Tagarchief: angstige kind

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (21-1)

.
Joyce Honing wn Petra Weeda, Weleda Puur Kind, herst 2004, nr. 4

.

Straffen: soms heeft je kind het gewoon nodig

Straffen is niet het makkelijkste stuk van de opvoeding. Toch kan het corrigeren van gedrag bijdragen aan het vertrouwen van een kind in zichzelf en in zijn omgeving. Met name bij kinderen die zich om welke reden dan ook niet veilig hebben kunnen hechten, kan dat van groot belang zijn. Voorwaarde is wel dat je correctie direct aansluit bij het signaal dat je kind geeft.

R is een stevige baby met bolle wangetjes en een perzikhuidje. Zijn helderblauwe ogen kijken dromerig de wereld in. Met drie maanden gaat hij naar de crèche. Als zijn moeder ’s morgens afscheid van hem neemt, lacht Remco naar haar, kijkt dan naar de leidster, lacht ook haar toe en zijn moeder kan in alle gemoedsrust vertrekken. R huilt zelden. Als hij slaapt, ligt hij tevreden op zijn rug met zijn handjes naast zijn oren. Als hij wakker is, wacht hij rustig tot hij wordt opgehaald. R is zo’n makkelijk ventje dat je moet oppassen hem niet te vergeten.

Eenzame agressie

Een paar jaar later zie ik R terug in de peuterklas. Nog dezelfde stevige bouw, blauwe ogen en blond haar, maar toch herken ik hem maar met moeite.
Als zijn moeder afscheid van hem neemt, reageert hij nauwelijks. Met hangende schouders staat hij voor het raam naar buiten te kijken zonder dat hij echt kijkt. Plotseling draait hij zich om en loopt lukraak ergens naar toe. Als hij merkt dat daar niets is, loopt hij even doelloos weer een andere kant op, zijn bewegingen als verloren in de ruimte. Ook op het speelplein loopt hij richtingloos rond, zijn armen slap langs zijn lijfje. Hij kijkt hoe E en A stoeien om de schommel. Met een uitdrukkingsloos toetje, als een soort spons, neemt hij het tafereel op. Als E de schommel heeft bemachtigd, loopt R naar haar toe en begint hard aan de schommel te rukken. E loopt krijsend weg. R gaat op de schommel zitten maar glijdt er meteen weer af. Het gaat hem niet om de schommel. Hij doet alleen na wat hij E zag doen, maar zonder innerlijke betrokkenheid, zonder plezier, zonder er wat dan ook aan te beleven. Als zijn moeder hem komt halen, geeft hij geen enkel teken van vreugde.

Na een paar weken begin ik iets van een diep verborgen wanhoop in R’s bewegingen te ontdekken. Als hij S in het vuur van haar spel achteloos de poppendekentjes over haar schouder ziet gooien om ze daarna weer op te pakken en de pop er lekker mee toe te dekken, loopt hij ook naar het poppenbed en begint de dekentjes rond te gooien. Even later gooit hij een blokje onverschillig van zich af. Er sluimert een eenzaam soort agressie in hem die niet op een ander maar op zichzelf is gericht. Alsof hij zeggen wil: ik loop nu al drie jaar rond in de wereld maar ik begrijp nog steeds niet wat ik ermee aanmoet.

Dagelijkse dingen

R heeft een enorme behoefte aan veiligheid. Maar hij is onzeker over de wereld om hem heen en weet er op geen enkele manier een relatie mee aan te gaan. Met zijn vermijdende gehechtheidsgedrag zegt hij eigenlijk: help me om de wereld te vinden en me daar veiliger in te voelen. Zelf heeft hij geen idee hoe dat moet, dus je zult hem bij de hand moeten nemen om dat samen met hem te doen. Betrek hem zoveel mogelijk bij allerlei dagelijkse karweitjes. Benoem alles voor hem: We gaan samen boodschappen doen, de tuinspullen opruimen en daarna een boterham eten. Je vertrouwde stem geeft de dingen zin en betekenis. R heeft snel het gevoel te ‘zwemmen’ in een voor hem grenzeloze ruimte. Leer hem geleidelijk met ruimte om te gaan door deze eerst zoveel mogelijk te beperkten totdat hij de grenzen ervan heeft beleefd.
Omdat R’s gedrag zo onduidelijk en ontwijkend is, ben je geneigd hem voortdurend te ontzien. Dat is voor hem funest. Hij heeft milde maar duidelijke correctie nodig om de betekenis van de dingen om hem heen te begrijpen. Als dat niet gebeurt, zal hij eenzamer en onzekerder worden en onderhuids zal de agressie groeien. Maak hem duidelijk dat dekentjes er zijn om de pop mee toe te dekken en dat een weggeslingerd blokje een ander kind kan bezeren. Wees niet kinderachtig in de eisen die je aan hem stelt. Als hij zelf zijn boterham moet smeren, neem dan geen genoegen met half werk. Het zal hem uiteindelijk meer vertrouwen geven in zijn eigen handelen.

Krabben en bijten

Ook A van vier vertoont signalen van onveiligheid. Bij haar hebben ze meer het karakter van de ambivalente hechting. Ze heeft een tenger, beweeglijk lijfje, een boos gezichtje en donkere ogen die nauwelijks zichtbaar zijn onder de omlaag getrokken wenkbrauwen.
Op school klampt ze zich iedere morgen woedend aan haar moeder vast en krijst ze haar keel rood. Die voelt zich daar onhandig en onzeker over en verdwijnt meestal zo snel en geruisloos mogelijk. A blijft boos achter. Boos op de juf, op het speelgoed dat ze afwijst, op de boterham die ze niet wil eten. Ze is onaanspreekbaar, loopt als een dolle kat in de klas rond en richt haar ongenoegen op de kinderen om haar heen door ze te krabben, te bijten of te slaan. Ook haar moeder bestookt ze met boze agressie als die haar van school komt halen. Die voelt zich verlegen met de situatie en doet alsof ze er niet zwaar aan tilt. A’s ouders hebben voortdurend argumenten bij de hand om
haar gedrag te verklaren en te vergoelijken. Iedere keer als A een stap naar voren doet, lijken zij een stap terug te doen.

A wantrouwt haar omgeving. Ze wijst iedere relatie met mensen of dingen volledig af omdat onbekende onveiligheid voor haar nog erger is dan de onveiligheid die ze al kent. Voordat ze zich aan een ander zal kunnen hechten, zal ze grip moeten krijgen op zichzelf. Ze kan zichzelf alleen tegenkomen als je haar gedrag serieus neemt en het corrigeert als dat nodig is. A wil waargenomen worden. Ze wil dat jij ziet dat haar handjes slaan en haar tandjes bijten omdat ze boos is. Door haar signalen te negeren en te excuseren, zal haar agressie en daarmee ook haar isolement groeien. Op den duur zal ze niet anders kunnen dan de tent helemaal afbreken. Door op het juiste moment nee, hier buig ik niet meer mee tegen A te zeggen, geef je antwoord op haar signaal. Consequent en duidelijk corrigeren zal helpen de onveilige hechting om te buigen naar een veiliger hechtingsproces. Gedrag corrigeren – of noem het straffen – is niet het makkelijkste facet van opvoeden. Straffen heeft alleen zin als de straf direct aansluit bij het gedrag. A vraagt om consequentie en duidelijkheid op dat gebied. Dan kan ze straf plaatsen en begrijpen. Als de straf voortkomt uit een ander motief dan gedragscorrectie, bijvoorbeeld de behoefte aan eigen genoegdoening of het uiten van je eigen gevoelens van onmacht, dan zullen kinderen straf als vervreemdend ervaren.

Vertrouwen herstellen

De omstandigheden waarin L is geboren en opgegroeid, zijn niet makkelijk. Ze mist basale veiligheid en toont duidelijke tekenen van vermijdende gehechtheid. Maar L lijkt zich daar niet bij neer te leggen. Vanaf het moment dat ze haar ogen opent totdat ze die ’s avonds weer sluit, neemt ze bikkelhard verantwoordelijkheid voor haar eigen leventje Ze gaat zelf op zoek naar dat wat haar ouders haar niet hebben kunnen geven: vertrouwen, veiligheid en de mogelijkheid zich te hechten en ze doet dat door haar spel. Spel is haar borg om zich te leren verbinden. Door het regisseren van de andere kinderen probeert ze greep te krijgen op de wereld. Ze organiseert haar omgeving als het ware eerst buiten zich, om hem daarna te kunnen integreren. Daarbij is woede haar drijfveer. Dat roept meestal niet de sympathie van haar omgeving op en ze wordt dan ook zowel thuis als op het kinderdagverblijf vaak gestraft voor haar dominante gedrag. Maar juist L is niet gebaat bij straf of correctie. Wat zij nodig heeft is respect voor wat zij doet en eindeloos, eindeloos veel liefde en geduld.

Vertrouwen herstellen

Een veilig gehecht kind reageert met gezonde emoties als blijdschap, tevredenheid, verdriet, teleurstelling of angst op gebeurtenissen. Kinderen als R, A en L kunnen of durven dat niet. Zij maken met extreem gedrag – de meeste onveilig gehechte kinderen plassen en poepen ook in de peuter- en kleuterleeftijd nog (of weer) in hun broek – duidelijk dat er extra aandacht nodig is voor het hechtingsproces. Dat betekent niet dat je voortdurend met hen moet gaan zitten knuffelen, spelen of ‘quality time’ moet inplannen. Quality time heeft vooral te maken met je eigen mogelijkheden en je kind vraagt er juist om gezien te worden op de momenten dat hij dat nodig heeft. Hij wil merken dat hij er toe doet, dat hij er zó toe doet dat je zelfs je drukke bezigheden even voor hem aan de kant wilt zetten. Als je hem dat kunt bieden, zal het basisvertrouwen worden hersteld en de relatie met de buitenwereld minder beangstigend zijn. 

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasen van het kind

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1902

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (16-1)

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit. 
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.
.

De kostbare kant van angstige en onrustige kinderen

We kennen ze allemaal wel, de angstige vogeltjes, de overactieve branieschoppers, de verdrietige tobbertjes.

Het zijn kinderen die je vaak een gevoel van onmacht bezorgen omdat niet duidelijk is waar de angst, de koppigheid of de onrust vandaan komen. Opvoedingsdeskundige Henning Köhler leert je begrijpen wat er eigenlijk in je kind omgaat als het bang of boos is.
Een gesprek met een bevlogen kinderpsycholoog die uit eigen ervaring weet wat het is om een probleemkind te zijn.

Als kind voelde ik me een buitenstaander en het idee dat ik anders was dan ik eigenlijk had moeten zijn, heeft zich toen al heel diep in me genesteld.’

Henning Köhler vertelt met zijn diepe basstem hoe hij in aanraking kwam met drugs en van zijn veertiende tot zijn achttiende voortdurend op de rand van de afgrond leefde. Tot hij een jeugdpsycholoog ontmoette, een wat oudere man met sneeuwwit, lang haar.

‘Hij schreef aan mijn ouders dat ik bijna in het moeras zou wegzakken, maar er met goudkorrels uit te voorschijn zou komen als ze mij mezelf lieten zijn. Die zin ben ik mijn leven lang niet meer vergeten. Als in een flits begreep ik wat een vertrouwen deze man in me had. Op datzelfde ogenblik besloot ik dat ik later, als ik er doorheen zou komen, voor jonge mensen ook zo iemand wilde zijn.’

Henning Köhler werd inderdaad kinderpsycholoog, werkt momenteel in Stuttgart als opvoedingsdeskundige en schrijft boeken over de problemen bij pubers (verslaving en anorexia) en jonge kinderen die hij uit eigen ervaring zo goed kent. In zijn boek ‘Over angstige, verdrietige en onrustige kinderen’ geeft hij een ongewone visie op de ‘binnenkant’ van onrustig of nerveus gedrag bij kinderen. In liefdevolle, soms hartverscheurende beelden zet hij ze voor je neer: het angstige, schuwe, zich weerloos voelende kind dat zich eigenlijk altijd een beetje ziek voelt en voortdurend troost en aandacht vraagt; maar ook het onrustige kind dat zo ontevreden is met zichzelf dat het zich waardeloos gaat voelen – voortdurend bevestigt het in zijn gedrag al het negatieve dat er over hem wordt gedacht.

Köhler legt de keerzijde bloot van het lastige, vaak ook irriterende gedrag zonder in kant-en-klare oplossingen terecht te komen. ‘Want wat heb je eraan als ik zeg dat je lastige kind eigenlijk angstig is en ik je vervolgens vertel hoe je hem moet opvoeden? Zo’n preek nestelt zich in je hoofd, maar er verandert verder niets. Het werkt veel beter als je zelf op ideeën komt voor het omgaan met die problemen.’

Beelden vormen
Naast de bekommernis die Köhler in zijn boek toont voor het kind, valt het respect op dat hij voor ouders heeft. Hij geeft je het vertrouwen dat je als ouder de beste therapeut, dat wil zeggen de beste helpende begeleider bent voor je kind. Hij geeft je ook het materiaal in handen waarmee je kunt leren zien welke hulp jouw kind nodig heeft. Een ding stelt hij daarbij voorop, namelijk dat er een manier is om inzicht te krijgen in het gedrag van je kind die verder reikt dan het verstandelijk begrijpen.

Köhler: ‘Dat inzicht vormt zich als je je ’s avonds voor het inslapen van je kind een beeld van hem vormt. Als je je voorstelt dat je bij hem naar binnen kunt kijken, dan kan het gebeuren dat je een trillend klein vogeltje ziet, dat in paniek in zijn kooi rondfladdert.
En wanneer je regelmatig met zo’n beeld inslaapt, merk je dat je vragen begint stellen die nooit eerder bij je opkwamen. Je trekt daaruit, meestal eerst onbewust, conclusies voor je gedrag. Je gaat zachter tegen hem spreken, of je let erop dat hij niet in al te drukke situaties terechtkomt. Of misschien vind je dat hij andere voeding nodig heeft. Je boort als het ware een diep verborgen bron van wijsheid aan waar je ’s nachts directer toegang toe hebt.’

Kohler heeft een beeld voor het fenomeen dat je ’s nachts antwoord krijgt op vragen waar je overdag tevergeefs mee rondliep. Hij beschrijft het als een ontmoeting in de slaap met de engel van je kind. ‘Eigenlijk kent iedereen dat
verschijnsel wel. Dat is absoluut niet theoretisch en je kunt er onmiddellijk mee aan het werk in de omgang met je kind. Je ziet het alleen al aan de stortvloed van schrille geluiden en felle kleuren waaraan een baby direct na de geboorte bloot staat en die als vergif op hem inwerken. Zo’n teer wezen met zulke gevoelige zintuigen zou dat helemaal niet overleven als het niet werd beschermd door iets dat die indrukken terugwijst. Dat is volgens mij het werk van de engel. Op het moment dat je kind is geboren, neem je als ouder de opvoedingstaak op je, maar vanaf de andere zijde gaat de begeleiding ook verder.’

Drie basisvoorwaarden
Köhler noemt drie basisvoorwaarden voor het gezond opgroeien van kinderen: het bieden van begeleiding, troost en bescherming. En dan vooral bescherming van het ‘geheim’ dat een kind in zich draagt.

Köhler: ‘In de samenleving van nu overheerst de gedachte dat een kind ter wereld komt als een biologisch celklompje met een erfelijke uitrusting en zonder geestelijke kern. Maar er is ook een stroom die het eigene van ieder mens, zijn individualiteit, erkent. Zo bezien brengt iedereen een heel bepaalde impuls om iets te realiseren met zich mee. Dus ieder kind dat wordt geboren draagt zijn eigen levensthema, zijn zoekrichting en zijn vragen in zich. Dat is het geheim dat moet worden ontdekt. Essentieel voor de opvoeding is het inzicht dat dit geheim niet te voorschijn kan komen als een ander mens het niet waarneemt. In die zin hangt het aandachtig observeren van je kind nauw samen met het waarnemen van wat ik ook wel de “lotsmelodie” noem. De engel kun je beschouwen als de begeleider van die lotsmelodie.’

Volgens Köhler kun je de hulp van de engel, of, als je moeite hebt met dat begrip, van de innerlijke wijsheid die in ieder mens leeft, versterken door ervoor te zorgen dat je kind zich goed voelt in het lichaam waarmee hij de wereld waarneemt. Daarin speelt het zorgen voor goed ontwikkelde zintuigen een grote rol.

Zintuigen
Over zintuigen gaat een groot deel van Köhlers boek. Hij gaat daarbij niet uit van vijf maar van twaalf zintuigen. Ten eerste de zintuigen die met het lichamelijke beleven te maken hebben, ten tweede de zintuigen die de verbinding leggen met je gevoel en ten derde de zintuigen die samenhangen met het denken. Door een goede ontwikkeling van met name de lichaamszintuigen, dat wil zeggen de zintuigen waarmee je jezelf waarneemt, schep je de voorwaarde voor een gezonde basis waarmee je kind later de wereld in kan. Köhler schetst hoe bij elk van de problemen als angst, onrust en verdriet bij kinderen een van die lichaamszintuigen in het geding is. Zo heeft een onrustig kind extra zorg nodig voor de ‘levenszin’, het zintuig waarmee je je lichamelijk welbehagen waarneemt. De levenszin is een zintuig dat werkt vanaf het moment dat je baby geboren is, maar het moet dan nog wel worden gevormd. Dat doe je door lichamelijke verzorging, door lichaamscontact, voeding, warmte en vooral ritme.

Bij een goed ontwikkelde levenszin ontstaat bij het kind een onbewuste grondstemming dat het leven goed is. Een onrustig kind heeft veel extra zorg voor dit zintuig nodig.

Bij angstige, overgevoelige kinderen is het vooral de tastzin die aandacht nodig heeft. Het is het zintuig waarmee je de buitenwereld het meest direct waarneemt. De tastzin zit namelijk niet alleen in je vingertoppen maar in de hele huid die het lichaam omsluit. Innerlijk resoneer je mee met alles wat je huid voelt. Angstige kinderen hebben de behoefte om door zachte, behoedzame aanraking wat meer durf te leren krijgen om de verbinding met de wereld aan te gaan.

Het verdrietige kind heeft vaak eerder een bewegingsprobleem. Door lichamelijk beter te bewegen kan het leren ook innerlijk beweeglijker te worden. De ontplooiing van deze ‘bewegingszin’ hangt nauw samen met de ontwikkeling van de ‘evenwichtszin’, omdat je bij alle bewegingen die je maakt voortdurend ook bezig bent om je balans te zoeken.

Hoe beter al deze zintuigen zijn ontwikkeld, hoe beter een kind zich in zijn lichaam thuis zal voelen. ‘Maar,’ zo zegt Köhler, ‘als je kind om welke reden dan ook niet goed in zijn vel zit, is het natuurlijk niet zo dat je daar als ouders meteen schuldig aan zou zijn. Het is waar dat je zoveel mogelijk moet doen om je kind te helpen bij het realiseren van zijn levensmotief. Maar je mag het niet zomaar omdraaien en zeggen dat het de schuld van de ouders is als een kind problemen heeft. Je moet nooit vergeten dat een kind meer is dan alleen het product van de opvoeding. Als je er werkelijk naar verlangt je kind te begrijpen, heeft dat altijd een positieve werking. Alleen al het leerproces geeft je kracht, ook als het met fouten gepaard gaat.’

Waardering tonen
‘Ik ben er diep van overtuigd dat steeds meer kinderen in hun lotsmelodie iets meebrengen dat ons als ouders wakker moet schudden. Angst bijvoorbeeld is niet alleen maar negatief. Kinderen ontwikkelen er ook een grote gevoeligheid in de omgang met anderen door. Hun angst doet dus een appèl aan je om te zien dat er misschien weinig plaats is voor een bepaalde kwaliteit die ze meebrachten, maar dat deze desondanks kostbaar is.
Als we weigeren die kostbare kant te zien, neemt de angst toe. Gedragsproblemen hebben altijd een andere zijde. Probeer daarom niet om kinderen met afwijkend gedrag onmiddellijk te normaliseren. Het eerste wat je zou moeten zeggen is: zoals je bent, zo wil ik je leren kennen. En we zullen wel bekijken hoe we er samen het beste van kunnen maken.

Als je er werkelijk het beste van wilt maken, zul je rekening moeten houden met drie rechten die het kind heeft. In de eerste plaats het recht op begeleiding bij de ontwikkeling van zijn zintuigen. Ten tweede het recht op een harmonieuze lichamelijke ontwikkeling waarbij het zijn krachten op een zinvolle manier kan inzetten. Je zou het ook het recht op creativiteit kunnen noemen. Een kind heeft de behoefte zich uit te drukken in spel, beweging, boetseren, schilderen. Het derde recht is het recht op waardering, Dat treed je met voeten als je een kind  met een analytische blik bekijkt en alleen ziet wat er verkeerd aan hem is.’

Köhler realiseert zich dat er een gevaar verbonden is aan zijn oproep het kind waardering te tonen. Dat gevaar is dat je je kind gaat idealiseren en terechtkomt in illusies. ‘Als je je eigen wensen op je kind projecteert, zie je niet het kind maar datgene wat jij wilt dat het zal worden. Maar wat er uit ons kind wordt, gaat ons helemaal niet aan. Eigenlijk dienen wij alleen de voorwaarden te scheppen waarbinnen het zichzelf kan opvoeden. Dat lijkt een anti-autoritaire uitspraak maar is het niet. De voorstanders van de anti-autoritaire opvoeding hebben namelijk over het hoofd gezien dat een kind niet kan opgroeien zonder dat het aandachtig wordt gadegeslagen en beschermd. Want het is absoluut niet de bedoeling dat wij koffie gaan drinken terwijl de kinderen zichzelf opvoeden!’
.

Petra Weeda, Weleda Puur Kind nr.2, herfst 1998

Köhler:  Over angstige, verdrietige en onrustige kinderen

Petra Weedaboeken

Weledavoor de baby

 

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Zintuigen: alle artikelen

.

1511

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.