdurend praten over zijn speciaal studievak af is.

Ja, beweist das nicht, wie wenig man zusammen­geschlossen ist mit demjenigen, was man eigentlich für die Menschheit tut und tun soll, wenn man froh ist, wenn man ihm entschlüpfen kann? Und nun frage ich Sie: Wird jemals eine führende Menschheit, die so schnell wie möglich ihren Fächern zu entschlüpfen versucht, in der Lage sein, einer arbeitsfreudigen handarbeitenden Bevölkerung gegen­überzustehen? Wenn Sie heute selbstgefällig reden über dasjenige, was bei der eigentlich handarbeitenden Bevölkerung als Schäden vor­handen ist, dann fragen Sie ja nicht diese handarbeitende Bevölkerung, sondern fragen Sie das Bürgertum, denn das hat die Schäden erzeugt; da sind sie überall zuerst zu finden. Diejenigen, die in den verödenden Kapitalismus eingespannt sind als Handarbeiter, die können wahr­haftig nicht in eine Ordnung hineinkommen, in der ihnen ihre Arbeit

Bewijst dat niet, hoe weinig men met zijn hele menselijke interesse verbonden is met alles, wat men voor de mensheid doet of moet doen, als men blij is, eens van zijn werk af te kunnen zijn. En nu vraag ik u: zal ooit een leidinggevend deel van de mensheid, dat zich graag zo snel mogelijk aan zijn werk onttrekt, met een werkende bevolking, die voor zijn werk voelt, samen kunnen leven ? Men spreekt tegenwoordig op een zelfvoldane manier, over alles, wat bij de bevolking, die met de handen werkt, aan schadelijke impulsen leeft; maar vraag dan eens, niet aan deze werkende bevolking, maar aan de bourgeoisie, dan zal je vinden wat oorspronkelijk deze schadelijke invloeden in ’t leven heeft geroepen; daar, bij de bourgeoisie, is dit alles het eerst te bespeuren geweest. Degenen, die in het dorre kapitalisme in het gareel moeten lopen als arbeiders, die kunnen zich echt niet in een maatschappelijke orde thuisvoelen, waarin hun werk

blz. 124

Freude macht, wenn darüber die Schicht steht, die immer so schnell wie möglich entschlüpfen will demjenigen, in dem sie freudig drinnenstehen soll. Das sind die ethischen Nebeneffekte unserer bisherigen Pädagogik. Das ist dasjenige, was vor allen Dingen gesehen werden muß, was vor allen Dingen anders werden muß. Da ist vieles, was in den Denkgewohnheiten der Unterrichtenden und Lehrenden zukünf­tig anders drinnen sein muß, als es bisher drinnen war. Was wollte ich Ihnen in diesen Ausführungen auseinandersetzen? Nun, ich wollte Ihnen klar machen, wie radikal heute hingewiesen werden muß auf dasjenige, was zu geschehen hat. Wie es durchaus notwendig ist, herauszukommen aus dem Kleinlichen, aus dem furcht­bar Kleinlichen, in das wir unsere Denkinhalte hineingezwängt haben, unser ganzes Empfindungs- und Willensieben hineingezwängt haben. Wie soll denn ein Wille gedeihen – und  wir brauchen diesen Willen in der Zukunft -, wenn er im Lichte dieser kleinen, dieser Denkgewohnheiten kleinsten Kalibers und Empfindungsgewohnheiten kleinsten Kalibers stehen soll?
Was haben wir heute alles nicht, was wir in der Zukunft haben müßten?

hun voldoening geeft, als boven hen een deel van de bevolking staat, dat steeds zo snel mogelijk alles ontlopen wil, waarmee het eigenlijk steeds met zin in het werk zich verbonden moest voelen. Dat zijn de ethische neveneffecten van de pedagogie tot nog toe. Dat moeten we vooral inzien en dat moet vooral anders worden. Er is veel dat in de denkgewoonten van de leraar in de toekomst anders moet zijn dan tot nog toe.
Wat wilde ik nu met deze besprekingen ? Ik probeerde u er een idee van te geven, hoe radicaal men tegenwoordig op alles moet wijzen, wat er gebeuren moet. Hoe nodig het werkelijk is, al die zo vreselijk kleinzielige dingen te boven te komen, die onze denkgewoonten, ons willen en onze levensgewoonten beheersen. Hoe zal er een wil gedijen — en die hebben we voor de toekomst nodig — wanneer we door zoveel kleingeestigheid beheerst worden ? Wat bezitten we tegenwoordig dan allemaal niet, wat we in de toekomst moeten hebben?

Wir müssen eine wirkliche Volkspsychologie haben. Wir müssen wissen, was alles im Menschen ist, der heranwächst. Dieses Erkennen haben wir ausgeschaltet. Statt dessen haben wir eine Prü­fungsmethode bekommen, die am Menschen herumexperimentiert, weil sie auf Eigentümlichkeiten nicht intuitiv eingehen kann. Es sollen allerlei Apparate verraten, was der Mensch für Fähigkeiten hat. Und wir getrauen uns heute nicht, auf diese Dinge hinzuweisen. Warum? Weil wir nicht das Interesse aufbringen für diese Dinge. Weil wir durch die Welt mit schlafender Seele gehen. Unsere Seele muß er­wachen. Wir müssen auf die Dinge hinschauen. Dann werden wir sehen, daß vieles, was wir heute als große Fortschritte verehren, Ab­surditäten sind. Dieser arme Pädagoge der Volksschule, er wird ja heute hinausgeschickt wie ein menschliches, zahm gemachtes Kanin­chen, um gar nicht sehen zu können, was eigentlich in der Welt lebt. Und der erzieht die Menschen, die dann so erzogen werden, daß sie an ihren Mitmenschen vorbeigehen und keine Ahnung haben, was in den Seelen dieser Mitmenschen lebt. Jetzt ist es so – ganz abgesehen davon,

We moeten een echte volkspedagogie hebben. We moeten weten, wat in er in de jonge mens opbloeit. Deze kennis hebben we uitgeschakeld. In plaats daarvan hebben we examens gekregen, die met de mens experimenteren, omdat men innerlijk intuïtief geen aandacht kan hebben voor de bijzondere eigenschappen. Allerlei apparaten moeten voor ons onthullen, welke capaciteiten de mens heeft. Onszelf als mens vertrouwen we bij dit alles niet. En waarom? Omdat we geen echte interesse voor die dingen hebben. Omdat we met slapende ziel door de wereld gaan. We moeten wakker worden! We moeten naar die dingen kijken. Dan zullen we zien, dat veel wat we tegenwoordig als grote vooruitgang vereren, absurditeiten zijn. Onze arme basisschoolleerkracht, hij wordt tegenwoordig de wereld ingestuurd, als een menselijk, tam gemaakt konijntje, om hem maar niet te laten zien, wat er eigenlijk in de wereld leeft. En dan voedt hij de mensen zo op, dat ze langs hun medemensen heen leven, en geen vermoeden hebben, van wat er in de mensen omgaat. Het is tegenwoordig zo, geheel afgezien daarvan

blz. 125

daß viele Kreise des Bürgertums selbstverständlich keinen Willen haben, auf die großen zeitgenössischen Fragen und Impulse einzu­gehen -, daß diejenigen, die einen Willen haben, heute kaum zu brau­chen sind, weil sie absolut nichts wissen von alledem, was notwendig ist; weil sie die Zeit vollständig verschlafen haben, in der das Proleta­riat, ich möchte sagen, Tag für Tag durch Jahrzehnte schon sich poli­tisch geschult hat. Und heute noch erlebt man es – ich muß es schon sagen – in den seltensten Fällen, daß Proletarier sich finden, die immer wiederum den Einwand machten, wenn es sich darum handelt, heute über die großen Fragen der Zeit zu sprechen, keine Zeit dazu zu haben, zu beschäftigt zu sein; sie suchen sich die Zeit. Klopft man irgendwo bei bürgerlichen Gruppen an, die haben alle so viel zu tun, daß sie keine Zeit haben, sich mit den zeitgenössischen Fragen zu be­schäftigen; sie haben alle so viel zu tun. Aber daran liegt es nicht. Sie haben nämlich gar nicht einmal eine Ahnung, womit sie sich be­schäftigen sollen. Sie können gar nicht irgendwo anfassen, weil sie durch nichts dazu erzogen worden sind. Das ist wiederum keine pessimistische Betrachtungsweise; das soll auch keine Philippika sein, sondern das ist einfach das Konstatieren einer Tatsache. 

dat men in vele kringen van de bourgeoisie natuurlijk niet de wil heeft, in te gaan op de grote vragen van de tijd, — dat degenen die de wil daartoe hebben, tegenwoordig nauwelijks bruikbaar zijn, omdat ze absoluut niets weten van alles, wat noodzakelijk gebeuren moet, omdat ze volkomen de tijd verslapen hebben, waarin het proletariaat, ik zou willen zeggen, dag in dag uit al tientallen jaren, zich politiek geschoold heeft. En tegenwoordig nog komt het slechts zelden voor, dat er proletariërs zijn, die al maar  de tegenwerping maken, als het er om gaat, over de grote vragen van de tijd te spreken, dat ze „geen tijd” voor dat alles hebben, te veel bezet zijn, zij zoeken tijd. Klopt men echter eens in burgerlijke kringen aan — daar heeft men altijd zo vreselijk veel te doen, dat men geen tijd heeft zich met de vragen van het moderne leven te bemoeien. Maar daar ligt het niet aan. Men heeft er daar n.l. helemaal geen flauw idee van, waarmee men zich zou moeten bezig houden! Men kan helemaal het punt niet vinden, waar men de dingen kan aanpakken, omdat men daartoe niet is opgevoed.
Dat zijn eveneens geen pessimistische opvattingen; het is ook niet bedoeld als een preek, maar eenvoudig om een feit constateren.

So haben wir es denn erlebt, daß da, wo das Leben selbst die Menschen gezwungen hat, sich zu schulen, sie sich geschult haben. Wo die Leute sich hätten schulen können aus ihren Impulsen heraus, da ist es unterlassen worden, da ist es vollständig unterblieben. Deshalb stehen wir heute in der Misere drinnen, und deshalb hören wir über alles, was heute versucht wird, nicht allein das Reden aus bösem Willen, der ja schon reichlich auch vorhanden  ist, sondern all das unverständige Zeug, das bloß aus der Unkenntnis des Lebens her­stammt: weil keine Schule jemals dafür gesorgt hat, daß das Lernen gelernt wird. Einzelne Kenntnisse sind wohl immer durch die Wände der Bequemlichkeit gesickert und den Menschen beigebracht worden, aber es ist nicht erfolgt aus der Art, wie an den Menschen herangekom­men wird, daß der Mensch mit offenen Sinnen den Erscheinungen des Lebens gegenübersteht.
Viel, viel könnte heute schon durch die traurigen Tatsachen auch auf den Seiten eingesehen werden, wo man noch immer in der alten

En zo hebben we ervaren, dat daar, waar het leven de mensen dwong, om zich voor het leven te scholen, dat ze zich ook werkelijk geschoold hebben. Waar de mensen zich hadden kunnen scholen uit eigen vrije beweging, heeft men het verzuimd. Daarom zitten we tegenwoordig in de misère; en daarom horen we over alles, wat wij tegenwoordig proberen, niet alleen met kwade bedoelingen spreken — wat ook al veelvuldig voorkomt — maar horen ook al dat onbegrijpelijk gebazel, wat enkel het gevolg is van het niet kunnen begrijpen van het leven, omdat geen school er ooit voor zorgde, dat het leren geleerd werd. Door de wanden van de gemakzucht, die de mensen van het leven scheidden, zijn altijd wel een paar levenswaarheden doorgedrongen, maar allerminst als gevolg van de manier, waarop de mensen zijn opgevoed.
Heel veel zou er tegenwoordig al ingezien kunnen worden door de treurige gebeurtenissen, ook daar waar men nog steeds maar op de oude

blz. 126

Weise fortredet, und wo es einem so vorkommt, als wenn das Uhr­werk des Gehirns einmal aufgezogen wäre und absurren müßte. Äußere Versammlungen verlaufen heute noch immer so, wie sie vor dieser Kriegskatastrophe verlaufen sind. Die Menschen haben in großer An­zahl von diesen furchtbaren Ereignissen wenig gelernt, weil sie eben nicht verstanden haben zu lernen. Nun werden sie durch die Not ler­nen müssen, was sie durch die Schrecken nicht gelernt haben. Ich habe Ihnen hier vor Zeiten angeführt einen Ausspruch eines ganz beschei­denen und gebildeten Lebensbeobachters, Herman Grimms, der auch in meiner Schrift «Die Kernpunkte der sozialen Frage» steht. Der Mann hat schon in den neunziger Jahren gesagt: Wenn man das Leben um uns herum heute anschaut daraufhin, wohin es stürmt, namentlich mit den unaufhörlichen Rüstungen überall, dann ist es so, daß man am liebsten einen Tag des allgemeinen Selbstmordes festsetzen möchte, so trostlos nimmt sich dieses Leben aus. Doch die Leute wollten in Träumereien und Illusionen leben; die, welche sich Praktiker nennen, am meisten. Heute aber ist die Notwendigkeit da, aufzuwachen. Und wer nicht aufwacht, wird nicht mittun können an dem, was heute not­wendig ist, notwendig für jeden einzelnen Menschen. Mancher weiß noch gar nicht einmal, wo er die Hand an den Hebel ansetzen soll.
Das wollte ich Ihnen sagen, gewissermaßen als eine Art von Auseinandersetzung, wie man sie geben sollte heute gerade auf Lehrer-tagungen; gerade vor solchen Leuten sollte man sie entwickeln, welche die Jugend zu bilden haben. Denn die sollten hinschauen auf das­jenige, was geschehen muß. Wenn wir diese Betrachtungen fortsetzen werden, werden wir wiederum näher auf speziell pädagogische, volkspädagogische Dinge eingehen.

manier verder praat, zodat men dikwijls het gevoel heeft, of het hersenuurwerk, eenmaal opgewonden, al maar op de oude wijze moet aflopen. Allerlei vergaderingen verlopen nog steeds, zoals ze vóór de oorlog verliepen. Een groot aantal mensen heeft van de vreselijke gebeurtenissen weinig geleerd, omdat ze niet begrepen hebben, van het leven te leren. Nu zal de nood hen moeten leren, wat de verschrikking van de oorlog niet voor elkaar kreeg.
Ik heb u hier eerder eens een uitspraak van een zeer bescheiden en ontwikkeld beschouwer van het leven weergegeven, die ook in mijn boek: „De kernpunten van het Sociale Vraagstuk” [3] staat. Deze H. Grimm* heeft al omstreeks 1890 gezegd: als we het leven om ons in ogenschouw nemen en vragen, waar gaat het met rasse schreden heen met deze onophoudelijke oorlogsvoorbereidingen, dan ziet het er zo uit dat men het liefste een dag zou willen vaststellen voor een algemene zelfmoord: zo troosteloos ziet het leven eruit. Maar de mensen wilden liever in dromerijen en illusies leven: — wie zich man van de praktijk noemt nog het meest. Tegenwoordig is het echter noodzakelijk, om wakker te worden. Wie dat niet doet, zal niet kunnen meehelpen, aan wat noodzakelijk is, noodzakelijk ook voor ieder mens afzonderlijk. Menigeen weet nog in ’t geheel niet, waar hij de hand aan de ploeg moet slaan.
Dit alles wilde ik u als een soort uiteenzetting geven, zoals men die met name vandaag de dag op lerarenbijeenkomsten moet ontwikkelen voor de mensen die de jeugd moeten opvoeden. Want die zouden er oog voor moeten hebben, wat er gebeuren moet. Wanneer we met deze beschouwingen nog verder gaan, zullen we op meer speciaal pedagogische zaken ingaan.

*126 Herman Grimm, 1828-1901. Der Ausspruch steht in seinem Buche «Fünfzehn Essays. Vierte Folge. Aus den letzten fünf Jahren» S. 46. In den «Kernpunkten» (1919) (GA 23) von Rudolf Steiner wird er auf Seite 146f. zitiert.

.

[1] GA 192
[2] GA 192 voordracht 5 (Duits)
[3] De kernpunten

de 1e voordracht over volkspedagogie (voordracht 4 in de totale reeks)
de 3e voordracht (voordracht 6 in de totale reeks)
.

Rudolf Steiner over pedagogie(k)alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1586-1485

.

.

.