Categorie archief: jaarfeesten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (42)

.

De onzelfzuchtigheid van de paashaas

Een bruine langoor die met grotesprongen kris-kras door het veld springt. In de jacht offert hij zich op door de achtervolging van een soort­genoot over te nemen. Hij heeft geen hol om zich te beschermen – de hemel is zijn dak. Dat is het beeld dat de haas bij ons oproept. Wat heeft het symbool van de onzicht­bare haas die eieren verstopt met Pa­sen ons nog meer te zeggen?

Wie dagelijks met jonge kinderen bezig is, leeft te midden van een beeldenwereld die voor hen heel reëel is. Als volwassene ga je je afvragen waar die beelden die je tegenkomt in gezegden, kinderspelen en sprookjes voor staan. Meestal moet je voor uitleg te rade gaan bij mensen die zich in de symbolenwe­reld verdiept hebben. De meest uitgebreide uitleg over het symbool ‘haas’ heb ik gevon­den in een boek getiteld De symboliek van Haas en Anjer van CA. Wertheim Aymès en dr. P. van Schilfgaarde. In de inleiding wordt allereerst op het wezen van een symbool ingegaan en wel met een citaat van Goethe: ‘Het Ware, een met het Goddelijke, kunnen wij nooit rechtstreeks vatten; wij zien het slechts in een afglans, een voorbeeld, een symbool, in afzonderlijke en verwante verschijningen; wij worden het gewaar als onbegrijpelijk leven en kunnen ons niet onttrekken aan het verlangen het toch te begrijpen’.

Het woord ‘symbool’ stamt af van het Griek­se woord ‘symballein’ – letterlijk vertaald ‘samenwerpen’. Van dezelfde stam komt para­bel – gelijkenis. In de diepste betekenis wordt bedoeld dat het zinnelijke en het bovenzin­nelijke bij elkaar gebracht worden, terwijl in aardse betekenis het begrip ‘symballein’ werd gebruikt voor het op geheime wijze sa­menvoegen van twee delen. Een vertrouwelij­ke brief bijvoorbeeld, waarvan het de bedoe­ling was dat anderen hem niet konden lezen schreef men veelal op een strook, gewikkeld om een staaf van bepaalde dikte. De ontvan­ger kon de brief dan alleen lezen, als hij de beschreven strook weer om een staaf wik­kelde van dezelfde dikte die hem van tevoren bekend moest zijn. Dan brachten de standen der letters dezelfde woorden weer bijeen. Een symbool is dus een helft, die aansluit op een andere helft, zijn wederhelft. Op soortgelijke wijze worden denkbeelden samengebracht met beelden uit de zintuigelijke wereld. Die beelden, aan de natuur ont­leend, worden dan tot zinnebeelden, waarbij sprake is van herkenning. Vandaar, dat echte symbolen duurzaam zijn, en dat dezelfde symbolen onafhankelijk van elkaar in ver­schillende tijden en bij ver van elkander le­vende volken kunnen optreden.

Een zoeloesprookje ‘De behekste boom’ geeft ons inzicht in de symboliek van de haas. Een Zoeloekoning belooft zijn beeld­schone dochter aan diegene die de kwaadaar­dige otter kan vernietigen die tussen de wor­tels van een boom in zijn tuin huist. De eer­ste die een poging waagt is de olifant. Hij vult zijn slurf en spuit met kracht het water tussen de wortels, maar zonder succes. Dan komt de slang die met listigheid sissend om de stam kronkelt maar de otter blijft blazend zitten in zijn hol en komt niet tevoorschijn. Tenslotte probeert de haas het en dansend lokt hij de otter naar buiten zodat die gevan­gen kan worden. De haas vertegenwoordigt het hogere bewustzijn, in staat boosaardige krachten te bedwingen.

Waarom de haas als symbool van het hoger bewustzijn, het ik?
De haas is uitgerust voor de nacht. Dan is hij actief met zijn goed ont­wikkelde zintuigen. Hij wordt wakker bij het minste gerucht, is niet bang maar waakzaam, alert, snel.
Als zoogdier kent de haas de warmte van het bloed (het ik leeft in het lichaam), als knaag­dier vreet het aan (het ik vreet aan de levens­krachten), maar de haas doet niemand kwaad, eet alleen planten. (Het ik is onscha­delijk als het zich harmonisch kan ontwikke­len.) De haas is opofferend: achtervolgd door jachthonden en uitgeput zal een ai zijn plaats innemen en zich laten achtervol­gen. Tenslotte: de haas heeft geen hol. En zie hier het beeld: het ik is onzelfzuchtig, schaadt niemand, komt in actie voor zijn broeders en heeft geen tehuis op aarde, is al­tijd wakker om de mens de geestelijke wereld te laten zien.
De haas staat ook voor de liefde, te verstaan als natuurlijke èn hemelse liefde, waarbij vruchtbaarheid geestelijke vernieuwing aan­duidt. En zo zien we de haas overal opdui­ken: op een Griekse vaas uit de vijfde eeuw waar de ene man bij wijze van liefdesverkla­ring de andere een haas overhandigt, in het sprookje van Grimm van de hazenbruid, op Boeddhistische afbeeldingen waarin de Boed­dha na zijn aardse dood als haas in de maan kan worden geschouwd en bij ons met Pasen.
Het Ostarafeest, genoemd naar de Babylonisch-Assyrische godin Ostara, godin van lief­de, schoonheid en vruchtbaarheid werd ver­bonden met Ostern, Easter, Pasen, de Opstan­ding van Christus.
Een onzichtbare haas ver­stopt paaseieren. Talrijke weidevogels maak­ten immers gebruik van hazelegers om hun eieren in uit te broeden, dus de verbinding ligt voor de hand. De eieren zijn gekleurd met de kleuren van de regenboog als sym­bool yan een nieuw begin, van geestelijke le­venskiemen. In de kalkschil dragen zij de zon (dooier) en de maan (eiwit) maar we moeten ze zoeken – als we tenminste niet het haasje willen zijn.

pasen 24

stenen rozet in de kathedraal van Paderborn, Westfalen 

pasen 25

Griekse schaal, 6e eeuw v.Chr.

pasen 26

Leagros op Griekse schaal

Tineke Geus, ‘Jonas’17, 13 april 1984

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

1251-1169

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – rond Pasen

.

Twee feesten rond Pasen

Net als Pasen vieren we Pinksteren elk jaar op een andere datum, maar altijd op een zondag, 10 dagen na Hemelvaart.

Even bewegelijk verandert elk jaar weer de datum van Aswoensdag, zo’n 40 dagen vóór Pasen. Net daarvoor vieren we dan carnaval.

Twee feesten die mee-bewegen en twee feesten die 40 dagen van Pasen zijn verwijderd. Zouden beide feesten een samenhang hebben?

Het Pinksterfeest begint eigenlijk met “Luilak” (1 dag voor Pinksteren).

schema

Carnaval was een feest, waarbij men onwetend de erfelijke stroom voortzette. Hierbij speelde het onbewustzijn een rol.

Het specifieke karakter van “de reus” kan dit goed uitbeelden en deze wordt op carnaval nog steeds bezongen in het liedje:

Als de grote klokke luidt, de reus die komt uit.”

Maria spreekt echter heel anders erover, nl.: “Hoe zal dat wezen, daar ik geen man en bekenne?”
Dan is de bevruchting nog een tempelviering, geleid door ingewijde priesters. Later vervalt deze viering in een dronken daad met een niet herkenbaar, gemaskerd persoon.

Carnaval wordt gevolgd door een louteringstijd. Dan volgen de herdenkingen van de kruisdood van Christus. Zijn 40 dagen durende geestelijk-fysieke opstanding en Zijn verdwijnen uit de directe waarneembaarheid.

En dan Pinksteren. Ook van oorsprong een tempelviering, maar één, waarbij een zich door scholing gelouterd mens in een doodsslaap werd gebracht en weer werd teruggehaald in de aardse werkelijkheid, echter dan begiftigd met helderziende vermogens. Deze persoon werd “Luilak” genoemd en als pinksterbruid gevierd. Een merkwaardige polariteit wordt hier zichtbaar bij de twee feesten die zo sterk aan het paasfeest zijn gebonden. Twee keer wordt de bruid bevrucht.

Eén keer onbewust op lichamelijk niveau en één keer bewust op geestelijk niveau.

Het pinksterfeest
Het Pinksterfeest valt in een tijd, dat de kinderen onder invloed staan van de zich ompolende natuur buiten en in zich (zie schema jaarverloop). De natuur trekt de kinderen in de waarneming en bewegelijkheid. Zonder teugels, die hen bijsturen en richten, bestaat de neiging om op hol te slaan en zich chaotisch en impulsief uit te leven. Het traditionele Pinksterfeest kan dit patroon op feestelijke wijze ombuigen.

Luilak
De zaterdag voor Pinksteren wordt “luilak” gevierd. Er wordt dan voor dag en dauw opgestaan om langzaam in de toenemende helderheid van de beginnende dag mee “wakker” te worden. Het feestelijk geklingel van zilveren belletjes (verbasterd tot de huidige blikjes) helpt daarbij.

Gezamenlijk trekt men dan op blote voeten de natuur in. Die blote voeten mogen (soms maar even) de betrokkenheid met de oplevende natuur vergroten. De frisse dauw en het kriebelende groen zullen meestal tot een verwarmend huppelen verleiden en wat krijg je dan: ogen op steeltjes!

Pinkstertak
Wakker worden en ritmisch bewegen doen ze al vaak van zich uit, dus sluit je slechts aan bij het natuurlijk gebeuren en neem je die ochtend alleen iedereen mee in dit proces. Nu het richten. Van te voren wordt verteld, dat ze deze ochtend bloemen mogen plukken voor hun allerliefste(n). Dat kan bijv. moeder, vader, oma, opa, vriendinnetje of vriendje zijn. Maar!

Je gaat alleen die bloemen plukken, die bij je allerliefste passen! Je spreekt de kinderen zo aan, hun verworvenheden uit de rustige jaarhelft zinvol toe te passen. Ze moeten kiezen wie hun allerliefste(n) is of zijn én overdenken wat nu bij die mens(en) past. Ook moeten ze heel gericht om zich heen gaan kijken en selectief gaan plukken. Ter bekroning van deze ochtend wordt de uitverkorene bezocht en het veldboeket plechtig gegeven. De gehuldigde zet deze “eer”konde zeer opzichtig neer. Hier oefenen de kinderen iets, wat bij een echte verliefdheid al spontaan gebeurt, nl. het goede in de ander zien en waarderen. (Vroeger plukte men vaak een tak met bloemen, die aan de deur van het liefje werd bevestigd.)

Pinksterkransen 
De rest van de dag voor Pinksteren worden bloemenkransen gemaakt. Ieder kind gaat dan voor zichzelf en van papier de krans naar eigen keuze maken. Maar wat past er nu bij jezelf? Voor de meeste kinderen vormt dit géén probleem, maar kunnen ze dat maken? Het kan een waar vouw- en knipfeest worden, waar veel uitwisseling van vaardigheden bij komt kijken. Dan, als iedereen een zelfgemaakte bloemenkrans op het hoofd heeft, wordt gezamenlijk gewerkt aan de bloemenkrans voor de pinksterbruid. Ook wordt dan de papieren mantel met belletjes gemaakt. Wie zal het worden, morgen?

Pinksterbruid
Nadat men een ander en zichzelf heeft gehuldigd is er een zeker evenwicht ontstaan. De krans voor de pinksterbruid verbindt tenslotte allen in een gezamenlijk werkstuk.

En één kind mag die band tussen allen gaan vertolken.

Vroeger werd de pinksterbruid vaak al op luilakdag zelf gekozen, want die dag werden alle vuren in de haarden gedoofd.

De pinksterbruid mocht dan een nieuw vuur ritueel ontsteken (met vuurstenen en later direct aan de zon door een brandglas). Iedereen kreeg daarna een brandende spaan van dit vuur voor hun haard en die werd ook nog vaak door de pinksterbruid gegeven. Het hout werd verzameld door zingend de pinksterbruid rond te dragen, waarbij de complete tekst van “Hier is onze fiere Pinksterblom” de mensen aanspoorde hun hout hiervoor te geven. Helaas bestaat de noodzaak (en vaak de mogelijkheid zelfs) om de haard brandend te houden nauwelijks, dus heeft zo’n vormgeving aan het pinksterfeest nu nog maar weinig om het lijf. Gelukkig bestaat er ook nog een andere traditie.

Pinksterpaal
Een symbolisch gelijkwaardige vervanging en een in vele opzichten nog sterker sprekende traditie is, dat er geen hout wordt aangedragen als “de Pinksterblom” gezongen wordt, maar dat iedereen zijn bloemenkrans geeft. Dat gebeurt echter op pinksterdag zelf. Iedereen bevestigt zijn krans aan een reuzenkrans. Deze wordt dan door de pinksterbruid de hemel in gehesen aan een paal van 10 meter hoog! Daar, hoog in de lucht, lijkt de kleurenpracht wel samen te smelten in een vlammende kleurenkring, stralend als de zon.
Dan daalt de krans uit de hemel weer neer en krijgt iedereen van de pinksterbruid een stukje uit deze vlammenzee op het hoofd. Maar niet je eigen krans! Ze hadden hem weggeven en krijgen nu een nieuwe. En terwijl de jongsten gewoon lopen te stralen onder hun vlammende kroon uit de hemel, kijkt een ieder bij ieder toch nog even wie die van wie heeft.

En soms komt dan de brandende vraag aarzelend over iemands lippen: “Vind je hem mooi?”

M.Stoop, Leiden, nadere gegevens onbekend

.
Jaarfeesten: alle artikelen

1245-1163

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (21)

.

CARNAVAL EN RELIGIE

Inleiding

Carnaval is in oorsprong en diepste wezen een religieus feest. Deze stelling te verdedigen is niet zo moeilijk, al kan ik mij voorstellen dat voor veel lezers van een periodiek, verschijnend in het protestants-christelijke Noorden een extra dosis argumenten nodig is. Wellicht voelt men zich een beetje gerustgesteld door mijn aarzeling de vorige stelling om te zetten in de stelling: carnaval is in oorsprong ert diepste wezen een christelijk feest.
Binnen het bestek van een artikel diep op deze stelling ingaan is onmogelijk; ik kies bewust voor enigszins ‘anecdotische prikkelliteratuur’. De snelwandeling door de geschiedenis kan mij op het verwijt komen te staan dat deze beschouwing een modelvoorbeeld is van de drie spijkers-theorie, omdat ze op basis van enige elementen uit de Oudheid, het begin van de jaartelling en de Middeleeuwen vérgaande conclusies trekt. Het zij zo.

Carnaval een religieus feest?
Juist de laatste jaren is onder aanvoering van Dietz-Rüdiger Moser een nieuwe discussie opgelaaid over de oorsprong en de diepste betekenis van vastenavond.(1) Voor hem en zijn epigonen is er nauwelijks ruimte voor twijfel; de vastenavond is een christelijk feest, waarvan de oorsprong zeker niet eerder gezocht hoeft te worden dan de elfde of twaalfde eeuw.

Moser en velen voor hem zijn evenwel de frappante – hierna nog te bespreken – overeenkomsten met voor-christelijke feesten niet ontgaan. Hoe zijn die te verklaren? Van historisch onaantastbare continuiteitslijnen is zeker geen sprake. Zijn er schijnbaar spontaan – soms met intervallen van eeuwen – steeds weer met carnaval verwante feesten ontstaan? Zijn deze mogelijk steeds weer bewust heringevoerd “durch absicht-voller Rückgriff nach fast einem Jahrtausend”(2), met een volkomen andere “intentionaliteit”?

Om van opmerkelijke overeenkomsten met andere oude feesten te kunnen spreken, moet men op zijn minst aangeven wat men als wezenskenmerken van carnaval beschouwt en welke gemeenschappelijke noemers men meent te kunnen ontdekken in de hedendaagse vastenavond-viering en voor-christelijke feesten en gebruiken. Als wezenskenmerken beschouw ik: nieuwjaars- en lenterituelen, godenbruiloft, dood of herrijzenis van een (god)koning, initiatiefeest, rolomkering of tijdelijke maatschappelijke gelijkheid.

Verwante voor-christelijke feesten (3)
Voor Mesopotamië weet Gudea van Sirgulla al voor 2600 voor Christus te melden dat er bij gelegenheid van het Zagmuk-Nieuwjaars of Sacaea – feest, medio maart, niet gewerkt mocht worden, dat de slavin gelijk was aan haar meesteres en dat de slaaf ging aan de zijde van zijn heer. Een prachtig pronkschip op wielen werd in processie naar het heiligdom van Marduk gevoerd.
Vele eeuwen later noemt de priester-historicus Berosus (340-270 v. Chr.) in zijn Babylonica als hoofdpersoon aan boord van dit cultische wagenschip een zekere Zoganes. Dit blijkt een in koninklijke gewaden gehulde misdadiger die gedurende enkele dagen aan het einde van het jaar de rol van koning mag spelen met alle lusten en lasten van dien. Op de laatste dag van zijn heerschappij vindt een huwelijk plaats tussen hem en een priesteres, die de rol van de godin Ishtar vertolkt. Dit huwelijk wordt door velen gezien als een afspiegeling van het heilige huwelijk dat zich op 21 maart zou voltrekken tussen Vader Zon en Moeder Aarde; de ‘aardse’ huwelijken hadden mede ten doel de góden te herinneren aan hun jaarlijkse hernieuwing van dit heil- en vruchtbaarheid-brengende Heilig Huwelijk.
Na de trouwerij wordt Zoganes de koninklijke mantel uitgetrokken, krijgt hij zweepslagen en wordt terechtgesteld.

Zulke ceremoniele rituelen bij gelegenheid van het Nieuwjaarsfeest, steeds uitmondend in het offeren van de koning of een plaatsvervanger, zijn in de antieke culturen wijdverbreid. De oergedachte welke eraan ten grondslag ligt, is dat de godheid aan het eind van het jaar moet sterven voor de zonden van het volk, opdat het volk het nieuwe jaar met een schone lei zal kunnen beginnen. Er is dus sprake van een zuiveringsrite.

Doch terug naar het koningsoffer waarmee men de god van de vruchtbaarheid mild hoopte te stemmen. Daardoor werd het koningschap per definitie een eenjarige aangelegenheid. Het mag dan ook geen verwondering wekken dat onze verre voorvaderen gezocht hebben naar een oplossing voor dit dilemma. Zij meenden dit te vinden door het inschakelen van een plaatsvervangend of substituut-koning, ook wel Sarpuchi genoemd.(4) Deze kon dan, zonder een gevaar te zijn voor het koningshuis, na korte tijd om het leven gebracht worden.

Dat het echter wel eens mis kon lopen, bewijst het volgende verhaal dat zich afspeelt in het jaar 2050 voor Christus. (5) In dat jaar was Era-Immitti uit de dynastie van Isin koning van Sumerië en Akkadië. Tijdens de boeteceremonie aan het eind van het jaar, maakte ook hij plaats voor een ruilko-ning, in het onderhavige geval zijn tuinman Ellil-Bani. En zie, altijd overtreft de werkelijkheid de stoutste fantasie, want wat gebeurt? Era-Imitti sterft tijdens dit feest en tuinman Ellil-Bani zou nog 24 jaar aan het bewind blijven.

Soortgelijke berichten zijn er ook voor Egypte (feesten van Isis en Osiris), voor Griekenland (rond Dionysos en Kronos; de Anthesteria en Kronia) en voor het Romeinse Rijk (de Saturnalia en de Lupercalia).

Een enkel woord over de Saturnalia. Bij dit oud-stedelijke Oudejaarsfeest eerde men de god Saturnus. Hij leerde mensen de akkerbouw en herinnerde de Romeinen aan de ‘gouden eeuw’, waarin eenieder gelukkig was en er geen slavernij bestond. De heren bedienden hun slaven en droegen op het hoofd de ‘pileus libertatis’, de muts voor de vrijgelaten slaven.(6)

Ook tijdens deze Saturnalia werd een schijnkoning gekozen en wel door het lot.(7) In het jaar 303 na Christus viel dit in het Romeinse legerkamp Durostorum in Moesië op een zekere Dasius. Deze nu was Christen en weigerde de rol van schijnkoning te spelen, omdat de rituele zelfdoding op het altaar van Saturnus niet met zijn christelijke opvatting in overeenstemming te brengen was. Deze weigering tot zelfdoding heeft hij toen met de dood moeten bekopen. Hij is zowaar heilig verklaard. Een heilige gemankeerde Prins Carnaval?

Het is intussen zeer duidelijk dat er alle overeenkomst is tussen de tijdelijke schijnkoningen uit het verleden en de moderne Prinsen Carnaval die na korte tijd gedoemd zijn te verdwijnen.

Nog een enkel woord over de Lupercalia, die steeds plaatsvonden in februari. Tijdens dit feest deelden in huiden van wolven (lupi) en andere offerdieren gehulde personen met februa klappen uit aan vrouwen. Die februa waren uit vellen van offerdieren gesneden zwepen. Het doel van dit gebeuren was tweeledig; enerzijds een vruchtbaarheidsritueel (slag met de levensroede) en anderzijds een bestraffing voor alle zonden en nalatigheden tijdens het voorbije jaar. (De naam van de maand februari komt van februare en dat heeft te maken met reinigen, louteren). Na dit alles zal niemand verbaasd zijn dat de god waar bij deze feesten alles om draait Lupercus heet (zijn gemalin heet Luperca) en dat hii werd geacht onheil te kunnen verhoeden en loutering en reiniging te kunnen bewerkstelligen. De Luperci, gevormd uit de patricische jeugd, vormden de dragers van deze cultus. Bij de optochten tijdens deze feesten ‘ werd vaak met ouderwetse ploegen rondgetrokken om aan de geesten van de overleden voorvaderen duidelijk te maken dat men zich niet aan nieuwlichterij had schuldig gemaakt en dat alles bij het (goede) oude was gebleven.(8)

Bij deze volksfeesten wordt als het ware speels de wedergeboorte van de kosmos uit de chaos en van de rijken en staten uit de anarchie, gesymboliseerd door een tijdelijke omgekeerde wereld, tot uitdrukking gebracht.

De besproken kenmerken zijn zodanig, dat men niet alleen zonder reserve van een diep religieus feest mag spreken; men kan zelfs stellen dat veel elementen ervan in het christendom zijn terug te vinden, bijvoorbeeld in de sacramenten. Lijkt het initiatie-ritueel met zijn Mannbarschaftsriten niet sterk op het doopsel (voor volwassenen) en het vormsel (Mutprobe), doen deze zuiveringsriten (purificatory rites ann het eind van de maand februari) niet aan de biecht denken; herinnert het koningsoffer, soms overgaand in een kannibalistische maaltijd niet denken aan de Eucharistie; doet de via een gesimuleerd overlijden geënsceneerde ontmoeting van de-meestal vlak voor hun huwelijk staande initianten – wel aangeduid als de “messagers de l’au-dela” – met de geesten van de overleden voorvaderen niet denken aan het Oliesel. Daarbij bedenke men dat het huwelijk gold als een symbolisch bloedig sterven, en dat ook de initiatie als zodanig werd beschouwd. Wat dat huwelijk zelf betreft: de tijdens de jaarwisseling bewust in de volle openbaarheid ‘geconsumeerde’ huwelijken van complete jaargangen jongelui (door personen die daarvan niet meer begrepen wel als orgiën betiteld) passen in alle opzichten perfect in het patroon.

Het is zoals Fortmann het eens uitdrukte in zijn boek Hoogtijd: “Volksgebruiken zijn immers als lege hulzen, die worden doorgegeven en door iedere generatie, door ieder individu met een nieuwe inhoud kunnen worden gevuld.”(9) Zo kregen door het christendom de oude gebruiken een nieuwe inhoud en lading.

Het christendom zou het ondanks deze grondgedachte overigens toch steeds moeilijk hebben met dit feest, waarbij de gelovige balanceert op het smalle pad tussen deugd en ondeugd of, om het met Freud te zeggen, op de rand van het exces.

Het mag geen verwondering wekken dat parallellen zijn getrokken tussen de Christus en de tijdens de nieuwjaars- en lentefeesten geofferde koningen.(10) De Romeinen – vertrouwd met de Saturnalia – en de Joden – vertrouwd met feesten rond Haman en Mordechai – behandelden Jezus immers als zo’n tijdelijke koning; Hem werd in Jeruzalem een purperen mantel omgehangen, Hij werd met doornen gekroond en tenslotte gekruisigd met boven zich het opschrift: INRI – Jezus van Nazareth Koning der Joden. En…Hij stierf zelf, omdat de misdadiger Barabbas niet als Sarpuchi (plaatsvervanger) werd geaccepteerd.

Speelt zich aan de vooravond van de vasten een ritueel af dat in diepste wezen een voorafspiegeling is van de gebeurtenissen daarna, met Pasen?

Carnaval een christelijk feest?
De voorgaande beschouwing laat er – althans voor mij – geen twijfel over bestaan dat wij bij het carnavalsfeest te maken hebben met een religieus feest met pre-christelijke wortels. Men vindt er overigens ook buiten het christendom parallellen mee, zoals Sierksma aantoont in zijn boek Tibet’s terrifying Deities; ook in Lhasa was met Nieuwjaar sprake van een tijdelijk omgekeerde wereld, met een tijdelijke heerser die nadien als een zondebok werd weggestuurd.(11)

Is carnaval dus allengs een christelijk feest geworden? Heeft dit feest door het christendom een zodanige metamorfose ondergaan dat de lijnen met het verleden vrijwel zonder betekenis zijn geworden? Een ding is zeker: het vroege christendom had grote problemen met de oude heidense kalenderfeesten.

Aan de lopende band is tijdens synodes en concilies gepoogd orde op zaken te stellen.(12) Het waren de uitspraken van Caesarius van Arles (470-542), die omstreeks het jaar 500 in zijn preken tegen deze heidense gebruiken van leer trok, die de bouwstenen gevormd lijken te hebben voor de Indiculus superstitionum et paganiarum (kleine index van bijgelovige heidense gebruiken). In deze index opgesteld tijdens de synode van Leptines in 742, werd onder andere stelling genomen tegen de “Spurcalibus in februario”. Ongeveer tezelfder tijd (ca.750) wordt in een homilie gezegd : “Degene die in februari door allerlei minder . oirbare handelingen de winter probeert uit te drijven, is geen christen, maar een hei-den.”(13) De biechtboeken rond het jaar 800 bevatten steeds de vraag of men zich tijdens de feesten in januari en februari als dier (hert, beer) of oud wijf had verkleed. Daarop stond een niet geringe penitentie!

Geleidelijk werd aan het kerkelijk gezag duidelijk dat men er met verboden niet kwam. Het inzicht groeide dat beter gepoogd kon worden de gebruiken te kerstenen en ze een plaats te geven in de liturgie en in het kerkelijk jaar. Deze koers-wending kreeg duidelijk gestalte toen bij de synode van Benevento (in 1091) het begin van de veertigdaagse vasten definitief werd vastgesteld op de dag, welke we sinds die synode aswoensdag noemen. De zondagen werden bij de telling van de vastendagen officieel dus niet meer meegeteld. Zodoende spreekt men wel van de nieuwe (rechte) vastenavond, ook wel papen-vastenavond en van oude of boeren vastenavond (in Basel heeft men deze oude variant aangehouden en viert men carnaval dus een week later). Op dezelfde wijze gaat een veertigdaags vasten vooraf aan het Driekoningenfeest, ofwel grootnieuwjaar (als feest ouder dan kerstmis).(14) Laat men daarbij steeds de zondag en zijn ‘broederdag’ de zaterdag weg, dan komt men op 12 november. Dat verklaart dan de start van het carnavalsseizoen op de 11e van de 11e, de feestdag van Sint Maarten.

Nadat dit lentefeest aldus gekerstend was en een plaats in de liturgie had gekregen, is het niet zo verwonderlijk dat kerkelijke autoriteiten er concreet bij betrokken raakten. Enige voorbeelden. In 1284 beval paus Martinus IV – volgens een overigens discutabele bron uit 1585 – de gelovigen aan enige dagen vastenavond te houden en vrolijk te zijn. Paus Martinus V, die notabene op de elfde november 1417 in Kon-stanz tot Paus werd gekozen, kreeg zelfs de bijnaam ‘papa carnavale’. Niet vanwege de keuze datum, maar omdat hij enige dagen veel te weining vond; hij stond een periode van uitgelatenheid voor van enige weken.

In Ermatingen (Thurgau am Untersee) wordt op zondag Lae-tare – midden in de vasten dus – de zogenaamde ‘Groppenfas-nacht’ gevierd; die gaat – zo wil de legende – terug op een uit 1415 daterend privilege van de door het concilie van Constanz afgezette paus Johannes XXIII. De afgezette paus (een van de drie die de kerk toen rijk was) moet aldaar gastvrij onderdak gevonden hebben en als dank daarvoor het privilege verleend hebben midden in de vasten carnaval te vieren, deels met door hem ter beschikking gestelde ‘pauselijke middelen’. Ziedaar een effectieve toepassing van de parabel van de onrechtvaardige rentmeester.(15) Het aantal voorbeelden kan naar believen worden uitgebreid.

Steeds echter stond de voorbereiding op de vasten voorop, zoals Geiler von Kaysersberg (1445-1510), de beroemde frans-ciscaanse predikant, niet naliet te benadrukken “die Christ-liche Catholische Kirche erlaubt eine ehrliche recreation und Wollustbarkeit, damit ihre geistliche Kinder,desto williger seyn, die heilige Fasten zu halten.”(16)

Het meest opmerkelijk is de houding van de Jezuiten. In 1552 verleende paus Julius III – op verzoek van de stichter van de orde van de Jezuiten, Ignatius van Loyola – aan het Collegium Germanicum in Rome de toestemming om binnen het college een carnavalskoning te kiezen.(17) Diens rijk duurde zes dagen, inclusief verkiezing door het lot, intronisatie, banketten, Rüge-gerichte en de opvoering van literaire vastenavondspelen. Van doorslaggevende betekenis was evenwel de afscheidsrede van de koning op carnavalsdinsdag. Daarin maakte hij duidelijk dat zijn rijk in deze wereld kort en vergankelijk is en wees hij op de nietigheid van alle aardse heerlijkheid. Het doel hiervan was de Jezuiten in spé, alvorens ze in Duitsland zouden worden ‘ingezet’, terdege te prepareren op hun confrontatie met de vastenavondvierende gelovigen en hen via zo’n vastenavondspel in het gareel te krijgen.

Een veel stringentere aanpak uit die tijd, waarvan het initiatief eveneens bij de Jezuiten lag, betrof de invoering van het ‘Veertiguren’-gebed. Een ‘gebedsestafette’ en ‘ge-bedsmarathon’, ter compensatie en ter voorkoming van de talrijk geachte vastenavondzonden

De narrenfeesten
De houding aan de ‘top’ van de kerkelijke pyramide wordt vooral vermeld omdat die niet zonder belang is voor het gedrag aan de ‘basis’. Hoe het daar toeging wordt in geuren en kleuren verteld in de beschrijvingen van de narren- en ezelsfeesten. De centrale rollen in deze feesten vervulden in het begin de geestelijken die slechts de lagere wijdingen hadden ontvangen: de subdiakens. Tijdens het feest kwamen zij echter op de eerste plaats. Zij speelden de rol van zotten-bisschop of Ezelspaus. Ook hier dus de omgekeerde wereld! Beroemd is geworden de Missel des Fous. De tekst was geschreven, althans uitgegeven, door de latere aartsbisschop van Sens.(18)

Het opdragen van schertsmissen met drinkgelagen, koeterwaalse taal, het laten van boeren, waren aan de orde van de dag.(19) De Kerk kon blijkbaar niet anders dan toch een zekere therapeutische waarde aan het feest toekennen en zich er tegelijk tegen verzetten. Zo’n forse aanval kwam in 1445. In dat jaar vonden de theologen van Parijs de gedogende houding welletjes. Zij bepleitten dat de verbodsbepalingen, al uitgevaardigd in 1435 op het concilie van Basel, ook werkelijk ten uitvoer moesten worden gebracht. Ze schreven:

“De priesters dragen maskers tijdens de mis, ze dansen in het koor verkleed als vrouwen, koppelaars of speellieden en ze zingen schandelijke liederen. Op het altaar eten ze zwarte pudding en vette worsten, terwijl de celebrant, waarschijnlijk op zijn manier, bezig is. De dobbelstenen rollen en de wierook wordt gestookt van oude schoenzolen.

Ook rennen en springen ze door de kerk. En dan gaan ze naar buiten in hun vermommingen. Met karren en wagens trekken ze door de stad en geven schaamteloze voorstellingen, waarmee ze de lachlust van het publiek opwekken, dat ook verder uitgedaagd wordt met smerige liedjes en obscene gebaren.”(20)

De heren theologen besluiten hun brief met de vermelding dat ze het ergste nog niet willen noemen. Overigens dacht men reeds toen aan dit feest een ventielfunctie toe; pas veel later zou Schurtz voor dit verschijnsel het treffende woord ‘Ventilsitte’ bedenken.(21) Een latere brief, eveneens van de Theologische Faculteit van Parijs, was véél milder van toonzetting.

“Wij vieren het feest niet in ernst, maar louter als scherts, om ons als onze voorouders te vermaken, opdat onze aangeboren zotheid tenminste eenmaal per jaar kan uitrazen. Wijnvaten zouden barsten wanneer niet geregeld de sponningen geopend worden om lucht te laten ontsnap pen. (…) Derhalve geven we ons enige dagen over aan zotheden, om daarna met des te meer ijver naar de dienst van God te kunnen terug keren.”(22)

De zot wil net als anderen, zijn zotternij het liefst in groter verband bedrijven. Vandaar narrengezelschappen. De vraag rijst of de gezellen van de Blauwe Schuit waaraan Jacob van Oostvoren in 1413 een beroemd geworden leerdicht wijdde, zo’n narrengezelschap vormden. De datering – het kwam uit “upten rechten vastenavond” – wijst in die richting. De samenstelling van het gilde en gedrag van de leden is in elk geval zo, dat men enig begrip voor de reacties van de Parijse theologen kan opbrengen. Men zie wat voor ‘tuig van de richel’ er aan boord was: berooide adel, hoge geestelijken die handelen in prebenden en achter de vrouwen aanzitten, verwende zoontjes van de burgerij, die hun erfdeel al dobbelend en drinkend verbrassen, ambachtslieden en middenstanders die hun winst verzuipen, geile vrouwen enzovoort, kortom lieden die het nodige op hun kerfstok hebben.

Enklaar ging er in zijn studie Varende Luijden (1937) dan ook inderdaad van uit dat hier sprake was van een min of meer realistische schildering van het doen en laten van deze vagabonden (vagantes).(23) Pleij, die notabene “upten rechten vastenavond” in 1979 promoveerde op dat beroemde gedicht, komt tot een volledig omgekeerde conclusie. Hij acht het ondenkbaar dat in een tijd waarin de kerk een zo machtige positie innam een dergelijke – ook al is het maar tijdelijke – “Umwertung aller Werte” zou hebben gedoogd. Pleij gaat er daarom – zonder twijfel terecht – van uit dat de bezetting niet echt uit ‘maatschappelijk wrakhout’ bestond. Hij houdt vol dat het veeleer meer gaat om lieden die tijdens een wagenspel, door middel van liederlijk gedrag, aangeven wat er van de mensen terechtkomt als men de maatschappelijke waarden en normen omkeert of nog concreter, de Tien Geboden negeert. Het toneelspel was een uitstekende methode om dit de analfabete toeschouwers aan het verstand te brengen.(24)

De Reformatie
Tegen het eind van de Middeleeuwen veranderden de tijden, met alle gevolgen van dien voor de toen nog in volle bloei staande volksgebruiken en -feesten. Maar al te gemakkelijk wordt de Reformatie als verklaring aangevoerd voor de teruggang ervan. Nog tal van andere factoren hebben echter een rol gespeeld. De verkeersmogelijkheden werden beter, de verstedelijking nam toe als gevolg van een sterke instroom van buiten en mondde uit in toenemende onderlinge anonimiteit. De boeren – de uitgesproken dragers van het volksleven – verloren hun belangrijke plaats in het openbare leven aan patriciërs, zakenlieden en geleerden. De steden werden burchten van een humanistisch-burgerlijke levensstijl. De zo typische gemeenschapszin verminderde en men oriënteerde zich meer ‘dies-seitig’: de ontdekking van de boekdrukkunst en de verbreiding van het boek speelden daarbij ook een rol.

De Reformatie heeft, schrijft Kohier in haar boek Martin Luther und der Festbrauch, alleen versneld en eerder zichtbaar gemaakt, wat het aanbrekende nieuwe tijdperk met al zijn structuurveranderingen toch bewerkstelligd zou hebben.(25) Luther, en zeker de jonge Luther, was geen uitgesproken tegenstander van dit volksfeest. Een lutheraan schreef:

“Sonder wer zu dem andern diese Fastnachtzeit freundschafft und kurtzweil suechen wolt, das solches offen parlich unverstellt und mit Erbarer beschaydenhayt beschehen mög und soll.”(26)

Door het feit echter dat Luther de vasten afschafte, bracht hij evenwel een ontkoppeling tot stand die niet zonder gevolgen bleef.

In een gedetailleerde studie van Scribner wordt de relatie carnaval en Reformatie voor de beginperiode (1520-1543) nagegaan.(27) Al in 1520 organiseerden in Wittenberg ongeveer honderd studenten een carnavalsoptocht met op de hoofdwagen de bul waarin de Paus dreigde Luther in de ban te doen; de wagen ging in vlammen op en een als paus verklede student wierp zijn tiara in het vuur. Het ‘winter uitdrijven’ veranderde in uitdrijven van de Paus. Omgekeerd werd in katholieke streken Luther in effigie in plaats van de ‘Winterpopanz’ aan het vuur prijs gegeven.

In feite fungeren deze en andere carnavalsgebeurtenissen als propaganda voor de Reformatie. Scribner gaat nog verder. Hij stelt zelfs dat zo’n radicale verandering van geloofsovertuiging voor de gewone man psychisch niet op te brengen geweest zou zijn, als de carnaval hem deze overgang niet had vergemakkelijkt.

Voor Nederland is de houding van Luther van veel minder belang dan die van Calvijn. Daarover ontbreekt nog een indringende studie. Von Martin schrijft in zijn boek Ordnung und Freiheit dat de nieuwe calvinistische levensopvatting alle wereldse genot als zondig bestempelde.(28)

Te beginnen in de jaren tachtig van de zestiende eeuw regent het in Nederland dan ook verbodsbepalingen.(29) In 1596 al verdedigde Bogerman zijn stellingen tegen de vastenavondviering. Walich Siewersz schreef in 1604 in zijn Roomsche mysteriën:

“die welcke haer ghereformeert noemen ende daervoor aanghesien willen zijn, ‘vieren vastenavonden’ met allerley nerreye, sotternye, mommerie, dansen,spee-len, dronckenschap, gulsicheyt ende al wat de Heydenen op deselve tyd als sy ‘hare Bacchinalia hielden, plachten te doen'”.(30)

Dat kan natuurlijk niet. Nochtans, men zou de waarheid geweld aan doen door het verzet in Nederland en Vlaanderen eenzijdig op het conto van het calvinisme te schrijven. Reeds in de vijftiende eeuw klonken er al allerlei protesten op tegen de vastenavondvieringen, ook van de burgerlijke overheden.

Het verzet was derhalve het resultaat van een veel bredere weerstand tegen – toegegeven – vaak zéér platvloerse feesten, waarbij “kap en kogel” werden verbrast. Door de Verlichting nam het verzet alleen nog maar in hevigheid toe. Ondanks het feit, dat carnaval als een “roomse superstitie” ^n “paepsche stoutigheyt” werd gebrandmerkt en de kinderen tijdens de godsdienstles leerden opzeggen dat de vastenavond een “rechte Bacchusdag” was, strijdig met Gods woord, hield het volk er in de gehele zeventiende eeuw aan vast.(31)

De contrareformatoren
De contrareformatoren (de hervormingsbeweging vanuit de katholieke Kerk zelf, in gang gezet tijdens het Concilie van Trente 1545-1563) zouden véél feller van leer trekken om deze feesten er onder te krijgen. Veel verkondigingen van deze contrareformatoren zijn bewaard gebleven. Een preek van een van hen bevat zowaar een curieuze verklaring voor het woord Fasznacht. Hij verkondigde namelijk:

“Fasznacht houden, dat is niets christelijks, maar iets heidens, niets menselijks maar iets duivels. Waaraan heeft de Fasznacht zijn naam anders ontleend, dan aan vat (Fasz), geledigd in duistere nacht? Van een vat stamt de naam, want het is een heidens vreugde feest, ter ere van de dikbuikige zuipgod Bacchus.”(32)

Een ander zegt:

“Wat is dit overmatig eten en drinken en het daaruit voortkomende godslasteren, het lichtzinnig dansen, kussen en zich verkleden, anders dan een opnieuw bespotten en kruisigen van Christus?”(33)

Neen, dan was de omstreeks 1600 in Wenen predikende augustijner monnik Abraham a Santaclara tenminste milder. Van hem kon er tenslotte nog de beoordeling af dat het hier om “eine ehrliche Recreation” ging.(34)

Door de gebundelde krachten van de kerken, vaak gesteund door de burgerlijke overheid kreeg de carnaval het zwaar te verduren. In de hoofdcentra van cultuur en beschaving staakte eerst de zogenaamde elite de deelname en daarna nagenoeg alle volwassenen. Het feest overleefde vrijwel alleen in de perifere regio’s, voornamelijk in de vorm van gebruiken voor kinderen.

Maar de brand bleek niet echt geblust; het bleek een ondergrondse ‘veenbrand’. In 1823 zou het feest in Keulen weer stevig oplaaien. Maar eerst de nieuwe visie van de reeds genoemde D.R.Moser.

De visie van D.R.Moser
In 1976 bepleit D.R.Moser een accentverlegging van het onderzoek naar de achterliggende intenties van feesten en gebruiken. (35) Hij vindt bovendien dat schilderijen, boekillustraties (de psalteria, onder andere), kunstwerken, beeldhouwwerken als produkten uit het volk voor het volk in deze vaak minstens zo veelzeggend zijn als geschreven bronnen, omdat die nogal eens het perspectief van de alfabete elite weergeven en soms zelfs verhullend zijn.

Inhoudelijk komt Moser tot de conclusie dat parallellen met voor-christelijke feesten, respectievelijk feesten voor het jaar 1000 te ver gezocht zijn. Hoogstens is er sprake van enige ‘vorm verwantschap’, soms veroorzaakt omdat gebruiken bewust zijn heringevoerd, maar met een volkomen andere intentionaliteit.

Dat de woorden Fastnacht en Fasnacht tot dusver nog nooit in teksten van voor die tijd zijn aangetroffen is voor hem dan ook volkomen logisch (hetzelfde geldt overigens voor de diverse afleidingen van carnaval). Hij ziet het vastenavondspel, ja zelfs de Vastenavond als geheel, primair als een pedagogisch-didactisch instrument dat bewust door de kerk werd gehanteerd om de mens naar zijn eigenlijke bestemming te verwijzen. Hij ziet het als “eine kurze Zeitspanne pervertierter Gottesherschaft”, als een “erlaubte Entfaltung des Unerlaubten”, als een ideologisch gefundeerd geestelijk spel met een kathechetische functie en met als centrale thematiek de zeven hoofdzonden, de ijdelheid (vanitas) voorop. Het is er op gericht tussen Aswoensdag en Pasen (tijdens de vasten dus) een “metanoia”, een geestelijke ommekeer, te bewerken. Deze visie vindt zijn fundament in Augustinus’ werk De civitate Dei en vooral in diens zogenaamde twee statenmodel. Daarin is sprake van een ‘civitas terraena’ of ‘civitas diaboli’ waarvoor Babylon model staat, en een ‘civitas dei’ waarvoor Jeruzalem en Rome model staan, (zie schema)

carnaval-3

Nieuw is niet alleen de behavioristisch aandoende techniek om uit (uitgebeeld) gedrag rechtstreeks conclusies omtrent de achterliggende intenties te trekken, veel meer geldt dat nog voor de nieuwe hoofdinterpretaties ten aanzien van die intenties – dat wil zeggen dat er sprake zou zijn van een bewust ingevoerd didactisch scenario – en de – voor sommigen bepaald schokkende – hoofdconclusie de vastenavond als geheel en rollen en onderdelen daaruit, te duiden vanuit de ‘civitatis diaboli’.

Enkele voorbeelden aangedragen door Moser’s Freiburgse studenten (36):

– De nar blijkt niet zo maar een figuur die al of niet vanwege beperkte geestelijke capaciteiten voortdurend de maatschappelijke orde verstoort, neen, hij is iemand waarover al een psalm uit de dertiende eeuw schrijft: “dixit insipiens in corde suo: non est deus”. Hij is dus een ongelovige. Ja-en dat vond toen iedereen – dat is dwaas. Hij draagt bellen om ons te herinneren aan het woord van Paulus, de gelovigen voorgehouden op carnavalszondag: “al spreek ik met de tongen van engelen, als ik de liefde niet heb…”

– Het woord ‘Schembart’ uit de beroemde Nurnberger Schembartbucher, tot dusver meestal beschouwd als een afleiding van scema – masker -, zou een verbastering van Scheinbote (schenpot) zijn, de onechte boodschapper die niet de Blijde Boodschap brengt, kortom de duivel.

– De Narrenbron wordt niet meer gezien als een voor de handliggend onderdeel van reinigings- en zuiveringsriten, met tegelijk een vernieuwend en verjongend effect. In de Middeleeuwse literatuur is ze vaak – aldus Kimminich – eerder een poel van verderf en zonde; niet zozeer een ‘fons vitae’ maar veeleer de ingang naar de onderaardse hel. In de narrenbron zagen de duivel en de nar, de godloochenaar en de antichrist elkaar. De opperste “Herr Mummerer und Schembart” kan dan moeilijk iemand anders zijn dan Vorst Lucifer, de opperduivel, de antichrist.

– Het getal elf staat voor de overschrijding van de decaloog, de tien geboden; geen ludiek getal dus, maar het symbool voor de zonde. Daarom ook staan op zoveel Middeleeuwse klokken de wijzers op vijf (is elf) voor twaalf; de zesdaagse periode van donderdag voor carnaval (op veel plaatsen Weiberfastnacht) tot en met carnavalsdinsdag, ziet D.R.Moser als de negatieve afspiegeling van het zesdaagse scheppingsverhaal.

Vele volkskundigen, H.Moser (niet te verwarren met zijn naamgenoot D.R.) voorop, beschouwen deze visie als een ‘wetenschappelijke oorlogsverklaring’.(37) Hij distancieert zich volledig van deze theorie. Dat de Kerk, en heel concreet ordes als de Franciscanen en Capucijnen hun theologische opvattingen tot volksgebruiken zouden hebben omgesmeed en aldus bewust de vastenavond bedacht en ingevoerd hebben lijkt hem absurd. Zo mogelijk nog absurder lijkt het hem dat zij de boetvaardigheid via de curieuze omweg van tot zonde prikkelende vastenavondspelen zouden hebben willen bewerkstelligen. Zeker is dat door D.R.Moser en zijn studenten interessant materiaal op tafel is gekomen onder andere doordat zij voortdurend verbindingen aangeven tussen de volksgebruiken en hun Middeleeuwse betekenis en het misformulier dat tot Vaticanum II is gehanteerd. Weinig volkskundigen beschikken over de  theologische en liturgische kennis om dit te kunnen. Het gaat dan ook wel erg ver als H.Moser stelt dat juist deze theologische kennis D.R.Moser tot een “verhangnisvolles Hindernis”, een noodlottige handicap, geworden is.

Heel duidelijk is dat D.R.Moser in zijn visie een voorloper is van Pleij, die Moser’s studie in 1979 overigens nog niet kende. Deze immers constateert dat het bij de activiteiten van de gezellen van de Blauwe Schuit moet gaan om ‘wagenspelen’ met een didactisch en dramaturgisch doel, die op zijn minst door de Kerk werden gedoogd.

Noch Pleij noch Moser blijkt het al uit 1964 daterende proefschrift te kennen van de augustijn Vermeulen, gewijd aan zijn ordegenoot Jan de Leenheer (1642-1691). Dat is jammer want Jan de Leenheer heeft in 1669 in Brussel een werkje gepubliceerd getiteld Toneel der Sotten (ook: Theatrum Stultorum). Vermeulen schrijft:

“Welnu al die mensen die moreel verkeerd handelen, en allen die in een of ander maatschappelijk opzicht zich belachelijk maken, doordat ze hoe dan ook defectief zijn of optreden, zal Jan de Leenheer ten tonele voeren; hij zal hun publiekelijk de zotskap op het hoofd drukken en hun daarna de narrenspiegel voorhouden, zodat zij zichzelf te kijk kunnen zien staan in al hun zotheid, leden van het gezelschap der Gekken.”(38)

Uiteindelijk is zijn Toneel dus een school der zeden, evenals de preekstoel, maar zijn stijl is anders, namelijk ioco-serium… Ook stelt Vermeulen “de nexus tussen de zonde of de anderszins detectieve gedraging en de dwaasheid is een traditioneel gegeven” en tenslotte: “Ook reeds bij Augustines heeft de Leenheer op talloze plaatsen in allerlei werken de nexus-zonde, dwaasheid, kunnen aantreffen”. Een scherpe uitspraak gelet op het feit dat de zonen van Augustinus volgens hun regel en spiritualiteit het element van het menselijk hart de voornaamste plaats dienden te geven bij hun activiteiten.

De heropbloei en de actuele situatie
Reformatie, Contrareformatie en Verlichting leidden tot een zodanige mentaliteitsverandering dat het vastenavondfeest allengs verwaterde tot simpele kinderspelen, ommegangen met de foekepot of ‘Heischebrauche’, hier en daar op de dorpen gent- of gansrijden en – veel voorkomend – worst eten. Logisch, vlak voor de vasten eindigde immers de slachtperiode. Het ontbreken van de diepvries dwong er toe om stevig te schransen en dat maakte dan weer dorstig. Ook de armen kregen de kans hun magen eens goed te vullen. Geen optochten meer, geen bals en redoutes met dure verkleding. De omgekeerde jas was de enige verkleding; op zich nog niet zo gek overigens als uitdrukking van de omgekeerde wereld.

Maar in het begin van de negentiende eeuw begon het tij te keren.(39) De Romantiek – hoezeer ook op het individu en zijn innerlijk gericht – bracht een nostalgisch neigen naar het verleden, zowel het klassieke verleden als – al spoedig-naar de periode voor de Franse Revolutie, met zijn adel. Vandaar de opkomende neiging, zegt Heers

“de gouverner la ville a travers la fête par une teinte aristocratique souvent bien afficheé et dans le choix des thèmes de la représentation par le reflet d’une culture bien plus élitiste, courtoise, princiere humaniste”.(40)

In 1823 was het dan zover. In Keulen zagen een aantal vooraanstaande burgers en zakenlieden in, dat de Pruisische officieren die het na de aftocht van de Franse troepen voor het zeggen hadden, ongetwijfeld nog verdere beperkingen zouden opleggen aan de volkse vastenavondgenoegens. Een “festordnendes Comitee” werd geïnstalleerd met als hoofddoel een optocht naar Venetiaans model (waarmee men waarschijnlijk via de Franse bezettingstroepen, die immers ook Noord-Italië bezet hadden, vertrouwd was) rond Held Carnaval (let wel, niet Prins Carnaval). Het werd een eclatant succes. Het Keulse carnaval was geboren en daarmee een nieuwe trend die via Düsseldorf, Koblenz en Mainz al snel ook naar diverse steden in de huidige provincie Limburg zou overslaan, als eerste naar Maastricht (Momus 1840) en Venlo (Jocus 1842).

Opmerkelijk is dat onder de diverse steden die er vroeg bij waren, veel garnizoenssteden waren, en onder de initiatiefnemers van het eerste uur ook de nodige officieren – vaak Hollanders, meestal niet katholiek en zeker in een aantal gevallen lid van de vrijmetselarij. Vreemd is dat niet; immers waar de katholieke geestelijkheid ofwel duidelijk afwijzend of zeer terughoudend was, mocht men slechts initiatieven verwachten van zeer liberale katholieken ofwel van degenen die niet onder het gezag vielen van de katholieke geestelijken. Sterker nog, die dat best bewust wilden bruskeren.

De grote economische malaise van de zeventiger jaren van de vorige eeuw deed evenwel de ontwikkeling weldra stokken. In de tachtiger jaren zijn er nieuwe initiatieven. Oprichting van de Oeteldonkse club (1881), Marotte in Sittard (1881) en de heroprichting van Jocus in Venlo (1870); de eerste met naam en toenaam genoemde prinsen, die meer waren dan anonieme figuren tijdens een optocht, duiken op.

De echte doorbraak in Nederland komt pas veel later, en verrassend genoeg tijdens de economische crisis na de Eerste Wereldoorlog. Als verklaring worden ten onrechte wel eens ‘brood en spelen’-achtige theorieën aangevoerd. In de provincie Limburg – want daarover gaat het in deze periode – speelden veel praktischer overwegingen een rol. De verantwoordelijke personen in de diverse kleinere plaatsen langs de grens – vaak verre van enthousiaste pleitbezorgers voor dit feest-zagen zich genoodzaakt het initiatief te nemen tot de viering in de eigen parochie- of gemeenschapshuizen, om te voorkomen dat de jeugd massaal de grens overtrok naar het inmiddels door de nazi’s beheerste Duitsland. Terloops zij vermeld dat Hitler niet heeft nagelaten te pogen dit feest – waarvan Fehrle inmiddels tot diens tevredenheid de arische wortels had aangetoond – naar zijn hand te zetten. Als ware thomisten huldigden de voornoemde verantwoordelijken, de pastoor voorop, dus ‘de leer van het kleinere kwaad’.

De Fransman Varagnac verklaarde de opbloei als volgt: “Wij zijn een volk van kopers geworden, we kopen alles, dus ook ons vermaak; pas als we daar geen geld meer voor hebben, gaan we er weer toe over onszelf te vermaken.”(41)

Carnaval na de Tweede Wereldoorlog
De grote opmars van de carnaval in Nederland, doch ook in veel andere Europese landen, is van recente datum. Het aantal meerderjarige carnavalsverenigingen (twee keer elf jaar oud) is dan ook vrij gering. Het feest is echter met dermate sterke ‘historiseringstendenzen’ omgeven dat slechts weinigen zich realiseren dat de concrete plaatselijke vieringen in de huidige vorm zo jong zijn.

Vanwaar die plaatselijke opbloei, beneden en allengs boven de rivieren? De basis ervoor was door de na Vaticanum II doorgevoerde wezenlijke verlichting van de vasten- en onthoudingswetten toch komen te vervallen? Binnen de contekst van dit artikel kunnen slechts de hoofdoorzaken worden aangestipt. Ten zuiden van de rivieren waren belangrijke factoren:

– Steeds meer dorpen bereikten de kritische grootte om een zelfstandig feest te kunnen organiseren, beschikten over de organisatoren en de accomodaties.

– Van overheidswege en zakenleven kwamen zekere stimulansen.

– Het feest was salonfähig geworden, zodat uit alle lagen van de bevolking mensen mee gingen doen.

Ten noorden van de rivieren kwam daar nog bij:

– De vervaging der fronten tussen het katholieke zuiden en de provincies boven de rivieren; het aandeel van de katholieke bewoners nam in veel plaatsen toe, uit hun gelederen kwamen dan ook vaak de initiatiefnemers.

– De toenemende tolerantie over en weer, uitmondend in het doorbreken van de verzuiling.

– Door de televisie en door bezoeken aan het Zuiden werden allerlei vooroordelen overwonnen.

In 1953 stelde de NCRV in het programma Vragen aan voorbijgangers, ten aanzien van carnaval onder andere de vraag: moet er tussen carnaval en vasten (lijdenstijd) geen tegenstelling worden gezien? Veel, vooral protestantse luisteraars schreven inderdaad in de carnaval een soort ‘ontkrachting’ van of een ‘demonstratie’ tegen de vasten te zien, of een ‘het met God op een akkoordje gooien’. Katholieken spraken in hun reacties veeleer van een soort ‘afscheidsfuif’ of van ‘voor wat hoort wat’.(42)

Een ander ernstig bezwaar tegen de carnaval dat in protestantse kring te beluisteren viel, betrof het niet in achtnemen van de zondagsrust. In katholieke contreien werd die aanvankelijk ook serieus genomen, zij het niet zo uitgesproken. De grote optochten trokken daarom op maandag; in Duitsland spreekt men van de Rosenmontagszüge. Trekt een optocht ergens op zondag dan mag men aannemen dat het hier een jonge viering betreft. Carnavalsverenigingen boven de rivieren, deels daterend uit de periode dat de vrije zaterdag al een feit was (1961), losten het vraagstuk daarom zeer praktisch op door de optocht op zaterdag te laten trekken.

De relatie vastenavond-vasten is een gecompliceerde en de meningen erover zijn zeer verdeeld. Ik geloof in elk geval niet, dat men de carnaval als een vorm van ‘hamsteren in vreugde’ kan beschouwen en ook niet dat de carnaval is ingevoerd om het volk “die Fastenzeit leichter auf zu bürden.” (43)

D.R.Moser komt tot dezelfde conclusie: hij schrijft “es fehlen stichhaltige Gründe für eine autogene Entstehung dieser Festzeit (hij doelt hier op carnaval) zumal als Reaktion auf ein nachfolgendes Ereignis”.(44) De Paasviering kan men duiden – behalve uiteraard vanuit de vreugde over de verrijzenis des Heren – vanuit de blijdschap dat de vasten doorstaan is, de carnavalsviering niet als een anticipatie erop. De keten van oorzaak en gevolg kan geen andere zijn dan uitbundig feesten, omdat het voorbije jaar goed is afgesloten en de vruchtbaarheid brengende zon de winter definitief heeft verjaagd. Als reactie op deze festiviteiten volgt dan de vasten. Met de hem eigen scherpte zegt D.R.Moser, die ik bepaald niet met instemming citeer, “die Erfahrung dieser Perversion (carnaval dus) provoziert der Willen zur Umkehr, mithin die ‘Metanoia’, die demonstrative Hinwendung, zu einem neuen Leben aus dem Geist Gottes.”(45)

Burke geeft ons in zijn prachtige boek Helden, Schurken und Narren bovendien nog het volgende te overdenken: de carnaval vormde niet alleen en zelfs niet in hoofdzaak een grote tegenstelling met de vasten, maar veeleer met het normale alledaagse leven. Door de vasten werd het contrast alleen nog extra aangescherpt. De carnavalsdagen staan eerst en vooral in contrast tot de andere 360 a 362 dagen van het jaar.(46)

Het ‘afschaffen’ van de vasten is overigens niet zonder betekenis en risico voor de toekomst van de carnaval. Het feest dreigt daardoor zijn verankering in de tijd te verliezen en daardoor de oude volkswijsheid te negeren die luidt: “Mann soll die Feste feiern wie sie fallen”. Inderdaad in België ziet men al carnavalsoptochten trekken van Driekoningen tot Tweede Paasdag. Een toch waarlijk niet geringe autoriteit als La Barthe schreef in zijn Grote Feestenboek : “Er geldt immers een absolute regel: het carnavalsfeest dient plaats te vinden tijdens de veertig vastendagen tot en met Paasmaandag”. (47) Dit terwille van de toeristische promotie verlengde seizoen leidt onherroepelijk tot een ‘verdunning’ en te vergaande ‘aanlenging’ van het feestgebeuren. Dat kan niet want ook voor feesten geldt het gezegde: “lekker is maar één vinger lang”.

Samenvatting en conclusies
Men kan moeilijk anders dan concluderen dat de carnaval, zoals alle grote feesten trouwens, diep religieuze wortels heeft.

Het is duidelijk dat in de eerste helft van het millennium dat thans ten einde loopt, het christendom er sterk meegeworsteld heeft en gepoogd het een plaats te geven in de liturgie. Reformatie en later ook Contrareformatie deden er alles aan het feest te onderdrukken, goeddeels met succes. Aan de socio-religieuze fronten kwam het feest echter terug aan de katholieke zijde van het front, als een soort waarmerk van de katholieke levensstijl (het overwegend protestantse Basel is een goede uitzondering op de regel).(48)

Het herstel begon in Keulen in 1823, maar de carnaval is in Nederland pas na de Tweede Wereldoorlog aan een opmerkelijke opmars begonnen. Waarom? Om warmte te brengen in een te koele samenleving? Omdat dit volksfeest toch een ‘sociologische meerwaarde’ in zich bergt boven individuele party’s? Omdat het equilibreren op het smalle grenspad tussen deugd en ondeugd – zo schreef pastoor Poels in zijn verdediging van vastenavond – als betekenisvol wordt ervaren?

De diepe motieven waarom dit feest duizenden jaren heeft overleefd zullen nooit geheel (kunnen) worden onthuld; wellicht overleefd het juist om die reden.

Noten
1. Moser, D.R., “Fastnacht und Fastnachtspiel” in: Nürenberger Forschungen Neurenberg, 1976.
Moser, D.R., “Narren, Prinzen, Jesuïten” in: Zeit-schrift för Volkskunde. Stuttgart, 77 (1981), dl. 2.
Moser, H., “Zur Problematik und Methodik neuester Fastnachtforschung”, in: Zeitschrift für Volkskunde 80 (1984), dl. 1.
Moser, H., “Kritisches zur neuen hypothesen der Fastnachtforschung in: Jahrbuch för Volkskunde. Uürzburg, 1982, 6.
Moser, D. R., “Perikopenforschung und Volkskunde” in Jahrbuch für Volkskunde 1983, 6.
Schiendler, N., e.a., Karneval, Kirche und die verkehrte welt”, in Jahrbuch fur Volkskunde 1984,7. Moser, D.R., Fastnacht-Fasching-Karneval. Graz, 1986.
2. Moser, Fastnacht-Fashing, 42.
3. Fransen, Th., Carnaval ontmaskerd? Maasbree, 1981. Fransen, Th. en Gommans, G., Alaaf, Carnaval in Nederland en België. Utrecht, 1984.
Frazer, G., The Golden Bough. Londen, 1955(3).
4. Beek, M.A., “De plaatsvervangende koning”, in: Supplements to fetus testamentum. Leiden, 1966.
5. Weidkuhn, P., “Festivals and Carnivals” in: Cultures, 1976, III, dl. 1.
6. Heers, J., Fêtes des Fous et Carnaval. Fayard, 1983.
7. Frazer, G., The Golden Bough, dl. II en IX.
8. Fransen, Th. en Gommans, G., Alaaf.
9. Fortman, H., Hoogtijd. Bilthoven, 1970, 29.
10. Frazer, G., The Golden Bough, dl. VI, 412-423.
11. Sierksma, F., Tibet’s terrifying Deities. Sex and agression in religious acculturation. Den Haag, 1966.
12. Volksleben. Untersuchungen des Ludvig Uhland Insti-tutes der Universitat Tübbingen,band 6: “Fast-nacht”, 1964, b) band 11: “Der Nürnberger Schembartlauf”, 1965, £.) band 12: “Dörfliche Fasnacht zwischen Neckar und Bodesee”, 1966, d) band 51: “Masken zwischen Ernst und Spiel”, 1967, dl. XVIII. e) band 51: “Narren freiheit”, 1980.
13. Volksleben, band 6: “Fastnacht”, 25.
14. Moser, D.R., Fastnacht-Fasching-Karneval.
15. Thalmann, R. en Hofer, Fr., Das Jahr der Schweiz in Pest und Brauch. München, 1981.
16. Moser, D.R., Fastnacht-Fasching-Karneval, 33.
17. Ibidem.
Moser, D.R., in: Zeitschrift für Volkskunde, jrg 77.
18. PLeij, H., Het gilde van de Blauwe Schuit. Amsterdam, 1979.
19. Ibidem.
20. Fransen, Th., Carnaval ontmaskerd?, 25.
21. Fransen, Th., Ventilsitten. Nijmegen, 1956. (kandi-daatsscriptie)
22. Fransen, Th., Carnaval ontmaskerd?, 26.
23. Pleij, H., Het gilde van de Blauwe Schuit.
24. Ibidem.
25. Kohier, E., Martin Luther und der Festbrauch. Keulen, 1959.
26. Linker, K., Stadt unter der Schellenkappe. Frank-furt, 1977, 30.
27. Scribner, B., in: Volkskultur: Zur Viederentdeckung des vergessenen Alltags.
(16.-20. Jahrhundert) R. van Dülmen (ed.) Frankfurt, 1984.
28. Martin, A. von De spanning tussen Orde en Vrijheid. Utrecht, 1962.
29. Fransen, Th., Carnaval, een poging tot een ethisch positieve beoordeling. Nijmegen, 1960. (doctoraal scriptie)
30. Ter Gouw, J., Volksvermaken, s.1., s.a., 187.
31. Rogier, L.J., Geschiedenis van het katholicisme in Noord-Nederland in de zestiende en zeventiende eeuw., s.1., s.a. dl.2, 785.
32. Volksleben, band 6: “Fastnacht”, 32.
33. Moser, D.R., in: Jahrbuch für Volkskunde, V, 25.
34. Ibidem, 26.
35. Moser, D.R., “Fastnacht” in: Hans Sachs.
Moser, D.R., Fastnacht-Fasching-Karneval.
36. Moser, D.R. (red), Kulturgeschichtliche Forschun-gen,in drie delen uitgegeven, Remscheid 1983-1986.
37. Moser, H., in: Volkscultuur, 1986, dl. I.
38.Vermeulen, A., Jan de Leenheer O.E.S.A.: Moralisator en Humanist. Venlo, 1964, 106-108.
39. Burke,P., Helden, Schurken und Narren. Europaische Volkskultur in der frühen Neuzeit, Stuttgart, 1981.
40. Heers, J., Fêtes des Fous, 298-299.
41. Varagnac, A., Civilization traditionelle et genres de vie. Parijs, 1948, 364.
42. Fransen, Th., Carnaval in Limburg, een sociologische benadering. Nijmegen, 1960.
43. Moser, D.R., in: Zeitschrift für Volkskunde (1977), 170.
44. Ibidem,190.
45. Moser, D.R., Fasnacht-Fasching-Karneval,340.
46. Burke, P., Helden, Schurken und Narren.
47. La Barthe, H. en Renoy, J., Het Grote Feestenboek, folklore in België. Zaventem, 1980.
48. Fransen, Th., “Carnaval bezien door een sociaalwetenschappelijke bril” in: Carnaval niet van gisteren. Den Bosch, 1980.

Th. Fransen

Met welwillende toestemming van de schrijver over wie het volgende valt te vermelden:

Carnavalistisch Curriculum Vitae
Geboren in Vortum-Mullem 24-09-1933
Daar vinden sinds 1739 aantoonbaar ononderbroken op carnavalsmaandag de metworstrennen plaats en werd al in 1888 een vastenavondvereniging opgericht; ik stam dus uit een narrennest

Opleiding
Mulo Diploma   1950
HBS Diploma  1953
Mil Dienst 26/11/53- 17/06/54
Werken  tijdens studie Sociologie/Etnologie
Kandidaatsexamen:: Ventilsitten. Een analytisch- sociaalpsychologische benadering (1956)
Doctoraalscriptie ethiek: Carnaval. Poging tot een ethisch  positieve benadering (1959)
Idem emp. Sociologie:  Carnaval in Limburg.  Een  sociologische benadering (1960) .  Gebaseerd op 120 interviews van Gennep tot Vaals; initiatief Culturele Raad Limburg ( Jo Hanssen)
Kandidaatsexamen:  16/07/57
Doctoraal examen: 30/06/60

Arbeidsverleden
Kaski Den Haag:   1960-1963
Gemeente Venlo:  1963 -1995 (hoofd afd. Onderzoek en beleidsplanning)

Betrokkenheid bij  carnaval en volkscultuur
Doctor Humoris Causa Brugge                                                                   1965
Ere-bestuurslid BCL/adviseur ed. (Bond carnavalsver. Limburg)  1973
Bestuurslid carnavals Museum Limburg te  Venlo. vanaf                 1974
“Student” NUL (Narren Univ Limburg) Maastricht  sinds                 1975
Namens BCL  jaarlijks betrokken  bij bijeenkomsten NEG sinds    1976                            Mede-organisator van de  meerdaagse  NEG bijeenkomsten in
Venlo (1977), Venlo (1985), Den Bosch (1991)                                                                               Ridder (Narrenbroederschap)  Het Gulden Vlies Brugge                 1985
Doctor Humoris Causa Dülken                                                                  1985
Initiatiefnemer en redacteur van  het jaarlijkse Duitstalige                                     bulletin van de  NEG  van                                                                            1995/ 2012
Lid Hoofdbestuur NEG van                                                                         2001/2012
Grootkanselier  der Kanselarij Nederland  Gulden Vlies                  2003/2007
Eregrootkanselier  sinds                                                                              2008
Erelid NEG  sinds                                                                                           2012
Hoge persoonlijke  carnavalsonderscheidingen in binnen-  en buitenland
Orde van de Bronsgroene Leeuw  Liveke Belgisch Limburg           1986
Oorkonde  Vriend van de Blauw Sjuut                                                   1990
Commandeur Goud bij Jocus                                                                     1995
Verdienstorden   van de NEG                                                                     1995
in combinatie met  bondsonderscheiding  BCL                                   1995
Orde van Verdienste van  de BCL                                                             1997
Erelid BCL                                                                                                       2012
Tal van hoge onderscheidingen:  BDK (Dld) Hefari (Zw)  en FCF (Fr)

Boeken over carnaval
Carnaval Ontmaskerd     Maasbree 1981
Alaaf Carnaval in Nederland en België   Spectrum Utrecht  1984
Gekke Maondaag  Binneste boete  Velden 2008                                                                       Hèt carnavalsboek Van Lentefeest  tot Festival  2014
Bijdragen in diverse binnen- en buitenlandse boeken en tijdschriften en artikelen in kranten, waaronder een artikel gebaseerd op bijna 600 diepte interviews in Venlo  in 1975 ( gepubliceerd in Rheinisches Jahrbuch  für Volkskunde jrg 23  1978)

 -Voordrachten bij ( inter)nationale symposia:  Venlo 1971, Den Bosch 1981 ( tevens organisator ), Nice  1984, Venlo 1985, Venetië 1994, Mainz 1997, Endingen 2007
. Gastcolleges voor de Universiteiten van Mainz, Tilburg en Maastricht
. Spreekbeurten op initiatief van de NEG  in diverse Duitse steden ( Fulda, Nidda, Darmstadt en Speyer)
. Idem bgv bijzondere jubilea van  gereputeerde carnavalsverenigingen  in binnen- en buitenland van Kiel tot Zürich
. Vele tientallen voordrachten voor o.a.   heemkunde kringen, volksuni-versiteiten en Volkshochschulen, service clubs  enz
. Talrijke interviews voor landelijke en regionale bladen en omroepen (radio en  TV ) in binnen en buitenland

 Vele tientallen recensies van carnavalsboeken

 Grote carnavalsreizen
Reis  naar Mardi Gras  in New Orleans  1988( 12/2- 29/2)
Reis naar Carnaval in Recife en  Rio 1995  ( 23/2 – 7/3)

Onderscheidingen buiten de carnaval
Ridder Oranje Nassau.                                                          Venlo 17-10-95
Bundes Verdienst Kreuz am Bande                                   Den Haag 27-08-97
reden:  jarenlange intensieve  betrokkenheid bij de  Euregio Rijn  Maas Noord, maar tevens  van wege rol bij grensoverschrijdende samen werking tussen Volksuniversiteiten in Limburg  en de Duitse grensstreek  

 Bij  de toekenning van beide onderscheidingen werd de internationale  bestuurlijke en wetenschappelijke betrokkenheid bij carnaval in de laudatio gememoreerd; de president van de NEG  (Ph Becker uit Mainz ) was in Den Haag bij de uitreiking door de Duitse Ambassadeur aanwezig.
Prof. Dr.S.R. STEINMETZ –penning, verleend  door de Bond van   Nederlandse Volksuniversiteiten                                                               Venlo  26-10-2000
reden:  med- oprichter VU Venlo 1972 en bestuurslid tot 2000; daarvoor vanaf 1967  lid van het bestuur van het Gerlach-instituut en docent; lid van het bestuur van de Limburgse VU en van de NVN ( = samenwerking Maatsch. tot Nut van ’t Algemeen, de Volksuniversiteiten en het Nivon in Limburg ) en namens deze lid van het Hoofdbestuur van de BNVU : Den Haag; Grensoverschrijdend overleg Limburgse VU en die in Duitse  grensstreek

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

1223-1142

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis – verhaal (14-3)

.
Vanaf 6 jr. Voorleestijd 5 min.

Naar een Duits verhaal van Christel Sprengel
.

De heilige nacht

Het gebeurde eens, lang geleden, dat door een grote stad een vrouw liep. Je kon zien aan haar gang dat ze zó moe was; zij sleepte zich voort, klopte aan iedere deur aan en klaagde:
‘O,  bittere nood, mijn kind klopt aan,
Heeft geen plaats voor een beddeke staan.

Maar de deuren bleven gesloten.
Toen verzuchtte de vrouw: “De mensen horen mij niet, misschien verstaan de dieren mij wel”.

En zo verliet zij de stad. ’t Werd donker en een voor een pinkten de sterren tevoorschijn. ’t Was koud, ijs en sneeuw lagen over de velden. De vrouw wandelde vermoeid voort tot zij kwam bij een stal, die een­zaam en verlaten stond, geen boerderij was in de omtrek te bekennen.
En toch was er leven in die stal; een os en een ezel woonden daar samen en leefden tevreden met elkaar.
Ook daar klopte de vrouw aan en begon weer:

‘O,  bittere nood, mijn kind klopt aan.
Heeft geen plaats voor een beddeke staan’.

Maar het was of de wind haar woorden meenam. Toch hoorden de dieren haar en de deur werd voor haar geopend, en zij lieten haar binnen en verwarmden haar verstijfde leden met hun warme adem.

Het was in diezelfde tijd dat een broertje en een zusje in een klein kamertje bijeen zaten en wachtten op hun moeder die maar niet thuis kwam. Ze was die morgen al vroeg weggegaan naar haar werk.

’t Werd al donkerder en donkerder en het meisje begon te huilen.
‘Wees nu maar stil,’ troostte het broertje,  ‘als moeder komt zal zij de
kerstkaarsen aansteken’.                                       .

En zo spraken zij erover hoe dat zou zijn als een voor een de lichtjes aan gloeiden en alles in de kamer anders zou worden. Eindelijk kwam de moeder thuis, maar zij stak alleen de lamp aan en deed alsof het een gewone avond was.
Toen vroeg het meisje: “Moeder, steek je de kaarsen niet aan ?” en het jongetje drong aan: “Het is toch kerstnacht”.

Boze, harde woorden kwamen uit de mond van de moeder: “Heilige Nacht ? Dat was eens, lang geleden, als er ooit een heilige nacht geweest is! Er is geen liefde meer op aarde, wij hebben geen geld om kerstfeest te vieren”.

En met deze woorden zette ze het karig maal op tafel. Daarna zijn ze alle drie stilletjes naar bed gegaan.

De moeder sliep al gauw in, maar de twee kinderen bleven wakker. ‘t Was of ze op iets lagen te wachten, zou er dan toch nog iets gebeuren? Luister, daar werd op het raam getikt en toen ze samen naar buiten keken, zagen ze de os en de ezel staan en hoorden hen roepen;
“Er is iets in de stal geschied,
Komt, komt en ziet.”

Toen ze dat hoorden glipten ze stilletjes hun bed uit. In hun haast vergaten zij zich aan te kleden en op hun tenen om hun moeder niet te wekken, slopen ze in hun hemdje de straat op. Os en ezel namen hen op hun warme rug en liepen de slapende stad uit tot ze bij het bos kwamen. Nogmaals riepen os en ezel:

‘Er is iets in de stal geschied
Komt, komt en ziet.”

Daar kwamen uit alle hoeken en gaten alle dieren tevoorschijn, wilde en tamme tezamen.

Wat liep, kroop en vloog kwam achter os en ezel aan die met de kin­deren op de rug de weg wezen.

Eindelijk na een lange tocht door het bos en over het veld stonden ze stil bij de stal waar os en ezel hun woning hadden.

Toen riepen ze voor de laatste maal:

‘Er is iets in de stal geschied
Komt, komt en ziet.’

De sterren glansden nog helderder alsof de hemel zijn ogen opsloeg. Allen verdrongen zich in de stal om te zien wat daar wel gebeurd was. Zij zagen een vrouw met een kindje dat deze nacht geboren was. Lieflijk lag het daar in het hooi, maar het had niets aan, de moeder had geen doeken om het in te winden.

Het broertje en zusje zagen dat en trokken hun hemdjes uit en gaven het aan de moeder voor haar kind.

Zij merkten niet dat zij nu net zo bloot waren als het kindje; ze keken toe hoe licht het werd in de stal en hoe hoog.
Zij zagen engelen afdalen, deze zongen en wiegden het kind. De vrouw zag er in de glans van het licht als een koningin uit. Liefderijk boog zij zich over de kinderen, streelde de dieren en ver­gat er geen een!

Toen brachten os en ezel het broertje en zusje weer naar huis.
Hoe verbaasd was de moeder toen zij haar slapende kinderen de
volgende morgen zag.                                                                                  !,

Ze hadden beiden een nieuw hemdje aan van zijde dat je nergens op
aarde zult vinden.

Kerstverhalenalle

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis                         jaartafel

.
.
1220-1140

..

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (33)

Hoewel het vieren van jaarfeesten een onderdeel is van wat op de vrijeschool gebeurt, geeft Steiner er in zijn pedagogische voordrachten geen aanwijzingen voor. Dat er over de jaarfeesten op deze blog van alles is te vinden, betekent niet dat alle achtergronden die hier worden gegeven voor iedere school in gelijke mate gelden. Bovendien is ‘school’ in dit opzicht te abstract. Het gaat om de mensen die er vorm aan geven. Omdat het bij de achtergronden om  religieuze, spirituele of godsdienstige inhoud gaat, ligt het voor de hand dat iedere individuele leerkracht daarmee een bepaalde verbinding heeft – van een oppervlakkige tot een diepe.
De achtergronden die hier worden gegeven, zijn dus meer bedoeld om de sfeer te schetsen waaruit de concrete vorm van een jaarfeest is voortgekomen.
Een artikel over Kerst, geschreven vanuit antroposofische gezichtspunten.
.

De plaats van Kerstmis in de gang van het jaar:

Als we op weg gaan naar het hoogtepunt van het winterseizoen, dat we met sneeuw en ijs, met vorst en heldere lucht tegemoet zien, gaat de aarde kort daarvoor door een merkwaardige sfeer van een melancholische stemming. Het in de zomer vol levenslust opgebouwde leven, dat de hemel en de sterrenhemel tegemoet werd gedragen, zinkt terug, valt weg.  De val van de bladeren, de grijze hemel, het late gloren van de dag en het snel weer avond worden, hebben een soms bedrukkende invloed op het gemoed van de mens. Het lijkt wel of de afstervende natuur de mens mee wil trekken in de afgrond van de jaarlijks terugkerende dood.
Is het echter eenmaal echt winter, dan verdwijnt dat treurige gevoel al snel. De merkwaardig nuchtere helderheid van een zonnige winterdag reinigt het innerlijk van de mens en de duisternis verdwijnt uit zijn gemoed en verheldert de zelfstandige denkende activiteit van de mens. De mens heeft zich tot een winterse denker omgevormd. De dood in de natuur is de tegenspeler van het menselijke zelfbewustzijn. Alle twee: de neergang buiten en het opstaan in het innerlijk zijn op een raadselachtige manier met elkaar verbonden. Als mens zijn we verbonden met de werkingen in de natuur, maar juist in de winter wordt dit gebonden zijn op een bepaalde manier vrij gemaakt: natuur en mens zijn gescheiden van elkaar, maar tegelijk is er ook sprake van een open zijn voor elkaar. Kunnen we hier iets verder in doordringen, in dat winterraadsel van het enerzijds verbonden zijn en het anderzijds tegenover elkaar staan?

De aarde heeft een kosmische voorgeschiedenis. Zij is het product van een tweevoudige scheiding en haar substantie het resultaat van een dubbele loutering. Want wanneer de aarde altijd met de zon verbonden zou zijn gebleven, dan had ze nooit aarde kunnen worden. In de kosmisch vlammende gloed van de zon had ze niet de rust en ook niet de gestalte-kracht kunnen vinden, die nodig was als grondslag voor het tot stof worden van de mens en de natuurrijken. Dan zou die gestalte-kracht in de zon zijn verbrand. Het was nodig dat de aarde zich bevrijdde van het vuurproces van de zon, dat in oude tijden het “sulfur-proces” werd genoemd. Wat er in het belang van de totale kosmos ontwikkeld moest worden, kon slechts in het trage tempo van de aardegeschiedenis rijp worden. Die rijping had behoefte aan de tragere tijdmaat van de aarde tegenover de kosmisch brandende snelheid van de zon.

Maar de aarde moest zich ook afscheiden van de maan. Was de aarde met de maan verbonden gebleven, dan had ze het aarde-worden niet kunnen bereiken. Met de verstarrende kou van de maan verenigd, zou er teveel verharding zijn opgetreden, alvorens het leven zich bewegend en plastisch had kunnen ontwikkelen. Wat er aan leven zou zijn ontstaan, zou direct verhout zijn, en de bloesem zou in de knop verdroogd zijn. Om niet te vervallen tot stilstand en de rust van de dood, moest de verstarrende, verhoutende kracht van de aarde losgemaakt worden. Door de afscheiding van de maan, werd het verstarrende losgelaten.

De aarde ontwikkelde het eigenaardige en moeilijk te beschrijven midden tussen verbranden en verhouten(verharden), een wonderlijke toestand tussen kosmische snelheid en dodelijke verstarring. In oude tijden werd deze toestand “mercurius-proces” genoemd. Het pendelen tussen zon en maan is een als maar doorgaand proces, een gebeuren, wat we terugzien in het RITME. De aarde is eigenlijk onzichtbaar; het is een bovenzinnelijk wezen. Alleen dat aan haar is echt aarde, wat door het loskomen van de zon en de maan, in de invloed is gekomen van het pendelende mercurius karakter.

Dit mercuriale ritme ligt ook ten grondslag aan het jaarverloop. In de zomer wordt de aarde door een “sulfur-tendens” gegrepen. In de zomer bestaat voor de aarde altijd het gevaar van de verbranding. In de winter werkt de verhoutings(verhardings)tendens van de maan en is er altijd weer het gevaar van de verstarring.

Maar de aarde is niet alleen in het tijdsverloop tussen zomer en winter een pendelende mercurius. Ook ruimtelijk is ze, als geheel, Mercurius. Wat we op een bepaalde plaats, bijvoorbeeld onze woonplaats, als seizoen-loop beleven, is op de hele aarde ruimtelijk tegenwoordig. Zomer en winter zijn tegelijkertijd aanwezig, doordat ze op het noordelijk en het zuidelijk halfrond tegenover elkaar staan. Dus de vier seizoenen zijn op de aarde als geheel voortdurend gelijktijdig aanwezig. Rondom de evenaar is het eigenlijk eeuwig zomer. Hier is het gevaar van verbranding het grootst. Bij de Noord-en Zuidpool is het eeuwig winter en daar is het gevaar van de verstarring het grootst. Het Mercurius-karakter van de aarde is dus duidelijk aanwezig.

De Mercurius-Aarde, de onzichtbaar actieve aarde werkt het intensiefst aan de oppervlakte van de aarde. In de grenslagen van atmosfeer, hydrosfeer en aardkorst wordt het mercurius-karakter heel duidelijk. In de lente stijgt iets elementairs, iets geestelijks op in de “luchtmantel” van de aarde en streeft met een zeker heimwee naar de sterren. En het licht van de sterren en van de zon komt (met haar kosmische kracht) de aarde nooit zo sterk tegemoet dan in de zomer. De uitwisseling tussen kosmos en aarde is dan op zijn hoogtepunt. Wanneer dan de aarde in de winter onder de invloed komt van de verstarrende krachten van de maan komt het mercuriale tot rust.

In de sneeuw zien we de mercuriale tendens tot bolvorming terug, die op elke ondergrond plastische rondingen vormt. Kijk je naar de aarde als geheel, dan verschijnt het als een druppel, als sfeer in het wereldal. De in de winter door de rusttendens van de maan aangegrepen Mercurius toont zich als kogelvormig, als bol. Terwijl in de zomer de processen van verbranden en verstarren elkaar doordringen, gaan ze in de winter uiteen. In de winter krijgen deze processen hun fysiognomische uitdrukking. Zou de zon in de zomer de waterige
mercurius-bol steil van boven treffen, dan zou die meteen verdampen. De zon zou, wat zich in de winter bolvormig tot ronding maakt, oplossen en er zou een vlak ontstaan. Maar dat gebeurt niet. In de winter is de zon machteloos geworden. De zwavel(sulfur)werkingen laten zich (net zoals Mercurius) fysiognomisch zien. Het zwavelproces van de winter bereikt de aarde-zoals de zomerzon in het gebied van de polen- tangentiaal, d.w.z als een raaklijn. We bewonderen in deze tijd graag de bijna vlak, plat, horizontaal invallende winterzon, die door onze kamer kan gaan en haar fysiognomische lichtkring op de tegenoverliggende wand schildert. Maar ook het verhoutings(verhardings)proces wordt fysiognomisch in de winter: de wereld van planten, bomen en struiken verschijnt met ontbladerde takken in de wereld. En de uitdrukking daarvan is verstarring en dood. Je kunt je moeilijk voorstellen dat daaruit zich nieuw leven kan ontwikkelen.

De hoop, dat de aarde weer vrij kan worden van de dood van de winter, is terecht, omdat we weten dat de zon langzaam maar zeker weer meer invloed krijgt. Na het hoogtepunt van de winter,  verandert de lichtinval en vanuit het horizontale groeit de vertikale lichtinval. Maar op welke grond komt de stijgende zon aan? Hoe kan de zon het in de winter verharde “maanleven” in een dragend “aardeleven” veranderen?

De kiemkracht van de winterlijke aarde-grond ontstaat uit de kracht van het zout. Terwijl de maanresten in de aarde leiden tot verharding en verhouting, vormt de aarde zelf het ZOUT.  In het zout gaat de verhardingstendens niet in de richting van het maanachtige verhouten, maar in de aardse kristalvorming. Zoutkristallen zijn de harde vorm van de aarde, verhouting en verharding hoort bij de maan. En de in het zout sluimerende kiemkracht laat zich zien in de mogelijkheid van het zout om op te lossen. Wil je hout verlossen uit de verharding, dan moet je het verbranden, waardoor het hout via de omweg van de as en de oplossing daarvan weer in de mercurius-kringloop wordt teruggebracht. Zout echter is aan de ene kant aarde-vast, maar ook bereid zich op te lossen in het mercuriale water en daardoor de aarde weer te verbinden met de kringloop van het leven. Dat noemde men in oude tijden het “zout-proces”. Hiervandaan komt het “huwelijk”tussen de zwavelige zuren en de maanachtige basen, tussen lichte zonnekracht en donkere maangrond. En in dit huwelijk komen alle twee de polen tot zoutvormende aarde-rust.

Toch zou de wassende zon uit de aarde geen nieuw leven kunnen wekken, als het nieuwe leven niet in de aarde zou sluimeren, als niet al levenskiemen in de aarde op de kosmische warmte zouden wachten. Maar hoe komen deze levenskiemen in de vaste en verstarde aarde-grond?

Alle wezens op aarde zijn op een of andere manier deel van het mercurius karakter van de aarde. Zo ook het leven en dan met name de plantenwereld. In het mercuriale midden van het blad neemt ze het verbrandingsproces van de zon op in de bloesems en de verhoutingskracht van de maan in de wortels. Maar waar het op aankomt is de mercuriale activiteit van het blad, die alles doordringt, zowel bloesem als wortel. Het is echt een heel goed maatje voor de aarde bij het vervullen van de Mercurius-missie. Net zoals de aarde, maakt ook het blad heel duidelijk zichtbaar de gang door de seizoenen. Als de plant in de zomer bloeit, nadert ze de zon en ontwikkelt haar “zwavel”-organen: bloesem en vrucht. Gaat ze samen met de aarde de winter in dan reduceert ze zichzelf tot het kiemende leven in wortel, hout en zaad tijdens de verstarring van de wintertijd. Het Mercuriuswezen is innig verbonden met de aarde. Dat zie je bijvoorbeeld terug in de opeenvolging van de seizoenen. Ze zijn innig met elkaar verbonden. Kijk je bijvoorbeeld naar eenjarige planten dan is het echt niet zo, dat ze alleen tot dit jaar behoren. Ze komen voort uit een kracht, uit een kiem van het voorafgaande jaar. Als de plant in de zomer tot bloei komt, leeft ze in het nu. De zon die schijnt, wekt de bloei, waarin de “zwavel”-brand begint. Maar het verloopt op een milde manier, die bij de aarde hoort. Want elke bloei(bloesem) is een gebeuren van verbranding, maar wel een gebeuren dat bij de aarde hoort. En zoals uit het minerale(aardse) vuur de imponderabilien van warmte en licht zonder vorm in de wereld bevrijd worden, terwijl minerale as op de bodem valt, zo bevrijden zich uit de levendige verbranding van de plantenwereld in het bloeien de elementengeesten in de wereld, om het wezen van de aarde mee te delen. Maar ook daar valt as op de bodem: de stof die vrij komt uit de bloesem en vooral het vrijkomende zaad. Novalis, die de onorganische verbranding van de plant begrijpelijk wilde maken zei:”Alle as is stuifmeel en de kelk is de hemel”. Met het zaad ontwikkelt de plant zijn eigen toekomst en ook de toekomst van de aarde. Zo staat de plant als bemiddelende Mercurius tussen de tijden: in haar zaad ligt de toekomst al opgesloten; wortel, uitloping en stengel stammen uit het voorbije jaar; in het blad komen het verleden en de toekomst bij elkaar. En de bloesem(bloei) is louter NU,  het vergankelijke ogenblik. Opdat de aarde in het nieuwe jaar toekomst heeft, liggen in haar de asresten van het planten-vuur als zaad en dat wacht op de stijgende zon, die wekkend zal optreden in een nieuwe levenscyclus.

Ook de mens is een Mercurius-wezen. In zijn hoofd is de winterse verhardingskracht en in zijn stofwisseling is oplossing en verbranding actief en deze twee uitersten worden door de ritmische (mercurius)organisatie in evenwicht gehouden. In de gezonde mens moet het nooit eenzijdig zomer of winter worden. Ontstaan zomer (of winter) toch, dan moet dat direct weer worden opgeheven. Voor de mens geldt: “De winteractiviteit roept de zomeractiviteit op, de zomeractiviteit de winteractiviteit.” Deze evenwichtstoestand wordt bewerkstelligd door Mercurius en daardoor is Mercurius zowel ruimtelijk als wat betreft de tijd in de mens aanwezig. Zijn pendelbewegingen zijn impliciet, intensief werkzaam; bij de gezonde mens komen ze nooit extensief te voorschijn. Zou de zomer met de verbrandingskracht geisoleerd in de mens actief worden, dan zou ziekte het gevolg zijn. Alle ontstekingen hebben te maken met eenzijdige zomer-zwavel activiteit. Sclerose-ziekten ontstaan door geisoleerde, ziekmakende winteractiviteit. De mens draagt dus de kosmische verhoudingen in zich. De maan als “maatje” van de aarde, die het zonlicht spiegelt, komt ons in onze hersenen microkosmisch tegemoet. Zonder die spiegelfunctie van de hersenen zouden we niet het voorwerp-aardebewustzijn hebben. We zouden dan niet de nuchtere, wereld spiegelende winterse denkers zijn. Maar de maan liet in oude tijden bij zijn uittreding uit de aarde het winterse maanleven achter in de aardkorst. Zo draagt ook de mens in het vrouwelijke organisme de maanachtige baringskrachten in zich. Maand na maand wachten ze op de bevruchting en daardoor de omvorming van maanachtig leven in kiemend aarde-leven. Elk mensenkind dat op aarde ontvangen wordt, daalt als bode van de zon in de “maangrond” van de moederlijke schoot.

Kerstmis, de geboorte van Jezus, voltrekt zich op het hoogtepunt van de aarde-winter. Kijk je terug op de jaarcycli die je in je leven mag doorlopen, dan lijkt het erop alsof elke lente de kracht heeft om de verstarring van de winter geheel en al op te lossen. Kijk je echter naar de geschiedenis van de aarde en de geschiedenis van de mensheid, die daar zo innig mee verbonden is, dan zien we dat de kracht van de winter steeds groter wordt. Het lijkt erop alsof de aarde haar jeugd achter zich gelaten heeft en binnen is getreden in de fase van de ouderdom. De aarde kan de mens niets meer geven van de eens zo levend aanwezige overschotskrachten. De winterse doodsstemming op de ons omgevende aarde-lichamen (de dingen) wordt als maar groter. Maar tegelijkertijd is de maanachtige spiegelkracht van het menselijk bewustzijn en de intellectuele helderheid toegenomen. Daardoor is het ziele-leven van de mens in de moderne tijd steeds meer in een maanachtig geesteslicht gekomen: kil en koud.  Maar ook dit bewustzijn wacht op de bevruchting. De maanachtige intelligentie is de voorwaarde voor de winterse overwinning van de zon in de geestwereld. Maar bevruchting is van node.

De aartsengel, die Maria de komst van de Zonne-held verkondigt, door wie de doof geworden maankwaliteit van de aarde voor de toekomst bevrucht moest worden, is ook een voorbereider en boodschapper van een “geest-bevruchting” van het menselijk bewustzijn. Gabriél (de aartsengel die zo sterk verbonden is met de maan), heeft zich door alle tijden heen verbonden met de erfelijkheid in het menselijk bestaan. Daarbij was de aartsengel actief in het barende maanleven.

Maar nu gaat het om het volgende (Wintersonnenwende in Wahrspruchworte)

DIE SONNE SCHAUE
UM MITTERNÄCHTIGE STUNDE.
MIT STEINEN BAUE
IM LEBLOSEN GRUNDE.

SO FINDE IM NIEDERGANG
UND IN DES TODES NACHT
DER SCHÖPFUNG NEUEN ANFANG
DES MORGENS JUNGE MACHT.

DIE HÖHEN LASS OFFENBAREN
DER GÖTTER EWIGES WORT;
DIE TIEFEN SOLLEN BEWAHREN
DEN FRIEDEVOLLEN HORT.

IM DUNKEL LEBEND
ERSCHAFFE EINE SONNE.
IM STOFFE WEBEND
ERKENNE GEISTESWONNE.

RUDOLF STEINER

Klaus Dumke, Die Drei, december 1991.
Vertaling Wim Maas.

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstmis

1219-1139

.

.

 

 

VRIJESCHOOL -Jaarfeesten – Sint-Nicolaas (1-2)

.

Hier verscheen de inleiding van het boek ‘Nikola de barmhartige, van A.Remizov.
Ook vind je hier meer sinterklaasverhalen.

Ook op deze blog verscheen het en ook hier staan sinterklaasverhalen en achtergronden, ook over Zwarte Piet.

Uit hetzelfde boek volgt hier:

SINT-NICOLAAS DE WONDERDOENER

Er bestaan geen historische gegevens over Sint-Nicolaas, alleen legenden, maar uit die legenden verrijst voor ons een beeld vol leven, [1] het meest menselijke beeld, dat wij kennen – – de figuur van Nikola.

De oudste icoon 1), die Nikola voorstelt, dateert van de VllIe eeuw. Uit die tijd en uit latere eeuwen zijn veel verhalen over wonderen bewaard gebleven, die een sprookjesachtig karakter dragen. Om in die wonderverhalen geen „fabels” te zien, maar iets levends en in wezen iets echts, moet men óf een kinderlijk gemoed, kinderlijke ogen en oren hebben, die zich nog niet losgerukt hebben van de wereld des geestes, óf nu en dan zijn nuchtere, trotse bewustzijn overwinnen en in de wereld van het kinderlijke onderduiken.

Volgens de volksvoorstelling neemt Sint-Nicolaas de eerste plaats in onder de heiligen, die voor de troon des Heren verschijnen. Voor de mens is hij universeel. Elke andere heilige heeft een bepaalde „specialiteit”: sommigen zijn artsen, anderen helpen in bepaalde omstandigheden of treden als beschermheiligen voor bepaalde ambachten e.d. op.
Nicolaas de Wonderdoener verenigt in zich alles; de mens kan dus onder alle omstandigheden zijn hulp inroepen. Hij staat hoger dan de aartsvaders, de apostelen en profeten, hoger dan de martelaars, zelfs hoger dan de engelen, hij wordt als de gelijke van Onze-Lieve-Vrouw beschouwd: Onze-Lieve-Vrouw is „de hoop van het christelijke volk”, Nikola is „de voorspraak”, de „bemiddelaar” tussen de mensen en Christus. Voor zeer velen is hij „de Nieuwe Verlosser”.

Rusland heeft tegelijk met het Christendom uit Byzantium het geloof in Nikola overgenomen, het beeld van Nikola, het schitterendste, het belangrijkste. In Kiëw, de oudste Russische rijkshoofdstad, was reeds in de eerste eeuwen na de kerstening een beeld van Nicolaas de Wonderdoener beroemd. In het land van Nowgorod verrezen ontelbare kerken, gewijd aan Nikola. Later zien wij hetzelfde in Moskou.

De afwezigheid van gegevens over de afstamming van de heilige en over zijn leven en zijn handelingen betekent nog geenszins, dat zijn bestaan zelf ontkend kan worden. Historische documenten kunnen geen geestelijk centrum scheppen: iemand kan elke dag in de krant, in de rubriek van „gebeurtenissen”, vermeld staan, er kan een berg materiaal over hem opgestapeld worden, maar toch blijft er van die persoon later niets over en zijn naam verdwijnt, zonder enig spoor achter te laten, het is onverschillig of die persoon geleefd heeft of niet. Bovendien moet men bedenken, dat elk verschijnsel van de geestelijke wereld, die haar uiting vindt in de beelden van een sprookje of een legende, haar eigen leven leidt, buiten de geschiedenis en de aardrijkskunde, en geen behoefte heeft aan statistiek of chronologie. Gebeurt het een enkele keer, dat een openbaring van de geestelijke wereld historisch „aangetoond” kan worden, dan verandert dat hoegenaamd niets aan het wezen der zaak.

Volgens de hagiografieën, die onderling veel overeenkomsten vertonen, heeft Sint-Nicolaas in de llle en IVe eeuw (270—341) geleefd, tijdens de regering van keizer Constantijn de Grote. Hij werd geboren in de provincie Lycië, in Klein- Azië. Hij werd priester, later bisschop van Myrae. Hij werd begraven te Pharrao, maar het lijk werd in 1087 naar Bari (Italië) overgebracht.

Het leven van Sint-Nicolaas wordt dus geplaatst in de tijd, toen het Christendom ophield een vervolgde of gedulde godsdienst te zijn, maar officieel erkend werd als de godsdienst des lands. De nieuwe Christelijke wereld voelde al spoedig, te midden van het vele onrecht, dat bleef bestaan, te midden van de onderdrukking door de overheid en de machtigen der Aarde, dat het niet voldoende was Christen te zijn en de naam van Christus telkens te noemen, dat daardoor nog niet veel in het leven der mensen veranderd werd; dat men het Christendom belijden kan, een kruisje dragen, alle rituele voorschriften der kerk in acht nemen en tegelijkertijd hardvochtig zijn, alleen aan zich zelf denken. — Wat echter nodig is, is mededogen, deelneming, belangstelling voor zijn naaste, want het leven op de Aarde is zwaar, het is moeilijk dat leven te leiden, er heerst gevaar, onzekerheid; — er moet iemand zijn, die moed heeft, voor de anderen op te komen, en daarbij niet voor de mensen alleen. De drager van deze menselijkheid, dat ideaal van de mens, werd Sint-Nicolaas — „de Nieuwe Verlosser”, die Christus op de Aarde vervangt, die voor de troon van Christus-de-Rechter voor de mensen opkomt, die de millioenen onbelangrijke levens in bescherming neemt, die met liefde en mededogen vervuld is voor al die mensen, van wie, na hun dood, geen spoor zal overblijven, maar die toch op de Jongste Dag ter verantwoording geroepen zullen worden. Voor al die mensen werd Sint- Nicolaas degene, tot wie zij zich konden wenden, bij wie zij zich over hun lot konden beklagen.

Zo ontstond het beeld van Sint-Nicolaas de Barmhartige, de Stedehouder van Christus, dc voornaamste heilige der Christenheid, de toeverlaat der stervelingen. Dat beeld is in Byzantium ontstaan. Uit Byzantium werd het naar Grieks Italië overgehracht; daarvandaan werd de verering van Sint-Nicolaas verspreid over geheel Italië, Spanje, Frankrijk, Engeland, Nederland en Duitsland. Uit Byzantium kwam die verering naar Rusland. In Rusland werd Sint-Nicolaas het centrum van het godsdienstige leven des volks. Er is in Rusland geen enkele belangrijke stad aan te wijzen, waar geen wonderdoende icoon van hem vereerd wordt. Het meest bekend zijn in Rusland de drie beelden van Sint-Nicolaas: 1. als Nikóla van Mozjájsk, de aartsengel, die het Russische land verzamelt en opbouwt; in één hand houdt hij het zwaard van een aartsengel en in de andere een kreml — een kerkje in een omheining;

sint-nicolaas-icoon-1

2. als Nikóla van Zarajsk, de wonderdoener met de uitgestrekte armen, die aan vleugels doen denken, die met een Evangelie de mensen zegent;

sint-nicolaas-icoon-2

3. als Nikóla van Welikorétsk, een borstbeeld met zegenende handen, een menselijke mens, voor wie niemand bevreesd hoeft te zijn, maar voor wie iedereen zich schaamt voor zijn lelijke daden. [2]

In Rusland werd Nikóla van het begin af aan drie keer per jaar gevierd: de geboorte van Sint-Nicolaas, zijn overlijden en de overbrenging van zijn gebeente naar Bari. In Rusland zongen blinden zijn roem; kinderen verheerlijkten hem op Kerstmis. Het Russische volk heeft over Nikóla sprookjes geschapen, die hun weerga nergens vinden, vol warmte en genade. In Rusland zijn honderden liederen over Nikóla geschapen. Uit Rusland werden het geloof in Nikola en de verering van Nikola naar alle gebieden ten Noorden, Oosten en Zuiden van Moskovië verspreid.

De Revolutie kon het geloof in Nikola niet uitroeien, wel heeft zij er een nieuw, onverwacht element in gebracht. In een gedicht over Iljitsj (d.w.z. Lenin) wordt het volgende verteld:

„Op een donkere nacht trok over het Russische veld Iljitsj samen met Nikóla de Wonderdoener. Wladimir de zoon van Elias (d.w.z. Lenin) was in een ruwe boerenjas gekleed, hij zocht de vrijheid op de Aarde. …”

In de hagiografie van Sint-Nicolaas worden verschillende wonderen beschreven, die de Barmhartige in Rusland verricht heeft en waarvoor hij vereerd wordt. Doch belangrijker en sprekender dan al die officiële wonderen zijn de verhalen, die het volk vertelt. Die verhalen sterkten de Rus, gaven hem moed om te leven, geloof in de mens en in de toekomst. Hoe sterk het geloof van de Rus in Nikola was, toont het volgende geval aan.

Er leefde te Moskou een koopman, die Myslin heette. Hij had een gastronomische winkel en hield zich ook met andere zaken bezig. Hij was groot van gestalte en zijn buik stak als een strijkbout uit zijn lange kaftan. Zijn kort geknipt haar was altijd ingevet, zijn haar deed denken aan paardehaar en was sterk grijzend. Hij hield veel van oude gebruiken; hij was kerkvoogd en tevens bekend zakenman. Hij deed vaak zaken met zijn buurman, de fabrikant Lew Semjónytsj. Die buurman was in alles het tegenovergestelde van Myslin: hij was mager, klein, had een grote baard, maar zijn hoofd was volkomen kaal. Er heerste een grote vriendschap tussen die twee mannen. Het meest imponeerde Lew Semjónytsj zijn buurman door zijn zakelijkheid en liefde tot orde: hij was steeds stipt, ge hoefde nooit bevreesd te zijn, dat hij u minderwaardige waar zou leveren of zou trachten u te bedriegen; hij hield zich steeds aan al zijn afspraken; hij kwam telkens het beloofde na, chicaneerde nooit, had veel verstand van zaken. Het was steeds een genoegen met zo iemand zaken te doen; daarbij was Lew Semjónytsj een zeer goed mens. Myslin mocht de fabrikant heel graag en stelde hem iedereen als voorbeeld. Er was echter iets, dat Myslin in verlegenheid bracht: Lew Semjónytsj was een Jood.

Neem bijvoorbeeld Myslin zelf: hij heeft heel wat op zijn geweten, waarvoor hij zou moeten boeten. Op zijn oude dag huwde hij, die reeds volwassen zoons had, na de dood van zijn eerste vrouw, een heel jong meisje. Hij was na dat huwelijk net gek; hij vertelde iedereen schaamteloos over zijn jonge vrouw met allerlei bijzonderheden. Doch ondanks die razernij is hij overtuigd, dat hij vóór zijn dood berouw zou tonen; hij is kerkvoogd, zodra er iets dreigt, laat hij natuurlijk de pope roepen, die hem absolutie geeft; bovendien heeft hij natuurlijk reeds maatregelen getroffen, dat er voor zijn zielerust gezorgd zou worden: in zijn testament is een bedrag beschikbaar gesteld voor de kerk en, voor zielmissen, en als de zaken nog beter worden, dan zal hij natuurlijk dat bedrag verhogen. Voor de ziel van hem, Myslin, is er in elk geval in de Hemel een plaatsje verzekerd: hij zou een hoekje toegewezen krijgen naast de rechtvaardigen. Maar neem nu Lew Semjònytsj: die leidt een rechtvaardig leven, er is niet dat op hem aan te merken, hij heeft al zijn zoons en dochters verzorgd, in zijn huis is het altijd kalm, er heerst in alles orde en toch zal hij na zijn dood regelrecht naar de hel overgebracht worden, in het verschrikkelijkste gedeelte van dat eeuwige vuur: hij zal in dat vuur met blote handen brandende bessen moeten plukken, of anders zetten zij hem midden in de winter in een bijt in de rivier de Moskwa en dan zal hij met zijn mond voor de duivels kikkers moeten vangen.

Maar neem nu eens aan, dat hij, Myslin, God beware, sterft zonder eerst berouw te hebben getoond, zonder absolutie, neem verder aan, dat zijn zoons bedrog gaan plegen, zijn wil niet nakomen en geen zielmissen voor hem zullen laten celebreren, wel, dan zal zijn ziel in de hel belanden, dan wordt hij in een ketel met kokend pek geworpen, maar toch niet in dezelfde ketel als Lew Semjònytsj, omdat hij, Myslin, gedoopt is en in de Schrift is er nergens enige vermelding van een mogelijke vermenging te vinden; het staat geschreven: „er zijn vele verblijfplaatsen”, men laat dus iedereen afzonderlijk pijnigen, je wordt niet in de gelegenheid gesteld om in je leed een woord met je vriend te wisselen.

Zo luidt nu eenmaal de wet. Myslin’s geloof is onwankelbaar, hij twijfelt niet aan de juistheid van de wet. Hij legt zich bij het voorschrift van de wet neer, maar toch zoekt hij naar de een of andere bepaling in die wet zelf, waardoor ook voor de Jood Lew Semjònytsj een plaatsje in de Hemel te verwerven is; en als het hun beiden beschoren is in de hel te lijden, dan moet hij een mogelijkheid bedenken, dat zij tenminste in één ketel gekookt worden.

En hier komt hem het „Russische geloof” te hulp — het geloof in Nikola, die natuurlijk niet boven de wet staat, maar. .. . die toch steeds wat bedenken kan; in minder dan geen tijd speelt hij het klaar iets zó uit te leggen, dat het volgens de wet mogelijk is, — dat geloof komt Myslin te hulp, — want in Nikola gelooft immers iedereen; en het gehele wezen van Myslin — van af zijn mammoethoofd tot de strijkbout van zijn onverzadelijk lijf — wordt vervuld van hoop.
„Als Lew Semjònytsj Nikola erkent, dan is de zaak in orde en dan hoeven wij ons niet ongerust te maken!” besluit Myslin.

Ik moest die dag Lew Semjònytsj spreken. Ik trof er Myslin. Ik had hem reeds eerder bij verschillende gelegenheden in het huis van Lew Semjònytsj ontmoet, maar nu werd ik getroffen door zijn bijzondere plechtigheid; mij heeft hij zelfs niet bemerkt.
„Lew Semjònytsj, — zei Myslin, — ik begrijp, dat u, als Jood, Christus niet erkent, dat hoort ook zo, — hij rekte zijn mammoethoofd uit, trok zijn strijkbout in, — Lew Semjònytsj, dat begrijp ik heus, maar . .. .hoe staat het met Nikola de Godewelgevallige?. …”

Osa aan de Karna — het land van de winter en van de lente, van oerwouden, bosbranden en toverachtige schemeringen.
Rondom Osa liggen Tataremdorpen, het belangrijkste ervan is Jelpatsjicha. Iedereen kent er Odoetow, de chef van het canton, die voor zijn bedachtzaamheid en overleg de Russische bijnaam Mikoelaj Mikoelaïtsj 2) gekregen heeft, ter ere van Nikola, die, zoals algemeen bekend is, niemand laat krenken, of het nou een Rus dan wel een Tataar is, die steeds een rechtvaardig besluit weet te nemen. Als u in Jelpatsjicha komt, zult u zeker ook Hassan ontmoeten, de armste inwoner van het dorp; hij heeft slechts één paard, dat is zijn gehele bezit.
Het is zaterdag — een marktdag, op straat is er veel leven en beweging, net als op een feestdag. Op het marktplein staat een grote kerk, in de kerk ziet ge steeds veel mensen: Russen en Tataren, ieder hunner zet een kaarsje voor de icoon van Nikola.
Hassan zette ook een kaarsje neer, keek met spanning naar de icoon en zei:
„Mikoela, geef mij het paard terug, wees barmhartig voor mij en geef het terug, asjeblieft, geef het terug!”
Hij sloeg met zijn vuist op zijn borst en herhaalde telkens weer dezelfde woorden. Klagend voegde hij er aan toe: — ik zal anders straatarm worden — lieve—!”
Daarna verliet hij de kerk. Zowel zij die hem kenden als de mensen die hem niet kenden begrepen, dat iemand zijn paard gestolen had, — ja, iemand heeft het enige paard van Hassan gestolen, en nu is hij verloren, niemand kan hem helpen, zelfs de wijze chef Mikoelaj Mikoelaïtsj zal niets kunnen bedenken; er bleef dus één middel over — en daarin gelooft hij: hij moet zich bij Mikoela beklagen, Mikoela verzoeken, zich in zijn toestand in te denken en er voor te zorgen, dat hij, Hassan, zijn paard terugkrijgt.
Zonder naar de mensen te kijken, geheel in zich zelf verdiept en vervuld van het onwrikbare geloof in de wonderdoener Mikoela, verliet Hassan de kerk en kwam op het marktplein. Op het plein reed op dat ogenblik een wagen voorbij en aan die wagen waren paarden vastgebonden. Hassan bleef staan: neen, een tweede dergelijke paard was er niet, het was zijn eigen paard; in een der aan de wagen vastgehonden paarden herkende Hassan zijn eigendom. Met een kreet wierp hij zich op de wagen.
De gehele markt kwam in beroering: „Hassan heeft zijn gestolen paard gevonden!” De paardendief werd aangehouden, Hassan kreeg zijn paard terug.„Mikoela heeft het paard aan de eigenaar teruggegeven!”

Er bestaan veel legenden over Sint Nicolaas en zijn leven.

Toen hij vijf jaar oud was, wijdde hij zich geheel aan God. Van af die tijd at hij geen vlees en dronk hij geen wijn. Op de werkdagen at hij alleen brood en dronk alleen water. Zijn gezicht straalde — de Geest des Heren rustte op hem en engelen daalden uit de hemel en dienden hem. Zijn voeten staken in sandalen, in zijn hand had hij een kruis, zijn lippen zongen steeds een lofzang aan God. Van af de eerste jaren van zijn leven bestudeerde hij de Heilige Schrift. Overdag, in tegenwoordigheid van andere mensen, zweeg hij, ’s nachts, wanneer hij alléén was, bad hij.

Als een jongeling van veertien jaar verliet hij Lycië en trok zich in de woestijn terug. Daarna liep hij naar Caesarea en bracht daar drie jaar in gebed en vasten door, hij reinigde en versierde zijn ziel door de Goddelijke deugd.

En toen verrichtte hij het eerste wonder.

Daarvandaan trok hij naar Klein Armenië, waar hij een jaar en negen maanden rondzwierf. Uit Armenië begaf hij zich naar Syrië.

Overal verrichtte hij wonderen.

Toen Nicolaas dertig jaar werd, keerde hij naar Lycië terug. Als een onbekende zwerver trok hij de stad Myrae binnen; van zijn gezicht en handen druppelde mirre en de hele stad werd vervuld met zijn geur. Die geur verrichtte wonderen. Het gehele leven in de stad werd onherkenbaar: alle onenigheid hield op, iedereen dacht er nu alleen aan, zijn medemensen te helpen, iemand een dienst te bewijzen. En hij liep zwijgend door de straten van de stad, keek slechts om zich heen en raakte nu en dan de mensen aan; door zijn blik en aanraking werden de ontroostbaren getroost, de blinden werden ziende, de verlamden verhieven zich.
De patriarch vernam van die wonderen en begaf zich, aan het hoofd van de kerkvaderen, naar de stad, waar dat alles geschiedde. Dit werd Nicolaas geopenbaard en hij snelde de kerkvorst tegemoet. De patriarch omarmde Nicolaas als een apostel van Christus. Het gevolg van de patriarch was getroffen door het licht, dat het gezicht van Nicolaas uitstraalde, gelijk dat van een engel des Heren, en allen vielen voor hem op hun knieën. De patriarch leidde Nicolaas naar de kathedraal en benoemde hem daar tot bisschop van de stad en het gebied.

Toen zijn uur had geslagen om in het heer der heiligen opgenomen te worden, daalden uit de Hemel engelen des Heren. Nicolaas zag hen, glimlachte en zei:

„Mijn dagen zijn dus voltooid!”

Aartsengel Michaël trad naar voren en toonde hem het zegel Gods. Toen Nicolaas dat zegel zag, verhief hij zich voor zijn laatste gebed. Hij smeekte God:
Voor allen, die in nood zijn naam mochten aanroepen — dat de Heer hun wens moge vervullen!
Voor hen, die door de machtigen der aarde onderdrukt worden —  dat de Here hun ter wille van hem kracht voor de strijd moge geven!
Voor hen, die op de onstuimige zee tijdens een storm zijn hulp mochten inroepen — dat de Here de onstuimige golven moge doen bedaren!
Voor alle zieken, daklozen en vertwijfelden — moge de Here hen niet verlaten en hun kracht geven!
En voor alle schepselen des Heren, wier lot zo zwaar en wier levensduur zo kort is!
„Here, erbarm U onzer!” -— herhaalde hij drie keer en strekte zijn armen uit.
Bij het laatste woord vatte de engel des doods zijn ziel en de engelen droegen die weg naar de Hemel.
Zijn lichaam lag op zijn sterfbed en straalde als de zon.

Sint-Nicolaas werd de belangrijkste heilige van Rusland, de „Russische God”, zoals de heidenen hem noemden; het „Russische geloof” werd geheel doordrongen door de naam van Nikola. De verering van Nikola was zó groot, dat het tot de XVIIIe eeuw door het volk als zonde beschouwd werd een kind zijn naam te geven.
Vóór de invasie der Mongolen in de Xllle eeuw was er in Rusland één beeld van Nikola: hij was afgebeeld in een groen parament. Dat beeld stond te Kijew bij de heilige Sophia. Dat beeld verrichtte veel wonderen.
Na de Mongoolse invasie waren er in Rusland drie beroemde beelden, die wij reeds genoemd hebben: Nikola van Mozjajsk, Nikola van Zarajsk en Nikola van Welikoretsk.
Het meest vereerde beeld is dat van Mozjajsk, waar hij als aartsengel afgebeeld is: in één hand houdt hij een zwaard, in de andere een kerkje binnen een omheining. Vijf lampen branden dag en nacht voor dat beeld. De nacht vóór de bestorming van Kazan hebben de Russische kanonniers hem gezien; later verscheen hij aan Jermák, de veroveraar van Siberië. Hij staat te Moskou op de naar hem genoemde poort en bewaakt het Kreml, het hart van Rusland. Toen Napoleon Moskou verlaten moest, gaf hij bevel de poort op te blazen; de poorttoren werd veranderd in een hoop puin, maar het beeld van Nikola bleef ongedeerd. Alle Russische heersers, vanaf Iwan IV, trokken naar Mozjajsk om hem te vereren, zelfs Peter de Grote deed het.
Hetzelfde beeld komt in verschillende delen van Rusland onder verschillende namen voor. Nikola van Mozjajsk verscheen aan grootvorst Dmitrij Donskój vóór diens beslissende slag met de Tataren op het Koelikowo-Veld 3); dat beeld heet „Radonskij”.
Nikola verscheen voor Sergius van Radonezj 4); dat beeld heet „kelejnyj”. Op alle forten en steunpunten aan de rand van de Moskovische staat, in alle kloosters, die tevens vestingen waren, was er een beeld van Nikola van Mozjajsk, maar daar heette het „ratnyj”. Geheel Siberië vereerde hem, de Moskouse heilige; de inboorlingen brachten hem offers en noemden hem „de Russische God”.

Op het Achtste Oecumenische concilie werden alle gesneden of gebeeldhouwde beelden van heiligen verboden, zij werden met afgoden vergeleken. De Synode der Russische kerk beval in 1723 alle gesneden en „zittende” beelden uit de kerken te verwijderen. Er werden toen heel wat beelden uit de Russische kerken verwijderd, maar Nikola van Mozjajsk bleef.

De tweede beroemde afbeelding is die van Nikola van Zarajsk, op wonderbaarlijke wijze uit de kerk van de Apostel Jacobus te Chersonesos overgebracht: Nikola is afgebeeld staande en zegenende met het Evangelie; zijn armen zijn niet tegen zijn borst gedrukt, maar uitgestrekt; zijn parament valt in plooien van zijn armen en het lijkt, dat hij vleugels heeft. Om hem ziet ge op de icoon taferelen uit zijn leven en wonderen. Die icoon werd bijzonder beroemd na de invasie van de Mongoolse horden van Batu, als herinnering aan de vorstin van Rjazan Eupraxie: toen zij vernomen had, dat haar man omgekomen was, sprong zij samen met haar zoon van de tinne van haar kasteel. Het hoogst steeg de roem van die icoon tijdens de „Woelingen” (de Russische revolutie van het einde van de XVIe eeuw).

Een derde beroemde afbeelding van Nikola bevindt zich te Wjatka — Nikola van Welikoretsk (of van Chlvnow): een borstbeeld, met tegen de borst gedrukte armen; hij zegent en houdt een Evangelie vast. Hier is hij een mens met het gezicht van een eenvoudige man met wonderbaarlijke ogen, die al het leed en al de moeilijkheden der mensen in zich opnemen en een zacht licht van medelijden uitstralen — „Nikola de Barmhartige”. Tsaar Iwan de Verschrikkelijke hield veel van dat beeld en liet het vaak naar Moskou overbrengen. Een kopie van die icoon bevindt zich in de kathedraal van Wasilij de Gelukzalige te Moskou, de in het buitenland meest bekende Moskouse kerk.

Elk beeld van Nikola heeft zijn eigen genade voor de mensen, voor ieder der beelden is er een apart gebed: de gestrenge Nikola van Mozjajsk beschermt het Russische land, hij beloont de rechtvaardige en bestraft de schuldige; de gevleugelde wonderdoener van Zarajsk kan elk wonder verrichten; de goedertierende van Welikoretsk wijst niemand af, zelfs de armzaligste niet, hij troost iedereen, hoort iedereen aan.

[1] wie de artikelen leest die hier verschenen, zal wellicht de conclusie kunnen trekken dat deze bewering te absoluut is gesteld.
[2] geen afbeelding gevonden

1)Een icoon is een geschilderd beeld van Christus of een der heiligen. (De vert.)
2) Mikoelaj is een bijvorm van Nikolaj (Nicolaas); Mikoelaj Mikoelaïtsj betekent dus: Nicolaas zoon van Nicolaas. Mikoela is een bijvorm van Nikola. (De vert.)
3) Grootvorst Dmitrij Donskój (Demetrius van de Don) besloot het Mongoolse juk af te schudden en Rusland weer vrij te maken. In 1380 verzamelde hij een groot leger en trok de Tataren tegemoet. De ontmoeting vond plaats op het Koelikowo-Veld aan de Don. De Tataren werden verslagen, maar de Russen verloren zó veel mensen, dat zij een nieuwe invasie niet konden weerstaan, zodat het doel van de grootvorst niet bereikt werd. De Tataarse heerschappij was eerst veel later afgeschud. (De Vert.)
4) Sergius van Radonezj is de nationale heilige van Moskovië. Hij was een tijdgenoot van Dmitrij Donskoj en heeft de grootvorst voor de beslissende strijd tegen de Tataren gezegend. Sergius was de stichter van het beroemde Drievuldigheidsklooster, niet ver van Moskou, een der grootste heiligdommen van Rusland. „Kelejnyj” betekent „van de cel”, „cel-”. (De vert.).

Sint-Nicolaas: alle verhalen

Sint-Nicolaas: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Sint-Nicolaas 

1200-1120

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis – verhaal (14-2)

.

V.a. 10 jaar. Voorleestijd 20 min.

.
Ruth Sawyer
.

De herders

U, die Kerstmis houdt, die de heilige tijd viert, hebt u ooit bedacht, waarom het noodzakelijk is, dat er een kind geboren wordt om de wereld te redden? Hier is een kerstverhaal van God, die het Goede is. Het begint ver terug, toen de wereld pas geschapen was.

In den beginne had God twee aartsengelen, op wie Hij bijzonder gesteld was: de ene heette Lucifer, hetgeen Licht betekent, en de andere Michaël, hetgeen Kracht betekent, Zij voerden de hemelse legerscharen aan en stonden, de ene ter linker zijde, de andere ter rechter zijde van Gods troon. Zij waren zijn uitverkoren boodschappers.

Nu diende de aartsengel Michaël God met heel zijn hart en zijn engelenziel. Er was hem geen taak te groot om te volbrengen, geen dienst van duizend jaren was te lang. Maar de aartsengel Lucifer ergerde het een macht te dienen, hoger dan hij zelf. Naarmate het ene duizendtal jaren na het andere verging – en zij waren ieder als één dag ~ verbitterde hij ïn de dienst en werd afgunstig op God. De tijd brak aan, waarop God het heelal zou scheppen. Hij maakte de zon, de maan, de sterren. Hij maakte land en water en scheidde ze. Hij maakte bomen en bloemen, die groeiden, en gras. Hij maakte levende wezens, die de aarde bewandelden en zich daar voedden en Hij maakte vogels in de lucht en vissen in het water. En toen al het andere geschapen was, maakte Hij een man en noemde hem Adam en een vrouw en noemde haar Eva. Het kostte Hem zes hemelse dagen, om dit te scheppen en aan het einde was Hij moe en rustte uit. Terwijl de schepping tot stand kwam en God het allerdrukst bezig was, ging Lucifer heimelijk de hemel rond. Hij sprak met deze engel en met die, fluisterend, steeds fluisterend. Hij sprak met serafijnen en cherubijnen, met iedereen, die naar hem luisteren wilde. En wat hij fluisterde, was dit: ‘Waarom moet God oppermachtig regeren? Waarom moet Hij de enige zijn, die schept en zegt wat er geschapen zal worden? Wij zijn machtig. Wij zijn waard zelf te regeren. Wat zegt gij?’

Hij fluisterde de zes dagen van de schepping lang en toen God uitrustte, voerde Lucifer een schare opstandige engelen tegen God aan. Zij trokken hun vlammende zwaarden en belegerden Gods troon. Maar de aartsengel Michaël trok zijn vurige zwaard. Hij voerde Gods trouwe engelen aan en verdedigde de Hemel. Het leger van Lucifer werd op de vlucht gedreven en zijn veldheren werden gevangen genomen en voor Gods troon geleid. En God sprak: ‘Ik kan u het leven niet ontnemen, want gij zijt hemelse wezens, maar u zult niet langer bekend staan als de legerscharen van het Licht, U zult de legerscharen der duisternis zijn. Gij, Lucifer, zult de naam van Satan dragen. Gij en allen, die met u in opstand zijn gekomen, moeten elders een koninkrijk zoeken. Maar dit gebied ik u: ‘Laat de aarde, die ik zojuist geschapen heb, met rust. Bederf niet het werk Mijner handen.’
Aldus sprak God.
Dus werd Lucifer met zijn volgelingen verbannen en voortaan stond hij bekend als Satan. Hij vestigde een koninkrijk onder de aarde en noemde het de hel. Maar omdat God hem bevolen had de aarde niet te beroeren, begeerde hij de aarde voor zichzelf. Hij zond zijn geesten uit om hen, die op aarde geboren waren, te verleiden en slecht te maken.

Zo kwam het, dat de mensen op aarde tenslotte de macht van het kwaad evengoed kenden als die van het goede. Zij voelden de greep van de duisternis zelfs, wanneer zij hun ogen opsloegen naar het licht.
En nu werden de jaren eeuwigheden. De aarde werd bevolkt, in de vier
windhoeken en God keek erop neer en had verdriet. Hij riep de aartsengel Michaël bij zich en sprak: ‘Het is zover gekomen, dat de macht van Satan over de aarde groot is. Mijn engelen kunnen niet langer heersen. Een rijk van vernieling, hebzucht, haat en valse getuigenis is opgericht onder de mensen op aarde, die Ik heb geschapen. Hun harten zijn donker van het kwaad, hun ogen zien het licht niet meer. Ik moet mijn eigen Geest naar de aarde zenden, opdat het kwaad overwonnen wordt. Deze zal door de hemel verwekt worden en op aardse wijze geboren en niemand minder zijn dan Mijn eigen geliefde Zoon.’

Aldus sprak God.

De aarde was verdeeld in landen, sommige groot en machtig, sommige klein en zwak. En de sterke breidden hun macht steeds uit en overwonnen de zwakke met hun legers.
Een van die zwakke, overwonnen landen heette Judea. Te midden van de golvende heuvels, de olijfbossen de weidegronden, en kronkelende rivieren, hadden de mensen een stadje gebouwd, Bethlehem genaamd, de stad van koning David.
En de overwinnaars, de Romeinen, hadden bevolen, dat allen van de stam Isaï naar deze stad moesten gaan om eer te betonen aan Caesar.

Buiten de stad, op de hooggelegen weidegronden, hoedden vele schaapherders hun schapen. En nu geschiedde het, dat God Bethlehem koos als de geboorteplaats van Zijn Zoon en de tijd waarop dit gebeuren zou, zou de tijd zijn waarop de schattingen betaald moesten worden. En omdat schaapherders een eenvoudig geloof hebben en zuiver van hart zijn, waren zij de uitver­korenen, aan wie Hij de komst openbaarde.
En God zond een ster om hun de weg te wijzen en beval de engelen hun het blijde nieuws, zingend te vertellen.

Het was laat in de avond geworden. Op de hoge weidegronden hadden de herders vuren gebouwd om zich warm te houden, en verdwaalde wolven of rovers af te schrikken. Allen sliepen, behalve Esteban, de jongen. Hij alleen zag de engel en hoorde het nieuws. En dadelijk wekte hij de slapenden: ‘Hoort, er is ons juist een engel verschenen, die zong. Wordt wakker, wordt wakker gij allen! Ik geloof dat deze nacht veel voor ons zal betekenen.’
Nu stond Satan op dit ogenblik aan de ingang van de hel. Hij was de laatste tijd onrustig geweest, een gevoel van dreigend onheil beheerste hem. En toen hij naar de aarde keek, zag hij de engel verschijnen. Toen veranderde zijn onrust in angst. Hij riep zijn helse legerscharen op en beval hun zich gereed te maken: ‘Vanavond, zullen we Gods macht over het heelal weer betwisten. We zullen om de aarde vechten en die de onze maken. Ik ga er nu heen. Kom, als ik op de aarde stamp.

Even snel als zijn gedachten gingen, bereikte Satan de aarde. Hij kwam als zwerver, op zijn hoofd een breedgerande hoed, om zijn schouders een mantel, die tot op de grond hing, in zijn hand een staf. Over de aarde reisde hij zoals de bliksem de hemel doorkruist. Nu was hij hier – dan was hij al weer verder. En zo kwam hij aan de hoge weidegronden van Judea en stond aan een van de vuren, waaromheen de schaapherders de wacht hielden. Weer kwam de engel en verkondigde luid Gods nieuws: “Vrees niet, want u is heden in de stad Davids een Messias geboren!’

Satan bedekte zijn gelaat en sprak: ‘Wat betekent die boodschap?’ De schaapherders hurkten neer: ‘Wij weten het niet.’ ‘Wie is die Heiland, die Messias, van wie deze verschijning spreekt?’ ‘Wij weten het niet” Satan liet zijn mantel vallen, opdat ze het vervloekende vuur zouden zien, dat zelfs uit zijn ogen schijnt. ‘Ik gebied u, het te weten!’

Het was Benito, de oudste herder, die vroeg: ‘In de naam van God, wie bent u?’ En Satan antwoordde: ‘In mijn eigen naam, ik ben een zwerver. Eens werd mij een machtig rijk ontnomen. Ik ben hier om dat terug te winnen.’
Zou dit de Heiland zijn, van wie de engelen zongen? De herders kropen dichter en dichter bij elkaar. Zij keken. En zij werden overvallen door angst. Voorwaar, hier was duisternis, geen licht; hier was nameloos kwaad, geen goed. Hier was iemand, die de naam van God had geloochend. En samen riepen zij: ‘Weg van hier, Satan!’ En zij namen brandende takken en legden ze over elkaar, zodat ze kruisen van vuur tussen zichzelf en Satan hadden. Terwijl ze aan het praten waren geweest, was Esteban, de jongen, ver weggegaan om afgedwaalde lammeren te zoeken. Nu ging Satan hem achterna. ‘Jij hoorde de engel zingen. Waar is deze stad Davids?’ ‘Ik weet het niet’. ‘Wie is de Messias?’ ‘Spreekt u over Matthias?’ De jongen was wezenloos van angst. ‘Bedoelt u mijn moeders broeder? Hij is een wijs en trouw herder. Maar hij is ziek. Ik zorg voor zijn schapen.’
‘Idioot! Sukkelt Dwaas!’ De stem van Satan verhief zich als een wervelwind. ‘Door je grote domheid zondig je tégen mij, en dat is verschrikkelijker dan zondigen jegens God. Hiervoor zul je sterven!’
De jongen trachtte zijn mond te openen om genade af te smeken. Maar voordat de woorden konden komen, voordat Satans hand hem kon treffen, werd het onmetelijke hemelruim doorkliefd door een vlammend zwaard, dat tussen de jongen en de duivel gehouden werd en een stem klonk door het grote hemelruim: ‘Gij zult de onnozelen met rust laten!’                                                               [.

Het was de stem van de aartsengel MichaëL Hij stond nu geheel in glanzende wapenrusting naast Esteban en zijn zwaard beschermde hem. En opnieuw sprak hij: ‘Hoe durft gij Gods gebod te overtreden!’

‘Ik durf nog meer te doen dan dat’, sprak Satan spottend. ‘Gods aarde is niet langer van hem, maar van mij. Mijn volgelingen regeren er. Maar vannacht zal ik met u erom vechten. Ik zal hem u ontnemen door het recht van het zwaard en mijn sterkere legerscharen.’

Hij stampte op de grond. Die spleet vaneen en uit het diepste binnenste der aarde kwamen duivels, het ene legioen na het andere, zwaaiend met hun dubbelzijdige zwaarden, gesmeed in de vuren van de hel zelve. Toen stak Michaël zijn zwaard op en zie, een machtige trap, zoals de ladder van Jacob, werd gebouwd tussen hemel en aarde. En langs deze glanzende weg kwamen scharen en nog eens scharen van hemelse legers. En door de hemel weerklonk de kreet: ‘Valt aan!’

Toen werd een slag geleverd tussen de legers der duisternis en van het licht, zoals er sinds het begin aller dingen niet geweest was. En Michaëls zwaard nagelde Satan aan de grond, zodat hij niet op kon staan en Michaëls legerscharen joegen die van Satan op de vlucht, totdat de aardkorst open brak en ze in laaiende vlammen opgeslokt werden.

En toen de aarde van hen bevrijd was, sprak Michaël tot Satan: ‘Gij hebt aan velen vanavond gevraagd, wie de Heiland is, de Messias, Ik zal u antwoorden, verslagene. Hij is de Zoon van God en van de Mens. Hij is de vrede. Hij is de liefde. Hij is iemand, tegen wie uw kwaad geen stand kan houden. Want op God na is hij oppermachtig’.

Het gelaat van de aartsengel Michaël, louter goedheid, louter kracht, straalde van het licht van de alles overwinnende hemel en Satan, die overeind krabbelde, keek er naar op en haatte het. ‘Nu ben ik overwonnen, maar wacht nog duizend jaar, twee duizend!’

Intussen sloeg Esteban, de jongen, alles gade. En toen Satan terugkroop naar de hel, beval Michaël Esteban om de herders naar Bethlehem te leiden, opdat ze hun Heiland zouden kunnen aanschouwen en hem aanbidden.
En toen de jongen zich bij de herders rond het vuur voegde, verscheen de engel weer, ten derde male, en bij hem was een schare van het hemelse heirleger, prijzende God en zingende Halleluja!

En boven hen allen scheen een ster, zo groot als zij nooit tevoren aan de hemel gezien hadden.

Maar van de velen, die die nacht hun kudden hoedden, waren er slechts weinigen, die er acht op sloegen. Dezen hulden zich in hun mantels en volgden Esteban, de jongen. Onder het lopen wees hij hun op de rijen engelen, die in stralende wapenrusting de kanten van de weg bewaakten. Maar niemand dan de jongen zag ze. Toch steeg in ieders hart een grote vreugde op, zodat alle herders zich wel in een lied moesten uitspreken; Benito, de oudste, gaf hun de woorden voor het begin:

Gindse ster
Aan de hemel
Wijst de kribbe
Waar Hij ligt.

Toen nam Andres de wijs over en schonk hun het tweede vers om te zingen:

Vreugde en gelach
Zang en vrolijkheid
Luiden de geboorte
Van onze Heiland in.

Miguel verhief zijn stem, die sterk aanzwol van dankbaarheid:

Nu, is er goede wil
Onder de mensen,
Roept het uit, broeders,
Roept het uit.

Carlos nam het lied van hem over en gaf het vol vreugde aan de anderen door:

Vrede zij er dan
Onder ons allen,
Onder de grote volken
En onder de kleine.

Esteban gaf hun de woorden voor het laatste vers, en hij zong het tot het einde van de weg, en leidde hen naar de stal:

Laat iedere herder
Zijn stem verheffen,
Tot de hele wereld zich verheugt.
Tot allen eenstemmig
Zullen zingen,
Ere zij onze Heiland
En koning!

De ster boven hun hoofd verlichtte de weg, die naar de stal voerde. Binnen vonden zij een zeer schone, jonge vrouw en op het stro naast haar een pasgeboren kind.
Benito uitte de vraag, die op aller lippen lag: ‘Wat is uw naam, o vrouw?’
‘Men noemt mij Maria.’                                                              ‘
‘En die van het Kind?’ ‘Hij heet Jezus.’
Benito knielde. ‘Nene Jesus, kleine Jezus, de engelen hebben ons gezonden om u te aanbidden. Wij brengen u onze schamele gaven. Hier is een jong haantje voor u.’
Benito legde het op het stro naast het kind, stond toen op en riep: ‘Andres, het is uw beurt.’
Andres knielde: ‘Ik breng u een mandje vijgen, klein kind. Carlos, uw beurt’.
Carlos knielde, en hield het Kind een herdersfluit voor. ‘Ik heb hem zelf gemaakt. U zult er op spelen, als u groter bent. Juan, wat heb jij?’
Juan knielde. ‘Hier is wat kaas, goede geitenkaas.’

Om de beurt knielden zij, alle herders, totdat allen, behalve Esteban, de jongen hun gaven gegeven hadden.

‘Helaas, kleine Jezus, ik heb weinig voor U. Maar hier zijn de linten van mijn muts. Vindt U ze mooi? Ja? En nu bid ik: Zegen alle herders. Geef ons de gave anderen de liefde bij te brengen voor alles wat zacht en teer is in ons hart. Geef ons, dat wij altijd Uw ster zien in deze nacht, de nacht van Uw geboorte. En houd onze ogen altijd opgeslagen naar de verre heuvels.’
En toen ze hun gebed uitgesproken hadden en allen hun gaven gegeven hadden, verdwenen de herders zingend in de nacht.

Kerstverhalenalle

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis                         jaartafel

.

1195-1115

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

VRIJESCHOOL – Zwarte Piet krijgt de zwartepiet (30-3/2)

.

Toen ik nog een basisschoolleerling was – een lagereschoolkind zoals je toen heette – hadden wij een meisje in de klas dat stonk, dat zeiden wij.
Ze stonk naar vis. Zo simpel beleefden we dat.
Zij was de dochter van een vishandelaar die uiteraard vis verkocht en ook bakte.
Vis- en baklucht trekken – nog steeds – in je kleren en je haar. En in vergelijking met nu, waren er niet veel middelen om dat tegen te gaan. Ook de bouw van winkel en woonhuis waren zo, dat de visgeur overal steeds aanwezig was. Dus ook om en aan het dochtertje.
En ja, ze werd ermee gepest. Heel erg is dat natuurlijk. Ik weet niet of ik het ook deed, maar als het zo is: mijn welgemeende excuses!

Tegenstanders van Zwarte Piet brachten vorig jaar bij Pauw in dat hun kinderen – met donkerder huidskleur – gepest werden met Zwarte Piet. En dat hij dus diende te verdwijnen.

De kinderombudsvrouw had daar een aantal weken geleden ook wel oren naar: omdat er kinderen mee gepest worden, dient de aanleiding voor de pesterij te verdwijnen.

De aanleiding voor de pesterij was voor het dochtertje van de vishandelaar het beroep van haar vader en vooral de viswinkel. Zouden die er niet zijn geweest: ze was er niet mee gepest.

Zou de ombudsvrouw – na haar klachten te hebben aangehoord – nu ook van mening zijn dat haar vader maar een ander beroep moet kiezen annex de viswinkel opdoeken?

Wat een vreemde gedachtegang, terwijl het toch zo simpel is: de pester moet worden aangepakt!
In vrijwel alle gevallen wordt bij pesten ook daadwerkelijk de pester aangesproken, maar bij Zwarte Piet….????

Zoals vrijwel iedereen in de zwartepietendiscussie: ook de ombudsvrouw laat zich inpakken door het ‘racisme- en discriminatiespook’.

In deel 1 van ‘Zwarte Piet als zwartepiet’ wordt duidelijk gemaakt dat ‘Zwarte Piet = racisme’ historisch gezien niet opgaat.

Wanneer je de verschillende opvattingen, gezichtspunten, verwachtingen van allerlei (willekeurige) mensen bekijkt, is het opmerkelijk hoe als vaststaand feit o.a.’racisme’ en ‘slavernij’ onlosmakelijk met Zwarte Piet worden verbonden.

“Bij ons krijgen alle Pieten een ander kleurtje dan zwart”, zegt Miriam Heijster, directeur van de Kleine Reus, een witte school in Amsterdam. “We hebben het er hier op school over gehad, en de leerlingen uit groepen 7 en 8 maakten zelf al een koppeling tussen Zwarte Piet en de slavernij. Dat vond ik knap voor kinderen van twaalf jaar oud. En de conclusie was dat we ande­re mensen kwetsen met Zwarte Piet, dus waarom zouden we daarmee door­gaan?

De juf vindt het knap, maar ze lijkt niet erg op de hoogte van de slavernij die in verband wordt gebracht met Zwarte Piet. Ze trekt een conclusie op basis van een zwak, zo niet verkeerd uitgangspunt.

Het is ook niet zo eenvoudig en je zou – alvorens tot conclusies te komen die grote gevolgen kunnen hebben, je eerst eens grondig moeten verdiepen in hoe het dan in werkelijkheid is of was.

In Trouw van 20-96-2013 schreef historicus Piet Emmer een artikel n.a.v. de afschaffing van de slavernij – 150 jaar geleden.

SLAVERNIJ IS GEEN EXCUUS

Wie ‘slavernij’ wil aanvoeren als motief tegen Zwarte Piet, kan dat op feitelijke gronden – volgens dit artikel niet.

Op grond van die feiten zegt historicus Emmer:

Het herdenken van de afschaffing van de slavernij zien sommige Caribische Nederlanders niet alleen als een stap naar een rechtvaardiger samenleving, maar vooral als een gelegenheid om de rest van Nederland erop te wijzen dat de gevolgen van de slavernij nog steeds niet voorbij zijn. Wat er maar fout kan gaan, wordt aan dat slavernijverleden toegeschreven: racisme, discriminatie, tienerzwangerschappen, gebroken gezinnen, echtelijke ontrouw, criminaliteit, slechte schoolprestaties, hoge bloeddruk en nog veel meer. 

Hij toont aan dat er voor dergelijke argumentaties historisch gezien feitelijk geen basis is.
En dat het geen ‘mededogen meer zal opleveren, laat staan maatschappelijke of financiële credits.’

Dat laatste klopt niet, wanneer je naar de rpaktijk van alle dag kijkt. Er is heel veel mededogen – en dat is m.i. niet verkeerd. En er zijn – juist waar het om Zwarte Piet gaat – steeds meer ‘maatschappelijke credits’.
Het sinterklaasjournaal, gemeenten waar Sint zijn intocht houdt, supermarkten en vooral scholen waar traditiegetrouw Sinterklaas het meest aanwezig is: mededogen en credits veranderen het aanzien van Zwarte Piet, omdat slavernij en discriminatie steeds meer onlosmakelijk verbonden worden gedacht met Zwarte Piet: de zwartepietenlobby!

“Het moet een feest van iedere Nederlander kunnen zijn’, zei minister Asscher, erop doelend dat kenmerken van slavernij en discriminaite niet kunnen.

De discussie is er over het algemeen een van hoogoplopende gevoelens; gevoelens die er op grond van de historische feiten niet zouden moeten zijn. Maar dat is nu juist het kenmerk van gevoel: dat het zich in eerste instantie onttrekt aan de ratio en dat je met rationele gedachten geen contact krijgt met mensen die sterk in hun gevoelens leven, ook wat Zwarte Piet betreft.
Ook de voorstanders reageren vaak vanuit hun gevoel. En dus is er de patstelling.
En daaromheen worden oplossingen bedacht: jij houdt niet van geel? Ik niet van blauw! Dan doen we ze toch bij elkaar: allebei tevreden met groen!

Mijn Zwarte Piet heeft niets te maken met het verleden: slavernij en discriminatie. Mijn Zwarte Piet is niet alleen zwart omdat hij door de schoorsteen kruipt, maar juist omdat hij de ‘yang’ is; de tegenpool van ‘yin’. Samen een eenheid, een hogere werkelijkheid – een beeld daarvan. Sint is niet wit omdat hij een blanke is. Sint is de lichtkant, hij is de heilige. Piet is niet zwart omdat hij een neger is en dus dom. Hij is niet de heilige – zoals weinigen van ons – hij is vrolijk en guitig tegenover de ernst en waardigheid van de Sint – daarmee is Piet niet onwaardig. Ze vormen een eenheid, zoals het etmaal van dag en nacht.
Mijn Piet is geen regenboogpiet of oranje, omdat ons koningshuis dat is en de shirtjes van het Nederlands elftal; mijn Piet is niet rood of welke kleur dan ook, behalve gitzwart. Mijn Piet is geen ‘leut’, maar een te achten figuur in de twee-eenheid die hij met Sint vormt.
Mijn Piet is een symbolisch figuur. Die symboliek kun je niet vinden zonder een bepaalde spiritualiteit.
Bij supermarkten, gemeenten en journaals hoef je die in deze tijd niet te verwachten.
Op de scholen zie je die ook niet, wanneer je de verschillende opvattingen van de juffen en meesters leest.

Ja, dan blijven de vrijescholen over: die zouden nog een spirituele basis kunnen geven aan Zwarte Piet.

Maar of dat ervan komt? 

De ombudsvrouw wil graag reacties van de kinderen.
Deze vond ik op straat voor een basisschool:

Sint Nicolaas

30-1.Zwarte Pietdiscussie
Zwarte Piet is symbool; geen maatschappelijke realiteit

30-2 Zwarte Piet verbleekt

30-3/1 Zwarte Piet krijgt de zwartepiet

Sint-Nicolaas (en Zwarte Piet): alle artikelen

1187-1107

.

VRIJESCHOOL – Zwarte Piet krijgt de zwartepiet (30-3/1)

.

Een paar roetvegen onder een blond kapsel doen de geschiedenis geen recht, betogen Berber Paarlberg en Gert Nieveld in een opiniestuk in Het Parool.

De zomer was nog niet voorbij of de discussie over Zwarte Piet laaide weer op. Hoe moet hij eruitzien? Een paar roetvegen onder een blond kapsel? Het kan, maar doet de geschiedenis geen recht.

Sint Nicolaas werd rond 280 na Christus geboren in Patara in Zuid-Turkije. Zijn ouders waren welgesteld en zeer gelovig. Als klein kind zou hij al wonderen hebben verricht. Om priester te worden, verhuisde Nicolaas naar het stadje Myra. Al snel werd hij benoemd tot bisschop.

Na het overlijden van zijn ouders besloot hij zijn erfenis weg te geven aan mensen die het nodig hadden. Zo redde hij drie meisjes van de slavernij (prostitutie) door anoniem voor ieder een zak goud door het raam te gooien. Daarmee had hun arme vader voor elke dochter een bruidsschat, waardoor ze eerzaam konden trouwen. Met intensief bidden zou bisschop Nicolaas drie door een herbergier vermoorde kinderen uit de dood hebben teruggehaald. Hij redde zeelieden van de verdrinkingsdood, Myra van de hongerdood en zorgde voor verlaging van de Romeinse belastingen.

Verdrukten
Nicolaas werd de beschermheilige van ongehuwde meisjes, prostituees, kinderen, slaven, zeelieden, armen en andere verdrukten. Rond de bisschop vormde zich een groepje volgelingen die hun leven aan hem te danken hadden en hem vergezelden op zijn reizen.

Na zijn dood (omstreeks 342) erkende de katholieke kerk de goede daden van Nicolaas als wonder en werd hij heilig verklaard. Wereldwijd kreeg hij zo’n sterrenstatus dat hij in de vroege middeleeuwen als belangrijkste heilige na Jezus Christus en de maagd Maria werd vereerd. Jaarlijks werd Sint-Nicolaas herdacht, op of aan de vooravond van zijn sterfdag, 6 december.

Zijn graf in Myra werd een bedevaartsoord. Uit angst voor plunderingen van Noord-Afrikaanse piraten kaapten zeelieden in de elfde eeuw, in opdracht van Italiaanse priesters, het merendeel van Sint-Nicolaas’ botten uit zijn graf. Ze stelden ze veilig in de Basilica di San Nicola in het Italiaanse Bari, dat bovendien wel wat pelgrimtoerisme kon gebruiken. Het eerste dat opvalt als je de Sint- Nicolaaskerk in Bari binnenstapt, is een levensgroot beeld van een man met een donkergetinte huidskleur: Sint-Nicolaas. Wat blijkt: op alle eeuwenoude kerkelijke afbeeldingen tot de vijftiende eeuw is Sint-Nicolaas donkergetint. Pas later wordt zijn beeltenis aangepast aan het blanke westerse perspectief.

Pakjesavond
Het huidige beeld van Sinterklaas ontstond pas toen de Amsterdamse calvinistische onderwijzer Jan Schenkman in 1850 het boek Sint Nikolaas en zijn knecht publiceerde. Met de aankomst per stoomboot (hypermodern in die tijd) uit Spanje (dat in de zestiende eeuw kort over Bari heerste), de intocht en pakjesavond.

In Schenkmans prentenboek was voor het eerst een donkere assistent te zien, uitgedost in zestiende-eeuwse Spaanse traditionele kledij. Deze had hij niet ontleend aan de discipelen van Sint Nicolaas, maar aan duivelse helpers van heidense goden die zondig gedrag bestraften. Piet had in eerste instantie een Indisch uiterlijk. In latere tekeningen werd hij Moors en kreeg hij een harembroek. Dit paste in het tijdsbeeld: in het toonaangevende Parijs was een exotische bediende – een Moor of Indiaan – populair.

Een vrolijk volksfeest kan en mag niet de bedoeling hebben dat mensen zich gediscrimineerd voelen. Maar om Zwarte Piet als slaaf af te schilderen, is historisch onjuist.

Lucratieve handel
Net zoals het misplaatst is om via Zwarte Piet excuses te willen afdwingen voor vroegere slavernij. Dan hebben bovendien Afrikanen en Arabieren ook wat uit te leggen. Zij namen van ver voor onze jaartelling tot in de negentiende eeuw talloze mensen gevangen, in eigen land, op razzia’s rond de Middellandse Zee en de Noordzee tot aan IJsland toe, om hen op slavenmarkten te verkopen. Blank, bruin, zwart, joods, protestants, moslim, katholiek, orthodox – het maakte hen niet uit. Hebzucht was hun enige drijfveer. Vanaf de zeventiende eeuw gingen Europeanen meedoen aan deze lucratieve handel.

Slavernij is niet iets om trots op te zijn. Maar zo ongeveer iedere bevolkingsgroep, ongeacht ras of kleur, heeft ooit slaven gehad of verhandeld.

Wellicht is een wereldwijd excuus van alle bevolkingsgroepen aan alle andere bevolkingsgroepen gepast. Waarna iedereen zijn energie in positievere zaken kan steken. Goede daden voor de huidige verdrukten, bijvoorbeeld.

Sinterklaas is geëvolueerd
De cultuur maakt het feest. Zoals de Amerikanen Sint-Nicolaas hebben getransformeerd tot een obese blanke kerstman, gaf ook Nederland er z’n draai aan. Ons sinterklaasfeest is meer het feest zoals in 1850 verzonnen door Jan Schenkman dan het gedenkfeest van de heilige Nicolaas uit Turkije met zijn volgelingen. Sinterklaas is geëvolueerd tot goeiige kindervriend, met een schare pieten die van onnozele boemannen zijn verworden tot slimme assistenten met managerskwaliteiten.

De veranderingen zijn een cultureel proces, die eerder antropologisch interessant zijn dan dat ze tot conflicten en veranderwerkgroepen moeten leiden. Wie moeite heeft met de verschijning van Zwarte Piet, kan teruggrijpen naar de basis. Waar Sinterklaas niet lelieblank is, maar chocoladebruin. En waar zijn helpers geen slaven waren, maar volgelingen die hij had geholpen. Met, net als Sint Nicolaas, een chocoladekleurige huid. We hebben een hoop te danken aan mensen uit die contreien.

Parool, 14-11-2015
Sint-Nicolaas: alle artikelen

1183-1103

.

VRIJESCHOOL – peuters/kleuters – jaarfeesten door het jaar (1-2)

.

De betekenis van de gang door het jaar voor de ontwikkeling van een kind

Toen ik me voor het eerst in een vrijeschoolkleuterklas oriënteerde, vroeg ik, wat er in de loop van een jaar wel niet allemaal gedaan wordt en ik kreeg als antwoord: ‘Eigenlijk leven we van het ene feest naar het andere.’ Ik kon met het antwoord niet zoveel; pas door mijn activiteit in de klas werd me de betekenis van die zin steeds duidelijker.

Door de feesten, die op dezelfde tijd op dezelfde manier worden beleefd, krijgt het jaar een heel vast ritmisch verloop. Rudolf Steiner merkt op: ‘Ritme draagt het leven, het is de drager van onze gezondheid.’ Deze zin houdt een grote betekenis in voor de ontwikkeling van een kind.

Omdat de kinderen zichzelf geen ritme kunnen geven, maar van de omringende wereld afhankelijk zijn, is het heel belangrijk dat wij, volwassenen, hen bewust een gezond leven schenken. Hoe ritmischer het leven van het kleine kind verloopt, des te gezonder zal het zich ontwikkelen. Daarom verzorgen wij in de kleuterklas de gang door de dag, door de week en door het jaar heel ritmisch en op dezelfde manier. Op de manier waarop wij in ieder jaargetijde een speciaal feest vieren, kunnen de kinderen heel diep, maar onbewust, de seizoenen beleven. Door het spel en het voorbereiden op een jaarfeest wordt de natuur waargenomen en gewoonten en gebruiken verzorgd. De feesten zelf betekenen bepaalde hoogtepunten binnen een jaar. Net zo belangrijk echter als het feest zelf is de voorbereiding; het toeleven naar het hoogtepunt.

We bereiden een feest met de kinderen ongeveer drie weken lang voor, innerlijk (door spreukjes, liedjes, sprookjes), maar ook uiterlijk (bijv. door knutselen, versieren, bakken).

Op deze manier is er eigenlijk in het dagelijks leven in de kleuterklas steeds een doel, wat we doen heeft zin. Wanneer dit doel dan bereikt is, is dat voor iedereen een echte vervulling, want iedereen heeft eraan bijgedragen dat we het feest konden vieren.
Pas echt verdiept worden de indrukken, wanneer kinderen ieder jaar op een manier die ze gewend zijn een feest kunnen beleven. Door de herhaling krijgen de kinderen een innerlijke zekerheid en het vertrouwen in de wereld. We vinden het daarom fijn dat de kinderen twee of drie jaar in de kleuterklas zijn. Blij herkennen ze dan alles van het jaar daarvoor en wachten weer op het naderende feest.

Dan wordt er bijv. in januari, wanneer we ambachtspelletjes spelen, het bedje voor Kasper klaarmaken, omdat het al gauw carnaval is en dan komt Kasper. Of we beleven na carnaval, als we nog de winterkringspelletjes spelen, dat we al paasliedjes zingen en paashaasjes schilderen. De kinderen hebben er vertrouwen in, ze weten wat er hierna komt.

Je zou naar het kleuterklasjaar zo kunnen kijken dat het met het oogstfeest begint. Daarover is al geschreven.
Wanneer we naar dit jaargetijde kijken waarin de natuur ons zo rijk bedeelt, waarin de wereld in prachtige kleuren zich vertoont, waarin alles in geuren en kleuren aanwezig is, dan voelen we oprechte dankbaarheid. Dankbaarheid moet het zijn, dat als vermogen in de kinderziel gelegd wordt, wanneer we op de beschreven manier de kinderen de herfsttijd  laten beleven. Maar, zoals met de herfst de dankbaarheid, kunnen we met ieder jaarfeest een bepaald gevoel verzorgen. Door het goed vieren van de jaarfeesten kunnen we in de kinderleeftijd deze krachten aanleggen zodat deze zijn leven lang zijn bezit zijn.

Na het oogstfeest als een dankfeest volgt in het verloop van het jaar het michaëlsfeest. In de kleuterklas wordt de overwinning op het kwaad  (de draak) beeldend beleefd in kringspel en sprookje. Wanneer we ons in deze tijd bezighouden met de smid en het ijzer of spelletjes over paarden spelen, wordt het voor ieder kind beleefbaar dat kracht en moed goede krachten kunnen zijn. Moed is de zielekwaliteit van het michaëlsfeest.

Na Michaël komt de tijd van het lopen met de lantaarntjes, dat afgesloten wordt met het lantaarnfeest (de lichtjestocht). De lantaarn, door het kind gedragen, is een uiterlijk symbool van wat wij, volwassenen, aan innerlijk licht, met het oog op de kersttijd, in ons meedragen.

De adventstijd begint in de kleuterklas met het adventstuintje (spiraal) waarin ieder kind zijn eigen lichtje mag aansteken. In de natuur is het tot de 1e advent langzaam steeds kaler en donkerder geworden. Ook in de kleuterklas zie je steeds minder versieringen en het speelgoed is schoon opgeborgen.
In dit donker en deze soberheid begint nu het eerste lichtje te schijnen. Het is een uiterlijk beeld voor wat we innerlijk beleven. Dan wordt het rond om ons heen steeds lichter en stralender door de kaarsen en het goudpapier en de mooie knutselwerkjes. Door het kerstspel laten we de kinderen nabootsend beleven met wat een hartevreugde de vrolijke herders het kind begroeten en vereren, ja hoe alle wezens op aarde zich verheugen over het Christuskindje. Zo gaan de kinderen innerlijk voorbereid met liefde in het hart op weg naar kerstavond.

Met dezelfde liefde en toeneiging kunnen we dan met de kinderen na de Kerst ook Driekoningen vieren. Wanneer we in het driekoningenspelletje de geschenken brengen, dan zie je in de kinderenogen en in hun gebaren de diepe verering.

Na deze lange tijd van verinnerlijking waarin de natuur alles onder de grond behoedt en beschermt en waarin ook de mens zich bezint en rustig is geworden, leven we toe naar een tijd van ontspanning, naar carnaval.

Deze tijd betekent vrolijkheid. Het lokaal wordt door de slingers steeds bonter en alles wordt voor Kasper versierd, die echt op bezoek komt. Als hij er dan eenmaal is, doet hij veel grappige dingen die de kinderen leuk vinden: wegkruipen, woorden omdraaien en vergeten, vrolijke rijmpjes zeggen en liedjes dansen. Tenslotte is carnaval wel de verjaardag van Kasper, die we allemaal verkleed met hem vieren. In de vreugdevolle stemming wachten we op het voorjaar, op de eerste bloemkiemen die we zelf gezaaid hebben. In het kringspel beleven we ook nog hoe de winter met de lente strijden moet; de ijs- en sneeuwreuzen banjeren nog over de wereld.

Dan echter worden we sterk de tuin in gelokt naar onze bloembedjes. We bewonderen elk groen sprietje dat zich vertoont en kijken onder de dennentakken naar onze krokussen. Ieder kind zaait een schoteltje sterrenkers, verzorgt het, begiet het en knipt het af.

Heel het gevoel bestaat uit vreugde over het wakker worden, het opstaan van de natuur. Zo bereiden we het paasfeest met de kinderen voor, wat dan thuis op paaszondag zijn hoogtepunt bereikt wanneer ze eieren zoeken en vinden (misschien wel in hun eigen sterrenkers).

Nu de natuur weer ontwaakt is, leven we heel sterk in en met haar. Tot aan Pinksteren zijn in onze spelletjes, liedjes en verhalen in het bijzonder de dieren erbij. Juist in de pinkstertijd zijn het de vogels die ons zo aanspreken. Je hoort in de kleuterklas veel vogelliedjes en rijmpjes, er worden kleine vogels geknutseld van lapjes of schapenwol en ze zijn het lievelingsspeelgoed van hen.

In de zomer gaan wij mensen met de natuur naar het hoogtepunt van het jaar, midzomer (Johannes). De natuur is in zekere zin tot een vervolmaking gekomen, ze vertoont zich in pracht en praal. Op deze dag (24 juni) gaan we met de kinderen de natuur in, wandelen rond, verzamelen hout en steken een vuur aan. In vrolijke reidansen gaan we om het vuur heen en zingen onze sint-jansliederen.

Ons jaar in de kleuterklas eindigt met het afscheidsfeest. Afscheid van de kinderen die naar eerste klas gaan en afscheid van elkaar voor de lange vakantie. Er wordt in de tuin een vrolijk zomerfeest gevierd, waarbij allen gelukkig zijn en zich al verheugen op het nieuwe begin.

Het is echter niet alleen heel belangrijk dat wij de jaarfeesten altijd op dezelfde tijd vieren, maar ook heel belangrijk is, hoe we dat doen.
Steeds moet de hele mens meedoen met lichaam, ziel en geest die met evenveel aandacht aangesproken moeten worden. Dus is er altijd wat lekkers te eten en te drinken, met de kinderen bereid, waarbij je ook oude tradities en gewoonten kunt gebruiken (st.-maartenshoorntjes, paasbrood enz.)

Het gevoel wordt aangesproken wanneer we bijv. de ruimte met bloemen versieren, of de eieren of ons feestelijk verkleden.

In het gebied van het geestelijke kunnen we werken door hoe wij het voorbereiden, door onze innerlijke houding. Pas dan kunnen we een sfeer scheppen die het kind diep van binnen aanspreekt. Als uiterlijk teken steken we met de kinderen de kaarsjes aan.

Wij volwassenen moeten de geestelijke achtergrond voor de jaarfeesten bezitten, maar we moeten het vormgeven op het niveau van de kinderen. Dat betekent dat we alles zo doen, dat het kind het met de zintuigen kan opnemen. Dan kan het kind, nabootsend, door het bezigzijn, beleven wat voor ons het zinrijke is.

Wanneer we op deze manier beeldend en met veel activiteit de feesten organiseren, kunnen de kinderen, dankzij hun nabootsingskracht, samen met ons door het jaar heen ‘van het ene feest naar het andere’ leven.

.

Dagmar Kretzschmann, nadere gegevens onbekend

.

jaarfeesten: alle artikelen

[1-1] Jaarfeesten door het jaar
[1-2] Jaarfeesten door het jaar -peuter/kleuterklas
[2-1] Herfst met peuters
[2-2] Herfst: oogstfeest (dorsen, malen, bakken)
[2-3] Herfst met kleuters

.

peuters/kleuters: alle artikelen
.

VRIJESCHOOL in beeld: kleuters: alle beelden

.

1165-1086

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – kleuterklas (2-2)

.
Maike Ruther, nadere gegevens onbekend
.

OP WEG NAAR HET OOGSTFEEST

Het begin van het nieuwe schooljaar voor de kleuters valt in de zomer die ten einde loopt, in de oogsttijd. De ‘dankdag voor het gewas’ wordt nog altijd gevierd op de eerste zondag in oktober. Het hoort bij de jaarcyclus; in de kleuterklas is het zelfs een van de hoogtepunten in de rij van feesten.

In onze tuin hebben we de mogelijkheid wat te planten. Al zijn het maar een paar bonen of wat peterselie, de kinderen beleven er toch aan hoe het groeit, rijp wordt en geoogst wordt, hoe we het in een mandje doen en op de oogsttafel leggen.

Heel belangrijk en indrukwekkend voor de kinderen is in deze tijd de beleving die de kinderen hebben bij de voorbereiding van ons brood dat we bij het oogstfeest bakken. Van de boer hebben we een schoof graan gekregen met de vier graansoorten: tarwe, rogge, gerst en haver. Die staat in het midden bij ons oogstspel dat ons gedurende de twee, drie weken voorbereidingstijd op het feest vergezelt. Dit spel vertelt in liedjes en ritmische versjes over het zaaien, groeien en oogsten, over dorsen, malen en bakken. Wat er in de natuur gebeurt en de gebaren van het mensenwerk worden in beweging omgezet: ze worden in zekere zin kunstzinnig nagedaan in het spel, waarbij de juf het voorbeeld is en de kinderen nabootsend bezig zijn.

Rust maar graantje, ben je moe,
De zachte aarde dekt je toe.
Tot het zonnelicht je wekt,
Dat je blij je halmpje strekt.
Zon en maan en sterren
Groeten je van verre.
Groene halmen wiegt de wind,
die je vol met korrels vindt.

We slaan met de vlegels,
Het dorsen begint.
Het graan voor de boeren,
Het kaf voor de wind.*

Ruh, Körnlein ruh,
Erde deckt dich zu.
Bis der Sonne Licht es weckt,
Fröhlich es sein Halmlein streckt.
Sonne Mond und Sterne
Grüssen es von ferne.
Grüne Halme wiegt der Wind,
Bis sie schwer von Körnern sind.
Wir schwingen den Flegel,
Das Dreschen beginnt.
Die Körner dem Bauern,
Die Spelzen dem Wind.
.

Met een klein verhaal kun je ook wel de inhoud van het spel aan de kinderen vertellen, maar omdat kinderen in het bewegen leven, is het veel indrukwekkender voor hen, wat er gebeurt zelf te doen; daarbij bereik je ze veel meer.

Uiteindelijk breekt de dag aan waarop alle kinderen meehelpen de aren van de schoof af te knippen en ze in een mand te leggen. IJverig werken ze en wat beleven de kleine handen en ogen? Ze tasten en zien (niet altijd bewust) de aard van iedere graansoort: het stevige, rechtomhoog van de tarwe, het weerbarstige, het langwerpig slanke van de rogge met zijn zijdeachtige kafnaalden, het weerbarstige van de gerst met zijn lange kafnaalden die overal aan vast blijven zitten en het puntige van de haver die zijn korrels zo apart verdeelt.

Wanneer de aren afgeknipt zijn, kunnen we ons ‘dorsfeest’ vieren. Daarvoor spreiden we samen een groot wit kleed op de vloer uit. Voor ieder kind wordt daarop een houtblok gelegd en een kommetje van hout, klei of zelfs een schelp ernaast. Op iedere plaats wordt een aar neergelegd en dan lopen we met een lied uit het oogstspel om het kleed heen. Ieder kind vindt een plaatsje en samen beginnen we, ons oogstlied zingend, de korrels met de houtblokken uit de aren te kloppen. Daarbij is weer veel te ervaren: klop ik te zacht, dan komen de korrels echt niet uit hun kafhuisje; klop ik te hard, dan breken de korrels al meteen. Met onze vingertoppen voelen we of de aar leeg is, want vaak verstoppen de korrels zich zo in hun kafhuisje dat je ze bijna niet kan zien en we hebben toch echt alle korreltjes voor ons brood nodig. Uiteindelijk doen alle kinderen de uitgeklopte korrels in hun kommetje bij elkaar: de rondachtig, roodgele tarwekorrels, de langwerpige, blauwgele roggekorrels, de heldere gerstekorrels en de puntige haver dat zijn kafhemdje bijna niet goed uit wil trekken. Er komt natuurlijk ook kaf in de kommetjes, maar dat geeft niets: we kunnen zelf wind maken en het zacht met onze adem wegblazen. Tot slot verzamelen we alle korrels uit de kleine kommetjes in een grote: het zijn er echt heel veel, maar nog niet genoeg voor een brood. Dus gaat het dorsen nog een paar dagen door, dan op tafel tijdens het vrije spel. Nu halen we ook onze molen tevoorschijn en de kinderen beleven hoe de korrels daarin kleiner worden. Dorsen en malen gaan nu hand in hand: de kinderen slaan de korrels uit de aren, verzamelen ze in hun kommetjes en malen ze in de molen of in een oude koffiemolen, waarin ze tot fijn meel worden.

De kinderen voelen aan de korrels, het maalsel, het meel, ze proeven ervan en brengen ook volle kommetjes naar hun poppenhuis als maaltijd.

De meelkom wordt steeds voller, tot we kunnen zeggen: nu is het genoeg voor een brood. De kinderen kijken met grote spanning uit naar de bakdag. Alle ingrediënten worden klaargelegd: meel, water, zout, kruiden (anijs, koriander, karwij, honing) en rijsmiddel. Meteen ’s morgens, wanneer de eerste kinderen er zijn, wordt het gistdeeg klaargemaakt. Is het zo ver dan worden alle bestanddelen gemengd en ijverig voorgekneed, ook de kinderhandjes helpen. Er zijn altijd wel kinderen die niet zomaar meedoen; ondanks dat beleven ze alles mee door de werksfeer die om hen heen hangt.

Nu wordt het deeg op een schaal gelegd waar het een mooie ronde broodvorm krijgt. We dekken het toe en kunnen na een poosje zien hoe het deeg onder de doek begint te groeien, hoe het steeds groter wordt.

eindelijk is het dan zo ver, het bakblik wordt met meel bestrooid, het brood gaat erop, met een mes maken we er een mooi kruis in en schuiven het in de oven. Al gauw begint het erg lekker te ruiken – de geur trekt door de hele ruimte. Enthousiast en met bewondering wordt er naar het brood gekeken, wanneer het uit de oven komt. Twee dagen later ligt het op onze oogsttafel, omringd door kaarsjes en vele liefdevol versierde mandjes met fruit, groente en bloemen die de kinderen van thuis hebben meegebracht.

Wanneer we zo het ene mandje na het andere op onze feestelijke oogsttafel zetten, beleven we een rijkdom: de tafel is zelfs te klein voor alles wat er meegebracht is en we voelen ons dankbaar voor wat moeder aarde ons geschonken heeft. Wanneer we dan allemaal om onze tafel zitten, luisteren we naar een verhaaltje over het brood. De liedjes en versjes van ons oogstspel klinken nog een keer en wanneer uiteindelijk van ons zelfgebakken brood wordt gegeten, wordt dat met aandacht gedaan. Ook de ouders mogen van ns brood proeven. Tussen de liedjes en het dansen nemen we ook iets uit de fruit- en groentemandjes om vrolijk van te smullen. De volgende dag koken we van de vele groenten een groentesoep.

Uit dit alles moge blijken dat de zintuigen van de kinderen sterk worden aangesproken: met het bewegen, de ogen, de oren, de neus, de mond, met de handen wordt alles waargenomen wat er toe leidt dat ons brood er kan komen, zonder dat we dat met woorden hoeven uit te leggen. Wat we in volgorde doen is logisch en voor de kinderen doorzichtig: ze beleven hoe het ene na het andere moet worden gedaan, tot uiteindelijk het brood klaar is en gegeten kan worden.

Als we zo het kind dergelijke overzichtelijke arbeidsprocessen ( ook andere voorbeelden zouden gegeven kunnen worden) laten beleven, leggen we een basis voor het vermogen logisch te kunnen denken na het 14e jaar.
.

Peuters en kleuters: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kleuters
.

VRIJESCHOOL in beeld: Jaartafels

1163-1084

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (44)

.

Hieronder volgt een artikel van Ita Wegman. Zij werkte samen met Rudolf Steiner op het gebied van de geneeskunst.
Het verscheen in het blad ‘Natura’ – tijdschrift voor verbreding van  de geneeskunst door geesteswetenschappelijke menskunde – in 1926.
.

Beschouwingen over inwendige processen in de mens in samenhang met de herfsttijd- de michaëlstijd

In een belangrijke voordracht over Michaël, in oktober 1923 [1] in Dornach gehouden, sprak Rudolf Steiner over de betekenis van de werking van de aartsengel Michaël in het leven van de mens en in de cultuur- en wereldontwikkeling. Hij gaf de volle werking van Michaël in de volgende spreuk samengevat weer in woorden die vanuit hoge geestelijke regionen stammen en in het astraallicht van het wereldal geschreven, te vinden zijn:

O mens,
je geeft het vorm ten eigen bate,
je maakt het naar zijn stoffelijke waarde
in vele werken zichtbaar.
Het zal je pas tot zegen zijn,
wanneer zich aan jou openbaart
zijn hoog verheven geestesmacht. [2]
.

O Mensch
Du bildest es zu deinem Dienste
Du offenbarst es seinem Stoffeswwerte nach
In vielen deiner Werke.
Es wird dir Heil jedoch erst sein,
Wenn dir sich offenbart
Seines Geistes Hochgewalt

En het is een innerlijke noodzaak, nu in de michaëltijd, ernaar te streven wat in deze tijd, tegen de herfst-michaëltijd in het wereldal als macrokosmos en in de mens als microkosmos gebeurt, te begrijpen en te beleven. Hiermee bezig te zijn is de opgave van iedereen die aan de geestelijke cultuur van onze tijd deel wil hebben, waarin Michaël de leiding heeft en aan de mens zijn impulsen wil schenken.
Michaël goed begrijpen zal ook voor hen van een ongekende waarde zijn die zich met de raadsels van de genezing uiteen zetten en die de kennis over de genezende werking in de mens serieus nemen. Zo moeten wij onszelf afvragen wat het is waarover wordt gezegd dat het in de stof zichtbaar wordt voor het nut van de mens, wat voor de mens echter pas een zegen is wanneer hij het in zijn geestelijke kwaliteit kent.

Wanneer het ons duidelijk wordt hoe de huidige cultuur zich aan ons vertoont in haar recente ontwikkeling, dan gaat het om de stoffelijkheid, de materie – zij beheersen de interesse van de mens. We leven in een cultuur die slechts het zichtbaar-stoffelijke als realiteit erkent, waarin de mens al zijn energie, al zijn inspanningen en heel zijn denkvermogen inzet om de aardse materie te bedwingen en nuttig te maken.
De geestelijke kant van de materie heeft niet meer de betekenis voor het huidige bewustzijn zoals dat in vroegere tijden, in vroegere culturen wel het geval was. En we leven in een tijd van machines waarin de mens los geraakt van alle spiritualiteit de materie bewerkt en dienstbaar wil maken aan zijn aardse behoeften. Met name de machines en hetgeen ermee samenhangt is een wezenlijke cultuurfactor en dat brengt ons bij het ijzer dat ons ten dienste staat en dat als stof zichtbaar wordt in wat we maken.
Dit zich in de materie verdiepen, dit zich met de materie verbinden en deze te gebruiken voor eigen doeleinden, was voor de ontwikkeling van de mensheid noodzakelijk. Maar nu bevinden we ons in het heden wel op een tijdstip waarop de mens met waardering voor de resultaten van deze materialistische zienswijze ertoe moet komen, de geest die achter de materie werkzaam is, weer te begrijpen en te beleven. Zou hem niet lukken zich opnieuw te verbinden met deze geest, dan zou hij meegezogen worden in de ban van de door hem zelf ont-geestelijkte wereld, waarin de ahrimanische wezens steeds meer aan kracht kunnen winnen.
Aan dit gevaar ontkomt de mens, wanneer hij in staat is zich eerst weer open te stellen voor de taak die Michaël in de ontwikkeling van de mensheid heeft. Dan leert hij weer begrijpen hoe het geestelijker worden van onze cultuur met de werkzaamheid van Michaël samenhangt. Hij zal leren ervaren hoe het ijzer waarmee de huidige beschaving de werktuigen maakt, van hetzelfde materiaal is als het meteoorijzer dat uit de sterrenwereld naar beneden komt.
Deze tot ijzer verdichte substantie is vanuit een geestelijk standpunt bezien die kracht die in de kosmos tot het zwaard wordt gevormd dat Michaël gebruikt en waarmee hij de strijdt aangaat tegen het materialisme dat in de vorm van een draak de aarde en de mens in zijn macht wil krijgen.
Wat zo groots zich afspeelt als de strijd tussen de hemelsle en aardse machten in de nabijheid van de aarde, heeft ook zijn tegenbeeld in de mens als microkosmische weerspiegeling van het wereldal, van de macrokosmos.
En hoe verloopt deze strijd in de microkosmos?
Hierbij moet je leren begrijpen hoe de mens geplaatst is tussen hemel en aarde; hoe de aardse en kosmische krachten op hem inwerken en zich doen gelden. Dan wordt het duidelijk hoe je in de fysiologische proceesen van zijn organisme en de manier waarop je in denken, voelen en willen deze inwerkingen tot uitdrukking ziet komen, kan herkennen. We moeten in onszelf de fysiologische levensprocessen die zich afspelen in de benedenmens, in de hoofd- en middenmens weliswaar op driegelede manier beleven. En heeft het over een zwavelproces dat een soort verbrandingsproces is waarin de stofwisselingsprocessen en alles wat daarmee samenhangt,verlopen. Het is een proces dat op het bloeien van planten lijkt en dat tot stand komt doordat fysiek-etherische processen in wisselwerking treden met wat van uit de astrale wereld inwerkt.
Nu kan het proces van plantenbloei ook beschreven worden als een soort ontstaan van een diervormend proces dat wordt tegengehouden, omdat de astrale wereld alleen maar van buitenaf op de plant kan inwerken en niet binnen in haar tot processen komt zoals die pas te vinden zijn in het dierlijke organisme en die met zijn stofwisseling, ademhaling en bloedvorming samenhangen. En terwijl je bij de plant alleen maar kan spreken van een tenden tot dierwording, heb je in de mens deze diervormende processen zelf in al die werkingen die zich afspelen in zijn verterings- ademhalings’en bloedvormende processen waaraan het astraallijf inwendig een actief aandeel heeft. Dat deze diervormende processen in de benedenmens binnen de voor hem bestemde grensen teruggehouden worden, hebben we te danken aan het Ik dat ons verder dan het dier in het menselijke brengt. -Met zijn stofwisseling-ledematensysteem staat de mens bovendien in een sterke samenhang met de aardekrachten.
De boven mens, de zenuw-zintuigmens, daarentegen, staat in verbinding met buitenaardse krachten, met sterrenkrachten.
Maar tegelijk vinden in het zenuw-zintuigsysteem afbraakprocessen plaats die te vergelijken zijn met processen van mineraal worden, zoutvormingsprocessen in de ons omringende natuur en die in het menselijk oprganisme nodig zijn opdat de mens bewustzijn kan hebben.
Ertussen, in de midden- of ritmische mens zijn de zgn. mercuurprocessen werkzaam die in adem en bloedsomloop verlopen en met de krachten die in de omgeving van de aarde aanwezig zijn, met de licht- en luchtkrachten in verbinding staan. Ook moet het mercuriale in de mens beschouwd worden als iets wat in hem het evenwicht bewaart tussen licht en zwaarte, tussen aardse en buitenaardse invloeden.
Dit soort processen vinden  voortdurend in de mens plaats en de gezondheid van de mens is de uitdrukking van een harmonisch samengaan van deze drie processen binnenin hem. En ziekte is het gevolg als het ene of het andere van deze levensprocessen de overhand kan krijgen.
Nu worden ook deze fysiologische processen in de mens binnen het verkoop van het jaar op verschillende manieren door de verschillende jaargetijden beïnvloed. Zo komen in de winter de zoutprocessen meer op de voorgrond te staan en daarmee hangt samen een bewuster leven dat zich minder in daadkracht naar buiten manifesteert. De mens leidt een meer naar binnen gekeerd leven en hij heeft de mogelijkheid door een subtieler denken over de raadsels van het bestaan na te denken.
’s Zomers worden de zwavelprocessen sterker die hun hoogtepunt bereiken wanneer het hoogzomer is. Ook de mens voelt in zich dat de levensprocessen intenser worden, de krachten om in de buitenwereld dingen te doen aangewakkerd worden; de aardse krachten doen zich in hem meer gelden. Daarmee gaat aan de andere kant samen een doffer worden van de bewustzijnskrachten, de mens is minder helder in zijn denken wanneer de stofwisselingsprocessen overheersen en hij komt in het gevaar zich te verliezen in een droomachtige toestand.

Terwijl in de zomer zijn astraallijf door de verhevigde verbrandingsprocessen steeds stralender naar buiten toe oplicht, proberen draken- en slangenschepsels die vanuit de aarde komen zich uit te leven in deze zwavelprocessen, daarbij het bewustzijn van de mens volkomen benevelend om er bezit van te kunnen nemen.
Hier, bij dit gevaar, komen de goden de mens tegemoet, hier zenden ze hem hun helpende krachten om het bewustzijn van de mens te versterken.
Dan is daar Michaël met zijn helpers die tegen de herfst de mens te hulp komen. Door de kracht van het meteoorijzer dat in deze tijd in talloze sterrenregens aan de hemel is waar te nemen, worden de krachten van de uit de aarde opstijgende zwavelkrachten tegengewerkt. Michaël vecht met de geestelijke kracht van het ijzer tegen de draak die omhoog wil; en het ijzeren zwaard van Michaël is het dat als een gezondmakende wereldkracht de ahrimanische wezens die in de omhoogstrevende zwavelporcessen binnen willen sluipen, bestrijdt en de mens uit zijn angst en vrees bevrijdt die steeds bezit van hem nemen, wanneer zijn bewustzijn niet meer helder werken kan.
Wat gebeurt daarbij in werkelijkheid in het menselijk organisme, wanneer de strijd van Michaël met de draak zich afspeelt in de astrale wereld? Een wonderbaarlijk gecompliceerd proces speelt zich in wezen gelijktijdig af. Het bloed dat door het hele lichaam stroomt en de de rode bloedlichaampjes bevat, wordt rijkelijk voorzien van ijzerkracht. Het organisme wordt in staat gesteld meer ijzer uit het voedsel in zich op te nemen en met de bloedkleurstof, het hemaglobine te verbinden. En wat zich in de kosmos voltrekt als de meteoren als lichtende kracht uit de sterren door de wereldruimte schieten en wat verhindert dat de ahrimanische geest zich kan verheffen en groter worden – ditzelfde proces vindt in het klein plaats door het verhoogde ijzerproces in het bloed. Wanneer de geest-zielenkracht  van de mens in de herfst weer opnieuw in hem wakker geroepen wordt, is de mens in staat ook de ijzerkracht van zijn bloed dienovereenkomstig te vermeerderen en deze tegenover de zwavelkrachten te zetten die hem willen overspoelen. Het organisme wordt door de met ijzerkracht geladen rode bloedlichaampjes, alsof het van talrijke kleine meteoren wordt voorzien. Zo wordt het hele organisme met genezende kracht overstroomt en bevrijdt van alles wat hem ziek wil maken en wat als angst en vrees in hem leeft.
Deze angst en vrees wordt vaak onbewust beleefd en kan ook tot uiting komen in depressieve stemmingen of zelfs tot lichamelijke vermoeidheid en uitputting leiden, wanneer het organisme niet in staat is voor zijn eigen bescherming genoeg ijzerkracht te mobiliseren. Hier zal de arts die deze processen in de mens kent, de natuur helpend kunnen ondersteunen, wanneer hij aan zo iemand ijzer geeft.

Wat zich nu zo in het grote ritme van het jaarverloop inwendig in de menselijke organisatie afspeelt als een op- en afgaan van ziekmakende invloeden door het meebeleven van de gebeurtenissen in de hem omringende natuur, in de afwisseling van aardse en buitenaardse krachten, vindt zijn spiegelbeeld in wat aan de mens in zijn dagelijks ritme van wakker zijn en slapen waargenomen kan worden. In de slaap waarin de bewuste activiteit tot rust komt, wanneer het Ik en het astraallijf zich los hebben gemaakt, voltrekt zich een actieve opbouw vanuit het stofwisselingssysteem door het etherlijf en fysieke lichaam; terwijl in het bewuste dagleven de afbraakkrachten meer werkzaam zijn. Ook deze dagelijks zich herhalende wisselwerking van boven- en benedenprocessen in de menselijke organisatie houdt steeds een gevaar in zich, wanneer de mens niet in staat is overdag een gezond evenwicht te scheppen door die processen die met de werkzaamheid van Ik en astraallijf verbonden zijn.
Opdat dit gevaar dagelijks overwonnen kan worden heeft de mens het ijzer in zijn bloed. Zonder ijzer zou het bloed steeds ziek zijn en er vindt door het ijzer in het bloed constant, op een natuurlijke manier een wonderbaarlijk genezingsproces plaats. Door de stralende kracht van het ijzer moet de stofwisseling keer op keer binnen de gezonde grenzen teruggehouden worden en in evenwicht gehouden wat aan zwavelprocessen in het bloed doorwerkt; anders zou de mens ziek worden. En afgezien van bleekzucht, bestaan er nog andere ziekteverschijnselen die in wezen samenhangen met het feit dat het organisme niet voldoende ijzerkracht heeft om zich tegen de van de stofwisseling uitgaande ziekmakende invloeden te beschermen.
Dus wat dagelijks fysiologisch in het menselijk organisme plaats vindt, ondergaat een intensivering in de loop van de zomer naar de herfst. En de mens die in de oude tijden nog het vermogen had mee te beleven wat er in hem en om hem heen gebeurde, beleefde de michaëltijd met zijn helpende kracht als feesttijd waarin hij kon vieren zijn bevrijding door Michaël van het gevaar dat hem bedreigde door de omstrengeling van Ahriman.
Daartoe moet de mens van tegenwoordig ook weer komen. De mens zou opnieuw mee moeten kunnen beleven hoe Michaël de mens wil helpen om innerlijk vrij te worden, hem van angst en vrees te bevrijden en hoe de michaëlkrachten gezondmakende krachten zijn.
De mens moet zich vanuit zijn eigen wil weer bewust verbinden met wat in de wereldruimte en in hem zelf als michaëlkracht werkt.
Dan zal ook Michaël als leider van de tijd de mogelijkheid krijgen zich met de mens te verbinden en zijn impulsen aan de mensheid te geven.
En dan zal de tijd aanbreken waarop wij het michaëlsfeest weer in echte zin kunnen vieren.
.

Ita Wegman, in Natura nr.3 sept. 1926
.

[1] GA 223/229, blz.165
[2] Vertaald      Inkijkexemplaar

meteoorijzer

Over Ita Wegman  (zoek in fondslijst)

Van Ita Wegman: Michaël (zoek in fondslijst

.

Jaarfeesten: Michaël – alle artikelen

Een artikel met inhoud van gelijke strekking

.

1161-1082

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis- kerstverhaal (14-1)

.

V.a. 5 jr. Voorleestijd: 3 min.

Italiaans kerstverhaal van Fr.Pocci

.

Het vreemde kind

In een huisje aan de rand van een bos woonde een arme dag­loner die met grote moeite in zijn onderhoud voorzag met houthakken. Hij had een vrouw en twee kinderen, een jongen­ en een meisje; het waren goede, gehoorzame kinderen en zij maakten de vreugde van hun ouders uit. Zij hielpen ook flink mee als het erop aankwam iets te verdienen. Toen deze goede mensen bij elkaar zaten en hun schamel brood aten, werd er zachtjes op de deur geklopt. Buiten sneeuwde het en de wind joeg de vlokken hoog op.
Een fijn stemmetje riep buiten: ‘Ach, laat mij binnen in jullie huis! Ik ben een arm kind en ik heb niets te eten. Onderdak heb ik ook niet en ik sterf bijna van honger en kou. O, laat mij toch binnen!”
De kinderen sprongen op van hun stoel, openden de deur en riepen: “Kom toch binnen, arm kind. We hebben zelf niet erg veel, maar we zullen eerlijk met je delen!”
Het vreemde kind kwam binnen, en warmde zijn half bevroren handen en voeten bij de kachel. De kinderen gaven het te eten. Daarna zeiden ze: “Je zult wel moe zijn. Kom, ga maar in ons bed liggen. Wij zullen vannacht op de bank bij de kachel slapen.”
Het vreemde kind antwoordde: “Mijn vader in de hemel dankt jullie daarvoor!”

De kinderen brachten hun kleine gast in hun kamertje, hielpen hem in bed, dekten hem toe en dachten: “Wat hebben wij het nog goed! Wij hebben onze warme kamer en ons lekker bedje. Het arme kind heeft niets dan de hemel als dak en de grond als ligplaats.”
Toen de ouders naar bed gingen, legden de kinderen zich neer op de bank bij de kachel en zeiden tegen elkaar: “Het vreemde kind zal wel genieten in ons warme bed. Slaap lekker!”
De goede kinderen sliepen vast tot de vroege morgenstond. Toen werd de kleine Marie wakker en wekte haar broer: “Valentijn! word wakker! Luister eens naar die mooie muziek!”
Voor het huis hoorden zij muziek en zang. Zij waren een beetje bang en toch weer niet. Voorzichtig slopen zij naar het venster om te zien wat er buiten gebeurde. In het oosten gloeide het morgenrood. Voor het huis zagen zij een aantal kinderen staan. Zij hadden zilverkleurige jurkjes aan en in de hand droegen zij gouden harpen. Terwijl zij verbaasd naar buiten staarden, voelden zij een lichte aanraking op hun schouder. Toen zij omkeken zagen zij het vreemde kind voor hen staan. Het kind zei:  “Ik ben het Christuskind, dat in de wereld rondgaat om goede kinderen geluk en vreugde te brengen. Jullie hebt mij deze nacht geherbergd, omdat jullie dachten, dat ik een arm kind was. Ik geef jullie beiden mijn zegen.”
Toen ging het kind naar buiten en brak een tak van een dennenboom af, die dicht bij het huis stond en zei: “Dit takje plant ik in de grond hier. Het zal een boom worden en ieder jaar vrucht dragen.”
Toen verdwenen zowel het kind als de engelen die gezongen en gespeeld hadden.

Het dennentakje echter groeide en werd een kerstboom. Die was behangen met gouden appeltjes en zilveren noten. Elk jaar bloeit de boom één maal.

In de kersttijd.

Kerstverhalen: alle

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Kerstmis                         jaartafel

.

1158-1079

.

.

VRIJESCHOOL – Kleuterklas – herfst (2-3)

.

H.Sweers-van Woggelum, Geert Grooteschool Amsterdam, nov.1974
.

HERFST MET DE KLEUTERS
.

Dankzij de harmonie en het ritme in de kosmos kan het heelal bestaan. Als we on-ritmisch worden, worden we ziek. Voelen we het ritme niet, dan hebben we geen tijd meer, de tijd heeft ons, we hebben het te druk. Het gaat om het juiste ritme van de dag, het jaar, het leven.

Daarom is het zo fijn dat we hier vier jaargetijden hebben. Lente, zomer, herfst en winter. De zomer is nog maar net voorbij, het is najaar. Opeens voel je op een ochtend: de zomer is voorbij, het is herfst geworden. Door de jaren heen heb ik gehoord dat de meeste mensen niet van de herfst houden. Er is zo’n spreekwoord: “Als de blaadjes vallen ….” ’t Wordt koud, nat en donkerder en toch ….

Zo mooi is het park in de herfst, nevelig, nevelvrouwen boven de vijvers, het zonlicht getemperd tot gouden schijn, je moet de sfeer proeven en ruiken. Niet in de stad natuurlijk, maar buiten in het park of bos, ook wel in een tuin, hoewel deze er soms wat melancholisch uit kan zien. Prachtig de herfstbladeren met hun warme kleuren en toch zo doorzichtig, anders doorzichtig dan in de lente. Vruchten overal. Overal oogst die binnen gehaald wordt … wat is onze oogst?

De vruchten aan de bomen soms verrassend tussen de bladeren. We hebben in de klas St.-Michaël gevierd, vroeger ’t boerenfeest van de oogst… Heerlijk zoet waren de druiven als laatste zomergroet van de zon, peren, noten, appels. Wat kun ja niet allemaal doen met zo’n appel! Snij je die in dunne plakjes en houd je ze tegen het licht, je ziet de bloem, en de gaatjes van de pitten zijn een ster. Dwars doormidden een hart. Dan kan het nog een “toverappel” worden of een paddenstoel, ja, noem maar op wat zo’n appel niet kan in de kleuterklas.

Dennenappels zijn ook fijn en veel mee te doen. Vrouwtjes, bomen, herfstvogels. De zaden van de dennenappel die zo mooi naar beneden dwarrelen, daarna maken we ze van papier, dat we mooi kleuren, “dwarrelaars” .Verzamelen van kastanjes en eikels. Van alles wat we bijeen zoeken maken we een grote herfsttuin. En alle kinderen maken op een papieren schaaltje ieder voor zichzelf ook een mooi herfsttuintje.

Het lopen door de afgevallen bladeren! Straks zijn ze droog en ritselen ze zo leuk.

Nu kijken we dóór de afgevallen bladeren, zijn ze licht? Schijnt ’t licht er nog door of zijn ze al donker? Van de bladeren die we drogen, maken we een mooi schilderij tussen broodpapier.

Michaëlssprookjes vertellen van de overwinning door moed. De draken worden overwonnen. Eindeloos kan gespeeld worden van de kippen en van Prins Herfst. Vliegeren is ook fijn in de herfst.

In november is de oogst binnen. Wolken jagen door de lucht, het stormt, de bomen zijn kaal, het wordt St-Maarten! Op 11 november vieren we het feest van St.-Maarten. Was er in de zomer veel licht van buiten, nu moet het van binnen gaan schijnen. Uit de donkere aarde halen we de knolraap, suikerbiet of wortel en maken daar ruimte in om het licht te laten schijnen in de duisternis. Je gaat van buiten naar een huis toe. Buiten in de storm moet je het lichtje van de lantaren hoeden. Héél vroeger offerden we aan de Goden na de oogst. De arme mensen gingen met hun lantaren langs de boeren om ook iets van de oogst te krijgen voor de lange koude winter. Veel liedjes zijn daarvan overgeleverd.

Er wordt nog St.-Maarten gevierd in verschillende streken van ons land. In de kleuterklas komen meestal de ouders helpen de wortelen of knollen uit te hollen’. Dat worden dan ware kunststukken] Een echt vóórfeest met de ouders, en kinderen. Op Sint-Maarten lopen we met de lichtjes en zingen sint-maartenliedjes. Sint-Maarten schenkt de bedelaar de helft van zijn mantel.- Iets van jezelf schenken aan de ander is niet altijd vanzelfsprekend. Het is een wilsdaad.

Veel kleuters verheugen zich erop om met de “grote” kinderen van de school ook nog in ’t donker door het Vondelpark te lopen met hun eigen lichtjes. Dat is een beleven, ’n lichtje in je lantaren en vele lichtjes om je heen.

.

Peuters en kleutersalle artikelen

Vrijeschool in beeldkleuters
Vrijeschool in beeldJaartafels

1155-1076

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (28)

.

FOLKLORE

pnksteren 1

Daar komen de pinksterbruidjes aan. Volgens oude kerkelijke traditie valt Hemelvaartsdag precies veertig dagen na Pasen. Een erkende vrije dag, een dag met traditie. Luister maar eens naar wat een Overijsselse Almanak uit 1836 weet te berichten:
’Op den morgen van Hemelvaartsdag met het eerste daglicht naar buiten, de jenever-en brandewijnflesschen in den zak, en na zich onder de boomen en priëelen verlustigd te hebben, voordemiddags, somtijds vroeg genoeg om naar de kerk te gaan, terug. Ook de meisjes zijn bij dit dauwtreên.’
Dat dauwtrappen was een nu vrijwel geheel verdwenen gebruik om in de vroege morgen van Hemelvaartsdag met blote voeten in het bedauwde gras te lopen. Volkskundigen menen dat dit dauwtrappen of dauwtreden, zoals men ook wel zegt, berust op het volksgeloof dat de dauw op bepaalde belangrijke dagen magische en genezende kracht heeft.

Dat geloof is over boord gegooid. Natuurlijk. Maar daarmee is helaas ook het echte dauwtrappen zo goed als verleden tijd geworden. Nu zijn er heel wat mensen die op Hemelvaartsdag vroeg uit de veren zijn, omdat het – als het weer gunstig is – een mooie dag is om er zomaar midden in de week eens op uit te trekken. Maar dauwtrappen en de genezende kracht van de dauw? Voor hen die de geneeskracht van de dauw willen ontdekken, hier nog een speciale tip.

In Leek kunt u dat nog meemaken. Georganiseerd door V.V.V. en een natuurbeschermingsorganisatie. Wel vroeg op. Het begint om vier uur in de ochtend. Met roggebrood en spek, met koffie en koek. [1]

Tien dagen na Hemelvaartsdag is het Pinksteren, van ouds een kerkelijk feest, herinnerend aan de uitstorting van de Heilige Geest, zoals dat beschreven is in het tweede hoofdstuk van de Handelingen der Apostelen.
Folkloristisch is Pinksteren een karakteristiek meifeest.

In Noord-Holland begint het nogal luidruchtig, vooral in Amsterdam, Haarlem, de Zaanstreek en op Texel, met luilakviering. Een mooie Amsterdamse impressie uit de dertiger jaren van deze eeuw geeft het volgende stukje.

‘In den nacht, die aan den zaterdag voor Pinksteren vooraf gaat, begint het lieve leven al. Er lopen om vijf uur, als het nog schemerdonker is, al jongens op straat te blerren: ‘Luilak, luilak, beddezak!!’ Komt er een agent in de buurt, dan maken zij benen. Dat zijn dan de erg enthousiasten, de sportieven, die graag hun vriendjes de oogen uitsteken en trotsch verkondigen, dat zij al om vijf uur op straat waren en dat er toen een ‘smeris’ kwam en dat ze toen ’de kuierlatten’ genomen hebben. Tegen zes uur komen er meer van die snaken. Je ligt in je bed, hebt den vorigen avond laat gewerkt, wil graag uitslapen.

Maar buiten dreint het: ‘Luilak, luilak!’ De kleine folkloristjes sleepen groenteblikken, oude fluitketels en ander geraasmakend materiaal achter zich aan en gillen, joelen en brullen: ‘Luilak, luilak!’ Suffig gaan je oogen open . . . o ja, Zaterdag voor Pinkster, Luilak . .. ’t Lieve leven is weer aan den gang … En je hebt zoo’n slaap en je mompelt allerlei onaangename dingen over die onuitroeibare atavismen en je verwenscht de verbeeldingrijkheid van de voorvaderen met hun verdraaid geluilak.’

Luilak is nóg niet dood en gaat waarschijnlijk nooit dood. De jeugd laat zich het privilege om lekker lawaai te maken niet ontnemen. Wel wordt door de volwassenen alle mogelijke moeite gedaan om de baldadigheden zoveel mogelijk in te perken. Vandaar georganiseerd luilakvieren met vroege bezoekjes aan bioscopen.

Voor nog levende pinkstergebruiken gaan wij eerst naar Haarlem. Daar vindt men de speciale luilakmarkt die van vrijdagavond tot de ochtend van zaterdag voor Pinksteren wordt gehouden. De nadruk ligt hierbij op de bloemen en iedere ware Haarlemmer komt op luilak dan ook met een plantje of bloemetje naar huis.

In Twente houdt men op eerste pinksterdag de pinksterbruidjes nog steeds in ere. De dorpen die nog mee doen, kiezen uit de jonge meisjes de pinksterbruid die opgetuigd met een kroon van veldbloemen, vergezeld van haar leeftijdgenootjes door de straten trekt, terwijl liedjes gezongen worden.

Daar komen de Pinksterbruidjes aan,
en ze zijn zo heel mooi aangedaan.
Geef wat, houd wat en het volgend jaar nog eens wat.
Hier woont een rijk man, die ons heel wat geven kan.
God zal U lonen, met honderdduizend kronen
met honderdduizend strikjes eraan,
daar komen de Pinksterbruidjes aan.

Natuurlijk wordt daarbij op traktatie gerekend, waarop in het liedje gespeculeerd wordt en men doet dat niet tevergeefs.

pnksteren 2

In Agelo bij Ootmarsum gaat nog ieder jaar de pinksterbruid rond. Het bruidje wordt door haar kornuitjes gekozen. Met een papieren kroontje, een mooi schortje en een waaiend sluiertje gaat zij met haar gevolg op stap. Ze verzamelen de goede gaafjes in een busje. De ene helft voor de missie, de andere helft voor een eigen feestje. En zingen. En zingen.

Pinksterbruid, wat schone ruit,
Wie heeft ons dat gegeven?
Dat heeft een rijke heer gedaan,
Die heeft ons dat gegeven.
Pinkstr’en komt maar eenmaal in ’t jaar,
Nu moet ge ons all’maal wat geven.

pnksteren 3

Soms worden er pinksterkronen opgericht, waaronder gezongen en gedanst wordt. Dat is nog het geval in Deventer. Zo’n pinksterkroon bestaat uit staken van vier tot vijf meter hoog, waaraan op een bepaalde wijze hoepels zijn bevestigd; van de top af, worden geknipte slingers van gekleurd papier neergelaten. Ook worden wel echte bloemen gebruikt en het ziet er allemaal heel feestelijk uit. Een van de standaardliedjes die bij de pinksterkroon in Deventer worden gezongen is nog steeds:

Wij rozen naar den ouden trant
Weer allen samen hand in hand
De Pinksterkrone is weer in ’t land
Hoezee
Hij stiet weer in de stroat geplant
Hoezee
Zien bonte kop stek fier omhoog
’t Is ja ’n lust veur ieders oog
Hoezee, Hoezee, Hoezee.

Dat zingen en springen bracht veel lawaai met zich mee. Soms heel erg. Zoals in 1679 toen de pinksterkroonviering door de stedelijke overheid van Deventer verboden werd vanwege het luidruchtig dansen en zingen en andere ’insolentiën’.

Rond Pinksteren is er nog meer aan de hand zoals het al heel oude kallemooifeest op Schiermonnikoog. In de nacht voor Pinksteren wordt daar een haan gestolen. Wiens haan dat zal zijn wordt door de kallemooicommissie in geheime beraadslaging vastgesteld. Niemand die zich daar tegen zal verzetten, ook de politie niet, want het is traditie. De haan die het slachtoffer van de feestviering wordt, heeft het niet slecht, maar moet geen last van hoogtevrees hebben. Het beest wordt in een mand met voer voor drie dagen opgetakeld in de twaalf meter hoge kallemooiboom. Daar kan hij zich van zijn speciale taak kwijten: hij moet kraaien, hoe meer en hoe harder, hoe liever. Om dat te bereiken wordt – zo gaat het verhaal in ieder geval – een vingerhoed oude klare bij het voer gevoegd. Dat schijnt de geestdrift van het beest aan te wakkeren. Dinsdag na Pinksteren wordt de mand weer naar beneden gehaald en gaat de haan naar de rechtmatige eigenaar terug. Waarom die onzin gebeurt, vraagt een nuchterling? De diepe zin is al lang vergeten.

Maar mag dat nu de pret deren?

Bij Pinksteren hoort pinksterdrie. Dat vindt men in ieder geval in de Zaanstreek waar men aan twee pinksterdagen niet genoeg heeft; een extra dagje dus. Na een beleg in de Zaanstreek, dat op de eerste en tweede pinksterdag 1576 plaats vond, werden de Spanjaarden op pinksterdrie verslagen. Vandaar dat pinksterdrie een soort bevrijdingsdag is geworden.
Purmerend heeft op pinksterdrie de traditionele markt, die jaren geleden ‘een bokkie kopen’ heette, want het accent lag toen op de veemarkt.
In Purmerend vertellen ze dat het een gewone markt is, al geven ze toe dat de halve omtrek naar de markt op die pinksterdrie gaat. Wat nuchter, maar zo zijn ze wel in Noord-Holland.

In het ‘Friese Haagje’ Heerenveen is een pinkster-jaarmarkt en wel op tweede pinksterdag, terwijl men in Leek op diezelfde dag volgens oude traditie markt houdt, waarbij zeer velen uit het Westerkwartier en het Noordenveld naar ‘de’ Leek trekken.

Een heel bijzonder pinkstergebruik was de brooduitdeling op de Ageler Es onder Ootmarsum. Op de tweede maandag na Pinksteren – beloken Pinksteren – deelden de boeren roggebrood uit aan de armen. Hoe men aan deze traditie is gekomen, vertelt een oud boekje als volgt, ’ln het jaar 1738, den 21 Juni, is er een dondersschoer opgekomen uit Zuidwest, omtrent vijf uur en is overgekomen te half zes, waaruit zoo een schrikkelijk regen is gevallen met zware donderslagen en lugtigen, dat de huizen beefden en daar is hagel gevallen, zoo groot als een eendenei, zoodat de glazen met de wind zijn ingeslagen en vele roggevelden en andere vruchten rond de stad vernield en verwoest zijn, zoodat het naar was om aan te zien. En is het schoer naar het Noorden omgetrokken. En om zoo een straf af te weren, beriepen de boerrigters eenen hölting tezamen om te beraden, wat aan de zaak te doen was, en men kwam daarin overeen om door liefdegiften in het gevolg bevrijt te wesen van onweer en hagelslag.’ Maar ja er zijn geen armen meer. Dus die boeren kunnen geen brood meer aan de armen geven. Afgeschaft? Ja, die brooduitdeling wel, maar niet de zinvolle traditie. Want op die dag komen de boeren nog altijd bijeen. In plaats van brood wordt nu geld bijeen gelegd. En dat gaat naar een goed doel.

Pinksteren is ook een tijd voor sport en spel en dan bedoelen wij niet Ajax en Feijenoord, al begint voetbal ook een stuk ‘folklore’ te worden. Nee, verder terug in de historie. Naar Walcheren, waar pinksterdrie een uitgezóchte dag is voor ringrijderijen, een oude sportieve bezigheid. Het is de kunst om een ring die aan een touw is bevestigd met een lans te steken. De deelnemers zitten daarbij op een ongezadeld paard dat tot galopperen wordt aangezet. Als de wedstrijd vordert en de beste rijders overblijven, wordt een ring van kleiner formaat gebruikt. Om zich zelf aan te moedigen neuriën de deelnemers fraaie liedjes zoals ie is in, ie is in, En noe gaet het nir m’n zin; of als misgestoken is ’t Is mis,’t is mis, As of d’r gin gat in is.

pnksteren 4

Met Pinksteren komt op de folkloristische kalender meteen een eind aan de lentetijd. De zomer staat voor de deur. En dat is een nieuw hoofdstuk.

[1] in 2015 nog wel in Leek; in 2016 hier

Hemelvaart en Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

1068-990

.

.