VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-1/19)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Hier worden zijn uitspraken daarover uit andere voordrachten weergegeven.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar 

in de voordrachtenreeks:

Die Methodik des Lehrens und die Lebensbedingungen des Erziehens

GA 308 
vertaald                       

De wordende mens

Voordracht 1, Stuttgart 8 april 1924

Blz. 14   vertaling 28

Nehmen wir ein Kind, das noch im zarten Alter steht, in einem Alter, das vor der Volksschulpflicht liegt. Da ist das Kind eigentlich noch ganz und gar ein einheitliches Wesen. Die drei Glieder der Men­schennatur, Leib, Seele und Geist, sie gliedern sich erst im späteren Leben auseinander. Zwischen der Geburt und dem Zahnwechsel, der einen sehr wichtigen Lebenspunkt in der Entwicklung des Menschen bedeutet, liegt eine Lebensepoche des Kindes, in der sozusagen — wir beachten das nur gewöhnlich nicht genügend — das Kind fast ganz Sin­nesorgan ist.  Namentlich das, was von den Eindrücken der Menschen der Umgebung kommt, ob wir uns langsam bewegen in der Umgebung des Kindes, und dadurch die Lässigkeit unseres Geistig-Seelischen of­fenbaren, ob wir uns stürmisch bewegen in der Umgebung des Kin­des und dadurch die Wucht unseres eigenen Geistig-Seelischen offen­baren, das alles wird von dem Kinde fast mit derselben Intensität aufgenommen, mit der sonst die Eindrücke, die auf das Sinnesorgan wirken, von diesem Sinnesorgan aufgenommen werden.

Laten we een kind bekijken dat nog in de kwetsbare leeftijd is, een leeftijd die vóór de basisschoolleeftijd ligt. Dan is het kind eigenlijk nog helemaal een wezen dat een eenheid is. De drie wezensdelen van de mens, lichaam, ziel en geest, verdelen zich pas in het latere leven. Tussen geboorte en tandenwisseling, die een zeer belangrijk levenspunt in de ontwikkeling van de mens betekent, ligt de leeftijdsfase van het kind waarin zo gezegd – we letten daar gewoonlijk niet genoeg op – het kind bijna helemaal zintuig is. Laten we eens een zintuig bekijken, nemen we het oog zelf. Indrukken van buiten, kleurindrukken krijgt het oog. Het oog is er op fijnzinnige manier voor gebouwd kleurindrukken in zich op te nemen. Zonder dat de mens er invloed op kan uitoefenen wordt wat als een prikkel van buitenaf werkt meteen omgezet in iets wilsmatigs, dat dan door de ziel, zoals wij zeggen, kan worden beleefd. Maar zo is op basis van de zintuigwaarneming het hele leven van het kind voor de tandenwisseling: ziel. Alles wat het innerlijk beleeft lijkt op een waarnemen met de ziel. Met name wat door de indrukken van de mensen uit zijn omgeving komt, of we ons langzaam bewegen in de omgeving van het kind en daarmee de gelatenheid van ons geest-zieleleven laten zien, of we onstuimige bewegingen maken in de omgeving van het kind en daarmee de hevigheid van ons geest-zieleleven laten zien, dat wordt door het kind bijna met dezelfde intensiteit opgenomen als waarmee anders de indrukken die op een zintuigorgaan werken door dit zintuigorgaan worden opgenomen.

Das Kind ist im Ganzen Sinnesorgan. Man kann schon sagen: Wenn wir erwachsen sind, haben wir Geschmack im Munde, auf dem Gaumen, auf der Zunge. Das Kind fühlt den Geschmack viel tiefer hinunter in seinen Organismus, das Geschmacksorgan dehnt sich sozusagen durch einen großen Teil des Körpers aus. So die anderen Sinne. Die Lichtein­wirkungen verbinden sich beim Kinde innig mit den Atmungsrhyth­men, sie gehen hinunter in die Blutzirkulation. Dasjenige, was der Erwachsene abgesondert im Auge erlebt, erlebt das Kind durch den ganzen Leib hindurch, und ohne daß Überlegung dazwischentritt, kommen die Willensimpulse unmittelbar wie Reflexerscheinungen beim Kinde zutage. Ich erörtere das zunächst nur einleitungsweise, um das Thema anzuschlagen. So wirkt der ganze Leib des Kindes wie

Het kind is helemaal zintuig. Je kunt ook zeggen: wanneer we volwassen zijn hebben we smaak in onze mond, op ons verhemelte, op onze tong. Het kind echter ervaart de smaak veel verder naar binnen in zijn organisme, het smaakzintuig is zogezegd over een groot deel van zijn lichaam uitgebreid.
Zo ook de andere zintuigen. De lichtindrukken verbinden zich in het kind diep met het ademhalingsritme, ze duiken onder in de bloedsomloop. Wat de volwassene gelokaliseerd in het oog beleeft, beleeft het kind met zijn hele lichaam, en zonder dat daar gedachten tussen zitten komen de wilsimpulsen rechtstreeks als reflexbewegingen bij het kind tevoorschijn. Ik zeg dit nu bij wijze van inleiding, om het thema aan te snijden. Zo werkt het hele lichaam van het kind als 

Blz. 15   vertaling 29

ein Sinnesorgan reflexartig gegenüber dem, was in der Umgebung vorgeht.
Dadurch aber sind Geist, Seele, Leib im Kinde noch nicht geglie­dert, noch nicht differenziert, noch eine Einheit, ein Ineinanderweben. Das Geistige, das Seelische wirkt im Körper, indem es dessen Zirku­lations- und Nahrungsvorgänge unmittelbar beeinflußt. Oh, wie ist beim Kinde die Seele in ihrer Empfindung nahe dem ganzen Stoff­wechselsystem, wie wirken die zusammen! Erst später, beim Zahn­wechsel, sondert sich das Seelische von dem Stoffwechsel mehr ab. Jede seelische Erregung geht beim Kinde über in die Zirkulation, in die Atmung, in die Verdauung. Leib, Seele, Geist sind noch eine Ein­heit. Dadurch setzt sich aber auch jeder Reiz, der von der Umgebung ausgeübt wird, bis in das Leibliche des Kindes fort.

een zintuigorgaan reflexmatig ten opzichte van wat er in zijn omgeving gebeurt.
Daardoor echter zijn geest, ziel en lichaam in het kind nog niet geleed, nog niet gedifferentieerd, vormen nog een eenheid; ze werken nog door elkaar heen. Het geestelijke, het psychische werkt in het lichaam terwijl het de processen van bloedsomloop en voeding direct beïnvloedt. O, hoe staat bij het kind zijn ziel met zijn gewaarwordingen dichtbij het hele stofwisselingssysteem, hoe werken die samen! Pas later, met de tandenwisseling, komt de ziel losser van de stofwisseling. Iedere prikkeling in de ziel gaat bij het kind over op de bloedsomloop, op de ademhaling, op de stofwisseling. Lichaam, ziel en geest zijn nog een eenheid. Daarom zet zich iedere prikkel die uit de omgeving komt verder voort in het lichaam van het kind.
GA 308/1e vdr.

Voordracht 2, Stuttgart 9 augustus 1924

Blz. 23  vertaling  

Die erste Lebensepoche des Kindes schließt mit dem Zahnwechsel. Nun wird ja, das verkenne ich durchaus nicht, Rücksicht genommen in den Anschauungen, die heute üblich sind, auf die Verwandlung des kindlichen Körpers, der kindlichen Seele auch in diesem Lebensalter, aber nicht in so durchgreifender Weise, daß man dadurch hineinschauen würde in alles dasjenige, was mit dem Menschen in diesem zarten Alter vor sich geht und was durchaus erfaßt und ergriffen werden muß, wenn man den Menschen erziehen will. Das Hervorbrechen der Zähne, die nicht mehr die vererbten Zähne der ersten Jahre sind, ist ja nur das alleräußerste Symptom für eine gesamte Umwandlung der ganzen menschlichen Wesenheit. Vieles, vieles geht im Organismus, wenn auch nicht äußerlich so sichtbar, vor sich, was eben in diesem Hervorbrechen der zweiten Zähne nur seinen radikalsten Ausdruck findet.

De eerste levensfase van het kind eindigt met de tandenwisseling. Nu houden we, dat ontken ik beslist niet, bij de opvattingen die tegenwoordig gangbaar zijn, rekening met de verandering van het kinderlichaam en van de kinderziel ook op deze leeftijd; alleen niet zo diepgaand dat we daardoor inzicht zouden krijgen in wat er met de mens op deze gevoelige leeftijd gebeurt en wat beslist begrepen en aangegrepen moet worden, wil men tenminste de mens opvoeden. Het tevoorschijn komen van de tanden die niet meer de overgeërfde tanden zijn, is slechts het meest uiterlijke symptoom van een totale verandering van heel het mensenwezen. Veel, heel veel gebeurt er in het organisme – ook al is dat uiterlijk niet zo zichtbaar – wat in zijn meest extreme vorm tot uitdrukking komt in het tevoorschijn komen van het blijvend gebit.

Blz. 27   vertaling 46

Wenn der Mensch hereintritt in die physisch-sinnliche Welt, so wird ihm ja durch Eltern, Voreltern der physische Leib überantwortet. Darüber gibt es heute, wenn auch noch nicht vollständig – sie wer- den erst in sehr viel späterer Zeit vollendet werden -, doch schon in gewisser Beziehung überschaubare Naturerkenntnisse. Das ist für die Geisteswissenschaft ein Teil der menschlichen Wesenheit. Denn die andere menschliche Wesenheit, die sich vereinigt mit demjenigen, was von Vater und Mutter kommt, die steigt herab als geistig-seelisches Wesen aus der geistig-seelischen Welt. Sie hat zwischen dem früheren Erdenleben und dem gegenwärtigen eine längere Zeit zwischen dem Tod und einer neuen Geburt durchgemacht. Sie hat Erlebnisse gehabt im Geistigen in diesem Lebenslauf zwischen Tod und einer neuen Geburt, ebenso wie wir durch unsere Sinne, durch unseren Verstand, durch unsere Empfindungen, durch unseren Willen körperlich vermittelt zwischen Geburt und Tod unsere Erlebnisse auf Erden haben.

Wanneer de mens de fysiek-zintuiglijke wereld betreedt wordt hem door de ouders, de voorouders het fysieke lichaam geschonken. Daarover bestaan tegenwoordig, zij het nog niet compleet – dat worden ze pas in een veel verder liggende tijd -, toch in zeker opzicht inzichten in de natuur die te overzien zijn. Dat is voor de geesteswetenschap een deel van het mensenwezen. Want het andere menselijke wezen, dat zich met wat van vader en moeder komt verenigt, daalt af als geest-zielewezen uit de geest-zielewereld. Het heeft tussen het vorige en het huidige aardeleven een langere tijd tussen de dood en een nieuwe geboorte doorgemaakt. Dat deel heeft in de geestwereld in deze levensloop tussen dood en een nieuwe geboorte ervaringen opgedaan, net zoals wij tussen geboorte en dood lichamelijk onze ervaringen op aarde hebben door middel van onze zintuigen, door ons verstand, door onze gevoelens, door onze wil.

Diese Wesenheit mit den Erlebnissen, die geistig durchgemacht worden sind, die steigt herunter, verbindet sich zunächst in einer losen Weise mit dem Physischen des Menschen während der Embryonalzeit und ist im Grunde genommen noch in loser Weise, gewissermaßen äußerlich als Aura den Menschen umschwebend, in dem ersten kindlichen Zeitalter zwischen der Geburt und dem Zahnwechsel gegenwärtig. Und man darf sagen: Deshalb, weil dasjenige, was heruntersteigt aus der geistigen Welt als ein geistig-seelisches Wesen und ebenso real ist, als was wir mit Augen aus dem Mutterkörper hervorgehend schauen, weil das noch loser mit der physischen Körperlichkeit verbunden ist, als es später beim Menschen der Fall ist, deshalb lebt das Kind noch viel mehr als der spätere erwachsene Mensch außerhalb seines Leibes.

Dit wezen, met zijn ervaringen die in de geestelijke wereld zijn opgedaan, daalt af, verbindt zich allereerst losjes met het fysieke van de mens tijdens de embryonale toestand en is in wezen nog los, in zekere zin uiterlijk als aura om de mens zwevend aanwezig in de eerste periode van het kind tussen geboorte en tandenwisseling. En je mag zeggen: omdat wat uit de geestelijke wereld naar de aarde afdaalt als een geest-zielewezen is en net zo werkelijk als wat wij uit het moederlichaam voortkomend met onze ogen waarnemen, en omdat dit geest-zielewezen nog losser met de fysieke lichamelijkheid verbonden is dan later het geval is bij de mens, daarom leeft het kind nog veel meer dan de latere volwassen mens buiten zijn lichaam.

Blz. 28   vertaling 47

Das Kind ist im allerhöchsten Grade seinem ganzen Wesen nach in dieser ersten Zeit ein Sinneswesen. Es ist wie ein Sinnesorgan. Durch den ganzen Organismus rieselt dasjenige, was an Eindrücken aus der Umgebung kommt, klingt nach, tönt nach, weil das Kind noch nicht so innig wie später der Mensch mit seinem Körper verbunden ist, sondern in der Umgebung lebt mit dem loseren Geistigseelischen. Daher wird alles aufgenommen, was an Eindrücken aus dieser Umgebung kommt.
Wie verhält sich nun das, was der Mensch durch die reine Vererbung im Physischen durch Vater und Mutter erhält, zu seiner Gesamtwesenheit? Wenn man mit dem Blick, der da darstellen muß und nicht schlechthin in dem Sinne beweisen will, wie ich das eben charakterisiert habe, wenn man mit dem Blick, der das Geistige anschauen will, die Entwicklung des Menschen betrachtet, dann wird man finden, daß alles im Organismus ebenso auf Vererbungskräften beruht wie die ersten Zähne, die sogenannten Milchzähne.

Het kind is in de allerhoogste mate wat zijn hele wezen betreft in deze eerste tijd een zintuigwezen. Het is als het ware één zintuigorgaan. Wat aan indrukken uit de omgeving komt stroomt door zijn hele organisme heen, klinkt door, vibreert verder, want het kind is nog niet zo hecht met zijn lichaam verbonden als de mens later, maar in de omgeving het leeft met het lossere geest-zielewezen in zijn omgeving. Vandaar dat alles wordt opgenomen wat aan indrukken uit deze omgeving komt.
Hoe verhoudt zich nu wat de mens door de pure erfelijkheid in het fysieke door vader en moeder krijgt tot zijn totale wezen? Als je met de blik die het moet beschrijven en gewoonweg wil bewijzen in de zin zoals ik dit net heb gekarakteriseerd, als je met de blik die het geestelijke wil waarnemen naar de ontwikkeling van de mens kijkt, dan zul je vinden dat alles in het organisme net zo op erfelijkheidskrachten berust als de eerste tanden, het zogeheten melkgebit. 

Man schaue sich nur einmal an, aber mit wirklich exaktem Blick, wie anders sich die zweiten Zähne gestalten als die ersten, und wie es da, ich möchte sagen, mit Händen zu greifen ist, was eigentlich am Menschen geschieht von der Geburt bis zum Zahnwechsel. Der ganze Mensch ist nämlich von der Geburt bis zum Zahnwechsel, indem in seinem Physischen die Vererbungskräfte walten, wie eine Art Modell, an dem das Geistig-Seelische arbeitet nach den Eindrücken der Umgebung als rein nachahmendes Wesen. Und wenn man sich versetzt in das Gemüt des Kindes in bezug auf sein Verhältnis zur Umgebung, wie das Kind jede Regung des Seelischen auf sein Ganzes hin betrachtet, wie das Kind in jeder Handbewegung, in jeder Miene, in jeglichem Blick des Auges das dahinterstehende Geistige des Erwachsenen wittert und in sich fortrieseln läßt, wenn man das alles beobachtet, dann findet man eben, wie nach dem Modell, das durch die Vererbung dem Menschen übergeben wird, sich nun im Verlaufe der ersten sieben Lebensjahre ein anderes bildet. Wir bekommen wirklich als Menschen von der Erdenwelt durch die Vererbungskräfte ein Modell mit, nach welchem wir den zweiten Menschen, der eigentlich erst geboren wird mit dem Zahnwechsel,

Kijk maar eens, maar wel met een echt exacte blik, hoe anders het blijvende gebit gevormd wordt dan het melkgebit en hoe het daar, laat ik zeggen, met handen aan te raken is wat er eigenlijk bij de mens gebeurt van de geboorte tot de tandenwisseling. De hele mens is namelijk van de geboorte tot de tandenwisseling, wanneer in zijn fysieke lichaam de erfelijkheidskrachten actief zijn, als het ware een soort model waaraan het geest-zielewezen werkt naar de indrukken uit de omgeving als puur nabootsend wezen. En als je je in het gevoel verplaatst dat het kind heeft ten opzichte van zijn omgeving, hoe het kind iedere ziele-uiting op zijn totaliteit betrekt, hoe het kind in iedere handbeweging, in iedere gezichtsuitdrukking, in elke blik van de ogen het daarachter liggende geestelijke van de volwassene bespeurt en in zichzelf verder naar binnen laat stromen – als je dit alles bekijkt, dan vind je hoe zich volgens het model dat via de erfelijkheid aan de mens wordt doorgegeven, in de loop van de eerste zeven jaar iets anders vormt. We krijgen als mens van de aardewereld daadwerkelijk door de erfelijkheidskrachten een model mee waarnaar we de tweede mens vormen, die eigenlijk pas bij de tandenwisseling wordt geboren.

Blz. 29  vertaling 49

ausbilden. Geradeso wie das Zähnchen, das Milchzähnchen, das im Körper sitzt, herausgestoßen wird durch dasjenige, was an die Stelle sich setzen will, wie man sieht, wie da ein der Individualität des Menschen Angehöriges sich hervorschiebt und das Vererbte abstößt, so ist es mit dem ganzen menschlichen Organismus. Er war in den ersten sieben Lebensjahren das modellhafte Ergebnis der Erdenkräfte. Er wird abgestoßen, ebenso abgestoßen, wie wir die äusseren Ranken unseres Körpers abstoßen, die Fingernägel wegschneiden, die Haare schneiden und so weiter. So wie fortwährend das Äußere abgestoßen wird, wird der Mensch erneuert mit dem Zahnwechsel. Nur ist dieser zweite Mensch, der ganz den ersten ersetzt, den wir durch die physische Vererbung erhalten, nunmehr gebildet unter dem Einfluß derjenigen Kräfte, die sich der Mensch mitbringt aus seinem vorirdischen Leben. Und so kämpfen eigentlich in der Lebensepoche, die zwischen der Geburt und dem, Zahnwechsel liegt, die Vererbungskräfte, die der physischen Entwicklungsströmung der Menschheit angehören, mit den Kräften, die sich die Individualität eines jeden einzelnen Menschen herunterbringt aus dem vorirdischen Leben als die Ergebnisse seiner früheren individuellen Erdenleben.

Net zoals het tandje, het melktandje dat in het lichaam zit, eruit gestoten wordt door wat er op die plaats wil komen, zoals je ziet hoe er iets wat bij de individualiteit van de mens hoort naar voren wordt geduwd en het overgeërfde uitstoot, zo gaat het met het hele organisme van de mens. Dat was in de eerste zeven jaar het modelachtige resultaat van de aardekrachten. Het wordt afgestoten, net zo afgestoten als wij de verst naar buiten gelegen groeisels van ons lichaam afstoten, de vingernagels knippen, de haren knippen enzovoort. Net zoals het buitenste voortdurend wordt afgestoten, zo wordt de mens vernieuwd met de tandenwisseling. Alleen is deze tweede mens, die helemaal in de plaats komt van de eerste, die wij door de fysieke erfelijkheid hebben gekregen, veel meer gevormd onder invloed van de krachten die de mens meebrengt uit het vooraardse leven. En zo strijden eigenlijk in de leeftijdsfase die tussen de geboorte en de tandenwisseling ligt, de erfelijkheidskrachten die tot de fysieke ontwikkelingsstroom van de mensheid behoren, met de krachten die de individualiteit van ieder individueel mens naar beneden brengt uit het vooraardse leven als het resultaat van zijn individuele vorige aardelevens.

Nun handelt es sich darum, eine solche Tatsache nicht allein aufzufassen mit dem theoretischen Verstande, wie die meisten nach den heutigen Denkgewohnheiten das tun, sondern es handelt sich darum, eine solche Tatsache mit der ganzen inneren menschlichen Wesenheit auch zu erfassen, zu erfassen von Seite des Kindes, zu erfassen von Seite des Erziehenden aus. Wenn wir es von Seite des Kindes erfassen, was da vorliegt, dann finden wir, wie das Kind mit seinem innerlichen Seelenwesen, mit dem, was es sich heruntergebracht hat aus dem vorirdischen Leben, aus der geistig-seelischen Welt, ganz hingegeben ist an das Physische der Auswirkungen der anderen Menschen, die es umgeben. Und dieses Verhältnis ist, ins Naturhafte herunterversetzt, ins Äußere hineinversetzt, ein Verhältnis, das wir nicht anders bezeichnen können denn als ein religiöses. Wir müssen uns nur verständigen über die Art und Weise, wie solche Ausdrücke gemeint sind. Natürlich, wenn man heute von einem religiösen Verhältnisse spricht, so sieht man hin auf das bewußt entwickelte religiöse Empfinden des

Nu gaat het erom zo’n gegeven niet alleen met het theoretische verstand op te nemen, zoals de meeste mensen volgens de huidige denkgewoonten doen, maar het gaat erom zo n gegeven met heel je innerlijk menselijk wezen op te nemen, op te nemen van de kant van het kind, op te nemen van de kant van de opvoeder. Ais we dat van de kant van het kind doen, dan ontdekken we hoe het kind met zijn innerlijke zielewezen, met wat het uit het vooraardse leven, uit de wereld van geest en ziel heeft meegebracht, zich helemaal wil overgeven aan de fysieke invloed van de andere mensen die hem omringen. En deze verhouding is, in de natuurlijke wereld geplaatst, in de uiterlijke wereld geplaatst, een verhouding die wij niet anders kunnen aanduiden dan religieus. We moeten het alleen met elkaar eens worden over wat er met het hoe en waarom van zo’n uitdrukking wordt bedoeld. Natuurlijk, als men tegenwoordig van een religieuze verhouding spreekt, dan kijkt men naar de bewust ontwikkelde religieuze beleving van

Blz. 30  vertaling 50

Erwachsenen. Es ist das Wesentliche, daß das Geistig-Seelische des erwachsenen Menschen im religiösen Leben in dem Geistigen der Welt aufgeht, sich hingibt an dieses Geistige der Welt. Das religiöse Verhältnis ist ein Sichhingeben, ein gnadeerflehendes Sichhingeben an die Welt, aber es ist beim erwachsenen Menschen durchaus in ein Geistiges getaucht. Die Seele, der Geist sind hingegeben an die Umgebung. Daher scheint es, wie wenn man ein Ding in das Gegenteil verkehren würde, wenn man von der Art, wie der Körper des Kindes an die Umgebung hingegeben lebt, spricht als von einem religiösen Erleben.
Aber es ist ein naturhaft-religiöses Verhältnis. Das Kind ist hingegeben an die Umgebung, es lebt in der Außenwelt wie das Auge, das sich absondert von der übrigen Organisation und hingegeben ist an die Umgebung in Verehrung, in Gnadeerflehen; es ist ein religiöses Verhältnis ins Naturhafte herunterversetzt. Und wollen wir gewissermaßen ein sinnliches Bild desjenigen haben, was auf geistig-seelische Art im Erwachsenen vorgeht, wenn er religiös erlebt, dann brauchen wir nur den Leib des Kindes bis zum Zahnwechsel richtig ins Seelenauge zu fassen.
Das Kind lebt religiös, aber eben naturhaft religiös. Es ist nicht die Seele hingegeben, sondern die Zirkulation seines Blutes, sein Atmungsprozeß, die Art und Weise, wie es sich ernährt durch die aufgenommene Nahrung.

de volwassene. Het is wezenlijk dat het geest-zielewezen van de volwassen mens in het religieuze leven opgaat in wat in de wereld geestelijk is, zich aan deze geestelijke wereld overgeeft. De religieuze verbinding is een zich overgeven, een om-genade-vragend zich overgeven aan de wereld, maar het is bij de volwassen mens beslist in iets geestelijks ondergedompeld. Ziel en geest wijden zich aan de omgeving.
Daarom lijkt het erop alsof je van deze dingen het tegendeel beweert als je van de manier waarop het lichaam van het kind overgegeven is aan de omgeving, zegt dat het een religieus beleven is. Maar dat is een natuurlijk-religieuze verbinding. Het kind is overgegeven aan de omgeving, het leeft in de buitenwereld zoals het oog dat zich afzondert van de rest van het organisme en overgegeven is aan de omgeving in verering, in het bidden om genade; het is een religieuze verhouding naar het natuurlijke verplaatst. En willen we in zekere zin een zintuiglijk beeld hebben voor wat zich op het gebied van geest en ziel bij de volwassene afspeelt wanneer hij een religieuze ervaring heeft, dan hoeven we alleen maar het lichaam van het kind tot aan de tandenwisseling goed te bekijken. Het kind leeft religieus, maar religieus op een natuurlijke manier. Niet de ziel is overgegeven, maar de bloedcirculatie, de ademhaling, de wijze waarop het kind zich voedt door het tot zich genomen voedsel.

Alle diese Dinge sind hingegeben an die Umgebung. Die Blutzirkulation, die Atmungstätigkeit, die Ernährungstätigkeit beten an die Umgebung.
Natürlich klingt ein solcher Ausdruck paradox, aber in seiner Paradoxie stellt er gerade die Wahrheit dar. Wenn wir eben nicht mit dem theoretischen Verstande, sondern mit unserer ganzen Menschlichkeit ein solches erfassen, hinschauen auf den Kampf, den in dieser religiös naturhaften Grundstimmung das Kind vor uns entwickelt, den Kampf zwischen den Vererbungskräften und demjenigen, was für einen zweiten Menschen die individuellen Kräfte erbilden durch die Macht, die sie heruntergetragen hat aus dem vorirdischen Leben, dann verfällt man als der Erziehende auch in eine religiöse Stimmung. Aber ich möchte sagen: Während das Kind mit seinem physischen Körper in die religiöse Stimmung des Gläubigen verfällt, verfällt derjenige, der erziehen soll, indem er hinblickt auf dasjenige, was in so

Al deze dingen zijn overgegeven aan de omgeving. Bloedsomloop, ademhaling en voedselopname bidden tot de omgeving.
Natuurlijk klinkt dit paradoxaal, maar in de paradox vormt het juist de waarheid. Als we zoiets nu eens niet met het theoretische verstand, maar met heel ons mens-zijn pakken, als we kijken naar de strijd die het kind in deze natuurgrondstemming voor ons levert, de strijd tussen de erfelijkheidskrachten en wat voor zijn tweede mens de individuele krachten zijn door de macht die ze uit het voorgeboortelijke leven naar de aarde heeft gebracht, dan kom je als opvoeder ook in een religieuze stemming terecht. Maar dan wil ik zeggen: terwijl het kind met zijn fysieke lichaam in de religieuze stemming van het geloof komt, komt degene die opvoedt, als hij zijn blik richt op wat zich op zo’n 

Blz. 31  vertaling 51

wunderbarer Weise zwischen Geburt und Zahnwechsel sich abspielt, in die religiöse Gesinnung des Priesters. Und es wird der Erzieherdienst zu einem priesterlichen Dienst, wie zu einer Art von Kultus, der sich am Weihealtar des allgemeinen Menschenlebens nicht mit dem zum Tode zu führenden Opfer, sondern mit dem zum Leben zu erweckenden Opfer der Menschlichkeit selbst vollzieht. Denn dem irdischen Leben haben wir zu übergeben, was aus der göttlich-geistigen Welt uns zugekommen ist in dem Kinde, das sich durch seine Kräfte einen zweiten menschlichen Organismus bildet aus einer Wesenheit, die durch eine Gabe des göttlich-geistigen Lebens zu uns gekommen ist. Wenn wir diese Verhältnisse bedenken, dann erwacht in uns etwas wie das priesterliche Erziehergefühl. Und so lange dieses priesterliche Erziehergefühl für die ersten Lebensjahre nicht aufgenommen wird in alles dasjenige, was Erziehung heißt, so lange hat die Erziehung nicht ihre Lebensbedingungen gefunden.

wonderbaarlijke manier afspeelt tussen geboorte en tandenwisseling, in de religieuze gemoedsstemming van de priester. En de opvoedersdienst wordt tot een priesterlijke dienst, als het ware een soort cultische handeling die zich afspeelt rond het altaar van het algemene mensenleven, niet met het offer dat tot de dood leidt, maar met het tot leven wekkende offer van het menselijke. Want we moeten aan het aardse leven overdragen wat uit de goddelijk-geestelijke wereld tot ons is gekomen in het kind dat zich door zijn krachten een tweede menselijk organisme vormt uit een wezen dat door een gave van het goddelijk-geestelijke leven tot ons is gekomen. Wanneer we over deze toestand nadenken ontwaakt in ons zoiets als een priesterlijk opvoedersgevoel. En zolang dit priesterlijk opvoedersgevoel in de eerste levensjaren niet opgenomen is in alles wat opvoeding heet, zolang heeft de opvoeding niet haar levensvoorwaarden gevonden.

Blz. 32  vertaling 52

Es gibt wenig, was so wunderbar auf das menschliche Gemüt wirken kann> als wenn wir sehen, wie von Tag zu Tag, von Woche zu Woche, von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr in dem ersten kindlichen Lebensalter das innerliche Geistig-Seelische hervorbricht, wie aus den chaotischen Bewegungen der Gliedmaßen, aus dem am Äußeren hängenden Blick, aus dem Mienenspiel, von dem wir fühlen, es gehört eigentlich der Individualität des Kindes noch nicht ganz an, sich alles das herausentwickelt und an der Oberfläche der menschlichen Gestalt zur Ausprägung kommt, was aus dem Zentrum, aus dem Mittelpunkte des Menschen kommt, wo dasjenige in seiner Wirksamkeit sich entfaltet, was vom vorirdischen Leben als göttlich-geistige Wesenheit herabsteigt. Kann man das so auffassen, daß man verehrend, hingebungsvoll sich sagt: Da offenbart sich die Gottheit, die

Er is weinig wat zo wonderbaarlijk op het menselijke gemoed kan werken als wanneer we zien hoe van dag tot dag, van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar in de vroegste kindertijd het innerlijk geest-zielewezen tevoorschijn komt. En hoe uit de chaotische bewegingen van de ledematen, uit de aan het uiterlijke hechtende blik, uit de mimiek, waarvan we voelen dat die eigenlijk nog niet helemaal tot de individualiteit van het kind hoort, zich alles zichtbaar ontwikkelt, en aan de oppervlakte van de menselijke gestalte tot uitdrukking komt wat uit het centrum, uit het middelpunt van de mens komt, waar datgene zijn werkzaamheid ontplooit wat uit het voorgeboortelijke leven als goddelijk-geestelijk wezen afdaalt. Kun je dat zo opvatten dat je vererend, vol overgave zegt: hier openbaart zich de god

Blz. 32  vertaling  53

den Menschen geleitet hat bis zu seiner Geburt, weiter in der Ausprägung des menschlichen Organismus, da sehen wir die wirkende Gottheit, da empfinden wir, wie der Gott zu uns hereinschaut -, kann inan diesen Gottesdienst der Erziehung zu einer Angelegenheit seines Herzens machen, dann ist dies dasjenige, was aus unserer eigenen Lehrerindividualität heraus nicht in angelernter, sondern in innerlich hervorquellender, lebendiger Methodik alles Erziehen und Unterrichten leiten kann.
Diese Stimmung dem werdenden Menschen gegenüber, die brauchen wir als etwas, was zu aller erzieherischen Methodik dazugehört. Ohne diese Gemütsstimmung, ohne dieses – im Weltensinne sei es gesagt – Priesterliche im Erzieher läßt sich Erziehung überhaupt nicht durchführen. 

die de mens geleid heeft tot aan zijn geboorte, ook nog in het tot ontwikkeling komen van het menselijk organisme; daar zien we de werkzame godheid, daar ervaren we hoe de god in ons neerblikt -, kun je deze eredienst van de opvoeding tot een aangelegenheid van je hart maken, dan is dit iets wat alle opvoeding en onderwijs vanuit onze eigen lerarenindividualiteit kan begeleiden, niet op een aangeleerde manier, maar met een uit het innerlijk opwellende, levendige methodiek.
Deze stemming jegens de wordende mens, die hebben we nodig als iets wat bij alle opvoedkundige methodiek hoort. Zonder deze gevoelsstemming, zonder dit – in de zin van voor de wereld zeg ik dit – priesterlijke in de opvoeder laat opvoeding zich überhaupt niet realiseren. 

Blz. 34  vertaling 55

Daher handelt es sich darum, durchaus sich bewußt zu sein, wie alles, was als Regung in der Umgebung lebt, im Kinde fortvibriert. Man muß sich schon klar darüber sein, daß in dieser Beziehung tatsächlich Imponderabilien, wie ich gestern sagte, herrschen. Das Kind wittert aus demjenigen, was wir in seiner Umgebung tun, heraus, welche Gedanken einer Handbewegung, einer Gebärde zugrunde liegen. Es wittert sie heraus, nicht dadurch selbstverständlich, daß es die Gebärden deutet, sondern durch ein viel regsameres inneres Verbundensein des Kindes mit dem Erwachsenen, als

Daarom gaat het erom je er wel degelijk bewust van te zijn hoe alles wat aan beweging in de omgeving van het kind aanwezig is, in het kind verder vibreert. We moeten beseffen dat wat dit betreft daadwerkelijk de imponderabelen, zoals ik gisteren heb gezegd, heersen. Uit wat wij in de omgeving van het kind doen bespeurt het kind welke gedachten er ten grondslag liggen aan een bepaalde handbeweging, aan een bepaald gebaar. Het kind bespeurt dat, natuurlijk niet door die gebaren te duiden, maar door een veel levendiger innerlijk verbonden-zijn met de volwassene dan

Blz 35  vertaling 55/56

das später der Fall ist beim Erwachsenen gegenüber dem erwachsenen Menschen. Und so kommt es, daß wir uns nicht gestatten dürfen, in der Umgebung des Kindes anderes zu empfinden und zu denken als dasjenige, was in dem Kinde weitervibrieren kann. Im erzieherischen Verhalten gegenüber den ersten Jahren des Kindes muß durchaus der Grundsatz herrschen: Du mußt bis in deine Empfindung, Gefühl, Gedanke hinein in der Umgebung des Kindes so erleben, daß es in dem Kinde weitervibrieren kann. Und dann werden für das kindliche Alter der Psychologe, der Seelenbetrachter, der lebenserfahrene Mensch und der Arzt eine Einheit. Denn alles dasjenige, was auf das Kind einen Eindruck macht, so daß das Kind seelisch reagiert, setzt sich fort in seiner Blutzirkulation, in der Art und Weise wie es verdaut, bildet sich aus als Anlage desjenigen, was die Gesundheitsverfassung des späteren Lebens ist. Indem wir geistig-seelisch erziehen, rechnend auf die Nachahmefähigkeit des Kindes, erziehen wir zu gleicher Zeit körperlich-physisch. Denn das ist die wunderbare Metamorphose dessen, was an das Kind geistig und seelisch herantritt, um zur physischen Konstitution, zur organischen Verfassung, zur Gesundheits- oder Krankheitsanlage für das spätere Leben zu werden.

later het geval is bij de ene volwassenen tegenover de andere. En zo komt het dat wij ons niet mogen permitteren in de omgeving van het kind iets anders te voelen en te denken dan wat in het kind verder vibreren kan. In de pedagogische omgang in de eerste jaren van het kind moet absoluut het principe gelden: je moet tot in je gewaarwording, gevoel, gedachte in de omgeving van het kind zo leven dat het in het kind verder vibreren kan. En dan worden voor de kinderleeftijd de psycholoog, de zielekijker, de mens met levenservaring en de arts één eenheid. Want alles wat een indruk op het kind maakt zodat het kind psychisch reageert, zet zich voort in zijn bloedsomloop, in de manier waarop het zijn voedsel verteert; het ontwikkelt zich als de aanleg voor wat de gezondheidstoestand op latere leeftijd is. Als we vanuit geest en ziel opvoeden, rekenend op de nabootsingskracht van het kind, voeden we tegelijkertijd ook etherisch-fysiek op. Want het is de wonderbaarlijke metamorfose van wat vanuit geest en ziel op het kind toekomt dat het tot de fysieke constitutie wordt, dat het de organen vormt en tot aanleg voor gezondheid of ziekte in het latere leven wordt.

Blz. 36  vertaling 58

Das Kind ist zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife ein Artist, wenn eben auch in kindlicher Weise, wie es in der ersten Lebensepoche bis zum Zahnwechsel in naturhafter Weise ein Homo religiosus, ein religiöses Geschöpf ist.

Het kind is tussen de tandenwisseling en de puberteit een kunstenaar, ook al is dat op kinderlijke wijze, zoals het in de eerste levensfase tot aan de tandenwisseling een van nature homo religiosus, een religieus schepsel is.
GA 308/2e vdr.

Voordracht 3, Stuttgart 10 augustus 1924

Blz. 47   vertaling   74

Wenn wir das Kind in dem volksschulpflichtigen Alter hereinbekommen in die Schule, dann ist es für eine innere Schau im Grunde genommen eine andere Wesenheit, als es vorher bis zum Zahnwechselalter war. Schauen wir innerlich auf die Menschennatur hin, wie sie vor dem Zahnwechsel war. In den Zähnen kommt  etwas heraus, was sich bildet im ganzen menschlichen Organismus auf die Art, wie ich es gestern beschrieben habe. Es ist ein Schießen in die Form, die menschliche Seelenwesenheit arbeitet an dem zweiten Körperlichen des Menschen, wie der Bildhauer arbeitet an der Gestaltung des Stoffes. Es ist in der Tat ein innerlich unbewußtes plastisches Gestalten. Das kann man nicht auf eine andere Weise von außen beeinflussen als dadurch, daß man das Kind nachahmen läßt, was man selber tut. Was ich vormache, was als eine Bewegung mit meiner eigenen Hand da 

Wanneer we het kind op de leerplichtige leeftijd op school krijgen, dan is het voor een innerlijke blik eigenlijk een ander wezen dan voor de tandenwisseling. In de tanden komt iets naar buiten wat zich in het hele menselijke organisme vormt op een manier die ik gisteren beschreven heb. Het is een in de vorm schieten; de menselijke ziel werkt aan het tweede lichaam van de mens, zoals een beeldhouwer aan het vormgeven van de stof werkt. Het is inderdaad een innerlijk onbewust plastisch vormgeven. Van buitenaf kun je dat niet op een andere manier beïnvloeden dan door het kind te laten nabootsen wat je zelf doet. Wat ik voordoe, wat als een beweging van mijn eigen hand

Blz. 48   vertaling 74/75

wirkt und von dem Kinde angeschaut wird, das geht über in sein seelenbildendes Element, und meine Handbewegung wird der Anlaß zur unbewußten plastischen Tätigkeit, die in die Form schießt. Dieses In- die-Form-Schießen ist ganz und gar abhängig von dem Bewegungselemente im Kinde. Was das Kind vollbringt an Bewegungen, wie bei ihm diese Willensregungen übergehen aus dem Chaotischen, Unorientierten in innerlich geordnete, wie das Kind da nach außen plastizierend an sich arbeitet, so geht dieses Plastizieren in einem hohen Grade nach dem Innern vor sich. Wenn wir das Kind in die Volksschule hereinbekommen, so müssen wir uns darüber klar sein, daß mit seinem Fortschreiten in der physisch-seelisch-geistigen Entwicklung der Vorgang, der zuerst nur in den Bewegungen lebte, in eine ganz andere Region herübergeht. Das Kind ist bis zum Zahnwechsel in seiner Blutbildung abhängig von seiner Kopforganisation. Sehen Sie sich einen Menschen an während seiner Embryonalzeit, wie da die Kopfbildung überwiegt, wie sogar die andere organische Bildung von außen, von dem, was im mütterlichen Leibe vor sich geht, abhängig ist, wie alles dasjenige, was vom Kinde selbst ausgeht, von der kindlichen Kopfbildung ausgeht. Das bleibt, wenn auch abgeschwächt, noch vorhanden in der ersten Lebensepoche des Menschen bis zum Zahnwechsel hin.

werkt en door het kind wordt bekeken, dat gaat over op zijn zielevormend element, en mijn handbeweging wordt aanzet tot een onbewuste plastische activiteit, die in de vorm schiet. Dit in-de-vorm-schieten is volledig afhankelijk van het bewegingselement in het kind. Wat het kind aan bewegingen maakt, hoe bij hem deze wilsuitingen uit het chaotische, het ongerichte overgaan in bewegingen die innerlijk geordend zijn, hoe het kind naar buiten toe boetserend aan zichzelf werkt, zo werkt dit boetseren ook in hoge mate innerlijk.
Wanneer het kind op de basisschool komt, moeten we goed weten dat met zijn verdere ontwikkeling naar lichaam, ziel en geest het proces dat in eerste instantie alleen maar in de bewegingen leefde, een ander gebied binnentreedt. Het kind is tot aan de tandenwisseling in de vorming van het bloed afhankelijk van de organisatie van zijn hoofd. Kijkt u eens naar een mens tijdens zijn embryonale ontwikkeling hoe daar de ontwikkeling van het hoofd de boventoon voert, hoe zelfs de vorming van andere organen afhankelijk is van buiten, van wat in de moederschoot gebeurt; hoe alles wat van het kind zelf uitgaat, uitgaat van zijn hoofdontwikkeling.
Dat blijft, zij het afgezwakt, nog in de eerste levensfase van de mens aanwezig tot aan de tandenwisseling.

Da ist in alledem, was im menschlichen Organismus vorgeht, im wesentlichen die Kopfbildung beteiligt. Da wirken Kräfte, die von der Kopfbildung, vom Nerven-Sinnes-System ausgehen, hinein in das motorische System, in das plastische Gestalten. Wenn das Kind den Zahnwechsel durchgemacht hat, dann zieht sich die Kopfbildung zurück. Dasjenige, was in den Gliedmaßen wirkt, das ist nun weniger von der Kopfbildung abhängig; das ist mehr abhängig von dem, was durch die äußerlich aufgenommenen Nahrungsmittelnamentlich an Stoffen und Kräften in den menschlichen Organismus übergeht. Beachten Sie das nur ganz genau! Nehmen wir an, wir essen als Kind in dem Lebensalter vor dem Zahnwechsel irgend etwas, wir essen Kohl zum Beispiel. Essen kann man ihn ja, wenn man ihn nur nicht redet. Der Kohl hat in sich dadurch, daß er Kohl ist, gewisse Kräfte. Diese Kräfte, die der Kohl in sich hat, die eine große Rolle spielen in der Art und Weise, wie der Kohl da auf den Feldern als Pflanze wächst,

Dan is bij alles wat in het menselijk organisme gebeurt, in wezen de ontwikkeling vanuit het hoofd betrokken. Daar zijn krachten actief die van de ontwikkeling vanuit het hoofd, vanuit het zenuw-zintuigsysteem uitgaan naar het motorische systeem, naar het plastisch vormgeven. Wanneer het kind de tandenwisseling achter de rug heeft, trekt zich de hoofdontwikkeling terug. Wat in de ledematen werkzaam is, is nu minder afhankelijk van de hoofdontwikkeling; dat is meer afhankelijk van wat door de van buiten opgenomen voedingsmiddelen aan stoffen en krachten in het menselijk organisme overgaat.
Kijkt u daar heel precies naar! Laten we eens aannemen dat we als kind in deze leeftijdsfase vóór de tandenwisseling iets eten – we eten bijvoorbeeld kool. [Hier maakt Steiner een woordgrapje: Kohl=kool, betekent in het Duits ook: onzin] Eten kun je die wel, als je het maar niet praat. Kool bevat bepaalde koolkrachten. Deze krachten die in de kool zitten, spelen een belangrijke rol bij de wijze waarop kool op de akkers als plant groeit;

werden bei dem Kinde möglichst bald aus dem Kohl herausgetrieben, und dieVerarbeitung des Kohls wird unternommen von denjenigen Kräften, die von dem ]Kopfe des Kindes ausstrahlen. Gleich versenkt sich in die Kohlkräfte dasjenige hinein, was von der Kopfbildung des Kindes selber ausstrahlt. Geht das Kind durch den Zahnwechsel durch, dann behält, weil die menschliche Natur sich mehr verinnerlicht,der Kohl viel länger bei seinem Wege durch den menschlichen Organismus seine eigenen Kräfte, und er wird nicht etwa schon im Verdauungssystem umgewandelt, sondern erst beim Übergang von dem Verdauungssystem in das Blutzirkulationssystem. Er wird später umgewandelt. Dadurch wird ein ganz anderes inneres Leben im Organismus hervorgerufen. Während in den ersten Jahren bis zum Zahnwechsel alles eigentlich abhängt von der Kopfbildung und ihren Kräften, wird für das zweite Lebensalter, für das Lebensalter vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife, besonders wichtig, wie der Atmungsprozeß mit seinem Rhythmus entgegenkommt der Blutzirkulation, und besonders wichtig wird diese Umwandlung der Kräfte, die da stattfindet an der Grenze zwischen dem Atmungsprozeß und dem Blutzirkulationssystem.

die worden bij het kind zo spoedig mogelijk uitgedreven, en het verteren van de kool wordt geregeld door de krachten die van het hoofd van het kind uitstralen. Wat van de hoofdontwikkeling van het kind zelf uitstraalt daalt meteen af naar de krachten die zich in de kool bevinden. Tijdens de tandenwisseling, dan behoudt de kool, omdat de menselijke natuur zich meer verinnerlijkt, tijdens zijn weg door het menselijk organisme veel langer zijn eigen krachten, en wordt niet al in het spijsverteringssysteem omgevormd, maar pas bij de overgang van het spijsverteringssysteem naar het bloed-circulatiesysteem. Hij wordt later omgevormd. Daardoor ontstaat er in het organisme een heel ander innerlijk leven. Terwijl in de eerste jaren tot de tandenwisseling alles eigenlijk afhankelijk is van de hoofdontwikkeling en zijn krachten, wordt voor de tweede levensfase, voor de fase van de tandenwisseling tot aan de puberteit bijzonder belangrijk hoe het ademhalingsproces met zijn ritme de bloedsomloop ontmoet; en bijzonder belangrijk wordt de omzetting van krachten die plaatsvindt op de grens tussen het ademhalingsproces en de bloedsomloop. 
GA 308/vdr. 3

Voordracht 5, Stuttgart 11 april 1924

Blz. 75  vertaling 114

Versetzen wir uns einmal in den Geist eines solchen Lesens im Menschen. Haben wir doch gesehen, wie das Kind in naturhafter Art wie religiös hingegeben ist an seine unmittelbare menschliche Umgebung, wie es ein nachahmendes Wesen ist, wie es in sich wahrnehmend willensgemäß ausbildet, was es unbewußt und unterbewußt aus der 308/76 Umgebung erlebt. Nicht dem Inhalte nach, denn die Seele ist nach außen naturhaft erst sich offenbarender Geist, wohl aber der ganzen Konfiguration nach liegt religiöser Charakter, ich möchte sagen, in der Körperlichkeit des Kindes von dem Augenblicke an, da es in die Welt eintritt, bis zum Zahnwechsel. Und da der Mensch nicht ohne Vorbedingungen in die Welt hereintritt, da er nicht bloß kommt mit den physischen Vererbungskräften der Abstammungslinie, sondern mit den Kräften, die er sich aus vorigen Erdenleben mitbringt, so kann diese Hingabe zunächst sein an das Schöne und Häßliche, Gute und Böse, Weise und Törichte, Geschickte und Ungeschickte. Da haben wir die Aufgabe, so zu wirken in der Umgebung des Kindes, daß bis in die Gedanken und Empfindungen hinein das Kind ein nachahmendes Wesen des Guten, des Wahren, des Schönen, des Weisen werden möge.

Laten we ons eens die sfeer voorstellen van dat lezen in de mens. We hebben toch gezien hoe het kind op een natuurlijke manier religieus overgegeven is aan zijn directe menselijke omgeving; hoe het een nabootsend wezen is, hoe het al waarnemend zichzelf wilsmatig ontwikkelt wat het onbewust en onderbewust aan de omgeving beleeft. Niet wat de inhoud betreft – want de ziel is naar buiten toe van nature eerst zich openbarende geest -, maar wel wat de hele configuratie betreft zit er religieus karakter, laat ik zeggen, in de lichamelijkheid van het kind vanaf het ogenblik dat het op aarde komt tot aan de tandenwisseling. En omdat de mens niet zonder voorwaarden vooraf op aarde komt, omdat hij niet zomaar met de fysieke erfelijkheidskrachten uit de afstammingslijn komt, maar met de krachten die hij uit vorige incarnaties meebrengt, kan deze overgave allereerst betreffen: het mooie en lelijke, het goede en het kwade, het wijze en het onverstandige, het bekwame en het onbekwame. Dan hebben wij de opgave in de omgeving van het kind zodanig actief te zijn dat het kind tot in zijn gedachten en gevoelens een nabootsend wezen van het goede, het ware, het mooie, het wijze kan worden.
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Over de werking van de omgeving op een kind: zie het ‘hersenvoorbeeld‘ in dit artikel.

Over de werking van tv op kleine kinderenopvoedingsvragen onder nr. 19  m.n. [19-10]

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2203

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.