Tagarchief: sprookje

VRIJESCHOOL – Zintuigen (9-9)

.

De zintuigen

De gaven van Doornroosje

In de nieuwe* onderwijswet vraagt artikel 10 onder meer ‘zintuiglijke oefening’ in samenhang met de rest van het onderwijs.

Het kleine kind is één en al zintuig in de eerste zevenjarige levensfase, volgens een bekende uitspraak van Rudolf Steiner. Reden te over om geen pedagogie voor de geïntegreerde kleuter- en lagere school te behandelen zonder grote aandacht aan de zintuigen te besteden.

Een korte beschouwing over Rudolf Steiners zintuigenleer en de pedagogische waarde ervan mag hier niet ontbreken.
Wat zijn zintuigen? Naar het uiterlijk te oordelen, heeft de mens er enige, die een opvallend orgaan bezitten. Denkt u zich een mens in zonder ogen, neus, mond en oren! Van het hoofd vooral zou weinig herkenbaars overblijven. Ogen worden ‘spiegels der ziel’ genoemd; oren zijn zo individueel, dat men de mens aan zijn oren kan identificeren.
Gogolj wil ons in zijn satirische verhaal ‘de neus’ doen geloven, dat de neus meer individualiteit bezit dan de gehele verdere mens. Laat ons even stil blijven staan bij het oog.

Dit oog is zonder twijfel het belangrijkste zintuig voor de westerse mens, ook al kunnen wij niet verhelen, dat de blinde met zijn kwalitatief sterk ontwikkelde gehoor sociaal sterker in het leven staat dan de dove. Aan het oog kan men het wezen van het zintuiglijke goed demonstreren.

Het is een instrument, dat ons een gezichtswaarneming van de wereld-buiten-ons mogelijk kan maken. Let wel, ook ons eigen lichaam behoort tot die buitenwereld! Het oog is een poort, waardoor indrukken van buiten tot de ziel komen en verinnerlijkt worden.

De meeste van deze ‘poorten’ zijn in ons hoofd gelokaliseerd: ogen, oren, mond, neus. Later leerde men ook andere, meer verborgen poorten kennen: evenwichtszin, warmte- of temperatuurzin, tastzin. In het geheel zijn er twaalf. De beste systematiek vindt men bij Rudolf Steiner, Révesz en Lievegoed.

Twaalf is een mooi getal.

Laten we de zintuigen eens beschouwen vanuit het sprookje. In ‘Doornroosje’ vinden we bijzonder mooi gekarakteriseerd wat de zintuigen zijn. De twaalf feeën brachten elk hun gave aan het prinsesje. Maar er ging iets mis met die gaven. Doornroosje werd door de scherpe spoel van de oude vrouw in de toren getroffen. Zij viel in slaap en haar gehele wereld ook.

Dit sprookje is geen verzinsel, maar, zoals alle sprookjes, een beeld, een in aardse beelden geklede, spirituele werkelijkheid. Met onze zintuigen is er ook iets merkwaardigs aan de hand. Doornroosje had in het geheel niets meer aan al haar gaven, zolang zij sliep, dat wil zeggen: zo lang haar het normale waakbewustzijn ontbrak. Hoe staat het echter met ons bewustzijn met betrekking tot onze zintuiglijke waarneming? Keren wij terug tot het oog.

Ziet het oog als zodanig iets? Ziet dit fysieke orgaan met zijn oogbol, lens, iris, netvlies, oogspiertjes, oogzenuwen en bloedvaatjes iets? Het antwoord is neen. Het oog van een gestorvene ziet niets. Wordt het echter getransplanteerd bij een ander mens, dan ziet het oog nog niets, maar de andere mens kan zijn gezichtswaarnemingen door middel van dit oog weer doen. De mens zelf kijkt immers en niet zijn oog. Er zijn echter in het leven ook ogenblikken, waarin de levende mens, wakker en met open ogen toch niets ziet. Dat is een merkwaardige zaak. Is ‘zien’ dan niet alleen een passieve aangelegenheid?

De gehele natuurwetenschap is opgebouwd uit mathematica en experiment en men wil daardoor slechts laten meetellen wat telbaar, weegbaar en meetbaar is. Dat sluit geestelijke factoren uit, waardoor het kwantitatieve gaat overheersen. De waarde van de kwalitatieve dingen is grotendeels verdwenen. De menselijke ziel viel daardoor ‘in slaap’.

De boze fee uit het sprookje is ons abstracte, intellectuele bewustzijn. Deze fee bracht de gereduceerde wetenschap tot stand, de materialistische natuurwetenschap, die zoals bekend, dood en vernietiging kan brengen. Ook de rijkdom van het door onze zintuigen waarneembare gebied is ernstig aangetast door de boze fee. Deze rijkdom moet weer ontsloten worden.

Onze waarnemingstheorie is namelijk onjuist. Rudolf Steiner heeft al in 1894 overtuigend aangetoond, dat men inconsequent is, wanneer men meent, dat het oog géén werkelijkheid kan waarnemen. Er is een denkfout in het spel… Want wanneer de wereld voor de mens slechts voorstelling is, zijn ook ‘het oog’ en ‘de hand’ voorstellingen en geen werkelijkheid. Het z.g. veroordeelde ‘naïeve realisme’ moet dan óók voor oog en hand gelden.

Wanneer ik als denkend subject een begrip op een object betrek, dan is deze betrekking niet louter subjectief. Welnee. Immers niet het subject als zodanig brengt die betrekking tot stand, maar het denken. Een conducteur denkt niet, omdat hij conducteur is, maar hij is conducteur, omdat hij in staat is om te denken.

Rudolf Steiner heeft dit probleem van de waarneming en de zintuigen tot onderwerp van zijn proefschrift gemaakt. Later werkte hij dit proefschrift uit tot een groter boek ‘Die Philosophie der Freiheit’.
De opstanding van het ware denken uit de slaap van het intellectuele bewustzijn is de prins uit het sprookje van Doornroosje. Hierdoor kunnen de twaalf goede feeën alias de twaalf zintuigen weer beginnen te werken. Men mag ervan uitgaan, dat ons oog evenzeer indrukken van de werkelijkheid geeft als de mathematisch te meten resultaten van druk, afmeting, toestand, snelheid, die in wezen evengoed met zintuigen samenhangen, nl. met tastzin, bewegingszin en evenwichtszin.

De zintuigen moeten opnieuw in hun totaliteitsaspect worden bekeken. Als zodanig zijn zij oefenbaar en voor de pedagogie uiterst nuttig en vruchtbaar.

Door de waarneming via mijn oog, pakt mijn ik de wereld. Dan komt er pas een gewaarwording in mijn ziel. Waarneming en denken zijn de pijlers, waartussen het bewustzijn tot stand komt. Ik zie en ik weet wat ik zie.

Of ik weet niet, wat ik zie, maar ik tracht het te weten te komen door vergelijking met dat, wat ik al gezien had. De zintuigen zijn er aan toe wederom als kenbronnen voor het weten van de mens in ere te worden hersteld.

De honderd jaar slaap van Doornroosje zijn voorbij. Nu is het de tijd om wakker te worden. Vooral in de pedagogie. In de mens is het de wilsmatige kern van het zielenwezen, die de bij de zintuiglijke waarneming behorende processen zinvol opvat, en innerlijke activiteit ontplooit, die als het ware naar buiten straalt. Er gaat dus niet alleen iets door de zintuigen naar binnen, maar er bestaat een spirituele stroom, die als een ‘tegenstroom’ van de ziel door de zintuigen naar buiten gaat.

Zoals gezegd is, beschreef Rudolf Steiner het kind als een wezen, dat één en al zintuig is. Maar een zintuig, zegt hij, waarin bij elke schrede de wil gewerkt heeft.

Een zintuig, waarin de wil werkt? ‘Ja’, zegt Rudolf Steiner. ‘het is ook bij het oog zo, dat het wilsmatige het innerlijke beeld tot stand brengt. In ieder zintuig schept het wilsmatige het innerlijke beeld. Het zintuig zelf heeft natuurlijk de passieve kant: het heeft eerst de taak zich (en de mens) bloot te stellen aan de buitenwereld, maar in elk zintuig vindt een innerlijke activiteit plaats en die is van wilsmatige aard. En dit wilsmatige werkt bij het kind intensief door het gehele lichaam tot de tandwisseling.’

Deze wilsmatigheid werkt zelfs nog door tot het negende levensjaar. Wat betekent dat voor pedagogie en heilpedagogie? Wat komt alleen goed over op deze wilsmatige activiteit van de zintuigen? Wat doet het innerlijke beeld slechts tot stand komen bij het kind?

Nu, alleen datgene, wat uit innerlijke activiteit van de leerkracht is voortgekomen: op een menselijk-beeldende wijze moet gesproken worden over alle dingen van natuur en mens. Dat betekent: kunstzinnig onderwijs.

Een creatieve, een kunstzinnige activiteit weet innerlijk vorm te geven en alles antropomorf, menselijk-beeldend te maken in alle onderwerpen, die door het kind met de zintuigen kunnen worden opgenomen.

Daar is het spelelement in de zin van Schiller aanwezig!

Voor een kind tot negen jaar is het belangrijk, wat de roos tegen het viooltje zegt. of het broodmes tegen het broodje. Het spelelement helpt om het beeldkarakter te vormen. Beeldkarakter draagt niet alleen bij tot het leven, maar ook tot latere, gezonde begripsvorming.

Men denke weer aan de beelden uit ‘Doornroosje’.

In de spirituele wereld aan het hof van de koning was de dertiende fee niet uitgenodigd. Men had geen bord om haar voor te zetten. Want de waarheden van het intellect zijn bespottelijk voor een geestwereld — ‘dwaasheid bij God’ heet dat later — en het intellect wreekt zich: Doornroosje moet sterven. De laatste fee zet de dood om in een slaap. Zij is de enige macht die de dood kan veranderen in opstandingskracht. Doornroosje valt in slaap om haar opstanding mogelijk te maken.

5.4.2 De indeling van de zintuigen
De zintuigen, onze twaalf feeën, worden in drie groepen van vier ingedeeld: tastzin, levenszin, bewegingszin en evenwichtszin is de eerste groep; reukzin, smaakzin, gezichtszin en warmtezin is de tweede groep; gehoorzin, woordzin, begripszin, ik-zin is de derde groep. De drie groepen spiegelen de drieledigheid van het menselijke zielenleven: willen, voelen en denken.

Rudolf Steiner noemt de eerstgenoemde groep ‘wilszintuigen’, de tweede groep ‘gevoelszintuigen’ en de derde groep ‘denkzintuigen’.

Prof Lievegoed geeft in aansluiting op Prof. Révesz een iets andere terminologie. Elke groep wordt genoemd naar het meest kenmerkende van zijn zintuigen, die dan ook ‘haptische zintuigen’ (hapto = ik tast. Gr.) worden genoemd. Voor de tweede groep is het kenmerkende zintuig het oog, dus wordt de groep gevoelszintuigen ‘optische zintuigen’ genoemd. Het gehoor is het kenmerkende zintuig voor de derde groep. ‘Akoestische zintuigen’ (akou-o = ik luister. Gr.) worden die genoemd.

Laten we eerst de middelste groep bekijken en hun relatie tot het gevoelsleven vaststellen. Die staan, zoals gezegd, bekend als ‘optische’ zintuigen. Deze zintuigen geven de mens een objectief-subjectieve informatie over de omgeving, de natuur, en de natuurlijke wezens.

Onder de andere zintuigen springt deze groep met grotendeels herkenbare organen, als een flinke neus in het gezicht, naar voren.

We verplaatsen ons als reizigers in gedachten naar Agrigento op Sicilië in de voorzomer. Wij ervaren heerlijke warmte van de zon en koele schaduwplekken. Wij genieten van de geuren die de aromatische plantenwereld schenkt: rosmarijn, thijm, marjolein cn munt. Wij proeven een paar vroege bramen, ze zijn warm en zoet. Wij genieten van dc kleuren: stralend-blauwe lucht, diepblauwe zee en goud-kleurige, edel gevormde tempels.

Onze gewaarwordingen zijn in hoofdzaak afkomstig van respectievelijk warmtezin, reukzin, smaakzin en gezichtszin. Huid, neus, tong en ogen genieten. Die zintuigen wekken gevoelens, zij zijn zintuigen in de gevoelssfeer, hebben een sterke uitbreiding naar het psychische.

Juist vanwege de gevoelens is dit viertal gewantrouwd.

Ten onrechte, zoals uit de inleiding blijkt.

De gevoelsmatigheid van het viertal wordt in onze taal zeer duidelijk geaccentueerd. Sterke gevoelens spreken in uitdrukkingen als: ‘Wat een fijne, warme persoonlijkheid!’ Dat is een kille tante!’ ‘Ik kan haar niet luchten of zien!’ ‘Hij staal in de reuk van heiligheid.’ ‘Dat huis is met smaak ingericht.’ ‘Wat een bittere ervaring!’  Ook de vier elementen komen er aan te pas: men proeft pas als iets vloeibaar gemaakt is, men ruikt als iets gasvormig wordt, men ziet pas, als het licht er op valt en de kleuren zich manifesteren. Water, lucht, warmte cn aarde zijn er bij betrokken. Waarom zou men dit viertal niet evenzo in beeld brengen als de middeleeuwse Universiteit de zeven jonkvrouwen van de vrije kunsten? Nu, we noemen de zintuigen de ‘duodecim deae sensoriae’ waarvan we nu de gezichtszin: fee Omma. de reukzin: fee Naseia, de smaakzin: fee Gusta en de warmtezin: fee Caloria, genoemd hebben als onderdeel van een twaalfvoudige zintuigenkring.

Het volgende viertal bestaat uit minder duidelijk aanwijsbare zintuigen. Slechts één ervan heeft een bijzonder orgaan, maar om het te vinden, moet men de schedel open maken: de z.g. drie halfcirkelvormige kanalen van de evenwichtszin in het oor. De andere zintuigen zijn overal verspreid. Wat nemen deze zintuigen waar? De waarnemingen zijn wilsprocessen, die zich bijna in het onbewuste afspelen.
Rudolf Steiner noemt dit viertal ‘onderste’ of ‘wilszintuigen’, de ook wel gebruikte term ‘haptische’ zintuigen hangt samen met het Griekse werkwoord ‘hapto’, dat ‘tasten’ betekent.

Stellen we ons voor, dat wij gedurende een reis in een grot terecht komen, die plotseling door een puinstorting achter ons wordt afgesloten. Het is pikdonker. We hebben geen zaklantaarn of lucifers. We tasten moeizaam voorwaarts, met voelen en handen. We voelen soms iets van steen, hout of ijzer. We moeten wankelend steeds ons evenwicht bewaren. We voelen ons onbehagelijk, hebben hoofdpijn of koorts.

Deze haptische zintuigen helpen ons iets van onszelf waar te nemen. Zij zijn naar binnen toe gericht, in ons lichaam spelen zich drukprocessen af bij het tasten. Levensprocessen worden waargenomen, wanneer zij niet goed functioneren. Anders is er een vaag gevoel van welbehagen. Wij voelen onze bewegingen en ook, of we in evenwicht zijn.

De mens neemt met deze vier zintuigen op subjectieve wijze naar binnen toe waar, maar wat hij gewaar wordt, heeft objectief karakter. Die maag kan werkelijk van streek zijn, dat is geen verbeelding. Mijn stand kan werkelijk verkeerd zijn ten opzichte van de aard-as. Tastzin, levenszin, bewegingszin en evenwichtszin zijn wilszintuigen.

De gehele natuurwetenschap en de techniek zijn door de mens ontwikkeld. Het zijn de ‘onderste’ zintuigen die de mens op het idee van afmeting, druk. toestand, zwaarte, snelheid hebben gebracht

Maar in het kunstzinnige beeld van de zintuigenkring mogen we voor kinderen zeker spreken van de tastzin als: fee Contacta, van de levenszin als: fee Viviane, van de bewegingszin als: fee Kinela en van de evenwichtszin als: fee Harmonia.

In de zin van elementen is fee Contacta aards, fee Viviane met de vloeistoffen verbonden, fee Kinela vol van het bewegelijke luchtelement en fee Harmonia heeft met de warmte te maken.

Onze derde en laatste groep zintuigen is eigenlijk geheel gericht op de informatie, die een medemens ons door’ waarneming oplevert. Daardoor zijn deze zintuigen grotendeels onbekend. Er is zeker sprake van een on-ontgonnen gebied, aangezien men meent voldoende te hebben aan de acht reeds genoemde zintuigen om de medemens te leren kennen.

Het gehoor neemt bij deze vier zintuigen een aparte plaats in, want het heeft veel weg van de vier gevoelszintuigen, maar het opent ook de poort voor de volgende drie.

Rudolf Steiner noemt deze vier: kenniszintuigen of geestelijke zintuigen. Ook worden ze ‘akoestische’ zintuigen genoemd.

We wagen ons aan een beschrijving:

De omgeving doet er niet toe. Wij raken in een gesprek. We  luisteren aandachtig en we trachten ons alleen te concentreren op datgene, wat de ander probeert te zeggen. We horen de klank van de stem. We nemen méér waar. We onderscheiden in de klankenstroom, die de ander voortbrengt, woorden en zinnen. Wij verstaan zijn taal. De zinnen van de ander bevatten gedachten, zij drukken gedachten uit. Wij luisteren, stellen ons geheel open. Denken we er maar één gedachte tussen door, dan nemen wij niet meer waar, wat de ander denkt. Wel beleven wij onderwijl de persoonlijkheid van de ander, we beleven hem als ik-mens.

Het volkomen nieuwe van Rudolf Steiner is ten aanzien van het geheel der zintuigen, dat hij erop gewezen heeft, dat er aparte zintuiglijke waarneming nodig is om in klanken woorden en zinnen te onderscheiden (woordzin of taalzin). Ook is er een apart zintuig nodig om in de woorden en zinnen de gedachten en ideeën van een ander waar te nemen, maar behalve in de taal ook nog in gebaar of mimiek.

Dit zintuig heet dan ook denk- of begripszin.

Tenslotte is ook het waarnemen van het ‘ik’ van een ander mens geen vorm van redenering, maar van zintuiglijke waarneming. Om het verschil tussen ik en niet-ik in de omgeving bij een ander mens waar te nemen, is een apart zintuig nodig, dat de ‘ik-zin’ genoemd wordt.

De akoestische zintuigen vragen, dat zij in hun geestelijke waarde worden ontdekt. Zij zijn kennis-zintuigen, die met uitzondering van het gehoor alleen aan de mens eigen zijn.
Voor degene die de mens als een soort dier beschouwen bestaan zij dus niet.
In onze feeënkringen nemen zij uiteraard een belangrijke plaats in. We hebben de gehoorzin als: fee Akoestica, de woordzin als: fee Logica, de denkzin als: fee Noëtica en de ik-zin als: fee Christiane.
Men kan zich afvragen of in het sprookje fee Noëtica de boze fee was. Door fee Christiane werd haar boze plan doorkruist. Daarna nam zij in ieder geval haar plaats in de kring weer in.
Ook al wordt men wakker uit de 100-jarige slaap. die veroorzaakt werd door het intellectueel-eenzijdige, toch kan men het verworven intellect als controlerende factor niet missen, ook bij  elke spirituele ontwikkeling. Dit laatste is dikwijls door Rudolf Steiner met nadruk betoogd.

Deze hoogste zintuigen kunnen geoefend worden. En hun waarnemingen worden dan de vrucht van een ontwikkelingsweg naar innerlijke activiteit.

Het is duidelijk, dat de natuurwetenschap de begrippen ‘woord’, ‘gedachte’ en ‘ik’ slechts als zuivere abstracties moet beschouwen. Rudolf Steiner geeft door zijn werk de mogelijkheden om deze abstracties weer ‘schouwbaar’ te maken, hetgeen pedagogisch en sociaal van het grootste belang mag worden geacht.

Tenslotte wordt het twaalftal zintuigen in beeld gebracht:

Rudolf Steiner merkte eens op, dat ons ik, als centrum van ons zielenleven. zich in de twaalf zintuigensfeer beweegt als de zon in de twaalf sterrenbeelden van de ecliptica.

Zo’n aanwijzing kan tot levend beeld worden.

zintuigen 1

5.4.3. Zintuigen en de kinderontwikkeling
Hoe past men de totaliteit van de twaalf zintuigen in ons mensbeeld? Het beeld van het zich naar lichaam, ziel en geest ontwikkelende kind, dat op weg naar de volwassenheid door drie zevenjarige fasen gaat?

Het kan duidelijk zijn, dat de zintuigactiviteit van het kind zeer intens is en onmiddellijk na de geboorte begint. De baby proeft nog voor hij kijkt. Tot in zijn kwispelende teentjes geniet hij van de zoete moedermelk. Het kleintje hoort ook al van alles: het kan van geluiden schrikken en het wordt rustig bij het zingen of spreken van de moeder.

Al betrekkelijk gauw komt in de tijd, waarin de lichamelijke basis van het kind wordt gevormd en uitgebouwd, de beweging als hoofdkenmerk van deze levensfase te voorschijn. Alles betasten, vasthouden, evenwicht bewaren, zich omdraaien, gaan zitten, pakken en gooien, schuiven, kruipen, staan, waggelen en lopen. Het kind denkt nauwelijks, het beweegt voortdurend. Eigenlijk is het merkwaardig, dat het pas lopende peutertje een hond en een boom herkent, ook al was de eerste ontmoeting met een pekinees en een treurwilg en de tweede met een Sint Bernard en een dwergconifeertje. Hond is hond en boom is boom. Deze begrippen zijn waarnemingen en geen conclusies na een denkproces!

Het kind gebruikt in de eerste zevenjaarfase — de wilsfase — wel alle zintuigen, maar de hoofdrol wordt toch gespeeld door het viertal, dat men ‘wilszintuigen’ noemt: tast – levens – bewegings – en evenwichtszin. Hoe kunnen deze ‘onderste zintuigen’ tot een goede ontplooiing komen? Door nabootsing in het algemeen en door het spel in het bijzonder! Rustige, zinvolle bewegingen van de volwassenen in de omgeving en beweegbaar speelgoed (hamerende timmerlui, zagende houthakkers, pikkende kipjes, dansende popjes) dat alles stimuleert de onderste zintuigen op goede wijze. Het kinderspel is ook bijzonder goed voor de wilszintuigen: de oude kinderspelen, kringspelen met goede klank en ritme, balspelen, touwtje springen.

Er zijn ook dingen die in onze technische civilisatie veel voorkomen en een regelrechte aanslag zijn voor de harmonische ontplooiing van tast – levens – bewegings – en evenwichtszin. Onrust, haastige, geïrriteerde bewegingen, toestellen die schijnbare beweging laten zien (film, T.V.) tasten de onderste zintuigen aan. Vooral ook gebrek aan ruimte voor spelen in de bovenbedoelde zin vormt een aantasting.

Kleuterscholen waar niet geleerd, maar gespeeld wordt, zijn gunstig in dat opzicht.

Bij sommige kinderen is de bewegingszin door een onrustige omgeving met een overmaat aan onritmische, mechanische, onregelmatige beweging zó aangetast, dat bij het kind geen gezonde bewegingsdrang, maar een ‘beweegzucht’ is ontstaan. Het kind kan dan geen seconde meer stil zitten, en beweegt, constant wriemelend en peuterend. Het kan ook niet meer luisteren.

Het viertal onderste zintuigen vormt een basis voor de volgende vier gevoelszintuigen in de schoolkind- of gevoelsfase. Die middelste vier – reuk – smaak – gezichts – en warmtezin geven op hun beurt een basis voor de harmonische ontplooiing van de laatste vier, de denkzintuigen in de laatste zevenjarige ontwikkelingsfase.

Het verband tussen de drie groepen is van het allergrootste belang voor de pedagogie en het onderwijs.

Het blijkt namelijk mogelijk te zijn om door het leggen van het juiste verband tussen een wils-, een gevoels- en een denkzintuig gebreken in het leervermogen geheel of gedeeltelijk te herstellen.

Men is daar nog in het begin, maar steeds meer studie van de zintuigen zal kunnen leiden tot het efficiënt helpen van leerlingen met moeilijkheden.

Een enkel voorbeeld mag thans volstaan. We zien een jongen, die met het oog niet goed kan waarnemen d.w.z. hij vergist zich met kleuren en vormen en hij kan nauwelijks een begrip ontwikkelen. We geven hem een opdracht om iets te tekenen.

We merken het volgende:

Het kind voelt niet, dat zijn papier op de tafel wegschuift. Hij voelt ook niet, dat hij te hard op zijn krijt drukt. Hij heeft ook niet in de gaten, dat zijn linkerhand een ander kleurkrijtje vasthoudt. Het papier ligt te schuin om prettig te werken. Geleidelijk komt het ongemerkt onderste-boven te liggen. Het kind krast te hard. Hij blijkt niet te zien, of zijn werk mooi of lelijk is.

Kijken we naar Trigoon III dan zien wij een samenhang tussen bewegingszin, gezichtszin en begripszin. De aangetaste bewegingszin beïnvloedt het oog en de begripsvorming (zie afb.).

Een aantal oefeningen om zich ritmisch en ontspannen te leren bewegen, bewerkt, dat de jongen normaal leert lopen en normaal leert zitten. Daarna is het mogelijk hem te leren zien, of hij het krijtje los en toch stevig hanteert. Hij leert ook zien, dat krassen niet zo mooi is; dat hij de lengte en dikte van de streepjes zelf kan controleren en veranderen. Hij begrijpt, hoe men dat aanpakken kan.

Het gaat er wel om een goede verstandhouding met het kind op te bouwen en het gedichtje zo uit te zoeken (of zelf te maken) dat het kind er iets waardevols in kan zien. Kortom, met de zintuigen als uitgangspunt is er zeer veel mogelijk. Men moet zich realiseren, dat zoiets in een gewone groep zevenjarigen kan worden gedaan.

Alles wat de zintuigen overbrengen, behoort tot de materiële wereld. Maar dit innerlijk ontstane beeld heeft zijn tehuis in het rijk van de onzichtbare levenskrachten.

Wat onze geest denkt, onze ziel beleeft, heeft onmiddellijk invloed op de levensuitingen van het organisme. Het zintuigorgaan wordt ook van de psychische zijde direct geëngageerd. Het van vreugde vervulde hart vindt zijn weerspiegeling in de glans van het oog!zintuigen 2

zintuigen 3

zintuigen 4

zintuigen 5

5.4.4 Aanhang             Samenvatting zintuigen.

A. Haptische of wilszintuigen.

1. De tastzin.|
Contact van de wil met de buitenwereld. Wanneer ik iets betast, neem ik toch mijn lichamelijkheid waar. Drukprocessen spelen zich onder mijn huid af. Ik projecteer dit op de buitenwereld met mijn bewustzijn en ik vel het oordeel ‘dit is een ruwe muur’. Er is een reactie van ons innerlijk op uiterlijke gebeurtenissen. Overigens werken bewegings- en evenwichtszin mee met de tastzin, evenals het oog. Het orgaan van de tastzin is ons gehele lichaam, vooral de huid.

2. De levenszin
We nemen door de levenszin op zeer algemene en onbepaalde wijze de toestanden van ons lichaam waar. De waarneming betreft in hoofdzaak de vitale sfeer, de functionering van de levenssappen: bloed en lymfevochten. We voelen dingen die het gehele lichaam betreffen: moeheid, uitgerust zijn, honger, dorst, uitputting, verzadiging, slaperigheid
Ook ontstaat bewustzijn van een orgaan, dat niet werkt zoals het zou moeten doen. Functioneert alles goed, dan neemt de levenszin een vaag behagen waar: wij voelen ons gezond en fit. De levenszin geeft objectieve feitelijkheden: Wanneer wij ons onplezierig in de maag voelen zou een chemicus met zijn retort precies kunnen nagaan, wat er aan onze spijsvertering mis is.

3. De bewegingszin
Dit zintuig neemt alle eigen beweging waar. Het zegt ons of wij in rust of in beweging zijn. De bewegingszin neemt alle bewegingen waar die in ons lichaam gebeuren, maar met beweging buiten ons? Een vergissing is het om te menen, dat wij bewegingen buiten ons door het oog direct kunnen waarnemen. Dat gaat anders. Het oog neemt slechts kleuren en licht-donker nuances waar. Wij doen alle bewegingen, die in ons waarnemingsveld zijn, onbewust mee in ons organisme, in het bewegingssysteem van onze lichamelijkheid.
Door onze eigen bewegingszin worden onze medebewegingen waargenomen, zodat alle beweging buiten ons tot ons subjectieve bewustzijn komt. Een cirkelvorm op een schoolbord is een ‘gestolde’ beweging. die ik met mijn bewegingszin waarneem. Met mijn bewustzijn verbind ik deze waarneming met de optische waarneming van de witte krijtstreep.
Een blinde neemt vormen alleen waar met zijn tastzin en bewegingszin. Rudolf Steiner noemt dit zintuig ook wel ‘eigenbewegingszin’.

4. De evenwichtszin
Met dit zintuig nemen wij onze stand in de ruimte waar. Zijn wij in evenwicht ten opzichte van de drie ruimteassen: boven-onder,  links-rechts, voor-achter? In feite wordt de betrekking waargenomen tussen het middelpunt van de aarde en ons eigen lichaam. Een z.g. onmacht betekent, dat onze evenwichtszin ons het middelpunt van de aarde ‘niet kan laten zien’.
Onze gehele oriëntatie in de ruimte is mogelijk door de evenwichtszin, die haar orgaan in het oor heeft, de drie z.g. half-cirkelvormige kanalen.

B. Optische of Gevoelszintuigen

5. De reukzin
De reukzin is in de neus gelegen. Via de lucht wordt alles waargenomen, wat van de materie in gasvormige toestand is overgegaan. De door de neus waargenomen geur, lucht of stank heeft een zeer sterke uitwerking op ons lichaam, die door vaak heftige gevoelens wordt vergezeld. Lichamelijke reacties b.v. braken zijn ook mogelijk.

6. De smaakzin
De smaakzin laat ons met tong en gehemelte proeven wat van de materie in vloeibare toestand is overgegaan.
Het proeven via de smaakzin veroorzaakt bij de mens zowel een groot genot en welbehagen als ook walging en misselijkheid met alle tussenliggende schakeringen.

7. De gezichtszin
De gezichtszin kan via het oog alleen functioneren, wanneer er licht is; toch kan ons oog het licht zelf niet waarnemen, aangezien licht geen stoffelijke maar een geestelijke kwaliteit is. Wel neemt het oog de dingen waar, die het licht aan hun oppervlakken veroorzaakt nl. kleur- en licht-donker nuances. Over het waarnemen van vorm zie de bewegingszin.

8. De warmtezin
De warmtezin heeft als orgaan onze gehele oppervlakte, al zijn er gevoeliger en ongevoeliger plekken. Waargenomen worden warmte en koude en de schakeringen daartussen.
Dit zintuig heeft duidelijker dan andere zintuigen een brug naar het psychische. Zielenwarmte en -koude worden ook door de warmtezin waargenomen, in combinatie met de akoestische zintuigen.

C. De akoestische zintuigen of Denk-zintuigen

9. De gehoorzin of klankzin
De gehoorzin heeft een Januskop. Ten dele behoort zij tot de z.g. middelste zintuigen, voor zover de natuur wordt waargenomen en de waarneming gevoelsmatig geëngageerd is. Maar het zintuig heeft ook het opmerkelijk vermogen om kwaliteiten hoorbaar te maken. Dit geldt niet alleen voor het onderscheiden van ‘echte’ munten, maar vooral voor het onderscheiden van kwaliteiten in de stem van de mens. Vandaar de sociale vermogens van de blinde!

10. De woord- of taalzin
De taal van een medemens is een zelfstandig te beleven wereld. Via de gehoorzin nemen we slechts het akoestische of muzikale element van de taal waar, niet het wezenlijke van de taal zelf.
Om woorden en zinnen in de stroom van klanken te kunnen onderscheiden is een apart zintuig nodig. Wij bouwen in de loop van ons leven via de woorden een soort klankorganisme op. Orgaan is: ons gehele bewegingsorganisme.

11. De gedachte- of begripszin
Taal en gedachte zijn niet identiek. Wij kunnen de gedachte van een ander mens ook leren kennen door zijn gezichtsexpressie en zijn gebaren. Er is een hoger zintuig nodig om uit de taalstroom de gedachten en ideeën te weten te komen. Dit is geen resultaat van verstandelijke redenering, maar van een zintuiglijke waarneming.
Kinderen kunnen al begrippen ervaren, wanneer zij nog niet kunnen denken. Orgaan voor het begripszintuig is het levensorganisme. Interessant is het, dat Chinezen, Koreanen en Japanners hetzelfde schrijfteken voor ‘boom’ hebben, terwijl zij geheel verschillende talen spreken.

12. De ik-zin
Wij moeten tussen eigen denken en het waarnemen van de gedachten van een ander mens onderscheiden.
Evenzo hebben wij onderscheid te maken tussen de beleving van ons eigen ‘ik’ en het waarnemen van het ‘ik’ van een ander.
Er is geen conclusie uit mijn eigen ik-beleven ten aanzien van een ander. Er is werkelijk sprake van een waarneming. Daartoe hebben wij een apart zintuig, de ik-zin. Het leert ons de keuze te maken tussen ‘ik’ en ‘niet-ik’ bij de ander. Het ik van de ander is een geestelijke realiteit. Onze eigen ik-zin — ons gehele lichaam is het orgaan ervan — moet door innerlijke activiteit geoefend worden.
.

Het binnenste buiten – publicatie Rudolf Steinerschool Leiden, *mei 1985, hoofdstuk V waarvan 5.4

.
Ik-zin: artikel in Antroposofie Magazine

.

Zintuigen: alle artikelen
.

1017-943

.

VRIJESCHOOL – De kleuter naar de 1e klas

.

Annet Schukking, maandbericht Geert Grooteschool Amsterdam, maart 1975
.

KIND IN ONTWIKKELING   –   KIND NAAR SCHOOL
.

Het kind verandert als het schoolrijp wordt. Het meest opvallend zijn natuurlijk de mondjes met de gebitten met van die gezonde gaten er in en het spannende doorbreken van de ivoren kunstwerken, nog wit en gaaf en voorzien van een mooi kartelrandje.
Maar ook hoe het spel verandert, de manier van tekenen – het zijn allemaal aanwij­zingen dat er een wezenlijk verschil is tussen kleuter en schoolkind. De fase van groei en versteviging van het fysieke lichaam, de ontwikkeling van de zintuigen, is tot een zekere afronding gekomen. De krachten die in dit proces “geïn­vesteerd” waren, komen nu vrij en kunnen op een andere manier werkzaam [1] zijn. Bij de kleuter was het alsof hij aan de hand werd genomen door een fee, een speelfee, die alle voorwerpen overstraalde met een gouden glans en ze met haar toverstaf aan­raakte waardoor ze nu eens een boot dan weer een poppenbed werden, al naar gelang het kind het zich wenste. De dingen waren er voor hém, ondergeschikt aan zijn spel: alles was speelgoed tot de poes en oma toe.

Dan komt de nieuwe fase. Het kind wordt wakker, niet zozeer in zijn verstand, in zijn intellect, als wel in zijn gevoelsleven. De fee neemt afscheid, maar ze geeft het kind een geschenk. Het is alsof haar glans zich samentrekt, kristalliseert, en als een kleinood in de intimiteit van het innerlijk leven van het kind wordt opgenomen en daar begint te stralen. De stevige blijvende tanden sluiten nog iets anders af dan een fase in de ontwikkeling – ze sluiten de toegang af tot een kostbare innerlijke wereld. Het kind wordt geslotener. Kon de kleuter vaak nauwelijks wachten om te vertellen wat hij op het klasje beleefd had, het schoolkind antwoordt op de vraag: “Wat hebben jullie vandaag gedaan?” –
“O, niets.”

Dat is het beeld aan de buitenkant, Van binnenuit is er echter een grote openheid. Zoals het kleine kind een en al openheid was in zijn zintuigen, zo is het schoolkind in de eerste jaren een en al openheid in zijn gevoelens. Er leeft in hem een grote en warme belangstelling voor de aard en het karakter van de dingen, de dieren en de men­sen, voor stemmingen, voor nuances, voor schoonheid, voor dramatiek. Het ontdekt nu wat de poes tot poes maakt; het merkt ook plotseling of iemand verdriet heeft – de kleuter onderging dit alleen-, het lijdt zelf vaak aan angsten en het ziet dat anderen meer kunnen dan het zelf kan, er ontwaakt een gevoel van eerbied. Het kind is in deze jaren van zich uit religieus. Er is een rijk­dom aan gemoedskrachten, aan innerlijke belevingen en het is geen wonder dat de toegang hiertoe gevonden kan worden via een verwante wereld, de wereld van de sprookjes, my­then, sagen en legenden. Groot is de aandacht als het gaat over al die wezens met hun duidelijke karakterbeelden en hun dramatiek: de boze wolf, de oude koning, de mooie prinses, het dappere snijdertje – steeds gaat het over verpersoonlijkte zielenkwaliteiten, niet over lijfelijk rondlopende mensen of dieren, daarom is ook het onmogelij­ke mogelijk zonder dat het onzin wordt.

Heb je eenmaal die toegang gevonden, dan is er weer die grote vreugde om te leren. Want het schoolkind is werkelijk leergierig, als het gezond is; het gaat met grote verwachting naar de “grote” school. In vakken waarin kleuren (schilderen), vormen (boetseren), klanken (vreemde talen), tonen (muziek), beweging (euritmie) aan bod ko­men, spelen karakter en dramatiek vanzelf een grote rol, maar uitgaande van sprookjes is het ook mogelijk om bijvoorbeeld de abstracte lettertekens tot leven te brengen. Zelfs de schijnbaar dorre getallenwereld blijkt verrassend dynamisch te zijn en vol karakters te zitten.

Er is natuurlijk veel meer te vertellen over die eerste jaren van het schoolkind. Het kan niet alles aan bod komen in een maandberichtartikeltje. Dit is alleen maar bedoeld als aanmoediging om zelf waar te nemen en te gaan ontdekken en om hierdoor goede in­tuïties te ontwikkelen, waardoor je de toegang tot het kind blijft vinden. Het is im­mers enorm belangrijk dat de verborgen belangstelling gewekt en gevoed wordt en niet ondergaat in saaie eenzijdigheid, hetzij van de eigen beperkingen van het kind (tem­perament, aanleg), hetzij door een onaangepaste vorm van onderwijs. Het laten verkom­meren van het gevoelsleven, het laten doodbloeden van de belangstelling zijn misdaden die nooit meer te herstellen zijn.

Aanbevolen:
Steiner: ‘De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’
Lievegoed: ‘De ontwikkelingsfasen van het kind’

zie hierover ook Paidos-uitgave Nr. 41 (16 artikelen over de overgang naar de tweede zevenjaarsperiode).

[1] zie: over het etherlijf
Ook in Algemene menskunde: voordracht 1: [1-7-2/2]  [1-7-2/2-4]

Schoolrijpheid: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

796-731

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookje (8-3/1)

.

Russisch sprookje uit de verzameling van A.N. Afanashew
.

Verteltijd ca 7 min.

 

DE SNOTTERIGE GEITENBOK

.

In een zeker land, in een zeker rijk leefde eens een koopman. Hij bouwde voor zichzelf een nieuw huis en zond er zijn oudste dochter heen: ze moest er over­nachten en hem dan vertellen wat ze in haar droom had gezien. Het meisje droomde dat ze ging trouwen met een koopmanszoon.

De volgende nacht zond de koopman zijn middelste dochter naar het pasgebouwde huis om te zien wat zij daar zou dromen. En zij droomde, dat zij ging trouwen met een edelman.

De derde nacht was het de beurt van de jongste dochter. Ze werd erop uitgezonden, en ze droomde dat ze trouwde met een geitenbok.

De vader schrok geweldig en verbood zijn lievelingsdochter om buiten de deur te gaan. Maar zij was ongehoorzaam en zij deed het toch. Op hetzelfde ogenblik nam de bok haar op zijn lange horens en droeg haar over steile oevers en hellingen naar zijn hut. Daar legde hij haar te slapen. Het snot liep hem uit de neus, de kwijl droop uit zijn bek, maar het arme meisje veegde telkens alles weg met haar zak­doekje, zonder afkeer te voelen. Dat stond de bok wel aan en tevreden streek hij over zijn baard.

De volgende morgen stond het mooie meisje op en zag dat het hele erf was omgeven door palen en dat op ieder daarvan het hoofd van een meisje was gestoken – slechts één enkel paar was leeg gebleven. En het arme kind was blij, dat ze aan de dood was ontkomen. Al gauw kwamen er dienaren om haar te wekken: “Het is nu geen tijd meer van slapen, meesteres, maar het is tijd de kamers schoon te maken en het vuil het huis uit te vegen.”
Ze ging naar buiten voor de deur en zag ganzen vliegen. “Ach, mijn grijze ganzen, komen jullie misschien uit mijn ge­boortestreek? En brengen jullie mij soms tijding van mijn eigen vadertje?”

De ganzen antwoordden:  “Ja, wij komen uit je geboortestreek en hebben tijding voor je meegebracht; er wordt bij je thuis een verloving gevierd, want je oudste zuster gaat trouwen met een koopman.”

De bok hoorde alles op zijn ligbed en zei tegen de knechten: “Hé daar! Trouwe dienaren, breng de bont versierde gewaden en span de zwarte paarden in! In drie sprongen moeten zij op hun plaats van bestemming zijn.”

Het meisje maakte zich mooi, stapte in en de paarden brachten haar in een oogwenk bij haar vader. Voor de deur trof zij gasten aan, en in het huis was een feestmaal gaande. Maar de bok had zich veranderd in een knappe jongeman en liep met de goesli* het erf op en neer.

Nu, wie zou een speelman niet binnenroepen bij een feest? Hij betrad dan ook het grote, houten huis en begon direct te spelen en te zingen: “De vrouw van een geitenbok! De vrouw van een snotneus.”
Het arme meisje gaf hem eerst op de ene wang een klap, toen ook op de andere, en ging er daarna in grote op­winding met het span zwarte paarden vandoor. Toen ze thuiskwam, lag de bok al op zijn gewone plaats. Het snot droop uit zijn neus, de kwijl uit zijn bek, en weer veegde het meisje alles weg met haar zakdoekje, zonder afkeer van hem te voelen.
’s Morgens werd zij door de dienaren gewekt: “Het is geen tijd van slapen, meesteres, maar van opstaan. De kamers moeten worden schoongemaakt, het vuil moet naar buiten worden geveegd.”
Ze stond op, bracht de kamers in orde en ging naar buiten vóór het huis. Daar vlogen weer de ganzen voorbij.
“Ach, mijn grijze ganzen, komen jullie misschien uit mijn ge­boortestreek met tijding van mijn vader?”
En de ganzen antwoord­den: “Wij,komen uit je geboortestreek en brengen je nieuws: bij je thuis wordt een verloving gevierd, want je middelste zuster gaat trouwen met een rijke edelman.”

Opnieuw reed het meisje naar haar vader. Voor het huis ontmoette ze gasten, want binnen werd er een groot feestmaal gegeven. De bok veranderde zich weer in een knappe jongeman die op het erf heen en weer liep met de goesli. Hij werd binnengeroepen, begon te spelen en zong daarbij: “De vrouw van een geitenbok, de vrouw van een snotneus…”
Opnieuw gaf het arme meisje hem eerst op de ene en toen op de andere wang een klap, en ging er met het span zwarte paarden vandoor.

Toen ze thuiskwam, lag de bok op zijn gewone plaats. Het snot droop uit zijn neus, de kwijl uit zijn bek. Weer ging er een nacht voorbij. ’s Morgens stond het meisje op, ging naar buiten voor de hut en zag weer de ganzen voorbijvliegen.

“Ach, mijn grijze ganzen, komen jullie misschien uit mijn
ge­boortestreek, en brengen jullie soms nieuws van mijn vader?”
En de ganzen antwoordden:  “Ja, wij komen uit je geboortestreek en hebben nieuws voor je meegebracht: je vader geeft een groot feestmaal.”

Het meisje snelde naar haar vader. Voor het huis ontmoette ze gasten en binnenshuis was een geweldig feestmaal aangericht. Om het huis liep de speelman met zijn goesli. Ze riepen hem de feestzaal binnen en weer zong hij: “De vrouw van een geitenbok, de vrouw van een snotneus…”
Het arme meisje gaf hem eerst op zijn ene en daarna op zijn andere wang en klap en haastte zich naar huis. Ze keek op zijn gewone ligplaats, maar daar lag alleen de huid van een bok. De speelman had geen tijd gehad er weer in te kruipen.

De huid vloog de kachel in, en voortaan was de jongste dochter van de koopman met een knappe jongeman getrouwd.

Ze leefden nog lang tezamen en vermeerderden hun bezit.

.
*citer-achtig instrument

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 1e klas sprookjes

.

763-699

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (8-2/1)

.

Uit: Von den Quellkräften der Seele– Herbert Hahn)

.

het sprookje van de drie lammetjes
.

Een weduwe had drie zonen.  Ze was zo arm, dat de zonen de wereld in moesten om de kost te verdienen.
Alle drie kwamen zij in de leer bij een oude eerbiedwaardige man. De oude man bezat een kudde schapen. De oudste zoon vroeg toen hij bij de oude in de leer was: “Heer, wat moet ik doen?” “Veel is het niet.” was het antwoord.  “Ga naar de schapen op het veld, zorg goed voor ze en verlies ze niet uit het oog en ’s avonds als je terug­keert met de kudde, vertel me dan van welk gras ze gegeten en van welk water zij gedronken hebben.”
De oudste zoon was blij, dat hij zo’n eenvoudige opdracht had ontvangen. Hij trok met de schapen naar het veld, ging in het gras liggen en keek dromerig naar de blauwe hemel.  “Meer hoef ik niet te doen,” dacht hij. Vredig en stil graasden de schapen, doch plotseling bemerkte hij hoe zij samen­drongen bij een wilde waterval, waarover slechts een smal zwak en verrot bruggetje leidde.
De oudste zoon sprong op en rende er heen om de schaapjes tegen te houden, maar het lukte hem niet. Hij riep en riep, ze luisterden echter niet naar hem. De een na de ander liep over het smalle brugge­tje. Alleen één klein lammetje, dat tot het laatst wachtte, stootte steeds tegen de benen van de oudste zoon en trok met zijn tanden aan de slippen van zijn jas, alsof het iets aan de oudste zoon wilde tonen. De zoon duwde zonder te kijken het lammetje van zich af en schonk verder geen aandacht aan het dier.
Tegen de avond kwamen de schapen weer vanzelf terug en de zoon bracht de kudde weer veilig thuis bij de oude man.  “Nu,” vroeg de oude, “Vertel me, van welk gras aten mijn schapen en van welk water dronken zij?” “Ze aten groen gras en dronken helder bronwater” antwoordde de jongen verwonderd op de vraag van de oude.
De oude man lachte fijntjes en zei: “Je hebt je dienst zo goed verricht als je maar kon. Hier is je beloning.” En hij gaf hem een zak vol goudstukken. “Ga nu naar huis en overhandig het geld aan je moeder, zij zal het hard nodig hebben. Bovendien heeft je moeder grote heimwee naar je.” “Hoe kan dat nu”‘ zei de zoon,  “Ik ben pas gisteren van huis ver­trokken” “Je bent langer van huis dan je denkt.  Zeven jaar was je bij mij in de leer,” sprak de oude man.

Toen nam de oudste zoon de zak met goudstukken aan en vertrok in de richting van zijn huis. Onderweg echter bezocht hij een herberg, waar hij al zijn geld verloor aan drank en spel. En toen hij thuis kwam had hij zijn moeder niets aan te bieden.

Zo verging het ook de tweede zoon. Ook hij hoedde de schapen van de oude man en merkte niets van het kleine lammetje dat hem iets duidelijk wilde maken. Ook hij werd vriendelijk door de oude man toegesproken en hij kreeg een zak vol goudstukken. Ook hij ging zo lichtzinnig met het goud om, dat het van hem gestolen werd„ Met lege handen keerde hij evenals zijn oudere broer terug.

Nu kwam de jongste zoon bij de oude man in de leer. Ook aan hem werd de kudde schapen toevertrouwd, precies zoals dat met zijn twee broers was toegegaan. Weer kwam het moment waarop de schapen samen­drongen bij het oude, zwakke bruggetje over de waterval. Het kleine lammetje trok aan de jas van de jongste zoon. En de jongen had zo’n plezier in het diertje, dat hij het aaide en met hem naar de plek ging, die het wilde aanwijzen. Aldus volgden zij de andere schapen. Tenslotte kwamen zij bij een kapel. Nauwelijks waren de schapen daar aangekomen of hun gouden vacht viel af en voor de jongste zoon stonden louter engelen. Het kleine lammetje was een bijzonder mooie engel, stralend als goud.
De engelen hielden samen een eredienst en aten van het heilige brood en dronken van de heilige wijn. Toen verhulden zij zich weer in de schapenvachten en gingen naar de groene weide terug over de smalle brug.

Toen de oude man ’s avonds aan de jongen vroeg: ‘Welk gras hebben mijn schapen gegeten en welk water hebben zij gedronken?”, vertelde de jongste zoon alles wat hij beleefd had. Hierover verheugde de grijsaard zich zeer en zei tot hem: “Jou zal ik meer geven dan je broeders,” en hij gaf hem een rond brood mee. “Dit brood zal altijd ieder blijven voeden, nooit zal er meer honger zijn. En vergeet nooit dat je bij Godvader zelf in de leer geweest bent.”
(Een Hongaarse vertelling)

.

Sprookjesalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld1e klas 

757-693

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (8-1/1)

.

Slowaaks sprookje uit de bundel Slavische sprookjes- Sirovatka/Luzik
.

De twaalf Maanden
.

Heel lang geleden leefde er eens een moeder die twee dochters had, een eigen dochter en een stiefdochter. Ze was dol op haar eigen dochter. Maar Maria kon zij niet uitstaan, omdat zij mooier was dan Helena. Maria moest al het werk doen, koken, bakken en braden, opruimen, afwassen en spinnen. Ook weven. En de koe verzorgen. Helena stak geen hand uit. Ze zat de hele dag in de spiegel te kijken en maakte zich mooi. Maar, vreemd genoeg, Maria werd elke dag mooier en Helena werd lelijker. Ten slotte werden moeder en dochter zo boos, dat zij besloten zich van het knappe meisje te ontdoen.

Op een dag in januari zei Helena tegen Maria: “Ga gauw naar het bos om viooltjes te plukken. Ik wil ze in mijn gordel steken om lekker te ruiken.” Toen Maria verdrietig antwoordde, dat er in deze tijd van het jaar geen viooltjes waren, dreigde de boze zuster haar te doden. De stiefmoeder joeg Maria de hut uit en deed de grendel op de deur.

Wat moest het arme kind beginnen? Er lag een dik pak sneeuw en zij dwaalde hongerig en half bevroren door het bos.

Opeens zag zij een lichtschijnsel. Zij strompelde de berg op, het licht tegemoet. Op de berg gekomen zag zij een kring van 12 mannen die om een vuur zaten op stenen zetels. Drie mannen hadden sneeuwwit haar, de volgende drie waren wat jonger, dan waren er drie nog jongere en de drie allerjongsten leken nog niet volwassen.
Zij waren de twaalf Maanden die zwijgend in het vuur staarden. Op de grootste steen zat Januari. Hij had een staf in de hand.

Maria bleef verschrikt staan. Bevend vroeg zij of zij zich bij het vuur mocht warmen. Januari knikte vriende­lijk. “Wat doe je met dit uur in het bos?” vroeg hij.

Ik moet viooltjes zoeken” antwoordde het meisje. “Er zijn toch geen viooltjes in de winter!” “Ach, dat weet ik. Maar mijn stiefzuster heeft me het bos ingestuurd en ze slaat me dood als ik zonder viooltjes thuiskom. Weet u geen plekje, waar ik ze vinden kan?” Januari stond op en riep: Broeder Maart, ga op mijn plaats zitten!” Maart ging op de steen zitten en hield zijn staf boven het vuur. De vlammen laaiden op. De sneeuw smolt, de bladeren kwamen uit, het gras begon te groeien, het was lente. Even later bloeiden er al zoveel viooltjes, dat het gras blauw leek.  “Pluk ze maar gauw, Maria,” zei Maart vriendelijk. Maria plukte en ging har­telijk dankend blij naar huis. De stiefmoeder en Helena waren verbaasd. Helena stak de viooltjes dadelijk in haar ceintuur, snoof de lucht op en liet haar moeder ook ruiken. Een bedankje voor Maria kon er echter niet af.-

De volgende dag had Helena trek in aardbeien en beval Maria een mandvol in het bos te halen. Maria stribbelde zachtjes tegen, omdat er in januari geen aardbeien zijn. Helena bedreigde haar weer met de dood. Het arme meisje liep ijskoud en hongerig het bos in. Maar ineens zag zij het lichtschijnsel weer, ging er op af en begroette de twaalf Maanden vol eerbied. “Mag ik mij een beetje war­men?” smeekte ze. Januari knikte. “Wat doe je met dit weer in het bos?” vroeg hij.  “Ik moet aardbeien plukken,” antwoordde Maria. “Die zijn er nu toch niet?” “Dat weet ik. Maar mijn stiefzuster slaat mij dood als Ik zonder aardbeien thuiskom. Kunt u me helpen?”

Januari stond op en riep:  “Broeder Juni, ga op mijn plaats zitten!” Dat deed Juni. Hij hield zijn staf boven het vuur. De vlammen laaiden hoog. De sneeuw smolt, het gras werd groen, de bomen bloeiden. Het werd zomer. Het veld stond vol prachtige aardbeiplanten met rode vruchten. “Pluk ze maar!” zei Juni opgewekt.

Maria had al gauw een mand vol, nam dankbaar afscheid; en haar stiefmoeder en Helena begrepen niets van de aardbeienweelde, waaraan zij zich te goed deden. Een bedankje voor Maria kon er niet op overschieten. Het geleek zo’n gemakkelijke opdracht, dat Helena zich voornam nog wat aardbeien zelf te gaan halen.

Maria vertelde, hoe zij moest gaan. Inderdaad zag ook Helena het licht in het donkere bos. Ze ging er op af en zag de twaalf Maanden om het vuur zitten. Zij warmde haar handen zonder te vragen. Ze groette niet en keek onbe­vreesd rond.

“Wat kom je hier doen?” vroeg Januari.

“Dat gaat je niets aan, ouwe!” Januari zwaaide zijn staf boos boven het vuur. De vlammen werden kleiner en kleiner. Een vreselijke sneeuwstorm stak op. Helena verdwaalde, viel neer en be­vroor. Haar moeder die haar was gaan zoeken ondervond het­zelfde .

Maria bleef alleen achter. Zij kookte en verzorgde de koe, maar haar stiefmoeder en Helena kwamen niet terug. Maria moest huilen, toen zij in het bos werden gevonden. Zij bleef alleen wonen en verzorgde alles goed. Later ontmoette ze de aardigste jongeman uit de streek, trouwde met hem. Zij leefden nog lang en gelukkig.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

754-690

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (7-2)

.
In de jaren ’70 van de vorige eeuw gaf uitgeverij Thieme – Zutphen – een blad uit voor het onderwijs ‘De Vacature’. Naast de vacatures, uiteraard, stonden er ook heel veel interessante artikelen in. En een column van de onderwijzer ‘met het gouden hart’ C.Wilkeshuis.
De schrijver van onderstaand artikel hield zich vooral bezig met ‘folklore’. Wie met antroposofische inzichten de sprookjes bestudeert, komt tot andere gezichtspunten. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat andere gezichtspunten er niet toe doen.
.
J.C.Alders, ‘De Vacature’ ca 1976/77
.

4.Assepoester
.

De naam wijst op poesten = blazen, een verouderd Ned. woord. Het Duits kent het nog wel op het platte­land: pusten voor blazen, bijv. er hat ihm Rauch in das Gesicht gepustet.

Een vrouw, ditmaal géén koningin, sterft. De man neemt een andere vrouw met 2 dochters. De stief­dochters verbannen A. naar de keuken, zij moet oude kleren aandoen, klompen dragen, zij krijgt geen bed en zij slaapt in de as. De vader protesteert niet. A. moet nu zwaar keukenwerk doen: water uit de put halen, vuur aanmaken, vuur aanblazen, koken en wassen. Als de vader op reis gaat vraagt hij A. wat hij mee moet brengen. Zij vraagt de vader de eerste tak waartegen hij met de hoed stoot. Hij stiet tegen een hazelaartak. A. plant die tak op haar moeders graf. Het werd een boompje en A. bad en weende daar 3x per dag. Een vogeltje gooit van de hazelaar omlaag wat A. wenst.

De koning des lands nodigt alle jonkvrouwen op een feest, zijn zoon moet een bruid uitzoeken. De stief­zusters gaan naar het feest, de stiefmoeder verzint steeds opdrachten opdat A. niet gaan kan. Nu gaat A. naar haar moeders graf onder de hazelaar en het vogeltje werpt mooie kleren omlaag. Zij gaat naar het feest en wordt voor een prinses aangezien. De prins danst met haar. Hij wil haar thuis brengen. Zij ontsnapt hem en zij klimt in de duiventil. De vader zoekt met de prins naar A. De vader slaat met de bijl de duiventil in elkaar, maar A. is er niet in. Zij lag thuis in de as te slapen.

De volgende avond werpt het vogeltje nog mooier kleding omlaag en de prins danst met haar. Als hij haar thuis wil brengen, ontloopt zij hem en zij klimt in de perenboom. Vader en prins zoeken haar vergeefs en de vader hakt de perenboom om. Niemand erin! De derde dag werpt de vogel met de kleding gouden pantoffels omlaag. De prins danst met A. en weer ontsnapt zij. Maar de prins heeft de trap met pek besmeerd en één pantoffel kleeft er aan vast. De prins gaat met de pantoffel naar de vader. De prins zegt, met de dochter, die de pantoffel past, trouwt hij.

De oudste stiefdochter probeert de pantoffel. Hij past niet, zij snijdt de grote teen af om er in te komen. Als de prins met haar te paard de hazelaar voorbij rijdt, roepen de duiven dat er bloed in de schoen is.

De prins brengt haar terug. De tweede stiefdochter past nu, haar hiel is te dik. Zij snijdt een stuk van de hiel af. De prins neemt haar op zijn paard mee, maar weer roepen de duiven dat er bloed in de schoen zit.

De prins brengt haar terug. Na veel aandringen van de prins wordt A. geroepen, de pantoffel past en de dui­ven roepen: „dat is de ware bruid”.

De duiven gaan op A.’s schouder zitten. De stief­zusters komen op de bruiloft en de duiven pikken haar beide ogen uit.

We zien Germaanse gebruiken: het graf van de moe­der vlak bij huis. De Germanen begroeven ook vlak bij huis. De twee duiven op A.’s schouder zouden kunnen wijzen op de 2 raven op Wodans schouder: Hugin (denker) en Munin (hij die herinnert), maar dat is wel een zwak argument.
A. laat in haar dagdromen haar rivale – de moeder -sterven en als straf verschijnt de als stiefmoeder vermomde moeder en A. moet in de keuken werken.
A. is verliefd op de vader en droomt van incest. Het hazelaarstakje, dat de vader meebrengt, is het „kind” dat zij van de vader krijgt. En ze plant het op moeders graf, want zonder de dood van de moeder kan het trouwen met de vader niet plaats vinden. De stief­moeder is dus de moeder als wreekster. De vader­binding en droom van incest met de vader worden opgeheven als ze op de prins verliefd wordt. De vader wordt dan belachelijk: hij slaat de duiventil in elkaar, hakt de perenboom om.

En duiventil en boom zijn baarmoedersymbolen (holle ruimten). Er is veel overeenkomst met Sneeuwwitje en Assepoester. Beider moeder sterft, beiden krijgen een stiefmoeder, beiden moeten in de keuken werken, beiden zijn enige dochter. Bij S. is de vader een jager, bij A. een soort sloper als de incestwens verdrongen is.

5.Roodkapje

Weer eens een sprookje waarin de vader geen koning is. Roodkapje heet naar de rode muts die zij van de grootmoeder krijgt. Op een dag zond de moeder R. met een koek en een fles wijn naar de zieke groot­moeder, die 1/2 uur van het dorp in een bos met wolven woont.
R. ontmoet de wolf, die haar op het idee brengt bloemen te plukken.
De wolf gaat naar het huisje van de grootmoeder en eet haar op met huid en haar. De wolf trekt groot­moeders kleding aan en kruipt in haar bed. Als R. komt slikt de wolf R. geheel in, met muts en al. De wolf kruipt na zijn diner weer in bed en snorkt zó luid, dat de jager het hoort. Hij gaat kijken en ziet de wolf. Hij snijdt hem de buik open en ziet de rode muts van R. Alsof het een keizersnede is haalt hij R. en de grootmoeder eruit. Zij leven nog. R. haalt grote stenen en vult daarmede de wolf. Als de wolf wakker wordt, blijken de stenen zó zwaar dat de wolf dood neervalt. –

De vader van R. treedt vermomd als de jager op en redt de dochter.

De moeder is jaloers op het mooie R. en stuurt haar een bos in waarin wolven zijn, in de hoop dat zij verslonden wordt (de haat moeder-dochter, voor de moeder is R. haar rivale). Ook is de moeder vermomd als de wolf en eet haar dochter op. Dat past goed bij de uitdrukking „Hab’ ich dich zum Fressen gern”. Dat R. de wolf met stenen vult waardoor hij sterft, is de wraak van de dochter op de moeder. De
rivali­teit en haat is wederzijds!

Evenals de moeder R. als rivale beschouwt, zag de grootmoeder in de moeder haar rivale. Maar tussen grootmoeder en kleindochter is geen rivaliteit meer. De rijpingstijd bij R. duurt maar kort: een paar uur in de buik van de wolf, dus veel korter dan bij Doorn­roosje (100 j.), bij Sneeuwwitje een jaar of 7, bij Assepoester een paar jaar, bij Roodkapje een paar uur.

Dat er een wolf in het sprookje voorkomt, wijst dui­delijk op de Germaanse bossen, waar wolven een plaag waren. De fles wijn moet later ingevoegd zijn, de Germanen kenden oorspronkelijk geen wijn (de Romeinen brachten die mee en plantten ze aan in het Moezeldal) en flessen kenden de Germanen ook niet, de Romeinen leverden de wijn in amforen (stenen kruiken).

6.Bontepels

De naam betekent (een mantel) uit de pels van allerlei dieren. Een koning had een vrouw met blond haar. Als zij sterft moet de koning beloven weer met een blonde vrouw te trouwen. De koning zendt boden uit, zij vinden nergens een blonde vrouw. De koning had een enige dochter met blond haar. Toen zij in de puberteit was, geleek zij zó op de blonde moeder, dat de koning haar wilde trouwen. De dochter verlangt 3 klederen en een pelsmantel van allerlei dierenhuiden gemaakt. Toen alles klaar was, zei de koning tot zijn dochter „morgen trouwen we”. De dochter wil niet trouwen alleen om haar blonde haar. Zij vlucht en neemt de pelsmantel, de mooie kleren, een gouden ring, een gouden spinnewieltje, een gouden spoel om te spinnen mee. In een bos kruipt zij in een holle boom en slaapt daar.
De koning was daar aan het jagen. De jagers melden de vondst van A.
De koning laat haar door zijn jagers oppakken en meenemen.

In het paleis wordt zij keukenhulpje en slaapt in een ruimte onder de trap. Zij moet water putten, vuur aanmaken, de groente uitzoeken. (Voor Duits stude­renden: Grimm noemt dat ,,sie belas Gemüse”, waarin we een oud Duits werkwoord „belesen” zien.) Voorts moest zij gevogelte plukken en de as wegbrengen. Geen koken!

Hier bleef A. lange tijd. Als er een feest is, mag zij aan de deur staan kijken. Zij haalt een mooi kledingstuk te voorschijn en danst met de koning. Na het bal ver­dwijnt zij plotseling en doet de pelsmantel weer aan en is weer A.. Zij moet nu heerlijke broodpap voor de koning koken en zij doet de gouden ring erin. De kok moet erkennen, dat A. die pap gekookt heeft. En A. die geroepen wordt voor uitleg, zegt van de ring niets te weten. Als er weer feest is, herhaalt zich het boven­staande. Nu doet A. het gouden spinnewieltje in de pap en A. ontkent iets daarvan te weten. Ten derden male een feest en nu gaat de gouden spoel in de broodpap.

Tijdens het dansen steekt de koning onbemerkt een gouden ring aan de vinger van A. De koning laat A. roepen als hij de spoel in de pap vindt, hij houdt haar vast als hij de gouden ring aan haar vinger ziet, doet haar mantel uit en de blonde haren worden zichtbaar. De koning trouwt nu met zijn dochter.

-Het sprookje lijkt oppervlakkig niet-Germaans, want de boden vinden nergens een blonde vrouw. Het moet dus een Germaans land met zwartharige vrouwen zijn. En dat is er nóg: Beieren. Vooral de Altbayern zijn allen zwartharig.

Als de moeder sterft – de dochter is haar rivale – laat zij de koning beloven weer met een andere blonde vrouw te trouwen, wél wetende dat die in haar land niet zijn om hem zo te beletten te hertrouwen. A. vlucht in een holle boom = baarmoedersymbool. De vader, vermomd als jager, vindt haar. Evenals Assepoester en Sneeuwwitje moet A. keukenmeisje zijn. A. weet dat de liefde van de man door de maag gaat en kookt daarom heerlijke broodpap voor hem. En zij trouwt dan met haar vader. Een duidelijk incest geval.
De incest vader-dochter herinnert aan de Egyptische farao’s, die waren ver­plicht met een zuster te trouwen. De farao was goddelijk, zijn kinderen ook en bij de incest broeder-zuster werd het een „goddelijk” huwe­lijk.

De incest vader-dochter komen zowel in de Griekse mythologie als in de Bijbel voor. De Griekse Myhrra bezoekt haar vader 12 nachten voor seksuele omgang. Als de vader het merkt, jaagt hij haar met zijn zwaard na. De goden redden haar door haar in een boom te veranderen, (de boom is moedersymbool). Gestraft wordt er niet.

De heer Thyestes leeft met zijn dochter Pellopia in een incestverhouding.

In Genesis 19 : 30 – 38 vinden we het verhaal van de 2 dochters van Lot.

Zij voeren hun vader dronken en hebben des nachts seksuele omgang met hem. Gen. 19 : 36 ,,en de twee dochters van Lot werden bevrucht door haren vader”, en zij kregen een zoon van hun vader. De incest gaat geheel van de dochters uit. Zij voeren hun vader dronken opdat hij niet weet wat hij doet en om te voorkomen dat hij weigert. We lezen niets over een straf van God. Voor God is incest blijkbaar niet straf­baar. Voor een veel geringer seksueel vergrijp straft God Onan met de dood (Gen. 38 : 10). De incest vader-dochter komt ook nog heden veel voor. De meisjes zijn in de puberteit en de schuld ligt niet geheel bij de vader, de dochters prikkelen hem er toe. Bij deze incest vinden we gewoonlijk een zeer frigide echtgenote. De vader is alcoholist, despoot, geestelijk gestoord of een sadist en hij meent als hoofd van de familie een seksueel recht op de dochters te hebben, net als de oermens. De dochters verzetten zich niet, zij zijn passief en soms masochistisch.
Zie het boek „Hyacintha en Pasceline”. Het speelt in Indonesische omgeving, de adat (gewoonterecht) heerst er.
De adat voorschriften verbieden ten strengste dat ’n zoon, zelfs de oudste, met de moeder naar bed gaat. Dan word je bij overtreding uitgestoten of vermoord. Maar ’n vader met de oudste dochter naar bed is heel gewoon, is wet. Het is de plicht van de oudste dochter met de vader seksuele omgang te heb­ben vanaf het moment dat hij dat wil. Gehoorzaamt de dochter niet, dan zal ze niet mogen trouwen, ze toont gebrek aan kennis van en gehoorzaamheid aan de adat en dat is een ernstig iets. De moeder zal het aanmoedigen en als de dochter de vader, goed bevredigt, wordt ze geprezen en dat wordt openlijk besproken. Dat blijft zo bestaan ook als de dochter getrouwd is en kinderen heeft.” Ik ken de Indonesische adat niet, ik kan de kwestie niet beoordelen.

De incest moeder-zoon komt minder voor. Gewoonlijk is de enige zoon of de enige nog thuis zijnde zoon de plaatsvervanger van de overleden vader. De zoon regelt de financiën en de verdere zaken van de
over­leden vader. Tenslotte neemt de moeder de zoon mee naar bed opdat de zoon ook daar de vader vervangt voor seksuele omgang. De incest gaat van de moeder uit. Zoals we hierboven zagen, verbiedt de Indone­sische adat dat de moeder seksuele omgang met de zoon heeft.

We hebben dus gezien dat de besproken sprookjes absoluut Germaans zijn. Ik geef toe dat enkele argumenten zwak zijn, maar het merendeel wijst toch overtuigend op de Germaanse oorsprong.

.

Vanuit een antroposofische achtergrond heeft Friedel Lenz deze sprookjes eveneens verklaard: Assepoester  Roodkapje  Bontepels

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

753-689

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (7-1)

.
In de jaren ’70 van de vorige eeuw gaf uitgeverij Thieme – Zutphen – een blad uit voor het onderwijs ‘De Vacature’. Naast de vacatures, uiteraard, stonden er ook heel veel interessante artikelen in. En een column van de onderwijzer ‘met het gouden hart’ C.Wilkeshuis.
De schrijver van onderstaand artikel hield zich vooral bezig met ‘folklore’. Wie met antroposofische inzichten de sprookjes bestudeert, komt tot andere gezichtspunten. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat andere gezichtspunten er niet toe doen.
.
J.C.Alders, ‘De Vacature’ ca 1976/77

De Germaanse oorsprong van enige bekende sprookjes
.

Na enige algemene beschouwingen over de sprookjes zullen we ze in het kort mededelen uit het bekende boek van Grimm, uitgave 1819, want er zijn later „verbeteraars” gekomen en zelfs zijn er uitgaven met een christelijk tintje, wat onzin is, want de sprookjes zijn duizenden jaren oud, terwijl het Christendom nog geen 2000 jaar geleden bedacht is.

Een kind hoort graag sprookjes, maar kan ze evenmin verklaren als de volwassene, welke niets van mytholo­gie en de Germanen weet. Het sprookje is voor het kind wat voor de volwassene televisie en bioscoop is. De „verbeteraars” vonden de sprookjes niet geschikt voor kinderen wegens weerwolven, toverij, te vonde­ling leggen, boze stiefmoeders, incest, castratie, ont­maagden, onthoofden, ophangen, draken, reuzen, dwergen. Maar kinderen willen dit juist horen, het kind zoekt de angst en het wonder in de sprookjes bevrijdt het kind van de angst. De wensen en gedachten van het sprookje zijn de wensen van het volwassen pri­mitieve volk. Zoals Grimm de sprookjes vertelt, met weglating van de grofste seksuele gebeurtenissen, zijn ze onschadelijk voor kinderen en behoeven niet „ver­beterd” te worden.

Grimm zag in de sprookjes heidens volksgeloof van een laag staande cultuur. Grimm dacht aan Indo-Germaanse oorsprong, daar er parallellen zijn in de sprookjes van verschillende volkeren. Tegenwoordig neemt men dat niet meer aan. De sprookjes zijn niets anders dan verborgen wensen en angsten van de pri­mitieve mens.

Het motief van de incest komt in veel sprookjes voor en we spreken nog van het Oedipus-complex (Oedipus vermoordt zijn oude vader en huwt zijn jonge moeder en verwekt 4 kinderen bij haar). We komen daarop terug. In de sprookjes treden bijna altijd koningen als vader en dochters als prinses voor. Waarom? Het volk heeft van de oudste tijden af een ziekelijke be­langstelling voor zelfs de banaalste handelingen van de koning. Men identificeert de koninklijke familie met de eigen familie. De koning is het onbewuste symbool voor de vader.

Dwergen komen ook in de sprookjes voor. Zij graven naar goud en ijzererts. Voor dwergen kunnen de gangen laag en nauw zijn.

Zulke gangen zijn er nog in de omgeving van Cham (Beieren), vooral Arnschwang en Ränkam. Men noemt dit Schrazllöcher, voorhistorische gangen waarin de Schrazln (dwergen) huisden.

Een grondig onderzoek heeft nog niet plaats ge­vonden, daar een normaal mens er moeilijk in kan.

Men vermoedt naast het zoeken naar erts ook vluchtgangen. tot dusver zijn geen werktuigen gevonden, zodat men ook niet weet of de gangen uit het bronzen tijdvak dateren. In ieder geval, ze zijn zeer oud en voorhistorisch. In het Fichtelgebergte, ik meen op de Ossenkop, heb ik zulke gangen gezien, maar ik kon er ook niet in, zo smal en laag zijn ze. Nu weten we wel uit de afmetingen van har­nassen dat de mens vroeger veel kleiner was. Het harnas van een volwassen middeleeuwse ridder kan zelfs een hedendaagse jongen van 14 jaar niet passen. Ook deuropeningen zijn in Middeleeuwse burchten zeer laag en de bedden zeer kort.

Voor de jongere lezers volgt nu het Oedipus-complex, daar we dit in de sprookjes meermalen tegenkomen. Laos, de oude koning van Thebe had bij de jonge koningin Iokaste geen kinderen. Het Orakel voorspelde dat zij een zoon zou krijgen, die hem zou vermoorden en die zoon zou met zijn moeder trouwen. De zoon werd geboren en met doorboorde voeten te vondeling gelegd. Een herder vond de baby en noemde hem Oedipus (gezwollen voet). De herder gaf de baby aan koning Polybos. Als Oedipus volwassen wordt en geen antwoord op de vraag naar zijn herkomst krijgt, vraagt hij het Orakel en krijgt hetzelfde antwoord als zijn vader. Hij ontmoet op een smalle weg een wagen en er kwam ruzie over de voorrang (zo oud is dit pro­bleem). Hij slaat een oude man dood (zijn vader). Hij lost het raadsel van de Sfinx op, die verdwijnt. Hij krijgt nu de uitgeloofde beloning voor het vertrek van de Sfinx: de koningin Iokaste, zijn moeder. Hij trouwt met haar en verwekt bij de jonge koningin 2 zonen: Eteokles en Polyneikes en 2 dochters: Antigone en Ismene. Nu breekt de pest uit en het Orakel wijst de koningsmoordenaar als oorzaak aan. Alles komt uit, lokaste hangt zich op, Oedipus steekt zich beide ogen uit en de goden laten hem spoedig sterven. De twee zonen doden elkaar in een oorlog om Thebe. Volgens andere lezingen verleidt lokaste Oedipus en ging het initiatief van haar uit. We vinden dit vaker bij de incest vader-dochter en moeder-zoon. De vrouwen nemen het initiatief. We komen erop terug.

We verstaan nu onder het Oedipuscomplex de ver­houding in de vroege jeugd tussen vader en dochter, moeder en zoon. De kleine meisjes zeggen vaak, dat ze met de vader willen trouwen. In de puberteitsjaren kan dit ontaarden in incest: geslachtsverkeer tussen vader-dochter, zuster-broeder, moeder-zoon.

Ook in Shakespeares „Hamlet” kon Freud het Oedipuscomplex aantonen. In het Oedipuscomplex vinden we dus de haat vader-zoon, de liefde vader-dochter, de haat moeder-dochter en de liefde moeder-zoon. De haat moeder-dochter speelt in de sprookjes een be­langrijke rol. In de zoogdierwereld van de kudde­dieren vinden we hetzelfde. Als de jonge mannetjes volwassen worden, valt het familieverband uiteen. Het jonge mannetje paart met zijn moeder en zusters. De leider van de kudde, een oud mannetje, paart met zijn moeder, zusters en dochters.

Bij de kuddedieren komen steeds vechtpartijen voor tussen het oude mannetje en de volwassen zonen en het eindigt met de dood of uitstoting uit de kudde van het oude mannetje. Deze dwaalt dan als solitair alleen rond en is vaak gevaarlijk. Het sterkste jonge mannetje wordt dan leider van de kudde.

Men veronderstelt dat de voorhistorische mens ook zo in horden leefde: een paar mannen, een aantal vrou­wen en de mannen paarden met hun moeder, zusters en dochters. Er waren weinig mannen want ze ver­ongelukten vaak op de jacht.

De Griekse mythologie noemt de strijd der opstandig geworden Titanen, die hun vader ontmannen (Vondel herinnert eraan in de „Palamedes”: „Saturnus die zijn vader lubt”). Saturnus verwekt bij zijn zuster Rhea 6 kinderen. Zeus verwekt bij zijn zuster Demeter de dochter Persephone.

We vinden in de sprookjes ook het naaktheidsmotief, dat ook in de bijbel voorkomt: Adam en Eva (Gen.2: 10) en Noach (Gen.9: 21). Dan vermelden de sprook­jes de strijd tussen dag en nacht, zon en winter, strijd tussen oude en jonge helden. De Griekse mythologie plaatst de helden aan de hemel: Orion, Hercules, Perseus, Andromeda, enz. als sterrenbeelden. De sprookjesheldinnen zijn altijd zeer jong, vóór, tijdens en na de puberteit, dus de overgang tot gerijpte vrouw. Zij worden zwaar beproefd als slavin in de keuken, wat herinnert aan de inwijdingsriten en de isolering in het bos bij de primitieven. De meisjes zijn altijd enig kind. Zij wensen de moeder dood en die verschijnt dan als wreekster, vermomd als de boze stiefmoeder. En de dochter is de rivale van de moeder, (haat moeder-dochter) Nergens wordt over liefde gesproken, de meisjes trouwen meteen als ze een prins ontmoeten of trouwen op bevel van de vader.

1.De kikkerkoning
.
Het eerste sprookje van Grimm in de uitgave van 1819 is de kikkerkoning. Natuurlijk is de vader een koning, de dochter is naamloos. Bij een bron werpt de prinses een gouden bal in de bron. Zij huilt omdat zij haar speelgoed kwijt is. Een stem vraagt heel banaal waarom zij huilt (Vondel zegt dat veel mooier in de „Gysbreght”: „Wat nevel van verdriet bezwalkt Uw blinkende oogen?”). Een kikvors kijkt over de rand van de bron en belooft de bal op te duiken. De kikker eist, dat de prinses hem zal liefhebben, dat hij aan haar tafel mag eten en met haar in bed slapen. De kikker brengt de bal boven, de prinses ijlt naar huis. De volgende dag komt de kikker tijdens het diner aan de deur van het paleis en roept „Prinses, doe open” (Zij heeft geen naam). De koning beveelt haar de kikker binnen te laten en de kikker eet mee van haar gouden bordje. Dan wil hij in haar bed uitrusten. Zij weigert, maar de koning beveelt haar de kikker mee naar bed te nemen. Als zij met de kikker in bed ligt, kruipt hij naar haar toe en zij werpt hem tegen de muur. Er valt geen kikker terug, maar een prins, die betoverd was door een heks en op haar vaders bevel trouwt de prinses met hem.

Dit sprookje is duidelijk Germaans. De bron was heilig bij de Germanen. Merk op: de vader beveelt steeds.

Dat is typisch Germaans: de Germaanse vader bepaalt of de pasgeborene mag leven of gedood of te vonde­ling gelegd wordt, hij kan echtgenote en dochters zonder meer doden of inzetten bij het dobbelen, bij verlies worden zij als slavinnen aan de winnaar uit­geleverd. In graven heeft men meermalen dobbel­stenen gevonden opdat de dode ze in het Walhalla bij de hand had. Van de spelregels is niets bekend.

We zien hier ook hoe in de sprookjes alle begrip van proporties ontbreekt. De gouden bal zinkt in de bron. Hij was dus massief. Een kleine gouden bal van 4 cm diameter weegt al 600 gr., teveel om mee te ballen. Een knikker van 2 cm diameter weegt 80 gram, dat kan een kikker niet dragen. Pas een gouden knikkertje van 1 cm diameter dat 11 gr weegt, is voor een kikker niet te zwaar (We laten de opwaartse druk buiten beschouwing). De kikker was bij alle Germaanse stammen bekend: Ned.: Kikvors, kikker, Vorsch (in de Statenvertaling van de Bijbel). Duits: Frosch, Engels Frog, Deens Frö. In het Frans komt de kikker er niet best af: Een woordenboek van 1736 vermeldt bij „Grenouille”: kikvors, slechte dichter, Grenouiller: zuipen, zwelgen, gestadig in de kroeg zitten, in het water plassen. Een grenouillard is een kroegloper. Dit voor Frans studerenden.

In het Spaans zegt de uitdrukking: no ser rana (geen domkop zijn) niet veel goeds voor de kikker. In de sprookjes is de kikker levensaankondiger, zoals we zullen zien bij Doornroosje.

In de Bijbel komt de kikvors er slecht af: Openbaring van Joh. 16:13 „en ik zag uit de mond des draaks en uit den mond van het beest en uit den mond van den valschen profeet drie onreine geesten uitgaan, den vorschen gelijk”. (14) „want het zijn de geesten der duivelen”.

2.Doornroosje

De koningin zit in het bad, een kikker duikt op en voor­spelt dat zij binnen een jaar een dochter krijgt. Na de geboorte nodigt de koning de „wijze vrouwen” uit. Er waren er 13, maar omdat hij maar 12 gouden borden heeft, wordt er één niet gevraagd. Als de 11 vrouwen een wens gedaan hebben, komt de 13e binnen en wenst, dat de prinses met 15 jaar sterft door zich te prikken aan een spoel. De 12e kan de verwensing niet ongedaan maken en verandert het in een slaap van 100 jaar. De koning beveelt dat alle spoelen voor het spinnen verbrand moeten worden. Als de prinses 15 jaar wordt, gaat zij op ontdekking uit in het slot. Zij kwam in een toren, waar een oude vrouw spint. Het meisje neemt de spoel in de hand, zij steekt zich in de vinger. Zij valt op een bed neer en slaapt, ledereen in het slot slaapt nu. Rond het slot groeit een doornhaag. Af en toe komen prinsen en pro­beren door de doornhaag te komen. Zij blijven erin hangen en sterven. Na 100 jaar probeert weer een prins het. De doornhaag werd tot een bloemenhaag, hij laat hem door. Hij vindt Doornroosje en kust haar wakker. Zij trouwen meteen.

Dit sprookje is zo duidelijk Germaans als het maar kan. Ten eerste de „wijze vrouwen”. De Germanen kenden die als „zieneressen” en zij voorspelden de toekomst uit de ingewanden van krijgsgevangenen, welke zij met een mes levend de buik opensneden. Dan kent de Germaanse mythologie het verhaal van Brunhilde, een Walkure. Wegens ongehoorzaamheid aan Wodan moest zij met een aardse man trouwen. Wodan steekt haar met een doorn en zij valt inslaap. Wodan om­geeft de burcht met een ring van vuur, want Brun­hilde wil een dappere man. Siegfried komt door het vuur en daar Brunhilde geen gordel, die haar onover­winnelijk maakt, aan had, ontmaagt hij haar en zij wordt zijn vrouw. Dit is toch wel duidelijk de oor­sprong van Doornroosje!

Doornroosje is 15 jaar en zij bloedt. Dat is haar eerste menstruatie. Zij is nu vrouw geworden en krijgt angst voor de mannen: defloratie is weer bloed, geboorte: weer bloed. De vrijers sterven in de doornhaag! En waarom zit er een oude vrouw in de toren waar Doornroosje bloedt? Bij de primitieve stammen in Afrika, Australië, Z. Amerika ontmaagden de oude vrouwen de meisjes direct na de eerste menstruatie met een koehoorn, een defloratiestok, met de vingers. Daarop wijst ook de spoel. Door de 100 j slaap heeft Doornroosje de angst voor de man overwonnen, zij is tot vrouw gerijpt en zij huwt dadelijk de prins. We vinden hier de kikvors als levensaankondiger. De Germanen kenden het spinnen en spoelen zijn in graven gevonden. We zien hier ook de haat tussen moeder en dochter. De vergeten 13e fee is de ver­momde moeder. Ook de oude vrouw in de toren is de vermomde moeder. De 100 j slaap herinnert aan de inwijdingsriten der primitieven met afsluiting van de buitenwereld.

Het kasteel van Doornroosje is er nóg, de Sababurg in het Reinhardswald tussen Weser en Diemel. Op een basaltrots werd de burcht in 1334 gebouwd, omgeven door een doornhaag. In de 16e eeuw werd de doornhaag gesloopt en de burcht omgeven door een 4 m hoge muur van 4,5 km lengte. Binnen de muur liepen herten, wilde zwijnen en ander wild. Een enigszins geschifte 18e eeuwse vorstin liet de dieren door drij­vers opjagen en schoot vanaf het dak het wild neer. Het Reinhardswald heeft een 80 ha groot natuurbeschermingsgebied met eeuwenoude eiken en beuken, tot 7 m in omtrek. Te voet is het Reinhardswald 7 uur in de lengte en 4 uur in de breedte. Het is voor­malig Frankisch koningsgoed. Het is praktisch onbe­woond, er is maar één voormalig bedevaartsoord Gottsbüren en verder wonen er een paar boswachters.

3.Sneeuwwitje

Grimm spelt de naam Sneewitchen. Een koningin zit op een winterdag voor een raam van zwart ebbenhout te naaien en prikt zich met de naald in de vinger. Zij verliest 3 druppels bloed . . Zij wil een kind zo rood als bloed, zo wit als sneeuw en haar zo zwart als ebbenhout. De koningin sterft bij de bevalling. Na 1 jaar neemt de koning een andere vrouw. Zij was jaloers en kon niet hebben dat andere vrouwen mooier waren. Een toverspiegel zegt haar, dat zij de schoonste is. Als S. 7 jaar is zegt de spiegel dat S. mooier is. De koningin haat S., de bekende moeder-dochter haat, want moeder en dochter zijn hier rivalen wie de schoonste is. Een jager moet S. mee naar het bos nemen en haar doden. Als hij met de hartsvanger – hart=hert) haar wil doorsteken, smeekt S. haar te laten gaan. De jager laat haar lopen en vangt een jong wild zwijn. Hij brengt longen en lever naar de koningin, die het opeet, denkend dat het longen en lever van S. zijn (kannibalisme).
S. doolt in het woud en vindt een klein huisje waar 7 bordjes en 7 kroesjes op tafel staan en er staan 7 bedjes (7 is heilig getal). S. neemt wat van ieder bordje en gaat in een bedje liggen. Des avonds komen de 7 dwergen van hun werk (naar ijzererts en goud­aderen graven) thuis. Zij laten S. slapen De volgende dag hoort S. dat zij blijven mag, maar zij moet koken, wassen, naaien, schoonmaken. De dwergen waar­schuwen haar voor de stiefmoeder: zij mag niemand binnenlaten. De spiegel verraadt, dat ,,S. over de bergen bij de 7 dwergen schoner dan de koningin is”. Als oude vrouw gaat de koningin naar het ijdele S. en verkoopt haar een gordel. De koningin doet S. de gor­del zo strak om, dat zij flauw valt. De dwergen vinden haar en snijden de gordel door. S. komt bij. De spiegel zegt weer, dat S. de schoonste is. De koningin ver­kleedt zich weer als oude vrouw en verkoopt het ijdele S. een vergiftige kam. De koningin steekt S. de kam in het haar en S. valt neer. De dwergen trekken de kam uit en S. komt bij. Weer waarschuwen de dwergen voor de stiefmoeder. De spiegel zegt weer dat S. de schoonste is. De koningin maakt een appel vergiftig en schenkt als oude vrouw verkleed S. de appel. S. valt voor dood neer. De dwergen kunnen niet vinden wat de oorzaak is en leggen het schijndode S. in een glazen kist. S. bleef in de kist zo wit als sneeuw, zo rood als bloed en het haar zo zwart als ebbenhout.

Een prins ziet S. in de kist en de dwergen schenken hem de kist. Als de knechten de kist wegdragen, struikelen zij en de kist valt op de grond. S. spuwt door de schok de vergiftige appel uit en zij komt bij. De prins vraagt haar met hem te trouwen. De koningin komt op de bruiloft en er staan roodgloeiende pantoffels van ijzer voor haar klaar. Zij moet erin dansen tot zij dood neervalt.

Het sprookje begint met sneeuw – dat wijst op een Germaans land. Maar het ebbenhout – een tropische houtsoort – wijst op bijvoeging. De haat stiefmoeder- dochter is hier buitengewoon duidelijk. De moeder leeft niet meer, zij verschijnt vermomd als boze stiefmoeder. Blijkbaar heeft S. haar moeder dood gewenst en had zij incestgevoelens voor de vader. De jager is de vermomde vader, die zijn dochter redt en niet doodt.
De rijpingstijd geschiedt bij de 7 dwergen en wel – voor een prinses vernederend – in de keuken. De glazen kist is een symbool voor de baarmoeder. De boze koningin verschijnt 3 x als oude vrouw – dat wijst weer op de defloratieriten der primitieven.
De gordel en de kam zijn zo Germaans als het maar kan.

Man en vrouw droegen bij de Germanen een gordel. De man droeg aan de gordel de sax, het zwaard, verder kam, mes, amuletten, zilverwerk. De vrouw droeg aan de gordel kam, amuletten, sieraden. De grafvondsten bewijzen het. De kam was voor de vrije Germaan zeer belangrijk, want haar en baard waren het symbool van de mannelijkheid. Het geheel af­snijden van het hoofdhaar was een straf en men heeft vrouwelijke veenlijken met geheel kaalgeschoren hoofd gevonden. De koning en de vrijen onder­scheidden zich van de slaven en slavinnen door lang hoofdhaar, want slaven en slavinnen werd het hoofd­haar afgesneden. Men zwoer een eed bij het haar en baard van de koning en nog kent de Ned. taal de uit­drukking „zweren bij de baard van de profeet”.

De kam had magische kracht en beschermde tegen boze geesten. Ook bij de oude oosterse volkeren Babyloniërs, Assyriërs, Egyptenaren, Israëlieten) stond de baard in hoge ere. De baard werd gezalfd (Ps. 133:2 „Het is gelijk een kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op den baard”). Iemand de baard af­snijden was een diepe vernedering (2 Sam. 10:4 „toen nam Hanum Davids knechten en schoor hunnen baard af en sneed hunne kleederen tot aan hun billen af”).

Zij ondervonden het lopen in de blote billen en zonder baard zeer vernederend en David laat hun weten maar weg te blijven „totdat uw baard weer gewassen is”.
Zichzelf de baard afsnijden was een teken van rouw. (Jes. 15:2 „hij gaat naar Baith om te weenen, op al hun hoofden kaalheid, aller baard afgesneden”). Het Christendom beeldt God, Jezus, de discipelen, vele heiligen, altijd met grote baarden af (zelden ook met snorren). Maar merkwaardigerwijze worden de enge­len nooit met snor of baard afgebeeld, zij zijn baarde­loze jongelingen! Ook de duivel heeft geen baard of snor. Waarom, weet ik niet. Zeus en Wodan hebben ook een baard.

De gordel was het symbool van kracht en heerschappij voor de Germaan. Het omdoen van de gordel was al een magische handeling. Hoe hoger rang, hoe meer zilveren sieraad aan de gordel. God Thor verdubbelde zijn kracht als hij de gordel aan had. De Walkure Brunhilde was met de gordel aan onoverwinnelijk. Voor straf moest zij wegens ongehoorzaamheid aan Wodan met een aardse man trouwen. Wodan stak haar met een doorn; zij valt in slaap en Wodan omringt haar slaapplaats met een ring van vuur. Aangezien zij sliep zonder gordel, kon Siegfried haar overwinnen en ontmaagden. De haat moeder-dochter vinden we ook bij de haat schoonmoeder-schoondochter.
De belangrijkste Duitse dichter van de 16e eeuw is Hans Sachs (1494-1576) vandaar de gedenkzegels der Bundespost, hij overleed precies *400 jaar geleden. Hij zegt in een ironische bezwering in het stuk „Kalverbroeden”, waarbij de priester een boer bezweert „bei Schwieger- und Schnurreinigkeit, bij de trouw van de echtbreker, bij de vroomheid van de lands­knecht”. Voor Duits studerenden: Schwieger=
schoon­moeder, Schnur = schoondochter. Schwieger- und Schnureinigkeit bestaat net zo min als vroomheid bij de landsknecht. En zo kunnen we ook wel aannemen dat er geen Mutter-Tochter-einigkeit bestaat. De moeder ziet de opgroeiende dochter als rivale. Daar S. met 7 jaar bij de dwergen komt en dan met de prins trouwt moet zij wel een jaar of 7 bij de dwergen ge­weest zijn. Zo lang duurde bij haar de rijpingstijd en de vernedering in de keuken.

Dat dit sprookje uitgesproken Germaans is (door de kam en de gordel) zal nu wel duidelijk zijn. Het verhaal van S. speelt ook in het Reinhardswald aan de Weser.

(Wordt vervolgd) J.C.AIders, *1976)

.

Vanuit een antroposofische achtergrond heeft Friedel Lenz deze sprookjes eveneens verklaard: De kikkerkoning; Doornroosje; Sneeuwwitje .

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

752-688

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – algemeen (1-1)

.

NIKS GEEN MAATSCHAPPELIJKE PROBLEMEN

Op de vrijescholen wor­den nog gewoon sprook­jes en legendes verteld. Waarom eigenlijk?
Ruud Gersons, over het wat en hoe van een ogenschijn­lijk ouderwets gebruik.

Op veel basisscholen worden maatschappe­lijke onderwerpen als discriminatie, werk­loosheid, reclame, alcohol en verdovende middelen behandeld, dikwijls in de vorm van projecten, met de bedoeling de kinderen zo vroeg mogelijk hiermee vertrouwd te ma­ken.
De gedachtegang hierachter is dat ze daardoor later als volwassene ‘weerbaarder’ zullen zijn, beter gewapend de maatschap­pelijke problematiek tegemoet zullen tre­den, wellicht ook niet in dezelfde fouten zul­len vervallen als de volwassenen van nu.
De vraag is of dit inderdaad zo werkt.
Het kind op de basisschool is nog lang geen vol­wassene, het heeft nog niet de vermogens ontwikkeld om denkmatig en emotioneel de volwassenenproblematiek op te nemen en te verwerken en zo kan het tegendeel ontstaan van wat wordt beoogd.
Het kind wordt belast met voor hem onverteerbare kost, de volwas­senenwereld krijgt een bedreigend en be­denkelijk karakter en begint hem te bedruk­ken. Het is een wereld die weinig aantrekke­lijk is, geen motiverende perspectieven biedt en waarvoor je liefst op de vlucht zou gaan. Blijkbaar slagen de volwassenen met al hun kennis en intellect er niet in er iets leefbaars van te maken, wat moet je dan nog? Waar haal je de innerlijke kracht, de moed, het in­zicht en het vertrouwen vandaan om in deze maatschappij te gaan werken en verant­woordelijkheden te dragen?
In het vrijeschoolonderwijs staan nog altijd de zoge­naamde jaarthema’s centraal, die allereerst als ‘vertelstof’ worden gebracht, voor elk jaar passend bij de ontwikkelingsfase van de leer­lingen en die verder geïntegreerd zijn in de lessen en leerstof van elke klas.

Een actieve stilte ont­staat. Vele oortjes wor­den gespitst, de ogen worden groter. Hier en daar gaat de duim in de mond.

Op een bepaald moment van de ochtend in de eerste klas neuriet een leerkracht een voor de klas bekend deuntje: dat is altijd het teken dat het ‘verhaal’ komt. Snel ruimen de kin­deren al hun spulletjes op en komen in de kring zitten. Een actieve stilte ontstaat. Vele oortjes worden gespitst, de ogen worden gro­ter. Hier en daar gaat de duim in de mond. Achterin is er nog steeds eentje bezig zijn potloden in het etui te krijgen. Dat lukt ein­delijk en de leerkracht begint:
‘Er was eens een meisje dat Roodkapje heette. Ze zou voor haar moeder een mandje met koek en wijn naar haar zieke grootmoeder brengen
Wij weten hoe het verder gaat: als Roodkap­je in het bos prachtige bloemen ziet, kan ze de verleiding niet weerstaan er een boeket voor grootmoeder van te plukken en… dan is daar de ‘boze wolf.

Nu kun je vanuit vele ‘lagen’ naar sprookjes kijken en over de betekenis van sprookjesbeelden zijn al heel wat boeken geschreven.
Eén ‘laag’ die je in ogenschouw zou kunnen nemen, is die, waarbij je in het sprookje een fantasierijk beeld kunt waarnemen van iets dat aan de werkelijkheid is ontleend. Bijvoorbeeld de prachtige bloemen als een ‘verlokking’, waaraan Roodkapje zich overgeeft; de wolf als ‘het boze” dat de mens belaagt op momenten van innerlijke zwakte.
Natuur
lijk zijn ook nog vele andere gezichtspunten mogelijk. Toch zou je in het verhaal van Roodkapje hetzelfde kunnen zien als wat in onderwerpen als ‘de verleiding door reclame, alcohol, verdovende middelen’ enzovoorts op een ‘rechtstreekse’ wijze elders wordt onderwezen.

Er zijn nogal wat verschillen tussen de ‘recht­streekse’ benadering en het sprookje. Wat zal het kind in beide gevallen na afloop van het verhaal zeggen? Bij het sprookje hoort men steevast: ‘En vertel het nu nog eens een keer!’
Of dat bij de rechtstreekse benadering ook zo zal zijn? Een tweede verschil is, dat de rechtstreekse benadering altijd een ‘open eind’ heeft, omdat de werkelijke confronta­tie in het leven immers nog niet heeft plaats gehad. Bij het sprookje komt alles altijd op z’n pootjes terecht.
Bij Roodkapje verschijnt immers op het cruciale moment de ‘jager’. Hij snijdt de buik van de wolf open.
De vol­wassene betrapt zich erop dat hij hier een bloederig tafereel voor zich ziet. Is dat nu iets om aan jonge kinderen te vertellen? In de belevingswereld van een zes- of zeven­jarige wordt echter ervaren, dat Roodkapje en de grootmoeder vanuit de wereld van de duisternis, waarin zij gekerkerd waren, weer in de wereld van het licht komen. Aan het bloedige wordt helemaal niet gedacht, of misschien alleen als de verteller het zo letter­lijk neemt.

Na het happy end herademen de kinderen. Natuurlijk zijn ze opgelucht, maar er is meer: een stemming van dankbaarheid is waar te nemen, dat het zo goed is afgelopen. Het vertrouwen in het goede wordt niet beschaamd. Dat geeft positiviteitskrachten in het innerlijk van het kind. Even kan het nog heel stil blijven, alsof het sprookjesbeeld een na-echo heeft in de ziel. Dan begint het ge­roezemoes en wordt de pauzeboterham te voorschijn gehaald.

Twee kinderen hebben ontdekt hoever het water uit de kraan bij de wc’s kan spuiten als je met je vinger er vanonder tegenaan drukt.

Menselijke trekjes

Na de zomervakantie kent juf of meester de kinderen nauwelijks terug. Ze zijn aanmer­kelijk minder volgzaam, heel plagerig, ook naar elkaar, en nogal ongehoorzaam. En ze vechten bij het leven. Twee kinderen (ze zijn nu zeven jaar) hebben juist ontdekt hoe ver het water uit de kraan bij de wc’s kan spuiten als je met je vinger er vanonder tegenaan drukt. Het is er nu een waterballet. Het voor straf opdweilen is grote pret! Zo’n plaaglust is voor kinderen heel herkenbaar in de fa­bels.

Op een keer nodigt de slimme vos de ooie­vaar uit te eten. Hij serveert de heerlijkste lekkernijen op een plat bord. Daarvan kan de ooievaar niet eten. De vos eet alles alleen op en is reuze in zijn schik. Maar is dat gast­vrijheid? Kort daarop is het de beurt van de ooievaar om de vos uit te nodigen. Hij heeft een geurige soep gemaakt, maar hij serveert uit een lange, smalle vaas. Dit keer heeft het vosje het nakijken. (Eén voorbeeld uit vele dierenverhalen.)

In de fabels worden menselijke trekjes aan de kaak gesteld: hebzucht, luiheid.
ijdel­heid, jaloezie, ontrouw. Alles gaat met veel humor gepaard. Naast wat de kinderen over de dieren leren (want dat hoort er natuurlijk ook bij), leren ze nog meer over de mens. Een melancholisch Jantje voelt toch wel medelij­den met het vosje dat nu niets te eten krijgt. ‘Eigen schuld!’, roept een ander van de voor­ste rij. Ja, zo leren ze ook zichzelf kennen. Maar hoe leuk en leerzaam fabels ook kun­nen zijn, ze tonen maar één kant van mense­lijke eigenschappen. Daar moet iets anders tegenover komen te staan.

De stemming verandert in de klas, als de le­genden van grote heiligen aan de orde ko­men. Behandeld wordt bijvoorbeeld het le­ven van Franciscus van Assisi. Uit zijn bio­grafie leren de kinderen hoe iemand niet als heilige wordt geboren, maar hoe het kan ge­beuren, dat hij na een aantal ruige en onstuimige jaren, waarin veel kwaads werd aange­richt, door een ongeluk, een ziekte of andere ingrijpende gebeurtenis, tot inkeer komt en vanaf dat moment bewust richting gaat ge­ven aan de stem uit het diepste innerlijk. Zo kwam Franciscus er toe de armen en melaat­sen te verzorgen en te leven in kuisheid en ar­moede, hoewel hij als zoon van een rijk koopman het ook heel makkelijk had kun­nen hebben. Daarvan keerde hij zich bewust af.

Andere legenden geven soortgelijke beel­den.

‘Kan ik ook zo worden als Elizabeth von Thüringen?’, vroeg een tweede klasser aan haar leerkracht na afloop van deze levensbe­schrijving. Een onbewust verlangen naar het morele in de wereld kan door deze legenden tot rijping komen. ‘Bestaat er ook een heilige Katrien?’. vroeg Katrientje na zo’n verhaal. Zo kwam de leraar erop iets te vertellen uit het leven van de heilige Catharina.

Paradijs verlaten

Vaak lijkt het alsof er bin­nen in het kind iets geknapt is. De fantasie­krachten nemen af, de beleving wordt kaler.

Met het negende levensjaar (eind derde, be­gin vierde klas) komen de kinderen op een leeftijd waarop zich een, soms heftige, crisis in het gevoelsleven voordoet. In de vierde klas hoort dit echt bij hun ontwikkeling. De volwassene die tot aan die leeftijd nog zijn vanzelfsprekende en natuurlijke autoriteit in opvoeding en leerproces is, zal dat daarna veel minder zijn. Hij zal een behoorlijk stuk van zijn voetstuk vallen. Vaak lijkt het alsof er binnen in het kind iets geknapt is. De fanta­siekrachten nemen af, de beleving wordt ka­ler.

Wat vóór het negende à tiende jaar nog ‘pa­radijselijk’ was, wordt nu ‘woestijn’. Met het verlaten van iets paradijselijks en het betre­den van een woestijn is wel aangeduid wat het kind nu ervaart en wat ook voor volwasse­nen zichtbaar is. Vooral kan opvallen hoe het kind zich minder ingebed en beschut voelt door zijn omgeving en er afstandelijker en kritischer tegenover komt te staan. Het omgaan met de dood kan nu tot een pro­bleem worden. Vóór de crisis was dood ge­woon ‘bij de engelen’, na de crisis is dood ‘niet meer op aarde …. maar waar dan?’. Dit alles voltrekt zich in zijn volle omvang in de vierde klas, naar het eind van deze klas toe komen de kinderen daar dan weer overheen.

Om de kinderen voor te bereiden op de tocht door deze innerlijke woestijn van de vierde klas, wordt in de derde aandacht besteed aan verhalen uit het Oude Testament, dat begint met Adam en Eva die het ‘paradijs’moeten verlaten om op aarde te leven. Er zijn vele verhalen te vinden in het Oude Testament, die het beschreven psychische spannings­veld in beeldvorm naar het kind toe spiege­len. Heel duidelijk zijn de volgende beelden, die hier alleen heel kort aangeduid kunnen worden.

Zoals de opvoeder nog vóór de genoemde crisis, zo was eens Mozes de natuurlijke lei­der en geaccepteerde autoriteit voor het Joodse volk. De stem van Javeh klinkt tot Mozes door het natuurgeweld van de bran­dende braambos tot hem, dus nog van bui­ten af. De nieuwe naam die Javeh zichzelf geeft) en dit moet Mozes aan het volk vertel­len — is: ik ben. Voor het eerst hoort het volk van het ik. Is het dan verwonderlijk, dat zij eenmaal in de woestijn, als Mozes op de berg is, hem als autoriteit afzweren? Het volk wordt ontrouw aan Mozes en aan hun God, want het eigen ik ontwaakt voor het eerst. Het is echter nog te zwak en grijpt naar het afgodsbeeld van het Gouden Kalf, terwijl het volk juist als opdracht had ‘zich geen beeld meer te vormen’, met andere woorden gelei­delijk het abstracte denken te gaan voorbe­reiden. Dit is exact wat zich in het klein na de crisis in het gevoelsleven bij het kind straks in de vierde zal gaan afspelen. Het beelddenken is dan aan vervanging toe.
In het verhaal van David en Goliath kan als aanzet hiertoe beleefd worden, hoe het scherpe verstand zijn gedachten weg kan slingeren, zo gericht en gedreven, dat het in staat is Goliath te overwinnen. Goliath, de onbesuisde kracht, de vitaliteit, zijn tijd is voorbij, zoals het kind ook niet eindeloos kan blijven groeien en sterker worden, zoals het in de voorafgaande jaren deed. Ten koste van die levenskrachten (die opstijgen uit de onderpool van de mens), groeien nu denk- en bewustzijnkrachten. Daarom blijft David klein, tegenover de machtig grote Goliath.
Ten slotte het beeld van Elia die in de grot wacht tot hij de stem van Javeh zal horen, maar: ‘(…) de Heer was niet in de storm. De Here was niet in de aardbeving. De Here was niet in het vuur (…).’ Als tenslotte Javehs stem tot Elia spreekt, dan klinkt het niet uit het natuurgeweld van buiten, zoals bij Mo­zes en de brandende braamstruik. Elia hoort echter de stem wanneer een ‘stil suizen van een zachte koelte’ merkbaar wordt in de grot zelf; het is de God die nu vanuit zijn binnenste tot hem spreekt, zoals ook de kinderen van nu af aan, veel meer vanuit hun eigen binnenwereld hun belevingen zullen heb­ben en van daaruit zullen opereren.

Listen en lagen

Wat het slimme verstand allemaal kan bedenken, kan de kinderen einde­loos bezighouden.

Als alle harmonie van de eerste drie schoolja­ren voorgoed voorbij is. kan het behoorlijk ‘spannen’, tussen kind en volwassene. Toch worden ook weer hele nieuwe dingen moge­lijk. Wat het slimme verstand allemaal kan bedenken (niet alleen in positieve, maar evenzo negatieve zin), kan de kinderen ein­deloos bezighouden. De god Loki uit de Noors-Germaanse mythologie is wat dit be­treft de kampioen! Met eindeloze listen en lagen, weet hij zich telkens uit de meest on­mogelijke situaties te redden en is hij de go­den van de lichtwereld te slim af. Het kan dan ook niet uitblijven, dat die gedoemd zijn ten onder te gaan in de grote Godenscheme­ring, door Loki zelf in gang gezet. Hoe het lichtende verduisterd wordt, is trou­wens in deze verhalen, die opgetekend staan in de ‘Edda’ een steeds weerkerend motief: de godin Sif verliest (weer door toedoen van de sluwe Loki) haar glanzend gouden haren; de oppergod Odin verliest een van zijn hel­der stralende ogen. Ten slotte wordt de zon­negod Baldur door toedoen van Loki ge­dood, wat het begin is van de ondergang van deze godenwereld.

In machtige beelden krijgt de vierdeklasser (9-10e jaar) nog eens van een heel andere kant te beleven wat zich in het klein in hemzelf voltrekt.

Wereldschepping en wereld­ondergang

Na de crisis in het gevoelsleven, is in de vijfde klas weer een betrekkelijke harmonie

Nu gaat het niet meer alleen om beelden die het kind in zichzelf kan beleven, hij heeft nu de mogelijkheid om een wijder perspectief te overzien. Als in een machtig tableau wordt de hele cultuurgeschiedenis geschetst. Elke cultuurperiode had zijn eigen specifieke op­gave te volbrengen. Door de verhalen van de­ze oude culturen is dat goed mee te beleven. Aan bod komen in dit jaar fragmenten uit het Mahabaratha en Ramajana der oude In­diërs, de wijze Zarathoestra. die de oude Perzen leerde uit grassen de granen te veredelen en wilde dieren te temmen en de mens leer­de van de zonnegod Ahura Mazdao (de gro­te zonne-aura). Deze zou eens op aarde ko­men om zich met het lot der mensen te ver­binden.

Verder het Gilgamesj Epos der Babyloniërs. mythen der Egyptenaren en als hoofd­schotel de verhalen der Oude Grieken. Na de crisis in het gevoelsleven, zoals eerder be­schreven, is in de vijfde klas (de kinderen zijn nu 10 of 11 jaar) weer een betrekkelijke har­monie teruggekeerd. De schoonheid van de Griekse cultuur en de beeldenrijkdom van de Griekse mythen spiegelen dat. Elke cul­tuur beleeft zijn opkomst, bloei en tenslotte ook ondergang. De verhalen strekken zich uit van de wereldschepping, over goden en heldenverhalen tot aan de wereldonder­gang. Veel mythologieën eindigen met een verwijzing naar een nieuwe, lichtende toe­komst, die uit de as van het oude moet herrij­zen.

Aardse geneugten

Voor een zesdeklasser komt wetgeving niet meer van de ‘goden’

Niet meer de tempel, maar het badhuis, de markt en de Senaat, zijn de gebouwen waar de Romein graag verblijft. De wetgeving komt niet langer van de goden. Die zijn verbleekt, haast niet meer beleefbaar voor de Romein. Om ze niet helemaal te vergeten, bouwt men het Pantheon, als een soort mu­seum voor goden, waar je naar ze kunt kijken als je dat nodig vindt. De Romeinen maak­ten hun eigen wetten voor het leven op aarde, dat zo prettig mogelijk moest worden ge­leefd.

Aan het einde van de Romeinse cultuur is in de zesde klas (11 -12 jaar) iets te vertellen over het leven van Jezus van Nazareth. Van hier­uit wordt de gedachtewereld van de midde­leeuwer en de renaissancemens ook veel be-grijpelijker.

Was het leven van de Romein gericht op de aardse geneugten, heel anders is de stem­ming van het ‘miserere’ in de middeleeu­wen. De beweging schijnt nu weer — in te­genstelling tot bij de Romeinen — naar bin­nen gekeerd. In het wereldbeeld van de mid­deleeuwen staat de aarde nog centraal, en zij is plat. De andere hemellichamen bewegen om haar heen. Doch het duurt niet lang meer of de eerste pioniers van het nieuwe denken verkondigen dat de aarde bol is en met andere hemellichamen om de zon draait: we zijn aangekomen in de zevende klas!

Logisch denken

De kinderen bewegen zich tussen onstuimig optreden naar buiten toe, of trekken zich in overge­voelige stemmingen terug in hun middel­eeuwse burchten.

De overgang naar het nieuwe wereldbeeld, dat zo rond 1500 ontstond, kan de leerlingen in de zevende klas (ze zijn nu 12-13 jaar) een nieuw houvast geven, want veel is onzeker geworden. Zij bewegen zich tussen onstui­mig en brutaal optreden naar buiten toe, of trekken zich in overgevoelige stemmingen terug in hun middeleeuwse burchten of kloosters. Ze worden soms moeilijk
bena­derbaar. Dat kan tot spanningen in de klas leiden.

Om in te zien, dat de aarde bol is en om de zon draait, moet je van je eigen standpunt af­stand nemen en objectief gaan denken. De pioniers van dit denken liepen de kans op de brandstapel terecht te komen. De zevende klasser verovert zich het nieuwe, logische denken in een betrekkelijk korte periode (vergeleken met de periode die de mensheid er voor nodig had althans) en met tamelijk gemak. Wat moet in de mensen die leefden van het begin van de renaissance zijn omgegaan?

Terwijl Galilei, Copernicus en Kepler het nieuwe wereldbeeld verkondigden, werd de aarde onttroond tot een nietig onbeteke­nend stofje in het heelal. Nauwelijks is de mensheid van de eerste schrik bekomen, of door de ontdekkingsreizen van Vasco Da Gama, Columbus en Magelhaes wordt dui­delijk, dat dat nietige stofje, dat aarde heet, vele malen groter is dan men voor mogelijk hield en ook nog een bol blijkt te zijn. Om zich dit nieuwe wereldbeeld eigen te maken, moest de mensheid zich ruimtelijk volkomen heroriënteren. Dat heeft de hele renaissanceperiode geduurd. Grote
kunste­naars als Leonardo, Raphael en Michelangelo, wier biografieën ook weer aan de orde kunnen komen in de zevende klas, gaven de klaroenstoot tot de nieuwe tijd. De vernieu­wing van de schilderkunst wordt gevolgd door een stroom van wetenschappelijke uit­vindingen.

Zo onstuimig als de mens in de renaissance zijn nieuwe wereldbeeld veroverde, zo gretig neemt de zevende klasser de beelden op uit die tijd. De biografieën van grote ontdek­kingsreizigers en uitvinders, het is hem als op het lijf geschreven. Ook de zevende klas­ser moet zich door zijn snel groeiende lede­maten enerzijds en door de onzekerheden van binnen, volkomen heroriënteren. Ik her­inner mij een leerling die in de zevende klas eens vol schrammen op school kwam. Hij was in een bocht van z’n fiets gevallen, om­dat z’n knieën tegen het stuur kwamen. Toen wij stuur en zadel hoger hadden ge­steld, aangepast aan de nieuwe lengte van zijn ledematen, was het euvel verholpen. Zou men niet kunnen zeggen, dat ook de mens in de renaissanceperiode in figuurlij­ke zin z’n ‘zadel’ en ‘stuur’ heeft moeten bij­stellen. De fiets was te krap geworden: niets klopte meer met het oude vertrouwde. Is dit niet wat de zevende klasser in het kort her­haalt?

In eerste instantie mogen deze thema’s be­vreemding oproepen: sprookjes en fabels, mythen en legenden, wat heeft dat voor zin? Staan die inhouden niet ver van de werkelijk­heid af? Maar hoe meer je ernaar kijkt, hoe meer je gaat beseffen dat de dramatiek die in deze vertelstof is vervat, niet onderdoet voor wat zich concreet dagelijks om ons heen vol­trekt. Een dramatiek die zich in de loop van de mensheidsgeschiedenis heeft ontrold tot datgene wat nu aan de orde is. Bij nadere beschouwing valt er in de thema’s van de vertelstof een lijn te ontdekken, een rode draad: het gaat om inhouden die niet alleen op een bepaalde leeftijd invoelbaar zijn, maar die ook ergens toe leiden, naar iets waar je in een volgende fase op terug kunt kijken en je kunt dan constateren: ja, dat punt hebben we gehad, nu kunnen we weer verder.

In een diepere levenslaag wordt bij de kinde­ren iets ingebouwd, dat consistentie geeft, een innerlijke zekerheid, misschien niet eens bewust, wel dragend tot in lengte van dagen.

(Ruud Gersons, Jonas 11, 22-01-1988)

.

Vertelstof: alle artikelen

Artikelen over de verschillende klassen: via ‘wat staat op deze blog’ onder klassen

.

312-292

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (19)

.

VAN LIJDENSTIJD NAAR PASEN

Werk als oefenweg

We fietsen achter elkaar, want het fietspad is maar smal. In een wijde boog rijden we achter de bushalte langs. Ongeduldig ronkend en brommend staat daar een bus te wachten tot alle reizigers ziJn ingestapt. ‘Kijk mam!, roept ineens mijn zoon. ‘Daar sta ik nou later ook te wachten met zo’n grote bus.’ Hij keert zijn glunde­rend gezicht naar me toe. ‘En dan mag jij ook wel eens bij mij instappen!’ Dat is een heerlijk vooruitzicht. Jongens van acht hebben zo hun eigen idee van de toekomst. Niet alleen buschauf­feurs of tramconducteurs blijken be­nijdenswaardige mensen – ook plaatsen waar met machines wordt gewerkt, hebben een eigenaardige aantrekkings­kracht. De wasserij is zo’n plaats waar ze graag komen.

Terwijl ik sta af te rekenen bij de toon­bank, zijn de kinderen de werkruimte ingelopen. Daar staat een reusachtige strijk- en vouwmachine opgesteld. De kinderen blijven geboeid staan kijken naar enkele witte servetten, die door grote warme rollen glad gewalst wor­den, en daarna op lopende banden statig verder zeilen. Onderweg worden de witte lappen via ingewikkelde klepjes tweemaal gevou­wen. Het geeft telkens een venijnig, ty­pisch machinaal klik-klakgeluid. Ten­slotte belanden ze op een tafel aan het andere einde waar ijverige dames het wasgoed uitzoeken en op stapels leg­gen. Het is zo fascinerend wat daar ge­beurt, dat het mijn zoon de uitspraak ontlokt: ‘Ik ga later in de wasserij wer­ken.’
Hij kent niet of nauwelijks de achtergrond van wat hij daar ziet ge­beuren. Wat is het dan dat hem daarin aanspreekt? Is het iets dat wij door ons te veel weten er niet meer in her­kennen? Het is mij wel duidelijk, dat een kind met andere ogen kijkt naar al die verschillende mogelijkheden van bezig-zijn in de wereld. Het herkent er iets in dat van hogere orde is, juist om­dat het niet meer ‘weet’ dan het ziet.

De werkende mens.
In deze technische tijden zien de kin­deren nauwelijks meer hoe de gewoon­ste dingen om hen heen tot stand ko­men. Oude ambachten worden uitgeoe­fend in verborgen hoeken van de sa­menleving. Soms worden ze op mark­ten of straatfeesten tentoongesteld, als museumstukken, weggehaald uit de ei­gen omgeving. Dat doet wat onwerke­lijk aan. Zodra de kinderen zelf in een werkplaats binnengaan, is de ervaring diep en blijvend. De smid die de paar­den beslaat, de pottenbakker met om zich heen werkstukken in allerlei sta­dia, de timmerman waar het harsig ruikt naar vers hout, en de bakker waar de werkplaats vol ligt met brood­jes in wording.

Als er in de buurt een huis wordt ge­bouwd, is dat een unieke plaats om ve­le ambachten tegelijk ‘in werking’ te zien. De kinderen zien hoe de metse­laar zijn specie mengt en het schiet­lood hanteert. Ze vergeten nooit meer het typische heldere klink-klankgeluid als de troffel op de baksteen slaat. Ze zien de muren groeien, en ze leven mee als de zware steunbalken voor het dak op hun plaats worden gelegd. Ook de dakbedekker wordt bewonderd, die handig en vlug de dakpannen in elkaar haakt.

In een werkplaats als de wasserij is het de ingenieuze machine die de kinderen boeit. Maar wat is dat anders dan be­wondering voor degene, die zo’n ma­chine kan bedenken en maken? Niet de zichtbare mensen die ermee werken, krijgen de aandacht. Deze geldt indirect de onzichtbare ‘maker’.
Bij de buschauffeur gaat de bewondering uit naar degene die zo’n kolos van een wa­gen schijnbaar moeiteloos door nauwe straten stuurt. Het is of er in het kind de vreugdevolle zekerheid leeft, dat zo iets te leren is. En zo ga je dan langza­merhand vermoeden, dat ieder kind een onbewust weten in zich draagt waarom hij hier op aarde is gekomen. Wat ziet hij namelijk om zich heen, dat hem zo intens boeit? Dat is de werkende mens.

Jan Luiken
Enige eeuwen geleden was er een Hol­lander die de toenmalige ambachten tot onderwerp maakte van zijn ets­kunst. In 1694 verscheen een bericht in de Amsterdamse Saturdaagsche Cou­rant:
‘Tot Amsterdam bij Jan Luyken, plaatsnyder, word uitgegeven een Boek, genaemt het Menselyk Bedryf, bestaende uyt 100 kopere plaetjes van ambachten, konsten, hanteeringen en bedryven, met versen toegepast op het Gemoet.’

Het is of de schrijver/etser ieder am­bacht even omhoog tilt als een kristal tegen het licht, zodat het aardse werk ‘door-licht’ wordt. Bij ieder ambacht beschrijft Jan Luiken een beeld van de ontwikkelingsmogelijkheden van de ziel, waardoor dat speciale beroep in­eens een dimensie erbij krijgt. Een en­kel voorbeeld.

De Kaarsemaaker
Verliest het minst,
Om groote winst

pasen 23

Terwyl het vuur de Kaars verteerd,
Soo word het huis met-licht vereerd;
Dat was het doelwit in het maaken:
o Aardse mens van vlees en bloed,
God wil het Licht
uit uw Gemoed,
Door’s lichaams sterven en versaaken.

Het aardse lichaam werd ‘het minste’ geacht in vergelijking met de ziel en de geest van de mens. Over het temmen en bedwingen van dat lichaam met al zijn hartstochten en driften spreekt het lied van de zadelmaker.

De Saalemaaker
Uw eigen dier,
vereist bestier 

passen 21

 t Geweldich, trots en weelich Paard,
Word nochtans van den Man bereeden,
Beloomd, besaadeld en Bedaard:
Soo most de Geest, door hooge reeden,
Zijn wilde dier, van
vlees en bloed,
Betemmen, om een Eeuwich goed.

De strengheid van de calvinistische le­vensopvatting, doortrokken van zonde­last en schuldbesef, dempt alle levens­blijheid. Het is of de calvinistische mens in de lijdenstijd blijft steken en nooit aan de verlossing toekomt, nooit de vreugde van Pasen kent.
Jan Luiken noemt wel ergens het ‘Nieuw Jerusalem’ als stralend eind­punt van een lange weg.
In de Openba­ring van Johannes staat een prachtige beschrijving van deze gouden stad, ge­noemd naar het aardse Jeruzalem:
‘En hij leidde mij in het geestgebied op een berg, groot en hoog, en toonde mij de heilige stad Jeruzalem…’ (Openb. 21).
De twaalf poorten en de twaalf fundamenten worden beschre­ven. Het is een merkwaardige stad, want het bouwwerk heeft de vorm van een kubus: ‘haar lengte en haar breed­te en haar hoogte zijn gelijk.’
Vanouds hoort het vierkant bij de aarde. Ook het beeld van een stad is een menselij­ke aangelegenheid.
De evangelist Jo­hannes ziet in zijn geweldig visioen dat er door mensenhanden gebouwd wordt in hemelse streken. Hoe kunnen we ons dat voorstellen?

Het werk als oefenweg
Als we ons verdiepen in de sprookjes, kunnen we ontdekken dat de verschil­lende beroepen die daarin voorkomen, een heel bepaalde functie vervullen in het verhaal.
De jager, de visser, de houthakker, de kleermaker, de schoen­maker – ze hebben allen hun geheel ei­gen karakter. Niet wat de houthakker persoonlijk is, maar wat hij doet is be­palend. Dat geeft vorm en richting aan het verhaal. Omgekeerd kan je ook zeg­gen: vele sprookjes geven het beeld van een wordingsproces, van een weg van lijden, van schuld en boete, en van een uiteindelijke verlossing. Maar er zijn oneindig veel mogelijkheden om die weg te beschrijven. Die weg is van­uit de schoenmaker gezien anders dan vanuit de houthakker, en weer anders vanuit de soldaat. Het is of ze verschil­lende facetten zijn van hetzelfde kris­tal. Elk vlak vangt het licht op een an­dere wijze. Er is geen werk zonder strijd en geen strijd zonder leed. Maar zonder leed ook geen verlossing, zon­der lijdenstijd geen Pasen. In het ty­pisch oud-Hollandse beroep van de turf­steker kunnen we dat herkennen.

De Veender
’t Is ongezien
Doch ’t kan geschien

pasen 22

Van onder ’t water word geheeven,
Een Stof, om Vu
ur en Vlam te geeven,
Tot nul en teegenweer der Kouw:
Soo most de Mens Materi vissen,
Van onder’s leevens kommernissen,
Tot Vreugd, die Eeuwig gloorien souw.

Ieder werk kun je zien als een ontwik­kelingsweg, en daarbij doet het er min­der toe wat je doet. Belangrijk is hoe je het doet, wat je ervan maakt en wat je er zelf aan doormaakt. En daardoor komt ‘ongezien’ iets vrij, dat een steen­tje bijdraagt voor de bouw van de gou­den stad.
De verrukkelijke tuin van het paradijs was een geschenk van de goden. Maar toen Adam ‘stevig op zijn voeten’ mocht gaan staan, kwamen zijn han­den vrij om te werken. Na de zondeval werd dat vermogen tot opdracht: ‘In het zweet uws aanschijns zult ge uw brood eten’. De aarde wacht op verlos­sing. Er wordt op ons gerekend.

Marieke Anschütz,  ‘Jonas’16, 4 april 1980

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

3e klas: heemkunde

 

129-124

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.