VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (13)

.

Op deze blog staan en verschijnen artikelen over de jaarfeesten, m.n. die op de vrijescholen worden gevierd. De inhoud van de artikelen kan de motieven waarom gevierd wordt, verduidelijken. Tegelijkertijd is de inhoud de verantwoordelijkheid van de auteur. Dat ze hier verschijnen wil niet per se zeggen dat ze DE opvatting van DE vrijeschool representeren.

RUDOLF STEINER OVER DRIEKONINGEN

Het Driekoningenfeest

Notities van een toehoorder van een voordracht van Rudolf Steiner gehouden in Berlijn op 30 december 1904.

Toelichting
Hetgeen in deze voordracht werd uitgesproken, vormt het enige wat Rudolf Steiner over de betekenis van het feest van de heilige drie koningen heeft gegeven, hoewel de heilige drie koningen als zodanig in de voordrachten veelvuldig genoemd worden. De onderstaande voordracht werd in aansluiting aan de eigenlijke kerstvoordracht gehouden, die als eerste voordracht is afgedrukt in de uitgave „Zeichen und Symbole des Weihnachtsfestes, Drei Vorträge”, Dornach 1977. Vertaald
De kerstvoordracht van het jaar 1903, die voor zover wij weten de allereerste kerstvoordracht van Rudolf Steiner is, is af gedrukt in nr. 32 (kerstmis 1970) van de „Beiträge zur Rudolf Steiner Gesamtausgabe”.
De onderstaande beschouwingen over het driekoningenfeest zijn door Marie Steiner gepubliceerd in het mededelingenblad „Was in der Anthroposophischen Gesellschaft vorgeht” in het jaar 1942 (nr. 1). (Door ons overgenomen uit „Beiträge zur Rudolf Steiner Gesamtausgabe”, Kerstmis 1977. Red.)*

Een feest dat voor onze huidige tijd minder betekenis schijnt te hebben dan het kerstfeest is het feest van de heilige drie koningen – dat op 6 januari wordt gevierd – het feest van de wijze magiërs die uit het Morgenland komen ter begroeting van de pasgeboren Jezus. Dit feest der Epifania zal steeds meer betekenis krijgen, wanneer de ware, feitelijke symboliek van dit feest wordt begrepen. Wij hebben hier te maken met iets zeer belangrijks. Dat kan men reeds daaruit zien, dat een zeer uitgesproken symboliek aan dit feest van de drie magiërs uit het Morgenland ten grondslag ligt. Deze symboliek werd, zoals alle mysteriën, tot in de vijftiende eeuw zeer geheim gehouden en er werden tot op dat moment ook geen bijzondere aanduidingen over gemaakt. Vanaf de vijftiende eeuw wordt echter meer aandacht geschonken aan dit feest van de drie magiërs uit het Morgenland, doordat exoterische afbeeldingen verschijnen die de heilige drie koningen voorstellen als een Moor, een bewoner van Afrika – dat is Kaspar; dan een blanke, een Europeaan – dat is Melchior; en een uitgesproken Aziatische koning, die de huidskleur van de bewoners van India heeft – dat is Balthazar. Zij brengen goud, wierook en mirre als hun offergaven aan het Jezuskindje in Bethlehem.

Het is de diepere betekenis van deze drie offergaven die met de kenmerkende symboliek van dit feest van de zesde januari samenklinkt. Terwijl het feest – esoterisch beschouwd – zeer belangrijk geacht moet worden, is het alleen al de datum die exoterisch de aandacht trekt. Want de zesde januari is dezelfde datum, waarop in het oude Egypte het zogenaamde Osirisfeest werd gevierd, het feest van de weder gevonden Osiris. Zoals bekend wordt Osiris overwonnen door zijn tegenstander Typhon. Hij wordt gezocht door Isis en teruggevonden. Dit terugvinden van Osiris, de godenzoon, vormt de basis van het feest van de zesde januari. Het Driekoningenfeest is hetzelfde feest, met dit verschil dat het christelijk is geworden. Wij vinden dit feest ook bij de Assyriërs, de Armeniërs en de Feniciërs. Overal is het daar een feest dat verband houdt met een soort van algemene doop, waarbij vanuit het water een wedergeboorte plaatsvindt. Dit wijst reeds op de samenhang met de teruggevonden Osiris.

Wat is nu eigenlijk de verdwenen Osiris? De verdwenen Osiris geeft de overgang weer die plaatsvindt gedurende het midden van de lemurische ontwikkelingsperiode van de mensheid. Voor het midden van de lemurische ontwikkelingsperiode waren er geen mensen die begiftigd waren met manas, het huidige geestzelf. Pas in het midden van de lemurische tijd daalde vanuit de goddelijke wereld manas neer en bevruchtte de mensen. In iedere individuele mens wordt een graf geschapen voor het over de mensheid uitgestrooide, aan ieder mens toebedeelde manas. Een graf voor Osiris die voorgesteld wordt als in talloze stukken verdeeld. Het is het goddelijke manas dat opgedeeld en verstrooid is en in de mensen woont. Graven van Osiris worden de menselijke lichamen genoemd in de geheime mysterietaal van Egypte. Manas kan niet bevrijd worden dan wanneer de tijd is aangebroken, dat de wederverschijnende liefde manas kan bevrijden.

Wat is nu de wederverschijnende liefde? Datgene wat bij de bevruchting met manas in het midden van de lemurische tijd geboren werd – iets eerder en iets later – dat was het indalen van het principe van de begeerte. Voor die tijd bestond er geen wezenlijk begeerte-principe. De dieren waren in de voorafgaande tijd nog koudbloedig. En ook de mens zelf was in die tijd niet met warm bloed begiftigd. De mensen uit de maantijd, en aanvankelijk ook de mensen uit de lemurische tijd, kan men in zoverre vergelijken met vissen, dat zij dezelfde warmte bezaten als hun omgeving. De geest Gods zweefde over de wateren, zo spreekt de bijbel over die tijd. Het principe van de liefde was nog niet in het innerlijk der menselijke wezens opgenomen, maar was daarbuiten als het zich openbarende aardse karna (dat is aardse hartstocht). Karna is de egoïstische liefde. De eerste brenger van egoïsme-vrije liefde is dan Christus die in Jezus van Nazareth zou verschijnen.

Wie zijn nu de Wijzen uit het Oosten? Dat zijn de ingewijden die de voorafgaande drie ontwikkelingsperioden representeren. Het zijn de ingewijden van de mensheid tot aan het verschijnen van het Christuswezen, de van egoïsme vrije liefde, de wederopgestane Osiris. Ingewijden waren met manas begiftigde mensen, zo ook de drie Wijzen. Zij bieden goud, wierook en mirre aan als offergave. En waarom verschijnen zij in de drie kleuren zwart, geel en blank? Zwart als Moor, blank als Europeaan en geel als Indiër? Dat hangt samen met de achtereenvolgende ontwikkelingsperioden van de mensheid op aarde. Zwart zijn de oerresten van de lemurische mens, geel zijn de oerresten van de atlantische mens en blank zijn de vertegenwoordigers van de vijfde ontwikkelingsperiode, de huidige na-atlantische mensheid. Wij hebben dus in de drie koningen of magiërs de vertegenwoordigers van de Lemuriërs, de Atlantiërs en de huidige mens. Zij brengen de drie offergaven. De Europeaan brengt goud, het symbool van de wijsheid, de intelligentie die vooral in het huidige na-atlantische tijdperk tot uitdrukking komt.
De ingewijden van de vorige ontwikkelingsperiode, de Atlantiërs hebben als offer iets dat samenhangt met wat voor hun het belangrijkst is. Zij bezaten nog een meer directe verbinding met de goddelijke wereld, wat tot uitdrukking kwam in een soort suggestieve beïnvloeding, een soort van universele hypnose. Deze verbinding met de godheid wordt door de offerhandeling in stand gehouden. Het gevoel van de mens moet omhoogstreven, moet zich verheffen, opdat het door God wederom bevrucht wordt: dat vindt zijn symbolische uitdrukking in de wierook die het algemene symbool is voor het offer.
De mirre is, esoterisch uitgedrukt, het symbool voor het versterven. Wat betekent versterven, wat wederopstanding, zoals wij het bijvoorbeeld hebben in de wederopgestane Osiris? Bedenkt men de woorden van Goethe, waar hij zegt: „En zolang je dat niet hebt, dit sterven en weer worden, ben je maar een droevige gast op de donkere aarde”. Jacob Böhme brengt dezelfde gedachte tot uitdrukking met de woorden: „Wie niet sterft voor hij sterft, die verderft als hij sterft”.
De mirre vormt het symbool voor het in zichzelf doen sterven van het lagere leven en de opstanding van het hogere leven. Daarom ook wordt de mirre aangeboden door de ingewijde van de lemurische ontwikkelingsperiode. Dit heeft een diepe betekenis. Realiseert men zich wie Jezus van Nazareth is. Een hoogontwikkelde Chela (ingewijde) is in hem geboren. Hij heeft in zijn dertigste levensjaar aan de afdalende Christus, de afdalende Logos, zijn leven weggeschonken. Dat alles hebben de wijze magiërs als een toekomstbeeld geschouwd. Het is een groot offer van Jezus van Nazareth, dat hij zijn ik in ruil voor het ik van de tweede Logos geeft. Om een heel bepaalde reden moest dit offer geschieden.

Pas bij het aanbreken van de tijd van de volgende cultuurperiode zal het mogelijk worden, dat de mens (het menselijke lichaam) reeds vanaf de jeugd zover ontwikkeld is, dat zo iets als het Christusprincipe kan worden opgenomen. Pas duizenden jaren later, in de toekomstige zesde ontwikkelingsperiode van de aarde zal de gehele mensheid zo rijp zijn, dat de lichamen niet jarenlang voorbereid moeten worden, maar reeds vanaf het eerste begin in staat zullen zijn het Christusprincipe op te nemen. In de tijd van onze vorige cultuurperiode, de Grieks-Romeinse, moest het menselijk lichaam nog dertig jaar worden voorbereid. (In noordelijke streken hebben wij iets dergelijks, waar de persoon van Sig zo wordt voorbereid, dat hij zijn lichaam ter beschikking kon stellen aan een hoger wezen). In de toekomstige zesde ontwikkelingsperiode van de aarde zal het mogelijk worden, dat de mens zijn lichaam ter beschikking kan stellen aan zo een hoog wezen, zoals door Christus bij de stichting van het christendom werd volbracht. Toen het christendom werd gesticht, was het nog nodig dat een Chela zijn ik offerde, wegstierf, en het omhoog zond naar de astrale wereldruimte, opdat de Logos in het lichaam kon wonen. Dit is iets dat ook verduidelijkt wordt door de laatste woorden aan het kruis. Hoe zou men anders de woorden kunnen begrijpen: mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten? Men kan zien hoe hiermee datgene wordt uitgedrukt wat zich als feitelijk gebeuren eens heeft voltrokken: op het moment dat Christus sterft, heeft God het lichaam verlaten en de woorden worden uitgesproken door het lichaam van Jezus van Nazareth – een lichaam dat zo hoog ontwikkeld was, dat het uitdrukking kon geven aan dit gebeuren. In deze woorden is dus een ongelooflijk grote gebeurtenis uitgedrukt. En dit alles is nu gesymboliseerd in de mirre die het symbool vormt van het offeren, het versterven, het offeren van het aardse, opdat het hogere zal kunnen ontstaan.

In het midden van de lemurische tijd moest Osiris zijn graf vinden, moest manas, het geestzelf, indalen in de mensen. Door de ingewijden werd leiding gegeven aan de ontwikkeling van de mensen totdat het buddhi-principe, het principe der liefde, lichtend opbloeide in de Christus Jezus. Buddhi is de hemelse liefde. Het lagere geslachtelijke principe wordt veredeld door de christelijke liefde. Daardoor is het kama-principe, de geslachtelijke liefde in hemelse glorie opgegaan en werd het in het vuur van de goddelijke liefde gereinigd.

Bij Melchior hebben wij te maken met het principe van de wijsheid, de intelligentie, de opgave van de mensheid in de huidige (vijfde) na-atlantische ontwikkelingsperiode van de aarde. Gesymboliseerd wordt dit door zijn offer: het goud.

Wanneer er sprake is van een cultisch offer, dan komt dat tot uitdrukking in de wierook. Dat is het offer der Atlantiërs, de vierde ontwikkelingsperiode van de aarde. In de loop van de verdere mensheidsontwikkeling zal het christendom in de toekomstige (zesde) ontwikkelingsperiode van de aarde zijn opgave vervuld hebben. Dan zal het gewone fysieke bestaan weer vervuld zijn van sacramentele cultische handelingen, offerhandelingen. De sacramenten hebben in de huidige tijd hun betekenis voor een groot deel verloren. Zij worden niet meer begrepen. Dat kan pas weer, wanneer in de toekomst geschiedt, wat door de wierook gesymboliseerd wordt: als de hogere mens zal zijn geboren.

De dood van Osiris vindt plaats in de lemurische tijd. Zijn opstanding zal zich afspelen in de toekomstige (zesde) ontwikkelingsperiode van de aarde. Wij kunnen dus inzien, dat het feest van de heilige drie koningen door hetgeen zij met hun offerhandeling verkondigen, op de ontwikkelingsgeschiedenis wijst van de mensheid in de derde, vierde, vijfde en zesde ontwikkelingsperiode van de aarde.

Waardoor worden de heilige drie koningen nu geleid en waar worden zij heengevoerd? Zij worden geleid door een ster en zij worden naar een grot gevoerd in Bethlehem. Dat is iets, waarvan de werkelijke betekenis alleen maar kan worden begrepen door iemand die bekend is met de zogenaamde lagere of astrale mysteriën. Door een ster geleid worden betekent niets anders dan de ziel zelf als een ster zien. En wanneer ziet men de ziel als een ster? Men ziet de ziel als een ster, wanneer men haar als een lichtende aura kan waarnemen. Dan verschijnt de ziel als een ster. Maar welke aura is zo lichtend, dat zij kan leiden? – Allereerst hebben wij de aura die alleen maar glimt, die een matte lichtschijn bezit. Die kan niet leiden. Dan hebben wij de hogere aura, de aura der intelligentie. Die bezit weliswaar een stromend licht, een vloeiend licht, maar ook die kan nog niet leiden. Maar de heldere, stralende aura waar buddhi, levensgeest doorheen straalt, is werkelijk een ster, een stralende, leidende ster. Het is de stralende buddhi-ster die opgaat in Christus bij het voortschrijden van de mensheidsontwikkeling. Wat de magiërs lichtend voorgaat, is niets anders dan de ziel van Christus zelf. De tweede Logos( 1) zelf licht hen voor; als een stralend licht boven de grot in Bethlehem.
De grot is niet anders dan datgene waarin de ziel woont: het lichaam. Een helderziende ziet het lichaam van binnen. Voor een helderziend schouwende keert alles om; in het schouwen wordt alles omgekeerd. Men ziet bijvoorbeeld 365 in plaats van 563. Zo wordt door de helderziende het menselijk lichaam gezien als grot, als holte en wat als stralend licht verschijnt in het lichaam van Jezus is de ster van Christus, de ziel van Christus. Dit moet men zich voorstellen als een realiteit die zich afspeelt in de astrale wereld. Het is werkelijk de als een stralende aura lichtende ster van de Christusziel; die leidt de ingewijden van de drie ontwikkelingsperioden van de mensheid tot Jezus, naar Bethlehem.

Het Driekoningenfeest is dus een feest dat elk jaar op de zesde januari gevierd werd. Dit feest zal in de toekomst steeds meer in betekenis toenemen. Op den duur zal steeds beter begrepen worden wat een magiër is en wat de grote magiërs, de meesters zijn. Dan zal men doordat men het christendom leert begrijpen, ook tot een beter begrip van de geesteswetenschap komen.

Vertaling ir. H. de Brey in Mededelingen Antroposofische Vereniging, dec.1988)

1) In de christelijke esoteriek wordt Christus als de tweede Logos (de Zoon of het Woord) aangeduid. De eerste Logos is de Vader, de derde Logos is de Heilige Geest. (H. de B.)

.

Driekoningen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Driekoningen

.

1479-1387

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (14)

.

Op deze blog staan en verschijnen artikelen over de jaarfeesten, m.n. die op de vrijescholen worden gevierd. De inhoud van de artikelen kan de motieven waarom gevierd wordt, verduidelijken. Tegelijkertijd is de inhoud de verantwoordelijkheid van de auteur. Dat ze hier verschijnen wil niet per se zeggen dat ze DE opvatting van DE vrijeschool representeren.

DRIEKONINGEN 

Op 6 januari viert men Driekoningen of Epifanie en dan bakt en eet men het driekoningenbrood, Waarin een boon verborgen is. Die boon is een heilige boon (waar de uitdrukking: heilig boontje! van afkomstig is) en het is de eerste boon die men volgens oud gebruik mag eten na Kerstmis, want „van Moedernacht tot Dertiendag mag men geen bonen eten!”

Moedernacht is de kerstnacht van 24 op 25 december, en dat is de eerste der twaalf heilige nachten, tot aan Driekoningen.
Waarom?
In de stille decembermaand, de Nacht van het Jaar, trekt de goddelijke geest zich, in onze streken, waar het wintert, terug uit zijn stoffelijke belichaming, die hij in de voorzomer opbouwde. Daardoor volgt alles hem naar de onderwereld: de bomen lossen hun waardevolle stoffen op in hun sap en trekken het uit de bladeren weg om het door de stam omlaag te voeren, wat overblijft kleurt het stervende blad goud en geel en rood. De eenjarige verschijningsvorm van de levensgeest: de jaargod, wordt afgebroken en zijn wezen trekt zich terug in allerkleinst bestek: in zaad, boon, bol en wortel onder de aarde. De dieren kruipen in hun holen en gaan de winterslaap in. En ook de mens, meelevend met de geest, volgt hem de diepte in, terug in de grote moederschoot, als elke nacht, de schittering van zijn ziel en karakter afleggend als kleding, om het naakte kind te zijn, dat opnieuw, mét de levensgeest, geboren moet worden, in een nieuwe gestalte in het nieuwe jaar.

De kortste dag met de langste nacht zijn het keerpunt, de zonnewende. Dat is op 21 december, dan wordt die wende als feest in de hemel gevierd. Want al onze menselijke en aardse feesten zijn de flauwe afspiegelingen van hemelse feesten — net als de ware huwelijken, die eerst in de hemel gesloten zijn, en de ware genezingen en bekeringen en uitvindingen. Van de geestelijke sfeer door de psychische sfeer sijpelen zfj door tot in het stoffelijke, concrete: tot in onze kerstbomen en kerstkransen en nieuwjaarswensen. Die drie sferen of elementen: lucht, water en aarde, moet ook de levensgeest doorreizen bij zijn terugkeer naar de stof, waar hij in zijn nieuwe jaargestalte geboren zal worden. Daarom beeldt men hem af als Capricornus: de steenbok met de visstaart, half nog in het water, half op het vasteland. Of als het waterpaard, dat nog in de oude boerenwagens is uitgesneden. Of als Tijl Uilenspiegel, op het koord dansend in de lucht — maar de norne die hem doet in-carn-eren snijdt het koord door, hij valt in het water en klautert op de wal.
Met Nieuwjaar vieren wij de wedergeboorte van de geest in tijd en ruimte en als het goed is, worden ook wij zelf wedergeboren in deze moedernacht en komen met een nieuwe ziel het praktische leven weer in. Zoals in de boon de levensgeest woont met al zijn gecomprimeerde kracht, zo zijn ook wij vervuld van het goede voornemen, geladen met het Heil. Nu moet dat openbaar worden, nu moeten wij het tonen! Epifanie is: openbaring. Levenspraktijk. In de daad moet de geest blijken en werken: in elk woord dat wij spreken en dat met heil geladen zij, in ons eten dat heilig zij, geen dode rommel, in ons werk, waarmee wij gerust geld mogen verdienen dat wij immers voor ons stoffelijk bestaan nodig hebben, maar dat niet enkel óm het geld verdienen gedaan mag worden, maar om, op welke wijze ook, met de geest mee te werken. De levensgeest werkt in ons — werken wij mét hem!

IK ben de muziek van uw lichaam:
Ik ben de stijgkracht uwer sappen, de vibratie uwer zenuwen, de bouwlust uwer cellen —
Ik ben het goud uit uw diepte,
het geheim uwer klieren,
het wonder der opperste samenwerking
aller heilige elementen —
Ik ben het lied van uw zingend lichaam,
dat Mij verwerkelijkt!

Ik ben uw moed en uw werklust,
de bezieling uwer daden,
de vaste kern van uw besluit,
de volharding in de beproevingen der tijden.
Ik ben de kracht van uw hand,
uw pantser in strijd en verschrikking —
Ik ben het lied van uw arbeid —
verricht alleen Mijn heilige arbeid,
wijk niet af!

.

Melly Uyldert, de Kaarsvlam 10-01-1956

.

Driekoningen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Driekoningen

.

1478-1386

.

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – meetkunde (5)

.

VOORBEREIDENDE MEETKUNDE

Gedurende de kinderleeftijd moeten rekenen en meetkunde zo gegeven worden, dat ze bij de leeftijd van het kind passen.
Rudolf Steiner heeft het over een levendigheid in het doen en laten van de mens die daaruit kan ontstaan.
De symmetrie is daarbij heel belangrijk.
De tekeningen die hieronder volgen zijn bedoeld als een kunstzinnig, geen intellectualistisch begin.
Van hier naar het bewijs van de stelling van Pythagoras in de 7e klas, is nog een lange weg. [1]  [2]

Deze bijdrage over de driehoeken is gedacht voor de 4e tot de 6e klas als waarnemende meetkunde.

Onder de vele verschillende driehoeksvormen bevinden er zich een paar die door hun symmetrie en hun ‘karakter’ bijzondere aandacht verdienen. Een nadere kennismaking met deze eenvoudige geometrische figuren is buitengewoon stimulerend.

Eerst noemen we de gelijkzijdige driehoek, het is de oerdriehoek. Behalve de drie zijden zijn ook de drie hoeken gelijk (60º).
De hoogtelijnen, bisectrices, middelloodlijnen en zwaartelijnen zijn allemaal even groot en gaan alle door één punt dat we ‘middenpunt’noemen. Die is tegelijkertijd zwaartepunt, middelpunt van de ingeschreven cirkel en van de omgeschreven cirkel. De lijnen zijn symmetrie-assen:

De halve gelijkzijdige driehoek is rechthoekig, heeft dus een hypotenusa en twee rechthoekszijden. Door het halveren is de symmetrie verloren gegaan. Het verschijnsel links – rechts treedt op. Naast de rechte hoek is de hoek van 30º ontstaan. We gebruiken deze driehoek van hout of kunststof om te tekenen. Er zijn twee soorten, met een linker en een rechter helft die je niet op elkaar kan leggen zonder ze om te draaien. Een halve gelijkzijdige driehoek is meer dan alleen maar een helft:

De gelijkbenige rechthoekige driehoek kan ook als een een half vierkant worden beschouwd. Die is eveneens rechthoekig, heeft echter twee even lange zijden; daardoor is die eveneens nog gelijkbenig. Er is een hoek van 45º, de driehoek heeft een symmetrie-as. Ook deze driehoek gebruiken we als tekendriehoek:
Tot slot moet het paar ‘gouden driehoeken‘ worden genoemd. Het gaat om de driehoeken waarvan de zijden in de verhouding van de ‘gulden snede’ staan. Omdat we een lange en een korte zijde hebben, kunnen we daarmee twee verschillende driehoeken maken: één met twee lange en een korte zijde en één met een lange en twee korte zijden:

De eerste noemen we de ‘scherpe gouden driehoek’ en de tweede de ‘stompe gouden driehoek’. Beide zijn gelijkbenig. Er ontstaan hoeken van 36º, 72º en 108º.

Nu moeten deze driehoeken zichzelf karakteriseren. Daartoe proberen we uit een van de driehoeken figuren te maken. Wat er zich aan mogelijkheden voordoet, is verbazingwekkend groot, hier kan er slechts een deel van worden weergegeven.

Uit zes gelijkzijdige driehoeken ontstaat een zeshoek:

Dit is de basisfiguur
We klappen de driehoeken een voor een naar buiten om en krijgen de zesster:

Klappen we ieder tweede punt weer naar binnen, dan ontstaat er een vergrote gelijkzijdige driehoek:

De randen zijn drie keer zo lang, het vlak is negen keer zo groot.
Wanneer we in de onderste rij de buitendriehoeken naar binnen en de binnendriehoek naar buiten omklappen, ontstaat er een grote ruit:

Hoe de zesster uit de basisfiguur door een gelijktijdig draaiende en verschuivende beweging van alle driehoeken ontstaat, wordt aan de vindingrijkheid van de lezer overgelaten.

De halve gelijkzijdige driehoek biedt ons meer mogelijkheden. Twee gelijke (linker of rechter) laten twee verschillende parallellogrammen of een rechthoek ontstaan:

Van verschillende kunnen we een stompe driehoek maken of een vliegerfiguur:

De derde mogelijkheid geeft de gelijkzijdige driehoek aan ons terug. Vier gelijke helften doen een vierkant ontstaan, waarin een tweede, kleinere, uitgespaard is:

We klappen de driehoeken naar buiten om en hebben dan weer een gelijke (niet in meetkundige zin!) figuur voor ons:

Uit drie paren ontstaat een grote gelijkzijdige driehoek:

Wanneer we alle driehoeken omklappen, hebben we een zeshoek voor ons waarin de oorspronkelijke driehoek uitgespaard is:

Zes gelijke driehoeken vormen twee zeshoeken in elkaar:

en twaalf gelijke driehoeken zowaar een twaalfhoek:

Een opdracht:
Uit zes gelijke driehoeken een zesster maken. Hierbij ontstaat een beweeglijke figuur die wat het middelpunt betreft symmetrisch is.

De gelijkbenige rechthoekige driehoek stelt een beetje teleur: die heeft niet zo’n grote vormenrijkdom te bieden. 2, 4, 8, 16, enz. laten zich tot een vierkant voegen. Maar ook achthoeken!:

De lezer moet zelf de twee verschillende achtsterren vinden waarin de afgebeelde achthoek veranderd kan worden.

Een vrolijke combinatie vertoont 18:

Nu wat betreft het ‘gouden driehoekspaar‘.
Door ze passend bij elkaar te zetten, herhalen ze zich zelf afwisselend in een steeds groter wordende vorm. In afb. 19 is met de scherpe driehoek links begonnen, daarbij een stompe geeft een vergrote stompe. De middelste, schuin op de punt staande scherpe driehoek daarbij, leidt tot een grotere scherpe, die net zo staat als de begindriehoek. Nog een stompe en een scherpe erbij en we krijgen die in afb. 19 getoonde grote stomphoekige driehoek. Daarmee kun je willekeurig verder gaan:

Hoe zou de afbeelding afgemaakt moeten worden om de eerst volgende grotere rechthoekige gouden driehoek te maken?

Een scherpe en twee stompe vormen een vijfhoek:

Van vijf scherpe driehoeken kunnen we het pentagram leggen:

Maar ook vijf stompe driehoeken laten dit rijke teken verschijnen, dit keer als binnenvorm:

Klappen we alle driehoeken naar buiten om, zien we twee vijfhoeken:

Dat betekent niet dat de scherpe driehoek op zich geen vijfhoek zou kunnen doen ontstaan:

Kenners zullen de positie van de driehoeken in afb. 25 in de voorstelling zo metamorfoseren dat enerzijds de vijfhoek van afb. 24 en anderzijds het pentagram van afb. 21 ontstaat:

De mooie ‘tienhoekkrans’ van tien stomphoekige driehoeken is het slot van deze ‘tentoonstelling’.

Natuurlijk kunnen tien scherpe driehoeken ook een tienhoek vormen en ook een tienster.

Als we het samenvatten:
De gelijkzijdige driehoek doet de zeshoek en de zesster ontstaan; ze is verwant met de getallen 3 en 6. Je kan er vierhoeken mee maken, maar geen vierkant; ook geen rechthoek.
Links en rechts van de halve gelijkzijdige driehoek zorgt voor beweeglijkheid. Door de rechte hoek kunnen ook de rechthoek en het vierkant ontstaan. De relatie met de getallen 3 en 6 blijft natuurlijk bestaan, nieuw is de twaalfhoek. We vinden dus verwantschap met de getallen 3, 4, 6 en 12.
De verwantschap van de gelijkbenige rechthoekige driehoek met de getallen 4 en 8 is duidelijk.
De ‘gouden driehoeken‘ verrassen ons door het ontstaan van het pentagram. Er is verwantschap met de getallen 5 en 10.

Waar haal je nu die driehoeken? Je kan ze van karton maken, bijv. Om ze voor de klas te kunnen laten zien, kan je ze met gekleurd karton en klittenband op het bord ‘plakken’.
.

Walter Kraul, Erziehungskunst jrg. 34 -04-1970
.

[1] Die wordt soms ook in klas 6 behandeld.

[2] Onder meetkunde alle artikelen vind je de reeks 2-3/1  t/m 2-3/4 als mogelijke weg naar dit doel.
.

De schrijver van het artikel heeft uit gekleurd hout een ‘vierhoek-vijfhoek- en zeshoeklegspel’ uitgebracht. De verschillende afmetingen van gelijkvormige driehoeken in de legspellen geven nog meer vormenrijkdom dan de hier getoonde voorbeelden.
Bij de genoemde uitgeverij zijn ze op dit ogenblik (02-01-2018) niet voorradig.
.

Meetkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas meetkunde

.

1477-1385

.

.

VRIJESCHOOL – Sprookje (8-4/1-1)

.

Friedel Lenz interpreteerde vele sprookjes. [sprookjes]

Over het Zwitserse sprookje: DE ROOS DIE MIDDEN IN DE WINTER BLOEIT   zegt ze:

Uit vele beelden uit de middeleeuwen komt de roos ons open en zwijgzaam tegemoet. En dat is niet anders in de sprookjes. Ieder land heeft wel zijn rozensprookjes.
Bekijk je de motieven van deze sprookjes, dan zie je de basisgedachten en je kan verbaasd staan over het feit dat deze zo veranderd zijn dat ze precies bij ieder volk passen.
De Zwitsers hebben een mooi rozensprookje. Daarvan zullen de beeldmotieven hier besproken worden.
De rozenstruik gaat met zijn wortel diep de grond in en staat daardoor stevig vast; Met doorns groeit hij de hoogte in en aan de mooie groene takken vormt hij de heerlijke rode rozen met de pure, edele geur. Op de manier waarop hij opbloeit uit de houtige substantie met doornen, kan de mens op een roos lijken als deze zijn innerlijk dor-zijn en zijn hardheid van de ziel overwint, wanneer hij het lagere overstijgt en zijn bloed zuivert van lagere driften.
In de beeldentaal is de roos het symbool van de zuivere, gelouterde bloednatuur in de mens  en heel in het bijzonder het beeld van de liefde van Christus.
Daarom vinden we de roos zo vaak bij de Madonna met het Kind; ook bij het kruis dat door rozen omrankt is.

De derde en jongste dochter van de molenaar wil graag een roos en omdat het hartje winter is, zien we de zin van deze bloem. Uit de koude van de ziel, uit verstarring en verharding moet de Christusliefde opbloeien die ooit als het grootste geschenk van genade door het Christuskind naar de aarde gebracht is – de onzelfzuchtige, al het lagere overwinnend, alle goedheid in zich dragende liefde.
De molenaar moet daarbij helpen. Geheimvol is hij in het innerlijk van de mens actief. Zoals in de buitenwereld het koren vergaard wordt en tot meel gemalen, zodat wij ons brood kunnen bereiden, zo moet innerlijk alles wat de dag aan ervaringen en belevenissen als vrucht opgeleverd heeft, bereid worden zodat daaruit een geestelijk kennen gewonnen kan worden, het ware brood voor de ziel.

Hij moet goed met de katten omgaan, deze molenaar. Want waar de zuivere liefdekrachten gezocht worden, zijn ook de liefdesinstincten, de driften actief. Maar wie ernstig op zoek is naar de rode roos, kan daarmee omgaan zonder dat hij er last van heeft. (Als je het kinderen zou laten schilderen, zou je witte katten moeten schilderen)
Wie hen echter op hoger niveua ontmoet (de molenaar gaat de trap op), wie door zijn driftleven wakker wordt (de grote kat kookt koffie voor hem), wie deze krachten dienen (zoals in het sprookje: ‘Der Müllersbusch und das Kätzchen’) die kan verder, zodat hij uiteindelijk de rode roos vindt. Maar deze roos kun je niet zomaar afbreken. Je moet hem verdienen en je met je hele wezen inzetten om hem van jezelf te maken. Hem bezitten houdt een verplichting in, want het gaat om het geheim van de verandering.
De ontwikkeling van de liefde is in de mensheid al lange tijd bezig tot vervulling te komen en we weten dat we het doel nog bij lange na niet bereikt hebben. In oude tijden gold onder de mensen alleen de liefde van het bloed. Die van hetzelfde bloed waren, koesterden sympathie voor elkaar. Familie, clan, en stam hielden de mensen bij elkaar. Wie tot een vreemd volk hoorde, was een barbaar en werd vaak aan de goden geofferd. De mens kon in de ander nog niet het Ik beleven, dat boven de groep, het volk en het ras uitstijgt – als de mens op zich, als zijn eeuwige wezenskern. Want hij had nog geen bewustzijn van zijn  eigen  Ik. Hoe meer hij een zelfstandig wezen werd en zich tot een vrije persoonlijkheid ontwikkelde, des te meer maakte hij zich los van de bloedsbanden en kon hij dit Ik ook in de ander herkennen. Hij leerde zelfstandig te worden en vanuit hemzelf te handelen. Liefde was geen drift en gebonden aan het bloed, maar een vrij geschenk. Bij deze ontwikkeling hielpen geestelijke wezens die zo op het menselijk bloed inwerkten, dat ze daarmee de impuls van vrijheid, van zelfstandigheid, van trots aanlegden. Dat waren de luciferische geesten, de gevallen engelen die zich losgemaakt hadden uit het samengaan met de zich ontwikkelende goddelijke machten en op de mens begonnen in te werken. Lucifer wordt ook ‘de oude slang’ genoemd. [1]

De impuls van de vrijheid kan er echter ook toe leiden dat de mens iedere binding, ook die goed is, loslaat, dat hij zich in tegenstelling tot alles en iedereen een eilandje voor zichzelf bouwt, waarop hij  alleenheerser wil zijn. Hoog-moed, over-moed zijn luciferische eigenschappen. Zelfstandigheid en Ik-gevoel kunnen tot trots leiden, tot egoïsme worden, wanneer de mens zoveel van zijn kleine Ikje houdt, dat hij het boven alles verheft en de leefomgeving veracht of tiranniseert, in plaats van zich er liefdevol aan te wijden.

Dit alles spreekt uit het beeld: de koningszoon is door een boze heks in een afgrijselijke slang veranderd. Hij woont daar waar hij naar de roos kan kijken, maar hij kan deze niet afbreken. Zijn hogere Ik is een  lager ego  geworden. Het leeft wel met het verlangen, al het kwaad in zich te overwinnen, maar het weet ook, dat het alleen dan een onzelfzuchtig, liefhebbend Ik kan worden, wanneer de ziel die in het bezit is gekomen van deze liefde, zich helemaal met hem kan verbinden, wanneer hij een zo diep mogelijk bezield wezen kan worden. Bloedsliefde en egoïsme zijn fasen op weg naar de ware liefde, maar wel fasen die doorlopen moeten worden. Dat dat lukt, daarbij helpt dat hoge wezen dat zich uit vrije liefde geofferd heeft en zich met het lot van de mensheid heeft verbonden, Christus. Hij overwon Lucifer. Wanneer we kunnen zeggen: niet Ik, maar de Christus in mij’, is ook in ons de oude slang gemetamorfoseerd.

De derde en jongste dochter zegt steeds ‘ja’ tegen iedere ‘vrijer’. En zonder angst gaat ze het rijk van de slang binnen.
In de derde nacht ontsteekt ze het licht. Het motief lijkt op dat van Psyche en Amor, al is het anders. Psyche wordt door de beide zusters opgehitst naar de geheimzinnige echtgenoot in de nacht, te kijken, die ze nog nooit met eigen ogen heeft gezien. Zij steekt uit nieuwsgierigheid en tegen het gebod van Eros, de lamp aan. Drie druppels olie vallen op hem en hij vlucht weg en zij moet hem zoeken onder pijn en leed.
In alle sprookjes waarin de jonkvrouw de rode bloem van de liefde, de rode roos, zoekt, is dit gebod niet nodig. De liefhebbende ziel is niet nieuwsgierig en ze heeft geduld. Voor ons sprookje betekent dat: ze vatte moed! Zij had de moed om te leren kennen, om de betovering ongedaan te maken en verlossing te schenken. Ondanks dat – er valt een druppeltje olie op de jongeling, is hij nog niet helemaal bevrijd uit de luciferische macht.
Nooit kan de ziel, zoals deze is, de geestelijke bruidegom verlossen, vóór ze niet zelf volledig gelouterd is en een ‘hogere ‘ziel is geworden. Zij moet de tegenovergestelde goede eigenschappen ontwikkelen, die nog ontbreken. ‘Je moet door de wijde wereld trekken, tot je een paar ijzeren schoenen versleten hebt.’
Wie een tekort aan ijzer in het bloed heeft, wordt bleek, apathisch, wilszwak; ijzer maakt actief, wakker en daadkrachtig. IJzeren schoenen trekken naar beneden, geven aardezwaarte en aardegebondenheid. We leren waaraan het het Ik ontbrak: het stond te weinig in het leven, het had zich misschien dwepend en hoogmoedig, eenzijdig op een wereld gericht die het wereldvreemd maakt. Daarom moet de ziel zich nu helemaal op de aarde richten, krachtig en uit vrije wil in het leven staan en niet wegvluchten in idealistisch enthousiasme. Voor de ziel waarin een nieuw geestelijk leven kiemt, is de levensweg zwaar en die in een nieuwe vorm wil verschijnen waarin een nieuw mensdom opleeft. In haar komt het ware, liefhebbende zelfloze Ik tot rijping, ‘het geesteskind in de schoot van de ziel’, zoals de mystici uit de middeleeuwen zeggen.
‘Je moet de ijzeren schoenen in een warme koeienvlaai leggen, dan worden ze broos’, zegt de oude vrouw tot het meisje. Een eerste gevoel komt in de ziel op dat zich vanuit de beperktheid van het innerlijk leven tot een wereldomvattend bewustzijn komt, dat ze deemoedig dienstbaar moet zijn. Want de warme koeinvlaaien zijn alleen maar in de stal te vinden en werken in de stal is een nederig, deemoedig werk, zegt het Zwitserse herderssprookje.
Waar moed om te dienen ten grondslag ligt aan de omwerking van de aarde, zal de weg weldra afgelegd zijn.
Het meisje bereikt het slot van de goede koningin en brengt ’s nachts een jongetje ter wereld. Op het ogenblik van de geboorte verkondigt een stem, wie dit jongetje zal worden: het is het doorchristelijkte Ik, dat de genade van de verlichting deelachtig is. Het steunt op die kracht die als de weerspiegeling en weerschijn van de wijsheid in hem leeft. Dit Ik wordt niet door zijn driftnatuur betoverd, maar het zal zich ook niet wezensvreemd uit deze natuur terugtrekken. Het zal zijn driften sturen met de staf van de schoonheid, zoals ook aan de jongeling opgedragen is door de zilveren koning in Goethes sprookje ‘Van de groene slang en de witte lelie.’
Maar dit geheim van een metamorfose moet zich in stilte voltrekken. ‘Wanneer de hanen niet kraaien en de klokken niet beieren, zal ik naar je toe komen.’
Waar het ware Ik geboren is, moeten alle lagere Ik-instincten zwijgen. Pas dan kan het zich volledig vertonen.
In Amor en Psyche wordt Psyche na haar lijdensweg in de godenhemel opgenomen. In ons sprookje wordt het rijk van de hemel  door de liefhebbende ziel naar de aarde gehaald die Lucifer overwint en het geesteskind baart. Daarmee komt het kerstgeheim van de menselijke ziel tot vervulling:
de rode roos midden in de winter, is de roos die uit de wortel van Jesse opbloeit.

Friedel Lenz, der Elternbrief, nadere gegevens onbekend.

[1] Zie kerstverhalen nr. 2

sprookjesalle artikelen

vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld1e klas                           sprookjes  (Grimm)

.

1476-1384

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookje (8-4/1)

.

(Dit is niet het kerstverhaal over de kerstroos)

Een rozensprookje uit Zwitserland

DE ROOS DIE MIDDEN IN DE WINTER BLOEIT

Er was eens een molenaar die drie dochters had. De twee oudste deden uit de hoogte, de jongste echter, was bescheiden en goed.
Op een dag wilde de molenaar naar de markt. Toen wilden de beide oudste dochters heel graag, dat hij voor hen prachtige kleren zou kopen, de jongste echter wilde heel graag een bloeiende roos hebben.
De vader kwam op de markt en kocht kleren, maar nergens vond hij een bloeiende roos, want het was hartje winter.
Op de terugweg kwam hij langs een kasteel. De poort ging uit zichzelf voor hem open. Hij liep naar binnen en de poort sloot zich weer. Overal heerste diepe stilte, het scheen hem toe dat niemand het slot bewoonde. Tenslotte beklom hij een trap en toen kwam hij in een keuken die hij binnen ging. En kijk nu, daar brandde een helder vuur. Op de kachel zat een grote kat, de juist koffie aan het malen was en die keek hem vriendelijk aan. Toen ze klaar was met de koffie zei ze: ‘Miauw.’  Toen kwamen er een heleboel katten. De molenaar werd in het gezelschap opgenomen en de koffie werd in mooie kopjes opgediend. Er was veel lekkers bij.
Na het gastmaal bracht de grote kat de molenaar in een prachtige kamer waar  hij de hele nacht rustig zou kunnen slapen.

De andere morgen ging hij de tuin in en kijk, het was geen winter meer, maar heerlijk zomers. Middenin de tuin bevond zich een bron en naast de bron stond een prachtige rozenstruik en aan het topje bloeide één wonderschone roos. Heel blij dat hij nu toch nog aan de wens van zijn jongste dochter zou kunnen voldoen, brak de molenaar de roos af. Maar op hetzelfde ogenblik hoorde hij een stem en een afgrijselijke slang gleed uit de bron omhoog. De slang wendde zich tot de molenaar en sprak: ‘Omdat je mij beroofd hebt van de aanblik op de roos, moet je mij je dochter geven; als je dat niet belooft, moet je sterven!

Diep bedroefd ging de molenaar naar huis. Toen hij de roos aan het meisje gaf, sprak hij: ‘Lieve dochter, deze roos is mij duur komen te staan: want ik heb jou als prijs moeten beloven aan een afgrijselijke slang. Maar liever sterf ik nog, dan dat ik mijn woord niet houd.’
Nu werden de beide oudste dochters boos op haar en begonnen te schelden: ‘Net goed! Nu krijg je ook eens je straf voor dat je altijd maar iets bijzonders hebben wil. Als je ook een jurk gevraagd had zoals wij, dan had je onze vader dat leed kunnen besparen.’
Toen troostte de jongste haar vader en verzekerde hem: ‘Wees niet terneergeslagen! Ik ga me meteen klaarmaken om naar dat kasteel te gaan. Wat zou die afgrijselijke slang mij kunnen doen?’

Zo ging ze dus naar het kasteel.
De katten heetten haar welkom en ze werd allervriendelijkst behandeld. Na de gastmaaltijd brachten ze het meisje naar een prachtige kamer om te slapen. ’s Nachts hoorde ze dat iets op haar bed afkwam, maar ze durfde het licht niet aan te steken en te kijken wat het was. De andere nacht ging het net zo. De derde nacht echter, vatte ze moed en stak het licht aan en kijk, daar zat een schone jongeman naast haar en hij sprak: ‘Ik ben een koningszoon, een boze heks heeft mij in een slang veranderd, maar jij hebt me bevrijd!’
Nu had het meisje bij het aansteken van het licht een druppel olie op het hoofd
van de jongeman gemorst en daardoor had de heks nog niet alle macht over hem verloren. De koningszoon vroeg aan het meisje of zij zijn bruid wilde worden en het meisje stemde ermee in. ‘Maar,’ sprak hij: ‘Nu ben ik nóg niet helemaal verlost. Want jij moet nu de hele wereld door, net zolang tot je een paar ijzeren schoenen kapot gelopen hebt. Dan pas mogen we samen zijn.’
Met deze woorden verdween de koningszoon en het hele slot met hem. Op de plaats ervan stond in de winterse kou een doornstruik met een paar ijzeren schoenen ernaast.
Het meisje trok de schoenen aan en ging met bedroefd hart de wereld in.
Onderweg kwam ze in een groot bos en daar kwam ze een oude vrouw tegen. ‘Waarom loop jij op ijzeren schoenen?’, vroeg ze. Het meisje vertelde alles wat haar was overkomen. Toen troostte de oude vrouw haar en sprak: ‘Ik geef je een raad. Je moet de schoenen in een warme koevlaai leggen, dan worden ze snel broos.’
Het meisje volgde haar raad op en binnen een paar maanden waren de schoenen versleten.

Op haar dwaaltocht kwam het meisje in een stad en daar ging ze naar het koninklijk kasteel en vroeg om onderdak. De koningin had een meevoelend hart en liet het arme meisje vriendelijk binnen. ’s Nachts echter, kreeg het meisje een kind, een jongen. Op hetzelfde ogenblik dat de jongen werd geboren, hoorde je een stem die riep: ‘De gouden schaal en de zilveren staf! Wanneer je grootmoeder het zou weten, zou ze je in gouden windsels wikkelen. Wanneer de hanen niet zouden kraaien en de klokken niet zouden beieren, kwam ik naar je toe!’

De volgende avond gaf de koningin aan twee dienaressen het bevel bij de jonge moeder en het kind de wacht te houden. Om twaalf uur hoorden ze weer die stem die dezelfde woorden sprak: ”De gouden schaal en de zilveren staf! Wanneer je grootmoeder het zou weten, zou ze je in gouden windsels wikkelen. Wanneer de hanen niet zouden kraaien en de klokken niet zouden beieren, kwam ik naar je toe!’

De dienaressen vertelden het aan de koningin en die was heel verbaasd en ze wist niet wat het te betekenen had. Toen gaf ze het bevel alle hanen in de hele stad te slachten en alle klepels van de klokken vast te binden en de volgende nacht hield ze zelf de wacht. Op het middernachtelijk uur riep dezelfde stem weer: ‘De gouden schaal en de zilveren staf! Wanneer je grootmoeder het zou weten, zou ze je in gouden windsels wikkelen. Wanneer de hanen niet zouden kraaien en de klokken niet zouden beieren, kwam ik naar je toe!’
Toen riep de koningin: ‘Maar de hanen kraaien niet en de klokken luiden niet, dus kom naar ons toe!’
En zie: opeens stond haar eigen zoon voor haar. Het was de koningszoon, die ooit in die afgrijselijke slang was veranderd en nu door het meisje was verlost.
Toen was er in het koninklijk slot grote vreugd en er werd een grote bruiloft gevierd.

Der Elternbrief, nadere gegevens onbekend

Friedel Lenz heeft dit sprookje geïnterpreteerd.

sprookjesalle artikelen

vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld1e klas                           sprookjes  (Grimm)

.

1475-1383

.

.

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (3-1/1)

.

  SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

Na 100 jaar vrijeschool kun je niet zeggen dat de vrijeschoolbeweging heeft bijgedragen aan een grotere ‘vrijheid van onderwijs’; aan de impuls voor een vrijer geestesleven.

In zijn nawoord bij de uitgave van Steiners ‘Opvoedkunst-methodisch-didactische aanwijzingen‘ schrijft Christof Wiechert:

‘De avond voordat de cursussen op 20 augustus 1919 begonnen werd een bijeenkomst belegd, waarin Steiner de cursisten voor­hield dat deze nieuwe pedagogie niet beperkt bleef tot het les­geven alleen. Ook de sociale ‘gestalte’ van de school zou de geest van deze nieuwe pedagogie tot uitdrukking brengen. Een nieuwe werkwijze vraagt om nieuwe sociale vormen. Het zou bijvoorbeeld geen school worden waarin een directeur zou bepalen wat er moest worden gedaan. Het zou geen werk worden dat je vanuit een luie stoel zou kunnen doen. Ieder zou volledig verantwoordelijk wor­den voor alles wat hij deed, voor alles wat de school zou betreffen.

‘Daarom zullen we de school niet volgens overheidsprincipes, maar volgens organisatorische principes inrichten, namelijk repu­blikeins. In een werkelijke lerarenrepubliek zullen we niet achter­over kunnen leunen, niet kunnen aanleunen tegen regels die van de schoolleiding komen, maar moeten we zelf inbrengen wat ons de mogelijkheid geeft, wat ieder van ons de volle verantwoorde­lijkheid geeft voor wat ons te doen staat. Ieder moet individueel volledig verantwoordelijk zijn.

Dat wij geen schoolleiding zullen hebben, kunnen we onder­vangen door deze voorbereidende cursus te houden, door ons daarin eigen te maken wat de school tot een eenheid smeedt. We zullen die eenheid bereiken door deze cursus, als we ons echt se­rieus inzetten.’

Opmerkelijk aan deze toespraak is dat schoolleiding opgevat wordt als richtinggevend, identiteit stichtend, eenheid schep­pend. Eenheid in de zin dat uit één geest gewerkt wordt, uit één herkenbare, eenduidige kwaliteit. Later werd deze functie overge­dragen aan de lerarenvergadering. De toekomstige leraren wisten dus wat hen te wachten stond.’

Geen schoolleiding betekende toen vooral ook geen directie, geen directeur. Het ging om andere vormen van leiding geven – in overeenstemming met de idee van de sociale driegeleding.
Deze idee is m.i. indrukwekkend uitgewerkt door Dieter Brüll in zijn: ‘De sociale impuls van de antroposofie’.

Nu ook alle vrijebasisscholen een directie, c.q. een directeur hebben – de middelbare scholen liepen voorop – is dat een indicatie dat ook op dit gebied de ‘sociale impuls van de antroposofie’ geen realiteit is geworden.

Jaren geleden al werd Steiners oproep om ‘een republikeinse leiding’ al uitgewerkt door een van de leerkrachten van de vrijeschool in Stuttgart, Ernst Lehrs. Zijn opvattingen zijn niet door iedereen geaccepteerd als dat wat Steiner bedoelde. (Dieter Brüll: republikeins en democratisch (nog niet oproepbaar)

ERNST LEHERS:

REPUBLIKEINS, NIET DEMOCRATISCH

Toen Rudolf Steiner vanuit het lerarencollege van de Waldorfschool in Stuttgart in de eerste jaren van haar bestaan eens gevraagd werd, wat voor een vorm de juiste voor zo’n college zou zijn, gaf hij ten antwoord: Een republikeinse, geen democratische.

In de loop van de volgende jaren, toen we na Dr. Steiners dood worstelden om een doelmatige vorm van samenwerking binnen dit college, werd het ons duidelijk, wat met deze aanwijzing bedoeld werd, en dat daarmee een geheel nieuwe sociale opgave gegeven was die aan de geest van onze tijd beantwoordde. In het beleven en ondervinden van dit worstelen, kon ook duidelijk worden wat de moeilijkheden voor een juiste oplossing van deze opgave zijn. Aan de andere kant bleek, dat aan de Antroposofische Vereniging, die tijdens de “Weihnachtstagung” opgericht werd, juist deze sociale taak in het groot gesteld werd. Rudolf Steiner heeft zelf het beste voorbeeld voor republikeins handelen gegeven, daar hij de oprichting tot in details in de hand had.

Het wel en wee van de Vereniging maakt het wenselijk dat ook eens van deze kant de grondbeginselen belicht worden.

Om niet gelijk met een begripsbepaling te beginnen, begin ik liever met een praktisch voorbeeld dat mij, nog voordat ik kennis genomen had van Dr. Steiners aanwijzing, vlak voor het begin van mijn eigen leraarschap aan een Waldorfschool, opviel. Dit voorbeeld heb ik, vanwege de betekenis die ik er meteen aan toekende steeds levend in mijn herinnering gehouden. Het was na een generale repetitie voor een maandelijks schoolfeest, die ik enige tijd voor mijn verhuizing naar Stuttgart tijdens een voorbespreking met Dr. Steiner had bijgewoond.

Daar hoorde ik twee euritmiejuffen kritiek geven op de volgorde van het programma, waaraan zij met een of meer opvoeringen deelnamen.

Daar hun kritiek eensluidend was, vroeg ik hun verbaasd, waarom ze de volgorde niet veranderden of lieten veranderen. Toen legden zij mij uit dat het een besluit van het gehele college was om aan één collega het bepalen van de programmavolgorde toe te vertrouwen. Tussen de repetities en de generale repetitie had hij deze volgorde vastgelegd, waarna een verandering niet meer mogelijk was. Als iedereen tot op het. laatste ogenblik zich ermee zou blijven bemoeien, zou er nooit iets tot stand komen.

Als wij eenmaal zelf iemand uit ons midden een opdracht gegeven hebben, moeten wij ons natuurlijk bij zijn besluiten neerleggen, al zijn wij het er innerlijk niet mee eens. Had ik toen Rudolf Steiners principiële aanwijzing al gekend (die het college als geheel echter nooit bewust in zich opgenomen had) dan was mij het “republikeinse” trekje hierin meteen duidelijk geweest. Toen hiertegen later zo bedroevend veel gezondigd werd, moest ik vaak aan deze belevenis terugdenken.

Wat onderscheidt een republikeinse van een vroegere theocratisch-hiërarchische bestuursvorm en wat had Rudolf Steiner in de zin toen hij deze in tegenstelling tot een democratische bestuursvorm juist een “republikeinse” noemde?

Zoals wij weten, waren de sociale structuren van de mensheid puur verticaal door de geestelijke leiding van boven af bepaald. Het invoeren en handhaven van deze structuren was voor de ingewijde priesters weggelegd.
De stand waar de leden van deze samenleving toe behoorden, was op grond van de door de geboorte bepaalde bloedsbanden vastgelegd. Daardoor waren de capaciteiten en daarmee de mogelijkheden tot functioneren van de enkeling in de gemeenschap, bepaald. Het was de taak van de ingewijde die de godheid vertegenwoordigde, respectievelijk de godheid die door de ingewijde werkte om deze kwaliteiten op de juiste plaats in te zetten.

In de plaats van deze verordening kwam in Griekenland voor het eerst de democratie; in Rome de Republiek. Van deze democratie maakt men zich echter een verkeerde voorstelling wanneer men het hedendaagse begrip van de democratie hierop toepast. Het woord betekent weliswaar volksheerschappij en het moest uitdrukken dat datgene wat vroeger puur van bovenaf geordend en bestuurd werd, nu in handen van de leden van het sociale organisme zelf gelegd werd. Maar het volk was nog steeds een door bloedsbanden verbonden groep met een gemeenschappelijke groepsziel, waardoor de werking van een bepaald goddelijk wezen ervaren werd.
Op deze groepsziel beriep men zich daarom ook bij alle gemeenschappelijke aangelegenheden en men voelde dat men aan de groepsziel ook verantwoording schuldig was.
We herinneren ons hoe Rudolf Steiner het geval Aristides beschreef, een individualiteit, die zijn tijd ver vooruit was, door zijn medeburgers hoog geëerd en zelfs met de bijnaam “de rechtvaardige” aangeduid werd. Tegelijkertijd werd hij echter verbannen omdat hij uit de groepsziel viel. Pas in Rome verdween deze nog steeds verticale blik naar boven en voor het eerst kwam het begrip van de “socius” van de kameraad op (waaruit dan de uitdrukking “sociaal” met al haar verschillende toepassingen ontstaan is) overeenkomstig de nieuwe in vergelijking met de vroegere horizontale blik. En zo legt de Romein er de nadruk op dat de ordening en regeling van de gemeenschappelijke aangelegenheden “openbare zaak -res publica- is”.

Wel was het nodig dat het sociale geheel verticaal gerangschikt werd, maar dit kwam voort uit besluiten van de socii, die genomen waren op grond van de hun allen toegankelijke inzichten in de gemeenschappelijke belangen en op grond van hun zelfgevormd oordeel over de geschiktheid van hun medeburgers, die zij een bepaalde functie willen toevertrouwen.

En toch had Rome aan het begin van zijn geschiedenis nog een tot op zekere hoogte kosmisch verbonden koningschap nodig. En het blijkt uit het uitmonden van de romeinse geschiedenis in het keizerschap met zijn zelfvergoding van de almachtige heerser, hoe weinig de mensheid in staat is op den duur meester over een dergelijke sociale ordening te blijven.

Voor ons doel moeten we nog een ander sociologisch begrip verduidelijken, namelijk de aristocratie. Het moderne taalgebruik kent dit woord als aanduiding voor een bevolkingslaag die zich door een bepaalde bloedsband van andere lagen onderscheidt. Met deze bloedsband waren rechten en plichten van een hogere aard binnen de menselijke maatschappij verbonden die echter tegenwoordig, niet meer gelden.
Daarmee is dit woord echter ver afgedwaald van zijn oorspronkelijke betekenis. Want ten eerste betekent het letterlijk een sociale ordening en geen stand, net als het woord democratie, en ten tweede betekent het op zich een heerschappij der besten, waarbij het sociale “beter-zijn” echter door de bloedsband bepaald was.

In de strijd tegen de traditionele aanspraken van een verticale “aristocratische” sociale ordening die puur en alleen gebaseerd is op door bloedsbanden bepaalde voorrechten, kwam in de nieuwe tijd het begrip van de democratie op, nu echter zonder die antieke relatie met de bovenzinnelijke kant van de “demos”. Ieder maakt in dezelfde mate deel uit van het volk en bepalen als gelijken onder elkaar hun gemeenschappelijke aangelegenheden.
Het is niet mogelijk en ook niet nodig om er hier in detail verder op in te gaan, hoe dit tot het parlementarisme heeft geleid met zijn verschillende systemen van vertegenwoordiging van groepsbelangen door gekozen vertegenwoordigers en hoe door de methode van de meerderheidsbesluiten de uitwerking wan de sociale impuls die op zich aan de eisen van de tijd voldeed, juist tegengehouden werd. (Zie voordracht III in “Geschichtliche Symptomatologie” gehouden op 20 oktober 1918 in Dornach GA. 185).

Het is echter juist deze vervalsing – veroorzaakt door de aanvankelijk bestaande onbekwaamheid van de mensen van de nieuwe tijd om voor de nieuwe sociale impuls de overeenkomstige begrippen te vormen – die tegenwoordig in de Westerse wereld algemeen als democratie wordt aangeduid. Op dit begrip van de democratie had Rudolf Steiners aanwijzing “niet democratisch” betrekking.

We willen nu proberen om aan de hand van het begin geschetste voorval uit het leven van de Waldorfschool te verduidelijken wat in tegenstelling tot de democratie, in de laatst genoemde betekenis, een republikeinse gemeenschapsordening is.
Graag knoop ik daarbij nog eens aan bij mijn ervaringen, die ik opdeed tijdens de lange periode als Waldorfleraar.

De lerarenconferenties van onze scholen zijn altijd in een pedagogisch en een organisatorisch gedeelte opgesplitst (met verschillende namen voor dit laatste gedeelte). Het is dit laatste gedeelte waar wij vaak het moeilijkst vat op kunnen krijgen, juist omdat het de scholingsbasis voor het nieuwe sociale gedrag vormt. Wij willen ons daarom hier slechts bezighouden met dit organisatorische gedeelte. Het is kenmerkend dat dit gedeelte in een school met een directeur niet bestaat. Want alleen daar waar de “zaak” (res) van de school een aangelegenheid is van alle leraren (publica) is zo’n organisatorisch gedeelte nodig.

In zo’n college heeft dus elk lid het recht en de plicht om over alle interne of externe aangelegenheden betreffende de school geïnformeerd te worden. Ook heeft elk lid het recht en de plicht om aan gemeenschappelijke meningsvorming over de te nemen maatregelen voor het bestuur van de school – in het groot en in detail – mee te werken. Voor de uitoefening van afzonderlijke zaken zoals – de relatie met de overheid met de ouders, het beheer van de financiën, het beheer van de gebouwen en de leermiddelen enz. het voorzitterschap van de conferentie – zijn mensen nodig die deze functies toevertrouwd krijgen.

Zij worden door het college benoemd vanuit het gezichtspunt dat zij op dat moment de “besten” voor deze functie zijn. Deze benoeming mag en moet – om voor de hand liggende redenen, waar wij echter nog dieper op in zullen gaan – in het algemeen voor een bepaalde tijd gelden.

De duur van deze tijd wordt ook gemeenschappelijk vastgelegd. Indien de gemeenschap op deze in eerste instantie democratische wijze een hiërarchie van functionarissen opbouwt, is de relatie hiertoe vanaf dat moment niet meer puur democratisch.
Want nu wordt die regel van kracht, waarvoor ik het eerder geschetste voorbeeld uit het leven van de school ter verduidelijking aanhaalde.
Want voor de duur van hun ambtsuitoefening vormen deze functionarissen t.o.v. het college een “aristocratie” met wiens maatregelen het volk in moest stemmen. Bij deze tussenfase van democratie naar de ware republiek die zoals hier duidelijk wordt geenzins in tegenstelling tot het ware begrip van de aristocratie staat, komen nu echter twee wezenlijke factoren naar voren. Als men hier niet steeds rekening mee houdt en ze bewust handhaaft, dreigt de republiek voortdurend of tot een pure democratie of tot een oligarchie (heerschappij der weinigen) te vervallen. Het zijn deze factoren waartegen vanuit de menselijke aard steeds weer gezondigd wordt en het is een ware kunst deze te herkennen en in ons levenspatroon op te nemen. Maar daarin schuilt nu juist de moeilijke, maar eigenlijke sociale taak. Want zoals we zullen zien is dat niet zonder een offer van beide kanten mogelijk.
Als de functionarissen eenmaal hun taak op zich hebben genomen, moeten zij deze naar beste weten kunnen vervullen. Maar een mens kan nu eenmaal op zijn best werken als hij in meerdere of mindere mate creatief bezig kan zijn. Daarvoor moet hem echter de mogelijkheid geboden worden vrije initiatieven te ontplooien, want slechts dan is hij in staat vanuit zijn ik te werken. Daarbij mag hij dus niet worden gehinderd omdat men er zich voortdurend democratisch mee bemoeit, of zelfs op democratische wijze besluiten over zaken neemt die op zijn terrein liggen en hem dan ook nog dwingt deze uit te voeren. In de praktijk is het al niet meer makkelijk om op dat punt een stapje terug te doen. Want de functionaris wordt door de groep weliswaar gekozen omdat hij naar verhouding de beste is, maar niemand is volmaakt en het kan gebeuren, dat in het ene of andere geval een niet functionaris de zaak werkelijk beter had gedaan. Dan moeten zij achter hun besluit om een enkeling uit te kiezen, blijven staan en moeten zij elke consequentie van de handelwijze van de functionaris aanvaarden en broederlijk met hem dragen. Als hij op den duur ongeschikt blijkt te zijn, dan heeft men de mogelijkheid hem na afloop van zijn ambtstermijn – of in uitzonderingsgevallen reeds eerder, hem door iemand anders te vervangen.
Maar een vermeend of, werkelijk falen in zijn functie mag er echter niet toe leiden dat men de verdere ontplooiing van zijn vrije initiatieven beperkt of verhindert. Want dan zal hij stellig steeds meer fouten gaan maken! En terwijl men denkt dat hij zelf het bewijs aangedragen heeft om zijn capaciteiten te wantrouwen, ziet men niet dat men daaraan zelf schuldig is.
Toen ik in het begin van de jaren twintig lid van de Vereniging werd, waren er in Stuttgart veel van zulke “lijken”, een uitdrukking die Dr. Steiner zelf gebruikte.

Ik kan mij nog menig geval herinneren, waarbij het college van leraren in de democratie was afgegleden, waarbij de kracht van het individu om initiatieven te nemen verlamd en zelfs bijna geheel vernietigd was.

En daaraan veranderde ook niets toen men van meerderheidsbesluiten afstapte in de veronderstelling dat daardoor de democratie vermeden zou worden, en men unanimiteit tot een voorwaarde voor besluitvorming maakte. De betreffende functionaris kon dan wel een goed bedacht plan ter tafel brengen, maar de tegenspraak van slechts één collega was al genoeg om de uitvoering van het plan te vrhinderen. Velen stelden zich dan gerust met de gedachte dat er “tenminste” niets gebeurde.

Maar in werkelijkheid ligt deze situatie geheel anders. Ik wil dit illustreren aan de hand van het beeld dat vóór het ter tafel brengen van het initiatief in het college een “nulniveau” met een positief veld erboven en een negatief veld eronder bestond. Door het inbrengen van het initiatief ontstaat in eerste instantie een situatie boven het nulniveau. Als het initiatief echter op de geschetste manier de grond in geboord wordt, zakt de situatie niet op het nulniveau terug maar zakt even ver eronder als het voordien erboven lag.
Op deze wijze worden in het levensorganisme van een dergelijke instelling geestelijke lege ruimten gecreëerd, waarin juist het tegenovergestelde van de goede geesten van de betreffende groep mensen gaan werken.
De zaak ligt anders als door de ruggenspraak van de functionaris met de groep de functionaris zelf ervan overtuigd is geraakt dat hij beter niet of anders moet handelen.

Maar dat brengt ons op het andere aspect van het hier besproken sociale probleem. Ondanks de grote “aristocratische” vrijheid, van de functionarissen moet de “res” immers een “publica” blijven, de zaak is de zaak van de gemeenschap.
Dat maakt het noodzakelijk dat de groep voortdurend door juiste informatie de hun betreffende belangen in het bewustzijn heeft, en wel zo dat de enkelingen over de voorwaarden beschikken om een objectief oordeel te kunnen vormen en daardoor de functionarissen doelmatig te kunnen adviseren. Aan de kant van de functionarissen bestaat het gevaar dat het bij hun taak behorende aristocratische element in oligarchie ontaardt, als zij op grond van hun behoefte om hun handelingsvrijheid te behouden de groep niet genoeg informatie verstrekken, noch rekenschap afleggen. Deze situatie ontstaat gemakkelijk juist daardoor dat de groep haar adviesrecht overschrijdt doordat zij, zoals reeds werd geschetst, de in haar kring geuite meningen als richtlijnen aan de functionarissen proberen op te dringen. Het is zijn plicht om serieus naar elke mening en elk advies te luisteren, of en in hoeverre hij ze voor zijn handelen gebruikt, is zijn eigen keuze.

“Vrijheid opofferen ter wille van een hogere vrijheid”, heeft Rudolf Steiner eens als motto voor geestelijk verplichtende menselijke samenwerking gebruikt. Zonder dit is een echte republiek of zoals wij haar nu misschien wel mogen noemen een echte aristo-democratie niet mogelijk. Als men er aan beide kanten elke dag weer naar streeft het noodzakelijke offer te brengen – aan de kant van de “demos”: het handelen van de “aristoi” als zelf gekozen lot te aanvaarden en mede te dragen en aan de kant van de aristoi: aan de “demos” de rol van het eigen bewustzijnsorgaan toe te kennen – dan ontstaat er tussen twee polen een ritmische tussensfeer waarin het ik van de gemeenschap tot leven kan komen.

De atmosfeer die ontstaat doordat er met de wederzijdse belangen welwillend rekening gehouden wordt, maakt dat het lichaam van de gemeenschap daarin gezond kan ademen.

In het oorspronkelijke artikel gaat Lehrs met de hieronder staande woorden verder. Voor het onderwerp van het besturen van een vrijeschool is het niet direct onmisbaar, vandaar dat het in de genoemde Erziehungskunst* niet is opgenomen.

Als iemand meent dat het proces van het oprichten van de Vereniging kerstmis 1923 geen in de geschetste zin republikeins proces is geweest en dat de opbouw van de Vereniging niet republikeins is, dan heeft hij beide niet wezenlijk begrepen. Men zou geneigd zijn te geloven dat het in dit geval anders ligt omdat Rudolf Steiner als ingewijde in de zin van de door hem beoogde vernieuwing van de mysteries – overeenkomstig de vroegere mysterieleiders – de Vereniging vanuit de geest heeft opgericht en haar zijn geestelijke fundamenten heeft gegeven.
Zeker had men hem nodig met al zijn capaciteiten om dit allemaal op deze manier tot stand te kunnen brengen. Maar voor het republikeinse element betekende het slechts een metamorfose, niet de vervanging door een wezenlijk ander element.
Ja, zoals wij nog zullen zien, geldt iets wat men eigenlijk slechts op een gebeurtenis als de Weihnachtstagung zou willen toepassen principieel wel degelijk voor elk republikeins georiënteerd sociaal streven.

Laten we eens beschouwen hoe Dr. Steiners positie als voorzitter van de Vereniging tot stand is gekomen. Het is echt niet zo gegaan dat hij een vereniging heeft opgericht met zichzelf als voorzitter en hij ons dan gevraagd heeft om er lid van te worden. Integendeel, hij heeft ons aangeboden met hem samen een vereniging op te richten en hij was bereid er voorzitter van te worden. Hij stelde als voorwaarde dat wij een bepaalde groep mensen als zijn medewerkers in het bestuur zouden accepteren, want slechts samen met deze mensen zou hij het werk kunnen doen. Toen ervoer men voor het eerst dat als een sociaal principe van onze tijd vrijheid tegenover vrijheid kwam te staan, zoals wij later nog vaak zouden ervaren, en hoe hij zelf uitdrukkelijk verklaarde dat dit voor de handhaving van de esoterische school gold. [1]

Want wij hadden de vrijheid om dit voorstel te accepteren en Rudolf Steiner had de vrijheid door de condities die met zijn voorstel verbonden waren. Zijn positie werd pas reëel toen wij onze toestemming aan zijn keuze van medewerkers gegeven hadden. Hij heeft daarna dit bestuur wel voortdurend en nadrukkelijk als esoterisch aangeduid.

Maar dit betekende slechts dat de redenen waarom deze persoonlijkheden als de voor deze taak meest geschikten beschouwd konden worden uit een wereld stamden die boven de zintuiglijke waarneming en het verstandelijke oordeel uitging. Daarmee appelleerde hij niet aan ons oordeel over deze mensen, maar aan ons oordeel over hemzelf als iemand die in staat was in deze esoterische wereld objectief onderzoekingen te kunnen verrichten.
Al zijn handelen had ons de basis gegeven voor dit oordeel. Desondanks vond hij het niet overbodig om aan de toenmalige vergadering de leden van het op te richten bestuur een voor een voor te stellen met een korte karakterisering van enige eigenschappen, die zintuiglijk waarneembaar waren. Dan liet hij elk lid apart door acclamatie bevestigen. Hij wees er toen nadrukkelijk op dat dit bestuur niet op de normaal gebruikelijke wijze door verkiezing was ontstaan, dus niet langs democratische weg, [2] maar het was in de juiste zin van het woord republikeins. En hoe geduldig heeft hij dan het publiek uitleg gegeven en hun vragen over elke paragraaf in de grondbeginselen van de vereniging gedetailleerd beantwoord.
Aansluitend liet hij elke paragraaf apart door de aanwezigen bekrachtigen. Alles werd zo gedaan dat de nieuwe “res” ook werkelijk een “publica” zou worden. Daartoe behoorden alle antroposofen uit die tijd. Want de vergadering werd immers geheel in de trant van wat er in alinea 2 van de grondbeginselen staat, gehouden: “De vaste kern van deze vereniging wordt gevormd door de Kerstmis 1923 bijeengekomen persoonlijkheden, zowel de enkelingen als ook de groepen die zich lieten vertegenwoordigen. De algemene vergaderingen die in de toekomst gehouden zouden worden waren dan ook niet anders bedoeld. [3]

Rudolf Steiner betrok dus allen tezamen bij zijn handelingen en hij sloot daarvan niet eens de daad van de geestelijke grondsteenlegging uit. Natuurlijk was hij bij dit cultische gebeuren in zekere zin een hogepriesterlijke bemiddelaar tussen de geestelijke werelden en de aarde.
Maar men kan in de grondsteen lezen hoe consequent hij de aanwezige aardse zielen aanspreekt en ze bij elke stap van de handeling actief betrekt.
In plaats van verdere voorbeelden te noemen die gemakkelijk te vinden zijn als men het oprichtings(procedé?) bestudeert, wil ik het liever over een aanwijzing hebben die Rudolf Steiner mij na de Weihnachtstagung gaf.

Deze aanwijzing belicht de andere kant van de Republikeinse opbouw, geheel op de wijze zoals wij het in het bovenstaande hebben trachten te verduidelijken. Het was in verband met een bepaalde vraag over de afdelingen dat hij mij met als voorbeeld de medische afdeling het volgende zei:
Niet alle artsen in de wereld kunnen door persoonlijke aanwezigheid in contact treden met de afdeling en dit contact onderhouden. Daarom moet er op den duur een correspondentie tussen de leiding van de afdeling en de artsen ontstaan, doordat er brieven aan de leden van de afdeling worden gestuurd met informatie maar ook met vragen waarop dan antwoorden binnenkomen die op hun beurt weer tot gevolg hebben dat de leiding van de afdeling opnieuw een brief schrijft (hierin herkent men de ene pool van de republikeinse opbouw). Maar alle correspondentie zou wel aan mevrouw dokter Wegman gericht moeten zijn. Brieven over aangelegenheden betreffende de medische afdeling die aan hem gericht waren zou hij ongelezen in de prullenbak doen verdwijnen. Terwijl ik naar deze woorden luisterde moest ik aan de uitspraak over de “lijken” in Stuttgart denken.
En blij merk ik op, dat hierdoor de levensstroom voortdurend naar de nu eenmaal voor deze functie verantwoordelijke persoon geleid werd, – voor deze opgave de “beste”- zodat hij door deze stroom beïnvloed, steeds “beter” kan worden en niet door omleiding van de stroom verdroogt tot hij zo “slecht” is geworden, waartoe hij door degenen die de stroom omgeleid hebben reeds bij voorbaat veroordeeld was.

Dit moge voldoende zijn om te laten zien dat het feit dat Rudolf Steiner als ingewijde de vereniging – met zichzelf als voorzitter – heeft helpen oprichten en hij in deze hoedanigheid haar een esoterische grondsteen en een esoterisch bestuur heeft gegeven, wat niet uitsloot dat deze een republikeinse levensvorm kreeg.

Nu moet nog aangetoond worden dat een gewone werkgemeenschap als zij, maar republikeins leeft, zich fundamenteel nauwelijks onderscheidt van hetgeen eigenlijk slechts door het initiatief en de persoonlijke betrokkenheid van de ingewijde kan ontstaan. Wij hadden het eerder over de geboorte van het “groeps-ik” van een dergelijke gemeenschap en over de gezonde ademhaling van haar organisme, die kan ontstaan als men de van beide kanten noodzakelijke offers blijft brengen. Dit wil ik nog op de volgende manier illustreren.

Rudolf Steiner heeft het eens gepresteerd om tijdens de stijgende inflatiegolf voor een toekomstig gebouw bij het bekijken van de tekeningen van de architect een veel hoger bedrag te noemen dan de architect, wat het gebouw uiteindelijk tegen de verwachting van de architect in, ook werkelijk ging kosten. Toen hem werd gevraagd hoe hem dit gelukt was, antwoordde hij dat men daarvoor imaginatieve vermogens moest hebben. Daardoor kon men de juiste prijs van de dingen gewaarworden.

Op de volgende vraag hoe men dan echter ooit op de genezing van de economie kon hopen, zolang de daarin werkenden deze imaginatieve vermogens niet bezaten (het was ten tijde van de Driegeledingsbeweging), antwoordde hij dat hij voor dat doel de associatieve opbouw van de economie had aangegeven.
Want als meerdere mensen met bewustzijn elkaar in welwillende uitwisseling ontmoeten, dan kunnen zij samen bereiken, wat een enkel mens met bewustzijn pas door inwijding op hoger gebieden kan bereiken. Dat is een algemeen geldende wetmatigheid.

Zo mogen we dus zeggen dat indien er voorwaarden zijn die passen bij het wezen van de echte republiek de gemeenschap zulk een karakter krijgt dat daarin het initiatieprincipe tot het principe van de sociale vorming wordt. Ook dit hoort dus bij de inspanningen in de zin van de vernieuwing van de mysteriën die Rudolf Steiner als taak van de op de Weihnachtstagung opgerichte vereniging gesteld heeft.

Hoe moeilijk het echter is om de daarvoor noodzakelijke offers – zowel van de kant van de oligarchie als van de kant van de democratie te brengen, heeft de geschiedenis van de antroposofische vereniging tot nu toe pijnlijk bewezen.

Ernst Lehrs, Mededelingen ‘Anthroposophischer Arbeit in Duitsland, jaargang 1956, nr.3’.
In *’Erziehungskunst jrg. 52, nr. 1-1988 gaat Ernst Lehrs opnieuw in op zijn eigen artikel, zoals dat hierboven staat.

In dezelfde Erziehungskunst staat een antwoord van Dieter Brüll: Republikeins EN democratisch.

[1] ‘Bij wat ik in eerste instantie als 1e klasse vorm zou willen geven, gaat het erom de verhouding tussen de leiding en het individuele lid in zekere zin als een vrije verdragsverhouding moet worden voorgesteld, maar als een vrije verdragsverhouding die men daadwerkelijk aangaat. Zodat de leiding zich op geen enkel ogenblik zich gebonden voelt om wat dan ook maar in de 1e klasse gedaan moet worden, met een lid te doen, wanneer het lid de tegenverplichting niet op zich neemt. Dus het gaat werkelijk om een vrije verdragsrelatie.’
Als bron wordt gegeven: ‘Die Kondition der Freien Hochschule für Geisteswisschaft, Dornach 1944, blz. 42/3. Deze titel vinden we terug in GA 260a
De juiste blz. kon ik daarin nog niet vinden.

[2] ‘Er werd gezegd: het bestuur wordt gevormd; daarbij is erop gewezen dat dit noch gekozen, noch benoemd is, maar als een vanzelfsprekend, door de redenen die opgenoemd zijn, voorlopig benoemd bestuur, vanuit de zaak een voorlopig benoemd bestuur, dus bij deze oprichtingsvergadering vastgelegd is…..Dan verzoek ik u nu niet in de zin van stemmen zoals eerder stemmen ging, maar met het gevvoel: u doet dit grondkarkater van de leiding van een echte antroposofische vereniging recht, ik vraag u daarmee in te stemmen dat dit bestuur hier voor de oprichting van de antroposofische vereniging gevormd wordt.’ (Langdurig applaus).
GA 260, blz. onbekend
Vertaald

[3] Dit blijkt uit de volgende passage uit de protocollen van de Kerstbijeenkomst:
De heer Donner, Helsinki: ‘bij dit punt (jaarlijkse algemene vergadering in Dornach) is het wel een vraag of de verenigingen uit de verschillende landen eerst hun eigen algemene vergadering moeten houden en dat dan pas de algemene vergadering van de Antroposofische Vereniging wordt gehouden. Of het praktisch is dat dit iedere keer gebeurt?”
Dr.Steiner: ‘Het zou misschien wel heel praktisch kunnen zijn, wanneer de gewoonte zou ontstaan dat de landenverenigingen eerst hun vergadering zouden houden, waarin ze hun afgevaardigden benoemen voor de onderhavige vergadering en dat er dan in een volgende vergadering verslag zou worden gedaan van wat hier is gebeurd. Dat zou weleens de beste gewoonte kunnen worden.’
GA 260, blz. onbekend
Vertaald

.


100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

.

1474-1382

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer – tabak (3-1)

.

In de 7e-klasperiode voedingsleer komen ook de in één adem genoemde ‘genotmiddelen’ aan bod, o.a. alcohol, tabak, koffie e.d.
Daar is de laatste twintig jaar de categorie van de drugs nog bij gekomen. Als leerkracht moet je goed weten waarover je het hebt en  vele gezichtspunten kunnen tot weloverwogen uitspraken leiden.

Hier iets over tabak, bedoeld als achtergrond voor de leerkracht.
.

HET ROKEN VAN TABAK
.

Eerst enige gegevens over de tabak: het hoofdbestanddeel nicotine is een der snelstwerkende dodelijke vergiffen: 2-3 druppels doden een volwassene op slag!

De economische waarde van tabakscultuur – fabricage en handel overtreft die van elk genotmiddel. Het is overbekend, dat het gebruik van tabak vele ziekten veroorzaakt of bevordert, zoals longkanker, chronische bronchitis, hartinfarct, afsluiting van de beenslagaderen, en het leven bekort.

Desalniettemin blijft ’t het aantrekkelijkste genotmiddel, maar waarom? – dat is wetenschappelijk allerminst opgelost.

De tabak is een nachtschadegewas, lid van een familie, die vele giftige soorten omvat, o.a. wolfskers, bilzenkruid, doornappel, die een roes met visionaire beelden en hallucinaties kunnen veroorzaken. De tabak doet dit niet. Zijn gif, de nicotine, doortrekt de hele plant en verdampt via het blad, zodat een gifsfeer om de plant hangt (en een wolk over een tabaksveld). De plant zelf is heel harmonisch gebouwd met mooie, vaak witte bloemen en wordt ook als sierplant gekweekt. Zoals vele gifplanten is hij gepotentiëerd (homeopathisch) een krachtig geneesmiddel.

De tabak komt uit Amerika. Van de Indianen leerden wij het roken, tabak kauwen en snuiven. Het wezenlijke gebruik was daar echter cultisch. Na psychische voorbereidingen werd de inwijdeling door het drinken van een tabaksaftreksel dicht bij de dood gebracht. Ziel en geest lieten het levende lichaam al enigszins los en daardoor kon de betrokkene een blik in de wereld na de dood, de geestelijke wereld, slaan. Men kwam in verbinding met de geesten der voorvaderen.

De tabak werkt zó alleen maar bij een bepaalde constitutie en na de nodige voorbereiding.

Dit zoekt de roker van vandaag niet.

Wat dan wel?

Wij ontdekten de tabak “gaande van het Oosten naar het Westen”. Vanuit het Oosten kwamen vroeger geestelijke impulsen; “ex orienta lux” (lux = licht). Rond de ontdekkingsreizen wendden wij ons steeds meer “van het Oosten naar het Westen”, naar de materiële aardse wereld – ontdekten en veroverden haar, doorgrondden haar wetten en krachten, werden steeds materialistischer en daardoor psychisch en spiritueel armer.

Uit het Westen haalden we de tabak. Wellicht willen wij, door ons in rookwolken te hullen, de gevolgen van deze weg een tijdje verbergen voor onszelf en onze medemens.

Velen van ons voelen zich weinig aangesproken door de doelstellingen van onze samenleving. Het verstand en de zintuigen alleen worden gestimuleerd, maar onze ziel in haar diepten niet.

Wellicht zoeken wij door het roken een stimulans. Het roken versnelt de polsslag zonder de ademhaling te versnellen – het gezonde 4 op 1 ritme wordt verstoord. Psychologisch kunnen wij in bloed en circulatie nog iets van de diepere lagen van onze existentie beleven. De volksmond bijvoorbeeld zegt: het bloed stolde in mijn aderen, mijn hart stond stil, mijn hart klopte in de keel, enz., alles bij psychisch dramatische situaties.

Via het surrogaat roken zoeken wij een stimulatie van deze diepere lagen van ons zijn. Niet via eigen bewuste krachtsinspanning, die wij zouden moeten opbrengen, als wij ons bewust willen worden van onze eigen spirituele kern. Als ons dit wel lukt, behoeven we niet meer de stimulans van de tabak te zoeken, noch ons in rookwolken te hullen. Rookwolken, die ons bovendien, al roken we samen, in wezen van onze medemens afsnijden. Rookwolken, die fysisch de grootste luchtverontreiniging zijn, waaraan we zijn blootgesteld.

Voor kinderen geldt; hoe vroeger begonnen, hoe sneller de krachten gewonnen.

Voor ouders en leraren geldt bovendien; goed voorbeeld ……. enz.!
.

H.J.Ogilvie, Geert Grooteschool A’dam, nadere gegevens onbekend, wrsch. dec.1975 of jan. 1976
.

De tabakslobby doet er veel aan om de omvang van het sigarettengebruik groot te houden.
Deze reportages doen een paar verontrustende onthullingen.

7e klas voedingsleer  [1]    [2]

V.O.K.-archief: tabak

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

.

1473-1381

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis – Maria (15)

.

kerstspelen Engel en Mariascène uit het kerstspel uit Oberufer ‘de verkondiging van de engel Gabriël aan Maria’.
.

Maria, dienstmaagd van de Heer

In Spaarndam is er eens een jongetje geweest dat zijn geboortedorp van een ramp redde door met zijn vinger een gat te dichten in de Spaarnedam. Gaat u maar kijken: er staat daar aan de dijk nog een beeld van hem.

Zo’n verhaal is geen klinkklare onzin of een spinsel van speelse fantasie: daar zijn de Hollanders veel te ernstige mensen voor. Het jongetje betekent dus zeker iets: de strijd tegen het water, waartoe ’de vingers van deze mensen van jongsaf geoefend zijn’.

Als het over de evangelies gaat, hebben we ook verhalen voor ons die heel waar zijn, maar denkelijk niet letterlijk gebeurd. Niemand kan er een levensloop van Jezus Christus uit reconstrueren die aan alle gegevens recht doet.

Ook de levensgeschiedenis van zijn moeder Maria is er niet uit af te lezen. Wel kunnen we een indruk krijgen van het beeld dat de eerste christenen van haar hadden.

Moeder en Kind
’Zij bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene, wikkelde Hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe.’
Het lijkt wel een krakersgezinnetje in 1971, en helemaal bedrieglijk is die overeenkomst niet. Moeder en Kind zijn natuurlijk onafscheidelijk: samen worden ze gevonden door herders en door wijzen. Als de mensen van Nazaret hun grote stadgenoot betitelen als ’de timmerman, de zoon van Maria’ (Marcus 6:3), dan is dat bedoeld als een schimpscheut, want een man werd naar zijn vader genoemd; maar onbedoeld licht er iets in door van een bijzondere verbondenheid tussen moeder en zoon.
Dat is ook het geval op de bruiloft in Kana (Johannes 2), waar de Heer zijn moeder zo op afstand als ’Vrouw’ aanspreekt, terwijl verder duidelijk blijkt, hoe na Maria Jezus staat en hoe fijn ze Hem aanvoelt. Ook zij weet dat het om haar Zoon gaat en niet om haar zelf. Maar dat besef vervreemdt haar niet van Hem: Hij kan zich aan haar en haar man onttrekken en zeggen: ‘Wist ge dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?’ om daarna heel onderdanig met hen mee te gaan (Lucas 2:49+ 51).

Bij Kana denkt Johannes al aan het Uur van het Kruis. Jezus ziet zijn trouwe moeder daar staan en Johannes aan haar zijde; Hij zegt tegen haar: ‘Vrouw, dat is uw zoon’, en tegen de evangelist: ‘Dat is uw moeder’ (19:26). Voor Johannes betekende dit tafereel heel wat; hij noteert onmiddellijk daarna: ’Nu wist Jezus dat alles volbracht was.’ Hij zegt niet met evenveel woorden wat hij met dat gebaar van Jezus bedoelt. Maar op een tijdstip als dit is er bij deze evangelist zeker niet alleen sprake van Jezus’ zorg om zijn moeder onder dak te brengen. Waarschijnlijk ziet hij Maria als de moeder van de gelovigen, als beeld van de kerk, en zichzelf als vertegenwoordiger van de gelovigen, de kinderen van de moeder-kerk.

Zo is de Vrouw van Apokalyps 12 eveneens moeder van de Messias (vers 2) én van de gelovigen (vers 17). Maria is blijkbaar meer dan ’een meisje uit Nazaret’: zij is uitgegroeid tot moeder van haar Heer en van zijn volgelingen. Vandaar de toewijding, het geloof en de dienstbaarheid die zo typerend voor haar zijn. Door haar nabijheid bij de Heer is zij boven zichzelf uitgegroeid.

De maagd
Jozef ging naar Betlehem met ’Maria, zijn verloofde, die zwanger was’ (Lucas 2:5). De toelichting var Matteüs luidt: zij was zwanger ‘van de heilige Geest’ (2:18).
Moderne mensen zijn wel eens geneigd zulke woorden met argwaan te bekijken: ze vertrouwen het niet helemaal. Maar als we de evangelisten eerlijk proberen te verstaan, krijgen we toch een andere indruk. Het gaat om de status van het Kind: het is wezenlijk meer dan een gewoon mensenkind. Daarom wordt deze moeder ’overschaduwd’ door de Geest: zij is Gods woonplaats geworden, zoals in Exodus 40:34 staat: ‘Toen overdekte de wolk de tent van samenkomst’ (zie 1 Koningen 8:10).

En precies daarom is zij maagdelijk: die conditie wordt ook vermeld als een mens tot het Heilige nadert, bijvoorbeeld als hij betrokken is bij de heilige oorlog, zoals Uria in 2 Samuël 11:11.

De evangelisten drukken zich dus zó uit, dat hun lezers duidelijk wordt: dit kind is iets aparts, het heeft op een unieke manier iets met God te maken. Het is meer dan een gewone baby die zijn leven te danken heeft aan de verbondenheid van een man en een vrouw.

Daarom blijft Jozef zo op de achtergrond: Maria is al zwanger als ze verloofd is en dus nog geen geslachtsgemeenschap met Jozef gehad kan hebben; of, met andere woorden: zij is tegelijk moeder en maagd. Dit kind is namelijk ’van de heilige Geest’: wezenlijk meer dan andere kinderen een godsgeschenk. Daar gaat het in eerste instantie om als Maria maagd wordt genoemd.
In een uitspraak van het concilie van Efeze (431) wordt diegene veroordeeld ’die niet belijdt dat de Immanuël waarlijk God is en dat de heilige maagd daarom moeder is van God’.
Waarom zeggen wij dus dat Maria maagd en moeder van God is? Allereerst om te laten uitkomen dat haar zoon echt God en echt mens is. Zij is helemaal toegewijd en dienstbaar aan haar Zoon en Heer. Zij is met andere woorden echt een gelovige, die ook niet alles begrijpt (Lucas 2:50), maar zich wel gelovig in de werkelijkheid verdiept: ’Zijn moeder bewaarde alles wat er gebeurd was, in haar hart.’ Ook Kana is een demonstratie van haar zuivere geloof: zij geeft zich met hart en ziel aan Jezus over, geeft Hem alle ruimte: ‘Doet maar wat Hij zegt.’ Daarmee zijn de sluizen voor het wijnwonder opengezet. Een mens die helemaal in God opgaat, wordt in de bijbel ’maagd’ genoemd. Maria is zo iemand. En deze instelling heeft zij omdat zij de moeder is: zij leeft voor haar kind, en dat betekent bij haar, dat ze leeft voor God. Maria is dus maagdelijk ingesteld omdat ze zo’n goede moeder is voor haar unieke zoon.

Misschien kunnen we nog een stap verder zetten. De Bijbel ziet de mens als een eenheid. En veel moderne deskundigen zijn het daarmee eens: de naar binnen gekeerde kant van de mens verschijnt in zijn lichaam. Het lichaam is de ‘buitenkant’ van de mens, de persoon in zover die naar buiten gekeerd is. Het ligt dus voor de hand dat het lichaam een weergave, een uitdrukking is van het innerlijk; anders wringt er eigenlijk iets. Daarom ziet Genesis 3 de gevolgen van de zonde niet alleen in de wil, maar ook in het lichaam van de mens: het werken van de man en het moederschap van de vrouw worden er anders door beleefd. En zo gezien is het ook niet ongerijmd als die maagdelijke instelling van Maria ook in haar lichaam doordringt. Daardoor zou blijken dat de hele mens Maria leefde voor haar zoon alleen, en dat is bepaald geen bekrompen instelling. Bijbels gesproken zou het een dualisme zijn als Maria wel in haar hart, maar niet in haar lichaam maagd was.

Dienstmaagd van de Heer
Tweemaal wordt zij in het evangelie van Lucas genoemd: in 1:38 en 1:48. ’Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.’ Maria verklaart zich bereid om dienstbaar te zijn. Zij is geestelijk verwant aan Degene die komt om te dienen en niet om gediend te worden. Zij gelooft in het woord dat zij verneemt: ’zij ontving God in haar hart voordat zij Hem ontving in haar schoot,’ zegt Augustinus.

Zij zegt dat ze aan Gods woord gehoorzaam wil zijn; als zij zichzelf ‘dienares’ noemt, beschouwt ze God blijkbaar als haar Heer, als haar opdrachtgever. Ook tegen het ondergaan van het woord zal ze zich niet verzetten; zij is ook bereid Gods beschikkingen te aanvaarden: ’mij geschiede naar uw woord’. Zij geeft zich helemaal aan God over. Zij is de vrouw die helemaal aan Gods bedoelingen beantwoordt, door haar onvoorwaardelijk geloof, door haar volkomen dienstbaarheid.

Door de eeuwen verbeid
Maria is een dochter van Abraham, de gelovige. Zij noemt zich ‘dienares van de Heer’ en roept zo de gedachte op aan die ideale gestalte die bij de profeet ‘dienstknecht van de Heer’ heet. Zij is in haar houding echt een van die armen van Jahwe, de stille vromen van het Oude Testament.

Maria is aldus niet alleen een model-gelovige in de zin van het Nieuwe Testament. Zij is ook de schoonste bloem aan de stam van Israël. Zij is het hoogtepunt van eeuwenlange vroomheid. In haar wordt eindelijk het ideaal gerealiseerd; zij is een kind van Israël naar Gods hart. Dat betekent ook dat zij beide Testamenten met elkaar verbindt. Zij laat zien dat er geen breuk tussen ligt. Zij demonstreert hoe God zijn plannen in liefdevolle trouw waar maakt: de belofte aan de vaderen met betrekking tot hun nageslacht, maar ook met betrekking tot alle geslachten op aarde (Genesis 12:3).

Lucas brengt dat heel sprekend tot uitdrukking door haar Magnificat (1: 47-55) op te bouwen uit niets dan aanhalingen uit het Oude Testament. De beste momenten van het verleden komen in haar samen, de stemmen van Hanna en Lea, de stemmen van profeten en psalmisten.

De gelijkenissen met het Magnificat van Hanna (1 Samuël 2:1-10) zijn menigvuldig en overbekend. Lucas rijgt een collectie parels uit heel het Oude Testament aan één snoer. Soms moet hij er iets aan bijvijlen; soms neemt hij er alleen een tekenend element uit over om het naast een ander woord te schuiven.

Nic. J. Tromp, de bijbel

.De engel Gabriël brengt de blijde boodschap aan Maria
Miniatuur van Giovanni di Paola (1403-1482) in de pincotheek van het Vaticaan
.

Kerstmisalle artikelen

jaarfeestenalle artikelen

kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis    jaartafel

.

387-365

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten- Kerstmis – verhaal ‘De kerstroos’

.

Dit verhaal van Selma Lagerlöf heb ik, omdat het vrij lang is en daardoor voor kinderen wat saai dreigt te worden, terwijl het toch zo’n prachtig verhaal is over de in de winter bloeiende kerstroos, ingekort, waarbij ik geprobeerd heb toch zo min mogelijk afbreuk te doen aan de beeldenrijkdom.

DE KERSTROOS
.

De vrouw van de rover, die in het rovershol diep in het Goïnger bos woonde, was op een dag gaan bedelen in het dorp. De rover was vogelvrij verklaard en mocht niet buiten het bos komen. Hij lag vaak op de loer om reizigers, die zich in het bos waagden, te overvallen. Om toch aan wat eten te komen, nam de roversvrouw de vijf kinderen, die in slordige bontvachten gekleed waren en op schoenen van berkenbast liepen, mee. Waar ze aanklopten, durfde niemand haar iets te weigeren. Het was bekend, dat wanneer ze ergens niet vriendelijk werd behandeld, ze er niet voor terugschrok het huis de volgende nacht in brand te steken. Ze waren óók bang van haar man in het bos.

Zo bedelend van boerderij naar boerderij, kwam ze ook bij het klooster van Oved. Ze belde aan de poort en vroeg iets te eten. Een monnik schoof een luikje open en gaf haar zes ronde broden, één voor haar en één voor ieder kind. Terwijl hun moeder nog bij de poort stond, liepen de kinderen rond. Een van hen kwam naar haar toe en trok haar aan haar rok; ze hadden iets gevonden, zij moest gauw komen kijken. De vrouw liet zich meetronen. Rond het hele klooster stond een hoge, dikke muur, maar de kleine jongen had een achterdeurtje ontdekt, dat op een kier stond. De vrouw duwde onmiddellijk de deur verder open en ging zonder vragen naar binnen. Het klooster werd in die tijd bestuurd door abt Johannes, die plantkundige was. Hij had binnen de muren een kleine tuin aangelegd, en daar stond ze nu in. Zij was zo verbaasd door wat ze zag, dat ze bewegingloos bleef staan. Het was hartje zomer en de tuin van de abt stond in volle bloei. Overal was het een uitbundige kleurenpracht; blauw, rood en geel waar je ook keek! De roversvrouw glimlachte en liep een smal pad op. Overal bloemen!

In de tuin was een jonge monnik aan het wieden. Hij had het deurtje openstaan om plantenresten buiten de muur te kunnen brengen. Toen hij de vrouw van de rover met haar vijf kinderen zag, liep hij onmiddellijk op ze af en stuurde ze weg. Maar de bedelaarster liep onverstoord verder. Haar ogen dwaalden van links naar rechts, naar de witte lelies en de bloemen die hoog tegen de kloostermuur op groeiden. De tuinbroeder wilde haar bij de arm pakken. De vrouw richtte zich in haar volle lengte op en wierp hem zo’n felle blik toe dat hij terugdeinsde. ‘Ik ben de vrouw van de rover uit het Goïnger bos’, bitste ze, ‘waag het niet me aan te raken.’ De broeder probeerde het nu vriendelijker: ‘Je moet toch weten, vrouw, dat dit een monnikenklooster is en dat er geen vrouw binnen de muren mag komen? Als je niet gaat, worden de monniken boos op mij omdat ik vergeten ben de deur te sluiten en sturen ze me misschien wel weg!’

De vrouw trok onverschillig haar schouders op en liep verder naar de rozenbedden, de kamperfoelie met de geelrode bloemtrossen. De tuinbroeder kon niet anders dan hulp halen. Hij kwam terug met twee stevige monniken. De vrouw begreep dat het hen ernst werd. Ze posteerde zich midden op het pad en begon met schelle stem te schreeuwen dat ze zich op een vreselijke manier op het klooster zou wreken als ze niet in de prachtige tuin mocht blijven zo lang zij dat wilde. De monniken wilden haar beetpakken, maar de vrouw begon schel te schreeuwen; verzette zich slaand en bijtend. Haar kinderen begonnen haar te helpen. De drie mannen merkten al gauw dat ze haar niet aankonden en konden niets anders doen dan in het klooster meer hulp te halen. Toen ze over het pad renden, kwamen ze abt Johannes tegen. ‘Wat betekent al dat lawaai in de tuin?’ ’t Is de roversvrouw uit het Goïnger bos en ze wil niet weggaan!’ ‘Neen, geen geweld! Ga aan het werk!’ Met de tuinbroeder liep abt Johannes naar de vrouw die tussen de bloemen liep. Hij was verbaasd. Ze liep daar heen en weer tussen de bedden, die allemaal met een andere en zeldzame soort bloemen bezaaid waren, alsof ze de soorten kende. Ze glimlachte bij het zien van maagdenpalm, salie en rozemarijn. Af en toe schudde ze haar hoofd. De abt hield meer van zijn tuin dan van menig ding op aarde. Hoewel de vrouw met drie monniken had gevochten en er verwilderd uitzag, voelde hij toch sympathie voor haar. Ze had het immers gedaan om de tuin goed te kunnen bekijken? Hij liep naar haar toe en vroeg vriendelijk: ‘Vindt u de tuin mooi?’ De vrouw draaide zich bliksemsnel om, want ze verwachtte opnieuw dat ze haar met harde hand zouden proberen te verwijderen. Toen ze echter de grijze haren en de gebogen rug van de abt zag, antwoordde ze kalm: ‘Toen ik de tuin zag, dacht ik dat ik nog nooit een mooiere had gezien, maar deze is nog niet zo mooi dan een andere tuin die ik ken.’ Zo’n antwoord had Johannes niet verwacht. Hij zei niets en een lichte blos kleurde zijn gerimpelde wangen. De tuinknecht, die erbij stond, begon de vrouw dan ook dadelijk te berispen. ‘Dit is abt Johannes’, zei hij, ‘die met veel inspanning en ijver van heinde en verre de bloemen voor zijn tuin verzameld heeft. Er bestaat echt geen mooiere tuin dan deze en hoe kan jij dit nu weten als je steeds in het bos woont.

‘Ik wil zijn of jouw werk niet afkeuren’, antwoordde de vrouw van de rover, ‘ik zeg alleen dat wanneer jullie de tuin die ik ken, zouden kunnen zien, je iedere bloem die hier staat uit de grond zou trekken en als onkruid weggooien.’ Maar de tuinknecht, die misschien nog wel trotser op de bloemen was dan de abt zelf, begon honend te lachen. ‘Dat zal me een mooie tuin zijn die je tussen de dennen en jeneverbesstruiken in het Goïnger bos hebt aangelegd.’ De vrouw werd rood van kwaadheid omdat ze haar niet geloofden. Ze riep: ‘Maar jullie als monniken moeten toch weten dat het grote Goïnger bos om de geboorte van het Kerstkind te vieren, iedere kerstnacht in een prachtige tuin verandert? Wij, die in het bos wonen, hebben dat nu al jaren meegemaakt. In die tuin heb ik zulke prachtige bloemen gezien, dat ik het nooit gewaagd heb er één te plukken!’ Toen lachte de broeder nog harder: ‘Je kunt nu wel opscheppen over iets wat geen mens ooit kan zien, maar ik geloof dat het alleen maar mooie praatjes zijn. Het bos zou toch nooit het geboorteuur van Jezus vieren op een plaats waar zulke goddeloze mensen als jij en je man wonen!’ ‘Toch is het net zo waar als dat jij niet in de kerstnacht naar het bos durft te komen om het te zien’, zei de vrouw. De broeder wilde nog iets zeggen, maar abt Johannes gaf hem een teken te zwijgen. Hij had in zijn jeugd al horen praten over het feestkleed waarin het bos zich zou hullen in de kerstnacht. Hij had er vaak naar verlangd het te zien, maar het was hem nooit gelukt. ‘Mag ik alstublieft naar uw woning komen in de kerstnacht? Ik zal nooit verraden waar het is en ik zal u belonen. Een van uw kinderen kan mij de weg wijzen.’ De vrouw weigerde eerst. Ze dacht aan het gevaar dat haar man zou lopen als ze abt Johannes naar hun hol zou laten komen. Ten slotte won haar verlangen om hem te laten zien dat de tuin die zij kende mooier was dan de zijne en dus stemde ze toe. ‘Maar meer dan één iemand mag u niet meenemen’, zei ze. ‘En u mag ons niet in een hinderlaag lokken of ons laten overvallen, zo waarachtig u een man van God bent.’ Dat beloofde abt Johannes en toen vertrok de vrouw van de rover. De abt verbood de broeder over wat afgesproken was te spreken. Hij was bang dat zijn monniken, als ze van het plan zouden horen, hem met het oog op zijn leeftijd niet naar het hol zouden laten gaan. Ook hij zelf wilde het plan met geen sterveling bespreken.
Op een dag echter, kwam aartsbisschop Absalom uit Lund, die op reis was, naar Oved om er de nacht door de te brengen.
Toen Johannes hem de tuin liet zien, dacht hij aan de vrouw van de rover. De tuinbroeder die aan het werk was, hoorde hoe de abt zijn hoge gast vertelde over de rover, die al jaren vogelvrij in het bos woonde. Abt Johannes vroeg de aartsbisschop een vrijbrief voor hem, opdat hij weer een normaal eerlijk leven onder de mensen zou kunnen leiden. ‘Zoals het nu gaat groeien zijn kinderen op tot nog ergere misdadigers dan hij zelf is. Binnenkort zullen we daar in het bos met een hele roversbende te maken krijgen.’ Maar aartsbisschop Absalom antwoordde dat hij die slechte rover niet tussen de eerlijke mensen in het land wilde laten wonen. Het was voor iedereen het beste als hij daar maar diep in het bos bleef wonen. Toen begon de abt vol vuur te vertellen, dat het Goïnger bos zich rond het rovershol ieder jaar in kerstgewaad kleedt. ‘Als de rovers niet te slecht zijn om Gods heerlijkheid te mogen aanschouwen,’ betoogde hij, ‘dan kunnen ze toch niet te slecht zijn om bij de mensen te wonen?’
Maar de aartsbisschop had wel een antwoord voor de abt: ‘Ik wil u dit beloven, abt Johannes,’ zei hij glimlachend, ‘dat op de dag dat u mij een bloem stuurt uit die kersttuin in het Goïnger bos, ik u een vrijbrief geef voor iedere vogelvrije waarvoor u me dat vraagt.’
De broeder begreep wel dat aartsbisschop Absalom even weinig als hij zelf geloofde van het verhaal van de vrouw. Maar abt Johannes merkte het niet. Hij dankte Absalom voor zijn belofte en zei dat hij hem die bloem zeker zou sturen.

Op die kerstavond ging Johannes op weg naar het Goïnger bos. Een van de kinderen rende voor hem uit en de tuinbroeder reed naast hem. Hiernaar had Johannes de hele herfst uitgekeken en hij was blij dat het zover was. De tuinbroeder had heel andere gevoelens. Hij hield vanuit het diepst van zijn hart van de abt en zou niet graag gezien hebben dat een ander met hem mee was gegaan om hem te beschermen; maar hij geloofde niet dat ze een kersttuin te zien zouden krijgen. ‘Als het maar geen valstrik is van de rover om zo de abt in handen te krijgen.’ Hij werd steeds banger en smeekte abt Johannes ten slotte om terug te gaan en zich niet zomaar aan de rover uit te leveren. Maar Johannes zweeg. De weg werd slechter, het was nauwelijks meer dan een rotsig en met dennennaalden bezaaid pad. Er waren geen bruggetjes over de beekjes en rivieren, wel steile en glibberige zijpaden. Het werd kouder en diep in het bos was de grond bedekt met sneeuw. Tegen het invallen van de nacht leidde het kind hen over een weide waar hoge bomen omheen stonden. Er stonden wat kale loofbomen en groene dennen. Aan één kant verhief zich een bergwand en daarin zat een deur van ruwe, dikke planken. Abt Johannes begreep dat ze aan het einde van de tocht waren gekomen en hij klom van zijn paard. Het kind deed de deur voor hem open en hij keek een schamele grot met kale rotswanden binnen. De vrouw van de rover zat bij een houtvuur dat midden op de vloer brandde. Tegen de wand waren wat bedden van twijgen en mos gemaakt. Op één ervan lag de rover te slapen. ‘Kom toch binnen, jullie daarbuiten’, riep de vrouw, zonder op te staan, ‘en neem de paarden mee naar binnen, zodat ze niet doodgaan van de kou vannacht.’ Abt Johannes ging de grot binnen en de broeder volgde hem. Het was er armoedig en de vrouw had geen voorbereidingen getroffen om het kerstfeest te vieren. Ze had niets gebakken of gekookt en niet schoongemaakt. Haar kinderen lagen op de grond. Ze aten uit een ketel waarin niets beters zat dan een waterige gortepap. Maar de vrouw gedroeg zich net zo waardig als een trotse boerenvrouw. ‘Gaat u hier maar zitten, abt Johannes, en warm u’, zei ze. ‘En als u te eten bij u heeft, eet dat dan nu maar. Het eten dat wij hier in het bos klaarmaken zal u, denk ik, wel niet smaken. Als u moe bent van de reis, kunt u op een van de bedden daar wat rusten. U hoeft niet bang te zijn dat u zich zult verslapen, want ik blijf bij het vuur waken en zal u roepen zodat u alles, waarvoor u gekomen bent, kunt zien.’ De abt deed wat de vrouw zei en pakte zijn knapzak. Maar hij was zo moe van de lange tocht dat hij bijna niets kon eten en insliep zodra hij was gaan liggen. De broeder kreeg ook een bed aangewezen, maar hij durfde niet te gaan slapen. Hij dacht dat hij de rover in de gaten moest houden, zodat die niet stiekem op zou staan om de abt gevangen te nemen. Maar langzamerhand overmande ook hem de vermoeidheid, zodat hij toch in slaap viel. Toen hij wakker werd, zag hij dat de abt was opgestaan en bij het vuur met de vrouw zat te praten. De rover zat bij hen. Het was een lange magere man die er moe en somber uitzag. Hij zat met zijn rug naar de abt toe. Het leek alsof hij niet wilde dat ze merkten dat hij naar hun gesprek luisterde. De abt vertelde de vrouw over de voorbereidingen van de viering van het kerstfeest die hij onderweg had gezien en vroeg haar of ze dat vroeger ook had meegemaakt. ‘Het is jammer voor uw kinderen dat ze nooit mee kunnen doen als de andere kinderen verkleed op straat spelen en stoeien in het kerststro’, zei hij. De vrouw gaf een nogal kortaf en stug antwoord, maar langzamerhand begon ze zachter te praten. Plotseling draaide de rover zich echter om naar de abt en schudde hem een gebalde vuist voor zijn gezicht heen en weer. ‘Jij ellendige monnik, ben je soms hier gekomen om mijn vrouw en kinderen bij mij vandaan te lokken? Weet je dan niet dat ik vogelvrij ben verklaard en het bos niet mag verlaten?’
De abt keek hem rustig aan. ‘Mijn plan is je een vrijbrief van de aartsbisschop te bezorgen’, zei hij. De rover en zijn vrouw barstten in lachen uit. Ja, zij wisten maar al te goed wat voor genade een rover van bisschop Absalom kon verwachten! ‘Ja, als ik een vrijbrief van Absalom krijg’, riep de rover, ‘dan beloof ik je dat ik nooit meer zal stelen, nog geen gans!’
De tuinknecht was verontwaardigd, dat ze de abt durfden uit te lachen, maar het leek Johannes zelf weinig te kunnen schelen. De knecht had hem zelden zo vriendelijk en tevreden gezien bij de monniken op Oved, als nu tussen een paar rovers.
Maar plotseling sprong de roversvrouw op. ‘Wij zitten hier maar te praten, abt Johannes’, zei ze, ‘en we vergeten helemaal naar het bos te kijken. Ik kan hier binnen zelfs het luiden van de kerstklokken horen.’
Onmiddellijk nadat dit gezegd was stonden allen op en gingen zo snel mogelijk naar buiten. In het bos was het nog donker en koud. Het enige dat ze hoorden was het luiden van de klokken ver weg, aangedragen door een zachte zuidenwind. ‘Hoe zal nu het luiden van de klokken het bos tot leven kunnen brengen?’, vroeg abt Johannes zich af. Want nu hij midden in het donkere, winterse bos stond, leek het hem nog minder mogelijk dan vroeger, dat hier een prachtige tuin zou opbloeien.
Maar toen de klokken een poosje geluid hadden, schoot er plotseling een lichtstraal door het bos. Meteen werd het weer even donker als ervoor, maar even later kwam het licht terug. Als een oplichtende mist verspreidde het zich moeizaam tussen de donkere bomen, maar het had zoveel kracht dat het duister overging in een zwakke morgenschemering. Toen zag de abt dat de sneeuw verdween, alsof iemand een deken wegtrok. De grond begon groen te worden. Varens kwamen tevoorschijn, met hun loten ineengerold als bisschopsstaven. De dophei die op de steenhopen groeide en de rozemarijn die in het moeras groeide, kregen snel een lentegroene kleur. Mosheuveltjes werden hoger en lentebloemen schoten op. Ze hadden zwellende knoppen die al een beetje kleur vertoonden. Abt Johannes’ hart sloeg heftig toen hij de eerste tekenen van het ontwaken van het bos zag. ‘Zou een oude man als ik dan toch nog een wonder mogen meemaken?’ vroeg hij zich af en er schoten tranen in zijn ogen. Toen werd het weer zo donker dat het leek alsof het duister van de nacht het weer zou winnen. Maar opnieuw brak het licht, dat als een golf kwam aanrollen, door. Beken begonnen te bruisen en watervallen te ontdooien. De bladeren van de loofbomen verschenen zo snel dat het leek alsof er een wolk groene vlinders op de kale takken was neergestreken. En niet alleen de bomen en de planten werden wakker. Een kruisbek begon in de takken heen en weer te springen. Spechten hakten in de stammen zodat de splinters in het rond vlogen. Een vlucht spreeuwen streek in de top van een den neer om wat te rusten. Het waren geen gewone spreeuwen. De puntjes van hun veren waren rood en als ze zich bewogen, schitterden ze als edelstenen. Opnieuw werd het een tijdje stil, maar toen begon het weer. Een sterke, warme zuidenwind en bracht zaden mee. Ze hadden nog nergens in de harde grond wortel kunnen schieten. Hier op de bosweide schoten ze op, op het ogenblik dat ze de grond raakten. Toen de volgende lichtgolf kwam, begonnen de blauwe bosbessen en de vossenbessen te bloeien. Wilde ganzen en kraanvogels riepen hoog in de lucht, vinken bouwden hun nest en de jonge eekhoorntjes begonnen in de boomtakken te spelen. Alles voltrok zich nu zo snel, dat de abt geen tijd had te beseffen wat voor wonder hier gebeurde. Hij had alleen maar tijd om zijn ogen en oren open te sperren. De volgende lichtgolf die kwam aanrollen bracht de geur van pas geploegde akkers. Heel in de verte hoorde je het geluid van de klokken van de koeien en de belletjes van de lammeren. De dennen en sparren waren zo dicht met goudachtig rode appels bezaaid, dat de bomen glansden als zijde. De jeneverstruik kreeg bessen die elk ogenblik van kleur veranderden. Bosbloemen bedekten de grond zodat die helemaal wit, blauw en geel was. Abt Johannes boog zich voorover en plukte een aardbeibloesem en terwijl hij zich oprichtte, rijpte de aardbei in zijn hand. De bosuil die net zijn nachtelijke jacht was begonnen, keerde, verbaasd over het licht, maar weer naar huis terug en ging zitten slapen in zijn spleet. De kinderen van de rover schreeuwden van plezier. Ze deden zich tegoed aan de bosbessen, die zo groot als dennenappels aan de struiken hingen. Een van hen speelde met een paar jonge haasjes. De rover stond op het mos en at bramen. Toen hij opkeek zag hij vlak naast zich een groot, zwart dier. De rover brak een wilgentakje af en tikte er de beer mee op zijn neus. ‘Blijf jij nou aan jouw kant’, zei hij. ‘Dit is mijn kant.’ De beer week achteruit en liep de andere kant op. Steeds opnieuw kwamen er nieuwe golven warmte en licht aan. Geel stuifmeel van het roggeveld zweefde door de lucht. Er fladderden grote vlinders die op vliegende lelies leken. Het bijennest in de holle eik zat nu al zo vol honing, dat het langs de stam naar beneden droop. De bloemen, waarvan het zaad uit verre landen was gekomen, openden zich. Abt Johannes dacht aan de bloem die hij voor bisschop Absalom moest plukken, maar de ene was nog mooier dan de andere en hij wilde de allermooiste voor hem uitzoeken. Hij zei in zichzelf: ‘Nu zou ik niet meer weten wat de volgende lichtgolf nog voor mooiers zou kunnen brengen.’ Maar het licht bleef komen en het leek de abt alsof het iets meevoerde vanuit de oneindige verten. De abt merkte dat alles stil werd, de vogels zwegen, de jonge vossen speelden niet langer en de bloemen groeiden niet verder. De gelukzaligheid die over hem kwam was zo groot, dat zijn hart bijna ophield met kloppen. Uit zijn ogen vloeiden tranen – hij merkte het niet, de ziel verlangde weg te mogen vliegen, de eeuwigheid in. Héél, héél ver weg klonk harpmuziek en hemels gezang naderde als gefluister. Abt Johannes vouwde zijn handen en zakte op zijn knieën. Zijn gezicht straalde. Nooit had hij gedacht al in dit leven de schoonheid van de hemel te mogen ervaren en de engelen kerstliederen te horen zingen. Maar naast de abt stond de tuinknecht die met hem mee was gekomen. Hij zag het bos van de rover vol groen en bloemen en hij werd kwaad omdat hij begreep dat hij nooit zo’n prachtige tuin zou kunnen aanleggen, al werkte hij nog zo hard met zijn schoffel en spade. Hij kon niet begrijpen dat God die pracht nu juist aan de rovers verspilde. Er kwamen duistere gedachten bij hem op. Dit kan niet van God komen. Dit is allemaal een spel van de duivel. Het is de macht van het kwade, die ons beheerst en ons dingen laat zien die niet bestaan. In de verte klonken de liederen van engelen, maar de broeder dacht dat het boze, duivelse machten waren, die dichterbij kwamen. ‘Ze willen ons verleiden’, zuchtte hij. ‘Nooit komen we hier heelhuids meer vandaan.’
Nu waren de engelenscharen zo dichtbij, dat abt Johannes tussen de bomen de lichtende gestalten zag opdoemen. De broeder zag hetzelfde als hij, maar hij dacht alleen maar hoe verschrikkelijk het was dat boze geesten zich met deze zaken bezighielden, juist in de geboortenacht van de Verlosser. Al die tijd hadden er vogels rond het hoofd van abt Johannes gevlogen en had hij ze in zijn hand kunnen nemen. Maar de dieren waren bang voor de broeder: geen vogel was er op zijn schouder gaan zitten. Een bosduifje dat merkte hoe dichtbij de engelen waren gekomen, vatte moed. Ze vloog op de schouder van de broeder en vlijde haar kopje tegen zijn wang. Maar hij sloeg met zijn hand naar het duifje en riep zo hard dat het door het bos galmde: ‘Ga terug naar de hel, waar je vandaan bent gekomen!’ Juist op dat ogenblik waren de engelen zo dichtbij dat de abt hun grote vleugels hoorde ruisen. Hij zat geknield om ze te kunnen begroeten. Toen de woorden van de broeder echter opklonken, werd het gezang plotseling afgebroken en weken de engelen uiteen. Ook het licht en de zachte warmte verdwenen op slag bij het aanhoren van zoveel kou en duisternis in een mensenhart. Als een groot kleed daalde de duisternis over de aarde neer, de koude kwam terug, de planten op de weide krompen in elkaar, de dieren renden weg, het ruisen van de watervallen verstomde en de bladeren vielen ritselend van de bomen. Het klonk alsof het regende. Abt Johannes voelde hoe zijn hart, dat even tevoren nog overvloeide van geluk, zich nu krampachtig samentrok in ondraaglijk verdriet. ‘Dit zal ik niet overleven,’ dacht hij. ‘De engelen die zo dichtbij waren en zelfs kerstliederen voor mij wilden zingen, zijn weggejaagd.’ Plotseling dacht hij aan de bloem, die hij bisschop Absalom beloofd had. Hij boog zich voorover en tastte tussen de bladeren en het mos om op het laatste ogenblik nog iets te vinden. Maar hij voelde hoe de grond onder zijn vingers bevroor en zag hoe witte sneeuw over het veld kwam aanglijden. Toen werd zijn verdriet nog groter, hij voelde zijn hart steken. Hij kon zich niet meer oprichten en bleef voorover liggen …

Toen het gezin van de rover en de broeder tastend in het donker de grot teruggevonden hadden, misten zij abt Johannes. Zij pakten een paar brandende takken uit het vuur en gingen hem zoeken. Ze vonden hem voorover liggend in de sneeuw: hij was gestorven. De broeder begon te huilen, want hij begreep dat het zijn schuld was.
Toen de abt naar Oved was gebracht, zagen de monniken die de zorg voor de dode hadden, dat hij zijn rechterhand stijf gesloten hield om iets dat hij tijdens zijn sterven gegrepen moest hebben. In zijn hand vonden ze een paar aan het mos ontrukte witte bolletjes. De tuinbroeder plantte ze in de tuin van abt Johannes. Hij verzorgde ze en wachtte het hele jaar af of er ook bloemen op zouden komen. Tevergeefs. De lente, de zomer en de herfst verstreken. Toen de winter was gekomen en alle bladeren en bloemen dood waren, wachtte hij niet langer meer.
Op de kerstavond herinnerde echter alles zo sterk aan abt Johannes, dat hij naar de tuin ging om hem te gedenken. En kijk, toen hij langs de plaats kwam waar hij de kale bolletjes had geplant, zag hij dat daar welige, groene stengels waren opgeschoten, die prachtige bloemen met zilverwitte bladeren droegen. Hij riep alle monniken van Oved bij elkaar en toen ze zagen dat deze plant bloeide op kerstavond, als alle andere planten dood zijn, begrepen ze dat deze werkelijk door abt Johannes uit de kersttuin in het Goïnger bos was meegebracht. Toen vertelde hij van het grote wonder in het roversbos. ‘Ik móet een bloem aan bisschop Absalom brengen’.
Toen de broeder voor bisschop Absalom verscheen, gaf hij hem de bloem en zei: ‘Deze stuurt abt Johannes u. Deze heeft hij geplukt in de kersttuin in het Goïnger bos.’ En toen bisschop Absalom de bloem zag, die midden in de winter was opgekomen, en hoorde wat de broeder zei, bleef hij een poos zitten zonder te spreken en toen zei hij: ‘Abt Johannes heeft woord gehouden. Ik zal het mijne houden.’
Hij liet een vrijbrief schrijven voor de rover, die vanaf zijn jeugd als vogelvrije in het bos had gewoond. Hij gaf de brief aan de broeder mee en deze trok naar het bos en vond de weg naar het rovershol. Toen hij daar op kerstdag binnenging, liep de rover hem met opgeheven bijl tegemoet: ‘Ik zal jullie monniken neerslaan, hoeveel er ook van jullie zijn’, zei hij. ‘Het ligt aan jullie dat het Goïnger bos vannacht niet in een prachtige kersttuin is veranderd.’
‘Ik alleen ben schuldig’, antwoordde de broeder, ‘straf mij hoe je wil, maar neem eerst de boodschap van abt Johannes aan.’ En hij haalde de brief van de bisschop tevoorschijn en vertelde de rover dat hij voortaan vrij was om te gaan en staan waar hij wilde. Hij liet hem het zegel van bisschop Absalom zien dat aan het perkament hing. ‘Vanaf nu zullen u en uw kinderen het kerstfeest vieren onder de mensen, zoals abt Johannes het wilde’, zei hij. Daarop wist de rover, die bleek was geworden, niets te zeggen. Zijn vrouw sprak voor hem: ‘Abt Johannes heeft zijn woord gehouden. Mijn man zal dat ook doen.’ De rover en zijn vrouw en kinderen verlieten het hol.
De broeder trok er zich in eenzaamheid in terug. Hij bad dagelijks dat zijn harde ongeloof hem vergeven zou worden. En niemand mag een kwaad woord zeggen over een mens, die berouw heeft en tot inkeer komt, maar wel mag men wensen dat die boze woorden nooit gesproken waren.

Het Goïnger bos heeft nooit meer het geboorteuur van Christus gevierd. Van al die pracht bleef alleen het plantje over dat abt Johannes heeft geplukt. Het werd ‘kerstroos’ genoemd en ieder jaar komen in de kersttijd zijn groene stengels en witte bloemen op uit de aarde, alsof het nooit kan vergeten dat het eens in de prachtige grote kersttuin groeide.

.

Selma Lagerlöf, vertaling Margaretha Meijboom
.

Er is nog een heel klein verhaal over de kerstroos onder nr. 6 van 14/1

over de kerstroos

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit, waarin deze legende in kortere vorm is opgenomen.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

1472-1380

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over euritmie – GA 302

.

RUDOLF STEINER OVER EURITMIE

GA 302

beknopte inhoud: (blz.: vertaling)
blz. 38: euritmie: bezielde, vergeestelijke beweging; gymnastiek: fysieke beweging
blz. 43-45: wat gebeurt er met de leerstof in de wezensdelen gedurende de nacht; gezondmakende invloed euritmie; de ene dag euritmie – de andere: gymnastiek|
blz. 57: ook bij euritmie wordt fysieke lichaam aangesproken
blz. 61: euritmie bevrijdt het geestelijke uit de ledematen
blz. 126: wanneer kind euritmie doet, schrijft het iets in de wereld

blz. 40; vert. 38/39

Die Eurythmie bringt unmittelbar ein Geistig-Seelisches zum Vorschein, durchseelt und durchgeistigt das ganze Bewegliche des Menschen. Sie nimmt dasjenige zum Ausgangspunkt, was sich der Mensch geistig-seelisch im Laufe der Menschheitsentwicklung erarbeitet. Aber auch das Physisch-Körperliche kann geistig erlebt werden. Man kann das Atmen, den Stoffwechsel erleben, wenn man es weit genug bringt nach dieser Richtung. Da kann der Mensch sich selber weit genug bringen, da kann der Mensch sich selbst empfinden, sein Körperlich-Leibliches mitempfinden. Und dann kann, ich möchte sagen, dasjenige, was auf dem höheren Gebiet als Eurythmie an das Kind herantritt, auslaufen in das Turnen. Man kann durchaus die Brücke schlagen zwischen Eurythmie und Turnen. Aber dieses Turnen soll nicht anders gemacht werden, als indem man dasjenige, was das Kind ausführt im Turnen, aus dem Erleben des Körperlich-Physischen herausholt, aus dem Erleben, aus dem geistig-seelischen Erleben herausholt und das Kind das Körperlich-Physische dem anpassen läßt, was es erlebt.

Euritmie maakt direct het geestes-ziele-aspect zichtbaar; ze doorzielt en doorgeestelijkt alles van de mens wat beweegt. Ze neemt tot uitgangspunt wat de mens zich in de loop van de mensheidsontwikkeling aan ziel en geest heeft verworven. Maar ook het fysiek-lichamelijke kan geestelijk beleefd worden. Je kunt de ademhaling, de stofwisseling beleven als je het in deze richting maar ver genoeg brengt. Kan de mens het hierin ver genoeg brengen, dan kan hij zichzelf gewaarworden, dan kan hij zijn lichaam meebeleven. En dan kan datgene wat op een hoger gebied als euritmie bij het kind terechtkomt, uitmonden in de gymnastiek. Tussen euritmie en gymnastiek kun je heel goed een brug slaan. Maar gymnastiek moet niet anders worden bedreven dan dat je de oefeningen die je de kinderen laat doen, ontleent aan het beleven van het fysiek-lichamelijke, aan het beleven van ziel en geest, en dat je de kinderen hun lichaam laat voegen naar wat ze beleven.
GA 302/40
vertaald38/39

blz. 42  vert.

Nehmen Sie nur einmal, was sich Ihnen durch ein leichtes Nachdenken ergeben kann, nehmen Sie an, das Kind hört von Ihnen irgendeine Erzählung, oder es sieht irgend etwas, das Sie ihm auf der Tafel zeigen oder dadurch, daß Sie ihm meinetwillen ein physikalisches Experiment vormachen, oder aber Sie kommen in die Lage, dem Kinde irgend etwas Musikalisches vorzuspielen oder dergleichen. Sie stehen ja zunächst mit alledem in einem Verhältnis zu der äußeren physischen Wirklichkeit des betreffenden Kindes. Aber dasjenige, was Sie da in das Kind hineinversetzen auf dem Umweg durch die physische Wirklichkeit durch das Auge, durch das Ohr, durch den Verstand, der das begreift, was Sie ihm beibringen, dasjenige, was da in das Kind hineinversetzt wird, das macht sehr bald eine ganz andere Daseinsform durch. Das Kind geht aus der Schule, schläft; sein Ich und sein astralischer Leib sind im Schlafe außerhalb des physischen Leibes und des Ätherleibes. Dasjenige, was Sie da mit dem Kinde vollbracht haben 

Laten we eens iets nemen wat met even nadenken voor u duidelijk kan worden. Laten we aannemen dat de kinderen een verhaal van u horen, dat u ze iets laat zien op het bord, of dat u voor mijn part een natuurkundeproef voor ze doet, of u komt in de situatie dat u ze een muziekstuk voorspeelt, of iets dergelijks. Met dat alles staat u in eerste instantie in relatie tot de uiterlijke fysieke werkelijkheid van de betreffende kinderen. Maar dat wat u op die manier bij de kinderen binnen brengt via de omweg van de fysieke werkelijkheid door middel van het oog, het oor, het verstand dat begrijpt wat u hen bijbrengt, wat zó bij de kinderen binnenkomt, dat maakt heel gauw een andere bestaanstoestand door. De kinderen gaan naar huis, ze gaan slapen; hun Ik en hun astrale lichaam zijn tijdens de slaap buiten hun fysieke lichaam en hun etherlichaam. Wat u met de kinderen gedaan heeft

blz. 43 vert. 43

auf dem Umweg durch den physischen Leib, auch den Ätherleib meinetwillen, das setzt sich fort im astralischen Leib und im Ich. Diese beiden letzteren sind aber während des Schlafes in einer ganz anderen Umgebung. Sie machen etwas durch, was sie nur während des Schlafes durchmachen, und dasjenige, was Sie dem Kinde beigebracht haben, macht die Sache mit; macht sie mit eben in denjenigen Wirkungen, die in dem astralischen Leib und dem Ich geblieben sind. Sie müssen daran denken, daß Sie dasjenige, was Sie dem Kinde auf dem Umweg durch das Physische beibringen, hineinleiten in den astralischen Leib, in das Ich; und daß Sie dadurch eine Wirkung ausüben auf die Art und Weise, wie das Kind vom Einschlafen bis zum Aufwachen lebt, und daß Ihnen am nächsten Tag das Kind dasjenige mitbringt, was es da zwischen dem Einschlafen und dem Aufwachen durchgemacht hat.
Sie können sich das an einem einfachen Beispiel klarmachen. Nehmen Sie den Fall, das Kind eurythmisiert oder singt. Da ist der physische Leib des Kindes selber in Betätigung, und dieser physische Leib und der Ätherleib, die in Betätigung sind, drängen dem astralischen Leib und dem Ich dasjenige auf, was in ihrer Tätigkeit liegt. Astralischer Leib und Ich müssen dasjenige mitmachen, was -Tätigkeit ist des physischen Leibes und des Ätherleibes.

via de omweg van het fysieke lichaam, eventueel ook via het etherlichaam, dat werkt door in hun astrale lichaam en hun Ik. Deze laatste twee zijn echter tijdens de slaap in een totaal andere omgeving. Ze maken iets door wat ze alleen tijdens de slaap doormaken, en wat u de kinderen hebt bijgebracht, maakt dat mee; dat maakt het mee in de doorwerking die ervan in het astrale lichaam en het Ik is achtergebleven. U moet in gedachten houden dat u dat, wat u de kinderen via de omweg van het fysieke lichaam bijbrengt, in het astrale lichaam en het Ik invoert; daardoor oefent u een werking uit op de manier waarop de kinderen leven tussen inslapen en ontwaken, en de kinderen brengen de volgende dag weer mee wat ze tussen inslapen en ontwaken hebben doorge­maakt.
Dat kan aan de hand van een eenvoudig voorbeeld duidelijk worden. Neem het geval dat de kinderen euritmie doen of zingen. Daarbij is het fysieke lichaam van de kinderen zelf actief; dit fysieke lichaam en het etherlichaam, die akctief bezig zijn, dringen aan het astrale lichaam en het Ik op wat in die activiteit besloten ligt. Het astrale lichaam en Ik moeten die activiteit van het fysieke lichaam en etherlichaam meemaken.

Das Weitere ist, daß sich astralischer Leib und Ich eigentlich wehren gegen dieses Mitmachen,sie haben eigentlich andere Kräfte in sich. Die müssen in einer gewissen Weise überwunden werden. Sie wehren sich, sie müssen sich dem anbequemen, was ihnen da von außen beigebracht wird durch ihre eigene Leiblichkeit – beim Eurythmisieren mehr durch den physischen Leib, beim Anhören von Instrumental-Musikalischem durch den Ätherleib. Nun kommen Ich und astralischer Leib in die Welt, die der Mciisch zwischen dem Einschlafen und dem Aufwachen durchlebt; da vibriert alles dasjenige nach, was dem astralischen Leib und dem Ich aufgedrängt worden ist. Da machen in der Weise, die eben vom astralischen Leib und Ich durchlebt wird, also in einer viel ausgebreiteteren und vergeistigten Weise der astralische Leib und das Ich nach, was sie da eurythmisiert und nachher musikalisch erlebt haben; sie machen das alles nach. Was sie da erlebt haben zwischen Einschlafen und Aufwachen, das bringen die Kinder am Morgen wiederum mit, 

Hiertegen verzetten het astrale lichaam en Ik zich vervolgens. Zij hebben eigenlijk andere krachten in zich. Die moeten in zekere zin overwonnen worden. Ze verzetten zich, ze worden gedwongen zich aan te passen aan wat er van buiten af op hen inwerkt door middel van hun eigen lichamelijkheid – bij het doen van euritmie meer door middel van het fysieke lichaam, bij het luisteren naar instrumentale muziek door middel van het etherli­chaam.
Nu komen Ik en astrale lichaam in de wereld waarin de mens tussen inslapen en ontwaken leeft. Daar vibreert alles na wat het astrale lichaam en het Ik is opgedrongen. Daar doen het Ik en het astrale lichaam na wat ze aan de euritmie, respectievelijk aan de muziek hebben beleefd, op een manier die voor astrale lichaam en Ik kenmerkend is, dus veel uitgebreider, en vergeestelijkt; ze doen dat allemaal na. En wat de kinderen tussen inslapen en ontwaken beleefd hebben, brengen ze ’s morgens weer mee

blz. 44; vert. 44

wenn sie in die Schule kommen; das haben sie in ihren physischen und ihren Ätherleib hineingetragen, und wir haben damit zu rechnen.
Wenn wir den Menschen in seiner Totalität betrachten, dann erscheint er uns eben als ein außerordentlich kompliziertes Gebilde, das wir bewältigen müssen im Unterrichten und Erziehen. Nun, wenn wir mehr ins einzelne gehen, so können wir etwa sagen: Nehmen wir das eurythmisierende Kind,der physische Leib ist in Bewegung, die Bewegungen des physischen Leibes übertragen sich auf den Ätherleib.
Der astralische Leib und das Ich wehren sich zunächst, und ihnen wird in einer gewissen Weise dasjenige eingeprägt, was an Betätigung des physischen Leibes und des Ätherleibes stattfindet. Sie gehen dann hinaus während des Schlafes und sie bringen dasjenige, was ihnen da eingeprägt worden ist, mit ganz anderen geistigen Kräften in Verbindung. Am Morgen tragen sie es wiederum in den physischen Leib und in den Atherleib zurück. Und es ist dann ein merkwürdiges Zusammenstimmen desjenigen, was zwischen Einschlafen und Aufwachen aus dem Geistigen aufgenommen worden ist und demjenigen, was physischer Leib und Ätherleib im Eurythmisieren durchgemacht haben.

als ze naar school komen; dat hebben ze namelijk binnengebracht in hun fysieke lichaam en hun etherlichaam. Daar moeten wij rekening mee houden.
Als we de mens in zijn totaliteit bekijken, dan verschijnt hij ons als een buitengewoon gecompliceerd wezen, dat we in onderwijs en opvoeding de baas moeten worden. Welnu, als we meer in detail treden, kunnen we zeggen: we nemen het kind voor ons dat euritmie doet, het fysieke lichaam is in beweging, de bewegingen van het fysieke lichaam gaan over op het etherlichaam. Het astrale lichaam en het Ik verzetten zich in eerste instantie, en hen wordt op een bepaalde manier ingeprent wat zich afspeelt aan activiteiten in fysiek lichaam en etherlichaam. Tijdens de slaap gaan ze er dan uit en brengen datgene wat hun zo is ingeprent in verbinding met geheel andere krachten. De volgende morgen brengen ze het weer terug in het fysieke lichaam en in het etherlichaam. Dan vindt er een merkwaardig samengaan plaats van dat wat er tussen inslapen en ontwaken uit de geestelijke wereld is opgenomen én dat wat fysiek lichaam en etherlichaam bij de euritmie hebben doorge­maakt.

Die Wirkung zeigt sich in der Art, daß die geistigen Erlebnisse, die zwischen dem Einschlafen und Aufwachen durchgemacht worden sind, mit demjenigen zusammenpassen, was am vorigen Tage vorbereitet und durchgemacht worden ist. Und erst in diesem Hineinkommen zeigt sich eine besonders gesundheitlich wirkende Kraft, die in diesem Eurythmisieren liegt. Es wird tatsächlich, ich möchte sagen, geistige Substantialität beim nächsten Aufwachen in den Menschen hineingetragen, wenn in dieser Weise Eurythmie gepflegt wird. Und in einer ganz ähnlichen Weise ist es zum Beispiel beim Singen. Wenn wir Gesang mit dem Kinde üben, so ist das Wesentliche, was an Tätigkeit entfaltet wird, eine Tätigkeit des Ätherleibes. Der astralische Leib muß sich ihm stark anpassen. Er wehrt sich zunächst, trägt das dann hinaus in die geistige Welt. Er koriimt wiederum zurück und da äußert sich wiederum eine gesundheitlich wirkende Kraft. Wir können sagen: Beim Eurythmisieren äußert sich mehr eine wirklich das körperliche Befinden gesundende Kraft für das Kind; beim Singen äußert sich eine Kraft, welche mehr auf den Bewegungsapparat im Menschen wirkt 

De werking treedt aan het licht doordat de geestelijke belevenissen die tussen inslapen en ontwaken zijn doorgemaakt, aansluiten bij dat wat de vorige dag voorbereid en doorgemaakt is. En pas doordat dit zo doorwerkt blijkt de bijzonder gezondmakende kracht die in de euritmie verborgen ligt. Bij het ontwaken wordt er werkelijk geestelijke substantie binnengedragen in de mens, als er op deze manier euritmie wordt gedaan.
Op vergelijkbare wijze gaat het bijvoorbeeld bij het zingen. Wanneer we met de kinderen zingen, dan is de wezenlijke activiteit daarvan een activiteit van het etherlichaam. Het astrale lichaam moet zich sterk daaraan aanpassen. Het verzet zich aanvankelijk, neemt het vervolgens mee de geestelijke wereld in. Het komt weer terug, en dan uit zich weer een gezondmakende kracht. We kunnen zeggen: bij de euritmie uit zich meer een kracht die gezondmakend werkt op de lichamelijke toestand van de kinderen; bij het zingen uit zich een kracht die meer op het bewegingsapparaat van de mens werkt,

blz. 45; vert. 45

und dadurch von den Bewegungen aus wiederum zurück wirkt auf die Gesundheit des physischen Körpers.
Man kann diese Dinge in der Erziehung außerordentlich gut benützen. Würde man zum Beispiel die Dinge so einrichten können – ich rede ja da von einem Ideal, aber diesem Ideal kann man sich doch im Lehrkörper nähern -, würde man die Dinge so einrichten, daß wir zum Beispiel eines Nachmittags Eurythmie machen, diese Eurythmie geistig ausleben lassen durch die Nacht; am nächsten Tage treiben wir mit dem Kinde mehr Turnerisches in dem Sinn, wie ich das gestern erwähnt habe: dann dringt das so in den Körper ein, daß das Turnen gewissermaßen gesundend wirkt, so daß man sehr viel durch dieses Abwechseln von Eurythmisieren und Turnen erreichen könnte. Und wiederum sehr viel könnte man zum Beispiel dadurch erreichen, daß man in der Lage wäre, durch das Vorhandensein aller Bedingungen, die Kinder an einem Tag singen zu lassen. Sie tragen dann dasjenige, was sie im Singen erlebt haben, beim Schlafen in die geistige Welt hinein. Am nächsten Tag treibt man mit ihnen Instrumentalmusik; also man betreibt mehr das Anhören, nicht die eigene Betätigung. Dann äußert sich wiederum in außerordentlich gesunder Weise dasjenige, was da am Vortag getrieben worden ist durch jene Befestigung, die im Anhören der Instrumentalmusik vom Menschen geleistet wird.

en daardoor vanuit de bewegingen weer terugwerkt op de gezondheid van het fysieke lichaam.
Je kunt deze dingen in de opvoeding buitengewoon goed gebrui­ken. Ik spreek nu over een ideaal, maar dit ideaal kan men in het college toch nastreven: zou je het zó kunnen inrichten dat we bijvoorbeeld op een middag euritmie doen, die euritmie geestelijk werkzaam laten zijn door de nacht; de volgende dag doen we gymnastiek met de kinderen in de zin zoals ik er gisteren over gesproken heb: dan doordringt dat het lichaam zó dat de gymnastiek in zekere zin gezondmakend werkt. Zo zou je heel veel kunnen bereiken door deze afwisseling van euritmie en gymnastiek. En evenzo zou je bijvoorbeeld heel veel kunnen bereiken – als je in de gelegenheid was doordat alle voorwaarden daartoe aanwezig wa­ren – door de kinderen op de ene dag te laten zingen; ze nemen dan wat ze bij het zingen beleefd hebben, tijdens de slaap mee in de geestelijke wereld. De volgende dag laat je ze luisteren naar instru­mentale muziek; je appelleert dus meer aan het luisteren en niet zozeer aan de eigen activiteit. Dan komt opnieuw op een buitenge­woon gezonde manier tot uiting wat er de vorige dag is gedaan, door de versterking die de mens tot stand brengt bij het luisteren naar de instrumentale muziek.|
GA302/42-45
vertaald/43-45

blz. 57; vert. 57

Wenn wir nun dasjenige treiben, was wir den Kindern auf den verschiedensten Gebieten beibringen müssen, also ich will sagen, was wir ihnen beibringen, während wir mit ihnen lesen oder ihnen das vermitteln, was zum Lesen führt, was wir ihnen beibringen als das Gedankliche im Rechnen, was wir ihnen beibringen auch in der Naturgeschichte dder Naturlehre – durch all das, was in Gedanken sich ausspricht, bringen wir eben Vorstellungen an sie heran. Und Vorstellungen an die Kinder heranbringen, das ist im Grunde eine ganz andere Betätigung gegenüber dem kindlichen Organismus, als diejenige ist, die sich ja allerdings in die anderen zum Teil hineinmischt, aber zum Teil selbständig getrieben wird. Nicht wahr, ganz selbständig wird das Körperlich-Leibliche getrieben bei Eurythmie, beim Musik- unterricht, beim Turnunterricht, in einer gewissen Weise beim Instrumentalunterricht, nicht mehr aber beim Gesangunterricht. Natürlich ist alles nur relativ. Aber es ist durchaus polarisch verschieden, was wir in diesen Fächern an die Kinder heranbringen, auch was das Kind beim Lesen, beim Schreiben lernt, wo wir stark an die körperliche Tätigkeit appellieren, von den Fächern, wo dies viel weniger der Fall ist, etwa beim Rechnen, wo die körperliche Tätigkeit eine untergeordnete Rolle spielt; während gerade beim Schreiben die körperliche Betätigung eine sehr große Rolle spielt.

Nu leren we de kinderen dingen op de meest uiteenlopende gebieden; als we met ze lezen, of ze leren lezen, als we ze leren rekenen, ook als we ze dingen leren in de plant- en dierkundeles, dingen over de natuur,- door alles wat in gedachtevorm wordt uitgedrukt, benaderen we ze met voorstellingen. En de kinderen benaderen met voorstellingen is een fundamenteel andere activiteit ten opzichte van het kinderlijke organisme dan dat wat deels zelfstandig bedreven wordt, maar wat zich hier wel ten dele mee vermengt. Geheel zelfstandig wordt het fysieke lichaam aangespro­ken bij euritmie, bij muziek, bij gymnastiek, en tot op zekere hoogte bij het instrumentale muziekonderwijs; maar niet meer bij het zingen. Natuurlijk is alles slechts relatief. Maar het is volstrekt tegenovergesteld: wat we in déze vakken met de kinderen doen, ook wat de kinderen leren bij het lezen en schrijven, waarbij we sterk appelleren aan de lichamelijke activiteit, staat in tegenstelling tot de vakken waarbij dat veel minder het geval is, bijvoorbeeld bij het rekenen, waarbij de lichamelijke activiteit een ondergeschikte rol speelt; terwijl bij het schrijven de lichamelijke activiteit juist een zeer grote rol speelt.
GA302/57
vertaald/57

blz. 62; vert. blz. 61

In einem gewissen entgegengesetzten Sinn wirkt dann das Eurythmische, das Gesangliche; da findet ein ganz anderer organischer Prozeß statt. Bei all denjenigen Organen, die sich daran betätigen, sitzt nämlich das Geistige zunächst in den Organen drinnen. Wenn Sie das Kind eurythmisieren lassen, so kommt es in Bewegung und durch den Verlauf dieser Bewegung strömt das Geistige, das in den Gliedern ist, aus den Organen nach oben. Es ist eine Erlösung des Geistigen, wenn ich das Kind eurythmisieren oder singen lasse. Das Geistige, von dem die Glieder strotzen, wird herauserlöst. Das ist der reale Vorgang. Es ist also ein wirkliches Herausholen des Geistigen aus dem Kinde, was ich dabei vollbringe. Und das hat nun wiederum zur Folge, daß, wenn das Kind aufhört solche Übungen zu machen, das Geistige darauf wartet, um Verwendung zu finden. – Ich habe Ihnen dieses gestern in anderer Beziehung klargemacht. – Aber das Geistige wartet auch wiederum darauf, sich zu befestigen. Ich habe das Kind wirklich vergei&tigt, indem ich es turnen, eurythmisieren oder singen lasse.
Das Kind ist ein ganz anderes Wesen geworden; es hat viel mehr Geistiges in sich. Das will sich aber befestigen; das will beim Kinde bleiben; das dürfen wir nicht ableiten. Und da gibt es das einfachste Mittel: Wir bringen das Kind kurze Zeit, nachdem es eurythmisiert, geturnt oder gesungen hat, ein wenig zur Ruhe. Wir lassen die ganze

In zekere mate daaraan tegengesteld werken euritmie en zingen; daarbij vindt een totaal ander organisch proces plaats. Bij alle organen die daarbij betrokken zijn, zit namelijk het geestelijke in de organen zelf. Wanneer u de kinderen euritmie laat doen komen ze in beweging, en door het verloop van die beweging stroomt het geestelijke dat in de ledematen zit, uit de organen omhoog. De kinderen euritmie laten doen, of laten zingen betekent een verlos­sing van het geestelijke. Het geestelijke, waarmee de ledematen boordevol zitten, wordt eruit bevrijd. Dat is een reëel proces. Wat ik dan doe is werkelijk het tevoorschijn halen van het geestelijke uit het kind. En dat heeft dan weer tot gevolg dat, wanneer het kind ophoudt met zulke oefeningen, het geestelijke erop wacht gebruikt te worden. Dit heb ik u gisteren in ander verband duidelijk gemaakt. -Maar het geestelijke wacht er ook weer op, zich te kunnen verankeren. Doordat ik de kinderen gymnastiek of euritmie heb laten doen of heb laten zingen, heb ik ze werkelijk vergeestelijkt. Ze zijn andere wezens geworden, ze hebben veel meer geestelijks in zich. Maar dat geestelijke wil zich weer verankeren, wil bij de kinderen blijven; dat mogen we niet laten ontsnappen. Daarvoor is een allereenvoudigst middel: we brengen de kinderen na de eurit­mie, de gymnastiek of het zingen, korte tijd tot een zekere rust. We laten de hele

blz. 63; vert. blz. 62

Gruppe nur ein wenig ausruhen und versuchen, diese Ruhe, wenn es auch nur ein paar Minuten sein sollten, aufrechtzuerhalten. Je älter die Kinder sind, desto mehr ist das notwendig. Das sollten wir auch berücksichtigen, sonst ist am nächsten Tag doch nicht dasjenige vorhanden, was wir eigentlich brauchen. Es ist nicht gerade das ganz richtig, wenn man die Kinder wieder fortjagt, sondern man soll sie ein wenig in Ruhe sein lassen.
Bei all diesem bildet man im Grunde genommen ein Weltprinzip ab.
Die Menschen machen ja alle möglichen Theorien über Materie und Geist. Aber beiden, Materie und Geist, liegt etwas Höheres zugrunde.
Und man kann eigentlich sagen: Wenn dieses Höhere zur Ruhe gebracht wird, dann ist es Materie; wenn dieses Höhere in Bewegung gebracht wird, dann ist es Geist. Das können wir, weil es ein sehr hohes Prinzip ist, durchaus auf den Menschen übertragen. Der Mensch erschafft für dasjenige, was in dem Geistigen erlöst wird, auf die Art, wie ich es erzählt habe, ein Schema in sich durch die Ruhe. Das setzt sich ab, und er kann es dann brauchen. Es ist schon gut, so etwas überhaupt zu wissen, weil man dann alles mögliche auch noch bei anderen Dingen findet, um sich in entsprechender Weise den Kindern gegenüber zu benehmen.

groep een beetje uitrusten en proberen die rust te handhaven, ook al is het maar een paar minuten lang. Hoe ouder de kinderen zijn, des te noodzakelijker is dat. Daar moeten we goed op letten, anders is de volgende dag dat wat we eigenlijk nodig hebben, toch niet aanwezig. Het is niet goed de kinderen meteen weer naar het volgende te jagen; je moet ze een ogenblik tot rust laten komen.
Bij dit alles hanteert men in wezen een fundamenteel wereldprin­cipe. Tegenwoordig worden er allerlei theorieën over materie en geest opgesteld. Maar aan beide, materie en geest, ligt een hoger principe ten grondslag. En eigenlijk kun je zeggen: wanneer dit hogere tot rust gebracht wordt, dan is het materie; wanneer dit hogere in beweging gebracht wordt, dan is het geest. Omdat het een zeer hoog principe is, kunnen we het zeer zeker naar de mens toe vertalen. Door de rust schept de mens voor het geestelijke dat op de beschreven wijze vrij gemaakt is, in zichzelf een structuur. Dat zet zich in hem af, en dan kan hij het gebruiken. Het is goed om zoiets te weten, omdat je dan ook nog allerlei andere dingen kunt ontdek­ken om een juiste houding tegenover de kinderen aan te nemen.
GA302/62-63
vertaald/61-62

blz. 129; vert. 126

Wenn das Kind eurythmisiert, wenn das Kind singt, was tut es denn da eigentlich? Es setzt sich in einer gewissen Weise, indem es die Nachahmung loslöst von sich, das Nachahmen fort. Es bewegt sich.
Das Gesangliche und das Zuhören beim Musikalischen ist im Grunde genommen innerliche Bewegung, wie sie betätigt wird beim Nachahmen. Und wenn wir eurythmisieren mit dem Kinde, was tun wir denn da? Wir lassen es, statt daß wir ihm den Griffel oder die Feder in die Hand geben und es diese Dinge machen lassen, die das A und das E sind, und zu denen es einen reinen Erkenntnisbezug haben soll,durch seine eigene menschliche Gestalt dasjenige ineinschreiben in die Welt, was der Inhalt der Sprache ist. Wir abstrahieren nicht hin zu einem abstrakten Zeichen, sondern wir lassen den Menschen selber das hineinschreiben in die Welt, was er durch seinen Organismus hineinschreiben kann. Wir lassen ihn also in einer gewissen Weise die Tätigkeit fortsetzen, die er im präexistenten Leben hatte.

Wat doet een kind wanneer het euritmiseert, wanneer het zingt? Terwijl het het nabootsingselement in zekere zin uit zich losmaakt, zet het het nabootsen voort. Het beweegt zich; het zangelement en het luisteren bij het muzikale onderwijs is in feite innerlijke bewe­ging, zoals die bij het nabootsen wordt geactiveerd.
Wat doen we wanneer we met een kind euritmie doen? In plaats van dat we het de griffel of de pen in de hand geven en de dingen laten maken die de A en de E zijn, waar het een puur cognitieve relatie toe moet hebben, laten we het door middel van zijn eigen menselijke gestalte iets in de wereld schrijven wat inhoud van de taal is. We abstraheren niet tot het een of ander abstract teken; we laten de mens zelf iets in de wereld schrijven wat hij door middel van zijn organisme kan schrijven. We laten hem dus in zekere zin de activiteit voortzetten die hij in het voorgeboorte!ijke leven heeft bedreven. Als we dan niet naar abstracte tekens toe gaan, maar naar het bééld bij het leren schrijven en lezen, dan verwijderen we ons door het feit dat hij zijn wezen actief moet inzetten niet van zijn wezen; we laten hem zich niet geheel en al verwijderen van wat zijn wezen is. Oefenend en door inspanning brengen we hem de gehele mens bij.
GA302/129
vertaald/126-127

.

Rudolf Steiner over euritmie

Rudolf Steineralle artikelen

.

1471-1379

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-2/2)

.
Hoewel de voorbeelden in het artikel gedateerd lijken, is het niet moeilijk voorbeelden te vinden die in onze tijd dezelfde geest ademen. De gedachten die Bos rond deze voorbeelden ontwikkelt, zijn echter nog steeds uiterst actueel (de ‘sensatiedraak’: nu internet en smartphone?) en kunnen een hulpmiddel zijn bij onze eigen sociale ontwikkeling.

DE SOCIALE WERKELIJKHEID (2)

DE MAATSCHAPPIJ ALS SPIEGEL VOOR DE MENSELIJKE ZIEL

Het eerste fenomeen waar we oefenend mee bezig willen zijn, is dat van de moderne woningbouw. De tijd van de massale rechthoekige betonnen blokkendozenbouw heeft misschien zijn hoogtepunt gehad, (hoewel deze de kantorenbouw nog ongeremd doorgaat) maar de blokkendozen zelf zijn daarmee nog niet weg!

Er zijn mensen die beweren dat al die drukte om bijvoorbeeld de Bijlmermeer geen hout snijdt, want ‘het blijkt’ dat je er best in kunt wonen! Toch kan degeen die onbevooroordeeld in de Bijlmer – om dit extreme voorbeeld nog maar eens te noemen – rondwandelt zich met verbijstering afvragen hoe het mogelijk is dat zoiets gebouwd werd. Wat voor wezen kan zoiets ontwerpen? Nu gaat het erom bij zulke wat vage gevoelens, die meestal verwijzen naar iets negatiefs bij anderen, niet stil te blijven staan. We kunnen proberen het wezen van deze ervaring te pakken, wanneer we bijvoorbeeld bij de terugblik op de dag, deze ervaring tot beeld trachten te verdichten. Het kan zijn dat we dan iets voor ons zien als een groot grauw anoniem beest en dat daarbij de kwaliteit fantasieloosheid naar voren treedt.

Daarmee richt ik nu de blik naar binnen. Met dit zoeklicht ga ik rondkijken in mijn eigen leefwereld. En misschien zie ik ineens voor me dat de wijze waarop ik de afgelopen jaren de weekends of vakanties heb doorgebracht van een even grauwe fantasieloosheid is. Eén monotone reeks van dezelfde weekendblokken. Steeds dezelfde ingang (zaterdagmorgen winkelen, ’s middags auto wassen), dezelfde galerij (’s avonds bridgen), dezelfde halletjes (zondags uitslapen en kerkgang), dezelfde huiskamer met de tv op een vaste plek (’s middags naar het voetballen kijken).

Wie is de architect van mijn grauwe monotone weekendbouwdozen? Ben ik dat niet zelf? Zou dit deel van mijn wezen niet in staat zijn een Bijlmermeer te bouwen? En als ik deze innerlijke Bijlmermeer in beweging breng, deze innerlijke grauwheid wat kleur verleen, zou ik daarmee niet iets verlossen van het wezen dat mij door de Bijlmermeer heen aangrijpt?

Piramide van immorele substantie
Een ander voorbeeld: Amnesty International heeft sinds 1974 over de hele wereld de aandacht gevestigd op het martelen. Wij zijn aan die berichten gewend geraakt. Men kan met huivering vaststellen dat veel mensen er zich nauwelijks meer over opwinden. Het hoort bij het vele dat we in de wereld om ons heen anders zouden wensen, maar niet kunnen veranderen. We wenden er ons vanaf en berusten. Ik geloof niet dat dat goed is. We moeten ons er wel mee bezig houden. Maar hoe? Ook daarin schuilt een ‘binnen-buiten’ oefening. Wanneer men de berichten over het martelen hoort en de getuigenverklaringen leest, komt er een gevoel van diepe afschuw boven. Hoe is het mogelijk dat de ene mens dit de andere aandoet? Men heeft de neiging zich vol afgrijzen van het verschijnsel af te wenden of de toorn tot actie te laten worden. Men kan echter ook bij het beeld verwijlen en zich afvragen: wat gebeurt er eigenlijk? Natuurlijk kan het verschijnsel martelen op verschillende manieren gekarakteriseerd worden. Eén wezenskenmerk is in ieder geval dat de ene mens de ander instrumenteel hanteert, als middel tot een doel gebruikt, zijn doel. En dat doel is altijd heilig: de veiligheid van het land, het slagen van de revolutie, het winnen van de oorlog, de uitroeiing van het boze en zo meer. En in het licht van deze doelstelling is elk middel geoorloofd om van een ander informatie los te krijgen of juist te bereiken dat hij zwijgt.

Wanneer ik deze sleutel – het instrumenteel behandelen van de ander – eenmaal gevonden heb, ga ik ermee opzoek in mijn eigen levenssfeer. Zijn er soms (gedrags)deurtjes – kleiner, maar van dezelfde soort – waar deze sleutel op past? Zulke deurtjes blijken er te zijn. Bijvoorbeeld bij het wegrijden van het benzinepompstation betrap ik mezelf erop dat ik de pompbediende volstrekt instrumenteel behandeld heb. Ik heb hem niet aangekeken, ik heb hem gedachteloos de sleuteltjes aangereikt en heb even onbewust de getekende betaalcheque overhandigd. Ik heb geen flauw idee meer hoe hij er uitzag, wat hij zei, hoe hij handelde. Kortom: hij is voor mij niet meer geweest dan het uiteinde van de pompslang.

Nu hoef ik hierover geen zware schuldgevoelens te hebben, want ik was immers op weg naar een belangrijke vergadering (ongetwijfeld een bespreking met ‘beleidskarakter’!), ik heb bovendien het bedrag op de cheque aardig naar boven afgerond en ten slotte: waar blijf je als je alle pompbediendes, koffiejuffrouwen, postbodes en dergelijke diep in de blauwe ogen moet kijken om ’s avonds nog te weten hoe ze er uit zagen…?

Of zou het zo zijn dat wanneer miljoenen mensen op deze onschuldige wijze elkaar instrumenteel hanteren, er een platform geschapen is waarop honderdduizenden op wat minder onschuldige wijze – bijvoorbeeld in consumentenmanipulatie – de ander instrumenteel hanteren? En op dit draagvlak kunnen misschien duizenden op hoogst bedenkelijke wijze anderen voor hun karretjes spannen. En dat geeft wellicht eerst de mogelijkheid voor honderden om op een onmenselijke wijze de ander de duimschroeven aan te leggen. Een soort piramide gebouwd uit dezelfde immorele substantie. Onderaan véél maar in geringe concentratie, bovenaan weinig doch vrijwel onverdund. Op die wijze hebben wij de martelende mens in ons ontdekt. Zonder in het minst iets te willen afdoen aan het belang van het werk van Amnesty International: zouden we ons door het overwinnen van de martelende mens in onszelf, door het aan de voet slechten van de piramide, niet iets kunnen bijdragen aan het overwinnen van deze problematiek?

Sensatiedraak
Nog een ander voorbeeld. De meesten van ons kennen het blad ‘Bild’: een Duits boulevardblad van het Springerconcern dat in miljoenenoplage elke dag de grootste sensatieberichten brengt: bij voorkeur lustmoorden; seksschandalen; grootscheepse oplichtingen, onwaarschijnlijke ontvoeringen enzovoort. Dergelijk nieuws is voedsel voor een heel bepaald soort gevoelens en emoties. Bij het kopen van het ochtendblad van vandaag is het voer dat het ochtendblad van gisteren verschafte, reeds lang verteerd. Het heeft een leegte achtergelaten en de ziel hongert naar een nieuwe injectie. Het is als de draak in het sprookje die elk jaar een jonge maagd eist, anders breekt hij vernietigend los. Zo hongert deze sensatiedraak in ons in een toenemende frequentie en intensiteit naar zijn dagelijks maal. Hij maakt ons verslaafd aan dit soort voedsel.

Maar wat wil dat zeggen, is dat zonder betekenis voor de wereld om ons heen? Zijn alleen daden realiteit of kunnen ook gevoelens en gedachten een werking hebben? Wanneer miljoenen hongerige draakjes om een jonge maagd schreeuwen, zou er dan niet ergens één voor de bijl gaan? Wanneer al die zielen verlangend uitzien naar de volgende moord waaraan ze zich – met ‘oprechte’ morele verontwaardiging – verlustigen kunnen, zou die gepotentieerde begeerte niet een reële zuigkracht kunnen betekenen die zo’n daad aantrekt?

Vélen zullen weerstand kunnen bieden aan een innerlijke opwelling zo’n soort daad te verrichten. Maar de mensheidsketting heeft zwakke schakels. Er zijn mensen die, door wat voor oorzaak dan ook (erfelijkheid, opwelling, lot) tot zo’n daad in staat zijn. En moeten we dan verbaasd zijn als zulke mensen geen weerstand kunnen bieden aan de druk van een massa die eigenlijk van hen vraagt dat zij zo’n daad verrichten? Er moet immers kopij zijn voor het volgende ochtendblad! We kunnen boos worden op de moordenaar, of op Springer, maar hebben we niet zelf de daad begaan, de kopij geleverd?

Macht en onmacht
Een laatste voorbeeld heeft met macht te maken. Het machtthema doordringt alle politieke discussies en ook steeds meer sociaal-wetenschappelijke analyses. Machtsconcentraties zijn aan de orde van de dag. Elke fusie, elke schaalvergroting, elke uitbreiding van invloedssfeer doet de macht van steeds kleinere groepen toenemen. Het proces kan ons benauwen. Hoe is het mogelijk dat zich zoveel macht concentreert in zo weinig handen?

Dat gevoel leidt tot bezinning op de vraag, wat die macht dan eigenlijk inhoudt. Zijn die machthebbers zo machtig? Of vinden we op dit niveau de allerhoogste vorm van gedrevenheid, van systeemknechtschap, van onvrijheid, kortom van machteloosheid? Ik weet dat alleen al een dergelijke vraagstelling een horreur is voor maatschappij-kritische macht-ondergravers. Toch moet een uitlating van Wagner, oud-president-directeur van de multinational Shell, serieus worden genomen. Hem werd gevraagd hoe hij zich voelde aan de top van zo’n machtig concern. Hij antwoordde: ‘Ik voel mij zittend op de rug van een buitenmaatse brontosaurus en kijk waarheen hij gaat’. Dus niet: ‘Ik stuur hem waarheen ik wil’, maar: ‘Ik kijk waarheen hij gaat’. Een teken van groter onmacht is nauwelijks denkbaar! Vinden we die kwaliteit in onszelf terug?

Laten we eens met dit onmacht-zoeklicht in onze eigen ziel rondschijnen. Hoe machtig zijn we in het sturen van onze eigen zielenkrachten van denken, voelen en willen?

Het beste is een proef te nemen.* Neem een potlood – concreet voor je of in gedachten – en neem je voor gedurende vijf minuten over niets anders te denken dan over dit potlood. Een heldere, beheerste gedachtenstroom, die blijft aanknopen bij dat potlood. Bijvoorbeeld eerst de vorm beschrijven, dan de kleur, dan de functie, vervolgens de materialen waarvan en de wijze waarop het geproduceerd is. Dan bijvoorbeeld de verschillende soorten potloden die er zijn, de historie van het potlood, de herkomst van het woord enzovoort.

Wie de oefening doet, merkt hoe weinig baas hij in eigen denkhuis is. Gedachtenketens breken af of stagneren, gedachten-associaties gaan er met je vandoor. Je betrapt je erop dat je niet meer over het potlood denkt maar over de brief die je ermee wilde schrijven of over je vulpen die je nog steeds niet ter reparatie hebt weggebracht… Het geeft een feestelijk gevoel wanneer het lukt om, al is het maar twee minuten, een volledige controle over de eigen gedachten-stroom te hebben. En als het niet lukt komt er direct een gevoel van beschamende onmacht op…

En hoe is het met de gevoelens? Worden we door hen beheerst of hebben we ze in de hand? We kunnen hier niet gaan oefenen zoals met de gedachten. We kunnen echter wel onszelf waarnemen in situaties waarin gevoelens opkomen. Bij conflictsituaties, wanneer tegenslagen mij treffen of juist wanneer het ene succes na het andere mijn deel wordt; in confrontatie met mensen die mij diep antipathiek zijn of mij geweldig ophemelen; in situaties waar mensen dingen door het slijk halen die mij heilig zijn, of juist met klem iets verdedigen waarvan ik het belang op geen enkele wijze kan inzien. Hoe ga ik op zulke momenten met mijn gevoelens om? Slaan ze door naar verslagenheid, fikse ergernis, verlammende twijfel en angst aan de ene kant en trots, eerzucht, laaiend enthousiasme en blind vertrouwen aan de andere kant? Of weet ik – zonder gevoelloos te worden – deze opkomende extremen in de hand te houden en daarmee mijn gevoelens tot een subtiel waarnemingsorgaan te maken, waarmee ik in een diepere laag van de werkelijkheid om mij heen doordring? Ook hier kan men de ervaring opdoen dat het nog niet zo eenvoudig is om baas in eigen gevoelshuis te zijn. Nog al te vaak gaan gevoelens en emoties met mij op de loop. En dan kan mij weer datzelfde gevoel van onmacht bekruipen (pas op dat dat gevoel niet doorslaat, zodat je in vertwijfeling ophoudt met oefenen!).

Ten slotte de wil. Wanneer ik mij iets voorneem, kan ik dat ook uitvoeren? Kan ik bepaalde gedachten als het ware ‘naar beneden sturen’ zodat ze via mijn ledematen tot handeling worden? Wanneer ik dat door een oefening wil nagaan moet ik geen handeling nemen die de buitenwereld me kan afdwingen of verhinderen uit te voeren. Want dan is het al of niet lukken al te gemakkelijk af te schuiven op externe factoren… Nee, ik neem een uiterst simpel voornemen, waarvan niets en niemand me de uitvoering kan beletten, en waartoe niets of niemand dan ikzelf mij kan dwingen. Bijvoorbeeld neem ik mij ’s morgens bij het opstaan voor om 11.00 uur en om 15.00 uur mijn zakdoek van de ene zak in de andere te doen. Waarlijk een al te simpel voornemen? Wie echter dag in dag uit merkt hoe moeilijk dit is, hoe weinig men in staat is zulke voornemens ook precies uit te voeren, beleeft een derde regio van onmacht: geen heer in eigen wils-huis. We koppelen nu terug naar het maatschappelijk verschijnsel van de macht. We leerden het kennen als een onmachtig gevangen zijn van mensen in een anoniem systeem. Wat wil het nu zeggen dat wij in onszelf drie regionen van fundamentele onmacht ontdekt hebben, dat wij nog weinig baas in eigen denk-, voel- en wils-huis zijn? Wanneer talloze mensen deze innerlijke onmacht beleven, scheppen zij daarmee niet een vacuüm, waarin zich, maatschappelijk gezien, een systeem-macht kan nestelen die voor ons denkt, onze gevoelens bespeelt en ons handelen manupuleert? Daarmee kan het waarnemen van de machtsconeentratie buiten ons tot een krachtig appel aan onszelf worden om systematisch de innerlijke onmachtgebieden te gaan veroveren!

*De drie oefeningen die hier beschreven worden vormen een onderdeel van de zes zogenaamde ‘Nebenübungen’. Na de oefeningen voor het denken, voelen en willen volgt nog een 4e (positiviteit), een 5e (onbevangenheid) en een 6e (harmonie tussen de vijf oefeningen). De oefeningen staan beschreven in het boek ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’ Zij heten ‘Nebenübungen’ omdat Steiner aanbeveelt ze naast meditaties, waarnemingsoefeningen en dergelijke te blijven doen.

.

Lex Bos, Jonas 24, 29 juli 1983
.

Deel 1 van deze artikelenreeks

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1470-1378

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-2/1)

.
Artikelen over ‘het sociale’ die in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw verschenen, m.n. in het blad Jonas, bevatten gezichtspunten die ook nu – 2017 – nog uiterst actueel zijn. Neem het ‘wij-zij’. De voorbeelden die Bos geeft kunnen aangevuld worden met wat er nu op grote schaal aan polarisatie bestaat tussen de vluchteling, de asielzoeker en het land, de bevolking, die deze moet opnemen. Is de PVV hier het ‘plaatsvervangend Ik? 

De sociale werkelijkheid (1)

DE KLOOF TUSSEN MENS EN MAATSCHAPPIJ

De tachtiger jaren* worden gekenmerkt door het afbrokkelen van de verzorgingsstaat en door massale werkloosheid. Met het herstel van de oorlogsschade in de vijftiger jaren werden de fundamenten gelegd voor het ‘Wirtschaftswunder’. Langzaam verrezen in de zestiger jaren de contouren van de welvaartsstaat. In de zeventiger jaren werd duidelijk waarheen deze ontwikkeling tendeerde: een alom aanwezige verzorgingsstaat, die weldra het totale nationale inkomen herverdeelt en dirigeert en daarmee alle levensgebieden van zich afhankelijk maakt. Een grandioos bureaucratisch bouwwerk is in deze decennia opgebouwd, waarachter een moeilijk grijpbare macht werkzaam is. Daartegen zijn reeds in de zestiger jaren in alle industrielanden revolutionaire groepen storm gelopen. Culminerend in de opstanden in Berkeley, Tokio, Parijs, Berlijn en ten slotte in de Praagse lente.

Een tegenstroom werd in de zeventiger jaren zichtbaar. Vele groepen trokken zich terug uit de maatschappij, de zinloosheid van het welvaartsleven belevend. Zij zochten een innerlijk leven. In die jaren was er een ware hausse van sensitivityseminars, encounter-groups, gestalttraining, yoga, transcendente meditatie, bio-energetica en dergelijke meer. Een stroom van – veelal oosterse – occulte literatuur ondersteunde deze beweging.

We zijn nu aangeland in de tachtiger jaren. De welvaartsstaat waartegen in de zestiger jaren werd storm gelopen brokkelt af. Het vrijwillig zich terugtrekken uit de maatschappij – in de zeventiger jaren mogelijk door de royale sociale uitkeringen van de verzorgingsstaat – wordt nu een smartelijke, gedwongen ervaring voor miljoenen werklozen die buitenspel worden gezet. Daardoor worden twee fenomenen, die met het thema van dit artikel te maken hebben, zichtbaar.

Afbrokkeling van de verzorgingsstaat
Het inleveren van de ‘verworven’ rechten, het teruggaan in inkomen, maar vooral het als werkloze buitenspel gezet worden, heeft bij menigeen ook een positief gevolg. De ervaringen zijn vergelijkbaar met die van een rouwproces, een onthechtingsproces. Uit opstandigheid, berusting en smart ontstaat een nieuw bewustzijn: bezinning op de zin van het leven, van het werk, van de eigen biografie, een wakker worden voor de noden van de ander, een geboren worden van een nieuwe levenswil. Daaruit ontstaan de meest verschillende initiatieven, enerzijds om zelf weer aan de slag te komen, anderzijds om bij te dragen aan een positieve maatschappelijke ontwikkeling: milieuvriendelijk, kleinschalig, niet-hiërarchisch, met andere geldstromen. In de zestiger en zeventiger jaren konden dit soort initiatieven reeds worden waargenomen. Met het afbrokkelen van de verzorgingsstaat komt deze stroom machtig aan de oppervlakte.

Men kan in deze stroom een positieve en geconcentreerde metamorfose zien van de bewegingen van de twee vorige decennia. De revolutionaire fase van de zestiger jaren was naar buiten gericht, tegen de macht van de gevestigde orde. De beweging van de zeventiger jaren – veelal anderen dan de vermoeide strijders van het vorige decennium – was naar binnen gericht en droeg het karakter van wereldvlucht. Degenen die door het eerder beschreven ‘rouwproces’ van de tachtiger jaren gelouterd werden, maken eerst een – positieve – beweging naar binnen, waarbij een sterke confrontatie plaats vindt met eigen normen en waarden. Dat is een sterke beproeving van innerlijke kracht. Vervolgens maken ze een beweging naar buiten, eveneens positief. Daarbij begint de uiterlijke beproeving: met het eigen initiatief, met de vrijwillig gevormde groep standhouden in de confrontatie met de nog altijd krachtig aanwezige gevestigde orde.
Ik krijg de indruk dat deze – kwantitatief – nog kleine – groepering een ontwikkeling gaat waarbij op een gezonde wijze de weg naar binnen – confrontatie met jezelf, ontdekken van je eigen Ik – en de weg naar buiten – confrontatie met de maatschappij, ontdekking van verborgen sociale krachten -worden afgewisseld en met elkaar verbonden.
De afbrokkeling van de verzorgingsstaat brengt dit binnen-buiten thema nog op een andere – negatieve en gevaarlijke – manier te voorschijn, namelijk als toenemende polarisatie.

In de zestiger en zeventiger jaren is een geleidelijke gewenning ontstaan aan het feit dat de bomen blijkbaar de hemel in kunnen groeien en dat voor elk probleem de overheid een oplossing dient aan te dragen. Daarmee is het sociale bewustzijn langzaam in slaap gesust. De tachtiger jaren brengen een pijnlijk ontwaken. Zekerheden blijken illusies, vrijheden afhankelijkheden te zijn, problemen en conflicten blijken niet opgelost maar voor ons uitgeschoven en toegedekt te zijn. Dat roept angst en agressie op. Men voelt zich bedreigd en aangevallen, gaat zich organiseren en verzetten, zoekt zondebokken en schuldigen. Dat leidt tot polarisatie. Polarisatie tussen maatschappelijke groeperingen is geen nieuw verschijnsel. Vrijwel alle levensgebieden kennen zulke antagonismen: werkgever-werknemer, producent-consument, industrieland-ontwikkelingsland, oost-west, islam-christendom. In meer of mindere mate lukt het tot nu toe door overleg te vermijden dat deze antagonismen gaan polariseren. Toch ligt het conflict, de verharding van de posities en daarmee de strijd steeds op de loer. Ik ben van mening dat de afbrokkelende verzorgingsstaat deze sluimerende polarisatie manifest maakt. Er is vrijwel geen groepering die zich niet bedreigd voelt, zich organiseert, voor haar rechten opkomt en zich daarbij polariserend opstelt, hetzij tegen andere groepen, hetzij tegen de overheid in het algemeen: minderheidsgroepen tegen de meerderheid, ‘eigen’ arbeidskrachten tegen gastarbeiders, werkende mensen tegen het toenemend aantal niet-werkenden dat door hen onderhouden moet worden, feministen tegen het masculine en zo meer. Iedere groep vindt dat de klappen elders moeten vallen en wendt alle intelligentie aan om aan te tonen hoe onrechtvaardig het is dat zij moet inleveren. Ook (zelfs!) tussen departementen en tussen bestuurslagen onderling kan men deze polarisatie waarnemen.

‘Ze’ en ‘we’
Waarin vindt het verschijnsel van de polarisatie eigenlijk zijn oorsprong? Wat is dat voor kloof die tussen mensen en groepen ontstaat? Waar komt die vandaan? Ik denk dat zij veel te maken heeft met het binnen-buiten thema. Laten we daartoe eens de volgende twee uitspraken wat nader onderzoeken. Uitspraken die men in talloze variaties dagelijks kan horen:

‘Ze hebben de tarieven verhoogd.’

‘We hebben de cup gewonnen.’

De eerste uitspraak is uiterst karakteristiek voor onze tijd. ‘Ze’ hebben iets gedaan, meestal iets wat ons niet zint, waar we het niet mee eens zijn, wat ongevraagd in onze levenssfeer ingrijpt en waar we ons in ieder geval niet verantwoordelijk voor voelen. Mensen praten tegen elkaar in termen van ‘ze’. Die ‘ze’ kan de regering zijn, de vakbond, het bestuur, het ziekenfonds, de bedrijfsleiding, de baas, het buurtcomité, de buren, de kinderen, in ieder geval niet ik. Wat drukken we eigenlijk uit met dit ‘ze’? We drukken er mee uit dat we ons niet vereenzelvigen met die anderen, dat we ons niet medeverantwoordelijk voelen voor hun handelen, dat we onszelf erbuiten plaatsen. Het drukt uit dat ik de maatschappelijke buitenwereld als een wereld buiten mij ervaar, als een ondoorzichtige, anonieme macht waar ik niet toe behoor, waarin ik mijzelf ook niet kan herkennen.

Als ik deze beweging van mijzelf er buiten plaatsen consequent doorzet, word ik op een hardhandige wijze met mijzelf geconfronteerd. Als ik mijzelf van al die ‘ze’s’ distantieer, kan ik bij hen ook geen normen voor mijn handelen vinden. Die moet ik blijkbaar uit mijzelf halen. Het afsnijden van de weg naar buiten (bij die ‘ze’ wil ik niet horen) roept de weg naar binnen op. Maar op die weg naar binnen blijkt weinig houvast. Een chaotisch, ondoorzichtige, vaak bedreigende wereld van begeerten en angsten, emoties en gevoelens, voorstellingen en gedachte-associaties grijnst mij tegemoet. Tevergeefs zoek ik daarin naar het eigene. Wie ben ik zelf, heb ik wel een geestelijke ruggengraat, kan ik morele normen uit mijzelf halen?

De kracht en het vertrouwen op deze weg naar binnen voort te gaan, op zoek naar het eigen Ik, ontbreekt velen. Zij wenden zich om, hun eigen wezen verloochenend en zoeken een plaatsvervangend Ik.

‘Wij hebben de cup gewonnen’. Dit ‘wij’ kan, al naar gelang van de situatie, een verschillende vulling krijgen: Wij van Feyenoord, wij van de verkoopafdeling, wij Nederlanders, wij van Katendrecht, wij werkers in de gezondheidszorg, wij uitkeringstrekkers, wij van de PvdA, wij van de familie. Dat wij geeft een bescherming, een zekerheid, het biedt een plaatsvervangend Ik, verschaft autoriteit, geeft normen. Dat ‘wij’ krijgt zijn identiteit doordat het zich duidelijk onderscheidt van Sparta, de productieafdeling, de Belgen, het
Noordereiland, de maatschappelijk werkers, de uitkeringverschaffers, de VVD, de niet-familieleden.

Mens buiten haakjes
Uit het voorgaande is een merkwaardige paradox zichtbaar geworden. In het ‘ze’ wordt een vervreemdende kloof beleefd tussen mij en de maatschappelijke buitenwereld. Ik wend mij om van die wereld en richt mij naar binnen. Daar verschijnt een nieuwe kloof tussen mij en mijn eigen wezen dat ik tevergeefs in die binnenwereld zoek. Wederom wend ik mij om en vind ik de identificatie met maatschappelijke groepen, die ik eerst als ‘ze’ heb afgewezen, een ‘we’ dat mij een plaatsvervangend Ik verschaft.

Twee kloven worden zichtbaar: tussen mij en de sociale buitenwereld en tussen mij en mijn eigen binnenwereld. Wat voor geestelijke werkelijkheid schuilt er achter de maatschappelijke ‘krachten’, die ik buiten me gewaar word? Wat voor geestelijke werkelijkheid schuilt er achter de innerlijke ‘machten’ die ik in mijzelf gewaar word? Is dat misschien één en dezelfde werkelijkheid, zijn die twee kloven misschien één kloof en ligt in het niet onderkennen daarvan de diepere oorzaak van alle polarisatie en vervreemding? Een nieuwe vraag duikt op. Kan ik die geestelijke werkelijkheid leren kennen of is er principieel een kloof tussen mijn zintuigelijk dagbewustzijn enerzijds en het duister van de maatschappelijke krachten buiten me en de binnenwereld in me anderzijds?

Onbewust hebben velen zich bij deze kloof neergelegd. We zijn immers opgegroeid in de schaduw van Kant, die ‘eens en voor altijd bewees’ dat er grenzen zijn gesteld aan het menselijk kennen en dat hetgeen zich aan gene zijde van de zintuigelijke wereld bevindt alleen object van geloof kan zijn. Deze kloof is historisch lang voorbereid in een proces van geleidelijke individualisering. Deze afsnoering betekende een stap voor stap ontwaken in de zintuigelijke wereld uit een dromend leven in een goddelijk-geestelijke wereld.

Bacon (1561-1626), de grondlegger van de moderne natuurwetenschap, is degene die deze scheiding, deze kloof methodisch heeft verankerd. Hij had een diep wantrouwen tegen de waarnemende mens: ‘Waarnemingen worden vertroebeld door religieuze, mystieke en alchemistische gevoelens. Die zijn subjectief. We moeten de waarnemende mens zoveel mogelijk vervangen door registrerende instrumenten die kunnen meten, wegen en tellen’.

Ook tegen de denkende mens had Bacon een groot wantrouwen: ‘Gedachten worden vertroebeld door kerkelijke dogma’s, scholastieke vooroordelen en onbewezen openbaringen. Die zijn subjectief. We mogen de denkende mens alleen toelaten in het kenproces voor zover het resultaat van dit denkproces kan worden neergelegd in mathematische formules’.

In feite werd daarmee de mens als waarnemend en denkend wezen buiten haakjes gezet in het kenproces. Daarmee kon hij in de resultaten van deze wetenschap zichzelf ook niet meer terugvinden. Toen de mens als kennend subject eenmaal buiten spel stond, was de weg vrij voor een mensvreemde wetenschap. We merken het toch dagelijks (bijvoorbeeld rondom debatten over het milieu, over abortus en euthanasie, over opvoeding en gezondheidszorg) dat de moderne natuurwetenschap de mens in de kou laat staan, hem geen enkel antwoord geeft op welke wezenlijke vraag dan ook, die hij over zichzelf stelt.

Deze mensvreemde wetenschap wordt vervolgens hanteerbaar gemaakt tot techniek, tot mechanische, chemische, elektronische, maar ook tot psycho- en sociotechniek.
En met deze technische hulpmiddelen bouwen we de maatschappelijke werkelijkheid om ons heen. Is het verwonderlijk dat een mensvreemde wetenschap leidt tot een maatschappij, die geen menselijk gelaat meer heeft? Is het verwonderlijk dat een wetenschap, die een kloof schept tussen de mens en zichzelf, een maatschappij tevoorschijn roept die door de mens wordt beleefd als door een kloof van zichzelf gescheiden?

Twee kloven, twee drempels, twee vreemde werelden. Hoe moeten we daarmee omgaan? Moeten we de toegang met geweld forceren? We maken dan iets kapot in onszelf, we blijven met de brokken zitten en komen aan de drempel alleen onszelf in karikatuur tegen, afdruk van het boze in zijn koude verstarrende of in zijn warme verlokkende vorm. Hoe moeten we met die drempels omgaan? Kunnen we door een gezond ritme van individuele en sociale bewustwording, door de blik afwisselend naar binnen te richten met een vraagstelling die we van buiten halen en naar buiten te richten met de innerlijke vraag naar de eigen verantwoordelijkheid in de situatie, kunnen we op deze wijze wellicht ‘de ene kloof met de andere overbruggen’?

Antroposofie is een moderne scholingsweg waarop de mens, vanuit de krachten van zijn/haar Ik, kan ontwaken voor de geestelijke werkelijkheid in de maatschappij buiten hem/haar. Een weg waarop hij/zij ontdekt dat deze geestelijke werkelijkheden in wezen twee zijden van zijn/haar eigen zich ontwikkelende individualiteit zijn. In een volgend artikel wil ik deze twee wegen – de weg naar buiten en de weg naar binnen – wat concreter beschrijven. Ik wil aan een aantal alledaagse verschijnselen laten zien hoe men deze tot een beeld kan verdichten en de kwaliteit ervan in de eigen ziel als kracht kan herkennen. Van daaruit kan een groeiende zekerheid ontstaan hoe men handelend met deze werkelijkheid om kan gaan.
.

Lex Bos, Jonas 23, 8 juli 1983*

.

Deel 2
.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

1469-1377

.

.

VRIJESCHOOL – jaarfeesten – advent – verhaal (13-3)

.

Klein adventsverhaal

Maria wandelde langs de hemel, langs de zon en de maan en de vele sterren.
Ze knikten haar alle vriendelijk toe.
Maria keek naar de aarde en zag hoe donker het daar weer geworden was.
Ze deed haar mooie blauwe mantel om en dacht: ‘Het is tijd om het Kerstkind naar de aarde te brengen, bij de mensen in hun harten.’

Maria schreed langs de sterren, de zon en de maan.
“Lieve sterren, willen jullie mij helpen om voor het Christuskindje een hemdje te weven?”
‘Ja’,  knikten alle sterren en ze schonken haar het sterrengoud.
Ook aan de zon en de maan vroegen ze het en alle gaven van hun licht.

Maria weefde met zachte hand van al die draden een mooi en glanzend hemdje..
Toen het klaar was, deed ze het haar Kindje aan dat straalde met een groot warm licht.

Nu klingelden de sterrenklokjes en zingend brachten de Engelen het Kerstkind naar de aarde.
.

Over sterren

.

(bron onbekend)

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Kerstspelenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldadvent spiralen e.d.    jaartafel

.

1468-1376

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid (7-1/2)

.

In de jaren ’75-’76 van de vorige eeuw leefde de idee van de sociale driegeleding in de vrijescholen veel meer dan nu. Met name de vrijheid van inrichting van het vrijeschoolonderwijs kwam door de regeringsplannen steeds meer onder druk te staan. 
De Amsterdams Geert Grooteschool was actief op het gebied van de ‘onderwijsvernieuwing’. Er worden allerlei bijeenkomsten georganiseerd en in de schoolkrant verschenen allerlei artikelen.

Er werd o.a. stil gestaan bij wat ‘vrijheid’ kan betekenen.

Een aantal van deze artikelen over vrijheid – hoewerl ik de reeks niet compleet heb – zal hier volgen.

VRIJHEID — wetenschappelijke uitgangspunten; Newton en Goethe

Met Galilei (1564-1642) ontstond de natuurkunde als empirische (proefondervindelijke) wetenschap, Newton was de exponent voor de mechanistische aspecten hiervan.
Natuurkunde is een wetenschap die zich merkwaardigerwijze uitsluitend bezig houdt met een gebied, dat wij doorgaans niet met het begrip “natuur” in verbinding brengen. Hoewel de natuurkunde een exacte wetenschap wordt genoemd, is de benaming dus eigenlijk weinig exact,want wat wij “natuur” plegen te noemen omvat in de eerste plaats de lévende natuur; het planten- en dierenrijk en het landschap in zijn totaliteit.

Oorspronkelijk omvatte het begrip “natura” dan ook inderdaad al het geschapene.

Met de opkomst van een natuurkunde, die zich steeds meer toelegde op wat meetbaar, telbaar en weegbaar was, is het accent zodanig komen te liggen op de verschijnselen die te herleiden zijn tot in kwantiteiten uit te drukken krachten, dat déze natuurkunde na verloop van tijd uit het geheel van de “natura” gevallen is. Dat niet alleen, maar de nieuwe wetenschap kreeg zoveel aandacht, was zo fascinerend dat zij naar methode en filosofie de andere wetenschappen steeds meer is gaan beheersen, een soort basiswetenschap is geworden.

Met het einde van de 19e eeuw is deze ontwikkeling geculmineerd in een absolute heerschappij. Alles wat niet volgens de wegen van deze exacte wetenschap gevonden of bewijsbaar was, werd met wantrouwen bejegend. Alles wat niet in wiskundige wetten in te passen was, werd tot “geloof” bestempeld en daarmee als onwetenschappelijk, ja zelfs als onwerkelijk gediscrimineerd.

Rudolf Steiner, die zelf natuurwetenschappen had gestudeerd, heeft de verovering van dn exacte methode als de grote winst van deze ontwikkeling beschouwd, maar tegelijk gewaarschuwd tegen de opvatting dat de wetmatigheden die langs deze weg zijn gevonden en die in wezen alle van fysisch-mechanische aard zijn, ook van toepassing zouden zijn op verschijnselen, die meer omvatten dan alleen dit aspect, op levensverschijnselen.

Maar ook de methode heeft alleen waarde, wanneer deze werkelijk zuiver wordt gehanteerd. Te snel gemaakte gevolgtrekkingen, theorieën opgezet op onnauwkeurige waarnemingen, het nastreven van bepaalde gewenste resultaten, het uit hun verband lichten van kleine proefgebieden, het nalaten van steeds weer toetsen aan de realiteit – dit alles werkt eenzijdigheid en onvolledigheid in de hand. In plaats van inzicht ontstaat vervreemding. Vervreemding van het menselijk denken van het werelddenken, zoals in het vorige artikel is uiteengezet.

Als voorbeeld is in het volgende getracht om zeer beknopt een karakteristiek te geven van de werkwijze van twee onderzoekers, die zich beide met de verschijnselen van het licht hebben bezig gehouden; Newton en Goethe. De bedoeling hiervan is om een indruk te geven van het verschil in benadering, waaruit wetenschap kan ontspruiten, en de consequenties hiervan.

De grote Engelse wis- en natuurkundige Isaac Newton (1643-1727) bracht door zijn vinding om in de verrekijker, die tot dan toe altijd dubbellenzig was geweest, één lens te vervangen door een spiegel, een belangrijke verbetering in dit apparaat aan. Een lens geeft nl. aan de randen van het beeld (het duidelijkste bij zwart/wit) een kleurige vertekening, (chromatische afwijking), zoals bij een eenvoudig vergrootglas te constateren is. Bij twee lenzen wordt deze vertekening ook verdubbeld en dus twee maal zo storend als bij één; dit was voor Newton, die ook de astronomie beoefende, aanleiding om de genoemde verbetering na te streven. De spiegeltelescoop is sindsdien als constructieprincipe praktisch niet meer veranderd; en is nog steeds in gebruik, de grootste in de Californische sterrenwacht, het Palomar-Observatorium, waarmee sterren van de 23ste klasse gefotografeerd kunnen worden. Dit bevestigt de grote capaciteiten van Newton als technisch uitvinder.

Pas na deze vinding ontwikkelt Newton zijn lichttheorie. Gebaseerd op een experiment, waarbij een lichtstraal door een kleine opening via een prisma in een donkere ruimte wordt opgevangen (een analogie van het lichte sterrenpuntje tegen de donkere hemel) en op de tegenoverliggende wand een kleurig spectrum vertoont, maakte Newton de gevolgtrekking dat het “witte” licht uit kleuren was samengesteld, die door breking uiteenvielen. Newton stelde zich daarbij het licht stoffelijk voor, bestaande uit minuscuul kleine, onwaarneembare deeltjes, die het licht- (en kleur-)effect teweeg brachten. Deze opvatting werd later vervangen door de golftheorie (nonchalantweg naar analogie van de geluidsgolven), die op Newtons theorie – wit licht als samenstelsel van kleuren – zelf echter geen wijzigende invloed had. Inmiddels heeft men zowel het corpusculaire als het golfkarakter van het licht als voorstellingsinhoud laten vallen. Het voert echter in het bestek van dit artikel te ver om daar nader op in te gaan.

Newton, de zich door zijn ingenieuze prestatie een zekere roem had verworven, werd als autoriteit aanvaard en had weinig moeite om op grond van deze autoriteit de welwillende leden van de Royal Society (vereniging van vooraanstaande geleerden) van de juistheid van zijn lichttheorie te overtuigen en daarmee ging deze als “de” lichttheorie de wereld in.

Interessant is het uitgangspunt: Newton had voor zijn doel, een goede telescoop, last van de kleuren – (de chromatische afwijking) – hij wilde ze eigenlijk kwijt.

Hij gaat dan ook in zijn “Opticks” zover, dat hij het bestaan van kleuren zelfs ontkent. Het gaat “slechts” om kleurverwekkende stralen, zo zegt hij (“red-making, blue-making” enz.), maar de deeltjes die de stralen vormen, zijn zelf feitelijk kleurloos. (Als hij toch van kleuren spreekt, voert Newton aan, dat hij dat gemakshalve doet en om voor “de gewone man” begrijpelijk te zijn!)

Opmerkelijk is verder dat Newton zijn conclusie: de kleuren zijn vervat in het “witte” licht, trekt uit slechts één (de hierboven beschreven) proef. Newton richt zijn aandacht geheel op het licht en laat de duisternis buiten beschouwing – duisternis is voor hem slechts het ontbreken van licht. André Bjerke beschrijft hoe je een analoge theorie zou kunnen opbouwen, uitgaande van de duisternis, waarbij je licht als het ontbreken van duisternis beschouwt. In dit geval ontstaat een spectrum met een andere kleurvolgorde en een andere centrale kleur!

Goethe (1749-1832) is ons in het algemeen meer bekend als dichter, literator, dramaturg dan als natuuronderzoeker. Merkwaardigerwijze beschouwde Goethe zelf zijn kleurenleer als zijn meest essentiële bijdrage tot de cultuur.

Goethe is inderdaad een kunstenaar, maar het is de combinatie van de kunstenaar en de onderzoeker in zijn persoonlijkheid, die hem ertoe aanspoort de wetmatigheden op te zoeken die aan de grote kunstwerken ten grondslag liggen. Hij bespeurt een overeenkomst tussen deze wetmatigheden en die van de natuur – beide hebben een zelfde werking.

De aanleiding voor het opstellen van zijn kleurenleer is bij Goethe dan ook te vinden vanuit deze belangstelling. Gedurende een van zijn Italiaanse reizen (1786-88) komt hij in gesprekken met kunstenaars vele elementen van de schilderkunst op het spoor; vorm, compositie, materiaal, enz. Maar één element blijft ondoorgrondelijk – het coloriet.
Waarom geel een warme, stralende, blauw een koele, groen een rustgevende indruk maakt, waarom sommige kleuren wel, andere niet met elkaar harmoniëren, wordt niet duidelijk. Goethe ziet in dat hij zich eerst van de wetmatigheden van de kleuren in de natuur op de hoogte moet stellen om van dit punt uit in de geheimen van het coloriet door te dringen.

Terug in Weimar begint hij zijn onderzoek. De lichttheorie van Newton is hem bekend, maar had tot dan toe niet zijn speciale aandacht. Met een geleend prisma, dat zoals dat gaat – ook bij Goethe!- al jaren ongebruikt in een kast had gelegen, begon hij allereerst de proef van Newton te herhalen. Licht laten vallen door het prisma. De verwachting dat zich op de tegenoverliggende wand een kleurenspectrum zou vertonen zoals door Newton beschreven, bleek echter niet op te gaan! Verdere proeven maakten tenslotte duidelijk (u kunt het zelf ook proberen) dat het spectrum alleen zichtbaar werd daar waar een grens was, een overgang tussen licht en donker. Niet uit het licht alleen, maar uit de polariteit van licht erl donker ontstaan de kleuren! In het geval van de proef van Newton was alles donker op een heel kleine opening na, waardoor de hierdoor veroorzaakte, eveneens heel kleine, lichtvlek geheel grensgebied tussen licht en donker werd en dus geheel gekleurd. Het werd Goethe duidelijk dat Newtons theorie zich baseerde op een onvolledige waarneming en dientengevolge berustte op een zuiver abstracte inbeelding, op een veronderstelling, die je wel kunt denken, maar die zich in de zintuigelijke wereld nooit kan verwerkelijken. Volgens Goethe zijn de kleuren iets wat zich door het licht nieuw vormt, geen bestaande werkelijkheden die uit het licht worden “gebroken” .

Dat Newtons theorie als werkhypothese tot op zekere hoogte goed bruikbaar bleek wil dus niet zeggen, dat hiermee het wezenlijke van het licht of de kleuren verklaard werd.

Goethe raakte door de bovenomschreven ontdekking pas goed geïntrigeerd en zette zijn onderzoekingen met grote zorgvuldigheid en nauwkeurigheid voort. Goethe bezat een opmerkelijk fijn waarnemingsvermogen en was daarbij op geniale wijze in staat niet alleen de uiterlijke verschijnselen, maar ook hun onderlinge samenhang te peilen. Zijn warme en universele belangstelling voor alle grootse voortbrengselen van de natuur en de kunst wekten in hem het verlangen op deze tot in hun oorsprong te leren kennen. Door een zich waarnemend-denkend intensief verbinden met datgene wat hij onderzocht, openbaarden zich de geheimen van de natuur aan hem en was hij in staat tenslotte de in de verschijnselen verborgen idee zelf waar te nemen. Deze niet-zintuigelijke waarneming was hem dus niet zonder meer gegeven als helderziendheid, maar het resultaat van een bewust, zorgvuldig opgebouwd proces.

De neerslag van Goethes onderzoek naar de wetmatigheden, de ideële principes van de kleuren, zijn te vinden in zijn werk: “Zur Farbenlehre”.

In het bestek van dit artikel is het niet mogelijk om op de inhoud van dit werk in te gaan – hiervoor zij verwezen naar onderstaande literatuur (die ook tot eigen waarneming aanspoort!) Bedoeling van dit artikel is alleen om de werkwijze te kenschetsen .

Reeds bij de eerste proef, maar ook in de gehele aanpak en beschouwing van de fenomenen verschilde Goethe essentieel van Newton. Goethe heeft dan ook tamelijk fel van leer getrokken tegen Newtons theorie. Zijn voornaamste bezwaar was, dat Newton niet los kon komen van een grof-zintuigelijke voorstellingsinhoud, waardoor hij ook datgene wat niet zintuigelijk waarneembaar is aan dezelfde wetten wilde onderwerpen – het licht samengesteld uit “deeltjes” van verschillende aard en toegerust met meetbare eigenschappen als verklaring van de kleuren. Goethe beschouwde deze
materialistisch-mechanistische opvatting als een belediging van de natuur met haar grote rijkdom aan ideeën.

Het kon dan ook niet anders of de “Farbenlehre” is een omstreden werk geworden, dat vele gemoederen in beweging bracht. Hoe zou het ook mogelijk zijn, dat een pure dilettant, een kunstenaar, het beter zou weten dan een echte, erkende wetenschapsman? Talloze mensen en groepen van mensen hebben zich met deze kleurenleer bezig gehouden, de proeven herhaald, deels om te bewijzen dat Goethe zich vergiste, deels om aan te tonen, dat hij gelijk had. Wat geen eenvoudige zaak bleek, want niet alleen dat het doen van de vele proeven grote inspanning vergt, ook de interpretatie van de uitkomsten stelt hoge eisen.

De gangbare wetenschap houdt zich nog altijd verre van Goethes leer. Deels uit gebrek aan belangstelling voor iets, dat meer omvat dan wat van praktisch nut is, deels nog uit het oude vooroordeel, dat Goethe in dit opzicht niet au serieus te nemen was, maar ook uit onvermogen om een gedachtegang te volgen die van de geijkte denksporen afwijkt. En tenslotte uit angst: angst om verworven zekerheden (maar hoe zeker zijn die?) prijs te geven en zich in het onbekende te begeven.

Goethe’s wereldbeeld was monistisch, wat in zijn kleurenleer zichtbaar wordt: tussen de polen van licht en donker, in het middengebied, speelt zich het eigenlijke leven af – de dynamiek en de dramatiek van de kleurenwereld. Hier werd het monisme, dat Rudolf Steiner in zijn “Filosofie der Vrijheid” aangaf, reeds in praktijk gebracht: de mens heft waarnemend-denkend de scheiding die tussen materie en geest is ontstaan, weer op.

Rudolf Steiner heeft Goethes wereldbeschouwing opgenomen als een sleutel tot een nieuwe vorm van wetenschapsbeoefening, waardoor de mensheidsontwikkeling weer verder kan komen. Zo vestigt Rudolf Steiner de aandacht er op, hoe het Goethe ook duidelijk is geworden, dat door het aandachtig waarnemen niet alleen de geheimen van de natuur zich openbaren, maar dat de waarnemingsorganen zelf zich ook hieraan ontwikkelen. Zoals een klein kind zijn zintuigen, die bij de geboorte nog niet “klaar” zijn, verder ontwikkelt aan de waarneming, zo blijft deze mogelijkheid ook later bestaan en kunnen ook hogere waarnemingsorganen, die nog slechts in kiem aanwezig zijn, langzamerhand ontwikkeld worden. Rudolf Steiner beschrijft dit o.a. in zijn boek:
De weg tot inzicht in hogere werelden‘. Verwaarlozing van deze kiemen door eenzijdige opvoeding leidt tot verkommering, waardoor bepaalde ontwikkelingsmogelijkheden worden afgesneden.

De vrijescholen willen, zonder voorbij te gaan aan de verworvenheden van de natuurwetenschappen, in het onderwijs de “goetheanistische’ werkwijze toepassen: vanuit een werkelijke belangstelling voor de fenomenen deze luisterend benaderen, zich laten uitspreken. Hierdoor wordt mogelijk gemaakt dat de mens. weer zicht krijgt op de “natura” in zijn totaliteit en op de samenhang van al het geschapene. Hierdoor wordt mogelijk gemaakt dat het individuele menselijke denken – nu bewust en in vrijheid- zich weer in zal voegen in het werelddenken.
.

Annet Schukking, Geert Grooteschool, nadere gegevens ontbreken (wellicht jan. 1976 of dec. 1975)
.

Literatuur:
Johann Wolfgang Goethe – Zur Farbenlehre, didaktischer Teil
Rudolf Steiner – Goethes Weltanschauung      GA 6
Rudolf Steiner – Goethes beschouwing van de wereld der kleuren
Ned. vertaling door dr. F.C.. Los van een hoofdstuk uit Goethes Weltanschauung
H.O. Proskauer – Zum Studium von Goethes Farbenlehre
André Bjerke – Neue Beitrage zu Goethes Farbenlehre
Maria Schindler – Goethe’s Theory of Colour
Eckermann – Gesprache mit Goethe

Sinds het verschijnen van dit artikel vind je op internet vele bijdragen aan Goethes kleurenleer

.

Annet Schukking over vrijheid

Sociale driegeleding: vrijheid (nr.7)

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

.

1467-1375

.

.

VRIJESCHOOL – Is de vrijeschool een antroposofische school? (3-7)

.

over het schoollied

DE VRIJESCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL?

Op zijn site LUXIELEN stelt de ex-vrijeschoolleraar, met zeer lange ervaring, Luc Cielen, deze vraag.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. de praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft er – stand eind nov. ’17 – elf voorbeelden van.

Zijn 7e artikel gaat over ‘het schoollied‘.

Luc:
‘Toen ik in 1983 in Brasschaat De Wingerd oprichtte was het geenszins mijn bedoeling een steinerschool op te richten. Er stond me een school voor ogen waar kunstzinnige activiteiten een essentieel onderdeel zouden vormen van het curriculum en alle lessen doordrongen zouden zijn van kunstzinnige elementen. Omdat het overgrote deel van de kinderen en de ouders afkomstig was van de enkele jaren eerder opgerichte steinerkleuterschool in Kalmthout en zij mee hun schouders zetten onder dit nieuwe schoolproject, vonden we een compromis in de benaming van de school: Kunstzinnig basisonderwijs volgens de steinerpedagogie. In de praktijk is de school echter geëvolueerd naar een gewone steinerschool.’

Beste Luc,
Dat je veel van Steiner niet wil, blijkt wel uit je artikelen waarop ik tot nog toe ben ingegaan. Het fenomeen dat je er toch iets uit kan en wil gebruiken, vind ik erg interessant en de verleiding is groot daarop nu in te gaan. Het lijkt me echter beter, dat te doen bij je volgende artikel.

Wat ‘het schoollied’ betreft, ben ik het in grote trekken met je eens.

Het hebben van een schoollied volgt niet op aanwijzingen van Steiner. Het is op bepaalde scholen wellicht meer of minder ontstaan, maar het karakteriseren als behorend bij ‘DE’ steinerschool of vrijeschool mist iedere vrijeschoolpedagogische grondslag.
Vanuit dit gezichtspunt valt voor mij je 7e artikel min of meer buiten de boot – het is een lokale aangelegenheid.

En toch is het verschijnsel ‘schoollied’ me ook vanuit de situatie in Nederland – uit andere landen weet ik het niet – niet vreemd.
Op veel vrijescholen wordt het lied ‘In the quest of the holy grail’ gezongen en vaak bij bijzondere gebeurtenissen. Daarmee lijkt het op een schoollied of is het op weg dat te worden.
Ik vind het muzikaal gesproken – vooral in zijn meerstemmigheid – een mooi lied. Ik denk dat de meesten het daarom graag zingen en niet om de tekst. Die vind ik ‘te zwaar’ over de school hangen. Voor de uitleg heb je m.i. antroposofie nodig en die moet – het zijn de woorden van Steiner – niet de school binnengesleept worden.
Er zijn neutralere liederen.
Zo hebben wij jaren aan het eind van het schooljaar op de laatste schooldag gezongen: ‘Nu vaarwel, leef vrij en blij, ‘k denk aan jou, doe dat dan ook aan mij – waarbij ik zelf de laatste zin nog zou willen aanpassen: doe je dat ook aan mij?

En we hadden ook een veel vrijblijvender welkomslied.

Terecht wijs je m.i. op de mogelijkheid van te veel spreuken met een niet alledaagse inhoud. Een teveel aan wat bijzonder is, doet meestal afbreuk aan dat bijzondere.

‘Kind mogen zijn om vrij mens te worden. Nu nog de schoolvlag?’

Met deze wat cynische opmerking besluit je je artikel.
Je had ook het schooluniform nog kunnen noemen.
Het uniforme en het individuele staan zeker op gespannen voet met elkaar en als je kinderen ‘in vrijheid wil laten gaan’, moet je je rekenschap geven van alles wat deze vrijheid kan bedreigen.
Dat je daar aandacht voor vraagt, kan ik alleen maar toejuichen.
Maar in het kader van je artikelenreeks om aan te tonen dat de ‘steinerschool een antroposofische school’ is, vind ik het eerder ‘waarschuwend’ dan bewijzend.

.

Andere commentaren op de artikelen van Luc Cielen:

[1-1geschiedenis [1]
[1-2geschiedenis [2]
[1-3dierkunde
[1-4plantkunde
[2de ochtendspreuk voor de lagere klassen
[3de ochtendspreuk voor de hogere klassen
[4] meer spreuken
[5] nog meer spreuken
[6] en nóg meer spreuken
[8] atheïst of agnost: kun je dan vrijeschoolleerkracht zijn?
[9] jaarfeesten
[10] euritmie en gymnastiek
[11] muziekonderwijs

.

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

.

1466-1374

.

.