Categorie archief: vrijeschool pedagogie

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over huiswerk (GA 303)

.

In een aantal pedagogische voordrachten heeft Steiner het ook over huiswerk.
Zoals met zoveel onderwerpen: ook al zijn de gezichtspunten zo’n 100 jaar geleden uitgesproken, voor vandaag de dag bevatten ze nog altijd wezenlijke inhoud.

ga 303

Die gesunde Entwicklung des Menschenwesens

Gezondmakend onderwijs

Blz. 195/196    vert. 220/221

Voordracht 10, Dornach 1 januari 1922

Das Kind im zehnten Lebensjahre: Pädagogik und Didaktik

Nun, in dieser Beziehung ist uns ja in der Waldorfschule eine be­sonders schwierige Aufgabe dadurch gestellt, daß wir wirklich in see­lisch-ökonomischer Weise erziehen wollen, daß wir also das eigent­lich Unterrichtliche in die Schule verlegen wollen und dem Kinde mög­lichst wenig Schulmäßiges noch außer der Schulzeit zum Arbeiten las­sen wollen. Das kommt aus einer anderen Maxime her. Gewiß, man soll bei dem Kinde das Pflichtgefühl entwickeln. Wir werden noch davon sprechen, wie es entwickelt werden kann. Aber es ist von be­sonderem Schaden, wenn es in der Schule so zugeht, daß der Lehrer etwas von dem Schüler haben will und der Schüler das nicht tut. Dazu verleiten die Hausaufgaben zu stark, überhaupt das hausmäßige Lernen. Eltern beschweren sich, beklagen sich bei uns öfters darüber, daß die Kinder so gar nichts zu tun haben außerhalb der Schulzeit. Aber da muß schon einmal – für den, der unbefangen Seelenerfahrungen machen kann, zeigt sich das ganz klar – darauf Rücksicht genommen werden, daß das Zuviel der häuslichen Aufgaben eben das hervorruft, daß eine Anzahl von Kindern vielleicht sich übernimmt an der Arbeit, andere aber einfach zum Schlendrian kommen und die Dinge nicht machen. Manchmal können ja auch die Kinder nicht alles das machen, was man von ihnen in der Schule verlangt! Das Schlimmste aber ist in der Schule, wenn dasjenige, was der Lehrer haben will, von den Schü­lern nicht ausgeführt wird. Daher soll man lieber sparen mit dem, was man von den Kindern haben will, als daß man riskiert, daß sie das nicht ausführen, was man haben will. Nach dieser Richtung hin muß das, was man in bezug auf die Ausbildung des Gedächtnisses und auch in anderer Beziehung an Hausaufgaben verlangt, besonders mit Takt behandelt werden. Das Entwickeln des Gedächtnisses hängt von einem außerordentlich feinen Erziehungstakt ab und ist in besonderem Maße daran beteiligt, das richtige Verhältnis zwischen dem Erzieher und der zu erziehenden Schulklasse zu entwickeln.

             Het kind in het tiende levensjaar: pedagogie en didactiek

Nu is in dit opzicht ons op de vrijeschool een bijzonder moeilijke taak toebedeeld doordat we echt op een psychisch-economische manier willen opvoeden, doordat we dus het eigenlijke onderwijs tot de school willen beperken en het kind zo weinig mogelijk buiten schooltijd nog willen laten werken. Dat komt voort uit een ander basisprincipe. Zeker, je moet bij het kind het plichtsgevoel ontwikkelen. We zullen het er nog over hebben hoe dat ontwikkeld kan worden. Maar het is uitermate schadelijk als het er op school zo aan toegaat dat de leraar iets aan de leerling vraagt te doen en de leerling dat nalaat. Het huiswerk verleidt hier in hoge mate toe, überhaupt het thuis leren.
Ouders hebben vaak bezwaar, beklagen zich vaak bij ons over het feit dat de kinderen buiten schooltijd helemaal niets hoeven te doen. Maar er moet nu eenmaal — voor iemand die onbevangen zielservaringen kan waarnemen is dat duidelijk te zien — rekening mee gehouden worden dat een teveel aan huiswerk nu eenmaal met zich meebrengt dat een aantal kinderen misschien overwerkt raakt, andere echter gewoon in de sleur terechtkomen en de dingen helemaal niet doen. Soms kunnen de kinderen immers ook niet alles maken wat op school van hen wordt verlangd! Het ergste op school echter is dat wanneer de leraar iets wil, dit door de leerlingen niet uitgevoerd wordt. Daarom kunnen we beter zuinig zijn met wat we van de kinderen verlangen dan dat je riskeert dat ze niet uitvoeren wat je hun wilt laten doen. In deze richting moet dat wat je met betrekking tot de ontwikkeling van het geheugen en ook in een andere relatie aan huiswerk verlangt, in het bijzonder met takt behandeld worden. Het ontwikkelen van het geheugen hangt af van een buitengewoon subtiele tact bij het opvoeden en is in bijzondere mate erbij betrokken de juiste ontwikkeling van de relatie tussen de opvoeder en de op te voeden schoolklas te ontwikkelen.
GA 303/195-196
Vertaald/220-221

.

Rudolf Steiner over huiswerkalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2637-2469

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over huiswerk – alle artikelen

.

In verschillende pedagogische voordrachten ging Steiner in op ‘huiswerk’.

Hier volgen zijn uitspraken uit de voordrachten GA 293 t/m 311 (buiten de genoemde heb ik in andere ped. voordrachten niets gevonden)

GA = Gesamt Ausgabe het verzamelde werk van Steiner

GA 294
Voordracht 10: bij niet-Nederlandse talen: bijv. thuis laten nalezen iu een boek wat in de les behandeld is. Liefst zo min mogelijk huiswerk voor de talen (pas in hogere klassen), wel dingen die iu het gewone leven voorkomen.

GA 298
Toespraak 13 jan. 1921: zuinig zijn met verplicht huiswerk; het moet met plezier en overtuiging worden gemaakt; een opdracht thuis niet maken, mag niet voorkomen; stimuleren iets te doen.

GA 300A
Vergadering 22 dec. 1919: wat als huiswerk niet wordt gemaakt.
Vergadering 1 jan. 1920: huiswerkopdrachten moeten vrije opdrachten zijn; wie er zin in heeft,

GA 300B
Vergadering 11 sept. 1921: opgedragen huiswerk moet worden gemaakt; motiveren dat het gemaakt wordt; frisheid in de opdrachten; uit de wil van de kinderen.
Vergadering 22 juni 1922: geen bladzijden lang rekenen; individualiseren; problemen oplossen in verhaalvorm.
Vergadering 9 dec. 1922: huiswerk moet met plezier gemaakt worden.

GA 303
Voordracht 10: zo min mogelijk huiswerk; kinderen niet overbelasten; geef geen huiswerk als het toch niet wordt gemaakt.

GA 310
Voordracht 5: het wezenlijke moet op school gebeuren; zo min mogelijk huiswerk dat kinderen te veel belast.

Rudolf Steineralle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2636-2468

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over huiswerk (GA 300)

.

In een aantal pedagogische voordrachten heeft Steiner het ook over huiswerk.
Zoals met zoveel onderwerpen: ook al zijn de gezichtspunten zo’n 100 jaar geleden uitgesproken, voor vandaag de dag bevatten ze nog altijd wezenlijke inhoud.

GA 300     A en B

GA 300A

Blz. 114

Konferenz Stuttgart 22 december 1919

Es wird geklagt, die Kinder in den höheren Klassen seien faul und nachlässig.

Dr. Steiner: Beim Nichtmachen der Hausaufgaben könnte man die
Faulen nach zwölf dabehalten und androhen, daß das Dabehalten
öfter geschehen wird. 

Er wordt over geklaagd dat de kinderen van de hogere klassen lui zijn en de dingen niet nakomen.

Steiner: Wanneer het huiswerk niet wordt gemaakt, zou je de luiwammesen na om 12 uur kunnen laten nablijven en ze op het hart binden dat dat vaker zal gebeuren.
GA 300A/114
Niet vertaald

Blz. 118

Konferenz Stuttgart 1 januari 1920

X. fragt nach der Bewältigung des Lehrstoffes und nach Hausaufgaben.

Dr. Steiner: Hausaufgaben sollten als freie Aufgaben gegeben werden, nicht als Pflichthausaufgaben: „Wer’s machen will!”

X vraagt naar hoe je de leerstof onder de knie kan krijgen en naar huiswerk.

Steiner: Huiswerkopdrachten moeten als vrije opdrachten worden gegeven, niet als verplicht huiswerk: ‘Wie er zin in heeft!
GA 300A/118
Niet vertaald

GA 300B

Blz. 40

Konferenz Stuttgart, 11 september 1921

X.: Ich wollte eine Frage stellen bezüglich des Unterrichts in der Algebra. Mir
scheint es doch so, daß es gut wäre, wenn man den Schülern Hausaufgaben
gäbe. Hier tritt es besonders deutlich hervor, daß die Kinder zuhause etwas
rechnen sollten.

X: Ik zou een vraag willen stellen i.v.m. de algebrales. Het lijkt mij toch zo dat het goed is dat we de leerlingen huiswerk geven. Hier is het toch wel erg duidelijk dat de kinderen thuis wat moeten rekenen.

Dr. Steiner: Wir müssen die Dinge in den Vordergrund stellen, die sich aus einer gesunden Pädagogik ergeben. Ein Hauptgrundsatz ist der, daß wir sicher sind, daß sie die Hausaufgaben machen, daß wir niemals es erleben, daß die Kinder sie nicht machen. Das Aufgabenstellen dürfte in keiner anderen Weise geschehen, als daß man weiß, die Kinder bringen aus einem gewissen Eifer die Aufgaben gelöst. Es müßte lebendiges Leben hineinkommen; es müßte so gemacht werden, daß die Aktivität erregt wird, daß nicht die innere Haltung der Kinder gelähmt wird. Zum Beispiel müßte es so gemacht werden, daß
Sie, wenn Sie einen Stoff durchgenommen haben, etwa aus diesem Stoff hervorgehende Aufgaben so aufschreiben, daß Sie sagen: Morgen werde ich die folgenden Rechnungsoperationen behandeln —, und jetzt warten, ob die Kinder sich herbeilassen, diese Operation zuhause vorzubereiten. Einige werden sich finden, und andere werden dadurch den Eifer bekommen, das auch zu machen. Die Kinder sollen dazu veranlaßt werden, das, was sie für die Schule machen sollen, so zu machen, daß sie das selbst wollen. Es müßte aus dem Wollen der Kinder selbst herauskommen, daß sie von einem Tag zum
anderen etwas tun.

Steiner: De dingen die het gevolg zijn van een gezonde pedagogiek moeten voorop staan. Een basisregel is toch dat we er zeker van zijn dat het huiswerk wordt gemaakt, dat we het nooit meemaken dat de kinderen het niet maken. Het geven van huiswerk mag nooit gedaan worden als je niet weet dat de kinderen een bepaalde ijver aan de dag leggen om de opdrachten te maken: er moet fris leven in zitten; het moet zo gedaan worden dat de activiteit geprikkeld wordt, dat de innerlijke houding van de kinderen niet lam gelegd wordt. Het zou bijv. zo gedaan kunnen worden dat wanneer ze een bepaalde stof doorgenomen hebben, uit deze stof dan bepaalde opdrachten zo worden opgeschreven dat je zegt: morgen ga ik de volgende rekenbewerkingen behandelen – en dan wachten of de kinderen erop ingaan deze rekenbewerkingen thuis voor te bereiden. Een paar zullen dat doen en anderen zullen dat daardoor ook willen gaan doen. De kinderen moeten gemotiveerd worden om wat ze voor school moeten doen, zelf willen doen. Het moet uit de wil van de kinderen zelf komen dat ze van de een op de andere dag iets willen doen.

Blz 41

Man kann den Kindern raten, kann ihnen Anregungen geben, dies oder jenes zuhause zu machen, aber nicht in der Form, daß man die Anforderung stellt, daß sie es bringen; nicht als Zwang es verlangen.

Je kan de kinderen aanraden, je kan hen aansporen, dit of dat thuis te doen, maar niet in de vorm dat je de eis stelt dat ze het meebrengen; niet als dwang vragen.

Man müßte es da dahin bringen, daß die Kinder neugierig sind bei ihren Aufgaben. (er staat niet Hausaufgaben) Wenn Sie den Kindern solche Fragen stellen, die die Kinder neugierig machen auf das, was sie selbst her­auskriegen, dann ist es etwas, was sie anregt.

Je zou zover moeten komen dat de kinderen nieuwsgierig zijn bij hun opdrachten (er staat niet per se huiswerk-opdrachten). Wanneer je de kinderen die vragen stelt die hen nieuwsgierig maken naar wat ze er zelf van kunnen, is dat iets wat stimuleert.
GA 300B/40-41 
Niet vertaald

Blz. 108

Konferenz Stuttgart, 22 juni 1922

Wir könnten sehr leicht in die Kalamität hineinkommen, daß wir deshalb, weil wir das Bessere schlecht machen, nicht die Konkurrenz mit den anderen Schulen aushalten könnten. Ich möchte trotzdem — ich bin mir vollständig klar darüber, daß man innerhalb der reinen Unterrichtsstunden bei rationellem Betrieb zu dem Ideal kommen kann, das die Kinder ermüdende Hausarbeiten zu ersparen. Aber es wird halt noch nicht überall so interessant. In gewissen Dingen ist die Praxis noch nicht da. Deshalb glaube ich doch, daß man zu einer Art modifizierter Hausarbeiten kommen muß. Wir werden die Kinder im Rechnen nicht heftelange Hausarbeiten machen lassen, aber wir werden den Kindern zuhause, wobei wir etwas individualisieren, auch auf dem Gebiete der Literaturgeschichte und Kunstgeschichte, Probleme zu lösen geben; diejenigen, die fleißig sind, anregen, daß sie gerne zuhause etwas üben, wobei wir uns überzeugen, daß wir nicht überlasten. Sie dürfen nicht das Gefühl kriegen, daß sie an den Aufgaben ächzen. Sie müssen es gern machen, und da ist es wirklich von großem Einfluß, wie man die Aufgabe gibt. Da kommen solche Dinge in Betracht, daß eine Gleichung so aufgegeben wird: ,,Eine Dame wird gefragt . . .”, die Gleichungsaufgabe in Novellenform hineinbringen.

We zouden heel makkelijk in die beroerde toestand kunnen raken dat we, omdat we wat beter is, verstieren, niet de concurrentie met de andere scholen kunnen aangaan. Ik zou desondanks – ik weet heel goed dat je binnen de zuivere lestijd als je het doordacht aanpakt, het ideaal kan bereiken dat de kinderen dat vermoeiende huiswerk bespaard kan blijven. Maar ja, het is overal nog niet zo interessant. Met bepaalde dingen is de praktijk nog niet zo ver. Daarom geloof ik toch dat we tot een soort aangepast huiswerk moeten komen. We moeten de kinderen bij het rekenen geen bladzijden lang huiswerk geven, maar we moeten de kinderen voor thuis, waarbij we wat moeten individualiseren, ook op het gebied van literatuur- en kunstgeschiedenis problemen meegeven om op te lossen; degene die daar zin in hebben, stimuleren, zodat ze thuis graag iets oefenen, waarbij wij ons moeten overtuigen dat wij ze niet overbelasten. Ze moeten niet het gevoel krijgen dat ze onder de opdrachten moeten zuchten. Ze moeten het graag doen en dan is het van grote invloed welke opdrachten je geeft. Dan gaat het om dingen waarbij opgegeven wordt het een met het ander te vergelijken: ‘Een dame wordt gevraag…’ de vergelijkingsopdracht in verhaalvorm aanreiken.
GA 300B/108
Niet vertaald

Blz. 206

Konferenz Stuttgart, 9 december 1922

( ) die Arbeiten, die zuhause gemacht werden, müssen gerne gemacht werden. Es muß
ein Bedürfnis dazu da sein, daß man es erreicht ( ).

Het werk dat thuis gemaakt wordt, moet met plezier worden gemaakt. Er moet behoefte aan bestaan dat je het voor elkaar krijgt.
GA 300B/206
Niet vertaald

.

Rudolf Steiner over huiswerk: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2635-2468

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over huiswerk (GA 298)

.

In een aantal pedagogische voordrachten heeft Steiner het ook over huiswerk.
Zoals met zoveel onderwerpen: ook al zijn de gezichtspunten zo’n 100 jaar geleden uitgesproken, voor vandaag de dag bevatten ze nog altijd wezenlijke inhoud.

GA 298

Rudolf Steiner in der Waldorfschule

Blz. 86  vert. 29

Toespraak en vragenbeantwoording, Stuttgart 13 januari 1921

Man sollte nie außer acht lassen, was es für eine wirkliche Erziehungs-kunst bedeutet, wenn Kinder etwas aufgetragen bekommen, was dann nicht zu erzwingen ist. Es ist viel, viel besser, wenn man mit Zwangs-hausaufgaben haushält, so daß man darauf rechnen kann, daß dasjenige, was die Kinder zu tun haben, wirklich auch mit Lust und aus Überzeu­gung heraus getan wird, als wenn man fortwährend Aufgaben gibt, und dann Kinder darunter sind, die die Aufgaben doch nicht machen. Es ist das allerschädlichste in der Erziehung, wenn immerfort Aufträge erteilt werden, die nicht ausgeführt werden. Das demoralisiert die Kinder in furchtbarer Weise. Und diese feineren Erziehungsgrundsätze sollte man besonders beachten. – Kinder, die arbeiten wollen, die haben genügend zu tun; aber man sollte nicht versuchen, nach dieser Richtung irgendei­nen Zwang auszuüben von seiten der Schule. Man sollte sich vielmehr bemühen, das Kind anzuhalten zum freiwilligen Arbeiten, wenn man durchaus will, daß die Kinder zu Hause arbeiten. Es wird genügend da sein, was das Kind arbeiten kann. Aber es sollte nicht die Tendenz dahingehen, die Grundsätze einer wirklich sachgemäßen Erziehungs-kunst dadurch zu durchkreuzen, daß man doch wieder auf den Zwang hinarbeiten möchte.

Beste ouders, lieve kinderen 

Men moet nooit buiten beschouwing laten wat het voor een werkelijke opvoedkunst betekent als kinderen iets opgedragen krijgen wat vervolgens niet af te dwingen is. Veel, veel beter is het als je zuinig bent met verplicht huiswerk, zodat je erop kunt rekenen dat wat de kinderen te doen hebben, ook echt met plezier en uit overtuiging wordt gedaan; dat is beter dan dat je steeds huiswerk opgeeft terwijl er kinderen zijn die het huiswerk toch niet maken. Het meest schadelijke in de opvoeding is als steeds huiswerkopdrachten worden uitgedeeld die niet worden uitgevoerd. Dat werkt op een vreselijke manier demoraliserend op de kinderen. En op deze fijnzinniger opvoedingsgrondregels zou je speciaal moeten letten. – Kinderen die willen werken, hebben genoeg te doen; maar je moet niet proberen in deze richting de een of andere dwang van de kant van de school uit te oefenen. Je zou veel eerder moeite moeten doen het kind aan te sporen tot vrijwillig werken als je met alle geweld wilt dat kinderen thuis werken. Er zal voldoende zijn wat het kind thuis kan doen. Maar het kind zou er niet naar moeten tenderen de grondregels van een ter zake kundige opvoedkunst zo te doorkruisen dat we toch weer op dwang aansturen.
GA 298/86
Vertaald/29

.
Rudolf Steiner over huiswerk: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2634-2467

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over huiswerk (GA 294)

.

In een aantal pedagogische voordrachten heeft Steiner het ook over huiswerk.
Zoals met zoveel onderwerpen: ook al zijn de gezichtspunten zo’n 100 jaar geleden uitgesproken, voor vandaag de dag bevatten ze nog altijd wezenlijke inhoud.

GA 294

Blz. 142  vert.   145    Het gaat hier over niet-Nederlandse talen*

Voordracht 10, Stuttgart 1 september 1919

Wenn man den Kindern in der Klasse etwas vorliest und sie die Bücher vor sich haben und mitlesen, so ist das nichts als aus dem Kindesleben ausgestrichene Zeit. Das ist das Allerschlimmste, was man tun kann. Das Richtige ist, daß der Lehrer dasjenige, was er vor­bringen will, erzählend vorbringt, oder selbst wenn er ein Lesestück wörtlich vorbringt, oder ein Gedicht rezitiert, es persönlich ohne Buch selber gedächtnismäßig vorbringt, und daß die Schüler dabei nichts anderes tun als zuhören, daß sie also nicht mitlesen; und daß dann wo­möglich dasjenige reproduziert werde, was angehört worden ist, ohne daß es vorher gelesen worden ist. Das ist für den fremdsprachigen Un­terricht von Bedeutung. Für den Unterricht in derMuttersprache ist das nicht so sehr zu berücksichtigen. Aber bei der fremden Sprache ist sehr zu berücksichtigen, daß hörend verstanden wird und nicht lesend, daß sprechend etwas zum Verstehen gebracht wird. Wenn dann die Zeit zu Ende ist, wo man so etwas getrieben hat, kann man die Kinder das Buch nehmen lassen und sie hinterher lesen lassen. Oder man kann, wenn man damit die Kinder nicht malträtiert, ihnen einfach als Haus-aufgabe geben, aus ihrem Buche zu lesen, was man mündlich vorge­nommen hat während der Schulzeit. Die Hausaufgabe sollte sich auch in fremden Sprachen vornehmlich darauf beschränken, das Lesen zu betreiben. Also was geschrieben werden soll, das sollte eigentlich in der Schule selbst geleistet werden. In den fremden Sprachen sollten mög­lichst wenig Hausaufgaben gegeben werden, erst auf den späteren Stufen, also nach dem 12. Jahre; aber auch dann nur über so etwas, was im Leben wirklich vorkommt: Briefe schreiben, Geschäftsmitteilungen machen und dergleichen. Also das, was im Leben wirklich vorkommt.

Lezen we in de klas iets voor en hebben de leerlingen de boeken ook voor zich om mee te lezen, dan is dat enkel uit het kinderleven weggestreepte tijd. Dat is het allerergste wat we kunnen doen. De juiste wijze is dat de leraar vertellend aandraagt wat hij wil overbrengen, en dat hij zelfs wanneer hij een tekst letterlijk presenteert of een gedicht voordraagt, dat uit het hoofd doet, zonder hulp van een boek, en dat de leerlingen daarbij alleen maar luisteren, dus niet meelezen. En als het kan, laat u ze dan herhalen wat ze gehoord hebben, zonder dat ze het eerst gelezen hebben. Dat is belangrijk voor het onderwijs in de vreemde talen. Voor het moedertaalonderwijs geldt dat minder. Maar bij de vreemde talen is het van groot belang dat de leerlingen iets luisterend begrijpen en niet lezend, dat de stof mondeling wordt overgebracht. Wanneer u daaraan genoeg tijd hebt besteed, kunt u de leerlingen het boek laten pakken en de tekst laten nalezen. Of als u de kinderen daarmee niet te zwaar belast, kunt u gewoon als huiswerk opgeven dat ze in het boek nalezen wat er mondeling in de les is behandeld. Het huiswerk moet ook bij de vreemde talen voornamelijk beperkt blijven tot lezen. Wat opgeschreven moet worden, moet dus eigenlijk op school worden gedaan. Voor de vreemde talen moet zo min mogelijk huiswerk worden opgegeven – dat komt pas in de hogere klassen, na het twaalfde jaar. Maar ook dan alleen aangaande dingen die in de praktijk voorkomen: brieven schrijven, zakelijke mededelingen doen en dergelijke meer. Dingen dus die werkelijk in het gewone leven voorkomen.

Im Unterricht schulmäßig in einer fremden Sprache Aufsätze machen lassen, die nicht an das Leben anknüpfen, das ist eigentlich in einem höheren Sinne ein Unfug. Man sollte stehenbleiben bei dem Brief­mäßigen, Geschäftsmitteilungsmäßigem und Ähnlichem. Man könnte höchstens so weit gehen, daß man die Erzählung pflegt. Die Erzählung über Geschehenes, Erlebtes, soll man ja viel mehr als den sogenannten freien Aufsatz in der Volksschule pflegen. Der freie Aufsatz gehört eigentlich noch nicht in die Volksschulzeit. Aber die erzählende Dar­stellung des Geschehenen, des Gehörten, das gehört schon in die Volks­schule, denn das muß das Kind aufnehmen, weil es sonst nicht in der richtigen Weise sozial an der Menschenkultur teilnehmen kann. Auf diesem Gebiet beobachten unsere gegenwärtigen Kulturmenschen in der Regel auch nur die halbe Welt, nicht die ganze.

Op school in een vreemde taal opstellen laten schrijven die niet bij het gewone leven aansluiten, dat is in feite niet helemaal, maar toch in hoge mate onzinnig. Het zou moeten blijven bij brieven, zakelijke dingen en dergelijke. Wat op zijn hoogst in aanmerking komt is het verhalend beschrijven. Aan het vertellen, het verhalen over gebeurtenissen of belevenissen zou tot het veertiende jaar toch veel aandacht moeten worden besteed, in plaats van aan het zogenaamde vrije opstel. Het vrije opstel is vóór het vijftiende jaar eigenlijk nog niet op zijn plaats, wel het verhalend weergeven van gebeurtenissen of van iets wat het kind gehoord heeft. Want dat moet het kind kunnen, omdat het anders in sociale zin niet goed aan de menselijke cultuur deel kan nemen. Ook op dit gebied zien onze ontwikkelde tijdgenoten in de regel maar de halve wereld, niet de hele.
GA 294/142
Vertaald/145

*‘vreemde’ is m.i. een woord dat we i.v.m. andere talen niet zouden moeten gebruiken. Er is in wezen niets ‘vreemds’ aan deze talen – zijn alleen anders dan de onze. Wellicht is het goed dat kinderen ‘anders-zijn’ niet associëren met ‘vreemd = raar’.

Niet-Nederlandse talenalle artikelen

Rudolf Steiner over huiswerk: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2633-2466

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kunstzinnig onderwijs

.

kunstzinnig onderwijs

In talloze pedagogische voordrachten stelt Rudolf Steiner de eis aan het onderwijs, dat het kunstzinnig moet zijn.

Nu hebben de meeste mensen wel een soort opvatting over ‘kunstzinnig’. 
Dat het met ‘kunst’ te maken heeft, bijv. 
En omdat schilderen, boetseren en muziek zich op kunstzinnig vlak afspelen en omdat er op de vrijeschool veel aandacht is voor deze vakken, wordt het vrijeschoolonderwijs vanuit deze invalshoek bestempeld als ‘kunstzinnig’. Je moet er dan ook de euritmie toe rekenen die als danskunst bekend is.

En het is zeker zo, dat dit aspect van het vrijeschoolonderwijs een kunstzinnig aspect genoemd mag worden.
En in die zin gebruikt Steiner ook het begrip ‘kunstzinnig’:

Daher ist der künstlerische Unterricht, sowohl in den bildenden Künsten wie in den musikalischen Künsten, von Anfang an in der Schule zu pflegen. Nicht das Abstrakte darf da herrschen, sondern es muß das Künstlerische herrschen, und aus dem Künstlerischen muß das Kind hineingeführt werden in das Begreifen der Welt.

We moeten het kunstzinnige on­derwijs – zowel in de beeldende als in de muzikale kunsten – van meet af aan in de school verzorgen. Het abstracte mag er niet heer en meester zijn, maar het kunstzinnige moet er heersen. En vanuit het kunstzinnige moet het kind gebracht worden tot het begrijpen van de wereld.
GA 310/72
Vertaald/75

Anderen leggen weer meer de nadruk op het feit dat er zoveel aandacht is voor de verzorging van de omgeving: duidelijk waarneembaar in de kleuterklassen, maar ook in de basisschool waar in iedere klas wel een jaartafel staat  of een mooie tekening op het bord
Dat er dus veel aandacht is voor het ‘esthetische’ en dat wordt ook wel gezien als ‘kunstzinnig’.

Wanneer je dus over kunstzinnig onderwijs spreekt, mogen deze twee kwaliteiten zeker genoemd worden.

Maar toch is dat niet wat Steiner onder kunstzinnig onderwijs verstond.

Hij maakte eens deze vergelijking:

Denn erziehen und unterrichten kann der Mensch ebenso nur dann, wenn er dasjenige, was er zu bilden hat, was er zu gestalten hat, versteht, wie der Maler nur malen kann, wenn er die Natur, das Wesen der Farbe kennt, der Bildhauer nur arbeiten kann, wenn er das Wesen seines Stoffes kennt, und so weiter. Was für die übrigen Künste gilt, die mit äußeren Stoffen arbeiten, wie sollte es nicht gelten für diejenige Kunst, die an dem edelsten Stoffe arbeitet, der überhaupt nur dem Menschen vorgelegt werden kann, an dem Menschenwesen, seinem Werden und seiner Entwicklung selbst?

Want opvoeden en onderwijzen kan de mens alleen maar, als hij wat hij moet vormen, moet vormgeven, net zo begrijpt als de schilder die slechts kan schilderen, wanneer hij de natuur, het wezen van de kleur kent; en de beeldhouwer alleen maar kan werken, als hij de aard van het materiaal kent enz. Wat voor de andere kunsten geldt die met zichtbare materialen werken: zou dat niet gelden voor de kunst die met het meest edele materiaal werkt dat de mens überhaupt maar in handen kan krijgen, met het wezen mens, zijn wording en zijn ontwikkeling?
GA 308/9
Vertaald/21

Ja, wie der Maler oder der andere Künstler die Technik lernen muß zu seiner Kunst, so ist es notwendig für den Erzieher, für den Lehrer, daß er sich aneignet eine, und zwar jetzt im ideellsten Sinne gemeinte Technik des Erziehens. Wie der Maler beobachten muß in seiner Art – nicht wie der Laie – die Formen, wie er beobachten muß die Farben und ihre Zusammenstimmungen oder ihre Dissonanzen, und wie er aus der Beobachtung heraus dasjenige gewinnen muß, was dann in die Handhabung der Farben, in die Handhabung des Stiftes hineingeht, wie er sich aneignen muß etwas, was durch seinen ganzen Menschen wirkt, und was beruht auf der Möglichkeit, daß er richtig beobachten kann, so muß der Erzieher, muß der Lehrer dasjenige verwerten können, das die Beobachtung dessen ergibt, was spirituell im Menschen arbeitet und was seinen ganzen Lebenslauf zu einer organischen Einheit macht. Denn das Erziehen kann nicht eine Wissenschaft sein, das Erziehen muß eine Kunst sein. Bei der Kunst muß man sich aneignen: erstens die besondere Beobachtungsgabe; zweitens muß man sich aneignen die Handhabung desjenigen, was man in fortwährender Beobachtung, in fortwährendem Kampfe mit dem Stoffe zu tun hat. So ist die spirituelle Wissenschaft, wie sie hier gemeint ist, die anthroposophische Geisteswissenschaft, dasjenige, was die Grundlage abgeben kann für eine wirkliche, wahrhaftige Erziehungskunst.

En ja, zoals de schilder of de andere kunstenaar de techniek moet leren die bij zijn kunst hoort, zo is het voor de opvoeder, voor de leerkracht nodig, dat deze zich en dat in de meest ideële zin opgevat, een techniek voor het opvoeden eigen maakt. Hoe de schilder op zijn manier vormen moet waarnemen – niet zoals een leek – hoe hij het samengaan van kleuren of hoe deze vloeken, moet waarnemen en hoe hij vanuit zijn waarnemingen moet halen hoe hij dan met de kleuren omgaat, hoe hij zijn potlood hanteert, hoe hij zich iets eigen moet maken wat helemaal door hem heen gaat en wat berust op de mogelijkheid die hij heeft om exact waar te nemen, zo moet de opvoeder, moet de leraar kunnen gebruiken wat hij waarneemt van het spirituele dat in de mens werkzaam is, wat berust op de mogelijkheid dat hij goed kan waarnemen en dat de hele levensloop van de mens tot een organische eenheid maakt. Want opvoeding kan geen wetenschap zijn, opvoeden moet een kunst zijn. Bij de kunst moet je je eigen maken: ten eerste een bijzondere opmerkingsgave; ten tweede dat je kan uitvoeren wat je moet doen wanneer je je materiaal steeds waarneemt en daarmee steeds in een soort worsteling verwikkeld bent. En op deze manier is de spirituele wetenschap, zoals die hier wordt bedoeld, de antroposofische geesteswetenschap hetgeen dat de basis kan vormen voor een echte, waarachtige opvoedkunst.
GA 218/227
Niet vertaald

.
Benadering van het kind

Het kunstzinnige zit dus vooral in: hoe benader je het kind; hoe zie je het kind. En omdat het ook om opvoeding gaat – niet slechts om aanleren – hoe benader je de ontwikkeling van het kind: wat doe je voor die ontwikkeling en net zo belangrijk: wat laat je na! En hoe doe je dat dan voor die ontwikkeling.

Dat betekent allereerst dat je die ontwikkeling moet kennen.

Dat is geen afwijkend standpunt, immers, wie de reguliere lerarenopleiding volgt, dient ook ontwikkelingspsychologie te bestuderen.
Voor Steiner is dit echter hét vertrekpunt. 

Dat komt in de titels van door hem gehouden pedagogische voordrachten* veelvuldig terug:

Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
Menschenkunde und Unterrichtsgestaltung
Menskunde en inrichting van het onderwijs
Erziehung und Unterricht aus Menschenerkenntnis
Opvoeding en onderwijs vanuit menskunde – een deel heet
Meditativ erarbeitete Menschenkunde
Meditatief verwerkte menskunde
Die gesunde Entwicklung des Leiblich-Physischen als Grundlage der freien Entfaltung des Seelisch-Geistigen
De gezonde ontwikkeling van het levend-fysieke als basis voor de vrije ontplooiing van ziel en geest
Der pädagogische Wert der Menschenerkenntnis und der Kulturwelt der Pädagogik
De pedagogische waarde van de menskunde en de cultuurwereld van de pedagogie
Die Kunst des Erziehens aus dem Erfassen der Menschenwesenheit
De kunst van het opvoeden vanuit het begrijpen van het wezen mens

En Steiners visie op de ontwikkeling van de mens gaat verder dan de huidige reguliere, omdat de laatste niet kan werken met begrippen als ziel en geest.

Vandaar:

Es genügt nicht, den Unterricht einzurichten nach dem gewöhnlichen Menschenverkehr, sondern man muß diesen Unterricht aus der Erfassung des inneren Menschen heraus gestalten.

Men kan er niet mee volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar men moet dit onderwijs vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.
GA 293/75
vertaald/75

Man muß im werdenden Menschen das Zusammenwirken von Leib und Seele und Geist beobachten können.

(  ) Men moet in de wordende mens de samenwerking van lichaam, ziel en geest kunnen waarnemen.
GA 293/177
vertaald/172

Die Men­schennatur selber muß uns lehren, was wir in jedem einzelnen Lebensjahr des Kindes mit dem Kinde erzieherisch und unterrich­tend zu vollbringen haben.

De mensennatuur zelf moet ons leren wat we in ieder afzonderlijk levensjaar van het kind met het kind opvoedend en onderwijzend moeten volbrengen.
GA297/73
Op deze blog vertaald/73

Ook deze uitspraak raakt aan de kern van het ‘kunstzinnige’:

(  )  die Erziehung: was sie leisten soll: mit den Ent­wicklungskräften des Menschen zu wirken und nicht gegen sie zu wirken

(  ) Opvoeding: wat zij tot stand moet brengen is mét de ontwikkelingskrachten van de mens te werken en niet die tegen te werken.
GA 297/172
Op deze blog vertaald/172

Het gaat erom dat we – zie boven de uitspraak over de kunstenaar – zoeken naar hoe we die ontwikkelingskrachten kunnen dienen.

Er zijn nog veel uitspraken van Steiner die alle in de richting gaan die ik hierboven heb aangegeven. Rudolf Steiner: wegwijzers

Een paar voorbeelden om e.e.a. te verduidelijken:

De eersteklassers moeten leren schrijven. Houd ik geen rekening met hun ontwikkelingsniveau dan leer ik zo goed en zo kwaad als het gaat hen de letters aan in de sfeer van kennisoverdracht: de kinderen moeten leren!
Als ik hun ontwikkeling serieus neem, weet ik dat ze veel behoefte hebben aan beweging, aan fantasie. Ik neem ze mee, in verhaalvorm, naar een beeld dat een paar dagen centraal staat, bijv. de zes zwanen uit een sprookje van Grimm. Die zwanen worden getekend, geschilderd – ook dit hoort bij een van de kunstzinnige aspecten – zelf beelden ze de zwaan uit. Ze spreken spraakoefeningetjes met de letter z; het zwanenbeeld wordt langzaam ‘uitgekleed’ tot de letter Z(zzzz) – de zwanenletter. Ten slotte wordt de letter als Z(zzz) gekend en herkend. Als voorbereiding op het schrijven worden er veel vormtekenoefeningen gedaan: niet alleen op papier, maar ook in de zandbak. Dan wordt de letter geschreven zoals dat de rest van de schooltijd gebeurt.
Pas veel later – als ze al kunnen lezen – leren ze de letter als de abstracte ‘zet’.
De ontwikkeling van het kind geeft aan: behoefte aan beweging en fantasie. Het pedagogisch-didactische antwoord is: beweging en fantasie. 
Die weg, dat streven, noemt Steiner ‘kunstzinnig onderwijs’. 

Voor de zesdeklasser is beweging en fantasie niet meer de eerste ontwikkelingsbehoefte; veel meer het (over)denken, het beschouwen.
Voor het kennen hoort denken samen te gaan met waarnemen. Dus als het vak natuurkunde aan de beurt is, zal de leerkracht het kind gelegenheid geven natuurkundige processen waar te nemen, die worden door het kind beschreven, ze worden getekend, overdacht en dan pas worden conclusies getrokken.
Je ziet a.h.w. een metamorfose van de beweging naar ‘uit eigener (mentale) beweging; de fantasie wordt ‘exacte’ fantasie. Zelf tekenen, illustreren accentueert het andere kunstzinnige aspect.
Langzaam rijpt dan in het kind het oordeel dat later weer in de natuurkundige formule de te reproduceren kennis is.

Ontwikkeling verstoord, geremd enz.

De menskundige inzichten van Steiner bevatten ook een reeks aanwijzingen voor kinderen die in hun ontwikkeling met problemen hebben te maken.
Op deze blog is dit gedetailleerd uitgewerkt.

Rode draad

Als een rode draad loopt door het vrijeschoolonderwijs het wekken, het wakker maken van (ontwikkelings)krachten, deze verzorgen waarbij de leerstof ontwikkelingsstof is en pas in tweede instantie te reproduceren kennisstof. 

De oproep die Steiner zo’n 100 jaar geleden deed, is nog even actueel als toen en zal dat blijven zolang de leerkracht zich zelf ook als in ontwikkeling zijnde, ervaart.

Eine Pädagogik braucht eine richtige Menschenerkenntnis, die auch lebendig wird in dem ganzen Menschen, die in unser Empfinden, die aber auch in den Willen geht. Es ist nötig, dass wir eine solche Menschenerkenntnis ausbilden.

Een pedagogie heeft een echte menskunde nodig, die ook gaat leven in de héle mens, die tot in ons gevoel, maar ook tot in onze wil komt. Zó’n menskun­de moeten we ontwikkelen.
GA 302/113
Vertaald/113

*Ik heb de titels letterlijk vertaald. De in het Nederlands vertaalde voordrachten hebben vaak een andere vertaling. Zie: Rudolf Steiner over pedagogie(k)

Kunstzinnig onderwijs

Rudolf Steiner: Algemene menskunde’

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

2630-2463

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 12 – alle artikelen

.

voordracht 12
de bladzijden verwijzen naar de vertaling van 1993

Een kleine uitleg over de indeling in paragrafen:
Het eerste cijfer verwijst altijd naar de voordrachtenvolgorde in de uitgave. [12-
Het tweede cijfer is het onderwerp van de beschouwing, aangegeven met het bladzijnummer en een korte inhoudsomschrijving. [12-1]
Het derde cijfer [12-1-1] geeft een uitbreiding aan van de inhoud van [12-1]
Wanneer je de gang door de voordracht wil volgen, hoef je de uitbreidingen niet per se te lezen. De volgorde door de voordracht is dus de reeks [12-1] [12-2] [12-3] enz.
Als kleur: rood.

[12-1Blz. 173-174
De mens in samenhang met de minerale, plantaardige en dierlijke wereld; wisselwerking tussen mens en fysiek omringende wereld; over het hoofd: evolutionair gezien, evenwicht t.o.v. dieren; impulsen vanuit het hoofd: plastische impulsen; 

[12-2] Blz. 174-176
Verbondenheid met de wereld; de neiging van het hoofd naar het dierlijke; ‘dierenhoofden’ in de cultuur: Egypte, fabel, Marten Toonder; terughouding bij Bolk; Portmann; relatie dierenwereld-gedachten.

[12-2-1/2] Blz. 176   Migraine
Wolfgang Streit over: migraine; hoe het beleefd wordt; hoe kan het komen; drieledige mens; tegentelling hoofd-stofwisseling; hoofd te veel buikkarakter; hoe het evenwicht te herstellen; medicamenten, therapie.

[12-3] Blz. 176-177
De romp en de samenhang met de plantenwereld; mens-plant als tegenstelling; de omkering hoofd-romp-ledematen in wortel-blad-bloem/vrucht; in- en uitademing: zuurstof-koolzuur; koolstof; koolstof in de mens als plantenvorm: het negatief daarvan in de plantenwereld; 

[12-4] Blz. 181 -184
De ledematen en de samenhang met de wereld van de mineralen; mechanische bewegingen; krachten; plaats van Ik hierbij; in ons gaan de ledematen mineraalvorming tegen.

[12-4-1] Blz. 182/183
I.v.m. 12-4: door mineralisering ontstane ziekten; Minerale geneesmiddelen
E.Cloos over: mens is niet alleen natuur, maar staat er ook tegenover/buiten; met oog hierop moeten geneesmiddelen aangepast worden; de rol van het Ik; warmte; voorbeelden: ijzer; potentiëren; ontstaan metalen; mineralen in planten;

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2628-2461

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 12 (12-2)

.

*GA 293         Vertaling

.

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Verbinding mens en wereld

Vanuit verschillende invalshoeken heeft Steiner geprobeerd de verbondenheid van de mens met de wereld te verduidelijken.
Een van de bekendste is ‘de vierledige mens’ waarbij een duidelijke samenhang van de mens met de wereld om hem heen aan het licht komt: het fysieke lichaam als deel van de fysieke wereld; het etherlijf dat hij gemeenschappelijk heeft met het plantenrijk en het astraallijf dat hij gemeenschappelijk heeft met dierenrijk.

Al in de 1e voordracht van de ‘Algemene menskunde’ [1-7] komt bijv. een ‘drievoudige verbinding’ van de mens met de wereld aan de orde.
Zie bijv. ook ‘Antroposofie, een inspiratie

Hoe verbonden we zijn, komt in deze tijd (2021) pijnlijk duidelijk aan het licht, waarin het gedrag van bepaalde delen van de mensheid de ‘van nature verbondenheid’ zodanig blijkt te kunnen verstoren dat het leven ‘in deze verbondenheid’ onmogelijk wordt.

Nog maar enkele weken na Pasen (opstandingsfeest!) zegt Steiner in weekspreuk 4:

‘Ik voel het wezen van mijn wezen:
zo spreekt ontwarend voelen
dat in door zon verlichte wereld
met stromen licht tezamen vloeit;
het wil het denken
voor helderheid zijn warmte schenken
en mens en wereld tot eenheid hecht verbinden.’

Voor mij is het zo dat dit ‘ontwarend voelen’ het aftasten is van de inhoud van de antroposofie, in het bijzonder deze ‘Algemene menskunde’; hier voel ik inderdaad hoe het ‘mee’denken met Steiners gezichtspunten, licht en warmte kan brengen die in dit bijzondere geval ertoe leiden kan dat je als mens die ‘hechte’ verbondenheid (weer) begint te beleven – om ernaar te handelen.

Wie zich verdiept in wat Steiner over bijv. de dierkunde zegt, ziet daar ook hoe hij de kinderen ‘in eenheid hecht verbinden’ wil met de dierenwereld. En dan hoop je als klassenleerkracht dat de manier waarop jij de kinderen met deze dierenwereld vertrouwd maakt, in hen zoveel ‘hechte verbondenheid’ en eerbied ontwikkelt, dat ze daarnaar handelen in hun (latere) leven. [Rudolf Steiner over dierkunde]

Wat hij in deze voordracht zegt over de relatie mens-dier is beslist geen lesstof, maar een verruiming van onze blik op die relatie. 

Verder over het hoofd

We moeten, denk ik, niet uit het oog verliezen, dat Steiner voor mensen sprak van wie de meesten al veel meer van hem hadden gehoord; daardoor in zekere zin vertrouwd(er) waren met bepaalde geesteswetenschappelijke inhoud, meer dan wij – wanneer wij voor het eerst ons in de Algemene Menskunde verdiepen zonder die achtergrond te hebben,
Wat er nu verder volgt, kan zeker wonderlijk overkomen, zoals dat met meer uitspraken van Steiner is.
Hoe vinden we – we staan open en zijn van goede wil om te begrijpen – een bepaalde ingang tot wat hij nu gaat aanvoeren.
Dat is niet eenvoudig: wat moeten we met het gegeven dat ‘het hoofd, van ons een wolf zou willen maken. Of een draak, of een lam.’

Blz. 173   vert. 166

Sie müssen sich schon bequemen zu der Anschauung, daß der Kopf fortwährend im geheimen etwas anderes aus Ihnen machen will, als Sie sind. Da gibt es Augenblicke, in denen Sie der Kopf so gestalten möchte, daß Sie aussehen wie ein Wolf. Da gibt es Augenblicke, in denen Sie der Kopf so gestalten möchte, daß Sie aussehen wie ein Lamm, dann wiederum, daß Sie aussehen wie ein Wurm; zum Wurm, zum Drachen möchte er Sie machen. All die Gestaltungen, die eigentlich Ihr Haupt mit Ihnen vor- hat, die finden Sie ausgebreitet draußen in der Natur in den verschiedenen Tierformen. Schauen Sie das Tierreich an, so können Sie sich sagen: Das bin ich selbst, nur erweist mir mein Rumpfsystem und mein Gliedmaßensystem die Gefälligkeit, fortwährend, indem vom Kopf ausgeht zum Beispiel die Wolfsgestalt, diese Woifsgestalt umzuwandeln zur Menschenform. Sie überwinden den sich fortwährend das Animalische. Sie bemächtigen sich seiner so, daß Sie es in sich nicht ganz zum Dasein kommen lassen, sondern es metamorpbosieren, umgestalten. 

U moet proberen vertrouwd te raken met de gedachte dat het hoofd voortdurend in het geheim iets anders van u wil maken dan u bent. Er zijn momenten dat het hoofd u het uiterlijk van een wolf zou willen geven. Dan zijn er momenten dat het hoofd u het uiterlijk van een lam zou willen geven of van een draak. Ja, werkelijk, een draak zou het van u willen maken. Alle vormen die het hoofd met u voorheeft, vindt u in de natuur om u heen in de verschillende vormen der dieren. Van het dierenrijk kunt u zeggen: dat ben ik zelf; alleen zijn mijn romp en ledematen zo vriendelijk om elke diervorm die het hoofd voor ogen staat – bijvoorbeeld de vorm van de wolf- voortdurend te metamorfoseren tot de menselijke vorm. U overwint voortdurend het dierlijke in uzelf. U maakt zich daarvan zo meester, dat u het niet tot volle ontplooiing laat komen in u, maar het metamorfoseert, omvormt.

Nu kun je dit ‘gek’ vinden, zelfs ‘absurd’, maar wanneer die eerste gevoelens enigszins tot rust zijn gekomen, kan er ineens de gedachte bij je opkomen dat je weleens afbeeldingen van mensen met een dierenkop hebt gezien. In hoeverre die afbeeldingen beelden zijn van werkelijkheden of dat hier ook een bepaalde symboliek is toegepast, het feit blijft dat er kennelijk aanleiding voor bestond een mensengestalte weer te geven met een dierenkop.

Een artistieke impressie van Chnoem, die uit klei een mens vormt op zijn pottenbakkersschijf. Volgens beschrijvingen maakte Chnoem twee beeldjes: het ene vertegenwoordigde de ka (de ziel), het andere het lichaam. Samen vormden die twee beeldjes de pasgeborene.

Er wordt geprobeerd te duiden waarom de Egyptenaren dit deden:

‘Er zijn tientallen goden met ieder eigen herkenningspunten zoals symbolen of een bepaalde kroon, maar vaak ook een dier. Het dierenrijk diende vaak als inspiratie. De oude Egyptenaren geloofden dat de goden die normaal onzichtbaar en ongrijpbaar waren, zich in dierengedaanten konden manifesteren om zich aan de mensheid te tonen. De dieren waren dan de verschijningsvorm van de ziel (de ba) van de goden.

Vanuit een andere invalshoek is geconstateerd dat de mens en het dier ‘de ziel’ gemeenschappelijk hebben, zoals ook het fysieke lichaam en het etherlijf.
Bij het dier treden voor het eerst be-levingen op, die we bij de plant nog niet zien: daar is alleen leven.
Mensen en dieren hebben hun gevoelens die ze naar buiten brengen, uiten.
Het is interessant om vast te stellen dat mensen aan hun medemensen soms gevoelens toedichten die ze een dierennaam geven, vooral als het negatieve van dat gedrag hen raakt.
Je kan je ‘schaapachtig’ gedragen; dat is iets anders dan met ‘leeuwenmoed’ de wereld tegemoet treden; slim en sluw gedrag maakt ons tot ‘een vos’.

Al in de Romeinse tijd ontstond de uitdrukking:homo homini lupus‘, vaak vertaald met ‘de ene mens is voor de andere een wolf’.

Dat inspireerde tot allerlei voorstellingen waarbij het voor de hand ligt dat dan het mensenhoofd een wolvenkop is geworden.

En dan kennen we de fabels waarin de menselijke eigenschappen verbonden worden met bepaalde dieren. 

Striptekenaars die bepaalde eigenschappen van de mens aan de kaak willen stellen, gebruiken daarvoor vaak een dier dat nu juist die eigenschap heeft.

Daarin was Marten Toonder een meester: in zijn Tom Poesverhalen komen we ze veelvuldig tegen: de trouwe, goedmoedige lobbes, de hond als bediende Joost

; de bijterige en waakzame hond Bulle! Bas, de politiecommissaris; de geslepen vos Joris Goedbloed, een meesteroplichter, en vele meer.

Daar hebben de figuren dan min of meer wél de dierenkop gekregen die wij – als we Steiner verder volgen – ook zouden krijgen, als romp en ledematen dat niet zouden verhinderen.

Blz. 174 vert. 167

Es ist also der Mensch durch sein Kopfsystem mit der tierischen Umwelt in einer Beziehung, aber so, daß er in seinem leiblichen Schaffen über diese tierische Umwelt fortwährend hinausgeht. Was bleibt denn da eigentlich in Ihnen? Sie können einen Menschen anschauen. Stellen Sie sich den Menschen vor. Sie können die interessante Betrachtung anstellen, daß Sie sagen: Da ist der Mensch. Oben hat er seinen Kopf. Da bewegt sich eigentlich ein Wolf, aber es wird kein Wolf; er wird gleich durch den Rumpf und die Gliedmaßen aufgelöst. Da bewegt sich eigentlich ein Lamm; es wird durch den Rumpf und die Gliedmaßen aufgelöst.

De mens hangt dus wat zijn hoofdsysteem betreft samen met de dierenwereld, maar wel zo dat hij fysiek voortdurend uitstijgt boven deze dierenwereld om hem heen. Want wat blijft er eigenlijk in u over? U kunt naar een mens kijken of u een mens voorstellen. U kunt hem beschouwen en zeggen: dat is de mens. Boven zit zijn hoofd. Daarin beweegt zich eigenlijk een wolf, maar het wordt geen wolf: de wolf wordt dadelijk weer teniet gedaan door de romp en de ledematen. Dan beweegt er zich eigenlijk een lam en ook dit wordt teniet gedaan door romp en ledematen.

‘Je laat het niet tot volle ontplooiing komen’.

M.a.w. zou je ook kunnen zeggen: je houdt het terug.

En wat betreft menswording t.o.v. het dier speelt het principe van de ‘terughouding’ een wezenlijke rol. Letterlijk: het maakt het wezen uit.

Voor Louis Bolk was de idee van deze terughouding een sleutelbegrip tot het begrijpen van het verschil tussen mens en dier.
Bolk zegt in ‘Het vraagstuk van het ontstaan van de mens’ hierover:

‘Er is geen zoogdier dat zich in een dusdanig langzaam tempo ontwikkelt als de mens; er is geen tweede, dat pas zoo lang na zijn geboorte volwassen wordt. Kunt u mij een ander zoogdier noemen dat, als het volwassen is, over zoo’n lange bloeitijd beschikt? Bovendien wordt deze langzaame ontplooiing ten slotte gevolgd door een phase van ouder worden, die zich zoo langzaam voltrekt als bij geen enkel zoogdier bekend is. Waar is het dier dat, nadat zijn voortplantingsfunctie afgelopen is, nog zoo lang lichamelijk gezond verder blijft leven?’

( ) Op zekere dag kreeg Bolk een chimpansee-foetus van ongeveer zeven maanden toegestuurd. De moeder was door een ongeval om het leven gekomen. Wat Bolk zag, was een wezentje dat met een kaal lichaam en alleen haar op het hoofd, met een voorhoofd en een kin precies op een menselijke foetus leek. Hij zag in gedachten dit mensachtige diertje later uitgegroeid als chimpansee met z’n behaarde lijf, z’n hellende voorhoofd en z’n sterk naar voren dringende snoet en was diep getroffen door het intense verschil.

Zijn eerste verdere gedachte was: volgens de biogenetische grondwet zou de mens, die na de aap op aarde verschijnt, vóór zijn geboorte een apenstadium moeten doormaken. Hier zien we dat het omgekeerde het geval is! De aap maakt vóór z’n geboorte een mensenstadium door. Later verwijdert de aap zich snel van dit stadium. De mens ontwikkelt zich echter niet zo veel verder, hij blijft ten opzichte van de aap achter, hij is vertraagd in z’n ontwikkeling, geretardeerd. Vandaar de uitdrukking: retardatietheorie. De ontwikkeling van de aap is versneld, hij is propulsief. Hij snelt zo te zeggen naar de aarde toe.

Dit komt er echter op neer dat de mens weliswaar later op aarde verschijnt dan de aap, doch in wezen ouder is! De aap is een aftwijging van de zich langzamer ontwikkelende mens. Hij was eerst mensachtig en werd dier. Het was voor Bolk haast vanzelfsprekend dit onmiddellijk als een oerbeginsel te herkennen, dat aan het ontstaan van het hele dierenrijk ten grondslag ligt. Daarmee was hij echter genoodzaakt de hele evolutie in een totaal nieuw licht te gaan zien.
Zie volledige artikel

Ook de bioloog Portmann [4] stelde vast dat de dieren in hun ontwikkeling veel sneller gaan en dat de mens daarbij achterblijft.

‘De mens ontwikkelt zich in vergelijking met het dier slechts langzaam. Er gaan jaren voorbij, voor hij zijn uiteindelijke gedaante heeft bereikt, en deze ontwikkelingsgang wordt gemarkeerd door tal van gebeurtenissen die sterk afwijken van de gebeurtenissen in de ontwikkeling van het dier.

Sinds de dagen van Darwin hebben de biologen steeds weer opnieuw de aandacht gevestigd op de punten van overeenkomst tussen de dierlijke en de menselijke ontwikkeling. Er werd zelfs een ‘biogenetische hoofdwet’ opgesteld, die behelsde dat de mens in zijn embryonale ontwikkeling achtereenvolgens alle stadia zou doorlopen die het menselijk geslacht in zijn evolutie achter zich heeft liggen. Het ligt voor de hand dat een dergelijke zienswijze eenzijdig de nadruk legt op de overeenkomst tussen mens en dier. Velen hebben zich dan ook lange jaren blind gestaard op de biologische aspecten van de menselijke ontwikkeling. Hierbij zagen ze het specifiek menselijke, dat reeds vroeg in deze ontwikkelingsgang zo duidelijk aan de dag treedt, volledig over het hoofd.’

Steiner vervolgt zijn beschouwingen:

Fortwährend bewegen sich da übersinnlich die tierischen Formen im Menschen und werden aufgelöst. Was wäre es denn, wenn es einen übersinnlichen Photographen gäbe, der diesen Prozeß festhielte, der also diesen ganzen Prozeß auf die Photographenplatte oder auf fortwährend wechselnde Photographenplatten brächte? Was würde man denn da auf der Photographenplatte sehen?

Voortdurend bewegen zich bovenzinnelijk allerlei dieren in de mens die dan weer oplossen. Stel je voor dat er een bovenzinnelijke fotograaf was die dit proces vast zou leggen, die dit hele proces fotografeerde. Wat zouden we dan zien?

En het antwoord is zowel verrassend als onbegrijpelijk:

Die Gedanken des Menschen würden wir sehen. Diese Gedanken des Menschen sind nämlich das Überinnnliche Korrelat desjenigen, was sinnlich nicht zum Ausdruck kommt. Sinnlich kommt nicht zum Ausdruck diese fortwährende Metamorphose aus dem Tierischen, vom Kopfe nach unten strömend, aber übersinnlich wirkt sie im Menschen als der Gcdankenprozeß. Als ein übersinnlich realer Prozeß ist das durchaus vorhanden. Ihr Kopf ist nicht nur der Faulenzer auf den Schultern, sondern er ist derjenige, der Sie eigentlich gerne in dcr Terheit erhalten möchte. Er gibt Ihnen die Formen des ganzen Tierreiches, er möchte gerne, daß fortwährend Tierreiche entstehen. Aber Sie lassen es durch Ihren Rumpf und die Gliedmaßen nicht dazu kommen, daß durch Sie ein ganzes Tierreich im Laufe Ihres Lebens entsteht, sondern Sie verwandeln dieses Tierreich in Ihre Gedanken. So stehen wir zum Tierreich in Beziehung. Wir lassen ühersinnlich dieses Tierreich in uns entstehen und lassen es dann nicht zur sinnlichen Wirklichkeit kommen, sondern halten es im Übersinnlichen zurück. Rumpf und Gliedmaßen lassen diese entstehenden Tiere in ihr Gebiet nicht herein. 

De gedachten van de mens. De gedachten van de mens zijn namelijk het bovenzinnelijk correlaat van dat wat niet zintuiglijk waarneembaar wordt. Deze metamorfose van het dierlijke, die als een stroom is van het hoofd uit naar beneden, wordt niet zintuiglijk waarneembaar, maar bovenzintuiglijk werkt ze als het gedachteproces. Er is daar dus wel degelijk een werkelijk, bovenzinnelijk proces aanwezig. Uw hoofd is niet alleen die luiwammes op uw schouders, maar ook degene die u eigenlijk graag in de dierenwereld wil houden. Hij geeft u de vormen van het hele dierenrijk, hij wil graag dat er voortdurend dierenrijken ontstaan. Maar uw romp en ledematen laten het niet zo ver komen dat door u een hele dierenwereld zou ontstaan in uw leven. U metamorfoseert deze dieren tot uw gedachten. Dit is onze relatie tot de dierenwereld. We laten de dierenwereld bovenzintuiglijk in ons ontstaan en laten die dan niet zintuiglijk tot verschijning komen, maar houden die terug in de bovenzintuiglijke wereld. Romp en ledematen laten deze dieren niet in hun gebied toe.

In GA 311 wordt dit nog iets duidelijker uiteengezet tegen de achtergronden van het te geven dierkundeonderwijs.

Belangrijk voor het beter kunnen inleven in wat hierboven aangedragen werd, is naast wat op de blz. 48 t/m 52 staat, het volgende:

Blz. 52:

So hat man einmal in früheren Zeiten die Geschichte des Tierreiches auch gelehrt. Das war eine gute, gesunde Erkenntnis. Sie ist verlorengegangen, aber eigentlich erst verhältnismäßig spät. Zum Beispiel hat man im achtzehnten Jahrhundert noch ganz gut gewußt, wenn dasjenige, was der Mensch in der Nase hat, den Riechnerv, wenn der genügend groß ist, nach hinten sich fortsetzt, so wird ein Hund daraus. Wenn aber der Riechnerv verkümmert, und wir nur ein Stückchen vom Riechnerv haben, und das andere Stückchen sich um­metamorphosiert, so entsteht unser Nerv für das intellektuelle Leben.
Wenn Sie den Hund anschauen, wenn er so riecht, so hat er von der Nase nach hinten die Fortsetzung seines Riechnervs. Er riecht die Eigentümlichkeit der Dinge; er stellt sie nicht vor, er riecht alles. Er hat nicht einen Willen und eine Vorstellung, sondern er hat einen Willen und einen Geruch für alle Dinge. Einen wunderbaren Ge­ruch! Die Welt ist für den Hund nicht uninteressanter als für den Menschen. Der Mensch kann sich alles vorstellen. Der Hund kann alles riechen. Wir haben ein paar, nicht wahr, sympathische und anti­pathische Gerüche; aber der Hund hat vielerlei Gerüche. Denken Sie nur einmal, wie der Hund im Geruchssinn spezialisiert. Polizei­hunde gibt es in der neueren Zeit. Man führt sie an den Ort, wo einer war, der etwas stibitzt hat. Der Hund faßt sogleich die Spur des Menschen auf, geht ihr nach und findet ihn. Das alles beruht darauf, daß es wirklich eine ungeheure Differenzierung, eine reiche Welt

Zo leerde men dus in vroeger tijd de zaak met dieren ook aan. Dat was een goede, gezonde kennis. Die is verloren gegaan, maar eigenlijk pas betrekkelijk laat. Men wist bijv. in de 18e eeuw nog heel goed, dat dat wat de mens in de neus heeft, de reukzenuw, wanneer die maar groot genoeg is, naar achter zich voortzet, dat dat dan een hond wordt. Wanneer de reukzenuw verkommert en we maar een stukje van de reukzenuw hebben en het andere stukje metamorfoseert, dan ontstaat onze zenuw voor het intellectuele leven. Wanneer u naar de hond kijkt wanneer deze ruikt, dan heeft hij vanuit de neus naar achteren toe de voortzetting van de reukzenuw. Hij ruikt het karakteristieke van de dingen; hij stelt zich niet voor, hij ruikt alles. Hij heeft geen wil en geen voorstelling, maar hij heeft wil en reuk voor alle dingen. Een wonderbaarlijke reuk. De wereld is voor de hond niet oninteressanter dan voor de mens. De mens kan zich alles voorstellen. De hond kan alles ruiken, niet waar, wij hebben een paar sympathieke en antipathieke geuren, maar de hond heeft een heleboel geuren. Denkt u er eens aan hoe de hond in zijn reukzintuig gespecialiseerd is. De laatste tijd zijn er politiehonden.** Men brengt ze op een plaats waar iemand was die iets gepikt heeft. De hond pakt meteen het spoor van de mens op, volgt het en vindt hem. Dat berust op het feit dat er werkelijk een ongekende differentiatie, een rijke wereld

**De laatste jaren vooral horen we steeds wat honden zoal nog meer kunnen: drugs opsporen; geld ruiken en als nieuwste vermogen: het ruiken van bepaalde ziekten.

Blz. 53

der Gerüche gibt für den Hund. Davon ist der Träger der nach rückwärts in den Kopf, in den Schädel hin eingehende Riechnerv.
Wenn wir den Riechnerv durch die Nase des Hundes zeichnen, müssen wir ihn nach rückwärts zeichnen (es wird gezeichnet). Beim Menschen ist nur ein Stückchen geblieben da unten, das andere ist umgebildet und steht hier unter unserer Stirn. Es ist ein metamor­phosierter, ein transformierter Riechnerv. Mit dem bilden wir unsere Vorstellungen. Deshalb können wir nicht so riechen, wie der Hund, aber wir können vorstellen. Wir tragen den riechenden Hund in uns, nur umgebildet. 

aan geuren voor de hond bestaat. Daarvan is de drager de ruikzenuw die naar achter in de kop, in de schedel loopt.
Wanneer we de reukzenuw door de neus van de hond tekenen, moeten wij deze naar achteren tekenen. Bij de mens is slechts een stukje overgebleven, daar onder;  het andere is omgevormd  en ligt hier onder ons voorhoofd. Het is een gemetamorfoseerde, een veranderde reukzenuw. Daarmee vormen wij onze voorstellingen. Daarom kunnen we niet zo ruiken als de hond, maar wij kunnen voorstellen. Wij dragen de ruikende hond  n ons mee, alleen omgevormd. 

Ook al is de metamorfose heel moeilijk te begrijpen, we hebben hier wél een bepaalde hulp bij het verschijnsel dat ‘iets’ teruggehouden wordt en omgevormd tot wat met het denken samenhangt: het vormen van voorstellingen. 

In GA 348vertaald, behandelt Steiner dit op een eenvoudigere manier in voordracht 6.  

Misschien heeft bovenstaande wat meer licht geworpen op:

Dan eindigt dit stukje met – opnieuw – een moeilijk te vatten gezichtspunt:

Wenn der Kopf zu sehr die Neigung hat, etwas von diesem Tierischen zu erzeugen, dann sträubt sich der übrige Organismus, das aufzunehmen, und dann muß der Kopf zur Migräne greifen, um es wiederum auszurotten, und zu ähnlichen Dingen, die sich im Kopfe abspielen.

Wanneer het hoofd te zeer de neiging vertoont iets van dit dierlijke te laten ontstaan, dan verzet zich de rest van het organisme ertegen dit in zich op te nemen en dan moet het hoofd naar migraine en dergelijke middelen grijpen om dit dierlijke weer te vernietigen.
GA 293/173-174
Vertaald/166-167

Nu ligt uiteraard ‘migraine’ op het gebied van de geneeskunst.
In GA 312, voordracht 5
Vertaald en als PDF-bestand te downloaden (5€)

en GA 27, hoofdstuk 19
Vertaald  idem

behandelt Steiner dit onderwerp uitvoeriger.

Een artikel overmigraine‘.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
(Slechts een klein deel is daar nu oproepbaar. Voor het verkrijgen van een gratis scan: mail vspedagogie (voeg toe eraan vast) apenstaartje gmail.com)
[4] Portmann ‘Het beeld van de mens

.

Algemene menskunde: voordracht 12 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

,

 

2627-2461

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-1-1/23)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Hier worden zijn uitspraken daarover uit andere voordrachten weergegeven.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar 

in de voordrachtenreeks:

Menschliches Seelenleben und Geistesstreben

GA 212

Blz. 111

Voordracht 6, Dornach 26 mei 1922

Ich habe vor vielen Jahren schon darauf aufmerksam gemacht, daß bis etwa zum kindiichen Zahnwechsel hin der Mensch sich vorzugsweise als ein nachahmendes Wesen verhält. Alles was in seiner Umgebung geschieht, wird gewissermaßen instinktiv, stark miterlebt, so wie im späteren Lebensalter nur in den Sinnesorganen, aber ohne daß der Mensch es weiß, miterlebt wird, was in der Außenwelt geschieht. Wir haben in der Tat zum Beispiel in unserem Auge einen Vorgang, der in einer gewissen Weise nachahmt, was äußerlich geschieht, so wie in einer photographischen Kamera nachgeahmt wird, was sich vor dieser Kamera befindet. Der Mensch erlebt dann das, was sich da in seinem Auge nachahmt, und bekommt dadurch seine Kenntnis von der Außenwelt. Ebenso ist es mit den anderen Sinnen. Daß dieses Nach­ahmungsprinzip gewissermaßen auf die Peripherie der menschlichen Wesenheit beschränkt ist, das findet erst im späteren Lebensalter statt. Im kindlichen Alter bis zum Zahnwechsel nimmt, wenn auch in einem geringeren Grade, doch der ganze Leib an dieser Nachahmung teil. Es ist der ganze Leib in einer gewissen Beziehung in einem solchen Verhältnis zur Außenwelt wie sonst die Sinne. Der Mensch ist vor­zugsweise ein nachahmendes Wesen. Er richtet sich innerlich so, wie das Äußere auf ihn innerlich wirkt, wenn er es von außen nachahmt. Daher ist es so wichtig, daß wir in der Umgebung des Kindes in diesem Lebensalter bis in die Gedanken und Gefühlsformungen hinein nichts geschehen lassen, was nicht von dem Kinde aufgenommen und angeeignet werden kann.

Ik heb er vele jaren geleden al op gewezen* dat de mens zich ongeveer tot aan de tandenwisseling vooral als een nabootsend wezen gedraagt. Alles wat er in zijn omgeving gebeurt, wordt a.h.w. instinctief, sterk meebeleefd, zoals dat in het latere leven alleen in de zintuigorganen gebeurt, maar zonder dat de mens het beseft, als hij meebeleeft wat er buiten hem gebeurt.
We hebben inderdaad in ons oog een proces dat in zekere zin nabootst wat uiterlijk gebeurt, zoals bij een fototoestel waarin nagebootst wordt wat zich voor de lens bevindt. De mens beleeft dan wat er in zijn oog nagebootst w0rdt en krijgt daardoor weet van de buitenwereld. Zo is het ook met de andere zintuigen. Dat dit principe van nabootsing in zekere zin beperkt is tot de periferie van de mens, komt pas op latere leeftijd. In de kinderleeftijd tot aan de tandenwisseling neemt, ook al is dat op kleinere schaal, toch het hele lichaam aan deze nabootsing deel. Het hele lichaam heeft op een bepaalde manier een bepaalde verhouding tot de buitenwereld, zoals anders de zintuigen. De mens is in de eerste plaats een nabootsend wezen. Hij richt zich innerlijk op hoe het uiterlijke op zijn innerlijk inwerkt, wanneer hij dat van buitenaf nabootst. Daarom is het zo belangrijk dat wij in de omgeving van het kind in deze leeftijdsfase tot in onze gedachten en gevoelens toe niets laten ontstaan wat niet door het kind opgenomen en eigen gemaakt moet worden. 
*GA 34  [9-1-1-1/3]
GA 212/111
Niet vertaald

Een voorbeeld uit het echte leven:

‘Ik wilde het niet, maar ik was wel als mijn vader’

Jan (56) uit Breda mishandelde zijn ex wel dertig keer. Een van mijn kinderen heb ik al twaalf jaar niet meer gezien. Mijn dochter kan me niet ver­geven.

Dat doet zeer, maar ik snap het ook. Ik haat mijn vader ook nog steeds om wat hij deed.
Nu klinkt het vast alsof ik een excuus zoek voor mijn fouten, maar feit is dat ik als kind ben opgevoed met het idee dat het de normaalste zaak van de wereld is dat vaders losse handjes hebben. Die van mij sloeg mijn moeder regelmatig. Dan hoorde ik zijn boze stem als ik in bed lag, of ik was er gewoon bij. Hij kon ontplof­fen om niks en reageerde dat op mijn moeder af. Een keer heeft hij haar zelfs van de trap geduwd. Mijn moeder praatte er nooit over. Tot haar dood is ze bij die lulhannes gebleven.
Mijn zussen en mij sloeg hij niet, maar hij kleineerde ons wel. Schold ons uit na een onvoldoende op school. Kon om niks enorm uitvallen. Zodra het kon, twee we­ken na mijn achttiende verjaardag, ben ik het huis uitgegaan. Ik ben gevlucht eigen­lijk.
Ik heb er flink op los geleefd. Steeds weer een ander vriendinnetje, veel uit­gaan, drank, drugs, alles. Tot ik haar tegenkwam. Ik was 31 en op slag ver­liefd. Al snel gingen we samenwonen.
Zij gaf me het warme gezinsgevoel dat ik thuis nooit had gehad. Ik genoot ervan thuis te komen na een werkdag. Het was ge­zellig, we hadden het fijn. We kregen twee dochters. De jongste huilde veel. Ik kon daar niet tegen en voor ik het wist, reageerde ik dat af op mijn vrouw. Op een avond verloor ik mijn zelfbeheersing en trok ik haar aan haar haren door de woonkamer.

Spijt dat ik had. En toch bleef het niet bij die ene keer. Ik denk dat ik haar wel dertig keer geslagen heb in een paar jaar tijd. Soms had ze blauwe plekken, een keer een dikke wang. Dan schaamde ik me diep, maar het lukte me niet om het geweld te stoppen. Het gebeurde elke keer weer. En steeds nam ik me voor: dit was de laatste keer. Ik ben zo niet. Niet zoals hem. Ik wilde niet dat ik ook zo was, maar ik was het wel.

Op een dag kwam ik thuis van het werk en was ze weg. Samen met de kinderen. De sleu­tel lag op tafel. Dat is nu vijftien jaar geleden. Ik heb gehuild, ik heb haar gesmeekt, maar ik had te veel kapotgemaakt. Ze wilde me niet meer.

Dat vind ik erg, maar het doet me vooral verdriet dat ik in de ogen van mijn jongste dochter net zo’n klootzak ben als mijn vader. Ik hoop dat ze me ooit nog een tweede kans wil geven. Dat ze ziet dat ik mijn leven gebe­terd heb. Met mijn oudste dochter heb ik ge­lukkig wel contact.

Ik ben in therapie geweest en ben in gaan zien dat ik niet alleen dader was, maar ook slachtoffer van mijn verleden. Wie als kind geweld mee­maakt, heeft grote kans later ook zo te handelen.

Dat maakt dat ik milder naar mezelf kan kijken, maar toch schaam ik me nog.

Maar een handjevol mensen weet van mijn ver­leden. Maar op het werk of op het schoolplein zal ik het niet snel vertellen. Je hebt toch meteen een stempel.

Ja, ik ben opnieuw getrouwd en heb een zoontje met mijn tweede vrouw. Ik heb ze al­lebei nog nooit met één vinger aangeraakt en dat gaat ook niet gebeuren.

Het helpt me om als ervaringsdeskundige te werken met mannen die nu in zo’n zelfde si­tuatie zitten. Ik oordeel nooit, maar ik zeg ze wel de waarheid.

Want geweld maakt meer kapot dan je lief is.’

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Rudolf Steiner over nabootsing: alle artikelen

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2619-2453

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over rekenen – GA 306

.

GA 306

Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis

DE PRAKTIJK VAN DE PEDAGOGIE BEZIEN VANUIT GEESTESWETENSCHAPPELIJKE MENSKUNDE

Blz. 66  vert. 66

Voordracht 3, Dornach 17 april 1923

Bringen Sie dagegen (→Schreiben) das Rechnen in einer menschenmöglichen Form an das Kind heran, so werden Sie sehen, daß das Kind sich da hineinfindet; auch in geome­trische einfache Formen findet es sich hinein. Schon im ersten Vortrage habe ich darauf hingedeutet, daß die Formen seelisch frei wer­den, und auch die Zahlen werden seelisch frei, indem wir mit dem Zahnwechsel überhaupt unser inneres System erhärten – und da­durch setzt sich seelisch ab, was dann im Rechnen und Zeichnen usw. zum Ausdruck kommt.

Leer je het kind daarentegen [t.o. het schrijven] menselijkerwijs rekenen, dan zal je zien dat het kind daarin meegaat; ook in meetkundige, eenvoudige vormen vindt het zich wel. In de eerste voordracht heb ik er al op gewezen dat de vormenwereld voor de ziel vrij wordt en ook de getallen worden dat, wanneer we met de tandenwisseling ons innerlijke systeem vaster wordt – en daardoor zet het gevoelsleven zich af, wat dan zichtbaar wordt bij rekenen en tekenen enz.
GA 306/66
Op deze blog vertaald/66

.

Rekenwerkboek ‘Rekenen in beweging

Rudolf Steiner over rekenenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Rekenenalle artikelen

.

2618-2452

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over rekenen – GA 305

.

GA 305

Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst

Opvoeding en onderwijs

Blz. 109  vert. 95

Voordracht 5, Oxford 21 augustus 1922

Früh ist das Kind bereits veranlagt für die ersten Elemente der Rechenkunst. Aber gerade bei der Rechenkunst kann man beobachten, wie nur allzuleicht ein intellektualistisches Element zu früh in das Kind hineinkommt. Rechnen als solches ist ja keinem Menschen in keinem Lebensalter ganz fremd. Es entwickelt sich aus der menschlichen Natur heraus, und es kann nicht eine solche Fremdheit zwischen den mensch­lichen Fähigkeiten und den Rechenoperationen eintreten wie zwischen diesen Fähigkeiten und den Buchstaben in einer folgenden Kultur. Aber dennoch, gerade darauf kommt ungeheuer viel an, daß der Rechenunterricht in richtiger Weise an das Kind herangebracht wird. Das kann im Grunde genommen nur derjenige beurteilen, der aus einer gewissen spirituellen Grundlage heraus das gesamte menschliche Leben beob­achten kann.
Zwei Dinge liegen logisch scheinbar einander recht fern: Rechenunterricht und moralische Prinzipien. Man rückt gewöhnlich gar nicht den Rechenunterricht an die moralischen Prinzipien heran, weil man keinen logischen Zusammenhang zunächst findet. Aber für den, der nun nicht bloß logisch, sondern lebensvoll betrachtet, für den stellt sich die Sache so, daß das eine Kind, das in der richtigen Weise an das Rechnen herangebracht worden ist, ein ganz anderes moralisches Ver­antwortungsgefühl im späteren Alter hat, als dasjenige Kind, das nicht 

Het kind is al vroeg ontvankelijk voor de eerste beginselen van de rekenkunst. Maar juist bij de rekenkunst kan men zien, hoe het kind maar al te gemakkelijk te vroeg een intellectualistisch element wordt opgedrongen. Het rekenen als zodanig is geen mens, op wat voor leeftijd dan ook, volkomen vreemd. Het ontwikkelt zich vanuit de menselijke natuur, en de rekenkundige operaties kunnen nooit zo ver af komen te staan van de menselijke vermogens als dat het geval is met de letters in een volgende cultuur. Maar toch is het juist van ongelooflijk belang dat het kind het rekenonderwijs op de juiste manier krijgt aangeboden. Dat kan in principe alleen worden beoordeeld door wie op basis van een zekere spirituele grondslag het volledige menselijke leven kan overzien.
Er zijn twee dingen die logisch gezien niets met elkaar te maken lijken te hebben: rekenonderwijs en morele principes. Het rekenonderwijs brengt men normaal gesproken helemaal niet met morele principes in verband, omdat daar in eerste instantie ook geen logische samenhang tussen te ontdekken valt. Voor wie niet alleen de logica laat gelden maar vanuit de volheid van het leven naar de dingen kijkt, ligt de zaak evenwel anders. Een kind dat op de juiste manier heeft leren rekenen, zal op latere leeftijd een heel ander moreel verantwoordelijkheidsgevoel bezitten dan een kind dat het

Blz. 110  vert. 96/97

in der richtigen Weise an das Rechnen herangebracht worden ist. Und, es wird Ihnen vielleicht außerordentlich paradox erscheinen, aber da ich über Wirklichkeiten spreche, und nicht über dasjenige, was sich unser Zeitalter einbildet, so möchte ich, da die Wahrheit unserem Zeit­alter oftmals paradox erscheint, auch nicht zurückschrecken vor sol­chen Paradoxien. Wenn wir nämlich verstanden hätten als Menschen, in den verflossenen Jahrzehnten die menschliche Seele in der richtigen Weise in den Rechenunterricht tauchen zu lassen, hätten wir heute keinen Bolschewismus im Osten von Europa. Das ist dasjenige, was sich ergibt, was man innerlich sieht: mit welchen Kräften diejenige Fähig­keit, die im Rechnen sich auslebt, sich verbindet mit dem, was auch das Moralische im Menschen ergreift.
Nun werden Sie vielleicht mich noch besser verstehen, wenn ich ein klein wenig das Prinzip des Rechenunterrichts Ihnen darlege. Heute geht doch vielfach das Rechnen davon aus, daß wir zunächst damit beginnen, daß wir eins zum anderen hinzufügen. Allein bedenken Sie, welche fremde Betätigung das für die menschliche Seele ist, daß man eine Erbse zu den anderen hinzufügt, und immer wenn etwas hinzu­gefügt ist, man wieder einen neuen Namen gibt.

rekenen niet op de juiste manier is bijgebracht. Het volgende zal u misschien volkomen paradoxaal in de oren klinken, maar ik heb het over de werkelijkheid en niet over wat ons tijdperk zich verbeeldt. Daarom wil ik, al lijkt waarheid in onze tijd vaak paradoxaal, voor zulke paradoxen ook niet terugschrikken. Als wij namelijk als mens in de afgelopen decennia de kunst hadden verstaan om de menselijke ziel op de juiste manier in het rekenonderwijs onder te dompelen, dan was er nu geen bolsjewisme in Oost-Europa. Dat is wat de innerlijke blik ons toont: hoe sterk het vermogen dat zich in het rekenen manifesteert samenhangt met wat ook het morele in de mens beheerst.
Nu zult u mij misschien nog beter begrijpen, als ik u een klein beetje vertel over het principe van het rekenonderwijs. U weet, tegenwoordig is het uitgangspunt van het rekenen meestal dat we beginnen met het optellen van het een bij het ander. Maar bedenkt u nu eens wat een eigenaardige bezigheid dat is voor de menselijke ziel, om het ene erwtje bij het andere te leggen en dan steeds als er iets bij gekomen is daar weer een nieuwe naam aan te geven.

Der Übergang von eins zu zwei, dann wiederum zu drei, dieses Zählen ist ja etwas, was ganz wie willkürlich im Menschen als Tätigkeit sich vollzieht. Aber es gibt eine andere Möglichkeit, zu zählen. Wir finden diese Möglich­keit, wenn wir etwas in der menschlichen Kulturgeschichte zurück­gehen. Denn ursprünglich wurde gar nicht so gezählt, daß man eine Erbse zu der anderen legte, Einheit zu Einheit hinzulegte, und dadurch etwas Neues entstand, was wenigstens zunächst für das Seelenleben außerordentlich wenig mit dem Vorhergehenden zu tun hat. Aber man zählte etwa in der folgenden Weise. Man sagte sich: Was man im Leben hat, ist immer ein Ganzes, das man als Ganzes aufzufassen hat, und es kann das Verschiedenste eben eine Einheit sein. Wenn ich einen Volkshaufen vor mir habe, so ist er zunächst eine Einheit. Wenn ich einen einzelnen Menschen vor mir habe, ist er auch eine Einheit. Die Einheit ist im Grunde genommen etwas ganz Relatives. Das berücksichtige ich, wenn ich nicht zähle 1, 2, 3, 4 und so fort, sondern wenn ich in der folgenden Weise zähle:

Het overgaan van één naar twee en dan weer naar drie, het tellen is toch iets wat zich als een volkomen willekeurige activiteit in de mens afspeelt. Het is ook mogelijk om op een andere manier te tellen. Die mogelijkheid ontdekken we als we een stukje teruggaan in de menselijke cultuurgeschiedenis. Want oorspronkelijk werd er helemaal niet geteld door de ene erwt naast de andere te leggen. Men voegde niet eenheid bij eenheid, waardoor iets nieuws ontstond, dat, althans voor het zieleleven, bijzonder weinig te maken had met wat er eerst was geweest. Men telde daarentegen ongeveer op de volgende manier. Men zei: alles in het leven vormt altijd een geheel, dat men ook als geheel moet opvatten. Zelfs het meest heterogene kan een eenheid vormen. Als ik een mensenmenigte voor mij heb, is die toch in de eerste plaats een eenheid. En als ik een enkele mens voor mij heb is dat ook een eenheid. De eenheid is in de grond van de zaak iets heel betrekkelijks. Daar hou ik rekening mee als ik niet tel van een, twee, drie, vier enzovoort, maar als ik op de volgende manier tel:

Blz. 111  vert. 97

und so weiter, wenn ich das Ganze gliedere, weil ich also von der Ein­heit ausgehe, und in der Einheit als Mannigfaltigkeit die Teile suche. Das ist auch die ursprüngliche Anschauung vom Zählen. Die Einheit war immer das Ganze, und in der Einheit suchte man erst die Zahlen. Man dachte sich nicht die Zahlen entstehend als 1 zu 1 hinzugefügt, sondern man dachte sich die Zahlen alle als in einer Einheit darinnen, aus der Einheit organisch hervorgehend.
Das, angewendet auf den ganzen Rechenunterricht, gibt das Fol­gende: Sie werfen, statt daß Sie Erbse zu Erbse hinzulegen, einen Erb­senhaufen dem Kinde hin. (Es wird gezeichnet.) Der Erbsenhaufe ist das Ganze. Von dem geht man aus. Und jetzt bringt man etwa dem Kinde bei: Ich habe den Erbsenhaufen, oder, sagen wir, damit es für das Kind empfindlich anschaulich wird, einen Haufen von Äpfeln und 3 Kinder, vielleicht 3 Kinder von verschiedenem Alter, die verschieden stark zu essen haben, und wir wollen etwas tun, was mit dem Leben zusammenhängt. Was können wir da tun? Nun, wir können das tun, daß wir den Äpfelhaufen in einer gewissen Weise teilen, und daß wir dann den ganzen Haufen als Summe betrachten gleich den einzelnen Teilen, in die wir ihn aufgeteilt haben. Wir haben den Äpfelhaufen dort, und wir sagen: Wir haben 3 Teile, und bringen so dem Kinde bei, daß die Summe gleich ist den 3 Teilen. Summe =3 Teile. Das heißt, wir gehen bei der Addition nicht von den einzelnen Teilen aus und haben nachher die Summe, sondern wir nehmen zuerst die Summe und gehen zu den Teilen über. So gehen wir von dem Ganzen aus, und gehen zu den 

enzovoort, als ik het geheel onderverdeel, als ik dus uitga van de eenheid en daarin als in een menigvuldigheid de delen zoek. Dat is ook de oorspronkelijke opvatting van het tellen. De eenheid was altijd het totaal, en in die eenheid zocht men pas de getallen. Men stelde zich de getallen niet voor als ontstaan uit één, waar één werd bijgevoegd, maar men stelde zich de getallen allemaal voor als in een eenheid besloten, en vanuit die eenheid dan op een organische manier ontstaan.
Als we dat toepassen op het hele rekenonderwijs, levert dat het volgende op: u geeft het kind, in plaats van erwt na erwt neer te leggen, een handjevol erwten tegelijk:

Dat handjevol erwten is het geheel. Dat is waar we van uitgaan. En dan zegt u ongeveer het volgende tegen het kind: hier heb ik een handjevol erwten, of laten we zeggen, dat is wat aanschouwelijker, daar kan het kind beter in meegaan: ik heb hier een berg appels en drie kinderen, drie kinderen misschien van verschillende leeftijd, die niet allemaal evenveel eten. En nu willen we iets doen dat alles te maken heeft met het leven. Wat kunnen we dan doen? Welnu, we kunnen die berg appels op een bepaalde manier verdelen, waarbij we dan de hele berg zien als de som, die gelijk is aan de afzonderlijke delen waarin we die hebben opgedeeld. We hebben daar die berg appels en we zeggen: dat zijn drie delen, en brengen op die manier het kind bij dat de som gelijk is aan de drie delen. De som = drie delen. Dat wil zeggen, dat wij bij het optellen niet uitgaan van de afzonderlijke delen, om vervolgens tot de som te komen, maar dat wij eerst de som nemen, en van daar uit tot de delen komen. We gaan dus uit van het geheel en komen dan

Blz. 112 vert. 98/99

Addenden, zu den Teilen über, um auf diese Weise ein lebendiges Erfas­sen der Addition zu haben. Denn dasjenige, worauf es in der Addition ankommt, das ist immer die Summe, und die Teile, die Glieder sind das­jenige, was in der Summe in einer gewissen Weise drinnen sein muß.
So ist man in der Lage, das Kind heranzubringen an das Leben in der Art, daß es sich hineinfügt, Ganzheiten zu erfassen, nicht immer von dem Wenigen zu dem Mehr überzugehen. Und das übt einen außer­ordentlich starken Einfluß auf das ganze Seelenleben des Kindes. Wenn das Kind daran gewöhnt wird, hinzuzufügen, dann entsteht eben jene moralische Anlage, die vorzugsweise ausbildet das nach dem Begehr­lichen Hingehen. Wenn von dem Ganzen zu den Teilen übergegangen wird, und wenn entsprechend so auch die Multiplikation ausgebildet wird, so bekommt das Kind die Neigung, nicht das Begehrliche so stark zu entwickeln, sondern es entwickelt dasjenige, was im Sinne der pla­tonischen Weltanschauung genannt werden kann die Besonnenheit, die Mäßigkeit im edelsten Sinne des Wortes.

tot de getallen die bij elkaar worden opgeteld, tot de delen, om op die manier een levendig begrip te krijgen van de optelling. Want waar het bij de optelling op aankomt is altijd de som, en de delen, de samenstellende getallen, zijn wat in de som altijd op een bepaalde manier aanwezig moet zijn.
Op die manier kan men het kind zo met het leven vertrouwd maken dat het vanzelfsprekend gehelen zal weten te vatten, en niet altijd van minder naar meer zal gaan. En dat is van buitengewoon grote invloed op het hele zieleleven van het kind. Als het kind de gewoonte wordt bijgebracht om steeds bij te tellen, ontstaat er een morele aanleg waarbij zich gemakkelijk de neiging zal ontwikkelen om te streven naar wat begeerlijk is. Als van het geheel naar de delen wordt overgegaan, en op een soortgelijke manier ook het vermenigvuldigen wordt aangeleerd, raakt het kind minder sterk geneigd de begeerte te ontwikkelen, maar ontwikkelt dat wat in de zin van de platonische wereldbeschouwing de bezonnenheid genoemd kan worden, de gematigdheid in de meest edele zin van het woord.

Und es hängt innig zusammen dasjenige, was einem im Moralischen gefällt und mißfällt, mit der Art und Weise, wie man mit den Zahlen umzugehen gelernt hat. Zwischen dem Umgehen mit den Zahlen und den moralischen Ideen, Impulsen, scheint ja zunächst kein logischer Zusammenhang, so wenig, daß der­jenige, der nur intellektualistisch denken will, darüber höhnen kann, wenn man davon spricht. Es kann ihm lächerlich vorkommen. Man begreift es auch ganz gut, wenn jemand lachen kann darüber, daß man beim Addieren von der Summe ausgehen soll, und nicht von dem Addenden. Aber wenn man die wirklichen Zusammenhänge im Leben ins Auge faßt, dann weiß man, daß die logisch entferntesten Dinge im wirklichen Dasein einander oftmals sehr nahe stehen.
So ist dasjenige, was sich herausarbeitet in der kindlichen Seele durch die Behandlung mit den Zahlen, von ungeheurer Wichtigkeit für die Art und Weise, wie das Kind uns dann entgegenkommt, wenn wir ihm moralische Beispiele vor die Seele führen wollen, an denen es Gefallen oder Mißfallen, Antipathie oder Sympathie mit dem Guten oder Bösen entwickeln soll. Wir werden ein Kind vorfinden, das empfänglichen Sinn hat für das Gute, wenn wir das Kind in der entsprechenden Weise behandelt haben, mit den Zahlen umzugehen

Wat iemand moreel gezien bevalt en niet bevalt hangt nauw samen met de manier waarop hij met de getallen heeft leren omgaan. Er lijkt tussen de omgang met de getallen en morele ideeën en beweegredenen op het eerste gezicht geen logische samenhang te bestaan. Dat lijkt zelfs zo weinig het geval, dat wie zich tot het intellectualistische denken wil beperken, honend kan reageren als men het daarover heeft. Het kan hem belachelijk voorkomen. Het is ook heel goed te begrijpen als iemand het belachelijk vindt om bij het optellen van de som uit te gaan en niet van de getallen die bij elkaar worden opgeteld. Maar als men kijkt naar de werkelijke verbanden in het leven, dan weet men dat dingen die logisch gezien niets met elkaar te maken hebben, in het werkelijke bestaan vaak zeer dicht bijeen liggen.
Zo is dat wat zich losmaakt in de ziel van het kind als gevolg van hoe we met de getallen omgaan van ontzettend groot belang voor de manier waarop het kind vervolgens reageert als wij zijn ziel morele voorbeelden willen geven, waaraan het positieve of negatieve gevoelens moet ontwikkelen, antipathie of sympathie tegenover het goede dan wel het kwade. Wij zullen een kind ontmoeten dat openstaat voor het goede als wij het kind op de aangewezen manier hebben geleerd met getallen om te gaan.
GA 305/109-112 
Vertaald/95-99

.

Rekenwerkboek ‘Rekenen in beweging

Rudolf Steiner over rekenenalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Rekenenalle artikelen

.

2616-2450

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 11 (11-7-3/1)

.

Enkele gedachten bij blz. 170-172 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

In [11-7] wijst Steiner op het feit dat je met het geven van je onderwijs een bepaalde invloed kan uitoefenen op de levenskrachten van het kind. 
Het gaat er in dat verband dan om of je een kind confronteert met (te) veel geheugenwerk of juist (te) veel fantasie.
Beide zouden van invloed zijn op de fysieke groei van het kind.

Dat is geen eenvoudige kost! 

In de praktijk van het werk heb ik wel kunnen ervaren dat er zoiets als Steiner daar beschrijft, bestaat.

De vrijeschoolleraar Max Stibbe publiceerde een boekje ‘Opvoeding langs nieuwe wegen’. 

OPVOEDING TOT LICHAMELIJKE GEZONDHEID

Greta, een astmapatiënt

Zij kwam in de 6e klasse, juist ontslagen uit de kliniek, jarenlang had zij aan astma geleden. Het was zover gekomen, dat zij door de behandelende arts opgegeven was, zozeer was zij verzwakt en uitgeput door de aanvallen. In wanhoop stelden de ouders het kind onder behandeling van een arts die een nieuwe methode in de geneeskunde vertegenwoordigde, de methode die berustte op Rudolf Steiners inzichten. Zij kwam in de Rudolf-Steinerkliniek te ’s-Gravenhage, die toen kort tevoren geopend was. Na drie maanden werd zij als gezond ontslagen, met de mededeling dat zij om wederinstorting te voorkomen de nieuwe school moest bezoeken, die onderwijs geeft op dezelfde basis van mensenkennis. Greta kwam in de 6e klas, lang uitgegroeid en bleek; zij was 12 jaar oud. Het was duidelijk zichtbaar, dat alle mogelijkheden voor een wederinstorting aanwezig waren. Al had de medische behandeling in korte tijd een wonder tot stand gebracht, nu gold het dit wonder te bestendigen.

Bij het astma heeft men te maken met een aandoening van de bronchiën. Hart en longen, het midden van het menselijk organisme, zijn – zo leren de nieuwe inzichten – de dragers van het gevoelsleven, op dezelfde wijze als het hoofd met het centrale zenuwstelsel de drager van het bewustzijnsleven is. Zijn de longen of de verdere luchtbanen, zoals in Greta’s geval de bronchiën, niet gezond, dan valt dit samen met de een of andere onregelmatigheid in het gevoelsleven. Beter gezegd: de zwakte van het gevoelsleven is de oorzaak van de aandoening van de luchtwegen. De arts had de taak het kind te genezen van de fysieke kwaal; het is echter tegelijkertijd een kwaal van het zielenleven. Hij schrijft medicamenten voor, tevens geeft hij een psychische behandeling. De vraag voor de onderwijzer was: hoe kan ik het kind verlossen van de nog bestaande psychische grondslagen van de kwaal? De leerkracht krijgt dus ook een therapeutische taak, zij het natuurlijk op psychisch gebied.

Hij zal zich zeker interesseren voor de vraag welke afwijking in het gevoelsleven van het kind oorzaak van het astma is. Ook zonder deze oorzaken reeds nauwkeurig te kennen, weet hij de therapie. Klinkt dit als een sprookje? Toch is het de waarheid. Het leven stelt vaak andere eisen dan die van de logica en de theorie. Een van mijn vroegere vrienden gebruikte eens een treffende vergelijking. Hij sprak over de therapeutische wil van de arts. Hij vergeleek diens werk met dat van de veldheer. Napoleon stond met zijn leger aan de voet van de piramiden. De vurige troepen van de Mamelukken stormden op zijn soldaten af, de ene golf na de andere. Een vleugel begon te wijken. Wat moest Napoleon doen? Nadenken erover, wat de oorzaak van het wijken der troepen was? Onzin. Hij stuurde zijn garde erop af. En behaalde een schitterende overwinning. Had hij eerst als een geleerde gepeinsd over de oorzaak van het terugwijken van zijn soldaten, dan had hij de veldslag verloren. Dat is het verschil tussen de logica en het leven. De logica vraagt naar theoretische samenhangen tussen ziekte en ziekteoorzaak. Daarop is de moderne wetenschap gebouwd. Het leven vraagt de onmiddellijke daad. Die kan het resultaat zijn van een nog onmiddellijker aanschouwing. Zoals Napoleon de toestand van zijn troepen en de vijand overzag en daardoor tot de daad wist over te gaan, zo moet de arts, de leraar, de toestand van de patiënt, de leerling overzien, met de innerlijke blik overzien. En dan tot de helpende, de genezende daad weten over te gaan.

De theoretische, door geen logica te weerleggen wetenschap ligt ten grondslag aan het gebruikelijke onderwijs. Het leven echter weerlegt haar. Het onderwijs is onpraktisch geworden. De grondslag voor de nieuwe school is de onmiddellijk tot de daad voerende wetenschap van de geest.

In het geval van Greta werd van de eerste dag van haar verschijnen in de nieuwe school af de kunstzinnige opvoeding in het middelpunt gesteld. Veel schilderen en tekenen. Veel recitatie en zang, vooral sterk ritmische gedichten en muziek. Ook moest zij dagelijks ritmisch lopen op gedichtteksten. Waarom? Het midden, hart en longen, zijn de organen die ritmisch functioneren. Door ritmische bezigheid worden zij in hun werkzaamheden ondersteund. Bovendien heeft alle kunstzinnige arbeid een werking in de gevoelssfeer van de mens, reguleert ze. Dit werkt dan weer gezondmakend terug op de longen, de bronchiën.

Het bleek al spoedig, waaruit de gevoelsafwijking bij Greta bestond. Lief zag zij eruit met haar sierlijke, rood-blonde krullenkopje en vriendelijke blauwe ogen. Men zou niet denken, dat zij met zoveel felheid kon opstuiven, meestal over kleinigheden zonder enige betekenis, die haar hinderden. Een jongen loopt langs haar bank en stoot bij ongeluk haar even aan, zij stuift vol kwaadheid op, roept hem enige boze woorden toe, gaat zitten en het volgende ogenblik is zij weer rustig. Korte tijd later neemt haar buurvrouw een ogenblik haar pennenhouder weg om een woord in haar schrift te schrijven; dezelfde scène herhaalt zich. Vele malen op een dag windt zij zich zo op. Dit verdragen haar bronchiën niet. Zij moet nog psychisch genezen, d.w.z. het gevoelsleven moet geharmoniseerd worden. Dit gebeurt door kunstzinnige en ritmische behandeling. Bovendien is in de nieuwe school de ductus van het hele onderwijs een kunstzinnig-fantasievolle. Dat wist de arts die het kind het leven gered had. Daarom wilde hij, dat zij op deze school verder zou genezen. De aanvallen bleven weg, benauwdheden verdwenen meer en meer, een blos verscheen op de wangen; Greta werd een flinke leerling, vol toewijding en ernst. Toen zij na vele jaren de school verliet, kon zij een zwaar werk beginnen, dat veel lichamelijke inspanning eiste.

Een nerveus kind

Jaap is nerveus. Tien jaar oud en al nerveus. Een opgewekt en levendig kind was hij, toen hij naar school ging, naar de openbare school. Vanaf dat ogenblik ging het bergaf met hem. Thuis werd hij ongeduriger; ’s nachts praatte hij voortdurend, overdag kon hij met zijn vingers nergens van afblijven, maakte hij alles kapot wat onder zijn bereik kwam. Geen vijf minuten kon hij bij dezelfde bezigheid blijven. Op school onderwierp hij zich, maar met het leren wilde het niet gaan, ofschoon hij eigenlijk een pienter ventje was. In de 3e klas bleef hij zitten. Zijn moeder keek met zorg de toekomst in. Waartoe moest dat leiden? Een van de vele wrakken des levens later ? Overal hoorde je van nervositeit. Bijna al haar vriendinnen waren nerveus, ieder op een andere manier. Enkele moesten ieder jaar een rustkuur doen. Moest dat het voorland zijn van haar kind? Of misschien nog erger? Zij hoorde van de nieuwe school. Daar moest zij het proberen met haar Jaapje, al wist ze er nog niets van. Jaap kwam in de 4e klas, waarin hij volgens zijn leeftijd hoorde. Het was duidelijk, dat rust en concentratie zijn deel moesten worden. Die kan men helaas niet op militaire wijze erin hameren. Daarvoor is enig beleid nodig, enig inzicht ook. Het feit dat in de nieuwe school het hele onderwijs gebouwd wordt op beweging en kunstzinnigheid, was al een zegen voor Jaap. Men kan het leven alleen opvangen door het leven zelf, niet door een vast, min of meer militair, eenzijdig systeem. In de nieuwe school heerst het leven onder de autoritaire leiding van de leraar. Jaapje werd na een paar weken verblijf in de nieuwe school al merkbaar rustiger thuis, het spreken in de slaap hield op. Overigens bleef hij nog als een kwikdruppel… overal, thuis en ook op school. De leraar wist raad.

Het kleine, scherpgesneden kopje van Jaap, zijn beweeglijkheid, zijn voortdurend grijpen met de vingers en vernielen leverden een uitgesproken beeld op: de eekhoorn. Een dierkundeperiode kwam al spoedig aan de orde. Ook de eekhoorn werd onderwerp van behandeling. De leraar maakte een gedicht. Jaap mocht de eekhoorn spelen, terwijl hij het gedicht reciteerde. Dagelijks werd het doorgenomen, eerst met de hele klas, dan Jaap apart. Een gedicht van een eekhoorn die springt van tak tot tak, noten grijpt op behendige wijze, ze kraakt en pelt met bekwame hand. Een fijn gedicht, meende Jaap. En kostelijk om erbij te springen net als de eekhoorn en dan met de armen te graaien naar de noten, je dan voor te stellen, dat je ze in de hand hebt, krak, krak, ze kraakt met de scherpe tanden en dan pelt. De leraar had hem de bewegingen voorgedaan, euritmische bewegingen. Daarmee maakte Jaap verschillende klanken van de woorden uit het gedicht, bij het grijpen met de hele arm, bij het kraken en pellen der noten met de vingers alleen. Dat zag er zo grappig uit: de r en de p en de s en de vocalen met de vingers. Je moest er echt handig voor zijn, je voelde je daarbij net als een eekhoorn, enig. Jaap vertelde het zijn moeder met laaiende geestdrift, deed het alles voor aan tafel, niet tot bijzonder grote stichting. Toch was er blijdschap in het hart van de moeder. Er was verbetering te zien, al was het ook nog zo weinig. En wat dacht de leraar erbij? De jongen speelde op deze wijze zichzelf a.h.w. Dat gaf hem de geestdrift. Het gaf hem ook de energie om het moeilijke te kunnen, juist dat waar het op aan kwam. Het vereiste namelijk geen geringe inspanning en niet weinig concentratie om het gedicht behoorlijk te reciteren, tegelijkertijd te springen en euritmie te maken met de armen en de vingers vooral. Dat oefende de jongen elke dag. Na enkele maanden was het kapotmaken verdwenen, het onbeheerste uitsteken van vingers en handen. De overmatige behoefte aan beweging van de handen en vingers had door het gedicht bevrediging gekregen niet alleen, maar ook leerde Jaap zijn vingers te beheersen op deze wijze. Natuurlijk droeg het verdere onderwijs het nodige bij, het tekenen, schilderen, waarbij de handen ook op een zinvolle wijze gebruikt moeten worden; het gedicht was echter de hoofdzaak in de begintherapie. De behandeling ging verder met andere pedagogische middelen. Voor kinderen als Jaap is afwisseling nodig. De leraar wist die te vinden. De jongen was na een half jaar van de excessen van zijn nervositeit verlost; zij waren nog niet te diep ingevreten. De verdere opvoeding kon door zijn moeder met gerustheid onder het oog gezien worden.

Een toekomstig ziektebeeld

In een vorig hoofdstuk werd verteld hoe in de 6e klas van de nieuwe school een meisje kwam, Jet genaamd, dat door haar overmatig intellectuele neiging en kritische zin haar opvoeders veel moeite gaf. Hier zullen wij ons moeten bezighouden met het vraagstuk van haar gezondheidstoestand. Jet had een wit-bleek gezichtje, waartegen haar felle zwarte ogen en donkere haren, die links en rechts sluik omlaag vielen, scherp afstaken. Uitstekende jukbeenderen, een bol voorhoofd, waardoor de ogen nog dieper schenen te liggen, gaven haar het beeld van een levend doodskopje. Daarbij kwam, dat zij een ware hartstocht voor intellectueel werk bezat, voor het leren van jaartallen, namen van plaatsen, bergen, rivieren, voor het maken van de ingewikkeldste beredeneersommen en in haar vrije tijd niets liever deed dan het ene boek na het andere verslinden. Haar spijsvertering was slecht al van haar prilste jeugd.

Zij was een uitstekende leerling geweest op de vroegere school en zou het steeds gebleven zijn. En toch was het intellectuele voedsel, dat zij zozeer begeerde, het allerslechtste voor haar.

Men herinnert zich, hoe de leraar in de nieuwe school de weg vond om het kind te winnen voor het voor haar vereiste onderwijs, door haar een grote rol te geven in een toneelstuk. Daardoor werd haar leerlust bevredigd, tevens een dubbel nieuw element eraan toegevoegd: een kunstzinnig element en de eigen activiteit van het kind. Het bleef niet langer in de passieve intellectuele sfeer van opnemen en stilzitten, het kwam in beweging, tot scheppende arbeid. De beweging is nodig voor de ontwikkeling der wilskrachten, die hun centrum in stofwisseling en ledematen vinden, het kunstzinnige werk, om ook de gemoedskrachten te activeren, die samenhangen met het midden van de mens, met de borstorganen, het hart en de longen. Op deze wijze werd het hoofd gebruikt, tevens kwam het hele organisme in actie. Steeds opnieuw werd het onderwijs zo ingericht, dat Jet alles leren moest door beweging en kunstzinnige activiteit. Natuurlijk niet alleen zij, maar de hele klas. Dat was het systeem.

Waarom was dat van belang voor Jets gezondheid? Hier kom ik op gevaarlijk terrein. Hier moet gesproken worden over de toekomst. En van ziekten in de toekomst. Een dubbele zonde. Over de toekomst weet men niets. En een leek mag niet spreken over ziekte en gezondheid.

En toch heeft de leraar met beide te maken. En niet weinig ook. Wat is een kind anders dan een belofte voor de toekomst? Moet dan niet elke leerkracht die met recht opvoeder wil zijn, zorgen, dat hij in de toekomst kan zien ? Moet hij niet weten, welke gevolgen zijn onderwijs zal hebben voor het latere leven van zijn leerlingen? Moet hij niet daartoe de wetten des levens, de wetten van groei en metamorfose kennen, waardoor het inzicht ontstaat van de uitwerking van het onderwijs van heden op de volgroeide mens van 30, 40 jaar? Ja, hij is mede verantwoordelijk voor de toekomst van zijn leerlingen, niet alleen voor hun examens (dat kan erbij komen), maar veel meer voor hun bestaan, of zij gezonde of ongezonde mensen worden, moreel goede of zwakke, tegen de moeilijkheden van het leven opgewassen mensen of zulke die hun zelfvertrouwen verliezen, mensen die weten aan te pakken, als het leven verplichtingen oplegt, of die terugdeinzen. Dat alles en nog veel meer moet de leraar overzien. Ook of hij door zijn onderwijs bijdraagt tot gezondheid of ziekte. Daarom moet de leraar van geneeskunde het zijne weten en moge het hem geoorloofd zijn daarover te schrijven, niet als medisch vakman maar als pedagoog. -En hoe moet de leraar zich de bekwaamheid eigen maken datgene wat nodig en mogelijk is in de zwarte duisternis van de toekomst toch te onderscheiden? Dat kan hij met behulp van de nieuwe spirituele mensenkennis, die op Rudolf Steiner teruggaat, wiens laatste pedagogische cursus gehouden werd in Nederland, in Arnhem, in het jaar 1924.

Nederland draagt de erfenis van een groot verleden op pedagogisch gebied. De eerste wereldbeweging vond in ons land haar bakermat. Dat was in het begin van de nieuwe tijd, in de 14e, 15e eeuw, de pedagogie van Geert Groote, Johannes Cele, van de Broederschap des Gemenen Levens, een beweging die zich uitbreidde over geheel West- en Midden-Europa en doordrong tot in Spanje en Italië. Anderhalve eeuw later schreef Comenius, die de vader van de moderne pedagogie heet, vele van zijn belangrijkste werken in ons land; hier werden zij gedrukt. Rudolf Steiner, die de leraar van talloze leraren werd, zei o.a. op zijn bovengenoemde laatste pedagogische cursus in Nederland, zich richtend tot zijn voor het merendeel Hollandse toehoorders:

„Besonders in diesem Kursus konnte ich nur einige An-regungen geben. Und im Grund genommen ist mit diesem Anregungengeben nicht allzuviel getan, denn unsere Pada-gogik ist Erzieher- und Unterrichtsprax/r. Sie lebt erst, wenn sie ausgeführt wird, denn sie will nichts anderes sein als Leben. Sie will im Grunde genommen nicht bezeichnet werden, sondern sie will erlebt werden.

Wenn Unterricht und Erziehung darin bestehen, dass Leben lebendig an Leben übertragen wird, dann kommt auch Leben heraus, das sich entwickelt und gedeiht.”

De mensenkennis die Rudolf Steiner zijn tijdgenoten en de later geborenen brengt, is geen theorie, geen abstracte wetenschap, als de vroegere psychologie; zij is een oproep tot de helpende daad, een vuur dat overslaat in het hart van degeen die het woord verneemt, een ladder waarlangs men omhoogklimt in het vroeger onbekende rijk van de ziel, waar men nu zelf een blik in leert slaan en langzamerhand steeds meer leert zien. Daarom is Rudolf Steiner de grote leraar der leraren, niet alleen de helper en de vriend van de mensen en kinderen die tot hem kwamen.

Deze nieuwe mensenkennis is het, die de leraar de mogelijkheid biedt in bepaalde opzichten, met de daarbij behorende voorzichtigheid, zich een begrip te vormen van de toekomstige ontwikkeling van een kind. Hij moet, wil zijn onderwijs niet in de lucht hangen en even abstract zijn als dat van de oude school, het wagen tot ideeën te komen over toekomstige ziektegevaren, waarvoor een kind gepredisponeerd kan zijn. De samenwerking met de schoolarts is hierbij van het grootste belang.

Wat was nu het gevaar bij Jet? Daar kon men een sterk sprekend beeld vinden van een toekomstige aderverkalking (arterio-sclerose). De taak van de leraar werd verzwaard door de opgave het kind hiervoor zo mogelijk te behoeden. De juiste pedagogische behandeling verschaft de vereiste profylaxe. Een bewijs? Naïeve vraag. Zulke dingen zijn natuurlijk nooit te bewijzen. Alleen inzicht spreekt hier. En inzicht wederom kan begrijpen. Wij willen trachten het geval nader uiteen te zetten.

Met deze beschouwingen zijn wij aangeland bij een van de grote cultuurziekten van onze tijd. Het is een bekend feit, dat de aderverkalking in de laatste honderd jaren van intellectuele overlading der ganse beschaafde mensheid, van een normale ouderdomsziekte geworden is tot een rampzalige kwaal, die mensen in de volle kracht van het leven langzaam martelend weet te vernietigen. Men leze de geschiedenis van de jarenlange en pijnlijke ziekte van Lenin, nauwelijks 50 jaren oud; hoe hij langzaam aan verlamd werd, daardoor voor het werk uitgeschakeld een jaar lang, dan een nieuwe verlamming, waardoor hij ook niet meer spreken kon – dan sterft hij aan aderverkalking. Zijn hersenen waren geheel verkalkt. Eén van de vele voorbeelden. En een veelzeggend.

Men denke aan het feit dat bij de primitieve volken, voor welke het intellectuele leven een geringe rol speelt, de aderverkalking vrijwel niet optreedt. De volken die nog beschikken over jeugdige krachten, in het Oosten, kennen de kwaal haast niet. Het is een der typische ziekten van het Westen geworden, van de moderne beschaving, van het intellect. Het was Rudolf Steiner, die voor het eerst erop wees, dat de te vroege aderverkalking veroorzaakt wordt, doordat men in de scholen de kinderen te vroeg overlaadt met eenzijdig-intellectueel voedsel. De kinderziel is voor abstracte gedachten pas rijp omstreeks de puberteitsovergang, niet eerder. Het onderwijs in het Westen is al intellectueel vanaf de eerste schooldag in de lagere school. Dat legt de ziektekiemen aan, die tot wasdom komen op veel latere leeftijd. Bij degenen die daartoe gepredisponeerd zijn, in aderverkalking, bij anderen in andere kwalen vaak.

Men kent een serie van cultuurziekten van de 20e eeuw, ziekten die veelal een punt van overeenstemming hebben. De vele vormen van nervositeit kent iedereen, het resultaat van overbelasting der zenuwen.

Dan echter is er een serie van kwalen die meer in bloed en stofwisseling werken: de obstipatie, te zwak werkende stofwisselingsprocessen dus, steenziekten, als niersteen, galsteen, reumatische aandoeningen. In dit kader valt de aderverkalking. In deze serie van ziekten ziet men een zekere verharding van het een of andere orgaan optreden. Dat is het resultaat van een overmatig en eenzijdig gebruik van het intellect, van de krachten van het hoofd in de jeugd. Geen groter tegenstelling namelijk dan die tussen het hoofd, de zenuwen en het bloed. Dat te zien is van een eminent belang. Het centrale zenuwstelsel bouwde het harde pantser van de schedel om zich heen om beschermd te zijn en in rust te kunnen werken. Het bloed daarentegen stroomt door het hele lichaam heen en houdt de organen week en plastisch. Zonder afkapseling, verharding en rust geen denken; zonder de golvende stroom van het bloed, die alle vorm zou willen oplossen, geen leven. Werken in de mens de krachten van het hoofd te sterk, te eenzijdig, dan gaat de tendens tot afkapseling en verharding van boven naar beneden door het hele organisme, werkt in een gebied waar het niet werken mag, en een verhardingsziekte ontstaat. Eén van de vele cultuurziekten van onze intellectueel-overbelaste tijd. Bij de aderverkalking vormen zich de aderen naar het voorbeeld van het hoofd: zij worden ompantserd, de bloedstroom loopt gevaar gestremd te worden. Werken daarentegen de krachten van het bloed te sterk, dan ontstaan ziekten van totaal andere aard, die een tegengesteld beeld vormen van de intellectuele kwalen: de ziekten met uitslag, die met koorts gepaard gaan en meestal met infectie. Het bloed heeft een expansieve kracht, de warmte wordt van beneden opgejaagd naar boven, het werkt te sterk in een gebied waar het niet werken mag, en mazelen, pokken, rode hond, pest en andere infectieziekten doen zich voor. Ouderdomsziekten a.h.w. zijn die welke van het hoofd uitgaan, jeugdziekten diegene die op overmatige werking van het bloed berusten. De ziekten die door het intellectuele leven ontstaan, hebben in tegenstelling tot de bloedziekten vaak een samentrekkende kracht, zij teren het lichaam uit, de mens wordt meer en meer een skelet gelijk.

Dat was het beeld dat Jet toonde toen zij op school kwam, 12 jaar oud. En dan die hartstocht voor intellectueel onderwijs. Een geluk, dat zij kwam voor de grote overgang van de puberteit. Want dan ontwaakt de volle kracht van het intellect en moet het onderwijs daarmee in overeenstemming zijn. Vóór die overgang is toonaangevend in het kinderwezen de tegengestelde pool van bloed en leven, van het wilsleven, verbonden met de krachten van hart en longen, die de dragers zijn van het gevoelsleven. Bij Jet kon door die andere krachten in werking te stellen nog veel goedgemaakt worden. Dat was misschien wel het belangrijkste deel van de taak van de leraar. Profylaxe. Een medisch-pedagogische taak. Men kan begrijpen, hoezeer het onderwijs op de nieuwe school verlangt, dat er een intensieve samenwerking bestaat tussen leraar en arts. De schoolarts moet tevens leraar zijn bij voorkeur. Hij moet weten wat de pedagogie doen kan voor de gezondheid van de kinderen. De leraar moet een zekere mate van medisch inzicht hebben. En het beste resultaat wordt bereikt, wanneer de arts voor de genezing van het kind de geneesmiddelen, de heileuritmische behandeling voorschrijft, de leraar een parallelgaande behandeling geeft. Dan gaat het gezondheidsproces een dubbele weg, die van een omvattende psychische en fysische behandeling.

In het geval van Jet was voor de zwakte van de stofwisseling een medische behandeling nodig, die gunstige resultaten had. Meer van belang nog was het dagelijks werk in de klasse, waar in het kind door kunstzinnig onderwijs, door het oproepen van eigen activiteit en in schoonheid leven en scheppen, de andere krachtengroep werd in werking gesteld, die haar gezond moest maken: die van het bloed, van het leven. Niet dat Jet geen inhoud voor haar gedachteleven mocht hebben, de inhoud moest echter tevens in staat zijn haar in actie te brengen, moest van schoonheid vervuld zijn. Tot scheppend werk moest zij opgeroepen worden, ook in vakken als rekenen, grammatica.

Een voorbeeld. De klas moet leren in de grammatica wat bijwoordelijke en bijvoeglijke bepalingen en bijzinnen zijn. Men kan natuurlijk op de nieuwe school de kinderen niet een abstracte verklaring of een definitie geven om te beginnen. In het leerplan zien we opgenomen als leerstof voor de Nederlandse taal in de 7e klas, dat geleerd moet worden hoe vreugde, hoop, wens e.a. gevoelens uitgedrukt worden in de taal.

De leraar schrijft een zin op het bord – hij knoopt aan bij het geschiedenisonderwijs, opdat het voorbeeld animerend zij (voorbeelden uit het leven van alledag zijn niet opwekkend genoeg): Mohammed droomde van de engel Gabriël in de grot Harran bij Mekka. Deze zin is karakterloos, saai. De kinderen krijgen de opdracht dezelfde inhoud op te schrijven, daarbij zich voor te stellen, dat zij een van Mohammeds verwoede vijanden zijn, die vol toorn spreekt. Een tweede maal moeten zij zich voorstellen een van diens discipelen en bewonderaars te zijn, die in diepe eerbied over hetzelfde feit spreekt. In het eerste geval wordt de zin in stukken geslagen: „Mohammed, onze gevaarlijkste vijand. Hij ligt te slapen in de grot. Hij komt eruit. Beweert, dat een engel bij hem was. Zijn vrienden geloven het. Zij geloven het nog ook. Hoe is het mogelijk?” – De zinnen worden kort, uitroepen, vragen, elliptische zinnen. In het andere geval: „Mohammed, die wij vereren als de grootste van alle profeten, als de verkondiger van Allah’s woord aan de gelovigen, Mohammed, die wij volgen en wiens leer wij verbreiden te vuur en te zwaard, lag op een gedenkwaardige nacht in de grot Harran buiten Mekka, waar de engel Gabriël hem verscheen en hem Allah’s bevelen overbracht, Allah’s bevelen niet alleen, maar ook de edele en verheven leer, welker knechten en strijders wij zijn!” Op deze wijze – de zinnen die de kinderen schreven, worden besproken in de klas – leren deze door het eigen werk het gebruik van bijvoeglijke en bijwoordelijke bijzinnen. Zij leren echter meer: het begin van stijlvorming. Want als zij enige dagen achtereen zulke oefeningen gemaakt hebben, kan hun de opgave gesteld worden twee kleine opstellen te schrijven, bv. een over de wolf, een tweede over de koe. Het eerste opstel in een stijl die passend is voor de wolf, een toornige stijl, in korte zinnen; het tweede meer rustig en bedaard in stemming van overgave en eerbied, lange zinnen met bijzinconstructies. De inhoud moet een beeld geven van het betreffende dier, van zijn natuur, levensgewoonten, eventueel een verhaal erbij gevoegd ter illustratie. Als de kinderen een dusdanige praktische oefening hebben gehad, is het niet bezwaarlijk meer, en kost het ook geringe moeite, ze de theorie te leren, te leren wat een bijvoeglijke bijzin is, wat een bijwoordelijke, welke kenmerken deze zinnen hebben, enz. Op deze wijze heeft het grammaticale onderwijs zin voor de kinderen, activeert de beste, de gezond-makende krachten. Zo is het goed voor Jet, zo is het goed ook voor alle andere kinderen. Een kunstzinnig element is erbij aanwezig, in zover steeds geappelleerd wordt aan de fantasie van de kinderen. Het geestelijke inzicht werkt steeds in twee richtingen of meer – het leidt tot de beste praktijk, een praktijk waardoor de gezondheid van de kinderen bevorderd wordt, een praktijk die hier de kinderen leert scheppend te werken met de taal, en aldus nieuwe vermogens kweekt, een praktijk die ten slotte ook de nodige kennis aanbrengt.

De nieuwe school, die beantwoorden moet aan de eisen van heden en toekomst, moet zich door een scheppend onderwijs kenmerken, dat alle vermogens der kinderen ontwikkelt, vóór het 14e jaar nooit uitgaande van het intellect, maar van de andere pool van kunstzinnigheid en activiteit. Daarbij komt het intellect niet te kort. Het wordt echter van zijn hoge troon geworpen, waar het voor de jeugd niet anders dan een schadelijke heerschappij voert. Schadelijk voor de ziel niet alleen, schadelijk zelfs voor het lichaam.

Drie voorbeelden werden in dit hoofdstuk beschreven: het voorbeeld van een ziekte die klinisch genezen was en waar het onderwijs achteraf de gezondheid moest bestendigen; het voorbeeld van een ziekte die nog in volle werking was, de nervositeit; ten slotte een ziekte die in de toekomst komen kon en waartegen de school een profylactische behandeling moest geven. Natuurlijk zijn er talloze ziekten, die in het leven optreden, die in het lot van de betreffende mens hun rol moeten spelen, die geheel buiten het bereik van het onderwijs vallen. Er is echter een grote groep van ziekten waartoe het onderwijs zelf kan bijdragen of waarvoor het kan behoeden. Daaronder valt de lange rij der cultuurziekten. Onze intellectuele beschaving verlangt naar gezond makende krachten, naar verjonging, naar vernieuwing. Daartoe vooral moet de pedagogie meewerken. Het is een van de grote opgaven van de nieuwe school.

Max Stibbe, Opvoeding langs nieuwe wegen, Servire 1960

Er is hier sprake van ‘autoritaire leiding’ – zie hiervoor Steiners uitspraken over autoriteit‘.

Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs

Meer over gezondmakend onderwijs – onder nr. 4

Algemene menskunde: voordracht 11 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

.

2608-2442

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 11 (11-7)

.

*GA 293         Vertaling

.

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

GROEIEN

Als Steiner in het begin van de voordracht over de voeding voor het pasgeboren kind spreekt, ligt het voor de hand dat de melk het kind doet groeien.
Een opvoedersrol heeft de volwassene daar niet – je kan alleen verzorgen.
En door onze aanwezigheid blijft het kind niet alleen in leven, doordat het een nabootsingskracht in zich heeft meegebracht, bootst het ons na in onze bewegingen, neemt het van onze stemmingen op, leert het lopen, spreken en daardoor denken. 
Dan hebben wij al een veel grotere opvoedingstaak. die altijd ook een verzorging inhoudt.
Maar dan denken we meer aan het gezin, aan thuis.

Op school moet het kind les krijgen in de dingen die het voor het latere leven nodig heeft: taal, rekenen, aardrijkskunde enz., enz.
Het speciale van de vrijeschoolpedagogiek is dat Steiner de manier waarop wij deze vakken geven, een soort antwoord wil laten zijn op wat het kind van zich uit, door zijn wezen, dus niet zo zeer met woorden, van ons vraagt.

En nog specialer is de mededeling dat wij met die manier waarop wij dat doen, ook invloed uitoefenen op de groei van het kind, op zijn gezondheid. 
Zou het om tastbaar voedsel – eten of drinken – gaan, dan is zo’n opmerking volkomen begrijpelijk. 
Maar hier gaat het om opvoeding – interessant woord in dit opzicht – en deze geestelijke voeding is dus volgens Steiner ook van invloed op de lichamelijke groei, heeft invloed op het lichaam.
En wij, als opvoeders/leerkrachten hebben de taak het groeiproces niet te verstoren:

Blz. 168   vert. 161

Sie müssen bedenken, daß ja das Kind, während Sie es unterrichten und erziehen, auch noch etwas anders zu tun hat als dasjenige, was Sie mit ihm machen. Das Kind hat allerlei zu tun, was gewissermaßen nur indirekt in Ihr Ressort gehört. Das Kind rnuß wachsen. Wachsen muß es, und Sie müssen sich klar darüber sein, daß, während Sie erziehen und unterrichten, das Kind richtig wachsen muß. Was heißt das aber? Das heißt: Sie dürfen durch Ihren Unterricht und durch Ihr Erziehen das Wachstum nicht stören. Sie dürfen nicht störend in das Wachstum eingreifen. Sie dürfen nur so erziehen und unterrichten, daß sie mit diesem Erziehen und Unterrichten neben dem Bedürfnis des Wachstums einhergehen.

U moet wel bedenken dat het kind tijdens de schooljaren ook nog iets anders moet doen dan de dingen die u met hem doet. Het kind moet allerlei dingen doen die slechts indirect tot uw taakgebied behoren. Het kind moet groeien. Groeien moet het en u moet goed beseffen dat het kind goed moet groeien tijdens de schooljaren. Wat wil dat zeggen? Dat wil zeggen dat u door uw onderwijs en door uw opvoeding de groei niet mag verstoren. U mag niet verstorend ingrijpen in de groei. U mag alleen zo opvoeden en onderwijzen dat u met die behoefte aan groei gelijke tred houdt.

Hoofd, romp en ledematen

Opnieuw geeft Steiner een verdere karakteristiek binnen de idee van de drieledige mens. Hij bekijkt deze nu vanuit de groei en concludeert dat de eerste zeven jaar de natuur het accent heeft gelegd op de groei van de gestalte vanuit het hoofd, in de tweede zevenjaarsfase vanuit de borst en in de derde zevenjaarsfase vanuit de ledematen. 
In die eerste zeven jaar overheerst vanaf de babytijd het hoofd nog, dat begint in de verhouding met het overige lichaam als 1 : 4, d.w.z. dat het hoofd viermaal in de lengte van de gestalte past (bij de volwassene is dat 8x). We zien tegen de puberteit de ledematen langer worden, de kinderen worden ‘slungels’ en daar tussenin, dus tussen het 7e en het 14e jaar komt de romp in een strekking. Tevens wordt daarbinnen de verhouding ademhaling/hartslag- bloedsomloop steeds meer die van 1 : 4 zoals die ook voor de volwassene geldt. 
De basisschool heeft dus vooral te maken met de ontwikkeling van de romp, maar moet die wel aan ‘moeder natuur’ overlaten. 

Das, was ich jetzt sage, ist von ganz besonderer Wichtigkeit für die Volksschuljahre. Denn, ist zunächst die Formbildung da bis zum Zahnwechsel vom Kopfe ausgehend, so ist während der Volksschulzeit da die Lebensentwickelung, das heißt, das Wachstum und alles, was damit zusammenhängt bis zur Geschlechtsreife, also gerade während der Volksschulzeit. Die Geschlechtsreife bildet erst den Abschluß der Lebensentwickelung, die von dem Brustmenschen ausgeht. Sie haben es daher sogar während der Voiksschulentwickelung vorzugsweise mit dem Brustmenschen zu tun. Sie kommen nicht anders zurecht, als wenn Sie wissen: während Sie das Kind unterrichten und erziehen, wächst es und entwickelt sich durch seinen Brustorganismus.

Dat is uitermate belangrijk voor kinderen op de lagere-schoolleeftijd. Stond tot aan de tandenwisseling de gestaltevorming centraal, uitgaande van het hoofd, in de lagere-schoolperiode is het de levensontwikkeling, dat wil zeggen de groei en alles wat met groei samenhangt — en wel tot aan de geslachtsrijpheid. Pas met de geslachtsrijpheid wordt deze levensontwikkeling die uitgaat van de borstmens afgesloten. Daarom hebt u op de lagere school vooral met de borstmens te maken. U moét als onderwijzer en opvoeder weten dat het kind op die leeftijd groeit en zich via zijn borstorganisme ontwikkelt.

En met andere woorden zegt Steiner hier wat hij al eerder samenvatte in: wij moeten opvoedend doen, want de hogere wezens vóór de geboorte hebben gedaan en op aarde niet meer kunnen; wij moeten hun werk voortzetten: 

Sie müssen gewissermaßen der Kamerad der Natur werden, denn die Natur entwickelt das Kind durch die Brustorganisation, durch Atmung, Ernährung, Bewegung und so weiter.  

U moet in zekere zin een kameraad van de natuur worden, want de natuur ontwikkelt het kind via het borststelsel, via adem, voeding, beweging enzovoort.

Und Sie müssen ein guter Kamerad der Naturentwicklung werden.

En u moet een goede kameraad van de ontwikkeling door de natuur worden.

En terwijl hij in de 2e voordracht de basis heeft gelegd – zonder het er daar over te hebben – vraagt hij:

Blz. 168/169 vert. 162

Aber wenn Sie diese Naturentwickelung gar nicht kennen, wie sollen Sie ein guter Kamerad der Naturentwickelung werden? Wenn Sie zum Beispiel gar nicht wissen, wodurch Sie seelisch im Unterricht oder in der Erziehung das Wachstum verlangsamen oder beschleunigen, wie können Sie gut erziehen und unterrichten? 

Maar hoe kunt u dat, wanneer u de natuur niet kent? Wanneer u bijvoorbeeld helemaal niet weet hoe u via de ziel in onderwijs of opvoeding de groei remt of
versnelt, hoe kunt u dan goed opvoeden en onderwijzen?

In de 2e voordracht ging het om ‘verleden’ en ‘toekomst’ wat het voorstellen betreft: of we de ‘hoofd’mens aanspreken, of de ‘ledematen’mens; ofwel: de ‘zenuw-mens of de ‘bloed’mens.
Je zou de ‘hoofd’mens kunnen associëren met de bleke, wat lang-magere kamergeleerde en de ‘ledematen’mens met iemand die dagelijks in de buitenlucht lichamelijk werk verricht, stevig gespierd, met een gezonde kleur op de wangen.

Sigaud ontdekte onder kinderen types bij wie enerzijds ‘het hoofd’, anderzijds de stofwisseling, het ‘digestieve’ overheersend is.
Maar niet bij ieder kind is dat zo uitgesproken opvallend. Eerder is dan sprake van een ‘tendens tot’.

Dat kunnen kinderen dus meebrengen wanneer ze op school komen.
Kun je daar in de onderwijssituatie wat aan doen? Móet je daar wel wat aan willen doen? 

Bis zu einem gewissen Grade haben Sie es sogar seelisch in der Hand, diejenigen Kräfte des Wachstums im heranwachsenden Kinde zu stören, so daß sie es aufschießen lassen zum Rixen, was unter Umständen schädlich sein könnte. Bis zu einem gewissen Grade haben Sie es in der Hand, das Wachstum des Kindes ungesund zu hemmen, so daß es klein und stupsig bleibt, allerdings nur bis zu einem gewissen Grade, aber Sie haben es in der Hand. Sie müssen also Einsieht haben gerade in die Wachstumsverhältnisse des Mensehen. Sie müssen diese Einsicht haben vom Seelischen und auch vom Leiblichen aus.

Tot op zekere hoogte heeft u het zelfs in de hand om via het zielengebied de groeikrachten in het opgroeiende kind zo te verstoren dat het de lengte in schiet, wat onder bepaalde omstandigheden schadelijk kan zijn. Weliswaar maar tot op zekere hoogte, maar toch: u heeft het in de hand om de groei van een kind ongezond te remmen, zodat het klein en gedrongen blijft. U moet dus vooral inzicht hebben in de groei van de mens. U moet dit inzicht hebben wat betreft het zielengebied en ook wat betreft het lichaam.

Die bessere Psychologie sagt uns, daß mit alledem, was die Wachstumskräfte des Menschen beschleunigt, was die Wachstumskräfte des Menschen so gestaltet, daß der Mensch rixig aufschießt, mit alledem zusammenhängt dasjenige, was in gewisser Beziehung Gedächtnisbildung ist. Muten wir nämlich dem Gedächtnis zuviel zu, dann machen wir den Menschen innerhalb gewisser Grenzen zum schmalaufschießenden Wesen.

De betere psychologie vertelt ons dat alles wat de groeikrachten van de mens versnelt, zodat hij de lengte in schiet, samenhangt met dat wat in zekere zin geheugenvorming is. Belasten we namelijk het geheugen te veel, dan maken we de mens – althans binnen bepaalde grenzen – tot een smal, hoog opgeschoten wezen.

We voelen intuïtief wel aan dat voor kinderen al maar leren, in het geheugen stampen, nadenken, dus stilzitten, de tegenpool is van wat er in de vakantie gebeurt: geen schooldruk, eropuit: spelen, hutten bouwen, zwemmen, wandelen.

We voelen aan dat dit laatste toch gezonder klinkt.
Dat spelen e.d. hangt nauw samen met de ledematen, de bloedspool, de ‘fantasie’ en als de kinderen dan terugkomen van vakantie, zijn ze vaak goed gegroeid.

Dus moet Steiner hier nog over een andere vorm van fantasie spreken:

Und muten wir der Phantasie zuviel zu, dann halten wir den Menschen in seinem Wachstum zurück.

En belasten we de fantasie te veel dan remmen we de mens in zijn groei.

Gedächtnis und Phantasie stehen mit den Lebensentfaltungskräften des Menschen in einem geheimnisvollen Zusammenhang.

Geheugen en fantasie hebben een raadselachtige samenhang met de levenskrachten in de mens. En we moeten er oog voor krijgen opdat we aan deze samenhang enige aandacht kunnen schenken.

De groei bijhouden

Ik vond het wel verrassend toen ik voor het eerst las dat het raadzaam is om een soort ‘scoreverloop’ bij te houden van de groei van alle kinderen. Toen ik dit eenmaal wist ben ik dat wel gaan doen en dan zie je inderdaad verschillen bij de kinderen die anders niet zo meteen in het oog lopen. 
En naast andere karakteristieken kan het dan wel een verder beeld geven van hoe een kind zich, ook fysiek, ontwikkelt en dat kan dan in ieder geval bij jou de aandacht voor zo’n kind versterken. 
En ook dat werkt door in die imponderabele band die er tussen jou en het  kind bestaat.

Let op de tijdstippen dit hij nog duidelijk noemt:

Blz. 169/170  vert. 162/163

Und wir müssen uns die Augen dafür aneignen, diesen Zusammenhängen etwas Aufmerksamkeit zuzuwenden.
Der Lehrer muß zum Beispiel in der Lage sein, folgendes zu tun: er muß eine Art zusammenfassenden Blick über seine Schülerzahl am Beginn des Schuljahres werfen, insbesondere im Beginn der Lebensepochen, die ich Ihnen angegeben habe, die mit dem neunten und zwölften Jahr zusammenhängen. Da muß er gewissermaßen Revue halten über die leibliche Entwickelung, und er muß sich merken, wie seine Kinder aus- schauen. Und dann am Ende des Schuljahres oder einer anderen Periode muß er wiederum Revue halten und die Veränderung sich anschauen, die sich da vollzogen hat. Und das Ergebnis dieser zwei Revuen muß das sein, daß er weiß: das eine Kind ist nicht so gut gewachsen während der Zeit, wie es hätte wachsen sollen; das andere ist ein Stück aufgeschossen. Dann muß er sich fragen: Wie richte ich im nächsten Schuljahr oder in der nächsten Schulperiode das Gleichgewicht zwischen Phantasie und Gedächtnis ein, damit ich der Anomalie entgegenarbeite?

De leraar moet bijvoorbeeld in staat zijn om aan het begin van het jaar een soort overzicht over zijn leerlingen te hebben en vooral ook aan het begin van die periodes die met het negende en het twaalfde jaar samenhangen. Dan moet hij als het ware parade houden en zien hoe de kinderen zich lichamelijk hebben ontwikkeld en zich inprenten hoe ze er uitzien. En dan moet hij na verloop van tijd, bijvoorbeeld aan het eind van het schooljaar, opnieuw parade houden en de veranderingen bekijken die zich hebben voorgedaan. En het resultaat van die twee inspecties moet zijn, dat hij weet welk kind niet zo gegroeid is als het had moeten groeien en welk kind een stuk gegroeid is. En dan moet hij zich afvragen hoe hij de volgende periode of het volgend jaar moet inrichten, opdat er een evenwicht bestaat tussen geheugen en fantasie en abnormale groei wordt tegengegaan.

Deze gedachte werkt Steiner een jaar later uit in de voordrachtenreeks GA 302,
Vertaald.

Met de klas mee

In Steiners tijd, maar ook toen ik zelf op de basisschool zat en nog later, toen ik de onderwijzersopleiding volgde, was het over het algemeen zo, dat een basisschoolleerkracht jaren achter elkaar lesgaf in bv. klas 4. Het ‘hoofd der school’ had vrijwel altijd de hoogste klas en er waren vaak jubilea waarbij de 1e-klasjuf vierde dat zij 25 jaar voor de 1e klas stond.

Steiner vond de ontwikkeling van een kind zo belangrijk dat hij propageerde dat de klassenleerkracht de hele basisschoolleeftijd de ontwikkeling van dit kind optimaal volgen kan: dus gaat hij of zij acht jaar – de hele onderbouw van toen – mee als klassenleerkracht.
Dat was in Nederland ook lange tijd zo, maar door allerlei subsidiemaatregelen verdween de eerst nog toegestane 7e klas en nu bestaat er alleen de mogelijkheid om de kinderen 6 jaar te volgen.
Dat was lange tijd in het Nederlandse vrijeschoolonderwijs de gewoonte.
Vanuit Steiners optiek een hoog ideaal.
Helaas voor dit ideaal bracht het leven voor veel vrijeschoolleerkrachten van alles mee waardoor zij dit ideaal niet konden of wilden verwezenlijken.
Ik heb dit ‘voortijdig’ verlaten van de kinderen vaak gezien en ook hoeveel verdriet dat bij de betreffende kinderen veroorzaakte.
Zelf heb ik het ook niet overal waar kunnen maken en dat voelt nog altijd als een tekort geschoten zijn wat die kinderen betreft.

Dat zijn dan wel vaak keuzes geweest van een bepaalde (lots)(on)mogelijkheid: van binnen diep voelen dat dit toch niet je roeping is; dat de schoolgemeenschap niet die omgeving biedt waarin je gedijen kan; door ziekte.
Ik heb ook meegemaakt dat een bepaalde collega niet opgewassen bleek tegen de hogere klassen. Er werd ernstig vergaderd of je dan wel vrijeschoolleerkracht kan zijn. Eigenlijk niet, maar….
En dat ‘eigenlijk niet, maar’….heeft een zekere inflatie ondergaan.
Een co-leraarschap: met z’n tweeën een klas leiden – dat ging toen, toeval? ook meer een klas ‘draaien’ heten, met z’n tweeën: dat was toen nog een echtpaar, ‘ze konden toch ook samen goed over de kinderen spreken en hen begeleiden’ – daaruit kwamen vormen voort van: die de eerste dagen, die het laatst van de week. En je ging ook bij besturen en/of leerkrachten horen dat het voor de kinderen toch beter was om niet zo lang hetzelfde gezicht voor je te zien, want in het geval dat je het bij die leerkracht niet naar je zin had….
Ik spreek er geen oordeel over uit. Het leven gaat nu eenmaal zoals het verloopt.

Steiner:

Sehen Sie, deshalb ist es auch so wichtig, daß man die Schüler behält durch alle Schuljahre hindurch, und deshalb ist es eine so wahnsinnige Einrichtung, jedes Jahr die Schüler einem anderen Lehrer in die Hand zu geben.

Daarom, dames en heren, is het ook zo belangrijk dat men de leerlingen door de jaren heen houdt en daarom is het zo waanzinnig dat de leerlingen ieder jaar in handen van een andere leraar zijn.

Blz. 170  vert. 163

Aber die Sache ist auch umgekehrt. Der Lehrer lernt nach und nach im Beginn des Schuljahres und am Anfang der Entwickelungsepochen (siebenten, neunten, zwölften Jahr) seine Schüler kennen. Er lernt solche Schüler kennen, die ausgesprochen den Typus von Phantasiekindern haben, die alles umgestalten. Und er lernt solche Schüler kennen, die ausgesprochen den Typus von Gedächtniskindern haben, die sich gut alles merken können. Auch damit muß sich der Lehrer bekanntmachen. Er macht sich ja bekannt durch die beiden Revuen, die ich angeführt habe. Aber er muß diese Bekanntschaft noch in der Weise ausbauen, daß er nicht nur durch das Wachstum äußerlich-leiblich, sondern wiederum durch Phantasie und Gedächtnis selbst kennenlernt, ob das Kind droht, zu schnell aufzuschießen – das würde es tun, wenn es ein zu gutes Gedächtnis hat -, oder ob es droht, zu untersetzt zu werden, wenn es zuviel Phantasie hat. Man muß nicht nur durch allerlei Redensarten und Phrasen den Zusammenhang von Leib und Seele anerkennen, sondern man muß auch im werdenden Menschen das Zusammenwirken von Leib und Seele und Geist beobachten können. Phantasievolle Kinder wachsen anders, als gedächtnisbegabte Kinder wachsen.

Maar het omgekeerde geldt ook. De leraar leert langzamerhand in het begin van het schooljaar en aan het begin van die ontwikkelingsperiodes – in het zevende, negende en twaalfde jaar – zijn leerlingen kennen. Hij krijgt kinderen die uitgesproken fantasiekinderen zijn, die alles omvormen. En hij krijgt kinderen die uitgesproken geheugenkinderen zijn, die alles goed kunnen onthouden. Ook daar moet de leraar vertrouwd mee raken. Hij doet dat door die beide revues, maar hij moet dit nog verdiepen. Hij moet namelijk niet alleen aan de hand van de uiterlijke, lichamelijke groei, maar ook aan de hand van de fantasie en het geheugen zelf leren waarnemen of een kind de neiging heeft te snel de lengte in te schieten – bij een goed geheugen – of in groei achter te blijven – bij te veel fantasie. Men moet niet met allerlei kreten en frasen beweren dat lichaam en ziel met elkaar samenhangen, maar men moet in de wordende mens de samenwerking van lichaam, ziel en geest kunnen waarnemen. Fantasierijke kinderen groeien anders dan kinderen met een sterk geheugen.

Ik kon het al vaker opmerken: Steiner is wars van ‘vaste begrippen’ waar het om het levende kind gaat: alles is in ontwikkeling.
Hij roept ons op goed waar te nemen, vast te leggen, maar tegelijkertijd:

Blz. 171/172  vert. 163

Heute ist für die Psychologen alles fertig; das Gedächtnis ist da, das wird dann in den Psychologien beschrieben; die Phantasie ist da, die wird dann beschrieben; während in der wirklichen Welt alles in gegenseitiger Beziehung ist. Und wir lernen diese gegenseitigen Beziehungen nur kennen, wenn wir uns auch ein bißchen anbeguemen mit unserer Auffassungsgabe diesen gegenseitigen Beziehungen. Das heißt, wenn wir diese Auffassungsgabe nicht so gebrauchen, daß wir alles richtig definieren wollen, sondern daß wir diese Auffassung selbst beweglich machen, so daß sie das, was sie erkannt hat, auch wiederum ändern kann, innerlich, begrifflich ändern kann.

Tegenwoordig denken psychologen dat alles een afgerond geheel is. Het geheugen is een afgerond geheel en kan worden beschreven, de fantasie is ook een afgerond geheel en wordt beschreven. Maar in werkelijkheid houdt alles met alles verband. En we leren deze onderlinge verbanden alleen kennen wanneer we onze opmerkingsgave ook een beetje aanpassen aan die verbanden, dat wil zeggen: wanneer we deze opmerkingsgave niet gebruiken om van alles een precieze definitie te krijgen, maar wanneer we deze opmerkingsgave zelf beweeglijk maken, zodat ze de opgedane inzichten zelf, innerlijk, ook weer kan veranderen, zodat de begrippen beweeglijk zijn.

Sie sehen, das Geistig-Seelische führt von selbst hinüber ins Körperlich-Leibliche.

U ziet hoe geest en ziel vanzelf overgaan in het organische en lichamelijke.

Over de verhouding geest, geest-ziel tot het fysieke, het lichamelijk-lijfelijke heeft Steiner heel veel uitspraken gedaan die er allemaal op neer komen dat de geest zich in de stof manifesteert; daar zichtbaar wordt.
Zie: 142536508898103104105; 111; 127132155170185254268;
276296

Steiner beëindigt de voordracht met een verwijzing naar het kunstzinnige dat in de onderbouw een leidraad moet zijn.
Voorbeelden in Rudolf Steiner over….

En hoe alles tegen de puberteit verandert, wanneer het zelfstandige oordelen tot bloei begint te komen: [voordracht 9]
.

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
(Slechts een klein deel is daar nu oproepbaar. Voor het verkrijgen van een gratis scan: mail vspedagogie (voeg toe eraan vast) apenstaartje gmail.com)

Fantasie en levenskracht

Algemene menskunde: voordracht 11 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

 

.

2607-2441

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 11 (11-6)

.

*GA 293         Vertaling

.

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.

Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

DE GEEST IN HET HOOFD WEKKEN – in de praktijk

Het ‘wekken van de geest die in het hoofd slapend aanwezig is’, heeft Steiner bestempeld als een belangrijke pedagogische opdracht.
Een taak die de opvoeder na verloop van tijd van ‘moeder natuur’ overneemt.

Maar daarmee staat ‘moeder natuur’ niet buiten spel. Je zou bijna willen zeggen: ze wil iets met de ontwikkeling van de mens – voor ons het (jonge) kind, wat zij zelf niet meer kan doen. Ze laat wel zien in welke richting dat moet gaan: als we het jonge kind zien trappelen met de beentjes en we zien in latere jaren hoeveel behoefte kinderen aan beweging hebben, dan is dat een onuitgesproken vraag van moeder natuur: laat ons bewegen. 
In GA 304 bv. formuleert Steiner dit zo:

Aus dieser tieferen Menschenerkenntms heraus, aus demjenigen was anthroposophische Geisteswissenschaft über den Menschen selbst erkennen lernt, aus dieser Menschenerkennt­nis heraus, die nicht bloß das Denken, sondern die den ganzen Menschen nach Fühlen und Wollen ergreift, aus dieser Geisteswissenschaft heraus soll nun nicht dasjenige werden für die Waldorfschule, was man nennen könnte eine angelernte Methodik, sondern es soll dasjenige werden, was aus Menschenerkenntnis in dem Lehrer den Willen erzeugt, dem wer­denden Kinde gegenüber alles das zu tun, was gewissermaßen die menschliche Organisation selber von dem Lehrer, von dem Erzieher, von dem Unterrichtenden fordert. Der größte Lehrer für die Waldorfschule ist nämlich, so paradox das klingen mag, das Kind selbst. 

Uit deze diepere menskunde, uit wat antroposofische geesteswetenschap je over de mens zelf leert, uit deze menskunde die niet alleen het denken, maar juist de hele mens met zijn voelen en willen raakt, uit deze geesteswetenschap moet voor de vrijeschool geen wat je zou kunnen noemen, aangeleerde methodiek ontstaan, maar er moet een menskunde ontstaan die in de leraar de wil ontwikkelt voor het wordende kind alles te doen wat de menselijke organisatie zelf van de leraar, van de opvoeder eist. De grootste leraar voor de vrijeschool is namelijk, hoe paradoxaal dat ook mag klinken, het kind zelf. 

De grootste leraar voor de vrijeschool is het kind zelf

Wat ik hier ‘moeder natuur’ noem, noemt Steiner hier ‘de menselijke organisatie’. En die eist iets.

Und indem der Waldorflehrer in seiner Brust die Überzeugung trägt: dasje­nige, was dir von Woche zu Woche, von Jahr zu Jahr in dem Kinde entgegentritt, das ist der Ausdruck einer göttlich-geistigen Wesenheit, die heruntersteigt aus einem rein geistig-seelischen Dasein, die sich so entwickelt, wie sich das Physisch-Leibliche hier zwischen Geburt und Tod entwickelt und die sich verbindet mit demjenigen, was durch die Vererbungsströmung von Eltern und Voreltern an den Menschen phy­sisch-ätherisch herankommt – diese ungeheure, tiefe Ehrfurcht, die man hat vor dem werdenden Menschen, der einem schon vom ersten Tage seines Daseins im physischen Leben zeigt, wie das Innerlich-Seelische hervortritt in den Offenbarungen der Physiognomie, in den ersten Bewegungen, im Lallen und in der werdenden Sprache, all dasjenige, was da durch wirkliche anthroposophische Menschenkenntnis hineinkommt an Ehrfurcht für dasjenige, was das Göttliche in die Welt heruntergesen­det hat, all das ist das Wesentlichste, mit dem der Waldorflehrer die Pforte seiner Klasse jeden Morgen neu betritt. Und er lernt von den täglichen Offenbarungen dieses geheimnisvollen geist-seelischen Wesens dasjenige, was er tun soll.
Daher kann man die Methodik der Waldorfschule nicht in abstrakte Lehrsätze fassen. 

En als de vrijeschoolleerkracht de overtuiging voelt: wat je week na week, jaar na jaar in het kind ziet, is de uitdrukking van een goddelijk-geestelijk wezen dat uit een pure wereld van geest en ziel naar de aarde komt, dat zich zo ontwikkelt zoals het fysiek-levende zich hier tussen geboorte en dood ontwikkelt en dat zich verbindt met wat het door de erfelijkheidsstroom door de ouders en voorouders fysiek- etherisch krijgt – deze ongelooflijk diepe eerbied die je krijgt voor de wordende mens, die al vanaf de eerste dag van zijn bestaan in het fysieke leven laat zien hoe het innerlijke zielenleven zichtbaar wordt in de uitingen van fysionomie, in de eerste bewegingen, in het brabbelen en het zich ontwikkelende spreken, alles wat er door echte antroposofische menskunde ontstaat aan eerbied voor wat het goddelijke naar de aarde stuurt, dat is het meest wezenlijke waarmee de vrijeschoolleraar iedere morgen nieuw de klas in gaat. En van dit mysterieuze geest-zielenwezen leert hij wat hij moet doen.
Daarom kan je de methodiek van de vrijeschool niet in abstracte onderwijsregels verpakken.
GA 304/96
Op deze blog vertaald/96

De vrijeschoolmethodiek

Dit ‘mysterieuze geest-zielenwezen’ leert ons ook dat ‘fantasie’ letterlijk wezen-lijk is. Alle kinderen op deze wereld – zelfs levend onder de meest barre omstandigheden – leven als fantasievolle wezens met behoefte aan beweging, aan scheppend bezig zijn. 
De natuur kan het niet alleen – wij moeten haar helpen. 
Nu neemt Steiner op blz. 161 (vert.) het schrijven en lezen als vak tot voorbeeld.
Hij had ook andere vakken kunnen nemen, want bij ‘dit helpen’ hoort de totale methodiek van de vrijeschool. Ook al kan dit niet altijd en even ideëel tot uitdrukking worden gebracht: de vrijeschoolmethode is het zichtbare antwoord op wat de natuur voor het kind vraagt. En daarmee wordt ‘natuur’ cultuur; daarmee zet de mens de stap vanuit het ‘dier’niveau naar het mensenniveau.

Sie sehen, aus der Menschenerkenntnis der Lebensalter heraus entwickelt sich der wahre Lehrplan. Das Kind selbst sagt uns, wenn wir es wirklich beobachten können, was es in einem Lebens­alter lernen will.

( ) Uit de kennis van de menselijke levensfasen wordt het juiste leerplan ontwikkeld. Het kind zelf geeft ons aan, als we het werkelijk kunnen waarnemen, wat het op een bepaalde leeftijd wil leren.
GA297/53
Op deze blog vertaald/53

So kann man ablesen an der Menschenentwicklung aus wahrer Menschenerkenntnis heraus dasjenige, was man von Woche zu Woche, von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr mit dem Kinde erzieherisch und unterrichtend zu vollbringen hat. Der Lehrplan muß sein eine Kopie desjenigen, was man in der Menschenentwicklung lesen kann.

Zo kun je met een echte menskunde aan de ontwikkeling van de mens aflezen wat je van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar met het kind opvoedend en onderwijzend hebt te doen. Het leerplan moet een kopie zijn van wat je in de ontwikkeling van de mens kunt lezen.
GA 308/41 
Vertaald/65

Blz. 166   vert. 160:

Damit sehen Sie aber auch, daß die Natur natürlich erzieht. Denn ihre Ernährung durch die Milch ist das erste Erziehungsmittel. Die Natur erzieht natürlich. Wir Menschen beginnen, indem wir durch die Sprache und durch unser Tun auf das Kind erzieherisch wirken, wir Menschen beginnen seelisch zu erziehen.

U ziet ook dat de natuur natuurlijk opvoedt. Want de voeding met melk is het eerste middel van de opvoeding. De natuur voedt natuurlijk op. Wij mensen maken een begin met de opvoeding van de ziel door te werken via de taal en via ons doen.

‘Via ons doen’: dat is eigenlijk ‘hoe gaan we om met het kind’ en een direct antwoord zou bv. kunnen zijn: we zingen en doen bewegingsspelletjes of vingerspelletjes.
En we spreken tegen het kind en dat bootst na. En met het spreken worden ook antipathie en sympathie ontwikkeld, zoals in GA 294 – voordracht 2 – wordt uitgelegd.

En bij dit ‘seelisch erziehen’ – het opvoeden van de ziel – is dat de ziel als geheel van denken, voelen en willen.
Dus als het kind op school komt – dat was in Steiners tijd met 7 jaar – dan:

Blz. 167      blz. 160

Natürlich, wenn das Kind sieben Jahre alt geworden ist und zur Volksschule kommt – wir haben es ja nicht immer in dieWiege gelegt, sondern es hat etwas getan, es hat sich selbst durch Nachahmung der Alten fortgeholfen, es hat dafür gesorgt, daß sein Kopfgeist aufgewacht ist in einer gewissen Beziehung -, dann können wir das, was es sich selbst im Kopfgeist aufgeweckt hat, dazu benützen, um ihm Lesen und Schreiben ( ) zu lehren.

Nu heeft een kind al heel wat zelf gedaan als het op zijn zevende op de basisschool komt. We hebben het immers niet al die tijd in de wieg gelegd, het heeft zichzelf verder geholpen door de ouderen om hem heen na te bootsen. Het heeft ervoor gezorgd dat de geest in zijn hoofd in zekere zin wakker is geworden. Dan kunnen we gebruik maken van het geestelijke dat het zelf in zijn hoofd gewekt heeft, om het (  ) lezen en schrijven bij te brengen.

Nu zijn we lezen en schrijven al eerder tegengekomen in voordracht 1 [1-9] als het ‘meest-fysieke’. 
Het artikel dat dit aan de orde stelt, gaat ook over dit onderwerp uit de 11e voordracht en het is raadzaam dit eveneens nu te lezen.

Moeder natuur’ heeft van alles met het leven: voeding, slaap, ritme, voortplanting, ontwikkeling, nabootsing, lopen, spreken, denken, in de natuurwetten vinden we getallen, schepping en fantasie, maar geen schrijven en lezen. Een mens zou zijn leven zonder kunnen, vanuit de natuur geredeneerd. Taalgebruik met het spreken, met elkaar communiceren: eeuwen ging het zonder schrijven en lezen. 

Dat drukt Steiner iets anders uit:

Blz. 166      blz. 160

Wir Menschen beginnen, indem wir durch die Sprache und durch unser Tun auf das Kind erzieherisch wirken, wir Menschen beginnen seelisch zu erziehen. Daher ist es so wichtig, daß wir im Unterricht und in der Erziehung uns bewußt werden: wir können eigentlich als Erzieher und Unterrichter mit dem Kopf selbst nicht allzuviel anfangen. Der bringt uns das, was er werden soll in der Welt, schon durch die Geburt in diese Welt herein. Wir können wecken dasjenige, was in ihm ist, aber wir können es nicht durchaus in ihn hineinversetzen.
Da beginnt aber natürlich die Notwendigkeit, sich klarzuwerden darüber, daß nur ganz Bestimmtes durch die Geburt in das physische Erdendasein hereingebracht werden kann. Was nur im Laufe der Kulturentwickelung durch äußere Konvention entstanden ist, damit gibt sich die geistige Welt nicht ab. Das heißt, unsere konventionellen Mittel zum Lesen, unsere konventionellen Mittel zum Schreiben – ich habe das von an- deren Gesichtspunkten aus schon ausgeführt , die bringt na- türlich das Kind nicht mit. Die Geister schreiben nicht. Die Geister lesen auch nicht. In Büchern lesen sie nicht, und mit der Feder schreiben sie nicht. Das ist nur eine Erfindung der 5piritisten, daß die Geister eine menschliche Sprache führen und sogar schreiben. Dasjenige, was in der Sprache und im Schreiben enthalten ist, ist Kulturkonvention. Das lebt hier auf der Erde.

Wij mensen maken een begin met de opvoeding van de ziel door te werken via de taal en via ons doen. Daarom is het zo belangrijk dat we in ons onderwijs en onze opvoeding ons ervan bewust worden dat we met het hoofd zelf niet zoveel kunnen beginnen. Het hoofd brengt door de poort van de geboorte al met zich mee wat het moet worden in de wereld. Wij kunnen dat wat in het hoofd is wekken, maar we kunnen dat er geenszins zelf in leggen. Dan moeten we ons natuurlijk ook realiseren dat alleen heel specifieke dingen via de geboorte op het aardse plan gebracht kunnen worden. De geestelijke wereld houdt zich niet bezig met dingen die uitsluitend in de loop van de ontwikkeling van de cultuur door uiterlijke conventies zijn ontstaan. Dat wil zeggen: onze conventionele middelen voor het lezen en voor het schrijven — ik heb dat vanuit andere gezichtspunten ook al belicht [GA 294 vdr. 2 en 5] – brengt een kind natuurlijk niet met zich mee. Geestelijke wezens schrijven niet. Lezen doen ze ook niet. Ze lezen geen boeken en ze schrijven ook niet met een pen. Dat is een uitvinding van spiritisten dat geesten de menselijke spreektaal hanteren en zelfs schrijven. Spreken* en schrijven berusten op conventie. Dat leeft hier op aarde.

*Het Duits heeft ‘Sprache’, dat is ook ‘taal’. En wat en hoe we nu spreken, is ook door conventie tot vaste regels geworden. Steiner duidt hier dus niet op de ‘taalgeest’, zoals hij die gebruikt in het begin van de voordracht.

Maar het kind is wel op aarde gekomen en moet met zijn leven op aarde zo in het leven komen te staan dat het opgewassen is tegen wat dit leven nu van hem vraagt. Hij moet een waardig lid van deze cultuur kunnen zijn en dus moet hij leren lezen en schrijven.

Maar schrijf- en leesletters zijn conventionele dingen: ze zijn in de loop van de tijd geworden tot wat ze nu zijn: een eindproduct. Sintels: het vuur is gedoofd; stenen, van wat eens ‘brood’ was.

De conventionele manier is nog steeds: juf of meester toont een letter en noemt deze bij naam – als het goed is hoe deze letter klinkt – bv.  b(u); zeg maar na: b(u), b(u), b(u). En die schrijf je zo:  streepje van boven naar beneden, rondje eraan van rechts terug naar links. En dat maar veel oefenen.
Hier hebben we dus niet te maken met ‘scheppende voorstellingen’, maar met gereflecteerde voorstellingen die snel tot begrip moeten worden. Zo leer je lezen en schrijven in conventionele zin. Zie voordracht 4 [4-4]

Hier heeft ‘moeder natuur’ niet veel te doen: er is geen beleving die de ademhaling sneller of langzamer laat gaan, geen scheppende beweeglijkheid.
En dus ligt het voor de hand:

Blz. 167  vert. 160

Und nur dann, wenn wir nicht bloß diese Kulturkonvention, dieses Lesen und Schreiben, dem Kinde beibringen durch den Kopf, sondern wenn wir dem Kinde dieses Lesen und Schreiben beibringen auch durch Brust und Gliedmaßen, dann tun wir ihm Gutes.

En we doen het kind alleen goed wanneer we het niet alleen via het hoofd het conventionele van het lezen en schrijven bijbrengen, maar het ook via borst en ledematen leren lezen en schrijven.

In [11-5] is uiteengezet dat ‘de geest in het hoofd’ zich laat wekken door de ledematen en het gevoel. Deze ‘geest in het hoofd’ wordt ook door Steiner ‘intellect’ genoemd:

Je weniger man den Intellekt dressiert, je mehr man darauf ausgeht, den ganzen Menschen zu behandeln so, daß aus den Gliederbewegungen, aus der Geschicklichkeit der Intellekt wird – und er wird -, desto besser ist es.

Hoe minder je het intellect dresseert, hoe meer je je toelegt om met de hele mens zo om te gaan dat vanuit de bewegingen van de ledematen, uit de handigheid, het intellect ontstaat – des te beter is het.
GA 301/80         
Op deze blog vertaald/80

De conventionele methode is ‘dressuur van het intellect’.
Het kind van deze leeftijd vraagt beweging vanuit de ledematen.
Dat is de stem van moeder natuur die ons toeroept: ga zo met het kind om. Stem je methodiek en je didactiek daarop af.

Doen we dat niet:

dann beginnen wir, diesen Kopfgeist durch unseren Einfluß zu schädigen.

dan beginnen we door onze invloed deze geest ook schade te berokkenen.

Wat daarna verder beschreven wordt, staat ook hier, met alle relevante uitspraken uit de verschillende pedagogische voordrachten.

Steiner in GA 294:


Schrijven en lezen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 1e klas letterbeelden

*GAGesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
(Slechts een klein deel is daar nu oproepbaar. Voor het verkrijgen van een gratis scan: mail vspedagogie (voeg toe eraan vast) apenstaartje gmail.com)

Algemene menskunde: voordracht 11 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2604-2438

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 11 (11-5-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 167/168 in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

HERSENONTWIKKELING

In [11-5] merkte ik het volgende op: De hersenontwikkeling van het pasgeboren kind is al ver. Als het kind gaat nabootsen – en zo het spreken – het lopen leert, begint het ook te denken en dat alles heeft een werking op de vorming van nieuwe hersencellen.
Maar die hersencellen ontwikkelen zich in de eerste tijd van het mensenleven ook zonder spreken en lopen en doelgericht bewegen, en die ontwikkeling wordt mogelijk door de enige vorm van voedsel die het kind verdraagt: de melk.

Als ‘geestwezen van de natuur’ – als intelligentie van de natuur – maakt deze door de groei van de hersencellen te bevorderen, intelligentie in het slapende mensenwezen mogelijk. Ze maakt de ‘slapende hoofdgeest’ steeds wakkerder.
Uiteraard is dit niet los te zien van de ‘taalgenius’ want tijdens het voeden en op andere ogenblikken dat het kind wakker is, zal er veelvuldig tegen hem gesproken of voor hem gezongen worden.
En hier kan ook de vraag gesteld worden, zoals die bij de nabootsing gesteld wordt: wat je spreekt of zingt of wat het kind te horen krijgt in die zeer prille fase: is dat wat de ‘genius van de natuur’ helpt?

Het hoofd van de baby

Het lijkt of moeder natuur een gebaar wil maken: als het kind geboren gaat worden verschijnt eerst het hoofd. Het was in de baarmoeder al het grootste orgaan:

dierkunde embryo 1

Meer in [11-1]

Bij de geboorte neemt het hoofd een kwart van de lichaamslengte in:

Uit: Lievegoed ‘Ontwikkelingsfasen van het kind

Maar ook is bij de geboorte het gemiddelde brein van de baby ongeveer een kwart van de grootte van het gemiddelde volwassen brein.
Uiterlijk zichtbaar groeit het kind snel en verdubbelt het zijn lichaamsgewicht in vijf maanden; dat gebeurt het tweede jaar, dan nog rond het achtste en zestiende jaar nog een keer.
Het brein verdubbelt zijn grootte in het eerste jaar; op 3-jarige leeftijd maakt het al 80% van de volwassen grootte uit en op 6-jarige leeftijd is het qua volume al met 90% bijna volgroeid.

In de vele boeken en artikelen die over dit onderwerp verschenen en in deze tijd veelvuldig verschijnen, is er sprake van een cruciale eerste 5 jaar wat de ontwikkeling van het brein betreft. Meer dan ooit in het verdere leven.
In een artikel in NRC is er zelfs al sprake van de eerste 1000 dagen.

Wie vertrouwd is met het pedagogisch werk van Steiner weet dat hij ook over deze eerste 3 jaar spreekt als de meest wezenlijke jaren voor de ontwikkeling van het kind. 

Steiner:

Man kann in aller Folgezeit nicht wieder gutmachen, was man in der Zeit bis zum siebenten Jahre als Erzieher versäumt hat. Wie die Natur vor der Geburt die richtige Umgebung für den physischen Menschenleib herstellt, so hat der Erzieher nach der Geburt für die richtige physische Umgebung zu sorgen. Nur diese richtige physische Umgebung wirkt auf das Kind so, daß seine physischen Organe sich in die richtigen Formen prägen.

Wat men als opvoeder in de periode tot het zevende jaar verzuimd heeft, kan men in de daarop volgende tijd niet meer goed maken. Vóór de geboorte schept de natuur de juiste omgeving voor het fysieke mensenlichaam, na de geboorte behoort de opvoeder voor de juiste fysieke omgeving te zorgen. Alleen deze juiste fysieke omgeving werkt zo op het kind, dat zijn fysieke organen het goede vormmodel ontwikkelen.
GA 34/323
Vertaald: De opvoeding van het kind

Hij illustreert dit vaak met een uitspraak van Jean Paul (Richter) die opmerkte ‘We leren in de eerste drie jaar van ons leven meer dan in onze jaren op de universiteit’ (vrij weergegeven).

Het brein verdubbelt zijn grootte in het 1e jaar. Dat is het jaar waarin het kind voornamelijk slaapt en melk drinkt!
Steeds vaker en intenser gaat de omgeving in die tijd een indruk maken op het kind, met als gevolg een invloed daarvan op de hersenontwikkeling. Dat heeft hoe dan ook een blijvende invloed, dus ook voor later, d.w.z. hoe het kind in het leven komt te staan.
En hoe die blijvende invloed kan zijn die het gevolg is van onze omgang met het kind in die cruciale jaren, zie je bv. hier:

De orbitofrontale hersenen, achter het voorhoofd boven de ogen, zijn bij de geboorte  nog niet helemaal ontwikkeld. Die worden ontwikkeld doordat we onze hersens gebruiken, bijvoorbeeld door te reageren op de omgeving en opvoeders. Er is in Roemenië, ten tijde van Ceaucescu, een tragisch ‘real-life-experiment’ gedaan in de weeshuizen aldaar, dat aantoonde hoe belangrijk dit is. De kinderen lagen in ledikantjes met hoge schotten en kregen van de verzorgers alleen de fles maar verder geen enkele aandacht.
Wat je hier ziet is dat niet alleen de hersenen niet gegroeid zijn, maar dat ook de hersenkamers (ventrikels) vergroot zijn, evenals de groeven tussen de windingen. Aan de grootte van de schedel wordt tegelijkertijd duidelijk dat de groei van de hersenen de groei van de schedel bepaalt. De kinderen vertoonden allerlei stadia van retardatie.  Niet aangeboren dus, maar veroorzaakt door verwaarlozing. Omgekeerd levert veel stimulerend en liefdevol contact met opvoeders juist extra groei van zenuwcellen op.
(S.Gerhardt: Why love matters. How affection shapes a baby’s brain) in
Arie Bos:Mijn brein denkt niet, ik wel ‘

Instrument

In sommige literatuur – niet met antroposofische achtergrond – wordt gesproken over ‘een bouwplan’ voor de hersenen.
Wanneer we bv. aan het bouwplan van een vioolbouwer denken, moet daar een viool van komen die ook klinkt als een viool. Nu is het volkomen logisch te zeggen dat deze viool, wanneer die klaar is, gewoon viool blijft en niet tot klinken komt, als die niet bespeelt wordt, ter hand genomen.
Het materiaal ligt er, nu is de speler aan de beurt om de viool ‘zin’ te geven.

Het materiaal van de hersenen wordt gevormd door de genen, maar als er niets gebeurt, komen die niet veel verder in hun ontwikkeling. Ze gaan iets betekenen als er invloed op wordt uitgeoefend die van buitenaf komt. Zoals we hierboven zien aan de invloed van ‘aandacht’. De genen zelf hebben geen aandacht: ze krijgen het; daarom kunnen wij ook spreken van ‘aandacht schenken’.
In de literatuur spreekt men vaak van ‘ervaring’. Die ervaring zou bepalen hoe en wat en hoeveel er van die genen gebruikt gaan worden.
Nu is ‘ervaring’ geen materieel ding, geen stoffelijk, uiterlijk waarneembaar iets: het is een gevoel, je maakt het mee, je ervaart het.
Het is hier de speler op het instrument.
Walther Bühler noemde zijn boek over de drieledige mens: Het lichaam als instrument van de ziel’.

Het artikel waarin er over ‘de ervaring’ gesproken wordt, houdt het verder bij ‘ervaring’. Daar hoort m.i. bij dat ervaring op zich ook nog niets is: ervaring is wat iemand ervaart; om met Bos te spreken: ‘Mijn brein denkt niet, Ik denk’ – mijn ervaring ervaart niet: Ik ervaar.
En voor de baby is dat ‘zijn wezen’, uiteindelijk zijn Ik dat nog ‘om hem heen is’, maar toch al ‘aan het werk’ in het fysieke brein.

Dat heb ik in [11-2-1] al uitgebreider aan de orde gesteld.

De ervaringen roepen in de hersenen een activiteit op die daar voor circuits zorgen, eerst eenvoudige, later meer complexe structuren.

Developingchild.harvard.edu publiceerde dit filmpje.

Zie o.a. [2-7-1]

Leber:

Keineswegs läuft die Ausgestaltung des Gehirns nur erbgesteuert ab, vielmehr greift das erlebende Ich, je nachdem es bestimmte Eindrücke empfängt, in diesen Gestaltungsvorgang unmittelbar ein. Entsprechend der plotinischen Auffassung, dass das Auge am Licht für das Licht gebildet wird, gilt für den gesamten Leib, dass er in den von ihm zu erfüllenden Funktionen durch und für

Geenszins verloopt de structurering van de hersenen volgens een door de erfelijkheid gestuurd proces, veel meer grijpt het ervarende Ik, al naar gelang het bepaalde indrukken krijgt, direct in dit structureringsproces in. Overeenkomstig de opvatting van Plotinus dat het oog door het licht, voor het licht gevormd wordt – dat geldt voor het hele lichaam dat voor de functies die het moet verrichten door en voor het Ik gevormd wordt.
Leber  blz. 233

Steiner:

Wenn der Mensch durch eine neue Geburt wieder ins Dasein tritt, wird er  «in einer gewissen Weise, der Selbstaufbauer seiner Leiblichkeit, ja seines ganzen Geschickes in dem  nächsten Leben. Innerhalb gewisser Grenzen formt und baut der Mensch seinen Leib bis in die Windungen seines Gehirns sich auf mit den Kräften, die er sich aus den geistigen Welten mitzubringen hat, wenn er durch die Geburt neuerdings ins physische Dasein tritt. Und hier im physischen Dasein hängt ja unser ganzes Leben davon ab, dass wir solche Formen, solche Ausgestaltungen unseres physischen Leibes haben, durch die wir mit der äußeren physischen Welt in Beziehung treten können, durch die wir in dieser äußeren physischen Welt handeln, uns betätigen können, ja, durch die wir in dieser äußeren physischen Welt denken können. Denn wenn wir hier in der physischen Welt nicht das entsprechend zugeformte Gehirn haben … so bleiben wir ja unzulänglich für das Leben in der physischen Welt. Wir sind für dieses Leben in der physischen Welt nur dann zulänglich, wenn wir uns solche Kräfte aus der geistigen Welt mitbringen, durch die wir uns einen dieser physischen Welt mit allen ihren Forderungen gewachsenen Leib aufbauen können.»

Wanneer de mens door een nieuwe geboorte weer in het bestaan komt, wordt hij de ‘zelfbouwer’ van zijn eigen lichamelijkheid, zijn totale lot in het leven dat gaat komen. Binnen bepaalde grenzen vormt de mens zijn lichaam en bouwt het op tot in de windingen van de hersenen, met de krachten die hij vanuit de geestelijke wereld meebrengt wanneer hij door de geboorte weer in een fysiek bestaan komt. En hier in dit bestaan hangt ons hele leven ervan af of we die vormen, die structuren van ons fysieke lichaam hebben dat wij met de fysieke wereld een verbinding kunnen maken waardoor wij in deze uiterlijk fysieke wereld kunnen handelen, bezig kunnen zijn, waardoor we in deze uiterlijk fysieke wereld kunnen denken. Want wanneer we hier in deze fysieke wereld niet het adequaat daarvoor gevormede brein zouden hebben, blijven wij voor die wereld ongeschikt. Daar zijn we alleen geschikt voor, wanneer we uit de geestelijke wereld die kracht meebrengen waarmee wij een lichaam kunnen opbouwen dat opgewassen is tegen deze fysieke wereld. [eigen vertaling]
GA 141/154
Vertaald

Leber:

Het Ik is er van begin af aan bij, dus al vóór het kind zichzelf als Ik gaat benoemen. Het komt nu nog niet tot een reflectief bewustzijn van zichzelf. Het heeft nog een andere taak:
Leber  blz. 233

Steiner:

«Es ist der wichtigste spirituelle Faktor bei der Bildung der drei Hüllen des Kindes, des Astralleibes, Ätherleibes und physischen Leibes. Die  physische Hülle des Gehirns wird fortwährend umgebildet. Da haben wir fortwährend das Ich an der Arbeit. Es kann nicht bewusst werden, weil es eine ganz andere Aufgabe hat: Es muss erst das Werkzeug des Bewusstseins formen. Dasselbe, was uns später bewusst wird, arbeitet erst an unserem physischen Gehirn in den ersten Lebensjahren. Es ist sozusagen nur eine Änderung der Aufgabe des Ich.Erst arbeitet es an uns, dann in uns. Es ist wirklich ein Plastiker zuerst, dieses Ich, und es ist unsagbar, was dieses Ich an der Formung selbst dieses physischen Gehirns leistet. Ein gewaltiger Künstler ist dieses Ich. 

Het Ik is de belangrijkste spirituele factor bij de vormen van de drie ‘schalen’ om het kind: het astraallijf, het etherlijf en het fysieke lichaam. De fysieke schaal van de hersenen wordt voortdurend omgevormd. Daar zien we voortdurend het Ik aan het werk. Het kan zichzelf niet bewust worden, omdat het een heel andere taak heeft: het moet eerst het instrument voor het bewustzijn vormgeven. Hetzelfde wat ons later bewust wordt, werkt in de eerste jaren van ons leven eerst aan onze fysieke hersenen. Hier heeft het Ik een andere opgave. Het werkt eerst aan ons, dan in ons. Het Ik is een geweldige kunstenaar.
GA 127/62
Niet vertaald

Das Gehirn ist wie eine Dynamomaschine. Eine Dynamomaschine entwickelt den Magnetismus, und die ganze Bewegung der Fabrik wird  abhängig von dieser Dynamomaschine. Aber da muss erst der elektrische Strom durchgehen, sonst steht sie still. … Das Gehirn steht still, wenn nicht der Strom des seelischen Lebens durchgeht. Beim Kind geht viel mächtiger der Strom des seelischen Lebens durch, denn das Kind arbeitet bis zum Zahnwechsel hin das Gehirn aus, und am allermeisten in den allerersten Lebensjahren. … Gerade wenn wir bewusst geworden sind, ist uns dieses innere seelische Arbeiten verloren gegangen.

Het brein is net een dynamo. Een dynamo ontwikkelt magnetisme en alle bewegingen in een fabriek worden van deze dynamomachine afhankelijk. Maar eerst moet er elektrische stroom naar toe, anders staat die stil. De hersenen staan stil, wanneer daar de stroom van het gevoelsleven niet doorheen zou gaan. Bij het kind werkt deze gevoelsstroom veel sterker, want tot aan de tandenwisseling werkt het kind aan zijn hersenen, het meest in de allereerste levensjaren. En als we ons dan bewust gaan worden, gaat die activiteit van het gevoel verloren. [eigen vertaling]
GA 349/144
Vertaald/173

De ontwikkeling gaat verder

In de interactie tussen omgeving en kind enerzijds, en in het begin door de voeding – de melk – ontwikkelen de hersenen zich explosief.
Op zeker ogenblik zie je de eerste impulsen vanuit het kind komen om door nabootsing mee te gaan doen, wat de mensen om hem heen doen. 
Zo heb ik voor onze kinderen en kleinkinderen al vroeg in hun ontwikkeling het liedje 

Ozewiezewoze
Wieze walle kristalla
Kris oze wieze woze
Wieze wies wies wies wies

gezongen en ieder kindje probeerde als eerste de =o= te vormen. Het waren voor mij (ont)roerende ogenblikken om de inspanning te zien waarmee het kleine mondje die ronde vorm probeerde aan te nemen.

Op het feit dat ook muziek en taal een stimulerende invloed uitoefenen op het ontstaan van meer verbindingen in de hersenen, zal in een ander artikel worden ingegaan.

De grote kracht om mee te gaan doen aan het leven – hoe pril nog in het eerste begin – is de in het kind aanwezige behoefte aan nabootsing.
In vele voordrachten heeft Steiner de nabootsing genoemd als de drijfveer van verdere ontwikkeling.

Zijn uitspraken daarover zijn hier te vinden.

Door de nabootsing begint te lopen, te spreken en als gevolg daarvan komt het denken op gang.
Uiteraard heeft Steiner daarover ook gesproken.
Die uitspraken zijn hier te vinden.

En in deze eerste jaren is ook het spel een belangrijke ‘ontwikkelaar’.
We maakten al in de 2e voordracht kennis met de fantasie als ‘toekomst gericht denken’. [2-3-2]
Ook aan spel besteedde Steiner veel aandacht. Die uitspraken vind je hier.

Ritme

‘De natuur’ geeft niet alleen aan dat het kleine kind in het begin van zijn leventje alleen met melk groter kan worden, ze maakt ons ook duidelijk dat ritme – levensritmen – onontbeerlijk zijn. 
De betekenis van ritme(n) in allerlei aspecten vind je hier

Een kind beweegt ‘van nature’ zijn ledematen, aanvankelijk nog ongecontroleerd. 
Het gericht bewegen, met een doel, is van invloed op de structurering van het brein: ‘handen en intelligentie
Spreken en zingen/muziek zijn van invloed op de structurering van het brein:
hersenprofessor Scherder: Vanaf de groei van het embryo in de baarmoeder speelt muziek voor de ontwikkeling van het brein al een rol.’

Vingerspelletjes

Lang voordat dit allemaal met door onderzoek verkregen feiten kon worden verklaard, ontstonden er overal ter wereld vingerspelletjes.

Wat een geluk als je als peuter en kleuter deze ‘gemetamorfoseerde melk’ als (op)voeding dagelijks krijgt voorgeschoteld, zoals in de 

vrijepeuter- en kleuterklassen

Een waardevolle verzameling is de serie boeken van Hennie de Gans

Timpetuis, ben je thuis?Een werkboek over het zingen en opzeggen van versjes, met de nadruk op beweging. Vol slaap- en wiegenliedjes, kriebelspelletjes, schuitjevaren en paardjerijden. Hand-, en vingerspelletjes met beschreven beweging. Geschikt om te doen met kinderen van nul tot zeven jaar. Met tips over het belang van de spelletjes en hoe ze thuis of met een groep gedaan kunnen worden. De ruim vijftig liedjes én versjes staan zonder begeleiding op de CD.

 

Hoe de liedjes gezongen worden, maar ook hoe de intonatie bij de versjes is, staat op de bijhorende instructie-CD. Bedenk elke keer weer bij alles wat gedaan wordt: Niet het vele is goed, maar het goed doen  is veel! Het belangrijkste is het plezier wat samen met de kinderen wordt beleefd, dat geeft levensvreugde! Kortom zingen, spelen, en bewegen met kinderen is op alle fronten gezondmakend ook voor degene die het met hen doet.

Inhoud:

Timpetuis, inleiding
Wiegenliedjes
Kriebelliedjes
Paardje rijden
Schuitje varen
Spelen met de handen
Spel met de vingers
In de kring
Spel in de kring
Nisse Timpetem (Deens)

En vele prachtige voorbeelden vind je bij Margo van Schie:

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 11 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2602-2436

.

.

.