Categorie archief: jaarfeesten

VRIJESCHOOL – Actueel – carnaval

.

carnaval: alle artikelen

carnaval krijgt geen hoofdletter; ook in samenstellingen niet.

.

.

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 3200 artikelen

Kleinere en grotere, makkelijk toegankelijke en die meer studie vragen; direct met de vrijeschool te maken hebbend of zijdelings: de meest uitgebreide vrijeschoolsite die er te vinden is.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken
leeftijden
over illustraties

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GEZONDHEID – die van de leerkracht
Alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
alle artikelen

HANDVAARDIGHEIDSONDERWIJS
a
lle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
Alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1; klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7; klas 8; klas 9: klas 10; klas 11; klas 12

LEERPLAN
alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
Alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
Alle artikelen

SCHILDEREN
Alle artikelen

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
Alle artikelen

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
Niet elders gerubriceerd:alle artikelen
Ahriman en/in het onderwijs;
Grafische vormgeving bij Steiner
Interviews met oud-leerlingen
Kritiek op de vrijeschool
Kunstzinnige vormgeving van een klaslokaal
Naamgeving en schrijfwijze vrijeschool;
Ochtendspreuk;
Organische architectuur;
Uitgangspunten vrijeschool;
Vrijeschool en antroposofie;
Vrijheid van onderwijs;  
Worden wie je bent

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

.
EN VERDER:

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cyprus; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israël; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouwen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Qatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – actueel – Driekoningen

.

Driekoningen: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Nicolaas (33)

.

Sint-Nicolaas – folkore
.

Het Sint-Nikolaasfeest is, evenals de Sint-Maartensviering, in tegenstelling met onze andere christelijke feestdagen, uit kerkelijk gebruik ontstaan, al namen beide feesten ook voorchristelijke elementen in zich op.

Sint-Nikolaas, zoals hij in de middeleeuwse legende voorkomt en tot in onze dagen voortleeft, is een samenvatting van twee Lycische bisschoppen, Nicolaas van Myra, die waarschijnlijk in de 4e eeuw leefde, en Nicolaas van Pinora, die in 564 stierf. Beiden zijn historische personen, doch verder is er niets van hen bekend: des te ruimer spel lieten zij aan de verbeelding. Uit deze twee is de heilige gestalte gegroeid van de wonderdoener, reeds sinds het einde van de 9e eeuw door de Grieks-katholieke kerk in alle rampen en gevaren aangeroepen. Toen Myra in de handen van de mohammedanen was gevallen, brachten Zuid- Italiaanse kooplieden in 1087 het gebeente van de heilige over naar Bari in Apulië en bouwden over zijn graf een prachtige kerk, die het middelpunt werd van de Nikolaasverering in de rooms-katholieke kerk. Bari, als havenstad veel belangrijker dan Myra, maakte de wonderdoener in het bijzonder tot redder op zee, en de Noormannen, die Bari toen in bezit hadden, brachten zijn verering als patroon van de zeelieden over naar Noord-Europa. Zijn aanroeping deed hun vorst, Willem de Veroveraar, toen een storm hem in het Kanaal overviel, veilig uit Normandië in Engeland landen (1066).

Er is ook nu nog geen Grieks schip, of het heeft de ‘icoon’ van Nikolaas aan boord!

De kustbewoners van Noord-Europa vonden in Sint-Nikolaas de beschermer in zeegevaar, die hun tot dusver had ontbroken. Langs de gehele Noordzee, tot IJsland toe, en aan de Oostzee wezen de torens van de talrijke Sint-Nikolaaskerken aan de schepelingen als het ware de weg. Hier hingen zij na hun redding hun doorweekte kleren als ex voto op en werden na hun dood missen voor hen gelezen.

Over Frankrijk en Vlaanderen heeft de Sint-Nikolaasverering zich naar onze gewesten verbreid. Als een krans liggen om de Zuiderzee de Sint-Nikolaaskerken van Staveren, Kuinre, Oldemarkt, Blankenham, Vollenhoven, Genemuiden, Kampen, Kamperveen, Elburg, Doornspijk, Harderwijk, Baarn, Weesp, Muiden. Monnikendam en Edam, alle stellig of waarschijnlijk uit de 13e eeuw, met als oudste die van Kuinre uit de 12e. Ook aan de rivieren verrezen zij, o.a. te Groningen, Deventer, Zutphen, Utrecht, Dordrecht, Leiden en Delft. Het volk sprak trouwhartig van de ‘Klaaskerk’ en noemde zich hier en daar met voorliefde ‘Sint-Niclaasmannen’.

Weldra vormden zich talrijke gilden van zeevaarders en kooplieden, die Sint-Nikolaas tot patroon kozen. Het koopmansgilde te Amsterdam bekostigde sinds 1476 een dienst in de Oude- of Sint-Nikolaas kerk, waar het beeld van de heilige stond in klinkklaar zilver; toen de stad in 1578 de zijde der Hervorming koos, liet zij er munt uit slaan.

De oudste sporen van de viering van Sint-Nikolaasdag als kinderfeest vinden wij in de stadsrekeningen van Dordrecht van 1360 en 1363. Uit deze blijkt dat de koorknapen op die dag vakantie kregen en wat geld om feest te vieren. Een van hen werd tot bisschop gekozen, onder de vespers kreeg hij de mijter op het hoofd en de kromstaf in de hand. Met deze kinderbisschop trokken de jongens in optocht langs de straat en vroegen aan de voorbijgangers een kleinigheid, het bisschops- of kaarsgeld: voor de ene helft kochten zij kaarsen, voor de andere maakten zij goede sier. De kaarsen zullen zij bij hun avondommegang hebben gebrand. Uit andere stadstarieven blijkt dat door ons hele land in de 15e en 16e eeuw een kinderbisschop werd gekozen; de geestelijke en de stedelijke overheid schonken dan geld, kleren, schoenen of lekkers. Als alle kinderommegangen ontaardde ook deze in bedelarij, zodat in de 17e eeuw het bedelen met mijter en kromstaf werd verboden, waarbij ook de hekel aan ‘roomse superstitiën’ een rol speelde.

Andere bijzonderheden van onze oudste Sint-Nikolaasviering in kerkelijk verband brengen de rekeningen van kerkmeesters van de Sint-Nikolaaskerk te Utrecht, die van 1427 af aanwezig zijn. Hierin komt van de aanvang af geregeld een post voor van drie of vier paar kleine kinderschoentjes met enig geld erin, die op 6 december om Godswille aan de armen werden geschonken. De kinderschoen met de daarin verborgen verrassing is te verklaren uit de bekende legende, dat Sint-Nikolaas aan drie zusters, die voor hun vader uit armoede de brede weg van de prostitutie zouden zijn opgestuurd, elk ’s nachts een bruidsschat in de schoen wierp, waardoor zij behouden bleven.

Hoe is Sint-Nikolaas zelf de brenger van de geschenken geworden?

Het feit dat de heilige ook van kloosterscholen de patroon was geworden, verklaart dit. Sint-Nikolaas beloonde de braven en vlijtigen, bestrafte de onoppassenden; zijn feestdag bood de gewenste gelegenheid tot een kleine dramatische voorstelling, bij de middeleeuwers zo geliefd. Dan zal een van de leraren of kloosterlingen zich hebben verkleed als Sint-Nikolaas, die de kinderen ondervroeg, lekkers uitdeelde aan de naarstigen, maar de luiaards tuchtigde met zijn roede, het onmisbare instrument bij de middeleeuwse opvoeding. Aldus treedt Sint-Nikolaas omstreeks 1200 op in een kloosterschool van Normandië, uitstralingspunt van dit gebruik, dat zich van de 13e tot de 15e eeuw over heel Noord-West- en Midden-Europa verbreidde. Want wat is de verschijning van Sint-Nikolaas in het huisgezin, het ketengerammel dat zijn komst aankondigt, zijn indrukwekkend voorkomen, zijn ondervragen en geschenken uitdelen, wat is dit alles anders dan een kleine dramatische vertoning, in het kader van een opbouwende pedagogie?

Nog groter trefkracht kreeg dit Sint-Nikolaasspel door het optreden van Zwarte Piet.
Zwarte Piet, Pieterman, Pietje Pek zijn volksbenamingen van de duivel. De ganse Middeleeuwen door was de in ketenen geboeide duivel een geliefde voorstelling. Aldus ontstond het volksgeloof, dat de heilige Nicolaas op zijn feestdag de duivel in de ketenen sloeg en geboeid met zich meevoerde. Dan moest de zwarte duivel (zwart van het roet van de hel) hem dienen, de geschenken doen glijden langs de wanden van de wijde schoorsteen, die de geestenwereld met die van de stervelingen verbond, en de stoute kinderen dreigen met de roe. Tenslotte is aan deze duivel nog een gans gevolg van boze geesten toegevoegd. Dit kan zijn gebeurd onder invloed van het geloof aan ‘de wilde jacht’, bij wijze van contaminatie. In de wolken die bij het spookachtig gedruis der najaarsstormen langs de hemel joegen, zag men een nachtelijk heir van wilde lagers met huilende honden: de vervloekte zielen die eeuwig moeten dolen. Hun aanvoerder was ‘Wode’, de woedende, een andere benaming van de duivel, hier als in dienst van Sint-Nikolaas straffer der bozen. Van belang lijkt ook het rondtrekken van als demonen toegetakelde personen in de donkere dagen van de winterwende – gestalten als de ‘Perchten’ in het Alpengebied. De middeleeuwers hielden van dramatisering en luidruchtige optochten: ook Sint-Nikolaas kreeg zijn gevolg van vermomde, geraasmakende schrikgestalten. In die woeste drom ging de heilige welhaast verloren, ja, Sint-Nikolaas zelf werd tot een duivelsgestalte en zijn naam op de duivel overgedragen. In Duitsland heet de duivel Niklo en Nickel, in Engeland Nick en Old Nick, in Vlaanderen werd Sint-Niklaai tot ‘Klaai den duivele’.

Van deze luidruchtige Nikolaasommegangen zijn in Europa talrijke overblijfselen bewaard gebleven over een gebied dat zich uitstrekt van Brittannië in het noordwesten tot aan de zuidoostelijke uitlopers van de Alpen. Friesland dat het langst aan het christendom heeft weerstand geboden en waarschijnlijk hierdoor zoveel heidense gebruiken, o.a. bij begrafenissen, heeft bewaard, vertoont van deze omgangen nog talrijke sporen.

In de Friese dorpen Bergum, Garijp en Oudega komt het ‘Sinte Klazejeijen’ (jeijen = jagen) in zoverre met onze viering overeen, dat Sinterklaas en Zwarte Piet er samen rondtrekken, maar verschilt daarvan, doordat men er wel vijfentwintig van deze paren ziet lopen, niet alleen op de avond van 5 december, maar in de gehele daaraan voorafgaande week. Als de schemer valt, trekken zij rond en vragen aan de deuren of zij mogen binnenkomen. Binnengelaten strooit ‘Kaije’ (Klaas) pepernoten en krijgt daarvoor een kleine beloning. Hij draagt een wit hemd of laken en een witte broek en heeft een masker voor. Pieter is geheel in het zwart en draagt een zwart masker, hij sleept aan zijn been een rammelende ketting of blinkende schel en torst een zak en een roe.

Ook in Drenthe hield de oudere jeugd zich vroeger bezig met ‘Sinterklaaslopen’. Verkleed en met een ‘kabulsekop’ (mombakkes) voor, ging men de huizen langs, zodat de kleine kinderen erg bang werden. Toen het feest ontaardde, stak de overheid er een stokje voor.

In Groningen was het al niet anders: de Sint-Niklazen waren daar jongens van een jaar of twaalf, die op Sint-Niklaasavond langs de huizen liepen, om een paar centen of wat lekkers. Vaak waren zij in het wit en zij hadden stro in de klompen en zij droegen een vlassen baard. Van een krant maakten zij een steek, die de mijter moest verbeelden. En zij rammelden met een ketting aan het been, om de kleine kinderen te verschrikken.

Het sterkst afwijkende Sinterklaasvieringen treft men nog altijd aan op de Waddeneilanden, op Texel, Terschelling, Schiermonnikoog. en vooral op Ameland.

Op Texel viert 4 december de gezamenlijke dorpsjeugd ‘Sunderklaas’ door verkleed en gemaskerd, zingend door de dorpen te trekken. De ouderen doen hetzelfde op 12 december, ‘oude Sunderklaas’, en maken in alle huizen hun opwachting. Op Terschelling is het rondgaan van de ‘Sunderums’ tot het Oosteind van het eiland beperkt. Van Hee en Oosterend af komen de als ‘Sunderums’ verklede mannen, soms ook wel eens een vrouw, naar Midsland. Zij hebben zich kostuums gemaakt van alles wat het eiland aan bruikbare naturaliën oplevert: heide en duinhelm, stro, schelpen en kippenveren. Onderweg leggen zij bij familie en kennissen bezoeken af, waarbij zij hun stem zo verdraaien, dat men hen niet herkent. Op Schiermonnikoog draven op de avonden vlak voor december jong en oud van beide geslachten, gemaskerd en wonderlijk toegetakeld, met wild rumoer deur in, deur uit, en laten zich zwijgend in het lamplicht bekijken. Het feest heet hier ‘Klozem’, een verbastering van Klaas-oom.

Het best is deze uitbundige Sint-Nikolaasviering bewaard gebleven op Ameland, vooral in Hollum, al gaat zij ook daar meer moderne carnavaleske vormen aannemen. Op 4 december treden de jongens van twaalf tot achttien jaar als ‘de kleine Sinterklazen’ op, op 5 december de mannen boven de achttien als de grote. Beide avonden worden precies eender gevierd. Voor geboren en getogen Amelanders zijn dit de heerlijkste avonden van het hele jaar.

Reeds weken tevoren oefenen allen zich in het toeteren op eeuwenoude buffelhorens en maken zij in alle geheimzinnigheid hun sinterklaaspak gereed. Op de avond van 5 december sluipen tegen de schemering de mannen uit de huizen, gehuld in beddenlakens en gewapend met buffelhorens en knuppels. Dit zijn de ‘baanvegers’, die onder vervaarlijk hoorngeloei meisjes en vrouwen en de jongens onder de achttien jaar het huis injagen. Zijn de straten leeg, dan gaan de baanvegers zich verkleden ‘in het pak’, bij voorkeur als vrouw: witte lappen met gaten voor neus, mond en ogen dienen hun tot masker. Spreken doen zij uitsluitend door buffelhoorns of toeters, die, evenals hun knuppels, geheel met papieren knipsels en bloemen zijn versierd. Aldus verschijnen om zeven uur de eerste Sinterklazen op straat, waar dan alle vaders en moeders met hun kinderen lopen; het feest speelt zich hoofdzakelijk op straat af. Doch ook enkele huizen laten ‘goed in’, d.i. die laten de Sinterklazen binnen; daar brandt dan als teken een licht in de gang, terwijl de andere huizen donker blijven. Hier mogen ook de meisjes, als zij de straat vrij zien, even binnenlopen om ,de mannen van alle kanten te bekijken, maar zij moeten dan ook voor hen dansen als dezen met hun stok voor de meisjes op de grond slaan; de onwilligen worden met de knuppel gevoelig op de tenen getikt. In de herbergen dansen de mannen samen, het kenmerk van een zeer oude feestviering.

Zeer plechtig zijn de Sinterklazen als zij elkander ontmoeten; zij blazen op hun horen en drukken elkander langdurig de hand. Steeds worden zij aangesproken met ‘ome’. Het mooiste succes voor hen is niet herkend te worden. Dan demaskeren zij niet en blijven tot laat in de nacht rondlopen. In Hollum doet men nog geen enkele concessie. Daar eindigt het feest zoals het begonnen is: met het verdwijnen van de niet herkende omes, aldus Hans Bakker in Ameland, van Hollum tot de Hon (Haren 1970).

Amelander Sinterklaasverschijningen. Naar een gekleurde tekening van Jkvr. J. van Eysinga, 1927. Uit: De Vrije Fries, XXIX (1929).

Dergelijke Sint-Nikolaasommegangen werden niet alleen in Friesland gehouden. Amsterdam kende nog in de 19e eeuw ‘de zwarte klazen’ met rammelende kettingen aan het been, die op ramen en deuren bonsden en bulderden: ‘Zijn der ook kwaje kijers?’ Nog niet lang geleden liepen te Tholen de jongens in de Sint-Nikolaastijd met mombakkesen voor. Ook in Vlaanderen kent men dergelijke restvormen; Renaat van der Linden, in zijn fraaie Ikonografie van Sint-Nikolaas in Vlaanderen (1972), signaleert ze voor het Maasdal, waar in oude plunjes geklede Sinterklazen de kleine kinderen bedreigen. Zij hebben een grote stok bij zich om jonge meisjes af te tuigen en dragen ook een mand, gevuld met noten en appelen. Zij kondigen zich aan op luidruchtige wijze, schreeuwend met luider stemme, met rammelende ketens aan de benen en rinkelend met hun bellen.

Doch afgezien van deze schrikgestalten is Sinterklaas thans een en al goedheid en vriendelijkheid, een lieve grootvader met witte baard, voor wie geen kind bang meer is. Ook Zwarte Piet heeft zich een plaats in de kinderharten veroverd; hij torst, als trouwe dienaar, de zware zak met geschenken en lekkers.

J.P. Heije, schrijver van Piet Hein, schreef ook een van onze meest bekende Sinterklaasliederen, op muziek van J. J. Viotta, evenals hijzelf arts van professie. Zijn Kinderliederen verschenen in1844 en 1845 en werden in 1861 tot één bundel verenigd. De tekening is van André Vlaanderen.

Deze benodigdheden kocht men eertijds op de Sint-Nikolaasmarkt, waar bakkers en kramers hun tenten opsloegen. Te Amsterdam werd deze gehouden op de Dam, zo dicht mogelijk aan de kant van de Oude Zijde met de Oude- of Sint-Nikolaas-kerk, onder bescherming van de heilige. Als zichtbaar teken hiervan werd zijn beeld in het begin van de 17e eeuw aangebracht op een gevelsteen in de zijmuur van het hoekhuis van Dam en Damrak. Hierop was de legende afgebeeld dat Sint-Nikolaas drie kinderen, door een boze slager gedood en in stukken gehakt, uit de tobbe in het leven terugroept.

Gevelsteen van het vroegere huis ‘ De Bisschop’ op de hoek van Dam en Damrak te Amsterdam

Na afbraak van dit hoekhuis, De Bisschop geheten, is de gevelsteen bij de herbouw van 1934 opnieuw aangebracht boven de ingang van het tegenwoordige bijkantoor van de Incassobank, Dam 2A.
Tussen de Vismarkt, die werd gehouden op de overwelfde sluis, waardoor het water van Damrak en Rokin gemeenschap hield, en de Waag, toenmalig middelpunt van de Dam, stond de dubbele rij van koekkramen. Daarlangs golfde de stroom van poorters en poorteressen, die er hun korfjes vulden met Sinter Claescoeck, amandelbroot, honinctaert en massepeyn’; langs de huizen stonden de kruiwagens opgesteld, waar de kleine man de ‘slickerdemickjes’ voor zijn kroost kocht. In de tweede helft van de 17e eeuw hield de toeloop van kijkers en kopers aan tot middernacht, zodat ‘Myn Heeren van den Gerechte’ wegens de daaruit voortspruitende ‘disordren, confusiën en ongeregeldheden’ gelastten, dat de markt met het luiden van de poortklok moest eindigen. Doch dit verbod haalde weinig uit: de Sint-Nikolaasmarkt heeft te Amsterdam standgehouden tot 1836, toen zij plaats moest maken voor een houten hulpbeurs op de Dam.

Taaipop van Sinterklaas, rijdend over de daken

Nog wordt op een enkele plaats van ons land Sinterklaasmarkt gehouden, o.a. te
Ommen, op de dinsdag die het dichtst is gelegen bij 5 december. Dan verkoopt men een speciaal sinterklaasgebak, de ‘zute plassies’.
Evenmin slaagde de overheid met de verbodsbepalingen die zij, op aansporing van de calvinistische predikanten, tegen het Sint-Nikolaasgebak als ‘.Pauselyke superstitie’ uitvaardigde. Want zoals het toen heette, ‘dat gebruik van der Pausgezinden kinderen was veel te genoeglyk om daarvan geen navolgers te blijven’, zodat de bakkers rustig zijn doorgegaan met het bakken van poppen, wellicht speculaas (speculatio = weerspiegeling) genoemd, omdat zij van spiegelbeeldige vormen worden gebakken. Zij stoelen mogelijk op het oude gebruik dat de heidense Germanen hun goden in brood afbeeldden en deze broodvormen offerden. Ook de diervormen van de speculaas, de paarden, koeien en varkens, gaan kennelijk terug op oude offers, waarbij het schijnoffer van brood het bloedige dieroffer had vervangen. Toen de eerste geloofsverkondigers in onze streken dit volksgebruik niet konden uitroeien, gaven zij er een kerkelijke betekenis aan: het heidense offerbrood werd het gebak van de christelijke feestdagen.

Met hoeveel zorg werd dit bereid! Men bakte de speculaas door het deeg te drukken op planken, waarin de voorstelling in negatieve vorm was uitgesneden. De afdrukken, de zogenaamde prenten, werden op een plaat de oven ingeschoven. Hij uitbreiding van betekenis is de benaming prent overgedragen op de planken waarmee men ze maakte, en die een volkskunst bij uitnemendheid zijn geworden.

Wie waren de makers van deze prenten? Het waren de bakkersgezellen zelf, die zich hiermee op de lange winteravonden bezighielden; het waren prentsnijders die met hun waar de bakkers afreisden en ook wel bij hen ‘uit snijden’ gingen. Naast onbeholpen werk hebben zij vaak voortreffelijke proeven van houtsnijkunst geleverd. Hun namen zijn niet tot ons gekomen. Soms treffen wij op een plank een paar initialen aan, doch waarschijnlijk merkte de bakker daarmee zijn bezit, want men placht elkanders planken te lenen om wat meer verscheidenheid van afbeeldingen te hebben.
Waarschijnlijk is deze houtsnijkunst in het begin van de 17e eeuw opgekomen. Onze meeste prenten dagtekenen uit de 18e, maar vertonen nog vaak vormen van de 17e: raakte een plank versleten, dan nam men de voorstelling op nieuw hout over. Welk een rijkdom van onderwerpen! Hoe genoeglijk voor een kind een koekafbeelding te krijgen van Sinterklaas die over de daken rijdt. Hoeveel nieuwe verschijnselen die de aandacht vroegen werden op de prenten vastgelegd: de omnibus, de eerste stoomboot, de luchtballon en de fiets. Onze grote mannen, Rembrandt volgens zijn standbeeld, Vondel in lange jas en jabot van de 18e eeuw, Laurens Coster bij de viering van zijn eeuwfeest, zijn daar afgebeeld: het volk kent alleen de allergrootsten.

Speculaasprent met luchtballon. (Museum De Lakenhal, Leiden)
Taaitaaipop van Vondel in I8e-eeuws gewaad

Ook heel onze Bijbelse geschiedenis is er te vinden: Adam en Eva onder de appelboom, koning David spelende op de harp, de Jakobsladder, de Heilige Geboorte, de Aanbidding der koningen en de Kruisiging tussen de twee moordenaars. Dezelfde prent beeldt bovendien een deftig bruidspaar af, dat een kolossale trouwring vasthoudt.

Speculaasprent met Jakobsladder
Speculaasprent met bruidspaar en kruisiging. (Museum De Lakenhal, Leiden)

Al onze handwerkslieden en ambachtslui zijn op de prenten vertegenwoordigd: de vruchtenplukker met ladder, mandje en zak; de nachtwacht met zijn ratel; de slager naast het varken op de ladder. De huisvrouw zit aan het spinnenwiel; de boerin staat te karnen, het melkmeisje met haar juk komt vrolijk aanlopen. Heel ons volk, zoals het reilt en zeilt, is daar te zien. Zij rijden in bak- en arrensleden, op een boerenkar, in sjezen en speelwagens of kijken deftig uit het portier van een galakoets. Schepen, molens, huizen en kerken treffen wij op de planken aan naast voorwerpen uit het dagelijkse leven: de ouderwetse tenen wieg met het mooi gewerkte spreitje, de vuurmand, de rijk gebeeldhouwde kinderstoel, het ABC-bord.

Galakoets van taaitaai

De pronkstukken van elke bakker waren de vrijers en vrijsters, wier uiterlijk met de tijd wisselde. Nog worden deze gebakken met de ridderlijke emblemen: de edelman met de hond, de edelvrouw met de valk. De patriottentijd beeldde prins Willem V (met oranjesjerp en keeshond) als vrijer af, Wilhelmina (met goudsbloem) als vrijster.
Welk een grote plaats de speculaas in hartvorm besloeg, toont een plaatje van een koekwinkel uit de 18e eeuw. Geen wonder, want het geschenk van zulk een hart van een jonge man aan een meisje stond gelijk met een huwelijksaanzoek; aan de Zaan werden deze harten tot voor kort nog veel gebakken.

Zaanse speculaas in hartvorm

Zaans is ook het vruchtenmandje dat men in de Zaanstreek ook aantreft als versiering van het bovenlicht van de voordeur.

Zaans taaitaaigebak

Honderd jaar geleden was de speculaas nog in zijn glorietijd en behoorde het koek vergulden, het ‘plakken’, tot de traditionele wintergenoegens van de Truitjes en Toosjes der burgerkringen, zoals Hildebrand in zijn Camera Obscura verhaalt. Welk een rilling voer hem door de leden, toen er een grote majestueuze ‘dagbroer’ voor zijn eigene onbijgestane verantwoording werd gelegd.

Dagbroer van speculaas

Doch voor tachtig jaren bracht de invoering van Engelse biscuits de bakkers op het denkbeeld het speculaasdeeg met metalen walsen in te drukken en af te snijden. Dit trof samen met de veranderde smaak van het publiek, dat boven de gekruide, vrij harde speculaas het broze botergebak verkoos. Doch dit verliest zijn vorm bij het bakken, de mooie oude prenten hadden nu geen reden van bestaan meer.
De meeste zijn toen in de bakkersoven verstookt. Doch een aantal is in onze musea en oudheidkamers ondergebracht, waar zij nu, in een tijd van nostalgie, een algemene belangstelling ondervinden.

Haagse Sinterklaasprent uit het eind van de 18e eeuw

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeldSint- Nicolaas       jaartafels

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Vastenavond (en carnaval)

.
Niet omdat ‘Vastenavond’ een jaarfeest op de vrijescholen zou zijn, volgt er hier een artikel over, maar deze speelt of speelde in onze recente geschiedenis in sommige streken een (grote) rol.
Als het ‘nog leeft’ en je school staat in zo’n streek of je woont er zelf, is het goed om bekend te zijn met de wortels ervan, de oude gebruiken, e.d.
Tevens wordt er nog veel vermeld over carnaval.

.

vastenavond
.

Bernard van Dam vertelt in zijn Oud-Brabants dorpsleven (1972):
‘Voor ons, plattelandskinderen, was er wel een groot verschil tussen de begrippen Vastenavond en carnaval. Terwijl dit laatste woord op ons dorpke in heel slechte reuk stond en ten gevolge daarvan bijna nooit gebruikt werd, oefende het woord Vastenavond reeds vroeg een grote aantrekkingskracht uit. De carnavalswind die vanaf Den Bosch over onze dorpkes kwam gewaaid, zette onze verbeelding wel in werking, maar niet in die zin, dat men behoefte gevoelde de Bosschenaars in hun uitgaan en maskerades na te doen. En als ik dan nog naga dat het vooruitzicht op ‘spekstruif eten’ wel iets aanlokkelijks had, maar toch niet in staat was ons wild en enthousiast te maken, dan blijft er maar één ding over dat een verklaring kan geven van het waarom Vastenavond zo’n aantrekkingskracht op onze jeugdige verbeeldingskracht kon uitoefenen. En dat éne ding was de rommelpot!’ 
“Al deze oude gebruiken zijn zo goed als verdwenen De hoogconjunctuur heeft op ons platteland de Vastenavond verdreven en er carnaval voor in de plaats gebracht.’

Maar er zijn toch ook nu nog kleine dorpen, waar de face-to-face gemeenschap een wezenlijke viering mogelijk maakt. Zo in het Limburgse Steijl onder Tegelen. Men houdt er, zij het niet elk jaar, eenketelgericht’ op Vastenavond. Wie er al zo in de ketel gestopt zijn? Een agent, die een jongen bekeurde, omdat hij zich in verliefde staat op het gras bevond. Een vrouw, die haar man ’s avonds uit de kroeg haalde, waartoe men een jochie als vrouw aankleedde, die ‘Op tied thoes, op tied thoes’ moest roepen. Een voorzitter van een voetbalclub, die graag hogerop wilde en voor de jongens stond te goochelen met vreemde woorden die zij niet snapten. Ziehier een middeleeuws aandoende strafoefening, een ‘volksgericht’, voortlevend als volksvermaak.

Boxmeer houdt elke vastenavondtijd op maandagochtend vóór tien uur een ‘geplogenheid’ in ere, waarbij alles zich afspeelt om het carnavalssymbool bij uitstek: de worst, een pracht exemplaar van zeven ellen lang. Zoals de krab en de zilveren puit (kikvors) prins Nilles I van Krabbegat (Bergen op Zoom) versiert, zo vormt de worst- in zilver geslagen – het palladium van de Boxmeerse worstenkoning, waartoe de winnaar van de unieke metworstrit naar hoeve ‘ De Bruigom’, in het Vortumse veld, wordt verheven. Een jaar lang is hij vrijgesteld van contributie, maar hij moet, volgens artikel 14 van het regiement, de gewonnen worst en de ton bier voor de leden bestemmen.

In het holst van de nacht wordt het feest ingeblazen door gemaskerde lieden, die op koehoorns een luguber getoet voortbrengen: een Boxmeerse pendant van het op koehoorns blazen der Terschellinger en Amelander Sunderklazen. Officieel wordt dit inblazen om halfzeven herhaald door een tweetal als boerse herauten uitgedoste trompetters. Alsof dit kabaal nog niet voldoende is, toetert de bakker uit alle macht op zijn bakkershoorn, daarmee verkondigend dat bij hem ‘de warme mikjes’ bij honderden op de mogenlijke kopers liggen te wachten. Oude Helmondse en Eindhovense bakkers herinneren zich het ‘ werreme wei bloaze’, in Vlaanderen waardeerde de burgerij op Vastenavond het ‘hete-brood-trompen’, in Groenlo toeterden de bakkers daartoe op koehoorns en tot het in werking treden van de nieuwe bakkerswet werden ook de Zaandamse ‘luilakbollen’ onder hoorngeschal verkocht.

Een lang aangehouden bazuinstoot roept de schare naar het Sint-Rochusplein met het beeld van het Heilig Hart. Van alle kanten rijden daarheen de zogenaamde ‘Metworstelaars’ — ongehuwde jongelieden in witte pantalon, blauwe Brabantse kiel, rode zakdoekdas, een slappe vilthoed en met op hun schouders de zwierige rode en witte linten.
Stapvoets vooraan rijdt de standaarddrager rond, die hoog de standaard heft, welke de burgerij in 1890 bij de herdenking van het 150-jarig bestaan aan de vereniging ten geschenke heeft gegeven. Ook de koning van het vorig jaar komt aangereden, gevolgd door zijn beide adjudanten. Op zijn borst draagt hij het  zwart-fluwelen schild met de zilveren metworst en een drietal medailles. ‘In de blauwe schemering van de druilochtend’ -aldus Van der Ven – ‘was het een fantastisch schouwspel, waarin aan de voet van het Christus-Koningbeeld als symbool der kerkelijke religie de dragers der oude volksreligie bijeenkwamen in hun tot vastenavondvermaak gedegradeerde activiteit van oorspronkelijke vruchtbaarheidsruiters.’ Merkwaardig is het feit dat de molenaar van het dorp er destijds op stond, dat de rijders in hun wilde ren door de akkers op ongezadelde paarden langs de molen kwamen om er sterke drank te nuttigen. Op zo’n manier immers verkreeg hij deel aan de zegen, die de jongelingschap met haar rituele paardenrit hoopte op te roepen.
Toen in 1923 de winnaar omhangen zou worden met het zilveren metworstversiersel, tilde men hem eerst op een bierton, waarna men de nieuwe majesteit het metworstlied toezong op de melodie van het Wilhelmus. Terwijl de korting, omhangen met de metworst en met in zijn armen de varkenskop en de beide broden, de hulde in ontvangst nam, constateerde Van der Ven, hoe bij de inzet van het lied hoeden, petten, mutsen en carnavalsbaretten afgingen in een mogelijk nog vaag besef, dat hier iets plechtigs geschiedde:

Vivat de Metworstkonmg op de bierton!
Jan Strube in Het carnavalsboek van Nederland van D. J. van der Ven
.

De overwinningsbuit wordt daarna geladen op de ‘worstenwagen’. Op deze hoogwielige kar bevindt zich in een smoezelig clownspakje een opgeschoten jongen, die gelaat en handen met een gebrande kurk zwart heeft gemaakt. De schilderingen van de zijborden en het achterkrat hebben betrekking op de gebeurtenis uit het voorjaar van 1740, die aanleiding zou hebben gegeven tot het ontstaan van de metworstvereniging en het ‘metworstrennen’. De redding van freule Aleida van Asselt, die met haar koets verongelukt was, door een zevental Boxmeerse jongelingen, moet het jaarlijkse metworstrijden ten gevolge hebben gehad. De freule gaf:

. . . en handvest dat nadien
Op perkament getekend
Mit zeegel en consent voorzien
Vur eeuwen hin berekend . . .

Dit handvest heeft niemand ooit gezien: het moet met het authentieke reglement verloren zijn geraakt. Men mag aannemen dat er nooit zo’n stichtingsoorkonde heeft bestaan, ja zelfs dat er wellicht nooit een freule Aleida met een reiskoets in de Vortumse beek is gevallen. Het volk heeft klaarblijkelijk een historische verklaring toegevoegd aan een overoud vruchtbaarheidsfeest waarin de vrouw, naar internationaal gebruik, de centrale plaats inneemt. Niettemin deelt H. C. A. Grolman mee: ‘Dit servituut is te vinden in de koopacte van de tegenwoordige boerderij en in kopie in het vroegere schepenhoek in het archief te ’s-Hertogenbosch’ (Nederlandsche Volksgebruiken De Kalenderfeesten, blz. 143, Zutphen 1931). Nader onderzoek toonde aan dat ook in Sambeek een soortgelijk servituut op een hoeve lag, terwijl eveneens in Koudewater bij ’s-Hertogenbosch een dergelijk gebruik voorkomt – maar dan opgenomen in een Sint-Anthoniusviering. Men lette op de veelzeggende hoevenaam ‘De Bruigom’ en op het feit dat frieule Aleida, een verkleed manspersoon, bij de Boxmeerse vastenavondviering een hoofdrol vervult. Ook de worst, als fallisch symbool, brengt ons in de sfeer van een vruchtbaarheidsritus.

Bij de beschrijving van het tweede voorbeeld zijn wij tegelijk al bij een veronderstelling over de oorsprong van veel van deze feestelijkheden aangeland: de voor een boerengemeenschap zo beslissende vruchtbaarheid van veld, vee en volk. Bijna alles in het Boxmeerse ritueel wijst in die richting, al zullen de huidige dragers van deze bijna heilige tradities zich deze herkomst niet meer bewust zijn.
Een verwant geval, nog directer, vindt men in Viert vroolijk feest! door Lys Byrdal, voor Nederland bewerkt door R. Lottgering-Hillebrand. Op blz. 115 leest men daar hoe de Deense huisvrouw in het midden van de tafel een klein ‘vastenavondtonnetje’ zet, van binnen met rood crêpepapier gevoerd en van buiten bont geschilderd. In dit tonnetje wordt de ‘vastenavondroede’ geplaatst, nagebootst door kale takken die keurig zijn verguld. Een nadere verklaring van deze man-vrouwsymboliek lijkt overbodig.
Ook de ‘Pritsche’ en de ‘Streckschere’ (de ‘happechar’ van de ‘haguettes’ van het carnaval van Malmédy), de serpentines, de confetti en de Zuidfranse kalkbolletjes kan men met meer of minder recht tot de erotiek rekenen, evenals de carnavalsbegroeting met de lange neus, die een ‘erectio’ kan verbeelden (‘Men groet in Brabant met de duim aan de neus, in Limburg met de rechterhand links van het hoofd’).
Treffend lijkt het feit dat een wat oudere vrouw uit het Salzburgerland de zweep-zwaaiende ‘Percht’ (een stokpaardruiter) afweerde met ‘Bitte, nein, dieses Jahr nicht’.
In een zo verafgelegen gebied als de Kaukasus, vooral bij de Swanen, treedt de erotiek nog onverbloemder aan de dag dan in het gepolitoerde West- en Midden-Europa. Daar trekken ongetrouwde jongeren een man zijn hemd en broek uit, zodat diens geslachtsdelen zichtbaar worden. Een ander pakt deze naaktfiguur aan de rugzijde bij de hand, een derde pakt de tweede, enzovoort, totdat zij samen een keten vormen. De voorste houdt zijn lid in de hand, die er achter komen stoten en roepen. De naakte slaat met een roede de onachtzamen, die niet goed vasthouden. Men vertelt, dat de kinderen in december, negen maanden na dit feest, worden geboren. Ook in het Belgische Tienen en Merchtem wordt daarop gezinspeeld:

Toe, boerinneke,
Koopt een kinneke
Tegen vastelavond;

Toe, boerinneke,
Koopt een kinneke
Tegen carnaval!

Zien wij, hoe in de Middeleeuwen carnaval of liever Vastenavond gevierd werd dan wordt ons dit aspect van de vruchtbaarheid, van het herleven van de natuur – bezwerend opgeroepen in de dorre ledige wintertijd – nog duidelijker. Leerzaam is bijvoorbeeld een boekje van prof. dr. Fritz Brüggemann over het zogenaamde ‘Schembartlaufen’, het met maskers lopen in Neurenberg (1936). Door een gelukkige bestiering is ons een groot aantal fraaie kleurenprenten van ooggetuigen bewaard gebleven, uit de periode 1449-1539. Men ziet er een Schembartlaufer’ bij uit 1451 in het zomerse wit, met een klokkenketen breeduit om de hals en met een visbennetje op de heup. Dergelijke zegevierende gedaanten in het wit zijn de bestrijders van ruige, donkere winterdemonen. De laatsten zijn dermate schrikwekkend, dat men begrijpen kan hoe een jong meisje uit Leipzig anno 1449 zo’n angstaanjagend mombakkes van pure ontsteltenis dood stak en daarna door de rechter vrijgesproken moest worden: zij had gehandeld uit noodweer.
Een meisje van ons eigen Texel werd stom en sprakeloos van schrik, door de vermomming van haar vrijer (Texels Volksleven van Dirk Dekker). Alleen voor de kerk en het kerkhof hield de overmoed stand. Dat had blijkens tal van verhalen zijn goede reden.
Eens vluchtten enkele kinderen voor een gemaskerde in de kerk. Hij echter volgde hen in het Godshuis en heeft zijn leven lang het masker niet meer van zijn gezicht kunnen krijgen. Ook het kerkhof mocht een gemaskerde nimmer betreden, op straffe van plotselinge verandering in stof en as. In dit verband past dat Augustinus het maskeren een sacrament des duivels achtte en dat paus Gelasius in 492 het rondlopen in dierenhuiden verbood, zijnde een heidens gebruik.

Een hoogtepunt vormde in Neurenberg en elders – en thans ook weer in Heerlen, Nijmegen en Bergen op Zoom – het optrekken van een wriemelend narrenschip vol zotte gedrochten en van onderen omkleed, vreemd genoeg, met blauwe golven en voortbewogen op karrenwielen. Een geheimzinnige vertoning, die op de een of andere wijze omgebogen naar het kluchtige — verband kan houden met Oudgermaanse voorstellingen, waarbij dr. D. Th. Enklaar in zijn Varende Luyden (1947) nog voegt de betekenis van het schip als christelijk zinnebeeld.

Het narrenschip ‘De Hel’ in de optocht van het ‘Schembartlaufen’ te Neurenberg (1506).
.

In wezen waren het ernstige, godsdienstige voorstellingen, reeds te vinden op oerhistorische Zweedse rotstekeningen (o.a. schepen met bomen) en beschreven in Tacitus’ Germania. Tacitus vertelt van de godin Nerthus, Moeder Aarde, rondgevoerd op een heilige wagen door koeien getrokken en afkomstig (denk aan de blauwe golven van het Neurenbergse narrenschip!) van een woudrijk eiland in de Oceaan. Tacitus deelt mede hoe alle plaatsen die de Nerthuswagen bezocht, vrolijk feest vierden. ‘Dan begint men geen oorlogen en neemt men geen wapens ter hand; alles wat van staal is, bevindt zich achter slot; dan kent men slechts vrede en rust totdat dezelfde priester de godin, als zij verzadigd is van het verkeer onder de mensen, naar het heilig woud terugbrengt. Tacitus schildert een Germaanse geloofshandeling uit het begin van onze jaartelling.
Tussen Tacitus en Neurenberg in vindt men de singuliere vermelding van een soort van ‘blauwe schuit’, die van Kornelimunster bij Aken westwaarts is getrokken. In 1133 dwong men de wevers, ter bespotting, op zo’n narrenschip plaats te nemen en het voort te trekken. In Maastricht zette men een mast op de wagen en een zeil. Toen ging het, onder uitgelaten vreugdebetoon, langs Tongeren en Borgloon naar Sint-Truiden. In het graafschap Leuven moest de dolle stoet omkeren. In de Latijnse kroniek van abt Rudolf van Sint-Truiden heet dit schip, nogal eigenaardig, ‘terrae navis’ = aarde-schip.
Volgens drs. P. L. M. Tummers echter, in zijn Carnaval en Carrus navalis (Neerlands Volksleven, XXI, blz. 20-27) is dit unieke, voor één bepaald jaar genoemde ‘aardeschip’ niet in verband te brengen met carnaval en het een of ander heidens ritueel – toch zullen er, volgens ons, in spotvorm wel degelijk oude voorstellingen in voortleven, die zowel met het bericht van Tacitus als met de latere ‘blauwe schuiten’ van doen hebben. Drs. Tummers blijft er nuchter bij: men kwam op de schuit, omdat er voor het ’weven een ‘schuitje’ nodig is. Het komt ons voor, dat alleen de associatie met een oud cultuselement de deining rondom het gebeuren afdoende mag verklaren. De reactie van het publiek geeft te denken en doet een terugkeer naar een vruchtbaarheidsritus vermoeden: ‘Terwijl het daglicht afnam en de maan reeds opkwam, sprongen scharen vrouwen te voorschijn uit hun straten, met loshangende haren, sommigen halfnaakt, anderen slechts gehuld in een eenvoudig bovenkleed en zij voegden zich bij hen die reidansen rondom het schip uitvoerden, en zij deden er op schaamteloze wijze aan mee. Gij zoudt hier soms duizend mensen van beiderlei kunne een matrozenzang zien vieren tot middernacht. Soms onderbrak men die dans en dan gaf men zich, onder luid gekrijs, aan orgieën over! En dit duurde meer dan twaalf dagen achtereen . .

Eind-middeleeuwse ‘blauwe schuiten’ worden o.a. vermeld voor Bergen op Zoom, Nijmegen en Utrecht. Ook in de antieke wereld vormden dergelijke wagens een gewichtig onderdeel van de eredienst. Zo werd in Attica Dionysos, gezeten in een schip op wielen, naar de tempel gebracht. Ook uit Voor-Azië zijn parallellen vanouds welbekend.

Is dr. D. Th. Enklaar, in zijn baanbrekende Varende Luyden (1947), overtuigd van een samenhang door de eeuwen heen en van een cultische achtergrond van al dergelijke wagens, skeptisch is H. Levelt in Sinte Geertruydtsbronne 1 (1924), in zijn opstel over de ‘Gesellen der Blauwe Scute te Bergen op Zoom’. Het blauw is zijns inziens – als passieve kleur – zinnebeeld van de onnozelheid en de wagen is een navolging van de Rederijkers, ‘die ook op wagens vertooningen gaven’. Men zij dus enigszins op zijn hoede voor deze ‘carrus navalis , die stellig niet het woord ‘carnaval’ (pas in 1673 in het Nederlands gesignaleerd) teweegbracht. Dit komt ongetwijfeld uit het Italiaans, waar de tweede a steevast een e is, zodat het woord geredelijk past bij ‘carnelevare’ (het vlees opheffen), met vereenvoudiging van het tweede deel, mede door de bijgedachte aan ‘natale’ (kerstmis). De zondag vóór de vasten heette, in het Ambrosiaanse Rituaal, ‘Dominica carnelevalis’! Het mag voor zichzelf spreken dat het Woordenboek der Nederlandse taal kolommen over Vastenavond geeft en slechts luttele regels over het woord carnaval!

De blauwe schuit, naar een tekening van Hub. Schuh (1949), geïnspireerd op ‘Die blau Schuyte’ van Hiëronymus Bosch. Uit D. J. van der Ven, Het carnavalsboek van Nederland (1950).

Een overoud voorstadium van het carnaval vindt men heden ten dage op de Waddeneilanden. Maar dan gebeurt het — dat angstaanjagende rondtrekken van gemaskerden voor wie geen vrouw veilig is – in de decembermaand. Een kundig waarnemer van de volksgeest als wijlen prof. dr. G. S. Overdiep te Groningen werd bij herhaling getroffen door de ernstig-rituele stijl van de Amelander Sunderklaasviering die zijns inziens tot een ver en heidens verleden terugreikt. Men zie hiervoor o.a. S. J. van der Molen, De Friesche Kalenderfeesten, blz. 107 en vooral Ameland, eiland der demonen van J. W. F. Werumeus Buning in Elseviers Weekblad van 18 december 1948:

‘Een meisje rende een huis uit. De vreemden sprongen achter haar aan. Zij sloeg een deur achter zich dicht; een tel later rammelden daar de spoken aan het slot, en sloegen er met de stokken op. Het licht in dat huis ging uit. Wat verder repte zich een jongen over de weg. Maar van de andere kant, als uit het niets gekomen, stonden ook daar drie vreemdelingen, en versperden hem het pad; hij was gevangen. Hij stond in een kring van stokken, spoken, en grommende geluiden, en terwijl hij daar stond naderden er van alle kanten meer, uit de duisternis . . . Hij is het ontsnapt, omdat hij voor zijn moeder nog een zakje griesmeel moest gaan kopen, zei hij. Maar hij liep als een haas zo hard, de schrik zat hem nog in het gebeente. … na daglicht geen jongens beneden de manbare leeftijd van achttien jaar en geen vrouwen van welke leeftijd dan ook bij de weg … op straffe van er af geslagen en door de gierput gehaald te worden. En als het dorp dan schoongeveegd is, gunt men de vrouwen een genadig uur: zij mogen gaan eten en zich verzamelen in de huizen waar een lantaren voor de deur hangt, en in de drie herbergen van het dorp. Zij scharen zich daar op lange banken en stoelen, zo tegen de klok van achten, als het werkelijk duister is. • • • te pronk en te prooi- • • voor de oude Sinterklazen. Als hij met de stok op de grond tikt, voor de voeten van een meisje, moet zij dansen of tenminste een pasje maken; als hij de stok hoger houdt, moet zij er over springen . . . Daar is op donkere achterkamers in wekenlang geknip en genaai, met moeizame mannenhanden zilver- en purper- en goud-papier aan reepjes gestikt – want niemand mag weten hoe gij, mijn vriend, er uit zult zien, ik ben een vermomd persoon, ik ken u niet, gij kent mij niet, ik ben een ander, gekleed in een mantel van blauw zilver, beestachtige geluiden brommend door een koehoorn. . . . Een raar wezen van grauwe meelzakken, met dotjes watten op de buik. Een wintergeest.’

Tot zover Werumeus Buning, dichter en journalist. Wij concluderen dat op de eenzame Waddeneilanden een cultuurfase bewaard bleef even oeroud en van een zelfde karakter als wat wij in het eveneens eenzame Zwarte Woud of in de Alpenlanden met hun ‘Perchten’ kunnen aantreffen, die echter al in 1902 tot een soort van opvoering verbleekt waren, waar het Salzburger Volksblatt toe uitnodigde.
Ook op Texel, waar men het viert op 12 december, heet dit feest Ouwe Sinterklaas – omdat het geschiedt in de oude trant, niet volgens de nieuwe mode van de nu algemene Sinterklaasviering met kinderbisschop.

‘Intusschen wordt de St. Nicolaasavond nergens luidruchtiger en ruwer gevierd, dan op het eiland Texel. Op den avond van den 5 December gaat het aan den Buigt, het oude Schild, te Hoorn, te Oosteinde, enz. schouw toe, zoodat men op dien avond op de straten voor beleediging en zelfs voor mishandeling van baldadige gezellen en halfwassen jongens niet veilig is. Zij hollen gemaskerd en dikwerf in een staat van dronkenschap door de dorpen, hebbende naar oud gebruik het regt, om wie ze ontmoeten met meel te bestrooijen; doch daar blijft het niet bij, en menig een wordt met allerlei vuil begleerd en besmeerd, terwijl er ook niet zelden klappen en stooten uitgedeeld worden. Men viert op Texel dit feest – ‘ zoo als ’ t heeten moet’ – op 5 en 6 December, als ook nog eene week later, en zij, die wat op rekening hebben, doen als dan het voorzigtigst en verstandigst, om dien dollen, woesten pret niet bij te wonen en stil in huis te blijven, ten einde niet door een gemaskerden St. Nicolaas te worden aangevallen en beleedigd.’

Aldus M. D. Teenstra, in zijn merkwaardige De kinderwereld, Groningen 1853, die niets moet hebben van woestheid, onverstand en bijgeloof.

Het primitieve van dit gebruik blijkt ook uit het feit dat geen organisatie plaatsheeft: alles geschiedt vanzelf als een onontkoombare traditie, waartegen geen ‘slachtoffer’ zich met fatsoen verzetten kan. Het gaat, in de kille en duistere decembermaand, buiten alle VVV-bemoeiing of toeristische interessen om. Toch is ook in dit treffende gebruik al enigszins de klad gekomen, bijvoorbeeld doordat er wel eens buffelhorens verhandeld zijn aan begerige zomergasten. Een Amelandse missionaris in Afrika zorgde in 1955 voor een nieuwe zending uit het Zwarte Werelddeel, opdat de Sunderklaasviering weer in alle luister zou kunnen plaats hebben. Tenslotte mag nog worden opgemerkt dat de naam ‘Sinterklazen’ er met de haren is bijgesleept, omdat de viering in dezelfde periode plaatshad als het veel later opgekomen feest van Sint-Nikolaas, dat de oude gestalten meer en meer verdrong en er soms wat van overnam.

Soortgelijke gebruiken als op Ameland treft men bijvoorbeeld aan in de buurt van Bergum (Friesland), op Schiermonnikoog, Terschelling, Vlieland en Texel. Op laatstgenoemd eiland dringen de Sinterklazen de huizen binnen om de bewoners op spottende wijze de les te lezen. Deze kritiek, vanwege de gemeenschap, vindt men terug in het carnaval der zuidelijke provincies. Met name in Sittard, waar tot oude totebellen getransformeerde vrouwspersonen rondwaren als fantas-tisch-sarcastische ‘vamps’ en onbeschroomd, met een rinkelende kwinkslag, de waarheid zeggen. Men zie voor dit overoude ‘Weiberrejfiment’ – behalve Van der Vens Carnavals-boek – Carnaval in Limburg (1951). Al in Wolfram von Eschenbachs Parcival (1206) wordt van een vastenavondspel voor vrouwen gesproken. Ook spotredevoeringen vanuit een ton (of vanaf een stokpaard), aan de gang gebracht door het Rijnlandse voorbeeld zijn dermate geliefd dat er wedstrijden voor ‘buuttereedners’ gehouden worden. Alles in het eigen dialect, net als de meer en meer uitdijende carnavalskranten, waarin ook de advertenties in de lokale taal gesteld zijn.

Dit was dan het een en ander over de oeroude, de heidense ondergrond der vastenavondgebruiken. Ondergrond, meer niet. Het valt te begrijpen, dat de rooms-katholieke kerk – die in veel gevallen niet radicaal ingaat tegen vastgewortelde inzettingen – op deze zuiverings- en vruchtbaarheidsorgie, dit contact (via demonische gestalten) met de in de ‘wendetijd’ wederkerende voorouders, haar eigen christelijk stempel heeft gedrukt. Zij laat het vlees zich uitleven, maar op Aswoensdag haalt men zijn kruisje ten einde zich in de Grote Vastenperiode van veertig dagen te bezinnen op het lijden des Heren. Vlees en Geest worden op zo’n manier tot een synthese gebracht, die de mensheid zozeer behoeft, wil zij niet in ijdelheid verloren lopen. Het zich uitleven, van de éne zondag (aanvankelijk het begin van de vasten) uitgebreid naar de erop volgende maandag en dinsdag, gaat aan de onthouding vooraf. Men zou zeggen: dit is de omgekeerde wereld. Normaal lijkt het werk en de soberheid, waarna komt als schone bekroning de welverdiende feestvreugde. Maar is het toch ook weer niet zo, dat een boetvaardig kind zal menen zich heldhaftiger te gedragen, wanneer het, om zichzelf te straffen, na de eerste chocolaadjes de doos opbergt, dan wanneer het nooit chocolaadjes geproefd heeft? Deze huiselijk-psychologische verklaring leest men in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 5 maart 1935.

De protestantse Kerk stond over het algemeen niet zo rekkelijk tegenover wat zij als heidense en paapse ‘superstitiën’ placht te beschouwen. Niet alleen Holland, ook Brabant en Limburg – tot de Franse overheersing Hollandse wingewesten zonder stem in het kapittel – werden op het stuk van de vastenavondviering stevig geringeloord vanwege het stadsbestuur, al dan niet hiertoe aangespoord door de predikanten. Maar ook de rooms-katholieke overheid, geleid door het normbesef van de burgerij stelde zich te weer. Kende Breda in 1849 een ‘carnavalsoproer’, ook in onze eeuw waren daar moeilijkheden rondom het carnaval. Zo meldde de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 10 februari 1939, dat het symbolisch verbranden van een stropop een bespotting geacht werd van de kerkelijke opvattingen omtrent teraardebestelling en lijkverbranding. De Bredase carnavalsvereniging heeft toen medegedeeld, dat de ‘begrafenis’ van het carnaval (= de winter) – een internationaal, overoud gebruik – niet kon plaatsvinden, daar de autoriteiten geen medewerking wilden verlenen. In Sittard kwam het tot relletjes in 1932. De ruiten van de raadsleden, die soms zelf de ‘drie dolle dagen’ in Keulen hadden bijgewoond!, werden ingegooid. Enkelen werden onthaald op een flink pak ‘preugel’, zelfs bond men een veldwachter aan een boom vast en plantte hem de vastenavondmuts op het hoofd. Het gevolg van een en ander was, dat de ‘ aanhauwetesch’ (aanhouders) het volgend jaar Madame Marks (‘rasmerrie met negen veulens’) in de raad verkozen. Met de hoge hoed op het hoofd en de bezem in de hand sprak zij luidkeels, vanuit een dakvenster, de menigte toe en zwoer de ‘Vastenaovend’ tegen deken en burgemeester, tegen bisschop en koningin te zullen verdedigen.

In Den Bosch was het mis in 1919. ‘ Toen stonden de anders zo goedmoedige Oeteldonkers uit de arbeidersklasse als één man geschaard om hun met veel linten getooide banier en zij wisten zelfs van geen wijken, toen de marechaussee charges uit voerde en er bloed vloeide’ (D. J. van der Ven). In 1936 stond de burgervader voor het eerst weer toe, de ‘Prins’ met muziek in te halen.

Ook in het noorden bleef de vastenavondviering zich tot kort voor onze tijd min of meer handhaven, in het bijzonder in de rommelpotliederen van het volk en de kinderen. Kenschetsend is het onder meer dat op de streng calvinistische Zuidhollandse eilanden, met hun ‘zwartekousenkerkjes’, tot vandaag de dag ‘vastelavonden’ gebruikt wordt in de betekenis van ‘een gezellig avondje houden’ (P. Maaskant, Het volk van ‘Vrederijk’).
Op Dikke Dinsdag verteren de katholieken in De Streek (tussen Hoorn en Enkhuizen) de kaartpot. Men verbrandt het oude en beduimelde stel kaarten, en schaft zich in september – de aanvang van het seizoen – weer een gloednieuw ‘duivels-prentenboek’ aan. Dit is precies zo bij de roomsen in Lisse-Hillegom, waar het werk op maandag ook stil ligt. Voor Haarlem wordt – behalve het noten eten – het vastenavondboerenbal in de ‘ Vauxhal’ gemeld, gevierd door de rooms-katholieke boeren uit de omgeving. Maar dit is al evenzeer verleden tijd geworden als het ‘vastenavond krijgen we bollen met botter’ van Keesje, het diakenhuismannetje uit de Camera Obscura van Nicolaas Beets (1839).

Ziehier hoe een rommelpotspeler te Leiden in het begin van de 17e eeuw op vastenavond de overheid (in casu schout Willem Bont) aan de kaak stelde:

De schout van Leiden heeft een bult;
Ho, mannen, ho!
Die is met ouwe lappen gevuld;
Ho, mannen, ho!
De schout van Leiden heeft een buik;
Ho, mannen, ho!
Daar komt wel tien pond boter uit;
Ho, mannen, ho!
De schout van Leiden heeft een kop;
Ho, mannen ho!
Daar dansen de luizen met klompen op;
Ho, mannen, ho!

Dit ‘ho, man(nen), ho’ komt in veel vastenavondliedjes voor, tot zelfs in Moortje (1617) van Brederode.

In Gouda nam men al evenmin een blad voor de mond. Daar kwamen kinderen met harlekijnen of geknoopte zakdoeken (die harlekijnen moesten voorstellen) aan de deuren der aanzienlijke ingezetenen leuren. Ze noemden dat ‘zotten’ en ze begeleidden hun zang op ‘rommelpotten’.
Vroeger gingen de kinderen zelf als ‘zotten’ gekleed in oude plunje en plunder. Lied nummer één is zeer algemeen:

Vrou ’t is vastelavont
O man o
’t Duurt nie langer as vanavent
O man o
Zus of zo
Vrou verkoop je beddechie
En slaap op stro
’k Hep so lang met de rommelpot gelope
’k Hep geen geld om brood te kope
Rommelpotterij
Wat hangt er an me zij
Wat hangt er an me schoen
Wat hebbik met die rommelpotterij te doen?

Hier ’n stoel en daar ’n stoel
Op iedere stoel ’n kusse
Vroutje, lich je kinnebak is op
En slaat er de koekepan tusse
Hopsa marianse
De gek sal lere danse

Nummer twee lijkt een zeldzaamheid:

Ik hatter ’n kikkertje aan ’n toutjie,
Dat sprong d’r van tjoek-tjoek langs de kant
De eerste boer die wou me niks geve
De tweede boer die gaf me ’n stik (ook: cent)
Jan Juk Jan Jorussie (ook: Jan Jut)
Jan Pieleman is dood (bis)
Jan Juk Jorussie enz.

Nummer drie tenslotte werpt een schril licht op de sociale wantoestanden in het vorige eeuwse Gouda. Het is een spotternij, oorspronkelijk gezongen door de baanders (baander-knechts) en de garenspinners, en terechtgekomen in de kindermond. De achteruitgang van de Goudse nijverheid was van dien aard, dat een groot deel van de Goudse industriebevolking tot bedelarij verviel en bedeeld moest worden. Goudse bedelaars liepen de provincie af en Gouwenaar werd synoniem met bedelaar. Tot vergroting der ellende hielden de bazen er nog een gedwongen winkelnering op na, die ook zo berucht is geworden in de veengraverijen van Drenthe en Friesland. Eén van hen placht zelfs een deel van het loon in gort te betalen. Vandaar bijnamen als De Gort, Arie Vetje, Aai Gruttegat. Een andere patroon, die steeds een cent van het weekloon afhield ten bate van de spaarpot van zijn zoontje, kreeg de bijnaam ‘’n Cent voor ’t jonchie’.

Ik hep ’r zo lang klein gèren esponne
Al bij Van Gelen in de bèen
Ik hèb ’r gesponne van zes en half ponde
Ik hep se nog op m’n espeltje stèn.

(Refrein als boven)

Ik heb ‘r gesponne al bij Van Gèle
Ik heb ’r gesponne al bij De Gort
Een bossie gesneen en twee zestalfonderd
Vijf verrel te licht en twee streentjes te kort.

(Refrein als boven)

Vastenavond – tijd van speelse fantasieën, van zich uitleven in een ware verbroedering van goedmoedige tot bittere spot op eigen volk en overheid – heeft, ondanks de christelijke stempeling, vanaf het begin van de kerstening de bestrijding ondervonden van het wereldlijk en kerkelijk gezag, waarbij men zich in hoofdzaak beriep op de uitspattingen die ermee gepaard gingen. Daarnaast was er de principiële bestrijding, het meest en het sterkst bij de hervormden.

In zijn bloemrijke Verdediging van Carnaval (1928) merkt de goede katholiek Antijn van Duinkerken echter op, dat men een op zichzelf nuttige en fleurige volksuiting niet mag afschaffen of tegengaan, omdat zekere elementen er misbruik van maken. Deze jeugdige proeve van welsprekendheid werd herdrukt als eerste opstel in Waarom ik zo denk. . . in 1948 bij uitgeverij Het Spectrum verschenen.

Voor het grootste deel mag hier overgenomen worden wat Van Duinkerken in 1954 schreef onder de titel ‘Geen Verdediging Meer!’ in de kleurige Vastenavondkrant van Bergen op Zoom, zijn geboortestad.

‘Voor mij zou Carnaval 1953 op zijn manier een jubileum geweest zijn, want het was precies 25 jaar geleden, dat ik op de Carnavalsdagen zelf, of eigenlijk in hetgeen er van de nachten overbleef, Mijn Verdediging van Carnaval schreef. Toentertijd moest je als nette jongen zo iets niet doen! Carnaval stond in een bijzonder kwade reuk onder mensen, die zich bezighielden met de dingen des geestes. Het heette ruw en gemeen en liederlijk, indien al geen misdrijf.

. . . Met mijn domino nog aan zette ik mij in de nacht van vrijdag op zaterdag aan mijn studeertafel en schreef Het Eeuwig Carnaval . . . Het laatste hoofdstuk, de eigenlijke verdediging van het volksfeest, lag juist gereed, toen ik mijn askruis ging halen. Ik was er dinsdag om 12 uur in de nacht aan begonnen.

Het boekje kreeg een slechte ontvangst en een goeddeels vijandige pers. Heel erg kon ik mij daar niet over verwonderen, want toevallig was er in 1928 met carnaval te ’s-Hertogenbosch een moord gebeurd . . . Uit Maastricht zonden katholieke boekhandelaren de pakken met boekjes, die zij bij de uitgever hadden besteld, ongeopend terug, want de kerkelijke overheid had de verkoop verboden. In Sittard, Roermond en Venlo kocht men het werkje clandestien, want het mocht niet in de etalage liggen. Het Dagblad van Noord-Brabant plaatste het bericht: “Naar wij uit de beste bron vernemen, is de schrijver . . . een jongmens, dat notabene zijn opleiding genoten heeft op de seminaries van het Bisdom Breda . . .”

. . . Tienjaar later toen ik redacteur van De Tijd en doctor van Leuven was, kreeg ik te Amsterdam bezoek van een heel ernstig kijkende dagbladschrijver, die mij een interview kwam afnemen over de vraag: “Als gij Verdediging van Carnaval niet geschreven hadt, zoudt gij het dan nu nog willen doen?” … Ik had er moeite mee, hem duidelijk te maken, dat ik zeker opnieuw Carnaval zou verdedigen, indien dit nodig mocht blijken. Doch er was inmiddels in het Zuiden al heel wat veranderd. Het volksfeest ondervond lang niet zoveel bestrijding meer. Men was begonnen, er gemeenschappelijk stijl aan te geven.

Dit kwam zeker voor een goed deel uit het inzicht voort in het stoffelijk belang van een ordelijke en vrolijke carnavalsviering voor de middenstand . . . Ook de mentaliteit werd ruimer en opener, minder levensschuw, minder zelfgenoegzaam in de onthouding van pret of plezier. Het begrip, dat volksvreugde geen doemwaardig verschijnsel is, drong tot de burgerlijke en kerkelijke overheid door. Overal kwamen wilskrachtige comités van voorbereiding, die degelijk werk leverden en die voeling hielden, waar dit nodig was, met gemeentebestuur en parochiebestuur.

Carnavalskrant Venlo

Het Noorden begon belang te stellen in de gemeenschappelijke feestviering van de Zuidelijke steden. Buitengewoon begaafde dagbladschrijvers als J. W. F. Werumeus Buning, Fred Thomas, Godfried Bomans, Bertus Aafjes, trokken de rivieren over om verslag te gaan maken van het Brabantse en Limburgse Carnaval. Zij begrepen de diepe zin van het feest der dwaasheid.

Ook begrepen zij de betekenis van het stedelijk saamhorigheidsbesef in de plaatsen, waar de middeleeuwse manier van versieren en feestvieren niet werd verdrongen door de overheersing van het individualisme. Hun zuiver gevoel voor de werkelijkheid stond hun toe, te beseffen, hoe nodig het is, dat alle mensen-van een betrekkelijk besloten gemeenschap voor korte tijd hun zorg en krakeel opzij zetten en hoe dicht de zotheid bij de wijsheid komt te liggen, wanneer dit spontaan en hartelijk gebeurt.’

Ondanks de tegenwerking van kerk en overheid en misschien nog meer een het-leven-afdempende burgerlijkheid – in 1888 werd met blijkbare instemming voorspeld, dat het Brusselse carnaval de eeuwwisseling wel niet meer beleven zou (Betsy Perk, Kijkjes in België, blz. 43) – spoelt ‘de bonte storm’ (titel van een Maastrichtse carnavalsroman door M. Kemp) kleuriger, heftiger en levendiger dan ooit door steden en dorpen. Zelfs boven de Moerdijk is hij ruimschoots doorgedrongen. Het heeft er veel van, dat het carnaval – in een tijd van welvaart en veel meer vrije tijd – niet alleen omhoog gekomen is met een herstel der oprechte levensvreugde, maar dat er ook een stuk emancipatie van ons zo lang stiefmoederlijk bedeelde zuiden mee gemoeid is. Het is tevens het zoveelste bewijs -samen met de carrière van de ‘patates frites’ en woorden als Teut’, ‘stilaan’, Taweit’, ‘stampei’ en ‘gezapig’ – van een recente zuidelijke expansie.

Het succes van het huidige carnaval is zelfs zo groot en zo massaal dat steeds meer Limburgers en Brabanders het gewoel ontvluchten in Zeeland, in een bungalow aan zee. Aldus meldt ons de directeur van V.V.V.-Zeeland, die het initiatief tot deze ‘ontvluchting’ heeft genomen: ‘Carnaval in Zeeland’ . . .

.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3395-3193

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Nieuwjaarsfolklore

.
Artikel waarschijnlijk van ca. 1980

.

nieuwjaar
.

Onze heidense voorouders kenden geen bepaalde Nieuwjaarsdag. Zij vierden de overgang van het oude in het nieuwe jaar met een feestperiode van twaalf dagen, de zogenaamde Twaalf Nachten, want de Germanen rekenden bij nachten (vergelijk het Engelse ‘fortnight’ = veertien dagen, twee weken). Na de kerstening plaatste de Kerk aan het begin van de Twaalf Nachten de Kerstdag, aan het einde Driekoningendag; in het midden kwam de Romeinse Nieuwjaarsdag van 1 januari. Al deze drie dagen zijn ‘nieuwjaarsdagen’, met nieuwjaarsgebruiken.

Bij de overgang van elk jaargetijde plachten onze voorouders alle bestaande vuur te doven en nieuw vuur te ontsteken door hout op hout te wrijven; zo ontstond ‘zuiver vuur’, het zogeheten ‘noodvuur’ (waarin ‘nood-’ verwant is met Oudhoogduits ‘nüan’ = stukwrijven). Van dit gebruik komen de Kerst- en Nieuwjaarsvuren, die oudtijds ook op stadsmarkten en stadspleinen brandden. Dit geschiedde op de avond vóór Kerstmis, vóór Nieuwjaar, want ook de Germanen rekenden de avond bij de volgende dag. Daarom vieren wij Sint-Nikolaas op 5 december, ofschoon 6 december diens ‘naamdag’ (sterfdag) is.

Nieuwjaarsvuren komen nog hier en daar voor in Friesland. Op een stuk land brengen de kinderen allerlei brandstof bijeen, reeds dagen tevoren aan de huizen opgehaald. Lijken de kerstvuurtjes te Zwaagwesteinde tot het verleden te behoren, oudejaarsvuren (‘Aldjiersbran’) komen nog voor te Kortezwaag, Langezwaag, Terwispel en Lippenhuizen. In hun naijver trachten de kinderen elkaars vuur ontijdig te doen ontvlammen, net als dat in het oosten des lands wel met de paasvuren gebeurt.

Men geloofde dat de geesten van de afgestorvenen (die nadeel zouden kunnen berokkenen aan de levenden) in de Twaalf Nachten op aarde terugkeerden, en probeerde hen door geraas te verjagen. Zo verklaart zich het lossen van schoten in de nieuwjaarsnacht, het blazen op horens, het ratelen met ratels en het luiden van klokken in de voorafgaande dagen en nachten. Maar ook konden deze geesten, gunstig gestemd, vruchtbaarheid verlenen aan veld, vee en volk. Daarom werden aan hen offers gebracht, die men dan zelf weer nuttigde tijdens overvloedige maaltijden: hoe meer men gaf en hoe meer men at, des te vruchtbaarder jaar zou er volgen. Ook het uitdelen van geschenken zag men in dit licht. Dit gebruik werd in Duitsland en in Engeland verbonden aan de kerstdag, in Frankrijk aan 1 januari en in Italië aan Driekoningendag. In Nederland werd Sint-Nikolaas de brenger van de geschenken – in Vlaanderen zijn dit Sint-Nikolaas en Sint-Maarten beiden. Toch namen wij ook iets van de Romeinse schenkingsdag op 1 januari over, want dan delen wij onze wensen uit – oorspronkelijk geen lege vormen, daar deze geschenken rituele kracht verkregen door het tegengeschenk dat men ervoor ontving. Toen dit besef verdween, ontaardde het in bedelarij. Plakkaten moesten onze voorouders beschermen tegen het afeisen van nieuwjaarsgiften op straat. De wensers bedachten er toen wat anders op: zij gingen almanakken en vervolgens nieuwjaarspreken met berijmde gelukwensen te koop aanbieden en rekenden op een ruime betaling. Porders, straatvegers, lantaarnopstekers, askarremannen, nachtwachts, klokkenluiders, torenwachters, omroepers plachten op die prenten tevens een toepasselijke voorstelling van hun taak te geven. Hieraan danken wij een kostelijke verzameling houtsneden met voormalige stadsgezichten en bedrijven. Ook wel met andere voorstellingen: de nieuwjaarswens van de Zwolse nachtwacht uit 1825 beeldt de aartsengel Michaël, de beschermheilige van Zwolle af, zoals die de draak verslaat.

Nachtwachts Nieuwjaarswens van Zwolle, 1825. 21 x 34 cm.

Op de Nieuwjaars- Heil en Zegenwensch voor het jaar 1913, van de gaslantaarnaanstekers, ziet men de visbank, nog steeds een markant gebouw in Vlaardingen. Onder het vaers staan de namen van achtgaslantaarnaanstekers, toentertijd in functie (Visserijmuseum, Vlaardingen). In 1918 wensen de ‘karrelieden’ van Vlaardingen, drie in getal:

‘Nu Burgers, allen groot en klein,
Houd moedig ’t hoofd naar boven,
Wil met ’t randsoen tevreden zijn,
Dan komt men ’t wel te boven’.

Nieuwjaarswens van de gaslantaarnaanstekers te Vlaardingen, 1913. Visserijmuseum.

Zo spiegelen nieuwjaarswensen de noden en verlangens van de tijd en zijn ze ook uit dien hoofde van belang.

Kinderen schreven op een groot vel papier, met randversiering van gekleurde en ongekleurde tafereeltjes en bloemen, een nieuwjaarsbrief, een berijmde nieuwjaarsbrief voor ouders en familieleden.

Op een nieuwjaarsbrief van 1752, die zich in de rijke verzameling van het Westfries Museum te Hoorn bevindt, stellen deze tafereeltjes de Verkondiging, de Aanbidding der Herders en der Koningen en de Vlucht naar Egypte voor. De meester schreef de brief op het bord voor, nam de hoofdletters voor zijn rekening en zette, als de ruimte het toeliet, er nog sierlijke krullen onder. Op nieuwjaarsdag zag men de kinderen fier met hun opgerolde nieuwjaarsbrief over de straat stappen en de stadswerklieden, keurig aangekleed, hun prenten rondbrengen aan de huizen.

Nieuwjaarsbrief of kransje, 1752. 38 x 48 cm. West-Fries Museum, Hoorn.

Ook schreef men in de 18de en 19de eeuw Paas-, Pinkster- en Kerstbrieven. Deze pennekunst werd wel door drukwerk vervangen. Bovendien placht de gehele burgerij, tegen de overgang van Oud naar Nieuw, een optocht te vormen en met de nachtwacht voorop het nieuwjaarslied te zingen. Tot heden handhaafde zich dit gebruik o.a. te Ootmarsum, waar men zingt:

Komt, burgers, komt nu allen terstond.
Het nieuwe jaar intreden.
Ik wens u op dees vasten grond
Veel heil, geluk en zegen.
Het oudejaar dat is verdween.

Het nieuwe zijn wij weer ingetreên.

Verheugt u, burgers, in uw lot,
Wilt hem, den Here, prijzen.
Knielt neder voor den groten God,
Wilt Hem alle eer bewijzen.
De nachtwacht wenst u met elkaar
Veel heil en zegen in het nieuwe jaar.

Ik wens aan ieder stadgenoot
Veel heil, geluk en zegen.
En ook aan elk zijn dagelijks brood,
Hem van den Heer gegeven.
En dat wens ik, in deze stond,
Elk burger toe, met hart en mond.

Komt, burgers, komt nu allen terstond. Het nieuwe jaar intreden.
Ik wens u op dees vasten grond Veel heil, geluk en zegen.

Het oudejaar dat is verdween. Het nieuwe zijn wij weer ingetreên

Wel verbrandde in 1914 de oude ratel mét het nachtwachthuisje, doch een minnaar van oude folklore uit een naburige plaats zorgde voor een nieuwe. En toen de nachtwacht te Ootmarsum in 1921 werd afgeschaft, is besloten hem toch op Oudejaarsavond zijn zingende ommgegang door de stad te laten houden. Blijkens De Navorscher (1853, blz. 131) was zo’n nachtelijke Oudejaarsommegang ook in Goor gebruikelijk. Ook in Gransbergen is het niet onbekend.

Te Grouw verzamelde zich, tot voor kort, de gehele burgerij tegen middernacht op het plein, waar vuurwerk werd afgestoken, onder het huilen van de stoomfluit. Dan maakte men, met de politie voorop, een rondgang met muziek, voornamelijk van schippershoorns. De staart van de stoet bedreef buiten het oog van de politie allerlei kattenkwaad, haalde bootjes uit het meer, sjouwde die over de weg en smeet ze in de sloot. In heel Friesland trouwens (en elders in de Nederlanden) wordt alles wat op het heem van boerderij, woning of werkplaats onbeheerd aangetroffen wordt, in de Oudejaarsnacht uit elkaar genomen, soms vernield en naar de meest zonderlinge plaatsen overgebracht, tot op de naald van de schuur toe, waar zelfs boerenwagens prijken, alsof zij door de lucht rijden! Men noemt dit gebruik in Friesland ‘(Nijjiers)tögjen’ of ‘slepen’ (de laatste term is algemener, o.a. Gronings).

Van de nieuwjaarszangers, die eertijds, veelal met een draaiende ster, wekenlang overal in stad en land de ronde deden, kende Groningen tot na de Tweede Wereldoorlog er nog één. Van half november tot eind februari liep hij de boerderijen af, op het Hogeland, om er zijn Nijjoarslaid alias Fivelgoër Kerstlaid te zingen. In een bijgewerkte vorm luidt dit lied aldus:

.

Nieuwjaarszanger in Groningen (alleen met een stok). Houtsnede van Nico Bulder in P. Groen, Oude en nieuwe Groninger liederen2, Winschoten 1958.

Wilt horen, waarde huisman schoon,
Wat ik u zal verhalen,
Hoe dat de Heer Zijn eigen Zoon
Voor ons deed nederdalen. (2x)

Te Bethlehem al in een stal,
Daar ligt het Kind in doeken.
Tot redding van ons mensen al-
Och, mochten wij hem zoeken!

Hij daalde uit den Hemel neer,
Werd in een vrouw geboren,
Maar bleef als Kind der heren Heer,
Voor ’t volk door Hem verkoren.

Hij is voor ons een dierbaar pand,
Wij hebben niets te vrezen:
Gezeten aan Gods rechterhand
Wil hij tot borg ons wezen.

Nu wens ik U, zo man als vrouw:
Laat God dit huis bewaren;
Weest Hem getrouw, in vreugd en rouw,
Een lange reeks van jaren!

(huisman = boer)

Wilt ho-ren, waar-de huis-man schoon, wat ik u zal ver-

ha-len, Hoe’dat de Heer zijn ei-gen Zoon Voor ons deed ne-der-da-len.

In een sociale samenhang geplaatst ziet men het Nieuwjaarslied van Tidde Telu in het toneelstuk Rensumaheerd, geschiedenis van ’n Grunneger boerenploats van Tjaard W. R. de Haan (maandblad Groningen, december 1976, blz. 75).

In de meeste landen van Europa zijn het bij uitstek de kinderen, die nieuwjaarswensen rondbrengen: aan wensen van onschuldige kinderen werd oudtijds bijzondere kracht toegekend. In de nadagen van het gebruik waren het vrijwel alleen arme kinderen, die in troepjes op nieuwjaarsdag langs de huizen gingen wensen. In de noordelijke provincies heet dit gelukwensen, met de bedoeling een gift te ontvangen, ‘het Nieuwe-jaar afwinnen’. Dit heeft daar nog een oudere betekenis: het een ander vóór zijn met het uiten van een nieuwjaarswens. In Sittard heette dit ‘verrassen’: de ‘verraste’ moest trakteren. Tot in het begin van de jaren ’60 bestond het gebruik nog in Roermond, met de traktatie van de ‘verraste’. Oorspronkelijk zullen de rondgaande kinderen godsdienstige liederen hebben gezongen. Wie te Tholen luistert naar de jongens die op oudejaarsavond rondtrekken met de rommelpot (een met een varkensblaas overtrokken Keuls potje, waarin zij een stokje op en neer bewegen) voelt zich in de Middeleeuwen verplaatst, als hij schorre stemmen deze rest van een oude ballade hoort zingen:

Zieltje, klein zieltje, stond achter de deur;
Zieltje, klein zieltje, waar treur jij toch veur?

Zou ik er niet treuren? Ik heb er geen lot!
Val neer op je knietjes en bid er aan God,

En bid dan aan God, met een goed fatsoen,
Dan zal Hij de Hemel wel opendoen.

Hij heeft er de hemel al opengedaan:
Daar zag Hij een arme zondaar staan.

Met een houten kist en een strooien band,
Daar varen wij mee naar het Andere Land.

Het Andere Land, daar is ’t beter dan hier:
Daar zingen de Engeltjes tierelier.

Een oud gebruik was het onder het lijk in de kist stro te leggen of het een stroband mee te geven. Al in een lied uit de veertiende eeuw is sprake van ‘een wilghen kiste ende een stroen bant, hiermede word ik sent int ander lant’, aldus dr. G. J. Boekenoogen in De Gids van 1893.

Nieuwjaarsdag. Uit: Vaderlandsche Kindervreugd, Amsterdam, omstreeks 1780.

In Brabant halen de kinderen voor hun korte nieuwjaarsliedjes appelen en noten op. Zoals bij alle ommegangsliedjes vormt het slot een wens voor de gever, blijkens zijn ritmiek van overoude herkomst:

Véél kan hij gévén,
Lang zal hij lévén
Zalig zal hij stérrevén
Den Hémel zal hij érrevén

Krijgen zij niets, dan zingen de kinderen een verwensing:

Boven aan den Hémel,
Daar hangt een zak met zémel;
Iédere zémel kóst een düit,
Háng den gierigen bliksem uit

Een ‘zakje met zemel’ betekende hongersnood! In het noordoosten des lands trakteerde men de kinderen niet alleen op nieuwjaarskoeken, maar ook op ‘mede’ of ‘mee’ ’n hunneg-draankje veur kinder’:

Geluk in ’t Nijjoar:
De katte bie ’t hoar,
De hond bie de starte
‘n Witte en ’n swarte.

In Midden-Limburg binden, of liever bonden, de kinderen zich touwen en riemen om het lijf en rijgen daaraan de krakelingen die zij inzamelen.
In de Gelderse Achterhoek, schreef Catharina van de Graft in 1947, trekt de jeugd rond met bonte slopen om er het nieuwjaarsgebak in te vergaren, evenals in Overijssel, Drenthe en Groningen. Maar dat is nu niet meer zo, meldt ons een kenner van de regio. Zelfs de grote rode zakdoeken worden niet meer gebruikt en nu lopen de kinderen rond met een plastic tas. De opbrengst bestaat uit pinda’s, broodjes, appels en klein snoepgoed, niet alleen uit gebak.
In Groningen zijn de ‘ollewieven’ traditioneel, gebakken van roggemeel, stroop en anijs; elders de tussen ‘kniepiezers’ gebakken ‘kniepertjes’, in Drenthe en Groningen (waar men ze om een houtje oprolt) ‘rollertjes’ genoemd, onze ‘oblies’.

Iedere feestdag heeft zijn bijzonder gebak, Nieuwjaar heeft er verscheidene. De ‘kniepertjes’ zijn een voortzetting van de grote nieuwjaarskoeken, eeuwenlang ook bij de meer gegoede standen, zowel in de stad als op het boerenland, in het uit turf en hout opgebouwde open haardvuur tussen de ronde en langwerpige bladen van de zware knijpijzers gebakken. Sinds deze haarden, waar de vlammen vrij om het ijzer konden heenslaan, meer en meer door kachels werden vervangen, geraakten de grote nieuwjaarsijzers in onbruik en verhuisden naar de zolder of naar museum en oudheidkamer.

In het oosten des lands wordt het oude gebruik nog wel eens tot herleving gebracht. Dan kan men een oud moedertje de grote ouderwetse ijzers zien hanteren in een vuur dat opvlamt uit het gat, gegraven in de lemen bodem van de schuur of liever nog, in verband met het brandgevaar, in een ‘pothok’, een stenen afscheiding in de schuur, waar ook de kookpot stond voor het veevoer. Daarnaast staat de ‘stobbe’, waarop het zware ijzer rust, en ligt de groene struik, waarmee men van tijd tot tijd sprenkelt tot tempering van de hitte.

Langer dan bij ons handhaafde het nieuwjaarskoekenbakken zich even over onze oostgrens, bij de naaste ‘naobers’. Het is daar, van Oost-Friesland tot Munsterland, vanouds een nieuwjaarskoekenluilekkerland, waar in bijna alle hoeven koeken met Nederlandse opschriften werden gebakken (Duitse zijn uitzondering). Het meest verbreide rijmpje dat men daar op de ijzers kan lezen, luidt:

Geen beter lot
Als vrede met God.

Een aardig schouwspel wacht hem, die op de boerderij bij het fantastisch schijnsel van het laaiende houtvuur het ganse gezin met de ‘koekenbak’ bezig vindt. Moeder of dochter lepelt het beslag, dat daags tevoren is aangemaakt, op de helderwit geschuurde tafel. Men snijdt het deeg in repen ter grootte van een saucijzenbroodje en rolt dit uit. Het bakken met de zware ijzers (in Drenthe meestal door de smid tot kleinere vermaakt) is het werk van de man. De baas, de oudste zoon of de eerste knecht, keert en ledigt de beide ijzers, die, sedert de vuurkuil in de keuken niet meer wordt gebruikt, rusten op een muurtje van baksteen, dat om het kookgat van het fornuis is gelegd. Aan de jonge vlaskopjes is de taak toebedeeld om de koek, die bij het loslaten op de tafel valt, met een plankje plat te drukken of om een houtje te rollen.

En hoeveel koeken zijn er niet nodig! De knechts en de meiden, ook de pastoor en de dominee, ontvangen er een honderdtal. Het bakken moet dan ook ‘in één stoomstrieken deur-goan’, zei men in Drenthe. Daarvoor is een voorraad van 1200 tot 1500 koeken nauwelijks toereikend. En de kinderen vragen erom, lopende langs de huizen:

Geluk in ’t Nijjoar,
Is mien koken al kloar?
’n Zeupken d’rbie,
Dat is good veur mie!

Zoveel tijd hebben de boerenvrouwen die van elders afkomstig zijn, waar men dit gebruik niet kent, er niet voor over: zij nemen het elektrisch ijzer en zijn in een paar uur klaar. Wel is dit modern ijzer een waarborg dat men het oude gebruik niet opgeeft, doch het mist het kenmerkende van de nieuwjaarsijzers: de aardige steeds op beide bladen verschillende afbeeldingen en inschriften.

Nieuwjaarskoekenijzer, 90 cm hoog.

Wat ons in de eerste plaats bij de nieuwjaarsijzers treft, is dat zij oude familiestukken zijn, waardig gekeurd de kenmerken van hun bezitters te dragen: diens eigennaam of de beginletters van hem en zijn echtgenote, benevens een jaartal, door de smid in vaak onbeholpen spiegelschrift gegraveerd. Meermalen kunnen wij, als in een oude Bijbel, de voornamen of voorletters van opeenvolgende geslachten op deze ijzers vermeld vinden. Veel ijzers vertellen ons daarbij, door de afbeelding van een hart of van twee verbonden harten, dat zij eenmaal een huwelijksgeschenk waren.

Oostfries Nieuwjaarskoekenijzer, 1737. Middellijn 17 cm.

Bovendien brengen de Nieuwjaarsijzers ons nog dikwijls op de hoogte van de maatschappelijke stand van de eerste eigenaar door de afbeelding van de burcht, de molen, het schip, de ploeg en de bijenkorven. Veelal vertonen zij ook een huismerk, het vaste teken, dat zowel de familie als het huis aanduidde en gewoonlijk bestond uit een eenvoudige figuur, zoals kruis, hanenpoot of zandloper, dat de boer ook aanbracht op zijn huis, zijn vee, zijn huisraad en gereedschap. Het was ditzelfde huismerk, dat als ‘handtekening’ van deze ongeletterden dienst deed en dat als het ware tot ‘familiewapen’ strekte van de mindere man. Zelfs plachten de voorname boeren, de zogenaamde ‘scholteboeren’, huismerk, initialen en jaartal met een schildvormige omlijsting te omringen, waardoor een soort van boerenwapen ontstond. Het koekenijzer toont het ons!

Nieuwjaarskoekenijzer uit 1648 met huismerk, liefdessymbool van de pelikaan, die de jongen voedt met zijn bloed, en de drie donderbezems. Rijksmuseum Twente, Enschede

Het zijn niet uitsluitend boerenwapens die men in deze door de smid geschapen verbeeldingswereld aantreft: ook familiewapens hebben daarin hun vaste plaats. Zelfs vorstelijke wapens treft men op deze ijzers aan. Het Prinsenhof te Delft bezit een nieuwjaarsijzer van de keizerlijke veldheer Maximiliaan van Buren. Waarschijnlijk is dit door zijn dochter Anna mee ten huwelijk gebracht en heeft het in de woning van Prins Willem I dienst gedaan. In de nieuwjaarstijd zal het prinselijk gezin hebben genoten van de knappende koeken, die aan de ene zijde een afbeelding van de Aanbidding der Koningen, ter andere een sierlijk ornament vertoonden. Dit ijzer uit de eerste helft van de 16e eeuw is, zover bekend, het oudste nieuwjaarsijzer, dat in Nederland wordt aangetroffen.

Nieuwjaarsijzer met wapen van Maximiliaan van Buren. Middellijn 13 cm. Prinsenhof, Delft.

In het buitenland kent men nog ijzers uit het begin van de 15e eeuw, de tijd toen het nieuwjaarsijzer uit het hostie-ijzer is ontstaan. Sinds de 10e eeuw bediende de rooms-katholieke kerk zich voor de hostiebereiding van knijpijzers met ronde en langwerpige bladen, van hetzelfde voorkomen als onze nieuwjaarsijzers. De grote hosties bakte men tussen de ronde bladen, elk met een verschillende voorstelling gegraveerd, zodat beide zijden van de hostie steeds een verschillende afbeelding vertoonden. De kleine hosties werden bij enkele tegelijk tussen de rechthoekige bladen bereid. Het ene blad vertoonde dan vier, vijf of zes medaillons met verschillende voorstellingen, het andere bleef onbewerkt of kreeg een eenvoudig ruitjespatroon. Ook het jaartal van ontstaan, de initialen van de graveur en het wapen van de schenker staan op sommige hostie-ijzers gegraveerd.

Het waren de monniken zelf die deze hosties of oblaten (van ‘hostia oblata’ = zoenoffer, misbrood) met de grootste zorg bereidden, totdat omstreeks 1400 de vervaardiging uit de handen van de kloosterlingen in die van de leken overging. Het eerst gebeurde dit in Parijs, waar de oblaatbakkers, de ‘oublieurs’, de hostiën afleverden en wel duizend van deze koeken tegelijk langs de straat rondventten. Waarschijnlijk hebben zij toen het broze gebak verstevigd door het de opgerolde vorm te geven, die voor ons met het uit het Frans overgenomen woord ‘oblie’ is verbonden gebleven.

Doch ook in de Kerk zelf is deze overgang van kerkelijk tot wereldlijk gebruik voorbereid, doordat daar op Witte Donderdag niet-gewijde, maar gezegende hostiën in plaats van gezegend brood aan de armen werden uitgereikt. Dat moeten dus tamelijk grote hostiën zijn geweest, die het voorkomen zullen hebben gehad van de joodse matzes. Uit deze kerkelijke ruime bedeling is blijkbaar het gebruik ontstaan dergelijke koeken in platte en in opgerolde vorm als huiselijk gebak te bereiden. En daar tot 1582 het nieuwe jaar in West-Europa met Pasen begon, kon men deze oblaten als nieuwjaarskoeken bestempelen. De rechthoekige vorm bleef bij deze overwegend.

De ontwikkeling uit deze hostie-ijzers verklaart dat men op het nieuwjaarsijzer de religieuze voorstellingen van het hostie-ijzer terugvindt, zoals de Kruisiging van het Lam Gods. Doch daarbij kwamen nu ook afbeeldingen uit de planten- en dierenwereld, Bijbelse taferelen, vooral die van de Heilige Geboorte en de Aanbidding der Koningen, Bijbelse teksten en godsdienstige verzen, vrome spreuken als ‘Die op God vertrouwt Heeft wel gebouwd’ en ‘Liefde overwint alles

Dat de voorstellingen die de smid in het gloeiende ijzer grifte, vaak gebrekkig uitvielen, maar ook meerdere malen uitingen van echte volkskunst waren, spreekt vanzelf. De namen van die smeden zijn als van de meeste volkskunstenaars bijna altijd onbekend gebleven.

Een belangrijke verzameling Nieuwjaarsijzers treft men aan in het Museum De Waag te Deventer en het Stedelijk Museum te Zutphen. In het Rijksmuseum Twente te Enschede kan men, behalve de ijzers, geprepareerde nieuwjaarskoeken bezichtigen, merendeels afkomstig van over de grens, uit de Graafschap Bentheim.

Koekijzer van de hof Espelo. Met passiewerktuigen en de spreuk: Si Deus pro nobis Quis contra nos? (Als God vóór ons is Wie is er dan tegen ons?).

Een ander Nieuwjaarsgebak, van veel oudere datum en nog op vele plaatsen van ons land in ere, is de duivekater of duivelkater. Hij heeft in ons volksleven een grote rol gespeeld en werd geregeld met Sint-Nikolaas en Nieuwjaar aan dienstboden en kinderen vereerd. Jan Steen heeft hem herhaaldelijk afgebeeld, bijvoorbeeld op zijn schilderij van ‘De bakker Oostwaard’ (Rijksmuseum, Amsterdam), waar hij tegen de muur staat.

In tegenstelling met de nieuwjaarskoeken is de duivekater oorspronkelijk een heidens offerbrood, dat de herinnering bewaart aan een vroeger kattenoffer. Een kater werd levend begraven of in het vuur verbrand om de vruchtbaarheid van de akker te bevorderen. Waarschijnlijk stelde men zich oudtijds de demon der vruchtbaarheid voor in de gedaante van een kater, een duivelkater, aan wie men zijn evenbeeld offerde om zich van zijn hulp te verzekeren. Toen de zeden verzachtten, werd het dierlijke offer vervangen door een nabootsend broodoffer en zal men waarschijnlijk brood in katervorm hebben geofferd. Men denke hierbij aan het Zweedse kerstbrood: Joelbok, nog in de vorm van een bok, en Joelever, soms nog in de vorm van een wild varken. Nog spreekt men in de omgeving van Haarlem van het ‘katerbrood’. In Oost-Friesland noemt men dit brood ‘Duwel’: kater en brood zijn hier blijkbaar synoniem. De duivekater heeft gaandeweg zijn dierlijke gedaante verloren en de vorm overgenomen van het in vele landen gebruikelijke scheenbeengebak, nabootsing van het scheenbeenoffer, dat als deel van het geheel, ‘pars pro toto’ het dierlijk offer verving. De twee knobbels aan de uiteinden stellen het gewricht voor, de rondachtige verdikking in het midden verbeeldt het vlees. Doch de duivekater nam ook andere vormen aan: te Zaandam die van een knipbrood, te Broek-in-Waterland van een ruit, in Groningen van een rond krentenbroodje. Men bakt duivekaters als zware broden en kleine broodjes, met en zonder krenten, met twee of meer knobbels of ‘krullen’ aan de uiteinden. Behalve op de nieuwjaarsdagen (Kerstmis, Nieuwjaar en Driekoningen) worden ze gegeten met Pasen, ook een oude nieuwjaarsdag, omdat eeuwenlang het jaar met Pasen begon; bovendien met Sint-Nikolaas. Het is te betreuren, dat in deze nostalgische tijd duivekaters alom in den lande worden gebakken, buiten de feestelijke data om en tevens in regio’s die deze broodsoort niet kenden.

Duive(l)katers

Dan is er nog gewestelijk nieuwjaarsgebak als Groningse ‘spekkendikken’, Drentse ‘stoeties’ en ‘plassies’, Brabants ‘worstenbrood’, terwijl de oliebollen in gezelschap van appelbeignets of appelflappen, door ons hele land de geliefde traktatie van de oudejaarsavond vormen en ook op Nieuwjaar nog volop aanwezig plegen te zijn.

Zo ziet men dat de nieuwjaarsviering, evenals onze andere ‘seizoenfeesten’, naar de oorsprong beschouwd, een mengeling is van heidendom en christendom. Dit blijkt al dadelijk uit de traditionele gelukwens voor het nieuwe jaar. Bij de Germanen riep men elkaar ‘heil’ toe (als begroeting overgenomen door het Duitse nationaalsocialisme) en de christenen voegden er hun echt-christelijke ‘zegen’ aan toe. Dit ‘zegen komt van het Latijnse ‘signum’, teken, in dit geval ‘teken des kruises . Maar het oude zal zich lang niet altijd onverkort handhaven, omdat de zin ervan verloren is gegaan. Men begint op plechtige wijze en maakt er dan alras een potje van. Door de school herleefde te Tholen het zingend rondlopen van Oud op Nieuw. Maar het is een grap geworden;

Klein Zieltje, klein zieltje
Zat achter de trap;
Klein zieltje, klein zieltje
Die lustte geen pap.
En nou je geen pap lust,
Dan eet je maar brie.
En als je geen brie lust Dan eet je maar nie!

Sic transit antiqua religio. . .

.

Rond om de jaarwisseling: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeldjaarfeesten

.

3373-3172

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – rond de jaarwisseling

.

Dieuwke Hessels

.

Een artikeltje gemaakt over de jaarwisseling.

Dit is wat je erin kunt vinden:

1.Veel Heil en Zegen..
2.Janusdag= Nieuwjaarsdag
3.Weerspreuken
4.12 heilige nachten
5.Nieuwjaar en Epifanie op 6 januari
6.Inspiratie voor Oudejaarsavond en Nieuwjaarsdag
7. liedjes

Eerst beknopt en als je meer wilt weten over een onderwerp, dan is er meer info te vinden verderop in het artikel als er een * bij vermeld is en is vermeld waar de originele tekst te vinden is.

1.Veel Heil en Zegen

De oude uitdrukking ‘veel heil en zegen’ heeft een heel mooie
strekking. Je wenst de ander bij de ingang van een nieuw jaar namelijk
het beste toe. Heil en zegen. Heil, dat betekent heling of herstel voor
zowel fysieke aspecten als spirituele aspecten van de mens.
Zegen is dat het komend jaar een zegen mag rusten bij wat je gaat of
wilt gaan doen.

2.Janusdag = nieuwjaarsdag

*Oorspronkelijk kende de Romeinse kalender maar tien maanden en begon het jaar in maart. De laatste maand van het jaar, december, werd gevolgd door een naamloze winterperiode. Deze twee maanden kregen in de zevende eeuw voor Christus de namen januari en februari. Later werd januari de eerste maand
van het jaar.
De maand januari is genoemd naar Janus, de god van doorgangen, poorten en in- en uitgangen, ook in de tijd. Algemener werd Janus wel gezien als god van alle begin, en van de overgang van oud naar nieuw.
Janus wordt meestal afgebeeld met twee gezichten: een dat naar voren kijkt (naar de toekomst) en een dat naar achteren kijkt (naar het verleden).
De elfde maand van het jaar werd naar hem vernoemd omdat hij als het begin van een nieuwe periode werd beschouwd – het was namelijk de eerste maand na de winterse zonnewende. Dat deze maand uiteindelijk de eerste maand van het jaar werd, heeft ook met die associatie te maken.

3.*Weerspreuken over januari:

Als de louwmaand mistig is, wordt de lentemaand heel fris.
De louwmaand mist, de lentemaand frist.
Op een milde januari volgt vaak een gure lente en hete zomer.
Als nevels in januaar ontstaan, brengt een natte lente aan.

4.*De 12 Heilige Nachten

zijn een eeuwenoude traditie die plaatsvindt tussen Kerstmis en
Driekoningen. Gedurende deze periode wordt geloofd dat de sluier
tussen de fysieke en spirituele wereld dunner is, waardoor er een
speciale gelegenheid ontstaat voor reflectie en spirituele groei. Maar
waar komt deze traditie vandaan, en wat maakt deze nachten zo
bijzonder?
De oorsprong van de 12 Heilige Nachten is gehuld in de nevelen van de
geschiedenis. Deze traditie vindt zijn wortels in oude Europese culturen,
waar de overgang van het oude jaar naar het nieuwe jaar een bijzondere
betekenis had. Het idee dat de periode tussen Kerstmis en Driekoningen gezegend was, kan worden teruggevoerd naar zowel pre-christelijke heidense rituelen als vroege christelijke vieringen. Het is een tijd van overgang, waarbij de grenzen tussen de fysieke en spirituele wereld vervagen.
De 12 Heilige Nachten hebben zich door de eeuwen heen verspreid en
aangepast aan verschillende culturele contexten. Van Scandinavië tot het Middellandse Zeegebied, vinden we variaties op dit thema in diverse tradities. In sommige culturen zijn de nachten verbonden met mythologische gebeurtenissen, terwijl ze in andere juist gekoppeld zijn aan astronomische fenomenen. De manier waarop mensen deze periode markeren, weerspiegelt vaak de unieke waarden en overtuigingen van hun gemeenschap.

5.Nieuwjaar en Epifanie op 6 januari

*De oudejaarsnacht is niet alleen maar een kwestie van een
datum op een uiterlijk vastgestelde kalender. Het is de middelste van de heilige nachten en daarmee eigenlijk het punt van evenwicht in de kersttijd, die duurt van de nacht van de herders tot aan de dag van de koningen. En deze kersttijd is deleerzaamste tijd van het jaar.
Het eigenlijke kerstfeest behoort nog tot het oude jaar. Aan het eind van de kerst komt dan het feest van Epifanie, dat tot het nieuwe jaar behoort. Op zich is het Kerstfeest een terugblik, dat van Epifanie kijkt vooruit.

6.Inspiratie voor Oudejaarsavond en Nieuwjaarsdag

Het is bijna zover; de laatste dag is in zicht van weer een jaar vol ervaringen. Het is tijd om even om te kijken en daarna de grote sprong te durven wagen naar het nieuwe jaar. Op naar
 een nieuw begin!
De laatste dagen van het oude jaar zijn vaak onlosmakelijk
verbonden met het terugkijken en het reflecteren. De een
verbindt zich aan de 12 heilige nachten, anderen kijken de
oudejaarsconference, nieuwsoverzichten of

kijken terug door te luisteren naar de top 2000. Ieder op zijn eigen manier.

Heidens nieuwjaar
Wist je dat oude volkeren die nog dicht verbonden met de
natuur leefden, het nieuwe jaar vierden na het einde van het
oogstjaar, na de winterzonnewende of pas bij het begin van
de lente? De kerk wilde af van al die heidense gebruiken en legde 1 januari vast als nieuwjaarsbegin. Die dag werd bid-en boetedag genoemd als viering vanwege de besnijdenis van Jezus.
Oudejaarsavond werd vernoemd naar Paus Silvester. In Nederland is die naam niet zo bekend meer, maar in Duitsland is dat nog steeds de meest gebruikte naam voor oudejaarsavond.
Maar ondanks de sterke invloed van de kerk zijn er nog steeds vele mooie heidense en oeroude rituelen zichtbaar in de vieringen van tegenwoordig.

2. Weerspreuken

Is Januari te warm, wordt de boer in het voorjaar arm.
Als in januari de vorst niet wil komen, komt hij vast in april.
Januari zonder regen, is de boer zijn zegen.
Geeft januari een sneeuwtapijt, zijn we gauw de winter kwijt.
Knopt januari niet van kou, men zit in de oogstmaand nog in de rouw.
Geeft januari muggenzwermen, dan hoort men in de oogstmaand de boeren kermen.
In de louwmaand mag het vriezen de stenen uit de grond, de boer mag dan niet kniezen maar vindt het heel gezond.
Als januari ons brengt bij strenge vorst, lijden wij des zomers geen honger en dorst.
Sneeuw met donder in januaar, voelt men het ganse jaar.
Januari rouw en hard, is voor het jaar een goede start.
Als januari is te warm, wordt de oogst waarschijnlijk arm.
Geeft januari veel water in het vat, de ganzen eten zich hier vet en zat.
Als het gras groeit in januaar, is het slecht voor het ganse jaar.
Als het in januari dondert over de bouw, komt later grote kou.
Stoot de mol in januaar, kijk van kou niet raar.
Draagt januari een sneeuwwit kleed, de zomer zal zijn heet.
In januari veel verdronken land, is goed voor de ganzen maar slecht voor de boerenstand.
Op een droge koude januaar, volgt veel sneeuw in februari
Januari nat, leeg blijft dan het vat.
Als in januari de muggen zwermen, moogt ge in maart de oren wermen.
Zoals in januari is, zo zal juli zijn.
Heeft januari kou en droge dagen, zo zal in februari de winter u plagen.
De zeven eerste dagen van het jaar, hangt veel af van het ganse jaar.
In januari veel regen, brengt de vruchten weinig zegen.
Wast het gras goed in januaar, voelt men het ganse jaar.
Is januari zacht, dan krijgen lente en zomer veel groeiende kracht.
In januari onweer in buien, komt er kou en sneeuw aan kruien.
Geeft januari sneeuw en vorst, vaak de boer veel granen dorst.
Staat groen en fris in januari het gras, staat dat in de zomer door hitte stil, dat gewas.
Spelen de muggen in januaar, dan raakt de boer in groot gevaar.
Overwinteren ganzen in ons land, dan blijft de strenge winter aan de kant.

3. Wikipedia
Nieuwjaarsdag, januari, Janus

De jaarwisseling, midden tussen Kerstmis en Driekoningen, heeft – zoals ook wordt uitgedrukt in de naam van de maand januari – altijd een Januskop met twee gezichten, waarvan het ene achter- en het andere vooruit kijkt. Wat heeft het jaar dat voorbij is gebracht en wat zal het nieuwe jaar brengen?
Janus (Latijn: Ianus) behoort tot de oudste van de Romeinse goden.
Afbeelding van een munt in het Nordisk familjebok, een encyclopedie.
In de Romeinse mythologie was Janus de god van het begin en het einde, van het openen en het sluiten. De deur (ianua) droeg daarom zijn naam. Daarom draagt ook de maand januari zijn naam en werd hij aangeroepen aan het begin van het zaai- en oogstseizoen, alsmede bij huwelijken en geboortes. Op de eerste dag van januari vermeed men alles wat een kwade betekenis kon hebben voor de toekomst. Bovendien gaf men, om de vriendschappelijke verhouding te bevestigen, elkaar kleine geschenken. In de latere tijden van de republiek aanvaardden ook de consuls hun ambt op de eerste dag van januari.
Als god van poorten werd Janus ook gezien als de god die de hemelpoort opende of sloot. Bij alle offers en gebeden werd hij het eerst, zelfs vóór Jupiter, genoemd, omdat zonder hem de hemelpoort gesloten zou blijven voor gebeden.
Janus werd voornamelijk afgebeeld als een man met twee gezichten (Janus Bifrons) of als een tweeling (Janus Gemini).
Zijn twee gezichten representeerden oorspronkelijk de zon en de maan.
Als god van vruchtbaarheid en leven noemde men hem Janus Consivius; als god die de dag begon, heette hij Janus Matutinus.
De naam van Pater Janus (“vader Janus”) was al in de alleroudste eredienst van Janus een zeer gebruikelijke naam. Men vereerde hem zelfs als Divus Deûm, “de god der goden”.

Tempel van Janus in Autun.

Boog van Janus op het Forum Boarium in Rome

De legende van Janus

Volgens de mythologie kwam Janus uit Thessaloniki in Griekenland, en vestigde hij zich in Latium.
Zijn
kinderen zijn onder andere Tiberinus en Fontus. Hij werd geacht zowel het Romeinse rechtssysteem als geld en agricultuur te hebben ingevoerd.
De legende noemt Janus als stichter van het maatschappelijke leven en van de maatschappij. Hij was het die de mensen verloste uit hun barbaarse toestand en hen bracht tot een ordelijk leven. Het verhaal gaat dat hij geregeerd heeft in de gouden eeuw, en zijn regeerperiode wordt voorgesteld als een tijdperk van geluk
en van volmaakte vrede. De heuvel waarop hij zijn woning had, werd ook in latere tijd naar hem genoemd (Janiculus). Daar had hij Saturnus, toen deze op de vlucht voor Jupiter naar Italië kwam, gastvrij opgenomen. Om Janus hiervoor te straffen maakte Jupiter hem tot een god met twee gezichten.
De naam van zijn vrouw wordt verschillend opgegeven. Soms heet zij Iana, een andere naam voor Diana: de godin van de jacht. De vorm Iana is niets anders dan het vrouwelijk van Janus. Deze moet daarom ook beschouwd worden als een godheid van het licht. Andere bronnen noemen als zijn vrouw de nimf Carna of
de zegen aanbrengende godin Juturna.
Het verhaal gaat dat de dienst van Janus al door de eerste koning, Romulus, was ingevoerd, toen de stad door de hulp van Janus uit groot gevaar was gered. In de oorlog met de Sabijnen drongen dezen de stad binnen door een poort die men ondanks verwoede pogingen niet had kunnen sluiten. Zij werden echter
teruggedrongen door een zwavelbron, die plotseling ontstond. Romulus wijdde die bron en die poort aan Janus, wiens gunst men in deze plotselinge gebeurtenis meende te ontwaren. Zijn eredienst werd geheel geregeld door Numa, die voor hem een tempel bouwde met twee deuren en de maand Januarius naar hem
noemde. De twee deuren van de tempel bleven alleen in vredestijd gesloten, maar zodra er een oorlog uitbrak werden ze geopend. –
De legende gaat dat in koning Numa’s tijd de tempel van Janus 43 jaar lang

gesloten bleef. Na die tijd stond hij bijna altijd open. Alleen tussen de eerste en tweede Punische oorlog kon men hem sluiten en toen pas weer na de Slag bij Actium (31 v.Chr.). Gaius Julius Caesar Octavianus (Augustus) had nog tweemaal het voorrecht de tempel van Janus te sluiten, de laatste keer in het
geboortejaar van Christus[1]. Ook onder Nero werden de deuren van de Janustempel gesloten. Deze tempel werd dus na de regering van koning Numa 5 keren gesloten. Het openen en sluiten van de deuren van de Janustempel geschiedde op plechtige wijze door de consul.

4.https://eindeloosgeluk.nl/
De viering van de 12 Heilige Nachten heeft door de geschiedenis heen verschillende gedaanten aangenomen. Van uitbundige midwinterfeesten tot meer ingetogen spirituele observaties, de manier waarop mensen deze nachten vieren, is geëvolueerd met veranderingen in maatschappijen en religieuze praktijken.
Moderne interpretaties kunnen elementen bevatten van zowel oude rituelen als hedendaagse spirituele praktijken.
In deze sectie gaan we dieper in op hoe de vieringen van de 12 Heilige Nachten zich hebben ontwikkeld en aangepast aan de loop der tijd.

Data en Duur van de 12 Heilige Nachten
De 12 Heilige Nachten vormen een betekenisvolle periode die begint op Kerstmis (25 december) en eindigt op Driekoningen (6 januari). Gedurende deze twaalf nachten worden verschillende spirituele en culturele rituelen uitgevoerd. Het is een tijd waarin mensen zich richten op reflectie, bezinning en het vieren van
overgangen.
De keuze voor de duur van de 12 Heilige Nachten is niet willekeurig, maar is diep geworteld in historische en symbolische betekenissen.
De periode van Kerstmis tot Driekoningen is niet alleen verbonden met
christelijke feestdagen, maar ook met oudere tradities die de zonnewende markeren.
De duur van twaalf nachten heeft vaak astrologische en mythologische betekenis, waarbij elke nacht wordt geassocieerd met specifieke spirituele aspecten.
De symboliek van het getal twaalf komt ook voor in verschillende oude culturen en heeft betrekking op cycli, evenwicht en volledigheid. De keuze voor deze duur geeft de 12 Heilige Nachten een diepere betekenis, waarbij elke nacht een unieke gelegenheid biedt voor contemplatie en spirituele groei.
In de volgende secties duiken we dieper in op de symboliek en activiteiten die aan elke nacht zijn verbonden.

Spirituele Betekenis van Elk van de 12 heilige Nachten
• Kerstnacht (25 december): De start van de 12 Heilige Nachten, waarin de geboorte van Jezus wordt gevierd. Een tijd van hoop en nieuwe beginnen.
• Stefanusnacht (26 december): Gewijd aan de eerste christelijke martelaar, een tijd voor moed en standvastigheid.
• Johannesnacht (27 december): Gericht op de apostel Johannes, symboliseert dit de zoektocht naar innerlijke wijsheid en spiritueel inzicht.
• Onnozele Kinderen (28 december): Herdenking van de kindermoord in Bethlehem, roept op tot compassie en bescherming van onschuld.
• Feest van de Heilige Familie (29 december): Benadrukt het belang van familiebanden en onderlinge steun.
• Oudejaarsnacht (31 december): Een moment van reflectie op het afgelopen jaar en voorbereiding op het nieuwe.
• Besnijdenis van Jezus (1 januari): Symbool van reiniging en toewijding aan een nieuw begin.
• Openbaring van de Heer (6 januari): Afsluiting van de 12 Heilige Nachten, waar de Driekoningen Jezus ontmoeten. Vertegenwoordigt de manifestatie van goddelijk licht.

De 12 Heilige Nachten belichamen de cyclus van het leven, de dood en wedergeboorte, geïnspireerd door zowel christelijke als pre-christelijke tradities. De symboliek weerspiegelt de overgang van duisternis naar licht, zowel fysiek (de winterzonnewende) als spiritueel. De twaalf nachten staan voor de twaalf maanden van het jaar en bieden een kans voor vernieuwing op alle niveaus.
De 12 Heilige Nachten kunnen worden vergeleken met andere jaarlijkse vieringen zoals Diwali, Chanoeka en Ramadan. Hoewel de specifieke gebruiken verschillen, delen deze vieringen een gemeenschappelijke kern van spirituele groei, gemeenschapszin en reflectie. De vergelijking met deze festiviteiten benadrukt de universele menselijke behoefte aan verbinding met het goddelijke en het vieren van het leven in al zijn facetten.

5.https://spiritueleteksten.nl
Wat het nieuwe jaar uiterlijk zal brengen, zouden wij zonder angst en met innerlijke bereidheid tegemoet moeten zien.
Wat het innerlijk te brengen heeft hangt af van onszelf. Zullen wij innerlijke vooruitgang boeken, waardoor de eventuele uiterlijke vooruitgang in evenwicht gehouden wordt en waardoor het doorstane leed tenslotte toch tot een zegen wordt gemaakt?
Je kunt eraan twijfelen of het eigenlijk wel mogelijk is iets te weten van wat het nieuwe jaar zal brengen.
Maar we kunnen heel goed weten wat het brengt als de mensheid zich verder ingraaft in het materialisme  en de laatste verbindingen met de hogere werelden verbreekt.
Voor alles kunnen wij weten wat er over onze hoofden heen gebeurt, want het is al bezig te gebeuren en het wacht op de mogelijkheid zich sterker te ontplooien. Zwarte wolken schuiven zich voor het licht – weerspiegeling van streven van de mensheid, dat geheel en al op de aarde is gericht.
Maar ook de redding brengende gebeurtenissen die zich boven die wolken afspelen zijn te onderkennen.
Het is zeer wel mogelijk omhoog te blikken naar deze sfeer en een profetisch,
apocalyptisch bewustzijn weten te ontwikkelen en daaraan zekerheid te ontlenen aangaande de steeds groter wordende problemen van het leven.
In de dagen van het vroege christendom wilde de apostel Paulus dat van alle vermogens van ziel en geest die de mensen toen hadden, juist de gave van de profetie zo goed mogelijk ontwikkeld zou worden.
Belangrijker dan het spreken in tongen, zelfs belangrijker dan de genezingen vond hij dat in de gemeenten de gave van de voorschouw, de gave van het apocalyptische weten van hetgeen boven onze hoofden gebeurt, ontwikkeld zou worden.
Dit bewustzijn moest ontstoken worden door op te zien naar het licht dat zich voor Damascus aan hem geopenbaard had. Deze vermaning van de apostel geldt nu voor ons misschien in nog sterker mate dan voor de vroegchristelijke gemeenten.

Wij hoeven niet blindelings, met toegesloten ogen de toekomst in te gaan. Wanneer een voornemen voor het nieuwe jaar gerechtvaardigd is, dan is dat toch zeker het geval met het voornemen ons gezamenlijk te sterken in het bewustzijn dat in Christus aanwezig is, dat Hij in zijn komst op de wolken de mensheid op een nieuwe manier is nabijgekomen. Christus die tegenwoordig is, die immer komende is – dat moet juist in het jaar dat nu aanvangt de grondtoon van ons geloven zijn.
Die ommekeer van de achterwaartse naar de toekomstgerichte blik moeten wij innerlijk meemaken. Dan kan de gedachte van Epifanie de beste hulp zijn om een apocalyptische geestesgesteldheid aan te nemen tegenover het jaar dat pas begonnen is.
Kerstmis denkt terug aan de geboorte van de mens Jezus. In de mens Jezus was de kwintessens van de gehele geschiedenis van de mensheid aanwezig – de reden waarom de evangeliën zoveel waarde hechten aan de geslachtsregisters.
Het edelste wat de geschiedenis van de mensheid tot stand kon brengen was mens geworden in Jezus van Nazareth, een mens die de meest innerlijke essentie van alle culturen in zich had vergaard.
En wanneer wij niet alleen naar het kerstverhaal in het evangelie volgens Mattheüs, maar ook naar het derde evangelie kijken, dan komen wij tot de volgende conclusie. Door het kind dat Lucas beschrijft doet ook de kwintessens van de gehele geschiedenis van de hemelen, van al datgene wat in het verleden boven de hoofden van de mensen plaatsgevonden heeft, zijn intrede in de aardse gang van zaken.
Want Lucas beschrijft een wezen dat rechtstreeks uit het paradijs komt, dat het erfgoed uit het paradijs bewaard heeft terwijl de mensheid almaar dieper en dieper moest afdalen naar de aarde toe.
Kerstmis doet ons omzien naar het verleden; het stelt ons heilige menselijke gestalten voor ogen, waarin heel het verleden vermenselijkt en belichaamd werd. Maar zoals Kerstmis betrekking heeft op de geboorte van Jezus, zo heeft Epifanie betrekking op de geboorte van Christus.
Wie de Christus is kunnen wij alleen begrijpen, wanneer wij weten dat in Hem alles toekomst is. Hij is de immer durende toekomst zelf. Hij is het goddelijke wezen in het heelal, wiens wezen het worden als zodanig is, nooit het gewordene, ook al zien wij in de evangeliën Christus in situaties die voor ons tot het verleden
schijnen te behoren.
In ieder tafereel in de evangeliën moeten wij van het Jezus-aspect verder gaan naar het Christus-aspect om daarin de immer-durende toekomst te ontdekken.
Het driekoningenfeest wordt ook Epifanie genoemd, wat ‘lichtverschijning uit de hoge’ betekent. Daarom wordt het feest van Epifanie in veel landen ‘het feest van de verschijning’ genoemd. Alleen al daardoor wordt het duidelijk dat de zesde januari niet alleen maar de dag van de heilige Driekoningen is. Er staan
altijd sterren aan de hemel. Met de ster die de koningen of wijzen volgden, moet daarom wel iets bijzonders aan de hand geweest zijn. Er moet een Epifanie achter schuilgegaan zijn.
De voortdurende Epifanie, dat wil zeggen de steeds toenemende openbaring van het licht dat uit de hoge komt, werd toen in zekere zin voor het eerst zichtbaar. Ook in de christelijke traditie is het immers zo, dat men op de zesde januari zowel de aanbidding door de drie koningen herdacht, als de gebeurtenis die dertig jaar later zou hebben plaatsgevonden: de doop van Jezus in de Jordaan door Johannes de Doper.
Deze tweevoudige inhoud van de zesde januari toont aan dat met ‘Epifanie’ niet alleen een historisch ogenblik wordt bedoeld. Doordat er nog een gebeurtenis in het spel is, die zich dertig jaar later afspeelde, kunnen wij hierin een krachtige voorwaartse beweging ervaren. De spanning tussen beide feestelijke inhouden trekt ons mee in de stroom van de wordende tijd.

6.*Everydaymommyday
Nieuwjaarspot
Wij vinden het met onze familie een fijne traditie om een grote pot in huis te hebben staan waarin we gedurende het jaar kleine briefjes verzamelen
van mooie dingen die we willen onthouden. In de pot komen leuke
gebeurtenissen, kaartjes van museumbezoekjes, visitekaartjes van
restaurants, leuke uitjes, werkjes of uitspraken van de kinderen en mooie
teksten van anderen die ons inspireerden.
Op oudejaarsdag is het een groot feest om onder het genot van lekkere
drankjes en hapjes terug te kijken op de mooie herinneringen van het
afgelopen jaar.
Dit jaar schrijf ik een brief aan mezelf met mijn plannen en mijn wensen
voor het komende jaar. De brief gaat bij de kerstversiering in de doos en
mag pas volgend jaar worden geopend.

Traditionele avond
Onze dag verloopt verder traditioneel. We wandelen in de middag in het bos, genieten van gezellig gezelschap, gourmetten of eten fondue, spelen spelletjes, kijken misschien de oudejaarsconference en kletsen wat af.
Het is leuk om met kinderen de ‘af te tellen tijd’ inzichtelijk te maken.
Een niet milieuvriendelijke keus was tot voor kort bij ons om elk uur een ballon lek te prikken of een sterretje aan te steken. Kinderen zijn vaak gespannen dit soort dagen en om het gezellig te houden helpt het om de tijd inzichtelijk te maken.
Om middernacht proosten we, eten we onze buikjes overvol aan
Berliners, oliebollen, appelflappen en vele andere lekkere hapjes én
steken we een beetje kindervuurwerk af.

Boze geesten verjagen
Dat vuurwerk en de nieuwjaarsvuren het nieuwe jaar inluiden berust

op het geloof dat we daarmee slechte geesten verjagen en het nieuwe
vuur innerlijk ontsteken. Goede geesten stem je goed door voedsel en
alcoholische dranken te offeren en dat daarna zelf op te eten en te
drinken. Wij zijn tegenwoordig vooral goed in dat laatste onderdeel.
Een fijne traditie is om alles wat niet mee het nieuwe jaar in mag op een papiertje te schrijven en in het vuur te gooien.
Een andere mooie traditie die ik in Duitsland heb geleerd is lood gieten. Smelt het lood, giet het goedje in een laag water en uit de ontstane vorm kan je een voorspelling van het komende jaar lezen. Je kan het lood beter nog vervangen door heerlijk ruikende (bijen) kaarsenwas.

Happy New Year
Op nieuwjaarsdag reinigen we ons door een frisse duik in zee te nemen. Met nieuwe moed en helemaal fris en fruitig kunnen we dan met al onze goede voornemens het nieuwe jaar in. Bij gebrek aan een strand om de hoek, laten wij tegenwoordig de badkuip vol lopen met lekker koud water. We staan dan allemaal samen lachend in de badkamer en gaan dan om de beurt in het koude water (de een met de voetjes, de ander helemaal) en vertellen elkaar welke oude lasten we van ons af willen wassen en welk mooi persoonlijk voornemen we meenemen in het nieuwe jaar.
Wij beginnen het nieuwe jaar met een wensenontbijt. Iedereen aan tafel mag vertellen wat zijn of haar wensen zijn voor het nieuwe jaar.

Beste wensen
Vroeger kon je op straat van de schoorsteenveger en de lantaarnaansteker beste wensen voor het nieuwe jaar kopen. Tegenwoordig zien we die gewoonte terug in de nieuwjaarsgeschenken van o.a. werkgevers en geven we de nieuwjaarsgroeten gratis aan ieder die het wil horen. Slechts de postbode krijgt een nieuwjaarsfooi voor de goed bezorgde beste wensen.

En wat betreft die goede voornemens? Heb jij grootse of kleine plannen voor het komende jaar? Mijn voornemens zien er zo uit:

1. Mijn dierbare projecten vleugels geven.
2. Mijn geduldsspier oefenen voor mijn kinderen.
3. Groener leven: minder afval, meer bio, minder dierlijke
producten.
4. Mijn huis gedisciplineerder op orde houden.
5. Extra lief zijn voor anderen.
6. En ja, ook dit jaar neem ik me weer voor echt meer te gaan
sporten .

Wat zijn bij jullie thuis de leukste tradities voor oud en nieuw?
Ik wens je een ‘guten Rutsch’ (in Duitsland glijden ze namelijk het nieuwe jaar in) en een normaal, geweldig,
spetterend, gezond, gelukkig, rustig, avontuurlijk, tevreden en ontspannen ALTIJD!
Op naar 2025!

7. 2 liedjes van vrijeschoolliederen

.

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeldjaarfeesten

.

3372-3171

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Oudjaar – oliebollen

.
Martine Kamsma NRC 30-12-2023

.

oliebollen
.

De oliebol hoort in Nederland bij Oud en Nieuw zoals pepernoten bij Sinterklaas horen. Maar waarom? En is dat altijd zo geweest?

Eerst de afbakening van wat een oliebol of oliekoek nu eigenlijk is.
Karel Knip schreef in NRC al eens dat de oliekoek definitief een oliebol ging heten toen de frituurpan het eind negentiende eeuw overnam van de koekenpan. Culinair historicus Lizet Kruyff begint bij de oliekoek en spreekt van in olie of smout (reuzel of raapzaadolie) gebakken koeken, met een verspreidingsgebied van pakweg Texel tot aan de Marne in Frankrijk. Daar waar grofweg de Lage Landen ophielden, ligt ook de oliebollengrens, of smoutebol, zoals-ie in het Vlaams heet. „Dat zie je nog steeds, tot in Reims staan er oliebollenkramen op straat, daarna houdt het op”, weet Kruyff, die een huis aan de Marne heeft en daar een deel van het jaar woont.

De eerste Nederlandse benamingen voor oliekoek, komen uit de zestiende eeuw, valt op Wikipedia te lezen. De oliekoek uit de Vorstermanbijbel (1528) zou een vertaling zijn uit het Sefardisch, voor een gefrituurde krentenbol die volgens Wiki „een rituele functie” had. De Sefardische joden hadden die oliekoek met krenten tijdens de inquisitie meegenomen van het Iberisch schiereiland.

Dat betekent niet dat hier eerder geen oliekoeken werden gebakken. Waarschijnlijk waren het de Romeinen, zegt Kruyff, die een baksel meenamen naar de Lage Landen dat je als de moeder aller oliebollen kunt zien: de globi. Cato de Oude schreef in de tweede eeuw voor Christus over de deegbolletjes die als streetfood in kramen werden gefrituurd. Kruyff: „Als je in een stad als Rome woonde, kon je niet zomaar een vuurtje stoken, daarom kwamen er straatkraampjes.”
Beignets, churros, donuts en oliebollen zijn allemaal afstammelingen van die Romeinse globi.

In het Dordrechts Museum hangt een schilderij van Albert Cuyp uit 1652 van een vrouw met een aardewerken pot vol oliebollen. Dat straalt iets heel alledaags uit. In die tijd gingen er nog lekker veel specerijen in: kaneel, gember en ‘weynigh nagelen’, volgens het kookboek ‘De verstandige kock of sorghvuldige huyshoudster’. Maar ook dat was niks elitairs. Alle gerechten waren toen veel kruidiger.

Oliebollen waren al kermis-eten, als oud-en-nieuwsnack zijn ze een recenter fenomeen. Kruyff: „Halverwege de negentiende eeuw werd Kerstmis in Duitsland naast een kerkelijk ook een huiselijk feest. Trendsetters waren koningin Victoria en haar Duitse gemaal Albert.”
Nederlanders namen dat over, met alle zoetwaren van dien. „En zoals dat gaat, dan plak je Oud en Nieuw daaraan vast.

Als je om twaalf uur de straat op ging om nieuwjaarswensen uit te wisselen, vroeg je de buren binnen voor een oliebol.
Een ritueel om een voorspoedig nieuwjaar af te dwingen?
Zoals de Sefardische oliebol mogelijk ook een rituele functie had?

Zo ziet Kruyff het toch niet. „Als we iets niet begrijpen, noemen we het al snel een ritueel. Gezellige burgertruttigheid, daar hoort het bij. En zo’n vette hap dempt de alcohol meer dan fantastisch.”

.

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

3370-3169

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kerstmis – Folklore (40)

.

kerstmis

.

Reeds weken tevoren kondigt allerlei lawaai in de lucht, van toeterende horens en luidende klokken, het naderende kerstfeest aan. De boze geesten die in de midwintertijd op aarde rondzwierven, moesten op een afstand worden gehouden.
‘De doden leupen d’r weer’ zei men in 1942 nog in Twente, maar men ging niet zo ver als de Zweedse boeren die spijs en drank voor deze doden neerzetten. Menige kerkklok draagt het opschrift: ‘Daemones fugito’ = ik verjaag de duivelen.
Doch thans worden deze klanken opgevat als een vreugdebetoon over de geboorte van Christus.
Als de Twentse boer uit zijn midwinterhoorn de langgerekte, zwaarmoedige
oe-klanken haalt, voelt hij zich een met de herders van Bethlehem.

Van de eerste adventszondag (vier weken vóór Kerstmis) af tot de octaaf van Driekoningen toe bespeelt hij, vooral ’s avonds na negen uur, zijn instrument, waarbij de put als klankbord dienst doet. Laat een hoorn zijn geschal horen, dan wordt dit weldra van alle kanten door hoornblazers beantwoord. Zelf maakt de Twentse boer zijn hoorn uit twee gebogen stukken hout, die hij uitholt en met twijgen samenkuipt. Deze hoorn, van een tot anderhalve meter lengte, heeft zowel in uiterlijk als in klank veel overeenkomst met een Alpenhoorn, om van de prehistorische ‘lure’ uit Scandinavië niet te spreken. Dit midwinterblazen, voor enkele decennia nog alleen in het oosten van Twente een stervend gebruik, is nu volop aan het herleven, ook in de Gelderse Achterhoek (groepjes in Eibergen en Winterswijk). Men maakt weer nieuwe midwinterhoorns, volgens het oude procedé, en in Twente is er sinds 1953 een actieve ‘Kemissie veur ’t mitteweenterhoornbloazen’, die ook, sinds 1968 ‘junioren concoursen’ organiseert. Er zijn nu al meer dan 200 blazers in Twente! En een ‘midwinterhoorn-maker’ vertoont tegenwoordig zijn kunnen op ‘Oudhollandse folkloremarkten’ van Heeze tot Bredevoort.
.

Kaart van Everhard Jans van het midwinterhoornblazem in Twente
.

Midwinterhoorns

.

Ook kan men in deze streek door de stilte van de kerstnacht de klokken horen beieren (Borne, Denekamp, Markelo). Dan zingen de drie klokken, de kerkklok, de doodsklok en de brandklok, samen hun kerstlied, dat veel ritmisch gevoel van de klokkenluider vereist. Dit kerstlied is helaas op vele plaatsen in woest gelui ontaard, zodat het werd afgeschaft.

Zo ging het ook met het Thomasluiden: het ‘duveljoagen’ in Groningen en ‘plus liede’ (zuiver luiden) in de zuidoosthoek van Friesland. Op sommige oude kerkhoven bij de kerk, ook wel zonder naburige kerk, kan men een zware overkapte stellage van balken en binten zien staan, enkel of dubbel, waarin een of twee klokken hangen. Dit is de klokkenstoel, het klokkenhuis, ouder dan de kerk en buiten kerkelijk verband, eigendom van de oudere dorpsgemeenschap, die er de vrije beschikking over heeft. Van Sint-Thomas (21 december) af tot Nieuwjaar toe plachten de dorpelingen dag en nacht onafgebroken de klokken te luiden. Ploegen van ‘klokstjürders’, opgeschoten jongens en mannen, wisselden elkaar zwijgend af, ieder stond erop ‘zijn beurt af te luiden’. Met ontbloot hoofd werd de kunst beoefend, door de een met meer geluk dan door de ander.

Het is te begrijpen dat dit aanhoudend gelui een plaag was voor de omwonenden. Ook ontaardde de gewijde handeling door drankmisbruik en woeste dansen om de klokkenstoel, want ook de meisjes kwamen erbij. (Het verwante klokluiden in Schildwolde en Siddeburen, in Nieuwjaarsnacht, geschiedt bij de gratie van het ‘kloksmeer’ – opgehaald geld waarvoor jenever gekocht wordt.) Zo werd het duiveljagen verboden, maar het ging toch door. Het eind van het lied was dat de burgemeester de touwen, de klepel en eindelijk de klokken deed wegnemen, ja, ten slotte het klokkenhuis wel deed afbreken. Doch te Oudehorne heeft de burgemeester na het Sint-Thomasoproer van 1892 de klok weer teruggegeven, ‘omdat hier valt te rekenen met een algemeen dorpsgevoelen’. Nog steeds is het Sint-Thomasluiden in gebruik. Er is nu zelfs, sinds 1966, ieder jaar een luidwedstrijd voor de jeugd (met een zilveren klokje als wisselprijs) te Oudehorne, waar men in 1976 langs de autoweg het Sint-Thomasluiden zag aangekondigd. Vreedzame kerstgebruiken treft men elders aan.
In Limburg legde men in de kerstnacht (24 december) haver buiten en gaf die als heilmiddel aan de paarden. Te Beek legde men een snede brood buiten, ‘opdat de Paus te Rome die zal zegenen’; ieder familielid at er op kerstdag een stukje van om die zegen deelachtig te worden. Het laatst kwam dit gebruik rondom Puth voor, en wellicht wordt het nog wel op een enkele boerderij in ere gehouden. Algemeen is in het oosten van ons land het geloof, dat de koeien in de stal klokke twaalf even opstaan en kunnen spreken, dat putwater wordt tot wijn, dat de bijen zingen tot Gods lof, en dat de appelbomen bloeien. Doch wie dit zou willen horen of zien, zou het met de dood bekopen. Ook is er sprake van ‘reizend zoad’, zaad dat door de deelzolder valt, en aangeeft hoe groot volgend jaar de opbrengst is.

In de Twentse en Gelderse Achterhoek is op de heilige avond Derk met de beer, ook Derk met de honden of Beerneke van Galen genoemd, het schrikbeeld. Volgens sommigen zou Derk herinneren aan Diederik’ van Bern (Verona), Theodorik de Grote, koning der Oost-Goten, in de middeleeuwse epiek welbekend, De tweede naam is die van de Munsterse bisschop
(‘ Bommenberend’), die in 1672 zijn hoofd stiet voor Groningen (28 augustus). Op de akkers rijdt hij rond om alles wat buiten rondslingert, te vernielen. Daarom moet alle landbouwgereedschap in de schuur zijn geborgen en alles om het huis in orde zijn. Ja, men zette zelfs de landhekken wijd open, om hem doortocht te verlenen! Ook moet op Midwinteravond (24 december) alle werk waarbij een rad draait, stilstaan. Dan zit men gezellig om de haard; in protestantse gezinnen las de huisvader voor uit de Bijbel en zong men gezamenlijk psalmen of gezangen. Maar dit is grotendeels verleden tijd, evenals de ‘karststobbe’ in de open haard, waaruit na drie dagen een haas springt, die het dan pas te warm wordt.

In de katholieke kerk werd volgens oud gebruik tussen Kerstmis en Driekoningen door de parochianen in de landstaal gezongen. Nog heffen in de Sint-Plechelmuskerk te Oldenzaal alle aanwezigen in de heilige mis van de kerstnacht een dertiende-eeuws kerstlied aan:

Een kindeken zo lovelik
Is ons geboren heude
Van ene jonkvrouw zuiverlik:

God troost ons arme leude.
Was ons dat kindeke niet geboor’n,
Zo waren wie alletemale verloor’n.
Dat heil is onzer allen
Heil, doe zeuten Here Jesu Christ,
Das doe bie mensen geboren bist.
God beheud’ ons veur die helle.

Het is duidelijk dat dit lied terug gaat op de Latijnse hymne ‘Dies est laetitiae’ (Het is een dach van vrolicheit). De Twentse versie leunt aan bij een Duitse vertaling.

Op Kerstavond komt het beste wat keuken en kelder opleveren, ter tafel. Een oud Gelders rijmpje zegt: ‘Kerstmis bakt alle man, Pasen wie kan en Pinksteren wie mèl hef.’
De offermaaltijden van onze heidense voorvaderen zijn geworden tot
‘dikkevretsavond’ met Kerstmis en ‘volbuuksavond’ met Oudejaar. In Miste bij Winterswijk gekscheren de kinderen:

Karsaövendjen, Karsaövendjen,
Dan kriege wij volop:
Mien moder slacht ne pekkelhaering
En ikke krieg den kop!

Op beide avonden hield men, vooral in Friesland en Groningen, verlotingen van wild en gevogelte. Sinds de loterijwet van 1905 deze verbood, wordt er wel om deze prijzen gesjoeld. Zo plechtig als de boeren op 25 december kerstdag vierden, zo vrolijk vierden zij de 26ste Sint-Steffensdag, gewijd aan Sint-Stephanus, de eerste christenmartelaar. Het overoude gebruik in de midwintertijd over de akkers te rijden, om hun vruchtbaarheid in het nieuwe oogstjaar te bevorderen, zal de heilige, wiens feestdag in deze tijd viel, tot patroon van de paarden hebben gemaakt. Sint-Steffen beschermt paarden en koeien tegen ziekte; hooi en haver worden op Sint-Stephanusdag gewijd. Het is ook de dag om verkering aan te knopen:

‘Sunte Steffen,
Mek alles effen’,

zegt men in de Achterhoek. En in De Lemmer kan men vernemen:

Mei Sinte Steffen
Binne de famkes effen
Binne de feintsjes fyn,
En dan geane se togearre de herberch yn.

Het Sint-Steffenrijden was vooral in Drenthe algemeen gebruikelijk. Men reed echter niet meer over de akkers, maar de boerenzoons uit verschillende dorpen kwamen in een centrum samen en reden, in wilde ren en op ongezadelde paarden, de omliggende dorpen af, waar zij bij de herberg, te paard gezeten, een slokje namen. Daarna keerden zij naar hun uitgangspunt terug en bleven er in de herberg nog een poosje praten, soms onder harmonicaspel.
In Overijssel en de Gelderse Achterhoek is dit gebruik vrijwel uitgestorven, al is te Laren (G.) een nieuwe ruitervereniging georganiseerd, die zich ‘de Sint Steffenrijders’ noemt en op 26 december uitrijdt.

In Drenthe trokken kinderen rond met hooi om ‘de koei te steffenen’. Zij gaven daarvan aan elke koe een plukje en zongen:

Hum, koe, hum;
Ik steffen die, koe.
Sinte Steffe is gekomen,
Hard gelopen,
Duur verkopen:
Honderd gulden geldt die koe
En ’n dikke stoetbrug toe.
Die mag ik en die mag elk,
Dan gef de koe ok botter en melk.

Daarvoor gaf de boerin hun een boterham (brug) van wittebrood (stoet), met een beschuit erop, en de nodige appels, peren en noten. Een hele traktatie voor arme kinderen, voor wie al zulk voedsel nog maar kort geleden onbetaalbaar was.
Heel wat volksgebruiken, uit een oude ritus ontstaan, waren in later eeuwen gelegenheden voor bedeling, zodat de ‘rommelpot’ ook wel ‘poverpot’ werd genoemd (gedachtig aan het Franse ‘pauvre’).

Meer en meer is Kerstmis in onze tijd een feest geworden, waarop men geschenken geeft. Tot dit gebruik heeft het Sint-Nikolaasfeest de weg gebaand.

De Hervorming nam aanstoot aan de algemene viering van de feestdag van een katholieke heilige, en evenals aan de duivelsgestalte van zijn begeleider, Zwarte Piet. Door preken, traktaten en vermaningen verkondigde zij dat niet Sint-Nikolaas, maar de gever van alle goeds, Christus, de brenger der geschenken is. Ook in katholieke kringen, die zich ergerden aan de luidruchtige Sint-Nikolaasommegangen, vond deze gedachte ingang. Zo bereidde de milde Sint-Nikolaas de weg tot de kerstgeschenken en werd zijn feestdag als het ware de vooravond van Kerstmis.

Met het Kerstekind als gever kwam de kerstboom op de voorgrond. Omstreeks 1850 drong deze uit Duitsland tot ons door, eerst in de zondagsschool en de kerk, daarna in het huisgezin. Het is van oorsprong een protestants gebruik, dat van de gegoede en ‘liberale’ burgerij in de steden naar het volk is gegaan. Aanvankelijk was er zelfs vrijwat verzet tegen deze Hoogduitse nieuwigheid, zowel van rechtzinnig-hervormde als van volkskundige zijde (Eelco Verwijs en Jan ter Gouw). Nog in 1943 mag dr. Jan de Vries de kerstboom eigenlijk geen ‘volksgebruik’ noemen: eerder wil hij het harde woord ‘modeverschijnsel’ bezigen (Volk van Nederland3,, blz. 15).

Ook in Duitsland is de kerstboom geen oud gebruik: vóór het begin van de 17e eeuw is daar van geen kerstboom blijk of sprake. Het verhaaltje, als zou Maarten Luther, uit liefde tot God, de natuur en zijn kinderen, de kerstboom ‘uitgevonden’ hebben (aldus Marijke van Raephorst, Het hele jaarrond, van Sinterklaas tot Sintermaarten, blz. 48, Rotterdam 1973) is een sentimenteel burgermansverzinsel, dat nergens op berust. Pas in 1605 wordt er te Straatsburg van een dergelijk gebruik melding gemaakt; ‘ Auf Weihnachten richtet man Dannebaum zu Straszburg in den Stuben, daran heneket man Roszen aus vielfarbigen Papier geschnitten, Aepfel, Oblaten, Zischgolt, Zucker’.
Er worden geen lichtjes vermeld.
Bekend is dat Goethe, uit Frankfort afkomstig, in 1765 te Leipzig voor het eerst van zijn leven een kerstboom aanschouwde. Zo kwam het, dat hij de kerstboom zinvol te pas bracht in zijn roman Die Leiden des jungen Werther: de eenzame, overgevoelige Werther vindt zijn dierbare Lotte, moeder en getrouwd met de brave Albert, druk doende met het gereedmaken van speelgoed voor de kerstboom.
In 1807 blijken er kerstbomen te koop op de markt van Leipzig. Snel verspreidt zich het gebruik, vooral in het noorden en midden van Duitsland – sterk in de hand gewerkt door de Duitse volksgeest tijdens Napoleon (die in de dennenboom een vaderlands zinnebeeld ziet) en niet minder door een stad-en-salon ontvliedende romantiek, die voor de pure natuur een innige bewondering koestert. Niettemin, al is de kerstboom in zijn huidige gedaante een grotestadsgebruik, het uitgangspunt – een bescheiden tak – zoeke men bij de boerengemeenschap van eeuwen her.
In Limburg bijvoorbeeld snijdt men de zogenaamde ‘Barbara-takken’: kersen- of berkentwijgen die, in water of vochtige aarde gezet, op Kerstmis bloeien -treffende kerstening van een oorspronkelijke vegetatierite.
Ook in Noorwegen is zo’n gebruik bekend: komt er daar met midwinter volop blad-en-bloesem aan een in het water gezette lijsterbestak, dan betekent dit voor de aanstaande zomer een voorspoedige oogst.
Moet men het bestaan van een reeds Oudgermaanse lichtjesboom afwijzen, toch is het wel zo dat onze recente kerstboom als vegetatiesymbool niet valt te scheiden van de aloude meiboom. Parallel met de verhuiselijking, waarvan hij sinds een eeuw de uitdrukking is, loopt de carrière van Sinterklaas, die meer en meer zijn heidense, al dan niet toegevoegde aspecten verloor en tot een vriendelijke oude baas, een ideale pedagoog, evolueerde, door een schalkse zwarte helper gesecondeerd, die eerder vermakelijk dan angstwekkend is.

Jesaja 60, vers 13 (‘De heerlijkheid Libanons zal tot u komen, de dennenboom, de beuk en de buksboom, om te versieren de plaats mijns heiligdoms’) is voor het ontstaan en de geschiedenis van de kerstboom van generlei belang, ondanks de verwijzing ernaar in het veelverspreide Weihnachtslieder der Trapp-Familie (1957) door Franz Wasner en Agatha Trapp (verg. de musical Sound of Music}. In dit zelfde huisboek wordt de kerstboom gezien als een zinnebeeld van Christus, ‘als Baum des Lebens’. Historisch en theologisch is dit onaanvaardbaar; maar het blijft een feit dat christenen van vandaag deze onbijbelse boommystiek aldus kunnen beleven, volledig te goeder trouw.

In het algemeen hebben katholieken een kerststal onder of bij de boom staan. Vóór Kerstmis ziet men daarin alleen maar Jozef en Maria. In de kerstnacht komt er dan het Kindeke Jezus bij en de herders en de schaapjes. Op Driekoningen (de dag voordat het stalletje weer wordt opgeborgen) verschijnen de drie vorstelijke figuren met hun kamelen. Het is een oud gebruik: al vóór de vermaarde kerstviering van Franciscus van Assisi te Greccio in 1223 waren er kerstkribben bekend. Roermond had al in 1370 en Utrecht in 1489 een kerstkribbe in de kerk. De romantiek heeft de vervaardiging van kerstkribben in sterke mate bevorderd, evenals de sedert 1900 in Duitsland optredende ‘Krippenvereine’. Vooral de orde van de franciscanen, oftewel minderbroeders, in de geest van haar stichter, droeg de kerstkribbe een warm hart toe en heeft er zeer voor geijverd.

Ter afsluiting willen wij de ware woorden van een theoloog gaarne tot de onze maken (dr. J. Nouwens in de Encyclopedie van het Christendom, Katholiek deel, 1956).
‘Sommige kerstgebruiken, als het kindje-wiegen en de kerstkribbe, zijn zuiver christelijk van inspiratie. Andere, als kerstklok en smulpartijen, zijn in hun oorsprong te herleiden tot oeroude heidense praktijken. Verschillende heidense gebruiken werden gekerstend, maar het is niet steeds met nauwkeurigheid uit te maken waar de raakpunten liggen tussen een christelijk gebruik en een vroegere heidense gewoonte. Feitelijk zijn vele kerstgebruiken (versiering met hulst, mistletoe, kerstboom, kerstkrans, licht enz.) in zwang gebleven als iets dat er nu eenmaal bij hoort, zonder dat men zich van de mogelijkheid van een heidense of christelijke interpretatie rekenschap geeft. Zij worden in christelijke milieus in ere gehouden, omdat zij een zekere sfeer met zich brengen. Maar zij worden zelfs met bijzondere zorg gecultiveerd waar het christelijk geloof totaal is verdwenen en waar ook al geen reminiscenties aan oude heidense cultusvormen zijn overgebleven.’

In verband met de verschuiving van Sint-Nikolaas- tot kerstviering is het opmerkelijk, dat men te Koedijk (N-H.) het Sint-Nikolaasfeest ‘de Gouden Engel’ noemt. Men zou kunnen menen dat hiermee de kerstengel werd aangeduid, doch de viering heeft niet met Kerstmis plaats, maar op Oudejaarsavond (voor schoolkinderen op de laatste zondag van het jaar). De gewone verklaring dat in dit eenmaal door meren omringde dorp de vissers niet zouden kunnen thuiskomen op 5 en 6 december en wel met Kerstmis, is weinig aannemelijk. Te Koedijk zelf kan men deze afwijkende viering niet verklaren; daar is een gewone zegswijze ‘op Oudejaarsavond thuis, en met Nieuwjaar weer naar zee’.

Te Grouw vervangt Sint-Pieter, op 21 februari, het Sinterklaasfeest. De ‘Stanfries’ met historische zin, bedroeft zich over het feit, dat dit Grouwster feest meer en meer ‘ versinterklaast’. Sint-Pieter komt nu uit Spanje en hij rijdt op een paard . .

Na Kerstmis spoedt het jaar ten einde. Dan wilde het gebruik dat de ‘dienstbaren’ in de Gelderse en Overijsselse Achterhoek naar het ‘volkshuus’ (ouderhuis) gingen ‘hen koken’, d.i. heen (gaan om nieuwjaars) koeken (te eten). Zij gingen dan ‘met de kromme elleboog’ d.w.z. ‘met geschenken van de boer voor hun ouders; een stoete, een zak koffiebonen en een metworst van een el lengte. Als tegengeschenk brachten zij bij hun terugkomst nieuwjaarskoeken mee. Dit ‘hen koken’ is, nu er geen dienstvolk meer is, geheel verdwenen. Maar het woord is nog niet vergeten: het is de schertsende aanduiding van een paar dagen vakantie met Kerstmis (Winterswijk).

De Oudejaarsavonddienst, eerst in 1816 door de Synode ingesteld. pleegt ook hen te verenigen die niet gewoon zijn de kerk geregeld te bezoeken. Daarna herdenkt men in huiselijke kring het lief en leed van het scheidende jaar, tot buiten de torenklok haar twaalf zware slagen doet weerklinken en de knallende schoten verkondigen dat de kringloop is volbracht en het nieuwe jaar zijn intrede doet.

.

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

3367-3166

.

.

.

,

,

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Van Sint-Maarten tot Maria-Lichtmis

.

Dieuwke Hessels, november 2024

.
Feestend van Sint-Maarten tot Maria-Lichtmis

.

Klein voorwoord van ondergetekende

Hierbij een schrijven over de feesten in de Grote Kersttijd en in die weken zijn er niet alleen christelijke feesten.
Een aantal feesten worden hier benoemd, zowel christelijke als een aantal die hun oorsprong vinden vanuit andere overtuigingen of geloofsrichtingen.
Wat al deze feesten bindt: licht, vreugde, samen herdenken en vieren, zorg dragen voor elkaar en de aarde, schenken en ontvangen. Anders gezegd: Als mens in verbinding staan/komen met aarde, alledag, de ander en in verbondenheid weten/komen met hogere machten, engelen, je beschermengel.

Het is niet de bedoeling alle feesten uitgebreid te benoemen maar juist óm ze te benoemen.
Meer informatie kun je zeker vinden op genoemde sites en ook meerdere artikelen van mijn hand. [1]

Grotendeels komt de tekst van mezelf, soms van sites als:

Waldorf Inspiration – Bewust ouderschap met de antroposofie ,
Welkom – Antroposofie en het Kind,
Het Zonnejaar,
Wereld Feesten Almanak

Waarvoor dank.

Foto’s komen van Pinterest: bijvoorbeeld van de seizoentafels in advent van
Vrijeschool in beeld/advent

Ansichtkaarten zijn voorzien van naam.

Liedjes zijn te vinden op Vrijeschoolliederen
Versjes zijn te vinden bij Tineke’s DoeHoek

In verbinding staan met het grote geheel en je overgeven aan het hogere wat je geleidt.

De Grote Kersttijd
In de grote Kersttijd is er een reeks aan jaarfeesten: lichtfeesten en enige mantelfeesten.
Sint-Maarten – 11 november – 40 dagen voor Kerst
Loi Kratong 15-16 november Thais
1e advent 01 december
Advent – vier zondagen/weken voor Kerst –
Sint-Nicolaas – 5 december pakjesavond
Luciafeest 13 december
Yule/midwinter 21 december
Kerstdagen 25 en 26 december
12 heilige nachten – 24 december- 6 januari
Chanoeka: donderdag 26 december 2024 t/m donderdag 2 januari
Drie Koningen – 6 januari
Lailat-ul-Meraj 27 januari
Chinees nieuwjaar 29 januari
Imbolc 1 februari
Maria-Lichtmis – 2 februari – 40 dagen na Kerst

Van Sint-Maarten naar Maria Lichtmis.
Op 2 februari, 40 dagen na Kerst, vieren wij het jaarfeest Maria Lichtmis. 40 dagen voor Kerst vieren we het Sint-Maartenfeest en ontsteken wij licht in een lampion van een suikerbiet of pompoen, die uit of op de aarde gegroeid is.
Dit lichtje dragen we door de donkere winternacht, gedurende een periode van 80 dagen…

“Hoog aan de hemel de sterrenschijn,
in mijn lantaren een lichtje klein.”

Die periode wordt de Grote Kersttijd genoemd: buiten donkert het meer en meer en binnen steken we lichtjes aan.
De aarde ademt in, natuur trekt zich terug, sapstromen stoppen, de eerste knoppen hebben zich aan boomtakken gevormd en bladeren dwarrelen in herfsttinten naar de aarde om beschutting te geven aan de aarde, kleine dieren, als voedselbron voor de aarde aangezien blad composteert in de winter….
Met Kerst, in de donkerste tijd van het jaar (21 december winterzonnewende, langste nacht en kortste dag), wordt het Jezuskind geboren welke symbool staat voor de geboorte van het licht in ieder mens, het innerlijke licht.
Met Maria-Lichtmis, het laatste lichtfeest, sluiten we de grote Kersttijd af. Het lengen van de dagen gaat steeds sneller, het licht buiten neemt weer toe. Het is tijd om het licht van de kaarsen symbolisch terug te geven aan moeder aarde.
We kunnen het licht missen en brengen het naar de voorzichtig ontluikende natuur.

Hier woont een rijk man,
Die mij heel veel geven kan
Lang zal hij (in mij) leven,
Veel zal hij geven
Zalig zal hij sterven,
De hemel zal hij erven
God zal hem lonen,
Met honderdduizend kronen
Met honderdduizend lichten aan,
Hier komt Sinte Maarten aan.

Sint-Maarten, begin van de grote Kersttijd: het is de tijd dat wij naar binnen trekken. Het is het laatste feest, dat we nog even buiten zijn. Zo is dat ook met het “zelf” van jou en mij. We gaan deze tijd gebruiken om ook bij onszelf naar binnen te gaan. Dat is niet altijd
gemakkelijk, je komt jezelf tegen en je ziet ook je tekortkomingen, verbeterpunten. En dat is de enige manier om aan jezelf te kunnen werken.
Het sprookje “de Sterrendaalders” laat in zijn eenvoud zien hoe je jezelf staande kan houden bij lastige momenten, veel vragende tijden, en je zal verrast en rijk worden ….

Ontvangen en schenken: Wat de ene schenkt ontvangt de ander: beide worden ze blij, warm vanbinnen.

“Er was eens een klein meisje; haar vader en haar moeder waren gestorven, en ze was zo arm dat ze niet eens een kamertje had om in te wonen, en ook geen bedje meer om in te slapen, en eindelijk helemaal niets meer dan de kleren die ze aanhad en een stukje brood in haar hand, dat een medelijdende ziel haar had gegeven. Maar ze was lief en vroom. En omdat ze zo door iedereen verlaten was, trok ze, in vertrouwen op de goede God, de wereld in.
Een arme man kwam haar tegen, en hij zei: “Och, geef me toch wat eten, ik heb zo’n honger.” Ze gaf hem het hele stuk brood en zei: “Ik hoop dat Gods zegen erop rust,” en ze ging weer verder.
Toen kwam een kind en dat huilde en zei: “Ik heb zo’n kou op mijn hoofd, geef me iets om op te zetten.” Toen nam ze haar mutsje af en gaf dat aan het kind.
En toen ze nog een eind gegaan was, kwam er weer een kind aan en dat had geen bloesje aan en het had het zo koud en toen gaf ze het hare weg; en nog verder vroeg iemand om haar rokje, en dat deed ze ook uit en gaf het weg.
Eindelijk kwam ze in een groot bos, en ’t was al donker geworden en toen kwam er nog iemand en vroeg om een hemd en het vrome meisje dacht:
“Het is toch donkere nacht, niemand ziet er iets van, je kunt het hemd best weggeven,” en ze trok haar hemd uit en gaf dat ook weg.
En toen ze zo stond en helemaal niets meer aan had, vielen er opeens sterren uit de hemel, en dat waren niets dan harde blanke daalders, en al had ze net haar hemd weggegeven, toch had ze een nieuw aan, en dat was van het allerfijnste linnen.
Toen raapte ze alle daalders bij elkaar en was rijk voor de rest van haar leven.”

Sint-Lucia van Syracuse vrijdag 13 december.
In de late Middeleeuwen werd ze door haar naam (Lucia=licht) verbonden met de terugkeer van het licht na hetwintersolstitium. Haar naamdag, 13 december, werd vóór de invoering van de Gregoriaanse kalender vaak beschouwd als kortste dag.
Een in het wit gekleed meisje met een kroon van brandende kaarsen, meestal de jongste dochter, gaat als Luciabruid alle kamers af en brengt, vaak geholpen door bruidsmeisjes, alle huisgenoten koffie en lekkernijen in de slaapkamer….
Waar ook de Luciadag gevierd wordt zijn de gebruiken vrijwel altijd te herleiden tot Midwintervieringen.
De optochten van de Luciabruid en haar gevolg zijn te vergelijken met de midwinteromgangen. In de loop der eeuwen zijn verschillende gebruiken rond Holda en Perchta [Keltische godinnen] door Lucia overgenomen.
In vrijescholen is het jongste meisje van klas 3 [groep 5] de Luciabruid. Zij gaat gevolgd door haar medeleerlingen in een rij door alle klassen van de school, al zingend en koekjes van saffraan uitdelend.
Alle leerlingen van die klas zijn in het wit gekleed, sommigen dragen een kaarsje anderen een schaal met sterren-zon-maankoekjes.
Dit vindt plaats in de vroege ochtend, als het nog donker is…

Loi Krathong 15 & 16 november
Loi Krathong is het feest van het licht, gevierd door de Thaise gemeenschap in Nederland. Dit feest wordt op de avond van de volle maan in november gevierd.
Als de maan opkomt, verzamelt iedereen zich bij de rivier, waar de krathong, een bootje of lampion in de vorm van een lotusbloem, in het water wordt gelegd. Hoe langer deze blijft branden en drijven, hoe meer geluk je zult hebben in het komende jaar. De wegdrijvende lichtjes nemen het ongeluk met zich mee.
Vervolgens wordt er een verhaal over één van de vorige levens van de Boeddha verteld: over prins Vessantara, die beroemd was om zijn medeleven en vrijgevigheid.

Dan komt St-Nicolaas, de derde herfstheilige, bij ons aan, in de adventtijd: vier zondagen voor Kerst.

“Donker is de aarde, de bomen zijn nu kaal.
Voor kwaad bewaar’ ons de dapp’re Michaël,
De dapp’re Michaël.

d’Heilige Sint-Maarten, Hij schonk ons offerkracht.
Advent is nu gekomen en heel de wereld wacht,
En heel de wereld wacht.

Nicolaas wil helpen Een beter mens te zijn.
Opdat het Kerstlicht strale in onze harten rein,
In onze harten rein.”

Het sinterklaasfeest is een feest waar veel van te vertellen is en dat bol staat van symbolen:
Het medeleven en medelijden hebben met je medemens.
Elkaar helpen en in liefde naar elkaar kijken is een aspect dat je bij Sinterklaas terugvindt.
Sint die over de daken rijdt is de verbinding tussen hemel en aarde, dat is ook zijn mijter, die immers aan de bovenkant open is.
Sinterklaas komt ieder jaar met de boot uit Spanje. Hij komt van over het water, dat wil zeggen vanuit de andere wereld.
Waarom Spanje? Dat is niet helemaal eenduidig. In het Frans betekent een ‘chateau d’Espagne’ een luchtkasteel en heeft dezelfde gevoelswaarde als
Engel-land: de andere wereld.
Zijn baard is de wijsheid en zijn ouderdom refereert aan de laatste maand van het jaar..
Het grote boek staat vol met zowel goede als minder goede daden van ons mensenkinderen
Hij komt met zijn knecht, die ons nog eens op onze tekortkomingen wijst, zoals wij dat doen met onze surprises.
Dan de geschenken in de schoen, de schoen het symbool van onze levensweg. De schoen die we dragen en waarmee we de wereld in willen gaan.
En zo zijn er nog veel meer symbolen op te noemen.
Sint leert ons blij te zijn met datgene dat je geschonken wordt om dan op jouw beurt te leren een ander iets te schenken. Het is niet alleen maar een kinderfeest, het heeft ons veel meer te zeggen.
Dit feest staat aan het begin van advent: tijd van stilte. De stilte waaraan we ons meer zouden moeten overgeven als voorbereiding op het kerstfeest.
Dag voor dag dichter bij de langste en soms donkerste nacht, geboorte van het Kerstkind en het begin van de 12 heilige nachten. Nachten waarin voorspellende dromen, inzichten kunnen geven: de hemel is nabij…..

Het bij elkaar brengen van Advent en Sinterklaas en Kerst is op het oog wellicht lastig, maar hulpmiddelen als liedjes, prentenboeken, tijd nemen, in rust kunnen gaan, laten weten aan je kind[eren] dat “het goed komt”, en door onderstaand verhaaltje te vertellen wil het bij elkaar brengen van deze feesten echt wel lukken.

“Eens reed Sint-Nicolaas over de wolken van Spanje naar Holland. Daarboven in de hemel ontmoette hij Maria, die het Kerstkind in haar armen droeg. Zij vertelde aan Sint-Nicolaas dat zij het Kind juist weer voor een poosje naar de aarde wilde brengen. Daar mocht het dan weer met de kinderen spelen.
Toen kwamen dadelijk van alle kanten de sterren naderbij en vroegen of ze mee
mochten gaan.
Dat mag, zei Maria, als de Maan jullie de weg wil wijzen want jullie passen niet allemaal onder mijn warme mantel.

Dat hoorde Sint-Nicolaas en hij reed op zijn paard snel naar de maan: Goedenavond Maan! Goedenavond Sint- Nicolaas, zei de Maan. Maan, wil je de sterrenkinderen die met Maria mee naar de aarde willen de weg wijzen? Natuurlijk, zei de Maan, als de Zon dan overdag wil helpen…
Sint-Nicolaas reed naar de Zon. Zon, wilt u Maria helpen om de
sterrenkinderen de weg naar de aarde te wijzen, de Maan helpt in de
nacht, kunt u overdag helpen?.
Wat willen de sterrenkinderen op de aarde doen Sint-Nicolaas? De
sterrenkinderen willen spelen met het Kerstkind en de aardekinderen. Ik
help graag mee, zei de Zon.
Toen kwam de Zon naast Maria staan en de Maan aan de andere kant.
Maria nam vele sterrenkinderen onder haar mantel en de sterrenkinderen zagen de glans van het Kerstkind dat Maria op haar arm droeg. De Zon liet zijn stralen lichten op het pad dat Maria ging…
Sint-Nicolaas reed ondertussen op zijn paard met rasse schreden vooruit over de wolken en kwam als eerste op de aarde aan.
Daar aangekomen vertelde hij aan eenieder die het maar wilde horen dat het Kerstkind weldra op aarde zou komen.
Sint-Nicolaas gaf de kinderen speelgoed zodat zij straks met het Kerstkind konden spelen. Toen Maria met het Kind op aarde aankwam, sprongen vele sterrenkinderen van haar schoot en waren mensenkinderen geworden. Ze speelden samen.
Na een poosje keerde Maria terug naar de Hemel en vele mensenkinderen mochten met haar mee om daar dicht bij de Zon, Maan en Sterren te zijn…”

En dan dit:
“Zachtjes gaan Maria’s voeten langs de lichte sterrenbaan.
Alle sterrenkind’ren groeten, allen willen haar ontmoeten,
Ook de glanzend zilv’ren maan.
En zo stil en zo zacht zweven eng’len bij nacht:
Hoor, zij zingen zo fijn voor het Kindeke klein!”
En dit lied te zingen…..
“Stil nu, stil nu, maak nu geen gerucht.
Stil nu, stil nu, het ruist al door de lucht.
Het wonder komt heel zachtjes aan, ’t kerstkind wil naar binnen gaan.”

1e advent, viering met adventtuintje lopen.

De adventstijd voor kleine kinderen op vrijescholen begint met het lopen van de
adventsspiraal.
Dat is een spiraal van dennengroen, of zilverzand, met in het midden een grote
kaars. Al zachtjes zingend of onder begeleiding van muziek, lopen de kinderen om de beurt de spiraal naar binnen. Zijn ze helemaal naar binnen gekeerd en
aangekomen bij de kern, dan steken zij daar hun eigen lichtje aan. Op de terugweg (met de klok mee) mogen de kinderen hun kaarsje een plekje geven in de spiraal.
Door het groeiende aantal kaarsjes in de spiraal, groeit het licht.
De weg naar binnen is de weg die ook wij in deze steeds donker wordende en stille tijd van het jaar gaan. Door het groeiende licht in de spiraal en de komst van het goddelijke (of het spirituele) nieuwe licht, kan er een nieuwe impuls ontstaan die het menselijke met het goddelijke verbindt.

Hieronder een verhaal over het adventtuintje.

“Er was eens heel lang geleden een oude man. Hij heette Jacob en woonde helemaal alleen in een groot bos dicht bij een klein dorpje. Zijn kleine, ietwat vervallen huisje stond diep verscholen tussen de hoge bomen en het dichte
struikgewas. Jacob hield er niet van om tussen de mensen in het dorp te leven, want hij wilde in het bos tussen de dieren zijn en elke dag het ruisen van de wind door de bomen horen. Hij hield van de koele aarde aan zijn voeten en het hemelgewelf met daarin bij dag de stralende zon, en bij nacht de lieve maan en de glinsterende sterren, die hem op zijn levenspad begeleidde.
In de zomer verzamelde Jacob bijzondere kruiden met geneeskrachtige werking. Soms kwamen de mensen uit het dorp naar Jacob toe om hem te vragen naar zijn kruiden om daarmee de zieken in het dorp weer beter te kunnen maken. Jacob gaf graag zijn kruiden en zijn wijsheid aan de mensen – het maakte hem tot een zeer geliefd mens onder de mensen van het dorp.
Op de dag trok de hemel dicht met donkere wolken. De wolken waren de voorbode van een onstuimig onweer dat over de aarde uitbarstte. De regen stortte uit de hemel zoals het lange tijd niet meer had gedaan. De bliksemschichten verlichtten de donkere aarde en de donder rolde over het kleine dorpje en het grote bos. De oude Jacob zat rustig en stil in zijn fijne huisje en luisterde naar het onweer buiten. Zijn geitje had hij naar binnen gehaald omdat het zo klagelijk aan het mekkeren was. En terwijl hij daar zo zat en stil voor zich uit keek, berustend in zijn gedachten zag hij opeens in de hoek van de kamer een groene slang met een gouden kroon op het kopje en allemaal glanzende stippen verspreid over de huid.
Meteen toen Jacob van verbazing wilde opstaan, begon de slang tegen hem te spreken. “Jacob, het is donker op de wereld en de mensen hebben de deuren van hun hart gesloten. Je moet iets doen!”
Jacob wist eerst geen woord uit te brengen, maar toen hij bijgekomen was van de verbazing, zei hij: “Het is niet eenvoudig om de mensen te helpen. Hoe zou ik dat moeten doen?”
De slang antwoordde: “Jacob, de kinderen hebben een adventstuintje nodig, zodat zij een lichtje kunnen aansteken en naar buiten kunnen dragen zodat het weer lichter wordt in de wereld. Kijk naar mij!”
De slang bewoog zich over de grond en vormde met zijn lichaam een spiraal. Toen stak hij zijn kopje in het midden van de spiraal omhoog zodat het gouden kroontje nog meer glansde als daarvoor. Ook de lichtende punten op de huid
leken nog meer te stralen.
Toen wist Jacob wat hem te doen stond. Hij wilde de slang danken, maar nog voordat hij een woord kon spreken, was de slang alweer verdwenen en lag op de grond nog enkel een laagje gouden stof.
Intussen was buiten de storm gaan liggen. De wind had de wolken uiteengedreven en de zon scheen met voorzichtige stralen weer op de vochtige aarde. Jacob trok zijn jas aan, vulde zijn tas vol met kruiden, trok de deur stevig achter zich dicht en ging op pad. Bij het dorp aangekomen klopte hij op alle deuren en vroeg om appels en kaarsen. De mensen keken verbaasd naar Jacob, maar gaven hem natuurlijk de appels en kaarsen waar hij om vroeg. Hij vertelde de mensen dat morgen op de eerste adventszondag alle kinderen, ja, alleen de kinderen aan het eind van de dag als het al buiten begon te schemeren naar hem toe mochten komen.
Bij het laatste huis aangekomen vroeg Jacob de mensen die daar woonden om een extra grote en mooie kaars. Toen hij die had gekregen ging hij weer naar huis. Zijn tas was nu ook leeg, hij had alle kruiden aan de mensen gegeven als
dank voor de appels en kaarsen. Met een hart vol blijdschap vertrok Jacob weer richting het bos. Thuis aangekomen ging hij meteen vlijtig aan het werk.
Hij ruimde zijn huisje leeg en legde in het midden van de ruimte een grote spiraal gemaakt van dennentakken en mos uit het bos. In het midden zette hij een grote wortel van een boom neer met daarop de bijzondere, grote kaars en stak die aan. De kleine kaarsjes stak hij in de appels en zette hij voor de kinderen klaar.
De volgende dag bij het invallen van de avond vertrokken alle kinderen uit het dorp naar het bos. Op de weggetjes die tussen de hoge bomen door leiden naar het kleine huisje, renden en dansten de kinderen luidruchtig, Ze lachten en
maakten samen pret. Maar hoe dichter ze bij het huisje kwamen, hoe rustiger de kinderen werden. Toen Jacob de deur opendeed en de kinderen naar binnen liep waren de kinderen muisstil geworden. In het midden brandde de kaars, verder was het helemaal donker binnen. De kinderen gingen in een grote kring om het adventstuintje zitten en begonnen samen de mooiste adventsliederen te zingen.
Elk kind mocht nu om de beurt een appel met een kaarsje pakken en naar binnen in de spiraal lopen. Vol aandacht ontstaken de kinderen hun kleine kaarsje aan de grote kaars. Op de spiraalweg naar buiten zocht elk kind een plekje voor hun kleine lichtje om het neer te zetten tussen de takken en het mos. Oh wat straalden al de gezichten van de kinderen.
Steeds lichter en lichter en lichter werd het in het kleine huisje en steeds lichter werd het in de harten van de kinderen”.

Advent
In de natuur is het stil en rustig rond de 1e advent.
De seizoentafel is getooid in de kleur blauw [de kleur van verwachting].
Week voor week wordt er aan je seizoentafel iets toegevoegd van de wereld:
1e week= mineralen, 2e week= plantenrijk, 3e week = dierenrijk en 4e week= mensenrijk.

Kerstfeest
Het feest van de geboorte van Christus,
De geboorte van het licht dat wij ieder jaar weer mogen ontvangen,

Zijn licht.
Wij vieren het nieuwe leven, de geboorte van een kind en
Het keerpunt in het jaar waar het eindelijk weer lichter wordt.

 

 

Zoals elk feest, is ook het kerstfeest een feest met vele symbolen.
De kerstboom is tegenwoordig vooral mooi als decoratie, waarbij voor ons de geur van dennengroen in huis, de geur van kerstmis is.
Maar de boom is ook een verwijzing naar de boom van goed en kwaad uit het paradijs.
De kerstballen die wij erin hangen zijn het beeld van de appels die Adam en Eva niet mochten eten, maar toch aten met als gevolg dat zij uit het paradijs werden verdreven.
25 december is Adam-en-Evadag, niet gek dus dat er zoveel verwijzingen zijn naar Bijbelse verhalen rondom de oorsprong van de mens.
De piek of ster boven in de boom verwijst naar de heldere ster die boven de stal in Bethlehem stond.
De boodschap die het kerstfeest ons brengt, is het terugkeren naar de kern,
het zorg dragen voor anderen en vrede voor iedereen.
Onwillekeurig denk je met kerst extra aan de mensen die niet gelukkig of eenzaam zijn.
Laten we ook hen niet vergeten; stuur een lief bericht, maak een extra plekje vrij aan tafel, steek een kaarsje voor ze aan, of breng een kort bezoekje met heerlijke koekjes.

Yule of Midwinter (21 december)
Yule vindt plaats tijdens het wintersolstitium (de langste nacht van het jaar, ook wel de zonnewende genoemd). Hierna wint de zon weer aan kracht. Yule wordt ook wel het Midwinterfeest genoemd, waarbij het terugkeren van het licht wordt gevierd.
Thema’s: overdenking, aanvaarding (dat het donker bij het leven hoort), rust, afscheid, wijsheid, mysterie.
Gebruiken: bouw kampvuren, hang wintergroene takken zoals hulst, klimop of maretakken in huis, versier een naaldboom (die we tegenwoordig kerstboom noemen), steek kaarsen aan als symbool van het licht dat de duisternis zal overwinnen. Kom samen rond de donkerste dagen van het jaar, deel je midwinterwensen en drink warme wijn.

Chanoeka: donderdag 26 december 2024 t/m donderdag 2 januari 2025
Joodse families steken in een speciale kandelaar op de eerste avond één kaarsje aan.
Chanoeka is een zogenaamd ‘half-feest’. Het hoort niet bij de belangrijkste dagen van het joodse jaar, maar herinnert wel aan een voorval uit de geschiedenis van de joden. In dit geval gaat het over trouw blijven aan jezelf, ook al wil je omgeving iets anders. Chanoeka is een vrolijk en nog altijd populair feest, ook al is de tempel in het jaar 70 na Christus verwoest. Het is dan ook een echt familiefeest: mensen komen iedere avond thuis bij elkaar om te eten, te zingen, cadeautjes uit te delen en spelletjes te spelen.

Met Sint-Maarten maken we ons klaar verder te gaan op de weg die we na de zomer met Sint-Michaël zijn begonnen.
Om mijn lichtje brandende te houden en te laten stralen, zodat het kan verlichten daar waar het op dat moment het hardst nodig is, kies je er wellicht voor om wat langzamer te gaan lopen. [Letterlijk én figuurlijk…..]
Alle groeikrachten van de aarde zijn de aarde ingetrokken en toch bloeit de Kerstroos buiten in de winter, de skimnia ook, en binnen de Kerstcactus…. Alsof ze weten dat ze met Kerst moeten bloeien ter verwelkoming van het
Jezuskindje…. Wonderlijk.

Driekoningen. Wonderlijk ook de nieuwe ster aan de hemel die de drie wijzen uit het Oosten zagen: ze kwamen van ver! Van afstand was te zien dat er iets heel bijzonders had plaatsgevonden boven Israël, het was al heel lang geleden
beschreven dat dit ging gebeuren. Gelukkig wisten de wijze koningen dit….

“Waarheen leidt het licht? Waarheen voert de ster?
Door wouden zo dicht, langs wegen zo ver?
Door regen en wind en bij vinnige kou?
Wie volgen gezwind? Wie volgen getrouw?
Drie wijzen van ver Drie koningen gaan.
Zij volgen de ster, langs lichtende baan.
Zij volgen gezwind, en komen dan aan,
Bij ’t heilige Kind, Waar de Sterre bleef staan.”

Volgens oude afbeeldingen en beschrijvingen gelden voor de gewaden van de koningen speciale kleuren.
Rood voor koning Melchior die het goud offerde. Hij vertegenwoordigt het denken, de macht en de wijsheid.
Blauw voor koning Balthasar, die wierook bracht. Hij representeert het voelen, het liefdevolle hart.
Groen voor koning Casper, de Moor, die mirre aanbood. Hij is het willen, bestendigt en overwint de dood.
De offergaven van de drie koningen kan men ook als symbolische gaven zien. Zo wordt het goud verbonden met een inzicht in de goddelijke geestelijke wereld, wierook met de offerbereidheid en de menselijke deugd en de mirre voor de
verbinding van de mensenziel met het eeuwige, onsterfelijke.
Elke gave past zo bij zijn koning en kan ons een voorbeeld zijn.
Driekoningen is een feest van betekenis. Met dit feest gaan we weer op weg met de nieuw geschonken kracht of het licht dat we met Kerstmis in ons opnieuw geboren hebben laten worden en ons eigen kleine licht weer gevoed kon worden om op te lichten op de nog te zetten stappen op onze levensweg en waar we de afgelopen dagen ideeën, inspiratie en kracht voor hebben opgedaan.
De tijd van werken en uitvoeren komt er (bijna) aan.
“Hoog aan de hemel de sterrenschijn, waar zou het land van Egypte zijn…”
De vlucht van Jozef, Maria en hun Kind…
De reis naar hun land van herkomst zal niet makkelijk geweest zijn. De gedachte geeft troost dat vele engelen hun ongetwijfeld door de donkere tijden loodsten door steeds zichtbaar en volgbaar te zijn…
Net als bij ons eigenlijk: altijd is je beschermengel bij je.
Klinkt als niet te vergelijken en dat is ook niet de bedoeling, maar vergeet je engel niet.

27 januari 2025 Lailat-ul-Meraj
Hemelvaart van de Profeet herdenken moslims de wonderbaarlijke reis van de profeet Mohammed naar de hemel.
Net als Jezus heeft Mohammed een wonderbaarlijke reis naar de hemel
gemaakt. Ze zijn elkaar zelfs tegengekomen, ook al zat er zeshonderd jaar tussen
hun levens in!
Rond het jaar 620 lag Mohammed ’s nachts te slapen voor de moskee in Mekka,
in wat nu Saudi-Arabië is. Daar werd hij gewekt door Djibriel. Dat is de Arabische naam voor de engel Gabriël, die ook Maria (Maria-Boodschap) kwam vertellen dat zij de moeder van Jezus zou worden.
Djibriel nam Mohammed bij de arm en bracht hem naar de poort van de moskee.
Daar stond Boeraak, een wit paard met vleugels aan zijn hoeven. Samen met
Boeraak en Djibriel vloog Mohammed naar Jeruzalem. Ze landden op de berg
waar ooit de joodse tempel (Chanoeka) stond. Daar ontmoette Mohammed allemaal mensen die net als hij profeten waren, boodschappers van God. Daar waren ook Mozes, Jesaja en Jezus bij. Nadat ze samen hadden gebeden klom
Mohammed naar de hemel met een ladder, een ‘mi’raadj’.
Er waren zeven hemelen en in de hoogste hemel ontmoette hij God. Toen keerde hij terug naar Mekka. Daar geloofde niemand zijn verhaal…
Op de tempelberg in Jeruzalem verrees de El Aksamoskee. Jeruzalem werd door deze hemelvaart ook voor moslims een heilige stad.
Nu herdenken moslims deze wonderlijke nacht tijdens een avonddienst in de moskee.

Chinees Nieuwjaar/ Lunar new year 29 januari 2025 een nieuw jaar begin je met een schone lei
Twee keer in één jaar Oud en Nieuw vieren, kan dat? Jazeker! In China en verschillende andere Aziatische landen wordt ook tussen 21 januari en 20 februari feest gevierd, bij de start van het nieuwe maanjaar.
Een nieuw jaar moet je met een schone lei beginnen. Dus wordt al weken van tevoren het huis gepoetst en kopen mensen nieuwe schoenen en kleren. Ook leggen ze ruzies bij en proberen ze schulden af te lossen. Want aan het eind van het jaar geeft de Keuken-god een verslag over elk huishouden aan de Hemelgod.
De feestrituelen van Chinees Nieuwjaar hebben te maken met geluk en overvloed. Er is een groot diner voor de hele familie met negen gerechten. Het getal negen staat voor de eeuwigheid. Zoete gebakjes van rijstebloem worden aan zoveel mogelijk mensen uitgedeeld.
Kinderen en ongetrouwde mensen krijgen rode envelopjes met geld. Winkeliers geven envelopjes en kroppen sla aan felgekleurde leeuwenpoppen die dansers in een optocht ronddragen. Zo hopen ze op goede zaken. En natuurlijk is er vuurwerk. Heel veel vuurwerk, om kwade geesten weg te jagen.

Imbolc (1 of 2 februari)
‘Ik bereid me voor en zuiver om al wat passend is te kunnen verwelkomen.’
Dit feest wordt Imbolc genoemd, naar het Keltische bolc (buik), dat verwijst naar de buik van Moeder Aarde. Alles wat in de grond ligt te sluimeren wordt gewekt door het toenemende licht en glimpen van onverwachte warmte al kan het nog ijzig koud zijn. Het feest hangt samen met het reinigen en ploegen van de aarde om de akkers na de winter weer vruchtbaar te maken.
Thema’s: reiniging, zuivering (het Latijnse februa betekent zuivering),
voorbereiding.
Gebruiken: plant bloembollen, steek kaarsen en vuren aan om het licht
aan te moedigen, reinig je huis door de bezem erdoorheen te halen (tegen de klok in), met salie te beroken en met rozenwater te besprenkelen, volg een vastenkuur of sapkuur, probeer oude vastgeroeste gewoonten en remmingen te doorbreken.

Maria-Lichtmis. De dagen lengen, het licht buiten groeit, grassprietjes, winterakoniet, sneeuwklokjes, de toverhazelaar zoeken de warmer wordende zonnestralen op om zich te laten verwarmen.
Tijd voor mensenkinderen om meer naar buiten te gaan.
’s Morgens vroeg een wandeling maken, of je aankleden in het donker, steeds op dezelfde tijd en je merkt dat de zon steeds vroeger komt, alles van de grote Kersttijd breng je je huis uit, grote schoonmaak, ramen wassen, maar ook
gesmolten kaarsvet [van de restanten van alle gebrande kaarsen] in kuiltjes in de aarde te gieten, te laten branden tot het licht bijna letterlijk in de aarde opgenomen is en ook kinderen met kleine belletjes rond te laten lopen om de wortelkindjes en de bolletjes onder de grond te wekken en ook pannenkoeken bakken [zo rond als de zon die pannenkoeken…]
Door zo bewust je te verbinden met de natuur, geef je aandacht en bewustzijn aan onze aarde, die net als elk ander levend organisme liefde en zorg nodig heeft.
Wellicht staan we niet meer zo dicht bij de natuur bij moeder aarde, weet dan dat het goed is om af en toe bewúst stil te staan bij alles wat onze mooie aarde ons te bieden heeft en wat zij ons geeft.
Ook hier past: schenken en ontvangen. Zij schenkt ons veel aan mooite en voeding en wij mogen dat ontvangen in aandacht en dankbaarheid….
Zeg nou zelf: het is een Wonder dat de natuur elk jaar opnieuw trouw, vanuit de ingetogen winter een nieuwe levenscyclus start…

“Sterrenlichtjes neem ik mee
In de lieve, lichte dag,
Als ik uit de wijde nacht
hier weer wakker worden mag.
Sterrenlichtjes breng ik mee
als de zon mij weer komt halen,
In de wereld overal z
ie ’k dan kleine lichtjes stralen.”

Met kinderen de feesten van het jaar beleven is als het zien van de regenboog;
de ene kleur is nog niet vervaagd of de volgende verschijnt.
En zonder kinderen (of de kinderlijke blik) ervaren we de regenboog vaak niet eens, omdat we niet verder kijken dan de regen of het grijs van lucht en grond.
Ceremonies die diep in het verleden van de mensheid wortelen, bloeien op in het dagelijks leven van gezin en klas en plaatst onze relaties tot elkaar in ander licht.
Naast het feestelijke, oplichtende karakter, kan een feest of ceremonie een bron van genezing, bewustwording en spirituele groei zijn.
Ze hoeven geen kerkelijk karakter te hebben, wel een open karakter, dat van je innerlijk kind, daarmee zien we de regenboog beter en voelen we de kleurige hemelomhulling in dankbaarheid en warmte….

“Hoog aan de hemel de sterrenschijn, in onze handen een
lichtje klein”…

Dieuwke Hessels

 

[1] Bij de verschillende jaarfeesten hier te vinden
.

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

3349-3150

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (56)

.

kort samengevat door waldorfschool Potsdam
.

waarom vieren wij het feest van Michaël
.

De geschiedenis

Michaëlsdag wordt in het christendom al sinds de 9e eeuw op 29 september gevierd.
Volgens de Apocalyps van Johannes brak er een conflict uit in de hemelse wereld en vocht Sint-Michaël tegen de draak, het kwaad dat de wereld verleidt, en wierp hij hem uit de hemel naar de aarde. Hij is niet dood na deze strijd, maar zijn overweldigende macht is gebroken.

Symboliek

De draak symboliseert de verstoten macht van het kwaad. Hij probeert mensen uit elkaar te spelen, af te leiden van het spirituele en te binden aan de materiële wereld. Het feest van Sint-Michaël is een oproep aan mensen om de krachten die hen naar beneden trekken te herkennen en er grenzen aan te stellen.

Elke dag zijn we getuige van geweld, vernietiging, haat, leugens en nog veel meer. Om de draak te trotseren hebben we grote innerlijke inspanning, kracht, moed en waakzaamheid nodig. Michaëls strijd is een beeld van het feit dat ons bewustzijn wakker moet zijn zodat we het kwaad kunnen doorzien en bestrijden. De lans die Michaël in de voorstellingen draagt, symboliseert de heldere focus op een doel en tegelijkertijd het vermogen om daarmee iemand op afstand te houden.

Het zwaard is een beeld van het vermogen van de mens om in zijn denken afzonderlijke dingen te onderscheiden en te scheiden. Het zwaard wordt ook geassocieerd met ijzer. We hebben ook ijzer nodig in ons lichaam. Zonder ijzer voelen we ons zwak en machteloos.

Sint-Michaël wordt vaak afgebeeld met een weegschaal. Hij is de weger van de zielen. Hij weegt goed en kwaad. Ook wij moeten onze beslissingen afwegen. Onze alerte intelligentie en de krachten van het hart moeten samenwerken. Het sterrenbeeld Weegschaal schittert aan de sterrenhemel op Michaël.

Plaats in de jaarlijkse cyclus

Na Sint-Maarten en Sint-Nicolaas is Michaël een van de drie feesten die ons helpen voor te bereiden op Kerstmis. Alle drie de heiligen weerspiegelen op hun manier het corresponderende seizoen (ze geven een innerlijk aspect van wat er in de uiterlijke natuur gebeurt).

Ze vertegenwoordigen ook de drie krachten: Willen – Voelen – Denken,
en ze staan voor toekomst – heden – verleden

Sint-Joris is de aardse helper van Michaël, de sterke jonge held die met wilskracht, moed en kracht de draak, het symbool van het kwaad, verslaat.

Eind september schijnt de zon hier en daar nog fel, maar de herfststormen komen er al aan en vegen de eerste kleurrijke bladeren van de bomen. De vruchten zijn rijp. De natuur staat tussen groei en verval. In deze tijd zouden de mensen moeten  proberen het zonlicht van de zomer in zich op te nemen en te bewaren.

Sint-Maarten, afgebeeld in het midden van zijn leven, geeft uit barmhartigheid aan de armen. Hij toont mededogen.

In november wordt het buiten steeds grijzer, kouder en natter en keren mensen hun energie naar binnen.

Sint-Nicolaas wordt afgebeeld als een oude, wijze man die van binnenuit handelt.

In december kan er al sneeuw liggen, het is koud en vochtig, ijzig, helder.

Het Michaëlsfeest luidt dus de periode voor Kerstmis of voor de winter in. We willen al deze innerlijke aspecten tot leven brengen door middel van de proeven van moed, waarin je kracht en daadkracht kunt tonen, maar ook afwegingen moet maken. Er is ook moed voor nodig om iets niet te durven wat te roekeloos lijkt.
Het feest is vooral bedoeld om de zintuigen aan te spreken. Het is een krachtige viering die een langdurig effect heeft en ons helpt om het zonlicht en de warmte van de zon in ons hart mee de winter in te dragen.

Het gaat over de krachten die in ieder mens en in de natuur aan het werk zijn en die in beeld worden gebracht.

Bordtekening van 2e-klasjuf, waoldorfschool Potsdam

.

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Michaël

.

3319-3123

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Jan (39)

.
Loïs Eijgenraam, Vrije Opvoedkunst jrg. 13 nr. 3/4 2013
.

sint-jan
.

Op 21 juni bereikt de zon haar hoogste punt. Het licht neemt vanaf die dag langzaamaan weer af. Al het leven is in de zomertijd uitgeademd: insecten bevolken de lucht, bloemen bloeien, de vruchtzetting van vele vruchtdragende gewassen is zichtbaar, we zijn buiten en willen de zon iedere dag in ons opnemen. We laten meer los, ritmen en gewoonten zijn vaak losser en we zijn meer naar buiten gericht. Het Sint-Jansfeest ademt een sfeer van gezelligheid uit, van vreugde, vuur, samenzijn. Alles lijkt groots, hoog, weids te zijn.

Doch: het Sint-Jansfeest is op de scholen het laatste feest voordat de grote zomervakantie begint en menig ouder is blij dat na de zomerperiode de school weer begint en het gewone ritme wordt opgepakt. Herkenbaar?

Op dit stukje van de aarde leven wij mensen met het ritme van de seizoenen mee: in de herfst trekken we de huizen in, in de winter leven we veelal in onze huizen, in de lente als de aarde het leven weer beetje bij beetje toont, gaan ook wij mensen meer naar buiten toe. De jaarfeesten zijn als ankerpunten in het jaar waarin wij het ritme van de natuur mee kunnen beleven. De jaarfeesten maken ons wakker voor het feest en wat er vanuit de natuur naar ons toe komt.

Als wij ons verbinden met de jaarfeesten, kunnen wij tegengestelde processen op het spoor komen.

Na de zomer is het eerste feest het Michaëlsfeest. De oogst wordt binnengehaald, de natuur trekt zich meer en meer terug de aarde in, vogels trekken weg. De blaadjes vallen. De herfst kan beleefd worden als een tijd van afbraak, vergaan. Daarnaast kan er een innerlijk proces beleefd worden waarin, juist na een zomertijd, er in ons innerlijk nieuwe idealen aangeboord zijn. Afbraak en nieuwe mogelijkheden blijken dan samen op te gaan.

Met Kerstmis is de aarde het donkerst en vieren we het feest van het Licht. Met Pasen vieren we het sterven en de opstanding van Christus in een tijd dat al het leven ontwaakt. Als mens staan we tussen deze polariteiten in. Met Sint-Jan vieren we de zomer, de zon is op het hoogste punt geweest. Er is licht, veel licht, ontspanning, loslaten. Er kan een zekere loomheid over ons komen, of, als het langere tijd heel warm is, zelfs een dofheid naast een geïrriteerd raken vanwege te weinig slaap.

Het Sint-Jansfeest (24 juni) is het feest van Johannes de Doper. Johannes doopte Jezus in de Jordaan en sprak: ‘Hij moet groeien, ik moet afnemen’. Het Sint-Jansfeest staat tegenover 24 december, kerstnacht waarin het kind Jezus werd geboren. Johannes vieren we in de hoogzomertijd als het licht warm, krachtig en stralend aan de hemel staat. In de donkere wintertijd wordt het kind van het Licht geboren. Het lijkt erop dat Johannes ons erop wil wijzen dat het uiterlijke zonlicht af zal nemen en dat wij mensen mogen zoeken naar het innerlijke zonlicht van Christus dat onze harten wil verwarmen.

Om onszelf in de zomertijd niet te verliezen in en aan de warmte en loomheid, lijkt het erop dat Johannes ons oproept om ons eigen innerlijk licht tegenover het zonnelicht te plaatsen om als mens met ons ik wakker te blijven.

Bij Sint-Jan zingen we, urenlang totdat ook het vuur en de laatste ster gaan rusten van de lange zomernacht…

Daarom deze keer muziek en zang voor het zomerfeest dat op alle scholen, kinderdagverblijven, peutergroepen, BSO’s, instituten en op vele andere plekken gevierd wordt:

Boeken van de auteur

Website Loïs Eijgenraam

School voor antroposofische kinderopvang

Artikel verscheen in 2013 in het tijdschrift Vrije Opvoedkunst

Nog geen abonnee?

*De jaarbijdragen 2024 zijn:
VOK-leden€ 39,50 | VOK-Abonnees € 27,50 | VOK-Leden Buitenland € 56,- | VOK-Abonnees Buitenland € 44,- | Studenten Vrijeschool Pabo € 17,- | Schoolabonnement VOK op aanvraag Leden
• Molenvliet 442, 3076 CM Rotterdam • Tel: 010 842 58 05 • e-mail: info@vrijeopvoedkunst.nl •
http://www.vrijeopvoedkunst.nl • ING Bank Nederland: NL38 INGB 0000 6039 37 BIC: INGBNL2A
• Triodos Bank Nederland: NL70 TRIO 0197 7631 54 • Lerarenbrieven: NL74 INGB 0000 7205 62 •
• Kamer van Koophandel: 40407109 • Vereniging voor Vrije Opvoedkunst is vrijgesteld van btw en heeft de ANBI status (Algemeen Nut Beogende Instelling RSIN/Fiscaal Nr. 816105546) •

.

Sint-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

3243-3052

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Jan (38)

.

Tineke Croese, Antroposofisch Magazine, juni 2016 nr.2

.

Sint-Jan: een nacht vol toverkracht

Openstaan voor het onbekende

Over het vuur springen, hoe cool is dat? Voor veel kinderen en ook volwassenen is het het hoogtepunt van het Sint-Jansfeest. Je koopt er een jaar gezondheid en geluk mee, wordt gezegd. En jonge paartjes die er met z’n tweeën overheen springen, hopen samen een gelukkig leven te leiden.
Op 24 juni is het weer zover, dan vieren de vrijescholen wereldwijd hun eigen midzomerfeest. Dit feest is een traditie in veel Europese landen, zoals in Zuid-Engeland, Scandinavië en ook veel Slavische landen, maar minder bekend in Nederland.

Midzomerfeesten, we vieren ze in de lichtste tijd van het jaar, als de dagen lang zijn en de korte nachten niet echt donker lijken te worden. Bij het vuur vlechten kinderen bloemenkransen, er wordt muziek gemaakt, gedanst en gepicknickt. Soms verbranden mensen een als heks uitgedoste stropop: zij neemt alle narigheid van het voorbije jaar mee in het vuur. En wie durft, springt over het vuur en koopt op die manier een jaar gezondheid en geluk voor zichzelf. De korte, lichte nachten van Sint-Jan hebben iets geheimzinnigs. Volgens het volksgeloof kunnen mensen in deze nachten de taal van de dieren verstaan en bezitten sommige planten grote magische kracht. Die kun je bijvoorbeeld gebruiken om je van de trouw van je geliefde te verzekeren. Niet alleen de mensen blijven in deze nacht wakker tot de zon opgaat, ook het ‘kleine volkje’ is op pad. Misschien is het ook door hun toedoen dat de nacht van Sint-Jan vol toverkracht is. Als de elfen je gunstig gezind zijn, wijzen ze je de weg naar verborgen schatten. Maar vaker zijn deze plagerige natuurgeesten geneigd om mensen voor de gek te houden, zoals Shakespeare in zijn Midzomernachtsdroom laat zien.

Licht

De midzomerfeesten die op 21 juni gevierd worden, stammen al uit de voorchristelijke tijd. Het Sint-Jansfeest van 24 juni was eigenlijk bedoeld als de christelijke voortzetting ervan, maar er veranderde in de praktijk zo weinig dat de vroegere midzomerfeesten er zonder problemen naast bleven bestaan. Sint-Jansfeest, midzomerfeest – het lijkt niet echt uit te maken. De gebruiken zijn hetzelfde.

Het is geen toeval dat de Kerk ervoor koos om Kerstmis en Sint-Jan kort na het midwinterfeest van 21 december en het midzomerfeest van 21 juni te vieren. De nieuwe christelijke feesten werden gebracht als een voortzetting en vernieuwing van de oude voorchristelijke feesten.

Tijdens de midwinterzonnewende bereikt de zon het laagste punt aan de hemel. Het is de donkerste tijd van het jaar. Vroeger wachtten de mensen elk jaar weer in spanning af of het licht wel zou terugkeren. Via rituelen probeerden ze die terugkeer te bewerkstelligen. Met Kerstmis, het geboortefeest van Jezus, vieren we de geboorte van het licht op aarde. Het wordt daarom kort na de kortste dag gevierd, als de zon het diepste punt al voorbij is. Bij de midzomerzonnewende bereikt de zon het hoogste punt aan de hemel. Het is de lichtste tijd van het jaar. Maar kort daarna volgt een dramatische ommekeer: de zon begint weer te dalen en verliest zijn licht

kracht. Dat merken we niet direct, maar toch neemt het licht langzaam weer af en worden de dagen korter.

Op 24 juni is het volgens de kerkelijke heiligenkalender de geboortedag van Johannes de Doper. Hij doopte Christus in de Jordaan en verkondigde zijn volgelingen dat hijzelf- Johannes – minder krachtig moest worden, terwijl Christus moest groeien. Om die reden kreeg het feest van Sint-Jan de Doper een plaats op 24 juni, als de zon al ‘minder wordt’, in kracht begint af te nemen. De zon laat rond midzomer zien waar Johannes op wees: alles wat voorchristelijk is, tot en met Johannes zelf – de laatste voorchristelijke profeet – is als die uiterlijke zon wiens luister en grootsheid na 21 juni minder worden. Johannes de Doper sluit de voorchristelijke tijd af, maar als ‘engel van de Heer’ was hij ook de wegbereider van Christus, die aan het begin van een nieuwe tijd verschijnt.

Van oud naar nieuw

Johannes de Doper riep op tot inkeer. Hij riep op om het oude los te laten en een andere innerlijke houding aan te nemen. Dat maakte hem tot een eenling, een roepende in de woestijn. Mensen hadden ontzag voor hem, maar ze vonden het te moeilijk om hem te volgen. Dat zien we ook bij het Sint-Jansfeest. Terwijl Kerstmis wél de vernieuwing van het midwinterfeest werd, bracht het Sint-Jans-feest die vernieuwing niet voor het midzomerfeest. Eigenlijk is dat wel te begrijpen: iedereen verheugt zich op de komst van het licht, iedereen wil het donker graag achter zich laten. Wat het Sint-Jansfeest vraagt is veel moeilijken afstand doen van het licht, van het bekende, van wat vanzelfsprekend en vertrouwd is. En jezelf in plaats daarvan openstellen voor het nieuwe en onbekende.

Net als de kersttijd is de Sint-Janstijd een tijd van ‘oud en nieuw’, van terugkijken op het verleden en vooruitkijken naar de toekomst. In de kersttijd houd je dat klein: je reflecteert op jezelf, je maakt goede voornemens om iets in je persoonlijke leven aan te pakken. In de Sint-Janstijd kijk je terug op een groter geheel, op de samenleving of op je eigen sociale omgeving. Moet daar iets worden aangepakt? In het verleden was het nog mogelijk om veel meer vanuit vaste sociale patronen en rollen te handelen, tegenwoordig moeten we een situatie vaker zelf beoordelen en een eigen aanpak bedenken. Oude tradities en door de groep bepaalde normen verdwijnen in hoog tempo. We zijn aangewezen op ons eigen inzicht en oordeel en het vertrouwen daarin moet nog groeien.

Vrolijk

Het Sint-Jansfeest is een blij feest, met bloemenkransen, zang en dans, met een Sint-Jansvuur en vrolijkheid. Om ons heen zien we de natuur zo uitbundig en rijk als in geen ander jaargetijde. Maar het is ook een periode van reflectie. Lang niet alle vruchten zijn rijp in juni. De meeste hebben de hele zomer nodig om te rijpen, om zoet en sappig en eetbaar te worden. Zo heeft ook alles watje in het voorbije jaar aan kennis en inzicht hebt opgenomen tijd nodig om te rijpen. Het moet even met rust gelaten worden, net als schoolkinderen in de zomervakantie. Na dit feest volgt die heerlijk lange, zorgeloze zomertijd. Pas aan het eind van de zomer, als de vakantie voorbij is en iedereen klaar staat om opnieuw de oude patronen binnen te glippen, is de tijd rijp om met onze nieuwe voornemens aan de slag te gaan. 

Sint-Janalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

.

3241-3050

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Uit LEO KLEINs aantekeningen

.

Leo Klein stelde mij een groot aantal aantekeningen ter hand die hij maakte tijdens zijn vrijeschoolleraarschap. <1>   <2>

Ik geef ze op deze blog door, zodat ook anderen er wat aan kunnen hebben.

Leo, die ook in de bovenbouw lesgaf, bewaarde een aantal artikelen waaronder:

.

Walther Cloos, bron van het artikel niet bekend
.

De alchemie van de jaargetijden

In de beschouwingen die wij vroeger aan de jaargetijden wijdden, was een poging gedaan om vanuit de beelden van het uiterlijke gebeuren door te dringen tot het innerlijke wezen. Dit innerlijke wezen, dat in het proces der jaargetijden verborgen ligt, is niets anders dan de levensuiting van de aarde, zoals die in de reidans van de planetenwereld en de wereld van de vaste sterren zich voortdurend verandert en verwerkelijkt.

Uit de aard van onze beschouwingen — er zijn natuurlijk nog vele andere ook mogelijk — toonden zich aan ons vier „principes”, die wij als vuur, as, water en zout beschreven. Daarmee zijn niet bepaalde stoffen bedoeld, maar processen. Deze processen waren eenmaal in de antieke en middeleeuwse alchemie veelvuldig het onderwerp van studie. Men zocht niet zozeer naar stoffen, als wel naar de processen die leidden tot bepaalde stoffen.

Men heeft deze processen, die fundamenteel waren voor het ontstaan van alle stoffen, zowel in het levende als in het dode, nu juist beschreven met deze vier principes. Er waren echter ook nog beschrijvingen, die meer nadruk leggen op het wezenlijke, op de innerlijke krachten van deze principes. Men sprak dan over:

de alles behoudende kracht van het zout, Leo schreef daar voorjaar bij
de alles louterende kracht van het vuur, zomer
de alles vernieuwende kracht van de as, herfst
de alles levenschenkende kracht van het water, winter

Rudolf Steiner heeft in zijn voordrachten over het leven van de aarde, over de jaargetijden en de vier grote jaarfeesten: het Paasfeest, het Johannesfeest, het Michaëlsfeest en het Kerstfeest vaak gewezen op het wezenlijke van deze vier principes. Wij hebben daardoor de mogelijkheid gekregen, de oude voorstellingen, begrippen en beelden uit de alchemie vanuit ons huidige bewustzijn opnieuw te verstaan en vooral uit te breiden. Het gaat er dus niet om, bepaalde oude dingen op te warmen, maar om vanuit ons huidige bewustzijn, vanuit onze huidige manier van denken opnieuw door te dringen in dat gebied, dat ook de alchimisten vanuit een dof wordend, oud geestesbewustzijn bekend was.

Het belangrijke voor ons tegenwoordig inzicht bestaat juist daarin, dat wij leren zien hoe deze vier principes als processen van de jaargetijden in elkaar grijpen en in een reidans van het zomer-vuur tot het voorjaars-zout van het volgende jaar iets nieuws en iets meer scheppend tot stand brengen nl. het behoud van de stroom des levens. Deze stroom des levens is echter niets anders dan wat de oude alchimisten de „Quinta Essentia”, het „vijfde wezen” noemden. Als men van het een of ander deze „Quinta Essentia” wilde vervaardigen, dan moest men deze vier principes toepassen op de betreffende stof waarvan wordt uitgegaan. Men behandelde deze met warmte (vuur) en verkreeg iets „vluchtigs” dat opgevangen werd. Wat achterbleef was de as. Deze as werd bij een matige warmte met water behandeld, dan verkreeg men het „zout” en iets „waterachtigs” dat overbleef. Dan had men dus iets „vluchtigs”, iets „waterigs” en iets „zoutachtigs”. Dat noemde men sulfuur (vuur), merkuur (water) en sal (zout).

Door het toepassen van de vier principes had men een indeling in „drieën” verkregen. Dan werd het „zout” in het vuur gebracht en gelouterd en verkreeg men weer een „as”. Daaraan werd dan het waterachtige (merkuur) gevoegd, dat zich bij een gematigde warmte met de „as” verbond, En tenslotte kwam het vluchtige, het „sulfuur” erbij, dat zich bij lichaamstemperatuur (37°) met het andere verbond. Wanneer deze processen kundig en voorzichtig voltrokken werden, dan verkreeg men de „Quinta Essentia” van de betreffende stof waarvan is uitgegaan. Zo’n Quintessens kon merkwaardige eigenschappen hebben, wanneer ze op de juiste manier was vervaardigd. Er waren er die zich vermeerderden, of „groeiden” in de z.in van een vergroting door zichzelf van de oorspronkelijke hoeveelheid. Om dit tot stand te brengen moest men echter al een zeer vrome alchimist zijn.

Aan deze mogelijkheid van het „groeien van de Quintessens” ziet men reeds, dat het zeer kunstmatige stofvormingen waren, waarvan de eigenschappen die van de levende substantie nabij kwamen.

Wij willen echter met dit uitstapje in het verleden niet beweren, dat tegenwoordig dergelijke processen nog zonder meer mogelijk zijn. Wij wilden er veel meer op wijzen, dat men destijds wel iets wist omtrent het innerlijke wezen van de krachten der jaargetijden, ja dat men zelfs kon hanteren wanneer men „vroom” genoeg was. Men koesterde in de alchemie een laatste kwijnende hoop om in de levensstroom van de natuur te kunnen binnendringen. Wanneer dit dan al aan een paar grote en verborgen persoonlijkheden is gelukt, dan lag dat daaraan, dat iets ouds ten einde liep.

Tegenwoordig heeft men de natuur hoofdzakelijk van de doodskant aangepakt: nl. in de atoomenergie. De kwintessensen van de atoomchemie en -fysica worden vervaardigd, maar die groeien niet en vermeerderen zich niet, maar zij doden.

Rudolf Steiner heeft aangetoond, hoe deze vier principes van de krachten die de jaargetijden doorstromen samenklinken en hoe daardoor een levensstroom ontstaat, nl. de levensstroom in de natuur en in de mens.

Wat door de kracht van het louterende vuur in de zomer ontstaat, wordt voedsel voor de mens. Niet alleen granen en vruchten, maar ook het licht en de warmte. In de mens wordt datgene wat de zomer tevoorschijn brengt, het voedende, door de spijsvertering en de adem op een hoger niveau gebracht en veranderd tot iets nieuws en genezends. Daardoor voltrekt de mens in zichzelf het herfstproces. Wanneer hij in de herfst leeft, bereiken hem de vernieuwende en genezende krachten van binnen en van buiten. Dit vernieuwende en genezende wordt in de mens weer op een hogere trap gebracht en veranderd, het wordt tot gedachtekracht. In de uiterlijke natuur is dat de winter, waarin de kracht van het water de zaden en de aarde weer opnieuw leven schenkt. De mens doet zijn gedachtekrachten weer opleven, dat is zijn inwendige winter.

Datgene wat als gedachtekrachten die nieuw leven in zich hebben opgenomen in de mens ontstaat, kan omlaag stromen in de scheppende wil. De kracht van de scheppende wil is zowel innerlijk als uiterlijk een kracht die opbouwt en in stand houdt.

Op deze wijze heeft de mens de krachten van de jaargetijden in zich. Maar hij voltrekt de processen niet in de afzonderlijke jaargetijden, maar dagelijks, ja elk uur, waar hij het voedende in iets genezends, het genezende in gedachtekrachten en de gedachtekrachten weer in wil omzet.

Wat zich op deze wijze in het innerlijk van de mens als een lichamelijk-geestelijke levensstroom onophoudelijk en meer of minder onbewust voltrekt, kan in de afzonderlijke jaargetijden buiten beleefd en ondergaan worden. Maar niet alleen als een natuurproces, maar ook in het eigen innerlijk. Wie enigszins bewust zijn levensjaar doormaakt kan bespeuren hoe de zomer hem voedt, de herfst hem geneest, de winter aan zijn gedachten nieuw leven schenkt, zodat tegen de lente een nieuwe wil weer in hem kan binnenstromen.

.

Jaarfeesten, waaronder jaargetijden: alle artikelen

Natuurkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Jaarfeesten

.

3215-3027

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (36)

.
Tineke Croese, Antroposofisch Magazine juni 2018 nr. 10

.

De verbindende kracht van Pinksteren

.

Samen bruiloft vieren

.

Op 20 mei [2018] was het Pinksteren, een feest dat meestal tussen half mei en half juni valt. Waar Pinksteren over gaat, is voor veel mensen vervaagd, maar toch lijkt er rond de pinksterdagen altijd wel iets feestelijks in de lucht te hangen.
In sommige regio’s bestaat de traditie om een pinksterbruid te kiezen en op vrijescholen kiezen de kinderen een bruid én bruidegom.

Waar komt de bruidsstemming vandaan die zo laat in de lente over de natuur komt?

In de prille lente, zo rond Pasen, wordt de natuur voorzichtig groen.
Zeven weken later is het Pinksteren en staat alles volop in bloei. Als fijn kantwerk omzoomt het fluitekruid de zilverglinsterende sloten, de fruitbomen dragen prachtige sluiers van tere, zacht gekleurde bloesem. Wakker gekust door haar bruidegom de lentezon tooit de natuur zich als bruid. En ja, vroeger kwamen na de bruiloft de kinderen. Als hemel en aarde bruiloft vieren, als de aarde zich in bloesems opent voor de stralen van de zon, dan leidt dat, heel prozaïsch, tot bevruchting en vruchtzetting. Elk jaar belooft de bruiloft tussen hemel en aarde een nieuwe oogst.

De fiere pinksterblom

Omdat een goede oogst vroeger heel belangrijk was, was de bruiloft tussen hemel en aarde een heilig ritueel. Elk dorp koos een pinksterbruid- of blom. Zij symboliseerde de ziel van de dorpsgemeenschap die zich opende voor hemelse krachten: in milde regen en zachte zonneschijn daalde de bruidegom af naar de aardebruid. Het hele dorp was bij dit vruchtbaarheidsritueel betrokken. Daarom werd de pinksterbruid in de vroege ochtend van Pinksteren van huis tot huis gedragen en stond elk gezin [tijdelijk) een sieraad aan haar af. Want hoe rijker de bruidstooi was, hoe rijker de oogst zou zijn.

Op het eerste gezicht lijkt het christelijke pinksterfeest ver af te staan van wat er in de natuur gebeurt en van vruchtbaarheidsrituelen.
Met Pinksteren herdenken we dat Christus na de opstanding niet van de aarde verdween, maar een andere gedaante aannam. De twaalf leerlingen laten plaatsvervangend zien dat alle mensen Christus kunnen gaan ervaren als een troostende of inspirerende innerlijke kracht. Die kracht, die als de Heilige Geest uit hemelse hoogten op de leerlingen neerdaalt, wordt vaak verbeeld als een duif. Maar als de Heilige Geest wordt opgevat als inspiratie door hemelse wijsheid, dan wordt ze voorgesteld als de hemelse jonkvrouw Sophia die van bovenaf haar licht op de leerlingen laat schijnen. Er is dus toch een parallel met het natuurgebeuren: als het Pinksteren is, stellen we ons open voor een uit de hemel neerdalende kracht die inspireert en op die manier ‘bevruchtend’ werkt.

In voorchristelijke culturen zagen de mensen de hele natuur als een openbaring van goddelijke wijsheid. Die goddelijke wijsheid openbaarde zich ook aan de mens, en wel in de vorm van recht en wet: die moesten de harmonie en vrede tussen mensen waarborgen. In de pinkstertijd kon iedereen, en vooral de sociaal zwakke, zich over geleden onrecht beklagen. Ten overstaan van het hele dorp werd dan recht gesproken onder de boom op het dorpsplein (vaak een es of een linde) die hemel en aarde met elkaar verbond. De ‘bruiloft’ tussen hemelse wijsheid en aardse rechtvaardigheid leidt tot harmonie in de mensengemeenschap.

Uit vele richtingen zijn wij gekomen …

In het pinksterverhaal uit de Bijbel speelt bij de vereniging, de bruiloft tussen aardse en hemelse krachten de wisselwerking een rol tussen de individuele mens en de gemeenschap die hij met andere mensen vormt. Het pinkstergebeuren leidt tot het ontstaan van nieuwe gemeenschappen. Geïnspireerd door de Heilige Geest waren de leerlingen in staat zo te spreken, dat iedereen hen verstond. Iedereen hoorde hun woorden in zijn eigen taal.
In het oudtestamentische verhaal over de Toren van Babel raakten de mensen van elkaar vervreemd doordat ze verschillende talen gingen spreken. In het pinksterverhaal is het andersom: daar komen mensen tot elkaar, omdat ze geen taalverschil meer ervaren. Later trekken de leerlingen in alle richtingen weg om overal gemeenschappen te stichten waar mensen vanuit de verbindende kracht van Christus konden leven.

Een ander aspect van Pinksteren is dus het vormen van nieuwe gemeenschappen. Dat maakt Pinksteren een feest voor deze tijd en voor de samenleving in Europa. Alleen is de beweging omgekeerd: de leerlingen trokken vanuit een centrum – Jeruzalem – in alle richtingen de wereld in, terwijl nu mensen uit alle richtingen naar een centrum – naar Europa – komen. Bovendien hebben veel mensen, van binnen of buiten Europa, zo hun eigen manier van leven. Onze samenleving is een lapjesdeken van allerlei culturen en individuele levensopvattingen aan het worden. Al die lapjes hebben een eigen schoonheid. Het is een uitdaging om te zorgen voor een deken die warm genoeg is voor iedereen, terwijl de schoonheid van de afzonderlijke lapjes toch behouden blijft.

Het is een uitdaging om ons te laten inspireren door een kracht die mensen met elkaar verbindt. Alleen die geeft zicht op een toekomst vol vrede en harmonie.

.

Pinksteren (en Hemelvaart): alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Pinksteren

.

3213-3025

.

.

.

.