VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van Jezus (14-5/2)

.
Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Uit Malta.
.

DE NACHTEGAAL
.

Uit de stille hut klonk het lied van Maria. Het was haar nooit teveel om het Jezuskind in slaap te wiegen. Ze zong over de engelen en over de hemel, over God de vader, over de schoonheid van de wereld en over de naderende lente. Zij vertelde hem over de liefde en over het leed. Als een zacht luiden van klokken kwam het over haar lippen en steeds zachter en stiller klonk de melodie, tot het kindje sliep.
Maar op een dag kwamen de klanken nog maar met moeite uit Maria’s keel en klonken gebroken. Ze had nachten lang gezongen, haar keel deed pijn en het lukte haar niet het kind de slaap te brengen, hoeveel moeite ze ook deed en zacht het kribje wiegde, zoals sindsdien alle moeders met een wiegje doen.

Toen klonk er plotseling uit een hoekje waar de grote dakbalken en het dak bij elkaar komen, gezang. Daarboven zat een kleine vogel. Die had heimelijk naar alle liedjes van de moeder Gods geluisterd waarmee zij het kindje in slaap wiegde. Nu fladderde het vogeltje naar beneden en ging op de schouder van Maria zitten en begon te zingen en te jubileren, zo mooi, zo fijn, dat je het eigenlijk niet kan beschrijven. En snel en rustig waren de oogjes van het kind toegevallen, alsof zijn moeder hem in slaap had gezongen.

Nu zweeg het vogeltje en legde zijn kleine snavel achter het roze oor van Maria, alsof hij haar een kus wilde geven. Toen wilde hij opvliegen. Maria streelde hem over zijn bruinige, zijden veertjes: ‘Klein vogelhartje!’ fluisterde ze, ‘vanaf nu draag je mijn stem in je en je kent al mijn liedjes en je zal ze nooit vergeten, zodat je de mensen kan vertellen van verdriet en blijdschap en van het verlangen naar vrede en geluk. Klokjes en zilveren klanken zullen in je kleine keel wonen, jubel en juichen, welluidende trillers. Vlieg en zing!

En vanaf dit uur zingt de nachtegaal met de goddelijke stem van Maria. ’s Avonds, als de tijd aangebroken is waarop men de kinderen in een zachte sluimer wiegt, zit hij in de struiken en kwinkeleert, jubelt, zingt, lacht en huilt. Dan vallen bij de kleine kinderen de oogjes dicht, bij de grotere kinderen komen de mooie gedachten en de verliefden kussen elkaar als ze de liederen van de mariavogel horen. En het water stroomt kalmer, vogels en dieren luisteren en zelfs de bomen houden hun geritsel in. En alles en iedereen wiegt het vogellied in slaap en brengt de droom. Ja, zelfs die stervende zijn gaan gemakkelijker naar hemelse huis, zo prachtig kan de nachtegaal zingen.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit, waarin deze legende in kortere vorm is opgenomen.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

1781-1669

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (13)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Pieter HA Witvliet

NIKKIE EN SANNE GAAN NAAR DE MARKT

Satomi Ichikawa laat broer en zus Nikkie en Sanne kennis maken met de wereld om hen heen. In hun kielzog hun kleine broertje Ta-taj. Nikkie en Sanne mogen voor het eerst, alleen, naar de markt om inkopen te doen. Uiteraard valt er veel te leren: hoe alles heet: bij de groentenkraam, bij de visboer, bij de fruitkoopman, bij de mandenmaker die ook speelgoed verkoopt.
De mooi verzorgde, kleurrijke tekeningen van Harriet Laurey laten niet alleen zien wat er te koop is, maar op de bladzijde ernaast, waar alles vandaan komt.

‘Sanne mag de bloemen voor mama uitkiezen. Ze moeten een goudgeel hartje hebben, vindt Sanne. En een kransje van blaadjes eromheen. Net als de bloemen die ze zelf altijd tekent. Ze kijkt en kijkt, en kiest een grote bos margrieten. En dan vraagt ze aan de bloemenvrouw: ‘Vertel nog eens van toen u klein was?’

Opnieuw van de schrijfster een boek dat je vele fijne uren! zal geven met het kind aan wie je voorleest of vertelt.

3-8 jr

Boek: Bij de uitgever uitverkocht, maar de moeite waard om er de 2e-hands markt voor af te struinen. Soms, zoals nu: 26-12-18, staat het te koop.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1780-1668

.

.

VRIJESCHOOL – Legende uit het leven van het kindje Jezus (14-5/1)

.
Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
.
Uit de apocriefen
.

Het feestelijke werelduur
.

Tegen het uur dat Jezus, het christuskind, in een grot het licht van de wereld zou aanschouwen, ging de heilige Jozef, de aardse metgezel van de goddelijke moeder, op pad om een barmhartig mens te zoeken die in deze nacht de moeder Gods met zijn hulp zou kunnen bijstaan. Jozef haastte zich over de heide en toen hij daar zo liep, viel er plotseling een onverklaarbare stilte over de wereld.
Hij bleef staan en keek omhoog naar de verre hemel en zag boven zich dat het gesternte opeens stilstond. De voortgaande sterren en planeten hielden hun gang in op hun weg die door God was voorbestemd, de vallende sterren vielen niet naar de aarde en de maan bleef zilverwit bewegingsloos hangen op zijn plaats aan het firmament. De vleugels van de vliegende vogels bleven als verlamd in één houding en zij zweefden – alsof Gods hand ze vasthield – op één plaats.

Toen Jozef vol verbazing weer voor zich keek, ontwaardde hij een groep herders die op de grond rond een etensschotel lagen om te eten. Maar hun handen bewogen niet en hielden de rand van de schotel vast: wie zijn voedsel aan het kauwen was, kauwde niet meer, wie iets wilde pakken, pakte niet meer en wie een stukje in zijn mond wilde stoppen, deed dat niet, maar allen blikten ze naar de hemel.
Er werden schapen opgedreven en ze bleven zomaar, zonder bevel, staan en de herder hief zijn stok op om ze verder te laten gaan, maar zijn arm werd stijf en de stok raakte de schapen niet aan en bij de honden stokte hun geblaf in de keel.

Aan de oever van de stroom stonden dieren om te drinken. Maar het stromende water stroomde plotseling niet meer en lag er als bevroren bij en de bekken van de bokken bogen wel naar omlaag, maar dronken niet. De ruisende wind die met de bladeren speelde, ging liggen en waaide niet meer en de fluisterende wouden werden heel stil. Grassen en halmen, gestreeld door een windzucht, bleven in een deemoedige buiging staan en de vallende blaadjes bereikten de aarde niet.

De stenen die eens klein en nietig waren, maar in de loop van de tijden groot en groter waren geworden en rotsen en bergen vormden, bijna hemelhoge bergen, groeiden niet meer en bleven voor altijd zo groot als ze op dit uur waren.

Het was alsof de hele wereld zijn adem inhield.

En opeens nam alles weer zijn loop. Want op dit ogenblik was de vreugde van God voor de mensen op aarde gekomen en alles wat leefde, vierde dit feestelijke ogenblik.
De sterren hernamen hun loop langs de eeuwige baan en het water kabbelde weer verder en je hoorde het heldere klateren bij de bron. Waar de aarde met sneeuw bedekt was, smolt die en verdween plotsklaps en het gras kwam op en blaadjes ontvouwden zich en in een oogwenk tooide de aarde zich met een groen kleed. Bloemen gingen open en toonden hun verborgen kleurige kelken en stonden daar met verbaasde gezichtjes. Een onvruchtbare appelboom die nog nooit had gebloeid, werd op dit ogenblik gewekt en ontbotte en ontvouwde haar wit-roze bloesem; nog diezelfde nacht droeg ze rijpe vruchten, net als de gezegende wijnranken van Engaddi die op dit geboorte-uur tegelijk bloeiden en rijp werden.

De vogels begonnen te zingen en te kwinkeleren alsof het lente ging worden. Vlinders werden wakker, spanden hun bont besprenkelde vleugels en de hommels en bijen zoemden en de ijverige mieren waren druk in de weer. Gejubel en gejuich verspreidde zich als het zonlicht over de aarde zo snel als gedachten gaan. In de Spaanse landen verschenen tegelijkertijd drie zonnen aan de hemel, ze naderden elkaar en werden één in een groot licht en bewezen daarmee tegelijkertijd dat het drievuldige tot eenheid wordt. 

Aan de overkant van de Tiber, zo vermeldden de documenten, ontsprong in Rome een bron die geen water, maar olie voortbracht, dat als een symbool voor de volheid van de genade de hele geboortedag lang vanaf de oever de rivier in stroomde.

In de heidense landen weken de standbeelden van de vreemde goden van hun sokkel en bogen.

Een groot meer ging wild tekeer in het Hongarenland en veroorzaakte uit vreugde een grote branding.

Zo gebeurde op dit uur overal op aarde wonder boven wonder. De nacht was in alle landen ter wereld licht als een dag vol zonneschijn. Een ongekende glans welfde over de aarde als om te laten zien dat ook de zielen die in duisternis leven deel kunnen hebben aan het licht van het heil en de vreugde en dat de echo van de jubel tot hoog in de hemel kan doordringen.

En er was niets wat levend of dood was, dat niet deelnam aan het heiligste ogenblik waarop gevierd werd dat het goddelijk kind op aarde was gekomen.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmis: alle verhalen

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Kerstmis              jaartafel

1779-1667

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie GA 308

.

In 2016 vertaalde ik voor deze blog Steiners GA 308.

Uitgeverij Pentagon heeft in overleg gebruik gemaakt van die vertaling voor de uitgave van deze GA.:

Prijs: € 25,–

Uitgeverij Pentagon

Rudolf Steiner op deze blog: alle artikelen

.

1778-1666

.

.

VRIJESCHOOL – Driekoningenspel- regie-aanwijzingen (5)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in Dornach.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. De schetsen zijn ook ‘Haags’. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET DRIEKONINGENSPEL UIT OBERUFER

Het vorige artikel eindigde met het lied van Maria: ‘Ade, ade, nu…..
DH: page brengt krukje en geschenken rechts in de coulissen en neemt zijn plaats weer in. Dan wordt het donker. 

De duivel schuift de Herodestroon het toneel op, legt er een verhoging achter voor de engel en in de troon een buidel geld. Extra: de duivel springt naar voren en komt terug met de troon die hij met tumult en veel gedoe op het voorste midden neerzet. Achter de troon een verhoging. Dan een geldbuidel, rinkelt met de munten en legt die in een hoekje van de troon. Hij buigt listig naar Herodes en gaat terug naar zijn plaats, linksachter.

Koning Herodes komt met lakei op. Extra: koning Herodes komt naar voren en gaat op de troon zitten, de lakei brengt het grote zwaard en zet het ertegen. 

GT: Duivel brengt de zetel van Herodes. Herodes treedt op met lakei en hoofdman.

Oudere tekst: duivel brengt de zetel van Herodes en wist die af met zijn staart. Herodes treedt op met lakei en hoofdman, die aan weerskanten van zijn troon blijven staan.

DH: duivel brengt troon, bankje, mandaat, zwaard en geldzakje.

Coningh Herodes spreeckt: 

Schoon ic met sorghen deet bedencken
hoe dat ic rycklic sou beschencken
de wysen uytet oostenlant
mit sluwheyt en mit rapper hant
als oock den nieuen coninck goet,
so speur ic doch in mynen moet
dattic van haorlie ben bedroghen
en sy my hebben veur geloghen.
In anghsten leef ic gruwbaorlyck
dat also dra myn coninckryck
gering wort en heyt ofgedaan.
Nu ist van node ras beraen
hoe offic deuse saeken wend
dat ic behouden mgh myn regiment,

mgh=tikfout=magh

ick sin het eene en voort het aer,
’ck wick ende weegh hoe ic dien coninck daer
mogt vatten, en gestaegh bedenck
wat ic hem bieden sal veur een geschenck.
’ck wilt soetjens an ende oock mit loosheyt doen
gelyck de vos besluyt een malsch kapoen,

besluyt=tikfout=besluypt

dan dryft hy listighlic syn spel
en doet het vanghen alte wel;
gelyck de kat de muys verslindt,
soo willic om gaon mittet kint.

Hij steunt met zijn hoofd op zijn handen en denkt na. Staat op.
GT: duivel fluistert hem iets in het oor. DH: duivel komt tevoorschijn, blaast hem iets in’t oor, zichtbaar boven hem. Duivel af.

Seer plotslyc staot my nu veurt oogh
hoe of ict kinde vatten moogh:
met myn krygsvolck willick gezwind
om brenghen so menich cleyne kint,

Oudere tekst: het toneel wordt donker, Herodes blijft sterk belicht.

in gantse Judea brengh ic voorwaer
de knegtkens om ’t leven alle te gaor;
wat deert my of int gantse lant
de moeders kryten moord ende brand,

Maria is gaan staan en loopt langzaam op de achtergrond links over het toneel, komt dan naar voren, zodat ze bij het begin van het lied iets links van Herodes aangekomen 

soo ick myn ryck slechts cost beerven
niet en geraecke int verderven.

Maria is tijdens het spreken van Herodes gaan staan, loopt langzaam achter op het toneel, komt dan naar voren, loopt langs Herodes voorbij en gaat weer zitten. Extra: de hoofdman loopt dicht naar Herodes toe. Maria begint te zingen en loopt dwars over het toneel om Herodes heen en gaat weer zitten.

Maria gaet tot Herodes en singht: (No. 11)
Oudere tekst: zij is van den achtergrond gekomen, zingt links van Herodes staande en gaat voor hem heen in een boog naar haar plaats terug.
DH: Maria staat op na ‘brand’ en loopt om Herodes heen. Frontaal. Herodes kijkt haar niet aan, =visioen=schermt wel gezicht wat af, wegdraaiend voor het volle licht dat op Maria staat. Passeert hem eerst links. Lakei en hoofdman wijken opzij, wanneer akkoord van lied klinkt.

Maghtighe coningh, gedenckt aan barmherticheyt,
dat ghyt eenmaal niet rouigh en syt
so ghy vergiet der onschuldighen bloet,
bedenkt, maghtighe coninck, wat ghy doet.

Hoofdman en lakei zijn gekomen. De lakei houdt het mandaat vast.

Herodes spreeckt:

Herodes leunt alsof hij verstard is, als zag hij een visioen- op de leuning van zijn troon, starend voor zich heen. Wanneer Maria klaar is met zingen, valt de verstarring en spanning weg en knikt hij ineen. Hoofdman en lakei die achter hem staan, hebben steeds gespannen naar hem gekeken en schrikken nu zeer, omdat ze niet weten wat ze van de gebaren van Herodes moeten denken, wanneer hij losbarst: 

Packt u gezwind van hier, dwazin!
wat laot ghe u mit mynen saeken in?
benomen wort my ’t regiment
sooc niet en spoede dit onheyl wend.
Wout ghy my dan verordineren?
een coninck en salmen niet regeren!

Variant: de hoofdman komt op. Kleine pauze. 
Met gewone stem verder.

Ghy knegten hebt vernomen wel
uws heren ghebieden ende beveel:

Herodes gaat staan.

siet hier het conincklyc mandaat
soo’ck opterstont uytveerdighen laet;
tot alle landpaelen condighet af,
elk hem er nae righte op swaerste straf.

Oudere tekst: condightet, elck

Oudere tekst: hij geeft den hoofdman een rol met een groot zegel eraan bengelend. Hoofdman rolt het stuk uit en leest. DH: als dorpsomroeper, objectief.

Hoofdman neemt mandaat over, rolt het uit, kijkt erin, gaat een paar passen opzij en leest krachtig aan het publiek voor. Tijdens het lezen begint hij te stotteren bij de gruwelijkheden en hij komt bijna niet meer uit zijn woorden.

Hooftman spreeckt mandaat:

Haor conincklycke majesteyt
deur een gestrengh mandaat bevelen heyt
dat men om brenghe alle knegtkens cleyn

Oudere tekst. DH: Jonas komt naar voren en luistert angstig, op hielen lopend.

Oudere tekst: knegtjens

so twoujaerigh en daor onder syn.

twou=tikfout=tweu=

Hier en sal niet baeten goet noch geldt,
also heytet onsen heer coninck bestelt.
Een yeder die het ghebot sal weerstreven
salt boeten mit haaf, goet ende leven.

Judas komt naar Herodes; spreekt zeer karikaturaal Joods: Extra: hij schudt het hoofd, alsof hij de inhoud niet begrijpt. Terwijl de hoofdman het mandaat voorleest, is de Jood Judas langzaam achter zijn rug naderbij geslopen en heeft hem met ontzetting op zijn gezicht aangehoord. DH: leest mee. Nu schreeuwt hij:.

Oudere tekst: Jonas. GT: Judas comt tot Herodes en spreeckt:

DH: klsgend

O, wee o, wee het felle mandaat!
des coninghs magt over ons leven gaet,
onse kinderkens moetens worren gedoot?

worrden=tikfout=worren

ach, wat salt gheven smert, pyn ende noot I

Herodes spreeckt:

Bevelend de arm uitstrekkend:

Dit woort sy aestonts mitter doot bekocht,

aestonts=tikfout=aenstonts

grypt hem, hy worde int prisoen gebrogt.

Hooftman spreeckt tot Judas:

DH: hoofdman pakt hem beet.

Ghy booswicht, wildy den coningh weerstreven,
tsal u costen haaf goet ende leven,
ist niet beter de kinderkens sturven alleene,
als dat wy algaeder verdurven mit eenen?

De hoofdman legt zijn zwaard met de punt in de nek van Judas en brengt hem zo weg. Het toneel wordt donker. Je hoort de Jood jammerlijk schreeuwen. Het toneel wordt weer licht. Extra: hij houdt zijn zwaard met de punt in de rug van Judas en stoot hem voor zich uit dwars over het toneel naar rechts, waarbij de Jood jammerlijk schreeuwt. Als hij ‘af’ is, wordt het even donker. Wanneer het weer licht wordt, zit Herodes en de lakei staat achter hem. Hoofdman en soldaat zijn vanuit de achtergrond weer op het toneel, op hun zitplaatsen.

GT: Hij legt de punt van het zwaard tegen de hals van de jammerende Judas en brengt hem weg. Oudere tekst: Hij legt de punt van het zwaard tegen den hals van den jammerenden  Jonas en voert hem van het toneel.
DH: idem, naar links achter. Hoofdman gaat zitten.

P a u s e
In boek en oudere tekst staat ‘pauze’ niet; het is niet anders dan het ogenblijk waarop het donker wordt en weer licht.

Herodes spreeckt:

Loopt lackey, bringht my opt termyn
den also getrouen hooftman myn.

De hoofdman komt met de soldaat: Extra: Lakei springt weg en haalt de hoofdman en de soldaat.

GT en oudere tekst: Lakei haalt den hooftman. DH: soldaat komt ook mee.

Herodes tot hoofdman. Extra: Herodes staat op, laat zich door de lakei een groot zwaard geven.

Herod.es spreeckt:

Siet hier, hooftman, neemter dit sweert

DH: Herodes geeft hem zwaard.

ende vier dusend manschap mit haor test gheweer
ende gaot heen overt geberregt mit spoet

Hij gaat vlakbij de hoofdman staan en spreekt hem bezwerend toe.

end’ alle knegtkens cleyn ombringhen doet!
Neemt, segghic u, geenderlei steeckpenninck an,
want op straffe des levens comtet u staen:
doodt ghy de kinderkens alle ghelyck,
meughense erm syn, jonc ofte ryck;
soldye schenck ic u tweevoud,
lonen salc u mittet rode gout.

De laatste twee zinnen moeten zeer indringend worden gesproken!

Hooftman spreeckt:

Zwaait bloederig met het zwaard:

Dat conincklycke majesteyt
te deuser uer bevolen heyt
hebbic mit vreuchden ane geheurt,
oock wel vernomen weurt veur weurt:
Ic doent u sweren by hoochste trou, volgaeren sulcx volbrenghen sou
want myn gantse sin ende moet
rigtig hier nae haeken doet.
Ic wilde ic hadse veur my staen.
‘ck en soude wis niet ledich staen
doch met dit sweert soudic gezwind
ombrenghen so menigh cleyne kint!

wild met het zwaard slaand

het hert int lyf my laghen doet

Oudere tekst: lagchen

als ic sien druypen ’t rode bloet;
dan lykentet een brulochte
daorse veul kalvers en koebeesten slogten.

kleine pauze

Wel an, mit haesten ic my bereyt
te doen dat my conincklycke majesteyt
ernstlyc gheboden heyt. Lackey, comt ras,

DH: loopt naar lakei

slaot ghy mit myn er oock op los:

Lackeye spreeckt:

Ja heer, van stond aen willic houen ende steken
so veul ic can; ‘ck laot my niet besteken.

DH= steekpenningen aannemen, boektekst: ka mensch sull mi derstecha=lijkt mij toch ‘neersteken’ te betekenen.

Hooftman spreeckt:

Ic sien een drom knegten ende trawant,
Ic meen tsy een colfjen nae haorlie hant:
wel nu, heer coninck, hebt goeden moet,
wy sellen vergieten het kinde syn bloet.

Pauze. Duister. De kompany staat op en kijkt gespannen naar de soldaten. Wanneer deze terugkomen, gaat de kompany geschrokken zitten. De soldaat en de lakei hebben een zwarte kinderpop in hun hand. Extra: ze gaan -er staat: vooraan links weg. Als aanduiding van links en rechts staat aan het begin van de aanwijzingen, dat er vanuit de positie van de acteur gesproken wordt. Dat zou hier betekenen, dat ze vanuit de toeschouwer, van wie uit ik steeds de richtingen heb benoemd, nu rechts vooraan afgaan.
Het toneel wordt donker. De hele kompany staat op, kijkt, wat voorover gebogen van hun plaats naar de ingang op de achtergrond links – zie boven – en wanneer het toneel weer verlicht wordt, ziet men ze zo staan. De soldaten stormen van links – zie boven – achter het toneel op, hebben kleine poppenrompjes bij zich, zwaaien met hun zwaarden. En bij de aanblik daarvan laat de kompany zich dodelijk geschrokken op hun plaatsen terugvallen. Hoofdman en soldaat lopen voorop, gaan rechts en links staan van de troon. Koning Herodes zit in peinzende houding.

GT: De kompany staat op en staart hen na. Oudere tekst: zij gaan stampend achter het tooneel. Herodes blijft in gepeins verzonken. De kompany staat op van de banken’allen staren naar denzelfden kant. DH: hoofdman, soldaat en lakei marcherend af. Hun stampen moet versterven. Zodra ze weg zijn, staat kompany op en staart naar links (vanuit toeschouwer). Stappen zwellen weer aan, kompany wendt hoofd af en gaat zitten.

Hooftman gaet binnen ende spreekt:

Conincklyc majesteyt, nu gheeft wel agt;
een maol hondert dusend vier en veertigh en acht
heb ic mit eyger hand omt lyf gebrogt,
wel nu, heer coninck hebt goeden moet,
wy deden vergieten het kinde syn bloet.

Herodes maakt afwerend gebaar

GT en oudere tekst: werpt een pop voor ’s Konings voeten. DH: idem

Krygsknecht somt en spreeckt:

somt-tikfout=comt

Tagentig dusend is myn getal
die ic bragt om tleven over al,
den deusen deet ic ’t losten packen  hij zwaait met de poppenromp zonder hoofd

losten=tikfout-lesten

en deet hem wip! synen kop af hacken.

Werpt Herodes de pop voor de voeten. GT en oudere tekst en DH: idem.
In DH. heeft alleen deze pop geen hoofd.

Lackeye spreeckt:

conincklyc majesteyt, merckt an dit wigt
hoe ic desselfs mandaat hebt uyt gerigt:
twee dusend heb ic er gebragt omt leven
en deusen an syns moeders borst gegrepen.

De lakei werpt ook zijn pop voor de voeten van Herodes. GT en oudere tekst DH: idem.

Coningh Herodes spreeckt:

Maakt een afwimpelend gebaar.

Hebt danck ghy knegten al drieën ghelyck,
ic wil u schencken myn halleve ryck!

Alle drie af. GT: Hoofdman, krijgsknecht en lakei af De duivel komt en brengt een zwarte duivelspop met rode tong mee. Extra: alle drie naar hun plaats. Herodes zit in zichzelf verzonken op zijn troon. De duivel springt tevoorschijn, hij heeft in zijn arm een klein, zwart duivelskind met rode tong en lange staart, gaar links van Herodes staan.

Duyvel spreeckt: GT: draagt een kleine duivel. Oudere tekst: draagt een kleine duivel met staart en rode tong. DH: idem.

Ghenadighe coninck, bin oock weerom gecomen
en heb myn kinders oock mit genomen,
die hebben haorselfs dorren vermeten
uut minen sack de braetworst te eten;
eer dat ics gonne een bete brood,
eer slanic ’t neer en ’t leyt morsdood.

slanic=slaenic

Hij legt het duivelskind op de grond, slaat er stevig met zijn vuisten op. Dan pakt hij het bij een oor, zwaait het boven Herodes en springt weer weg.

GT: werpt hem neer en gaat af. Oudere tekst: Hij schudt de zemelen eruit en laat het vallen. DH: iets dergelijks waarbij er een soort stof uit de duivelspop om het hoofd van Herodes dwarrelt. Herodes went zich af.

Hoofdman, soldaat en lakei komen terug. GT: Hoofdman, krijgsknecht en lakei komen op. Oudere tekst: Hoofdman, krijgsknecht en lakei komen op. en gaan weer bij Herodes staan.

Hooftman spreeckt:

Coninclyc majesteit, ic bid om verschoningh:
wy en vonden niet den nieu geboren coningh,

Herodes richt zich met een ruk op en staart de hoofdman aan. Zijn spanning loopt op, gedurende de tekst.

of wy oock sochten naer ende veur,
van den coninck en hebben me niet geheurt;
alevel alle knegtkens cleyn
so tweujaorigh en daor onder syn
bragtenme om nae ’s heren woorden;
ic meene ’t is volbragt geworden.

Springt op, loopt woedend heen en weer voor zijn troon.

Herodes spreeckt:

Daor ghy hem niet en hebt gedood
staet vast dat hy uytet ryck ontvlood.
Nu is myn leven schier verloren        houdt zijn hoofd in beide handen
mids dat een nieuen Got hier is geboren!

DH: op ‘selfs’ staat hij op.

selfs willic sien waorc hem can vinden,
ay, costic hem in Betlem in den stalle vinden!

Hij schudt de gebalde vuisten. Dan valt hij terug in zijn troon en zinkt ineen. Kleine pauze.

GT: oudere tekst en DH: Hoofdman en krijgsknecht af.

P a u s e:

O smart, o bittere smart
hoe is my bangh omt hart.

Hij slaat zijn kroon af. Hoofdman en soldaat hebben met met verbazing aangekeken.

Lackeye spreeckt:

Een appel end een mes bringht haestiglyc
dattic myn here laefenis reick.

De duivel brengt het. Hoofdman en soldaat af. Extra: de duivel springt naar de lakei en reikt hem een mes met op de punt een appel. Die brengt de lakei naar de koning, die het echter meteen weer laat vallen. Hoofdman en soldaat af.

De engel gaat op de verhoging achter de troon staan. De ster gaat naar beneden. In de andere hand heeft hij een vlammenkroon. Extra: intussen is de engel gaan staan, loopt tot achter de troon, gaat op de verhoging staan. Hij laat de ster dalen, zodat die links van Herodes komt.

GT: Duivel brengt een appel, die de Lakei aan Herodes geeft. Oudere tekst: duivel brengt een appel op de punt van een mes en geeft ze aan de lakei, deze aan Herodes. De engel komt tot achter den zetel op een kleine verhoging staande. DH: idem, met hellekroon in de hand. Lakei loopt weg.

Enghel singht, aghter Herodes staande (No. 12)

Herodes zit star, met visionaire blik.

Herodes, Herodes, ghy snoode tyran,
wat deden d’onnoosle kindjens u an,
dat ghy so deet verderven ?

so=tikfout=se

wagt, nu coomt ghy de doot te sterven.  DH: bij ‘wacht’ de ster naar beneden, naast Herodes. De Mariafiguur is onzichtbaar. De hellekroon ia nog ongezien.

Herodes spreeckt:

Met afnemende kracht in zijn stem.

Wat helle glans heeft my omvaen,
ach, ach, myn leven heyt gedaen,

Weer gewonere stem:

loopt, lackey, bringht my opt termyn
den also getrouen hooftman myn.

Hoofdman en soldaat komen.

Herodes spreeckt:

Siet aan hooftman, neemt dit present

Hij neemt de buidel met geld. DH: geeft hem aan de hoofdman.

wilt u vereren al veur myn end
het tydlic goet hebbic te seer geagt
dies heeft den duyvel my ten val gebragt:

DH: hoofdman werpt buidel weg

nu vaer ic henen in abrahams hof.

GT: Hij zinkt ineen, zijn kroon valt af. OT: idem; hij leunt in zijn zetel achterover. DH: lt hoofd naar rechts vallen, kroon valt af.

Enghel spreeckt:

Ghy hellegheesten wagt hem of,
en voert hem ’t uwaert, tot u nest,
die staeg u diener is gheweest
en kleedt hem als een coninck schoon
en set hem op de hellecroon.

Herodes blijft in deze houding. Zet hem de kroon op en gaat terug. Extra: de engel zet Herodes die intussen zijn gouden kroon kwijt is, een vlammenkroon op het hoofd. Herodes zinkt voor dood in zijn troon terug. De engel gaat naar zijn plaats.

GT: de engel zet hem een kroon met vlammen op.

Hooftnan, Lakeye en Krygsknecht spreecken:

Hoofdman, lakei en soldaat hebben van de engel niets gemerkt en alleen maar vol verbazing naar Herodes gekeken. Als ze hem zien instorten, zeggen ze alle drie tegelijk:

Wat baet de hoghe troon
wat schepter ende croon
schepter en regiment
tgaet alles ras ten end.

Ze gaan naar hun plaats. GT: af, Engel eveneens. OT: De engel gaat langzaam naar zijn bank. DH: idem, maar de knechten gaan eerst weg. 

De duivel komt en spreekt. Extra: de duivel heeft intussen grote zwarte vleugels omgehangen; in de pauze die nu ontstaat, hoor je hem roepen: bix-bax, ruach-raps, hi-hi. Ook hoor je vreselijk gerammel met een ketting. Dan springt hij tevoorschijn, gaat links van Herodes staan, raakt hem tweemaal aan met zijn vinger op de schouder op het woord ‘bukt u’. Herodes gaat steeds verder naar links in zijn troon, starend naar de duivel.

DH: geen vleugels en ketting. Komt op verhoging achter hem staan en raakt hem aan op:

Duyvel comt ende spreeckt:

Buckt u Joostjen, buckt u,
Doet u an suere melleck versaeden
en hebtet vet in de kan gelaten.

OT: gelaeten

Beide handen afwerend naar de duivel:

Herodes spreeckt:

O duyvel, laet my langher leven,
een juck swart ossen sallic u gheven!

Duyvel spreeckt:

Neen ic, neen u wilc alleen.  Op ‘u’ tikt de duivel Herodes met de vinger

Herodes spreeckt:

0 duyvel, laet my langher leven,   Smekender
een span swart rossen sallic u gheven!

Duyvel spreeckt:

Neen ic, neen, u wilc alleen.

Herodes spreeckt:

In vertwijfeling vooroverzinkend

0 duyvel, laet my langher leven,
myn halve coninckryck salllc u gheven!

Duyvel spreeckt:

Ei, wat sullenme stryen gins en weer,
onser syt ghe maor alte seer!
daor comen er meerdere nogh by myn in de hellepyn,
ghy en sultet alleenlich niet syn!
Wagt, efkens sien of ghe oock swaor syt.

De duivel springt rond de troon, pakt Herodes bij de kraag en sleurt hem bij de laatste woorden van de troon. Extra: hij gaat achter de troon langs naar de andere kant en pakt Herodes bij de kraag. DH: achter de troon op verhoging, bij katten en ratten tilt hij H als een marionet van de een naar de andere kant. Op ‘rits, rats’ sleurt hij hem van de troon en neemt hem mee naar linksachter.

Span ic an een paor katten    DH: ruk naar rechts

krachtige ruk – Herodes klampt zich vast aan de troon

Span ic an een paor ratten      idem, krachtiger DH: ruk naar links

Span ic an een muysenpaar: Hier is herodes bijna opgetild uit zijn troon. DH: rechts en weg.

rits, rats, mit hem ter helle vaor.

Af met de kermende Herodes, terwijl het toneel donker wordt. Extra: Bij de laatste ‘rats’ trekt hij hem met een grote zwaai naar achter, waarbij Herodes een vertwijfelende kreet uitstoot. Het toneel wordt donker. Als het weer licht wordt, komt de hoofdman naar voren, staart even naar de lege troon.

GT: en OT: af met Herodes.

Hooftnan spreeckt:

OT: ziende dat de troon leeg is. DH: heel andere stemming dan eerst.

Ach, wat heeft myn heer coninck bedreven,
dat hy de kinderkens stond nae ’t leven,
hadde ic het, lacie, eer bedacht,
ic en hadde se wis niet om gebragt,
ach cost icx nogh erlanghen,
an den hoochsten boom mogt ic wel hanghen!

Hij maakt het gebaar van opgehangen

OT: maakt een gebaar van worging

ach cost icx nogh bedencken,
in de diepste see mogt ic wel sincken!

Maakt het gebaar van verdrinken. OT: idem.

Doch wil ict op myn heer coninck wreken
en met dit sweert my selven deursteken.

De hoofdman zinkt neer op de troon. Donker, pauze. Extra: hij staat voor de troon en terwijl hij zich doorsteekt, zinkt hij in de troon. Donker, pauze. De kompany staat op, de hoofdman sluit zich aan, allen door de zaal en zingen. Grote ommegang.

GT: hy doorsteekt zich. OT: hij valt neer op den zetel van Herodes. Het wordt helder licht. De kompany staat op en gaat door de zaal. Hoofdman sluit zich aan. DH: idem

Kompany singht, ommegaende (No. 13)

DH: duivel houdt Herodes vast.

Wilt singhen end jubileren
Jesu den massiae,

massiae=tikfout=messiae

die de wereldt doet regeren,
is een soon Mariae
en leyt in het krebbeken
by ’t osjen end eselken.
Suja, suja, suja, suja, kindekyn,
ick ben u, ghy syt myn.
Jubelt springhend, jubelt singhend
hodie, hodie, hodie
is geboorn Christus sone Mariae, Mariae
en heeft van ons of genomen alle leed, alle leed, alle wee.
Helpt ons spoede tot u comen
Helpt ons spoede tot u comen
O Christe
O Christe.

De kompany staat weer in een kring achter de engel. Wanneer de engel uitgesproken is, komen allen naar voren en buigen. Extra: bij het slot van het gezang zijn allen weer op het toneel achter de engel. Deze komt naar voren in het midden.

OT: de kompany stelt zich op het toneel in een halve kring op. De engel staat vooraan in het midden.

De engel spreekt tot slot:

Aghtbaere, seer vroede, goetgonstighe heeren, 3x buigen l, m, r
oock deugtsaeme vrouen ende jockvrouen in alle ere,  idem
Wilt altegaer niet euvel duyden
dat wy ons spel vertoonden voor uluyden,
’ck bid so wy quamen veuls te cort,
’t ons niet en aengerekend wort
maer alles wat wy schuldich bleven,
onse onkunde mach syn toegeschreven:
Hiermet elckeen het allerbest betracht,
so wenschenme van Got almachtig een goede nagt.

Nu lopen allen in een rechte lijn naar voren, naar het voetlicht, staan op een rij en buigen naar het publiek. De engel is naar rechts gegaan en leidt ze dan achter op het toneel af.

DH: ‘een goede nacht’ wordt door de spelers herhaald, tijdens het buigen. Men ging door de zaal en de hoofddeur naar de gang.

.

vorige delen:

Deel 1 – GT blz. 1 t/m 4: Kaspar: ‘En hope voor het kind..”

Deel 2 – GT blz. 4 beginnend met lied nr. 1 en ommegang t/m ‘daor bleve de starre stil staen, blz. 6

Deel 3 – GT blz. 6 beginnend met ‘Ter tyt Herodis regiment’ t/m ‘met onsen vreuchdensanck’ blz. 13

Deel 4 –  GT blz. 13 beginnend met ‘Verlaet o heer’ t/m blz. 17 Maria: ‘van hier en tot het veer Egyptenlant’

.

Kerstspelenalle artikelen

.

1777-1666

.

VRIJESCHOOL – Driekoningenspel- regie-aanwijzingen (4)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in Dornach.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. De schetsen zijn ook ‘Haags’. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET DRIEKONINGENSPEL UIT OBERUFER

Het vorige artikel eindigde met de ommegang (nr.5) van de hele kompany door de zaal. De spelers zijn weer op hun toneelplaats aangekomen. De duivel geeft het teken tot zitten. 

Boek: De duivel schuift de Herodestroon weg en gaat naar zijn plaats. De page zet een bankje voor Maria neer,  iets links van het midden, Jozef en Maria gaan naar hun toneelplaats. Nu gaan de engel en de koningen staan. De engel loopt over het toneel en staat weer links vooraan. Dan gaan de koningen lopen. Extra: Na deze ommegang is de kompany weer op het toneel gekomen bij hun plaatsen, De duivel springt naar voren en draagt de troon van Herodes weg. Nu gaat de page staan, neemt een klein bankje en zet dat op de rechterhelft van het toneel, dan gaat hij weer zitten. Maria gaat staan, gaat naar het bankje en gaat zitten. Jozef staat, leunend op zijn stok, achter haar. De engel gaat langzaam naar voren, blijft iets over het midden van het toneel staan, alsof ze verder wil gaan. De drie koningen gaan staan en stellen zich links op het toneel op.

GT: Duivel verwijdert den zetel van Herodes. Pagie brengt een krukje voor Maria. Engel, Maria, Josef en de drie Koningen op.

Boek en GT: Kaspar spreekt; DH: alle 3 koningen

C. Kaspar spreeckt:

Verlaet o heer
ons nemmermeer !
verlight onse oghen inder noot
dat wy niet en eynden in de doot,
geley ons, heer op regte baen
dat wy alhier niet en dwaligh gaen
en leert ons de gheboden dyn.            kleine pauze

Oudere tekst: de engel heeft zijn plaats, links vooraan, weer ingenomen.

C. Melchior spreeckt:                     om zich heen kijkend

Welc deuser twee paden macht regte syn ?

De engel is tijdens deze woorden van Melchior naar Maria en Jozef gegaan  Extra: de engel loopt verder en gaat achter Jozef en Maria staan.

C. Balthasar spreeckt:

Siet, hier de star doet stille staen,
laet ons inden stal tottet kinde gaen,

Buigingen

Got moet u groeten, lief maegdelyn,
is hier dien wy soecken, het kindekyn?

Maria singht (No. 6)

Hier leyt dien ghy soeckt, goe heren myn,
in doecken gewonnen het kindekyn.

De koningen gaan weer naar voren, rechts. Extra: de koningen buigen, richten zich weer op elkaar, gaan iets meer zijwaarts staan.

C. Melchior spreeckt:

Nu welaen!
opgedaan ons geschenck ende offer
wieroock, mirre endet rode gout.

De page komt en pakt de staven aan; daarna brengt hij de koningen hun geschenken. Dan blijft hij opzij, rechts, staan en houdt de staven vast. Extra: de page komt, buigt diep voor de koningen, eerst voor de rode koning (Melchior), pakt van hen plechtig de staven over, gaat terzijde staan, dan geeft hij hen de geschenken, Melchior het eerst, dan de twee anderen, voor ieder maakt hij een buiging en treedt terug. Hij neemt de staven en blijft terzijde staan. De koningen staan met hun geschenken in hun handen.

GT: Pagie op. Hij neemt van elken koning den staf en reikt hem een offerschaal.
Oudere tekst: pagie neemt de staf van de drie koningen, reikt hun elk een tinnen schaal, (die vanaf het begin van het spel vóór op het toneel hebben gestaan) en blijft in de nabijheid, terzijde.

DH: Page komt. Buigt met gekruiste armen voor Melchior. Melchior reikt hem zijn staf aan. Page pakt deze aan en brengt hem weg, tussen de coulissen. Komt terug met het goud. Neigt licht en overhandigt. Koning Melchior neigt, page buigt. Dit zo bij de andere twee ook

C. Melchior singht: (nr.6)  DH: alle drie

Psallite unigenito
Christo, dei fillio
psallite redemptori,
domino puerulo,
jacenti in praesepio.

De coninghen singhen:

Wie onser sal den eersten syn ?

C. Kaspar spreeckt:

Als oudsten sy aan U die ere;
treet toe wy volleghen u gheren.

C. Balthasar spreeckt:

U coomt sy toe, gae ghy te veuren.

C. Melchior spreeckt:

An ere en is my niet geleghen;
ic gae mit Got, niet langh gewagt
en ’t kinde nieue jaer gebragt.

Boek: Koning Melchior knielt voor Maria, offert. Extra: zij richten zicht tot Maria en Jozef. Koning Melchior komt iets naar voren, knielt.

GT: C. Melchior knielt, doet offeren:

Gegroet syt ghy o heiligh kint,
geloeft sy Got dattic u vindt,

geloeft=tikfout=gelooft

van verre reyse comen wy
u ane treffen te regter ty,

Ic wil u offeren ’t rode gout,  zet het geschenk vóór Maria neer; DH: idem

ic bid my in genae behout.         buiging
Brenght troulyck groot het kinde teer
en hebt het oudren hooch in eer.
Voorwaer, gh’en sultet niet beclaghen
en neemt voor lief myn luttel gave.

Buigt nogmaals diep, gaat staan, doet een stap terug.
Oudere tekst en DH: blijft geknield zitten

C. Kaspar’s offeringhe:   knielt 

O edel coningh, o edel heldt,
hoe is u woningh so arrem bestelt,
wie mogt u soecken in den stal,
is dit u conincklycke sael ?

Oudere tekst: coninclycke

een star heeft my tot u geleyt
dien lof on ere moet eyn geseyt.
Veel edel coningh t’aller stond
sallic u prysen mit mijnen mond
en roemen wyt ende breit u name;

oudere tekst: naem

so wilt veel edel heldt ontvaen
de vrugt myns lands, de mirre goet

oudere tekst: lants

Hij zet zijn geschenk voor Maria neer, kruist zijn armen over de borst. DH: zet geschenk neer

nu bidde ic dat ghy my behoet
bewaert int regte Betlem my,
in uwen naeme ic henen ty.

Staat op, een beetje achteruit. 

Oudere tekst: blijft knielend. DH: ook

Coningh Balthasar’s offeringhe:  knielt. DH: idem

O coningh teer aensiet oock my,
daor en is geen hoghe heldt als ghy,
u begere ic uyt ’s herten gront,
een star ginck veur tottic u vont;
neemt aan het offer, de wieroock goet,
daormot men coninghen eren moet,

Zet zijn geschenk neer. DH: idem.

heer, wen ic dickmaels coma na deusen
wilt myns oock immer ghenadich wesen.

Buigt en staat op. DH: staan alle drie op.

Joscf spreeckt:

Myn goede heren, vergelde Got
dat ghy tot ons quaamt in onse noot
en mit u giften hebt bedaght,
Got hebbe u in syne wagt,
ons kindeken van gaven ryc
sallet u lonen mildelyck.

Maria staat op. DH: blijfrt zitten.

Maria singht: (No . 7)

Goe heren, van herten danck geseyt
van gaven end offerveerdicheyt,
spoet ende jonst mocgh’t u verlenen
op uwen verd’ren wegh van henen.

Zij strekt de handen zegenend naar de koningen uit. Dan gaat ze weer zitten.

C. Kaspar spreeckt:

Nu welaan, goe Josef myn
bevolen sy u het kindekyn,
geen vlyt noch sorghen niet en schoont,
van Got de heer worde u gheloont.

C. Balthasar spreeckt : Heft zegenend zijn handen. GT: zegenend, oudere tekst en DH: met de armen zegenend vooruitgestrekt, iets naar voren lopend.

DH: naar kind kijkend

Nu bewaere u den almaghtigen Got
van kommer, anghst end aller noot,
u eeuwighen vader doe u bewaeren

Hij wendt zich tot de andere koningen

mit Got so moetenme henen vaeren.

DH: achteruit lopend, 3 x buigen.

De koningen gaan weer naar voren. De page brengt de staven. Dan neemt hij de geschenken en zet ze onder de bank van Maria en Jozef. Extra: de koningen buigen en lopen zijwaarts naar voren weg. De page komt en reikt aan ieder met een diepe buiging de staf aan. Hij neemt de geschenken en zet ze onder de zitbank van Jozef. Dan gaat hij op zijn eigen plaats zitten. 

GT: Pagie brengt de offerschalen weg en geen elke koning zijn staf weer.

geen=tikfout=geeft

Oudere tekst: Zij gaan ter zijde. Pagie geeft elke koning zijn staf terug en brengt de offerschalen een voor een naar de vroegere plaats.

DH: staven terug: idem. De geschenken blijven staan!

C. Melchior spreeckt:

Nu willenme weerom tot Herodes reysen
ende plaats van het kinde ane wysen,

oudere tekst: âne

doch willenme hier wylen over nagt
want alree heyt den avent het duyster gebragt.

De drie koningen knielen en zingen in hun slaap. Extra: het toneel is vanaf ‘âne wysen’ langzaam donker geworden. De koningen knielen en steunen voorzichtig op hun staf en slapen met gebogen hoofd tegen de staf geleund. Er klinkt muziek. Tijdens deze muziek loopt de engel langzaam een rondje over het toneel, zodat hij aan het slot van de muziek zijwaarts van de koningen is aangekomen. Op de aangeduide plaats in de muziek hebben de koningen zacht gezongen.

GT: De koningen knielen, leunend op hun staf.

Oudere tekst: De koningen knielen rechts op het toneel, leunend op hun staf. Het is donker, alleen de engel verlicht.

DH: wanneer de muziek gaat spelen, komt de engel van links voor naar de koningen. Jozef gaat in een slaaphouding zitten.

De drie coninghen singhen inslaepende (No. 8)

Ic laghe in eene nagt en sliep.

De engel staat achter de koningen en spreekt:

GT: De Enghel treet voor de coninghen ende spreeckt:
Oudere tekst: idem + van links, en profiel, buigt zich over de slapenden.

DH: staat achter de koningen

Ghy heylghe coninghen van orient,

DH: koningen heffen hoofd iets omhoog, ogen neergeslagen, alsof je het hoort, maar niet wakker.

Got den almaghtighen my tot u sent,
dat u door myn wiert openbaer
dat ghy vermyden mooght alsulck gevaer,
dat ghy niet en wederkeert de baen
tot coningh Herodes den tyran.
Want Herodes toornt heimelick sonder maeten,
Got leyde u huyswaert op anderen straeten.

De engel gaat langzaam voor de koningen voorbij en blijft rechts staan. De koningen ontwaken en spreken. Extra: de koningen beginnen langzaam wakker te worden, wrijven zich de slaap uit de ogen, staan op. Het toneel is inmiddels weer verlicht.

GT:De coninghen ontwaeken.
Oudere tekst: De engel gaat achter de koningen naar zijn plaats linksachter op het toneel. De koningen ontwaken en staan op.

C. Melchior spreeckt:

Een sonderlicken droom ic horen waende,
als of een inghel my vermaende
dat wy souden myden Herodes huys

oudere tekst: Herodis, het is een 2e naamval, zoals we al tegenkwamen bij: ‘ter tyt Herodis regiment’

en deur andere weghen volbrenghen de reys;
want Herodes draegt in synen moet
hoe hy soude vergieten het kinde syn bloet.

C. Balthasar spreeckt:

Desgelyek heb oock ic vernomen
van den inghel, in onse slaepstee gecomen,
dat Herodes gerigt heeft synen sin ende moet
op dat hy vergiete het kinde syn bloet.

Hij schudt in de richting van Herodes zijn vuist. DH: stap naar voren.

Herodes, is sulcx u beus begeren
so wagten wy ons tot u weder keeren.

De koningen gaan achter elkaar staan, de engel leidt ze, zij zingen:

De coninghen singhen heengaande (No. 9)
Oudere tekst: vóór Maria langs.

Balthasar, coninck, daelt van den berrigh neder
daer hy dat kindeken vinden dede,
ja also vinden dede, ja dede, ja dede.

De koningen gaan naar hun plaats. De engel gaat naar Maria en Jozef. Jozef  steunt slapend op zijn stok. DH: Engel achter Jozef. Jozef blijft geknield.

De enghel treet op ende spreeckt tot Josef :

Josef, Josef, gotvruchtig man
merckt wattic u wil segghen aen
van Gode die my tuwaert sont:
Maria neemt tot u terstont
metgaoder ’t kinde hooch van naem,

oudere tekst: mitgaoder

vliedt naet Egyptelant te saem
en weest aldaor tot op de tyt
dat ic ’t sal hebben aen geseyt.

Pauze. De engel gaat terug naar zijn plaats. Oudere tekst: idem
DH: ik heb nog een aantekening dat de engel blijft staan als Jozef spreekt en als Maria gaat zingen en zij en Jozef naar hun plaats lopen, dat de engel dan meeloopt en doorloopt naar zijn plaats op de bank naast Melchior.

Josef spreeckt:   zeer in twijfel

O waor sullemne henen inder nagt

sullemne=tikfout=sullenme

wie hadde oyt sulck ellend gedagt,
wy en kennen nae dit ofgelegnen

ofgelegnen=tikfout=ofgeleghen

Egyptenland geen straet noch weghen,
daor ons belaghen boven dien
gedierte wildt ende roverslien
’t Is vol perycklen, oock maghtigh veer.

Maria singht (No. 10)

Ons sal geleyden Got den heer
voert de synen veylighe straeten,
salse nimmermeer verlaeten,
sal syn enghel mit ons senden,
ons regeren sonder ende.      Jozef knikt instemmend
Hier om staet op, syt wel gemeyt
en maektet eselken bereyt.

Jozef staat op en spreekt. Extra: Jozef kijkt om zich heen.

Josef staet op ende spreeckt:

O heemstee goet, dat Got u hoet
nu het eenmaal so wesen moet;
in Godes wil sallic my gheven
om nae syn eerst ghebot te leven.

oudere tekst heeft naer

Maria singht:

Ade, ade, nu leyt ons Godes hant
van hier en tot het veer Egyptenlant.

Maria en Jozef nemen hun gewone zitplaats weer in. De page brengt het krukje weg. Extra: ze gaan langzaam af naar hun plaats. De page brengt het krukje terug naar de coulissen. Er is een kleine pauze

GT: Josef en Maria af. Pagie haalt het krukje weg. Duivel brengt de zetel van Herodes. Herodes treedt op met lakei en hoofdman.
Oudere tekst: Jozef en Maria gaan, het ezeltje drijvend, naar hun bank. Page haalt het krukje weg. DH: page brengt de geschenken (die steeds nog vóór Maria stonden) een voor een weg, Dan het krukje.

vervolg deel 5 – GT blz. 17: Herodes: ‘Schoon ic met sorghen’ t/m einde, blz. 25

Vervolg Deel 5 – GT blz. 17 beginnend met het opruimen van krukje en geschenken door page, het plaatsen van de troon van Herodes door duivel t/m einde.

vorige delen:

Deel 1 – GT blz. 1 t/m 4: Kaspar: ‘En hope voor het kind..”

Deel 2 – GT blz. 4 beginnend met lied nr. 1 en ommegang t/m ‘daor bleve de starre stil staen, blz. 6

Deel 3 – GT blz. 6 beginnend met ‘Ter tyt Herodis regiment’ t/m ‘met onsen vreuchdensanck’ blz. 13

.

Kerstspelenalle artikelen

.

1776-1665

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – winterstemming en zomerstemming

.

In ons land, op deze plek van de aarde leven wij met het ritme van de seizoenen; zomer, herfst, winter en lente. Mensen die naar de tropen zijn geweest, geven soms aan juist het beleven van de seizoenen daar gemist te hebben. Het meebeleven van de seizoenen biedt ons de kans actief de verschillende kwaliteiten van deze seizoenen te ervaren. In dit artikel gaan wij in op de kwaliteit van de winter- en zomertijd en hoe deze stemmingen in de opvoeding actief en bewust bij het pedagogisch handelen ingezet kunnen worden bij het groot- en het kleinhoofdige kind.

Wintertijd

Herfststormen hebben gewoed. De bomen zijn kaal. De eenjarige planten zijn gestorven. Hun zaad ligt diep in de donkere aarde te wachten op de lentezon. Zonnewarmte, dat het nieuwe leven dat in ieder zaadje verborgen ligt, mogelijk maakt.

Vele dieren zijn in de wintertijd niet meer zichtbaar. Kikkers, padden, egels, bijen en vele andere dieren houden een winterslaap. Vogels als de zwaluw en de gans zijn naar andere, warmere oorden vertrokken.

De lucht wordt in de herfst- en wintertijd bevolkt door overvliegende ganzen, die bij ons de wintertijd overbruggen. Hun gegak is in de wijde omtrek te horen.

Wij mensen hebben ons terug getrokken in onze huizen. De verwarming of kachel is aan. We dragen warmere kleding om ons lichaam warm te houden. Op tafel staan veelal andere gerechten dan in de zomer- of lentetijd. Gerechten zoals spruitjes, boerenkool, rodekool, stamppotten, voedzame soepen als erwtensoep en veel ander ‘Hollands’ eten.

Aan het eind van de middag wordt het schemerig en sluiten de gordijnen de koude en duisternis van buiten af. De lampen en kaarsjes gaan aan.

De elementen vieren ook de wintertijd. Hoewel wij de laatste jaren vanwege de klimaatsverandering amper nog over een winter kunnen spreken, hebben velen van ons nog een herinnering aan bevroren water. IJs!

In de wintertijd tooit Koning Winter de aarde met een wintervacht van sneeuw en ijs. De aarde is wit en bijna egaal van kleur. Geheimen worden toegedekt onder een sereen wit kleed. De sneeuw- en ijskristallen zijn rechtlijnig. Water bevriest en draagt ons op de schaatsen over sloten, meren en kanalen. Barsten in het ijs zijn eveneens rechtlijnig van structuur. Onder het ijs waar wij op schaatsen is een wereld waarin leven beweegt en stroomt. In de modderlaag van de sloot waar wij overheen schaatsen, liggen dieren zoals de kikker in een diepe winterslaap te wachten op de zon die hen wekt.
Geluiden zijn helder en klaar in de wintertijd. Contouren van bomen, vergezichten van dorpen en steden tonen direct onomwonden hun identiteit. Er is weinig gelegenheid om te verhullen.

Zomertijd

Het is warm. Het is licht. De aarde is getooid als een bruid met bloemenpracht en vele tinten groen. We laven ons aan de elementen aarde, water, lucht en vuur. We trekken er op uit. Paden in het bos en over de hei dragen onze voeten. Het strand wijst ons wandelend langs de zee een weg. De aarde voedt ons met vele gewassen en vruchten. Er is voor ons, in tegenstelling tot de meeste andere aardebewoners, een overvloed aan eten. Er is zelfs zoveel, dat wij een voorraad voor de wintertijd kunnen aanleggen. Bomen zijn omhuld door een bladerendeken, hun takken zijn nauwelijks te zien. Wandelend door het land is het soms lastig oriënteren welk dorp in de verte ligt, omdat de bomen het zicht op bijvoorbeeld de kerktoren belemmeren.

Ook het waterelement wil ons verkwikken in de zomertijd. Het levenswater ontmoeten wij in vele hoedanigheden. De zee nodigt ons uit een verfrissende duik te nemen. Schelpen worden in onze zakken verzameld als aandenken. In de rivieren, zeeën en meren zwemmen en spelen wij. Het water draagt onze boten, groot en klein. Volwassenen worden weer een beetje kind met de kinderen en springen mee over hoge golven, vangen vissen in de rivier en scheren steentje over het water. De regen verfrist de aarde na perioden van warmte en droogte.

De regen koelt de aarde weer even af en verfrist. Ook de mens koelt na een regenbui weer af. We slapen daarna beter omdat het niet meer zo benauwd is. De nacht verkoelt de aarde eveneens, ’s Morgens ligt er een laagje dauw op de aarde, het tentdoek en de tuinstoelen. Bij de eerste zonnestralen is ook de dauw als ‘sneeuw voor de zon’ weer verdwenen.

Insecten bevolken de lucht. Zij bevruchten de gewassen, opdat er weer nieuwe vruchten kunnen ontstaan. Vogels vliegen af en aan. Van hemelhoogten tot op het water laten zij van zich horen.

Wij mensen voelen in de zomertijd vaak ruimte en ‘lucht’. We zijn opgelucht dat in het midden van het jaar het dagelijks bestaan even mag wijken voor iets anders. We trekken er op uit om op vakantie te gaan. Nieuwe ervaringen op te doen, andere dingen te zien. We maken foto’s van bestemmingen die nieuw voor ons zijn en die wij niet willen vergeten. We nemen besluiten zoals ‘nooit meer zo stressen voor het werk maar de vakantie-rust-stemming vasthouden’.

Het is warm. De zon verwarmt al het leven op ons plekje van de aarde. Het is warm, soms zo warm, dat de lucht broeierig aanvoelt en onweer de atmosfeer weer doet ontspannen. Met luid gedonder en geflits, krijgen hemel en aarde hun proportie weer terug. De avonden zijn lang. We genieten na van de warmte van de zomerzon of maken een vuurtje om tot in de late uurtjes te genieten van de zomertijd. We kijken naar de sterren en dromen weg met verhalen, nieuwe plannen en voornemens. Zomerstemming en winterstemming. Rudolf Steiner heeft in zijn vele pedagogische aanwijzingen voor leraren en ouders aanwijzingen gegeven die hij de ‘zomer-en winterstemming’ noemde.

Voor het ene type kind, het kleinhoofdige kind, gaf hij de raad een zomerstemming aan te brengen. Voor het andere type kind, het groothoofdige kind, gaf hij het advies een winterstemming aan te brengen.

Groothoofdige kind

Baby’s, dreumesen en peuters hebben een groot hoofd. De verhouding ‘hoofd-lichaam’ is ongeveer 1 op 4.

¼ deel van het lichaam bestaat uit hoofd, ¾ deel uit de romp en de ledematen. Bij een oudste kleuter is de verhouding ongeveer 1/6  geworden. Bij de volwassen geworden mens  1/8.

Alle jonge kinderen neigen alleen al door de verhouding ‘hoofd-lichaam’ naar een groothoofdig beeld. Waaraan is dit beeld te herkennen?
Bij het jonge kind overheerst het hoofd in de gestalte. Het is in verhouding groot en rond van vorm. De wangen zijn gevuld en lijken op rode, ronde appeltjes. Het buikje, de benen, handen en voeten zijn eveneens gevuld met baby-, peuter- en kleutervet. De handjes en voetjes voelen lekker warm aan. Het kind geniet van eten en slapen. Op de momenten dat het wakker is, speelt het, kijkt rond en maakt een tevreden indruk.
Het jonge kind houdt van herhaling. Ook dat is een stemming die bij het groothoofdige kind past. Herhalen zonder haast, maar alles op zijn tijd. Het jonge kind ontwikkelt zich vanuit nabootsing, spel en beweging. Het jonge kind is beweging. Ziet het de bal van de stoep afrollen, dan bedenkt het jonge kind niet dat het niet van de stoep af mag gaan. Nee, het rent de eigen bal achterna.

Als de fantasie in het kind van ongeveer 2½ jaar zich openbaart, dan zien wij het jonge kind helemaal opgaan in de beelden, die het kind in en door het eigen spel schept. Het kind leeft in een wereld waarin alles mogelijk is en alles kan zijn. Werkelijkheid en fantasie lopen door elkaar. Het kind gaat op in een binnenwereld waarin het zich veilig voelt. Daar, waar het kind eventuele onveiligheid heeft ervaren, wordt dit vanuit de innerlijke rijke fantasiewereld in en door spel verwerkt. Abstracties zijn het jonge kind en daarmee ook het groothoofdige kind vreemd. Een abstractie voor het jonge kind is het volgende voorbeeld. In een kleuterklas wordt in de zomertijd een versje over de zee gezongen. De kleuterleidster laat een schelp in de kring rond gaan. Kleuters houden de schelp tegen hun oor om te luisteren naar het ruisen van de zee. Een kleinhoofdige kleuter zegt: “Juffie dat is niet het ruisen van de golven van de zee die je in de schelp hoort, het is het bloed in je oor. Dat heeft mijn vader zelf gezegd. Je hoort het bloed in je oor”. Voor het jonge kind is het een waarheid, dat de zee in een schelp te horen is. Is het een waarheid dat de bijtjes een lied zoemen en aan iedere bloem om honing vragen? Is het een waarheid dat Jan de Wind in de herfst de bladeren van de bomen waait? Als opvoeders mogen wij erop vertrouwen, dat het jonge kind langzaam aan wakkerder voor de wereld wordt. Wakkerder en in staat om meer de details waar te gaan nemen. Details als verschillen tussen bijvoorbeeld letters. Voor het jonge kind lijken een b en een p zoveel op elkaar, dat zij het verschil nauwelijks of niet opmerken. Het kind vanaf de eerste klas leeftijd ziet dit wel. Ook details als onderdelen van een geheel neemt het jonge kind nauwelijks waar. Het groothoofdige kind ziet, dat een jarig kind een prachtige jurk of broek aan heeft. Of er strikjes, ritsen of knopen aan de verjaardagskleding zaten, hebben zij vaak niet waargenomen.

Groothoofdige kinderen zijn kinderen die genieten van spel, herhaling, gezelligheid, harmonie, voorspelbaarheid en smullen van eten. Eten dat goed te verteren is en bij de verteringsmogelijkheden past van hun leeftijd. Melk, pap en licht verteerbaar fruit en groente voor het kind in het eerste levensjaar. Groenten, granen en fruit voor de peuter en de kleuter. Voeding die niet te sterk gekruid is en waar de smaak aan mag wennen. Ook hierin is herhaling van gerechten fijn voor deze kinderen.

Als groothoofdige kinderen ziek worden, kunnen zij flinke koorts krijgen. Het innerlijke kacheltje wordt flink opgestookt. De zomerwarmte wordt zo warm, dat het kind overmand wordt door hoge koortsen. Net als de broeierige stemming in de zomertijd. Na een kinderziekte met koorts volgt vaak een volgende stap in de ontwikkeling.

Kijkend naar het groothoofdige kind in relatie tot de zomerstemming, vallen ons de volgende kenmerken op: warmte, dromerig, beelden, herhaling, globaal waarnemen, rijke fantasiewereld. Rudolf Steiner gaf voor de groothoofdige kinderen aan, dat zij bij een te grote dromerigheid geholpen kunnen worden om meer in een winterstemming te komen. Als advies gaf hij een koude afwassing in de ochtend aan en een voedingsadvies.

’s Morgens na het ontwaken, kan het groothoofdige kind geholpen worden een beetje wakker voor de wereld te worden door een koude afwassing. De wastafel wordt met koud water rechtstreeks uit de kraan gevuld. Een paar druppels citroenwater van Weleda worden toegevoegd. Een washand nat maken met het citroenwater en heel goed uitknijpen. Het kind mag even ruiken aan de washand. De frisse geur van de citroen maakt wakker, trekt de mens naar binnen. De ouder wast het gezicht en de borst van het kind af met de koele washand. Het kind mag niet nat worden door een te natte washand.

Dit ritueel zes weken herhalen. Een poosje niet en indien wenselijk nog eens zes weken herhalen. Het helpt het kind ‘wakkerder’ te worden. Voor kleuters een liefdevolle weldaad om ‘wakkerder’ voor de wereld te worden. Ook gaf Rudolf Steiner aanwijzingen voor voeding. Voeg zout toe aan het eten. Zout bestaat uit rechte, kristallijne lijnen. Vanuit de euritmie zouden wij zeggen, het ‘E’ gebaar. Nu is de laatste 20, 30 jaar ons voedsel vele malen zouter geworden en is deze aanbeveling niet zomaar over te nemen.

Kleinhoofdige kind

Een totaal ander type kind is het kleinhoofdige kind. Zij komen eerder dan het groothoofdige kind aan in een lichaamsverhouding van 1/6. Het hoofd is in verhouding kleiner. De ledematen langer en dunner van vorm. De romp is eveneens langer gerekt en met weinig vet omhuld. Het zijn kinderen, die wat magerder zijn. Het haar is vaak sluik en dun. Ze kunnen bleek zien met kringen onder hun ogen. Ze zien en horen alles. De kleinste details nemen zij waar. Als eerste zien zij wie er op school niet aanwezig is. Eten en slapen zijn over het algemeen niet hun ‘hobby’. Ouders vragen zich soms af waar deze kinderen van groeien, zo weinig eten zij. Bij het naar bed gaan is het voor deze kinderen moeilijk om de dag los te laten en vol vertrouwen zich aan de nacht over te geven. Onverwerkte ervaringen van de dag komen in bed aan de oppervlakte en maken hen onrustig of angstig.

Rudolf Steiner gaf voor deze kinderen aan een zomerstemming aan te brengen. Een zomerstemming gevuld met warmte en zoet. Warmte die de opvoeders kunnen geven aan het kind met kleding die warmte schenkt. Kleding van natuurlijke materialen. Een warm kruikje in bed zodat het bed als een warm nestje aanvoelt zodat de overgave aan de nacht makkelijker wordt. Warm in een stemming dat ‘alles goed komt’. Rudolf Steiner gaf voor deze kinderen aan het eten te zoeten. Nu is onze voeding de laatste 20 à 30 jaar met vele sluipsuikers onopgemerkt vele malen zoeter geworden. De aanwijzing om het eten te zoeten is daardoor niet zondermeer op te volgen. Het zoeten van het eten kan wel gebeuren door op zoek te gaan naar ‘zoete groenten’ als wortel, pompoen en zoete toevoegingen als rozijnen en een klein beetje honing (vanaf de leeftijd van 1 jaar). Wintertijd, zomertijd, winterstemming, zomerstemming. Ook in de opvoeding van onze kinderen kunnen wij iets van de stemming van de seizoenen als pedagogisch instrument inzetten.
.
Loïs Eijgenraam
Dit artikel verscheen eerder in Vrije Opvoedkunst, winter 2016, hier weergegeven met toestemming van de auteur.

Loïs Eijgenraam: Je kind beter begrijpen

Meer boeken

Website Loïs Eijgenraam

School voor antroposofische kinderopvang

Het kleine(nere) kind: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1775-1664

.

.

VRIJESCHOOL – Driekoningenspel- regie-aanwijzingen (3)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET DRIEKONINGENSPEL UIT OBERUFER

Het vorige artikel eindigde met de ommegang (nr.2) van de koningen.

Nu sluit de kompany aan

GT: De kompany singht ommegaende : (No. 3)

Deze ommegang gaat door de zaal. Het hangt van de zaal af hoe je moet lopen om weer ‘op tijd’ op de juiste plaats op het toneel te staan. Soms wordt het 2x gezongen.

Ter tyt Herodis regiment                      Herodis=dis=2e-naamvalsuitgang
syn wysen uyten orient
gecomen veur Hierusalem an
toen Christus reets op aerden quam,
en vraegden alder weghen snel
waer geboren sy die in Israël
nae de joetse profety’n
de nieuw coninck soude syn.

GT: nieuw=tikfout=nieuwe

DH: de koningen zijn niet gaan zitten maar doorgelopen tot achter de coulissen rechtsachter.

Wanneer de kompanij zit, springt de duivel op en draagt de koningsstoel het toneel op. Dan schuift hij met veel lawaai de troon op z’n plaats en poetst deze grondig. Herodes, de engel, de driekoningen gaan staan voor hun plaatsen. Extra: bij het slot van het lied, dat ook herhaald kan worden, is ieder weer op het toneel vóór zijn plaats aangekomen. Nu springt de duivel het toneel op, pakt de stoel van de koningen en sleept die weg. Dan komt hij weer tevoorschijn en brengt de koningstroon van Herodes, zet die op het voorste kwart van het toneel, maakt ook hier allerlei capriolen en wenkt met een handbeweging koning Herodes, plaats te nemen. Koning H komt naar voren en gaat zitten. Links van hem staat de lakei.

GT: Duivel brengt zetel ven Herodes

DH: als de troon staat, staat de lakei op en gaat voor Herodes staat, buigt, doet een stapje opzij en loopt achter Herodes aan, deze gaat zitten en de lakei staat links van hem.

GT: Herodes treet op mitgaeder lackeye en spreeckt:

Bin ick eerst regt op een verbolghen
hy wagte hem veur de gevolghen!
aerts ende gheestlyc hoochste hant
heeft myn hier in der joetsen lant
gemaakt tot coninck al temet

gemaakt=tikfout=gemaekt

ende op de hoochste plaets geset.
Wy willen huyden regtspraak houden,
spreecken mit jonghen ende mit ouden,
die sullen treden al te mael
tot myn in myne conincks sael

De blauwe koning klopt    DH: alle drie, ze staan nog in de coulissen
waorc nae se wagt.          ( er wordt geklopt)

Het klopt lackey,
gaot sien wie daor geccmen sy.

De drie koningen staan op. De lakei sprint na een buiging weg, tuurt met de hand boven de ogen in de richting van de koningen, komt terug en zegt:

DH: idem, de koningen staan nog in de coulissen

Lackeye spreeckt:

Gehenadighste coningh, vreemt volc schier sonder tal 

coningh=tikfout=coninck

welcs doeltwit onbekent, comt hende tot u sael,

doeltwit=tikfout=doelwit

veul heren ende coninghen doense bringhen,
sy moghten ons wel gants omringhen.
Mit costlycke kleedingh synse an gedaon,
vol stacie doense daor henen gaon.

Coningh Herodes spreeckt:

Vraegt opterstont van waor sy comen
ende wat sy haor hebben veur genomen    (Lakei gaat)

Lakei met buiging weg, wendt zich tot de koningen. Buiging.

Lackeye spreeckt tot coningh Malchtor :

Ghy heren, conincklyc majesteyt
mogt weten waor veur ghy gecomen syt
in deuse stadt, alsoock het oort,
lant end geslaght daor toe ghy behoort.

oude tekst heeft ‘tot’

C. Melchior spreeckt:

Wy syn al tsaam van conincklycken standt,

oude tekst heeft coninclycken

twee onser uyt Scheba, eenen uyt morenlandt;

Het boek en de oude tekst hebbeb als aanwijzing – in DH zo gespeeld: lakei schrikt bij ’t zien van den zwarten koning.

Dat komt door zijn zwarte huid en in deze tijd is het m.i. beter deze niet tot aanleiding van ‘iets’ te maken.

isset coningh Herodi nae den sin,
so quamen wy gheern tot syn edelheyt in.

Het boek nu tekst van de lakei.

In oude tekst en GT ontbreekt de herhaling van deze woorden door de lakei. In DH:

Lakeye spreeckt:

Sy syn al tsaem van coninclyken standt,
twee hunner uyt Scheba, eenen uyt morenlandt
isset coningh Herodi nae den sin
so quamen sy gheern tot syn’ edelheyt in.

C. Herodes spreeckt:

Laotse in myn lcoament sonder verdrach
dattic haorlie an heuren mach.

Lackeye spreeckt totten drie coninghen:

Myn ghenadigst heer coninck begeert u precencie

precencie=drukfout=presencie

en dat ghy hem bloot leght u saek end intencie.

De drie koningen komen naar Herodes. Extra: de drie koningen komen naar Herodes en gaan rechts zijwaarts van hem staan, naast elkaar. Herodes gaat staan.

GT De drie coninghen comen voor Herodes, dese spreeckt:

DH: blijft zitten, wel meer rechtop.

Weest willecom heren, hoe dientet verstaon
dat ghy van veer tot mywaerts coomt gegaon ?

mywaerts=drukfout=mynwaerts

C. Kaspar spreeckt:

U edelheyt meughe ons verschenen
so wilc de oorsaek cortlyc ane toonen:
In Scheba onsen landen var
verscheen een sonderlycke star,
daor in eene maegt een kind doet draeghen,

Herodes kijk sceptisch

merckt wel waor van wy u gewaghen.
Hier deur wier ’t eerst ons openbaer
hoe dat den messias gecomen waer,
een coninck geboren over al
soot heir der joetsen dienen sal;

Herodes schrikt
oude tekst: Herodes kennelijk getroffen

hem soecken wy vlytigh uyt alle magt,
dit heeft ons op de reyse gebragt.

Koning Herodes heeft zich afgewend, spreekt tot in zichzelf, duister

C. Herodes spreeckt: (tot zichzelf)

DH: staat op, stapje naar voren

Hoe, hier te lande heyt sulx geschiet,
vreemden bekent, myn egter niet?

Hij wendt zich beleefd tot de koningen

GT: tot de koningen

so tyt me Betlem te deuser stonde,
so danich kint en wort hier niet gevonden.
Reyst henen ’t soecken. En daor ghy sult
hebben anbeden end seffens bedeelt,
bootschapt het myn, op dattic het weet,
dattic als eersten mach syn bereet,
dattic oock tottet kint mcgt reysen
hetzelve aanbidden gelycker wysen.

oude tekst: hetselve

Doet sulx ghy heren te mynen gerief,
’t kint met vereren waor’ my lief.

Hij buigt en gaat op de troon zitten met duister gezicht.

C. Kaspar spreeckt:

U edelheyt, soo wyt mogten vinden,
brenghemme u kondschap van het kinde.

De drie koningen buigen. De engel loopt voor hen over het toneel en gaat aan de andere kant, links staan. Extra: zij wenden zich na een diepe buiging voor Herodes iets naar opzij.

De Koningen gaan ter zijde

C. Melchior spreeckt:

Nu wel aan
wy tyen van Hierusalem van daen.

De engel loopt langzaam voor de koningen uit

oude tekst: De engel die tijdens het Herodestooneel op zijn bank heeft gezeten, is intussen opgestaan en leidt de koningen naar hun plaats terug. 

C. Balthasar spreeckt:

Siet an, de sterre gaot veur ons uyt
dwelc ons reets heeft geleyt
int ryc van orient
daor wy ’t kindeken hebben erkent.

De koningen gaan naar de engel; hij brengt hen naar hun plaats. Extra: de engel leidt de koningen weg – Allen op hun plaats

C. Herodes spreeckt: tot de lakei

Die maor en ontroert my niet weinigh den sin
wylc slechts een vreemden coningh bin
en geenen regten. Gaot lakey
roept ras de schriftgeleerden tot my
end overpriesters, op dattic hore
waor den nieuen coninck sal werden geboren,
soot heir der joetsen dienen sal.

Lackeye spreecktdiepe buiging

Ghenadighe coningh, ‘k verstae u wél,
wil sonder dralen end also snel
uytet gantse lant van hende en varre
de overpriesters byeen vergaeren.

Kaifas, Pilatus en Jonas springen naar voren. Hun uitspraak is Joods, hun gebaren buitengewoon levendig; alle drie bewegen ze steeds, kussen zichzelf, naar links en rechts springend, in de schouders krom gebogen, kussen elkaar, slaan de handen ineen en spreken van de koning met karikaturale gebaren die horen bij wat gezegd wordt, in koor zijn laatste woord na. Kaifas spreekt heel dichtbij Herodes onverstaanbaar snel: Extra: de lakei haast zich naar achteren en geeft met de Joden met ijverige gebaren aan dat ze naar koning Herodes moeten gaan. Dan gaat hij op zijn plaats zitten. DH: hij blijft erbij en schermt Herodes af en toe af voor hujn opdringerige gebaren.
Eerst komt Kaifas, kijkt om zich heen. Dan verschijnt Jonas, kijkt om zich heen. Kaifas en Jonas kijken naar elkaar en snellen naar elkaar toe, begroeten elkaar, waarbij ze elkaar omarmen, zich links en rechts op de schouder kussen, om elkaar heen springen, alles met snelle, levendige gebaren. Intussen is de derde Jood verschenen en nu is er weer een begroeting tot ze elkaar alle drie gekust hebben. Al hun gebaren zijn haastitg, veel bewegingen van de handen, vooral bij het spreken. Wanneer de ene spreekt, herhalen de anderen de laatste woorden. Herodes staat op, kruist zijn armen over zijn borst en begroet de Joden met een minzame handbeweging. 

GT: Lakei haalt Kaifas, Pilatus en Jonas met enig talmen en veel luidruchtigheid van hun banken. Hun uitspraak is joodsch, hun gebaren zeer levendig; alle drie zijn gestaag in beweging, kussen, zichzelf op de schouders, springend in gebukte houding (de Tefillim) vallen elkaar, bij Herodes gekomen, in de armen, slaan de handen in elkaar en spreken, met begeleidende gebaren, de laatste woorden van Horodes in koor na).

Kaifas spreeckt:

Wijst bij ieder gebruik van ‘ik’ op zichzelf met zijn vinger.

GT: vlak bij den koning staande, luid en bijna onverstaanbaar snel

Heer, ic Kaifas, myn eygenste lief,
heer, ic en doen u geen ongerief,
ic wilt al segghen op een haor,
wen coninghlycke majesteyt
het geenderley wyse niet euvel en duydt.

Herodes spreeckt:  Herodes minzaam

Spreeckt heer, doet ongestraft gewagh
schoonet my grootlyc mishaegen mach,

Joden buigen     DH: lopen weg

ic en hout u niet ten quade

De Joden komen in hun handen wrijvend en bevestigend knikkend op hem af
mids ic my gheern van u liet raeden,
wesweghen toch ic om u sont. Wenden zich teleurgesteld af DH: komen terug
So seght my aen wat ghy bevont.

Kaifas, Pilatus ende Jonas spreken : (door elkaar)  consonantisch

Alle 3 de Joden lopen druk opdringerig rond Herodes en spreken tegelijk. Het gaat steeds vlugger en luider, zodat op het laatst de woorden bijna wordeen uitgeschreeuwd; ze moeten wel duidelijk blijven.

Ghenadighe coningh, tleyt claor veurder hant,
in de stadt Betlem int joetse lant,
so as de scriften wysenet uyt,
so asset veers vanden psalmmeester luyt:
de soon sal boven syne vianden gaan,
boven allen so teughen hem op sellen staon,
veul vollecke hem volghen sal op aarde!
sy sullen in hem geseghend worden!

Het volgende wordt zo geschreeuwd dat Herodes geschrokken zijn oren dichthoudt

Syn naom sal hieten Immanuel!     nog harder:
doet claorlyc vermelden Ezechiel:
want boter ende honingh sal hy eten
ent goeje verkiesen, het quaaje vergeten.

Coningh Herodes spreeckt: afwerend met de handen

Hoe cost ende mogt dit efter syn:
uyt de maegde geboren een kindekyn ?

Kaifas spreeckt:

Het saat der vroue sal der slanghe den kop vermorselen. De Joden stampen verschillende keren met hun hakken hard op de grond
GT: zij trappen met de voeten 

staat=tikfout=saat

en alt verlorene sal hy weeromme bringhen. De Joden geven met hun handen het gebaar van brengen aan.

Herodes spreeckt:

Een maghtich coningh sprack tot my
en sonder schroom vermonde hy:
in Betlehem wiert van haor vernomen
sy ons tot solaes een verlosser gecomen,
geregten heerscher en herder goet
welc ons algaeder regeren moet.

Hier is herodes harder gaan spreken, zodat de Joden verschrikt achteruit deinzen en met de handen afweren.

Nu mogtic seker syn ende gewis
oft hiermet eene waorheyt is:
Myn ryck staet hier in groot gevaor
wattic u segghe dat is waor.

De Joden verdringen zich met bezwerende gebaren om Herodes

Kaifas spreeckt:

Heer, so en dorfment niet verstaen
als soude u ryck te gronde gaen:
een coninck sal hy worden geagt
maor niet en heerschen mit conincklycke magt,
verwesen sal hy syn ter doot,

De Joden ballen de hand tot vuist, de duimen naar onderen gestrekt.

syn eygenst volleck tot een spot.

Ze steken lang de tong uit naar het publiek

GT: zij steken alle drie hun tong uit.

Herodes spreeckt: indringend

Twaor beter sulx te veure comen
dat jonck hem tleven wier benomen,

De Joden wijken verschrikt uiteen, dan dringen ze zich weer aan Herodes op en proberen hem geruststellend te aaien.

eert volck hem schaerde an syne syde
ent ghaf ten lest een bloedigh stryden
so altemets een coningh quam tot myn.

Deze 3 regels heeft het boek niet.

Pilatus spreeckt:

Conincklyck majesteyt, wilt nog verduldich syn

Herodes laat zich daar de Joden op zijn stoel duwen, gaat zitten.

en blyft in uwen moet getroost
tot dat de coninghen van oost

Oudere tekst:  klopt hem staande, geruststellend op den schouder.

DH: Pilatus staat rechts van Herodes, Jonas links/ wisselen.

weder keeren en brenghen u konde
of syt aldus hebben bevonden.

Herodes spreeckt:

Int joetse lant – so staet te vresen –
mogtet te veuren ruchtbaor wesen.
Nog gisterdaegs wiert ons gemeld
hoe een engel quam totten schaepers opt veldt
en bootschapte haor dat geboren was
een nieucn coningh, Heer Kaifas,         Kaifas wijst trots op zichzelf 
seght waer geboren wort mit al
wient heir der joetsen dienen sal;

Herodes slaat met zijn scepter op de leuning van de troon

wat segghen hier van U profeten ?

GT: de schriftgeleerden kijken in hun papierrollen
Oudere tekst: en wijzen met de vingers.

Het boek en de teksten hebben Jonas die hier gaat spreken; DH: alle drie tegelijk

Jonas spreeckt:

DH: een rol met bijbelteksten wordt horizontaal uitgerold en er wordt van rechts naar links aanwijzend gelezen.

Sy doene allen een parighlyc weten:
Christus den coninck is uytvercoren
in Betlem sal hy worden geboren,
de stadt dwelc in Judea leyt.
Soo ist van profeten ane geseyt.

Bij de laatste regels gaan de andere Joden meespreken en schreeuwen de laatste zin in Herodes’ oren. Extra: bij de laatste regels gaan de beide Joden meespreken. Ze dringen zich heel dicht aan Herodes op en schreeuwen de laatste zin dichtbij zijn oren uit.

Herodes springt op en duwt de Joden van zich af; die vliegen verschrikt weg.

Herodes spreeckt:

Algoet
laet af en swyght alsnu
ick heurde alree genogh van u;
maekt u van hier.

De Joden trekken zich met diep onderdanige buigingen snel terug en gaat zo haastig naar achteren, dat ze met veel lawaai hun bank omgooien, langzaam overeind komen en gaan zitten.

GT: zij gaan snel naar hun bank terug, gooien die om en vallen over elkaar heen.

ic will te deghen
en regts die saeke overweghen
en rigt myn sin en mynen moet
op dattic vergiete het kint syn bloet;

Bij vergieten hoort men achter het toneel de duivel lachen; hi, hi, hi! Tijdens de volgende woorden loopt Herodes opgewonden heen en weer.

(GT: duivel lacht achter het toneel
Oude tekst: de duivel is achter het toneel gegaan en lacht hardop.

des lacht den duyvel inder hel,
past het hem wel, den qua ghesel ?  geschokt
o mostic geraeken in sullicke noot
het waor my liever ic lagh er reets doot.
Wat staet te doen in deusen daghen
te spreken?

GT: vraagteken ontbreekt

laes, ic moet vertsaeghen
ende versincken in sulck ellend
al eer ick eone an myn end.
Hoe loonics als daor van myn hooft  pakt zich naar links bij het hoofd
de coninghscrone wort gerooft?

oude tekst: grijpt naar zijn croon

Is geen die my de hant wil reyken?

luistert   DH: Gaat staanduivel komt op
oft geesten syn of myns ghelycken
ic had my gheerne haor verkocht
ofc se veur immer volghen mogt.

boek en oude tekst achter mogt een dubbele punt

0 wee, is nyemant soot vermogt?
is geen daor so my by wilt staon?

DH: gaat zitten.

De duiverl komt op, gebogen, met kleine sprongen, draait achter de troon en gaat als een slang naar Herodes

Oude tekst: kijkt in de zaal, met armen uitgestrekt. GT: Duivel springt lustig binnen en – oude tekst – klopt Herodes op den schouder.

Duyvel spreekt:

Wie daor, wie hier? wat schort er an?

DH: Duivel staat op verhoging achter de troon van Herodens en tikt Herodes links op de schouder, deze kijkt om, maar de duivel heeft zich al naar rechts bewogen, zoadat H hem niet ziet; ook zo op andere schouder. De duivel wacht steeds vol spanning af en is steeds alert en fel.

ic en laet van u te ghener tyt!
seght aen, wat is u swaericheyt
dat ghe u noot so fel doet claeghen?

Herodes spreeckt:

Van anghsten soudic vast vertsaeghen,

heeft zich diep in zijn troon weg laten zakken

wyl een nieuen coninck geboren is
over ’t lant der joetsen vercoren is: pauze
waor heen ic armen duyvel, ach!  pakt met beide handen zijn hoofd vast

Duyvel spreeckt:

Legt de vinger op de mond. DH: duivel maakt groot stilzwijgend gebaar

Swyght stil, ic bin vant selfden slagh!

Herodes kijkt hem geschrokken aan en buigt ver voorover.

geen duyvel en laet oyt syns gelycken,

nog verder weg; tijdens de volgende woorden gaat Herodes steeds beter luisteren.

ic hellep u oogmerck flucx bereycken,
op stel ende spronck isset gedaon:
den nieuen coninck sal ons niet ontgaon:
’ck bin hem so wel gesint als ghy,
volgeeren schaffic raet hier by!
dies maekt u op, geen uur gewagt.

DH: duivel gaat al weg

Herodes spreeckt:

Ghesel, op iet bin ‘ck noch bedacht;

DH: Duivel spring terug

so ic se alle ylinc doe deursteken,

Het boek heeft hier ‘een, twee, drie’ laten deursteken

oude tekst: soock se ylincs

men mogtet op my selven wreken;

Langzaam, met afgrijzen

sulck quat en wort wis niet verschoont
doch mit gelycker daet beloont.

Maakt het gebaar van onthoofd te worden.

Hoe mogtic my daor teughen keeren?

Duyvel spreeckt:

DH: gaat weer op verhoging staan.

Een oghenslach – en ‘ck salt u leren;
wilt ghy oock duyvel syn, so merckts, so merckts;

Oude tekst: met piepend geluid, wijzend

DH: deze inblazing moet altijd van achter Herodes, afwisselend het ene oor en het andere

in toren ende gramschap onvervaert
de ongeborenen selfs niet en spaert,
noch wyf noch kints u niet ontferm,
sy meughen syn ryck, sy meughen syn erm.

DH: hoog – inspirerend – achter hem, met priemende vinger.

ghy sult ombringhen alle knegtjes kleyn
so tweujaorigh en daor onder syn;

Opzij en naar voren richting publiek, lacht met de vuist voor zijn mond

dan doenic laghen in myne vuyst
kreck of den vos een gansjen muyst.

Tot de koning:

Dies maekt u op, geen uer gewagt;
ic vaor in naeme Bix Bax
tot mynen ghesellen roek ende rat.

Bij de laatste regels verdwijnt de duivel met kleine sprongen en gebukt. Herodes zinkt helemaal in zijn troon weg. Op het toneel wordt het een ogenblik helemaal donker. Dan weer licht. Herodes is dan al op zijn plaats.

DH: op woord ‘rat’ ineens donker. Duivel haalt in donker zeer snel de troon weg, naar coulissen links.

GT: duivel af. Herodes sluit zich aan bij de kompany

Duivel geeft teken aan spelersgroep om te gaan staan.

De kompany singht ommegaande (No. 4)

Op de plaats staand. DH: De regel en face:

Mit God so willenme ons liedeken vrolyck doen klincken:

DH: draaien en lopen:  ommegang door de zaal; boek ook.

deet nu Herodes dit woort vernemen,
gedrieën synse gegaen,
de star blonck veurse henen,
in Betlehem bleve de star stil staen.

DH: op’ stil’ stilstaan en op ‘staen’ voet bijplaatsen.

Nr.5

  1. Geboren is in Betlehem
    al in den stal
    een kind dwelcs ryck niet en eynden sal,
    Dies juyght vant jaar Hierusalem,
    ja, Christus de heer wy singhen hem,
    lof seyner moeder reyn,
    al met haor kindekyn.
    Christus de heer wy prysen hem
    met onsen vreuchdensanck,
    met onsen vreuchdensanck.

2. Het leyt vant jaer in Betlehem
in krebbe cleyn,
syns rycks en sal geen eynde syn.
Dies juyght vant jaer Hierusalem,
ja, Christus de heer wy singhen hem
lof seyner moeder reyn
al met haer kindekyn.
Christus de heer wy prysen hem
met onsen vreuchdensanck,
met onsen vreuchdensanck.

Deze ommegang gaat door de zaal en moet weer zo op het toneel eindigen dat ieder bij zijn plaats komt.

Deel 1 – GT blz. 1 t/m 4: Kaspar: ‘En hope voor het kind..”

Deel 2 – GT blz. 4 beginnend met lied nr. 1 en ommegang t/m ‘daor bleve de starre stil staen, blz. 6

Deel 4 – GT blz. 13 beginnend met ‘Verlaet o heer’ t/m 17 Maria: ‘van hier en tot het veer Egyptenlant’

Deel 5 – GT blz. 17 beginnend met het opruimen van krukje en geschenken door page, het plaatsen van de troon van Herodes door duivel t/m einde

.

.

Kerstspelenalle artikelen

.

1774-1663

.

VRIJESCHOOL – Driekoningenspel- regie-aanwijzingen (2)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET DRIEKONINGENSPEL UIT OBERUFER

Vervolg op deel 1, GT blz. 1 t/m 4
Dit deel: GT blz. 4 t/m 6

Het vorige artikel eindigde op blz. 4 van de GT. met de woorden van koning Kaspar: ‘en hope voor het kind daor met bestaen’.

In het boek staat nu weer: staat op, gaat naar zijn plaats terug en gaat zitten. De engel gaat naar zijn plaats terug bij zijn bank, maar blijft staan. De spelersgroep gaat staan, begint te zingen en de engel leidt ze over het toneel. Aan het eind van het zingen is ieder weer bij zijn plaats aangekomen

GT: AF.

DH: met page af. Engel terug* naar plaats op de bank – zie tegenstelling met Dornach. Evenals: de duivel schuift de troon van de koningen naar rechts in de coulissen, gaat snel terug naar zijn plaats en geeft een teken dat de spelersgroep op moet staan. In Dornach blijft de koningstroon (de stoel) staan!

*De engel stond nog links vooraan. Hij loopt van hier naar achter, tegelijk met een boog naar rechts, zodat hij in een ‘kromme’ bij zijn eigen plaats aankomt. In DH gaat hij zitten. De duivel geeft het teken om op te staan. De muziek geeft de opmaat. De spelers draaien naar rechts en zingen ‘Der’ op ‘wijzen’ begint het lopen met het rechterbeen. Waar het lied versnelt: ‘ylt, nu ylt,’ geen versnelling in het lopen. De timing moet zo zijn dat ieder ongeveer bij zijn plaats is. Duivel geeft weer teken om te zitten.

Boek: over het toneel loopt men zo:

DH. in lemniscaat:

Het hangt van de grootte van het toneel af hoe je de lemniscaat loopt, of misschien wel twee keer. Dat is een kwestie van timing. 
DH: Kaspar gaat links de coulissen in, wanneer hij daar voor het laatst in het lied dichtbij is; dat geldt voor Melchior en Balthasar en de page aan de rechterkant. (Ook Kapar kan hier meelopen en samen met B ‘omlopen”. Het laatste stukje van het lied zijn de koningen daar dus niet bij. DH: Balthasar liep achter het witte doek naar links, zodat vanaf die kant Balthasar en Kaspar verschijnen. Melchior en page komen van rechts.
DH: wie Viligratia speelde, was vaak ook de lakei van Herodes. Dat betekent dat deze lakei aan het begin er niet bij is en dat Viligratia hier af moet, om zich te gaan omkleden.

De kompany singht : (No. 1.)

Der wysen starre blinckt ons claer,
den hoochsten coninck moet voorwaer
op aertryc syn gecomen.
Och wysen, goede, wysen, seght
de waerheyt ons voor oghen leght
vanwaer hebt ghy vernomen ?

ghy=tikfout?: oudere tekst heeft =ghyt=

ylt nu, ylt
van hende en verre
mitter sterre
tottet kinde,
ylt den coninck der ere vinden.

De engel gaat weer op zijn plaats staan, vooraan rechts. De page haalt koning Melchior. Wanneer de koning op zijn stoel zit, loopt de page en kijkt naar de beide andere koningen die zijn gaan staan, komt terug en bericht de koning.          Extra: De spelersgroep gaat zitten. Koning en page blijven staan. De engel gaat links vooraan staan. Page buigt voor koning Melchior die inmiddels is gaan zitten. De page kijkt met zijn hand boven zijn ogen alsof hij in de verte tuurt, richt zich ”lebhaft’, druk, opgewonden, tot de koning:

DH: De engel steekt schuin over naar links vooraan

GT: koning Melchior, afgehaald door de pagie, komt op.
Oudere tekst: Koning Melchior zet zich neer, afgehaald als steeds, door den pagie. Deze kijkt in het rond, met levendige verwondering.

DH: koning Melchior en page komen uit coulissen. Aan de overzijde komen Balthasar en meteen daarna Kaspar – het toneel op. Page tuurt naar hen, loopt iets vóór Melchior en spreekt:

Pagie spreeckt:

Ghenadigste coningh, vreemt volleck sonder tal,
welcs doelwit onbekent, u dra gemoeten sal,
het schynt daor sy een coninck mit haorlieden
als over ons doet heerschen ende gebieden.

C. Melchior spreeckt:

So willic toeven een cort termyn
tot sy alhier sullen gecomen syn.

De beide koningen lopen naar koning Melchior,. Caspar links, Balthasar rechts.
Extra: De page gaat achter de koning staan. Koning B en C gaan staan en komen links en rechts op enige afstand van M te staan. M staat op. Buiging.

GT: De twee koningen komen ieder van een kant op)
Oudere tekst: De twee koningen komen ieder van een kant op. Pagie staat achter den koningszetel.
Dat betekent dat de oudere tekst ook de troon daar nog heeft gestaan, i.t.t. DH.

C. Melchior spreeckt: oudere tekst: opstaande

Myn eedle heren, weest gegroet,
buiging
waor hene staet u sin, hert ende moet ?

buiging C. Balthasar spreeckt:

Weest gegroet myn here, end u hofstoet daor neven, (pagie buigt)

maakt een wijzend gebaar naar de page
waor dogt u caravaen haor henen begheven?

DH: page gaat zitten

C. Melchior spreeckt:

Myn eedle here, heuschelyck danck   buiging
tot Hierusalem gaet onsen ganck

De drie koningen gaan bij elkaar staan. Extra: nu gaan de beide koningen maar Melchior toe, zodat ze een groep vormen.

C. Kaspar spreeckt:

Soot u ghelieve, seght my aen
Wat doet u nae Hierusalem op gaen ?

C. Melchior spreeckt:

In Jesaia men claerlyc gescreven vint
hoe dat een schoon ende arrom kint

arrom=tikfout=arrem

in Bethlehem geboren worden sal,
een coninck seffens vander aert ent gants heelal
Nu wiertet deur de sterre openbaer,
hoe oft geschiet is wonderbaer,
naedien geringhe tyt te voren
bereyts dit kinde is geboren.

boek: gedurende dat Melchior spreekt, maakt de engel een boog om de koningen:

C. Balthasar spreeckt:

Mit waorheyt magh ic segghen ist al gelyck
toe gegaon in myn coninckryck.
Een star is ons aldaor verschenen
daor in een joncvrou stond, een kint mit eenen
hier deur coomt aen den lighten dach
tgeen onder den heydens verborghen lagh.

C. Kaspar spreeckt;

Dit selve heeft my op de baen gebragt,
dat hoochelyc een wonder wort geagt,
hier omme wy van herten seere –

de engel gaat langzaam af; DH: naar achter

mogtet so syn – het vinden begeren.

GT: De Engel gaat langzaam naar de achtergrond
Oudere tekst: de engel gaat van zijn plaats, links vooraan, langzaam naar den achtergrond.

DH: Kasper links, in het midden Balthasar, een paar stappen achteruit, rechts Melchior, parallel aan Kaspar.

C. Melchior spreeckt;

Doch, nu de starre schier verdween
dwelc ons ten teken blonck voorheen
en wy in deusen weghen ende straeten
op geen middelen ons en dorren verlaeten,
oock niet en weten nae wellecken kant
in dit gants onbekende lant,

DH: de engel gaat lopen, bij ‘bericht’ is ze hier*

so en willenme de reyse niet beënden
en nae Hierusalem ons heen wenden,
of wy in gintser stede welligt
niet en vernamen een naeder berigt.

Terwijl Melchior dit spreekt, is de page gaan zitten: Extra: de page gaat naar zijn plaats. De engel is langzaam lopend over het toneel weer vóór de koningen aangekomen, over 3/4 van het toneel. De koningen sluiten zingend aan en de engel loopt – zie tekening. Iedere keer bij ‘stilstaan’, staan ze even stil.
De Nederlandse tekst heeft maar 1x stilstaan. 

GT: De drie Coninghen singhen achter den Enghel gaende (No. 2)
Oudere tekst: De drie koningen zingen, achter den engel gaande, langzaam in een vorm loopend over het tooneel. (Nr.2)

DH: 
Drie coninghen tyen, de starre veur an,
tot Bctlehem isser de starre gegaen
en heytse beduyt
waer ’t kindeken leyt,
daer bleve de starre stil staen.

GT: Pagie leidt de kompany tot achter de koningen

DH: de engel gaat voorop en de koningen volgen M, B, K. Ze lopen aan de linkerkant van het toneel naar rechts achter en Kaspar moet net even voorbij de page zijn, op ‘stilstaan’. Daar staat ze ook stil. De duivel geeft een teken aan de spelersgroep op te staan. Ze draaien tegelijk naar recht. Muziek: ‘Ter tyt’.

DH: Als Viligratia de lakei speelt, moet hij tijdens de ommegang ‘ergens’ logischerwijs invoegen. Na de laatste soldaat. Dornach heeft hem tussen Jozef en Viligratia.
De koningen gaan tussen de rechtercoulissen.

.

Vervolg  Deel 3 – GT blz. 6 beginnend met ‘Ter tyt Herodis regiment’ t/m ‘met onsen vreuchdensanck’ blz. 13

Deel 1 – GT blz. 1 t/m 4: Kaspar: ‘En hope voor het kind..”

Deel 4 – GT blz. 13 beginnend met ‘Verlaet o heer’ t/m 17 Maria: ‘van hier en tot het veer Egyptenlant’

Deel 5 – GT blz. 17 beginnend met het opruimen van krukje en geschenken door page, het plaatsen van de troon van Herodes door duivel t/m einde.

.

Kerstspelenalle artikelen

1773-1662

.

VRIJESCHOOL – Driekoningenspel- regie-aanwijzingen (1)

.

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

KERSTSPELEN UIT DE OUDE VOLKSCULTUUR

DE SPELEN UIT OBERUFER

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

In Den Haag droegen in ‘mijn’ tijd de drie koningen, om hun kleur uit te drukken, geen stoffen kleding, maar crêpepapier. Een soort hes zonder mouwen, over een onderkleed, om het middel bijeengehouden door een wat bredere stoffen band in dezelfde kleur. In de aanblik was het voor mij zeker zo, dat ze daardoor iets verhevens kregen, iets meer dan de kleding van stof. Dat zou dan zo’n Angabe geweest zijn, wat heel goed kan, maar nu werd er wel gesproken van ‘dit is imaginatief’, a.h.w. de koningen als imaginaties. In een sprookje is ‘de koning’ wél zo’n imaginatie, maar deze drie koningen zijn toch ook historische figuren. 
Het kan dus zomaar zijn gebeurd dat er in het begin helemaal nog geen kleren voor de koningen waren en dat men zich beholpen heeft met papier. Ik weet niet of het zo is, maar het zou kunnen en dan kan dit ‘behelpen’ een eigen leven zijn gaan leiden in de vorm van een ‘imaginatie’, c.q.: ‘Angabe’.

Het verhaal gaat, dat ‘ooit’ ‘ergens’ Viligratia tijdens het repeteren zijn boek met een klap heeft dichtgeslagen. Dat kan een zeker theatraal effect hebben. Maar een collega schijnt een keer, ‘stiekem voor de grap’, veel talkpoeder – om het haar van de spelers grijzer te maken – tussen de bladzijden te hebben gestrooid, met het effect dat er bij het dichtslaan, een enorme ‘stofwolk’ tevoorschijn kwam. Kinderen vinden dit leuk en reageren. Dan kan er maar weer zo een ‘Angabe’ zijn geboren: het boek is oud en stoffig, dus….

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET DRIEKONINGENSPEL UIT OBERUFER

De spelersgroep
De engel Gabriël, koning Melchior, koning Balthasar, koning Caspar, page, Maria, Jozef, lakei, Viligratia, koning Herodes, de hoofdman, de krijgsknechten, de drie schriftgeleerden: Kaifas, Pilatus, Jonas (Judas), de duivel.

DH: alle achterdoeken: wit. Daarvoor opgesteld: banken. De bank waar de schriftgeleerden op zitten, moet naar achter toe kunnen omvallen. Dat moet, gezien het achterdoek, goed bekeken worden. 

De banken staan achter op het toneel in een halve cirkel opgesteld. Van achteruit komt de spelersgroep op.

DH: geen halve cirkel, maar recht. In het boek is wel de opmerking gemaakt dat er in de ‘Schreinerei=werkplaats=gespeeld werd en dat men met de ruimtelijke vorming rekening had te houden.

Volgorde van opkomen:
Engel – Melchior – Balthasar – Caspar – page – Maria – Jozef – lakei – Viligratia – Herodes – hoofdman – 1e krijgsknecht – 2e krijgsknecht – 1e schriftgeleerde – 2e schriftgeleerde – 3e schriftgeleerde – duivel.

Ze lopen langs de banken, staan even stil en gaan dan tegelijk zitten. De engel komt naar voren en spreekt.

DH: de spelers komen van links achter, vlak langs de banken, op. Volgorde:
engel, Melchior, Balthasar, Caspar, Viligratia, page, Jozef, Maria, Herodes, hoofdman, soldaat, lakei, schriftgeleerden, duivel.
Ik zag in DH dat de rol van Viligratia en de lakei door 1 persoon werd gespeeld. Aangezien Viligratia eerder aan de beurt is, komt hij dan wél op p uiteraard ontbreekt dan de lakei – en Viligratia komt na de eerste ommegang niet meer het toneel op, blijft achter om zich als lakei om te kleden en deze komt met de eerstvolgende ommegang mee het toneel op.

De volgorde is anders dan in Dornach.

Er is geen muziek.
De duivel treedt als een soort toneelmeester op. Wanneer de spelers voor de banken, voor hun zitplaats staan, draaien ze zich tegelijkertijd met hun gezicht naar het publiek, de duivel geeft een gebaar dat ze kunnen gaan zitten en ze doen dat – als het lukt – precies tegelijk. De duivel gaat niet zitten, maar blijft, naast de laatste schriftgeleerde, terzijde in de coulissen.

De troon van Herodes staat links tussen de coulissen; die van de koningen rechts.

De engel komt naar voren, in het midden, de staf in de rechterhand – zij buigt 3x.
De Duitse uitgave geeft niet aan hoe. In DH: (later in de tekst) : midden, rechts, links en spreekt: 

DH: geen buigingen aan het begin.

De Enghel spreeckt :

‘k Treet voor uluyden sonder spot,
goên avond saamen, gheve u god,
een goên avond ende geseghende tyt,
mooch ons van daarboven syn toegeseyt.

heel kleine onderbreking

Agtbaere, seer vroede, goetgonstighe heren,

de engel buigt drie keer: midden, rechts, links

oock deugtsaame vrouen ende joncvrouen in alle ere,

de engel buigt drie keer: midden, rechts, links

wilt altegaar niet euvel duyden
dat wij ons spel vertoonen voor uluyden.
Tgeen dat ghy voor u ooch sult sien
is niet versintsel van onsliên,
noch ook van heidens uytgedocht
maer deur de heylighe scrift gebrogt;
van hoe Christus quam, ons menschen ten troost,
oock van d’albekende wysen van oost –
Sy synder gecomen een varre toght-
so als elck reysersman wel kennen moght –

in bepaalde uitgaven staat reyersman: dit is een typefout: het is een reiziger, een reysersman

Sy synder nae Hierusalem geteghen
en vraegden naet kindeken alder weghen.

heel kleine onderbreking

Herodes heytet mit droefnis vernomen
en hiet de geleerde priesters comen;

hiet=tikfout: liet

die sullen hem segghen sonder verlaet
wat inder heylighen scrifte staet.

heel kleine onderbreking

So ghy bereyt syt en het aen wilt hooren,
swyght stil en opent wyt u ooren.

De engel gaat bij de spelersgroep zitten op zijn plaats. De duivel brengt de koningsstoel en poetst deze met zijn staart omstandig op. Dan staat de engel op en gaat links (vanuit de zaal) opzij van de troon staan. 
De page gaat voor de koning staan en buigt. De koning loopt naar de stoel; de page begeleidt hem.

Als extra opmerkingen staat er in het boek:
De engel gaat naar zijn plaats. De duivel springt achter het toneel (denk aan de locatie van toen), komt met een stoel op zijn schouders tevoorschijn en zet deze vooraan in het midden, poetst hem en blaast stof weg en en haalt nog wat streken uit. Dan sluipt hij naar zijn plaats terug. De engel gaat links (vanuit publiek) van de troon staan. De page gaat staan, buigt diep voor koning Melchior. Deze gaat staan, schreidt waardig naar de stoel en gaat zitten. De page staan achter hem.

GT: Engel terug naar de achtergrond. Duivel brengt koningszetel. Pagie geleidt K.Meichior naar de zetel)

DH: de engel gaat terug naar de bank en gaat zitten.

Ook gezien dat de engel na zijn woorden naar rechts gaat en daar vooraan, blijft staan. Dit om onnodig geloop – eerst naar achteren, gaan zitten, weer opstaan en naar voren lopen, te vermeiden. Als de duivel dan weer op zijn oude plaats staat.

DH: De page kruist als deze gaat staan, de armen voor de borst en wendt zich zo tot de koning die aan de beurt is. Dan een kleine stap naar rechts, anders staat hij vóór Balthasar. Melchior schreidt dan naar de troon, staf in rechterhand, onmiddellijk gevolgd door de page die terzijde blijft staan, links.

Coningh Melchior spreeckt :
DH: de denker, hij spreekt stralend, de zaal in:

Myn gattercompas end instrumenten goet
naestelyc, pagie, hende bringhen doet,

naestelic=tikfout: haestelic

de page buigt en loopt naar rechtsachter, maar nog vóór de banken 

der heemlen gloria, reickt boven dien

bij der heemlen houdt de page nog even in en wendt het hoofd om te luisteren, en pakt uit de coulissen de voorwerpen

De oude Duitse tekst heeft tussen gatter en compas een verbindingsstreepje; in de GT staat het woord aan elkaar en wordt, voor zover ik heb gezien, altijd als één ding beschouwd. Volgens dit artikel zijn het echter twee verschillende instrumenten. Er waren nog geen verrekijkers met lenzen, maar een rol om door te kijken, kan heel goed gebruikt worden, zie artikel. DH had zo’n rol.

gins blinckt een star so noyt en wiert gesien:
daor Venus mit Sonne doet consamaneren
staet iet veurt oogh als nimmer te veuren:
een overschone helle schyn !
van waer mach dit gestarnt wel syn?

De page draagt met twee handen de kijker, terug aan de linkerkant van de troon, gaat voor Melchior staan, die geeft hem in de linkerhand zijn staf en pakt met een of twee handen de kijker aan. Page draait terug met staf in linkerhand en gaat weer naast de troon staan. Melchior gebruikt het instrument:

Als er twee instrumenten gebruikt worden, moet de page, bijna voor Melchior staand, met zijn linkerhand eerst een daarvan in Melchiors linkerhand geven. Met zijn linkerhand pakt de page nu de staf van Melchior over en geeft hem in zijn rechterhand het andere instrument, de page gaat weer op zijn plaats staan door a.h.w. naar links terug te draaien, achterwaarts te stappen. Melchior moet nu een van de instrumenten gebruiken en het andere in zijn schoot leggen. Eventueel later verwisselen. Eenvoudiger is dus: 1 instrument. 

’t en is niet byster veer geleghen,
dit is certeyn een heyligh teken,
te middenst sienick eene maagt,
die claorelyc een kindeken draegt,
de helle glans van heur gelaet,
het ligt der starre te boven gaet;

De engel loopt met de ster over het toneel; 
extra aantekening: de engel gaat heen, en weer terug. De page wijst met de vinger mee, terwijl Melchior spreekt:

DH: de engel loopt van rechts naar links midden, vlak voor ‘sneller’ is hij ook sneller gaan lopen, a.h.w. naar de overkant van het toneel.

oock doet sy nieuwers stille staon
doch sneller ende sneller rontsomme gaon.
Het kind dwelc de joncvrou draegt
ick schou’t beweeght hem telken staeg.

Legt de kijker rechts van hem, denkt even na en zegt tegen de page:

Te duyden wat wonder verschynt aldus,
roept, pagie den mathematicus
of hy mogt verclaeren wattet bediet
dat men de maegt met een kindeken siet.

Page buigt en spreekt:

DH: Melchior legt de kijker rechts van hem in de troon, page gaat voor hem staan, geeft hem de staf terug en spreekt:

Pagie spreeckt:

Ghenadighe coninck, u woort ic wel verstae;
ic bringh u schielken Viligratia.

Na een tweede diepe buiging gaat de page naar de achtergrond, sommeert Viligratia – wenkt 3x met zijn vinger hem te volgen en brengt hem naar de koning. Ze gaan rechts en links van de troon staan. Viligratia buigt eerbiedig.

DH: page buigt met gekruiste armen en loopt vanaf links van Melchior recht naar achteren, kijkt links en rechts, zoekt. 
In een eerder uitgegeven tekst, staat: pagie gaat naar de kompanij, vindt met enig zoeken Viligratia, wenkt hem met de vinger en voert hem tot de koning.

GT: Pagie haalt Viligratia

Coningh Melchior spreeckt:

Myn Viligratia., duydt ghy my ginse sterre ?

Viligratia spreeckt:

Schermt met zijn hand zijn ogen af en tuurt lang naar de hemel, schudt zijn hoofd en spreekt:

Ghenadighe coninck, dit sy van my verre,
doch willec de profeten consamaneren

willec is tikfout=willic

oftic uyt haor welligt iet deducere.

oudere tekst heeft offic

Bladert haastig in een groot boek dat hij onder zijn arm draagt.
Extra toevoeging: hij heeft een groot, lijvig boek onder zijn arm, opent het en bladert er haastig in, kijkt, zoekt, volgt zijn vinger tot hij iets gevonden schijnt te hebben.

GT: V. bladert in zijn boek

DH: groots de vinger op de passage:

Jesaia den profeet spreeckt inderdaat
van dat in Betlem te geschieden staet:
Een coninck daer alras geboren worden sal,
Messias van der aert ent gants heelal.

DH: boek met een zekere ‘klap’ dicht en weer onder de arm. 

Coningh Melchior spreeckt:

’t Coomt my te veur oft woort van den profeet
alree in Betlem sich vervullen deet, kleine pauze.

Viligratia knikt ‘ja’.

dies willic naestelyc bedeneken

naestelyc=tikfout=naerstelyc

wattic het kindeken sal schencken ?
een somme gouts houdic bereyt,
gout voegt eens coninghs majesteyt,
den coningh oock der aert ent gants heelal,

hij wijst met zijn hand naar boven en beneden

ic hope hy my des ghenadich wesen sal.

DH: Melchior gaat staan.

Gaet hene ende sorght mit vlyt, myn pagie,
dat al bereyt wort veur de pelgrimagie;

DH: page buigt

en voert ghy, Viligratia ’t regiment
tottic die reyse heb gebrogt ten end.

Hij gaat staan

Viligratia spreeckt:

Ghenadighe coninck, nae u content
willic hier voeren het regiment.

Viligratia en page buigen diep. Allen dan naar hun plaats. Nu springt de duivel weer naar de stoel, tilt hem omhoog en zet hem met een bons weer neer, poetst, stoft af en zet alles goed neer voor de tweede ko0ning. Dan sluipt hij terug. Koning Baltasar gaat staan, loopt naar de stoel, gaat zitten en spreekt.

GT: K. Melchior, Viligratia en Pagie zetel voor K.Balthasar gereed),
oudere tekst: K.Melchior, Viligratia en Pagie achter elkaar naar hun banken. De duivel stof de koningszetel af en zet hem opnieuw neer.

DH: duivel kijkt door de kijker, omgekeerd en schrikt. Na gepoets en gewrijf, geschoven met de troon enz. gaat hij weer naar zijn plaats en neemt de kijker mee.
Bij het teruggaan naar de banken: Melchior voorop, gevolgd door Viligratia en page, in de volgorde gaan ze ook zitten. Inmiddels loopt de engel met enige vaart terug naar de overkant van het toneel (rechts)

Koning Baltahsar gaat staan, loopt naar de stoel, gaat zitten en spreekt.

DH: page staat op, gaat met gekruiste armen voor Balthasar staan, buigt. Balthasar staat op, page stapje naar rechts, Balthasar richting troon, page volgt.
Blijft vóór troon staan en spreekt, met gevoel, warm, tikkeltje overdreven.

Coningh Balthasar spreeckt :

Huy morghen bragt myn hofstoet my de konde
hoe dat sich deuse nagt een wonder toonde.
Een vreemt gestarnt van selsaem claeren schyn
daor in een joncvrou deet verschenen syn,
mit haor een coninck vander aert ent gants heelal;

kleine pauze

het voeght dat men hem wieroock offren sal;

GT heeft datmen aan elkaar, oudere tekst los

DH: Balthasar gaat zitten

een kindelingh so lieflyc teer,
voorwaar sulck dingh en sachmen nemmermeer.

staat op en loopt naar het voetlicht 

GT tot het publiek sprekend:

Doet op de weghen ende straeten gaen
en deuse star ent wonder gaode slaen
so speurt ghy alte wel dattet waorlyc leyt
gelyck myn hofstoet my heeft an geseyt.

Gaat zitten. Extra aanwijzing: hij gaat terug naar zijn stoel en gaat weer zitten.

O nimmer en hoordic, veur ofte nae
dat bewaerheyt wier sulcke historia:

wier=tikfout=wier

DH: eerst peinzen, in tegenstelling tot Herodes, vol verwondering:

een joncvrou reyn, moeder te selfder tyt,

DH: engel komt in beweging en gaat langzaam naar andere kant toneel

heur kindelingh coninck arm ende ryc !

Nae Betlehem doet het gestarnt ons wysen
als souden wy algaoder daor henen reysen.
Niet en deurgront ic sulck geheimenis
dwelc bij den scriftgeleerden claer te vinden is:

zeer bedachtzaam

sonder man geboren een kindekyn,
een coninck der joetsen sal hy syn.

hij gaat staan

Dies willic op staon DH: staat op morghen mitten dach
ende sien offic het kindeken vinden mach,

De duivel komt weer, maakt de stoel klaar voor koning Caspar en haalt zijn streken uit. Extra: gaat weer naar zijn plaats terug en gaat zitten. De duivel tilt de stoel weer hoog boven zijn hoofd – het lijkt erop of hij deze met een grote smak weer neer wil zetten – zet hem dan heel zachtjes neer, poetst, stoft, blaast en verdwijnt dan weer naar zijn plaats.

GT: AF

DH: Balthasar voorop, gevolgd door page, gaan zitten. Engel terug naar rechts.

GT: Duivel maakt de zetel voor K,Kasper gereed.
oudere tekst: Duivel maakt de zetel gereed als voren

Koning Caspar gaat staan, gaat naar de stoel, gaat zitten.

DH: page herhaalt de ceremonie van bij de andere koningen.

DH: Kaspar: cholericus. Hij is de jongste. Krachtig in woorden, in de ademstroom. Stem mag niet uitschieten. 
Blijft staan.

Coningh Kaspar spreeckt:

0 wonder groot, hoochste verheuchenis,
diewyl eenmael de tyt gecomen is

oudere tekst eenmaol

en den messias, langh begeert, nu is geboren
van eener maegde uytvercoren.

wijst op de ster

Aldus doet een gestarnt ons leren,
welc teken men sal respecteren
mids de historie hier deur wiert vervult
die by den joetsen als verdightsel geldt
Sy soeken alder weghen mit groot misbaer
offet oock ieuwerinc te vinden waer.

kleine pauze

DH: gaat zitten

Wat efter salt geschenck end offer syn
daor met het kinde wel te vre mogt syn?

kleine pauze – overleggend

wyl hy een coninck is der aert ent gants heelal
is mir de gave so men brenghen sal.

pauze. staat op:

DH: staat op:

Mit alsulck offer willic tot hem gaen
en hope voor het kind daor met bestaen.

In het boek staat nu weer: staat op, gaat naar zijn plaats terug en gaat zitten. De engel gaat naar zijn plaats terug bij zijn bank, maar blijft staan. De spelersgroep gaat staan, begint te zingen en de engel leidt ze over het toneel. Aan het eind van het zingen is ieder weer bij zijn plaats aangekomen

GT: AF.

DH: met page af. Engel terug naar plaats op de bank – zie tegenstelling met Dornach. Evenals: de duivel schuift de troon van de koningen naar rechts in de coulissen, gaat snel terug naar zijn plaats en geeft een teken dat de spelersgroep op moet staan. In Dornach blijft de koningstroon (de stoel) staan!

.

Vervolgdeel 2 – GT blz. 4 beginnend met lied nr. 1 en ommegang t/m ‘daor bleve de starre stil staen, blz. 6

Deel 3 – GT blz. 6 beginnend met ‘Ter tyt Herodis regiment’ t/m ‘met onsen vreuchdensanck’ blz. 13

Deel 4 – GT blz. 13 beginnend met ‘Verlaet o heer’ t/m 17 Maria: ‘van hier en tot het veer Egyptenlant’

Deel 5 – GT blz. 17 beginnend met het opruimen van krukje en geschenken door page, het plaatsen van de troon van Herodes door duivel t/m einde

.

Kerstspelen: alle artikelen

.

1772-1661

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen (5)

.

ONZE KERSTSPELEN

In zijn boek “The bridge of San Luis Rey” vertelt Thornton Wilder van het instorten van een brug in Peru, 250 jaar geleden, waarbij vijf mensen, die zich juist op dat moment op die brug bevonden, omkwamen. Hij stelde zich de vraag, of men door een zich verdiepen in de levensloop van die verschillende mensen misschien zou kunnen gaan vermoeden of het slechts een toeval is, dat juist deze vijf mensen tezamen dit lot moesten treffen, of dat er een “bedoeling” te vinden zou zijn.

Zo kan het ook voorkomen dat bepaalde mensen op het laatste moment ervoor behoed worden, dat zij door de poort van de dood zouden gaan. Mensen, die oog in oog met de dood door een ongeval gestaan hebben, b.v. door verdrinking, of op een bergtocht en toch nog net door een “toeval” het leven behielden.

Of ook mensen die door een “toeval” zich net niet aan boord van een vliegtuig of in een bepaalde trein bevonden, hoewel zij dat wel van plan geweest waren en die daardoor aan een ramp ontkomen zijn.

Richtte Wilder zijn aandacht op het verleden van de betrokken mensen, zo is men in die andere gevallen geneigd zich juist in hun verdere toekomst te verdiepen. Wat speelt zich in het leven van die mensen verder af, waardoor men zou kunnen gaan vermoeden, wat de “bedoeling” van hun “toevallige” redding geweest zou kunnen zijn. Zij hebben, zou men kunnen zeggen, een nieuw leven gekregen en wat hebben zij ermee kunnen doen?

Zulke vragen kan men niet alleen stellen ten aanzien van het leven van mensen. Iets dergelijks heeft zich afgespeeld met de middeleeuwse kerstspelen uit Oberufer. Een taalgeleerde, Karl Julius Schröer, besteedde vrijwel zijn gehele leven aan de studie van het leven en de werken van Goethe. Maar gedurende een vrij korte tijd in zijn jonge jaren, toen hij leraar was aan een gymnasium in Presburg (Bratislava) had hij “toevallig” een grote belangstelling voor dialecten en in samenhang daarmee voor oude overgeleverde volkskunst. Hierdoor kwam hij in aanraking met oude kerstspelen, die al sinds eeuwen leefden op een eiland in de Donau in Hongarije, in het dorp Oberufer, waar de afstammelingen van eenvoudige Duitse boeren- landverhuizers sinds  ± 1600 leefden. Hij woonde in 1853 een opvoering bij en sprak na afloop lang met David Malatitsch. de ”leermeester goed” die het beheer had over alles, wat met de spelen te maken had.

Schröer had intuïtief een vermoeden, dat er ergens in het paradijsspel een lacune moest zijn ontstaan en bracht dit ter sprake. Aanvankelijk ontkende Malatitsch dit verontwaardigd, aangetast als hij zich voelde in zijn autoriteit en zijn deskundigheid door die geleerde stadsmensen.

Maar Schröer houdt vol en mopperend en tegenstribbelend begint Malatitsch toch in zijn geheugen te graven, en met horten en stoten, maar dan steeds vlotter, komen er tot zijn eigen stomme verbazing, regels omhoog, die hij sinds zijn jeugd, toen hij, nog bijna een kind, onder leiding van zijn vader de rol van Engel Gabriël gespeeld had, totaal vergeten was. Ze worden, dank zij Schröer, ongeveer dertig regels uit het tweegesprek tussen Godvader en Adam, vóór de schepping van Eva, aan de vergetelheid ontrukt, wellicht zou er op den duur nog meer verloren gegaan zijn. Maar nu worden de spelen als een drenkeling op het laatste ogenblik nog bij de haren van de verdrinkingsdood gered. En met welke bedoeling”?

In deze adventstijd van 1974 worden zij vele honderden malen opgevoerd in de meest uiteenlopende plaatsen over de hele aardbol verspreid. Zo is het al vele tientallen jaren en voor talloze duizenden mensen vormen zij een allerkostbaarst en onvervangbaar levensbezit.

Zo ging het echter niet ineens. Het ging als met de Steen van Rosetta, die eeuwenlang in totale vergetelheid ergens in Egypte gelegen had. Die toen door een toeval, tijdens een expeditie van Napoleon bij het slopen van een vesting tussen het puin gevonden werd. Daardoor kon, overigens nog na jaren van gissen en studie, het Egyptische hiëroglyfenschrift ontcijferd worden, en konden de mensen een nieuwe toegang vinden tot een rijkdom aan Egyptische cultuur, waarvan de kennis en het beleven zich over de gehele aardbol verspreidden.

Zo lag het boekje, dat Schröer over de kerstspelen gepubliceerd had, jarenlang vrijwel onopgemerkt op de stoffige planken van vele wetenschappelijke bibliotheken in Europa. Hij had dit met toestemming van David Malatitsch mogen uitgeven, ‘op voorwaarde dat de tekst van de spelen in Gotische letters gedrukt zou worden, en dat het recht van opvoering uitdrukkelijk aan de toestemming van hem, Malatitsch en zijn erfgenamen, gebonden zou zijn.’ Behalve de tekst bevat het een schat van bijzonderheden en aanwijzingen over spel, regie en spelers en o.a. ook interessante en uitgebreide vergelijkingen met andere min of meer bekende spelen. In Oberufer werden de spelen intussen af en toe, met tussenpozen van vier tot twaalf jaar, opgevoerd, maar niemand toonde er verder belangstelling voor en het was volmaakt stil om de spelen.

Eenmaal na 20 jaar, vond er in deze stilte een gebeurtenis plaats, die van belang was.
In de kersttijd van 1882 had Schröer, sinds lang professor, een gesprek met de student Rudolf Steiner. Tussen hen was een intieme band ontstaan van waardering en vererende bewondering. Met opvlammend enthousiasme vertelt Schröer van wat hij in Oberufer gehoord, gezien en beleefd had, en met het kostbare boekje geeft hij ook zijn liefdevolle bewondering voor de spelen aan Rudolf Steiner door. De stilte blijft echter onverbroken, tot dat, weer 28 jaar later, in 1910 onder regie van Rudolf Steiner in München een eerste opvoering plaats vond, op een zeer markant moment van zijn leven en werken.

En dan plaatst hij het geschenk van Schröer met zoveel zorg, liefde en kracht in de wereld, dat de oude spelen in een nieuwe stroom komen, die zich al spoedig steeds weer ging vertakken naar talloos vele plaatsen op de aardbol. En bij het tot standkomen van deze verbreiding hebben de “Vrije Scholen” een belangrijke rol gespeeld, omdat vooral voor kinderen het aanschouwen en het meebeleven van deze spelen van onschatbare betekenis kan zijn.

Wij leven in een tijdperk waarin de mensheid in overgrote meerderheid vergeten is, of nu meer kan beleven, dat de wereld, zoals wij die om ons heen waarnemen, de uitdrukking en tegelijk de openbaring is van een bovenzinnelijke wereld, en dat elk mens die onze aarde betreedt, afkomstig is uit een goddelijk-geestelijke wereld, die zijn ware vaderland is. Vooral kleine kinderen weten dit nog heel goed. Een zekere tijd lang hebben zij nog een herinnering aan de wereld, waaruit zij stammen, en kunnen zij veel daarvan als realiteiten beleven en ervaren, wat voor anderen niet meer zonder meer mogelijk is.

Het ‘orgaan’ dat zij daarvoor hebben, moet echter gevoed worden, wil het niet verschrompelen en verdorren en voorgoed verloren gaan. Dat voedsel kan niet daaruit bestaan, dat men er met de kinderen over zou spreken.

Maar beelden, die een uitdrukking en een openbaring zijn van de werkelijkheden, waar het hier om gaat, die zijn het waarachtige voedsel, dat de kinderen nodig hebben en met vreugdevolle herkenning in zich opnemen.

Die beelden zijn op talloze plaatsen te vinden o.m. in de sprookjes, de oude mythologieën, in het Oude en het Nieuwe Testament. En de eenvoudige, maar veelomvattende als gedegen goud zo zuivere, eerbiedwaardige beelden, waarin de kerstspelen tot ons spreken van de meest centrale gebeurtenissen uit de mensheidsgeschiedenis, nemen daarbij een eminente plaats in. Zij behoren tot het kostbaarste voedsel, dat men kinderen geven kan.

Een opvoering van de kerstspelen is meer dan alleen maar een vertoning, die men eens gezien moet hebben; meer ook dan een middel tot voorbereiding en verrijking van de kersttijd. En de ritmische herhaling van het aanschouwen en meebeleven van jaar tot jaar speelt hierbij een belangrijke rol. Een opmerking als: “waarom spelen jullie toch elk jaar dezelfde spelen, wij kennen ze toch immers al én zou het dan niet goed zijn eens iets anders te kiezen?” wordt af en toe gemaakt, maar is bepaald niet terecht.

Wij weten om te beginnen allen, dat we bepaalde boeken graag herlezen, bepaalde werken van beeldende kunst telkens weer willen zien, geliefde muziek graag opnieuw willen horen. Maar hier gaat het toch nog om meer.

De herhaling, en vooral de ritmische herhaling, heeft een onvervangbare waarde in zichzelf, los van het al of niet beter leren kennen. Kinderen weten dat wanneer zij het allang door en door bekende sprookje toch telkens opnieuw willen horen, liefst in dezelfde bewoordingen. Vele kinderliedjes en spelletjes ontlenen juist aan die ritmische herhaling hun waarde en daarom zijn zij altijd weer opnieuw zo geliefd.

Ook op het terrein van het religieus beleven kan men de waarde hiervan ervaren. Althans wanneer de religieuze praktijk niet op sleur of traditie, maar op een
innerlijk beleefde behoefte, een uit eerbied geboren overgave en een op den duur ontstane geloofservaring berust. Veel mensen kennen dit b.v. uit het meeleven met de eredienst door het jaar heen. En leest u eens een gedeelte uit de redevoeringen van Boeddha in onverkorte weergave, hardop en in alle rust.
Daar kan men de werking van de ritmische herhaling heel sterk beleven. Zo ook bij het lezen van het 6e hoofdstuk van het evangelie volgens Johannes met de ritmisch herhaalde aankondiging van het mysterie van de opstanding.

Voedsel moet op de juiste wijze toebereid zijn om in het organisme met vrucht opgenomen te kunnen worden. De ritmische herhaling is een vorm van “toebereiden”, was door het eerder genoemde ‘’orgaan” zijn voedsel op een harmonische en wehkzame wijze kan opnemen, zodat het behouden kan blijven. Dan zal het op een zekere leeftijd toch wel gaan zwijgen, maar het leeft, het is rijk aan inhoud en het betekent voor de mens een verborgen schat, die op de allerbelangrijkste levensmomenten aan het licht kan komen of gebracht worden om hem kracht, uitkomst of redding te brengen.

Want wij leven ook in een tijdperk waarin de mensheid geteisterd werd, wordt en zal worden door de zwaarste beproevingen, die ooit in de geschiedenis voorgekomen zijn. Hiermee kan men slechts vergelijken een tijd als die van omstreeks de zevende tot de derde eeuw voor Christus, toen stormen over de wereld raasden en de mensheid door groei en ondergang van het ene wereldrijk na het andere van catastrofe tot catastrofe geslingerd werd. Ook toen reeds betekende het lot van de mensheid tevens onmetelijk lijden voor talloze individuele mensen, al waren het niet zo vele millioenen als in onze tijd die bij wereldrampen betrokken zijn. En waar zal de mens dan de kracht vinden om stand te houden?

Wellicht dat dan dat “orgaan” weer gaat spreken, dat dan die verborgen schat aan het licht komt, dat mede dank zij de beelden, die al in Oberufer met zoveel liefdevolle zorg en eerbied voorbereid en tenslotte voor de mensen geplaatst werden, die mens de hulp kan vinden die hem werkelijk redden kan. Het beleven van zijn oorsprong uit en zijn verbonden zijn met een goddelijk-geestelijk vaderland en met de hoge machten die de mens willen helpen, maar die het alleen kunnen wanneer de mens de toegang tot hen zelf wil zoeken.

Zo kunnen deze spelen in de eerste plaats voor kinderen, maar toch ook niet minder voor volwassenen, tot een heel kostbaar geschenk worden. Een geschenk, dat als een gouden sleutel in een geheime bergplaats van de ziel verborgen blijft tot het ogenblik dat men zich voor een gesloten deur geplaatst ziet, waardoor men onverbiddelijk verhinderd wordt zijn weg te vervolgen. Tenzij men hem met die sleutel weet te openen.
.

C.R.Klinkenberg, vrijeschool Den Haag, dec. 1974.
Dit artikel is een gedeeltelijk vernieuwde bewerking van een artikel, dat in december 1966 verscheen in no» 26 van het blad ,De Vrije School”, voorganger van “Vrijblijvend.

.

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstspelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstmis

.

1771-1660

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (12)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Pieter HA Witvliet

NIKKIE EN SANNE                                                              EN DE JAARKLOK

Satomi Ichikawa laat broer en zus Nikkie en Sanne kennis maken met de wereld om hen heen. In hun kielzog hun kleine broertje Ta-taj. ‘De jaarklok’ leidt hen door de seizoenen. In elk jaargetijde valt van alles te beleven. En de kinderen die het wordt voorgelezen of de kinderen die het zelf lezen, zullen veel leren van wat er allemaal gebeurt en benoemd wordt. Hoe herkenbaar is de voor de kinderen van die leeftijd de tekst.
In de lente zie je de jonge egeltjes, met Pasen schilder je eieren; de bloemen zijn er om bloemenkransen te maken; de zomer is warm en het bad brengt verkoeling
Af en toe met een leuk gedichtje:

Haastig likken, haastig slikken, want owee,
zonnestralen likken altijd van je ijsje mee …
Haastig klimmen, haastig plukken, want jawel,
alle kersen springen bijna uit hun kersevel!

In de herfst met je laarzen door de bladeeren die je in de tuin kan opvegen; de winter met sneeuw- en ijspret en Kerstmis tot besluit:

De kerstboom staat te pralen
met alle lichtjes aan.

Nog even, en de jaarklok
begint van voorafaan

De verzorgde, lieve, kleurrijke tekeningen van Harriet Laurey maken het iedere keer weer tot een feest om er in te lezen of te bladeren.

3-8jr

Boek  Helaas niet meer leverbaar; maar de moeite waard om er de 2e-hands markt voor af te struinen.

.

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

1770-1659

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – toespraak bij de kerstspelen (8)

.

In de voordrachtenreeks (GA=Gesamt Ausgabe) zijn de toespraken die Steiner hield naar aanleiding van opvoeringen van de kerstspelen, gebundeld in nr. 274 [1]:

TOESPRAKEN BIJ DE OUDE VOLKSE KERSTSPELEN

ANSPRACHEN ZU DEN WEIHNACHTSPIELEN AUS ALTEM VOLKSTUM

blz. 63

Wir werden uns erlauben, Ihnen in diesen Tagen einige deutsche Weihnachtspiele, die aus älterem Volkstume erhalten sind, vorzuführen. Wir werden heute damit beginnen, ein sogenanntes Paradeis-Spiel vorzuführen. Diese Weihnachtspiele wurzeln tief im mitteleuropäisch-deutschen Volkstum und sind, wenn man sie heute betrachtet, eigentlich eine lebendige Geschichtsdarstellung. Viel lebendiger bekommt man das Bild der Volksentwickelung aus der Wiederbelebung dieser Spiele, als durch eine sonstige historische Schilderung. Es ist ja in Europa das Drama aus kirchlichen Veranstaltungen hervorgegangen. Solche kirchlichen Veranstaltungen können wir geschichtlich ziemlich weit, bis in das 12. Jahrhundert zurückverfolgen; sie gehen aber eigentlich viel weiter zurück. Aus dem 12. Jahrhundert wird namentlich über ein oftmals gespieltes kirchliches Drama «Der Antichrist» berichtet; in den verschiedensten Formen war dieser «Antichrist» vorhanden. Und es ist außerordentlich bemerkenswert zu sehen, wie in diesem «Antichrist» großartige Kämpfe dargestellt wurden, die zwischen den europäischen und asiatischen Völkern stattfanden.

We nemen de vrijheid u deze dagen een paar Duitse kerstspelen te laten zien die uit oudere volksculturen bewaard zijn gebleven. We beginnen vandaag met een zgn. paradijsspel op te voeren.
Deze kerstspelen zijn diep geworteld in de Duitse volkscultuur in Midden-Europa en zijn wanneer je ze nu bekijkt, eigenlijk een levendig historisch beeld. Het beeld hoe het volk zich ontwikkelde, krijg je veel levendiger te zien wanneer je deze spelen weer tot leven brengt, dan door een of andere historische schets. In Europa is het drama ontstaan uit opvoeringen in de kerken. Deze kerkelijke opvoeringen kunnen we tamelijk ver in de geschiedenis terug volgen, tot in de 12e eeuw; maar eigenlijk gaan ze nog veel verder terug. Er wordt namelijk over een stuk uit de 12e eeuw gesproken, een vaak gespeeld kerkelijk drama, ‘de Antichrist’; deze ‘Antichrist’ bestond in de meest verschillende vormen. En het is buitengewoon interessant om te zien hoe in deze ‘Antichrist’ een grote strijd werd getoond tussen de Europese en Aziatische volkeren. 

Nun, später wurden dann das Leiden und die Geburt Christi und sonstige kirchliche Erinnerungen zuerst von Geistlichen in den Kirchen selbst dargestellt. Es wurden dann weltliche Veranstaltungen daraus, indem zuerst die Geistlichen außerhalb der Kirche diese geistlichen Spiele aufführten, und dann die Aufführungen auch auf weltliche Personen übergingen.
Ein besonders bemerkenswertes Spiel war zum Beispiel das von den «Zehn Jungfrauen». Bei einer Aufführung der «Zehn Jungfrauen», die 1322 in Eisenach stattfand, am Fuße der Wartburg, ging es so ergreifend zu, daß der anwesende Landgraf Friedrich «mit der gebissenen Wange» trostlos darüber war, daß es, wie dieses Spiel besagte, selbst der Heiligen Jungfrau nicht möglich war, durch ihre Fürbitte die Verbannten zu erlösen. Durch den mächtigen Eindruck, den dieses Spiel auf ihn mit dieser Tendenz machte, traf ihn der Schlag. Er siechte 

Welnu, later werden dan het Lijden en de Geboorte van Christus en andere kerkelijke gedenkwaardigheden in de kerken door de geestelijken zelf, op het toneel gebracht. Daaruit ontstonden de opvoeringen buiten de kerk, eerst nog opgevoerd door de geestelijken en daarna ging het over op wereldse personen. Een bijzonder opvallend spel was bijv. dat van de ‘Tien Maagden’. Bij een opvoering daarvan in 1332 in Eisenach, aan de voet van de Wartburg, ging het er zo aangrijpend aan toe dat landgraaf Friedrich ‘met de gebeten wang’ [1] niet te troosten was toen het, zoals het spel verhaalt, zelfs voor de Heilige Maagd niet mogelijk bleek door haar voorspraak de bannelingen te verlossen. Door de overweldigende indruk die het spel met dit verloop op hem maakte, kreeg hij een beroerte. Hij zakte

blz. 64

dahin und starb infolge des Eindruckes dieses Spiels der «Zehn Jungfrauen». Diese Geschichte wird durch das folgende Mittelalter hindurch viel erzählt. Kurz, wir finden überall Spuren durch ganz Mitteleuropa solcher geistlichen Spiele.
Diese geistlichen Spiele, welche dann ins Volksmäßige übergingen, treten uns noch in der mannigfaltigsten Gestalt als Festspiele, Weihnacht-, Oster- oder Fastnacht-Spiele durch die folgenden Jahrhunderte hindurch entgegen. Es ist insbesondere interessant, wie man verfolgen kann, daß wandernde deutsche Stämme diese Spiele auf ihren
Wanderungen mitnahmen.
Wir müssen uns darüber klar sein, daß mehr im Westen Mitteleuropas lebende deutsche Stämme, die dann nach Osten herüberzogen, nach Österreich zogen, die böhmischen Gegenden, aber namentlich Ungarn bevölkerten, ihre Spiele als ein teures, heiliges Gut mitnahmen und die Aufführung dieser Spiele in einer ganz außerordentlich bemerkenswerten Weise trieben. Diese Spiele lebten im Volke, ohne daß sich die gebildeten Stände viel darum kümmerten. Erst als die deutsche Altertumskunde im 19. Jahrhundert eine gewisse Vertiefung erfuhr, waren es einzelne solcher Altertumsforscher, welche aus dem Volkstum heraus diese Spiele aufführten. 

in elkaar en stierf als gevolg van deze indrukken van het spel van de ‘Tien Maagden’. Dit verhaal werd gedurende de middeleeuwse tijd die volgde, veel verteld. Kortom, we vinden overal sporen van dergelijke geestelijke spelen door heel de middeleeuwen heen.
Deze geestelijke spelen die dan door het volk werden overgenomen, zien we door de volgende eeuwen heen terug als kerst-, paas- of vastenavondspelen. Het is bijzonder interessant hoe men volgen kan dat wegtrekkende Duitse stammen deze spelen toen ze wegtrokken, meenemen.
We moeten weten dat de meer in het westen van Midden-Europa wonende Duitse stammen, die toen naar het oosten wegtrokken, naar Oostenrijk trokken, de Boheemse streken, met name Hongarije bevolkten en dat ze hun spelen als een kostbaar, heilig goed meenamen en de opvoering van deze spelen op een heel buitengewoon opvallende manier organiseerden. Deze spelen leefden onder het volk, zonder dat de ontwikkelde stand daar veel aandacht aan schonk. Pas toen in de 19e eeuw de studie naar de Duitse historie meer aandacht kreeg, waren er bepaalde geschiedenisonderzoekers die van deze spelen melding maakten.

Einer derjenigen, die sich viel Mühe gaben, insbesondere solche Volkstümer in den verschiedensten deutschen Gegenden Ungarns aufzutreiben, war mein alter Freund und ehemaliger Lehrer Karl Julius Schröer. Seinem Verdienste ist es zuzuschreiben, daß namentlich aus der Preßburger Gegend die deutschen Weihnachtspiele erhalten blieben, wenigstens zunächst in der Literatur. Karl Julius Schröer fand solche Weihnachtspiele im Nordwesten Ungarns, in der Preßburger Gegend, in der sogenannten Oberuferer Gegend vor. Weihnachtspiele, die durchaus durch ihren Inhalt, durch ihre Sprache zeigten, wie sie aus westlicheren Gegenden mit den nach Osten wandernden deutschen Stämmen gebracht worden waren. Schröer konnte feststellen, daß solche Weihnachtspiele wie ein heiliges Gut von Generation zu Generation vererbt wurden, wie sie jedesmal, wenn die Weihnachtszeit herannahte, einstudiert und dann zur Weihnachtszeit aufgeführt wurden. Eine besonders bevorzugte Familie hatte diese Weihnachtspiele im Besitz. War nun die Zeit der Weinlese im 

Een van de mensen die zich veel moeite getroostte, met name om dergelijke volkscultuur in al die verschillende Duitse streken in Hongarije op te sporen, was mijn goede vriend en vroegere leraar Karl Julius Schröer. Het is zijn verdienste dat m.n. uit de omgeving van Pressburg de Duitse kerstspelen bewaard zijn gebleven, tenminste wel in de literatuur. Karl Julius Schröer vond zulke kerstspelen in het noord-westen van Hongarije, in de omgeving van Pressburg, de zgn. omgeving van Oberufer. Kerstpelen die vooral door de inhoud, door hun taal toonden hoe ze door de emigrerende Duitse stammen vanuit westelijker gelegen streken meegebracht zijn naar het oosten. Schröer kon vaststellen dat dergelijke spelen als een heilig goed van generatie op generatie overgeërfd werden, hoe ze iedere keer, wanneer Kerstmis naderde, ingestudeerd en met Kerstmis opgevoerd werden. Een bijzonder bevoorrechte familie had deze spelen in haar bezit. Wanneer nu de tijd van de wijnoogst in de

blz. 65

Herbste vorüber, und hatten die Landleute einige freie Zeit gewonnen, dann versammelte derjenige, der im Besitze des Manuskriptes solcher Weihnachtspiele war, die Burschen des Ortes, die er für geeignet hielt, und bereitete sie durch Einstudieren vor für die Aufführung zur Weihnachtszeit.
Es war mit solchen Aufführungen etwas ganz besonderes; sie wurden wie etwas behandelt, das eine tief religiöse Seite hat. Das geht daraus hervor, daß strenge Vorschriften für diejenigen bestanden, welche viele Wochen hindurch diese Spiele unter der Direktion des Meisters einstudiert hatten. Solche Vorschriften waren zum Beispiel diese, daß jene Burschen, die ausersehen waren, dieses Weihnachtspiel zu studieren und aufzuführen, während der Zeit des Einstudierens ihrem Meister in einer außerordentlichen Weise unbedingten Gehorsam leisten mußten; daß sie in dieser Zeit einen moralischen Lebenswandel führen mußten. Die besondere Vorschrift war diese, daß sie in dieser Zeit, wie der Volksmund sich ausdrückte, nicht zu dem Dirndl gehen durften. Wenn dann die Weihnachtspiele einstudiert waren, wurden
sie in der Regel in einem Gasthof aufgeführt, und zwar in echt volkstümlicher Weise. So gut es heute geht, wollen wir in unserer Aufführung diese Volkstümlichkeit eben festhalten, damit gewissermaßen historisch vor unsere Seele treten kann die Art und Weise, wie Weihnachten innerhalb dieses Volkstums gefeiert worden ist.

herfst voorbij was en de boeren wat meer vrije tijd kregen, riep degene die in het bezit was van de manuscripten van deze spelen, de jongens van het dorp, die hij geschikt achtte om mee te doen, bij elkaar en bereidde ze door het instuderen voor op de opvoering rond de kersttijd. Er was iets heel speciaals met deze opvoeringen; men ging ermee om als iets dat een diep religieuze kant heeft. Dat blijkt omdat er strenge voorschriften waren voor degenen die vier weken lang deze spelen onder leiding van de meester instudeerden. O.a. deze: de jongens die gekozen waren moesten gedurende de tijd van instuderen buitengewoon en onvoorwaardelijk naar hun leermeester luisteren; ze moesten een moreel leven leiden. Er was een speciaal voorschrift dat ze gedurende deze tijd niet, zoals de volksmond dat uitdrukte, naar de meisjes mochten gaan. Wanneer de spelen dan opgevoerd werden, gebeurde dat meestal in een herberg en echt op een volkse manier. Voor zover dat lukt, willen wij in onze spelen dat volkse vasthouden, zodat we in zekere zin historisch de manier voor ons kunnen zien hoe Kerstmis binnen deze volkscultuur gevierd is.

Eine besondere Eigentümlichkeit dieser Spiele war ihre Durchsetzung mit einem volkstümlichen Humor. Und es ist ganz falsch, wenn man diese Volksspiele etwa sentimental aufführt. Jede Sentimentalität muß ferneliegen. Führt man sie sentimental auf, so zeigt man einfach, daß man kein Verständnis hat für ein Element, welches im religiösen Leben des Mittelalters und der beginnenden Neuzeit ganz besonders vorhanden war. Die Leute konnten tief religiös sein, waren es aber in humorvoller Weise, waren es ohne falsche Mystik, ohne Sentimentalität. Und sie konnten zwischen den Schilderungen der erhabensten Szenen zu gleicher Zeit echt volkstümliche Witze machen, echt volkstümlichen Humor entfalten. Man wollte das Lachen nicht verlernen, indem man betend zu den erhabensten Dingen aufblickte. Das ist ein Charakteristisches für die besondere Religiosiät 

Een bijzondere eigenschap van deze spelen was dat ze doorspekt waren met volkse humor. En het is totaal verkeerd wanneer je dezse spelen sentimenteel opvoert. We moeten verre blijven van elk sentiment. Als je ze sentimenteel opvoert, laat je simpelweg zien, dat je geen besef hebt van een element dat in het religieuze leven van de middeleeuwen en de beginnende nieuwe tijd op een bijzondere manier aanwezig was. De mensen konden diep religieus zijn, maar dat waren ze met humor, waren dat zonder onware mystiek, zonder sentimentaliteit. En ze konden tussen de vertolking van de meest verheven scenes, tegelijkertijd echte volkse grappen maken, echte volkse humor laten zien. Men wilde het lachen niet verleren door biddend op te zien naar de verhevendste dingen. Dat is een eigenschap van het bijzondere religieuze gevoel

blz. 66

früherer Zeiten, die in dieser Richtung gesund war. Ungesund wurde die Religiosität erst in späteren Zeiten.
Heute werden wir uns erlauben, dasjenige Spiel aufzuführen, das in der Regel den anderen voranging: das Paradeis-Spiel, darstellend wie Gott Adam und Eva ins Paradies führt, und wie sie von dem Teufel verführt werden. «Adam und Eva» ist ja der Festtag, welcher dem 25. Dezember im Kalender vorangeht, der eigentlichen Weihenacht. Und für die Weihnachtszeit, die spätere Weihnachtszeit war dann so etwas gewöhnlich in Aussicht genommen, wie das Christ-Geburt- Spiel, das wir uns dann erlauben werden, morgen diesem ParadeisSpiel nachfolgen zu lassen.

in deze vroegere tijden, dat wat dat betreft gezond was. Het religieuze gevoel werd pas later ongezond.
Vandaag nemen we de vrijheid het spel op te voeren dat als regel door de andere vooraf ging: het paradijsspel, dat vertoont hoe God Adam en Eva in het paradijs brengt en hoe ze door de duivel verleid worden. ‘Adam-en-Evadag’ is op de kalender de feestdag vóór Kerstmis op 25 december, het eigenlijke kerstfeest. En wat de kersttijd betreft, daarin stond dan gewoonlijk het geboortespel op het programma, dat wij dan morgen op dit pararadijsspel willen laten volgen.

In dieser Aufführung wurde zum ersten Male der von Rudolf Steiner rekonstruierte Text zur Einleitung des «Paradeis-Spieles» gesprochen. – Von den Auf- führungen am 25. und 26. Dezember liegen keine Nachschriften vor.
Bij deze opvoering werd als inleiding van het paradijsspel voor (bij?) de eerste keer de door Rudolf Steiner gereconstrueerde tekst gesproken. – Van de opvoeringen van 25 en 26 decfember zijn geen notities. 

.

[1] GA 274
[2] anekdote: hij had een litteken op zijn wang, veroorzaakt door het bijten van zijn moeder.

.

Rudolf Steinertoespraken bij de kerstspelen

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmisalle artikelen

.

1769-1658

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 3 (3-3)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

*GA 293
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 47/48 en 62/63

 

ROBERT JULIUS MAYER

Nadat Steiner over de gevolgen van het Concilie van Constantinopel heeft gesproken waarbij a.h.w. de geest werd afgeschaft, komt hij tot de conclusie dat we daardoor niet tot een werkelijk inzicht kunnen komen in het wezen van de mens.

En wil je kinderen helpen bij hun ontwikkeling, dan moet je tot een werkelijk inzicht kunnen komen. En ontwikkeling is – vanuit een bepaald perspectief – o.a. ontwikkeling van denken, voelen en willen of met andere woorden: van geest, ziel en lichaam.

Zonder ‘geest’ heb je dus eigenlijk geen volledig mens voor je.

Maar er is nóg een idee in de ontwikkeling van de westerse mensheid gekomen, dat een werkelijk inzicht in het wezen van de mens in de weg staat.

Dat ‘iets’ noemt Steiner ‘een grootse verworvenheid van de fysica’.
In het begrijpen daarvan, maakt men volgens hem, ‘een grote vergissing.’

Deze ‘grootse verworvenheid’ is onder woorden gebracht door Julius Robert Mayer.*

*Julius Robert Mayer (1814-1878), arts en natuurkundige; hij formuleerde in 1842 de wet van het behoud van energie. Zie J.R.Mayer, Bemerkungen über das mechanische Äquivalent der Wärme (1851)
.

Die idee is in een wet, een formule, zo gaan heten: de wet van behoud van energie en kracht.

Mayer postuleerde die wet niet in deze abstracte vorm. Volgens Steiner wilde hij de metamorfose van krachten aan het licht brengen:

(  ) dem sogenannten Gesetz von der Erhaltnng der Energie oder der Kraft. Dieses Gesetz besagt ja, daß die Summe aller im Weltenall vorhandenen Energien oder Kräfte eine konstante ist, daß sich diese Kräfte nur umwandeln, so daß etwa eine Kraft einmal als Wärme, ein andermal als mechanische Kraft erscheint und dergleichen. In diese Form kleidet man aber das Gesetz von Julius Robert Mayer nur dann, wenn man ihn gründlich mißversteht! Denn ihm war es zu tun um die Aufdeckung der Metamorphose der Kräfte, nicht aber um die Aufstellung eines so abstrakten Gesetzes, wie es das von der Erhaltung der Energie ist.

( ) met de zogenaamde wet van behoud van energie of kracht. Zoals u weet houdt deze wet in dat de som van alle energie of kracht in de kosmos constant is; dat deze krachten alleen steeds een andere vorm aannemen. Een kracht kan zich bijvoorbeeld de ene keer als warmte en de andere keer als mechanische kracht manifesteren, enzovoort. Maar men giet de wet van Julius Robert Mayer alleen in deze vorm wan­neer men Mayer principieel verkeerd begrijpt! Want het ging hem erom de metamorfose van krachten aan het licht te bren­gen en niet om een zo abstracte wet te postuleren als die van behoud van energie.
GA 293/46
Vertaald/46  

Evenals ‘geen geest – 869’ betekent deze opvatting dat het wezen van de mens niet begrepen kan worden. 
Immers: als de metamorfosegedachte naar de achtergrond verdwijnt of zelfs helemaal verdwijnt, gaat daarmee ook de blik op de veranderingen verloren waaraan de mens tijdens zijn leven onderworpen is. 
Ontwikkelingsfasen zijn geen op zich staande fasen: de ene is verbonden aan de andere, maar de ene is ook de voorbereiding op de andere. In dat opzicht alleen al, is er geen ‘constante’. 

Nu is dat voor de stoffelijkheid moeilijker te zien: we hebben ons hele leven ons lichaam; we zien het wel veranderen, maar tegelijkertijd zijn het bijv. nog steeds ‘deze vingers’ en geen andere. Maar is dat ook zo?

In GA 202 geeft Steiner dit voorbeeld:

Nur weil wenn Stoff vergeht, fortwährend neuer Stoff entsteht, redet der Mensch von einer Konstanz des Stoffes. Er gibt sich demselben Irrtum hin, dem er sich hingeben würde, wenn eine Anzahl von Dokumenten in ein Haus eingetragen, drinnen abgeschrieben würden, aber als solche verbrannt würden und die Abschriften wieder herauskommen, und er, weil er dasselbe herauskommen sieht, was hineingetragen ist, denken würde, es sei dasselbe. In Wirklichkeit sind die alten verbrannt worden und neu abgeschrieben worden.

Alleen omdat er, wanneer stof vergaat, voortdurend nieuwe stof ontstaat, spreekt de mens over een constante van de stof. Maar daar maakt hij dezelfde vergissing als die hij zou maken wanneer er een aantal documenten in een huis binnengebracht worden, binnen worden gekopieerd, maar de oorspronkelijke documenten verbrand en dat de kopieën weer naar buiten komen, en hij dan zou denken dat deze dezelfde zijn. In werkelijkheid zijn de oude verbrand en eerst gekopieerd.

En zoals zo vaak volgt er dan een verrassende conclusie:

So ist es auch mit dem Werden in der Welt. Denn da, wo im Menschen Stoff vergeht, zum Scheine wird und neuer Stoff entsteht, da sitzt die Möglichkeit der Liebe. Und Freiheit und Liebe gehören zusammen.

Zo is het ook met de wording in de wereld. Want waar in de mens stof vergaat, schijn wordt en nieuwe stof ontstaat, zit de mogelijkheid van de liefde. En vrijheid en liefde horen samen.
GA 202/212
Niet vertaald

Zonder dit nader uit te werken, geeft zo’n opmerking al enigszins aan, hoe belangrijk het is voor de mens – want dat liefde en vrijheid belangrijk voor hem zijn, hoeft niet uitgelegd te worden – dat ook de stoffelijke processen in zijn lichaam begrepen worden.

En Steiner noemt nóg een belangrijk aspect: het sociale leven. Het niet begrijpen van de natuur en van het geestelijk leven maakt het voor de mens moeilijker zich in te voegen in het sociale leven:

Was ist, in einem großen Zusammenhange angesehen, kultur- geschichtlich dieses Gesetz von der Erhaltung der Energie oder der Kraft? Es ist das große Hindernis, den Menschen überhaupt zu verstehen. Sobald man nämlich meint, daß niemals Kräfte wirklich neu gebildet werden, wird man nicht zu einer Erkenntnis des wahren Wesens des Menschen gelangen können. Denn dieses wahre Wesen des Menschen beruht gerade darin, daß fortwährend durch ihn neue Kräfte gebildet werden. Allerdings in dem Zusammenhange, in dem wir in der Welt leben, ist der Mensch das einzige Wesen, in welchem neue Kräfte und – wie wir später noch hören werden – sogar neue Stoffe gebildet werden. Aber da die heutige Weltanschauung überhaupt nicht solche Elemente in sich aufnehmen will, durch welche auch der Mensch voll erkannt werden kann, so kommt sie dann mit diesem Gesetz von der Erhaltung der Kraft, das ja in einem gewissen Sinne nicht stört, wenn man nur die anderen Reiche der Natur – das Mineralreich, das Pflanzenreich und das Tierreich – ins Auge faßt, das aber sofort alles von wirklicher Erkenntnis auslöscht, wenn man an den Menschen herankommen will.

Wat betekent in een groter, cultuurhistorisch verband deze wet van behoud van energie of kracht? Deze wet is een grote hindernis die het onmogelijk maakt de mens ook maar enigszins te begrijpen. Gelooft men namelijk dat er nooit werkelijk nieu­we krachten gevormd kunnen worden, dan zal men niet tot inzicht kunnen komen in het ware wezen van de mens. Want dit ware wezen van de mens ligt nu juist in het feit dat voortdurend door de mens nieuwe krachten worden gevormd. Maar het is wel zo dat binnen de samenhang waarin wij in de wereld leven de mens het enige wezen is waarin nieuwe krachten worden gevormd en zelfs, zoals we later nog zullen horen, nieuwe stof­fen. Maar aangezien in het huidige wereldbeeld volstrekt geen plaats is voor elementen waardoor ook de mens in zijn totaliteit doorgrond kan worden, komt men met deze wet van behoud van energie op de proppen. Neemt men alleen de andere na­tuurrijken, die van mineralen, planten en dieren, in ogen­schouw, dan is die wet niet zo storend, maar probeert men de mens te doorgronden, dan belemmert deze wet onmiddellijk ieder werkelijk inzicht.
GA 293/47
Vertaald/47

In GA 306 noemt Steiner deze wet ook:

Die Tatsache ist, daβ dieses Gesetz von der Erhaltung der Kraft der inneren Wesenheit des Menschen, der Wahrheit widerspricht. Es gilt nur für die unorganische Welt im strengen Sinne des Wortes. Für die organische gilt es nur so weit, als diese von Unorganischem ausgefüllt ist; für die Eisenteilchen im Blutserum gilt dieses Gesetz, aber nicht für das ganze Menschenwesen.

Het feit is dat deze wet van het behoud van kracht in tegenspraak is met het wezen van de mens, met de waarheid. Hij geldt alleen voor de anorganische wereld in de striktere zin van het woord. Voor de organische wereld geldt deze alleen in zoverre deze gevuld is met anorganische stof; voor de ijzerdeeltjes in het bloedserum geldt deze wet, maar niet voor het hele mensenwezen.
GA 306/103
Op deze blog vertaald/103

(In deze voordracht GA 306 gaat Steiner er weer vanuit een ander gezichtspunt op in, dat ik er hier nog niet bij betrek.)

Dieses Gesetz von der Erhaltung der Kraft, das ist es ja vor allen Dingen, welches den Menschen so in das Weltenall hineinstellen möchte, daβ dieser Mensch dabei eigentlich nur wie ein Naturprodukt in diesem Weltenall drinnensteht.

Deze wet van het behoud van kracht wil de mens in het wereldal die plaats geven dat hij daarin eigenlijk alleen maar een natuurproduct is.
GA 201/236
Niet vertaald

Sie werden als Lehrer die Notwendigkeit haben, auf der einen Seite Ihren Schülern die Natur verständlich zu machen, auf der anderen Seite sie hinzuführen zu einer gewissen Auffassung des geistigen Lebens. Ohne mit der Natur bekannt zu sein, wenigstens in einem gewissen Grade, und ohne ein Verhältnis zum geistigen Leben zu haben, kann sich heute der Mensch auch nicht in das soziale Leben hineinstellen. 

Als leraar zult u genoodzaakt zijn de leerlingen aan de ene kant inzicht in de natuur te verschaffen en aan de andere kant te brengen tot een zeker begrip van het geestelijke leven. Zonder tenminste enigszins bekend te zijn met de natuur en zonder een relatie tot het geestelijke leven te hebben, kan de mens zich tegenwoordig ook niet goed invoegen in het sociale leven.
GA 293/47
Vertaald/47

Hierna gaat Steiner weer meer naar de details en grijpt daarbij terug op de inhoud van voordracht 2. Daar wordt een apart artikel aan besteed.

Aan het eind van de voordracht komt hij terug op de wet, de gedachte van het behoud van kracht en stof. Hij noemt de formulering zoals die gebruikt wordt ‘een grote vergissing’. En een belemmering voor een juist inzicht in het wezen van de mens.
Wat er in de mens gebeurt, weerlegt deze gedachte.

Dat is het feit dat er in de mens metamorfosen plaatsvinden: iets vergaat, maar iets anders komt ervoor in de plaats.

blz.  60   ver. 59/60

Was geschieht denn tatsächlich in der menschlichen Wesenheit? Auf der einen Seite steht die Knochen-Nervennatur, auf der anderen Seite die Blut-Muskelnatur. Durch das Zusammenwirken beider werden fortwährend Stoffe und Kräfte neu geschaffen. Die Erde wird vor dem Tode dadurch bewahrt, daß im Menschen selber Stoffe und Kräfte neu geschaffen werden. Jetzt können Sie das, was ich eben gesagt habe: daß das Blut durch seine Berührung mit den Nerven Neuschöpfung von Stoffen und Kräften bewirkt, zusammenbringen mit dem, was ich im vorigen Vortrage sagte: daß das Blut fortwährend auf dem Wege zur Geistigkeit ist und dabei aufgehalten wird. Diese Gedanken, die wir in diesen zwei Vorträgen gewonnen haben, werden wir miteinander verbinden und dann weiter darauf aufbauen. Aber Sie sehen schon, wie irrtümlich der Gedanke der Erhaltung von Kraft und Stoff ist, wie er gewöhnlich vorgebracht wird: denn durch das, was im Inneren der Menschen- natur geschieht, wird er widerlegt, und für eine wirkliche Auffassung der Menschenwesenheit ist er nur ein Hindernis. Erst wenn man wieder den synthetischen Gedanken bekommen wird, daß tatsächlich zwar nicht aus Nichts etwas hervorgehen kann, daß aber das eine so umgewandelt werden kann, daß es vergeht und das andere entsteht – erst wenn man diesen Gedanken an die Stelle des Gedankens von der Erhaltung der Kraft und des Stoffes gestellt haben wird, wird man etwas Gedeihliches für die Wissenschaft erhalten können.

Wat gebeurt er nu werkelijk in het wezen van de mens? Aan de ene kant is er het bot-zenuwstelsel en aan de andere kant het bloed-spierstelsel. Door de samenwerking van beide stelsels worden voortdurend nieuwe stoffen en krachten gecreëerd. De aarde wordt behoed voor de dood doordat in de mens zelf nieuwe stoffen en krachten geschapen worden. Nu kunt u het­geen ik vandaag gezegd heb combineren met hetgeen ik in de vorige voordracht zei. Enerzijds bewerkstelligt het bloed door zijn aanraking met de zenuwen het ontstaan van nieuwe stoffen en krachten en anderzijds is het bloed voortdurend op weg te vergeestelijken en wordt het daarbij gehinderd. Deze gedach­ten die we in deze twee voordrachten hebben ontwikkeld, zul­len we met elkaar verbinden en als uitgangspunt nemen voor wat dan verder volgt. Maar u ziet al dat de gedachte van het behoud van kracht en stof een grote vergissing is in de vorm waarin hij gewoonlijk geformuleerd wordt. Want door wat er in het innerlijk van de mens gebeurt wordt deze gedachte weer­legd; voor een juist inzicht in het wezen van de mens vormt die gedachte alleen maar een belemmering. Pas wanneer men weer de synthetische gedachte zal krijgen, dat er inderdaad welis­waar niets uit het niets kan ontstaan, maar dat iets zo gemeta­morfoseerd kan worden dat het vergaat en er iets anders voor ontstaat – pas wanneer deze gedachte de plaats zal hebben in­genomen van de gedachte van het behoud van kracht en stof, pas dan zal men tot iets vruchtbaars voor de wetenschap kun­nen komen.
GA 293/60-61
Vertaald/59-60

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 3: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1768-1657

.

.

.

*

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (60)

.

HET EUREKA VAN ERIK SCHERDER

In het Eindhovens Dagblad vertellen wetenschappers hun eurekamoment.

In de krant van 13-10-2018 doet hoogleraar neuropsychologie aan de VU Erik Scherder dat.

Hij zegt:

„Soms voel ik me net een roepende in de woestijn. Waar ik ook kom – in de collegezaal, op televisie en onlangs nog voor de Tweede Kamercommissie – overal vertel ik hetzelfde: kom in beweging! We zitten veel te veel stil en dat is rampzalig voor conditie en cognitie. Zeker ook voor kinderen.”

Hij kwam tot dit inzicht omdat hij zag wat niet bewegen voor negatieve gevolgen had, zoals diabetes-2 op zeer jonge leeftijd.

Veel kinderen spelen in vergelijking met 1995 veel  minder buiten. In het onderwijs is het gymnastiekonderwijs tot een minimum teruggebracht.

De professor zegt: ‘Op scholen moet veel meer bewogen worden: tweemaal per dag een half uur om het langdurige zitten te onderbreken. Dat zou enorm ten gunste komen van de aandacht en concentratie tijdens de lessen.’

Hij neemt als voorbeeld ‘apenkooien’. Dat zorgt voor een netwerkactivatie in de hersenen dat vervolgens bijdragen levert aan andere cognitieve kwaliteiten. Als je door die apenkooi gaat, wordt het pariëtale en frontale netwerk actief: je plant, coördineert en ook de kleine hersenen doen mee. Precies die netwerken die gebruikt worden om sommen op te lossen, maar op een andere manier aangestuurd.

De befaamde wetenschapper Donald Hebb zei: ‘Neurons that fire together, wire together. Vrij vertaald: zenuwcellen die vuren, zoeken hun buren. Hoe vuren zenuwcellen in een kind het beste? Als ze steeds net iets anders worden aangestuurd. En bewegen is altijd anders.’

Prof. Scherder is van mening dat de regering scholen moet verplichten tot het veel laten bewegen van kinderen. Hoe?

Los de sommen springend op.’

-Jim Jansen, ED 13-10-2018

.

Welke vrijeschool gaat de professor eens uitnodigen om hem in bijv. een tweede klas te laten zien hoe de tafels van vermenigvuldiging worden aangeleerd; of in een vierde, wanneer er een gedicht met alliteraties wordt gelopen; of in de 5e een gedicht met hexameters; wat zou hij vinden van euritmie waarbij je een patroon (vierkant, zevenster e.d.) moet lopen met hoekverschuivingen, op muziek waarbij je voeten de maat van het muziekstuk moeten lopen en je handen het ritme van de melodie moeten aangeven of daarbij – nog moeilijker – met de armen de toonhoogten. Wat zou er allemaal worden ‘afgevuurd’ in de ‘beweeglijke klas’?

.
Zie Opspattend grind:  [19]  [86]  [102]

Bewegen in de vrijeschool

Opspattend grind: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldde bewegende klas

.

1767-1656

.

.