In de jaren zevntig van de vorige eeuw was er – bij de ene vrijeschool meer, bij de andere minder – enige belangstelling voor de sociale driegeleding. Er werden pogingen gedaan om op bestuurlijk niveau ‘anders’ te besturen dan wat maatschappelijk de gewoonte was. Ik herinner me nog levendig dat we het boek van Dieter Brüll bestudeerden: ‘De sociale impuls van de antroposofie’ om de school op bestuurlijke vlak zo in te richten dat deze sociale impuls ook sociaal zou uitwerken. Dat daardoor bestuurlijke processen beter verliepen, er meer collegiaal begrip zou ontstaan, een juiste verhouding tot de ouders en hun rechten. Enz.
Het Nederlands Pedagogisch Instituut – opgericht door Prof. Lievegoed – gaf cursussen voor dit ‘nieuwe’ besturen; om meer bewustzijn te wekken voor wat er sociaal zich onder de mensen – leraren en ouders – afspeelt en hoe er gezonde sociale verhoudingen zouden kunnen worden gecreëerd. Inzicht in sociale processen kan veel leed, misverstand, teleurstelling voorkomen en werkwijzen scheppen die tijdwinst opleveren, helderheid scheppen voor wie doet wat, respectg en waardering voor de inzet van de ander(en) enz.
Goed omgaan met elkaar is geen vanzelfsprekendheid; het leren kennen van allerlei processen ook niet: je moet er echt een studie van maken en die in de praktijk verder leren kennen en uitdiepen.
Onderstaand artikel is daar een handreiking voor.
.
HOOFDPRINCIPES VOOR HET SOCIALE ORGANISME
een ruwe schets
In deze tijd* trachten wij – ieder moment van ons leven – de
WAARHEID – de zin van de dingen, datgene dat werkt, los van wat er “van gevonden” wordt, los van het oordeel.
SCHOONHEID – de verhouding tot de dingen, onze individuele relatie, een gevoel van (dynamisch) evenwicht.
GOEDHEID – de dingen die ons leven schenken, waardoor we kunnen blijven bestaan, te realiseren.
De WAARHEID moeten wij DENKEN, d.w.z. door middel van het denken vinden wij de zin, “erkennen” (Dts.) wij de waarheid.
De SCHOONHEID moeten wij VOELEN, d.w.z. door middel van het voelen vinden wij een evenwicht “erleben” (Dts.) wij de schoonheid.
De GOEDHEID moeten wij WILLEN, d.w.z. door middel van het willen doen wij het goede; “verwirklichen” (Dts.) wij de goedheid.
N.B.: De uiterste vorm van willen vormt de daad, vandaar het goede doen.
Andere termen voor: WAARHEID – SCHOONHEID – GOEDHEID ethisch-moreel: WIJSHEID – GERECHTIGHEID – LIEFDE in termen van vermogens: WETEN – HOUDING – KUNNEN
De lichamelijke mogelijkheden om bij de WAARHEID – SCHOONHEID en GOEDHEID te kunnen komen worden ons geboden door respectievelijk:
voor de WAARHEID – DENKEN > ZENUW-ZINTUIGSTELSEL
voor de SCHOONHEID – VOELEN > RITMISCHE STELSEL
voor de GOEDHEID – WILLEN > STOFWISSELINGS- LEDEMATENSTELSEL
Deze stelsels voeren a.h.w. lichamelijke “voertuigen” voor de menselijke zielenvermogens DENKEN – VOELEN – WILLEN.
Omdat we als mens een ondeelbaar geheel vormen (entiteit) kunnen we ons denken-voelen-willen niet scheiden, maar wel ONDERSCHEIDEN, dat wil zeggen: door middel van ons denken deze zielenvermogens naast elkaar te beschouwen als kwaliteiten met een verschillende dynamiek en uitwerking. Daarin zit ook de grote moeilijkheid in het sociale leven: we zijn ons er vaak niet van bewust wat we zoeken, waardoor er zaken mislopen, irritaties geven, spanningen oproepen, tot en met maatschappelijke ontwrichtingen.
Een paar voorbeelden ter illustratie:
=Als we een afspraak maken met iemand op een bepaald tijdstip is het GOEDHEID om op tijd aanwezig te zijn. Als door oponthoud door welke oorzaak dan ook we te laat aankomen is excuus aanbieden GOEDHEID, terwijl niet wordt gevraagd waardoor je te laat bent: dat is WAARHEID geven.
Als je toch waarheid als goedheid geeft in zo’n geval, loop je het risico dat de ander je laat weten dat hij of zij dat antwoord niet vindt voldoen aan zijn wet van de SCHOONHEID.
=Je kunt aan een ander de WAARHEID vragen waardoor het antwoord voor jezelf GOEDHEID oplevert, terwijl je dat antwoord toetst op SCHOONHEID.
Als je iemand vraagt: “Hoe kwam het dat je er zaterdag niet bij kon zijn?” En je krijgt als antwoord: “Dat zeg ik je niet”, dan levert je dat niet de waarheid waar je om vroeg en is daarmee ook niet de goedheid verkregen die je vraag wegneemt. Tenslotte zal in de relatie duidelijk worden dat daarmee ook geen evenwicht, geen schoonheid is bereikt.
Wat is nu het SOCIALE ORGANISME?
Men zou kunnen stellen: alle menselijke ikken zoeken de waarheid-schoonheid-goedheid. Het SOCIALE ORGANISME is als het ware DIENSTBAAR aan de zoekende (en zich zelf daarmee realiserende) persoonlijkheden. Kort gezegd: het SOCIALE ORGANISME maakt het mogelijk dat de waarheid-schoonheid-goedheid gevonden worden t.b.v. ikken. In dat opzicht is er met de menselijke natuur iets boeiends aan de hand, we onderscheiden:
IK ↔ WERELD en IK ↔ MEZELF : 2 instanties (denk b.v. als we zeggen IK (1) zie mezelf (2) als een leek . .IK (1) neem mezelf (2) waar . .IK (1) twijfel aan mezelf (2), enz.
Je zou het zo kunnen zeggen: IK hoort niet tot de andere, de (geworden) wereld; mezelf dus-wel.
Onder “mezelf” zouden we dus kunnen verstaan: mijn fysieke lichaam, mijn levens- en vormkrachtenlichaam, mijn gewaarwordings- en gemoedslichaam. Mijn (hogere) ik is meer een geestelijke, onstoffelijke realiteit en maakt daarin deel uit van een geestelijke wereld (in plaats van de aardse wereld!)
Hoe zoeken we de waarheid – schoonheid – goedheid?
In het dagelijkse sociale leven, het leven binnen het sociale organisme, zoeken we deze kwaliteiten door het stellen van een VRAAG.
Daaronder te verstaan: al of niet door gebruik van woorden aangeven dat iets gezocht wordt. Dat hoeft dus niet te zijn: een zin met een vraagteken aan het eind . (Denk b.v. aan de hulproep “HELP!”)
Hoe vinden we wat we zoeken?
Simpel gezegd: door het geven van een ANTWOORD. Daaronder te verstaan: al of niet door gebruik van woorden aangeven dat iets beschikbaar is dat mogelijkerwijs de vraag oplost. Dat hoeft dus niet te zijn: een zin met een uitroepteken aan het eind. (Denk b.v. aan retorische vragen zoals “vind jij ook niet ?”)
Hoe vinden we of de vraag past bij het antwoord?
Om te voorkomen dat er een antwoord gegeven wordt op een vraag die niet gesteld is of om te voorkomen dat er een vraag wordt gesteld aan iemand die geen antwoord kan of wil geven, sluiten we in het sociale een OVEREENKOMST
Daaronder te verstaan: het scheppen van een ruimte tussen vraag(-steller) en antwoord(-gever) om tot een evenwichtige afstemming te komen.
De vraag heeft eigenlijk 3 dimensies:
VRAAG ←———–→ BEHOEFTE ←———–→ TEKORT
In het bewustzijn Onlustgevoel dat Het gemis zoals zich gekomen verantwoor- aangeeft dat er dat voordoet in de ding van het tekort iets gemist wordt werkelijkheid
De kunst van het vragen stellen bestaat erin, dat deze drieheid-dimensies van een en hetzelfde zijn.
Wat we echter veel zien is:
– dat de vraag niet aangeeft, wat werkelijk gemist wordt en meer in de richting van een voorstelling over mogelijke oplossingen gaat;
– dat de behoefte wel wordt beleefd, maar dat de vraag in een andere richting gaat dan het werkelijke tekort.
(b.v. veel mensen die eenzaam zijn zoeken hun oplossing in andere richtingen dan vriendschapsbanden met mensen, bij voorbeeld in vriendschapsbanden met veel eten, televisie).
Zo is het belangrijk, dat we leren onze behoeften te ontdekken in de alledaagse werkelijkheid: in situaties waar we tegen dingen oplopen, weerstanden ervaren, ons opgezadeld voelen met zaken, niet verder komen, enz.
Het antwoord kent ook 3 dimensies
ANTWOORD ←———–→ DRANG ←———–→ OVERSCHOT
In het bewustzijn ge- Lustgevoel dat Capaciteit dat werke- komen verwoording van aangeeft dat er lijk beschikbaar is het beschikbare over- iets beheerst wordt
schot
Ook hierbij zouden deze drie dimensies van een en dezelfd kwaliteit moeten zijn. Wat we hier op het sociale vlak in tegenkomen is:
– dat het antwoord niet echt beschikbaar is, maar ook voor de antwoordgever nog onduidelijkheden (vragen!) kan bevatten;
– dat men wel een gevoel heeft het te beheersen, dus een antwoord te hebben, maar dit in de praktijk meer op zelfoverschatting neerkomt.
Zo heeft ook de OVEREENKOMST 3 dimensies:
OVEREENKOMST ←——→ OVEREENSTEMMING ←——-→ AFSPRAAK In het bewustzijn Gevoel dat aangeeft In de werkelijkheid gekomen verwoording dat er afstemming bereikt evenwicht als van het bereikte bestaat tussen resultaat van een evenwicht vraag(-steller) en afstemmingsproces antwoord(-gever)
In dit voorbeeld is het ook belangrijk ervoor te zorgen de drieheid van een en dezelfde kwaliteit zijn. Veel storingen in het sociale organisme komen voort uit deze ‘middenruimte’:
– men meent afspraken gemaakt te hebben conform het gevoel van overeenstemming en vastgelegd in een overeenkomst, maar ontdekt – later – dat de gemaakte afspraak ingaat op iets anders dan wat de overeenkomst aangeeft: of wel de vraag was onduidelijk of wel het antwoord bleek een ander te zijn dan de opgeroepen voorstelling erover deed geloven.
Wat is nu het beste voor de VRAAG:
Dat er een antwoord wordt gegeven dat het aan de vraag ten grondslag liggende tekort opheft. Anders gezegd: dat het antwoord werkelijk ingaat op het aanwezige tekort, zoals de vraagsteller zijn behoefte in een vraag heeft verwoord. Dit nu zouden wij BROEDERLIJKHEID willen noemen. Broederlijkheid is m.a.w. af te lezen aan daden!
Wat is nu het beste voor het ANTWOORD:
Dat het antwoord werkelijk beschikbaar is, een reëel overschot, dat geworden is. De antwoordgever moet in staat zijn, zijn echte vermogens ongedwongen en onverwrongen ter beschikking te stellen.
Dit nu zouden we VRIJHEID willen noemen.
N.B. Hierbij te onderscheiden VRIJDOM (afgedwongen sociale ruimte) en VRIJHEID (geschonken sociale ruimte).
– Als je een antwoord geeft dat niet een werkelijk overschot is, schenk je jezelf geen vrijheid, maar dwing je jezelf dingen te doen die niet echt helpen!
– Slechts d.m.v. het denken kunnen we ons zelf de vrijheid schenken: het gevoel “overkomt” ons, de Wil schept consequenties voor de wereld; het lot en onze omgeving bepalen onze keuze.
Door met bewustzijn keuzen te maken schenkt het denken ons de vrijheid. Bewustzijn voor de resultaten van onze handelingen.
Wat is nu het beste voor de OVEREENKOMST:
Dat de afstemming plaatsvindt tussen mensen die zich niet te groot of te klein hoeven te voelen vanwege hun behoeften of hun vermogens; dat los van die tekorten of overschotten mensen zich tot elkaar richten en tot elkaar trachten te komen “als mens”. Dit nu zouden we GELIJKWAARDIGHEID willen noemen.
Let op: – het stellen van een vraag kan een antwoord zijn op de vraag: “Zou je je vraag willen stellen.” Dan krijgt de vraagsteller “antwoordgelegenheid” , of wel VRIJHEIDSRUIMTE om zijn tekort toe te lichten;
– het stellen van een vraag kan een vermogen zijn in de zin van: het kunnen verwoorden van mijn tekorten. De inhoud van de vraag blijft echter onverkort een behoefte, een oproep om de BROEDERLIJKHEID;
– het is noch je schuld, noch je verdienste dat je iets wel of niet weet, kunt: je hebt het meegekregen, geschonken gekregen, het is je door anderen geleerd of niet. Ondanks hun inspanningen lukte het de anderen niet omdat zij het niet meekregen, geschonken kregen…….
Zo kunnen we de opgave van het sociale leven met behulp van deze begrippen als volgt formuleren:
LATEN WIJ ONS ZO ONTWIKKELEN DAT WE IN STAAT ZIJN – ALS DE VRIJHEID ONS GESCHONKEN WORDT – OVEREENKOMSTEN IN GELIJKWAARDIGHEID TE SLUITEN MET ANDEREN OM BROEDERLIJK TE KUNNEN ZIJN IN HET OPHEFFEN VAN ZIJN/HAAR TEKORTEN!
Wat zien we met behulp van deze begrippen en principes in het macro-sociale organisme, in de maatschappij?
De mensen die we tegenkomen met vragen zou je BEHOEFTIGE MENSEN kunnen noemen.
De mensen die we tegenkomen die zich richten op overeenkomsten zou je RELATIONELE OF AFSTEMMENDE MENSEN kunnen noemen.
De mensen die we tegenkomen die zich richten op het geven van antwoorden zou je VERMOGENDE MENSEN kunnen noemen.
Let op: we zijn het altijd alledrie, echter op bepaalde terreinen ben je óf behoeftig óf vermogend óf je sluit overeenkomsten. In de tijd gezien ben je echter maar 1 categorie, hoewel zich dat vaak moeilijk laat begrijpen:
Ik kan behoefte hebben aan eten, in staat zijn dat in een vraag te verwoorden en ervan uit te durven gaan, dat ik deze “ruimte ” mag nemen om aanspraak te maken op beschikbaar voedsel. Echter voorop staat: ik heb honger.
Waarop richten BEHOEFTIGE MENSEN RELATIONELE MENSEN VERMOGENDE MENSEN zich, met andere woorden: op welke levensvragen geven zij antwoord?
Behoeftige mensen trachten aan te geven, dat zij het leven willen houden en het ontbreekt hun aan iets wat zij daarvoor nodig hebben. Zij richten zich op de TIJD (vgl.: geef mij de tijd!). Relationele mensen trachten aan te geven, dat zij het leven iets te vragen of te bieden hebben, dat zij iets hebben te geven of te nemen, zij willen daarover afstemmen om tot evenwicht te komen. Zij vragen RUIMTE. Vermogende mensen trachten aan te geven dat zij een overschot beschikbaar hebben wat anderen kan helpen bij het vervullen van hun levensvragen. Zij creëeren daardoor een nieuwe WAARDE.
Let op: de kwaliteiten TIJD, of werken vanuit RUIMTE en WAARDE zijn de levenskwaliteiten waarmee de ikken zich uiteenzetten, d.w.z. het ik van de mens tracht zich voortdurend een verhouding te vinden met de tijd, de ruimte en de (individuele) waarden die hij/zij koestert in zijn/haar leven. Dit weerspiegelt zich in de vragen:
. hoe kan ik in leven blijven? . wat is er voor/door mij te geven/nemen? . waartoe dient het eigenlijk, wat is de zin ervan?
Als we ons richten op behoeftige mensen, dan is het belangrijk dat zij datgene krijgen wat zij nodig hebben. Je daarmee bezig houden zouden wij ECONOMISCH LEVEN willen noemen.
Als wij ons richten op relationele mensen, dan is het belangrijk dat zij in staat worden gesteld evenwichtige afspraken te maken. Je daarmee bezighouden zouden wij RECHTSLEVEN willen noemen.
Als wij ons richten op vermogende mensen, dan is het belangrijk dat zij in staat worden gesteld die overschotten die (latent) aanwezig zijn ter beschikking te stellen. Je daar mee bezighouden zouden wij GEESTESLEVEN willen noemen.
Let op: enige gevaren die er vaak insluipen bij het hanteren van deze begrippen:
. je staat als mens altijd in het hele leven en nooit in een deel. Vandaar dat je nooit kunt zeggen: ik sta in het geestesleven of in het economische leven, enz. Wel: met hem heb ik een economische relatie en in die relatie gelden de wetmatigheden van het economische leven; prestatie-tegenprestatie, enz.
. .je kunt wel zeggen: ik richt mijn . .vermogens op de tekorten van anderen. Dan sta ik met die ander samen in een ECONOMISCHE RELATIE. WAARDEREN → In die economische relatie: geef ik mijn vermogens (aangeven wat het ->( prestatie) je waard is!). .↑ geeft de ander aan wat het hem waard is . .↑ (tegenprestatie) . .↑ en we sluiten een overeenkomst(prijs)
LEVENSNOODZAKELIJKE ______________________________ MIDDELEN/PRODUCTEN – ik kan ook trachten met anderen de . .beschikbare dingen te verdelen (b.v. de grond, . .de snoepjes, de werkzaamheden. Dan heb ik . .met die anderen een SOCIALE (of . .rechts-)RELATIE
VERDELEN ——–> In die sociale relatie: geef ik aan wat ik denk nodig (evenwichtig geven—> te hebben (nemen) geeft de ander aan wat nemen) . .↑ .hij denkt nodig te hebben (geven) en sluiten we . .↑ .een overeenkomst {afspraak)
. .↑
RECHTVAARDIGE _____________________________________ VERDELING ik kan mij ook richten op mijn overschotten: . .het richten op de ontwikkeling van mijn vermogens. KIEZEN. .Als ik dat doe samen met anderen, waarbij het dus
(vanuit je idea-. .gaat om de keuze van het ontwikkelen en beschik- len tot een keuze. .baar stellen van vermogens spreek je over komen) → een GEESTVERWANTE RELATIE. . →. . In die geestverwante relatie geef ik aan wat ik zou . . kunnen (doen) of (nog) niet kan (laten) en sta ik de . .ander toe me daarop te beïnvloeden. De overeen-
MORELE / komst die ik daarover sluit geeft aan welke waarden KEUZEN / ik nastreef (idealen) en deel met die ander.
. .Anders gezegd: in een ECONOMISCHE . .VERWANTSCHAP zijn we op de producten . . /letterlijk: voortbrengsels) gericht. . . in een SOCIALE VERWANTSCHAP zijn we op de . .verhouding, de relatie gericht, in een . . GEESTVERWANTSCHAP zijn we op (elkaars) . . . idealen gericht.
In het economisch leven worden producten tot waren, nl. verhandelbaar, los van de mensen die ze voortbrengen. We hebben vele economische verwanten (bakker, slager, C en A, school, museum, enz.); minder sociale verwanten (gezin, werk-, leefgemeenschap, vriendenkring); nog minder geestverwanten (levenspartner, intieme vriend).
.
*Dit artikel -genummerd 6468.8410 werd gemaakt door het NPI, datum onbekend. (1984 01e maand?) De auteurs zijn waarschijnlijk LB en LG, dat kunnen Lex Bos en Leo van Goudoever zijn geweest.
.
Sociale driegeleding: alle artikelen waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs
Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen. Vele gaan over de vlucht naar Egypte en worden in de lagere klassen van de vrijescholen vaak verteld in de tijd rond driekoningen. Meestal is het in die klassen de hele maand januari nog ‘driekoningentijd’.
. Een Kozakkensage .
.
DE KINDEREN VAN HERODES
.
Koning Herodes, zo vertelt een sage van de Kozakken, had twee kinderen, een zoon en een dochter. Hij was die wrede koning die het bevel gegeven had alle kleine jongens te doden, want zo hoopte Herodes Jezus Christus, voor wiens voorspelde macht hij heel bang was, uit de weg te ruimen.
Ja, die vreselijke tiran ging in zijn razernij zo ver, dat hij beval dat ook zijn eigen zoon omgebracht zou moeten worden. In heel het rijk mocht geen kind van het mannelijk geslacht blijven leven.
Het dochtertje had echter achter het gordijn gestaan en had mede aangehoord wat de onmenselijke vader bevolen had. Vol schrik liep ze naar haar broertje en vertelde hem wat hem bedreigde. De beide kinderen besloten in hun angst in de stille nacht er heimelijk vandoor te gaan, zover als hun voeten hen zouden kunnen dragen. Maar de andere dag al werd de vlucht van de kinderen ontdekt. De koning zond zijn snelste ruiters uit om de gevluchte zoon te grijpen.
Toen de kleine kinderen twee, drie dagen gelopen hadden, werden ze ingehaald door een man die een ezel voortdreef waarop een wonderschone vrouw reed die een klein kindje op haar schoot had. Dat wenkte met zijn handje toen ze dichterbij kwamen en de man vroeg waar ze vandaan kwamen, waar ze heen gingen en waarom. En met bedroefd hart vertelden de kinderen hun verhaal. En zo gebeurde het dat ze samen met Jozef en Maria en het Jezuskind, want het waren deze drie die de kinderen van Herodes ontmoet hadden, hun vlucht voortzetten.
Het zwerven over de harde stenengrond en het warme woestijnzand had de voetzolen van de vluchtelingen doen ontsteken en brandden als vuur en er zaten blaren op en eeltknobbels. En er was, ach, geen dokter om te helpen en geen verkoelende zalf en geen genezend verband! En bij dit alles zaten de vervolgers hun op de nek.
Langs de weg bloeide salie en die strekte hun gele bloemenkorfjes uit: ‘Pst! Pst!,’ riepen ze heel duidelijk, zodat allen hun hoofden draaiden. Toen spreidde de plant zijn blaadjes uit als een kleed dat tot rusten uitnodigde. En toen ze met hun gewonde voetjes op de verzamelde blaadjes liepen, waren ineens alle eeltknoppels weg, de open plekken gingen dicht en de open voetjes konden weer lopen.
Maar toen Maria al spoedig weer wilde opstappen, fluisterde de salie: ‘Ga niet, het gevaar is dichtbij, geef mij de kinderen!’ Op dat ogenblik kwamen de knechten van Herodes al aangereden. De salie rolde haar grote bladeren zo vast en dichtgsloten om het Kindje Jezus en de kinderen van Herodes dat er niets meer te zien was: geen haarlokje en ook niet het kleinste stukje kleding. De krijgsknechten van Herodes zaten hoog te paard en reden voorbij: ze zagen niets.
De heilige Moeder spreidde haar handen uit en zegende de salie en gaf haar die wonderbaarlijke kracht om te genezen en de mensen te behoeden voor langdurige ziekte en een onverwachte dood, omdat zij zo goed voor de kinderen had gezorgd.
[1-1] Over steen, plant en dier in de eerste klas Oene Schreuder over: hoe je in de 1e klas verwondering wekt; planten spreken met elkaar of met dieren enz.; werkvormen: spelletjes, boetseren e.d.
[1-2] Heemkunde Het binnenste buiten over: kleine kinderen nog één met de natuur; voorbeelden: jaargetijden, bomen; alles spreekt met elkaar.
[1-2/1] Heemkunde in klas 1 en 2 Pieter HA Witvliet over: wat is ‘heem’; niet ‘kennis’ is het doel, maar de beleving op een bijzondere manier, die hoort bij het kind van vóór het 9e jaar.
[1-2/2] Het zinvolle verhaal E.Fucke over: kind vóór 9e jr en zijn verhouding tot de wereld; alles kan nog met elkaar ‘spreken’; hoe kom je aan ‘zinvolle verhalen’; enkele voorbeelden.
[1-3] Heemkunde Willi Aepli over: Steiners bedoeling met heemkunde vóór het 9e jaar; wat is ‘ver weg, dichtbij’; intellect begrijpt wat ‘dood’ is, het gaat om het leven; de zielenstemming van de leerkracht; hoe Aepli tot de keuze van ‘bomen’ kwam; treurwilg, berk, linde, eik; relatie tot de temperamenten.
[2-1] Gedichtjes e.d. Een opsomming en doorverwijzing naar (kleine) gedichtjes, liedjes, verhaaltjes e.d. Onbekend over: de maand mei; een kuikentje.
Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com .
Inhoudsopgave (Aan deze inhoudsopgave heb ik meer trefwoorden toegevoegd dan in de Duitse boekuitgave staan)
Blz. 95. Het oriënteren van de leerkracht op het gevoelsleven van het kind tussen het 7e en het 14e jaar. Het wezen van de autoriteit. Het belang van een vanzelfsprekende autoriteit voor het latere leven. Blz. 96. De autoriteit tussen het 7e en 9e jaar en de verandering daarna. Wil en innerlijk beeld. Het wilsmatige in het kind door bijv. kleur ondersteunen. Blz. 97. Beelden aanleren heel belangrijk tussen 7 en 9 jr. Het verschil daarvan vóór het 9e en daarna. In de jaren bij het beeldende blijven. Bijv. bij plant- en dierkunde. Blz. 98. De mens als synthese van het dierenrijk. Het gaat om de beleving die doorwerkt tot in het latere leven. Blz. 99. Vóór 7e jr. fysiek- en etherlijf nog één; met tandenwisseling: geboorte etherlijf. Ziel te veel gebonden aan het lichaam Blz. 100. Noodzakelijkheid inzicht te hebben in psychologie en fysiologie. Psycho-analyse: dilettantisme in het kwadraat’. Blz. 101. Rond het 9e jaar en tussen 9 en 12: beeldend onderwijs. Blz. 102. Geboorte van de verschillend wezensdelen. Fysieke drukt, etherische zuigt. Blz. 103. Ether als negatieve materie. Wet van behoud stof en kracht onwaar. Blz. 104. Astraallijf zuigt tijd. Brengt ons terug naar het verleden. Wat je het kind leert, gaat z’n hele leven mee. Blz. 105. Kind niet alleen bijbrengen wat het begrijpt. Het begrijpen komt veel later (35e jr) Blz. 106. Zeg nooit: ‘Dat begrijp je nog niet.” Zoek beelden. Geen scherp omlijnde begrippen. Causaliteit vanaf het 12e jaar, daarvoor schadelijk. Blz. 107. Kind wordt rijp voor causaliteit bij mineralogie, natuurkunde en geschiedenis. Vóór deze tijd: geschiedenisbeelden die sympathie, dan wel antipathie opwekken. Blz. 108. Te vroeg oordelen komt in etherlijf – zonder liefde; in astraallijf met liefde, astraallijf is drager van de liefde. Blz. 109. Causaliteit mens – dier te begrijpen. Moet sterke beleving zijn. Overgang van 9e à 10e jaar. (Steiner gebruikt hier het woord ‘Rubicon‘ niet.) Blz. 110. In deze overgang stelt kind een onuitgesproken vraag aan de opvoeder; Kind onderzoekt leerkracht op ‘echtheidsgehalte’. Blz. 112. Ga jezelf niet ‘bewijzen’. Blz. 113. Kleur laten beleven: blauw wijkt, rood/geel komt dichterbij: ontwikkeling kleurperspectief – belangrijk voor levendige begripsvorming e.d. Samenhang. Voorbereiding tekenperspectief. Vlot lezen en kleurperspectief. Blz. 114. Niet overladen met kennis: kennis moet vaardigheid worden. Geheugen niet overbelasten.
blz. 95
Für die Unterrichts- und Erziehungspraxis zwischen dem 7. Jahr ungefähr und dem 14. Jahr kommt vor allen Dingen in Betracht, daß man sich richtig zu orientieren vermag zu dem Gefühlsleben des Kindes und innerhalb des Gefühlslebens des Kindes. Da handelt es sich wirklich darum, daß man sich als Lehrer selbst die richtigen bildhaften Vorstellungen zu machen vermag, welche einen führen können durch die zarten Übergänge, welche gerade für diese Lebensperiode beim Kinde bestehen. Wenn man das Kind in die Schule hereinbekommt, dann wirkt noch etwas nach die frühere leiblich-religiöse Stimmung – wie ich es genannt habe -, dann wirkt noch nach die Sehnsucht, alles, was in der Umgebung vor sich geht, wahrzunehmen, und es verbindet sich dann dieses Wahrnehmen, welches in Nachahmung übergeht, mit dem Hinhorchen auf das, wie von der selbstverständlichen Lehrer- und Erzieherautorität auf das Kind gewirkt wird. Es muß ja durchaus so sein für dieses kindliche Lebensalter, daß wahr nicht dasjenige ist, was man untersucht hat auf seine Wahrheit, sondern daß wahr dasjenige ist, wovon die selbstverständliche Autorität sagt, daß es wahr ist.
Voor de praktijk van het onderwijs en de opvoeding tussen ongeveer het 7e en het 14e jaar is het vooral belangrijk dat je in staat bent goed op het gevoelsleven van het kind te letten en wat voor gevoelsleven een kind heeft. Het gaat er echt om dat je als leerkracht zelf de juiste beeldende voorstellingen in jezelf kan oproepen die je inzicht kunnen geven in de fijnere overgangen die juist in deze leeftijdsfase in het kind plaatsvinden. Wanneer het kind op school komt, werkt de vroegere lichamelijk-religieuze stemming nog door – zoals ik het heb genoemd – en het verlangen werkt nog door om alles wat in de omgeving gebeurt, waar te nemen en dit waarnemen dat in nabootsen overgaat, verbindt zich dan met het zich richten op wat vanuit de vanzelfsprekende leerkracht- en opvoedautoriteit op het kind werkt. Voor deze kinderleeftijd moet het echt zo zijn dat ‘waar’ niet is wat men op waarheidsgehalte onderzocht heeft, maar dat ‘waar’ is, waarvan de vanzelfsprekende autoriteit zegt dat het waar is.
Und ebenso muß etwas unwahr sein aus dem Grunde, weil es die selbstverständliche Autorität unwahr findet. Ebenso ist es bei schön und häßlich, ebenso bei gut und böse. Man kann erst zu einem richtig selbständigen, freien Urteil über richtig und unrichtig, gut und böse, schön und häßlich im späteren Leben kommen, wenn man in diesem Lebensalter so recht innig verehrungsvoll zu einer selbstverständlichen Autorität in bezug auf diese Dinge hat aufschauen können. Natürlich darf das nicht eine anbefohlene Autorität sein; es darf nicht eine äußerlich festgestellte Autorität sein. Wenigstens darf wenn das der Fall sein muß aus äußeren sozialen Gründen, daß die Autorität eine anbefohlene und eine äußerlich festgestellte ist, das Kind nichts davon wissen. Das Kind muß durch die ganze Richtung seiner Gefühle
En net zo moet iets onwaar zijn omdat de vanzelfsprekende autoriteit vindt dat het onwaar is. Net zo is het bij mooi en lelijk, evenals bij goed en kwaad. Je kan pas in het latere leven tot een juist zelfstandig, vrij oordeel over goed of fout, goed en kwaad, mooi en lelijk komen, wanneer je op deze leeftijd zo echt innig, vol verering wat deze dingen betreft, tegen een vanzelfsprekende autoriteit hebt kunnen opkijken. Natuurlijk mag dat geen autoriteit zijn die je toegewezen wordt; het mag geen autorriteit zijn van buitenaf. En als het het geval is dat door uiterlijke, sociale omstandigheden het zo moet zijn dat de autoriteit toegewezen wordt en van buitenaf bepaald, moet het kind daarvan niets weten. Het kind moet door al zijn gerichte gevoelens
blz. 96
und Empfindungen von der Lehrer- und Erzieherpersönlichkeit eben den Eindruck bekommen, daß es zu ihr als zu der entsprechenden Autorität hinaufschaut. Und man muß alles in diesem zarten autoritativen Verhältnisse, insbesondere so zwischen dem 7. und 9. Lebensjahr, überhaupt zwischen dem Eintreten in die Volksschule und dem 9. Lebensjahr, erhalten. Man muß es noch lange erhalten, aber es modifiziert sich dann zwischen dem 9. und 10. Jahr von selber. Nun trifft etwas anderes zusammen mit demselbstverständlichen Sichhineinleben des Kindes in das Autoritative. Es trifft das zusammen, daß das Kind ja in der ersten Lebensepoche bis zum Zahnwechsel hin ein Sinneswesen war, gewissermaßen ein ganzes Sinnesorgan war; aber ein Sinnesorgan, in dem bei jedem Schritt des Lebens der Wille gewirkt hat. Es kann Ihnen das vielleicht sonderbar erscheinen, daß ich sage: ein Sinnesorgan, in dem der Wille wirkt. Aber das erscheint Ihnen nur sonderbar, weil die heutige Physiologie und dasjenige, was sich als populäre Ansichten aus dieser Physiologie ergeben hat, eben etwas ganz Unzulängliches ist. Heute denkt man gewöhnlich nicht an den Willen, wenn man zum Beispiel ans Auge denkt. Aber auch beim Auge ist es so, daß das Willensartige das innere Bild zustande bringt und nicht etwas anderes.
en belevingen juist van die leraar- en opvoedingspersoon de indruk krijgen dat het tegen hem of haar kan opkijken als de juiste autoriteit. En je moet aan alles in deze kwetsbare autoritaire verstandhoudingen, juist zo tussen het 7e en het 9e jaar, en zeker tussen het begin van de basisschool en het 9e jaar, zorg besteden. Dat moet je nog langer doen, maar tussen het 9e en het 10e jaar verandert er vanzelf iets. Nu valt er iets anders samen met het vanzelfsprekend zich inleven van het kind in wat autoriteit is. Het kind was in de eerste levensfase tot aan de tandenwisseling een zintuigwezen, in zekere zin een en al zintuig; maar een en al zintuig waarin bij iedere stap voorwaarts in het leven, de wil actief was. Dat komt u wellicht vreemd voor dat ik zeg: een en al zintuig waarin de wil werkt. Maar dat komt alleen omdat de huidige fysiologie en wat uit de huidige fysiologie aan populaire opvattingen ontstaan is, iets is wat volkomen ontoereikend is. Tegenwoordig denkt men als regel niet aan de wil, wanneer men bijv. aan het oog denkt. Maar ook bij het oog is het zo, dat de wil en niet iets anders, het innerlijke beeld tot stand brengt.
In jedem Sinnesorgan schafft das Willensmäßige das innere Bild. Das Sinnesorgan, passiv, hat zunächst nur die Aufgabe, sich oder den Menschen der Außenwelt zu exponieren, aber es findet in jedem Sinnesorgan eine innere Aktivität statt, und die ist willensartiger Natur. Und dieses Willensartige wirkt beim Kinde intensiv durch den ganzen Leib bis zum Zahnwechsel hin. Dann bleibt noch dieses Willensartige vorhanden. Und dieses Willensartige erträgt nämlich zwischen dem Eintritt in die Volksschule und ungefähr dem 9. Jahr zunächst nur, daß man es in einer ganz menschlich-bildhaften Weise an alle Dinge der Natur und des Menschen heranführt. Daher arbeiten wir zum Beispiel so, daß wir in der Tat nicht ein ästhetisierendes, aber ein künstlerisches Element gerade in den ersten Unterricht hineinbringen; daß wir das Kind zum Beispiel auch schon ganz von Anfang an mit Farben hantieren lassen, trotzdem das manchmal in der Klasse recht unbequem wird. Aber wir lassen das Kind mit Farben hantieren, weil es damit
In ieder zintuigorgaan schept de wil het innerlijke beeld. Het passieve zintuigorgaan heeft als eerste slechts de taak zichzelf of de mens tegenover de buitenwereld te plaatsen, maar in ieder zintuigorgaan vindt ook innerlijke activiteit plaats en die is wilsmatig van natuur. En dit wilsmatige werkt bij het kind intensief door het hele lijf tot aan de tandenwisseling. Dit wilsmatige blijft aanwezig. En dat wilsmatige verdraagt namelijk tussen het naar de basisschool gaan en ongeveer het 9e jaar alleen maar dat je het op een heel menselijke manier beeldend kennis laat maken met alles van de natuur en de mens. Vandaar dat we bijv. zo te werk gaan dat we dus niet een esthetisch element in het eerste onderwijs brengen, maar een kunstzinnig element; dat we bijv. het kind ook meteen vanaf het begin met kleuren om laten gaan, ook al gaat dat in de klas weleens wat lastig. Maar we laten het kind met kleuren omgaan, omdat het daarmee
blz. 97
seinen eigenen Bildekräften folgt im Nebeneinandersetzen der Farben, in dem Sich-Befriedigen daran, Farbe neben Farbe zu setzen, nicht bedeutungsvoll, sondern instinktiv-sinnvoll Farbe neben Farbe zu setzen. Das Kind entwickelt nämlich eine wunderbare instinktive Art, die Farben nebeneinanderzusetzen. Und man kann dann schon sehen, wie man dirigieren kann dieses Farbennebeneinandersetzen in das Zeichnen, und wie man dann aus dem Zeichnen heraus das Schreiben gewinnen kann. Aber ganz ohne Verständnis bleibt das Kind dafür, daß man ihm in diesen Jahren schon etwas erklären will. Dafür hat es gar kein Verständnis. Wenn man ihm in diesen Jahren etwas erklären will, dann wird es stumpf, dann geht das gar nicht. Aber es geht wunderbar, wenn man alles, was man an das Kind heranbringen will, nicht erklärt, sondern erzählt, wenn man auch mit Worten, mit Vorstellungen malen will, wenn man Rhythmus hineinbringt in die ganze Art und Weise, wie man dem Kinde die Dinge beibringt. Wenn man Musik nicht nur in der Musik hat, sondern das Musikalische auch in der ganzen Handlung des Unterrichts hat, wenn im Unterricht Takt, Rhythmus, ja sogar ein innerlich Musikalisches walten kann, so hat das Kind dafür ein feines Verständnis.
zijn eigen vormkrachten volgt bij het naast elkaar zetten van de kleuren, in het plezier erin hebben om de ene kleur bij de andere te zetten, niet met een bedoeling, maar instinctief op een zinvolle manier kleur bij kleur. Het kind ontwikkelt namelijk een wonderbaarlijke instinctieve manier om kleur bij elkaar te zetten. En dan kan je al zien hoe je bij elkaar zetten van kleuren over kan leiden naar het tekenen en hoe je dan vanuit het tekenen tot schrijven kan komen. Maar het kind leert in deze jaren nog niets wanneer je het iets aan het verstand wil peuteren. Wanneer je dat in deze jaren wil doen, stompt het af, dat gaat helemaal niet. Maar het gaat wonderbaarlijk goed, wanneer je alles wat je het kind wil leren, niet uitlegt, maar vertelt, wanneer je ook met woorden, met voorstellingen wil schilderen, wanneer je ritme brengt in de hele manier waarop je het kind dingen bijbrengt. Wanneer je muziek hebt, niet alleen in de muziek, maar in alles wat je in het onderwijs doet, wanneer je in de lessen maat, ritme, ja zelfs een innerlijke muzikaliteit laat fungeren, dan heeft het kind daar een fijn gevoel voor.
Aber es würde zum Beispiel sich dagegen sträuben, wenn man das, was man gefühls- und willensmäßig menschlich an das Kind heranbringt, nun selbst beschreiben wollte; wenn man also dem Kinde zwischen dem Eintritt in die Volksschule und dem 9. Lebensjahr etwa den Menschen beschreiben wollte. Dagegen würde es sich furchtbar sträuben, das könnte es gar nicht aushalten. Jedoch alles, bis zu den unorganischen Naturwesen herunter, menschlich behandeln, das ist dasjenige, was es in dieser Zeit durch sein Inneres eigentlich fordert. Nun bleibt dieser Horror, könnte man es nennen, vor dem Beschreiben des Menschen eigentlich sogar bestehen bis gegen das 12. Lebensjahr. Wir können ganz gut dasjenige ausführen, was ich gestern gesagt habe, zwischen dem 9. und 12. Lebensjahr. Wir können so, wie ich es gestern auseinandergesetzt habe, die Pflanzenwelt dem Kinde beibringen als die Haare, die auf der Erde wachsen; aber wir müssen bei der bildlichen Charakteristik bleiben. Wir können auch
Maar het zou zich bijv. verzetten, wanneer je wat je gevoels- en wilsmatig op een menselijke manier aan het kind zou willen leren, nu zelf zou willen beschrijven; wanneer je dus het kind tussen het begin van de basisschool en het 9e jaar iets zou willen beschrijven van de mens. Daar zou het zich erg tegen verzetten, dat zou het helemaal niet uit kunnen houden. Maar alles, tot aan de niet-levende natuur aan toe op een menselijke manier behandelen dat is wat het kind op deze leeftijd, vanuit zijn innerlijk, eigenlijk eist. Nu blijft deze angst, zo zou je het kunnen noemen, voor het beschrijven van de mens eigenlijk zelfs aanwezig tot tegen het 12e jaar. We kunnen heel goed doen, wat ik gisteren heb gezegd, tussen het 9e en 12e levenswjaar. We kunnen zo, zoals ik het gisteren uiteengezet heb, het kind de plantenwereld bijbrengen als de haren die op de aarde groeien; maar we moeten bij de beeldende karakteristiek blijven. We kunnen ook
blz. 98
die Tierwelt so dem Kinde nahebringen, daß wir in einer Art, die eben dem Kinde liegt, jede Tierform auffassen wie ein Stück Mensch, das einseitig ausgebildet ist. Wir dürfen aber ja nicht nun übergehen etwa zu der Beschreibung des Menschen selber in dieser Zeit. Wir können sogar ganz gut daraufhin das Kind lehrend beeinflussen, daß wir von den Gliedern des Menschen sprechen und diese Glieder in einseitiger Ausbildung auf diese oder jene Tierform anwenden, aber die Zusammenfassung zum Menschen, die versteht das Kind noch gar nicht. Erst gegen das 12. Jahr hin bekommt es dann auch die Sehnsucht, nun das ganze Tierreich zusammenzufassen zum Menschen. Und das kann man dann betreiben in denjenigen Klassen, die eben auf das Lebensalter zwischen dem Ii. und 12. Jahr folgen. Darin liegt nun ein scheinbarer Widerspruch, aber das Leben ist eben widerspruchsvoll. Der scheinbare Widerspruch ist der, daß man erst sollte das ganze tierische Reich wie den ausgebreiteten Menschen beschreiben. Aber es ist doch richtig, es so zu machen, bevor man den Menschen nun als eine Raumesgestalt selbst in der Zusammenfassung beschreibt.
de kinderen ook vertrouwd maken met de dierenwereld door iedere diervorm op te vatten als een stukje mens dat eenzijdig gevormd is. Maar we mogen in deze tijd nog niet overgaan tot het beschrijven van de mens zelf. We kunnen zelfs heel goed het kind onderwijzend erin meenemen dat we over de ledematen van de mens spreken en deze ledematen, eenzijdig ontwikkeld, op een of ander dier toepassen, maar de synthese tot mens begrijpt het kind nog niet. Pas tegen het 12e jaar wil het nu ook wel graag het hele dierenrijk tot mens samensmelten. En dat kan je dan in de klassen doen die op het 11e en 12e jaar volgen. Dat lijkt in tegenspraak met elkaar, maar het leven zit vol tegenspraak. De schijnbare tegenspraak is dat je eerst het hele dierenrijk als een uitgebreide mens zou moeten beschrijven. Maar het is toch juist het zo te doen, voor je de mens zelf als een ruimtelijke gestalte in de synthese beschrijft.
Das Kind muß gewissermaßen zunächst ein Gefühl davon bekommen, daß alles Menschliche vereinseitigt die ganze Erde bewohnt, daß die Tierwelt die ganze Menschlichkeit ver-einseitigt in ihren einzelnen Exemplaren ist. Und dann muß das Kind den großen Moment erleben, wo man ihm zusammenfaßt, wie alles dasjenige, was ausgebreitet ist in der Tierwelt, im Menschen konzentriert ist. Darauf kommt es beim Unterrichten an, daß man das Kind die entscheidenden Lebensmomente wirklich erleben läßt. Daß man also dem Kinde einmal das durch die Seele ziehen läßt: Der Extrakt und die synthetische Zusammenfassung der ganzen Tierwelt ist auf einer höheren Stufe der Mensch als physischer Mensch. Es kommt nicht darauf an in diesem Lebensalter, daß man von Stufe zu Stufe dem Kinde diese oder jene Kenntnisse beibringt, sondern es kommt darauf an, daß man im entscheidenden Lebenspunkte es wirklich erleben läßt – daß man es gewisse, wenn ich so sagen darf, Berge des Menschenlebens, die eben im kindlichen Lebensalter liegen, wirklich übersteigen läßt. Das wirkt auf das ganze spätere Leben nach. Und es ist ja schon einmal so, daß unsere Zeit aus der
Het kind moet er in zekere zin eerst een gevoel voor krijgen dat alles van de mens op een eenzijdige manier de aarde bewoont, dat in de dierenwereld alles wat mens is op een eenzijdige manier in de aparte exemplaren zit. En dan moet het kind het grote ogenblik meemaken, dat je een geheel maakt van alles wat in de dierenwereld uitgebreid is, in de mens geconcentreerd is. Het komt er bij het lesgeven op aan dat je het kind die diepgaande ogenblikken in het leven werkelijk laat beleven. Dat je mogelijk maakt dat het door de ziel van het kind gaat: de essentie en de synthese van de hele dierenwereld is op een hoger plan de mens als fysieke mens. Het komt er in deze leeftijdsfase niet op aan, dat je het kind kennis bijbrengt, van het ene niveau naar het volgende niveau, maar dat je op het cruciale punt in het leven het werkelijk laat beleven – dat je het bepaalde, als ik het zo zeggen mag, bergtoppen in het mensenleven die dus in de kinderleeftijd liggen, werkelijk laat beklimmen. Dat werkt in het hele latere leven door. En het is nu eenmaal zo, dat onze tijd
blz. 99
Art, wie sie sich wissenschaftlich entwickelt hat, wirklich recht wenig Begabung hat, so intim auf das Menschenleben und auf das Menschenwesen hinzuschauen. Sonst würden gar nicht die Dinge entstehen, die eben innerhalb der heutigen Zivilisation und insbesondere des heutigen Geisteslebens entstehen. Bedenken Sie nur einmal etwas, was ich in der allerersten Stunde betont habe: Bis zum 7. Lebensjahre arbeitet in all dem körperlichen Geschehen, das dann später im Zahnwechsel sich auslebt, das Seelische. Und ich habe den Vergleich gebraucht: Wenn wir hier eine Lösung haben und da unten bildet sich
op de manier waarop deze zich wetenschappelijk heeft ontwikkeld, werkelijk echt weinig talent heeft, de blik te richten op de meer verborgen details van het mensenleven en van het wezen mens. Anders zouden die dingen niet ontstaan die nu in onze huidige beschaving vooral in het geestesleven van nu ontstaan. Denk er nog eens aan wat ik in het allereerste uur gezegd heb: tot aan het 7e levensjaar is in alles wat er lichamelijk gebeurt, wat dan later uitmondt in de tandenwisseling, de ziel actief. En ik heb de vergelijking gebruikt: wanneer we hier een oplossing hebben en hier vanonder vormt zich
ein Bodensatz, so ist dies das Dichtere: dann bleibt das Feinere oben übrig – und jedes ist jetzt für sich. Bis zum Zahnwechsel um das 7. Jahr waren eben die beiden beieinander. Wir sagen: der physische Leib und der Ätherleib, der gröbere Leib und der feinere Leib waren noch eins. Jetzt hat sich der physische Leib herausgesondert, und das ätherische Menschenwesen wird jetzt selbständig arbeitend.
een bezinksel, dan is dat het dichtere; dan blijft het fijnere boven over – en beide zijn daar op zich aanwezig. Tot aan de tandenwisseling rond het 7e jaar waren die beide één geheel. Wij zeggen: het fysieke lichaam en het etherlijf, het grovere lijf en het fijnere lijf waren nog een geheel. Nu heeft het fysieke lichaam zich afgezonderd en het etherische mensenwezen gaat nu zelfstandig werken.
Ja, aber da kann das eintreten, daß von dem Menschenwesen zuviel von dem Seelischen im physischen Leibe aufgenommen wird. Es muß ja immer Seelisches zurückbleiben, denn der Mensch muß das ganze Leben hindurch seinen physischen Leib beseelt und durchgeistigt haben. Es kann aber zuviel von dem Seelisch-Geistigen zurückbleiben, und da oben zu wenig sein: dann haben Sie ein Menschenwesen, das in seinem physischen Leibe zu viel Seelisches und ein zu dünnes geistig-seelisches Wesen hat; da ist etwas, was schon im Geistig-Seelischen sein sollte, im physischen Leibe zurückgeblieben. Und sehen Sie, das ist ein Tatbestand, der außerordentlich häufig vorkommt! Das aber liefert die wirkliche Erkenntnis, wie Seeleninhalte, die, sagen wir zwischen dem 7. und 14. Lebensjahr als Seeleninhalte da sein sollten, im physischen Leibe unten sitzen. Da haben Sie eine
Maar dan kan het gebeuren dat er door het mensenwezen te veel van de ziel in het fysieke lichaam opgenomen wordt. Er moet altijd wat van de ziel achterblijven, want voor de mens moet zijn hele leven lang zijn fysieke lichaam bezield en met geest doortrokken zijn. Er kan echter te veel van het het zielen-geest element achterblijven en boven kan er te weinig zijn; dan heb je een mensenwezen dat in zijn fysieke lichaam te veel ziel heeft en een te zwak geestes-zielenwezen; dan zit, wat dus in het geest-zielenwezen zou moeten zitten, teruggebleven in het fysieke. En dat, zie je, is een feit dat buitengewoon vaak voorkomt! Dat zegt ons de echte kennis, hoe, wat inhoudelijk ziel is, laten we zeggen tussen het 7e en het 14e jaar, als substantie van de ziel aanwezig moet zijn, in het fysieke lichaam achterblijft. Hier heb je er een
blz. 100
exakte Erkenntnis davon. Aber um diese exakte Erkenntnis zu erwerben, ist es eben notwendig, daß man den Menschen seinem gröberen und feineren Wesen nach wirklich kennt. Daß man also eine Physiologie hat, welche noch genügend Psychisches enthält, und eine Psychologie, die nicht abstrakte Psychologie ist, sondern genügend viel Physiologie enthält: das ist durchaus notwendig. Da muß man sehen, wie das Leiblich-Physische zum Seelischen steht, und wie das Seelisch-Geistige zum Leiblich-Physischen steht: das muß man durchschauen. Durchschaut man das nicht, so hat man doch nur eine dilettantische Physiologie, keine wirkliche Physiologie, und man hat auch eine dilettantische Psychologie und keine wirkliche Psychologie. Und durch dieses Nichtdurchschauen des Menschen hat tatsächlich das heutige Wissenschaftsleben eine dilettantische Psychologie und eine dilettantische Physiologie. Das heißt, es hat so etwas, was sich zusammensetzen kann aus der Wechselwirkung zwischen dem psychologischen Dilettantismus und dem physiologischen Dilettantismus.
precieze kennis van. Maar om deze te krijgen, is het wel noodzakelijk dat je de mens wat zijn grovere en fijnere wezen betreft, echt kent. Dat je dus over een fysiologie beschikt die nog psychische inhoud heeft en een psychologie waar nog genoeg fysiologie in zit en een psychologie die geen abstracte psychologie is, maar waar genoeg fysiologie in zit: dat is beslist nodig. Je moet kunnen zien hoe het levend-fysieke zich tot de ziel verhoudt en hoe geest en ziel zich verhouden tot dit levend-fysieke: dat moet je beslist kunnen zien. Kan je dat niet, dan heb je slechts de fysiologie van een dilettant, geen echte fysiologie. En door het niet kunnen zien van de mens, heeft de wetenschap van nu dus de fysiologie van een dilettant. Dat betekent dat ze iets heeft van wat je samen kan stellen uit de wisselwerking tussen psychologisch en fysiologisch amateurisme.
Das gibt einen «Dilettantismus zum Quadrat», und das nennt man dann – Psychoanalyse. Das ist eben gerade das Geheimnis der Entstehung der Psychoanalyse, daß sie aus einer dilettantischen Physiologie und einer dilettantischen Psychologie hervorgeht, die miteinander so wirken wie zwei Zahlen, die man miteinander multipliziert und die das Quadrat geben. So kommt eben der «Dilettantismus zum Quadrat»> heraus. Dilettantische Psychologie multipliziert mit dilettantischer Physiologie = Psychoanalyse. Das sage ich wirklich nicht, um der Psychoanalyse etwas anzuhängen, denn die Dinge können ja nach den Wissenschaftsbedingungen der heutigen Zeit nicht anders sein, weil eben die Menschheit durch ein Zeitalter durchgegangen ist, wo die Psychologie zu dünn und die Physiologie zu dick geworden ist. Und wenn der Mensch die Dinge so betrachtet, so wird immer, statt daß eine echte Wissenschaft zustande kommt, die Physiologie chemisch herausgefällt aus demjenigen, was eine einheitliche Lösung sein sollte. Es ist ein Bild, aber Sie werden das Bild verstehen. Nun, so ist es nun schon einmal, daß wir uns klar sein müssen darüber, wie das wirkliche Menschenwesen sich entwickelt und wie wir die Lebensstationen besonders beim Kinde zu beachten haben.
Dat levert ‘dilettantisme in het kwadraat’ op en dat noemt men dan psycho-analyse. Het raadsel van het ontstaan van de psycho-analyse is nu juist dit, dat deze het gevolg is van een dilettantische fysiologie en een dito psychologie die net zo samenwerken als twee getallen die je met elkaar vermenigvuldigt en waarvan de uitkomst een kwadraat is. Zo ontstaat dus ‘dilettantisme in het kwadraat’. Dilettantische psychologie vermenigvuldigd met dilettantische fysiologie = psycho-analyse. Dit zeg ik echt niet om de psycho-analyse iets aan te wrijven, want het kan door de omstandigheden waarin de huidige wetenschap verkeert, niet anders zijn, omdat de mensheid door een tijdsfase is heengegaan waarin de psychologie te dun en de fysiologie te dik geworden is. En wanneer de mens de dingen zo beschouwd, zal steeds, i.p.v. dat er echte wetenschap ontstaat, de fysiologie chemisch buiten datgene vallen, wat als een eenheidsoplossing beschouwd moet worden. Het is een beeld, maar u zal dat beeld begrijpen. Maar het is nu eenmaal zo dat wij goed moeten weten hoe het echte mensenwezen zich ontwikkelt en hoe wij die markante punten in het leven, juist bij het kind, moeten beschouwen.
blz. 101
Gerade in diesem Lebensalter zwischen dem 9. und 12. Jahr, da ist das Kind empfänglich für alles das, was ihm nun von außen her als Bild entgegengebracht wird. Bis zum 9. Jahre ungefähr will es mittun an dem Bild; da läßt es die Bilder nicht an sich herankommen. Da muß man immer so lebendig neben dem Kinde arbeiten, daß eigentlich das, was der Lehrer macht und das Kind macht, zusammen schon ein Bild ist. Das Arbeiten selber muß schon ein Bild sein. Es kommt nicht darauf an, ob man da Bilder bearbeitet oder etwas anderes, die Arbeit selbst, der Unterricht muß ein Bild sein. So zwischen dem 9. und 10. Jahr tritt dann das auf, daß das Kind für die äußere Bildlichkeit einen besonderen Sinn hat. Die kann man jetzt heranbringen, und das gibt eben die Möglichkeit, in der richtigen Weise die Pflanzen- und Tierwelt an das Kind heranzubringen, insofern darinnen die Bildlichkeit lebt. Bildliches muß manheranbringen gerade in der Pflanzen- und Tierwelt. Und je mehr man imstande ist, bildlich darzustellen dasjenige, was in unseren botanischen Lehrbüchern bis zur dritten Potenz der Unbildlichkeit dargestellt wird, ein desto besserer Lehrer ist man gerade für die Kinder zwischen dem 9. und 12. Jahr. Alles ins Bild hereinbringen, das ist ja auch das, was so unendliche innere Befriedigung geben kann. Denn wenn man die Pflanzenwelt in ihren Formen in die Bilder hereinbringt, so muß man mitschöpferisch sein.
Juist op deze leeftijd tussen het 9e en het 12e jaar staat het kind open voor alles wat we als beeld van buitenaf aanreiken. Tot het 9e jaar ongeveer wil het met het beeld meedoen; dan laat het de beelden niet toe. Dan moet je steeds zo levendig naast het kind werken dat eigenlijk, wat de leerkracht doet en wat het kind doet, samen een beeld vormt. Het werken zelf moet al een beeld zijn. Het komt er niet op aan of je beelden bewerkt of iets anders, het werk zelf, het onderwijs moet beeld zijn. Zo tussen het 9e en 10e jaar begint het kind dan een bijzonder zintuig te krijgen voor wat uiterlijk beeld is. Dat kun je nu aanreiken en dat schept de mogelijkheid op de juiste manier plant- en dierkunde te geven, voor zover daarin het beeldende zit. En hoe meer je in staat bent beeldend neer te zetten wat in onze plantkundeleerboekjes tot de derde macht zo niet beeldend gegeven wordt, een des te betere leraar ben je dan juist voor de kinderen tussen het 9e en het 12e jaar. Alles beeldend geven, dat is nu net wat zo’n tevredenheid kan geven. Want als je de plantenwereld in haar vormen in beelden geeft, moet je medeschepper zijn.
Dieses Mitschöpferische, das ist es ja, was überhaupt wiederum in unsere Zivilisation erst so recht hereinkommen will! Man erlebt es ja heute alle Augenblicke, wie Menschen, die im Leben stehen, voller Verzweiflung zu einem kommen, weil sie nichts Bildliches erfassen können. Das führt eben zurück darauf, daß die Kindheit dieser Menschen nicht in der richtigen Weise zugebracht worden ist. Die Welt hat ja leicht darüber lachen, daß wir sagen: Der Mensch besteht aus physischem Leib, Ätherleib, Astralleib und Ich. Die Welt hat leicht lachen darüber, denn wenn man alles das, was man heute aus der gangbaren Wissenschaft wissen kann, zusammen nimmt und dann solch eine Sache beurteilt, kann man ja nur über sie lachen. Wenn man nicht auf die Sache eingeht, kann man nur lachen – man versteht es ganz gut, daß die Menschen darüber lachen. Aber es sollte gerade aus den ernsten Verwickelungen der Kultur heraus doch der Drang
En dit meecreëren is nu net iets wat in onze beschaving daadwerkelijk weer een plaats wil krijgen. Je beleeft het tegenwoordig op ieder ogenblik hoe mensen die in het leven staan, vertwijfeld naar je toe komen, omdat ze niets in zich op kunnen nemen wat beeldend is. Maar dat gaat terug naar de kindertijd van deze mensen die ze niet goed zijn doorgekomen. De wereld kan er wel makkelijk lacherig over doen wanneer wij zeggen dat de mens bestaat uit fysiek lichaam, etherlijf, astraallijf en Ik. De wereld heeft makkelijk lachen, want wanneer je alles wat je tegenwoordig door de gangbare wetenschap kan weten, bij elkaar zet en dan naar dergelijke dingen kijkt, ja, dan kan je er alleen maar om lachen. Wanneer je niet op de zaak ingaat, kan je alleen maar lachen – het is goed begrijpen dat de mensen dat doen. Maar juist door de ernstige ontwikkelingen in de cultuur zou toch de drang
blz. 102
hervorgehen, dasjenige zu suchen, was man sonst nirgends findet; das ist doch bei vielem der Fall, daß man es sonst nirgends findet. Und gar viel ist natürlich zu lachen, wenn man sagt: Der physische Leib wird mit der Geburt geboren, da entwickelt er sich in jener leiblichen Religiositat, jenem Nachahmen bis zum Zahnwechsel hin; der Ätherleib und alles übrige arbeitet da noch in ihm: das sind die Kräfte, die in ihm geistig-seelisch arbeiten. Mit dem Zahnwechsel wird der Ätherleib geboren; der arbeitet dann selbständig in dem Menschen. Der Astralleib wird erst geboren mit der Geschlechtsreife; dann arbeitet auch der Astralleib selbständig im Menschen. Und das Ich – das muß man nun schon mit einer gewissen Reserve heute sagen -, das Ich, das wird nämlich erst nach dem 20. Lebensjahre wirklich geboren. Das ist dasjenige, worüber man dann am besten weise schweigt, wenn man zu Menschen zu sprechen hat, die in ihren ersten akademischen Jahren stehen. Aber es ist eben doch eine Wahrheit. Es bleibt nichts anderes übrig: es ist eben so. Nun, wenn man allerdings die Unterschiede nicht kennt zwischen den vier ganz voneinander verschiedenen Gliedern der menschlichen Wesenheit, dann wird man das zunächst als einen Unsinn betrachten oder wenigstens als etwas höchst Überflüssiges.
moeten ontstaan, te zoeken naar wat men anders nergens vindt; dat is toch bij menigeen het geval, dat men het anders nergens vindt. En natuurlijk is er veel te lachen wanneer je zegt: het fysieke lichaam wordt met de geboorte geboren, daarna ontwikkelt het zich met die lijfelijke religiositeit, het nabootsen, tot aan de tandenwisseling; het etherlijf en al het andere is in hem actief: dat zijn de krachten die in hem als geestes- en zielenkrachten werken. Bij de tandenwisseling wordt het etherlijf geboren; dat is daarna zelfstandig werkzaam in de mens. Het astraallijf wordt pas met de puberteit geboren; daarna is ook het astraallijf zelfstandig werkzaam in de mens. En het Ik – dat moet je vandaag de dag met enige terughouding zeggen – dat wordt pas echt geboren na het 20e jaar. Dan doe je er beter aan daar maar over te zwijgen tegen mensen, die met hun eerste academische jaren bezig zijn. Maar het is toch waar. Er blijft niets anders over: het is zo. Wanneer je het verschil dus niet kent tussen de vier geheel van elkaar verschillende delen van het mensenwezen, beschouwt men dat aanvankelijk als onzin of op z’n minst als iets overbodigs.
Es ist aber nichts Überflüssiges, wenn man die volle Wesenheit kennt. Sehen Sie, das Physische hat zu seiner hauptsächlichsten Charakteristik, daß es drückt – ich könnte auch sagen, daß es den Raum ausfüllt. Daß es drückt. Es drückt auf die anderen Gegenstände, es schiebt sie weiter; es drückt auf uns selber: diesen Druck erleben wir mit dem Tastsinn. Das Physische drückt. – Das Ätherische -ja, mit diesem Ätherischen ist es etwas ganz Sonderbares. Der Äther ist ja eigentlich für die Wissenschaft in den letzten 40 bis 50 Jahren ein merkwürdiges Ding gewesen. Wenn man alle die Äthertheorien jetzt hersagen wollte, die aufgestellt worden sind über die Wesenheit des Äthers, ja, dann würden wir nicht so bald fertig werden – bis es zuletzt heute schon so ist, daß eine ganze Anzahl von Leuten behaupten: der Äther, der ist im Grunde eigentlich nur die im Raum wesende Mathematik und Mechanik, die eigentlich nur etwa als Linien da seien. Ja, im Grunde genommen ist für viele der Äther seinem Inhalte nach bestehend aus
Het is zeker niet iets overbodigs, wanneer je het volledige wezen kent. Kijk, het fysieke heeft als hoofdzakelijke karakteristiek, dat het druk uitoefent – ik zou ook kunnen zeggen, dat de ruimte vult. Het drukt. Het oefent druk uit op de andere voorwerpen, het verplaatst ze; het oefent ook druk uit op onszelf: die ervaren we met de tastzin. Het fysieke drukt. Maar het etherische, daar is iets heel opmerkelijks mee aan de hand. De ether is eigenlijk voor de wetenschap de laatste 40 tot 50 jaar een merkwaardig iets geweest. Wanneer je op dit ogenblik alle theorieën die over het wezen van de ether opgesteld zijn, zou willen noemen, ja dan zijn we nog niet zo gauw klaar – en uiteindelijk is het nu zo, dat een groot aantal mensen beweert: de ether is in de grond van de zaak eigenlijk alleen maar de wiskunde en de mechanica die in de ruimte zitten, die eigenlijk alleen maar bestaan als lijnen. Ja, in de grond van de zaak is voor velen de ether als inhoud slechts de in de ruimte werkende wiskunde en mechanica die er eigenlijk dan alleen als lijnen zouden zijn. Ja, in de grond van de zaak is voor velen de ether, wat de inhoud ervan betreft, bestaand uit
blz. 103
herumfliegenden Differentialquotienten; also Errechnetes jedenfalls. Nun, immerhin hat man über diesen Äther sehr viel nachgedacht. Das ist ja sehr löblich, aber auf diesem Wege kommt über den Äther nichts heraus. Da muß man schon wissen, daß der Äther die von dem Druck entgegengesetzte Eigenschaft hat: er saugt nämlich, der Äther ist der Saugende. Er will durch seine eigene Wesenheit immer die räumliche Materie aus dem Raume heraus vernichten. Das ist das Wesentliche des Äthers. Wo die physische Materie drückt, da saugt der Äther. Die physische Materie erfüllt den Raum ; der Äther schafft die Materie aus dem Raume heraus. Er ist nämlich die negative Materie, aber qualitativ negativ, nicht quantitativ negativ. Das ist in bezug auf den menschlichen Ätherleib ebenso. Wir leben zwischen physischem Leib und Ätherleib so, daß wir uns fortwährend vernichten und wieder herstellen. Der Äther vernichtet fortwährend unsere Materie, der physische Leib stellt sie wieder her. Das widerspricht allerdings – das will ich nur in Parenthese erwähnen – dem heute so beliebten Gesetz von der Erhaltung der Kraft. Aber die Tatsache ist, daß dieses Gesetz von der Erhaltung der Kraft der inneren Wesenheit des Menschen, der Wahrheit widerspricht.
rondvliegende differentiaalquotiënten; dus iets wat zich berekenen laat. Nu, in ieder geval heeft men over deze ether zeer veel nagedacht. Dat is zeer te prijzen, maar op deze manier kom je over de ether niet veel meer te weten. Je moet beseffen dat de ether de eigenschap heeft die tegenovergesteld is aan de druk; hij zuigt namelijk, de ether is zuigend. Hij wil door zijn eigen wezen steeds de ruimtelijke materie vanuit de ruimte vernietigen. Dat is het wezenlijke van de ether. Waar de fysieke materie druk uitoefent, daar zuigt de ether. De fysieke materie vult de ruimte; de ether werkt de materie uit de ruimte weg. Hij is namelijk de negatieve materie, maar kwalitatief negatief, niet kwantitatief. Dat is m.b.t. het menselijke etherlijf net zo. Wij leven tussen fysiek lichaam en etherlijf zo, dat wij onszelf voortdurend vernietigen en weer opbouwen. De ether vernietigt voortdurend onze materie, het fysieke lichaam herstelt het weer. Dat spreekt in ieder geval – dat tussen haakjes – de tegeenwoordig zo geliefde wet van het behoud van kracht – tegen. Maar een feit is dat deze wet van het behoud van de kracht in tegenspraak is met het innerlijke wezen van de mens, met de waarheid.
Es gilt nur für die unorganische Welt im strengen Sinne des Wortes. Für die organische gilt es nur so weit, als diese von Unorganischem ausgefüllt ist; für die Eisenteilchen im Blutserum gilt dieses Gesetz, aber nicht für das ganze Menschenwesen. Da findet ein fortwährendes Oszillieren statt zwischen den aufsaugenden und uns vernichtenden Kräften des Äthers und der Wiederherstellung des physischen Leibes. Beim Astralleibe ist es nun so, daß er nun nicht nur den Raum aufsaugt, sondern daß er kurioserweise die Zeit aufsaugt. Der hat nämlich etwas Rückführendes. Er ist rückführend, der Astralleib. Das kann ich Ihnen nun gleich am Beispiel des Menschen ganz klarmachen. Denken Sie sich einmal, Sie seien eine ältere Persönlichkeit von etwa 50 Jahren geworden. Ja, in Ihrem Astralleibe wirken nämlich fortwährend Kräfte, die Sie zurückführen in die Zeiten des verbrachten Erdenlaufes, die Sie zurückführen in die Zeit, die vor der Geschlechtsreife liegt. Sie erleben in Ihrem Astralleib gar nicht diesen Fünfzigjährigen. Sie erleben den Elf-, Zwölf-, Dreizehn-, Vierzehnjährigen
In de strikte zin van het woord geldt deze alleen voor de anorganische wereld. Voor de organische wereld geldt deze alleen in zoverre als deze gevuld is met anorganische materie; deze wet geldt voor de ijzerdeeltjes in het bloedserum, maar niet voor het hele wezen mens. Er vindt een voortdurend vibreren plaats tussen de opzuigende en de ons vernietigende krachten van de ether en het weer herstellen door het fysieke lichaam. Bij het astraallijf is het dan zo dat dit niet alleen de ruimte opzuigt, maar dat dit vreemd genoeg ook de tijd opzuigt. Het heeft iets wat terugleidt. Het is terugleidend, dit astraallijf. Dat kan ik u meteen duidelijk maken aan het voorbeeld van de mens. Denk je eens in dat je een oudere persoon bent geworden van ongeveer 50 jaar. In uw astraallijf werken dus voortdurend krachten die u terugbrengen in de tijd van het geleefde aardeleven, die u terugbrengen in de tijd van vóór de puberteit. In uw astraallijf beleeft u helemaal de vijftigjarige niet, maar in werkelijkheid de elf-, twaalf-, dertien-, veertienjarige.
blz. 104
in Wirklichkeit. Der strahlt herein in Sie dadurch, daß der Astralleib zurückführt. Das ist das Geheimnis des Lebens. Wir werden nur in bezug auf den physischen Leib und den Ätherleib und seine Oszillationen eigentlich alt. Der Astralleib ist dasjenige, was uns immer wieder zurückführt zu den früheren Lebensstadien. Da sind wir noch immer reifere Kinder. Alle miteinander sind wir noch immer reifere Kinder durch unseren Astralleib. Wenn wir also unseren Lebenslauf durch eine Röhre symbolisch vorstellen, und wir sind hier 50 Jahre alt, dann strahlt unsere reifere Kindheit, weil eben der Astralleib uns zurückleitet, ihr Wesen bis in unsere Fünfzigerjahre
Die licht in u op doordat het astraallijf teruggaat. Dat is het geheim van het leven. We worden alleen wat het fysieke lichaam en het etherlijf en de vibreringen betrreft eigenlijk oud. Het astraallijf voert ons steeds terug naar vroegere levensfasen. Daar zijn we nog steeds rijpere kinderen. Wij allemaal zijn nog steeds rijpere kinderen door ons astraallijf. Wanneer we nu onze levensloop symbolisch voorstellen als een pijp en we zijn hier 50 jaar, dan straalt onze rijpere kindertijd, omdat het astraallijf ons nu eenmaal terugbrengt, wat ze in wezen is, terug tot in onze jaren als vijftiger.
hinein. Im Astralischen lebt man immer rücklaufend – aber selbständig wird dieses rücklaufende Leben eben erst mit der Geschlechtsreife. Sieht man das in seinem vollen Ernste ein, dann will man schon selbstverständlich den Kindern für ihr ganzes Leben das erhalten, was man ihnen im schulpflichtigen Alter angestaltet. Man will ihnen das erhalten. Denn das, was Sie dem Kinde da angestalten, das lebt mit ihm durch das ganze Leben, weil der Astralleib immer rückwirkend ist. Für alles, was Sie im volksschulpflichtigen Alter mit dem Kinde vollbringen, steht eigentlich vor Ihnen der ganze menschliche Lebenslauf – und wenn der Mensch 90 Jahre alt wird. Das gibt für die Gesinnungspädagogik die richtige Verantwortung. Denn auf diese Verantwortlichkeit kommt es an: daß man überhaupt wissen lernt, was man tut. Und man lernt das erst wissen, wenn man solche Zusammenhänge des Lebens wirklich kennenlernt. Nun, wenn man das kennt, dann wird man nicht mehr bloß sagen: Bringe dem Kinde nur dasjenige bei, was es schon versteht. Das ist nämlich eigentlich in bezug auf das Wesen des Menschen etwas Schreckliches, dem Kinde nur das beizubringen, was es schon versteht. Und diejenigen Lehrbücher und auch pädagogischen Handbücher für Lehrer, die unter dem Einflusse dieser Art von besonderem
In het astrale leef je steeds teruggaand – maar pas met de puberteit wordt dit teruglopende leven zelfstandig. Als je dat in volle ernst inziet, dan wil je natuurlijk vanzelfsprekend dat de kinderen hun hele leven kunnen bewaren wat je ze op de basisschoolleeftijd hebt gegeven. Je wil dat dat blijvend voor ze is. Want wat je de kinderen daar geeft, gaat hun hele leven met hen mee, omdat het astraallijf steeds terugwerkend actief is. Voor alles wat je op de basisschoolleeftijd met ze doet, staat eigenlijk de hele menselijke levensloop voor je – ook al wordt de mens 90 jaar. Dat geeft de juiste verantwoordelijkheid voor de spirituele pedagogie. Want op deze verantwoordelijkheid komt het aan: dat je leert, wat je doet. En dat leer je pas kennen, wanneer je dergelijke samenhangen in het leven echt leert kennen. Welnu, als je dit weet, dan zeg je niet zomaar meer: breng het kind alleen bij wat het al begrijpt. Dat is namelijk met het oog op het wezen van de mens iets heel vreselijks, het kind alleen maar bijbrengen wat het al begrijpt. En die leerboeken en ook pedagogische handboeken voor leraren die onder invloed
blz. 105
Anschauungsstreben entstanden sind, die sind zum Verzweifeln trivial. Da will man sich immer auf die Stufe des Kindes herunter versetzen und nur so die Dinge behandeln, daß das Kind schon alle Einzelheiten durchschauen kann. Da nimmt man dem Kinde etwas Ungeheueres; das sieht derjenige ein, der den Zusammenhang des kindlichen Lebens mit dem ganzen Menschenwesen durchschaut. Nehmen Sie an, das Kind habe irgend etwas, was es im 8. Jahr noch gar nicht verstehen kann, deshalb aufgenommen, weil es seinen Lehrer und Erzieher liebt, weil ihm das wahr und schön und gut ist, was der Lehrer sagt. Die Liebe zum Lehrer, die Sympathie ist das Vehikel für das Aufnehmen; reif ist man, sagen wir, erst mit 35 Jahren, diese Sache zu verstehen. – Es sagt sich so etwas zwar dem modernen Menschen schwer, weil er nicht zugibt, daß man für manche Sachen erst mit dem 35. Jahr reif wird, aber es ist doch so: reif wird man erst für irgend etwas, was man da in Liebe zum Lehrer aufgenommen hat, mit dem 35. Jahr. Da hat man dann wiederum ein Erlebnis durch die rückstrahlende Kraft des Astralleibes. Da dringt etwas wie aus dem Innern herauf, es schaut wie ein Spiegelbild aus: eigentlich ist es ein Hingehen zu der Kindlichkeit. Es ist wie ein Heraufkommen in der Anschauung. Da ist man 35 Jahre alt, ist reif geworden – aus den Tiefen der Seele taucht herauf:
van deze bijzondere manier om dingen aanschouwelijk te maken, zijn ontstaan, die zijn zo ontzettend triviaal. Men wil steeds op het niveau van het kind opereren en alleen zo de dingen behandelen dat het kind dan alle details kan doorzien. Dan neem je van het kind iets heel bijzonders af; dat ziet degene die de samenhang kent van het kinderleven met het hele mensenleven. Neem eens aan dat een kind iets heeft opgenomen wat het als 8-jarige nog helemaal niet kan begrijpen, maar aangenomen omdat het zeer gesteld is op zijn leraar en opvoeder, omdat het voor hem waar en mooi en goed is, wat de leraar zegt. De liefde voor de leraar, de sympathie is het voertuig voor het aanvaarden; in staat ben je, laten we zeggen, pas met je 35e om het te begijpen. Zoiets kan je echter maar moeilijk aan de moderne mens kwijt, omdat deze niet toegeeft dat je pas met je 35e voor bepaalde dingen rijp wordt, maar toch is het zo: je wordt pas rijp voor iets, wat je in liefde voor de leraar opgenomen hebt, met je 35e. Daarbij heb je dan opnieuw iets door de terugstralende kracht van het astraallijf. Iets komt vanuit het innerlijk aan de oppervlakte, het lijkt op het spiegelbeeld: eigenlijk is het een teruggaan naar het kind-zijn. Het komt a.h.w. in de waarneming. Je bent 35, rijp geworden – vanuit de diepte van de ziel duikt het op.
Jetzt verstehst du ja erst dasjenige, was du in deinem 8. Jahr dazumal in dich aufgenommen hast. Und dieses Verstehenkönnen von etwas, was lange in einem gelebt hat, auf die Liebe hin in einem gelebt hat, ist etwas ungeheuer Erfrischendes im Leben. Dieses Erfrischende im Leben können wir dem Kinde geben, wenn wir in ihm die Autorität so bewahren, daß das Vehikel zwischen ihm und uns die Liebe ist, die Sympathie ist – und wir dem Kinde dasjenige geben, was es noch nicht anschauen und verstehen kann, sondern was ihm erst heranwachsen muß im Laufe des Lebens. Diese Zusammenhänge kennt eben derjenige gar nicht, der immer nur das an das Kind heranbringen will, was es versteht. Aber auch das Entgegengesetzte ist durchaus falsch und ungehörig. Derjenige, der das Menschenwesen versteht, wird als Erzieher oder Lehrer die Redensart nie im Munde führen: Das verstehst du noch nicht! – das darf es ja gar nicht geben, daß man jemals veranlaßt ist, zu dem Kinde in
Nu pas begrijp je wat je toen als 8-jarige opgenomen hebt. En kunnen begrijpen van iets wat lang in iemand geleefd heeft, vanuit liefde in iemand geleefd heeft, is iets buitengewoon verfrissends in het leven. Dit verfrissende in het leven kunnen wij het kind geven, wanneer we in hem de autoriteit zo behoeden dat het voertuig tussen hem en ons de liefde is, de sympathie – en als wij hem dan geven wat het nog niet kan waarnemen en begrijpen, maar wat eerst met hem mee groeien moet in de loop van het leven. Deze samenhangen kent diegene echter niet die steeds alleen maar iets aan het kind wil leren wat het begrijpt. Maar het tegenovergestelde is zeer zeker ook verkeerd en past niet. Wie het wezen mens begrijpt, zal als opvoeder of leraar nooit de woorden in de mond nemen: ‘Dat begijp jij nog niet! – het moet helemaal niet voorkomen dat er een reden zou zijn om tegen het kind
blz. 106
irgendeinem Lebensalter zu sagen: Das verstehst du noch nicht. Denn es wird immer eine Form geben, in die man dasjenige kleiden kann, was das Kind wissen will, wenn man nur das richtige Verhältnis zum Kinde hat. Man muß diese Form nur finden. Und diese Form findet man, wenn man eine solche Pädagogik, wie sie hier gemeint ist, zum instinktiven Leben macht. Man findet eben die entsprechende Form in dem Augenblick, wo man sie braucht. Und man findet vor allen Dingen dann die Möglichkeit, dem Kinde keine scharf umrissenen Vorstellungen zu geben. Das ist nämlich schrecklich, wenn man dem Kinde gegenüber alle Vorstellungen bis zur Unbeweglichkeit deutlich ausarbeitet. Tut man das, dann ist es nämlich so, wie wenn man das kleine Händchen des Kindes in einen eisernen Handschuh einspannte, daß es nicht mehr wachsen kann. Wir dürfen dem Kinde nie fertige Vorstellungen beibringen, sondern nur solche, die wachsen können, sich wandeln können, Vorstellungen, die selber leben. Wenn wir also beim Bildhaften, Gestaltenhaften bleiben bis gegen das 12.Jahr hin, so werden wir auch nicht versucht sein, dem Kinde scharf umrissene, gewissermaßen starre Begriffsfiguren vorzuführen. Denn da ist es, wie wenn wir dem kleinen Kind ein Händchen in einen Eisenhandschuh zwängen, daß es nicht mehr wachsen kann.
op welke leeftijd dan ook, te zeggen: ‘Dat begrijp jij nog niet.’ Want er is altijd wel een vorm waarin je kan kleden wat het kind wil weten, als je maar de juiste relatie met het kind hebt. Maar die vorm moet je wel vinden. En die vind je, wanneer je zo’n pedagogie als hier wordt bedoeld, tot instinctief leven maakt. De adequate vorm vind je dan juist op het ogenblik dat je die nodig hebt. En vooral vind je dan de mogelijkheid om het kind geen scherp omlijnde voorstellingen te geven. Want het is namelijk vreselijk wanneer je voor het kind alle voorstellingen zo uitwerkt dat ze onbeweeglijk zijn. Wanneer je dat doet is zo alsof je het kleine handje van het kind een ijzeren handschoen aantrekt waarin het niet verder groeien kan. We mogen het kind nooit kant-en-klare voorstellingen bijbrengen, maar alleen die mee kunnen groeien, kunnen veranderen, voorstellingen die zelf leven in zich hebben. Wanneer we dus bij het beeldende, het vormende blijven tot tegen het 12e jaar, komen we ook niet in de verleiding het kind scherp omlijnde, in zekere zin starre begrippen aan te reiken. Want dat is alsof we het handje van het kleine kind in een ijzeren handschoen dwingen zodat het niet meer kan groeien.
Und das, was ich als Unterricht skizziert habe, das gibt gar nicht Veranlassung dazu, in scharfe Begriffsformen die Dinge einzuspannen, sondern zu gestalten mit Worten, mit der Hand, auf die Tafel oder was es sonst ist, mit dem Pinsel in der Farbe anschaulich zu malen, zu zeichnen usw. Aber immer ist das Bewußtsein da: das ist in sich beweglich, und es muß beweglich bleiben; denn man muß wissen, daß sich etwas erst gegen das 12. Jahr, und zwar sehr nahe am 12. Jahr, in dem Kinde entwickelt, und das ist der Sinn für den Kausalitätsbegriff. Den Kausalitäts begriff hat das Kind bis gegen das 12. Jahr hin überhaupt nicht. Es sieht dasjenige, was beweglich ist, was bewegliche Vorstellungen sind. Was als Bildhaftes, Musikalisches da ist, das schaut es, nimmt es wahr, aber es hat für den Kausalbegriff bis gegen das 12. Jahr hin keinen Sinn. Daher müssen wir dasjenige, was wir dem Kinde beibringen bis gegen das 12. Jahr hin, rein sein lassen vom Kausalitätsbegriff. Da erst können wir darauf rechnen, daß das
En wat ik als onderwijs heb geschetst, geeft helemaal geen aanleiding om de dingen in scherpe begripsvormen in te kaderen, maar vorm te geven met woorden, met de hand, op het bord of zoiets, met de penseel in de verf aanschouwelijk te maken, te tekenen enz. Maar steeds met het bewustzijn: het is als zodanig in beweging en het moet in beweging blijven; want je moet wel weten dat zich iets pas tegen het 12 jaar, eigenlijk dicht tegen het 12e jaar in het kind ontwikkelt en dat is het gevoel voor causaliteit.<1 Het causaliteitsbegrip heeft het kind tot tegen het 12e jaar echt niet. Het ziet wat beweeglijk is, wat beweeglijke voorstellingen zijn. Wat beeldend, muzikaal is, dat ziet het, neemt het waar, maar voor de causaliteit heeft het tot tegen het 12e jaar geen gevoel. Daarom moeten we wat we kind bijbrengen tot tegen het 12e jaar, vrij laten van het causaliteitsbegrip. Dan pas kunnen we ermee rekenen, dat het kind
blz. 107
Kind die gemeiniglichen Zusammenhänge zwischen Ursachen und Wirkungen ins Auge fassen kann. Von da an fängt das Kind eigentlich erst an, sich Gedanken zu machen; bis dahin hat es Bildvorstellungen. Da leuchtet nämlich schon voran dasjenige, was dann mit der Geschlechtsreife vollständig auftritt: das gedankliche, das urteilende Leben, das an das Denken im engeren Sinne geknüpft ist – während das Leben zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife an das Fühlen geknüpft ist und das Leben vor dem Zahnwechsel an den innerlich sich entfaltenden Willen, der für dieses Lebensalter nicht unter Gedanken steht, sondern unter Nachahmung des dem Kinde körperhaft Entgegentretenden. Aber mit dem körperhaft dem Kinde Entgegentretenden setzt sich auch das Moralische, das Geistige beim Kinde fest im Körperhaften. Daher ist es auch unmöglich, im 10. bis 11. Lebensjahr, meistens sogar noch im 11. bis 12. Lebensjahr, dem Kinde etwas beizubringen, wo man auf Kausalität sehen muß. Man sollte daher anfangen mit dem Beibringen der mineralischen Welt erst gegen das 12. Jahr. Und physikalische Begriffe sollten auch erst gegen dieses Lebensjahrhin auftreten, nachdem sie vorher im Grunde genommen nur vorbereitet sind. Da wird das Kind erst reif für das Aufnehmen solcher Begriffe. Alles, was sich auf das Unorganische bezieht, kann das Kind im Sinne eines Kausalbegriffes erst gegen das 12. Jahr hin begreifen.
de gangbare samenhang tussen oorzaak en gevolg kan snappen. Vanaf dat ogenblik begint het kind eigenlijk pas zich gedachten te vormen; tot dan toe zijn er de beeldvoorstellingen. Nu licht namelijk al iets op van wat met de puberteit volledig optreedt: het gedachteleven, het oordelende leven dat aan het denken in engere zin is gebonden – terwijl het leven tussen de tandenwisseling en de geslachtsrijpheid met het voelen verbonden is en het leven vóór de tandenwisseling aan de innerlijk zich ontplooiende wil, die in deze leeftijd nog niet onder de invloed staat van de gedachten, maar onder die van de nabootsing van wat het kind lichamelijk tegenkomt. Maar hiermee wordt ook het morele, het geestelijke bij het kind een lichamelijk iets. Daarom is het ook onmogelijk om op het 10e, 11e jaar, meestal zelfs nog op het 11e tot hot het 12e jaar het kind iets bij te brengen waarbij je moet kijken naar causaliteit. Daarom moet je pas tegen het 12e jaar beginnen met het bijbrengen van de minerale wereld. En natuurkundige begrippen zouden ook pas tegen deze levensjaren aan de orde moeten komen, nadat ze voordien basaal genomen alleen maar voorbereid zijn. Nu wordt het kind pas rijp voor het opnemen van dergelijke begrippen. Alles wat betrekking heeft op de anorganische wereld kan het kind wat de causaliteitsbegrippen betreft, pas begrijpen zo tegen het 12e jaar.
Es muß natürlich alles vorher vorbereitet sein, aber nicht durch Kausalbegriffe; sondern was später durch diese Kausalbegriffe erfaßt wird, das muß vorbereitet werden in Bildern ohne den Kausalitätsbegriff. Das Kind muß gewissermaßen einen Stoff haben, an dem es diese Kausalitätsbegriffe anwendet. Das auf der einen Seite. Auf der anderen Seite können Sie den Kindern vor diesem Lebensalter gegen das 12. Jahr hin nicht Zusammenhänge in der Geschichte begreiflich machen. Da sollen Sie vor die Kinder hinstellen einzelne Menschenbilder, die entweder das Gefallen erwecken durch ihre Güte, ihre Wahrhaffigkeit oder dergleichen, oder das Mißfallen erwecken durch das Gegenteil. Auf Gefallen und Mißfallen, auf das Gefühls-und Gemütsleben muß auch die Geschichte gestellt werden: geschlossene Bilder von Vorgängen und von Persönlichkeiten, aber Bilder, die in dem Sinne wieder beweglich gehalten werden, wie ich es angedeutet
Alles moet natuurlijk van te voren voorbereid zijn, maar niet door causaliteitsbegrippen; wat later met deze begrippen begrepen wordt, moet worden voorbereid in beelden, zonder causaliteit. Het kind moet in zekere zin stof krijgen waarop het deze begrippen kan toepassen. Dat enerzijds. Anderzijds kun je kinderen vóór deze leeftijd tegen het 12e jaar geen samenhangen in de geschiedenis laten begrijpen. Je moet dan individuele mensen voor de kinderen neerzetten, die of sympathie wekken door hun goedheid, hun waarachtigheid o.i.d., of de antipathie door het tegendeel. Op sympathie en antipathie, op het gevoels- en gewaarwordingsleven moet je geschiedenis laten berusten: afgeronde beelden van gebeurtenissen en persoonlijkheden, maar beelden die in dit opzicht weer beweeglijk worden gehouden, zoals ik aangegeven
blz. 108
habe. Dagegen kausale Zusammenhänge zwischen dem Früheren und dem Späteren, die können Sie dem Kinde erst beibringen, wenn in ihm voranleuchtet dieses Rückläufige des Astralleibes, das dann stärker auftritt nach dem 14. Jahr. So gegen das 12.Jahr hin kommt das Kind in dieses Rückläufige hinein, und man kann dann anfangen, an den Kausalitätsbegriff zu appellieren auch in der Geschichte. Vorher bereitet man dem Kinde im Grunde genommen etwas recht Schlimmes für das Leben zu, wenn man auf den Kausalitätsbegriff und das damit verknüpfte Verstandesurteil sieht. Denn sehen Sie: da ist ja erst der Ätherleib da. Gegen das 12. Jahr hin fängt langsam der Astralleib an, geboren zu werden; er wird dann voll geboren mit der Geschlechtsreife – aber vorher ist ja nur der Ätherleib da. Wenn Sie da dem Kinde Urteile von Ja und Nein einprägen oder es sich Begriffe einprägen lassen, so gehen ja die Dinge statt in den Astralleib in den Ätherleib hinein. Aber von was ist denn der Astralleib noch der Träger? Bedenken Sie, Sie werden aus dem Faktum der Geschlechtsreife es entnehmen können: der Astralleib ist der Träger der menschlichen Liebe. Er arbeitet natürlich schon vorher im Kinde, aber er ist nicht selbständig geboren.
heb. Causale samenhangen tussen wat er eerder was en wat er later kwam, kun je het kind pas bijbrengen wanneer in hem het teruggaan van het astraallijf het eerste licht daarop kan laten schijnen, wat dan sterker optreedt na het 14e jaar. Zo tegen het 12e jaar komt het kind in dat proces van teruggaan en dan kun je beginnen te appelleren aan het causaliteitsbegrip, ook in de geschiedenis. <2 Als je dat eerder doet, bereid je in het kind in wezen voor zijn leven iets heel verkeerds voor, wanneer je kijkt naar het causaliteitsbegrip en het verstandsoordeel dat daarmee verbonden is. Want zie je: eerst is er het etherlijf. Tegen het 12e jaar begint het astraallijf langzaam geboren te worden; dat wordt dan volledig geboren met de geslachtsrijpheid – maar daarvoor is alleen het etherlijf er. Wanneer je dan het kind oordelen inprent van ja en nee, of je laat het begrippen eigen maken, dan gaan die dingen i.p.v. in het astraallijf in het etherlijf zitten. Maar waarvan is het astraallijf ook de drager? Bedenk dat je dit uit het verschijnsel van de geslachtsrijpheid kan aflezen: het astraallijf is de drager van de menselijke liefde. Die is natuurlijk eerder al actief in het kind, maar nog niet zelfstandig geboren.
Dadurch pflanzen Sie dann das Ja und Nein, das Kritikurteil, statt in den Astralleib in den Ätherleib hinein. Wenn Sie es in den Astralleib zur richtigen Zeit hineinpflanzen, dann fügen Sie dem Urteil, auch der Kritik, die Kraft der Liebe bei, die Kraft des Wohlwollens. Fügen Sie dem Kinde die Untat zu, es zu früh kritisieren zu machen, es zu früh auf Ja und Nein abzustimmen, dann stopfen Sie dieses Ja und Nein, diese Kritik, in den Ätherleib hinein. Der ist nicht wohlwollend: der ist aufsaugend, der ist übelwollend eigentlich, der wirkt zerstörend. Das tun Sie dem Kinde an, wenn Sie zu früh das Ja- oder Nein-Urteil – und ein Ja- und Nein-Urteil ist auch immer in der Kausalitätsvorstellung gelegen – dem Kinde beibringen. Den geschlossenen Vorgang schaut man an; die Persönlichkeit, die bildhaft geschildert wird, schaut man an. Wenn man in der Geschichte epochenweise das Spätere mit dem Früheren verbindet, da urteilt man, da weist man ab, da nimmt man an. Da ist immer das Ja und Nein drinnen, und man bekommt zuletzt eben dasjenige
Daardoor plant je dan het ja en en nee, het kritiekoordeel, i.p.v in het astraallijf, in het etherlijf. Als je dat op de juiste tijd in het astraallijf doet, dan voeg je aan het oordeel, ook aan de kritiek, de kracht van de liefde toe, de kracht van iets welwillends. Geef je het kind het onmenselijke mee dat je het te vroeg laat bekritiseren, het te vroeg laat afstemmen op ja en nee, dan stop je dit ja en nee, deze kritiek in het etherlijf. Dat is niet welwillend: dat is opzuigend, eigenlijk is dat onwelwillend, dat werkt verstorend. Dat doe je het kind aan, wanneer je te vroeg het ja-nee-oordeel – en een ja-nee-oordeel ligt nog altijd in de causaliteitsvoorstelling – aan het kind geeft. Je kijkt naar een afgerond proces; je kijkt naar een persoonlijkheid die beeldend wordt beschreven. Wanneer je bij geschiedenis de latere tijden met de voorafgaande verbindt, geef je een oordeel, het ene wijs je af, het andere accepteer je. Daar zit altijd het ja en nee in en uiteindelijk krijg je dan
blz. 109
heraus, was eigentlich ein Sichsträuben ist gegen das, was einem als Urteil in der Welt entgegentritt. Man nimmt die Urteile der anderen nicht mit Liebe auf, sondern mit einer in einem liegenden zerstörerischen Kraft, wenn man die Urteilskraft zu früh entwickelt. Aus solchen Dingen kann man wirklich sehen, wie sehr es darauf ankommt, zur richtigen Zeit das Richtige im schulpflichtigen Alter zu tun. Und dann bedenken Sie doch nur einmal den Übergang in dieser Beziehung vom Tier zum Menschen. Das Tier sehen Sie nach seiner Gestalt an. In der Gestalt liegt schon das, was das Tier tut; man schaut an, was das Tier tut. Beim Menschen muß man die Causa, die Ursache, suchen. Ja, sehen Sie, weil das Kind erst gegen das 12. Jahr reif wird, die Causa zu suchen, muß auch da der Punkt eintreten, wo es die Tierwelt synthetisch zusammenfaßt in der Gesamtheit des Menschen. Da handelt es sich darum, daß man das dem Kinde entgegenbringt als ein Erlebnis, was die innere Natur verlangt, daß es Erlebnis werde in einer bestimmten Zeit. Nun werden Sie aber zugeben: da liegt ein großartig gewaltiger Umschwung in der kindlichen Natur zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife. Das Kind geht gewissermaßen mit seiner Seele den Weg ganz von innen nach außen.
wat eigenlijk een zich verzetten is tegen wat iemand als oordeel in de wereld tegenkomt. Men neemt de oordelen van de anderen niet met liefde aan, maar met een ontwrichtende kracht die iemand heeft, wanneer je de oordeelskracht te vroeg ontwikkelt. Aan dit soort dingen kan je werkelijk zien hoe zeer het erop aankomt in de basisschoolleeftijd op de juiste tijd het juiste te doen. 2> En dan moet je eens denken aan de overgang wat dit betreft van dier naar mens. Het dier bekijk je door naar zijn gestalte te kijken. In de gestalte ligt al besloten wat een dier doet; je ziet wat het dier doet. Bij de mens moet je naar de oorzaak zoeken. Ja, zie je, omdat het kind pas tegen het 12e jaar rijp wordt om naar de oorzaken te zoeken, moet ook daar het punt liggen waarop het de dierenwereld synthetisch samenvat als de totaliteit van de mens. Het gaat erom dat je dat het kind biedt als een beleving, wat de innerlijke natuur verlangt, dat het een beleving wordt op een bepaalde tijd. Nu zal u echter wel toegeven: tussen de tandenwisseling en de puberteit ligt een enorme verandering in de kinderlijke natuur. Het kind gaat in zekere zin met zijn ziel helemaal van binnen naar buiten.
Denken Sie nur, daß das Kind bis gegen das 12. Jahr hin gar nicht erträgt, daß man ihm den Menschen schildert. Da beginnt es dies zu ertragen, begriffsmäßig, vorstellungsmäßig sich in dem Spiegel der Welt zu schauen. Es kann sich selber aushalten, ausstehen, indem man schildert, was der Mensch ist. Es ist wirklich ein vollständiges Umwenden der menschlichen Natur vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife. Nun liegt innerhalb dieses Zeitraumes ein sehr wichtiger Lebensübergang. Er liegt für die meisten Kinder so zwischen dem 9. und 10. Jahr; es ist das individuell, bei manchem Kind liegt es über das 10. Jahr hinaus. Da tritt für jedes Kind etwas ein, wo das Kind instinktiv, unbewußt vor einer Art Lebensrätsel steht. Dieses Umwenden von innen nach außen, dieses Gewahrwerden, daß man ein Ich ist und draußen die Welt ist – was man bisher miteinander verflochten hat -, das ist etwas, was das Kind nicht bewußt erlebt, aber was
Bedenk wel dat het kind tot tegen het 12e jaar helemaal niet verdraagt dat je de mens uitvoerig voor hem beschrijft. Dan begint hij dit te verdragen, begripsmatig, voorstellend in de spiegel van de wereld te kijken. Hij kan het uithouden, hij kan er tegen wanneer je de mens beschrijft. Het is echt een volledige ommekeer in de menselijke natuur vanaf de tandenwisseling tot de puberteit. Nu zit er in deze tijdspanne een heel belangrijke overgang in het leven. Voor de meeste kinderen ligt die tussen het 9e en het 10e jaar; het is individueel, bij de meeste kinderen ligt die na het 10e jaar. Dan begint er voor elk kind iets waarbij het kind instinctief, onbewust voor een levensraadsel staat. Deze ommekeer van binnen naar buiten, deze gewaarwording dat je een Ik bent en dat daarbuiten de wereld is – wat tot dan toe met elkaar vervlochten was – is iets wat het kind niet bewust beleeft, maar wat het
blz. 110
das Kind erlebt durch innere Zweifel und Unruhe, die auftreten. Im Leibe drückt sich das so aus, daß in diesem Lebenspunkt die Atmung sich eigentlich erst richtig einschaltet in die Blutzirkulation. Das gleicht sich da aus. Es wird das dem Menschen angemessene Verhältnis hergestellt zwischen Puls und Atemzügen. Das ist das leibliche Korrelat dafür; das seelisch-geistige ist, daß das Kind jetzt in diesem Lebenspunkte uns als Lehrer und Erzieher ganz besonders braucht. Es geschieht ein Appell, der nicht in einer Frage, sondern in einer Art von Verhalten liegt, an den Lehrer oder Erzieher gerade in diesem Lebenspunkt. Man muß sich nun das pädagogische Geschick aneignen, aus der Art und Weise des Kindes die große Lebensfrage, die das Kind jetzt an uns stellen will, im individuellen Falle richtig zu wägen. Was ist denn eigentlich diese Lebensfrage ? Nun, sehen Sie, bis zu diesem Lebenspunkte hat sich das selbstverständliche Autoritätsverhältnis eigentlich so herausgebildet, daß man als Lehrer und Erzieher dem Kinde die Welt ist. Für das Kind bewegen sich die Sterne, weil es weiß, daß sein Erzieher weiß, daß sich die Sterne bewegen. Alles ist eben gut und böse, schön und häßlich, wahr und falsch, weil es der Lehrer und Erzieher so in sich hat.
ervaart door een innerlijke twijfel en onrust die zich voordoen. In het lichaam drukt zich dit zo uit dat op dit punt de adem eigenlijk nu pas goed samengaat met de bloedsomloop. Er wordt een evenwicht gevonden. De menselijke verhouding tussen pols en ademhaling raakt op elkaar ingesteld. Dat is het lichamelijke correlaat daarvoor; en voor het geest-zielenwezen is het zo dat het kind op dit punt in het leven ons als leraar en opvoeder juist bijzonder nodig heeft. Het doet een beroep op ons, niet met een vraag, maar met een bepaalde manier van omgaan. Je moet je de pedagogische vaardigheid eigen maken vanuit de attitude van het kind de grote levensvraag die het kind nu aan ons stellen wil, in het individuele geval juist in te schatten. Wat is die levensvraag eigenlijk? Wel, zie je, tot aan dit punt in het leven heeft de vanzelfsprekende omgang vanuit de autoriteit nu pas zo vorm gekregen dat je als leraar en opvoeder voor het kind de wereld bent. Voor het kind bewegen de sterren, omdat het weet dat zijn opvoeder weet dat de sterren bewegen. Alles is of goed of slecht, mooi of lelijk, waar of onwaar, omdat de leraar en opvoeder dit zo met zich meedraagt.
Es muß alles, was von der Welt kommt, in einem gewissen Sinne durch Lehrer und Erzieher durchgehen; das ist das einzig gesunde Verhältnis. Zwischen dem 9. und 10. Lebensjahr, manchmal etwas später, stellt sich, nicht in Begriffen und Vorstellungen, aber in Gefühl und Empfindung, vor die Seele des Kindes die Frage: Ja, woher hat denn der Lehrer und Erzieher das alles ? Da beginnt nämlich plötzlich, wenn ich mich bildlich ausdrükken darf, dieser Lehrer und Erzieher durchsichtig zu werden. Man will hinter ihm die Welt sehen, die hinter ihm lebt. Da muß er standhalten; da muß er gegenüber dem, was das Kind heranbringt, in dem Kinde die Überzeugung erhalten, daß er richtig in das Rückwärts, in die Welt, eingeschaltet ist; daß er Wahrheit, Schönheit und Güte wirklich in sich trägt. Da prüft die unbewußte Natur des Kindes den Lehrer in einer ganz unerhörten Weise, möchte ich sagen. Sie prüft ihn, ob er nun wirklich die Welt in sich trägt, ob er würdig war, bisher ihm der Repräsentant des ganzen Kosmos zu sein.
Alles wat van de wereld is, moet op een bepaalde manier door de leraar en opvoeder heengaan; dat is de enige gezonde verstandhouding. Tussen het 9e en het 10e levensjaar, soms wat later, komt in de ziel van het kind, niet in begrippen en voorstellingen, maar in zijn gevoel en beleving, de vraag op: ‘Waar heeft de leraar en opvoeder dat dan vandaan?” Dan begint deze leraar en opvoeder plotseling, als ik me zo mag uitdrukken, doorzichtig te worden. Je wil achter hem de wereld zien van waaruit hij leeft. Daartegen moet hij bestand zijn; hij moet met wat hij het kind leert, in het kind de overtuiging hooghouden dat hij op een goede manier vanuit zijn achtergronden zijn plaats in de wereld inneemt; dat hij waarheid, schoonheid en goedheid daadwerkelijk in zich draagt. De onbewuste natuur van het kind onderzoekt de leraar op een ongelooflijke manier. Die onderzoekt of hij daadwerkelijk de wereld in zich meedraagt, of hij waardig was om tot dan toe voor hem de vertegenwoordiger te zijn van de hele kosmos.
blz. 111
Und wiederum kann das nicht ausgesprochen werden. Würde man das in irgendeiner Form auch nur leise theoretisch vorführen durch Gründe oder dergleichen, dann würde die unbewußte Natur des Kindes, weil sie für Kausalität keinen Sinn hat, das als Schwäche, nicht als Stärke des Lehrers empfinden; lediglich als Schwäche. Denn alles das, was man erst beweisen muß, lebt schon schwach in der Seele; dasjenige, was stark in der Seele lebt, muß man ja nicht erst beweisen. Das geht auch in der Kulturentwickelung so. Ich will jetzt nicht inhaltlich über die Sache entscheiden, aber ich möchte Sie auf das Dynamische der Sache führen: Bis zu einem gewissen Zeitpunkte des Mittelalters haben die Leute gewußt, was das Abendmahl bedeutet. Da war man noch nicht ergriffen von der Notwendigkeit des Beweisens. Nun fingen plötzlich die Leute an, die Notwendigkeit des Beweisens dem Abendmahl gegenüber zu empfinden. Für den, der die Sache durchschaut, ist das nur ein Beweis dafür, daß die Leute eben nichts mehr von dem Abendmahl wußten. – Denn man beweist ja nicht, daß einer ein Dieb ist, wenn man ihn gesehen hat, sondern nur wenn man ihn nicht gesehen hat; wenn man ihn gesehen hat, benennt man ihn nur als Dieb.
En opnieuw kan dat niet uitgesproken worden. Zou je dat op de een of andere manier, al was het maar een beetje theoretisch naar voren brengen door bepaalde gezichtspunten of zo, dan zou de onbewuste natuur van het kind, omdat die voor causaliteit geen begripsorgaan heeft, dat als een zwakte, niet als een kracht van de leraar ervaren; uiteindelijk toch als zwakte. Want alles wat je eerst moet bewijzen, is in de ziel dan zwak aanwezig; wat sterk in je ziel leeft, hoef je niet eerst te bewijzen. Dat is ook zo in de ontwikkeling van de cultuur. Nu wil ik hier niet inhoudelijk op ingaan, maar wel zou ik u op de dynamische kant ervan willen wijzen: tot een bepaald punt in de middeleeuwen wisten de mensen wat het Avondmaal betekent. Men was nog niet in de ban van het bewijzen. Nu begonnen de mensen plotseling de noodzakelijkheid van het bewijzen voor het Avondmaal te voelen. Voor wie dit kan doorzien, is dit er juist een bewijs voor dat de mensen niets meer van het Avondmaal wisten. Want je gaat niet bewijzen dat iemand een dief is, wanneer je hem hebt betrapt, maar alleen wanneer je hem niet hebt betrapt; wanneer je hem betrapt hebt, noem je hem gewoon een dief.
Das Beweisen bezieht sich immer auf das, was man nicht weiß, niemals aber auf dasjenige, was man wirklich weiß durch die Tatsachen des Lebens selber. Daher ist es so drollig, wenn die Leute den Zusammenhang zwischen der formalen Logik und der Wirklichkeit suchen. Es ist ungefähr gerade so, wie wenn einer den inneren Zusammenhang zwischen dem Wege, der ihn zu einem Berge hinführt, und dem Berge sucht. Der Weg ist nämlich dazu da, daß ich bis zum Berge kommen; dann beginnt der Berg. Die Logik ist nur dazu da, daß man bis zur Wirklichkeit kommt; da beginnt erst die Wirklichkeit, wo die Logik aufhört. Ja, daß man diese Dinge selber weiß, ist eben von ganz fundamentaler Bedeutung. Nicht darf man also in den Fehler verfallen, in diesem wichtigen Lebenspunkt dem Kinde beweisen zu wollen, daß man der richtige Repräsentant der Welt ist. Sondern man muß nun durch neues Verhalten dem Kinde die unmittelbare Empfindungsüberzeugung beibringen: Ja, der weiß ja noch viel mehr, als man bisher gedacht hat! Wenn das Kind weiß: der Lehrer kann sich steigern, er hat
Bewijzen heeft altijd betrekking op wat je niet weet, nooit op wat je werkelijk weet door de feiten in het leven zelf. Daarom is het zo gek als mensen de samenhang zoeken tussen de formele logica en de realiteit. Dat is ongeveer net zo als wanneer iemand de innerlijke samenhang wil zoeken tussen de weg die hem naar een berg leidt en de berg zelf. Die weg ligt er namelijk om bij de berg te komen; dan begint de berg. Logica is er alleen maar om tot de werkelijkheid te komen; de werkelijkheid begint pas als de logica ophoudt. En dat je dit soort dingen zelf weet, is van groot fundamenteel belang. Je mag dus niet in de fout vervallen om op dit belangrijke ogenblik in het leven van het kind te willen bewijzen dat je een goede vertegenwoordiger van de wereld bent. Maar je moet door een nieuwe verstandhouding het kind de directe gevoelsovertuiging geven: ‘Maar hij weet nog veel meer dan ik tot nog toe heb gedacht! Wanneer een kind weet: de leraar kan nog meer, hij heeft
blz. 112
ihm bisher noch gar nicht alle Seiten gezeigt, er hat sich bisher nicht ausgegeben, jetzt sagt er vielleicht ganz vertraulich zu dem Kinde etwas, wovon das Kind überrascht ist, so daß das Kind es wieder unbewußt empfindet, aufhorcht auf das Neue, das es von dem Lehrer erfahren hat – dann ist jetzt das richtige Verhältnis hergestellt. Also man muß sich etwas bewahren, vor allen Dingen auch für diesen Zeitpunkt bewahren können, wodurch man sich als Lehrer dem Kinde gegenüber steigern kann. Denn das ist die Lösung eines wichtigen Lebensrätsels in diesem Lebenspunkte: daß man sich für das Kind, für die Wahrnehmung des Kindes steigern kann, daß man plötzlich über sich hinauswächst. Das ist der Trost und die Kraft, die man dem Kinde in diesem Punkte geben muß, weil es schon mit diesem Ansinnen herankommt an den Lehrer, zu dem es die nötige Sympathie und Liebe entwickelt hat. Die anderen Lehrer, die werden eben die bittere Erfahrung machen, daß die Autorität nach und nach, wenn das Kind zwischen dem 9. und 10. Lebensjahr steht, ausraucht, verduftet; daß sie dann nicht mehr da ist. Dann werden diese Lehrer eben das Schreckliche versuchen, alles dem Kinde beweisen zu wollen, und dergleichen.
nog helemaal niet alles van zichzelf laten zien, tot nog toe heeft hij zich niet helemaal laten zien; nu zegt hij misschien heel vertrouwelijk iets tegen het kind, waardoor het verrast wordt, zodat het kind het weer onbewust ervaart, aandachtig luistert naar het nieuwe dat het van de leraar gehoord heeft – dan is er een goede verstandhouding ontstaan. Dus je moet je iets terughouden, met name wat dit tijdstip betreft, je iets kunnen terughouden, waardoor je als leraar voor het kind meer wordt. Want dat is de oplossing van een belangrijk raadsel van het leven op dit punt in het bestaan: dat je voor het kind, voor wat het kind waarneemt, meer kan worden, dat je plotseling boven jezelf uitstijgt. Dat is de troost en de kracht die je op dit ogenblik aan het kind moet geven, omdat het dus met deze vraag naar de leraar toe komt, voor wie hij de nodige sympathie en liefde heeft ontwikkeld. De andere leraren zullen de bittere ervaring opdoen dat de autoriteit langzamerhand, wanneer het kind tussen het 9 en de 10 jaar, verdampt, lucht wordt; dat die er niet meer is. Dan gaan die leraren wel dat vreselijke proberen, alles aan het kind te willen bewijzen en dergelijke dingen.
Ja, und wenn man sich nun einmal einen Sinn angewöhnt hat für solche Lebensbetrachtungen, dann kommt man auch auf anderes. Sehen Sie, es müssen die einzelnen Dinge, die man heranbringt an das Kind, durchaus zusammenhängen. Nun sagte ich Ihnen: wir lassen das Kind aus seinen eigenen Bildekräften heraus irgendwie malen, natürlich nicht mit Stiften, sondern mit wirklichen Farben. Dann merke ich: das Kind lebt mit den Farben. Nach und nach wird für das Kind – man muß nur selber eine Empfindung dafür haben, daß es so ist – das Blau etwas, was weggeht, nach der Ferne geht; das Gelb und Rot etwas, was herankommt. Das ist etwas, was bei dem Kinde auch schon im 7., 8. Jahr stark hervortritt, wenn man es nur nicht in diesem Alter quält mit irgendwie dressiertem Zeichnerischem und Malerischem. Wenn man das Kind freilich Häuser und Bäume malen läßt, wie sie in Wirklichkeit sind, so geht das nicht. Aber wenn man das Kind folgen läßt, so daß es das Gefühl hat: wohin ich die Hand bewege, da geht die Farbe – der Stoff der Farbe ist nur Nebensache-,
Maar, wanneer je oog hebt gekregen voor dergelijke levensbeschouwingen, dan kom je ook op andere dingen. Kijk, de dingen op zich die je het kind wil meegeven, moeten zeer beslist samenhang vertonen. Nu zeg ik: we laten het kind iets schilderen vanuit zijn eigen vormkrachten, natuurlijk niet met stiften, maar met echte kleuren. Dan merk ik op: het kind leeft met kleur. Langzamerhand wordt voor het kind – je moet er alleen zelf een gevoel voor hebben, dat het zo is – blauw is iets wat weggaat, naar de verte trekt; geel en rood zijn iets wat dichterbij komt. Dat blijkt bij het kind van 7 of 8 jaar al sterk, als je het op deze leeftijd niet met een of andere teken- of schilderdressuur kwelt. Wanneer je het kind de vrijheid geeft huizen en bomen te schilderen zoals ze in werkelijkheid zijn, dan lukt dat niet. Maar wanneer je het kind laat volgen, zodat het het gevoel heeft: waarheen ik mijn hand beweeg, daar gaat de kleur heen – het materiaal van de verf is maar bijzaak –
blz. 113
da lebt die Farbe auf unter den Fingern, da will sie sich fortsetzen irgendwo – wenn man das erreicht, so bekommt man etwas sehr Sinnvolles in der Seele des Kindes: Farbenperspektive. Das Kind bekommt das Gefühl, daß das rötende Gelb näherkommt, daß das Blauviolett fern und ferner geht. Da arbeitet man aus dem Intensiven heraus das, was man dann später mit dem Kinde auch erarbeiten soll: die Perspektive, die man dann in Linien durchführt. Es ist etwas furchtbar Schädliches, die Perspektive einem Kinde im späteren Lebensalter beizubringen, dem man nicht vorher eine Art intensiver Farbenperspektive beigebracht hat. Dadurch wird ja der Mensch in furchtbarer Weise veräußerlicht, wenn er sich gewöhnt, die quantitative Perspektive sich anzueignen, ohne vorher die intensive, die qualitative Perspektive sich angeeignet zu haben, die in der Farbenperspektive liegt. Und in diesem Zusammenhang liegen dann die weiteren Zusammenhänge. Wenn Sie dem Kinde verwehren, intensiv in der Farben-perspektive zu leben, so wird das Kind niemals mit der richtigen Schnelligkeit lesen lernen. Immer mit der Einschränkung, die ich gestern gesagt habe: es kommt ja nicht darauf an, daß man das Lesen so schnell als möglich am Anfange dem Kinde beibringt. Aber das Kind bekommt geschmeidige Vorstellungen, geschmeidige Empfindungen und geschmeidige Willensaktionen aus diesen Farbenempfindungen heraus.
dan komt de kleur onder de vingers tot leven, dat wil ergens verder naartoe – wanneer je dat bereikt, dan krijg je iets heel zinvols voor de ziel van het kind: kleurperspectief. Het kind krijgt het gevoel, dat het roodachtige geel dichterbij komt, dat het blauw-violette steeds verder weggaat. dan werk je intensief aan waaraan je dan later met het kind ook moet werken: het perspectief dat je dan in lijnen uitvoert. Het is heel erg verkeerd om het perspectief aan het kind op een latere leeftijd te leren, wanneer je niet eerst van te voren op een intensieve manier het kleurenperspectief aangeleerd hebt. En in deze samenhang liggen dan weer andere samenhangen. Wanneer je het kind niet toestaat intensief met het kleurenperspectief om te gaan, zal het niet met de juiste snelheid leren lezen. Steeds met de restrictie die ik gisteren aangegeven heb: het komt er niet op aan dat je kind in het begin zo snel mogelijk leert lezen. Maar het kind krijgt beweeglijke voorstellingen, beweeglijke ervaringen en beweeglijke wilsactiviteit vanuit deze kleurbeleving.
Alles Seelische wird geschmeidiger. Vielleicht müssen Sie durch das alles, was hier verlangt wird, aus dem malenden Zeichnen, dem zeichnenden Malen das Lesen zu entwickeln, länger brauchen, um das Lesen an das Kind heranzubringen. Aber in dem Lebensalter, wo es dann darankommt, ist es dann doch eben möglich, das Lesen wirklich richtig an das Kind heranzubringen, ohne daß es im Körper, im ganzen Menschen zu flüchtig sitzt – wie es auch sein kann – und ohne daß es zu tief im Menschen drinnen sitzt und ihm förmlich jeder Buchstabe einen Ritz macht in der menschlichen Wesenheit. Daß man in der richtigen Sphäre dasjenige drinnen hat, was das Seelisch-Geistige begreift, das ist es auch, worauf es ankommt. Niemals darf nach dem Maßstab geurteilt Werden, daß man sagt: Was soll das Kind so malen lernen, es braucht es ja nie im Leben! Das heißt: nur auf das Äußerliche sehen. Es braucht es nämlich ganz gewaltig,
Alles wat met de ziel te maken heeft, wordt beweeglijker. Misschien heb je door wat hier allemaal gevraagd wordt, om uit het schilderende tekenen, het tekenende schilderen het lezen te ontwikkelen, meer tijd nodig om het kind te leren lezen. Maar op de leeftijd waarop het er dan op aankomt, is het dan toch wel mogelijk het kind op een goede manier te leren lezen, zonder dat dit in zijn lijf, in de hele mens te vluchtig aankomt – zoals het ook kan zijn – en zonder dat het te diep in de mens aankomt en dat iedere letter meteen een kras maakt in het mensenwezen. Het komt er ook op aan dat je in de juiste gevoelssfeer dat hebt, wat het geest-zielenaspect begrijpt. Nooit mag volgens de maatstaf geoordeeld worden, dat je zegt: wat moet het kind nou leren schilderen, dat heeft het in zijn leven toch nooit nodig! D.w.z.: dat is alleen naar het uiterlijke kijken. Dat heeft het namelijk heel erg nodig,
blz. 114
und man muß eben schon etwas vom geistigen Menschenwesen verstehen, wenn man die Zusammenhänge, die für das Kind notwendig sind, verstehen will. Ebensowenig wie der Ausspruch «das verstehst du nicht»» gebraucht werden sollte, ebensowenig sollte jemals ein Skeptizismus bestehen über das, was das Kind braucht oder nicht. Was das Kind braucht, soll aus der Gesetzmäßigkeit der Menschennatur fließen. Fließt es da heraus, dann tut man instinktiv das Richtige. Dann ist man auch gar nicht trostlos, wenn das Kind einiges vergißt von dem, was es in sich aufgenommen hat. Denn die Dinge gehen dann über aus dem Wissen in das Können. Und das ist so wichtig, daß wir die Dinge später im Können haben. Wir werden sie nicht im Können haben, wenn wir mit Wissen überladen sind. Es ist notwendig, diese Dinge zu wissen und sie wirklich einzuführen in die pädagogische Praxis: daß man dem Gedächtnis nur so viel einverleibt, als eben von dem sozialen Leben gefordert wird – daß es keinen Sinn hat, das Gedächtnis zu überladen.Und da kommen wir dann auf diejenigen Fragen der Lebenspraxis, die sich vorzugsweise ergeben aus dem Verhältnis des einzelnen individuellen Menschen zu dem sozialen Wesen, das ringsherum ist, zu dem Volkswesen, dem sozialen Wesen der gesamten Menschheit usw. Denn da müssen wir auch durchaus darauf hinschauen, daß wir das Wesen der Menschennatur nicht verletzen, wenn wir die von außen herankommenden sozialen Forderungen in die Erziehungspraxis einführen wollen.
en je moet nu eenmaal iets van het geestelijke mensenwezen begrijpen, als je de samenhangen die voor het kind noodzakelijk zijn, wil begrijpen. Evenmin als de uitspraak: ‘Dat begrijp je niet’, gebruikt moet worden, net zo min moet er ooit sceptisch gedaan worden over wat een kind nodig heeft of niet. Wat het kind nodig heeft, moet uit de wetmatigheid van de mensennatuur komen. Als het daaruit komt, doe je instinctief het juiste. Dan ben je er ook niet zo somber over, als het kind wat vergeet van wat het geleerd heeft. Want de dingen gaan dan over van het weten in het kunnen. En het is zo belangrijk als we de dingen later als vaardigheid hebben. We krijgen ze niet als vaardigheid, wanneer we met kennis overladen zijn. Het is noodzakelijk deze dingen te weten en ze daadwerkelijk in de pedagogische praktijk in te voeren: dat je het geheugen slechts zoveel inprent als door het sociale leven gevraagd wordt – dat het geen zin heeft het geheugen te overladen. En dan komen we op die vragen uit de praktijk van het leven die vooral ontstaan uit de verhouding van de individuele mens tot het sociale dat overal om ons heen is, tot het wezen van het volk, het sociale wezen van de hele mensheid enz. Want daar moeten we beslist ook naar kijken, dat we het wezen van de menselijke natuur niet beschadigen, als we de van buiten komende sociale eisen in de opvoedingspraktijk willen invoeren. .
[1] GA 306 Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis
Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vele gaan over de vlucht naar Egypte en worden in de lagere klassen van de vrijescholen vaak verteld in de tijd rond driekoningen. Meestal is het in die klassen de hele maand januari nog ‘driekoningentijd’.
.
Uit de Abruzzo (Italië)
.
.
HET WONDER VAN DE MANTEL
.
Maria droeg haar Kindje in een plooi van haar mantel, zodat niemand het zou kunnen zien, want het gevaar om ontdekt te worden, was groot.
Behoedzaam hield ze de plooi met haar handen bij elkaar en vervolgde zonder angst haar weg, hopend dat vader Jozef die voor brood en eten wilde zorgen, haar weldra met het ezeltje zou inhalen. Ze liep en ze liep.
Toen zag ze schriftgeleerden van het hof van Herodes. Een sprak: ‘Mooie dame, wat draag je daar in die plooi?’ Maria schrok heel erg, ze kon toch niet gaan staan liegen en ze wist niet wat ze moest antwoorden; toen kwam schuchter over haar lippen: ‘Ik draag de heer van de wereld!’ Maar de schriftgeleerden verstonden: ‘Mijn heren, ik draag de spelt!’ [In het Duits heeft ‘Spelt’ veel weg van ‘Welt’ (wereld)].
“O zo, breng die dan maar gauw naar de molen, je hoeft niet lang te lopen!’ Maar, o wonder! uit de gevouwen plooi kwam geel koren tevoorschijn: rijpe spelt, zoals die toen voor het bakken van het brood werd gebruikt. Nu hoefden de heren niet langer iets te vragen. Een zei nog: ‘Pas goed op het koren, he! Je hoeft het hier langs de weg niet te zaaien!’, ze lachten en verdwenen.
Maar ook de spelt verdween en de Moeder kuste dankbaar haar Kindje en trok de plooi nog vaster om haar oogappel.
Ze liep verder en kwam opnieuw twee schriftgeleerden tegen: ‘Nou, wat voor moois draag je daar zo tegen je aan wat niet gezien mag worden?’ Maria echter antwoordde: een hemelse bos bloemen!’ ‘Dat is niets voor ons!’ zeiden ze en liepen verder. De madonna had de waarheid gesproken. Is Christus niet de heer van de wereld en de bloem van de hemel?
Het was een geluk en een wonder dat de schriftgeleerden het verkeerd verstaan hadden en niet om bloemen gaven.
Maar als ze nieuwsgierig in de plooi gekeken hadden, misschien had daarin dan echt een boeket bloemen gezeten.
Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
. Uit Vlaanderen
.
De leeuwerik
.
Toen eens de heilige familie onder een olijfboom uitrustte, vloog er een leeuwerik dichterbij, ging op een tak zitten ter hoogte van de Moeder Gods en begon met de helderste jubeltonen te zingen en te kwetteren.
Moeder Maria was echter van de zware tocht dodelijk moe geworden en ze voelde zich diep bedroefd, want de ononderbroken zorgen en voortdurende angst voor de achtervolging vergden veel van haar krachten. Vandaag kon ze het vrolijke gezang niet verdragen, het sneed door haar hart en maakte haar nog bedroefder. Ze keek naar het jubelende vogeltje op en vroeg hem mild: ‘Leeuwerikje, vlieg verder en zoek een ander plaatsje, mijn hart doet vandaag zo’n pijn als je zingt en kijk, mijn Kindje wil slapen!’ De leeuwerik echter luisterde niet naar wat de smekende moeder zei en kwinkeleerde een nieuw liedje. En nog een keer klaagde de Godsmoeder: ‘Ik ziet hier vol ellende en uit mijn ogen wellen de tranen op en jij zit maar praatjes te maken en te lachen terwijl ik zo bedroefd ben en je luistert niet naar wat ik je vraag. Zing je jubellied waar je ook maar wil, maar niet meer vanaf een hoge tak!’
Het leeuwerikje vloog op en steeg tierelierend in de lucht en zong en zong. Toen hij moe werd en weer naar de aarde zweefde, vond hij geen tak waarop hij kon gaan zitten rusten. Het vloog boven Maria’s hoofd en vroeg smekend kwinkelerend: ‘Ach allerliefste vrouw, nu je me de tak hebt ontnomen, geef me dan tenminste een korenhalm waarop ik kan rusten, ik zal het nooit meer doen, nooit meer doen! Maria wees op het korenveld: ‘Bouw daar je nest, ga daar zitten en zing!’
Sindsdien bouwt de leeuwerik midden in het vrije veld zijn nest en stijgt dan weer op de ladder van zijn zangnoten omhoog, naar de blauwe hemel – maar op een tak heeft niemand hem ooit weer zien zitten.
Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
. Uit Duitsland
.
.
het kuiltje in het ei
.
Het Kindje Jezus moest vaak wel erg honger lijden en zonder vol buikje in de armen van zijn moeder kruipen. Op hun lange, moeilijke tocht lukte het vader Jozef, ondanks al zijn inspanningen, niet steeds voedsel te bemachtigen dat hij en de zijnen heel erg nodig hadden, ook al maakte hij er lange omwegen voor.
Eens had hij van mensen die medelijden met hem hadden een ei gekregen. Nu kon Maria een beetje pap koken. Eerst nam ze met een lepeltje een klein hapje uit het bovenste stukje en gaf het aan het Kind om te proeven. En het smaakte zo heerlijk lekker dat de moeder voortaan nooit naliet, eerst bovenuit het ei het lekkere hapje te halen.
Sindsdien vind je in elk ei een klein holletje. Het stukje dat weg is, is precies het stukje dat lang geleden Maria het Kindje liet proeven.
De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat. Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]
Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten. De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.
.
Blz. 48 – 51 vert.
Op blz. 47 – vert. 47 -zegt Steiner:
Wenden wir daher zunächst einmal unseren Blick der äußeren Natur zu.
‘Laten we eerst een blik werpen op de zintuiglijke waarneembare natuur.
In de paar zinnen die volgen vat hij a.h.w. een groot deel van de 2e voordracht samen. Daarin ging het om de grote tegenstelling: voorstelling – wil.
In [2-2] werd de voorstelling beschouwd als een (herinnerings)beeld van iets wat geen realiteit meer heeft/is. Wat, m.a.w. bijv. niet meer aan te raken is; de haring op de poster met de foto van ‘een nieuwe haring =ze zijn er weer=’ vertoont nu een haring die er niet meer is. En zou die er nog zijn, dan zou die er nu heel anders uitzien.
Steiner wijst nu op een m.i. zeer belangrijk verschijnsel: als we van iets ‘uit de natuur’ wat willen weten, of alles willen weten, dan kan dat -, wanneer je tot in de details wil gaan – alleen als het betreffende ‘iets uit de natuur’ dood is. Stil ligt, te ontleden valt.
Steiner zegt het op blz. 48 – vert. 48 -nog niet zo absoluut:
Wenn wir der Natur so gegenüberstehen, daß wir ihr unsere Denkseite, unsere Vorstellungsseite zuwenden, dann fassen wir eigentlich von der Natur nur das auf, was in der Natur fortwährendes Sterben ist. Es ist dies ein außerordentlich gewichtiges Gesetz. Seien Sie sich ganz klar darüber: Wenn Sie noch so schöne Naturgesetze erfahren, die mit Hilfe des Verstandes, mit Hilfe der vorstellenden Kräfte gefunden sind, so beziehen sich diese Naturgesetze immer auf das, was in der Natur abstirbt.
Wanneer we ons met ons denken, onze voorstelling, richten op de natuur, dan worden we eigenlijk alleen dat van de natuur gewaar wat een voortdurend sterven is. Dit is een buitengewoon belangrijke wet. Laat dit heel duidelijk zijn: wanneer u natuurwetten – hoe prachtig ook – vindt, die met behulp van het verstand, van de voorstellingskracht zijn gevonden, dan hebben die natuurwetten altijd betrekking op hetgeen in de natuur afsterft. GA 293/48 Vertaald/48
Er staat ‘afsterft’, ik ben een stapje verder gegaan: (af)gestorven is. In de trant van ‘De anatomische les’ van Rembrandt.
Hoewel Steiner het niet noemt, is het duidelijk – tegen het licht van de 2e voordracht – dat het formuleren van natuurwetten – in hoge mate ‘definiëren’ is. Vastleggen, bepalen tot wat IS.
Hier hebben we m.i. een verband met het waarom Steiner in deze voordracht over Mayers wet spreekt. Die is erop uitgedraaid dat het accent is komen te liggen op BEHOUD, d.w.z. op wat IS.
Maar ‘het leven’ IS nooit. Leven ‘WORDT’, is een wordingsproces. Dit wordingsproces vind je niet wanneer je ontleedt – dat kan alleen als het leven eruit is, verdwenen is, dus bij de dood.
Dat is heel duidelijk in te voelen wanneer je bijv. de vier natuurrijken wil onderzoeken. De stenen laten zich gemakkelijk analyseren. Die zijn (al dood) en bestaan uit materie; die stoffelijkheid kun je volledig beschrijven.
Doe je dat met planten, dieren en mensen, dan kom je alleen iets te weten over hun materie. En daarvoor moeten ze dan ook dood zijn.
Wat een plant nog meer is, behalve materie, kom je alleen te weten, wanneer je deze laat leven en gaat waarnemen. Iedere dag, door de seizoenen heen. En met dit laatste hebben we de tijd erbij betrokken, moeten betrekken. En met de veranderingen die zich gedurende dit tijdsverloop met/in de plant voltrekken, komen we meer over de plant te weten dan het alleen bestuderen van de stoffen waaruit hij is opgebouwd. Hier komen wij bij Goethe uit, die als geen ander op de metamorfosen wees, die in de plant plaatsvinden.
Wat de leerstof betreft: in de plantkunde in klas 5, krijg je er ook mee te maken. In dit voorbeeld gaat het over ‘de’ paardenbloem, die nooit op enig ogenblik ‘de’ paardenbloem is, maar die alleen ‘is’ gedurende zijn verschijnen tot aan het verdwijnen. En dit noemen we ‘worden’, ontstaan en vergaan en de weg daartussen.
Iets dergelijks kan ook voor de andere natuurrijken: die van het dier en de mens, worden opgemerkt.
En met de blik op de pedagogie: op de ontwikkeling van kinderen: hoe verloopt deze door de tijd; welke metamorfosen vinden daar plaats.
Op diverse plaatsen in de pedagogische voordrachten heeft Steiner het over de gevolgen van ons pedagogisch handelen op jonge(re) leeftijd voor het latere leven. Dat wij die zouden moeten kunnen waarnemen.
Op zo’n gedachte kun je niet komen, wanneer ‘krachten’, zoals bij de interpretatie van de wet van Mayer, worden beschouwd in de ‘behoudende’ sfeer: er is geen verandering.
Iedereen die probeert bij het waarnemen van kinderen bijv. ‘het verloop in de tijd’ te volgen, weet dat hij dan gericht, met aandacht, volhardend, moet zijn. M.a.w. we richten ons dan met onze wil op de buitenwereld.
Etwas ganz anderes als diese Naturgesetze, die sich auf das Tote beziehen, erfährt der lebendige Wille, der keimhaft vorhanden ist, wenn er sich auf die Natur richtet.
Iets heel anders dan deze natuurwetten die betrekking hebben op het dode ervaart de levende wil, die als kiem aanwezig is, wanneer hij zich op de natuur richt. GA 293/48 Vertaald/48
Onder natuur moet m.i. hier worden verstaan: de levende natuur.
Was uns zunächst in den Sinnen, ganz im Umfange der zwölf Sinne, in Beziehung bringt zur Außenwelt, das ist nicht erkenntnismäßiger, sondern willensmäßiger Natur.
Wat ons via de zintuigen, en wel het gehele gebied van de twaalf zintuigen,0 verbindt met de buitenwereld is niet een kenproces, maar wilsmatig van aard. Dit inzicht heeft de mens van tegenwoordig eigenlijk geheel verloren. GA 293/48 Vertaald/48
Steiner gaat vervolgens in op wat ‘waarnemen’ is. Hij doet dit op vele plaatsen, in zijn boeken (o.a. GA 4Filosofie van de vrijheid) en in de voordrachten. In het kader van deze besprekingen wordt daaraan een apart artikel besteed (3-4-1, nog niet oproepbaar)
Eén ding is steeds heel duidelijk: waarnemen vraagt innerlijke activiteit; wakkere activiteit. Het lukt niet als we moe zijn. Het lukt niet als we ‘met onze gedachten elders’ zijn. Het lukt niet als we ‘te veel aan ons hoofd hebben’. Aandacht en volharding, doorzetten en volhouden, zijn o.a. sleutelwoorden. Ofwel: Ik-activiteit, resp. wil(skracht)
Blz. 49 vert. 49
Was für die Sinnesempfindungen am Auge und Ohr überall wichtig ist, das ist nicht so sehr das Passive; es ist das Aktive, das, was wir willentlich den Dingen entgegenbringen.
Wat voor de zintuiglijke waarnemingen in oog en oor bovenal belangrijk is, dat is niet zozeer het passieve als wel het actieve: dat wat wij vanuit de wil richten op de dingen. GA 293/49 Vertaald/49
Op blz. 49-50 – vert. 49-50 – vat Steiner, uitgebreider dan op blz. 49, de 2e voordracht nog eens samen, nu vooral met het oog op de natuur:
Der Mensch steht, indem er der Natur gegenübersteht, durch sein Verstandesmäßiges der Natur gegenüber und faßt dadurch alles das von ihr auf, was in ihr tot ist und eignet sich von diesem Toten Gesetze an. Was aber in der Natur aus dem Schoße des Toten sich erhebt, um zur Zukunft der Welt zu werden, das faßt der Mensch auf durch seinen ihm so unbestimmt erscheinenden Willen, der sich bis in die Sinne hinein erstreckt. Denken Sie sich, wie lebendig Ihnen Ihr Verhältnis zur Natur wird, wenn Sie das eben Gesagte ordentlich ins Auge fassen. Sie werden sich dann sagen: Wenn ich in die Natur hin- ausgehe, so glänzt mir entgegen Licht und Farbe; indem ich das Licht und seine Farben aufnehme, vereinige ich mit mir das von der Natur, was sie in die Zukunft hinübersendet, und indem ich dann in meine Stube zurückkehre und nachdenke über die Natur, Gesetze über sie ausspinne, da beschäftige ich mich mit dem, was in der Natur fortwährend stirbt. In der Natur ist fortwährendes Sterben und Werden miteinander verbunden. Daß wir das Sterben auffassen, rührt davon ber, daß wir in uns tragen das Spiegelbild unseres vorgeburtlichen Lebens, die Verstandeswelt, die Denkwelt, wodurch wir das der Natur zugrunde liegende Tote ins Auge fassen können. Und daß wir dasjenige, was in der Zukunft von der Natur da sein wird, ins Auge fassen können, rührt davon her, daß wir nicht nur unseren Verstand, unser Denkleben der Natur entgegenstellen, sondern daß wir ihr dasjenige entgegenstellen können, was in uns selbst willensartiger Natur ist.
De relatie van de mens tot de natuur is tweeledig. Door zijn verstand staat de mens tegenover de natuur en daardoor neemt hij alles op wat dood is in de natuur en maakt hij zich de wetten van dit dode eigen. Maar wat zich in de natuur uit de schoot van het dode opricht om toekomst van de wereld te worden, dat neemt de mens in zich op via zijn wil, die hem zo onduidelijk voorkomt; en die reikt tot in de zintuigen.
Denkt u zich eens in hoe levendig uw relatie tot de natuur wordt, wanneer u deze woorden werkelijk tot u laat doordringen. U zult dan zeggen: wanneer ik de natuur inga, word ik omgeven met de glans van licht en kleur; door het licht en de kleuren in mij op te nemen, verenig ik mij met het element van de natuur dat vooruit wijst naar de toekomst. Wanneer ik dan weer naar huis ga en thuis over de natuur nadenk en natuurwetten uitdenk, dan houd ik mij bezig met hetgeen er in de natuur voortdurend sterft. In de natuur zijn het sterven en het worden voortdurend met elkaar verbonden. Dat wij het sterven in ons op kunnen nemen, komt doordat wij het spiegelbeeld van ons leven voor de geboorte in ons dragen, de verstandswereld, de denkwereld, waardoor we het dode dat ten grondslag ligt aan de natuur kunnen begrijpen. En dat we kunnen waarnemen wat er van de natuur in de toekomst zal bestaan, komt doordat we niet alleen ons verstand, ons denken op de natuur richten, maar ook datgene wat in onszelf wilsmatig van aard is. GA 293/49 Vertaald/49
.
*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner
Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Apocrief
.
De bron
.
Er was nog een lange, lange weg te gaan met veel moeite en weinig vreugde, alvorens vader Jozef, Moeder en Kind gelukkig in het reddende Egypte aan zouden komen.
Het was een buitengewoon warme dag, zwoel en droog. Boven de woestijn zinderde de lucht en er was geen zuchtje wind ter verkoeling. Maar op de gestage vlucht voor de achtervolgende kindermoordenaars waagde Maria het niet om ook maar één dag ergens te blijven en ze moest ook op deze gloeiend hete dag voort en voortgaan. Haar tong kleefde aan haar gehemelte, haar adem ging zwaar en het Kind kreunde van dorst.
Toen ging de Moeder volkomen uitgeput op een steen zitten die daar eenzaam in het woestijnzand lag, droogde het zweet dat van haar afgutste en wuifde het Kind met haar sluiter wat lucht toe. Een kreun zwol uit haar borst op: ‘Water, water!’ Toen sprong het Jezuskind van haar schoot, bukte zich naar de aarde en boorde met zijn roze vingertje in het zand. En o! – daar spoot plotseling een frisse bron onder de gezegende hand van het kind omhoog en klaterde zilverachtig en vrolijk om de voeten van de Moeder. En ze dronk en vulde ook haar kalebas en aan alle kwellende dorst kwam een eind. Weer gesterkt en welgemoed trokken ze verder, de vallende avond tegemoet. En vader Jozef zong een lied, waarop je goed door kon lopen.
.
De tastzin zit niet alleen in de toppen van je vingers, maar in de huid van je hele lichaam. Door te leren omgaan met alle sensaties die via zijn huidje binnenkomen, leert een baby langzaam maar zeker ook zijn eigen lijfje kennen. Want dat een voorbijkomend handje bij hemzelf hoort, merkt hij pas als je het aanraakt.
En dat is nog maar het eerste beginnetje van het aftasten van waar zijn eigen lijfje ophoudt en waar de buitenwereld begint. Kindertherapeute Joyce Honing vertelt hoe je als ouder de ontwikkeling van dit unieke zintuig begeleidt.
Joris is net twee jaar geworden. Als je hem ziet, valt vooral zijn tamelijk grote, ongevormde koppie op. Aan dat hoofd bengelt een lijfje, waar hij erg onhandig mee is. Hij struikelt over zijn beentjes en als hij zijn beker melk van de tafel wil pakken, grijpt hij er naast. Kijkt hij je aan, dan zie je een verwonderde maar ook wat wantrouwige blik. Eigenlijk zou je hem het liefst een knuffel geven, maar zodra je naar voren komt, krijg je een krab over je wang. Het is alsof hij zich overbewust is van zijn koppie en het hem pijn doet als je hem daar dreigt aan te raken.
Spelletjes doen
Joris zit veel en is moeilijk in beweging te krijgen. Dat zijn beentjes onderdeel van zijn lichaam zijn waarmee hij van alles kan ondernemen en waarmee hij bijvoorbeeld ook voor zijn eigen veiligheid de grond onder zijn voeten kan aftasten, daarvan is hij zich nog niet bewust. Dat zal pas veranderen wanneer hij zijn lijfje beter heeft leren kennen. Daarvoor moet hij eerst zijn tastzin gaan ontwikkelen; het zintuig waarmee je je eigen lichamelijke grenzen gewaar wordt en dat overal in de huid aanwezig is. Bij Joris lijkt het alsof zijn hele lijfelijke gevoel voor de omgeving zich volledig heeft teruggetrokken in zijn hoofdje, dat overgevoelig is geworden voor iedere aanraking.
Joris draagt mooie, maar meestal te strakke kleren. Zelfs zijn schoenen zijn aan de kleine kant, wat hij zelf niet merkt en dus ook niet aangeeft. Het eerste wat ik de ouders vraag is om wat ruimere kleren voor hem te kopen, zodat hij zich meer uitgenodigd voelt zich te bewegen. Want we gaan met Joris veel spelletjes doen. Spelletjes waarbij vooral zijn voetjes en beentjes worden betrokken. Zo laat ik hem met zijn voetjes lekker in een bak warm en koud water zitten, in een bak met zand en met grind zodat hij al die verschillende gevoelssensaties kan opnemen en kan ervaren dat zijn voetjes bij hem horen en dat hij daarmee van alles kan aftasten.
We kijken ook naar zijn dagritme. Want ritme speelt eveneens een rol in het ontwikkelen van de tastzin. Als er sprake is van een duidelijke dagindeling, kan een kind bij wijze van spreken de vorm van de dag aftasten en zijn biologische klok daarop instellen. Joris’ ouders zijn enthousiast over het effect van deze benadering van hun zoontje. Zijn vader merkt op dat het lijkt alsof Joris veel dingen ineens beter begrijpt. Dat is niet zo verwonderlijk, want een kind dat heel wakker in zijn hoofdje is lijkt wel veel van de wereld om hem heen te begrijpen, maar pas wanneer hij tot in zijn tenen toe goed in zijn lijfje zit, kan hij ook met die wereld omgaan. Je voeten hebben vaste bodem onder zich nodig om de wereld in vertrouwen tegemoet te kunnen treden.
Knuffelen en aanraken
Je baby kon zijn eigen lijfje niet leren kennen zolang hij in de baarmoeder was. Dat proces komt pas op gang als hij door de geboorte vanuit het water de zwaartekracht wordt binnengeleid. Het is aan jou als ouder je baby de beleving van zijn lichaam te schenken en liefst zo dat je kind zich daarin welkom voelt. Het tastzintuig is daarbij je belangrijkste hulpmiddel. Alleen door voortdurend op een prettige manier te worden aangeraakt, krijgt het kind er gevoel voor dat zijn lijfje echt bij hem hoort. Een baby van een paar weken die ineens een handje voorbij ziet fladderen, weet nog niet dat dat handje aan hem vastzit. Pas wanneer jij het aanraakt, of wanneer dat handje toevallig tegen de spijlen van het bedje aankomt, wordt hij zich daarvan bewust.
Die tastzin, die over de huid van zijn hele lijfje is verspreid, wek je wanneer je je baby verzorgt, liefkoost, knuffelt, aait, hem onder zijn voetjes kriebelt, zijn teentjes pakt en spelletjes met hem doet, zoals ‘daar komt een muisje aangekropen’. Baby’s vinden het heerlijk om zo hun lijfje te voelen. Veel zuigelingen kruipen met hun hoofdje tegen het hoofdeinde van de wieg of liggen er overdwars in zodat hoofd en voetjes de zijkant raken. Het is alsof ze door die tegendruk voortdurend willen voelen waar hun lijfje begint en waar het eindigt.
In de alledaagse verzorging van je baby krijg je – zeker wanneer je daar oog voor hebt gekregen – voldoende gelegenheid hem op een natuurlijke manier met zijn lijfje te laten kennismaken. Met behulp van allerlei liedjes en spelletjes die ertoe uitnodigen beentjes, teentjes, bolletje, vingertjes, neusje en kinnetje van je kind aan te raken, kun je hem bovendien laten voelen dat er aan dat lijfje veel plezier valt te beleven.
Leert je kind door een behoedzaam proces van tasten en voelen zijn lijfje kennen, dan zal hij zich daarin ook geborgen voelen. Dat is geen kwestie van een paar maanden, maar van jaren. Als zo rond de basisschoolleeftijd het bewustzijn voor het lichaam als een veilig huisje is ontstaan, zal je kind daarmee op eigen benen kunnen staan. Dan zal de integriteit van zijn lichaam ook niet meer zo makkelijk kunnen worden verstoord, want een kind dat goed in zijn velletje zit, kan de indrukken die hij opdoet ook verwerken.
Te open en kwetsbaar
Als je kind echter erg gevoelig en open is voor indrukken van buitenaf, zal het hem moeilijk vallen zich goed in zijn lijfje thuis te voelen. Dan is extra aandacht voor de tastzin nodig om je kind te helpen zich beter te leren beschermen tegen die prikkels die door zijn dunne huidje zo direct en krachtig bij hem binnen komen. Zoals bij Boas.
Boas is een snoezig ventje van drie. Hij heeft een teer wit huidje en grote donkerblauwe ogen. Hij hoort, ziet en ruikt alles. Wanneer een nieuw kindje bij me op consult komt, maak ik me altijd even wat kleiner door op mijn hurken te zitten terwijl ik hem begroet. Maar Boas draait meteen zijn schouder weg en wendt zich van mij af. Hij schrikt van een aanraking. Dat is voor mij het signaal dat ik dit kind heel behoedzaam moet benaderen. Ik krijg de indruk dat hij vooral van voren erg open en kwetsbaar is. Ik ga opzij van hem staan. Dat bevalt hem beter. Hij is als een klein krabbetje dat alles liefst behoedzaam zijdelings benadert.
De moeder van Boas is bezorgd omdat haar kind bang is en slecht slaapt. Zelf weet ze heel goed wat angst is en ze is zich ervan bewust dat dat niet de beste basis is om Boas daartegen te beschermen. Juist daarom geeft ze hem nog steeds de extra koestering van borstvoeding. ’s Nachts mag Boas bij zijn ouders in bed liggen en zijn moeder aait hem iedere avond, vaak wel anderhalf uur lang, in slaap. Wat zij zo in al haar zorgzaamheid doet, is hem weer een beetje opnemen in haar eigen lichaam. Maar daarmee ontneemt ze Boas de mogelijkheid de grenzen van zijn eigen lijfje te beleven en te ontdekken dat zijn lichaam een afgesloten geheel is dat alleen bij hem hoort. En dat heeft hij juist zo hard nodig. Want als je je niet durft terug te trekken in je eigen lichaam, omdat dat te open en onveilig is, durf je ook niet in slaap te vallen. Eigenlijk vraagt Boas van zijn ouders het tegenovergestelde van wat ze doen. Hij wil dat ze hem zeggen: daar is jouw bedje, daar is het goed en warm, daar kun jij met jezelf veilig alleen zijn en wij zullen je helpen om je dat te laten voelen.
Inwrijven met huidolie
In een situatie als die van Boas, maar ook wanneer je merkt dat je pasgeboren baby erg schrikachtig reageert op geluiden en bewegingen of wanneer je kleuter snel van de kaart is van verjaardagen of andere veranderingen in het gewone dagritme, kun je je kind helpen door hem iedere ochtend en avond van top tot teen in te wrijven met een verwarmende olie, zoals Calendula Babyolie* of Lavendel Huidolie*. Eigenlijk kun je in alle situaties waarin je kind extra bescherming tegen indrukken nodig heeft hem gedurende korte of wat langere tijd inwrijven.
Je doet daarmee twee heilzame dingen. Door zijn buik, zijn rug, zijn knieholten zijn teentjes, ieder plekje van zijn lijfje ( olie in te wrijven, trek je hem als het ware een precies passend extra jasje aan, waardoor hij ook na de inwrijving nog de periferie van zijn huidje voelt. Door tijd te nemen en aandacht te hebben voor het lichaam van je kind laat je hem bovendien merken: jouw lijfje is het waard door mij lekker warm te worden gemaakt als je dat zelf nog niet zo goed kunt. Want alleen als je lijfje warm is en je voetjes warm zijn kun je je daarin veilig voelen.
Een dagelijkse en vanzelfsprekende confrontatie met zijn lijfje krijgt je kind natuurlijk door knuffelen, koesteren en strelen. Maar een overmaat aan knuffelen, zoals bij Boas, leidt er niet toe dat je kind extra goed in zijn lijfje komt. Bij te veel en te intens knuffelen kun je juist weer voorbij gaan aan het gevoel dat je kind begint op te bouwen voor zijn eigen lichamelijke grenzen. Als het goed is komt je kind als hij wat groter wordt vanzelf zijn knuffeltjes halen op de momenten dat hij dat nodig heeft en springt hij, zodra dat voor hem genoeg is geweest, weer van je schoot af om verder te spelen. Natuurlijk knuffel je je kind omdat het je zo dierbaar is, maar uiteindelijk zal je eigen behoefte daaraan ondergeschikt moeten zijn aan wat je kind op dat gebied nodig heeft. Hetzelfde geldt voor kusjes geven. Als je kind weigert om tante, oma of buurvrouw een kusje te geven, dan verdient hij het daarin gerespecteerd te worden. Een goed ontwikkelde tastzin leidt er ten slotte ook toe dat je een gezond onderscheid gaat maken tussen wat wel en niet bij jou past, kortom dat je je eigen grenzen en die van anderen respecteert.
.
Joyce Honing en Petra Weeda, Weleda Puur Kind, lente 2002 nr.9
Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
. Uit Bohemen
.
.
De morenkleur
.
Maria en Jozef hadden de woestijn bereikt. Ze trokken met het kind verder in het beschermende donker van de nacht en hielden zich als het licht werd, schuil achter rotsen of in het struikgewas.
Daar ze overdag door deze onderbrekingen veel tijd verloren en maar een klein beetje verder kwamen, want ’s nachts kon er door de vele inspanningen maar langzaam worden gereisd, moest Jozef ook de lichte dag gebruiken. Dat bracht de vluchtelingen nieuwe angst en zorgen: in deze streken van de woestijn waar ze doorheen kwamen, woonden mensen die een donkere huidskleur hadden en die de zwarte moren werden genoemd. De moeder en het kind zouden overal aan hun vage, sneeuwblanke huidskleur herkend worden, hoewel Maria haar manteldoek dicht om het kind heenwikkelde en het oplichten van haar eigen gelaat beschermend verborg in de plooien. Ze was heel bang voor haar kind – echte een bange moeder – en ze richtte haar biddende hart tot God, dat Hij hen toch niet zou verlaten, hen voor de vervolging zou beschermen.
De hemel verhoorde het smekende gebed – en zie – toen Jozef de volgende morgen wakker werd en brandhout aansleepte om een vuurtje te maken en de bosjes inliep om Maria met een morgenkus te begroeten, schrok hij zich bijna dood, want hem lachte een gezicht tegen dat bijna zo donker was als ebbenhout en het kind was gedurende de nacht veranderd in een morenkind zo zwart als het kolenzwart van de raaf. De man leidde zijn lieve vrouw naar een bron waarin ze zich kon spiegelen en zou weten hoe ze er uitzag. Maria begreep de goedgunstige almacht die over hen was gekomen en een glimlach krulde om haar lieve lippen.
Zo gelukte het om ondanks de hardnekkige achtervolgingen het verre Egypte te bereiken, waar ze bleven tot de dood van Herodes, de kindermoordenaar.
Op een dag echter, haalde een engel Maria en het kind weer terug naar hun geboorteland. En net zo snel als hun huid zwart was gekleurd, werd die nu weer zo blank als tevoren en bloeide de rozerode appelkleur op de marsepeinwangetjes van het kind.
Maar vrome mensen vereren nog altijd in vele landen en op allerlei plaatsen de zwarte Moeder Gods.
Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Apocrief.
.
.
HET EERBETOON VAN DE DIEREN
.
Bij het vertrek uit Bethlehem, zo wordt in de apocriefen verteld, werd de heilige familie in het begin vergezeld door drie jongens die zich eveneens wilden redden door te vluchten en die zich aangesloten hadden bij vader Jozef. Ook Salome, een meisje, begeleidde Maria en diende haar vol verering. Ze hadden een wagen bij zich die door twee ossen werd getrokken en daarop lagen hun spullen en een ezel waarop de moeder Gods reed en een paar lammeren. Zo waren ze in de prille morgen vertrokken.
Ze kwamen in de buurt van een grot; daar gleed Maria gratieus van haar rijdier en ging op een steen zitten die als een soort zitbank langs de weg lag en ze hield het Jezuskind op schoot. Jozef echter, ging de grot binnen om te onderzoeken of deze geschikt was om hen te herbergen. Maar uit de donkere spelonk stormden vier reusachtige draken naar voren, vreselijk om te zien. Uit hun afgrijselijke bekken siste een dampende adem met giftig-rode slierten, zodat de bloemen op het veld levenloos knakten. Ze spreidden dreigend hun enorme, scherp getande vleugels uit boven hun stekelige lijven en staken hun klauwen met de angstaanjagende nagels naar voren.
De jongens gaven een gil van schrik, zelfs Jozef wankelde geschrokken achteruit en Maria en het meisje stonden van schrik aan de grond genageld.
Het kindje Jezus echter gleed van zijn moeders schoot en stond onverhoeds op eigen benen, zonder angst, onbezorgd voor de draken. En deze lieten hun koppen zakken met een vererende deemoedigheid, hielden hun giftige adem in en vouwden de geheven vleugels tegen hun lichaam, trokken de klauwen in en gingen als tamme honden voor het kind liggen. En ze tilden hun koppen driemaal op als wilden ze hun meester erkennen.
Toen slopen ze als getemd weg. Het kind echter ging voor hen staan en gebood hun dat ze geen mens kwaad zouden doen.
Jozef en Maria waren heel bang dat hun kind door de monsters toch nog pijn gedaan zou worden. Maar het kind troostte hen: ‘Wees niet bang voor mijn schepselen en denk niet dat ik een zwak kind ben! Ik ben de Heer en voor mij zullen alle dieren tam zijn!’
Toen braken er in het bos twijgen, takken bogen, het struikgewas week vaneen en daar kwamen van alle kanten de dieren uit het woud aan. Uit de palmbomen klauterden de apen nieuwsgierig naar beneden. Uit de dichte struiken renden leeuwen en panters en wilde katten slopen uit de bosjes. De olifanten trompetterden luid en uit de waterstroom kwamen de logge nijlpaarden en de krokodillen. En ze kwamen stilletjes aan en begroetten het kind door hun voorpoot op te tillen en in zijn handje te leggen of, zoals deemoedig de leeuw, de koning van de wildernis, door de uitgestoken handjes van het kind te likken. Er kwamen beren en wolven, de hyena en de luipaard. Ook de tamme dieren verschenen, met hun bulten, kameel en dromedaris en de lama, die wel oppaste om niet te gaan spugen, zoals zijn vervelende gewoonte is en ze gingen allemaal rondom het kind staan dat zonder angst en schroom zich tussen hen bewoog en het streelde de dieren, krabde ze achter de oren, wat ze ook nu nog zo fijn vinden. Toen week pas de schrikbarende angst bij de liefste moeder die nog nooit wilde dieren had gezien. Haar hart raakte de vrees kwijt en klopte weer rustig.
Toen Jozef eindelijk aanstalten maakte om weer verder te gaan, gingen alle dieren mee om hen uitgeleide te doen. De leeuwen liepen eendrachtig met de ezel, de panters met de ossen die de kar trokken en de wolven samen met de lammeren op hetzelfde stuk van het veld. Het kindje Jezus echter reed een stuk van de weg op de rug van een hert en hield zich vast aan het gewei. En een grote schare van alle mogelijke vogels vloog boven hen als koor dat een lofzang zingt en ze maakten liefelijke muziek en jubileerden en prezen de heer die onder hen liep.
Maar toen het avond werd nam het Jezuskind afscheid van al zijn brave begeleiders en zei hun goede nacht en vaarwel. Toen verhieven ze luid hun stemmen als een laatste groet en wensten hun een goede reis en trokken als paar of met z’n drieën of alleen het bos in en zochten hun schuilplaatsen op.
. [14-1] Het vreemde kind Fr.Pocci: Een verhaal uit Italië Arm kind klopt aan de deur bij arme mensen. Het krijgt onderdak. Het blijkt het christuskind te zijn. Hij plant een dennentak. Die wordt een boom: de kerstboom. V.a. 5 jr. Voorleestijd: 3 min.
[14-2]De herders Ruth Sawyer : Over Lucifer en Michaël; Lucifer brengt onrust in de hemel; Lucifer verbannen naar de aarde: Satan; God besluit om Zijn Zoon naar de aarde te zenden; de herders uitverkoren; Michaël komt de herders te hulp; Michaël verslaat de Satan; de herders gaan naar Bethlehem en zingen een lied. Vanaf 10 jr. Voorleestijd 20 min.
[14-3] De heilige nacht Christel Sprengel. Naar een Duits verhaal. Maria vindt bij de mensen geen onderdak; bij de dieren op een boerderij wel; een broertje en een zusje zijn alleen thuis en wachten op hun moeder; die wil en kan geen Kerstmis vieren; os en ezel brengen de kinderen naar de stal; alle dieren komen; daar vieren de kinderen kerst. V.a. 6 jr. Voorleestijd 5 min.
[14-4] De belofte van de harpspeler Het prachtige verhaal van de harpspeler die aan zijn gezin belooft met Kerstmis thuis te zijn. Alle leeftijden. Voorleestijd 10 min.
0-0-0
[14-5] Legenden uit het jonge leven van Jezus
Er bestaan veel verhalen over het kindje Jezus. Ze staan te boek als: ‘Jezuslegenden, christuslegenden, christussprookjes’. Als het alleen om Maria gaat, is er sprake van ‘Marialegende’.
Ze spelen zich af tussen geboorte en de vlucht naar Egypte en gaan soms nog over de latere jaren. Hier is een selectie gemaakt, waarbij niet de legenden zijn genomen die in ‘Immanuël’ van Jakob Streit verteld worden.
Om het zoeken naar de inhoud iets te vergemakkelijken, heb ik afkortingen gebruikt: M=Marialegende G=rondom geboorte V=vlucht D=daarna
[14-5/2] De nachtegaal De nachtegaal zingt het Kindje in slaap en mag daardoor voor altijd zijn mooie zang blijven laten klinken. (G)
[14-5/3] Het winterkoninkje Hij helpt de grote Koning en mag zich nu ‘kleine koning’ noemen. (G)
[14-5/4] Over het ezeltje dat Maria en het Kind droeg Op de vlucht toont de ezel zijn dapperheid. Het kruis op zijn rug is zijn beloning (uitgebreidere versie dan bij Streit) (V)
[14-5/5] Het eerbetoon van de dieren Vele dieren – wilde, tamme, grote, kleine – brengen het kind een groet. (V)
[14-5/6] De morenkleur Waarom er ook een donker getinte moeder Maria wordt aanbeden. (V)
[14-5/7] De bron Een plotseling aanwezige bron brengt redding. (V)
[14-5/19] De sprekende dieren Waarom de dieren elkaar in de kerstnacht kunnen verstaan (G)
[14-5/20] Het glimwormpje Waarom dit kevertje ‘glimwormpje’ heet. (G)
[14-5/21] De sprinkhaan Hoe de sprinkhaan er kwam. (G)
[14-5/22] De rozen met kerst Waarom er met Kerstmis witte en rozerode rozen zijn. (G)
[14-5/23] De herderslegende Hoe Jozef voor het Kindje vuur haalde in de kap van zijn jas (G)
[14-5/24] De roos van Jericho Aan het eind van de vlucht dank Maria op haar knie\én de hemel die haar zo had bijgestaan. Op die plaats begon een roos te groeien. (V)
0-0-0
[14-6] De kerstroos Pieter HA Witvliet: Verhaal van Selma Lagerlof over: waar de kerstroos vandaan komt en hoe hij zijn naam kreeg. Ingekorte versie. Vanaf 8 jr. Voorleestijd: 20 min.
[14-7] De dieren van Bethlehem Tibor Déry?: Aandoenlijk, humoristisch verhaal over de os en de ezel die op hun manier voor het Kind willen zorgen. Vanaf 7jr. Voorleestijd: 23 min.
[14-8] Lichte sneeuwval, windstil weer Hans Bütow? Oude schrijver gaat naar kerstdienst in de kerk. Waarom weet hij zelf eigenlijk niet. Bij thuiskomst zit er een vreemdeling in zijn huis. Waarom waarschuwt hij de politie niet? Vanaf 12 jr. Voorleestijd 20 min.
[14-9] Waar liefde is daar is ook God Leo Tolstoi: Schoenmaker Awdeitsch wacht op Christus. Die komt ook, maar heel anders dan Awdeitsch zich had voorgesteld. Vanaf 7 jr. Voorleestijd 35 min
[14-10] De ongelukkige waskaars D. Udo de Haes: Een waskaars in een la, verguisd en geminacht, helpt het licht onder de mensen te verspreiden. Vanaf 7 jr. Voorleestijd 28 min.
[14-11] De fluit van de herdersjongen Een herdersjongen krijgt een fluit om die als geschenk aan het Kindje Jezus te geven. Op weg naar de stal gebeurt er met de fluit van alles, waardoor deze steeds meer tonen verliest. Bij het Kind gekomen…o, wonder! Vanaf 5 jr. Voorleestijd 9 min.
[14-12] De geluksroebel Nikolaj Leskov: Een jongen krijgt een geluksroebel.Je kan er alles voor kopen en je geeft hem toch niet uit. Maar er zijn wel dingen die je niet moet doen, dan raak je hem kwijt. Wat doet deze jongen en wat leert hij? Vanaf 9 jr. Voorleestijd 25 min.
Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Uit Wallonië. *aangepast (phaw)
.
.
OVER HET EZELTJE DAT MARIA EN HET KIND DROEG
.
Koning Herodes, de wrede tiran, had zijn soldaten er met speren en zwaarden op uitgestuurd en daarmee moesten alle jongetjes, niet alleen die pas geboren waren, maar ook die nog geen twee jaar waren, worden omgebracht.
Want de boodschap dat Christus was geboren, had zich als een lopend vuurtje door het land verspreid en was ook koning Herodes ter ore gekomen. In grote paniek riep hij zijn ministers en zijn geleerde raadsheren bijeen en achter gesloten deuren sprak hij met hen. De overbrengers van de boodachap hadden hem gezegd dat men het pasgeboren kind de ‘koning van de koningen’ noemden en als ‘heer van de hemelse engelen’ begroet en dat zelfs uit de uithoeken van de aarde vorsten en wijzen waren gekomen om het koninklijke kind te eren. De koning maakte zich ernstig zorgen om zijn kroon en om zijn geluk en daarom had hij het bevel gegeven voor de verschrikkelijke kindermoord.
Over het land klonk één groot weeklagen van de moeders, zoals dat nog nooit was vernomen en tegen de bergen weerklonk de klagende echo tot in de hemel.
En de heilige drie personen moesten in allerijl de gezegende geboorteplaats verlaten. Een ver land, buiten het machtsgebied van de koning gelegen, zou het doel van hun vlucht zijn. Maar de weg daarheen was vol moeilijkheden. Hij leidde over ruige, torenhoge gebergten en over onstuimig stromende rivieren en door de eindeloze woestijn met alleen maar zand en verlatenheid, hitte en kou tegelijkertijd. Op hun zwakke voeten zouden de vluhtelingen nooit en te nimmer die lange, lange weg kunnen afleggen. Er moest hulp worden gevonden.
Jozef, de vader, ging naar het paard en vroeg met zijn vriendelijkste woorden, of hij de godsmoeder en het kind op zijn rug wilde nemen en snel met hen ervan door te gaan. Maar het paard had er geen oren naar, het deed alsof het de vraag niet hoorde en trok gezapig de halmen uit de voederbak. Toen kwam Maria haar man te huolp en smeekte, zeggend dat ze vervolgd werden en dat alleen het snelste paard hen voor de woede van Herodes zou kunnen redden. Maar het paard draaide nauwelijks zijn kop om, keek een beetje scheel naar de smekende vrouw en ging weer verder met zijn haver en vermaalde die genoeglijk tussen zijn tanden. *
Maria en Jozef keken elkaar in de bedoeffde ogen en dachten erover wat ze zouden kunnen doen. Toen liepen ze naar het ezeltje en vroegen het aan hem. Hij spitste zijn lange oren, zodat hij goed kon luisteren en hoewel hij nog niet veel van rijden wist, zei hij meteen met vreugde ‘j-jah en liet zijn karige maaltijd in de steek, hoewel hij nog helemaal niet genoeg gegeten had; je zag overal zijn ribben door zijn huid, je kon ze wel tellen. Maar hij nam Maria en het kind geduldig op zijn rug en toen ze in het duister van de nacht de stad uitreden, balkte hij van vreugde dat hij nu als een paard een rijdier mocht zijn.
Ze trokken weg: voorop liep vader Jozef, blootshoofds in zijn oude jas met capuchon en hij droeg aan zijn lange stok een zak met gereedschap. In zijn hand hield hij ook nog een oude, bijna kapotte stallantaarn om de weg te vinden en op de maat van zijn vermoeide stappen, prevelde hij een gebed. Het leidsel waar het lastdier aan liep, had hij aan de gordel van zijn mantel geiknoopt.
De moeder in haar wijde blauwe mantel, zat op de ezel, nee als een koningin op een troon zo mooi rechtop zat ze en het kind hield ze in de zachte koestering van haar armen, boog het hoofd naar hem en sprak het liefkozend toe met de liefste woordjes. Zo trokken ze weg.
Op de lange reis echter raakte de rug van de ezel door het slechte zadel gewond. Vliegen kwamen in zwermen op de bloedige wond af. Niemand wist raad of kon helpen. Maar vol geduld droeg de ezel zijn last en verdroeg de pijn en klaagde niet als het voedsel karig was of er niet was. Soms af en toe kreunde hij een beetje voor zich uit: Ach-i-jah!.
Ze kwamen bij een oase en daar stond bij een boom een muildier dat voedsel in overvloed had: een hele zak vol die over zijn halster lag. ‘Geef onze arme ezel een beetje van je overvloed’, kreeg hij als vraag. ‘Heb zelf niet genoeg!’, mompelde het muildier. ‘Ga dan in Gods naam met ons mee en draag deze vrouw en haar kind een poosje tot de wond van de ezel is genezen.’ ‘Om Gods wil, draag jullie last zelf maar. Een ezel is een ezel!’ Ja, dat was het antwoord van het muildier.
God hoorde het echter en zag hoe verlaten de Zijnen waren. Hij nam hem zijn zegen af. Tot vandaag de dag kan het muildier geen jongen krijgen.
De heilige drie moesten, zoals ze gekomen waren, de harde reis weer aanvaarden.
Maria had het kindje de borst gegeven en een druppeltje van haar moedermelk was naar beneden gedropen, precies op de wond van de ezel die leed, maar niet klaagde. De bloedige wond sloot zich ter plekke en was heel en gezond. Toen dankte vader Jozef God in de hemel en bad en maakte het teken van het kruis – en zie – het kruisteken viel neer op de rug van de ezel en bleef daar op zijn vel staan als een groot donker teken dat van ezel tot ezel bleef bestaan en dat beschermt tegen gevaar.
De hele tijd door is de ezel geduldig en bescheiden gebleven. Op zijn reis door de woestijn leerde hij genoegen nemen met distels en karige kost en het smaakte hem beter dan het paard de beste haver.
In zijn bescheidenheid is hem het harde leven niet te zwaar geworden en zo heeft hij het in de wereld ver gebracht en is er trots op wanneer men een dom mens ‘ezel’ noemt.
Hij weet wel beter wat een echte ezel is.
Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
. Uit Frankrijk, aangepast (phaw) .
OVER HET WINTERKONINKJE
.
Het winterkoninkje is een van de schepseltjes die men in het hele land ‘Gods lievelingsdieren’ noemt.
Het winterkoninkje sliep in de kerstnacht in zijn piepkleine nest. Toen hoorde hij van ver weg, zo half in een droom, een stem die vertelde dat deze nacht het Jezuskind op aarde was gekomen en in Bethlehem in de stal in een houten kribje lag.
Toen sprong de winterkoning met één sprongetje uit de veren, strekte een paar keer zijn vleugels en ging ogenblikkelijk op reis. Snel als de wind kwam hij aangevlogen, vond de stal en het kind, ging op de rand van het kribje zitten, maakte buiginkjes en kwetterde een echt zondagsliedje als welkomsmelodie voor het liefelijke kind.
Nu zag het winterkoninkje echter hoe ellendig en armoedig het harde strobed in de kribbe was en hij zong snel zijn liedje uit, haastte zich de deur uit en was weg. Uit het bos droeg hij in zijn kleine snavel ijverig zacht mos op een hoopje en uit zijn eigen nest haalde hij de mooiste donsveertjes om voor het pasgeboren kind een zacht bedje te maken.
Toen het kleine vogeltje onderweg was, kroop een dikke spin uit een oude balk, spon een dunne webdraad en maakte een web, vlak boven het gezichtje van het kind. De moeder schrok en veegde de draden weg, want ze was bang dat die in zijn oogjes zouden komen en hem pijn doen. Maar de spin vond dat niet erg en begon meteen opnieuw met het spinnen van haar draden en snel had ze een fijn netwerk klaar dat als een sluier over het gezicht van het kindje lag.
Dat zag het winterkoninkje dat net met een plukje donsveren aangekomen was en dat hij in het kripje wilde stoppen.
==het legende gaat zo verder dat het winterkoninkje de spin opvreet. Er zijn meer van dergelijke situaties in deze christus- of jezuslegenden. Ik heb die stukjes altijd aangepast naar iets positiefs: ik wilde bij de kinderen niet de indruk wekken dat dieren om wat voor reden dan ook, veroordeeld zouden worden of slecht gevonden. (Zodat je ze rustig dood kan maken?). In deze legende laat ik het zo aflopen:==
De spin was niet bang van het winterkoninkje en maakte haar web af dat nu als een heel teer en zijden weefsel de kou tegenhield, zodat het kind geen bevroren wangetjes zou krijgen. Maria zag het en was blij en zij dankte de beide helpers. Omdat het winterkoninkje de Koning van de wereld zo had geholpen in deze bittere winterkou, mocht hij voortaan ook de naam ‘koning’ dragen. Winterkoning. Maar omdat hij zo klein en lief is, noemen de mensen hem liefkozend ‘winterkoninkje’. De spinnen maken nog altijd de prachtigste kleedjes die van zilver lijken als ze ’s morgens met dauw bedekt door het ochtendzonnelicht worden beschenen.