Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – Vertelstof- biografieën – Peary

.

PEARY VAN DE POOL

Op 5 september 1909 stoomde een vuilzwart dikwandig scheepje met de naam Roosevelt, komende uit het noorden fier de haven van Indian Harbor op Labrador binnen. Aan boord bevond zich Robert E. Peary, die reeds zevenmaal daarvoor tevergeefs gepoogd had de Noordpool te bereiken. Vanuit het radiostation van het kleine stadje zond hij nu deze onthullende boodschap aan zijn vrouw: eindelijk geslaagd. Aan de pers seinde hij vervolgens vijf simpele woorden waarvan hij voelde dat zij de wereld zouden elektriseren: pool bereikt, Roosevelt intact, Peary.

Peary

Na de reis langs de kust van Labrador te hebben vervolgd ankerde de Roosevelt in Battle Harbor, waar een gecharterd schip langszij kwam welks dekken bijna water maakten van wege de talrijke dagbladverslaggevers. Onmiddellijk schreeuwden zij naar Peary om commentaar op “de grote ruzie”.

“Ruzie? Welke ruzie?” vroeg Peary. Nou, tussen hem en Cook natuurlijk. Wist hij dan niet dat dr. Frederick A. Cook een jaar daarvoor, in 1908, als eerste de pool had bereikt; dat dr. Cook er eerst onlangs in geslaagd was naar de buitenwereld terug te keren en dat hij zijn prestatie amper vijf dagen voor Peary uit Indian Harbor zijn telegram verzond, wereldkundig had gemaakt? Twee mannen die beiden een doel hadden bereikt dat men drie eeuwen lang had gezocht en die dat vrijwel gelijktijdig bekend maakten – het was het beste verhaal van de laatste tien jaar!

Peary scheen niet onder de indruk. Zeker, hij had enkele dagen daarvoor in Indian Harbor radioberichten over Cook en diens beweringen ontvangen, maar hij had deze als ondenkbaar verworpen. Tenslotte bevond de pool zich in het hart van een met ijs volgepropte Poolzee, op 400 mijl van het dichtstbijzijnde land en Eskimo’s die dr. Cook op diens arctische “jachtpartij” hadden vergezeld (tijdens welke tocht Cook naar hij thans beweerde zijn reis naar de pool zou hebben gemaakt) hadden Peary later verzekerd dat zij het vasteland geen moment uit het oog hadden verloren.

Die middag hield Peary een persconferentie waarop hij met verve zijn eigen verhaal vertelde. Zijn bemanning en hij hadden New York verlaten op een snikhete julidag in 1908. In Cape York op Groenland begon hij de Eskimo’s op te pikken die hem tijdens zijn jarenlange verblijf in het Noorden hadden geholpen en die hij goed had leren kennen. “U bent net als de zon,” zeiden zij, komt altijd weer terug.” Zij waren verheugd hem opnieuw te kunnen helpen en zij klommen bepakt en bezakt, met vrouwen en kinderen en met hun van huiden gemaakte tenten, hun sleden en hun honden aan boord.

Peary was toen 52 jaar oud. Twintig jaren had hij gewijd aan het zoeken van de pool — sedert die zonnige namiddag in Washington toen hij bij toeval een boek over de exploratie van de Noordpool in handen had gekregen en hij door de betovering van het Noorden gegrepen werd. Sindsdien had hij ongetelde ontberingen en herhaalde nederlagen geleden. Hij had aan zijn speurtocht een veelbelovende carrière bij de Marinestoomvaartdienst der Verenigde Staten opgeofferd. Maar zelfs zijn hartverscheurende expeditie van 1906, waarvan zijn mannen en hij slechts met de grootste moeite waren teruggekeerd nadat zij de pool tot 174 mijlen waren genaderd, had hem evenmin van zijn doel kunnen afbrengen als de plotselinge dood van zijn financier en het volslagen fiasco van zijn laatste boek. Ditmaal was hij vastbesloten zijn doel te bereiken of niet levend terug te keren. Het was zijn laatste kans.

Voetje voor voetje baande de Roosevelt zich een weg door de smalle waterwegen tussen Groenland en Ellesmere eiland, van Baffin Baai tot vlak bij de Poolzee. Terwijl de Roosevelt in het ijs gevangen lag brachten zij daar de winter door. Intussen bouwden de Eskimo’s sleden en jaagden op extra voedsel — muskusossen, kariboe’s, ijsberen en zeehonden. Matt Henson, de potige neger die al vele jaren aan Peary’s expedities had deelgenomen, bouwde sleden van een type dat Peary had geperfectioneerd. De Eskimovrouwen naaiden bontkleding, die Peary warmer en duurzamer had bevonden dan welk kledingstuk uit de beschaafde wereld ook. Bij temperaturen van 60 graden onder nul hardden de ontdekkingsreizigers zich voor de dingen die komen gingen.
Daar men aannam dat de pool in het hart van de met ijs volgepropte Poolzee lag, bestond het probleem daarin dat men met een zo gering mogelijk gewicht zo snel mogelijk van Cape Columbia naar de pool en terug moest zien te komen — een reis van omstreeks 1600 kilometer “uit en thuis”. Alle benodigde uitrusting voor mannen en honden moest met sleden worden vervoerd en als men elk overtollig onsje vermeed kon men juist genoeg meenemen opdat een paar man de pool konden bereiken. Het plan was het spits af te bijten door een aantal voorposten in te richten, welker bezetting voedseldepots moest aanleggen en iglo’s bouwen om te kunnen schuilen. Daarna zou een uitgelezen groepje in zo hoog mogelijk tempo en bevrijd van zware lasten het aldus geëffende pad volgen en de pool tot op 150 mijl zien te naderen. Daar zou de laatste bevoorradingsploeg terugkeren, terwijl een nieuwe, uitgelezen groep bliksemsnel naar de pool zou trachten door te stoten daar zij terug zou moeten zijn eer de ijsmassa door het eerstvolgende springtij werd opengebroken. Het was een wedstrijd met de tijd, het weer, het water en de dood.

Nog voor de winternacht ten einde was begon de race — op de 22e februari (de geboortedag van George Washington) van het jaar 1909. Zes dagen lang werden de mannen opgehouden door open water of door ijsgeulen, ontstaan door het afdrijven van het pakijs. Zodra het ijs zich weer had gesloten haastten zij zich verder – om opnieuw op open water te stuiten. ’s Nachts werd hun kamp bijna vernield door een geul die zich midden tussen de iglo’s opende. De mannen repten zich in veiligheid. Had Peary er niet op gestaan dat zij Eskimokleding droegen waarin zij zowel goed konden werken als slapen, en hadden de mannen zich in de onhandige slaapzakken bevonden die de meeste ontdekkingsreizigers gebruikten, dan waren zij stellig verdronken. Maar het ijs sloot zich weer en zij snelden verder noordwaarts. 

Op 1 april, op precies 133 mijlen van de pool, keerde kapitein Bob Bartlett met de laatste proviandslede terug, ten einde de terugweg open te houden. Peary trok verder met Henson — een magnifiek sledevoerder — en vier uitgelezen Eskimo’s. Er was precies genoeg voedsel om de tocht heen en terug te kunnen maken. In deze ijzige wildernis was het van het grootste belang om er spoed achter te zetten en hun dagmarsen varieerden van 25 tot 30 mijlen.
Om 10 uur in de ochtend van de 6de april 1909 arriveerde het gezelschap aan de Noordpool. Peary schudde elk van zijn mannen de hand. Er werden foto’s genomen; als bewijs van de geleverde prestatie liet hij een aandenken achter en nam namens de Verenigde Staten bezit van het gebied. Er werden vijf vlaggen geplant; één daarvan was het gehavende zijden embleem waarvan Peary op elk van de noordelijkste punten die hij bij zijn voorafgaande pogingen had bereikt een stukje had achtergelaten. In de dertig uren dat hij aan de pool verbleef verrichtte Peary 39 waarnemingen van punten die verscheidene mijlen uiteen lagen De terugkeer leverde echter een probleem op. Zij moesten nu zelfs nog sneller reizen dan op hun weg noordwaarts. Weldra zou het ijs door springtijen breken. Elke dag van de terugweg legde Peary nu grotere afstanden af. Reservekleding werd weggeworpen, de rantsoenen werden ingekrompen. Op gezette tijden sliepen zij enkele uren in de iglo’s die op de heenreis waren neergezet, en repten zich vervolgens weer voort. Zij bereikten een der gevreesde geulen en staken deze op ijsschotsen over, terwijl hij voortdurend breder werd.

Eindelijk: Kaap Columbia! Hier aten en sliepen zij twee dagen achtereen alvorens zich naar een hartelijk welkom op de Roosevelt te begeven. Tijdens hun geforceerde marsen hadden de aanvoerder en zijn mannen stuk voor stuk zo’n tien kilo aan gewicht verloren. Maar voor het eerst sinds jaren kon Peary ’s nachts de slaap weer vatten. Eindelijk had hij zichzelf gerechtvaardigd! Hij had namens de Verenigde Staten aanspraak gemaakt op de Noordpool en hij verheugde zich erop bij zijn terugkeer de dank van het vaderland te oogsten om zich vervolgens in vrede te kunnen terugtrekken.

En nu vond Peary hier in Battle Harbor in plaats van vrede een vernederende controverse. Hij had dr. Cook goed gekend; deze had immers als chirurg deel uitgemaakt van een zijner eerste expedities. Maar Peary was er zeker van dat dr. Cook niet in staat kon zijn geweest de talrijke gevaren van de verovering van de pool te overwinnen. Aan de hand van wetenschappelijke bijzonderheden legde hij aan de verslaggevers uit waarom. Tot zijn ontzetting bleek een aantal van de reporters niet geïnteresseerd in wetenschappelijke bewijzen; zij wilden “een verhaal”. Had Peary met ijsberen gevochten? Was hij door wolven of muskusossen aangevallen? Nee, dat was hij niet. Nou, dr. Cook anders wél. Geleidelijk drong de waarheid tot Peary door. Nadat hij een heel mensenleven aan een grote ambitie had opgeofferd, werd hem nu betwist dat hij als eerste de pool had bereikt en werd zijn persoonlijke integriteit in twijfel getrokken! Goed dan, zoals hij een mensenleven lang voor de pool had gevochten, zou hij nu strijden voor de erkenning die hem toekwam.

Op het moment waarop Peary zijn aankondiging deed bevond dr. Cook zich in Kopenhagen, waar hij op zijn terugweg van de pool was aangegaan. Toen men hem om commentaar op het nieuws van Peary vroeg, zei dr. Cook sluw: “Als Peary zegt dat hij de pool heeft bereikt, dan geloof ik hem.” Toen Peary plompverloren verklaarde dat Cook het land knollen voor citroenen had verkocht, antwoordde Cook: “De eer is groot genoeg dat anderen erin kunnen delen.” Waarmede hij Peary in de hoek drong van de slechte verliezer.

Dr. Cook had een voorsprong. Bij aankomst in de haven van New York werd hij welkom geheten door een schip met 1000 be­wonderaars aan boord. Er werden erepoorten opgericht en span­doeken in de straten gehangen. Hij begon aan een snelle lezingen­tournee, waarvoor hij tot 10 000 dollar per avond kreeg. Zijn krantenartikel bracht hem 24 000 dollar op en in totaal incasseerde hij voor al zijn activiteiten 400 000 dollar. Peary ontving slechts 4000 dollar voor zijn krantneartikel en 40 000 dollar plus een bescheiden jaargeld voor zijn boek- en tijdschriftmateriaal.
Uitgedaagd om wetenschappelijke bewijzen van zijn helden­daad over te leggen, zoals uitgebreide zonnewaarnemingen, zei dr. Cook dat hij deze waardevolle gegevens aan een vriend zonder vaste verblijfplaats had meegegeven. En toen critici fouten ont­dekten in zijn krantenrelaas, beweerde hij dat hij niet in staat was geweest de proeven te corrigeren en dat zijn boek alles zou bewijzen.

Tegen de tijd dat Peary in New York arriveerde was de viering van het Hudson-Fulton eeuwfeest in volle gang. Toen de Roosevelt de Hudson opvoer jouwden en floten de Cook-sympathisanten en riepen zij beledigingen. Peary antwoordde niet. Aanvankelijk weigerde hij alle eerbetoon tot de beide pretendenten hun bewijsmateriaal aan een onpartijdig tribunaal hadden kunnen overleggen en er een oordeel over was uitgesproken. Maar het werd duidelijk dat dit nooit zou gebeuren. Hij legde zijn bewijsmateriaal voor aan een commissie van de National Geographic Society; het werd zorgvuldig onderzocht en geaccepteerd. Hij hield lezingen voor diverse wetenschappelijke genootschappen, maar weigerde er ooit geld voor aan te nemen.

Een Pittsburghs dagblad stelde een enquête in naar de sympa­thieën van de lezers. Het resultaat was 10 tegen 1 ten gunste van Cook. Invloedrijke dagbladen steunden hem krachtig. Eerst toen Cook al twee maanden winstgevende lezingen had gehouden legde hij zijn gegevens voor aan de universiteit van Kopenhagen (die hij als onbevooroordeeld beschouwde) om daarmede het bewijs te leveren dat hij aan de pool was geweest. Zijn bewijs werd botweg afgewezen.

Geleidelijk keerde het tij. Steeds meer mensen schaarden zich aan de kant van Peary wegens diens waardige houding en zijn bereidheid om met zijn bewijzen voor den dag te komen. De vuurproef voor de grote controverse kwam tijdens de openbare behandeling in het Congres van het wetsontwerp om Peary in de rang van schout-bij-nacht te pensioneren. Aanvankelijk werd Peary, in plaats van de dank van de natie te oogsten, door de aanhangers van Cook in het Congres aan de kaak gesteld. Hetgeen hem niet belette zelfs de meest beledigende en niet ter zake doende opmerkingen zorgvuldig te beantwoorden. Wekenlang sleepten de verhoren zich voort, tot zijn lastige ondervragers het eindelijk opgaven. Peary was aan de winnende hand.

Een andere aanval kwam van bepaalde hem vijandig gezinde officieren van de Marine. Peary’s promotie zou volgens hen in strijd zijn met de anciënniteit. Ook werd erop gewezen dat hij als gevolg van zijn langdurige perioden van afwezigheid (de mars naar de pool) niet had deelgenomen aan de officiële loopproeven van de Marine. En dus strekte Peary die tijdens een vroegere expeditie door het bevriezen van zijn voeten al zijn tenen (op zijn kleine teen na) had verloren, opnieuw de benen en legde 40 kilometer in zes uur af. De volgende dag deed hij over dezelfde afstand zeven en een half uur. Zijn critici waren tot zwijgen gebracht.

Twee jaar na zijn moedige prestaties aan de Noordpool werd hij eindelijk in de rang van schout-bij-nacht gepensioneerd, met terugwerkende kracht tot 6 april 1909, de dag waarop hij de pool had bereikt. Zijn prestatie werd nu officieel erkend door het Congres en door de president der Verenigde Staten, zoals reeds eerder door de meeste wetenschappelijke genootschappen was gebeurd. Eindelijk had Peary de strijd gewonnen!

Dr. Cook beleefde nieuwe avonturen. Op het hoogtepunt van de controverse zwoeren twee inwoners van New York, waaronder een zeekapitein, dat zij door dr. Cook waren betaald om zonnewaarnemingen te verschaffen die zouden moeten bewijzen dat hij aan de pool was geweest. Edward Barrill, de gids die dr. Cook had vergezeld bij diens beweerde succesvolle beklimming van de berg McKinley in 1906 en anderen die aan deze expeditie hadden deelgenomen, verklaarden dat dr. Cook nimmer de top had bereikt. Dr. Cook zette zijn serie lezingen voort, verdween verscheidene maanden naar Zuid-Amerika, keerde daarna naar de Verenigde Staten terug en verdween geleidelijk uit de openbare belangstelling. In 1923 werd hij tot 14 jaar gevangenisstraf ver­oordeeld wegens het misbruiken van de Posterijen voor een oliezwendel. Na vijf jaren van zijn straf te hebben uitgezeten werd hij op erewoord vrijgelaten en in mei 1940 kreeg hij onvoorwaardelijke gratie van president Franklin D. Roosevelt.
Dr. Cook stierf nog geen drie maanden nadien.

Toen de controverse was bedaard kon Peary eindelijk genieten van het rustige huiselijke leven waar hij zo naar verlangd had. Terwijl hij tijdens de Eerste Wereldoorlog een serie lezingen hield begon hij in de zomer van 1917 aan bloedarmoede te lijden. Moedig beweerde hij dat hij ook deze slag te boven zou komen, maar ditmaal zou hij de verliezer blijken. Op de 19de februari 1920 zakte hij weg in een coma en de volgende morgen vroeg doofde na een laatste opflikkering het licht in zijn moedige geest.
.

8e klasalle artikelen

Vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

 

774-709

VRIJESCHOOL – Vertelstof – de zinrijke vertelling (1)

.

DE  ZINNIGE VERTELLING TUSSEN SPROOKJE EN FABEL

 

Hieronder volgt een gedeeltelijke vertaling en een bewerking van een artikel, verschenen in ‘Erziehungskunst’ [1]

De uitdrukking ‘sinnige Geschichte’ heb ik vertaald met ‘zinrijke vertelling’.

De uitdrukking ‘sinnig’ i.v.m. vertellen, wordt door Steiner gebruikt, bv. in een voordracht [2], waarin hij spreekt over het belang dat kinderen de natuur niet meteen in abstracte natuurwetten moeten leren kennen, maar op ‘liefdevol aanschouwende’ manier.

Zo wordt wel gezegd dat de ‘sinnige Geschichte’ tussen het sprookje en de fabel staat.

Het sprookje gaat het o.a. om grootse mensheidsmotieven: geboorte en dood, geluk en ongeluk; lot en noodlot; wilskracht en zwakte; egoïsme en altruïsme. Over een koning (in ons) of de prins(es) in ons. Wel met beelden van ‘vroeger’, maar toch ook weer tijdloos.

De fabel is wat dat betreft kijken door een vergrootglas, met oogkleppen: naar het alledaagse, het lichamelijk gebondene: begeerte, sluwheid, list, egoïsme, deugden en ondeugden, belichaamd in dát dier met die specifieke eigenschappen. Dat stukje dier zit ook in ons.

Het kind ontwikkelt zich

Het behoeft geen betoog dat het kleine kind een nabootser is. Het wil nadoen wat het buiten zich ziet, beleeft. Het heeft veel fantasie waardoor de wereld voortdurend getransformeerd wordt in zijn eigen wereld: een stuk hout is een hond, of een paard of wat maar past in het spelbeeld. ‘Fantasiewereld en werkelijkheid gaan voortdurend in elkaar over’ (Jakob Streit). Buiten en binnen zijn nog niet gescheiden.

Dat verandert met de tandenwisseling. Van de levenskrachten die vooreerst aan het fysieke lichaam werkten, komt een deel ‘vrij’ en vormt nu mee aan de ziel. Voor nadere uitleg: zie  ‘kind en etherlijf’.

Het 6/7-jarige kind wordt meer een ‘navoeler’ al werkt de nabootsingskracht nog heel lang door (soms langer dan we denken…) De ziel wil beleven en zo ontstaat er een diepe behoefte aan beelden. Ook de fantasiekrachten veranderen en het vermogen om te onthouden neemt toe. Er is sprake van verinnerlijking. De vrijgekomen vormkrachtenzelf scheppend – willen geen abstracte feiten en wetten, maar levensvolle beelden. Het is bekend dat de meeste kinderen dol zijn op verhalen, vooral die het kan meebeleven.
Het kleine kind heeft eigenlijk een grenzeloos vertrouwen in zijn (directe) omgeving. Door het nadoen leert het de meest essentiële menselijke vaardigheden: rechtop lopen, spreken en daarmee het denken. Het is met zijn omgeving existentieel verbonden. Dat verdwijnt niet, maar komt alleen op andere manier tot uitdrukking.
Met de tandenwisseling komt er zo’n verandering, maar ook rond het negende, tiende levensjaar.

Eerst is de wereld net zo als hij zelf is; hij maakt niet veel onderscheid tussen zichzelf en die wereld, knuffel kan ook pijn hebben, zoals hij zelf; de wereld heeft een ziel! Knuffel kan praten en honger hebben, moet ook slapen.

Rond het 9e jaar is dat niet meer zo; de wereld is al weer anders. Het openstaan voor die wereld is er nog steeds, maar niet meer zo vanuit het kind zelf, het wil nu de wereld in zich opnemen, toelaten zoals die wereld is.

En daar vertellen wij dan over: hoe die wereld is. Maar met in het achterhoofd het inzicht dat die wereld nog lang niet in de kale, intellectuele natuurkundige wetten-abstracties verlangd wordt. Nee, de verhalen moeten nog voedsel voor de ziel zijn: er moet iets te beleven zijn; waarmee je sympathie kunt hebben, of wat je juist moet afwijzen; wat lief is en niet; wat mooi is, bewonderenswaardig; wat te denken geeft (bedenkelijk is).

In klas 1 en 2 kan daarom het ‘zinrijke’ verhaal, zo’n zinvolle rol vervullen.

Aanwijzingen voor het vertellen

Steiner zegt:
In de bedoelde verhalen kunnen bv. zon en maan, regen en wind, wolken en bergen enz. nog met elkaar spreken en handelen zoals mensen doen. En wanneer je op deze manier aan de kinderen iets vertelt, zie je dat ze in deze verhaaltrant opgaan.[3]

Wanneer je SteinersHet viooltjebestudeert, zie je dat de kern van het verhaal het gesprek tussen het viooltje en de hond en het viooltje en het lam is. Door het uiterlijke beeld heen, word je iets gewaar van ‘ziel’. Dat beleven de kinderen mee. Ze hebben medelijden met het viooltje, maken zich ook zorgen, worden eveneens getroost en zijn ook blij. Spanning is er tussen het boze en goede antwoord; je merkt die spanning soms aan de ademhaling. Een eind goed, al goed is wel een noodzaak.
De kinderen kunnen deze stemmingen diep in zich opnemen. Vaak heb ik meegemaakt dat, wanneer het verhaal ten einde was en ik zweeg, er nog even een diepe stilte bleef. En vaak, bij veel kinderen, daarna een diepe zucht! (van verlichting?)

Steiner over dit verhaaltje:
‘Als het gaat om er met de kinderen over te spreken, is het niet goed om met hen de conclusie uit het verhaal te trekken: ‘dat men in het leven dikwijls bang is voor iets wat men verkeerd begrijpt of wat verkeerd voorgesteld wordt’.
De beelden moeten hier hun werk doen en pas veel later bestaat de mogelijkheid dat ze veranderd zijn in conclusies.[3]

Het zinrijke verhaal(tje) is toch enigszins een vergelijking voor het menselijk leven in samenhang met iets religieus, iets goddelijks. En waar dit aanwezig is, is ook vaak iets moreels aanwezig.

Steiner heeft voor de bespreking van de fabel aangeraden om vóór de vertelling met de kinderen te spreken.

Hier komt hij er met de kinderen op terug ná het vertellen, maar, om aan te geven dat de kinderen misschien iets willen vragen.

Steiner oppert in die voordracht dat een kind misschien zou kunnen vragen: ‘Waarom heeft die hond dan zo’n lelijk antwoord gegeven?’
Hij geeft de verklaring voor het feit dat de hond vaak een waakhond is, die ‘de mensen schrik moet aanjagen.’ Hieruit kun je concluderen dat Steiner hier het ‘lelijke, kwaadaardige, boze’ een functie geeft. Het wordt dus niet zomaar veroordeeld, maar op de juiste plaats gezet.

Er is nog een ander verhaaltje van Steiner,De ruiker’, de bos bloemen waarin Steiner de kinderen iets meedeelt door middel van een droom.

Zoiets is goed te gebruiken wanneer je in je klas kinderen hebt, die niet meer zo gemakkelijk meegaan in ‘dat planten en dieren met elkaar spreken’.

Steiner vertelt dit op een zgn. maandfeest – wanneer de kinderen van de hele school aan elkaar laten zien en horen wat ze de afgelopen maand geleerd hebben.[4]
Aan het einde van het verhaal zegt hij: ‘Want de zielen van de mensen krijgen de mooiste krachten voor hun leven als ze volwassen zijn, wanneer ze zo’n bos bloemen uit de school hebben kunnen meenemen. Dat zijn levenskrachten die er tot de dood zijn en zelfs daarna.’

Hoe vind je zelf verhalen

Dat is nog niet zo gemakkelijk. De kans bestaat dat je te snel iets ‘bedenkt’, ook dat het te ‘intellectueel is’. Grenzen zijn niet eenvoudig te trekken.

Het gaat ook hier om het beeld: wat spreekt daar doorheen, wat heeft het te zeggen.
In ‘Opvoeding in het licht van de antroposofie’ zegt Steiner:
‘Steeds moet voor ogen gehouden worden, dat abstracte voorstellingen op het zich ontwikkelende etherlichaam geen effect hebben, maar wel beelden, die reëel en levendig voor de innerlijke aanschouwing staan. Natuurlijk moeten deze dingen met de grootst mogelijke tact gehanteerd worden, opdat ze geen ave­rechtse uitwerking hebben. Bij het vertellen komt alles aan op de manier, waarop het gedaan wordt. Daarom is het niet mogelijk het mondelinge verhaal willekeu­rig door voorlezen te vervangen.
Het innerlijke aanschouwen van beelden, of, zoals men ook zou kunnen zeggen het zinnebeeldige voor­stellen, komt ook nog op andere wijze in aanmerking voor de leeftijdsfase tussen tandenwisseling en puber­teit. Het is noodzakelijk, dat het kind de geheimen van de natuur, de levenswetmatigheden zo min moge­lijk in de vorm van intellectuele, nuchtere begrippen opneemt, maar in symbolen. De geestelijke samen­hang der dingen moet in de vorm van gelijkenissen voor de ziel treden op zodanige manier, dat de wet­matigheden van het leven onder het beeldgewaad meer vermoed en aangevoeld dan verstandelijk begre­pen worden. ‘Alles Vergangliche ist nur ein Gleichnis’, dat moet bepaald een strak te volgen stelregel voor de opvoeding in deze fase zijn.

Het is voor de mens van onvoorstelbaar gewicht, dat hij de raadselen van het bestaan in de vorm van ge­lijkenissen verneemt, voordat hij ze leert kennen in de formulering van natuurwetten. Een voorbeeld moge dit verduidelijken. Veronderstel, dat men met een kind wil spreken over de onsterfelijkheid van de ziel, over het uittreden van de ziel uit het lichaam. Men moet dat zo doen, dat men bijvoorbeeld de vergelij­king gebruikt van de vlinder, die uit de pop te voor­schijn komt. Zoals de vlinder zich uit de pop los­maakt, zo stijgt de ziel na de dood uit de woning van het lichaam op. Geen mens zal in verstandelijke be­grippen precies vatten, wat er in werkelijkheid bij zo­iets gebeurt, als hij niet vroeger dit gebeuren in een dergelijke beeldvorm heeft leren kennen. Door zulk een gelijkenis spreekt men namelijk niet alleen tot het verstand, maar ook tot het gevoel, tot de innerlijke gewaarwording, tot de gehele ziel. De jonge mens, die dat alles in zich heeft opgenomen zal later, wanneer hem de dingen in verstandelijke begrippen geleerd worden, daar met een geheel andere stemming tegen­over staan. Het is zelfs zeer ongelukkig voor de mens, als hij niet eerst met het gevoel de levensraadselen kan benaderen. Het is noodzakelijk, dat de opvoeder voor alle natuurwetten en wereldgeheimen gelijkenis­sen tot zijn beschikking heeft.
Hieruit blijkt buitengewoon duidelijk, hoezeer de geesteswetenschap bevruchtend op het praktische le­ven werken moet. Wanneer iemand gelijkenissen be­denkt op grond van een materialistische intellectuele beschouwingswijze en deze gelijkenissen dan aan kin­deren vertelt, zal hij in de regel zeer weinig indruk maken. Zo iemand moet namelijk die beelden eerst geheel intellectualistisch in elkaar flansen. Zulke ver­zonnen beelden, waartoe men zich met moeite verwaardigd heeft, werken niet overtuigend op kinderen. Wanneer men namelijk in beelden tot iemand spreekt, dan werkt op hem niet alleen wat men zegt of aan­toont, maar er gaat van degene, die vertelt, een fijne geestelijke stroom uit naar degeen, die de mededeling ontvangt. Als de verteller zelf niet een warm gevoel heeft voor zijn beeld, als hij niet zelf aan zijn gelijke­nis als aan een werkelijkheid gelooft, dan maakt hij geen indruk op zijn toehoorder. De juiste uitwerking heeft het beeld slechts, wanneer het gevormd wordt uit een geesteswetenschappelijke overtuiging, wanneer de gelijkenissen zelf uit de geesteswetenschap voort­vloeien. Iemand die de antroposofische inzichten als levende gedachten in zich draagt, behoeft zich niet af te pijnigen om de bovengenoemde gelijkenis van de vrijkomende ziel te vinden, want voor hem is dit waarheid. Voor hem is het te voorschijn komen van de vlinder uit de pop dezelfde gebeurtenis op een la­gere trap van de natuur, als het zich losmaken van de ziel uit het lichaam, waarbij zich dit gebeuren op een hoger niveau afspeelt. Hij gelooft er zelf aan uit volle overtuiging, en dit geloof gaat als in een geheimzin­nige stroom van de spreker op de toehoorder over en wekt eveneens overtuiging. Zo stroomt leven, onmid­dellijk, tussen opvoeder en leerling over en weer.'[5]

Wanneer de leerkracht aan de ene kant moeite doet tot het wezen van de dingen door te dringen, moet hij aan de andere kant ook precies weten hoe de natuur en de natuurprocessen in elkaar zitten. Er moet per se naar een exacte fantasie gestreefd worden. Gesprekjes en wat de planten en dieren bv. doen, moet wel bij hun gewoonten en wezen passen. Je moet dus ook van deze kant de planten en dieren bestuderen. Dat is meestal er over lezen, wat anderen geschreven hebben. [6]
Maar ook tijdens wandelen kun je geïnspireerd raken. Wanneer je een eigen tuin hebt, kun je ook van alles waarnemen. En ook op reis, in andere natuurgebieden, zou je ook tot mooie gedachten kunnen komen. Voorwaarde is wel dat je in rust en overgave openstaat voor wat de natuur je te bieden heeft. En dan kan het maar zo zijn, dat er plotseling bepaalde gedachten door je heen schieten; je hebt een inval.
Je moet die nog uitwerken en of het wat geworden is, zal vooral uit de reacties van de kinderen blijken. Je weet bij voorbaat al dat het altijd beter kan; dus waarom niet gewoon begonnen.

Het sneeuwklokje en de beukenhaag

Onder een beukenhaag die nog de verdorde blaadjes van vorig jaar draagt, spruiten de eerste sneeuwklokjes tevoorschijn. Ze zitten in de schaduw van het blad en willen in het licht. ‘Och beukenhaag’, jammeren ze, ‘jij hebt je bladerkleed van vorig jaar nog aan en daar hebben wij last van, wij krijgen zo geen zon! Trek dat nu maar eens uit!’ De beukenhaag wordt er verlegen van en weet geen goed antwoord. Daar ritselt het in de twijgen en beneden op de grond. Een merel is het en een egel; zij hebben het gesprek gehoord en nu bemoeien ze zich ermee. ‘Jullie zijn heel dom’, zegt de merel fel, ‘wat denken jullie; het was voor ons vogels van de winter heel fijn dat wij ons in de beukenhaag konden verstoppen: alle bomen waren kaal!’
‘Daar zeg je wat,’ stemt de egel in, ‘ik kon mijn honger nog stillen vóór de winter kwam, omdat er onder het loof nog allerlei kleine friemeldiertjes zaten.
De beukenhaag vindt het fijn dat hij zichzelf niet hoeft te verdedigen en de sneeuwklokjes zwijgen beschaamd en wachten geduldig af tot de zonnewarmte ook hen bereikt.

De anemonen

Het heeft deze winter nog niet gesneeuwd, alleen de vorst was streng en de aarde was zo bevroren dat ze helemaal kruimelig werd. Dat was niet verkeerd, maar kon toch de sneeuw niet vervangen. De aarde klaagde: ‘Als er geen sneeuwvlokken vallen, komt er veel te weinig sterrenkracht naar de aarde. Hoe kan ik dan in het voorjaar voor alle planten zorgen?’

Dat hoorden de wortels van de anemonen en ze vroegen de aardmannetjes die bij hen woonden: ‘Ga naar alle voorjaarsbloemen: het leverbloempje, de krokus, de narcis, de boterbloem en nog naar andere bloemen en bespreek met de dwergen hoe we de aarde kunnen helpen. De dwergen dachten er ernstig over na. Toen ze weer bij hun bloemen kwamen zeiden ze: ‘We hebben besloten om ’s nachts het fijne licht dat van de sterren neerschijnt tot een draad te spinnen en die zullen we in de wortels van de planten vlechten. Zo kunnen we de aarde misschien helpen.’ En dat deden ze.

Toen het lente werd hadden de planten in hun bloemen de stralen van de sterren; er waren zoveel anemonen dat ze de aarde met een wit sterrenkleed bedekten. ‘Zie je, moeder aarde,’riepen ze, ‘nu heeft het toch gesneeuwd, louter witte sterrenbloemen!’ Wat was de aarde blij. – En als je goed naar de anemonen kijkt, dan zie je zes bloemblaadjes, net als de sneeuwvlokken met hun zes sterrenstraaltjes.

De kersenboom en de appelboom
Wisselvallig was het dit jaar met het voorjaarsweer. De noordenwind streek met zijn koude adem over de aarde, zo dat de bloesem het nog niet waagde zich te vertonen. Maar de zon scheen toch ook al zo verlokkend warm. ‘Wij houden het niet meer uit, we willen naar buiten en de zon zien!’ Steeds meer groene kelkblaadjes lieten de witte bloesemkindertjes uit de knoppenbedjes stappen. Dat gaf een bloesempracht! Overgoten met deze pracht stond daar de kersenboom. En veel meer kersenbomen, heuvel op, heuvel af, net zo mooi. Ze jubelden tot de voorbijtrekkende wolken: ‘Wij bloeien, wij  bloeien!’

Eén kersenboom was bijzonder prachtig. Hij keek om zich heen of andere zijn schoonheid wel zagen. Toen zag hij naast zich een appelboom staan, die er nog bijna net zo uitzag als in de winter. ‘Word wakker, slaapkop!’, riep de kersenboom naar zijn buurman, ‘zie je dan niet hoe alles bloeit en blij is met de zon?’ – ‘Rustig aan’, antwoordde de appelboom, half dromend, ‘ik wacht tot het warmer wordt.’ En zo ging het ook. De zon deed wel haar best de appelboom wakker te maken en stuurde haar zonnekinderen naar de appelbloesemknoppen om ze te verwarmen. Die werden daar aan de buitenkant heel roze van. En ineens stond ook de appelboom in volle bloei. Hij zag eruit alsof hij met het ochtendrood was overgoten. Hij was zeker net zo mooi als de kersenboom.
Wat was er met hém gebeurd? Zijn pracht was bijna weer voorbij. De bloesemblaadjes waren uitgevallen en de lege stelen strekten zich uit in de lucht. ‘Ik heb haast,’ zei de kersenboom, ‘ik wil mijn kersen klaar hebben; de kinderen hebben mijn zoete kersen nodig na zo’n lange winter’. En hij hield zijn takken in de zon.  – Het duurde maar een paar weken en toen staken de kinderen de kersen in hun mond en hingen ze over hun oren. –
Kersen moet je snel opeten, want ze blijven niet zo lang goed.

Heel anders is dat met de appels. De appelboom nam ook de tijd voor zijn appels. Het werd herfst, toen kon je ze pas plukken. En toen waren alle appels nog lang niet rijp. En hoe lang kun je die stevige, sterke appels wel niet bewaren? Tot Kerstmis zeker en nog wel langer. Dat komt, omdat de appelboom in alles zorgvuldig is, daarom gaan zijn vruchten langer mee. Wij mensen kunnen wel blij zijn met allebei de bomen, want ze geven ons rijke vrucht, ieder op zijn tijd.

De pioenroos en de brandnetel
Buiten het hek groeiden brandnetels langs een harde grindweg; daarachter in de tuin groeide een prachtige pioenroos in zwarte, luchtige tuinaarde. Er liep een grootvader met zijn kleinzoon voorbij. Het kind plukte bloemen die langs de kant van de weg stonden. Daarbij raakte het de brandnetels en snel trok het zijn handje ‘au’ roepend terug. ‘Booswicht,’ riep het, ‘ik heb je toch niets gedaan, waarom brand je me!’ Zijn dwalende ogen vielen op de pioenroos achter het hek; de prachtige knoppen waren aan het opengaan. ‘Wat zijn die mooi, die rode bloemen; en wat is die brandnetel gemeen, die heeft niet eens bloemen.’
Grootvader ging op een bankje langs de weg zitten en nam zijn kleinzoon op schoot en begon over de brandnetel te vertellen. ‘Kijk, die rode bloemen daar in die tuin, hebben het goed: die staan in vruchtbare grond, worden verzorgd, krijgen water en zo kunnen ze mooie, grote bloemen ontwikkelen die zo ongeveer bloeien wanneer het Pinksteren is; daarom heten ze ook pinksterrozen.
De brandnetel groeit altijd op plaatsen waar het niet in orde is, waar rommel ligt en waar bijna geen bloemen willen groeien. Met zijn vuurkracht die jij gevoeld hebt, maakt hij de grond schoon en maakt die weer geschikt voor andere planten. Daar geeft hij al zijn krachten aan, zodat hij niets meer over heeft voor mooie bloemen. Maar, kijk nu eens’, ging grootvader verder, hij nam zijn kleinzoon weer bij de hand en liet hem iets moois zien dat op een brandnetelblad zat. Het was een mooie vlinder, een dagpauwoog. ‘Daar heb je nu de bloem van de brandnetel! Die twee houden van elkaar, het zijn vrienden! Wat voor geheim daar nog meer achter zit, vertel ik je later.’ Toen vloog de vlinder op. ‘O’, zei het kind bewonderend. Het had volkomen vrede met de brandnetel; die was toch wel heel hulpvaardig en had mooie vrienden.

ANDERE VOORBEELDEN
Een ‘sinnige Geschichte’- een zinrijke vertelling – die het hele leven mee kan groeien, is bv. ‘de geschiedenis van de waterdruppel’.

In de 1e klas kun je vertellen dat de waterdruppel op zijn reis van de hemel naar de aarde veel meemaakt. Hij praat met de wolken, de wind, valt met ontelbare andere naar beneden, komt in een donkere kloof terecht en komt weer in een bruisende bron tevoorschijn, speelt als beekje met de bloemen aan de oever, zet het molenschoepenrad in beweging, draagt houtvlotten en schepen en komt uiteindelijk in de grote zee terecht. Daar roepen de zonnestralen hem weer naar de hemel terug.

Steeds kun je op zo’n verhaal terugkomen: in de heemkundeperiode in de 3e klas, wanneer het over de landbouw gaat, het graan en de kringloop van het water of wanneer je met de kinderen een gedicht leert waarin het water belangrijk is.

Belangrijk is dat je als leerkracht de moed hebt om het te proberen, ook al gaat het nog moeilijk en ben je niet tevreden.

Je moet het vormgeven van zo’n verhaal niet onderschatten: welke woorden kies je, hoe is de stemming. Dieren kun je met een paar temperamentsstemmingen karakteriseren waardoor de tegenstellingen meer voor zich spreken. Je moet wat kunstzin hebben om zo’n verhaal te componeren. Soms kan het een gedicht zijn – naverteld als zinrijk verhaal.

In het leesboek ‘Zonlicht’ staan veel voorbeelden. Daarvan kun je er veel vertellen; later lezen de kinderen ze dan nog een keer. Maar toch is het het mooist als je de meeste zelf maakt en niet alles van een ander gebruikt, omdat die het beter kan of omdat je te weinig tijd hebt.

‘Wat je zelf voor de kinderen maakt, gaat het hele leven mee, dat heeft iets buitengewoon verfrissends’, aldus Steiner [6]

Als de leerkracht zijn eigen ziel in beweging zet, actief zijn beelden schept, stroomt dit levendige naar de kinderenzielen en vindt daar hun eigen levendigheid en fantasie: ‘leven voedt leven’.

Wijsheid van beelden bereikt diepere lagen van de kinderziel dan begrippen. Wanneer een kind eerst iets met zijn gevoel heeft opgenomen, kan het daar beklijven om later pas door het verstand op een nieuwe manier begrepen te worden.

Kinderen luisteren heel graag naar verhalen. Je kunt bijna van ‘honger’ spreken.

Wat gebeurt er als deze behoefte niet wordt bevredigd? Een uitspraak van Steiner luidt: ‘wanneer het verlangen naar beelden, gelijkenissen om de wereld te begrijpen niet wordt bevredigd, slaat het om in ‘rebelsheid’. Er ontstaan rebellie, revolutionairen, ontevreden mensen.’

(Te denken valt bv. aan de studentenopstanden van 1968 – de verbeelding aan de macht)

Kan de honger naar beelden via tv, film, internet, het gamen; strips ermee te maken hebben?

Is er een samenhang tussen het ontstaan van de ‘fantasterijbeelden’ en het gebrek aan beeldend onderwijs?

Misschien dat de antwoorden op deze vragen je nog meer stimuleren om de kinderen met ‘echte’beelden te voeden.

[1] Inge Finkbeiner: Die ‘sinnige Geschichte’ zwischen Märchen und Fabel, Erziehungskunst, 56e Jr.-10-1992.
[2] GA 177, 20/21-10-1917
[3] GA 311/13-08-1924       op deze blog vertaald/40
[4] GA 298/03-05-1923     vertaald Beste ouders, lieve kinderen  blz. 98
[
5] GA 34/330-331              vertaald De opvoeding van het kind     blz. 43-44
[
6] GA 306/19-04-1923     op deze blog vertaald/105

Aanbevolen literatuur:

Over het zinrijke verhaal

M.Matthijsen: (14) Theorie en praktijk van de ’Sinnige Geschichte’

Over planten en dieren:

planten:

Gerbert Grohmann: 
Pflanze, Erdenwesen, Menschenseele
Die Pflanze, Bd. I und II
Lesebuch der Pflanzenkunde – vertaling
Die Metamorphose der Pflanzen

Wilhelm Pelikan:
Heilpflanzenkunde I und II

A.Usteri:
Pflanzenmarchen und Sagen
Pflanze, Menschen und Sterne
Die Pflanzenwelt im Jahreslauf
Pflanzenskizzen

dieren

Hermann Poppelbaum:
Mensch und Tier
Tierwesenkunde

Wolfgang Schad:
Säugetier und Mensch

F.H.Julius:
Das Tier zwischen Mensch und Kosmos

F.A.Kipp:
Höherentwicklung und Menschenwerdung

Gerbert Grohmann:
Tierform und Menschengeist
Lesebuch der Tierkunde

Karl König:
Bruder Tier

boeken met zinrijke vertellingen

Jakob Streit:
Tiergeschichten
Bergblumenmärchen
Zwergengeschichten
Zwerg Wurzelfein
Kindheitslegenden – vertaald

Elisabeth Klein:
Von Pflanzen, Tieren, Steinen und Sternen

Michael Bauer:
Pflanzenmärchen, Tiergeschichten und  Sagen – vertaald

Herbert Hahn:
Sonne im Tautropfen

Dan Lindholm:
Wie die Sterne entstanden – vertaald
Die Stimme der Felswand

Udo de Haes:
Die Mühle und der wachsende Riese
Zonnegeheimen 1,2,3,4

Walter Schmidkunz:
Christuslegenden

Leo Tolstoi:
Das ABC-Lesebuch
Volkserzahlungen

Erhard Fucke:
Die Bedeutung der Phantasie …

Jörg Erb:
Blumenlegenden
Tierlegenden

Käthe Wolf-Feuer:
Jasmin und andere Erzahlungen

Hermien IJzerman
Bloemensprookjes, fabels en legenden

Vertelstof: alle artikelen

 

773-708

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiners ‘sinnige Geschichte’ (2)

.

Rudolf Steiner:
.

DE RUIKER
.
Er waren eens twee kinderen, die op een zondag een wandeling maak­ten. Toen zij naar huis terugkeerden, had ieder kind een ruiker bloe­men. Het ene kind zei: „Wat heb ik een mooie ruiker!” Het andere sprak: „Mijn ruiker is mooi!”. Ieder vond alleen zijn eigen ruiker mooi.

Het ene kind had namelijk in zijn ruiker mooie bloemen vol geurige sappen, maar ook gewoon gras. Zelfs een paar korenhalmen, zelfs distels had dit kind in zijn ruiker. Het andere kind had alleen zoetgeurende bloemen, louter zoetgeurende bloemen.

Nu zei het kind met zijn geurige bloemen tegen het andere: „Hoor eens, jouw ruiker, waar zo van alles in is, vind ik niet mooi!” Maar evenmin vond de ruiker met geurige bloemen genade in de ogen van het andere kind.

Hoe denken jullie nu, beste kinderen, dat het verhaal verder gaat?
Wel kinderen, het kind met de ruiker met distels en halmen heeft het andere kind iets verteld. Luister maar, wat het vertelde:

„Eens op een zondag ben ik ook gaan wandelen en buiten ben ik in slaap gevallen en heb ik gedroomd”.
„Wat heb je gedroomd?”
„Luister: ik lag in een wei”, vertelde het kind, „en daar kwamen grote en kleine dieren en die spraken met elkaar. Er was een heel wonderlijk, heel heel klein nietig diertje en een groot beest. Het hele kleintje was een bij, het grote een kalf. Het kalf en de bij praatten met elkaar.

En de bij zei: „Och jij kalf, jij begrijpt helemaal niets van de plan­ten, maar ik, ik begrijp alles, ik weet welke planten zoetgeurend zijn en daar zuig ik de honing uit. Dan breng ik de honing naar de mensen en de mensen houden heel veel van honing. Als ik niet naar alle mooie bloemen met lieflijke geuren zou vliegen, zou er voor de mensen geen honing zijn”.

Toen zei het kalf: „Hoor eens, ik zou niet alleen van de zoet-
geurende bloemen, die jou zo goed smaken, kunnen leven. Alle bloemen, waar jij onbezorgd voorbij vliegt, moet ik eten en als ik ze niet zou eten, zou er geen melk op de wereld bestaan. Zonder melk zouden de mensen zich niet kunnen voeden en dan zou er ook geen honing nodig zijn, want dan zouden er ook geen mensen zijn, die er van aten”.                                                                                                              Zo spraken de twee kinderen met elkaar. En het kind, dat de rui­ker met geurige bloemen had, begreep toen, dat het iets moest leren. Het andere kind had het juiste al door zijn droom geleerd.

Het kind met de geurige bloemen begreep nu, dat er niet alleen geu­rige bloemen kunnen zijn. Het begreep, dat er verschillende soorten van bloemen moeten zijn, die samenwerken en het kind leerde nu hou­den van de ruiker met allerlei planten er in.

Het kind, dat geslapen en gedroomd had, kon zeggen: „Ja, het kalf heeft het gezegd: er zijn verschillende bloemen, maar alle bloe­men worden gebruikt en daarom heeft een ruiker, waar alle soorten van planten in zijn, veel meer waarde en is veel kostbaarder dan één, die alleen maar zoetgeurende bloemen heeft!”

Als jullie nu naar school gaat, beste kinderen, is dat voor jullie zo, alsof je op een mooie zondag een wandeling maakt en jullie moet van de school het allerbeste mee in het leven nemen. En als je een ruiker in het leven meenemen kunt van alles, wat jullie leraren jullie geleerd hebben, dan zul je aan zo’n ruiker de grootste vreugde beleven. Maar alle bloemen moeten er in zijn, niet alleen de zoetgeurende! Dat moet jullie leren, dat je ook dikwijls iets moet opnemen, wat niet alleen geurig is.

Als je ernstig en vlijtig leert, dan zul je merken, dat je in je latere leven niet alleen een ruiker met zoetgeurende bloemen meebrengen kunt, maar een ruiker, waarin al het levende verzameld is, waar het leven afhankelijk van is.

Denk er aan, beste kinderen, dat telkens wanneer jullie leraren iets moeilijks van jullie vragen, je hun met liefde gehoorzaamt. Van de school krijg je de mooiste ruiker voor het leven mee en je zult hem het waardevolste vinden, als er verschillende planten voor het leven in zijn.

Iedere herinnering aan de schooltijd zal je een kracht voor het leven geven, want de volwassen mensen winnen de schoonste krach­ten voor hun leven, als ze zulk een ruiker uit de school kunnen mee­nemen. Dat zijn levenskrachten, die standhouden tot aan de dood, ja tot zelfs daarna.
GA 298/171
Vertaald/98
.

Rudolf Steiners ‘sinnige Geschichte (1)

Rudolf Steiner: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

 

772-707

 

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Michelangelo

.

HET EPOS VAN MICHELANGELO

.

Wat gebeurde er achter die hoge schutting? De stad Florence wist het niet. Maanden-, nu al jarenlang hoorden de voorbijgangers het gerinkel van staal op steen, het geklop van hamer op beitel. Maar iedereen wist dat dat stuk marmer verknoeid was door een andere beeldhouwer, die het onpraktisch smal en dun had uitgehouwen en er vlak boven de basis een diepe, driehoekige houw in had geslagen. Vele kunstenaars hadden het al bekeken, maar het stadsbestuur wist tientallen jaren geen raad met deze onoverwinnelijke reus.

Toen, op een maandagmorgen (13 september 1501), kwam de jonge Michelangelo Buonarroti met een beitel in de hand aanstappen om zijn krachten te beproeven. Twee en een halfjaar zwoegde hij eraan. Toen de juryleden zagen wat hij had gedaan, kenden zij hem een beloning van 400 gouden florijnen toe (een waarde van ongeveer 7000 gulden in 1966) en mocht hij een plaats voor zijn werkstuk kiezen. Michelangelo koos schaamteloos de opvallendste plaats — vóór het grote paleis op het Plein der Edelen.

Michelangelo

.

Veertig mannen zwoegden vier dagen lang met windas en rollen om het beeld naar zijn standplaats te brengen. Met vaste blik trotseert David zijn vijand, de reus Goliath. Iedere fout in het originele blok marmer is veranderd in volmaaktheid. De langgerektc, dunne vorm is het stevige lichaam van een hoogopgericht atleet geworden; de houw bij de basis is de ruimte tussen de krachtige benen. Iedere pees en spier, iedere ader in de gespannen ledematen is gevormd met een precisie alsof er inderdaad het warme bloed van een jonge vechter doorheen stroomt. “David” is, net als  alle grote werken van Michelangelo, meer dan een beeld; het is een levende waarheid — nog even levend als 500 jaar geleden.

Michelangiolo di Ludovico Buonarroti Simoni werd geboren in 1475 in Caprese, in midden-Italië, dicht bij de oorsprong de Tiber. De vrouw van een steenhouwer werd zijn min; hij had zijn beroep met de moedermelk ingezogen, gekscheerde hij later.
Zijn moeder stierf toen hij zes jaar was en het zou bijna 60 jaren duren voordat hij weer de tederheid van een vrouw ondervond. Hij groeide op in een ruwe mannenwereld, met egoïstische middelmatige broers die hun hele leven op zijn zak teerden en een inhalige, klaaglijke vader. Op school ging het niet best met de jongen. Hij tekende altijd, ook thuis op de muren. Dus kreeg hij slaag. Omdat dit niets hielp, kreeg hij meer slaag, en harder. Maar de kunstenaar bleef ongebroken.

Buonarroti senior wilde geldelijk profijt trekken uit de weerspannige jongen en stuurde hem op 13-jarige leeftijd naar het atelier van de beroemde gebroeders Ghirlandaio in Florence.
Hier kreeg hij zijn enige schilderlessen. Op een dag bestudeerden enkele leerlingen een vrouwenfiguur, getekend door Domenico Ghirlandaio; Michelangelo pakte een dikker potlood en corrigeerde de tekening, en, wat erger was, Domenico zag dat de brutale knaap gelijk had. Het gevolg was dat Michelangelo werd weggestuurd van het atelier (met een uitstekend getuigschrift).
Hij belandde in de kunstfabriek van Bertoldo, de beeldhouwer die klassieke beeldhouwwerken nabootste voor Lorenzo de Medici, de rijkste bankier van Europa en de officieuze dictator  van Florence, wiens bijnaam “De Luisterrijke” luidde.

Aan Michelangelo werd de ruwe bewerking opgedragen van blokken marmer in de tuinen van de Medici. Iedere dag werden zijn jonge schouders sterker, zijn blik zekerder — zo zeker dat toen Lorenzo toevallig een beeldje in handen kreeg dat de jongen had gemaakt uit een stukje afvalmarmer, hij hem meenam naar zijn paleis, hem kleedde in fluweel en liet bedienen samen met zijn zonen. Aan die vorstelijke tafel, waaromheen zich dichters en geleerden schaarden, nam voorlezen de plaats in van babbelen. Hier hoorde de jongeling de verheven gedachten van Plato, de machtige verzen van Dante. Een tweede talent, het dichterschap, werd in hem geboren; hij zou de auteur worden van 77 sonnetten die in hun oprechtheid als uit zijn ziel gehouwen schijnen.
Zijn ziel was groot als die van een profeet uit de oudheid vol verheven visioenen en zedelijke hartstocht. En toch was zijn karakter vol erbarmelijke, menselijke fouten. Hij was arrogant, lichtgeraakt en scherp van tong en in een vechtpartij met een oudere leerling liep hij een gebroken neusbeentje op. Die misvorming is altijd gebleven en ging dieper dan zijn gezicht. Want de man die schoonheid aanbad, vond zichzelf nu afstotelijk. Hij was niet groot, had heel brede schouders en was misschien geen knappe jongeman, maar de jaren zouden zijn gerimpelde gezicht onvergetelijk maken — de bittere, krachtige mond, de lichtbruine ogen vol van een haast bijbelse droefheid en liefde.

In 1492 stierf Lorenzo en zijn zoon Piero wist geen betere bezigheid voor Michelangelo te bedenken dan hem op een wintermorgen te laten halen en hem een reusachtige sneeuwpop te laten maken op de binnenplaats van het paleis. Weldra verliet de jonge kunstenaar de stad en belandde langs allerlei omwegen in Rome.
Daar maakte Michelangelo zijn eerste meesterwerk — een  Madonna die de gestorven Christus op haar schoot heeft. Hij hoorde bezoekers het werk aan een andere kunstenaar toeschrijven en daarom sloop hij op een avond de Sint-Pieter binnen en hakte er zijn naam in; de “Piëta” is het enige werk dat Michelangelo van een handtekening heeft voorzien.

Toen Julius II paus werd, maakte hij grootse plannen voor monumenten en gebouwen waarvan hijzelf dikwijls het middelpunt moest worden. Zo verhaastte hij de afbraak van de oude Sint-Pieter om zelf de hoeksteen voor een nieuwe kerk te kunnen leggen. Michelangelo was toen in Florence, maar Julius dacht dat de historie van hem de grootste graftombe zou verwachten die ooit gebouwd was en daarom liet hij de grootste kunstenaar komen.

Zo begon zijn vriendschap met Michelangelo, een vriendschap die voor de helft uit ruzie bestond. Julius was geestdriftig over Michelangelo’s plannen voor de graftombe. Er zouden niet minder dan 40 beelden van heiligen en profeten op voorkomen, allen geschaard om de baar van de Paus. Michelangelo vertrok naar Carrara om marmer te kopen, maar toen hij eindelijk terugkwam om Zijne Heiligheid te vragen, de vrachtkosten te betalen, liet paus Julius, nu gewikkeld in een dure oorlog tegen Bologna, hem de deur wijzen. Michelangelo schreef onmiddellijk een woedende brief aan de Paus en vluchtte toen, geschrokken van zijn eigen onbezonnenheid, naar Toscaans grondgebied, onbereikbaar voor de pauselijke macht. De Paus eiste dat Florence hem zou arresteren en terugsturen. Koelbloedige Florentijnen haalden in plaats daarvan de kunstenaar over, Julius in Bologna te ontmoeten, en om hem te vrijwaren voor gevangenneming verleenden ze hem de rang van gezant.
De Paus was vergevensgezind nu Bologna was verslagen en Michelangelo keerde met hem naar Rome terug.
Maar de een of ander had Julius ervan overtuigd, dat het ongeluk brengt als je tijdens je leven je eigen graftombe laat bouwen. Bovendien waren de opkomende schilder Raphael en zijn bloedverwant Bramante, de architect van de nieuwe Sint-Pieter in aanbouw, jaloers op Michelangelo. Zij haalden Julius over van Michelangelo te eisen dat hij het plafond van de pauselijke particuliere kapel, de zogenaamde Sixtijnse kapel, zou beschilderen. “Ik ben geen schilder,” protesteerde de beeldhouwer. “Laat Raphael dat maar doen.” Maar Julius hield aan en de daaropvolgende vier jaren was Michelangelo praktisch een gevangene   — eerst van de Paus, later van zijn eigen inspiratie.

Nooit had enige kunstenaar een afschrikwekkender opdracht gekregen. De Sixtijnse kapel is een donker, smal,  hokkerig bouwsel, meer hoog dan breed. De ruimte van het plafond wordt onderbroken door koekoekachtige ramen, waardoor allerlei ongebruikelijke hoeken en bochten ontstaan. Dit alles, 900 vierkante meter, moest worden beschilderd in fresco-techniek, dat wil zeggen met kleuren die vermengd zijn met water, niet met olie, en die worden opgebracht op nog natte kalk. In de tijd dat de kalk droogt, drogen ook de kleuren en de kunstenaar moet dus in een hoog tempo werken.

Michelangelo beklom de ladders, liep over de steigers, ging op zijn rug liggen en schilderde boven zijn hoofd. Hij werkte als een slaaf van zijn eigen scheppingsdrift en vergat vaak te eten en te slapen; hij stuurde de ene assistent na de andere weg en sloot de deur voor iedereen, behalve een oude bediende — en Paus Julius.
Julius had geen verstand van kunst, maar wel gevoel voor schoonheid. Hij wist ook dat het leven maar kort is. “Wanneer is het nu eindelijk klaar?” tierde hij vaak.
Ten slotte zei Julius: “Het is klaar, zeg ik je. Kom van die steiger af’, of ik laat je eraf gooien.” Sidderend, want hij was er een keer afgevallen, stemde Michelangelo erin toe, het werk prijs te geven aan de blikken van society,
kunstenaars en geestelijkheid. Daar boven hen, als Genesis geschilderd tegen het uitspansel, was het verhaal van de Schepping, van de Zondeval en de Zond­vloed! God is geschilderd terwijl Hij met een gebiedend gebaar de Hemelen scheidt. Hij ademt het stof leven in, en zie, daar staat Adam, naar Zijn beeld; Gods vinger laat die van Adam juist los terwijl de Mens zijn Schepper met verering aankijkt. En
onder de bescherming van de arm des Almachtigen richt Eva, gretig en bevreesd, haar blik op haar heer en meester. Profeten en sibillen vullen de moeilijke plekken. Het plafond telt 343 hoofdfiguren, stuk voor stuk subliem; elk onderdeel heeft de kracht van beeldhouwwerk.

Dezelfde oudtestamentische grootsheid komt tot uitdrukking in de marmeren “Mozes”, een fragment van de nooit voltooide graftombe voor Paus Julius — zo majestueus dat het de somberheid van de kerk die het herbergt verlicht. Het is alsof de Profeet zich met zijn tenen vastklampt aan de Berg Sinaï terwijl de donder en bliksem van de Heer rondom hem schijnen te woeden; hij houdt de tafelen der wet in zijn handen en zijn ogen schitteren van verontwaardiging. Volgens de overlevering heeft Michelangelo, toen hij dit beeld had voleindigd, het een laatste hamerslag gegeven en bevolen: “Spreek nu!”

Maar terwijl Michelangelo door zijn kunst zulke nooit verouderende waarheden tot uitdrukking bracht, waren de tijden waarin hij leefde vol godsdienstige onenigheden. Wereldse buitensporigheden hadden niet alleen de financiële maar ook de morele schatten van het Vaticaan tot op de rand van een bankroet gebracht. Het resultaat was dat half Europa tot opstand kwam in de protestantse revolutie. Franse, Duitse en Spaanse legers drongen Italië binnen, dat zelf werd verscheurd door een burgeroorlog. Paus Clemens, die nu in het Vaticaan zetelde, rukte op tegen Florence. In haar nood riep de stad der kunstenaars haar grootste zoon terug. Maandenlang zwoegde Michelangelo aan het versterken van heuvels en het plaatsen van kanonnen.

Uit het bloedvergieten en de angst van deze tijden groeit Michelangelo’s werk van diepste vredigheid — de graftombe van de Medici’s. Om deze tombe te bezoeken — en de stroom van bezoekers laat nooit af— gaat men naar de kapel naast de kerk van San Lorenzo in Florence en betreedt een ruimte, door Michelangelo ontworpen, die een vinger legt op de polsslag en de rusteloze geest doet bedaren. Daar staan, tegenover elkaar bij de muren, de twee graftomben, een voor Lorenzo de Medici, een voor zijn broer Giuliano. Gekleed in een licht harnas, zijn hand op het zwaard dwars over zijn knieën, staart de jonge Giuliano hunkerend naar de jaren die hij niet meer mocht meemaken. Deze figuur wordt gewoon “Het Actieve Leven” genoemd; haar tegenhanger “Het Beschouwelijke Leven” toont een peinzende Lorenzo, aarzelend de hand voor de mond, terwijl de helm de ogen beschaduwt die langs eenzame paden de dood tegemoetzien.

En weer legde een nieuwe Paus (hoe snel volgden zij elkaar op, hoe velen heeft Michelangelo overleefd!) de ouder wordende kunstenaar een uitputtende taak op de schouders. De muur van de Sixtijnse kapel achter het altaar moest nog versierd worden. En zo schilderde de beeldhouwer “Het Laatste Oordeel”. Michelangelo was nu oud — ouder dan zijn leeftijd, uitgeput door zijn worsteling met reusachtige opdrachten. Korte tijd had hij een innige vriendschap met een adellijke vrouw, Vittoria Colonna. Haar openbaarde hij, als voor niemand anders, zijn flinkere en verheven gedachten. Toen de dood haar overviel, werd hij haast een kluizenaar in een donker huisje in Rome. Hij leefde als een arm man, terwijl hij in feite zijn broers onderhield en een fortuin in contanten had verborgen in zijn atelier. Heimelijk schonk hij grote bedragen aan arme deugdzame meisjes, opdat ze een goed huwelijk konden doen.

Toch begon Michelangelo nog na zijn 70ste aan een nieuwe carrière als architect. Hij was nog een leerling toen hij werd aangewezen om de Sint-Pieterskerk te voltooien, die 50 jaar na het leggen van de hoeksteen nog een dakloze huls was. Vele bouwers hadden eraan gewerkt; het enige dat alle plannen gemeen hadden was de grootte, want dit moest de grootste kerk ter wereld worden. Het was een zo langdurige taak dat Michelangelo tussendoor tijd had, allerlei andere gebouwen overal in Rome te ontwerpen – kerken, paleizen, bruggen, musea. Zijn stijl beheerste op den duur de Eeuwige Stad als een machtige lofzang waarvan de akkoorden tot steen zijn verstild.

Sommige van Michelangelo’s plannen voor de Sint-Pieter werden nooit uitgevoerd, maar de grote dubbelplatige koepel is helemaal van hem en ze is een roemrijke kroon op deze schitterende kerk en op zijn leven. Uitvoerders zeiden dat het onmogelijk was, maar langzaam, laag voor laag, rees de grote stenen bult omhoog, schitterend van proporties, iedere laag als een uitdaging aan de zwaartekracht voortkruipend naar het middelpunt.
“Ik ben zo oud,” zei hij, “dat de dood aan mijn mantel trekt.” Maar voordat hij op 89-jarige leeftijd stierf, zag Michelangelo Buonarroti zijn werk bijna voltooid — de grootste en prachtigste koepel ter wereld. Vol licht en orgelgeschal en jubelend koorgezang, een wijde en luchtige climax van macht, bevat deze koepel — als iets ter aarde dit kan — een laatste echo van deze titanische geest.

8e klasalle artikelen

Vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

767-702

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 2 klas – vertelstof (4)

.

Bron?

.

Ierse legende

Verteltijd ca 10 min.
.

DE VRIENDELIJKE HUT

Lang, lang geleden trok er over de weg van Donegal naar Killybegs een groepje zigeuners. Het waren arme lieden die met het lappen van ketels probeerden aan de kost te komen en hier en daar een ei of een lam stalen als de pot té schraal was. Maar van karige beetjes kan men niet veel monden vullen en toen de zigeuners door Cam-Na-Ween trokken, besloten zij afstand te doen van het jongst-geboren kind en legden het te vondeling op de drempel van de hut van Bridget en Gonal Hegarty.

Nu waren in die dagen de tijden zwaar en Bridget en Conal hadden zelf al een groot gezin, maar een kind onderdak weigeren doet men in Ierland niet en dus werd het liefderijk opgenomen. De kleine Oona groeide op tot een mooi meisje, misschien wel het mooiste van heel Cam-Na-Ween en de landen daar ver omheen en de jongens uit die streek hadden haar graag tot vrouw genomen. Maar men was er niet vergeten dat zigeuners dit kind hadden gebracht en iedere jongeling wiens hart in vuur en vlam stond voor de lieftallige Oona, vergat maar gauw hoe aantrekkelijk dat meisje in de hut van Bridget en Gonal was en koos zich een degelijke Ierse huisvrouw. En dus bleef Oona alleen bij de twee oudjes van wie zij veel hield en die ze liefderijk verzorgde. In haar hart koesterde zij een schone droom: als eens Bridget en Conal zouden zijn overleden zouden zij misschien aan haar de hut achterlaten. Zij zou dan een eigen huis hebben, met voor de ramen zonnig-gekleurde gordijnen en boven het vuur een grote koperen ketel die altijd glimmend zou zijn gepoetst. Maar voor Bridget stierf zei ze: ‘Oona, de hut is voor mijn zoon Michael en zijn jonge vrouw. Neem uit de kist het linnengoed dat je toekomt. Misschien zal er ergens een man zijn die nog met je wil trouwen.”

En Oona vouwde haar linnengoed tot een bundel en vertrok, vastbesloten ooit haar schone droom waar te maken. En overal was wel een hutje dat haar wachtte, waar zij een ziek kind kon verzorgen of waar zij de taak van de overleden huisvrouw kon overnemen. Want Oona kon hard werken en er was veel liefde in haar hart. Maar nergens was er een plekje voor haar alleen en geen man kon vergeten dat zij een zigeunerkind was.

De jaren verstreken en hoe ouder en krommer Oona werd, hoe meer haar bezittingen groeiden; overal waar ze had gewerkt hadden de mensen haar linnen en potten en pannen geschonken ~- zoveel dat ze tenslotte wel een wagen nodig had om ze te vervoeren.

Toen zij al heel oud was, woonde ze in de hut van Brian MacManus. Het was in de tijd van de grote hongersnood en voor ieder was er niet meer dan de dagelijkse lepel pap. Het deed Oona pijn te zien hoe hongerig de ogen van de kinderen waren, maar zij kon haar eigen kleine hapje niet afstaan, want de vrouw was ziek en zonder dat beetje eten had ze niet kunnen werken en het gezin zo goed mogelijk verzorgen. Maar toen het midwintertijd werd en de restanten van de laatste mislukte oogst nog kariger geworden, kon zij de ellende en het verdriet niet langer aanzien en pakte haar bezittingen bijeen.
‘Jullle kunnen nu wel voor jezelf zorgen. Je hebt mij niet langer nodig’ zei ze. ‘God weet dat dat waar is’, zei vrouw MacManus.

Maar de man zei: ‘Zwijg toch, vrouw! Weet je niet wat voor avond dit is?’ En de vrouw sprak verbitterd: ‘Ik weet het. Het is kerstavond. Maar in deze tijden is iedere avond gelijk aan de andere. De oude vrouw is gek. Laat haar gaan!’  En Oona zei: ‘Mogen God en Maria u op deze avond bijstaan!’ en zij nam haar bundel over de schouder en stapte de heldere vriesnacht in. Ze nam de weg door Carn-Na-Ween die naar zee leidt en bij ieder hutje stond ze stil en keek naar binnen. Bijna iedere haard was haar vertrouwd, bijna ieder gezin had ze gekend. Langzaam volgde ze het steile pad de heuvels in, en toen zij de laatste hutten ver achter zich had gelaten, ging ze zitten aan de rand van het veen.

‘Ik heb nog nooit zo gezeten’, bedacht ze verwonderd. ‘Voor het eerst is er niemand voor wie ik moet zorgen, niemand die eenzaam, ziek of verdrietig is’. En terwijl de sneeuw zich zachtjes om haar schouders legde, dacht ze: ‘Hïer heb ik altijd willen zijn. Het is hier stil en mooi en hier zal ik wachten tot hij komt. En hij zal komen als een geliefde, die mij in zijn armen neemt en zegt: ‘Kom Oona, wees niet bang!’ en ik zal mijn hand in de zijne leggen en voor altijd mogen rusten.
Eigenlijk wist Oona niet goed meer wat er hierna gebeurde. Vaag herinnerde zij zich dat ze nog het Elfenland had willen bezoeken, dat naar men zei aan de rand van het veen en de moerassen lag. Maar ze was te moe, haar hoofd viel op haar schouder en ze droomde van het verhaal van ‘Conall van de Duizend Zangen’, die eens op een midzomernacht op dezelfde plek had liggen slapen en die was wakker geworden met een hoofd vol feeënmuziek en van Willy Donogue die op een late voorjaarsavond door het elfenrijk was gereden en had gezien hoe de bewoners daar buiten rondreden, om hun schouders kleedjes van dauw en bloemen in de goudblonde lokken. Van dit alles droomde Oona, terwijl de sneeuw haar langzaam toedekte. Het zou zeker een Witte Kerstmis worden en men vertelde wel dat dan het Vriendelijke Volkje de huizen verliet om gezamenlijk het wonder van de geboorte te aanschouwen. En als dat zo was zou de oude vrouw in deze nacht zeker niet alleen zijn.

Toen Oona, na vele uren te hebben geslapen, wakker werd, had ze het gevoel dat iemand naar haar stond te kijken. Voorzichtig probeerde zij haar benen te strekken en ze voelde hoe ze daarbij iets aanstootte. Toen zij naar haar voeten keek, dacht ze dat de duisternis en haar oude ogen haar parten speelden. Zij zag daar een heel klein mannetje staan; een dwerg nog kleiner dan de hand van een man.
Maar toen Oona goed keek, zag zij rechts en links, voor en achter haar honderden van die dwergen en ze zei:
‘Wees maar niet bang. Ik wist niet dat jullie hier waren. Zoeken jullie iets?’ ‘Jou en niemand anders,’ zeiden de mannetjes met lachende knopgezichtjes. En Oona begreep dat dit het Vriendelijke Volkje moest zijn. ‘Waarom lachen jullie?’, vroeg ze verwonderd.

‘Om jou natuurlijk! Je leven lang heb je voor anderen gezorgd en nooit heb je iets gevraagd en nooit heeft een mens je zichzelf of zijn woonplek geboden. En daarom zijn wij nu hier. Slaap nog maar wat, kind van zigeuners, vanaf heden doen wij het werk!’

En van onder haar deken van sneeuw zag Oona hoe het Vriendelijke Volkje heen en weer rende, hoe het stenen en riet aansjouwde en hoe het die stenen begon te stapelen en er balken op aanbracht en hoe op die balken het dak werd gelegd en hoe daar een Vriendelijke Hut werd gebouwd. En toen het werk gedaan was zeiden de dwergen: ‘Word wakker, Oona Hegarty, word wakker!’ ‘Maar ik ben wakker,’ zei Oona, ‘hoewel ik het gevoel heb alsof ik droom.’ ‘Dan pakken we nu je bundel en kun je eindelijk naar huis gaan’.
De duizenden kabouters pakten haar bundel en droegen hem de hut binnen en toen Oona over de drempel stapte zag ze dat alles net zo was als zij haar leven lang had gedroomd: voor de ramen hingen zonnige gordijntjes en boven het vuur een glimmend gepoetste koperen ketel. En zij zag dat er nog veel meer was: tafels en stoelen, potten en pannen en de lepel waarmee men het ‘griddle-bread’ roert.

Oona keek naar de dwergen. ‘Ik weet niet waarom jullie dit deden’, zei ze  ‘en ik wil ook niets vragen, behalve één ding: breng mij iedere Witte Kerstmis mensen die ongelukkig, ziek of eenzaam zijn. Ik zal het vuur dan opstoken, waaraan zij zich kunnen verwarmen en ik zal het brood bakken waarmee zij hun maag kunnen vullen. Hier zullen zij dan tevreden en gelukkig zijn.’ ‘Wij beloven het je, Oona Hegarty’, zeiden de elfjes. En toen waren ze weg Nog even hoorde Oona hun heldere stemmen in de verte, daarna werd alles stil.

Doodmoe viel de oude vrouw in een diepe slaap en toen zij wakker werd, hoorde ze hoe de klink van de deur werd opgelicht. Vriendelijk zeï ze: ‘Kom binnen Maggie MacManus, ik heb al op je gewacht.’

Het uitgehongerde kind was verbaasd de stem van Oona te horen en een vrouw te zien die Oona misschien wel, maar misschien ook niet was. Zij lag geknield voor de haard en keerde het ‘griddle-bread’ en ze was jong en mooi; haar ogen waren hemelsblauw en haar lokken goudblond en zij leek wel iemand die tot het elfenvolk hoort.

‘Ga maar bij de haard zitten, Maggie,’ zei ze. ‘Je mag zoveel eten als je wilt en als je buik vol is mag je weer naar huis gaan.’

En toen Maggie weer thuis kwam vertelde ze van de Vriendelijke Hut en van Oona die weer als een jonge bruid was. Maar hoewel alle inwoners van Carn-Na-Ween nog maanden naar het hutje zochten, vonden zij het niet. En pas toen er weer een Witte Kerstmis was, zag de weduwe Molly Maclntyre, die was weggelopen omdat men haar naar het armenhuis wilde brengen, een kleine hut, waar achter de ramen een warm licht scheen. Maar zij is nimmer teruggekomen om in Carn-Na-Ween te vertellen hoe behaaglijk het daar was in die hut aan de rand van het veen.

Maar in Carn-Na-Ween weet men dat áls er een Witte Kerstmis is, er altijd hoop is voor een arm, eenzaam mens, dat de weg zal gaan die naar Killybegs leidt en daar zal worden ontvangen door een jonge vrouw die een Vriendelijke Hut bewoont.
,

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

.

764-700

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookje (8-3/1)

.

Russisch sprookje uit de verzameling van A.N. Afanashew
.

Verteltijd ca 7 min.

 

DE SNOTTERIGE GEITENBOK

.

In een zeker land, in een zeker rijk leefde eens een koopman. Hij bouwde voor zichzelf een nieuw huis en zond er zijn oudste dochter heen: ze moest er over­nachten en hem dan vertellen wat ze in haar droom had gezien. Het meisje droomde dat ze ging trouwen met een koopmanszoon.

De volgende nacht zond de koopman zijn middelste dochter naar het pasgebouwde huis om te zien wat zij daar zou dromen. En zij droomde, dat zij ging trouwen met een edelman.

De derde nacht was het de beurt van de jongste dochter. Ze werd erop uitgezonden, en ze droomde dat ze trouwde met een geitenbok.

De vader schrok geweldig en verbood zijn lievelingsdochter om buiten de deur te gaan. Maar zij was ongehoorzaam en zij deed het toch. Op hetzelfde ogenblik nam de bok haar op zijn lange horens en droeg haar over steile oevers en hellingen naar zijn hut. Daar legde hij haar te slapen. Het snot liep hem uit de neus, de kwijl droop uit zijn bek, maar het arme meisje veegde telkens alles weg met haar zak­doekje, zonder afkeer te voelen. Dat stond de bok wel aan en tevreden streek hij over zijn baard.

De volgende morgen stond het mooie meisje op en zag dat het hele erf was omgeven door palen en dat op ieder daarvan het hoofd van een meisje was gestoken – slechts één enkel paar was leeg gebleven. En het arme kind was blij, dat ze aan de dood was ontkomen. Al gauw kwamen er dienaren om haar te wekken: “Het is nu geen tijd meer van slapen, meesteres, maar het is tijd de kamers schoon te maken en het vuil het huis uit te vegen.”
Ze ging naar buiten voor de deur en zag ganzen vliegen. “Ach, mijn grijze ganzen, komen jullie misschien uit mijn ge­boortestreek? En brengen jullie mij soms tijding van mijn eigen vadertje?”

De ganzen antwoordden:  “Ja, wij komen uit je geboortestreek en hebben tijding voor je meegebracht; er wordt bij je thuis een verloving gevierd, want je oudste zuster gaat trouwen met een koopman.”

De bok hoorde alles op zijn ligbed en zei tegen de knechten: “Hé daar! Trouwe dienaren, breng de bont versierde gewaden en span de zwarte paarden in! In drie sprongen moeten zij op hun plaats van bestemming zijn.”

Het meisje maakte zich mooi, stapte in en de paarden brachten haar in een oogwenk bij haar vader. Voor de deur trof zij gasten aan, en in het huis was een feestmaal gaande. Maar de bok had zich veranderd in een knappe jongeman en liep met de goesli* het erf op en neer.

Nu, wie zou een speelman niet binnenroepen bij een feest? Hij betrad dan ook het grote, houten huis en begon direct te spelen en te zingen: “De vrouw van een geitenbok! De vrouw van een snotneus.”
Het arme meisje gaf hem eerst op de ene wang een klap, toen ook op de andere, en ging er daarna in grote op­winding met het span zwarte paarden vandoor. Toen ze thuiskwam, lag de bok al op zijn gewone plaats. Het snot droop uit zijn neus, de kwijl uit zijn bek, en weer veegde het meisje alles weg met haar zakdoekje, zonder afkeer van hem te voelen.
’s Morgens werd zij door de dienaren gewekt: “Het is geen tijd van slapen, meesteres, maar van opstaan. De kamers moeten worden schoongemaakt, het vuil moet naar buiten worden geveegd.”
Ze stond op, bracht de kamers in orde en ging naar buiten vóór het huis. Daar vlogen weer de ganzen voorbij.
“Ach, mijn grijze ganzen, komen jullie misschien uit mijn ge­boortestreek met tijding van mijn vader?”
En de ganzen antwoord­den: “Wij,komen uit je geboortestreek en brengen je nieuws: bij je thuis wordt een verloving gevierd, want je middelste zuster gaat trouwen met een rijke edelman.”

Opnieuw reed het meisje naar haar vader. Voor het huis ontmoette ze gasten, want binnen werd er een groot feestmaal gegeven. De bok veranderde zich weer in een knappe jongeman die op het erf heen en weer liep met de goesli. Hij werd binnengeroepen, begon te spelen en zong daarbij: “De vrouw van een geitenbok, de vrouw van een snotneus…”
Opnieuw gaf het arme meisje hem eerst op de ene en toen op de andere wang een klap, en ging er met het span zwarte paarden vandoor.

Toen ze thuiskwam, lag de bok op zijn gewone plaats. Het snot droop uit zijn neus, de kwijl uit zijn bek. Weer ging er een nacht voorbij. ’s Morgens stond het meisje op, ging naar buiten voor de hut en zag weer de ganzen voorbijvliegen.

“Ach, mijn grijze ganzen, komen jullie misschien uit mijn
ge­boortestreek, en brengen jullie soms nieuws van mijn vader?”
En de ganzen antwoordden:  “Ja, wij komen uit je geboortestreek en hebben nieuws voor je meegebracht: je vader geeft een groot feestmaal.”

Het meisje snelde naar haar vader. Voor het huis ontmoette ze gasten en binnenshuis was een geweldig feestmaal aangericht. Om het huis liep de speelman met zijn goesli. Ze riepen hem de feestzaal binnen en weer zong hij: “De vrouw van een geitenbok, de vrouw van een snotneus…”
Het arme meisje gaf hem eerst op zijn ene en daarna op zijn andere wang en klap en haastte zich naar huis. Ze keek op zijn gewone ligplaats, maar daar lag alleen de huid van een bok. De speelman had geen tijd gehad er weer in te kruipen.

De huid vloog de kachel in, en voortaan was de jongste dochter van de koopman met een knappe jongeman getrouwd.

Ze leefden nog lang tezamen en vermeerderden hun bezit.

.
*citer-achtig instrument

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 1e klas sprookjes

.

763-699

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Tolstoi

.

HIJ SCHREEF EN BELEEFDE OORLOG EN VREDE

In de romans van Leo Tolstoi is het leven rijker dan waar ook in de letterkunde. Daar vindt men oorlog en vrede, liefde en avontuur, geboorte en dood — een caleidoscoop van gedenkwaardige taferelen.
Een verdwenen Rusland, met zijn schitterend keizerlijk hof, zijn bals en duels en kranige officieren, zijn grondbezitters, virtuoos rijdende kozakken en domme horigen, zijn uitgestrekte, besneeuwde slagvelden en zijn nachten van roekeloos hazardspel en braspartijen met de zigeuners. De talloze personages staan ons nader dan de mensen die op dit ogenblik door de straten van Moskou en Leningrad lopen. Want dit was het leven zoals Tolstoi het zelf heeft geleefd en weergegeven met een begrip, waarvoor zijn grote christelijke liefde de enige verklaring is.

Tolstoi

Er was geen spoor van genialiteit in Tolstoi’s vroegste jaren. Hij werd in 1828 geboren op Jásnaja Poljána, de uitgestrekte bezitting van zijn vader, graaf Tolstoi, ongeveer tweehonderd kilometer ten zuiden van Moskou. Zijn moeder, prinses Maria Wolkonski, bracht voor haar echtgenoot een fortuin ten huwelijk mee en gaf haar kinderen het trotse bloed van Ruslands hoogste aristocratie. Volgens zijn eigen dagboeken leidde de jongeman het leven van een nietsnut, vrouwenjager en speler. Niemand had toen kunnen vermoeden dat dit maar één fase was — de vreemde, onvermoeibaar zoekende schrijver zou er in zijn lange leven heel wat doorlopen voordat hij ten slotte een “heilige” werd, niet alleen voor christenen maar ook voor aanhangers van andere godsdiensten, en, niet te vergeten, voor tallozen in Europa, Azië en Amerika die hun geloof nog niet hadden gevonden.

Zijn oorlog met zichzelf nam geen eind, en tot het laatst toe bleef vrede een hersenschim. Met een diplomatieke loopbaan voor ogen bezocht hij de universiteit van Kazan om er oosterse talen te studeren. Maar de man die even vloeiend Frans sprak en schreef als Russisch, die binnen drie maanden het Oudgrieks beheerste en met gemak Duits, Italiaans en Engels leerde, werd afgestoten door de trage, vormelijke methodes van het academisch onderwijs. Daarom stapte hij over naar de studie in de rechten. Ook dat werd een mislukking, want hij vond het recht geestdodend en zonder verband met de zedelijke gerechtigheid. Toen zijn speelschulden hem dwongen Moskou te verlaten, sloot de jonge Tolstoi zich aan bij een regiment aan de Kaukasische grens, dat de voortdurende aanvallen van de Tartaren afsloeg. De ongerepte natuur van dat oord, de besneeuwde bergtoppen en de droge, hoge lucht wekten een verrukking in hem die haast tastbaar aanwezig is in zijn prachtig verhaal De kozakken en in Hadzji Moerat. Het laatste werd pas vijftig jaar later geschreven, en niets bewijst zozeer dat Tolstoi iedere indruk niet alleen in zich opnam, maar ook zolang hij leefde in de oorspronkelijke luister kon bewaren.

Toen in 1853 de Krimoorlog uitbrak, liet de jonge officier zich naar het front overplaatsen. Zijn verhalenbundel Sebastopol geeft een onthullende kijk op de tragische heldenmoed van de Russische troepen, maar ook op de harteloze domheid van de legerleiding.
Als een schrijver van naam kwam hij na vier en een half jaar soldatenleven in zijn wereld van oppervlakkig vermaak terug. Hij was toen zevenentwintig. Maar niets was verspild aan die aartsverspiller; al wat hij had geleerd en beleefd als soldaat vindt men terug in Oorlog en vrede. Hoe schitterend het gezelschap ook was waarin hij zich bewoog, toch was Tolstoi nog vrijgezel, al voelde menige vrouw de aantrekkingskracht van zijn valkenblik en zijn zinnelijke mond. Hij maakte reizen door Frankrijk, Zwitserland en Duitsland, maar ware schoonheid was voor hem alleen in zijn geboorteland te vinden, waar de eindeloze steppen hem meer in verrukking brachten dan de Alpen.

Het allermeest hield hij van Jásnaja Poljána, waar hij nu heer en meester was. Maar de jonge graaf Tolstoi was een nieuw soort grondbezitter: hij voelde zich nederig tegenover de vrome, ongeletterde boeren. Hij richtte een school op voor hun kinderen die niet konden lezen en begon zijn lijfeigenen te bevrijden van menslievendheid die zij met wantrouwen gadesloegen. Zijn idealisme, zijn eerzucht, zijn eenzaamheid en zijn wisselende stemmingen brachten zijn innerlijk in een toestand van gisting.
Steeds vaker kwam hij op bezoek bij de familie Behr, het gezin van een hofarts, met drie aantrekkelijke dochters. Dit levendig en gastvrij huishouden werd door Leo Tolstoi als zijn tweede tehuis beschouwd. Het werd vereeuwigd als de familie Rostow in Oorlog en vrede.

Toen Leo op een dag een brief met een aanzoek overhandigde aan Sonja, de middelste en mooiste van de dochters, zei zij onmiddellijk ja. Hij was vierendertig en had een verleden; zijn verloofde was een onschuldig meisje van achttien. Leo, die als altijd verscheurd werd door twijfel aan zichzelf, vond dat hij niet het recht had met haar te trouwen als hij niet eerst zijn zonden biechtte; daarom gaf hij haar de dagboeken waar alle
bijzonderheden in stonden. Het meisje was zo dapper haar belofte te hernieuwen en het paar werd in de echt verbonden — het begin van
een leven van hartstocht en pijn dat achtenveertig jaar zou duren.
Zij was een praktische vrouw, hij was een weidse dromer. Zij
hield van de vermaken van het stadsleven en had eerst een hekel
aan het landelijk verblijf waar hij zich het gelukkigst voelde. Maar
daar staat tegenover dat zij hem dertien kinderen schonk, de
behartiging van zijn zakelijke belangen op zich nam en uit vrije
wil het reusachtige, steeds weer herziene manuscript van Oorlog en vrede tot zeven maal toe eigenhandig overschreef.
Oorlog en vrede is het heldendicht van Napoleons oorlog tegen Rusland in 1812; er wordt in beschreven hoe die oorlog als een vloedgolf over de meer dan vijfhonderd verschillende personages van het verhaal heen slaat. De meer dan levensgrote slagveldtaferelen met hun cavalerie-charges, slachtpartijen en staaltjes van heldenmoed, de brand van Moskou, de terugtocht van het Franse leger door de meedogenloze sneeuwstormen, alles wordt beschreven met een ongeëvenaarde breedheid van blik. En de persoonlijke verhalen die door het nationale drama heen zijn gevlochten, wekken ons diepste medeleven, want Tolstoi kon in het hart van een ander lezen als in een open boek. Doelend op Natasja, de bekoorlijke vrouwelijke  hoofdpersoon, zei Tolstoi’s jonge schoonzuster Tanja eens vol verbazing: “Ik kan me voorstellen dat je grondbezitters, vaders, generaals en soldaten kunt beschrijven, maar dat je in de huid van een verliefd meisje kunt kruipen – dat kan ik maar niet begrijpen.”

Deze reuzenroman, waar hij zeven jaar voor nodig had, was onmiddellijk een succes. Nu nog wordt hij in heel de beschaafde wereld gelezen en geprezen. Maar zolang zijn schrijversloopbaan duurde heeft Leo Tolstoi het gevoel gehad dat het eigenlijk een soort van zonde was, blij te zijn met loftuitingen. Waar hij aan toegaf, dat waren de eenvoudige genoegens van het buitenleven op Jásnaja Poljána: spelletjes met de kinderen, paardrijden en jagen, met het hele gezin om de samowar heen zitten in de winteravondschemering, het ontluiken van de berkenblaadjes in het voorjaar en het binnenhalen van de gouden oogst. Hier had hij zijn wortels en de volgende bloesem die daaruit ontsproot was een nieuwe grote roman, Anna Karenina, die de fascinerende tegenstelling beschrijft tussen een goed huwelijk op het land en een overspelige verhouding in hogere kringen.
Maar sterker nog dan zijn schrijverstalent was Tolstoi’s morele kracht. Elke fout in zijn gedrag bezorgde hem de ergste gewetenswroeging, en nog heviger leed hij onder de ellende van zijn medemensen. In de tsarentijd was Rusland net als nu het meest despotisch geregeerde land van Europa, maar de inmiddels beroemd geworden schrijver nam keer op keer risico’s om voor de vrijheid van anderen te strijden. Zo wierp hij zich op als kampioen voor de vrijheid van spreken, overtuigd dat politieke “misdrijven” – kritiek op de regering of de staat —juist tekenen van een gezond volksleven waren. Het hielp niet dat zijn stukken, verhalen en brochures waarin deze denkbeelden tot uiting kwamen, door de censuur verboden werden. Ze werden in andere talen overal in Europa gedrukt en duizenden Russen schreven de vertalingen over en lieten ze in het geheim circuleren.

In zijn hartstochtelijk speuren naar religieuze waarheid had Tolstoi een tijdlang zijn heil gezocht bij de Russische orthodoxe kerk. Maar hij kwam tot de ontdekking dat vlammende kaarsen, oude iconen, glinsterende mozaïeken en wierookgeuren een mens nog niet tot christen maken. Hij durfde hardop zeggen dat achter de waardigheid en het ceremonieel van vele priesters een ontstellende domheid schuilging. “Het Koninkrijk Gods is binnen in u,” riep hij uit. Daarna kreeg hij de kerk tegen zich. Op den duur kwam het zover dat Tolstoi zijn geloof alleen nog op de woorden van Christus grondvestte. “Gij zult den boze niet wederstaan,” staat er in de Bergrede. Volgens Tolstoi betekende dit dat iedere vorm van geweld, elke soort van gewapende macht in strijd is met de leer van Jezus. Nu was het leger woedend op de eens zo kranige soldaat. Er was maar één ding dat Tolstoi beschermde tegen de gezamenlijke toorn van tsaar, kerk en leger, en dat was de ontzaglijke invloed van zijn boeken over de hele wereld. De heersende machten hadden de moed niet, de bekendste Rus van zijn tijd tot martelaar te maken.

Uit vele landen stroomden bezoekers toe om de ziener met zijn witte haar en diepliggende ogen in levenden lijve te ontmoeten. Talrijk waren de mensen met wie hij briefwisseling onderhield. Onder hen was een jongeman uit India: Gandhi heette hij. Door Tolstoi kwam India’s toekomstige geestelijke leider veel te weten over de macht van het lijdelijk verzet zoals Christus dit predikt.
En net als de Mahatma ondernam Tolstoi het waagstuk, met zijn hervormingsplannen een begin te maken binnen het kader van het dorpsleven. In zijn school voor boerenkinderen ging hij verder dan de meest vooruitstrevende opvoedingstheorieën. Tolstoi gooide de gebruikelijke Russische en Europese leerboeken op de rommelzolder, omdat hij ze vervelend en verouderd vond; hij gaf de voorkeur aan de boeken die hij uit Amerika kreeg. Dit alles stuitte de inspecteurs van het openbaar onderwijs zo tegen de borst, dat zij de school sloten.

Iemand die de christelijke ethiek zo naar de letter opvolgt als Tolstoi dat deed, moet wel geringschatting koesteren voor comfort, tactiek, gezondheid en bezit — en dat is moeilijk voor de mensen die met hem leven en van hem houden. Hoe meer hij vergeestelijkte, des te praktischer moest Sonja zijn. Zij moest ervoor zorgen dat haar zoons een goede opleiding kregen, zij moest haar dochters introduceren in de uitgaande wereld van Moskou, zij moest zijn zaken behartigen. Ondertussen zwierf hij over de wijde vlakten van zijn dierbaar Jásnaja Poljána, zelf net een boer in zijn oude kiel en met zijn profetenbaard, ingesponnen in een eigen wereld van de geest en de natuur. Op zijn moeizame speurtocht naar eenvoud kwam de oude man tot de overtuiging dat het bezit van geld en goed niet strookte met wat zijn geloof was; hij verdeelde zijn landerijen onder zijn kinderen en besteedde een grote portie van zijn winstgevende auteursrechten aan zaken van openbaar belang. Om zijn brood te verdienen boog hij zijn hoofd  met het sneeuwwitte haar over een schoenlapperswerkbank en ging schoenen maken. Sonja huilde en maakte hem verwijten. De toestand tussen deze twee mensen werd onhoudbaar. Om maar niet meer bij zijn vrouw te hoeven zijn ging Tolstoi eindelijk het huis uit, in gezelschap van zijn dokter. Niemand wist er verder iets van. Het was hartje winter. Algauw sloot zijn dochter Alexandra zich bij hen aan. De reis met de trage, onverwarmde trein was nog niet ver gevorderd toen Tolstoi plotseling longontsteking kreeg. In Astapowo werd hij uit de trein naar het huis van de stationschef gebracht. Sonja kwam toegesneld, maar om de zieke opwinding te besparen, werd ze uit zijn kamer geweerd. Pas toen hij het bewustzijn al verloren had, werd ze toegelaten om woorden van liefde te fluisteren in zijn oren die niets meer hoorden, om zijn handen te kussen die niets meer voelden. Nu was het te laat voor die twee tegengestelde naturen, die elkaar toch zo hartstochtelijk hadden liefgehad; laat om tot het begrip te komen waarom ze in hun lang gemeenschappelijk leven hadden geworsteld.

Tolstoi’s laatste woorden zijn onthullend voor de geest die op het punt stond de aarde te verlaten. “De waarheid . . . .” zei hij heel op het laatst, en toen nog, als een getuigenis afgelegd voor het allerhoogste Gerecht: “Ik heb velen lief.”

Op 7 november 1910 verspreidde zich door de hele wereld het bericht dat deze oproerige, geniale ziel verlost was uit het lichaam waartegen hij zo had gestreden. Volgens zijn wens werd hij begraven in de bossen van Jásnaja Poljána. Er waren geen godsdienstige plechtigheden bij het graf van de man die de moed had gehad, met fouten en al, een leven in navolging van Christus te beproeven. Later hebben Sowjetpropagandisten gepoogd hem tot held te maken van de communistische revolutie, die hij nooit heeft beleefd. Maar de prediker van de geweldloosheid zou het op de huidige machthebbers niet begrepen hebben — Leo Tolstoi behoort veeleer toe aan allen die volgens zijn leer trachten te leven, die de mensheid liefhebben en bovendien hun hart hebben verpand aan de grootse literatuur waarin die mensheid wordt uitgebeeld.

.

8e klasalle artikelen

Vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

760-696

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (8-2/1)

.

Uit: Von den Quellkräften der Seele– Herbert Hahn)

.

het sprookje van de drie lammetjes
.

Een weduwe had drie zonen.  Ze was zo arm, dat de zonen de wereld in moesten om de kost te verdienen.
Alle drie kwamen zij in de leer bij een oude eerbiedwaardige man. De oude man bezat een kudde schapen. De oudste zoon vroeg toen hij bij de oude in de leer was: “Heer, wat moet ik doen?” “Veel is het niet.” was het antwoord.  “Ga naar de schapen op het veld, zorg goed voor ze en verlies ze niet uit het oog en ’s avonds als je terug­keert met de kudde, vertel me dan van welk gras ze gegeten en van welk water zij gedronken hebben.”
De oudste zoon was blij, dat hij zo’n eenvoudige opdracht had ontvangen. Hij trok met de schapen naar het veld, ging in het gras liggen en keek dromerig naar de blauwe hemel.  “Meer hoef ik niet te doen,” dacht hij. Vredig en stil graasden de schapen, doch plotseling bemerkte hij hoe zij samen­drongen bij een wilde waterval, waarover slechts een smal zwak en verrot bruggetje leidde.
De oudste zoon sprong op en rende er heen om de schaapjes tegen te houden, maar het lukte hem niet. Hij riep en riep, ze luisterden echter niet naar hem. De een na de ander liep over het smalle brugge­tje. Alleen één klein lammetje, dat tot het laatst wachtte, stootte steeds tegen de benen van de oudste zoon en trok met zijn tanden aan de slippen van zijn jas, alsof het iets aan de oudste zoon wilde tonen. De zoon duwde zonder te kijken het lammetje van zich af en schonk verder geen aandacht aan het dier.
Tegen de avond kwamen de schapen weer vanzelf terug en de zoon bracht de kudde weer veilig thuis bij de oude man.  “Nu,” vroeg de oude, “Vertel me, van welk gras aten mijn schapen en van welk water dronken zij?” “Ze aten groen gras en dronken helder bronwater” antwoordde de jongen verwonderd op de vraag van de oude.
De oude man lachte fijntjes en zei: “Je hebt je dienst zo goed verricht als je maar kon. Hier is je beloning.” En hij gaf hem een zak vol goudstukken. “Ga nu naar huis en overhandig het geld aan je moeder, zij zal het hard nodig hebben. Bovendien heeft je moeder grote heimwee naar je.” “Hoe kan dat nu”‘ zei de zoon,  “Ik ben pas gisteren van huis ver­trokken” “Je bent langer van huis dan je denkt.  Zeven jaar was je bij mij in de leer,” sprak de oude man.

Toen nam de oudste zoon de zak met goudstukken aan en vertrok in de richting van zijn huis. Onderweg echter bezocht hij een herberg, waar hij al zijn geld verloor aan drank en spel. En toen hij thuis kwam had hij zijn moeder niets aan te bieden.

Zo verging het ook de tweede zoon. Ook hij hoedde de schapen van de oude man en merkte niets van het kleine lammetje dat hem iets duidelijk wilde maken. Ook hij werd vriendelijk door de oude man toegesproken en hij kreeg een zak vol goudstukken. Ook hij ging zo lichtzinnig met het goud om, dat het van hem gestolen werd„ Met lege handen keerde hij evenals zijn oudere broer terug.

Nu kwam de jongste zoon bij de oude man in de leer. Ook aan hem werd de kudde schapen toevertrouwd, precies zoals dat met zijn twee broers was toegegaan. Weer kwam het moment waarop de schapen samen­drongen bij het oude, zwakke bruggetje over de waterval. Het kleine lammetje trok aan de jas van de jongste zoon. En de jongen had zo’n plezier in het diertje, dat hij het aaide en met hem naar de plek ging, die het wilde aanwijzen. Aldus volgden zij de andere schapen. Tenslotte kwamen zij bij een kapel. Nauwelijks waren de schapen daar aangekomen of hun gouden vacht viel af en voor de jongste zoon stonden louter engelen. Het kleine lammetje was een bijzonder mooie engel, stralend als goud.
De engelen hielden samen een eredienst en aten van het heilige brood en dronken van de heilige wijn. Toen verhulden zij zich weer in de schapenvachten en gingen naar de groene weide terug over de smalle brug.

Toen de oude man ’s avonds aan de jongen vroeg: ‘Welk gras hebben mijn schapen gegeten en welk water hebben zij gedronken?”, vertelde de jongste zoon alles wat hij beleefd had. Hierover verheugde de grijsaard zich zeer en zei tot hem: “Jou zal ik meer geven dan je broeders,” en hij gaf hem een rond brood mee. “Dit brood zal altijd ieder blijven voeden, nooit zal er meer honger zijn. En vergeet nooit dat je bij Godvader zelf in de leer geweest bent.”
(Een Hongaarse vertelling)

.

Sprookjesalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld1e klas 

757-693

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Sikorsky

.

de reddende engel met de molenwieken

.

Op een sombere dag in 1938 zat ik aan mijn bureau in East Hartford, in de staat Connecticut, met tegenzin op een be­zoeker te wachten. Als eerste vicepresident van United Aircraft was mij de taak toebedeeld om een gewaardeerd vriend zijn werk te ontnemen en misschien zelfs een einde te maken aan schitterende carrière. Hij was een van ’s werelds grootste uitvinders op luchtvaartgebied — Igor Iwanowitsj Sikorsky.
In afwachting van het ogenblik van onze ontmoeting, riep ik mij de meteoorachtige opkomst van dit Russische genie voor de geest: hoe hij als 22-jarige jongeman in zijn geboorteplaats Kiev het wereldvliegrecord brak met een vliegtuig dat hij had ontworpen en geconstrueerd met de hulp van zijn medeleerlingen van het polytechnisch instituut; hoe hij als bouwer van reuzenvliegtuigen een snelle triomf beleefde en de held van zijn landgenoten werd. Ik dacht aan zijn ontsnapping naar de Verenigde Staten na de bolsjewistische revolutie, aan de honger die hij leed in het begin van de jaren twintig, toen hij en andere uitgewekenen hun schamele bezittingen botje bij botje legden om op een boerenplaats nabij een vliegveld vliegtuigen te bouwen uit afgedankte oude rommel. Ten slotte kwamen dan zijn grote vliegtuigen die het kenteken van Sikorsky, de “gevleugelde S”, over de hele wereld droegen.

Daar stond hij in de deuropening, een kleine, professorale figuur die men niet in verband zou brengen met een vliegtuigmotorenfabriek.
Zijn dunne, zwarte hangsnor gaf hem het aanzien van een Tartaar, maar uit zijn zachte donkere ogen sprak de mystiek van een heilige uit het Verre Oosten. Hij kwam een paar stappen de kamer in, klapte zijn hakken tegen elkaar en boog. Zijn correcte, gereserveerde houding zou de indruk kunnen wekken dat wij vreemden voor elkaar waren; in werkelijkheid hadden we jaren nauw samengewerkt.

Vlak voor de economische depressie had United Aircraft de Sikorsky-fabriek te Strafford, in Connecticut, aangekocht en in 1930 werd ik belast met de leiding ervan. Ik merkte al gauw dat het de wonderlijkste fabriek van de wereld was. Het bedrijf was tot barstens toe vol met charmante, beschaafde, temperamentvolle uitgeweken Witrussen — sommige uitgesproken begaafd – die hun grote uitvinder naar de vrijheid waren gevolgd. Toen groothertogin Marie een bezoek bracht aan de fabriek, stonden gewezen aristocraten op van hun banken en de machines stopten zolang de hooggeboren dame audiëntie verleende. Als de Community Grand Opera van Bridgeport, die heel wat zangers onder Sikorsky’s Russen telde, een voorstelling gaf, was het succes van een aria minstens even belangrijk als een vliegtuigorder, en de bezielende leider van de groep, een voormalige kozakkengeneraal kon — de depressie ten spijt — niet van de loonstaat worden geschrapt.

In deze wereld was de vriendelijke, mystieke Sikorsky koning. In zijn werkkamer hing een vergroting van het historische kiekje van hemzelf en wijlen tsaar Nicolaas, staande in de neus van het eerste viermotorige verkeersvliegtuig ter wereld — zijn schepping. De icoon in een van de hoeken getuigde van zijn diepgeworteld godsvertrouwen. Sikorsky gaf een landgenoot nooit een bevel. “Als u er niets op tegen hebt,” placht hij te zeggen, of: “Als dit denkbeeld niet indruist tegen uw eigen technische principes . . .” Maar zijn prestige was zo groot dat een voorstel van hem een bevel werd. Als iemand met een idee bij hem kwam placht hij te zeggen: “Uitstekend! Laten we het nu zo uitwerken” — en terwijl hij bedrijvig aan het tekenen ging bracht hij gewoonlijk ingrijpende wijzigingen aan. Wanneer het onderdeel dan later in productie kwam was het ontwerp eigenlijk van Sikorsky — maar de werknemer geloofde dat het van hem was.

In een poging om deze sympathieke individualisten samen te smelten tot een doelmatig productieapparaat, doken we in de boeken en stelden vast dat de productiekosten veel te hoog waren. “Er zijn grenzen,” zei Fred Rentschler, toentertijd president van de maatschappij, “aan de bijdrage die United Aircraft kan uittrekken voor steun aan Russische uitgewekenen.”
Ik gaf dus de productieafdeling opdracht om twintig percent op de kosten te bezuinigen, wat inhield dat er personeel ontslagen moest worden. Sikorsky ging volkomen akkoord. Maar later kwam ik erachter dat de loonlijst van de constructieafdeling met eenzelfde bedrag was gestegen. En toen die begroting besnoeid was gingen de directe arbeidskosten weer omhoog. Een meesterknecht in de werkplaats bijvoorbeeld, die de ene dag tijdelijk op non-actief was gesteld, dook de volgende dag weer op aan de tekentafel, en weer later aan de draaibank. De ingenieurs en afdelingschefs konden eenvoudig de noodzaak van kostenverlaging niet begrijpen.
Sikorsky probeerde het mij uit te leggen. “Van deze mensen die alles kwijt zijn en die herhaaldelijk de dood voor ogen hebben gehad, kan men niet verwachten dat zij zich zorgen maken over de financiële verliezen van een onpersoonlijke moederonderneming, hoe welwillend die zich ook heeft betoond.”

De rustige kracht die van Sikorsky’s persoonlijkheid uitstraalde, en zijn waarlijk intuïtief technisch genie vormden tezamen een flinke creditpost op de twijfelachtige balans. Men moest geloven in deze man. Dus organiseerden wij de zaken zo goed en zo kwaad als het ging en zetten allerlei plannen voor een nieuw vliegtuig op stapel.

Onder zijn opvallende zwarte vilthoed leek Sikorsky alles wat er over vliegtuigbouw te weten viel met zich mee te dragen, en van onder die hoed vandaan kwamen de befaamde vliegende klippers, de amfibievliegboten die in de jaren dertig de weg baanden voor het thans de wereld omspannende net van luchtlijnen. Maar door te bewijzen dat zijn vliegboten veilig in één sprong de oceaan konden overvliegen, had hij ongelukkigerwijze zelf de weg vrijge­maakt voor hun vervanging door landvliegtuigen. Omstreeks 1938 hadden wij een fabriek met een voortreffelijke bezetting, maar geen orders. Er zat niets anders op: het mes moest erin.
Toen het besluit was genomen om de Sikorsky-productie te staken, dacht ik aan de woorden van een collega: “Ergens zit er in die Russische kaviaar een parel verborgen. Als je hem kunt vinden, red hem dan.” Terwijl ik naar de wachtende Sikorsky keek kwamen die woorden mij weer in de herinnering.
“Het spijt me u te moeten meedelen,” zei ik, “dat wij besloten hebben de productie in de fabriek van Stratford stop te zetten. Mocht u echter een persoonlijk researchprogramma in gedachten hebben dat onze middelen niet te boven gaat, dan zullen wij dat graag in overweging nemen.”
“Als u er geen bezwaar tegen hebt,” zei Sikorsky, zou ik graag een paar opmerkingen willen maken van geheel persoonlijke aard. Ik ben uitermate vereerd door het vertrouwen dat men blijkbaar in mij stelt, en dit vertrouwen is wederkerig. Echter, wat Sikorsky ook heeft mogen bijdragen tot de ontwikkeling van de luchtvaart, het is de vrucht geweest van vele en de meest uiteenlopende persoonlijkheden. U zult dus begrijpen dat ik geen verantwoordelijkheid voor nieuwe onderzoekingen op mij kan nemen zonder de zekerheid dat mijn kleine groep creatieve medewerkers mij kan blijven assisteren.”
Zich met een ernstig gezicht naar mij overbuigend, ging hij verder: “Wat ik zeer dringend voor onze onderzoekingen zou willen aanbevelen is de terugkeer naar mijn eerste liefde: het hefschroefvliegtuig.”

Tot dat ogenblik waren er geen bruikbare hefschroefvliegtuigen vervaardigd. Toen Sikorsky twintig was had hij eens een lomp toestelletje in elkaar geflanst dat niet van de grond loskwam, maar hij beweerde dat het “een poging had gedaan”. Nu, dertig jaar later, verlangde hij ernaar zijn jeugddroom die deskundigen als louter dwaasheid beschouwden, waar te maken. Ik had geen vertrouwen in het idee, maar terwijl ik luisterde naar het hartstochtelijke pleidooi van deze aan zijn droom verknochte mens – een pleidooi dat, naar ik weldra begreep, zorgvuldig was voorbereid — vergat ik mijn twijfel en zag ik alleen nog maar Sikorsky’s visioen.

Hij gaf een indrukwekkende samenvatting van de hele geschiedenis der luchtvaart om te bewijzen hoe reeds herhaaldelijk het “onmogelijke” tot stand was gebracht. Dit bracht hem op het hefschroefvliegtuig. “Dit project zal de grootste inspanning van ons vergen,” zei hij, “maar wij moeten de oplossing niet alleen met het ‘verstand’ zoeken. Er zal veel technische ‘intuïtie’ voor nodig zijn en vertrouwen in eigen scheppingskracht. Op de balans van een bedrijf is voor dit soort dingen geen kolom onder het hoofd  ‘activa’ beschikbaar.” Met een kleine handbeweging stapte hij van het onderwerp “geld” verder af.

“Deze ontwikkeling is van zoveel belang voor de toekomst van de samenleving dat het onze taak is er een begin mee te maken,” vervolgde hij. “Ontegenzeggelijk betekent het hefschroefvliegtuig een radicale en mogelijk ‘onmogelijke’ omwenteling, maar de praktische mogelijkheden zijn vrijwel onbegrensd. Als geen ander vervoermiddel zal het kunnen opereren zonder zich te bekommeren om daartoe aangewezen landingsterreinen. Daardoor zal het de ernstige belemmering wegnemen die de vooruitgang ondervindt van de aan vliegvelden gebonden vliegtuigen met vaste vleugels. Het is geen concurrent van het vliegtuig, maar een aanvulling ervan. Als Sikorsky deze machine van de toekomst niet schept zal een ander het doen. Door scholing en ervaring zijn wij het best toegerust voor deze taak. En ten slotte” — hij pauzeerde even voordat hij zijn laatste en afdoende argument ter tafel bracht – “zal het hefschroefvliegtuig, in tegenstelling tot het gewone vliegtuig, gebruikt worden om mensenlevens te rédden en niet om ze te vernietigen!”

Hij kreeg het geld dat hij dacht nodig te hebben voor de bouw van een prototype. Toen hij na een waardig afscheid dankbaar vertrok om de vier ingenieurs die hij van de debacle had kunnen redden te gaan optrommelen, had ik intuïtief het gevoel dat ik “de parel had gered”.

Sikorsky begon dadelijk vierentwintig uur per etmaal te werken aan zijn “mogelijk onmogelijke” verticaal vliegende machine.
Na een paar maanden ontving ik op kantoor zijn eerste rapport — waarschijnlijk het levendigste rapport dat ooit door een ingenieur is gemaakt. Het bestond uit een spoel met een kleurenfilm. Toen ik die afdraaide zag ik iets dat leek op een enorm meccano-speeltuig – een samenstel van naakte metalen buizen waarin een motor hing — uit een hangar rijden, waarna de motor werd proefgedraaid. Spoedig volgden er meer filmrapporten en daarna kwam de periode van “gekluisterde vlucht”. Terwijl hij moeite had om zijn evenwicht te bewaren zat Sikorsky in de neus van de onberekenbare, snorrende vogel en vocht met de bedieningsorganen om stabiliteit te verkrijgen. Ten slotte slaagde hij erin de machine van de grond te krijgen. Maar overeenkomstig onze voorschriften werd de hoogte van het toestel beperkt door een bal die met een ketting aan het onderstel was bevestigd, zodat zijn leven in geval van een ongeluk zo min mogelijk gevaar liep.
Deze kluister was Sikorsky een doorn in het oog. Op een dag rukte de machine bal en ketting van de betonnen startplaats omhoog, en toen belde hij mij op. “Wij zijn nu zover gekomen dat toestemming om onze boeien te slaken noodzakelijk wordt,” kondigde hij vastberaden aan. “Daar u zelf vlieger bent zult u begrip hebben voor het feit dat het gevaar niet schuilt in het vliegen door de lucht, maar in het raken van de grond. Daarom vraag ik nu eerbiedig permissie om veiligheid na te streven in de vrije vlucht.”

De verfilmde rapporten die nu volgden boden mij het gedenkwaardige schouwspel van ’s werelds eerste helikopterpiloot, die zichzelf leerde om ’s werelds eerste bruikbare hefschroefvliegtuig te besturen. De besturing van een hefschroefvliegtuig is veel ingewikkelder dan die van een gewoon vliegtuig. Om horizontaal te vliegen moet aan de rotor een lichte helling worden gegeven die de machine in de gewenste richting trekt. Maar om te voorkomen dat deze hefschroef het toestel een draaiende beweging geeft, is een kleine verticale staartschroef aangebracht die het draaimoment opheft en die helpt bij de besturing. Sikorsky moest al deze bewegende onderdelen coördineren om een soepele besturing te verkrijgen. Het “berijden” van deze pionierhelikopter leek wel op het temmen van een wild, steigerend paard. Zoals hij daar in zijn gewone pak en met zijn keurige vilthoed op het hoofd op de “stoep” van zijn toestel zat, leek hij op een verstrooide professor die probeert zich iets van zijn aantekeningen te herinneren, en ik verbaasde me erover dat hij ooit met het ding had leren vliegen.

Terwijl ik hem zo zag stijgen en dalen, naar links en naar rechts zag schieten en achteruit zag zweven, viel het mij aanvankelijk niet op dat hij geen enkele keer vooruitkwam. Ten slotte belde ik hem erover op. “Dat is een moeilijkheid die wij nog niet hebben opgelost,” antwoordde hij vriendelijk. De moeilijkheid wérd opgelost. Het ging erom de besturingsorganen zo te bedienen dat precies het vereiste vermogen werd afgegeven voor de voorwaartse beweging; te veel vermogen zou het toestel schuin omhoog hebben doen schieten.

Hierna volgden nog vele proefvluchten en wijzigingen voordat “Igors nachtmerrie” eindelijk een in de praktijk bruikbaar luchtvaartuig werd.

Nu begon zijn loopbaan als redder van vele levens. Op een keer werd een vergadering in de Sikorsky-fabriek op dramatische wijze onderbroken door het bericht dat tijdens een storm een aak in Long Island Sound was losgeslagen van de sleepboot en vlak bij de kust was gestrand. Een hefschroefvliegtuig steeg op. En terwijl het als een kolibrie boven de schipbreukelingen zweefde die op de aak samengedrongen zaten, liet de piloot een reddingslijn neer en hees ze in veiligheid. De “engel van barmhartigheid”, zoals het toestel later werd genoemd, had vlakbij huis een demonstratie gegeven.

Sinds het eerste model — de VS-300 — hebben vele duizenden Sikorskyhefschroefvliegtuigen de lucht met hun lome schroefbladen doorkliefd en boven slagvelden, zeeën en bergen tienduizenden mensen gered.
Geïnspireerd door zijn voorbeeld hebben andere uitvinders vele voortreffelijke typen van hefschroefvliegtuigen ontworpen. Sikorsky houdt echter vast aan zijn beginsel van één enkele rotor. “Twee rotoren,” zegt hij, “gedragen zich als twee vrouwen in één keuken. Je zou denken dat ze tweemaal zoveel werk konden verzetten, maar ieders prestatievermogen zakt met 35 percent.”

Een van de aardigste dingen die ik mij herinner, gebeurde toen de historische VS-300 naar zijn laatste rustplaats werd gebracht- het Henry Ford museum te Dearborn, in de staat Michigan. Een grote menigte was samengestroomd. Sikorsky klom in het toestel, vloog naar de tribunes, hield stil voor Henry Ford en liet het vliegtuigje een buiging maken als een olifant in een circus. Bij menig ander zou dit een stunt voor fotografen zijn geweest; Sikorsky bedoelde met dit gebaar niets anders dan wat het was — een groet aan een collega.

Ofschoon hij reeds in 1957 aftrad als technisch directeur van Sikorsky Aircraft, bleef hij zijn maatschappij daadwerkelijk dienen als adviseur van haar enorme nieuwe fabriek te Stratford — die vele miljoenen dollars heeft gekost — waar hefschroefvliegtuigen worden vervaardigd voor militair gebruik en voor commerciële doeleinden in alle landen ter wereld. Sikorsky hield zich speciaal bezig met de ontwikkeling van nieuwe mogelijkheden voor de reuzenhefschroefvliegtuigen van de toekomst, die zullen worden voortbewogen door gasturbines.

Sikorsky’s wezenlijk belangrijke werk vond gewoonlijk in de late avonduren plaats. Dan zat hij dikwijls in het donker en “dacht op muziek”. Als onverdroten mysticus gelooft hij dat sommige schilders en schrijvers de gave bezitten om door de sluier van de tijd heen te zien en vage toekomstbeelden te aanschouwen.

Misschien,” zegt hij in alle bescheidenheid, “geldt dat ook enigszins voor ingenieurs.”

.

8e klasalle artikelen

Vertelstofalle biografieën

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

755-691

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (8-1/1)

.

Slowaaks sprookje uit de bundel Slavische sprookjes- Sirovatka/Luzik
.

De twaalf Maanden
.

Heel lang geleden leefde er eens een moeder die twee dochters had, een eigen dochter en een stiefdochter. Ze was dol op haar eigen dochter. Maar Maria kon zij niet uitstaan, omdat zij mooier was dan Helena. Maria moest al het werk doen, koken, bakken en braden, opruimen, afwassen en spinnen. Ook weven. En de koe verzorgen. Helena stak geen hand uit. Ze zat de hele dag in de spiegel te kijken en maakte zich mooi. Maar, vreemd genoeg, Maria werd elke dag mooier en Helena werd lelijker. Ten slotte werden moeder en dochter zo boos, dat zij besloten zich van het knappe meisje te ontdoen.

Op een dag in januari zei Helena tegen Maria: “Ga gauw naar het bos om viooltjes te plukken. Ik wil ze in mijn gordel steken om lekker te ruiken.” Toen Maria verdrietig antwoordde, dat er in deze tijd van het jaar geen viooltjes waren, dreigde de boze zuster haar te doden. De stiefmoeder joeg Maria de hut uit en deed de grendel op de deur.

Wat moest het arme kind beginnen? Er lag een dik pak sneeuw en zij dwaalde hongerig en half bevroren door het bos.

Opeens zag zij een lichtschijnsel. Zij strompelde de berg op, het licht tegemoet. Op de berg gekomen zag zij een kring van 12 mannen die om een vuur zaten op stenen zetels. Drie mannen hadden sneeuwwit haar, de volgende drie waren wat jonger, dan waren er drie nog jongere en de drie allerjongsten leken nog niet volwassen.
Zij waren de twaalf Maanden die zwijgend in het vuur staarden. Op de grootste steen zat Januari. Hij had een staf in de hand.

Maria bleef verschrikt staan. Bevend vroeg zij of zij zich bij het vuur mocht warmen. Januari knikte vriende­lijk. “Wat doe je met dit uur in het bos?” vroeg hij.

Ik moet viooltjes zoeken” antwoordde het meisje. “Er zijn toch geen viooltjes in de winter!” “Ach, dat weet ik. Maar mijn stiefzuster heeft me het bos ingestuurd en ze slaat me dood als ik zonder viooltjes thuiskom. Weet u geen plekje, waar ik ze vinden kan?” Januari stond op en riep: Broeder Maart, ga op mijn plaats zitten!” Maart ging op de steen zitten en hield zijn staf boven het vuur. De vlammen laaiden op. De sneeuw smolt, de bladeren kwamen uit, het gras begon te groeien, het was lente. Even later bloeiden er al zoveel viooltjes, dat het gras blauw leek.  “Pluk ze maar gauw, Maria,” zei Maart vriendelijk. Maria plukte en ging har­telijk dankend blij naar huis. De stiefmoeder en Helena waren verbaasd. Helena stak de viooltjes dadelijk in haar ceintuur, snoof de lucht op en liet haar moeder ook ruiken. Een bedankje voor Maria kon er echter niet af.-

De volgende dag had Helena trek in aardbeien en beval Maria een mandvol in het bos te halen. Maria stribbelde zachtjes tegen, omdat er in januari geen aardbeien zijn. Helena bedreigde haar weer met de dood. Het arme meisje liep ijskoud en hongerig het bos in. Maar ineens zag zij het lichtschijnsel weer, ging er op af en begroette de twaalf Maanden vol eerbied. “Mag ik mij een beetje war­men?” smeekte ze. Januari knikte. “Wat doe je met dit weer in het bos?” vroeg hij.  “Ik moet aardbeien plukken,” antwoordde Maria. “Die zijn er nu toch niet?” “Dat weet ik. Maar mijn stiefzuster slaat mij dood als Ik zonder aardbeien thuiskom. Kunt u me helpen?”

Januari stond op en riep:  “Broeder Juni, ga op mijn plaats zitten!” Dat deed Juni. Hij hield zijn staf boven het vuur. De vlammen laaiden hoog. De sneeuw smolt, het gras werd groen, de bomen bloeiden. Het werd zomer. Het veld stond vol prachtige aardbeiplanten met rode vruchten. “Pluk ze maar!” zei Juni opgewekt.

Maria had al gauw een mand vol, nam dankbaar afscheid; en haar stiefmoeder en Helena begrepen niets van de aardbeienweelde, waaraan zij zich te goed deden. Een bedankje voor Maria kon er niet op overschieten. Het geleek zo’n gemakkelijke opdracht, dat Helena zich voornam nog wat aardbeien zelf te gaan halen.

Maria vertelde, hoe zij moest gaan. Inderdaad zag ook Helena het licht in het donkere bos. Ze ging er op af en zag de twaalf Maanden om het vuur zitten. Zij warmde haar handen zonder te vragen. Ze groette niet en keek onbe­vreesd rond.

“Wat kom je hier doen?” vroeg Januari.

“Dat gaat je niets aan, ouwe!” Januari zwaaide zijn staf boos boven het vuur. De vlammen werden kleiner en kleiner. Een vreselijke sneeuwstorm stak op. Helena verdwaalde, viel neer en be­vroor. Haar moeder die haar was gaan zoeken ondervond het­zelfde .

Maria bleef alleen achter. Zij kookte en verzorgde de koe, maar haar stiefmoeder en Helena kwamen niet terug. Maria moest huilen, toen zij in het bos werden gevonden. Zij bleef alleen wonen en verzorgde alles goed. Later ontmoette ze de aardigste jongeman uit de streek, trouwde met hem. Zij leefden nog lang en gelukkig.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

754-690

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (7-2)

.
In de jaren ’70 van de vorige eeuw gaf uitgeverij Thieme – Zutphen – een blad uit voor het onderwijs ‘De Vacature’. Naast de vacatures, uiteraard, stonden er ook heel veel interessante artikelen in. En een column van de onderwijzer ‘met het gouden hart’ C.Wilkeshuis.
De schrijver van onderstaand artikel hield zich vooral bezig met ‘folklore’. Wie met antroposofische inzichten de sprookjes bestudeert, komt tot andere gezichtspunten. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat andere gezichtspunten er niet toe doen.
.
J.C.Alders, ‘De Vacature’ ca 1976/77
.

4.Assepoester
.

De naam wijst op poesten = blazen, een verouderd Ned. woord. Het Duits kent het nog wel op het platte­land: pusten voor blazen, bijv. er hat ihm Rauch in das Gesicht gepustet.

Een vrouw, ditmaal géén koningin, sterft. De man neemt een andere vrouw met 2 dochters. De stief­dochters verbannen A. naar de keuken, zij moet oude kleren aandoen, klompen dragen, zij krijgt geen bed en zij slaapt in de as. De vader protesteert niet. A. moet nu zwaar keukenwerk doen: water uit de put halen, vuur aanmaken, vuur aanblazen, koken en wassen. Als de vader op reis gaat vraagt hij A. wat hij mee moet brengen. Zij vraagt de vader de eerste tak waartegen hij met de hoed stoot. Hij stiet tegen een hazelaartak. A. plant die tak op haar moeders graf. Het werd een boompje en A. bad en weende daar 3x per dag. Een vogeltje gooit van de hazelaar omlaag wat A. wenst.

De koning des lands nodigt alle jonkvrouwen op een feest, zijn zoon moet een bruid uitzoeken. De stief­zusters gaan naar het feest, de stiefmoeder verzint steeds opdrachten opdat A. niet gaan kan. Nu gaat A. naar haar moeders graf onder de hazelaar en het vogeltje werpt mooie kleren omlaag. Zij gaat naar het feest en wordt voor een prinses aangezien. De prins danst met haar. Hij wil haar thuis brengen. Zij ontsnapt hem en zij klimt in de duiventil. De vader zoekt met de prins naar A. De vader slaat met de bijl de duiventil in elkaar, maar A. is er niet in. Zij lag thuis in de as te slapen.

De volgende avond werpt het vogeltje nog mooier kleding omlaag en de prins danst met haar. Als hij haar thuis wil brengen, ontloopt zij hem en zij klimt in de perenboom. Vader en prins zoeken haar vergeefs en de vader hakt de perenboom om. Niemand erin! De derde dag werpt de vogel met de kleding gouden pantoffels omlaag. De prins danst met A. en weer ontsnapt zij. Maar de prins heeft de trap met pek besmeerd en één pantoffel kleeft er aan vast. De prins gaat met de pantoffel naar de vader. De prins zegt, met de dochter, die de pantoffel past, trouwt hij.

De oudste stiefdochter probeert de pantoffel. Hij past niet, zij snijdt de grote teen af om er in te komen. Als de prins met haar te paard de hazelaar voorbij rijdt, roepen de duiven dat er bloed in de schoen is.

De prins brengt haar terug. De tweede stiefdochter past nu, haar hiel is te dik. Zij snijdt een stuk van de hiel af. De prins neemt haar op zijn paard mee, maar weer roepen de duiven dat er bloed in de schoen zit.

De prins brengt haar terug. Na veel aandringen van de prins wordt A. geroepen, de pantoffel past en de dui­ven roepen: „dat is de ware bruid”.

De duiven gaan op A.’s schouder zitten. De stief­zusters komen op de bruiloft en de duiven pikken haar beide ogen uit.

We zien Germaanse gebruiken: het graf van de moe­der vlak bij huis. De Germanen begroeven ook vlak bij huis. De twee duiven op A.’s schouder zouden kunnen wijzen op de 2 raven op Wodans schouder: Hugin (denker) en Munin (hij die herinnert), maar dat is wel een zwak argument.
A. laat in haar dagdromen haar rivale – de moeder -sterven en als straf verschijnt de als stiefmoeder vermomde moeder en A. moet in de keuken werken.
A. is verliefd op de vader en droomt van incest. Het hazelaarstakje, dat de vader meebrengt, is het „kind” dat zij van de vader krijgt. En ze plant het op moeders graf, want zonder de dood van de moeder kan het trouwen met de vader niet plaats vinden. De stief­moeder is dus de moeder als wreekster. De vader­binding en droom van incest met de vader worden opgeheven als ze op de prins verliefd wordt. De vader wordt dan belachelijk: hij slaat de duiventil in elkaar, hakt de perenboom om.

En duiventil en boom zijn baarmoedersymbolen (holle ruimten). Er is veel overeenkomst met Sneeuwwitje en Assepoester. Beider moeder sterft, beiden krijgen een stiefmoeder, beiden moeten in de keuken werken, beiden zijn enige dochter. Bij S. is de vader een jager, bij A. een soort sloper als de incestwens verdrongen is.

5.Roodkapje

Weer eens een sprookje waarin de vader geen koning is. Roodkapje heet naar de rode muts die zij van de grootmoeder krijgt. Op een dag zond de moeder R. met een koek en een fles wijn naar de zieke groot­moeder, die 1/2 uur van het dorp in een bos met wolven woont.
R. ontmoet de wolf, die haar op het idee brengt bloemen te plukken.
De wolf gaat naar het huisje van de grootmoeder en eet haar op met huid en haar. De wolf trekt groot­moeders kleding aan en kruipt in haar bed. Als R. komt slikt de wolf R. geheel in, met muts en al. De wolf kruipt na zijn diner weer in bed en snorkt zó luid, dat de jager het hoort. Hij gaat kijken en ziet de wolf. Hij snijdt hem de buik open en ziet de rode muts van R. Alsof het een keizersnede is haalt hij R. en de grootmoeder eruit. Zij leven nog. R. haalt grote stenen en vult daarmede de wolf. Als de wolf wakker wordt, blijken de stenen zó zwaar dat de wolf dood neervalt. –

De vader van R. treedt vermomd als de jager op en redt de dochter.

De moeder is jaloers op het mooie R. en stuurt haar een bos in waarin wolven zijn, in de hoop dat zij verslonden wordt (de haat moeder-dochter, voor de moeder is R. haar rivale). Ook is de moeder vermomd als de wolf en eet haar dochter op. Dat past goed bij de uitdrukking „Hab’ ich dich zum Fressen gern”. Dat R. de wolf met stenen vult waardoor hij sterft, is de wraak van de dochter op de moeder. De
rivali­teit en haat is wederzijds!

Evenals de moeder R. als rivale beschouwt, zag de grootmoeder in de moeder haar rivale. Maar tussen grootmoeder en kleindochter is geen rivaliteit meer. De rijpingstijd bij R. duurt maar kort: een paar uur in de buik van de wolf, dus veel korter dan bij Doorn­roosje (100 j.), bij Sneeuwwitje een jaar of 7, bij Assepoester een paar jaar, bij Roodkapje een paar uur.

Dat er een wolf in het sprookje voorkomt, wijst dui­delijk op de Germaanse bossen, waar wolven een plaag waren. De fles wijn moet later ingevoegd zijn, de Germanen kenden oorspronkelijk geen wijn (de Romeinen brachten die mee en plantten ze aan in het Moezeldal) en flessen kenden de Germanen ook niet, de Romeinen leverden de wijn in amforen (stenen kruiken).

6.Bontepels

De naam betekent (een mantel) uit de pels van allerlei dieren. Een koning had een vrouw met blond haar. Als zij sterft moet de koning beloven weer met een blonde vrouw te trouwen. De koning zendt boden uit, zij vinden nergens een blonde vrouw. De koning had een enige dochter met blond haar. Toen zij in de puberteit was, geleek zij zó op de blonde moeder, dat de koning haar wilde trouwen. De dochter verlangt 3 klederen en een pelsmantel van allerlei dierenhuiden gemaakt. Toen alles klaar was, zei de koning tot zijn dochter „morgen trouwen we”. De dochter wil niet trouwen alleen om haar blonde haar. Zij vlucht en neemt de pelsmantel, de mooie kleren, een gouden ring, een gouden spinnewieltje, een gouden spoel om te spinnen mee. In een bos kruipt zij in een holle boom en slaapt daar.
De koning was daar aan het jagen. De jagers melden de vondst van A.
De koning laat haar door zijn jagers oppakken en meenemen.

In het paleis wordt zij keukenhulpje en slaapt in een ruimte onder de trap. Zij moet water putten, vuur aanmaken, de groente uitzoeken. (Voor Duits stude­renden: Grimm noemt dat ,,sie belas Gemüse”, waarin we een oud Duits werkwoord „belesen” zien.) Voorts moest zij gevogelte plukken en de as wegbrengen. Geen koken!

Hier bleef A. lange tijd. Als er een feest is, mag zij aan de deur staan kijken. Zij haalt een mooi kledingstuk te voorschijn en danst met de koning. Na het bal ver­dwijnt zij plotseling en doet de pelsmantel weer aan en is weer A.. Zij moet nu heerlijke broodpap voor de koning koken en zij doet de gouden ring erin. De kok moet erkennen, dat A. die pap gekookt heeft. En A. die geroepen wordt voor uitleg, zegt van de ring niets te weten. Als er weer feest is, herhaalt zich het boven­staande. Nu doet A. het gouden spinnewieltje in de pap en A. ontkent iets daarvan te weten. Ten derden male een feest en nu gaat de gouden spoel in de broodpap.

Tijdens het dansen steekt de koning onbemerkt een gouden ring aan de vinger van A. De koning laat A. roepen als hij de spoel in de pap vindt, hij houdt haar vast als hij de gouden ring aan haar vinger ziet, doet haar mantel uit en de blonde haren worden zichtbaar. De koning trouwt nu met zijn dochter.

-Het sprookje lijkt oppervlakkig niet-Germaans, want de boden vinden nergens een blonde vrouw. Het moet dus een Germaans land met zwartharige vrouwen zijn. En dat is er nóg: Beieren. Vooral de Altbayern zijn allen zwartharig.

Als de moeder sterft – de dochter is haar rivale – laat zij de koning beloven weer met een andere blonde vrouw te trouwen, wél wetende dat die in haar land niet zijn om hem zo te beletten te hertrouwen. A. vlucht in een holle boom = baarmoedersymbool. De vader, vermomd als jager, vindt haar. Evenals Assepoester en Sneeuwwitje moet A. keukenmeisje zijn. A. weet dat de liefde van de man door de maag gaat en kookt daarom heerlijke broodpap voor hem. En zij trouwt dan met haar vader. Een duidelijk incest geval.
De incest vader-dochter herinnert aan de Egyptische farao’s, die waren ver­plicht met een zuster te trouwen. De farao was goddelijk, zijn kinderen ook en bij de incest broeder-zuster werd het een „goddelijk” huwe­lijk.

De incest vader-dochter komen zowel in de Griekse mythologie als in de Bijbel voor. De Griekse Myhrra bezoekt haar vader 12 nachten voor seksuele omgang. Als de vader het merkt, jaagt hij haar met zijn zwaard na. De goden redden haar door haar in een boom te veranderen, (de boom is moedersymbool). Gestraft wordt er niet.

De heer Thyestes leeft met zijn dochter Pellopia in een incestverhouding.

In Genesis 19 : 30 – 38 vinden we het verhaal van de 2 dochters van Lot.

Zij voeren hun vader dronken en hebben des nachts seksuele omgang met hem. Gen. 19 : 36 ,,en de twee dochters van Lot werden bevrucht door haren vader”, en zij kregen een zoon van hun vader. De incest gaat geheel van de dochters uit. Zij voeren hun vader dronken opdat hij niet weet wat hij doet en om te voorkomen dat hij weigert. We lezen niets over een straf van God. Voor God is incest blijkbaar niet straf­baar. Voor een veel geringer seksueel vergrijp straft God Onan met de dood (Gen. 38 : 10). De incest vader-dochter komt ook nog heden veel voor. De meisjes zijn in de puberteit en de schuld ligt niet geheel bij de vader, de dochters prikkelen hem er toe. Bij deze incest vinden we gewoonlijk een zeer frigide echtgenote. De vader is alcoholist, despoot, geestelijk gestoord of een sadist en hij meent als hoofd van de familie een seksueel recht op de dochters te hebben, net als de oermens. De dochters verzetten zich niet, zij zijn passief en soms masochistisch.
Zie het boek „Hyacintha en Pasceline”. Het speelt in Indonesische omgeving, de adat (gewoonterecht) heerst er.
De adat voorschriften verbieden ten strengste dat ’n zoon, zelfs de oudste, met de moeder naar bed gaat. Dan word je bij overtreding uitgestoten of vermoord. Maar ’n vader met de oudste dochter naar bed is heel gewoon, is wet. Het is de plicht van de oudste dochter met de vader seksuele omgang te heb­ben vanaf het moment dat hij dat wil. Gehoorzaamt de dochter niet, dan zal ze niet mogen trouwen, ze toont gebrek aan kennis van en gehoorzaamheid aan de adat en dat is een ernstig iets. De moeder zal het aanmoedigen en als de dochter de vader, goed bevredigt, wordt ze geprezen en dat wordt openlijk besproken. Dat blijft zo bestaan ook als de dochter getrouwd is en kinderen heeft.” Ik ken de Indonesische adat niet, ik kan de kwestie niet beoordelen.

De incest moeder-zoon komt minder voor. Gewoonlijk is de enige zoon of de enige nog thuis zijnde zoon de plaatsvervanger van de overleden vader. De zoon regelt de financiën en de verdere zaken van de
over­leden vader. Tenslotte neemt de moeder de zoon mee naar bed opdat de zoon ook daar de vader vervangt voor seksuele omgang. De incest gaat van de moeder uit. Zoals we hierboven zagen, verbiedt de Indone­sische adat dat de moeder seksuele omgang met de zoon heeft.

We hebben dus gezien dat de besproken sprookjes absoluut Germaans zijn. Ik geef toe dat enkele argumenten zwak zijn, maar het merendeel wijst toch overtuigend op de Germaanse oorsprong.

.

Vanuit een antroposofische achtergrond heeft Friedel Lenz deze sprookjes eveneens verklaard: Assepoester  Roodkapje  Bontepels

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

753-689

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (7-1)

.
In de jaren ’70 van de vorige eeuw gaf uitgeverij Thieme – Zutphen – een blad uit voor het onderwijs ‘De Vacature’. Naast de vacatures, uiteraard, stonden er ook heel veel interessante artikelen in. En een column van de onderwijzer ‘met het gouden hart’ C.Wilkeshuis.
De schrijver van onderstaand artikel hield zich vooral bezig met ‘folklore’. Wie met antroposofische inzichten de sprookjes bestudeert, komt tot andere gezichtspunten. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat andere gezichtspunten er niet toe doen.
.
J.C.Alders, ‘De Vacature’ ca 1976/77

De Germaanse oorsprong van enige bekende sprookjes
.

Na enige algemene beschouwingen over de sprookjes zullen we ze in het kort mededelen uit het bekende boek van Grimm, uitgave 1819, want er zijn later „verbeteraars” gekomen en zelfs zijn er uitgaven met een christelijk tintje, wat onzin is, want de sprookjes zijn duizenden jaren oud, terwijl het Christendom nog geen 2000 jaar geleden bedacht is.

Een kind hoort graag sprookjes, maar kan ze evenmin verklaren als de volwassene, welke niets van mytholo­gie en de Germanen weet. Het sprookje is voor het kind wat voor de volwassene televisie en bioscoop is. De „verbeteraars” vonden de sprookjes niet geschikt voor kinderen wegens weerwolven, toverij, te vonde­ling leggen, boze stiefmoeders, incest, castratie, ont­maagden, onthoofden, ophangen, draken, reuzen, dwergen. Maar kinderen willen dit juist horen, het kind zoekt de angst en het wonder in de sprookjes bevrijdt het kind van de angst. De wensen en gedachten van het sprookje zijn de wensen van het volwassen pri­mitieve volk. Zoals Grimm de sprookjes vertelt, met weglating van de grofste seksuele gebeurtenissen, zijn ze onschadelijk voor kinderen en behoeven niet „ver­beterd” te worden.

Grimm zag in de sprookjes heidens volksgeloof van een laag staande cultuur. Grimm dacht aan Indo-Germaanse oorsprong, daar er parallellen zijn in de sprookjes van verschillende volkeren. Tegenwoordig neemt men dat niet meer aan. De sprookjes zijn niets anders dan verborgen wensen en angsten van de pri­mitieve mens.

Het motief van de incest komt in veel sprookjes voor en we spreken nog van het Oedipus-complex (Oedipus vermoordt zijn oude vader en huwt zijn jonge moeder en verwekt 4 kinderen bij haar). We komen daarop terug. In de sprookjes treden bijna altijd koningen als vader en dochters als prinses voor. Waarom? Het volk heeft van de oudste tijden af een ziekelijke be­langstelling voor zelfs de banaalste handelingen van de koning. Men identificeert de koninklijke familie met de eigen familie. De koning is het onbewuste symbool voor de vader.

Dwergen komen ook in de sprookjes voor. Zij graven naar goud en ijzererts. Voor dwergen kunnen de gangen laag en nauw zijn.

Zulke gangen zijn er nog in de omgeving van Cham (Beieren), vooral Arnschwang en Ränkam. Men noemt dit Schrazllöcher, voorhistorische gangen waarin de Schrazln (dwergen) huisden.

Een grondig onderzoek heeft nog niet plaats ge­vonden, daar een normaal mens er moeilijk in kan.

Men vermoedt naast het zoeken naar erts ook vluchtgangen. tot dusver zijn geen werktuigen gevonden, zodat men ook niet weet of de gangen uit het bronzen tijdvak dateren. In ieder geval, ze zijn zeer oud en voorhistorisch. In het Fichtelgebergte, ik meen op de Ossenkop, heb ik zulke gangen gezien, maar ik kon er ook niet in, zo smal en laag zijn ze. Nu weten we wel uit de afmetingen van har­nassen dat de mens vroeger veel kleiner was. Het harnas van een volwassen middeleeuwse ridder kan zelfs een hedendaagse jongen van 14 jaar niet passen. Ook deuropeningen zijn in Middeleeuwse burchten zeer laag en de bedden zeer kort.

Voor de jongere lezers volgt nu het Oedipus-complex, daar we dit in de sprookjes meermalen tegenkomen. Laos, de oude koning van Thebe had bij de jonge koningin Iokaste geen kinderen. Het Orakel voorspelde dat zij een zoon zou krijgen, die hem zou vermoorden en die zoon zou met zijn moeder trouwen. De zoon werd geboren en met doorboorde voeten te vondeling gelegd. Een herder vond de baby en noemde hem Oedipus (gezwollen voet). De herder gaf de baby aan koning Polybos. Als Oedipus volwassen wordt en geen antwoord op de vraag naar zijn herkomst krijgt, vraagt hij het Orakel en krijgt hetzelfde antwoord als zijn vader. Hij ontmoet op een smalle weg een wagen en er kwam ruzie over de voorrang (zo oud is dit pro­bleem). Hij slaat een oude man dood (zijn vader). Hij lost het raadsel van de Sfinx op, die verdwijnt. Hij krijgt nu de uitgeloofde beloning voor het vertrek van de Sfinx: de koningin Iokaste, zijn moeder. Hij trouwt met haar en verwekt bij de jonge koningin 2 zonen: Eteokles en Polyneikes en 2 dochters: Antigone en Ismene. Nu breekt de pest uit en het Orakel wijst de koningsmoordenaar als oorzaak aan. Alles komt uit, lokaste hangt zich op, Oedipus steekt zich beide ogen uit en de goden laten hem spoedig sterven. De twee zonen doden elkaar in een oorlog om Thebe. Volgens andere lezingen verleidt lokaste Oedipus en ging het initiatief van haar uit. We vinden dit vaker bij de incest vader-dochter en moeder-zoon. De vrouwen nemen het initiatief. We komen erop terug.

We verstaan nu onder het Oedipuscomplex de ver­houding in de vroege jeugd tussen vader en dochter, moeder en zoon. De kleine meisjes zeggen vaak, dat ze met de vader willen trouwen. In de puberteitsjaren kan dit ontaarden in incest: geslachtsverkeer tussen vader-dochter, zuster-broeder, moeder-zoon.

Ook in Shakespeares „Hamlet” kon Freud het Oedipuscomplex aantonen. In het Oedipuscomplex vinden we dus de haat vader-zoon, de liefde vader-dochter, de haat moeder-dochter en de liefde moeder-zoon. De haat moeder-dochter speelt in de sprookjes een be­langrijke rol. In de zoogdierwereld van de kudde­dieren vinden we hetzelfde. Als de jonge mannetjes volwassen worden, valt het familieverband uiteen. Het jonge mannetje paart met zijn moeder en zusters. De leider van de kudde, een oud mannetje, paart met zijn moeder, zusters en dochters.

Bij de kuddedieren komen steeds vechtpartijen voor tussen het oude mannetje en de volwassen zonen en het eindigt met de dood of uitstoting uit de kudde van het oude mannetje. Deze dwaalt dan als solitair alleen rond en is vaak gevaarlijk. Het sterkste jonge mannetje wordt dan leider van de kudde.

Men veronderstelt dat de voorhistorische mens ook zo in horden leefde: een paar mannen, een aantal vrou­wen en de mannen paarden met hun moeder, zusters en dochters. Er waren weinig mannen want ze ver­ongelukten vaak op de jacht.

De Griekse mythologie noemt de strijd der opstandig geworden Titanen, die hun vader ontmannen (Vondel herinnert eraan in de „Palamedes”: „Saturnus die zijn vader lubt”). Saturnus verwekt bij zijn zuster Rhea 6 kinderen. Zeus verwekt bij zijn zuster Demeter de dochter Persephone.

We vinden in de sprookjes ook het naaktheidsmotief, dat ook in de bijbel voorkomt: Adam en Eva (Gen.2: 10) en Noach (Gen.9: 21). Dan vermelden de sprook­jes de strijd tussen dag en nacht, zon en winter, strijd tussen oude en jonge helden. De Griekse mythologie plaatst de helden aan de hemel: Orion, Hercules, Perseus, Andromeda, enz. als sterrenbeelden. De sprookjesheldinnen zijn altijd zeer jong, vóór, tijdens en na de puberteit, dus de overgang tot gerijpte vrouw. Zij worden zwaar beproefd als slavin in de keuken, wat herinnert aan de inwijdingsriten en de isolering in het bos bij de primitieven. De meisjes zijn altijd enig kind. Zij wensen de moeder dood en die verschijnt dan als wreekster, vermomd als de boze stiefmoeder. En de dochter is de rivale van de moeder, (haat moeder-dochter) Nergens wordt over liefde gesproken, de meisjes trouwen meteen als ze een prins ontmoeten of trouwen op bevel van de vader.

1.De kikkerkoning
.
Het eerste sprookje van Grimm in de uitgave van 1819 is de kikkerkoning. Natuurlijk is de vader een koning, de dochter is naamloos. Bij een bron werpt de prinses een gouden bal in de bron. Zij huilt omdat zij haar speelgoed kwijt is. Een stem vraagt heel banaal waarom zij huilt (Vondel zegt dat veel mooier in de „Gysbreght”: „Wat nevel van verdriet bezwalkt Uw blinkende oogen?”). Een kikvors kijkt over de rand van de bron en belooft de bal op te duiken. De kikker eist, dat de prinses hem zal liefhebben, dat hij aan haar tafel mag eten en met haar in bed slapen. De kikker brengt de bal boven, de prinses ijlt naar huis. De volgende dag komt de kikker tijdens het diner aan de deur van het paleis en roept „Prinses, doe open” (Zij heeft geen naam). De koning beveelt haar de kikker binnen te laten en de kikker eet mee van haar gouden bordje. Dan wil hij in haar bed uitrusten. Zij weigert, maar de koning beveelt haar de kikker mee naar bed te nemen. Als zij met de kikker in bed ligt, kruipt hij naar haar toe en zij werpt hem tegen de muur. Er valt geen kikker terug, maar een prins, die betoverd was door een heks en op haar vaders bevel trouwt de prinses met hem.

Dit sprookje is duidelijk Germaans. De bron was heilig bij de Germanen. Merk op: de vader beveelt steeds.

Dat is typisch Germaans: de Germaanse vader bepaalt of de pasgeborene mag leven of gedood of te vonde­ling gelegd wordt, hij kan echtgenote en dochters zonder meer doden of inzetten bij het dobbelen, bij verlies worden zij als slavinnen aan de winnaar uit­geleverd. In graven heeft men meermalen dobbel­stenen gevonden opdat de dode ze in het Walhalla bij de hand had. Van de spelregels is niets bekend.

We zien hier ook hoe in de sprookjes alle begrip van proporties ontbreekt. De gouden bal zinkt in de bron. Hij was dus massief. Een kleine gouden bal van 4 cm diameter weegt al 600 gr., teveel om mee te ballen. Een knikker van 2 cm diameter weegt 80 gram, dat kan een kikker niet dragen. Pas een gouden knikkertje van 1 cm diameter dat 11 gr weegt, is voor een kikker niet te zwaar (We laten de opwaartse druk buiten beschouwing). De kikker was bij alle Germaanse stammen bekend: Ned.: Kikvors, kikker, Vorsch (in de Statenvertaling van de Bijbel). Duits: Frosch, Engels Frog, Deens Frö. In het Frans komt de kikker er niet best af: Een woordenboek van 1736 vermeldt bij „Grenouille”: kikvors, slechte dichter, Grenouiller: zuipen, zwelgen, gestadig in de kroeg zitten, in het water plassen. Een grenouillard is een kroegloper. Dit voor Frans studerenden.

In het Spaans zegt de uitdrukking: no ser rana (geen domkop zijn) niet veel goeds voor de kikker. In de sprookjes is de kikker levensaankondiger, zoals we zullen zien bij Doornroosje.

In de Bijbel komt de kikvors er slecht af: Openbaring van Joh. 16:13 „en ik zag uit de mond des draaks en uit den mond van het beest en uit den mond van den valschen profeet drie onreine geesten uitgaan, den vorschen gelijk”. (14) „want het zijn de geesten der duivelen”.

2.Doornroosje

De koningin zit in het bad, een kikker duikt op en voor­spelt dat zij binnen een jaar een dochter krijgt. Na de geboorte nodigt de koning de „wijze vrouwen” uit. Er waren er 13, maar omdat hij maar 12 gouden borden heeft, wordt er één niet gevraagd. Als de 11 vrouwen een wens gedaan hebben, komt de 13e binnen en wenst, dat de prinses met 15 jaar sterft door zich te prikken aan een spoel. De 12e kan de verwensing niet ongedaan maken en verandert het in een slaap van 100 jaar. De koning beveelt dat alle spoelen voor het spinnen verbrand moeten worden. Als de prinses 15 jaar wordt, gaat zij op ontdekking uit in het slot. Zij kwam in een toren, waar een oude vrouw spint. Het meisje neemt de spoel in de hand, zij steekt zich in de vinger. Zij valt op een bed neer en slaapt, ledereen in het slot slaapt nu. Rond het slot groeit een doornhaag. Af en toe komen prinsen en pro­beren door de doornhaag te komen. Zij blijven erin hangen en sterven. Na 100 jaar probeert weer een prins het. De doornhaag werd tot een bloemenhaag, hij laat hem door. Hij vindt Doornroosje en kust haar wakker. Zij trouwen meteen.

Dit sprookje is zo duidelijk Germaans als het maar kan. Ten eerste de „wijze vrouwen”. De Germanen kenden die als „zieneressen” en zij voorspelden de toekomst uit de ingewanden van krijgsgevangenen, welke zij met een mes levend de buik opensneden. Dan kent de Germaanse mythologie het verhaal van Brunhilde, een Walkure. Wegens ongehoorzaamheid aan Wodan moest zij met een aardse man trouwen. Wodan steekt haar met een doorn en zij valt inslaap. Wodan om­geeft de burcht met een ring van vuur, want Brun­hilde wil een dappere man. Siegfried komt door het vuur en daar Brunhilde geen gordel, die haar onover­winnelijk maakt, aan had, ontmaagt hij haar en zij wordt zijn vrouw. Dit is toch wel duidelijk de oor­sprong van Doornroosje!

Doornroosje is 15 jaar en zij bloedt. Dat is haar eerste menstruatie. Zij is nu vrouw geworden en krijgt angst voor de mannen: defloratie is weer bloed, geboorte: weer bloed. De vrijers sterven in de doornhaag! En waarom zit er een oude vrouw in de toren waar Doornroosje bloedt? Bij de primitieve stammen in Afrika, Australië, Z. Amerika ontmaagden de oude vrouwen de meisjes direct na de eerste menstruatie met een koehoorn, een defloratiestok, met de vingers. Daarop wijst ook de spoel. Door de 100 j slaap heeft Doornroosje de angst voor de man overwonnen, zij is tot vrouw gerijpt en zij huwt dadelijk de prins. We vinden hier de kikvors als levensaankondiger. De Germanen kenden het spinnen en spoelen zijn in graven gevonden. We zien hier ook de haat tussen moeder en dochter. De vergeten 13e fee is de ver­momde moeder. Ook de oude vrouw in de toren is de vermomde moeder. De 100 j slaap herinnert aan de inwijdingsriten der primitieven met afsluiting van de buitenwereld.

Het kasteel van Doornroosje is er nóg, de Sababurg in het Reinhardswald tussen Weser en Diemel. Op een basaltrots werd de burcht in 1334 gebouwd, omgeven door een doornhaag. In de 16e eeuw werd de doornhaag gesloopt en de burcht omgeven door een 4 m hoge muur van 4,5 km lengte. Binnen de muur liepen herten, wilde zwijnen en ander wild. Een enigszins geschifte 18e eeuwse vorstin liet de dieren door drij­vers opjagen en schoot vanaf het dak het wild neer. Het Reinhardswald heeft een 80 ha groot natuurbeschermingsgebied met eeuwenoude eiken en beuken, tot 7 m in omtrek. Te voet is het Reinhardswald 7 uur in de lengte en 4 uur in de breedte. Het is voor­malig Frankisch koningsgoed. Het is praktisch onbe­woond, er is maar één voormalig bedevaartsoord Gottsbüren en verder wonen er een paar boswachters.

3.Sneeuwwitje

Grimm spelt de naam Sneewitchen. Een koningin zit op een winterdag voor een raam van zwart ebbenhout te naaien en prikt zich met de naald in de vinger. Zij verliest 3 druppels bloed . . Zij wil een kind zo rood als bloed, zo wit als sneeuw en haar zo zwart als ebbenhout. De koningin sterft bij de bevalling. Na 1 jaar neemt de koning een andere vrouw. Zij was jaloers en kon niet hebben dat andere vrouwen mooier waren. Een toverspiegel zegt haar, dat zij de schoonste is. Als S. 7 jaar is zegt de spiegel dat S. mooier is. De koningin haat S., de bekende moeder-dochter haat, want moeder en dochter zijn hier rivalen wie de schoonste is. Een jager moet S. mee naar het bos nemen en haar doden. Als hij met de hartsvanger – hart=hert) haar wil doorsteken, smeekt S. haar te laten gaan. De jager laat haar lopen en vangt een jong wild zwijn. Hij brengt longen en lever naar de koningin, die het opeet, denkend dat het longen en lever van S. zijn (kannibalisme).
S. doolt in het woud en vindt een klein huisje waar 7 bordjes en 7 kroesjes op tafel staan en er staan 7 bedjes (7 is heilig getal). S. neemt wat van ieder bordje en gaat in een bedje liggen. Des avonds komen de 7 dwergen van hun werk (naar ijzererts en goud­aderen graven) thuis. Zij laten S. slapen De volgende dag hoort S. dat zij blijven mag, maar zij moet koken, wassen, naaien, schoonmaken. De dwergen waar­schuwen haar voor de stiefmoeder: zij mag niemand binnenlaten. De spiegel verraadt, dat ,,S. over de bergen bij de 7 dwergen schoner dan de koningin is”. Als oude vrouw gaat de koningin naar het ijdele S. en verkoopt haar een gordel. De koningin doet S. de gor­del zo strak om, dat zij flauw valt. De dwergen vinden haar en snijden de gordel door. S. komt bij. De spiegel zegt weer, dat S. de schoonste is. De koningin ver­kleedt zich weer als oude vrouw en verkoopt het ijdele S. een vergiftige kam. De koningin steekt S. de kam in het haar en S. valt neer. De dwergen trekken de kam uit en S. komt bij. Weer waarschuwen de dwergen voor de stiefmoeder. De spiegel zegt weer dat S. de schoonste is. De koningin maakt een appel vergiftig en schenkt als oude vrouw verkleed S. de appel. S. valt voor dood neer. De dwergen kunnen niet vinden wat de oorzaak is en leggen het schijndode S. in een glazen kist. S. bleef in de kist zo wit als sneeuw, zo rood als bloed en het haar zo zwart als ebbenhout.

Een prins ziet S. in de kist en de dwergen schenken hem de kist. Als de knechten de kist wegdragen, struikelen zij en de kist valt op de grond. S. spuwt door de schok de vergiftige appel uit en zij komt bij. De prins vraagt haar met hem te trouwen. De koningin komt op de bruiloft en er staan roodgloeiende pantoffels van ijzer voor haar klaar. Zij moet erin dansen tot zij dood neervalt.

Het sprookje begint met sneeuw – dat wijst op een Germaans land. Maar het ebbenhout – een tropische houtsoort – wijst op bijvoeging. De haat stiefmoeder- dochter is hier buitengewoon duidelijk. De moeder leeft niet meer, zij verschijnt vermomd als boze stiefmoeder. Blijkbaar heeft S. haar moeder dood gewenst en had zij incestgevoelens voor de vader. De jager is de vermomde vader, die zijn dochter redt en niet doodt.
De rijpingstijd geschiedt bij de 7 dwergen en wel – voor een prinses vernederend – in de keuken. De glazen kist is een symbool voor de baarmoeder. De boze koningin verschijnt 3 x als oude vrouw – dat wijst weer op de defloratieriten der primitieven.
De gordel en de kam zijn zo Germaans als het maar kan.

Man en vrouw droegen bij de Germanen een gordel. De man droeg aan de gordel de sax, het zwaard, verder kam, mes, amuletten, zilverwerk. De vrouw droeg aan de gordel kam, amuletten, sieraden. De grafvondsten bewijzen het. De kam was voor de vrije Germaan zeer belangrijk, want haar en baard waren het symbool van de mannelijkheid. Het geheel af­snijden van het hoofdhaar was een straf en men heeft vrouwelijke veenlijken met geheel kaalgeschoren hoofd gevonden. De koning en de vrijen onder­scheidden zich van de slaven en slavinnen door lang hoofdhaar, want slaven en slavinnen werd het hoofd­haar afgesneden. Men zwoer een eed bij het haar en baard van de koning en nog kent de Ned. taal de uit­drukking „zweren bij de baard van de profeet”.

De kam had magische kracht en beschermde tegen boze geesten. Ook bij de oude oosterse volkeren Babyloniërs, Assyriërs, Egyptenaren, Israëlieten) stond de baard in hoge ere. De baard werd gezalfd (Ps. 133:2 „Het is gelijk een kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op den baard”). Iemand de baard af­snijden was een diepe vernedering (2 Sam. 10:4 „toen nam Hanum Davids knechten en schoor hunnen baard af en sneed hunne kleederen tot aan hun billen af”).

Zij ondervonden het lopen in de blote billen en zonder baard zeer vernederend en David laat hun weten maar weg te blijven „totdat uw baard weer gewassen is”.
Zichzelf de baard afsnijden was een teken van rouw. (Jes. 15:2 „hij gaat naar Baith om te weenen, op al hun hoofden kaalheid, aller baard afgesneden”). Het Christendom beeldt God, Jezus, de discipelen, vele heiligen, altijd met grote baarden af (zelden ook met snorren). Maar merkwaardigerwijze worden de enge­len nooit met snor of baard afgebeeld, zij zijn baarde­loze jongelingen! Ook de duivel heeft geen baard of snor. Waarom, weet ik niet. Zeus en Wodan hebben ook een baard.

De gordel was het symbool van kracht en heerschappij voor de Germaan. Het omdoen van de gordel was al een magische handeling. Hoe hoger rang, hoe meer zilveren sieraad aan de gordel. God Thor verdubbelde zijn kracht als hij de gordel aan had. De Walkure Brunhilde was met de gordel aan onoverwinnelijk. Voor straf moest zij wegens ongehoorzaamheid aan Wodan met een aardse man trouwen. Wodan stak haar met een doorn; zij valt in slaap en Wodan omringt haar slaapplaats met een ring van vuur. Aangezien zij sliep zonder gordel, kon Siegfried haar overwinnen en ontmaagden. De haat moeder-dochter vinden we ook bij de haat schoonmoeder-schoondochter.
De belangrijkste Duitse dichter van de 16e eeuw is Hans Sachs (1494-1576) vandaar de gedenkzegels der Bundespost, hij overleed precies *400 jaar geleden. Hij zegt in een ironische bezwering in het stuk „Kalverbroeden”, waarbij de priester een boer bezweert „bei Schwieger- und Schnurreinigkeit, bij de trouw van de echtbreker, bij de vroomheid van de lands­knecht”. Voor Duits studerenden: Schwieger=
schoon­moeder, Schnur = schoondochter. Schwieger- und Schnureinigkeit bestaat net zo min als vroomheid bij de landsknecht. En zo kunnen we ook wel aannemen dat er geen Mutter-Tochter-einigkeit bestaat. De moeder ziet de opgroeiende dochter als rivale. Daar S. met 7 jaar bij de dwergen komt en dan met de prins trouwt moet zij wel een jaar of 7 bij de dwergen ge­weest zijn. Zo lang duurde bij haar de rijpingstijd en de vernedering in de keuken.

Dat dit sprookje uitgesproken Germaans is (door de kam en de gordel) zal nu wel duidelijk zijn. Het verhaal van S. speelt ook in het Reinhardswald aan de Weser.

(Wordt vervolgd) J.C.AIders, *1976)

.

Vanuit een antroposofische achtergrond heeft Friedel Lenz deze sprookjes eveneens verklaard: De kikkerkoning; Doornroosje; Sneeuwwitje .

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

752-688

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – aardrijkskunde (3)

.

sagen
.

Over nog al wat streken en plaatsen bestaan verhalen.
Over wat er vroeger eens gebeurde; en hoe ze aan hun naam kwamen. Soms zijn er tastbare herinneringen: het standbeeld van de Vrouwe van Stavoren.

Wonen de kinderen in of in de buurt van zo’n streek, dorp of stad, dan is het bijna vanzelfsprekend dat ze het verhaal of de verhalen daarover te horen krijgen.

In zekere zin is dit óók een kennen van je wereld: een van de doelen van het aardrijkskunde-onderwijs: je vertrouwd voelen op aarde door te weten waarom het leven zo gaat als het gaat; waarom die namen voor dit en dat bestaan enz. enz.

Wie in Limburg woont zou toch bij het horen van de naam Stavoren onwillekeurig het beeld voor zich moeten zien van de fiere Vrouwe die aan de haven haar schepen staat op te wachten; wie in Drenthe de naam Ellertsveld ziet, de vechtende reuzen Ellert en Brammert.

Er bestaan (te) veel verhalen – ze worden sagen genoemd – : je kunt ze niet allemaal vertellen.

Ik heb er een aantal gekozen:

[3-1] Het Vrouwtje van Stavoren        Friesland
[3-2] Tidde Winninga                           Groningen
[3-3] Het licht van Zeerijp                   Groningen
[3-4] Ellert en Brammert                     Drenthe
[3-5] Waarom de Zwollenaars
blauwvingers genoemd worden          Overijssel
[3-6] De zwaneridder                            Gelderland (Nijmegen)
[3-7] De basilisk                                     Utrecht

.

4e klas aardrijkskundealle artikelen

4e klasalle artikelen

Aardrijkskundealle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld4e k

.

751-687

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – aardrijkskunde – alle artikelen

.
[1] Hoe oriënteert men zich
Het ‘Binnenste buiten
over: begint aardrijkskunde ‘klein’ of  ‘groot(s)’. Voorbeeld voor de stad Leiden; kompas; lichaamsoriëntatie met windstreken

[2] Over de eerste aardrijkskunde
Jan Kraamwinkel
over de eerste aardrijkskunde; sympathie wekken voor de aarde; voorbeeld Haarlem; hoe gaat het toe in de klas; over de 4e-klasser

[3]
Over sagen

[3-1Het Vrouwtje van Stavoren       Friesland
[3-2] Tidde Winninga                           Groningen
[3-3] Het licht van Zeerijp                   Groningen
[3-4] Ellert en Brammert                     Drenthe
[3-5] Waarom de Zwollenaars
blauwvingers genoemd worden          Overijssel
[3-6] De Zwaneridder                           Gelderland (Nijmegen)
[3-7] De basilisk                                     Utrecht
[3-8] De stalknecht                               Noord-Holland
[3-9] Het woud zonder genade           Zuid-Holland
[3-10] De ondergang van
Westerschouwen                                   Zeeland
[3-11] Pater Langslaper                        Noord-Brabant
[3-12] De derde visser                           Limburg
[3-13] De twee broers                            Limburg

[4] 4e klas aardrijkskunde
Pieter HA Witvliet over: een begin van de eerste periode aardrijkskunde met het scheppingslied uit de Edda; kompas; lichaamoriëntatie

[5] Heb je straks een vierde klas?
Pieter HA Witvliet over: het 4e-klaskind; belangstelling voor de wereld; het belang om de vier graansoorten te kennen: tarwe, haver, rogge en gerst; beschrijving van deze planten met afbeelding. Verzamel ze op tijd!

Aardrijkskunde klas 4 t/m 12:

overzicht tevens deel 1 van menskunde door aardrijkskunde’ 
Christoph Göpfert over: om welke ervaringen gaat het die een kind moet hebben over de wereld van nu; aardrijkskunde heeft verbinding met bijna alles: gesteenten, planten, dieren, waar en hoe mensen leven en leefden (geschiedenis); aardrijkskunde moet ook leiden tot meer naastenliefde; wat en waarom – ook menskundig gezien – van wat in de klas behandeld wordt; een overzicht

[2] Van heemkunde naar de eerste aardrijkskunde in klas 4, 5

deel 3 en deel 4 bij klas 6      deel 5 biklas 7

[6] Gapers
Uit ‘De Kampioen over: gapers; wat zijn het; historie; waar te vinden.

[7] Er wordt een kaart getekend
Erika Buris over: hoe een kaart te tekenen; gezichtspunten; voorbeelden.
.
4e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas

.

750-686

.

,

VRIJESCHOOL – 4e klas – aardrijkskunde (3-1)

.
Inleiding bij deze verhalen:

HET VROUWTJE VAN STAVOREN
.

Vroeger was Stavoren een rijke stad, in vele landen bekend. De kooplieden dreven er handel tot ver over zee en verdienden er schatten mee. Ze woonden in huizen groot en schoon. Er wordt gezegd, dat velen hun huisdeuren met goud hadden beslagen en dat hun erven met zilveren kettingen waren afgezet. Rijkdom maakt vaak trots, en trots waren dan ook de burgers van Stavoren.

Van allen was één echter de hovaardigste: een weduwe, jong van jaren nog, maar de rijkste onder de rijken. Ze woonde in een huis als een paleis; prachtige tapijten bedekten wanden en vloeren; het blonk er overal van goud, zilver en edelsteen. Ze bezat de meeste schepen, de meeste pak­huizen, de meeste waren. Haar schepen voeren de gehele, toen bekende, wereld rond. Ze kwamen thuis met de kostbaarste schatten, ze voerden de kostbaarste schatten als koopwaar weer mee. Niemand wist, hoe rijk deze Vrouwe van Stavoren wel was, zij zelf wist het ook niet. Ieder vloog op haar wenken, haar wil was wet.

Voor niets hadden de Staverse burgers meer ontzag dan voor rijkdom. Rijk was de Vrouwe van Stavoren dus wel, doch tevreden was ze niet. Dat gaat meer zo.

De kostbaarste schatten bezat zij, de kostbaarste schatten voerden haar schepen regelmatig voor haar aan, toch moesten er, dacht ze, nog mooiere en kost­baardere op de wereld wezen. En ze wou het allermooiste bezitten, dat er op aarde te verkrijgen was. Het allerkostbaarste, dat er op aarde was, dat wou ze. En nooit zou ze rusten, alvorens ze dat had! Ze wou het allermooiste, het allerkostbaarste! Iets, dat zij alléén had, en anders niemand in de gehele stad! Het schoonste goed op aarde! Opdat men haar nog meer ontzag en eer zou bewijzen!

Ze liet haar oudste schipper bij zich komen, een ervaren en bedachtzaam man.
– Ik zal veel goud in uw schip laden, schipper!
– Veel goud, Vrouwe?
– Veel goud, ja! Daar haalt ge mij het kostbaarste voor, dat er op aarde maar te vinden is!
– Het kostbaarste, Vrouwe? Ik vrees, dat is voor geen goud te koop.
– Het kostbaarste, schipper, laat het mij geen tweemaal zeggen! En gij haalt het! Zo wens ik het!

In gedachten zag de schipper enige ogenblikken stil voor zich uit. Toen zei hij: — Ge moest daar een ander voor kiezen, Vrouwe, iemand, die jonger van jaren is.
– Niemand kent de wereld zoals gij, schipper. Gij zijt mijn oudste kapitein en gij hebt dus recht op deze bijzondere opdracht. Ga en zoek mij het schoonste en kostbaarste, wat er op aarde te vinden is. Opdat ik er mij aan verheuge en het mij eer doe door de gehele stad. Aarzel nu niet langer, ga en doe mijn wil. Haar voorhoofd fronste zich, haar vingers tikten driftig op de tafel.
– Het zal geschieden, zoals gij wenst, zei de schipper, hij groette eerbiedig en ging.

Ver zwierf hij met zijn schip weg van Stavoren. Hij bezocht menige stad, be­kende en onbekende, menig koopman sprak hij aan, veel schone, aardse goe­deren stalde men uit voor zijn ogen: heerlijk bontwerk, diep uit het grote Rusland gehaald, prachtige sieraden van goud en zilver, op het kunstigst bewerkt, schone diamanten en tal van andere edelstenen, wedijverend in kleu­ren, fonkelend soms van een diep, geheimzinnig licht, gewaden van de zeld­zaamste stoffen, tapijten met kleuren, zoals zijn ogen er nooit hadden aan­schouwd. Het een was al kostbaarder dan het ander. Toch vond hij niets, dat naar zijn zin was. Zweden, Duitsland, en Rusland bezocht hij. In Riga bleef hij menige dag, maar hij kon niet besluiten iets te kopen. Het was alles heel mooi en heel kostbaar, maar zijn opdracht was, dat hij het mooiste en
kost­baarste moest meebrengen, dat op aarde was te vinden. De kostbaarste schat van de aarde? Veel dacht hij er over na, zijn ogen werden er stil van. Toen keerde hij terug naar een stad, waar hij reeds eerder was geweest: Danzig, de oude bekende. Als hij daar niet vond, wat hij zocht, dan vond hij het nergens meer. De kostbaarste schat van de aarde!

Weer ging hij dagenlang zoekend rond. Schatten legde men hem voor, nooit gezien, en die stellig hun gewicht in goud waard waren. Doch hij schudde steeds het hoofd en ging, zoals hij kwam. De kostbaarste schat van de aarde! Toen kwam hij in een pakhuis, waar men hem lachend tarwe aanbood, prach­tige, roodbruin-glanzende tarwe! Hij lachte niet terug. Zeer ernstig trok zijn gezicht. Hij nam de korrels in zijn hand en bezag ze. Ze waren groot en vast en er lag zo’n schoon licht overheen. Tarwe? De kostbaarste schat van de aarde, tarwe? Eén korreltje zinkt in de aarde en het ligt daar en wacht. God zendt zijn zonneschijn, God zendt zijn regen bij tijden. En het zwelt en het spruit uit en een halm schiet boven de aarde omhoog, de wind doet deze bui­gen en vaster groeien. Gods licht en Gods aarde voeden hem, een aar ontwringt zich aan de omklemming der bladeren en groent en groeit, en geelt in de zomerzon, en vele korrels komen er uit die ene. En de mens voedt zich ermee, hoe moeilijk wordt zonder deze korrels hem het leven! Is dit geen wonder? Is dit niet de kostbaarste schat? Kan een mens van bontmantels leven? Leeft een mens van goud en zilver en edelsteen? Harde, dode dingen zijn het, waarbij de mens zelf de dood vindt.

Nu lachte de schipper, een blijde, gelukkige lach.
— Laadt mijn schip daar vol mee! beval hij.

Voor de wind zeilde hij huiswaarts, de zeilen bol, het hart vol dankbaarheid, dat hij zo goed had gekozen. Is de tarwe geen schat? De aarde zelf brengt haar voort, onder het nijvere werk der handen, onder Gods zegen. Wat is de mens zonder haar? Waai, windje, waai, opdat we spoediger thuis zijn! Hij stond voor op het schip, toen het de haven binnenviel. Hij zag de mensen snel naar de aanlegplaats lopen, één gestalte daartussen herkende hij dadelijk. Hoog en recht was ze, en ze droeg een gewaad, waar de zon schitterende glan­zen op wierp. De Vrouwe!

Hij streek zich voldaan langs zijn zeemansbaard. Hij lachte, de Vrouwe zou voldaan zijn. Hij riep zijn volk de laatste bevelen toe. Snel gleed het schip naar de walkant.

Een hoge stem trilde plotseling door de lucht. De Vrouwe riep! Nog
ver­stond de schipper geen woorden. Maar zijn gestalte werd rechter. Hij nam de muts van zijn haar en riep een heilwoord.

Even was er toen niets dan het geluid van de wind door de touwen, dan het geluid van het water, opslaand tegen de boeg. Toen trilde weer die hoge stem naar hem over het water.
– Wat breng je me, schipper?
– Tarwe, Vrouwe, de heerlijkste tarwe, die ik ooit zag!

Weer was er een stilte. Daarin gleed het schip zijn laatste vaart uit. Een zwarte vogel kruiste de baan tussen de schipper en de Vrouwe van
Sta­voren. Luider klonk nu haar stem, kort en driftig sneed ze door de lucht.
– Versta ik je goed, schipper? Tarwe? Zeg je tarwe?
– Tarwe, ja Vrouwe! Zo heerlijk kocht ik ze nooit! Zo groeit ze nergens in heel ons mooie Friesland!

lneens sloeg er een laaiend gejoel op uit de menigte langs de kant.
– Tarwe! Haha, wat is de Vrouwe er tussen genomen! Hij kocht tarwe, horen jullie lat? De kostbaarste schat, waar ze weken en weken op gewacht heeft!
Hallo,Vrouwe, versier daar Uw kamers mee! Rijg er blinkende kettingen van, Vrouwe! Parels van tarwe, hahaha!
Wit van drift ijlde de Vrouwe nu over de loopplank.
– Spot je, schipper?
Haar ogen schoten vuur, boos en wreed.

– Tarwe, zo is het, Vrouwe. Wie kent er kostbaarder schat? „Geef ons heden ons dagelijks brood”, bidden we toch alle dagen.
Ons dagelijks brood! Ons dagelijks brood!
Ze hijgde van boosheid en teleurstelling. Kwaadaardig stonden de ogen in haar gelaat, wit verwrongen. Tarwe? Ze stampvoette. — Man, waar zit je verstand! Man! Mens! Tarwe, zeg je tarwe?
En dan giftig van drift: — Aan welk boord laadde je dat goedje in? Aan bakboord, zeg je, aan bakboord? Zeil dan onmiddellijk de haven uit en werp het over stuurboord in zee! Geen praatjes, gehoorzaam!
De tegenwerpingen van de schipper vergingen in het gejoel, dat uit de menigte aan de wal opsteeg. Hoera, voor de Vrouwe van Stavoren, hoera! Zo is het goed! Die schipper gooide de naam van onze fiere koopstad te grabbel! De Vrouwe redt deze naam weer. In zee met dat spul! Vooruit nu maar, schipper! Over stuurboord, over stuurboord!

In dit ogenblik ijlde een oude, magere man de loopplank over naar het schip. Alles zweeg plotseling.

— Vrouwe, ging de stem van die man hees en moeilijk, — hoor naar een arm, oud mens! Verspil zo Gods schone gave niet! Geef ze de armen, als ge ze zelf niet wilt hebben! Tarwe is voedsel, Vrouwe, God gaf ze, opdat de mens zal leven. Zo ge iets goeds wilt doen, geef ze dan aan de armen!

Hij keek de Vrouwe van Stavoren smekend aan, maar hij zag niets dan een paar koude, genadeloze ogen.
– Vrouwe? vroeg de oude nog eenmaal.
– Ik spreek niet met bedelaars, kwam het koel bescheid. Meteen, met een bevelend gebaar, beval ze de schipper haar opdracht uit te voeren.

Toen richtte zich ook de bedelaar hoog op, zijn gestalte werd jonger en scho­ner. Zijn stem kreeg een wondersterke, verdragende klank, zodat alle mensen op het schip en aan de wal hem konden horen.

— Gij veracht in uw hoogmoed het graan, riep hij uit, — gij veracht de mens, die in armoede moet leven. Mij noemt ge een bedelaar! Eens — Vrouwe van Stavoren, hoort ge mij? — eens zult ook gij in armoede leven! Eens zult ge rondgaan, bidden om een bete broods, en met u allen, die als gij zijn! Let op mijn woorden! Eens worden zij waar!

Groot en machtig was zijn stem aangezwollen. De menigte zweeg. Ging er angst over de mensen? Wie was deze man? Zijn woorden waren van dreiging zwart. Zag deze man in de toekomst? Of… of… ?

Doch reeds trok de Vrouwe van Stavoren hun aandacht weer. Een smadelijke lach klonk van haar lippen.
— Bedelares? Ik? Man, hoe waag je het zo te spreken?
Heftig rukte zij een kostbare ring van haar vinger af. Fel weerkaatste een grote diamant het zonlicht.
— Bedelares! Ik?
Met een wijde boog wierp ze de ring over boord.
— Bedelares? Ik? Wie kent mijn schatten? Wie telt ze? Eer keert deze ring uit zee in mijn hand terug, dan dat één woord van jouw profetie waar wordt! En nu… van mijn schip af!

Gebiedend strekte ze haar hand uit. Luid bijvalsgejuich steeg op. De mensen verdrongen zich naar de loopplank. Leve de Vrouwe van Stavoren! Zó moet men een bedelaar te woord staan! Zó houdt men de eer van Stavoren hoog! Weg met die man! Over stuurboord te water! Te water! Lijven verdrongen zich, armen rekten zich grijpend. Maar ieder greep vergeefs, ieder drong vergeefs op. De magere, oude man was nergens meer. Hij was op raadselachtige wijze verdwenen. Ze lachten er eerst om. Toen kwam een vreemde stilte over hen. Wat had hij ook weer gezegd? Hoe zag hij eruit, toen die woorden door hem werden gesproken? Vreemde woorden waren het.
Er lag een angstigmakende bedreiging in. Ze voelden een huivering over hun lijf gaan. Sommigen slopen naar huis, anderen stonden zwijgend op de wal en zagen toe, hoe het schip langzaam de haven uitdreef; toen hoorden ze het rammelen van ankerkettingen. Er was geen wind meer. De scheepsvlag hing slap neer. Ze zagen, hoe de tarwe in zee viel. Ze bleven niet lang. De kade werd leeg. Alleen de Vrouwe bleef koud en onbeweeglijk toezien.

Er gingen enige weken voorbij, waarin de Staverse burgers grote gebeurtenissen verwachtten. Maar niets bijzonders geschiedde. Het schip van de Vrouwe van Stavoren voer weer uit, doch met een andere schipper. De oude, ervaren kapitein kreeg zijn ontslag. Een man, die haar opdrachten op zo’n vreemde wijze uitvoerde, kon de Vrouwe niet meer gebruiken. Nog enige tijd sprak men daarna in de stad over het gebeurde en over de voorspelling van die bedelaar, die zo plotseling was verdwenen; daarna zweeg men erover. Schip na schip zond de Vrouwe van Stavoren in zee, zodat op het laatst haar gehele vloot in de vaart was. Ze keerden tegelijk en brachten grote winst. Haar rijkdom verdubbelde zich nog in die dagen. Een enkele keer dacht ze nog weleens aan die bedelaar en aan de voorspelling, die hij gedaan had. Dan speelde een trotse glimlach om haar lippen. Zij een bedelares? Zou er ergens op aarde een koning zijn, die zo rijk als zij was? Zij een bedelares? Zie, hoe haar rijkdom groeide met de dag! Zij een bedelares? Nooit! Nooit! Had ze het niet gezegd: Eer keert deze ring uit zee in mijn hand terug, dan dat één woord van jouw voorspelling uitkomt! .
Ze lacht voldaan en gaf bevel al haar schippers bij haar te laten komen. Ze kwamen en bogen en zagen haar eerbiedig aan, wachtend op haar bevelen.
– Mannen, zei ze, — gij vertrekt heden allen tegelijk. Ik zal uw schepen met goud laten vullen. Gij zeilt allen heen en keert tegelijk terug en brengt mij de schoonste en kostbaarste schatten der aarde.
Even zagen ze elkander tersluiks aan. Groter opdracht was nog nooit in de koopstad gegeven, nooit groter en nooit gevaarlijker ook. Want wat zou er gebeuren, als een storm over hun vloot, over al hun schepen tegelijk, viel?
Het weer is wisselvallig op zee, de gunst van de zeegoden is wisselvallig. De oudste schipper sprak schuchter een woord van waarschuwing tegen de Vrouwe. Maar ze lachte honend. — Zijt ge bang? vroeg ze. — Zijn jullie oude vrouwen geworden? Gaat!

Toen bogen ze en gingen. De vloot zeilde de haven uit. Het was een prachtig gezicht, al die zeilen wit en blinkend tegen de hemel! Trots keek de Vrouwe van Stavoren ze na. Alleen een wolk, laag aan de horizon, blonk nog witter.

Diezelfde avond bereidde de dienstmaagd in de keuken vis voor de Vrouwe van Stavoren. De Vrouwe had een heel grote vis gekocht van een vreemde visser, die hem voor veel geld aanbood. De Vrouwe telde geen geld, als er iets bijzonders voor haar te verkrijgen was. Ze gaf de man nog meer dan hij gevraagd had.

Toen de vis schoon was, zag de dienstmaagd, dat er iets glinsterends op het aanrecht lag. Ze nam het op, het schitterde oogverblindend. Een gouden ring was het, met een grote diamant! Haar ogen gingen van verbazing wijd open. Toen herkende ze. Ook haar mond opende zich. De ring! De ring van de Vrouwe! Die ze in zee wierp! — Eer keert deze ring uit de zee in mijn hand terug, dan dat…
— Vrouwe! kreet ze. — Vrouwe!
Ze ijlde naar de kamer, waar de Vrouwe was. Angst puilde uit haar ogen.
— De ring, Vrouwe! De ring! Eer keert deze… ! O, Vrouwe!

Met de ring in de handen bleef de Vrouwe van Stavoren enige ogenblikken zwijgend staan. Ze verstijfde. Buiten loeide een windstoot. Een tweede volgde. Haar wangen trokken wit.
— Ga, zei ze toonloos tegen de dienstmaagd.

Alleen gebleven, moest ze moeite doen om niet door de knieën te zakken. Maar ze vermande zich. Geen zwakheid nu! Wat zou haar kunnen over­komen?

Met moeite zette ze zich en lang zat ze in gedachten. Het bruiste in haar hoofd. Ze verzette zich. Ze wou opstaan, maar ze kon niet. Men meldde haar, dat de avondspijzen waren opgedist. Ze bleef roerloos zitten. De stemmen van de mensen kwamen van heel verre tot haar. Ze speelde met de kwasten van het tafelkleed, een angstig voorgevoel kneep haar de borst samen. — Ik moet wat doen, dacht ze. Maar ze deed niets.

— Eer keert deze ring uit de zee in mijn hand terug… En nu was de ring daar!

Ze beet zich op de lippen. Nooit had ze angst gekend, en nu, nu kneep de angst mét haar borst haar keel dicht. Ze ademde moeilijk. Machteloos ging ze naar bed. Die nacht lag ze bibberend wakker als iemand die hoge koorts heeft. Buiten huilde de stormwind. Daar luisterde ze naar. Huilde of lachte de storm? Dreef hij de spot met haar? Ze sloeg de dekens over haar hoofd heen.

Voor de ochtend grauwde was ze reeds weer in de kleren. Ze at en ze dronk niet. Ze wilde naar de haven toe. Het was, of ze daar heen werd gedreven. Ze opende de buitendeur, zwaar van goud, en wilde de stoep afgaan. Een man beklom juist de treden, een bode.

— Vrouwe van Stavoren, Uw gehele vloot is vergaan! De brokstukken drij­ven reeds op de kust aan!
Ze sprak niet. Ze keerde zich woordeloos om en sloot zich in haar kamer op

Sindsdien volgde tegenspoed op tegenspoed. Binnen enkele jaren was de Vrouwe van Stavoren straatarm. Haar haren waren grijs geworden van zorg en verdriet, haar gestalte begon zich te krommen. Ze was nog jong van jaren, maar als een oud vrouwtje ging ze bedelend over de straat.
– Het Vrouwtje van Stavoren! werd haar door onbarmhartige jongens nageroepen.
– Het Vrouwtje van Stavoren, mompelden vele rijken, die haar komen zagen en ze sloten gauw hun deur.

Het Vrouwtje van Stavoren werd een verlatene, een uitgestotene. Echter ook voor vele van haar rijke medeburgers kwam eenmaal de tijd, dat ze hun rijkdom als was in de zon zagen smelten.

— Eens zult gij rondgaan, biddend om een bete broods, en met u allen, die zoals gij zijn!
Zo luidde immers de voorspelling van de oude man.
Maar hoe kon dat waar worden? Zonden dan ook deze rijken al hun schepen tegelijk op zee? Werden ook deze schepen door één storm van de aarde geblazen. Neen, deze mensen waren verstandiger, toch trof ook hen het noodlot.
Aan stuurboord was de geminachte tarwe vlak voor de haven in zee
gestort. Er was zoveel, dat een heuveltje rees boven het water. Dat verspreidde de golfslag al gauw, maar het bleef op die plek ondiep. Zand vermengde zich met de tarwe. Een grote bank vormde zich daar. Daar kon geen schip meer overheen. De schepen moesten een omweg maken. Maar het volgende jaar was de zandbank nog groter geworden. Slechts door nauwe geulen konden de schepen nog de haven binnenvaren.

En ziet, en ziet… de een wees het die zomer de ander aan. Groeide daar tarwe in de wateren? Halmen schoten boven de golven op, halmen groenden, halmen bogen op de wind en op de golfslag. Aren wuifden in de wind—
Dat wordt goed, mensen! Ons loopt het mee! Zelfs in de zee groeit voor ons het koren. En we zaaiden het niet eens!

In de zomerzon geelden de aren. Maar er was iets bijzonders meeZe bogen zwaarte niet over. Ze stonden rechtop en wiegden rechtop mee in de wind. Vreemde aren waren het, daar groeide vreemde tarwe. Toen men, nieuwsgierig geworden, de aren onderzocht, waren ze alle leeg. Korrelloos rees uit de zee op. — Tarwe, wat is nu tarwe! Hoorden ze hun eigen spottende stem? — Rijg er kettingen van! Leve de Vrouwe van Stavoren, die de eer van onze stad hoog houdt!

Waren dat hun eigen woorden niet? — Eens zult gij rondgaan, biddend om een bete broods! Waren dat niet de woorden der voorspelling? Vrees vervulde de stad. Naderde de ondergang nu? De voetstappen klonken doffer in de straten. De zandbank breidde zich snel uit. Geen schip kon op het laatst de haven meer in. De eens zo bloeiende handelsstad was ten dode veroordeeld. De pakhuizen raakten leeg, maar vulden zich niet meer. De beurzen raakten leeg, maar er kwam geen nieuw goud in. De huizen raakten leeg, vele mensen verlieten de stad, en die bleven konden in zulke dure huizen niet wonen. Ze vervielen. De tijd sloopte ze. De armoede waarde rond in de snel vervallende stad. Het verkeer stond stil. Gras groeide tussen de straatstenen.

En op de zandbank buiten de haven wuifden duizenden lege halmen in de wind. „Het Vrouwezand” noemden het de mensen. Ze keken er vaak met duistere ogen naar. Schuld kneep om hun hart. Krijsend vlogen er vaak de meeuwen over.

Meer;    afbeeldingen

Hoe de zandplaat werkelijk ontstaan is

Aardrijkskunde 4e klasalle artikelen

Aardrijkskundealle artikelen

4e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas

749-686