VRIJESCHOOL – Muziek – zingen in een andere taal (7-6)

.

Op vrijescholen wordt veel gezongen.
Als je deze website bekijkt ‘vrijeschoolliederen‘ zie je een enorm aantal liedjes, ook in andere talen.
Als leerkracht lukt de uitspraak van Engels, Duits, Frans meestal nog wel, maar andere talen leveren vaak problemen op.

Ik vond nog een aantal artikelen met aanwijzingen voor uitspraak in een bulletin van een instelling voor koorzang.

.

Palle Fuhr Jørgensen, exacte bron en datum onbekend

deens

De Deense bariton Palle Fuhr Jørgensen, sinds 1978 woonachtig in Nederland, ontving zijn zangopleiding aan het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam en volgde daar ook de operaopleiding.
Hij vervolgde zijn zangstudie bij Maria Louise Hendrickx in Antwerpen en nam deel aan masterclasses bij o.a. Cathy Derberian, Guus Hoekman en Tom Krause. Zijn huidige coach is de Vlaamse altmezzo Lucienne Van Deijck. Sinds Palle in 1985 tot de laureaten behoorde op het internationale zangconcours Mina Bolotine in Antwerpen is zijn carrière in een stroomversnelling geraakt en verleende hij solistische medewerking aan vele concerten en opera’s in binnen- en buitenland. Zijn repertoire omvat Barok, oratorium, opera, lied en hedendaagse muziek.

In het Holland Festival van 1994 vertolkte Palle solorollen in de wereldpremière van twee Chinese kameropera’s en in datzelfde jaar was hij bij de KRO-radio te beluisteren als solist in An American Te Deum van Karel Husa – een première voor Nederland. In 1996 vertolkte Palle de rol van Willem van Oranje in de nieuwe opera Francois Guyon van Kees Olthuis. In 1998 zong hij meerdere rollen in Wim Stoppelenburgs nieuwe van Gogh-opera Het Uitstel. Hij is te beluisteren op meerdere cd-opnamen onder leiding van dirigenten als Jean Fournet, Ton Koopman, Reinbert de Leeuw en Edo de Waart.

Inleiding en een beetje geschiedenis

Samen met het IJslands, Faröisch (Faröer Eilands/ Færøsk), Zweeds en Noors behoort het Deens tot de Scandinavische talen. Van deze vijf talen zijn het (oud-) Noors (of riksmål) en het Deens het meest aan elkaar verwant, met name omdat Noorwegen nog tot in de eerste helft van de negentiende eeuw tot het Deense koninkrijk behoorde. In tegenstelling tot het zeer zangerige Noors heeft het Deens echter een tamelijk monotone intonatie. Wel heeft het gesproken Deens een in de hele wereld uniek kenmerk: het zogenaamde ‘stød’ (stoot). Dit is een hele kleine onderbreking in een klinker (bijv. får [fóó’ó], bijna als een klein kuchje. In het zingen verdwijnt echter de stoot en zijn we van dat probleem verlost.

Zoals men in Nederland het ABN kent (niet te verwarren met het Randstadplat met ‘Gooise r’ dat veel op radio en televisie te beluisteren valt) bestaat ook het Algemeen Beschaafd Deens: ‘rigsdansk’ (Rijksdeens) en dat is de taal die men in het zingen toepast,- behalve natuurlijk als er nadrukkelijk in dialect gezongen moet worden. Toch verschilt het achttiende of negentiende eeuwse rigsdansk van het hedendaagse rigsdansk. Tot 1948 schreef men in het Deens de zelfstandige naamwoorden met een hoofdletter, net als in het Duits en de letter å werd als ‘aa’ geschreven. Tegenwoordig echter worden oude teksten vaak in ‘nieuwe’ spelling afgedrukt en is het niet eenvoudig een tekst te dateren alleen op de spelling.

Uitspraak en een beetje theorie

Algemene uitspraakregels zijn bijna onmogelijk te geven want er zijn heel veel uitzonderingen en sommige woorden hebben door verschillende uitspraak ook verschillende betekenis, bijv. for [fò] (voor) en for [fóó’ó] (oude spelling foer; ijlde of voering) of ved [wé’δ ] (weet/weten) en ved [wéδ l (bij/naast, of het harde gedeelte van hout).

Net als in het Noors kent het Deens de onbepaalde lidwoorden en fé’én] en et [ét]; en is mannelijk en vrouwelijk (fælleskøn) en et is onzijdig. Het bepaalde lidwoord wordt als aanhangsel gebruikt -en (of -n) en -et (of -t). Bijv. et hus (een huis) en huset (het huis) of en løve (een leeuw) en løven (de leeuw). Ook in de meervoudsvormen is het bepaalde lidwoord een aanhangsel. Soms hebben Deense naamwoorden die veel op Nederlandse woorden lijken net het tegenovergestelde lidwoord, bijv. kortet (de kaart) of udsigten (het uitzicht). De werkwoorden zijn in alle persoomsvormen, enkel- en meervoud, hetzelfde, bijv.

Klinkers

Behalve de vijf internationale klinkers a, e, i, o en u kent het Deens (en het Noors) de klinkers y, æ, ø en å. De y is gelijk aan de Duitse ü, de æ is gelijk aan de Duitse (of Zweedse) å, de ø is gelijk aan de Duitse (of Zweedse) ö en de å is tussen een gesloten [óó] en een [òl in. De Deense klinkers hebben vele nuances en kunnen kort of lang zijn; hier een algemeen overzicht.

Diftongen

Een veel voorkomende diftong/tweeklank (in ieder geval in moderne spreektaal) ontstaat doordat achter een klinker een -v of een -g staat die dan als [oe] uitgesproken wordt: løv [ leuoe ] (loof) of og [òoe l (en). Ook de -r als afsluitende medeklinker veroorzaakt vaak een diftong, bijv. ler [ lé’éò] (lacht/lachen of klei).

Medeklinkers

Van de medeklinkers zijn er vooral twee die voor Nederlanders zeer moeilijk zijn: de zachte d [ δ ] en de r. Medeklinkers die hetzelfde zijn als in het Nederlands: b, f, h, j, m, n, s (behave dat de h in sommige woorden stom is, vooral in de combinatie hv-). De medeklinkers c, q, w, x en z komen alleen voor in buitenlandse leenwoorden. De medeklinkers k,p en t zijn vaak (vooral aan het begin van een woord) geaspireerd, zoals in het Engels.

Over het algemeen kun je zeggen dat de Denen hun taal zeer slordig uitspreken in hun dagelijkse spreektaal; veel van de lettergrepen worden ingeslikt. Een zin als de volgende zal op straat klinken als in 1 en in het rigdsdansk (zangtaal) als in 2:

“Vil du have fløde i kaffen og småkage till?”

1. [wé doe há fleuδ ie kàfn ò’n smòká té]

2. [wél die háwy fleuδy ie kaffyn òoe één smòkájy tél l
(Wil je room in de koffie en een koekje erbij?)

Uiteraard worden Deense teksten (proza of poëzie) meestal door Deense componisten gezet. Er zijn slechts een handvol Deense componisten die internationale bekendheid hebben verworven.

Van N.W. Gade (1817-1890) is een heel aantrekkelijk wereldlijk oratorium in Denemarken zeer populair: Elverskud (De dochter van de Elvenkoning) opus 30 uit 1854. Dit is een romantisch verhaal (à la Erlkönig) voor solisten (coloratuursopraan, altmezzo, en bariton), koor en orkest. In Nederland werd dit werk in het Deens uitgevoerd (Rijswijk 1998). Een koordeel daaruit is het zonsopgangs-ied (Morgensang), dat ook als los concertstuk gezongen kan worden. De eerste strofe (in oude spelling) luidt:

Carl Nielsen (1865-1931) schreef zeer veel liederen, zowel kunst(-concert)liederen als populaire liederen voor samenzang en ook christelijke gezangen. Eveneens schreef hij a capella koormuziek en een in Denemarken zeer populair wereldlijk oratorium Fynsk Forår (Voorjaar op Funen) voor solisten (sopraan, tenoren bas), gemengd koor, kinderkoor en groot orkest.

Per Nørgård (geb. 1932) is vooral bekend om zijn avantgardistische composities, die misschien niet bij het grote publiek zo in de smaak vallen. Bo Holten (geb. 1948) is behalve als componist ook als koordirigent zeer actief en is regelmatig te zien bij het Nederlands Kamerkoor en het Groot Omroepkoor. Hij schreef onder meer a capella koormuziek. Ook Vagn Holmboe (1909-1996) schreef veel mooie a capella koormuziek op Deense en Färöische (Færøske) teksten, een taal die slechts door ongeveer 40.000 mensen gesproken wordt.

.

Muziekalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2302-2160

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – opvoedingsvragen (12-5)

.
Noor Prent, Weleda Puur Kind herfst 2005 nr. 16
.

Wie niet (meer) horen wil moet voelen

Tijdens elk spreekuur* komt is er wel een ouder die vertelt dat zijn kind in de voorafgaande maanden oorontsteking had. Het is een veelvoorkomende aandoening, maar daarom niet minder de moeite waard om goed mee om te gaan. We kunnen zoeken naar oorzaken, preventie van chronische klachten en behandeling. Ouders vragen vaak steun hierbij.

Op een dag belt de moeder van K van anderhalf jaar en vertelt dat K gisternacht plotseling flinke last van oorpijn had met een koorts van 39,8. Zijn tanden beginnen door te komen, hij heeft een rode wang, zijn ontlasting ruikt zurig en hij snottert een beetje. De huisarts heeft deze ochtend een oorontsteking geconstateerd, met een rood trommelvlies en vocht daarachter. K heeft nog geen antibiotica nodig, pas als de koorts na drie dagen niet gezakt is of als de algehele toestand snel verslechtert. ‘Maar,’ is haar vraag aan mij, ‘kunnen we iets doen om het genezingsproces te ondersteunen?’

Tijd om op te ruimen

Allereerst denk ik dat het belangrijk is als ouders beseffen dat het hele kind oorontsteking heeft en daar ook als zodanig mee bezig is. Het is niet alleen een oor-probleem. Het speelt zich daar wel af, maar betreft zijn hele organisme. Een ontsteking is een poging van het lichaam om een ontspoord evenwicht te herstellen. Dit zal daar gebeuren waar een orgaan of een andere plek het zwakst is. Soms is dat uit de erfelijkheid af te lezen en hebben de ouders zelf veel oorontstekingen doorgemaakt, maar mijn ervaring is dat dit lang niet altijd het geval is.

Bij jonge kinderen heeft de huid en ook de ‘inwendige’ huid (de slijmvliezen van keel, neus, oren, longen en maag-darmkanaal), nog een sterke functie in de uitscheiding van afvalstoffen van de stofwisseling. Daarom is hij bij kinderen ook zo vaak betrokken bij allerlei ontstekingen of allergische verschijnselen. Op latere leeftijd wordt die functie steeds meer overgenomen door de organen.

Om allerlei invloeden van buitenaf de baas te worden heeft ieder mens, en zeker ook een klein kind een sterke algehele weerstand nodig. Vele stressfactoren hebben hierop echter een verzwakkende invloed, zoals bijvoorbeeld een teveel aan indrukken. Het ene kind gaat hier natuurlijk anders mee om dan het andere, maar in zijn algemeenheid kun je wel stellen dat zo’n overdosis moeilijk verteerbaar is. Kinderen moeten veel aanhoren waar ze niet aan toe zijn en waar ze eigenlijk niets mee kunnen, maar ze kunnen moeilijk de hele dag hun handen op hun oren houden. Dit geldt niet alleen voor de klanken, woorden en geluiden, maar ook voor datgene wat ze oppikken van alle gevoelens en onrust om hen heen. Alles wat onverteerd blijft liggen, gaat storen. Een infectie kan de mogelijkheid bieden om opruiming te houden.

Verschillende stressfactoren

Een andere mogelijke oorzaak voor een verlaagde weerstand is dat een vaccinatie slecht is verwerkt. Als er omstreeks de vijftiende dag na de prik een infectie optreedt en je weet dat er geen andere stressfactoren aanwezig zijn, kun je ervan uitgaan dat de prik een impact heeft gehad op de weerstand, waardoor zwakke plekken kunnen opspelen.

Wacht dan in elk geval met de volgende prik tot de harmonie hersteld lijkt te zijn. Het evenwicht kan ook zijn verstoord door kouvatten, bijvoorbeeld in de zomertijd, wanneer kleine kinderen te lang in het water zijn gebleven en daardoor te veel zijn afgekoeld. Of door voor op de fiets te zitten zonder petje of een scherm ervoor.

Daarnaast spelen nog andere factoren een rol, zoals het tanden krijgen, trauma’s in het gezin, acute schrik, ongeluk, verdriet en rouw, een broertje of zusje erbij. Het verliezen van het veilige nestgevoel door het wegvallen van een ouder of door een langdurige ziekte, kan ingrijpend werken. En iedereen kan zich het effect voorstellen van meerdere stressfactoren die zich opstapelen.

Gezonde koorts

We moeten het probleem dus van verschillende kanten benaderen, maar ik beperk me hier tot de medische kant. In het geval van acute oorontsteking, zoals bij K, zijn er een paar dingen die we nader kunnen bekijken. Het kind heeft koorts: 39,8. Mijn advies is om deze koorts niet direct te onderdrukken, maar te begeleiden, omdat koorts gezondmakend kan werken. Het immuunsysteem krijgt juist door een hoge temperatuur de kans een soort opruiming te houden en disharmonieën om te werken. Gebeurt dit, dan zal het kind meestal sterker uit de strijd te voorschijn komen.
Soms is de koorts echter te heftig of wordt de ouder bang. Dan is het mogelijk de hoge koorts in korte tijd een halve graad te laten dalen door bijvoorbeeld citroensokken aan de voeten te doen.** Zorg wel dat zijn voetjes warm zijn. Als zo’n compres onvoldoende werkt of als de ouder het niet vertrouwt, kan in overleg met de arts een paracetamol worden gegeven. Bedenk daarbij wel dat dit middel de symptomen maskeert, dus dat je slechter kunt zien hoe het werkelijk gesteld is met de zieke.

Is de weerstand tijdelijk verlaagd, bijvoorbeeld door het proces van tanden krijgen, dan kunnen we deze ondersteunen met een paar zelfzorgmiddelen zoals Kinfludo (Weleda) of EBT complex (VSM) en extra vitamine C. De oorontsteking zelf kun je begeleiden door warme Lavendelolie in zijn oor te druppelen of Johannesolie. Deze etherische oliën werken bacterieremmend. Een ouderwets maar zeer doeltreffend (en helaas sterk ruikend) hulpmiddel is een uienkompres***.
Ui remt namelijk de pijn en de zwelling. En zorg voor een goede doorluchting van het middenoor door de neus open te houden. Smeer hiervoor regelmatig een beetje Neuscrème (Weleda) onder de neus.

Vergeet niet te zingen Bij een chronische oorontsteking moet de behandeling specifiek worden afgestemd op onderliggende verzwakkende factoren en de algehele gesteldheid van het kind. Blijkbaar ontbeert het de kracht om actief en acuut af te rekenen met de ontstekingshaard. In elk geval is het goed te stoppen of te minderen met melkproducten (bij kinderen ouder dan één jaar). Geef nooit meer dan 300 cc per dag. Geef alleen de zure melkproducten, zoals biogarde, kwark en liever van de geit dan van de koe. Het eiwit van geitenmelk is namelijk lichter verteerbaar dan dat van koeienmelk.
Om het verteringsproces positief te ondersteunen kun je vóór de maaltijd bittermiddelen geven, zoals Amara Eetlustdruppels (Weleda.) En gebruik zo mogelijk in alle warme maaltijdgerechten ten minste één vers kruid, want tuinkruiden kunnen de verteringsorganen stimuleren en enthousiasmeren, waardoor de hele stofwisseling beter gaat functioneren.

Tot slot nog een gouden tip: ga met uw kind zingen. Zingen doet alle luchtwegen én het oor trillen en in beweging komen en dat werkt gezondmakend, ook bij chronische oorontstekingen.

**Om de koorts iets te laten dalen: citroensokjes:

Neem een halve citroen en pers hem uit. Doe er een kwart kopje warm water bij en doop daar een paar katoenen sokjes in. Wring ze uit, trek ze het kind aan en doe er nog een wollen sok overheen zodat het warm blijft. Vijftien minuten laten zitten, dan uitdoen. Eventueel na een uur herhalen.

***Bij acute oorontsteking: uiencompres

Dit kompres maak je van een dikke schijf ui. Hak hem in kleine stukjes, vouw die in een doekje en leg dat over het oor.
Houd het op zijn plaats met een mutsje of doek, in elk geval langer dan 15 minuten. Het mag tijdens het slapen blijven zitten. Je kunt het zo nodig vaker herhalen: drie dagen lang, drie keer per dag, nadat de eerste symptomen optraden.

Over de Amara Weleda; Antroposana

*voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

.Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

.

.

2301-2159

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-1-1/19)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Hier worden zijn uitspraken daarover uit andere voordrachten weergegeven.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar 

in de voordrachtenreeks:

Die Methodik des Lehrens und die Lebensbedingungen des Erziehens

GA 308 
vertaald                       

De wordende mens

Voordracht 1, Stuttgart 8 april 1924

Blz. 14   vertaling 28

Nehmen wir ein Kind, das noch im zarten Alter steht, in einem Alter, das vor der Volksschulpflicht liegt. Da ist das Kind eigentlich noch ganz und gar ein einheitliches Wesen. Die drei Glieder der Men­schennatur, Leib, Seele und Geist, sie gliedern sich erst im späteren Leben auseinander. Zwischen der Geburt und dem Zahnwechsel, der einen sehr wichtigen Lebenspunkt in der Entwicklung des Menschen bedeutet, liegt eine Lebensepoche des Kindes, in der sozusagen — wir beachten das nur gewöhnlich nicht genügend — das Kind fast ganz Sin­nesorgan ist.  Namentlich das, was von den Eindrücken der Menschen der Umgebung kommt, ob wir uns langsam bewegen in der Umgebung des Kindes, und dadurch die Lässigkeit unseres Geistig-Seelischen of­fenbaren, ob wir uns stürmisch bewegen in der Umgebung des Kin­des und dadurch die Wucht unseres eigenen Geistig-Seelischen offen­baren, das alles wird von dem Kinde fast mit derselben Intensität aufgenommen, mit der sonst die Eindrücke, die auf das Sinnesorgan wirken, von diesem Sinnesorgan aufgenommen werden.

Laten we een kind bekijken dat nog in de kwetsbare leeftijd is, een leeftijd die vóór de basisschoolleeftijd ligt. Dan is het kind eigenlijk nog helemaal een wezen dat een eenheid is. De drie wezensdelen van de mens, lichaam, ziel en geest, verdelen zich pas in het latere leven. Tussen geboorte en tandenwisseling, die een zeer belangrijk levenspunt in de ontwikkeling van de mens betekent, ligt de leeftijdsfase van het kind waarin zo gezegd – we letten daar gewoonlijk niet genoeg op – het kind bijna helemaal zintuig is. Laten we eens een zintuig bekijken, nemen we het oog zelf. Indrukken van buiten, kleurindrukken krijgt het oog. Het oog is er op fijnzinnige manier voor gebouwd kleurindrukken in zich op te nemen. Zonder dat de mens er invloed op kan uitoefenen wordt wat als een prikkel van buitenaf werkt meteen omgezet in iets wilsmatigs, dat dan door de ziel, zoals wij zeggen, kan worden beleefd. Maar zo is op basis van de zintuigwaarneming het hele leven van het kind voor de tandenwisseling: ziel. Alles wat het innerlijk beleeft lijkt op een waarnemen met de ziel. Met name wat door de indrukken van de mensen uit zijn omgeving komt, of we ons langzaam bewegen in de omgeving van het kind en daarmee de gelatenheid van ons geest-zieleleven laten zien, of we onstuimige bewegingen maken in de omgeving van het kind en daarmee de hevigheid van ons geest-zieleleven laten zien, dat wordt door het kind bijna met dezelfde intensiteit opgenomen als waarmee anders de indrukken die op een zintuigorgaan werken door dit zintuigorgaan worden opgenomen.

Das Kind ist im Ganzen Sinnesorgan. Man kann schon sagen: Wenn wir erwachsen sind, haben wir Geschmack im Munde, auf dem Gaumen, auf der Zunge. Das Kind fühlt den Geschmack viel tiefer hinunter in seinen Organismus, das Geschmacksorgan dehnt sich sozusagen durch einen großen Teil des Körpers aus. So die anderen Sinne. Die Lichtein­wirkungen verbinden sich beim Kinde innig mit den Atmungsrhyth­men, sie gehen hinunter in die Blutzirkulation. Dasjenige, was der Erwachsene abgesondert im Auge erlebt, erlebt das Kind durch den ganzen Leib hindurch, und ohne daß Überlegung dazwischentritt, kommen die Willensimpulse unmittelbar wie Reflexerscheinungen beim Kinde zutage. Ich erörtere das zunächst nur einleitungsweise, um das Thema anzuschlagen. So wirkt der ganze Leib des Kindes wie

Het kind is helemaal zintuig. Je kunt ook zeggen: wanneer we volwassen zijn hebben we smaak in onze mond, op ons verhemelte, op onze tong. Het kind echter ervaart de smaak veel verder naar binnen in zijn organisme, het smaakzintuig is zogezegd over een groot deel van zijn lichaam uitgebreid.
Zo ook de andere zintuigen. De lichtindrukken verbinden zich in het kind diep met het ademhalingsritme, ze duiken onder in de bloedsomloop. Wat de volwassene gelokaliseerd in het oog beleeft, beleeft het kind met zijn hele lichaam, en zonder dat daar gedachten tussen zitten komen de wilsimpulsen rechtstreeks als reflexbewegingen bij het kind tevoorschijn. Ik zeg dit nu bij wijze van inleiding, om het thema aan te snijden. Zo werkt het hele lichaam van het kind als 

Blz. 15   vertaling 29

ein Sinnesorgan reflexartig gegenüber dem, was in der Umgebung vorgeht.
Dadurch aber sind Geist, Seele, Leib im Kinde noch nicht geglie­dert, noch nicht differenziert, noch eine Einheit, ein Ineinanderweben. Das Geistige, das Seelische wirkt im Körper, indem es dessen Zirku­lations- und Nahrungsvorgänge unmittelbar beeinflußt. Oh, wie ist beim Kinde die Seele in ihrer Empfindung nahe dem ganzen Stoff­wechselsystem, wie wirken die zusammen! Erst später, beim Zahn­wechsel, sondert sich das Seelische von dem Stoffwechsel mehr ab. Jede seelische Erregung geht beim Kinde über in die Zirkulation, in die Atmung, in die Verdauung. Leib, Seele, Geist sind noch eine Ein­heit. Dadurch setzt sich aber auch jeder Reiz, der von der Umgebung ausgeübt wird, bis in das Leibliche des Kindes fort.

een zintuigorgaan reflexmatig ten opzichte van wat er in zijn omgeving gebeurt.
Daardoor echter zijn geest, ziel en lichaam in het kind nog niet geleed, nog niet gedifferentieerd, vormen nog een eenheid; ze werken nog door elkaar heen. Het geestelijke, het psychische werkt in het lichaam terwijl het de processen van bloedsomloop en voeding direct beïnvloedt. O, hoe staat bij het kind zijn ziel met zijn gewaarwordingen dichtbij het hele stofwisselingssysteem, hoe werken die samen! Pas later, met de tandenwisseling, komt de ziel losser van de stofwisseling. Iedere prikkeling in de ziel gaat bij het kind over op de bloedsomloop, op de ademhaling, op de stofwisseling. Lichaam, ziel en geest zijn nog een eenheid. Daarom zet zich iedere prikkel die uit de omgeving komt verder voort in het lichaam van het kind.
GA 308/1e vdr.

Voordracht 2, Stuttgart 9 augustus 1924

Blz. 23  vertaling  

Die erste Lebensepoche des Kindes schließt mit dem Zahnwechsel. Nun wird ja, das verkenne ich durchaus nicht, Rücksicht genommen in den Anschauungen, die heute üblich sind, auf die Verwandlung des kindlichen Körpers, der kindlichen Seele auch in diesem Lebensalter, aber nicht in so durchgreifender Weise, daß man dadurch hineinschauen würde in alles dasjenige, was mit dem Menschen in diesem zarten Alter vor sich geht und was durchaus erfaßt und ergriffen werden muß, wenn man den Menschen erziehen will. Das Hervorbrechen der Zähne, die nicht mehr die vererbten Zähne der ersten Jahre sind, ist ja nur das alleräußerste Symptom für eine gesamte Umwandlung der ganzen menschlichen Wesenheit. Vieles, vieles geht im Organismus, wenn auch nicht äußerlich so sichtbar, vor sich, was eben in diesem Hervorbrechen der zweiten Zähne nur seinen radikalsten Ausdruck findet.

De eerste levensfase van het kind eindigt met de tandenwisseling. Nu houden we, dat ontken ik beslist niet, bij de opvattingen die tegenwoordig gangbaar zijn, rekening met de verandering van het kinderlichaam en van de kinderziel ook op deze leeftijd; alleen niet zo diepgaand dat we daardoor inzicht zouden krijgen in wat er met de mens op deze gevoelige leeftijd gebeurt en wat beslist begrepen en aangegrepen moet worden, wil men tenminste de mens opvoeden. Het tevoorschijn komen van de tanden die niet meer de overgeërfde tanden zijn, is slechts het meest uiterlijke symptoom van een totale verandering van heel het mensenwezen. Veel, heel veel gebeurt er in het organisme – ook al is dat uiterlijk niet zo zichtbaar – wat in zijn meest extreme vorm tot uitdrukking komt in het tevoorschijn komen van het blijvend gebit.

Blz. 27   vertaling 46

Wenn der Mensch hereintritt in die physisch-sinnliche Welt, so wird ihm ja durch Eltern, Voreltern der physische Leib überantwortet. Darüber gibt es heute, wenn auch noch nicht vollständig – sie wer- den erst in sehr viel späterer Zeit vollendet werden -, doch schon in gewisser Beziehung überschaubare Naturerkenntnisse. Das ist für die Geisteswissenschaft ein Teil der menschlichen Wesenheit. Denn die andere menschliche Wesenheit, die sich vereinigt mit demjenigen, was von Vater und Mutter kommt, die steigt herab als geistig-seelisches Wesen aus der geistig-seelischen Welt. Sie hat zwischen dem früheren Erdenleben und dem gegenwärtigen eine längere Zeit zwischen dem Tod und einer neuen Geburt durchgemacht. Sie hat Erlebnisse gehabt im Geistigen in diesem Lebenslauf zwischen Tod und einer neuen Geburt, ebenso wie wir durch unsere Sinne, durch unseren Verstand, durch unsere Empfindungen, durch unseren Willen körperlich vermittelt zwischen Geburt und Tod unsere Erlebnisse auf Erden haben.

Wanneer de mens de fysiek-zintuiglijke wereld betreedt wordt hem door de ouders, de voorouders het fysieke lichaam geschonken. Daarover bestaan tegenwoordig, zij het nog niet compleet – dat worden ze pas in een veel verder liggende tijd -, toch in zeker opzicht inzichten in de natuur die te overzien zijn. Dat is voor de geesteswetenschap een deel van het mensenwezen. Want het andere menselijke wezen, dat zich met wat van vader en moeder komt verenigt, daalt af als geest-zielewezen uit de geest-zielewereld. Het heeft tussen het vorige en het huidige aardeleven een langere tijd tussen de dood en een nieuwe geboorte doorgemaakt. Dat deel heeft in de geestwereld in deze levensloop tussen dood en een nieuwe geboorte ervaringen opgedaan, net zoals wij tussen geboorte en dood lichamelijk onze ervaringen op aarde hebben door middel van onze zintuigen, door ons verstand, door onze gevoelens, door onze wil.

Diese Wesenheit mit den Erlebnissen, die geistig durchgemacht worden sind, die steigt herunter, verbindet sich zunächst in einer losen Weise mit dem Physischen des Menschen während der Embryonalzeit und ist im Grunde genommen noch in loser Weise, gewissermaßen äußerlich als Aura den Menschen umschwebend, in dem ersten kindlichen Zeitalter zwischen der Geburt und dem Zahnwechsel gegenwärtig. Und man darf sagen: Deshalb, weil dasjenige, was heruntersteigt aus der geistigen Welt als ein geistig-seelisches Wesen und ebenso real ist, als was wir mit Augen aus dem Mutterkörper hervorgehend schauen, weil das noch loser mit der physischen Körperlichkeit verbunden ist, als es später beim Menschen der Fall ist, deshalb lebt das Kind noch viel mehr als der spätere erwachsene Mensch außerhalb seines Leibes.

Dit wezen, met zijn ervaringen die in de geestelijke wereld zijn opgedaan, daalt af, verbindt zich allereerst losjes met het fysieke van de mens tijdens de embryonale toestand en is in wezen nog los, in zekere zin uiterlijk als aura om de mens zwevend aanwezig in de eerste periode van het kind tussen geboorte en tandenwisseling. En je mag zeggen: omdat wat uit de geestelijke wereld naar de aarde afdaalt als een geest-zielewezen is en net zo werkelijk als wat wij uit het moederlichaam voortkomend met onze ogen waarnemen, en omdat dit geest-zielewezen nog losser met de fysieke lichamelijkheid verbonden is dan later het geval is bij de mens, daarom leeft het kind nog veel meer dan de latere volwassen mens buiten zijn lichaam.

Blz. 28   vertaling 47

Das Kind ist im allerhöchsten Grade seinem ganzen Wesen nach in dieser ersten Zeit ein Sinneswesen. Es ist wie ein Sinnesorgan. Durch den ganzen Organismus rieselt dasjenige, was an Eindrücken aus der Umgebung kommt, klingt nach, tönt nach, weil das Kind noch nicht so innig wie später der Mensch mit seinem Körper verbunden ist, sondern in der Umgebung lebt mit dem loseren Geistigseelischen. Daher wird alles aufgenommen, was an Eindrücken aus dieser Umgebung kommt.
Wie verhält sich nun das, was der Mensch durch die reine Vererbung im Physischen durch Vater und Mutter erhält, zu seiner Gesamtwesenheit? Wenn man mit dem Blick, der da darstellen muß und nicht schlechthin in dem Sinne beweisen will, wie ich das eben charakterisiert habe, wenn man mit dem Blick, der das Geistige anschauen will, die Entwicklung des Menschen betrachtet, dann wird man finden, daß alles im Organismus ebenso auf Vererbungskräften beruht wie die ersten Zähne, die sogenannten Milchzähne.

Het kind is in de allerhoogste mate wat zijn hele wezen betreft in deze eerste tijd een zintuigwezen. Het is als het ware één zintuigorgaan. Wat aan indrukken uit de omgeving komt stroomt door zijn hele organisme heen, klinkt door, vibreert verder, want het kind is nog niet zo hecht met zijn lichaam verbonden als de mens later, maar in de omgeving het leeft met het lossere geest-zielewezen in zijn omgeving. Vandaar dat alles wordt opgenomen wat aan indrukken uit deze omgeving komt.
Hoe verhoudt zich nu wat de mens door de pure erfelijkheid in het fysieke door vader en moeder krijgt tot zijn totale wezen? Als je met de blik die het moet beschrijven en gewoonweg wil bewijzen in de zin zoals ik dit net heb gekarakteriseerd, als je met de blik die het geestelijke wil waarnemen naar de ontwikkeling van de mens kijkt, dan zul je vinden dat alles in het organisme net zo op erfelijkheidskrachten berust als de eerste tanden, het zogeheten melkgebit. 

Man schaue sich nur einmal an, aber mit wirklich exaktem Blick, wie anders sich die zweiten Zähne gestalten als die ersten, und wie es da, ich möchte sagen, mit Händen zu greifen ist, was eigentlich am Menschen geschieht von der Geburt bis zum Zahnwechsel. Der ganze Mensch ist nämlich von der Geburt bis zum Zahnwechsel, indem in seinem Physischen die Vererbungskräfte walten, wie eine Art Modell, an dem das Geistig-Seelische arbeitet nach den Eindrücken der Umgebung als rein nachahmendes Wesen. Und wenn man sich versetzt in das Gemüt des Kindes in bezug auf sein Verhältnis zur Umgebung, wie das Kind jede Regung des Seelischen auf sein Ganzes hin betrachtet, wie das Kind in jeder Handbewegung, in jeder Miene, in jeglichem Blick des Auges das dahinterstehende Geistige des Erwachsenen wittert und in sich fortrieseln läßt, wenn man das alles beobachtet, dann findet man eben, wie nach dem Modell, das durch die Vererbung dem Menschen übergeben wird, sich nun im Verlaufe der ersten sieben Lebensjahre ein anderes bildet. Wir bekommen wirklich als Menschen von der Erdenwelt durch die Vererbungskräfte ein Modell mit, nach welchem wir den zweiten Menschen, der eigentlich erst geboren wird mit dem Zahnwechsel,

Kijk maar eens, maar wel met een echt exacte blik, hoe anders het blijvende gebit gevormd wordt dan het melkgebit en hoe het daar, laat ik zeggen, met handen aan te raken is wat er eigenlijk bij de mens gebeurt van de geboorte tot de tandenwisseling. De hele mens is namelijk van de geboorte tot de tandenwisseling, wanneer in zijn fysieke lichaam de erfelijkheidskrachten actief zijn, als het ware een soort model waaraan het geest-zielewezen werkt naar de indrukken uit de omgeving als puur nabootsend wezen. En als je je in het gevoel verplaatst dat het kind heeft ten opzichte van zijn omgeving, hoe het kind iedere ziele-uiting op zijn totaliteit betrekt, hoe het kind in iedere handbeweging, in iedere gezichtsuitdrukking, in elke blik van de ogen het daarachter liggende geestelijke van de volwassene bespeurt en in zichzelf verder naar binnen laat stromen – als je dit alles bekijkt, dan vind je hoe zich volgens het model dat via de erfelijkheid aan de mens wordt doorgegeven, in de loop van de eerste zeven jaar iets anders vormt. We krijgen als mens van de aardewereld daadwerkelijk door de erfelijkheidskrachten een model mee waarnaar we de tweede mens vormen, die eigenlijk pas bij de tandenwisseling wordt geboren.

Blz. 29  vertaling 49

ausbilden. Geradeso wie das Zähnchen, das Milchzähnchen, das im Körper sitzt, herausgestoßen wird durch dasjenige, was an die Stelle sich setzen will, wie man sieht, wie da ein der Individualität des Menschen Angehöriges sich hervorschiebt und das Vererbte abstößt, so ist es mit dem ganzen menschlichen Organismus. Er war in den ersten sieben Lebensjahren das modellhafte Ergebnis der Erdenkräfte. Er wird abgestoßen, ebenso abgestoßen, wie wir die äusseren Ranken unseres Körpers abstoßen, die Fingernägel wegschneiden, die Haare schneiden und so weiter. So wie fortwährend das Äußere abgestoßen wird, wird der Mensch erneuert mit dem Zahnwechsel. Nur ist dieser zweite Mensch, der ganz den ersten ersetzt, den wir durch die physische Vererbung erhalten, nunmehr gebildet unter dem Einfluß derjenigen Kräfte, die sich der Mensch mitbringt aus seinem vorirdischen Leben. Und so kämpfen eigentlich in der Lebensepoche, die zwischen der Geburt und dem, Zahnwechsel liegt, die Vererbungskräfte, die der physischen Entwicklungsströmung der Menschheit angehören, mit den Kräften, die sich die Individualität eines jeden einzelnen Menschen herunterbringt aus dem vorirdischen Leben als die Ergebnisse seiner früheren individuellen Erdenleben.

Net zoals het tandje, het melktandje dat in het lichaam zit, eruit gestoten wordt door wat er op die plaats wil komen, zoals je ziet hoe er iets wat bij de individualiteit van de mens hoort naar voren wordt geduwd en het overgeërfde uitstoot, zo gaat het met het hele organisme van de mens. Dat was in de eerste zeven jaar het modelachtige resultaat van de aardekrachten. Het wordt afgestoten, net zo afgestoten als wij de verst naar buiten gelegen groeisels van ons lichaam afstoten, de vingernagels knippen, de haren knippen enzovoort. Net zoals het buitenste voortdurend wordt afgestoten, zo wordt de mens vernieuwd met de tandenwisseling. Alleen is deze tweede mens, die helemaal in de plaats komt van de eerste, die wij door de fysieke erfelijkheid hebben gekregen, veel meer gevormd onder invloed van de krachten die de mens meebrengt uit het vooraardse leven. En zo strijden eigenlijk in de leeftijdsfase die tussen de geboorte en de tandenwisseling ligt, de erfelijkheidskrachten die tot de fysieke ontwikkelingsstroom van de mensheid behoren, met de krachten die de individualiteit van ieder individueel mens naar beneden brengt uit het vooraardse leven als het resultaat van zijn individuele vorige aardelevens.

Nun handelt es sich darum, eine solche Tatsache nicht allein aufzufassen mit dem theoretischen Verstande, wie die meisten nach den heutigen Denkgewohnheiten das tun, sondern es handelt sich darum, eine solche Tatsache mit der ganzen inneren menschlichen Wesenheit auch zu erfassen, zu erfassen von Seite des Kindes, zu erfassen von Seite des Erziehenden aus. Wenn wir es von Seite des Kindes erfassen, was da vorliegt, dann finden wir, wie das Kind mit seinem innerlichen Seelenwesen, mit dem, was es sich heruntergebracht hat aus dem vorirdischen Leben, aus der geistig-seelischen Welt, ganz hingegeben ist an das Physische der Auswirkungen der anderen Menschen, die es umgeben. Und dieses Verhältnis ist, ins Naturhafte herunterversetzt, ins Äußere hineinversetzt, ein Verhältnis, das wir nicht anders bezeichnen können denn als ein religiöses. Wir müssen uns nur verständigen über die Art und Weise, wie solche Ausdrücke gemeint sind. Natürlich, wenn man heute von einem religiösen Verhältnisse spricht, so sieht man hin auf das bewußt entwickelte religiöse Empfinden des

Nu gaat het erom zo’n gegeven niet alleen met het theoretische verstand op te nemen, zoals de meeste mensen volgens de huidige denkgewoonten doen, maar het gaat erom zo n gegeven met heel je innerlijk menselijk wezen op te nemen, op te nemen van de kant van het kind, op te nemen van de kant van de opvoeder. Ais we dat van de kant van het kind doen, dan ontdekken we hoe het kind met zijn innerlijke zielewezen, met wat het uit het vooraardse leven, uit de wereld van geest en ziel heeft meegebracht, zich helemaal wil overgeven aan de fysieke invloed van de andere mensen die hem omringen. En deze verhouding is, in de natuurlijke wereld geplaatst, in de uiterlijke wereld geplaatst, een verhouding die wij niet anders kunnen aanduiden dan religieus. We moeten het alleen met elkaar eens worden over wat er met het hoe en waarom van zo’n uitdrukking wordt bedoeld. Natuurlijk, als men tegenwoordig van een religieuze verhouding spreekt, dan kijkt men naar de bewust ontwikkelde religieuze beleving van

Blz. 30  vertaling 50

Erwachsenen. Es ist das Wesentliche, daß das Geistig-Seelische des erwachsenen Menschen im religiösen Leben in dem Geistigen der Welt aufgeht, sich hingibt an dieses Geistige der Welt. Das religiöse Verhältnis ist ein Sichhingeben, ein gnadeerflehendes Sichhingeben an die Welt, aber es ist beim erwachsenen Menschen durchaus in ein Geistiges getaucht. Die Seele, der Geist sind hingegeben an die Umgebung. Daher scheint es, wie wenn man ein Ding in das Gegenteil verkehren würde, wenn man von der Art, wie der Körper des Kindes an die Umgebung hingegeben lebt, spricht als von einem religiösen Erleben.
Aber es ist ein naturhaft-religiöses Verhältnis. Das Kind ist hingegeben an die Umgebung, es lebt in der Außenwelt wie das Auge, das sich absondert von der übrigen Organisation und hingegeben ist an die Umgebung in Verehrung, in Gnadeerflehen; es ist ein religiöses Verhältnis ins Naturhafte herunterversetzt. Und wollen wir gewissermaßen ein sinnliches Bild desjenigen haben, was auf geistig-seelische Art im Erwachsenen vorgeht, wenn er religiös erlebt, dann brauchen wir nur den Leib des Kindes bis zum Zahnwechsel richtig ins Seelenauge zu fassen.
Das Kind lebt religiös, aber eben naturhaft religiös. Es ist nicht die Seele hingegeben, sondern die Zirkulation seines Blutes, sein Atmungsprozeß, die Art und Weise, wie es sich ernährt durch die aufgenommene Nahrung.

de volwassene. Het is wezenlijk dat het geest-zielewezen van de volwassen mens in het religieuze leven opgaat in wat in de wereld geestelijk is, zich aan deze geestelijke wereld overgeeft. De religieuze verbinding is een zich overgeven, een om-genade-vragend zich overgeven aan de wereld, maar het is bij de volwassen mens beslist in iets geestelijks ondergedompeld. Ziel en geest wijden zich aan de omgeving.
Daarom lijkt het erop alsof je van deze dingen het tegendeel beweert als je van de manier waarop het lichaam van het kind overgegeven is aan de omgeving, zegt dat het een religieus beleven is. Maar dat is een natuurlijk-religieuze verbinding. Het kind is overgegeven aan de omgeving, het leeft in de buitenwereld zoals het oog dat zich afzondert van de rest van het organisme en overgegeven is aan de omgeving in verering, in het bidden om genade; het is een religieuze verhouding naar het natuurlijke verplaatst. En willen we in zekere zin een zintuiglijk beeld hebben voor wat zich op het gebied van geest en ziel bij de volwassene afspeelt wanneer hij een religieuze ervaring heeft, dan hoeven we alleen maar het lichaam van het kind tot aan de tandenwisseling goed te bekijken. Het kind leeft religieus, maar religieus op een natuurlijke manier. Niet de ziel is overgegeven, maar de bloedcirculatie, de ademhaling, de wijze waarop het kind zich voedt door het tot zich genomen voedsel.

Alle diese Dinge sind hingegeben an die Umgebung. Die Blutzirkulation, die Atmungstätigkeit, die Ernährungstätigkeit beten an die Umgebung.
Natürlich klingt ein solcher Ausdruck paradox, aber in seiner Paradoxie stellt er gerade die Wahrheit dar. Wenn wir eben nicht mit dem theoretischen Verstande, sondern mit unserer ganzen Menschlichkeit ein solches erfassen, hinschauen auf den Kampf, den in dieser religiös naturhaften Grundstimmung das Kind vor uns entwickelt, den Kampf zwischen den Vererbungskräften und demjenigen, was für einen zweiten Menschen die individuellen Kräfte erbilden durch die Macht, die sie heruntergetragen hat aus dem vorirdischen Leben, dann verfällt man als der Erziehende auch in eine religiöse Stimmung. Aber ich möchte sagen: Während das Kind mit seinem physischen Körper in die religiöse Stimmung des Gläubigen verfällt, verfällt derjenige, der erziehen soll, indem er hinblickt auf dasjenige, was in so

Al deze dingen zijn overgegeven aan de omgeving. Bloedsomloop, ademhaling en voedselopname bidden tot de omgeving.
Natuurlijk klinkt dit paradoxaal, maar in de paradox vormt het juist de waarheid. Als we zoiets nu eens niet met het theoretische verstand, maar met heel ons mens-zijn pakken, als we kijken naar de strijd die het kind in deze natuurgrondstemming voor ons levert, de strijd tussen de erfelijkheidskrachten en wat voor zijn tweede mens de individuele krachten zijn door de macht die ze uit het voorgeboortelijke leven naar de aarde heeft gebracht, dan kom je als opvoeder ook in een religieuze stemming terecht. Maar dan wil ik zeggen: terwijl het kind met zijn fysieke lichaam in de religieuze stemming van het geloof komt, komt degene die opvoedt, als hij zijn blik richt op wat zich op zo’n 

Blz. 31  vertaling 51

wunderbarer Weise zwischen Geburt und Zahnwechsel sich abspielt, in die religiöse Gesinnung des Priesters. Und es wird der Erzieherdienst zu einem priesterlichen Dienst, wie zu einer Art von Kultus, der sich am Weihealtar des allgemeinen Menschenlebens nicht mit dem zum Tode zu führenden Opfer, sondern mit dem zum Leben zu erweckenden Opfer der Menschlichkeit selbst vollzieht. Denn dem irdischen Leben haben wir zu übergeben, was aus der göttlich-geistigen Welt uns zugekommen ist in dem Kinde, das sich durch seine Kräfte einen zweiten menschlichen Organismus bildet aus einer Wesenheit, die durch eine Gabe des göttlich-geistigen Lebens zu uns gekommen ist. Wenn wir diese Verhältnisse bedenken, dann erwacht in uns etwas wie das priesterliche Erziehergefühl. Und so lange dieses priesterliche Erziehergefühl für die ersten Lebensjahre nicht aufgenommen wird in alles dasjenige, was Erziehung heißt, so lange hat die Erziehung nicht ihre Lebensbedingungen gefunden.

wonderbaarlijke manier afspeelt tussen geboorte en tandenwisseling, in de religieuze gemoedsstemming van de priester. En de opvoedersdienst wordt tot een priesterlijke dienst, als het ware een soort cultische handeling die zich afspeelt rond het altaar van het algemene mensenleven, niet met het offer dat tot de dood leidt, maar met het tot leven wekkende offer van het menselijke. Want we moeten aan het aardse leven overdragen wat uit de goddelijk-geestelijke wereld tot ons is gekomen in het kind dat zich door zijn krachten een tweede menselijk organisme vormt uit een wezen dat door een gave van het goddelijk-geestelijke leven tot ons is gekomen. Wanneer we over deze toestand nadenken ontwaakt in ons zoiets als een priesterlijk opvoedersgevoel. En zolang dit priesterlijk opvoedersgevoel in de eerste levensjaren niet opgenomen is in alles wat opvoeding heet, zolang heeft de opvoeding niet haar levensvoorwaarden gevonden.

Blz. 32  vertaling 52

Es gibt wenig, was so wunderbar auf das menschliche Gemüt wirken kann> als wenn wir sehen, wie von Tag zu Tag, von Woche zu Woche, von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr in dem ersten kindlichen Lebensalter das innerliche Geistig-Seelische hervorbricht, wie aus den chaotischen Bewegungen der Gliedmaßen, aus dem am Äußeren hängenden Blick, aus dem Mienenspiel, von dem wir fühlen, es gehört eigentlich der Individualität des Kindes noch nicht ganz an, sich alles das herausentwickelt und an der Oberfläche der menschlichen Gestalt zur Ausprägung kommt, was aus dem Zentrum, aus dem Mittelpunkte des Menschen kommt, wo dasjenige in seiner Wirksamkeit sich entfaltet, was vom vorirdischen Leben als göttlich-geistige Wesenheit herabsteigt. Kann man das so auffassen, daß man verehrend, hingebungsvoll sich sagt: Da offenbart sich die Gottheit, die

Er is weinig wat zo wonderbaarlijk op het menselijke gemoed kan werken als wanneer we zien hoe van dag tot dag, van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar in de vroegste kindertijd het innerlijk geest-zielewezen tevoorschijn komt. En hoe uit de chaotische bewegingen van de ledematen, uit de aan het uiterlijke hechtende blik, uit de mimiek, waarvan we voelen dat die eigenlijk nog niet helemaal tot de individualiteit van het kind hoort, zich alles zichtbaar ontwikkelt, en aan de oppervlakte van de menselijke gestalte tot uitdrukking komt wat uit het centrum, uit het middelpunt van de mens komt, waar datgene zijn werkzaamheid ontplooit wat uit het voorgeboortelijke leven als goddelijk-geestelijk wezen afdaalt. Kun je dat zo opvatten dat je vererend, vol overgave zegt: hier openbaart zich de god

Blz. 32  vertaling  53

den Menschen geleitet hat bis zu seiner Geburt, weiter in der Ausprägung des menschlichen Organismus, da sehen wir die wirkende Gottheit, da empfinden wir, wie der Gott zu uns hereinschaut -, kann inan diesen Gottesdienst der Erziehung zu einer Angelegenheit seines Herzens machen, dann ist dies dasjenige, was aus unserer eigenen Lehrerindividualität heraus nicht in angelernter, sondern in innerlich hervorquellender, lebendiger Methodik alles Erziehen und Unterrichten leiten kann.
Diese Stimmung dem werdenden Menschen gegenüber, die brauchen wir als etwas, was zu aller erzieherischen Methodik dazugehört. Ohne diese Gemütsstimmung, ohne dieses – im Weltensinne sei es gesagt – Priesterliche im Erzieher läßt sich Erziehung überhaupt nicht durchführen. 

die de mens geleid heeft tot aan zijn geboorte, ook nog in het tot ontwikkeling komen van het menselijk organisme; daar zien we de werkzame godheid, daar ervaren we hoe de god in ons neerblikt -, kun je deze eredienst van de opvoeding tot een aangelegenheid van je hart maken, dan is dit iets wat alle opvoeding en onderwijs vanuit onze eigen lerarenindividualiteit kan begeleiden, niet op een aangeleerde manier, maar met een uit het innerlijk opwellende, levendige methodiek.
Deze stemming jegens de wordende mens, die hebben we nodig als iets wat bij alle opvoedkundige methodiek hoort. Zonder deze gevoelsstemming, zonder dit – in de zin van voor de wereld zeg ik dit – priesterlijke in de opvoeder laat opvoeding zich überhaupt niet realiseren. 

Blz. 34  vertaling 55

Daher handelt es sich darum, durchaus sich bewußt zu sein, wie alles, was als Regung in der Umgebung lebt, im Kinde fortvibriert. Man muß sich schon klar darüber sein, daß in dieser Beziehung tatsächlich Imponderabilien, wie ich gestern sagte, herrschen. Das Kind wittert aus demjenigen, was wir in seiner Umgebung tun, heraus, welche Gedanken einer Handbewegung, einer Gebärde zugrunde liegen. Es wittert sie heraus, nicht dadurch selbstverständlich, daß es die Gebärden deutet, sondern durch ein viel regsameres inneres Verbundensein des Kindes mit dem Erwachsenen, als

Daarom gaat het erom je er wel degelijk bewust van te zijn hoe alles wat aan beweging in de omgeving van het kind aanwezig is, in het kind verder vibreert. We moeten beseffen dat wat dit betreft daadwerkelijk de imponderabelen, zoals ik gisteren heb gezegd, heersen. Uit wat wij in de omgeving van het kind doen bespeurt het kind welke gedachten er ten grondslag liggen aan een bepaalde handbeweging, aan een bepaald gebaar. Het kind bespeurt dat, natuurlijk niet door die gebaren te duiden, maar door een veel levendiger innerlijk verbonden-zijn met de volwassene dan

Blz 35  vertaling 55/56

das später der Fall ist beim Erwachsenen gegenüber dem erwachsenen Menschen. Und so kommt es, daß wir uns nicht gestatten dürfen, in der Umgebung des Kindes anderes zu empfinden und zu denken als dasjenige, was in dem Kinde weitervibrieren kann. Im erzieherischen Verhalten gegenüber den ersten Jahren des Kindes muß durchaus der Grundsatz herrschen: Du mußt bis in deine Empfindung, Gefühl, Gedanke hinein in der Umgebung des Kindes so erleben, daß es in dem Kinde weitervibrieren kann. Und dann werden für das kindliche Alter der Psychologe, der Seelenbetrachter, der lebenserfahrene Mensch und der Arzt eine Einheit. Denn alles dasjenige, was auf das Kind einen Eindruck macht, so daß das Kind seelisch reagiert, setzt sich fort in seiner Blutzirkulation, in der Art und Weise wie es verdaut, bildet sich aus als Anlage desjenigen, was die Gesundheitsverfassung des späteren Lebens ist. Indem wir geistig-seelisch erziehen, rechnend auf die Nachahmefähigkeit des Kindes, erziehen wir zu gleicher Zeit körperlich-physisch. Denn das ist die wunderbare Metamorphose dessen, was an das Kind geistig und seelisch herantritt, um zur physischen Konstitution, zur organischen Verfassung, zur Gesundheits- oder Krankheitsanlage für das spätere Leben zu werden.

later het geval is bij de ene volwassenen tegenover de andere. En zo komt het dat wij ons niet mogen permitteren in de omgeving van het kind iets anders te voelen en te denken dan wat in het kind verder vibreren kan. In de pedagogische omgang in de eerste jaren van het kind moet absoluut het principe gelden: je moet tot in je gewaarwording, gevoel, gedachte in de omgeving van het kind zo leven dat het in het kind verder vibreren kan. En dan worden voor de kinderleeftijd de psycholoog, de zielekijker, de mens met levenservaring en de arts één eenheid. Want alles wat een indruk op het kind maakt zodat het kind psychisch reageert, zet zich voort in zijn bloedsomloop, in de manier waarop het zijn voedsel verteert; het ontwikkelt zich als de aanleg voor wat de gezondheidstoestand op latere leeftijd is. Als we vanuit geest en ziel opvoeden, rekenend op de nabootsingskracht van het kind, voeden we tegelijkertijd ook etherisch-fysiek op. Want het is de wonderbaarlijke metamorfose van wat vanuit geest en ziel op het kind toekomt dat het tot de fysieke constitutie wordt, dat het de organen vormt en tot aanleg voor gezondheid of ziekte in het latere leven wordt.

Blz. 36  vertaling 58

Das Kind ist zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife ein Artist, wenn eben auch in kindlicher Weise, wie es in der ersten Lebensepoche bis zum Zahnwechsel in naturhafter Weise ein Homo religiosus, ein religiöses Geschöpf ist.

Het kind is tussen de tandenwisseling en de puberteit een kunstenaar, ook al is dat op kinderlijke wijze, zoals het in de eerste levensfase tot aan de tandenwisseling een van nature homo religiosus, een religieus schepsel is.
GA 308/2e vdr.

Voordracht 3, Stuttgart 10 augustus 1924

Blz. 47   vertaling   74

Wenn wir das Kind in dem volksschulpflichtigen Alter hereinbekommen in die Schule, dann ist es für eine innere Schau im Grunde genommen eine andere Wesenheit, als es vorher bis zum Zahnwechselalter war. Schauen wir innerlich auf die Menschennatur hin, wie sie vor dem Zahnwechsel war. In den Zähnen kommt  etwas heraus, was sich bildet im ganzen menschlichen Organismus auf die Art, wie ich es gestern beschrieben habe. Es ist ein Schießen in die Form, die menschliche Seelenwesenheit arbeitet an dem zweiten Körperlichen des Menschen, wie der Bildhauer arbeitet an der Gestaltung des Stoffes. Es ist in der Tat ein innerlich unbewußtes plastisches Gestalten. Das kann man nicht auf eine andere Weise von außen beeinflussen als dadurch, daß man das Kind nachahmen läßt, was man selber tut. Was ich vormache, was als eine Bewegung mit meiner eigenen Hand da 

Wanneer we het kind op de leerplichtige leeftijd op school krijgen, dan is het voor een innerlijke blik eigenlijk een ander wezen dan voor de tandenwisseling. In de tanden komt iets naar buiten wat zich in het hele menselijke organisme vormt op een manier die ik gisteren beschreven heb. Het is een in de vorm schieten; de menselijke ziel werkt aan het tweede lichaam van de mens, zoals een beeldhouwer aan het vormgeven van de stof werkt. Het is inderdaad een innerlijk onbewust plastisch vormgeven. Van buitenaf kun je dat niet op een andere manier beïnvloeden dan door het kind te laten nabootsen wat je zelf doet. Wat ik voordoe, wat als een beweging van mijn eigen hand

Blz. 48   vertaling 74/75

wirkt und von dem Kinde angeschaut wird, das geht über in sein seelenbildendes Element, und meine Handbewegung wird der Anlaß zur unbewußten plastischen Tätigkeit, die in die Form schießt. Dieses In- die-Form-Schießen ist ganz und gar abhängig von dem Bewegungselemente im Kinde. Was das Kind vollbringt an Bewegungen, wie bei ihm diese Willensregungen übergehen aus dem Chaotischen, Unorientierten in innerlich geordnete, wie das Kind da nach außen plastizierend an sich arbeitet, so geht dieses Plastizieren in einem hohen Grade nach dem Innern vor sich. Wenn wir das Kind in die Volksschule hereinbekommen, so müssen wir uns darüber klar sein, daß mit seinem Fortschreiten in der physisch-seelisch-geistigen Entwicklung der Vorgang, der zuerst nur in den Bewegungen lebte, in eine ganz andere Region herübergeht. Das Kind ist bis zum Zahnwechsel in seiner Blutbildung abhängig von seiner Kopforganisation. Sehen Sie sich einen Menschen an während seiner Embryonalzeit, wie da die Kopfbildung überwiegt, wie sogar die andere organische Bildung von außen, von dem, was im mütterlichen Leibe vor sich geht, abhängig ist, wie alles dasjenige, was vom Kinde selbst ausgeht, von der kindlichen Kopfbildung ausgeht. Das bleibt, wenn auch abgeschwächt, noch vorhanden in der ersten Lebensepoche des Menschen bis zum Zahnwechsel hin.

werkt en door het kind wordt bekeken, dat gaat over op zijn zielevormend element, en mijn handbeweging wordt aanzet tot een onbewuste plastische activiteit, die in de vorm schiet. Dit in-de-vorm-schieten is volledig afhankelijk van het bewegingselement in het kind. Wat het kind aan bewegingen maakt, hoe bij hem deze wilsuitingen uit het chaotische, het ongerichte overgaan in bewegingen die innerlijk geordend zijn, hoe het kind naar buiten toe boetserend aan zichzelf werkt, zo werkt dit boetseren ook in hoge mate innerlijk.
Wanneer het kind op de basisschool komt, moeten we goed weten dat met zijn verdere ontwikkeling naar lichaam, ziel en geest het proces dat in eerste instantie alleen maar in de bewegingen leefde, een ander gebied binnentreedt. Het kind is tot aan de tandenwisseling in de vorming van het bloed afhankelijk van de organisatie van zijn hoofd. Kijkt u eens naar een mens tijdens zijn embryonale ontwikkeling hoe daar de ontwikkeling van het hoofd de boventoon voert, hoe zelfs de vorming van andere organen afhankelijk is van buiten, van wat in de moederschoot gebeurt; hoe alles wat van het kind zelf uitgaat, uitgaat van zijn hoofdontwikkeling.
Dat blijft, zij het afgezwakt, nog in de eerste levensfase van de mens aanwezig tot aan de tandenwisseling.

Da ist in alledem, was im menschlichen Organismus vorgeht, im wesentlichen die Kopfbildung beteiligt. Da wirken Kräfte, die von der Kopfbildung, vom Nerven-Sinnes-System ausgehen, hinein in das motorische System, in das plastische Gestalten. Wenn das Kind den Zahnwechsel durchgemacht hat, dann zieht sich die Kopfbildung zurück. Dasjenige, was in den Gliedmaßen wirkt, das ist nun weniger von der Kopfbildung abhängig; das ist mehr abhängig von dem, was durch die äußerlich aufgenommenen Nahrungsmittelnamentlich an Stoffen und Kräften in den menschlichen Organismus übergeht. Beachten Sie das nur ganz genau! Nehmen wir an, wir essen als Kind in dem Lebensalter vor dem Zahnwechsel irgend etwas, wir essen Kohl zum Beispiel. Essen kann man ihn ja, wenn man ihn nur nicht redet. Der Kohl hat in sich dadurch, daß er Kohl ist, gewisse Kräfte. Diese Kräfte, die der Kohl in sich hat, die eine große Rolle spielen in der Art und Weise, wie der Kohl da auf den Feldern als Pflanze wächst,

Dan is bij alles wat in het menselijk organisme gebeurt, in wezen de ontwikkeling vanuit het hoofd betrokken. Daar zijn krachten actief die van de ontwikkeling vanuit het hoofd, vanuit het zenuw-zintuigsysteem uitgaan naar het motorische systeem, naar het plastisch vormgeven. Wanneer het kind de tandenwisseling achter de rug heeft, trekt zich de hoofdontwikkeling terug. Wat in de ledematen werkzaam is, is nu minder afhankelijk van de hoofdontwikkeling; dat is meer afhankelijk van wat door de van buiten opgenomen voedingsmiddelen aan stoffen en krachten in het menselijk organisme overgaat.
Kijkt u daar heel precies naar! Laten we eens aannemen dat we als kind in deze leeftijdsfase vóór de tandenwisseling iets eten – we eten bijvoorbeeld kool. [Hier maakt Steiner een woordgrapje: Kohl=kool, betekent in het Duits ook: onzin] Eten kun je die wel, als je het maar niet praat. Kool bevat bepaalde koolkrachten. Deze krachten die in de kool zitten, spelen een belangrijke rol bij de wijze waarop kool op de akkers als plant groeit;

werden bei dem Kinde möglichst bald aus dem Kohl herausgetrieben, und dieVerarbeitung des Kohls wird unternommen von denjenigen Kräften, die von dem ]Kopfe des Kindes ausstrahlen. Gleich versenkt sich in die Kohlkräfte dasjenige hinein, was von der Kopfbildung des Kindes selber ausstrahlt. Geht das Kind durch den Zahnwechsel durch, dann behält, weil die menschliche Natur sich mehr verinnerlicht,der Kohl viel länger bei seinem Wege durch den menschlichen Organismus seine eigenen Kräfte, und er wird nicht etwa schon im Verdauungssystem umgewandelt, sondern erst beim Übergang von dem Verdauungssystem in das Blutzirkulationssystem. Er wird später umgewandelt. Dadurch wird ein ganz anderes inneres Leben im Organismus hervorgerufen. Während in den ersten Jahren bis zum Zahnwechsel alles eigentlich abhängt von der Kopfbildung und ihren Kräften, wird für das zweite Lebensalter, für das Lebensalter vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife, besonders wichtig, wie der Atmungsprozeß mit seinem Rhythmus entgegenkommt der Blutzirkulation, und besonders wichtig wird diese Umwandlung der Kräfte, die da stattfindet an der Grenze zwischen dem Atmungsprozeß und dem Blutzirkulationssystem.

die worden bij het kind zo spoedig mogelijk uitgedreven, en het verteren van de kool wordt geregeld door de krachten die van het hoofd van het kind uitstralen. Wat van de hoofdontwikkeling van het kind zelf uitstraalt daalt meteen af naar de krachten die zich in de kool bevinden. Tijdens de tandenwisseling, dan behoudt de kool, omdat de menselijke natuur zich meer verinnerlijkt, tijdens zijn weg door het menselijk organisme veel langer zijn eigen krachten, en wordt niet al in het spijsverteringssysteem omgevormd, maar pas bij de overgang van het spijsverteringssysteem naar het bloed-circulatiesysteem. Hij wordt later omgevormd. Daardoor ontstaat er in het organisme een heel ander innerlijk leven. Terwijl in de eerste jaren tot de tandenwisseling alles eigenlijk afhankelijk is van de hoofdontwikkeling en zijn krachten, wordt voor de tweede levensfase, voor de fase van de tandenwisseling tot aan de puberteit bijzonder belangrijk hoe het ademhalingsproces met zijn ritme de bloedsomloop ontmoet; en bijzonder belangrijk wordt de omzetting van krachten die plaatsvindt op de grens tussen het ademhalingsproces en de bloedsomloop. 
GA 308/vdr. 3

Voordracht 5, Stuttgart 11 april 1924

Blz. 75  vertaling 114

Versetzen wir uns einmal in den Geist eines solchen Lesens im Menschen. Haben wir doch gesehen, wie das Kind in naturhafter Art wie religiös hingegeben ist an seine unmittelbare menschliche Umgebung, wie es ein nachahmendes Wesen ist, wie es in sich wahrnehmend willensgemäß ausbildet, was es unbewußt und unterbewußt aus der 308/76 Umgebung erlebt. Nicht dem Inhalte nach, denn die Seele ist nach außen naturhaft erst sich offenbarender Geist, wohl aber der ganzen Konfiguration nach liegt religiöser Charakter, ich möchte sagen, in der Körperlichkeit des Kindes von dem Augenblicke an, da es in die Welt eintritt, bis zum Zahnwechsel. Und da der Mensch nicht ohne Vorbedingungen in die Welt hereintritt, da er nicht bloß kommt mit den physischen Vererbungskräften der Abstammungslinie, sondern mit den Kräften, die er sich aus vorigen Erdenleben mitbringt, so kann diese Hingabe zunächst sein an das Schöne und Häßliche, Gute und Böse, Weise und Törichte, Geschickte und Ungeschickte. Da haben wir die Aufgabe, so zu wirken in der Umgebung des Kindes, daß bis in die Gedanken und Empfindungen hinein das Kind ein nachahmendes Wesen des Guten, des Wahren, des Schönen, des Weisen werden möge.

Laten we ons eens die sfeer voorstellen van dat lezen in de mens. We hebben toch gezien hoe het kind op een natuurlijke manier religieus overgegeven is aan zijn directe menselijke omgeving; hoe het een nabootsend wezen is, hoe het al waarnemend zichzelf wilsmatig ontwikkelt wat het onbewust en onderbewust aan de omgeving beleeft. Niet wat de inhoud betreft – want de ziel is naar buiten toe van nature eerst zich openbarende geest -, maar wel wat de hele configuratie betreft zit er religieus karakter, laat ik zeggen, in de lichamelijkheid van het kind vanaf het ogenblik dat het op aarde komt tot aan de tandenwisseling. En omdat de mens niet zonder voorwaarden vooraf op aarde komt, omdat hij niet zomaar met de fysieke erfelijkheidskrachten uit de afstammingslijn komt, maar met de krachten die hij uit vorige incarnaties meebrengt, kan deze overgave allereerst betreffen: het mooie en lelijke, het goede en het kwade, het wijze en het onverstandige, het bekwame en het onbekwame. Dan hebben wij de opgave in de omgeving van het kind zodanig actief te zijn dat het kind tot in zijn gedachten en gevoelens een nabootsend wezen van het goede, het ware, het mooie, het wijze kan worden.
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Over de werking van de omgeving op een kind: zie het ‘hersenvoorbeeld‘ in dit artikel.

Over de werking van tv op kleine kinderenopvoedingsvragen onder nr. 19  m.n. [19-10]

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2300-2158

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rekenen in de tijd van 7 tot 14 jaar

.
In een ‘Leherrundbrief’ verscheen een artikel over rekenen.
De tekst heeft voor mij hier en daar wonderlijke passages; anderzijds ook gezichtspunten die de moeite van het overdenken waard zijn. Ze kunnen ook je blik verruimen en maken dat je je nog weer beter en dieper op het rekenen voorbereidt. 
O.a. wat is een incarnerende en excarnerende werking van het rekenen; wat is de betekenis van hoofdrekenen; wat gebeurt er met schriftelijk rekenen, enz. 
Het standpunt van de schrijver over ‘rekenen met de vingers’ kan ik niet op deze manier met hem delen, maar hij opent wél de ogen voor het gevaar van daar te lang mee door te gaan. 
En zo staan er wel meer ‘eye-openers’ in.

Tobias Schaumann, Lehrerrundbrief 70, 11-2000

.

Over het kunstzinnig omgaan met het rekenen in de tweede zevenjaarsfase

‘Één is het grootste getal’. Vaak wordt dat aan de eersteklassers geleerd. Daarmee wordt bedoeld dat de één aan alle andere getallen als eenheid ten grondslag ligt.
Het gebeurt heel gemakkelijk de eersteklasser daarvan te overtuigen wanneer ze het niet meteen inzien; en dat, wanneer ze het trouw geloven, in de loop van de tijd toch iets blijkt te zijn dat alleen maar voor het begin van de eerste klas gedacht is.

Hier wordt geprobeerd deze gedachte gedurende vele jaren als basis te nemen voor al het rekenen.

Wanneer het bij de hele natuur van het kind hoort, bij alles wat het leert analytisch te werk te gaan, moet je het voor mogelijk houden dat er van Rudolf Steiner nog meer aanwijzingen voor het rekenen bestaan die wellicht belangrijk zijn voor het verloop van de volgende jaren en niet alleen maar voor het eerste rekenonderwijs.
De aanwijzing dat je het rekenen moet beginnen met delen en dat je zo snel mogelijk met alle vier de rekenoperaties moet beginnen, hoort daarbij.

[Voor zover ik heb kunnen nagaan, begint Steiner niet met delen in de zijn van ‘gedeeld door’ maar met verdelen – zie GA 295, 4e voordracht]

Waarom moet je zo snel mogelijk alle vier de bewerkingen tegelijk gebruiken?
Waarom neem je niet de tijd om stap voor stap er één gedegen aan te leggen? Kan het dan echt beter zijn om vier zulke verschillende zaken tegelijkertijd toe te passen, vóór de kinderen helemaal begrepen hebben wat ze aan het doen zijn, i.p.v. een onderwerp nu eerst eens grondig te leren om daarna het verschil tussen de ene rekenbewerking en de andere, echt te leren te begrijpen?

Het antwoord daarop komt van een beschouwing over de natuur van het kind met het oog op het analyseren.
Want wanneer ik het rekenen begin met delen en ik heb daadwerkelijk een klas voor me zitten – die met een paar uitzonderingen – al gauw levendig bij het rekenen betrokken is, en ik voer het ‘keer nemen’ in en ‘het erbij doen’ en ‘eraf nemen’ tegelijk met het delen, dan wordt het de kinderen toch niet helemaal duidelijk wat nu de verschillen zijn bij wat ze doen.
Dat ze echter toch snel op de gestelde rekenvragen goede antwoorden geven, toont wel aan dat ze zich nu al in het rekenen kunnen inleven.
Vanaf het begin is het al duidelijk dat de kinderen voor de oplossing van een rekenopdracht – of het nu om delen, vermenigvuldigen, optellen of aftrekken gaat – steeds aan de andere rekensoort denken. Het kind legt de meeste nadruk op wat er wordt gevraagd.

Als een kind echt heeft begrepen wat delen is en het kent het getal 12, zal het vrij snel, wanneer er gevraagd wordt: ‘hoeveel moet er van de 12 af om 9 te krijgen?’, er rekening mee houden, dat ’12 gedeeld door 4′ ook met de 9 heeft te maken, dat namelijk ’12 gedeeld door 4′, met de getallen 3, 6, 9 wezenlijk te maken heeft, niet alleen met de 3 als resultaat.
Het kind zal ook met de opdracht ‘hoeveel moet er van de 12 af om 6 te krijgen’, meedenken dat dit te maken heeft met ‘6 en 6 is 12′, en ook met ’12 gedeeld door 4’ of met ‘2 keer drie’ en met ‘4 keer 3’. Wanneer ik dus aan het kind vraag: ‘3 en 3 erbij, hoeveel is dat en het zegt ‘6’ en ik ben de hele tijd bezig met ’12’, dan zal het bij de uitkomst ‘6’, de 12 ook paraat hebben en weten: ‘6 is de helft van 12’.
Als er op deze manier met de kinderen wordt gerekend, dan zien ze van begin af aan af om hun vingers te gebruiken. Dat heb ik ervaren.

Een andere ervaring is, dat sommige kinderen die het rekenen begonnen zijn met hun vingers, dat niet zo snel achterwege laten. En dat in een klas waarin met de vingers wordt gerekend, de kinderen die dat vanaf het begin niet hebben gedaan, jarenlang met verbazing naar de kinderen kijken die daar maar niet van loskomen. Soms op ze neerkijken.
Zo’n ervaring is makkelijk te begrijpen, wanneer je de volgende waarnemingen samenbrengt: de eerste is: dat je het rekenen uit de ledematen haalt, de andere: het volledig tot rust komen op het actuele ogenblik van de rekeninspiratie. De waarnemer die kijkt naar een kind dat met de vingers rekent, kan het innerlijk gaan ervaren dat het bewegen van de vingers nooit tot rekeninzicht zal leiden, dat dit hoogstens ondanks dat gebeurt.

Kinderen tot rust vermanen om ze te leren rekenen, heeft geen zin. Want de rust waarvan hier sprake is, ontstaat alleen maar wanneer die door het rekenen veroorzaakt wordt. Iedere van buiten verlangde rust leidt echt niet tot een ‘rekenkundige’ gevoels-lichamelijke stemming. Krijgt het kind daarentegen de kans zich een rekenopdracht, dus een rekenkundige vraag, concreet voor te stellen, dat het daardoor vanzelf stil wordt, dan zal het waarschijnlijk al gauw een antwoord hebben.
Kinderen die erg goed rekenen, vallen niet op doordat ze bijzonder stil zijn, maar dat ze telkens in staat zijn in vrijheid van die rustmomenten te creëren. En dat ze meteen weer over kunnen gaan tot lichamelijk bewegen, zonder meteen de basale rekenstemming kwijt te raken. In tegendeel: komt er weer een vraag tot leven, zijn ze weer een ogenblik rustig, weliswaar zo kort dat het bijna niet opvalt, en zo absoluut stil dat er dan niets beweegt – en dan hebben ze het antwoord al. Daarbij komt het niet aan op het bewegingsloze, maar dat het kind geen bewegingsdoel heeft.

Het gaat op ieder vlak om een analytisch proces. Niet alleen de getallen ten opzichte van elkaar worden geanalyseerd, er wordt ook gevoelsmatig een overgang gemaakt van het overzicht over het geheel naar een verdelingspunt.
Bijv.: ’12 = 3  3  3  3, of  0  3  6  9  12′. Deze gedachte leidt naar een andere, een deelgezichtspunt volgend. Dat wordt bijv.: ’12 – ? = 9   3′, een aftrekopdracht dus. Of ’12: ? = 3; 4′. Of 12 = ? x 3; 4. Of ’12 = 9 + ?; 3′.
En ook lichamelijk wordt er geanalyseerd: wat er zo samen in het levende lichaam gebeurt, verandert heel even in een soort rekenachtige-muzikale toestand, geordend verdeeld waarin het bewustzijn de overhand heeft. Het lichaam wordt door het rekenen veranderd.
Wanneer je daarentegen het rekenen begint met optellen, leg je bij de kinderen een heel andere basis aan.

‘2 +3 = ?, 5’ eist van het kind in relatie tot zijn lichaam kant-en-klare voorstellingen van de ‘2’ en de ‘3’ en – ook nog eens een geforceerde actie voor de concrete vorm – ‘2 + 3 = 5’. (Alle snelle rekenaars analyseren ook bij naar het synthetiseren gaande vragen, als probeersels verschillende getallen en nemen de juiste.
De door Rudolf Steiner geschetste werking (GA 301voordracht 10 op deze blog vertaald -) het deels goedmaken van de kindertijd en de neiging van de volwassene naar materialistische voorstellingen – blijft ook deze snelle rekenaars niet bespaard. Want wat zich ten slotte vastzet is ook voor deze kinderen ‘2 + 3 = 5″.
De gangbare manier van leren rekenen maakt het noodzakelijk alles na elkaar te leren.
De aan het begin gestelde bewering wordt bevestigd: Rudolf Steiners aanwijzing het rekenonderwijs te beginnen met het delen en de andere aanwijzing de andere rekenbewerkingen vrijwel gelijktijdig in te voeren en te oefenen, horen samen, zijn pas samen werkelijk zinvol.
Wordt, zoals voorgesteld, de hele fase van de tweede zeven jaar analyserend het rekenen te oefenen, ontwikkelt het kind een bewustzijn dat ‘grotere’ getallen eigenlijk alleen maar een speciaal soort ‘kleinere’ getallen zijn. En dat de kleinere eigenlijk de grotere zijn en ‘één’ dan het grootste getal.
Uiteindelijk kan ik, zonder de ‘één’ te denken, al helemaal nooit analyserend rekenen. Het bewustzijn van ‘rijke’ en ‘arme’ getallen en nog veel meer, ontstaat zo allang in de kinderen voor ze de regels waarbinnen ze zich bewegen, kunnen verwoorden. En wanneer ze de leeftijd bereikt hebben waarop zoiets in begrippen wordt vervat, zullen ze bekennen dat het waar is, wat ze als kleine kinderen over de ‘één’ als grootste getal geleerd hebben en dat dit niet alleen maar ‘aardig’ of ‘leuk’ bedoeld was.

Rekenproblemen en de mogelijkheid van oefenen bij muziek

Bij kinderen die in het begin niet kunnen rekenen, worden de gevolgen van de manier waarop we met hen werken, het duidelijkst.
In elke klas zitten kinderen die niet zoveel aanleg voor rekenen hebben. Maar er zijn ook steeds weer kinderen die voor rekenen lichamelijk een sterke aanleg hebben, maar het ondanks dat, niet kunnen. Dat zijn vaak kinderen die bij rekenen op de een of andere manier moeilijkheden ondervonden hebben, die de opening naar het rekenen blokkeren. Kinderen die op deze manier door hun lichamelijk-gevoelsmatige toestand voor rekenen bijzonder geschikt zouden moeten zijn, kan je in alle rust de ervaring laten opdoen, naar de andere kinderen bij het rekenen te luisteren. Zonder de kennis van de volwassene over dit gedrag dat zelf een sterke invloed heeft en al zijn woorden en gebaren omvormt, is dit resultaat nauwelijks mogelijk. Wanneer er een vreugdevolle stemming heerst, kan plotseling ‘het kwartje vallen’. Je vraagt je dan af, hoe ze opeens zoveel hebben kunnen leren.

Daarentegen moet je heel anders te werk gaan met kinderen die weinig aanleg hebben voor het rekenen,  en het daarom niet goed kunnen. Zij moeten intensief oefenend geholpen worden.
Wanneer er aan de onbevredigende rekenaanleg daadwerkelijk een a-rekenkundig lichamelijke aanleg ten grondslag ligt, helpt het zo’n kind meestal weinig, veel met rekenen zelf te oefenen.
Het heeft veel meer zin om te oefenen met muziek. Oefen je bijv. met zo’n kind het spelen op de lier en laat je het, afwisselend het luisteren oefenen, dan kun je het daarmee in zijn lichamelijke toestand richting rekenen relatief snel verder brengen.
Wanneer ik een kind de vraag stel, welke toon het nu hoort – zonder dat het met de ogen naar het instrument kijkt – en het kind heeft hier al wat geleerd, dan komt in hem met net zo’n precisie en met net zo’n absolute zekerheid als bij het rekenen het antwoord op de vraag op. het is juist ‘precies deze toon’ en geen andere – juist zoals ‘twee keer twee’ niet ongeveer vier is, maar ‘precies vier’- of ik weet het antwoord even niet.

Wanneer met kinderen die door hun lichamelijke aanleg niet tot rekenen komen, afwisselend het zingen en zo’n vorm van luisteren geoefend wordt, zetten ze geweldige stappen om hun moeilijkheden te overwinnen. Want er is waarschijnlijk niets dat meer in beweging brengt dan zingen – ook wanneer de kinderen daarbij heel stil op hun stoel zitten. En er is waarschijnlijk niets waarbij de kinderen stiller worden dan bij het luisteren naar een toon met de vraag welke toon dat dan was die ze zojuist hoorden.
Dat ze zo stil worden heeft niets te maken met dat de tonen zo zacht zijn dat ze anders niet gehoord zouden kunnen worden, maar op de innerlijke noodzaak als bewegingsmens stil te worden, wanneer je antwoord op de genoemde, zichzelf gestelde vraag wil krijgen. Bij het oefenen met muziek is dit aan zintuiglijke waarneming gebonden. Dat brengt voor veel kinderen een onschatbaar voordeel met zich mee wat het rekenen betreft. Ook is door de relatie tot de tonen die je voordien speelde, een innerlijk beleven wakker geroepen dat de kinderen vervult. Daardoor kun je ook op een levendige en prettige manier met deze kinderen oefenen, die dat bij het rekenen niet ervoeren. Het stil worden bij zulke luisteroefeningen is zeker zo intens dat je het met jonge kinderen maar mondjesmaat moet toepassen om ze niet te vroeg uit hun kinderlijke zijn te halen, waarin ze de eerste twee, drie jaar op school leven. Intensief – maar dan ook niet te lang – kun je dat luisteren pas na het 9e jaar oefenen. Dit dan af en toe en dikwijls maar een paar minuten, zoveel dat de kinderen het na een poosje allemaal kunnen en uit plezier verder oefenen: wat de gezondheid van de mens betreft, is daar in het geheel genomen veel voor te zeggen en ook wat in het bijzonder de vaardigheden bij muziek, rekenen en grammatica betreft.

Incarnatie en excarnatie

Wanneer moeten de kinderen beseffen dat ze vier verschillende rekenbewerkingen gebruiken?
Wanneer je een tijdje gerekend hebt, zoals hier beschreven, valt op hoe een bepaalde levendigheid samenvalt met de omstandigheid dat ze nog niet bewust meedenken met welke rekenbewerking ze juist nu denken. Ze luisteren naar de vragen en ze zoeken naar het antwoord. direct aansluitend op de vraag.
Bewustzijn van het onderscheid tussen de rekenbewerkingen veroorzaakt afstand tot de vraag. Deze waarneming laat zien, dat het er niet op aankomt dat alle kinderen op een dag dit begrip van de verschillende rekenbewerkingen door aanwijzingen begrijpen. Veel meer ligt in de stroom van het levendige denken als volwassene af en toe een opmerking te maken over de juist uitgevoerde rekenstap; of een vraag te stellen over de net gebruikte rekenbewerking. Daardoor wordt, ieder kind op zijn tijd, duidelijk, hoe het met rekenen de getallen ordent.
Bij kinderen die op de gestelde vragen goede antwoorden kunnen geven, zonder dat het hun duidelijk is wat ze aan het doen zijn, gaat het zeker niet om het gedachtelezen van het antwoord, echter wel om een gedachtelezen van de vraag. Dat is een wezenlijk verschil. De kinderen glippen in het gedachteleven van de volwassene, wanneer het daar aan toe is. De oplossing moeten ze uit zichzelf vinden. Daarvoor is het beter zich op een levendige manier op het omgaan met de getallen voor te bereiden dan op de opgaven in detail. Zo beleven de kinderen alleen al door de leerkracht de aanwezigheid van het denken.
Het antwoord op een rekenkundige vraag wordt uit het eigen lichaam, uit de ledematen, gehaald. En weliswaar niet – zoals zo vaak wordt gezegd – uit de beweging van de ledematen, maar uit de volkomen onbeweeglijke ledematen. Dat betekent niet dat de aanleg voor rekenen niet ook met de vaardigheid voor bewegen zou samenhangen. Het betekent echter wel, dat de ontwikkelde bewegingsvaardigheid juist moet rusten, als je een rekenprobleem tot een oplossing wil brengen. In het bewegen, ook in het kunstzinnige, excarneert de mens. In het zich verbinden met een voorstellingsinhoud incarneert hij.

Bij muziek is een van de sterkst excarnerende activiteit in de eerste schooljaren het met de melodie meebewegende zingen – zonder op maat en ritme een bijzondere nadruk te leggen. Een van de krachtigste incarnerende processen is daarentegen, precies de maat te houden – zonder dat de kinderen zich dat bewust zijn. Je hoeft de maat hiervoor zeker niet op een of andere manier te benadrukken, maar je hoeft die slecht in alle rust te handhaven. Dat is genoeg. Dat werkt sterk, zelfs sterker dan het benadrukken – waarin door de versterkte bewegingsimpuls bij het nadruk geven – meteen weer wat excarnerends ligt.
Bij muziek is de relatie van incarnatie en excarnatie heel veel makkelijker op een kunstzinnige manier te behandelen dan bij rekenen. Maar bij het rekenen is het mogelijk, nodig en juist. Want juist kinderen die te langzaam rekenen, te weinig of niet graag, gaan sneller en komen in een levendig rekenen, wanneer je rekening houdt met incarnatie- en excarnatieprocessen.
Zich een rekenkundige vraag te stellen is een vaardigheid die ieder kind van tevoren echt niet bezit. Wanneer het echter de vraag heeft gesteld en zich met hoe het in zijn werk gaat, bezighoudt, raakt het in een excarnatieproces.
Het moet zichzelf door het intensieve voorstellen van deze vraag geïncarneerd gedragen om niet helemaal ‘z’n hoofd te verliezen’. Komt dan echter het antwoord, dan is het weer bij zichzelf, de ‘voeten op de grond’. Het wordt er een beetje enthousiast van (excarnerend) dat het zelf het goede antwoord heeft gevonden, duidelijk, zonder misverstand. Zo’n antwoord bindt het kind aan zijn lichamelijke organisatie. Door de vrije verbinding daarmee ontstaat het antwoord.
Voor het dagelijkse rekenen betekent dit, dat het hoofdrekenen een grote nadruk moet krijgen, want hier kan je als volwassene kunstzinnig met de vorming van het gevoelsmatig-lichamelijke in de tijd werken. Bij het schriftelijke rekenen laat ik het kind aan zichzelf over en het kind zal het alleen zo goed doen als het tot dan toe geleerd heeft met de tijd om te gaan. Reken ik daarentegen uit het hoofd, dan kan ik voor de klas en voor het individuele kind in hoge mate het verloop mede bepalen. Welke vragen ik na elkaar laat volgen, is hier het werkzame bestanddeel. Maar ook of ik langzaam of snel sprekend vragen stel, vormt mee aan het ritme van het verloop van de rekenkundige inspiratie. Voor het ritme van incarnatie en excarnatie maakt het zeker uit of ik bij het spreken zelf in de taal leef of min of meer zo spreek dat het alleen maar op de inhoud aankomt en bij de kinderen alleen de vraag verschijnt, maar niet dat ik die aan hen gesteld heb.

De snelste rekenaars van de klas

Iets van het allerfijnste bij de beschreven manier van rekenen is, dat kinderen die zeer goed en snel rekenen, steeds nieuw plezier ontwikkelen bij het oplossen ook van de eenvoudigste opgaven tot in de hoogste klassen. Dat komt omdat deze opgaven in een kunstzinnige relatie staan tot de opgaven waarmee ze tijdelijk te maken hebben en het ook de moeite loont zich de vraag te stellen; ‘sinds wanneer reken ik eigenlijk binnen het bereik van de rijen waarmee ik nu bezig ben en wanneer ben ik daar ‘ingestapt’? Vraag ik bijv.: na het invoeren van de tiendelige breuken: ’60 en dan 6 minder, hoeveel?’ en de kinderen antwoorden ’54’ en ik vraag dan ‘plus 3′, en het antwoord ’57’ komt en ik vraag dan ‘plus 2 x 1,5’? en het antwoord 60 komt en  ik vraag dan ‘4 x 1,5 eraf en we zijn dan weer bij 54 en ik vraag dan misschien ‘hoeveel keer 6 is 60’ en het antwoord 10 wordt gegeven; en dan ‘hoeveel 3 is 60?’ en het antwoord ’20’ klinkt en ik vraag dan ‘hoeveel keer 1,5 is 60′, dan is het antwoord ’40 keer 1,5’, dan moet ik me afvragen: wie was er zo snel op 40 keer 1,5 gekomen, als hij niet met de andere opgaven meegedaan had! En dat dan niet omdat hij zich het resultaat herinnert, maar omdat hij de uitkomst met de nieuwe vraag vergelijkt en daaruit een betere vraagstelling vindt. Een vraagstelling die speels, licht en prettig naar een antwoord leidt.

Zo kan ik steeds verder rekenen, bijv.: ‘de helft van 60?”. ‘dat is 30’. En ‘de helft van 30?’, ‘dat is 15’. ‘Hoeveel keer 1,5 is dat?’, ’10 keer’. ‘Wat is 11 x 1,5?, ”dat is 16,5’ en ‘hoeveel keer 1,5 is 21?’ Snelle rekenaars denken nu: 15 tot 21 is 2 x 3, is 4 x 1,5 – is dus 3 x 1,5 van 16,5 naar 21.’  [11,5 en 3,5 = 14x]

Als je iedere keer weer zo rekent, zullen de snelle rekenaars bij dergelijke antwoorden heel erg snel worden. En de kinderen die niet zo vlug rekenen, worden door het antwoord verrast en gaan over naar de volgende vraag, maar zonder de aansluiting te hebben verloren. Want ze weten: het gaat nu om ’21’ en als ik dan vraag ‘6 eraf’, dan zijn we weer bij de 15 en veel kinderen melden zich, die bij de vraag: ‘16,5 en hoeveel keer 1,5 is 21?’ niet zo snel hadden kunnen antwoorden als de anderen. Zo blijf je in een stroom.
Af en toe wissel je de rekenkundige omgeving van de vraag af: niet alleen van de rij van 3 naar die van 6 en van 9, van die van 12 naar die van 1,5 en soortgelijke ‘sprongen’, maar plotseling ook naar die van 5 of 7. Dat kan even moeilijk zijn, maar ook een weldaad. Ze zijn allemaal verrast en verheugen zich op de nieuwe opdrachten. Of je eindigt weer met het hoofdrekenen en geeft er een draai aan en vraagt misschien: ‘door welk getal werd de verrassende overgang voltrokken?’ Overal zijn er aanknopingspunten. Vanzelfsprekend kan je ook zonder meer op deze manier de aftrekking doen, de procenten, het worteltrekken en de kwadraatberekening.

Het probleem van het schriftelijke rekenen 

Heb je in de gaten dat de voorbereiding van de rekenkundige inspiratie samenhangt met dat je door verinnerlijken van de vraag de bewegingsmens volledig tot rust brengt, dan hoeft het ook niet te verwonderen dat veel kinderen in hun hoofd veel beter kunnen rekenen dan op papier. Dikwijls is men van mening dat de getallen op papier de kinderen in de war zouden maken. Maar het is nog erger. Het schrijven zelf al houdt de kinderen van het rekenen af. Daarom is het gunstig deze kinderen eerst de opgaven te laten opschrijven, voordat deze uitgerekend worden. Wie het rekenen gelijk al kan doen, moet dat zeer zeker doen. Daaruit kan geen slechte gewoonte ontstaan. Wie het echter niet fijn vindt om gelijktijdig te rekenen, omdat hij al weet dat het tijdens het schrijven op z’n slechtst gaat, die moet eerst rustig de opgaven opschrijven en dan in alle rust gaan rekenen. Want daarna hoeft hij de getallen alleen nog te lezen en de uitkomsten op te schrijven. Schrijven houdt iemand van de oplossing van rekenkundige vraagstukken af, omdat het een intensieve doelgerichte beweging is. Lezen is ook een hinderlijke activiteit. Luisteren daarentegen is uiterst gunstig. Wat goed dat het hoofdrekenen functioneert doordat de leerkracht spreekt en niet op basis van iets zichtbaars. Als het kind goed geoefend heeft uit het hoofd te rekenen, dan hoeft het het lezen van een rekenkundige activiteit niet als een zo sterke hindernis te worden ervaren, dat het niet meer op de oplossing zou kunnen komen.

Er moet wel op gelet worden dat iedere ingevoerde of allang half vergeten rekenbewerking die echter door het hoofdrekenen wel levend gebleven is, voor de gewoonte van het schriftelijke rekenen vaak genoeg herhaald wordt. Het schriftelijk rekenen kan t.o.v. de hier geschetste manier van rekenen mechanisch genoemd worden. In zoverre, dat bij het schriftelijk rekenen veel kinderen ophouden het overzicht over de rekensom te bewaren en alleen nog maar simpele rekenstappen in de vier rekenbewerkingen zetten en al het andere schematisch uit het geheugen schrijvend oplossen; ze weten zich te herinneren waar je wat neer moet schrijven. Op deze manier kan het resultaat zelf volkomen vals zijn en het kind stoort zich daar helemaal niet aan, omdat het de losse stappen goed gedaan heeft. alleen de getallen op de verkeerde plaats geschreven. Daaraan kan je zien hoe mechanisch kinderen dikwijls rekenen, wanneer ze dat schriftelijk doen.

De zojuist beschreven mechanische manier van rekenen is alleen maar nodig, omdat het rekenen ook die kant heeft om daarmee de buitenwereld te leren beheersen.
Vanaf het 9e levensjaar, op school bijv. vanaf de huizenbouwperiode in de 3e klas, dient het rekenen ook om met de grootte en zwaarte van de dingen door de maat van lengte en gewicht om te kunnen gaan.
Wat voor het rekenen echter het beslissende is, is het feit dat het rekenen een bepaalde verhouding van het etherlijf tot het fysieke lichaam verzorgt, dat anders zou verkommeren.
In ieder geval kan door muziek deze samenhang ook zonder rekenen levend gehouden worden, maar niet zo duidelijk als door rekenen. Het is dus voor een gezonde lichamelijke ontwikkeling nodig dat de kinderen tussen het zevende en veertiende jaar steeds weer rekenen. Het aanleren van de verschillende rekenbewerkingen op de vrijeschool – verdeeld over de verschillende leeftijden in de tweede zevenjaarsfase – betekent, zoals ruim bekend, geen opbouw naar moeilijkheidsgraad alleen, maar ook een verloop van het levend houden van de relatie gevoel-levenskrachten-lichaam. En wanneer deze relatie verandert, moet er ook een rekenbewerking bijkomen. Typerend voor de eerste ‘rubicon’ is wat dit betreft natuurlijk het rekenen met breuken; voor de tweede zijn het de negatieve getallen, met procentberekeningen en nog meer.

Herinneren en vergeten en het actuele denken

Het gebeurt steeds weer, dat kinderen – zelfs jaren lang – niet verder komen dan de beheersing van basisrekenvaardigheden in de getallenruimte van 10 of 15 of 20, terwijl andere kinderen allang de moeilijkste sommen maken, in alle mogelijke getallenruimten. Dat deze kinderen dikwijls echter in werkelijkheid helemaal niet tot zover rekenen, maar alle mogelijke uitkomsten – soms bijna alle denkbare uitkomsten – onthouden, wordt snel over het hoofd gezien.

Wanneer je de kinderen niet zo precies waarneemt dat je weet of ze zich herinneren of zich actueel nieuwe vragen stellen, kan het je gemakkelijk ontgaan dat sommige kinderen inderdaad niet rekenen, hoewel ze veel opdrachten binnen een getalbereik goed beantwoorden. De voorgestelde manier om te rekenen schept de mogelijkheid steeds weer alle kinderen gemeenschappelijk zeer ‘makkelijke’ sommen te geven, zonder daarmee iets ondoorzichtigs te doen. En dat laat vrij de opdrachten op zichzelf staand of in een levendige en gecompliceerde samenhang te bedenken.
Met de verschillende rijen die de kinderen paraat hebben en die langzaam kunnen veranderen, wordt gedurende een lange tijd intensief gewerkt aan een levende relatie tussen het zich herinneren van de plaats in de rij – bijv. de 15 of 21 in de rij van 3 – en het actuele rekenen rondom deze vaste herinneringpunten.
Ik kan me bijv. herinneren  dat na de 21 en 24, 27 volgt. Wanneer er aan mij bijv. wordt gevraagd: ’27 is 21 en wat moet erbij?’ en ik antwoord ‘6’, dan heb ik zo gerekend dat 27 vanaf de 20   7   is, dus vanaf 21   6  , maar ook heb ik gerekend dat het van 21 naar 27 twee stappen van 3 zijn, dus 6, want 2 x 3 is 6. Misschien heb ik ook nog gerekend, dat er tot de 30 nog een stap van 3 open is, dat dus deze ‘6’ daar een beetje disharmonisch ligt. Mooier was het wellicht geweest om de vraag te hebben gekregen ’24 en hoeveel is 30?’ Dat is ook 6, maar die 6 ligt dan netjes in de rij van 6 en niet met de ene helft in de rij van 6 en met de andere helft in de andere rij.
Wanneer je de wereld van de getallen zo hebt leren kennen, zal je ook de steeds weer terugkerende bewering dat 3 keer 4 en 4 x 3 hetzelfde is, dus 12, niet kunnen onderschrijven. Dat is iets heel anders.

Veel van deze overwegingen vinden bliksemsnel plaats, bijna gelijktijdig, wanneer ik een antwoord geef. Bij sommige kinderen leven veel van dit soort gedachten, bij anderen veel minder en het antwoord zal toch gelijk zijn.
Op deze manier zijn de snelle denkers steeds bezig en niet met iets wat hierbij vreemd is, maar door een activiteit die de verhouding tot de getallenwereld verdiept en op een muzikaal-ritmische manier levendiger maakt.

Kinderen met een wiskundige aanleg die deze manier van rekenen zeer waarderen en die fijn vinden, zijn vaak niet weinig verbaasd wanneer ze dezelfde leerkracht die met hen zo graag denkt, rijen hoort opzeggen. Ze vragen misschien: ‘Hoe kan dat?’ of zoiets. Het betekent iets heel heilzaams wanneer zulke kinderen mogen ervaren dat het geen blamage is, je los te maken van het helderste dagbewustzijn en je te verdiepen in het herinneren en spreken. Wanneer het wakkere denken met het herinneringsproces zich ritmisch herhalend, zich wederzijds opheffen en een verbinding aangaan, oefent dat een gezonde invloed uit op de mens.

Wanneer je kinderen waarneemt bij het leren en het oefenen van het rekenen, zoals vaak op de vrijeschool gebeurt, kan iemand argwanend worden: wordt daar niet veel te veel gedachteloos gereciteerd. Dat kan je vaak al horen aan hoe het klinkt.
De heersende opvatting van nu neigt juist naar het tegenovergestelde: je zou het aanleren van iets helemaal ‘uit wat het kind nu begrijpt’ moeten beginnen.
Dat maakt de kinderen innerlijk ‘dun’ en zwak. Gedachteloze activiteit maakt ze duf en traag. In beide gevallen gaat de levendige interesse van het jonge schoolkind dat voor ieder kiezelsteentje enthousiast kan worden en voortdurend iets nieuws mee naar school neemt, op zijn laatst in de middenklassen verloren.  Een levendig heen- en weer gaan tussen de beide elementen – de herinnering en de opvatting van nu – maakt daarentegen de kinderen innerlijk levend en sterk in het gevoelsmatige verwerken en verdragen van wat er in de wereld gebeurt.

Het rekenen op school zal dan niet meer de aanwezige gezondheid – in zoverre dat voor ‘het hoge doel’ te verantwoorden lijkt – opsouperen. Het zal gezondheid creëren en dienen.

.

Rekenen; alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2299-2157

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-1-1/18)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Hier worden zijn uitspraken daarover uit andere voordrachten weergegeven.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar 

in de voordrachtenreeks:

Gegenwärtiges Geistesleben und Erziehung

GA 307                                    Vertaald

Opvoeding en moderne cultuur

Inhoudsopgave:
(Zoek je met een trefwoord in het zoekbalkje dat via ctrl + f verschijnt, dan zie je in het artikel het trefwoord gekleurd)

Voordracht 3, Ilkley 7 augustus 1923

Blz. 48  vert. 61

Das griechische Kind wurde bis zu seinem siebenten Lebensjahre im Hause aufgezogen. Die öffentliche Erziehung kümmerte sich erst vom siebenten Lebensjahre ab um das Kind. Im Hause wurde das Kind aufgezogen, in dem ja auch die Frauen lebten, zurückgezogen von dem allgemeinen sozialen Treiben der Männer. Damit aber ist von vornherein eine Erziehungswahrheit bekräftigt, ohne deren Erkenntnis man überhaupt nicht erziehen und unterrichten kann: daß eben das siebente Lebensjahr als ein besonders wichtiger Einschnitt in dem kindlichen Alter betrachtet wird.

Het Griekse kind werd tot zijn zevende levensjaar thuis opgevoed. De openbare opvoeding bekommerde zich pas vanaf het zevende levensjaar om het kind. Thuis werd het kind opgevoed, waar ook de vrouwen leefden, nietwaar, in afzondering van de algemene sociale bedrijvigheid van de mannen. Maar daarmee heeft van begin af aan een opvoedingswaarheid gegolden zonder kennis waarvan we überhaupt niet opvoeden en onderwijzen kunnen: dat juist het zevende levensjaar als een bijzonder belangrijke cesuur in de kinderleeftijd wordt beschouwd.

Blz. 48  vert. 63

Bis zu diesem siebenten Lebensjahre wächst und gedeiht der Mensch,man möchte sagen, naturhaft. In seiner ganzen Organisation sind noch nicht voneinander getrennt die natürlichen Wachstumskräfte, das seelische Wesen und das geistige Gebiet. Alles ist bis zum siebenten Jahre eine Einheit. Indem der Mensch seine organischen Gefäße, sein Nervensystem, seine Blutzirkulation ausbildet, bedeutet diese Ausbildung der Gefäße, diese Ausbildung des Nervensystems, der Blutzirkulation zugleich seine seelische und geistige Entwicklung. Weil alles in diesem Lebensabschnitt noch beisammen ist, ist der Mensch gewissermaßen mit jener starken inneren Stoßkraft versehen, welche die zweiten Zähne hervorbringt. Dann wird diese Stoßkraft schwächer. Sie bleibt etwas zurück. Sie wirkt nicht mehr so stark aus dem Inneren des Organismus heraus. Warum? Nehmen wir einmal an, wir bekämen alle sieben Jahre Zähne. Ich will die Sache von der Gegenseite aus beleuchten, damit sie uns klar vor der Seele stehen kann. Nehmen wir an, wir würden dieselben organischen Kräfte, die wir bis zum siebenten Lebensjahre haben, jene Einheit von Leib, Seele und Geist durch das ganze Lebensalter hindurch haben, dann würden wir ungefähr alle sieben Jahre neue Zähne bekommen; die alten würden ausfallen, wir würden neue Zähne bekommen, aber wir würden auch unser ganzes Leben hindurch solche Kinder bleiben, wie wir sind

Tot aan dit zevende levensjaar groeit en gedijt de mens, je zou willen zeggen, volgens de natuur. In zijn hele organisatie zijn de natuurlijke groeikrachten, het zielenwezen en het geestelijke gebied nog niet van elkaar gescheiden. Alles is tot aan het zevende jaar een eenheid. Omdat de mens zijn organische vaten, zijn zenuwstelsel, zijn bloedsomloop ontwikkelt, betekent deze ontwikkeling van de vaten, deze ontwikkeling van het zenuwstelsel, van de bloedcirculatie tegelijkertijd zijn zielsmatige en geestelijke ontwikkeling. Omdat alles in deze levensfase nog bijeen is, is de mens in zekere zin voorzien van die sterke innerlijke stootkracht die het tweede gebit te voorschijn brengt. Daarna wordt deze stootkracht zwakker. Ze blijft enigszins achter. Ze werkt niet meer zo sterk vanuit het innerlijk van het organisme naar buiten. Waarom?
Laten we eens aannemen dat we elke zeven jaar tanden zouden krijgen. Ik wil de zaak vanuit het tegenovergestelde belichten opdat ze ons helder voor de geest kan staan. Laten we aannemen dat we dezelfde organische krachten die we tot aan het zevende levensjaar hebben, die eenheid van lichaam, ziel en geest, ons hele leven lang zouden hebben, dan zouden we ongeveer elke zeven jaar nieuwe tanden krijgen. De oude zouden uitvallen, we zouden nieuwe tanden krijgen, maar we zouden ook ons hele leven lang net zulke kinderen blijven als we tot het zevende levensjaar zijn. We zouden niet een van het natuurlijke leven afgezonderd ziele- en geestesleven ontwikkelen. Dat de fysieke stootkracht geringer wordt in het zevende jaar, dat het lichaam in zekere zin niet meer zo sterk aandrijft, niet meer zo hard werkt dat het

Blz. 49 vert. 64

bis zum siebenten Lebensjahre.Wir würden nicht ein von dem natürlichen Leben abgesondertes Seelen- und Geistesleben entwickeln. Daß die physische Stoßkraft geringer wird im siebenten Jahre, daß der Körper gewissermaßen nicht mehr so stark treibt, wuchtet, daß er feinere, schwächere Kräfte aus sich hervortreibt, das macht, daß die feinere Kraft des Seelenlebens sich nun entwickeln kann. Man möchte sagen: Der Körper wird schwächer, die Seele wird stärker.
So daß im Laufe der drei ersten Lebensabschnitte, bis zum siebenten Jahre der Mensch vorzugsweise ein körperlich-geistig-seelisches Wesen ist; vom siebenten bis zum vierzehnten Jahre ein körperlich-seelisches, und abgesondert davon ein seelisch-geistiges Wesen, und von der Geschlechtsreife an ein Wesen in drei Teilen, ein physisches Wesen, ein seelisches Wesen, ein geistiges Wesen ist.
Das ist eine Wahrheit, die ganz tief hineinschauen läßt in die ganze menschliche Entwickelung. Ohne daß man diese Wahrheit würdigt, sollte man überhaupt nicht herangehen an die Kindererziehung. Denn ohne daß man von allen Konsequenzen dieser Wahrheit durchdrungen ist, muß eigentlich mehr oder weniger jede Kindererziehung dilettantisch werden.

 fijnere, dat het zwakkere krachten uit zich te voorschijn haalt, dat maakt dat de fijnere kracht van het zielenleven zich nu kan ontwikkelen. Je zou kunnen zeggen: het lichaam wordt zwakker, de ziel wordt sterker.
In de loop van de drie eerste levensfasen is de mens dus tot aan zijn zevende jaar vooral een lichamelijk-geestelijk-zielenwezen; van zijn zevende tot veertiende jaar een lichamelijk-zielsmatig en daarvan afgezonderd een zielsmatig-geestelijk wezen, en vanaf de geslachtsrijpheid is hij een wezen in drie delen, een fysiek wezen, een zielenwezen en een geestelijk wezen.’
Dat is een waarheid die heel diep binnen laat kijken in de gehele menselijke ontwikkeling. Zonder deze waarheid te appreciëren zou je überhaupt niet aan het opvoeden van kinderen moeten beginnen. Want als je niet van alle consequenties van deze waarheid doordrongen bent, moet elke opvoeding van kinderen eigenlijk min of meer dilettantisch worden.

Blz. 50  vert 64

Und was sah der Grieche in dem kleinen Kinde von der Geburt bis zum Zahnwechsel? Er sah in ihm ein Wesen, das heruntergeschickt worden ist aus spirituellen Höhen auf die Erde. Er sah in dem Menschen ein Wesen, das ein Leben gehabt hat vor dem irdischen Leben in einer geistigen Welt. Und indem er das Kind ansah, suchte er in dem Körper zu erkennen, ob dieser Körper in einer richtigen Weise das göttliche Leben des vorirdischen Daseins zum Ausdruck bringt.
Es war dem Griechen wichtig, in dem Kinde bis zum siebenten Lebensjahr anzuerkennen: da umschließt ein physischer Körper ein heruntergestiegenes spirituelles Wesen. Es gab eine furchtbar barbarische Sitte in Griechenland in gewissen Gegenden: diejenigen Kinder, von denen man instinktiv glaubte, daß sie nur Hüllen seien, daß sie nicht eine richtige spirituelle Wesenheit in ihrem Physischen zum Ausdruck bringen, sogar auszusetzen und dadurch zu töten. Aber das hängt zusammen mit einem starren Hinschauen auf den Gedanken: Dieses physische Menschenwesen ist in seinen ersten sieben Lebensjahren eine Umhüllung eines göttlich-geistigen Wesens.

En wat zag de Griek in het kleine kind van de geboorte tot de tandenwisseling? Hij zag in hem een wezen dat uit spirituele hoogten naar beneden op aarde was gestuurd. Hij zag in de mens een wezen dat een leven had vóór het aardse leven, in een geestelijke wereld. En wanneer hij naar het kind keek probeerde hij in het lichaam te zien of dat lichaam op een juiste manier het goddelijke leven van het vooraardse bestaan tot uitdrukking brengt.
Het was voor de Griek belangrijk om in het kind tot aan het zevende levensjaar te erkennen: daar omsluit een fysiek lichaam een afgedaald spiritueel wezen. Er bestond een vreselijk barbaarse gewoonte in bepaalde gebieden van Griekenland: die kinderen waarvan men instinctief geloofde dat ze alleen maar omhulsels waren, dat ze niet een werkelijk spiritueel wezen in hun fysiek tot uitdrukking brachten, werden zelfs buiten de deur gezet en daardoor gedood. Maar dat hangt samen met een star de-blik-gevestigd-houden op de gedachte: dit fysieke mensenwezen is in zijn eerste zeven levensjaren een omhulling van een goddelijk-geestelijk wezen.
GA 307/vdr. 3
Vertaald

Voordracht 4, Ilkley 8 augustus 1923

Blz. 73  vert. blz. 92/93

Und wie lernt das Kind denken? Das Kind lernt denken, indem es ganz und gar als ein nachahmendes Wesen an die Umgebung hingewiesen ist. Es ahmt nach bis ins Innerste hinein dasjenige, was in seiner Umgebung vor sich geht und in seiner Umgebung sich unter dem Impulse von Gedanken abspielt. Aber in demselben Maße, in dem da in dem Kinde aufsprießt das Denken, in demselben Maße schießen die Zähne hervor. In diesen Zähnen liegt eben die Kraft, die seelisch als Denken erscheint.

En hoe leert het kind denken? Het kind leert denken doordat het geheel en al als een nabootsend wezen op de omgeving aangewezen is. Het bootst na tot in zijn innerlijkste wezen datgene wat in zijn omgeving gebeurt en in zijn omgeving zich onder gedachte-impulsen afspeelt. Maar in dezelfde mate waarin daar in het kind het denken opkomt, schieten de tanden te voorschijn. In deze tanden zit juist de kracht die zielsmatig als denken verschijnt.
GA 307/vdr. 4
Vertaald

Voordracht 5 Ilkley, 9 augustus 1921

Blz. 86  vert. 110

Dieses Strömen der Kräfte seines Wachstums vom Kopfe nach unten, das ist beim ganz kleinen Kinde bis zum siebenten Lebensjahre sogar am allerstärksten. Da geht von der Kopforganisation die ganze menschliche Körperorganisation aus. Der Kopf tut bis zum siebenten Jahre alles; erst wenn sich das Denken mit dem Zahnwechsel emanzipiert, löst sich der Kopf auch los von dieser starken Kraft, die von oben nach unten wirkt.

Dit stromen van zijn groeikrachten van het hoofd naar beneden, dat is bij het heel kleine kind tot aan het zevende levensjaar zelfs op zijn sterkst. Daar gaat van de hoofdorganisatie de hele menselijke lichaamsorganisatie uit. Het hoofd doet tot aan het zevende jaar alles: pas als zich het denken met de tandwisseling emancipeert, maakt het hoofd zich ook los van deze sterke kracht, die van boven naar beneden werkt.

Blz. 89  vert. 113

Wir müssen vom Geist ausgehen. Deshalb müssen wir verstehen, wie der Wille des Menschen durch die geschilderten inneren Vorgänge mit dem einundzwanzigsten Jahre in den Bewegungsorganen so emanzipiert wird, wie das Gefühl mit dem vierzehnten Jahre, das Denken mit dem siebenten Jahre in der menschlichen Organisation emanzipiert wird.

Wij moeten van de geest uitgaan. Daarom moeten we begrijpen hoe de wil van de mens door de beschreven innerlijke processen op het eenentwintigste jaar in de bewegingsorganen zo wordt geëmancipeerd als het gevoel op het veertiende jaar, het denken op het zevende jaar in de menselijke organisatie wordt geëmancipeerd.
GA 307/vdr. 5
Vertaald

Voordracht 6, Ilkley 10 augustus 1923

Blz. 104  vert. 135

Ein deutscher Schriftsteller, Jean Paul, Friedrich Richter, hat ein wunderbares Wort gesprochen, indem er sagte: In den ersten drei Lebensjahren lernt der Mensch für das Leben viel mehr als in allen – damals gab es nur drei -, als in allen drei akademischen Jahren.
In der Tat, vor allen Dingen die drei ersten Lebensjahre, dann aber auch die Lebensjahre bis zum siebenten hin, sind für die Gesamtentwicklung des Menschen die allerwichtigsten, denn da ist das Kind als Mensch etwas ganz anderes als später. Das Kind ist in den ersten Jahren eigentlich ganz Sinnesorgan. Nur stellt man sich den Umfang dieser Idee: das Kind ist in den ersten Jahren ganz Sinnesorgan – gewöhnlich gar nicht intensiv genug vor. Man muß schon zu recht drastischen Aussagen gehen, wenn man diese ganze Wahrheit eigentlich enthüllen will.

Een Duitse schrijver, Jean Paul’, Friedrich Richter, heeft prachtige woorden gesproken toen hij zei: ‘In de eerste drie levensjaren leert de mens voor het leven veel meer dan in alle,’ – destijds waren het er maar drie – ‘dan in alle drie academische jaren.’
Inderdaad vooral de drie eerste levensjaren, maar daarna ook de levensjaren tot aan het zevende, zijn voor de totale ontwikkeling van de mens de allerbelangrijkste, want dan is het kind als mens iets heel anders dan later. Het kind is in de eerste jaren eigenlijk helemaal zintuigorgaan. Alleen stelt men zich de omvang van dit idee: het kind is in de eerste jaren helemaal zintuigorgaan -, gewoon helemaal niet intensief genoeg voor. Je moet al naar heel drastische uitspraken gaan als je deze gehele waarheid eigenlijk wilt onthullen.

Im späteren Leben hat der Mensch einen Geschmack von den aufgenommenen Speisen im Munde, im Gaumen, auf der Zunge. Der Geschmack ist sozusagen im Kopfe lokalisiert. Beim Kinde, insbesondere in den ersten Lebensjahren, ist das nicht der Fall, sondern der Geschmack wirkt durch den ganzen Organismus hindurch. Das Kind schmeckt bis in seine Gliedmaßen hinein die Muttermilch und die erste Nahrung. Was im späteren Lebensalter auf der Zunge vor sich geht, das geht bei dem Kinde im ganzen Organismus vor sich. Das Kind lebt sozusagen, indem es alles, was es aufnimmt, schmeckt. In dieser Beziehung lebt da etwas stark Animalisches. Aber wir dürfen niemals das Animalische, das in dem Kinde ist, vorstellen gleich dem Animalschen, 307/105 das in dem Tiere ist. Es ist immer das Animalische bei dem Kinde sozusagen auf ein höheres Niveau heraufgehoben. Der Mensch ist nie Tier, niemals, auch nicht als Embryo, da am allerwenigsten. Aber man kann sozusagen die Ideen deutlich machen, wenn man sie so gestaltet, sie mit etwas vergleicht.

In het latere leven heeft de mens een smaak van de opgenomen gerechten in de mond, in het gehemelte, op de tong. De smaak is om zo te zeggen in het hoofd gelokaliseerd. Bij het kind, in het bijzonder in de eerste levensjaren, is dat niet het geval, maar de smaak werkt dan door het hele organisme heen. Het kind proeft tot in zijn ledematen de moedermelk en het eerste voedsel. Wat er op latere leeftijd op de tong gebeurt, dat gebeurt bij het kind door het hele organisme heen. Het kind leeft zogezegd door alles wat het tot zich neemt te proeven. In dit opzicht leeft daar iets zeer animaals. Maar we mogen nooit het animale dat in het kind zit, voorstellen alsof dat het animale is dat in het dier zit. Het dierlijke bij het kind is steeds om zo te zeggen op een hoger niveau getild. De mens is nooit dier, nooit, ook niet als embryo, daar nog het allerminst. Maar je kunt zogezegd de ideeën duidelijk maken als je ze zo vorm geeft, ze met iets vergelijkt.

Blz. 105  vert. 135/136

Wer jemals mit einem wirklichen Blick für die Naturvorgänge eine Herde gesehen hat, die eben auf einer Wiese, auf dem Felde ihre Nahrung abgegrast hat und dann daliegt, sagen wir eine Herde von Kühen im Grase, jede einzelne Kuh hingegeben in einer wunderbaren Weise der ganzen Welt, das Verdauungsgeschäft besorgend, der bekommt einen Eindruck von dem, was da eigentlich in dem Tiere vor sich geht. Eine ganze Welt, ein ganzer Extrakt des kosmischen Geschehens geht da in dem Tier vor sich, und das Tier erlebt, während es verdaut, die wunderbarsten Visionen. Das Verdauungsgeschäft ist das allerwichtigste Erkenntnisgeschäft beim Tiere. Und während das Tier verdaut, ist es in einer träumerisch-imaginativen Art an die ganze Welt hingegeben.

Wie ooit met een echte blik op de natuurprocessen een kudde gezien heeft die pas op een wei, op het veld haar voedsel heeft afgegraasd en vervolgens is gaan liggen, laten we zeggen een kudde koeien in het gras, met elke afzonderlijke koe overgegeven op wonderbaarlijke wijze aan de hele wereld, de spijsverteringstaak uitvoerend, die krijgt een indruk van wat daar eigenlijk in het dier plaatsvindt. Een hele wereld, een heel extract van het kosmische gebeuren vindt daar in het dier plaats, en het dier beleeft, terwijl het verteert, de wonderbaarlijkste visioenen. De spijsverteringstaak is de allerbelangrijkste kennistaak bij het dier. En terwijl het dier verteert, is het op een dromerig-imaginatieve wijze aan de hele wereld overgegeven.

Blz. 105/106  vert. 135/136

Das sieht übertrieben aus, allein das Merkwürdige dabei ist, daß es gar nicht übertrieben ist, daß es durchaus der Wahrheit entspricht. Und wenn wir das um eine Stufe heraufheben, dann bekommen wir das Erlebnis des Kindes bei seinen physischen Funktionen. Alle physischen Funktionen begleitet der Geschmack. Ebenso wie der Geschmack alle physischen Funktionen begleitet, so ist etwas, was sonst nur in Auge und Ohr lokalisiert ist, in dem ganzen Organismus des Kindes. Stellen Sie sich das Wunderbare eines Auges vor, wie das Auge das Farbige geformt von außen aufnimmt, innerlich ein Bild macht, wodurch wir sehen. Das ist lokalisiert, das ist abgesondert von unserem Gesamterleben. Und wir ergreifen dann dasjenige, was das Auge in wunderbarer Weise formt, mit dem Verstande, in einem Schattenbilde des Verstandes, das davon gemacht wird.

Dat lijkt overdreven, alleen het merkwaardige daarbij is dat het helemaal niet overdreven is, dat het volledig met de waarheid overeenstemt. En als we dat één niveau hoger brengen, dan krijgen we de beleving van het kind bij zijn fysieke functies. Alle fysieke functies worden door de smaak begeleid. Net zoals de smaak alle fysieke functies begeleidt, zo is iets wat anders alleen in oog en oor is gelokaliseerd, in het hele organisme van het kind.
Stelt u zich eens het wonderbaarlijke van een oog voor, hoe het oog de kleuren gevormd van buiten opneemt, innerlijk een beeld vormt, waardoor we zien. Dat is gelokaliseerd, dat is afgezonderd van ons totale beleven. En we pakken vervolgens wat het oog op wonderbaarlijke wijze vormt, met het verstand, in een schaduwbeeld van het verstand, dat daarvan gemaakt wordt.

Ebenso wunderbar sind die Vorgänge, die im Ohre lokalisiert sind beim erwachsenen Menschen. Aber das, was beim erwachsenen Menschen in den Sinnen lokalisiert ist, ist ausgebreitet über den ganzen Organismus beim Kinde. Daher gibt es beim Kinde keine Trennung zwischen Geist, Seele, Körper, sondern alles dasjenige, was von außen  wirkt, wird innerlich nachgebildet. Das Kind bildet nachahmend die ganze Umgebung nach. Hier handelt es sich darum, daß wir in richtiger Weise hinschauen darauf, wie das Kind ein nachahmendes Sinneswesen ist. Denn alles muß in den ersten Lebensjahren durch Nachahmung gelernt werden, aufgenommen werden durch Nachahmung aus der Umgebung.

Net zo wonderbaarlijk zijn de processen die in het oor gelokaliseerd zijn bij de volwassen mens. Maar wat bij de volwassen mens in de zintuigen gelokaliseerd is, is uitgebreid over het hele organisme bij het kind. Daarom bestaat er bij het kind geen scheiding tussen geest, ziel, lichaam; maar alles wat van buitenaf werkzaam is, wordt innerlijk nagemaakt. Het kind maakt nabootsend de hele omgeving na. 

Blz. 114/115  vert. 147/148

All dasjenige, was aus der Umgebung des Kindes an das Kind herankommt, geht über in ein inneres Bilden, auch in das Organbilden.
Wenn das Kind, sagen wir, einen Vater neben sich hat, der sich alle Augenblicke in Jähzorn äußert, wo also alle Augenblicke im unmittelbar äußerlichen Erlebnisse etwas vorkommt, was Schock bewirkt, ein Unmotiviertes ist, dann erlebt das Kind dies mit; das Kind erlebt dies so mit, daß es sich ausdrückt in seinem Atem und seiner Blutzirkulation. Indem es sich aber ausdrückt in der Atmung und Blutzirkulation, gestaltet es Lunge, gestaltet es Herz, gestaltet es das ganze Gefäßsystem; und das Kind trägt dasjenige plastisch gestaltet innerlich sein ganzes Leben hindurch mit, was es durch den Anblick der Taten eines jähzornigen Vaters in sich plastisch ausgebildet hat.
Damit will ich nur andeuten, wie das Kind eine innerlich wunderbar wirkende plastische Kraft hat, wie das Kind fortwährend innerlich als Bildhauer an sich arbeitet. Und wenn Sie dem Kinde die Puppe aus dem Taschentuch geben, dann gehen die Kräfte, die aus dem menschlichen Organismus plastisch bildend in das Gehirn herauf- gehen, die namentlich aus dem rhythmischen System, aus Atmung und Blutzirkulation das Gehirn ausbilden, sanft in das Gehirn. Sie bilden das kindliche Gehirn so, wie ein Bildhauer arbeitet, der mit biegsamer, leicht beweglicher, durchgeistigter, beseelter Hand den bildhauerischen Stoff bearbeitet: da geht alles in Bildsamkeit und in organischer Entwickelung vor sich. Das Kind schaut sich dieses zur Puppe geformte Taschentuch an, und das wird im Menschen Bildekraft, richtige Bilde- kraft, die aus dem rhythmischen System heraus sich gestaltet in das Gehirnsystem.

Alles wat uit de omgeving op het kind afkomt, gaat over in een innerlijk vormen, ook in het orgaan-vormen. Als het kind, laten we zeggen, een vader naast zich heeft die op elk ogenblik in drift uitbarst, waar dus op elk moment in direct uiterlijke belevenissen iets gebeurt wat een zenuwschok veroorzaakt, wat ongemotiveerd is, dan beleeft het kind dit mee. Het kind beleeft dit zo mee dat dit wordt afgedrukt in zijn ademhaling en zijn bloedsomloop. Maar doordat het wordt afgedrukt in de ademhaling en bloedsomloop, vormt het long, vormt het hart, vormt het hele vaatstelsel; en het kind draagt datgene plastisch gevormd innerlijk gedurende zijn hele leven mee, wat het door het zien van het handelen van een opvliegende vader in zichzelf plastisch heeft gevormd.

Daarmee wil ik slechts aanduiden hoe het kind een innerlijk wonderbaarlijk werkende, plastische kracht heeft, hoe het kind voortdurend innerlijk als beeldhouwer aan zichzelf werkt. En als u het kind de pop gemaakt van de zakdoek geeft, dan gaan de krachten die vanuit het menselijk organisme plastisch vormend in de hersenen omhooggaan, die met name uit het ritmische systeem, uit ademhaling en bloedsomloop de hersenen ontwikkelen, zachtjes de hersenen in. Ze vormen de hersenen van het kind zoals een beeldhouwer werkt die met een buigzame, licht beweeglijke, doorgeestelijkte, bezielde hand de te beeldhouwen materie bewerkt: daar speelt alles zich af in kneedbaarheid en in organische ontwikkeling. Het kind bekijkt deze tot pop gevormde zakdoek, en dat wordt in de mens vormkracht, juiste vormkracht, die vanuit het ritmische systeem in het hersenstelsel wordt gevormd.

Blz. 116

Man muß sich klar sein darüber, wenn man nun liebevoll das Kind zum Spiel anleiten will, wieviel von innerlich bauenden Kräften beim Kind zum Vorschein kommt. In dieser Beziehung sieht ja unsere ganze Zivilisation falsch. Unsere Zivilisation hat zum Beispiel den sogenannten Animismus erfunden. Das Kind, das sich an dem Tisch stößt, schlägt die Tischecke. Da sagt unsere Zeit: das Kind belebt den Tisch, stellt den Tisch vor, wie wenn er leben würde, wie ein Lebewesen, träumt das Leben in den Tisch hinein, schlägt den Tisch.
Das ist ja gar nicht wahr. Das Kind träumt gar nichts in den Tisch hinein, sondern aus den Lebewesen, aus den Wesen, die wirklich leben, träumt es das Leben heraus. Nicht daß es in den Tisch das Leben hineinträumt, sondern aus den wirklichen Lebewesen träumt es das Leben heraus. Und wenn es sich verletzt hat, so schlägt es aus einer Art Reflexbewegung; und da alles noch unbelebt ist für das Kind – es träumt nicht das Leben in den Tisch hinein -, verhält es sich gegen das Belebte und Unbelebte gleich.
Aus solchen ganz verkehrten Ideen sieht man, wie unsere Zivilisation gar nicht in der Lage ist, an das Kind heranzukommen. Und so handelt es sich darum, daß wir uns wirklich liebevoll dem Kinde gegenüber verhalten können, daß wir dasjenige, was es selber will, nur liebevoll anleiten. Und so sollen wir es nicht innerlich verprügeln durch schöne Puppen, so sollen wir mit ihm leben können und die Puppe gestalten, die es innerlich selber erlebt.

Het moet voor ons duidelijk zijn, als we nu liefdevol het kind willen leren spelen, hoeveel van de innerlijk bouwende krachten bij het kind te voorschijn komt. In dit opzicht ziet onze hele beschaving het verkeerd. Onze beschaving heeft bijvoorbeeld het zogenoemde animisme uitgevonden. Het kind dat zich aan de tafel stoot, slaat tegen de hoek van de tafel. Dan zegt onze tijd: het kind brengt de tafel tot leven, stelt zich de tafel voor alsof die zou leven, als een levend wezen, droomt het leven in de tafel naar binnen, slaat de tafel. Maar dat is helemaal niet juist. Het kind droomt helemaal niets in de tafel naar binnen, maar uit de levende wezens, uit de wezens die werkelijk leven, droomt het het leven naar buiten. Niet dat het in de tafel het leven naar binnen droomt, nee, uit de werkelijke levende wezens droomt het het leven naar buiten. En als het zich verwond heeft, dan slaat het vanuit een soort reflexbeweging; en omdat alles nog levenloos is voor het kind – het droomt niet het leven in de tafel naar binnen -, gedraagt het zich tegenover het levende en het levenloze identiek.

Blz 118  vert.  152

Darin haben die ja sonst in vieler Beziehung außerordentlich anerkennenswerten Kindergärten große Fehler gemacht. Der Kindergarten, der von Fröbel und anderen mit einer wirklich innigen Kindesliebe eingerichtet worden ist, muß sich klar sein darüber, daß das Kind ein nachahmendes Wesen ist, aber nachahmen nur dasjenige kann, was noch nicht intellektualistisch ist. So dürfen wir nicht allerlei Kinderarbeiten in den Kindergarten hineinbringen, die ausgedacht sind. Alles Stäbchenlegen, alles Flechten und dergleichen, was im Kindergarten vielfach eine so große Rolle spielt, ist ausgedacht. Wir dürfen in dem Kindergarten nur dasjenige im Bilde haben, was die großen Leute auch machen, nicht was im besonderen ausgedacht ist. Den Menschenkenner beschleicht oftmals ein tragisches Gefühl, wenn er in diese gutgemeinten Kindergärten hineinkommt, wo so schön ausgedachte Arbeiten darin sind. Denn auf der einen Seite gehen diese Kindergärten aus einem so unendlich guten Willen hervor, aus so viel Kinderliebe,

Daarmee hebben de overigens toch in veel opzichten bui­tengewoon te waarderen kleuterscholen grote fouten ge­maakt. De kleuterschool die door Fröbel en anderen met een echt innige liefde voor het kind is ingericht, moet dui­delijk beseffen dat het kind een nabootsend wezen is, maar alleen dat kan nabootsen wat nog niet intellectualistisch is. Zo mogen we niet allerlei werkzaamheden voor de kinderen in de kleuterschool brengen die bedacht zijn. Al het staafjes leggen, al het vlechten en dergelijke dat in de kleuterschool vaak zo’n grote rol speelt, is bedacht. We mogen in de kleu­terschool alleen datgene in beeld hebben wat de grote men­sen ook doen, niet wat speciaal bedacht is. De mensenken­ner bekruipt vaak een tragisch gevoel als hij deze goedbe­doelde kleuterscholen betreedt waarin zulke mooi bedachte bezigheden plaatsvinden. Want enerzijds komen deze kleu­terscholen voort uit zo’n eindeloos goede wil, uit zoveel kin­derliefde,

Blz. 119   vert. 152/153

und auf der anderen Seite wird nicht beachtet, daß alles inhaltlich Intellektualistische, alles dasjenige, was ausgedacht ist an Kinder- arbeiten, vom Kindergarten ausgeschlossen sein muß, daß es nur die äußere Nachahmung des äußeren Bildes der Erwachsenentätigkeit sein darf, die im Kindergarten entfaltet werden kann.
Ein Kind, das vor dem vierten, fünften Jahre innerlich intellektualistisch trainiert wird, das nimmt etwas Furchtbares ins Leben mit, das wird geradezu zum Materialisten erzogen. Je intellektualistischgeistiger Sie ein Kind bis zum vierten, fünften Jahre erziehen, einen desto größeren Materialisten erzeugen Sie von ihm im Leben. Denn es wird das Gehirn auf der einen Seite so bearbeitet, daß der Geist schon in den Formen des Gehirns lebt und innerlich der Mensch die Intuition bekommt: alles ist nur materiell, weil sein Gehirn so früh vom Intellektualistisch-Geistigen ergriffen worden ist.

en anderzijds wordt er niet op gelet dat al het inhoudelijk intellectualistische, alles wat bedacht is aan kinderbezigheden, van de kleuterschool uitgesloten moet worden, dat alleen de uiterlijke nabootsing van het uiterlijke beeld van de volwassenen-bezigheid mag zijn die in de kleuterschool ontvouwd kan worden.
Een kind dat voor z’n vierde, vijfde jaar innerlijk intellectualistisch wordt getraind, dat neemt iets vreselijks in het leven mee, dat wordt regelrecht tot materialist opgevoed. Hoe meer intellectualistisch-geestelijk u een kind tot aan zijn vierde, vijfde jaar opvoedt, des te groter materialist maakt u van hem voor zijn leven. Want dan worden de hersenen enerzijds zo bewerkt dat de geest al in de vormen van de hersenen leeft en innerlijk de mens de intuïtie krijgt: alles is slechts materieel, omdat zijn hersenen zo vroeg door het intellectualistisch-geestelijke gepakt is.

Wollen Sie den Menschen zum Verstehen des Spirituellen erziehen, dann müssen Sie das sogenannte äußere Geistige in seiner intellektualistischen Form so spät als möglich an ihn heranbringen, dann müssen Sie, obzwar es eine große Notwendigkeit ist, daß gerade in der heutigen Zivilisation der Mensch im späteren Leben zum vollen Erwachen kommt, das Kind in jenem sanften, bildträumerischen Erleben, in dem es hereinwächst in das Leben, möglichst lange lassen, möglichst lange bei der Imagination, bei der Bildhaftigkeit, bei der Unintellektualität lassen. Denn wenn Sie erstarken lassen seinen Organismus an dem Unintellektualistischen, dann wird es auf richtige Weise später in das der heutigen Zivilisation notwendige Intellektualistische hineinwachsen.
Peitschen Sie sein Gehirn in der Weise, wie angedeutet, dann verderben Sie die Seele des Menschen für das ganze Leben. So wie Sie durch Lallen die Verdauung verderben, wie Sie durch ein falsches lieb- loses Gehenlernen den Stoffwechsel für das spätere Leben verderben, so verderben Sie die Seele, wenn Sie in dieser Weise von innen das Kind peitschen. Und so muß es ein Ideal unserer Erziehung werden, vor allen Dingen die seelischen, aber doch dadurch, daß das Kind ganz physisch-seelisch-geistiges Wesen ist, auch physisch-inneren Prügelstrafen – das heißt die «schöne Puppe» – abzuschaffen, um vor allen Dingen das Spiel auf das richtige Niveau zu bringen.

Wilt u de mens tot begrip van het spirituele opvoeden, dan moet u hem het zogeheten uiterlijke geestelijke in zijn intellectualistische vorm zo laat mogelijk bijbrengen, dan moet u, hoewel het een grote noodzaak is dat juist in de huidige civilisatie de mens in het latere leven tot het volledige wakker worden komt, het kind zo lang mogelijk laten in dat zachte, beeld-dromerige beleven waarin het in het leven ingroeit, zolang mogelijk laten bij de imaginatie, bij het beeldende, bij het niet-intellectualistische. Want als u zijn organisme sterk laat worden aan het niet-intellectualistische, dan zal het op de juiste wijze later in het intellectualistische dat voor de huidige beschaving noodzakelijk is binnengroeien.
Slaat u met een zweep zijn hersenen op de aangegeven wijze, dan bederft u de ziel van de mens voor het hele leven. Net zoals u door lallen de spijsvertering bederft, zoals u door een foutief liefdeloos leren lopen de stofwisseling voor het latere leven bederft, zo bederft u de ziel als u op deze wijze van binnen het kind met een zweep slaat. En zo moet het een ideaal van onze opvoeding worden om voor alles de ziels-matige, maar toch door het feit dat het kind een geheel fysiek-zielsmatig-geestelijk wezen is, ook fysiek-innerlijke af-ransel-straffen – dat wil zeggen de ‘mooie pop’ – af te schaffen, om voor alles het spel op het juiste niveau te brengen.
GA 307/vdr. 6
Vertaald

Voordracht 7, Ilkley 11 augustus 1923

Blz. 121 vert. 155

Beim Übergange aus dem eigentlich kindlichen Alter, durch den Zahnwechsel hindurch um das siebente Jahr herum, in das schulmäßige Alter, ist insbesondere zu berücksichtigen, daß bis zum siebenten Lebensjahre der Mensch innerlich eigentlich Plastiker ist. Vom Haupte des Menschen gehen die Bildekräfte aus und organisieren den ganzen Menschen. Was der Mensch in seiner Umgebung beobachtet, auch der moralische Charakter des Beobachteten, teilt sich dem Aufbau des Gefäßsystems, der Blutzirkulation, der Atmung und so weiter mit, so daß der Mensch als physische Organisation durch sein ganzes Erdenleben in sich trägt, was er bis zum Zahnwechsel nachahmend geworden ist. Nicht als ob er ganz unbedingt abhängig wäre von dieser Organisation. Er kann gewiß später durch moralische Kraft, durch seelische Intensität von innen heraus manches im Körper zurechtrücken. Aber man muß doch bedenken, welches wunderbare Erbgut wir dem Menschen mit auf den Lebensweg geben, wenn wir seinen Organismus zu einem geeigneten Träger des Geistig-Moralischen dadurch machen, daß wir den inneren Plastiker im Menschen bis zum siebenten Lebensjahre in der Art unterstützen, daß wir nur Moralisches und solches, das zum Leben tüchtig macht, in seine Nähe bringen, damit er es nachahmen könne.

Bij de overgang van de eigenlijke kinderleeftijd door de tandenwisseling heen, rond het zevende jaar, naar de schoolgaande leeftijd moet in het bijzonder in aanmerking genomen worden dat tot het zevende levensjaar de mens innerlijk eigenlijk beeldhouwer is. Van het hoofd van de mens gaan de vormkrachten uit en organiseren de hele mens. Wat de mens in zijn omgeving waarneemt, ook het morele karakter van het waargenomene, slaat over op de opbouw van het vaatstelsel, de bloedsomloop, de ademhaling enzovoort, zodat de mens als fysieke organisatie gedurende zijn hele aardeleven in zich draagt wat hij tot aan de tandenwisseling nabootsend geworden is. Niet dat hij perse afhankelijk zou zijn van deze organisatie. Hij kan zeker later door morele kracht, door zielsmatige intensiteit van binnenuit veel in het lichaam rechtzetten. Maar je moet toch bedenken wat voor wonderbaarlijk erfgoed wij de mens op zijn levensweg meegeven als we zijn organisme tot een geschikte drager van het geestelijk-morele maken doordat we de innerlijke beeldhouwer in de mens tot het zevende levensjaar op díe wijze ondersteunen dat we alleen het morele en dat wat voor het leven capabel maakt, in zijn nabijheid brengen opdat hij dat zou kunnen nabootsen.
GA 307/vdr. 7
Vertaald

Voordracht 11, Ilkley 15 augustus 1923

Blz. 195  vert. 247

Wir sollten das Kind erst mit dem siebenten Lebensjahre, mit dem Zahnwechsel, in die Schule bekommen, vorher gehört das Kind eigentlich nicht in die Schule. Müssen wir es vorher hereinnehmen, so müssen wir natürlich allerlei Kompromisse schließen. Aber ich will hier das Prinzipielle erklären. Wenn wir das Kind in die Schule hereinbekommen, dann erteilen wir den Unterricht so, daß das Kind noch nicht die Unterscheidungen macht zwischen sich und der Welt. Wenn das Kind das charakterisierte Lebensalter zwischen dem neunten und zehnten Jahr erreicht, führen wir es zu demjenigen, was zum Verstand, aber zum beweglichen, zum lebendigen Verstand gehört: Pflanzen- kunde; was zur Stärkung des Willens führt: Tierkunde. Mit dem eigentlichen mineralischen Unterricht, mit dem Unterricht in Physik und Chemie können wir nur auf den Intellekt wirken.

We moeten het kind pas met het zevende levensjaar, bij de tandenwisseling, op school krijgen; voor die tijd hoort het kind eigenlijk niet op school. Moeten we het voor die tijd opnemen, dan moeten we natuurlijk allerlei compromissen sluiten. Maar ik wil hier het principiële verklaren. Wanneer we het kind op school krijgen, dan geven we het onderwijs zo dat het kind nog geen onderscheid maakt tussen zichzelf en de wereld. Wanneer het kind de gekarakteriseerde leeftijd tussen het negende en tiende jaar bereikt, voeren we hem tot datgene wat tot het verstand, maar tot het beweeglijke, tot het levendige verstand hoort: plantkunde; wat tot het versterken van de wil leidt: dierkunde. Met het eigenlijke onderwijs van het minerale, met het onderwijs in natuurkunde en scheikunde kunnen we alleen op het intellect inwerken.
GA 307/vdr. 11
Vertaald

Voordracht 12, Ikley 16 augustus 1923

Blz.  210           vert. 269/270

Es handelt sich darum, daß in dem kindlichen Lebensalter bis zum Zahnwechsel hin, also gerade bis in diejenige Zeit, in der das Kind in die Schule geschickt wird, das Gedächtnis ganz allein sich selbst überlassen bleiben muß.
In dieser Zeit wirken ja, wie wir gesehen haben, im Einklange miteinander physischer Leib, Äther- oder Bildekräfteleib, astralischer Leib und Ich- Organisation. Und die Art und Weise, wie das Kind nachahmend alles in sich ausbildet, was es unbewußt in seiner Umgebung beobachten kann, wirkt auch so, daß bis in den physischen Leib hinein diejenigen Kräfte sich entwickeln, welche die Gedächtnis-, die Erinnerungskraft am besten zur Entfaltung kommen lassen, so daß man in diesen Jahren eigentlich das Kind mit Bezug auf die Gedächtnisentwicklung ganz sich selbst überlassen muß.

Het gaat erom dat in de kinderleeftijd tot aan de tandenwisseling, dus met name tot in de tijd dat het kind naar school gaat, het geheugen helemaal aan zichzelf moet blijven overgelaten. In deze tijd werken, zoals we hebben gezien, het fyiseke lichaam, het ether- of vormkrachtenlichaam, het astraallijf en het Ik als eenheid met elkaar samen. En de manier waarop het kind alles nabootsend in zichzelf vormt, wat het onbewust in zijn omgeving kan waarnemen, werkt ook zo dat tot in het fysieke lichaam die krachten werken die de geheugen- en herinneringskracht het beste tot ontplooiing laat komen, zodat je in deze jaren eigenlijk het kind m.b.t. de ontwikkeling van het geheugen helemaal aan zichzelf moet overlaten.
GA 307/vdr. 12
Vertaald

.

Rudolf Steiner over spel uit GA 307

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Over de werking van de omgeving op een kind: zie het ‘hersenvoorbeeld‘ in dit artikel.

Over de werking van tv op kleine kinderenopvoedingsvragen onder nr. 19  m.n. [19-10]

Algemene menskundevoordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2298-2156

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Muziek – zingen in een andere taal (7-5)

.

Op vrijescholen wordt veel gezongen.
Als je deze website bekijkt ‘vrijeschoolliederen‘ zie je een enorm aantal liedjes, ook in andere talen.
Als leerkracht lukt de uitspraak van Engels, Duits, Frans meestal nog wel, maar andere talen leveren vaak problemen op.

Ik vond nog een aantal artikelen met aanwijzingen voor uitspraak in een bulletin van een instelling voor koorzang.

.

Arnoud van den Eerenbeemt, exacte bron en datum onbekend

.

noors

 (1958) is in 1985 afgestudeerd in de Scandinavische taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit Utrecht, met als hoofdvak Noors en als bijvakken Frans, Russisch, musicologie en vertaalwetenschap. Hij zingt sinds 1979 als amateur in diverse koren, aanvankelijk als tenor en sinds 1993 als altus. Hij is werkzaam bij een wetenschappelijke uitgeverij als medisch lexicograaf.

De Scandinavische talen: familie van ons Nederlands

Het Noors, Zweeds en Deens, de continentale noordse talen, zijn nabije familie van het Nederlands. Veel woorden in deze talen zijn voor ons eenvoudig te herkennen: Noors vi synger firestemmig kormusikk, Zweeds vi sjungar fyrstämmig kormusik, Deens vi synger firstemmigt!
Noren, Zweden en Denen begrijpen elkaars schrift of spraak door de nauwe taalverwantschap dan ook redelijk. De drie talen gebruiken de letter å voor de klank ‘oo’ of ‘ò’. Het Noors en Deens kennen verder de æ voor de klank ‘è’ en de ø voor de klank ‘eu’ of ’ù’. Het Zweeds gebruikt hiervoor respectievelijk de letters ä en ö; het is uitsluitend door de letter ä van het Deens en Noors te onderscheiden. Kenmerkend voor de noordse talen is het aangehechte lidwoord: en stol = een stoel, stolen = de stoel, stoler = stoelen, stolene = de stoelen. Het Zweeds en Noors klinken in Nederlandse oren zangerig en soms wat ‘vragend’ doordat een beklemtoonde lettergreep lager wordt uitgesproken en niet hoger; zoals in het Nederlands.

Een Noorse standaardtaal bestaat niet

Noorwegen kent een ingewikkelde taalsituatie, die in dit artikel omwille van de beknoptheid vereenvoudigd wordt weergegeven. Strikt genomen bestaat ‘het Noors’ niet, waardoor voor de uitspraak van het Noors geen eenvoudige richtlijnen te geven zijn. Noorwegen is door de eeuwen heen lange tijd vanuit Denemarken bestuurd. De oorspronkelijke Noorse taal, voortgekomen uit het Oud-Noors (Norrøn), heeft hierdoor tot ver in de twintigste eeuw een sterke invloed van het Deens ondergaan. Dit was vooral het geval in de taal van de gegoede burgerij, waartoe componisten en tekstdichters veelal behoorden. In hun scheppingen bedienden velen onder hen zich traditiegetrouw van een sterk verdeenst Noors, later als het riksmål aangeduid. Naarmate Noorwegen een onafhankelijkere koers ging varen, nam de invloed van het Deens op het Noors af. Inmiddels is het riksmål nog maar bij een klein, vergrijzend deel van de Noorse bevolking in gebruik. Het Noors van de ‘gewone’ Noor in de stad heeft zich in de loop van de vorige eeuw ontwikkeld tot het bokmål, de variant van het Noors die nu door circa 60 procent van de bevolking wordt gesproken en die nog wel de nodige kenmerken van het Deens heeft behouden. Buiten de verstedelijkte gebieden, zoals in het fjordengebied en in noordelijk Noorwegen, is het Noors in zijn meest oorspronkelijke vorm bewaard gebleven. De verzameling van alle dialecten in deze gebieden duidt men aan met ‘nynorsk’, de spreek- en schrijftaal van pakweg vier van de tien Noren. Bokmål en nynorsk vormen de twee officiële talen van Noorwegen. Het Samisch, de taal van de Samen ofwel Lappen en van geheel andersoortige herkomst, wordt in het noorden van Noorwegen gesproken en is van geen belang voor de Noorse kunstmuziek.

Het is niet alles Noors wat er klinkt

Veel (vooral oudere romantische) Noorse koorwerken verklanken teksten van Noorse dichters en schrijvers die zich van verdeenst Noors bedienden, zoals Henrik Ibsen en Bjørnstjerne Bjørnson. Psalmen en andere bijbelteksten werden gewoonlijk ook in deze archaïsche taalvariant gelezen en dus ook daarin getoonzet. Teksten van Deense dichters waren voor veel Noren goed te begrijpen en konden dus ongewijzigd in Noorse vocale werken worden overgenomen. Dit alles heeft voor Nederlanders tot gevolg dat zij voor de bepaling van de juiste uitspraak moeten vaststellen of de te zingen tekst in het Deens/verdeenst Noors, bokmål of nynorsk is geschreven. Het volgende, voor dit artikel opgestelde overzicht toont veelgebruikte woorden die uitsluitend in de genoemde taalvariant voorkomen en biedt zo enig houvast bij de determinatie.

 

Een Noors vocaal werk met Deense of verdeenst Noorse tekst wordt echter niet altijd met de bijbehorende uitspraak uitgevoerd. Net als veel Noorse zangers kunnen Nederlanders overwegen het Deense schriftbeeld niet als Deens uit te spreken, maar de Noorse klankregels erop toe te passen. Een voorbeeld: het bekende lied ‘Jeg elsker Dig’ van Edvard Grieg is geschreven op tekst van de Deense schrijver H.C. Andersen. Sommige Noorse sopranen vernoorsen de Deense tekst ervan en spreken de woorden

Een Noors vocaal werk met Deense of verdeenst Noorse tekst wordt echter niet altijd met de bijbehorende uitspraak uitgevoerd. Net als veel Noorse zangers kunnen Nederlanders overwegen het Deense schriftbeeld niet als Deens uit te spreken, maar de Noorse klankregels erop toe te passen. Een voorbeeld: het bekende lied ‘Jeg elsker Dig’ van Edvard Grieg is geschreven op tekst van de Deense schrijver H.C. Andersen. Sommige Noorse sopranen vernoorsen de Deense tekst ervan en spreken de woorden

Een Noors vocaal werk met Deense of verdeenst Noorse tekst wordt echter niet altijd met de bijbehorende uitspraak uitgevoerd. Net als veel Noorse zangers kunnen Nederlanders overwegen het Deense schriftbeeld niet als Deens uit te spreken, maar de Noorse klankregels erop toe te passen. Een voorbeeld: het bekende lied ‘Jeg elsker Dig’ van Edvard Grieg is geschreven op tekst van de Deense schrijver H.C. Andersen. Sommige Noorse sopranen vernoorsen de Deense tekst ervan en spreken de woorden kærlighed […] jeg elsker Dig op zijn Noors uit: ‘çèRlieheet… jij elskur dij’. Anderen zijn recht in de leer en verkiezen bij hetzelfde lied de Deense uitspraak: ‘khèrlieheew… jaai elskur daal’.

Taal determineren, dan uitspraak kiezen

Nederlanders die het Deens en Noors onvoldoende beheersen, weten echter niet wat het Noorse (uitspraak)equivalent van een Deens woord is. Zo komt het Deense gør (‘maakt, doet’, uitspraak: ‘geur’) overeen met het Noorse gjør (uitspraak: ‘jeur’). Ook een woord dat in beide talen hetzelfde wordt geschreven, kan in uitspraak verschillen, zoals meget (‘heel, zeer, erg’): Noors ‘meegut’, Deens ‘maajut’ of ‘mèjut’.

Nederlandse zangers en koordirigenten staan bij veel Noorse vocale werken dus voor een lastige taak. Ze moeten onderzoek naar de aard of herkomst van de te zingen tekst verrichten. Betreft het Deens of verdeenst Noors, dan bevinden ze zich tussen Scylla en Charybdis. Ze kunnen deze specifieke Noorse vocale muziek met een Deense uitspraak uitvoeren, wat inhoudt dat ze zich moet verdiepen in de uitspraak van twee Scandinavische talen die fonetisch sterk verschillen. Het alternatief is omzetting van de verdeenst Noorse tekst in hedendaags Noors en toepassing van de Noorse uitspraakregels daarop. Dat veronderstelt echter kennis van beide talen en maakt de bijstand van een ter zake kundige Noors sprekende persoon haast onvermijdelijk.

De kans dat men per vergissing Zweedse tekst voor Noors aanziet, is klein: zoals eerder in dit artikel is aangegeven, verraadt de aanwezigheid van één enkele ä in de tekst de Zweedse herkomst (de Zweedse ö wordt incidenteel tevens in oud Noors zetwerk gebruikt…).

De belangrijkste klankregels van het Noors

Een behandeling van de uitspraak van het Deens valt buiten het bestek van dit artikel. De navolgende klankregels zijn toe te passen op teksten in het bokmål en het nynorsk, tenzij anders is aangegeven. Verscheidene regels kennen helaas uitzonderingen, die hier niet alle kunnen worden vermeld.

Klinkers

Wie zekerheid wil over de uitspraak van een letter die meer mogelijkheden kent, zoals de e en o, kan niet om raadpleging van een woordenboek met uit-spraakvermelding of een deskundige heen. Bij ei, au en øy geeft de klank na het koppelteken in het bijzonder aan op welke klinker de tweeklank eindigt bij het zingen van een melisme, verscheidene tonen op één lettergreep.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

=

Medeklinkers en halfvocalen

-De medeklinkers uit ons alfabet die in het navolgende overzicht ontbreken, worden in het Noors in principe hetzelfde uitgesproken als in het Nederlands.

– Bepaalde medeklinkers die in gesproken Noors veelal stom, niet-klinkend zijn, mogen in (langzaam) gezongen Noors wel zacht klinken. Zo kan de stomme finale -d in een nadrukkelijk Gud (‘God’) als stemhebbende eindmedeklinker zacht worden neergezet.

–Hoe langzamer een tekst wordt gezongen, des te minder gelden sommige van de ingewikkelde Noorse klankregels, zoals de medeklinkerassimilatie van rs tot sj en het ‘nat’ worden van de r. Zo klinkt på korset (‘aan het kruis’) in gesproken vorm als ‘poo kòsju’, maar in langzame zang als ‘poo kòr-su‘. Gezongen Noors kan hierdoor wel ‘droger’, minder smeuïg, gaan klinken dan gesproken Noors.

– Het Noors kent geen toonloze u (schwa) als zogeheten svarabhaktivocaal om de uitspraak van medeklinkerclusters te vergemakkelijken. Men zegt dus ‘melk’ (met een dunne I) en ‘sterk’ en niet ‘melluk’ of ‘sterruk’.

– De c, w en z komen alleen in enkele leenwoorden voor.

 

 

 

 

==

Uitspraakvoorbeelden

=

.

Muziekalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2200

 

 

.

2297-2155

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-4)

.

Inenten is een onderwerp dat telkens weer tot (hevige) discussies leidt, vooral als je er genuanceerd over denkt, dus, wanneer wél of wanneer niet. 
Hoe je denkt over opvoeding, over de ontwikkeling van een kind, speelt daarbij een rol. 
Kennelijk zijn  (veel?) vrijeschoolouders terughoudender met ‘prikken’, waardoor we regelmatig kunnen lezen dat er op vrijescholen meer kinderen niet ingeënt zijn tegen bijv. de mazelen, dan op niet-vrijescholen.
Dat wordt snel verward met ‘dat de vrijeschool tegen vaccineren’  is.* 
‘School’ is een leeg begrip. Er werken mensen die een opvatting hebben over opvoeding en meestal – vooral als ze zelf kinderen hebben – over inenten. Maar als institutie – de mensen samen – bestaat er geen opvatting over inenten die van deze mensen – ‘school’ – een ‘must’ is voor de ouders.
De beslissing over het vaccineren ligt helemaal bij de ouders – daarover hebben anderen – ‘school’ – niets te zeggen.
Je kan elkaar wel vertellen over je gezichtspunten.
Dat gebeurt ook op deze blog.
Wat hier over inenten wordt geschreven is niet DE mening van de vrijeschool – zoals gezegd: die is er niet en mocht die er wél zijn, dan is dat m.i. niet terecht.

Aart van der Stel, huisarts, Weleda Puur Kind, lente 2005, nr.15
.

HET NIEUWE OPVOEDEN: INTUÏTIE ÉN BEWUSTWORDING

Weinig discussies overleven zo goed de veranderende tijden ais die rond het wel of niet inenten tegen kinderziektes. Terwijl de ( overheid tegen steeds meer ziektes laat inenten, is er een vaste kern van weigeraars tegen een of meer van de prikken. Hoe kun je als ouder je weg vinden in de stortvloed van argumenten voor en tegen?

De voors en tegens in de inentingsdiscussie zijn eigenlijk in al de jaren hetzelfde gebleven: de overheid wil geen zieke kinderen om sociaal-economische redenen en wil zoveel mogelijk ziektes de wereld uit helpen en de tegenstanders, de ‘kritische prikkers’, zien allerlei gevaren van het inbrengen van entstof, hebben religieuze bezwaren of vinden dat ziek zijn voor hun kinderen een bepaalde betekenis heeft.

Tot op zekere hoogte behoor ik zelf tot de laatste groep. Volgens mij kan het geen kwaad wanneer een gezond kind waterpokken of de bof krijgt en ik zie ook niet veel bezwaar in het doormaken van rode hond. Maar polio of hersenvliesontsteking wens ik niemand toe, evenmin als een infectie met de haemophylus influenzabacterie (HIB). Die ziektes berokkenen veel schade bij een relatief groot deel van de groep kinderen die daarmee besmet raakt. Het lijkt me dan ook goed dat we kinderen niet blootstellen aan relatief veel voorkomende en veel schade toebrengende ziektes.

Het probleem is echter wel dat je je kind door inenten steeds minder gelegenheid geeft om ziek te zijn. Is dat erg? Het antwoord op die vraag hangt mede af van je visie op de opvoeding van je kind. Wat is het doel van de opvoeding en wat gebeurt er met een kind als hij ziek is? Zijn er inzichten die een uitweg bieden uit een botsing tussen verschillende opvattingen?

Het prettige aan ziek zijn

Als je kind ziek is, al dan niet door een kinderziekte, heeft het koorts waardoor alle levensprocessen in het lichaam sneller gaan. Hij zweet, heeft diarree of een natte hoest. Hij wordt als het ware ‘opgelost’.

Eten lukt vaak niet, drinken meestal nog wel, en dat is maar goed ook, want zeker bij heel kleine kinderen ligt uitdroging altijd op de loer. Hij heeft nergens zin in, behalve in op de bank liggen. Je kunt dus zeggen dat alle normale activiteiten tijdelijk stoppen.

Bij veel kinderziektes speelt de huid een belangrijke rol: aan het soort vlekjes of bultjes kun je de ziekte herkennen. Zonder al te diep op de functie van de huid in te gaan kun je zeggen dat de huid voor een mens heel belangrijk is. Hij vormt de afscheiding van de buitenwereld en biedt ook de mogelijkheid om via de tast contact te maken met de buitenwereld. Je kunt de wereld buitensluiten, je kunt je eigen warmte binnenhouden of je kunt invloeden van buitenaf zoals tastervaringen, warmte en eventueel zelfs geneesmiddelen (pleisters!) toelaten.

Er is ‘iets’ in het menselijk lichaam dat daarin stuurt en tot keuzes komt. Dat ‘iets’ kun je op lichamelijk niveau weerstand, op psychisch niveau assertiviteit en op persoonlijk niveau individualiteit noemen.

Al die woorden drukken uit dat je in staat bent om je in de wereld staande te houden en zo met je omgeving om te gaan, dat je er in elk geval niet minder maar het liefst beter van wordt, in die zin dat groei en ontwikkeling mogelijk zijn. En het prettige van ziek zijn is, dat je er weerstand aan over houdt.

Een kind komt met een nagenoeg leeg afweersysteem ter wereld en vult dat met kennis hoe ziektes af te weren door de binnendringende ziektekiemen te leren kennen, onschadelijk te maken en te onthouden hoe het dat gedaan heeft. Zo ontstaat het immuunsysteem. Het probleem is echter dat bij sommige ziektes de prijs die je voor die kennis moet betalen hoog kan zijn. Zo geeft polio relatief veel complicaties en zo’n ziekte kan dan uit de vaart worden genomen door het kind immuniteit te geven door inenten. Het krijgt dan als het ware kennis en instrumenten aangeboden zonder dat het daar zelf enige moeite voor hoeft te doen. Dat is in de opvoeding normaal: je leert een kind ook veilig de straat over te steken of van een hete koffiepot af te blijven zonder hem eerst een mogelijk gevaarlijke eigen ervaring op te laten doen.

Van voeden naar opvoeden

Eigenlijk zijn al je pedagogische acties erop gericht je kind wegwijs en weerbaar te maken. Je voedt op tot zelfstandigheid waar weerstand de lichamelijke uiting van is. In de eerste jaren van zijn leven gaat het vooral om zijn lichamelijke ontwikkeling en later steeds meer om zijn psychische en sociale groei. Je kunt dus zeggen dat je van voeden gaandeweg overgaat op opvoeden om te eindigen in voorzichtig en vooral onzichtbaar begeleiden.

In de ‘voedingsfase’ is alles nog gericht op de lichamelijke zelfstandigheid, dus op het ontwikkelen van weerstand. Uitgerekend de kinderziektes hielpen ouders daarbij, zonder dat ze zich daarvan bewust waren. Kinderziektes laten doormaken was een onbewuste manier van opvoeden. Ouders wisten intuïtief dat het ergens goed voor was.

Nu leven we in een tijd waarin iedereen ‘zijn eigen ding wil doen’ en zelf wel uitmaakt hoe hij zijn kinderen opvoedt. En dat is ook goed, want het komt de individualiteit van het kind ten goede als hij wordt benaderd als een uniek wezen. De tijden dat elke pedagogische ingreep werd getoetst aan Spock of een andere opvoedkundige icoon is voorbij. Opvoeden staat of valt bij het maken van eigen keuzes en dat geldt ook voor het inenten. Om het heel ongenuanceerd te zeggen: het maakt voor je kind misschien niet eens zo heel veel uit of hij wel of niet wordt ingeënt, maar wel of jij daarin een bewuste keuze hebt gemaakt. Kinderziektes waren normaal in een tijd waarin nog niet zo bewust werd omgegaan met opvoeding. Ik sluit niet uit dat er, met het toenemen van bewustzijn over de rol die je als ouder in het opgroeien van je kind wilt innemen, steeds minder behoefte is aan ‘onbewuste pedagogie’ i.c. aan kinderziektes. Kinderziekte als hulpje bij het opvoeden heeft misschien wel afgedaan. Maar wanneer het onbewuste opvoeden plaats maakt voor eigen keuzes in de opvoeding, ontstaat daarmee wel de uitdaging om dat wat kinderziektes eertijds deden, bewust na te bootsen of een nieuwe vorm te geven.

In bad

Het koortsende lijfje van een ziek kind kun je het beste vergelijken met een potje dat op het vuur staat te koken, waarbij de inhoud van de pot veranderingen ondergaat. Koortsende ziektes spreken de wil (tot verandering) van het kind aan. Al groeiend is hij enorm in beweging en verandering en hij verdraagt daarbij geen stagnatie.

Stagnaties worden zo snel mogelijk onschadelijk gemaakt. Het organisme wordt door de ziekte aan de kook gebracht om de vaart er weer in te krijgen. Maar bij het nieuwe opvoeden zonder kinderziektes moet je zelf signaleren dat er sprake is van een stagnatie, dat je kind duidelijk ‘ergens tegenaan hangt’. En je zal ook zelf moeten bedenken hoe je hem weer in beweging kunt krijgen.

Het gaat dan uiteraard niet om het letterlijk nabootsen van de kinderziekte – dat kan eenvoudigweg niet eens – maar om het zoeken naar een manier om de intenties van de ziekte te benaderen. Wat wilde of deed een ziekte en hoe bied je dat in een nieuwe vorm aan? Een voorbeeld van zo’n nieuwe manier is het zogenaamde voedingsbad, waarbij een kwakkelend kind een reeks baden krijgt waarbij melk, ei, honig en citroen worden gebruikt. Al deze substanties werken op een bepaald facet van het organisme en oefenen een vitaliserende werking uit. Interessant genoeg zie je halverwege de reeks baden een soort crisis optreden: het kind wordt nog miezeriger dan het al was. Het is goed om van tevoren te weten dat dit een gewenst effect is. Het is een verschijnsel dat sterk doet denken aan de crisis die je vroeger bij een sterk koortsende ziekte als longontsteking zag. Kwam je er door dan bleef je leven en hoorde je bij de sterken. Dat komt dankzij antibiotica uiteraard niet meer vaak voor, maar door het voedingsbad kan je kind zonder gevaar nog wel iets dergelijks doormaken. Door het bad kan het kind iets in zichzelf in beweging brengen en veranderen.

Het wiel uitvinden

Zoals het voedingsbad, afgekeken van de natuurlijke manier van ziek zijn, een bewust voltrokken pedagogische ingreep is, zo moet er nog meer te bedenken zijn. Maar hoe ‘bedenk’ je een bijna tot in het lichamelijke toe ingrijpende opvoedkundige maatregel? Van louter bedenken kan natuurlijk geen sprake zijn. Je moet er op komen. Het moet ontstaan, als een intuïtie. Die intuïties komen pas als je je bewust met de unieke individualiteit van je kind bezig houdt. Kinderziektes, daar wijst ook de besmettelijkheid op, waren groepsziektes die door de kinderen aan elkaar werden doorgegeven. In het nieuwe opvoeden, dat zich minder baseert op overgeleverde inzichten en meer op door ouders zelf gegenereerde intuïties, is minder plaats voor gezamenlijkheid. Voor elk kind moet het wiel opnieuw worden uitgevonden. Tot op zekere hoogte natuurlijk, want het is niet zo dat elke ouder zelf op het idee van bijvoorbeeld het voedingsbad hoeft te komen. Er is niets op tegen om je door anderen te laten inspireren, want er zijn in het kinderleven nog steeds veel problemen die elk kind zo ongeveer hetzelfde doormaakt.

Mediteer over je kind

Om je kind zo goed te leren kennen dat je voor zijn groeiproblemen zelf oplossingen kunt vinden, moet je je grondig in hem verdiepen. Net zo lang en net zo diep tot de oplossing ontstaat. Zo’n intensief inlevingsproces kun je rustig een meditatie noemen. Probeer over je kind te mediteren.

In zijn boek Over verdrietige, angstige en onrustige kinderen beschrijft Henning Koehler een heel hanteerbare vorm van meditatief bezig zijn met je kind. Hij raadt aan om je voor het naar bed gaan een moment innerlijk met hem bezig te houden, zijn probleem voor je neer te zetten en een vraag te formuleren die je meeneemt in je slaap. De kans bestaat dat er de volgende morgen of in de loop van een aantal morgens een antwoord bij je opkomt. Mogelijk biedt deze manier ook een houvast om tot de goede beslissing inzake het vaccineren van jouw kind te komen, dan je op sleeptouw te laten nemen door overtuigde voor- of tegenstanders. Trouwens, je kind omhullen met je meditatieve aandacht is misschien ook wel een soort inenten. Niet met fysieke entstof, maar met een heel andere substantie: eerbied voor het unieke van elk kind.

* [69]

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2296-2154

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (82)

.

school……….

Niet naar school kunnen. Hoe was dat voor de leerlingen?

Voor onderstaande middelbare scholieren een verademing.

Zegt dat niet iets over ons onderwijssysteem?

M (16) 4 havo*,

“Ik vind het heel fijn dat ik niet meer naar school hoef. Ik heb wel online les, maar niet meer al die druk van school zelf. Daardoor zijn mijn cijfers erg vooruitgegaan. Ik stond eerst voor vijf vakken een onvoldoende. Nu nog maar voor twee. Ik dreigde eerst te blijven zitten, maar sta nu op overgaan. “Thuis werk ik veel sneller. Ik kan zelf inplannen wanneer ik iets wil doen. Eerst had ik een hele dag school en daarna huiswerk, daar had ik dan geen zin meer in. Nu is mijn concentratie veel beter. Voor de coronatijd zat ik veel op mijn telefoon en social media. Dat is minder geworden.
“Ik ben andere dingen gaan doen. Laatst heb ik van een vriendin een naaimachine gekregen. Ik ben nu meer bezig met mode en ontwerp mijn eigen kleding. Dat deed ik hiervoor bijna niet. Ik heb al een rokje gemaakt van oude truitjes en een bucket hat (een soort hoedje, red.).
“Gelukkig ben ik nog geregeld buiten de deur, want ik werk drie keer per week bij de Albert Heijn. Ik mis het wel om met veel vrienden bij elkaar te zitten en feestjes te hebben. Toch zit ik veel lekkerder in mijn vel. Eerst had ik thuis best veel ruzie. Dat gaat nu beter. Ik had veel stress door school, dat ging ik afreageren op mijn ouders. Ik ben nu gezelliger en minder gespannen.

“Ik ben meer gaan beseffen dat ik niet zo bezig moet zijn met wat andere mensen van mij denken. Ik zie minder mensen en heb meer tijd om na te denken. Nu heb ik meer zoiets van: ik doe wat ik wil.”

0-0-0

J (15) 3 havo*

Ik vind deze periode fantastisch. Veel scholieren om mij heen hebben zoiets van: shit, ik kan niemand zien. Maar ik vind het heerlijk. Ik heb alle tijd om aan mijn kamer te werken. Ik wil naar de kunstacademie en ben van alles aan het maken en schilderen. Ik heb veel meer inspiratie en energie. “Ik ben ook vrolijker. Voor de crisis had ik vaak stress door school. Ik stond voor veel vakken een onvoldoende, en op school zijn sommige dingen vermoeiend. Drama’s van vrienden, iemands energie kan zwaar zijn. Na school was ik supermoe. Nu zit ik lekker thuis en krijg ik alle slaap die ik nodig heb. “Mijn school heeft de switch naar digitaal onderwijs snel gemaakt. We mogen heel zelfstandig werken, dat vind ik fijn. Af en toe is er een Google hangout, maar meestal krijg ik mijn opdrachten in de mail. “Ik kan me heter concentreren nu ik niet afgeleid wordt op school. Daardoor houd ik veel tijd over. Doordeweeks werk ik tot twee uur ’s middags aan school. Daarna zit ik op mijn kamer of buiten.
“Ik heb honderden ideeën en projecten. Mijn zolderkamer heeft veel hoeken en gaten waar iets mee kan. Ik ben nu de balken en mijn deur aan het schilderen. Ik beschilder ook lp’s en maak tape-art. De schilderwinkel is gelukkig nog open. Ik ben drie tot vier uur per dag bezig met mijn kunst. Normaal heb ik daar echt geen tijd voor.
“Na school heb ik nul zin om iets te doen of te veel huiswerk. Nu fleur ik helemaal op en mijn cijfers zijn geboost. Ik ben van zes onvoldoendes naar bijna nul gegaan! “Mijn school gaat in juni gedeeltelijk open, maar ik hoop dat ik nog niet hoef te komen. Van mij mag het nog lang zo blijven.”

0-0-0

T (18) 6 vwo,*
“Ik heb het afgelopen schooljaar enorm druk gehad. We moesten heel veel opdrachten inleveren. Dat is lastig te combineren met mijn grote hobby: muziek. Daar moet je de tijd voor nemen, want de inspiratie laat soms op zich wachten. Nu kan ik rustig uren op mijn kamer zitten en wachten tot er iets komt. “Normaal zou ik nu middenin de eindexamens zitten. In plaats daarvan speel ik veel gitaar en piano. Ik ben een instagram-account begonnen waar ik dagelijks mijn muzikale creaties upload, vooral covers van bekende nummers die ik mooi vind.
“Toen de lockdown begon, was ik net klaar met alle schoolexamens. Ik stond er goed voor en was ineens geslaagd. Nu heb ik 158 dagen vakantie. Dat komt goed uit, want ik wil heel graag cabaretier worden en heb nu veel meer tijd om mijn auditie voor te bereiden voor de Koningstheateracademie in Den Bosch. Daarvoor heb ik 15 mei een video opgenomen met vijf minuten tekst en een nummer. Ik heb alle tijd gehad om te oefenen. Heel fijn. Dat nummer heb ik al zeker vijftig keer gespeeld.
“Mijn auditie gaat ook een beetje over corona en over het relativeren ervan. Het is verschrikkelijk wat er allemaal gebeurt, maar we moeten er het beste van maken. Mij lukt dat in ieder geval heel goed.”
“Stappen is niet echt mijn ding, dus ik vind het niet zo erg dat cafés en clubs dicht zijn. Ik spreek nog wel vaak met vrienden afin kleine groepjes. Met een vriend heb ik een klein bootje gekocht om op de Loosdrechtse plassen te varen.
“Deze periode geeft mij veel inspiratie, zeker qua improvisatie op de gitaar. Ik heb een loop pedal gekocht, speel veel blues en maak grote sprongen vooruit.”

*De namen van de leerlingen en hun school staan volledig in dagblad Trouw van 23 mei 2020.

.

Opspattend grind [17]  [53]   [56]

Opspattend grind: alle artikelen

Vrijschool in beeld: alle beelden

.

2295-2153

.

.

.

VRIJESCHOOL – Muziek – zingen in een andere taal (7-4)

.

Op vrijescholen wordt veel gezongen.
Als je deze website bekijkt ‘vrijeschoolliederen‘ zie je een enorm aantal liedjes, ook in andere talen.
Als leerkracht lukt de uitspraak van Engels, Duits, Frans meestal nog wel, maar andere talen leveren vaak problemen op.

Ik vond nog een aantal artikelen met aanwijzingen voor uitspraak in een bulletin van een instelling voor koorzang.

Mariona Vilalta, exacte bron onbekend
.

Mariona Vilalta komt uit Barcelona en woont sinds 1991 in Nederland. Aan de universiteiten van haar geboortestad legde ze het doctoraal examen Geschiedenis af en behaalde zij het diploma Vertaler. Ze zong in verschillende kinder-, jeugd- en gemengde koren en volgde diverse cursussen koordirectie en muziek onder andere in Barcelona, Santander, Salzburg en Den Haag. Ze dirigeerde kinderkoren in zowel Barcelona als Delft en richtte een gemengd koor op in haar geboortestad, waarvan ze dirigente was tot haar vertrek naar Nederland. Tegenwoordig is ze werkzaam bij de Stichting Prinses Christina Concours. Sinds 1992 is Mariona Vilalta dirigente van het Haags Vrouwenkoor.

SPAANS

Tussen het gesproken en gezongen Spaans bestaat heel weinig verschil. De intonatie in het Spaans is vrij vlak en speelt geen echte belangrijke rol; alleen om nadruk op een woord te leggen. Alle lettergrepen duren ongeveer even lang, waardoor het Spaans een behoorlijk strak ritme heeft.

Het woordaccent van de meeste woorden in het Spaans valt op de voorlaatste lettergreep. Uitzonderingen:

– woorden die eindigen op een medeklinker anders dan n of s hebben de klemtoon op de laatste lettergreep (bijv. amor)

– woorden met een accentteken hebben de klemtoon op de lettergreep waarop het accentteken valt (bijv. pasión. músical.

In het gezongen Spaans bepalen de accenten van de muziek de klemtoon van de woorden, zelfs als dit in tegenspraak is met de gesproken taal. Bijvoorbeeld, als we vanwege de muziekaccenten corazón moeten zingen terwijl de normale uitspraak corazón is, heeft dit géén invloed op de betekenis van het woord. Dus altijd de muziek op een natuurlijke manier laten overheersen; altijd de accenten van de muziek volgen.

Het Spaans moet op de klinkers gezongen worden die helder moeten klinken; de medeklinkers dienen snel en nooit overdreven te worden uitgesproken (zie bijv. onder r). Voor het geval er twee of drie klinkers in één lettergreep of op één noot staan: zie onder Tweeklanken en Combinaties.

Als een lettergreepgrens of woordgrens tussen twee medeklinkers valt, betekent dat niet dat die medeklinkers apart uitgesproken moeten worden. Als norm geldt: alle lettergrepen aan elkaar uitspreken, behalve als er tussen twee woorden komma’s of andere leestekens staan (bijv. amor sin pena [amorsimpena]).

Het Oud-Spaans wordt niet behandeld, met uitzondering van een klank die in het moderne Spaans niet meer bestaat en die vaak in bekende Renaissance-stukken voorkomt. Dialecten komen ook niet aan bod, hoewel ze heel belangrijk zijn bij veel soorten muziek. Het gaat niet alleen om dialecten binnen Spanje maar ook om alle Zuid-Amerikaanse varianten van de Spaanse taal. In deze gevallen dient een specialist geraadpleegd te worden. Let op: het Catalaans is geen dialect van het Spaans. De volgende uitspraakregels gelden dus niet voor het Catalaans.

Klinkers

In het algemeen zijn klinkers allemaal eenvoudig en helder, nooit dubbel. De lengte speelt geen rol, alleen als expressiemiddel of om ergens de nadruk op te leggen, maar dat verandert de betekenis niet. Open of gesloten speelt ook geen rol, hoewel a, e en o door omliggende klanken heel licht beïnvloed kunnen worden.

Tweeklanken bestaan uit een sterke klinker (a, e, o) en een zwakke klinker (i, u) of uit twee zwakke klinkers. In geval van een tweeklank wordt de zwakke klinker (of de eerste in het geval van twee zwakke klinkers) als halve-klinker of glijklank uitgesproken:

Bij tweeklanken op één noot, nooit de waarde van de noot in tweeën verdelen: in dit geval wordt de zwakke klinker (of de tweede in geval van twee zwakke klinkers) een glijklank en krijgt de sterke klinker de langste duur van de noot.

Als een zwakke klinker en een sterke klinker die naast elkaar staan géén tweeklank vormen, dan wordt dit met een accentteken op de zwakke klinker aangegeven; in dit geval horen die twee klinkers tot twee verschillende lettergrepen en dan zal de muziek daar ook twee verschillende noten voor hebben:

Maria [ma ri_a]

Oldo [o i do]

Maar let op: als het accentteken op de sterke klinker valt, dan blijven deze twee klinkers een tweeklank vormen in één lettergreep (bijv. pasión, [pa sjon[).

Twee sterke klinkers vormen geen tweeklank: ze horen in twee verschillende lettergrepen, maar ook dit zal de componist aangeven:

peonza [pe on θa]

faena [fa e na]

De letter u wordt niet uitgesproken na q en tussen g en e of i, tenzij er een trema voorkomt:

quiero [kje rol

guerra [ge ra]

guitarra [gi ta ra]

ambigüedad [am bi qwe dad]

Medeklinkers

In het Spaans kan het gebeuren dat verschillende letters horen bij een enkele klank en verschillende klanken horen bij een enkele letter; wij vermelden de letters van het alfabet in de eerste kolom en de IPA-klan-ken (fonetisch) in de tweede kolom.

Aanbevolen literatuur

Sobrer, J.M. and Colomer, E. The Singer’s Anthology of 20th Century Spanish Songs, Pelion Press, New York, 1987

Dit boek bevat een interessante lijst van boeken over de uitspraak en de grammatica van het Spaans.

Dr. Peter Jan Slagter Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Spaans, Utrecht/Antwerpen, 1993.

Het grammaticaal compendium bevat nuttige aanwijzingen over het Spaans en de uitspraak in het algemeen. ,

Mariona Vilalta

.

Muziekalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2294-2152

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof -sprookjes (2-4/1)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

DOORNROOSJE

Heel lang geleden waren er eens een koning en een koningin, die iedere dag zeiden: ‘Ach, hadden wij toch maar een kindje!’ en zij kregen er steeds maar geen. Toen gebeurde het, dat toen de koningin eens aan het baden was, er een kikker uit het water aan land kroop, die tot haar sprak: ‘Uw wens zal vervuld worden; eer er een jaar voorbij is, zult ge een dochter ter wereld brengen.

Lang geleden, zo begint het sprookje, en dat moet je heel letterlijk nemen: vóór onze historisch te vatten tijd, in de mythologische tijd toen ieder mens een gekroonde koning was, voorzien van een volmacht, iemand die iets kon. En zijn ziel was een koningin. Voor de mens vormde de zintuiglijke wereld nog een eenheid met de geestelijke wereld. Wat Novalis bedoelt met ‘de wereld was nog in de wereld’. De dag was vol ware beelden, imaginaties. In deze beelden laten de natuur en de wereld zich aan de mensen zien, het uiterlijke dingbewustzijn van de zintuigwereld bevond zich nog op de achtergrond. Het was in een toestand van de natuur helderziend te kunnen waarnemen, een bewustzijn dat volkomen tegengesteld is aan het dingbewustzijn van ons. De mens stond nog in verbinding met geestelijke wezens.

De mens van het mythologisch tijdperk verlangt met zijn ziel (de koningin) dat er een verandering van bewustzijn komt. Een ander soort ziel moet in het leven verschijnen. Het gouden tijdperk van de mensheid waarover de Griekse geschiedschrijver Hesiodes bericht en de Romeinse dichter Ovidius, moet ten einde gaan; want in de mensheid heerst de wet van de bewustzijnsverandering.

Een instinct geeft aan dat er een nieuw soort ziel – een dochter – zal komen. Het beeld voor dit instinct is de kikker die ‘vanuit het water aan land kruipt.’
En zoals de levende zielenwereld met de diepten en ondiepten, met het opkomen en verdwijnen van gevoelens en beelden op het water lijkt – en alle mythen gebruiken daarvoor het beeldwoord water, zo het land als de vaste bodem van de feiten. Men ging de zintuiglijke wereld zien. Het vaste, het stoffelijke kwam in de plaats van het beweeglijke, het constante in de plaats van het stromende. Vergelijk de droom die voor ieder subtiel innerlijk krachtenspel weer nieuwe beelden vindt, met ons huidig bewustzijn van de dingen die geteld, gemeten en gewogen worden, waar we met zekere resultaten rekening houden – en dan begrijp je de beelden ‘water’ en ‘land’.
De kikker die in het water en op het land leeft, verandert in langere metamorfoses van kieuwademhaling naar luchtademhaling. Hij is uiterst gevoelig voor de weersomstandigheden, vandaar dat hij als weervoorspeller beschouwd wordt. Hij staat voor de mogelijkheid een geestelijke atmosfeer te verstaan, dus weervoorspeller in overdrachtelijke zin te zijn.
Ook duit het symbool op het labiele van dit innerlijke dubbele bewustzijn.

Wat de kikvors gezegd had, gebeurde en de koningin baarde een meisje, dat zó mooi was dat de koning buiten zichzelf was van vreugde en een groot feest aanrichtte. Hij nodigde niet alleen zijn familie, vrienden en kennissen uit, maar ook de wijze vrouwen, opdat deze zijn kind genegen en gunstig gezind zouden zijn. Er waren er dertien in zijn rijk, maar omdat hij maar twaalf gouden borden had, waarvan zij moesten eten, moest een van hen thuis blijven.

Nog wist de mens zich gedragen en geborgen door de kosmos. Macrokosmische krachten ontving hij uit de twaalfheid van de dierenriem en hij beschikte over zoveel wijsheid dat hij deze in zich kon opnemen en zich daarmee kon voeden: hij had twaalf gouden bordjes. De krachten die er tussen de kosmos en de aarde bestaan, verschijnen in de ziel beleefd, als het beeld van de wijze vrouwen of feeën. Goethe verwijst heel duidelijk naar dergelijke krachten wanneer hij in het studeervertrek Faust laat zeggen: ‘Wanneer hemelkrachten op en naar gaan en elkaar de gouden emmer geven.’
Ons sprookje zegt dat er dertien vrouwen in zijn rijk waren.
Wie was deze dertiende in zijn rijk?
Ook de raad van de goden was bij onze voorouders een twaalfheid, met een dertiende, die daar in zekere zin tegenover stond: Loki of Lodur, de be-eindiger, de Noordse Lucifer. Ook aan de sterrenhemel bestaat er naast de twaalfheid van de dierenriem nog een dertiende macht, de zon. Zij maakt de mens tot een dagmens, zodat hij wakker wordt voor zintuiglijke wereld. Maar in het mythologische tijdperk had de nacht nog de overhand, want dat was de tijd van een andere manier van wakker-zijn, het wakker-zijn van het beeldend kunnen schouwen. Zoals Novalis in zijn Hymnen de nacht noemt: ‘de vruchtbare schoot die openbaart’.
Ook tegenwoordig hebben we het nog over het belang van de nachtelijke ervaring: in het Engels ‘a senight’ (seven nights), ‘a fortnight’ (veertien nachten), resp. zeven of veertien ‘dagen’. Nog lang werd de tijd berekend in maanfasen.
Werkt de twaalfheid van de dierenriem in het beeld van de twaalf uitgenodigde wijze vrouwen op ieder mens, dan tekent zich nu op de achtergrond al deze dertiende kosmische kracht af.
Onze voorouders wisten, met Loki, de dertiende van de Asen, ontstaat er een nieuw bewustzijn. Men maakte zich los van een innerlijk beleefde wereld aan gindse zijde en richtte zich op de uiterlijk zintuiglijke wereld.
Ook het scheppingsverhaal beschrijft deze bewustzijnsverandering. Lucifer is de gevallen engel. Hij inspireert de mens tot een zelfstandigheid en een lijken op God en plaatst hem daardoor tegenover het goddelijke en zo onderkent hij goed en kwaad. In de micro-kosmische mens ontwaakt het Ik, de dertiende kracht.
Maar deze dertiende kracht kan men nog niet plaatsen, kan men nog niet bevatten ener is te weinig wijsheid om het te begrijpen. Er is geen gouden bordje. Tot op de dag van vandaag is het getal dertien voor sommige mensen een ongeluksgetal.
Nog steeds komt als een herinnering uit het onderbewuste die oeroude onzekerheid naar boven van het Ik in zijn ontwikkeling naar vrijheid.
Zo komt de dertiende fee dan eerst als vertegenwoordigster van het kwaad – zolang zij niet begrepen wordt als vertegenwoordigster van een nieuw bewustzijn.

Het feest werd met grote luister gevierd en aan het einde ervan schonken de wijze vrouwen aan het kind hun wondergaven: de ene deugdzaamheid, de andere schoonheid, de derde rijkdom, kortom alles wat er op de wereld te wensen is. Net toen er elf hun zegenwens hadden uitgesproken, trad plotseling de dertiende binnen. Zij wilde wraak nemen, omdat zij niet was uitgenodigd en zonder iemand te groeten of zelfs maar aan te kijken, riep zij met luider stem: ‘De koningsdochter zal zich op haar vijftiende jaar aan een spintol prikken en dood neervallen.’ En zonder verder een woord te zeggen keerde zij zich om en verliet de zaal. Iedereen schrok; maar daar trad de twaalfde naar voren wier wens nog niet was uitgesproken en daar zij de boze voorspelling niet teniet kon doen, maar deze alleen kon verzachten, zei zij: ‘De koningsdochter zal niet dood gaan, maar honderd jaar slapen.’

De dertiende vrouw wordt niet uitgenodigd bij het geboortefeest. Men weet haar geen plaats te geven, men bevindt zich nog in de kosmische gebondenheid van de vroege tijd. Men weet zich geborgen bijv. in het sterrenbeeld van de waterman, de vissen, de weegschaal enz. en ervaart hun invloed; maar voor de dertiende kracht, de wordende persoonlijkheid heeft men nog geen gevoel.
Zij benadert de dochter met de vloek: dood door een prik aan de spintol.
In plaats van de dood, wordt het een 100-jarige slaap.
Spinnen en denken zijn oerverwant. In de taal is het beeld blijven bestaan: ‘de draag kwijtraken, de draad vasthouden, hersenspinsel.’ Zoals de draad uit de wol of uit het vlas tevoorschijn komt, zo ontwikkelt de ene gedachte zich uit de andere en wordt tot een gedachtedraad, een logisch weefsel.
Denken brengt de dood van de ziel dichterbij als de koningsdochter rijper wordt, want dat gebeurt als je vijftien jaar oud wordt.

De koning hoopt het noodlot van de bezwering te kunnen afwenden. Maar wanneer het denken ook een lange tijd teruggehouden wordt (de spintollen worden verbrand), wanneer nog steeds het droomachtige helderzien de boventoon voert en ook blijft eten van de gouden bordjes, dan gaat toch dit gouden tijdperk een keer ten onder. De mensheid ontwikkelt zich vanuit het kindstadium verder naar de volwassenheid.
Wat hier in de mensheid gebeurt, vindt ook plaats in ieder individu; want de enkeling herhaalt de lotgevallen van de soort. Het kind-zijn van de mensheid en het volwassen stadium weerspiegelen zich in de kindertijd en in het volwassen worden van de persoonlijkheid.

De koning, die zijn geliefde kind graag voor het ongeluk wilde behoeden, vaardigde het bevel uit, dat alle spintollen in het hele koninkrijk verbrand moesten worden. Alle wensen, die het meisje van de wijze vrouwen had ontvangen, gingen echter in vervulling, want zij was mooi, deugdzaam, lief en verstandig, zodat ieder die haar zag wel van haar moest houden. Toen geschiedde het, dat precies op de dag, dat zij vijftien jaar oud werd, de koning en de koningin niet thuis waren en het meisje helemaal alleen in het slot achterbleef. Toen liep zij overal rond, bekeek grote en kleine kamers, net zoals haar hart haar ingaf, en kwam tenslotte ook bij een oude toren. Zij klom de nauwe wenteltrap op en kwam bij een klein deurtje. In het slot stak een roestige sleutel en toen zij die omdraaide, sprong de deur open en daar zat in een klein kamertje een oude vrouw met haar spin tol en spon ijverig haar vlas. ‘Goedendag oud moedertje,’ sprak de koningsdochter, ‘wat doet u daar?’ – ‘Ik spin,’ zei het oudje en knikte met het hoofd. ‘Wat is dat voor een ding, dat zo vrolijk rondspringt?’ sprak het meisje, nam het spintolletje en wilde ook spinnen. Nauwelijks echter had zij de spintol aangeraakt, of de toverspreuk ging in vervulling en zij prikte zich in haar vinger.

Als de koningsdochter vijftien jaar wordt, zijn de koning en koningin niet thuis.
De vader-Godwereld en de moeder-zielenwereld werken nu niet meer. De jonge persoonlijkheid staat alleen. Het huis van het lichaam, in de kindertijd nog onbekend, in een verregaande droomachtige toestand en als een oneindig groot slot, wordt nu met een hang naar kennis, onderzocht. In het doordgronden en bewuster beleven wordt het steeds kleiner. De begrenzing ervan wordt bewust. Het wordt een toren. Maar de toren is niet alleen het beeld van dit begrensder worden dat de mens meer bij zichzelf brengt. Het is ook het beeld van de zelf-standigheid, de op zichzelf staande stevigte. In de toren van het lichaam gaat de koningsdochter ‘naar boven, het torenkamertje in’. Daar zit de oude vrouw die spint. Onbewust ging het kinderlijke droomleven voortdurend samen met een verborgen denken. Maar nu pakt de koningsdochter de spintol: het zelf bewust denken begint. Maar het verlangen naar dit zelfstandige denken, staat onder invloed van de vloek van de dertiende. Het is het door Loki, door Lucifer beïnvloede denken dat egocentrisch is. 
Zoals Loki tegenover de twaalf Asen staat en een oude wereldorde afsluit, zo gaat ook in de mensheid van het Avondland een wereld ten einde. Het droomachtig zich richten op de kosmos verdwijnt, de eigenwereld van het Ik ontwaakt, de Godenschemering begint. De mens plaatst zich buiten de wereld van de wezens die boven hem regelend werkzaam zijn en wordt burger van de aardse wereld van de voorwerpen die hij met zijn denken voor zich winnen moet. 
Wakker worden in de wereld van nu, betekent echter inslapen voor de andere, de geestelijke wereld.
De oudste heldensagen vertellen ons over de godendochter Brünhilde die door een slaapdoorn geprikt is en in slaap valt, tot degene komt die haar wekt.
In de vijftienjarige mens betekent dit proces een verhoogd ik-beleven. Alleen wat ik zelf denkend aankan, is voor mij de norm. Alleen mijn eigen wereldbeeld zegt me iets. De jonge mens die dit proces doormaakt, sluit zich in zichzelf op. Terwijl hij bezig is met zijn eigen wereldbeeld, is hij naar buiten afwerend, vaak kwetsend, maar eenzaam in zijn binnenste. 
Het sprookje zegt: rondom de toren groeien en woekeren de doorns. Alle vormende, levende kracht doet niets meer. (Vader en moeder, de hofhouding, het personeel, alles slaapt in). De betovering kwam vanuit de bovenkamer.

Maar op hetzelfde ogenblik dat zij zich prikte, viel zij neer op het bed dat daar stond en was meteen in een diepe slaap verzonken. En deze slaap breidde zich over het hele slot uit: de koning en de koningin die waren thuisgekomen en de zaal waren binnengegaan, vielen in slaap, en de hele hofhouding met hen. Ook de paarden in de stal sliepen, de honden op de binnenplaats, de duiven op het dak, de vliegen op de muur, zelfs het vuur dat in de haard flakkerde werd stil en sliep in en het gebraad hield op te pruttelen en de kok die het koksmaatje bij zijn haren wilde pakken omdat hij iets verkeerd had gedaan, liet hem los en viel in slaap. En de wind ging liggen en aan de bomen voor het slot bewoog geen blaadje meer.
Rondom het slot echter begon een doornhaag te groeien die elk jaar hoger werd en tenslotte het hele slot omgaf en er bovenuit groeide, zodat er niets meer van te zien was, zelfs de vlag op het dak niet meer. In het land ging echter het verhaal rond van het mooie slapende Doornroosje – want zo werd de koningsdochter genoemd – zodat er van tijd tot tijd koningszonen kwamen die door de haag heen het slot wilden binnendringen. Het was hun echter niet mogelijk, want de doornen, bleven – alsof ze handen hadden – vast met elkaar verbonden, en de jongelingen bleven er in hangen, konden niet meer loskomen en stierven een jammerlijke dood. Na lange, lange jaren kwam er weer eens een koningszoon in het land die hoorde hoe een oude man van de doornhaag vertelde; daarachter moest een slot liggen waarin een wonderschone koningsdochter, Doornroosje genaamd, al sinds honderd jaar sliep en mét haar sliepen de koning en de koningin en de hele hofhouding. Hij wist ook van zijn grootvader, dat er reeds vele koningszonen gekomen waren om te proberen door de doornhaag heen te dringen, maar zij waren er in blijven hangen en een trieste dood gestorven. Toen sprak de jongeling: ‘Ik ben niet bang, ik wil erheen om het mooie Doornroosje te zien.’ En al raadde de goede grijsaard het hem nog zo af, hij sloeg geen acht op diens woorden.

De tijd waarin de mens zichzelf een vreemde vindt, in zichzelf opgesloten, een goed contact met de buitenwereld vaak niet kan vinden, is bij het individu en in de mensheid toch tijdelijk. Er waren altijd helden van de geest, die de Brünhildes, de Doornroosjes wilden wekken, maar die honderd jaar moeten eerst voorbij zijn, 
Wanneer de tijd vervuld is, komt degene die wakker maakt.
In ons sprookje verschijnt hij in de naam van de roos en hij wekt op door een kus – door liefde. Daarvoor moeten we eens kijken naar het wezenlijke symbool van de roos uit de Middeleeuwen.

De roos wortelt diep in de aarde. Vanuit het houtige en de doornen groeit de mooie bloem met die altijd weer welriekende geur en het intensieve rood. Hemel en aarde hebben in de vrucht een gelijk aandeel. Daardoor is ze het symbool van het evenwichtige midden. Aan de bloem ligt de vijfster ten grondslag.  Het getal vijf is een belangrijk teken.
De mens werd lange tijd beschouwd als een vierledig wezen dat bestaat uit lichaam, leven, ziel en geest. Daar komt het Ik nog bij dat als hoger, liefhebbend Ik tot ontwikkeling moet komen. Vandaar het symbool vijf. Wie ja kan zeggen tegen het leven en er stevig in kan wortelen, wie de moeilijkheden neemt om er sterker door te worden en als een roos al het verhardende, het verwondende overwint, wie onzelfzuchtige liefde als bloem van zijn bestaan ontvouwt en de natuur van zijn bloed reinigt van hartstocht zodat het onschuldig wordt, net als een plant, die kan als symbool de roos nemen. 
Er waren stromingen die een christelijk leven wilden leiden die zich vonden in het teken van de roos. 
Waar in gotische domkerken de dragende balken bij elkaar komen, zie je de roos met vijf bladeren vaak als sluitsteen.
Ook schilders van Madonnafiguren wisten wellicht waarom zij naast de jonkvrouwelijke goddelijke moeder de roos afbeeldden of haar met rozen omringden.  

Nu waren echter juist de honderd jaren om en de dag was aangebroken, waarop Doornroosje weer zou ontwaken. Toen de koningszoon de doornhaag naderde, waren het louter mooie, grote bloemen die vanzelf uiteen weken en hem ongehinderd doorlieten en achter hem sloten zij zich weer tot een haag aaneen. Op het slotplein zag hij de paarden en de gevlekte jachthonden liggen slapen; op het dak zaten de duiven met hun kopje onder hun vleugel. En toen hij in het huis kwam, sliepen de vliegen op de muur, de kok in de keuken hield zijn hand nog nèt zo alsof hij de jongen wilde beetpakken en het keukenmeisje zat voor de zwarte kip die geplukt moest worden. Toen ging hij verder en zag in de zaal de hele hofhouding liggen en bovenaan bij de troon lagen de koning en de koningin te slapen. Toen ging hij nog verder en alles was zo stil, dat men zijn eigen ademhaling kon horen en eindelijk kwam hij bij de toren en opende de deur van het kamertje waar Doornroosje sliep. Daar lag zij en was zó mooi, dat hij zijn ogen niet van haar kon afwenden en hij bukte zich en gaf haar een kus. Toen hij haar met zijn lippen beroerd had, sloeg Doornroosje haar ogen op, ontwaakte en keek hem heel vriendelijk aan. Toen gingen zij samen naar beneden en de koning ontwaakte en de koningin en de hele hofhouding, en zij keken elkaar met grote ogen aan. En de paarden op het plein stonden op en schudden zich, de jachthonden sprongen op en kwispelden met hun staart, de duiven op het dak trokken hun kopje onder hun vleugel vandaan, keken rond en vlogen weg naar het vrije veld, de vliegen op de muren kropen verder, het vuur in de keuken begon weer te branden, flakkerde en bracht het eten aan de kook, het gebraad begon weer te pruttelen, en de kok gaf de jongen zo’n draai om z’n oren, dat hij het uitschreeuwde, en de meid ging verder met het plukken van de kip. En toen werd de-bruiloft van de koningszoon met Doornroosje in alle luister gevierd en zij leefden gelukkig tot het einde hunner dagen.

Het sprookje vertelt niet waar de koningszoon vandaan komt. Hij is het zinnebeeld van het hogere christelijke Ik.
Met het beeld van de heidense jonkvrouw die haar opwekker verwacht, begon het sprookje. Met het christelijke symbool van de bruidegom die in het teken van de roos komt, wordt het afgesloten.

Doornroosje is een sprookje over het lot. Zonder individuele schuld wordt de mens vervlochten met het lot van de mensheid, maar ook zonder persoonlijke verdienste, uit genade, begint de verlossing.

50-grimm-doornroosje-2

.

Sprookjes alle artikelen

Vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld: 1e klas – sprookjes

.

2293-2151

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Muziek – zingen in een andere taal (7-3)

.

Op vrijescholen wordt veel gezongen.
Als je deze website bekijkt ‘vrijeschoolliederen‘ zie je een enorm aantal liedjes, ook in andere talen.
Als leerkracht lukt de uitspraak van Engels, Duits, Frans meestal nog wel, maar andere talen leveren vaak problemen op.

Ik vond nog een aantal artikelen met aanwijzingen voor uitspraak in een bulletin van een instelling voor koorzang.

Boguslaw Fiksinski, exacte bron onbekend
.

De tenor Bogusław Fiksinski begon zijn zangcarrière op zeer jeugdige leeftijd bij het koor De Poolse Nachtegalen in zijn geboortestad Poznan. Aan de universiteit en het conservatorium van Poznan studeerde hij natuurkunde en muziek, met als hoofdvakken respectievelijk akoestiek en solozang. In Polen deed hij zijn eerste toneel- en muziektheaterervaringen op. Na zijn studies volgde hij
privézanglessen in Polen, Duitsland en Nederland, waar hij zich in het begin van de jaren tachtig vestigde. Vanaf het begin van zijn verblijf in ons land was hij verbonden aan Opera Forum (tegenwoordig: De Nationale Reisopera). Later trad hij op als solist in diverse plaatsen in Nederland bij uitvoeringen van Opera Forum, tijdens concerten en radio-opnamen met het Groot Omroepkoor, en bij veel opera- operette- en oratoriumverenigingen in ons land. Daarmee bouwde hij zijn omvangrijk repertoire op. Sinds 1992 is hij lid van Het Groot Omroepkoor.

POOLS

Het Pools behoort tot de Slavische talen (net als de meeste Oost-Europese talen als bijvoorbeeld het Russisch, Tsjechisch en Slowaaks). De bekering tot het katholicisme heeft het Latijn als schrift en taal met zich mee gebracht. De Poolse grammatica en de uitspraak werd hierdoor sterk beïnvloed. Daarom ook (anders dan Russisch waar cyrillisch schrift werd gebruikt) gebruikt het Pools het Latijnse alfabet, aangevuld met enkele letters voor de weergave van typisch Poolse klanken. Hiertoe dienen ook de opeenhopingen van sommige medeklinkers (zoals bijv. in het woord szczotka = borstel). Dergelijke, in eerste instantie onuitspreekbare lettercombinaties, blijken na enige bestudering best mee te vallen. Voor wie de Poolse tongval wil oefenen, de bekende tongbreker luidt: ‘Chrząszcz brzmi w trzcinie’ = (‘de meikever bromt in het riet’). Het is ontzettend moeilijk om over uitspraak van een taal te schrijven zonder de mogelijkheid om klinkende voorbeelden te kunnen geven. Ondanks dat zal ik proberen (beknopte) uitspraakprincipes te inventariseren.

Aangezien het Pools meer spraakklanken heeft dan het Latijnse alfabet letters telt, worden sommige medeklinkers weergegeven door een combinatie van lettertekens: ch, cz, dz, dź, dż, rs, sz.

De klinkers

In tegenstelling tot in het Nederlands, worden de Poolse klinkers allen kort uitgesproken, als volgt:

De medeklinkers

Van de medeklinkers worden de volgende uitgesproken als in het Nederlands: b, d, f, j, k, I, m, n, p, r, s, t, z, ch (als bijv. in chloor)

.

Muziekalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

2292-2150

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Muziek – zingen in een andere taal (7-2)

.

Op vrijescholen wordt veel gezongen.
Als je deze website bekijkt ‘vrijeschoolliederen‘ zie je een enorm aantal liedjes, ook in andere talen.
Als leerkracht lukt de uitspraak van Engels, Duits, Frans meestal nog wel, maar andere talen leveren vaak problemen op.

Ik vond nog een aantal artikelen met aanwijzingen voor uitspraak in een bulletin van een instelling voor koorzang.

Jan Boogaarts, exacte bron onbekend
.

Jan Boogaarts (geb. 1934) was hoofdvakdocent koordirectie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Als wetenschappelijk medewerker was hij verbonden aan de vakgroep Muziekwetenschap van de Universiteit Utrecht. Inmiddels is hij gepensioneerd. Onder zijn leiding verschenen dertig geluidsopnamen van voornamelijk Gregoriaans kerkgezang en koormuziek uit de Renaissance. Hij publiceerde vele artikelen in wetenschappelijke tijdschriften. Bij uitgeverij Coutinho verscheen van zijn hand Inleiding tot het Gregoriaans en de liturgie.

LATIJN

Het Latijn als liturgische taal kwam langzamerhand gedurende de derde en vierde eeuw in gebruik, in Rome het laatst. Historische gegevens over de oorspronkelijke uitspraak zijn er weinig. Ofschoon de schrijfwijze van het Kerklatijn in de oudere bronnen voor een groot deel bepaald is door de volkstaal van de streek waarin het handschrift ontstond, kan men toch stellen, dat in het algemeen een Italiaanse uitspraak werd aangehouden. In het begin van de twintigste eeuw vond de Romeinse uitspraak van het Italiaans voor het Kerklatijn algemene ingang.

Klinkers

Het Kerklatijn kent vijf vocalen: u [oe], i [ie] en a [aa] als uitersten van de vocaaldriehoek, met daartussen o  [ ǒ  ] en e  [ ě  ]  (tekentje hoort boven de o)

a
is altijd open, zoals in maas, dus ook in tuam, sanctus, enz. Echter niet te gerekt,

e
houdt het midden tussen [è] van het en [i] van is. Dus niet miserere [miesèrééru], maar [miesěrěrěru]. Vuistregel: wanneer wij Nederlanders geneigd zouden zijn om een [ee] te zeggen, bijvoorbeeld in Deus, dan naar de [è] kleuren; wanneer wij een [è] zouden willen zeggen in woorden als et, gentes, dan naar de [i] kleuren.

ae en oe als [ě] oe nooit uitspreken als [ö].

i als [ie]in lied.  

o als [ǒ] in het Franse woord amazone.

u als [oe] in boek.

y als [ie].

Tweeklanken

Deze worden apart uitgesproken. Beide vocalen behouden hun oorspronkelijke kleur. Dus niet zoals in het Nederlands waarin bijvoorbeeld in de tweeklank [au] de a onder invloed van de u als [ò] moet worden uitgesproken.

au [aa-oe], de [oe] op het laatste moment en zeer kort: Laudate.

eu  [ě-oe]   [oe], [oe] kort: Euge, Heu.

ui [oe-ie], [oe] kort: Qui.

uo [oe-[ǒ], [oe] kort: Quoniam.

In woorden als cui, ait, meus komen geen dubbelklanken voor. Deze woorden hebben twee lettergrepen en zij krijgen dus een dubbele tijdswaarde. Verdubbelde klinkers betekenen ook altijd twee lettergrepen: Aaron [aa-aar[ǒn], tuus [toe-oes]

Medeklinkers

De medeklinkers, die hier vermeld staan, dienen uitgesproken te worden zoals in het Nederlands.

b
zacht uitspreken, ook aan het einde van een woord: Jacob.

c
voor e, ae, oe, i en y als [tsj]. cervus [tsjěrvoes], Caesar [tsjěsaar], In alle andere gevallen wordt de c als [k] uitgesproken, ook wanneer de c gevolgd wordt door een h: Cherubim [kěroebiem]. Moet de c als [tsj]  uitgesproken worden, maar gaat er een x of een s aan vooraf, dan wordt bij xc de [t] een weinig en bij sc de [t] nagenoeg helemaal afgezwakt: ascendit, excelsis.

cc
voor e, ae, oe, i en y als [t-tsj]: ecce [ět-tsjě]

d
altijd zacht.

g
voor e, ae, oe, i en y als [dzj]. Dus in tegenstelling tot de c [tsj] niet stemloos, maar stemhebbend: gentes [dzjěntès], regis [tědzjies]. In alle andere gevallen als een stemhebbende [k].

gg
voor e, ae, oe, i en y als [d-dzj]: agger [aad-dzjěr].

gn
als [nj]: agnus [aanjoesj.

h
wordt nooit uitgesproken, ook niet in woorden als mihi [mie-ie].

j
is eigenlijk een korte lichte [ie], dus een klinker. In de moderne uitgaven is weer overal een i gedrukt: ejuseius, adjuvareadiuvare.

l
dunne tongpunt [I].

ph
als [f].

q
wordt altijd gevolgd door een u [oe]. Uitspraak:
[k] met een zeer korte [oe]. Qui [koe-ie],

r
altijd een rollende tongpunt [r]. Op het einde van een woord bij voorkeur stemloos

s 
Bijna altijd een korte, hoge sisklank. Tussen twee klinkers binnen een woord echter een korte, lage sisklank, maar geen stemhebbende [z]: rosa.
Pas op voor verbindingen als Deus est De [s] blijft dan kort, hoog en scherp. Ook in woorden met een praefix (voorvoegsel] behoudt de s zijn oorspronkelijke scherpe, hoge klank. Resurrexi: de [s] hoog en scherp.
Gewoonlijk is de s wat lager, maar wel stemloos, voor b, d, g, l, m, n, r en v: Israel.

t
als in het Nederlands, maar niet te hard. Nimmer met een [h] erbij. Tu niet [t-hoe], maar [toe].

ti
Wanneer de t gevolgd wordt door een i en daarop volgt binnen het woord een klinker, dan wordt de uitspraak [tsie]: otium [otsie-oem].
Wanneer in dat geval een c voorafgaat aan ti, dan wordt de t bijna niet uitgesproken: lectio (lek(t)sie-o]. De [s] in [tsie] vervalt echter als er een s, t of x aan ti vooraf gaat-.ostium [ostie-oem]. Let op bij vervoegingen als patiens [paat-sie-ens], pat [paatie].

Opmerking: Dubbele medeklinkers moeten afzonderlijk worden uitgesproken. Ook bij verbindingen van twee of meer verschillende medeklinkers mag er geen versmelting plaats vinden. Er blijft dus een duidelijk hoorbaar verschil tussen animam eam en animam meam. Om alle medeklinkers snel, apart en goed articulerend uit te kunnen spreken en daarbij de melodische lijn van de vocalen intact te laten, kan men het beste de Nederlandse [e] van lopen [∂] zéér kort en onbetoond tussenvoegen: Alleluia [aalaleloeieaa], peccavit [pek∂kaaviet], om-nes [om∂nes], ad te [aad∂te], animam meam [aanimaam ∂meaam]. 

.

Muziekalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2291-2149

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Muziek – alle artikelen

.

[1Mens en muziek – muziek en kinderen
A.E. van Beek en C.J.Verhage over: muziek nu en in het verleden; de ontwikkeling via musica universalis en musica humana en musica instrumentalis steeds verder weg van het kosmische; getallenwereld in de muziek; 7 en 12; kwint; verhouding kwint – octaaf; Bach wohltemperierte Klavier; ontwikkeling kind; pentatoniek; kleuterdreun.

[2Het blokfluiten in de vrijeschool
J.Yntema over: het aanleren van spelen in klas 1; het vervolg in klas 3 met notenschrift; klas 4 met canons en 2-stemmige liedjes; ook nog in klas 5 en 6, met andere fluiten en spelers van ‘buiten de klas’; steeds: maat, ritme, melodie; schoonheidsbeleven; wilsinspanning; 
P.s. over wel of geen pentatonische fluit; over de fluithouding.

[3Over het aanleren van het notenschrift
Martin Keller over: muziek in de lagere klassen; het aanleren van het notenschrift: voorbereiding in klas 2: melodielijn; 3e klas: notenbalk; hand als hulp bij halve afstanden, majeur, mineur; drieklanken; verhaal hoe de eerste fluit ontstond.

[4Over het notenschrift
Theo Wolvenkamp over: hoe =do, re, mi= ontstond uit een oude sint-janshymne.
P.W.v.d.Laan over: muziekhistorisch naschrift: Guido van Arezzo; hexachorden;

[5Muzikale opvoeding
Friedemann Luz over: er is veel lawaai, kan muziek ‘stiltemomenten’ geven?; muziek en wil; drieledig mensbeeld; 3-6-jarigen: leven in de wil, ritme belangrijk; na de tandenwisseling; rondom het 9e jaar; pentatoniek; kwintenstemming; diatoniek; melodie; temperamenten en instrument; in de hogere klassen.

[6Bach en de getallensymboliek
Jelle v.d.Meulen, Jan Verweij over: het boek ‘Bach en het getal’; ‘werk van Bach dat tot in de kleinste details doortrokken is van een verbijsterende getallensymboliek.’; wat is er in de muziek van Bach verwerkt? zijn naam?, geboortedatum? Nog meer? Rosenkruisers; zijn sterfdatum.

[7-1] Zingen in een andere taal: Russisch
Susanna Veerman over: de uitspraak van het Russisch.

[7-2] Zingen in een andere taal: Latijn
Jan Boogaarts over: de uitspraak van het Latijn.

[7-3] Zingen in een andere taal: Pools
Bogusław Fiksinski over: de uitspraak van het Pools.

[7-4Zingen in een andere taal: Spaans
Mariola Vilalta over: de uitspraak van het Spaans.

[7-5Zingen in een andere taal: Noors
Arnoud van den Eerenbeemt over: de uitspraak van het Noors.

[7-6Zingen in een andere taal: Deens
Palle Fuhr JØrgensen over: de uitspraak van het Deens.

[7-7Zingen in een andere taal: Hebreeuws
Herman Meester over: de uitspraak van het Hebreeuws.

[7-8Zingen in een andere taal: Tsjechisch en Slowaaks
Dirkjan Horringa over: de uitspraak van het Tsjechisch en het Slowaaks.

[7-9Zingen in een andere taal: Duits
Max van Egmond over: de uitspraak van het Duits.

Bewogen door muziek
Saskia Stienstra over: muziek maken met heel jonge kinderen; wat kun je doen en waarom; het gevaar van mechanische muziek op CD; verwijzing naar liedjes.

[8] Menskunde en de canon
Dietmar Liebsch over: de canon, verschillende soorten; etherlijf en astraallijf en de canon.

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2290-2148

.

.

.

VRIJESCHOOL – Muziek – zingen in een andere taal (7-1)

.

Op vrijescholen wordt veel gezongen.
Als je deze website bekijkt ‘vrijeschoolliederen‘ zie je een enorm aantal liedjes, ook in andere talen.
Als leerkracht lukt de uitspraak van Engels, Duits, Frans meestal nog wel, maar andere talen leveren vaak problemen op.

Ik vond nog een aantal artikelen met aanwijzingen voor uitspraak in een bulletin van een instelling voor koorzang.

Susanna Veerman, exacte bron en datum onbekend
.

RUSSISCH

Susanna Veerman werd geboren in Amsterdam in 1975. Haar moeder is Russisch en haar vader Nederlands. Zij leerde de Russische taal van haar moeder, die haar ook muzieklessen gaf. Van jongs af aan werd zij tweetalig opgevoed, waarna zij in 1989 naar de toenmalige Sovjet-Unie vertrok om haar muziekstudie, in het vak koordirectie, aan de Middelbare Muziekschool Gnesynich in Moskou te volgen gedurende vier jaar. Zij zette haar studie voort aan het Moskouse Conservatorium. Eenmaal teruggekeerd in Nederland behaalde zij in 1998 haar Praktijkdiploma koordirectie aan het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam en in februari 2001 verwacht zij af te studeren als Uitvoerend Musicus koordirectie. Daarnaast studeert zij thans in het hoofdvak orgel (derde jaar] bij W. Diepenhorst en kerkmuziek (vierde jaar] eveneens aan het Sweelinck Conservatorium. Vanaf 1997 is zij werkzaam als organiste en begeleidde zij vele Russische koren, zowel in Nederland als in Rusland. Sinds 1997 is Susanna Veerman als vaste begeleidster verbonden aan het Zaans Cantatekoor o.l.v. Jan Pasveer.

De Russische taal maakt deel uit van de Indo-Germaanse taalstam. Deze stam kent vele splitsingen, waardoor bijvoorbeeld het Nederlands tot de Germaanse tak behoort en het Russisch tot de Slavische tak. Russisch, Oekraïens en Wit-Russisch behoren tot de Oost-Slavische groep, terwijl Bulgaars tot de Zuid-Slavische groep en Pools tot de West-Slavische groep behoort.

Voor het ontstaan van het Russische alfabet heeft het Grieks een grote rol gespeeld. De grondleggers van het Russische alfabet (het Cyrillische schrift) waren twee broers, Konstantin (Cyrillus) en Methodius. Dit schrift breidde zich uit onder de Grieks-Orthodoxe Slavische volkeren vanaf 870. Het huidige Russisch maakt gebruik van het Cyrillische schrift.
In de achttiende eeuw, vanaf 1708, verdeelde Peter de Grote het Russisch in twee richtingen: het alfabet dat door de Staat erkend werd, en het kerk-Slavische (Oud-Russische) alfabet, waarvan het gebruik beperkt bleef tot de Orthodoxe kerk. Met de decreten van 23 december 1917 en 10 oktober 1918 werden de laatste veranderingen in de taal vastgelegd. De schrijfwijze van de burgertaal ontwikkelde zich veel sneller en veranderde steeds; het kerk-Slavisch daarentegen, bleef onveranderd tot op heden, waardoor er een steeds grotere kloof ontstaat tussen deze twee richtingen. In onze eeuw kan het Russisch worden beschouwd als een wereldtaal. Tot 1991 was het de voertaal van alle republieken van de voormalige Sovjet-Unie en nu nog steeds van de huidige Russische Federatie. Ook in de andere voormalige Oostbloklanden beheerst men deze taal in meer of mindere mate.

Het huidige Russische alfabet bevat 33 letters, waarvan 20 letters medeklinkers en 10 letters klinkers zijn.

Transliteratie van enkele verbindingen

Het is altijd veel gemakkelijker om de regels van een uitspraak op papier te zetten, uit de praktijk blijkt echter dat je soms jaren nodig hebt om de correcte uitspraak toe te kunnen passen. Ik denk dat het voor koorzangers en dirigenten belangrijk is om niet alleen de context van de tekst te kunnen begrijpen, maar liefst ook per woord de betekenis in het Nederlands eronder te zetten. Dan zing je tenminste groepjes woorden die een zin vormen, en niet alleen moeilijk uitspreekbare klanken.

Als we naar het Russisch koorrepertoire kijken dat in Nederland de laatste jaren door vele koren wordt gezongen, dan kunnen we ons eigenlijk beperken tot de vaste religieuze, Bijbelse teksten die al eeuwen vastliggen, waardoor de vertaling ook gemakkelijker wordt.

Ik ga hieronder in op één belangrijke en zeer vaak voorkomende tekst, het Onze Vader (Otsje nasj).

Ik loop per regel enkele moeilijke woorden langs, die om een speciale uitleg vragen.

Regel 1:

In het woord Nebesjech moet de letter j eigenlijk niet uitgesproken worden, dus geen twee letters. De j staat dus alleen voor de transcriptie, maar bij de uitspraak wordt de letter meestal weggelaten.

In het woord swiatitsa: de “ia” moet als één klank worden uitgesproken, als een open a.

Regel 2:

Het woord boedjet: Ook hier geldt dat ‘je’ als één letter gezien moet worden, dus de j niet uitspreken. Hetzelfde geldt voor het woord wolja. Het woord twoja daarentegen wordt wel letterlijk gelezen.

Regel 3:

Het woord prie-iedet heb ik speciaal zo opgeschreven. Lees het letterlijk in het Nederlands en dan hebt u de goede uitspraak.

Regel 4:

De letter ch in het woord Chlep moet u als een Nederlandse ch lezen.

De uitspraak van het woord nasoesjtsjny is een nachtmerrie. U kunt zich het beste concentreren op het begin van nasosesj…. ny. De puntjes staan voor de sis-klank.

In het woord dazjt moet u de zj als één klank zien, waarvan de z zeer breed en vet gesproken wordt.

In het woord dnesj moet alleen aan het eind de s uitgesproken worden. De letter j staat alleen voor de verzachting van de s.

In alle woorden van regel 4 waar een zj voorkomt, moet een brede z uitgesproken worden.

Regel 5:

In het woord ostawliajem moet de ia als één ja uitgesproken worden.

Regel 6:

In het woord wwedie moet de dubbel w letterlijk uitgesproken worden, de ie aan het eind als in het Nederlands.

In het woord ieskoesjenieje moet de sj als een sisklank uitgesproken worden,
en -nieje letterlijk in het Nederlands nie-je lezen.

Regel 7:

Het woord loekawago: de g moet worden uitgesproken als garçon in het Frans, en geen Nederlandse g.

Tot slot wil ik een overzicht geven van tempo -en karakteraanduidingen die vaak in Russische uitgaven van koormuziek voorkomen en die van belang zijn om te weten. De Russische benamingen staan in alfabetische volgorde.

Zoals in alle talen zijn ook in de uitspraak van het Russisch niet alleen de klanken belangrijk, maar ook de intonatie en de accenten in een zin, die verschillend zijn ten opzichte van het Nederlands. Daarom is het aan te raden, wanneer u tekstbandjes laat inspreken, om dat ten eerste door een Rus (uit Moskou, Sint-Petersburg en omstreken) te laten doen. Mensen uit andere voormalige Sovjetrepublieken spreken vaak in een dialect of met een accent. Ten tweede moet de tekst als één geheel (wel langzaam) voorgelezen worden, zodat men duidelijk hoort waar de spanning en ontspanning in de zin liggen.

Door de vele sisklanken in het Russisch lijkt het soms voor Nederlanders onoverzichtelijk wat het verschil is tussen al die klanken. Mijn advies is altijd: luister naar een goede Russische cd- of plaatopname van solozangers, en niet naar een kooruitvoering, omdat zelfs Russische koren hun eigen taal zeer bol en achter in de keel spreken, waardoor er een onduidelijke articulatie ontstaat, met een minimaal verschil tussen de sis-klanken.

Afgezien van alle moeilijkheden die het Russisch kent, heb ik altijd grote bewondering gehad voor iedereen die deze taal kent of leert.

.

Muziek: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

Opspattend grind  [7]  [10]   [24]

.

2289-2148

.

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – vertelstof

.

In de 3e klas worden de verhalen uit het Oude Testament verteld.
Waarom en hoe? [1]

M.i. is het boek ‘En het werd licht’ van Jakob Streit het best geschikt om uit te vertellen. 
Maar er zijn ook kinderbijbels waarin bv. prachtige illustraties staan die je kan gebruiken voor een bordtekening. ‘De Bijbel voor jongeren‘ bv. is zo’n boek.

Uit dit laatste boek:

David en Goliath

De Filistijnen stonden klaar om te vechten. Op twee heuvels, alleen gescheiden door een smalle vallei, hadden de legers zich verzameld, de Filistijnen op de ene heuvel, Saul en de Israëlieten op de andere.
Plotseling kwam een reus van een man met grote stappen uit het Filistijnse kamp naar de vallei gelopen. Goliath uit Gat stak met kop en schouders boven alle anderen uit. Hij droeg een massief bronzen helm, een bronzen borstschild en ook zijn armen en benen waren mei brons bedekt. Met de ene hand omklemde hij een bronzen dolk en met de andere een reusachtige speer met een ijzeren punt.
‘Ik daag je uit, Saul!’ bulderde Goliath. ‘Ik daag je uit om een van je mannen met mij te laten vechten! Door hem en mij wordt de oorlog dan beslist!’

Bij die woorden begon Saul te beven, en de Israëlieten werden door angst gegrepen.
Drie van Isaï’s zonen waren soldaat in het leger van Saul, en David had zijn schapen alleen gelaten om zijn broers eten te brengen. Toen hij bij het kamp kwam, hoorde hij Goliaths opschepperige uitdaging, en hij zag dat niemand eropin durfde te gaan.

‘Ik zal met de reus vechten,’ zei hij tegen Saul.

‘Maar je bent nog maar een jongen. En Goliath is een beroemd strijder. Toch liet Saul zich ten slotte overhalen. David weigerde wapens en een harnas te dragen. Bij een beek in de buurt zocht hij vijf gladde stenen uit die hij in zijn herderstas stopte. Toen liep hij, met zijn slinger in de ene hand en zijn staf in de andere, naar Goliath toe.

‘Uit de weg, jongen!’ schreeuwde de kampioen, zijn stem vol verachting. ‘Ik vecht niet met kinderen!’

‘U vecht met een dolk en een speer, maar ik vecht met God aan mijn kant,’ zei David. Hij legde zijn staf op de grond en stopte een steen in zijn slinger. Een keer zwaaide hij de slinger rond en toen liet hij de steen schieten. De steen trof Goliath midden op zijn voorhoofd en de reus donderde neer op de grond, dood.

Toen de Filistijnen zagen dat hun grote kampioen dood was, keerden ze zich om en gingen ervandoor. De Israëlieten bleven achter en vierden hun overwinning.

Een slinger. Een schaapherder als David had meestal een slinger bij zich waarmee hij stenen kon gooien naar beesten die zijn kudde bedreigden. Hij legde een steentje op het stukje leer, hield de beide uiteinden van de slinger in zijn hand en draaide hem rond. Wanneer hij een uiteinde losliet, vloog het steentje op zijn doel af.

Zie bv. Oude Testament: wapens

Het is altijd belangrijk dat je als leerkracht op de hoogte bent van alle mogelijke gezichtspunten en opvattingen. Daarbij behoort ‘de stand van de wetenschap’.

Over de Filistijnen werd als nieuwe opvatting vermeld:

De Filistijnen worden gerehabiliteerd 

De aartsvijanden van de Israëlieten, de Filistijnen, waren cultureel veel meer ontwikkeld dan tot nu toe werd aangenomen. Amerikaanse archeologen concluderen dat op basis van recente vondsten in Israël.

Amerikaanse archeologen hebben bewijsmateriaal ontdekt waaruit ze afleiden dat de Filistijnen — in Bijbelse tijden de aartsvijanden van de Israëlieten — niet de barbaarse lomperiken waren waar hun naam sindsdien voor staat. Het blijken juist makers van verfijnd aardewerk en bouwers van grootse gebouwen. Juist de Israëlieten, toen nog herders en boeren in de heuvels van Palestina, waren in die tijd minder cultureel georiënteerd.

Archeologen van de Harvard-universiteit maken dat op uit resten van een Filistijnse stad, die werden opgegraven bij de ruïnes van Askelon aan de Israëlische kust. De ruïnes dateren van vlak voor de verwoesting door de Babylonische koning Nebukadnezar, in 604 voor Christus. De vondsten omvatten potten met inscripties, stenen altaren en woningen waaruit zou blijken dat de Filistijnen gebruik maakten van geavanceerde bouwtechnieken. Volgens de leider van het team, dr. Lawrence Stager, behoren de vondsten tot het beste dat in die tijd is gemaakt.

Omdat het materiaal nog niet openbaar is gemaakt, hebben sommige archeologen, onder wie de Nederlander dr. C. de Geus van de Rijksuniversiteit Groningen, nog hun twijfels. Zij wijzen erop dat het niet zo eenvoudig is om vondsten als Filistijns te identificeren.

De Filistijnen woonden al meer dan een halve eeuw in Palestina toen Nebukadnezar Askelon verwoestte. De Geus denkt dat zij als duidelijk herkenbare groep in die tijd al niet meer bestonden.
Na de verwoesting door Nebukadnezar en de verwoesting van Jeruzalem in 586 voor Christus gingen de Filistijnen, samen met de joden, in Babylonische ballingschap. De joden keerden uiteindelijk naar hun land terug. Van de Filistijnen is nooit meer iets vernomen.

Bij opgravingen in Askelon en elders zijn ook potten gevonden waarmee mogelijk het raadsel van de herkomst van de Filistijnen kan worden opgelost. Bekend was dat de Filistijnen tot de zogeheten zeevolkeren behoorden, die in de dertiende eeuw voor Christus de kusten van Palestina en Egypte bereikten.
Ze kwamen óf uit het Aegeïsch gebied óf uit Klein-Azië, zo luidt de theorie. Het aardewerk maakt het nu waarschijnlijker dat de Filistijnen uit het Aegeïsche gebied kwamen. De potten zijn rood-zwart en lijken opvallend veel op Myceens aardewerk, dat dezelfde kleuren en motieven heeft.

In Egyptische geschriften van de twaalfde eeuw voor onze jaartelling worden de Filistijnen al genoemd. Ze hebben zich, waarschijnlijk als soldaten in Egyptische dienst, in Palestina gevestigd, waar ze geleidelijk assimileerden met de lokale bevolking.
De Israëlitische stammen leefden ten oosten van de Filistijnen, die op hun beurt Kanaänitische steden als Askelon, Asdod, Gath en Gaza innamen en met de plaatselijke bevolking versmolten. Zo raakten zij hun oorspronkelijke indo-Europese taal kwijt en ze schreven waarschijnlijk in een Semitische taal, een variant van het Hebreeuws.
De Geus heeft verscheidene keren opgravingen gedaan in steden die door Filistijnen bewoond zijn geweest. Zolang de vondsten nog niet officieel zijn beschreven in de vaktijdschriften, is hij wat sceptischer over het belang van de vondsten dan zijn Amerikaanse collega’s: ‘Ik ben ervan overtuigd dat het belangrijke vondsten zijn, want Larrie heeft een gouden lepel. Hij vindt altijd wel iets belangrijks waar anderen tien jaar voor niets graven. Maar hij blaast het belang ongetwijfeld ook op. Deze opgraving wordt voor miljoenen guldens door particulieren bekostigd en die willen resultaat zien.’
Voor De Geus persoonlijk is het niet duidelijk waarom de Filistijnen zo’n slechte naam hebben dat het bijvoeglijk naamwoord staat voor cultuurbarbaar. Hij meent dat het woord Filistijn vooral in de Angelsaksische wereld slechte associaties oproept, hoewel hij toegeeft dat ook in het Nederlands iets ‘naar de Filistijnen kan gaan’. Hij acht het zeer waarschijnlijk dat de Filistijnen uit het Aegeïsche gebied naar Palestina kwamen. Ook twijfelt hij er niet aan dat zij een andere, niet-semitische taal spraken. De archeologen vonden in Askelon onder meer haarden, die een centrale plaats innamen in de Aegeïsche cultuur en die in Palestina onbekend waren. ‘Maar er zijn ook raadselachtige dingen. Zo zijn er graven gevonden voor honden. Niemand weet waar dat gebruik vandaan komt. Het stamt in ieder geval niet uit de Semitische wereld, want daar staan honden niet in hoog aanzien.’ De Geus vraagt zich af hoe de archeologen zo duidelijk kunnen spreken van Filistijnse huizen. Volgens hem heeft er zich een lang assimilatieproces afgespeeld waarin de oorspronkelijke Filistijnen om de een of andere reden wel hun naam behielden, maar verder opgingen in hun omgeving.
‘Dat assimileren werkt niet alleen in de taal door. Want als je beweert dat de joden na de Babylonische ballingschap terugkeerden en dat de Filistijnen waren verdwenen, verlies je dat proces uit het oog. Ongetwijfeld zaten er mensen van Filistijnse herkomst bij de groepen die terugkeerden, alleen waren de Filistijnen als groep al lang verdwenen. De eerste groepen zullen uit hoogstens een paar honderd soldaten hebben bestaan, een paar eeuwen later hadden ze hun taal opgegeven en was hun cultuur vermengd met die van de Kanaänieten.’

De Amerikaanse archeologen in Askelon hebben ook bekendgemaakt dat zij inscripties hebben gevonden in een taal die verwant is aan het Hebreeuws. Dat is interessant, maar waar iedereen écht op wacht, is op de ontdekking van inscripties in de oorspronkelijke Filistijnse taal. In het Oude Testament staan twee van die niet-semitische woorden, maar dat is niet genoeg om conclusies uit te kunnen trekken. De vondst van meer inscripties kan een ander beeld van deze cultuur opleveren.
Het zou volgens De Geus interessant zijn te weten wat de Filistijnen zelf vonden van hun gedoodverfde tegenstanders, de Israëlieten. Volgens Stager is dat nog maar een kwestie van tijd, maar ook hier is De Geus wat voorzichtiger. ‘De Filistijnen, in feite de handeldrijvende Foeniciërs, schreven veel meer dan anderen. Maar ze schreven op leer en papyrus en niet op klei, zoals bijvoorbeeld de Jemenieten. Daarom hebben we duizenden Jemenitische kleitabletten en nauwelijks Filistijnse. Het zou prachtig zijn als er inderdaad teksten in de oorspronkelijke taal werden gevonden en dat is niet onmogelijk, want de opgravingen zijn nog maar kort bezig.’

Een soort gelijk bericht:

Filistijnen

Ze hebben eeuwenlang een slechte naam gehad in de geschiedschrijving. Dat hadden zij vooral te danken aan de wijze waarop in de Bijbel over hun handel en wandel werd gesproken. Een lomp, onbetrouwbaar en bruut volkje: dat is altijd het beeld van de Filistijnen geweest, weerspiegeld in de verhalen over de onbetrouwbare Delilah die Samson (figuurlijk) een kopje j kleiner maakte, en de dommekracht Goliath die het moest afleggen tegen David.
Recente* opgravingen hebben Israëlische archeologen tot de conclusie gebracht dat in dit beeld verandering moet worden gebracht. „We moeten af van het idee dat de Filistijnen een onbeschaafd en onontwikkeld volk vormden”, aldus Seymour Gittin, directeur van een archeologisch instituut in Jeruzalem. „Het omgekeerde is waar. De Filistijnen waren knappe bouwers en handelslieden.”

De opgravingen vinden al sinds vijf jaar plaats in Tel Miqne, de plaats waar vroeger de Filistijnse stad Ekron moet hebben gelegen. Het gebied van de Filistijnen omvatte een strook land aan de kust in het zuiden van de huidige staat Israël. Zij kwamen in de dertiende eeuw vóór Christus in dat gebied en waren waarschijnlijk afkomstig van het huidige Kreta. In 603 vóór Christus werden zij door de Babyloniërs ingelijfd.

Deze zomer hebben de archeologen nieuwe vondsten gedaan, waaronder veel olijfpersen. De Filistijnen waren behalve meesters in het bewerken van ijzer op het hoogtepunt van hun macht ook de belangrijkste producenten van olijfolie. Tot dusver zijn 204 olijfpersen gevonden. Dit aantal kan nog veel hoger worden, als het hele gebied is afgegraven (nog slechts drie procent van het terrein is blootgelegd).
„De olijfpersen van de Filistijnen waren high-tech”, aldus Gittin. „Hun persen konden vijftig tot honderd liter produceren, wat zeer veel is in vergelijking met de 25 tot 40 liter die op andere persen werden geproduceerd.”

*In de jaren 1980

[1] Artikelen in Vrije Opvoedkunst:
De verhalen uit het Oude Testament
Over het Oude Testament
Het Oude Testament als oerbeeld van de geschiedenis

Het Oude Testament: vele tekeningen

3e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 3e klas

.

2288-2147

.

.

.

.

.