VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Herdersspel regie-aanwijzingen (5)

.

HET KERSTSPEL UIT OBERUFER

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

AANWIJZINGEN VOOR DE BELICHTING

Voetlicht, 1. en 2. bovenlicht: wit en blauw/ 2. bovenlicht ook rood

[1] Begin: alles blauw, ¼ wit

[2] Engel: ‘k treet voor uluyden      1. bovenlicht vol wit

[3] Engel af na Maria’s woorden: my geschiede nae u woort. 
1. bovenlicht wit naar ¼ terug

[4] Als baas Titus komt bij ‘myn goede vrou waer toe dit claegen: alles blauw, .  1/wit

[5] De engel verschijnt bij Maria: naby is de gheboorte tyt: 2. bovenlicht rood erbij en weer weg
De engel achter Maria: 2. bovenlicht rood en weer weg

[6] Geboren is in Bethlehem: bij het einde, overgang naar herders: blauw en ¼ wit

[7] De herders gaan slapen: al het wit weg

[8] De engel komt naar de herders: 2. bovenlicht rood erbij
De engel gaat weg: rood weg

[9] De herders worden wakker: blauw en ¼ wit

[10] Wanneer de herders vertrekken: Nu welaan: wit weg

[11] Jozef pakt de lantaarn om naar de herders te gaan: voetlamp ¼ wit erbij

[12] Wanneer de herders zingen na Witok: en segghen het oock den stadthouwer an.: blauw en ¼ wit

[13] De engel: aghtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren: 1. bovenlicht vol wit erbij

.

Deel 1: Vanaf het begin t/m lied nr. 4 ‘Keizer Augustus’.
Deel 2: Van Jozef: ‘Keyser Augustus heeft een gebod gegheven’ t/m het lied 8: ‘Geboren is in Bethlehem’.
Deel 3: Vanaf de herders t/m het lied ‘Vrolycke herders’ (14)
Deel 4Vanaf lied nr. 14 tot einde.

.
Kerstspel: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: kerstspel

.

2354-2208

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen uit Oberufer – Paradijsspel – alle artikelen

.
Rudolf Steiner over de kerstspelen:
GA 274: Ansprachen zu den Weihnachtspielen aus altem Volkstum 
De toespraken zijn op deze blog vertaald.

Hier vind je regie-aanwijzingen en artikelen over het Paradijsspel uit Oberufer.

Inleiding
Pieter HA Witvliet over: hoe allerlei aanwijzingen hier terecht zijn gekomen

Algemene aanwijzingen  regisseursbijeenkomst 08-09-1979
over de spelen; uit Steiners ‘dramatische cursus’; uit Müller “Spuren auf dem Weg”; over het ‘dialect’, muziek, op het toneel: links/rechts; voor/achter; achtergrond van bepaalde scènes uit alle 3 de spelen; belichting’/schmink
Die over het Paradijsspel gaan, zijn bruin gekleurd. (Herdersspel: paars, Driekoningenspel: rood)

Algemene aanwijzingen  regisseursbijeenkomst 08-11-1979
Waarschijnlijk Willem Veltman over: mysteriespel; plaats boom; bank schriftgeleerden; plaats Eva in de company; dramatische gebaren en bijbehorende spraak; episch, lyrisch, dramatisch; voorbeelden bij figuren uit de 3 spelen.
Die over het Paradijsspel gaan, zijn bruin gekleurd. (Herdersspel: paars, Driekoningenspel: rood)

In bovenstaande bijeenkomst werden ook deze aantekeningen over het Paradijsspel gemaakt

[2] Regie-aanwijzingen voor het Paradijsspel
Th.Onnes van Nyenrode-Smitsover: de imaginaties in het paradijsverhaal; Adam en Eva, het schuldeloos schuldig worden; tekst van Eva en Adam tijdens het plukken en eten van de appel, samen met aanwijzingen van Steiner; volgens de schrijfster is er in de vertaling van ‘de verleidingsscéne’ een vertalingsnuance geslopen, waardoor het geheel iets te verstandelijk wordt, wat nog wordt versterkt door de keuze van de medeklinkers. In de oorspronkelijke tekst rijmen het op vier plaatsen niet: het zijn cruciale punten ‘om wakker te worden’, het Nederlands heeft dat niet.

[3] Regie-aanwijzingen voor het Paradijsspel:



De regie-aanwijzingen uit dit boek worden vergeleken met mijn aantekeningen die ik maakte op de vrijeschool Den Haag, veelal onder de regisseurs Veltman en/of Gerretsen.

[3-1] Deel 1
Vanaf het begin: lied nr. 1; boompjesdrager; engel; t/m lied 2.

[3-2] Deel 2: na couplet 8 van lied nr.2 (Adam formeert hij): godvader schept Adam; lied nr.3 Adam erkent; schepping Eva; in het paradijs; lied 4: ‘Nu leefden se’.

[3-3] Deel 3: Na lied nr 4: Al nae der slanghe wijze: duivel; lied nr. 5; Eva verleidt Adam; lied nr. 6: ‘Sy gaf oock’.

[3-4] Deel 4: de spot van de duivel over de verleiding; Adam en Eva worden door Godvader ter verantwoording geroepen; lied 7 ‘Toen joegh’; de engel Gabriël krijgt de opdracht ze uit het Paradijs te verdrijven. Lied 8 ‘Soo joech’, tot de duivel opkomt.

[3-5] Deel 5: duivel met ketting, bestraffing door Godvader; nawoord engel. en beëindiging van het spel.

[3-6] Deel 6: aanwijzingen voor de belichting.

Het Paradijsspel in jip-en-janneketaal
Pieter HA Witvliet
over: voor degenen die moeite hebben met enkele passages in dit spel.

ACHTERGRONDEN:

In deze artikelen gaat het in algemenere zin over de spelen, met daarin vernoemd het Paradijsspel. De opmerkingen daarover staan in bruin.

Achtergronden van de kerstspelen
Carel Eckhart
over: wat zijn het voor spelen; wat vragen ze van je instelling; de oerbeelden; het epische karakter; 
over het kerspel en driekoningenspel: zie daar.

Over de kerstspelen
Paul Veltman over: de spelen, de tradities in Oberufer: karakteristieken over Paradijsspel (aan het eind van het artikel) het Geboortespel en het Driekoningenspel.

De kerstspelen uit Oberufer
Marijke van Hall
over: raak je erop uitgekeken?; de vondst van Schroër; tradities; paradijsspel: episch, stukje is bruin; over Geboortespel en Driekoningenspel: zie aldaar.

OPINIE-ARTIKELEN

Het Oberuferer Paradijsspel: een pleidooi voor liefde?
Harrie Vens over: dit Genesisverhaal is vertroebeld door de verstikkende last van zonde, schuld, enz.; de duivel: meer rood/geel dan zwart; Adam blijft Eva trouw, hij gehoorzaamt daarmee aan Gods opdracht: ‘heb haar lief’.

Het Paradijsspel, een spiegel van de mens
Gerben van der Heide over: rolbevestiging in het Paradijsspel?; het mysterie van de spelen; paradijsspel als ontwikkelingsweg

LITERATUUR:

Kerstspelen: alle artikelen
.

Tinekes Doehoek

.

2353-2207

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Herdersspel regie-aanwijzingen (4)

.

HET KERSTSPEL UIT OBERUFER

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET KERSTSPEL UIT OBERUFER

Deel 4

Vanaf lied nr. 14 tot einde

Gallus:

Wel an, laet ons tot Betlem gaen
twonder sien dwelc ons is kondt gedaen.
D. Denkt even na.
DH. Stiechel – de wil-mens, loopt al weg, Gallus houdt hem tegen:

Wat veur gaven willenme offreeren?
Wat voor present aen dat kinde vereeren?

Stiechel:

Tkryght van myn een kruycksken mellek soet
dat syne moeder hem rycklyc gevoedt.

Witok:

Daor is by myn kudde een schoon jonck lam,
het kind is wel weert dattic ’t tot hem nam;
salt schielycken mit myn staf omvaen
en over myn bey schouders laën.
DH. ze helpen hem.

Gallus:

Ick neem een pluck wol voort kinde, me dogt
dat syn moeder het warrem daor inlegghen mogt.

D. De herders gaan achter het toneel om hun geschenken te halen. Even later komen ze met hun geschenken terug; het toneel is heel donker.
DH. heeft geen tastbare geschenken. Ook hier toneel donker. Ze stommelen wat luidruchtig. Soms gaan ze van het toneel af, een stukje de zaal in.

Stiechel:

Tis hardstickkedoncker, ick tast nae den wegh,
ick en weet sowaor geen hegh ofte stegh.
Gaewe qualic of regt nae stadt by abuys?
D. ze tasten wat onhandig rond over het toneel.

Gallus spreeckt:

 

D. DH. hij kijkt in de verte:
Stiechel, ick sien alree een strooy huys;
we willen naet godskind vragen een reize
en ofse daorgunter ons mogten wysen
hoe datme moeten gaen
omdra comen by dat kinde an.

D. DH. Gallus stampt met zijn stok op de vloer
Heydai Heyda! en isser agter geen
die const ons segghen alwaor heen?

D. DH Jozef kijkt op, gaat staan, DH. pakt het lantaarntje en D. DH. loopt in de richting van het geluid, het is nog steeds donker.
Josef spreeckt:

Wien soeckt ghy vrient te deser stee?
Yemant so u den wegh wysen dee?
Wilt my segghen waor na u de sinnen staen,
waer gh’u beneerstigt henen gaen?

Stiechel:

Oudevaer, wy soeckent godskindekyn
soude ons alhier geboren syn,
wy mogtent weten ende des syn gewis
naedient ons dus verkondight is.
D. de anderen knikken heftig.

Josef spreeckt:

Soo ghe dit wenscht syt ghy te regt. –
Hier leyt het kind daer van ghy seght. 
DH. blijde verbazing.

D. DH. de herders nemen hun muts af, leggen hun stok neer en gaan naar de kribbe. Daar blijven ze staan.

                                                           Jozef/Maria
                                                                 kribje
                                                        G                       St
                                                                     W
Als ze daarna bij het sporeken knielen, kunnen ze op twee knieën knielen, maar ook op een, als Gallus en/of Stiechel dat doen: de ‘staande knie achter. Witok niet helemaal met zijn rug naar de zaal, maar schuin.

GT  (De drie herders plaetsen haerselven voor Josef en Maria en singhen: (lied 15)

Neemt agt myn hert en siet opt wigt
so gunder in de krebbe light;
dat isset kindjen wel gemint
het overschone Jesuskind.

GT (Gallus knielt neder en spreeckt by de offeringhe):

Syt gegroet ghy kindeken teer!
Hoe leyt ghe daor soberlyc neer.
Een bedde van strooy, geen vederken sacht,
alleenich wat stoppelen hoys so hardt.
Niet op somersdach geboren en syt
maor inder bittren winterstyt.
Voort lelyenblanck ende rosenroodt
kiest ghe snippende vorst en coude groot.
U bleke koontjes, u neuzeken fyn
hoe datse schier vervrosen syn,
dat u schone guld’oochjens synder vol
van bittere traenen. Siet hier een pluck wol,
die hebbic u Jesuken metgebrogt
dat u moeder u warrem daor inlegghen mogt,
oock hebbic noch een hantvol meel
dat u moeder een papjen kookt» Tisser niet veul,
maor soot u ghelieft ick coom ereis weer,
bringh ick u Jesuken veul en veul meer.

D. DH. Gallus blijft geknield. D. maakt een beetje plaats voor Stiechel.
D. DH. Stiechel knielt.

GT Stiechel spreeckt by de offeringhe:

Syt gegroet ghy kindeken teer,
hoe leyt ghe daor gantsch vercleumt ter neer!
gins hebtghe u hemelsaele groot
en coomt opter aert nakend, arm ende bloot;
een kruycksken mellek moghtic u schencken,
nu biddic u, wilt myns gedencken.

D. DH. Witok knielt, de anderen blijven geknield.

GT Witok spreeckt by de offeringhe:

God gheef u goên dach lief kindeken,
syter gegroet lief Jesuken!
Ghy die syt coninck boven al
geboren, gelaeft in een schaemelen stal;
ick bringh u, cooninck, een wolligh lam,
verschoont dattic niet mit meerders en quam. –

Josef spreeckt:

Ghy herders, van herten danck geseyt
van gaven end’ offerveerdicheyt.

Maria singht: (lied 16)

D. Maria gaat staan en opent haar handen vriendelijk dankend. Bij de laatste regel, maakt ze een zegenend gebaar.
DH. Maria blijft zitten.

Ghy herders, van herten danck geseyt
van gaven end’ offerveerdicheyt.
God wil u neerinck doen gedy’n
en laete u schaepkens tierigh syn.

GT De herders singhen, noch immer geknield: (lied 17)

Buyght by het krebbeken neder,
wieght twichtjen heen en weeder,
dat wilder ons al genesen dat kindeken sy gepresen.
O Jesuken soet, o Jesuken soet!

D. De herders gaan staan, nemen hun stok en muts en verwijderen zich langzaam van de kribbe, naar de voorgrond, nog steeds omkijkend naar de kribbe met een peinzende uitdrukking. Er ontstaat een kleine pauze. Jozef kijkt hen na.
DH. De herders gaan staan, pakken hun stok en buigen ten afscheid naar de kribbe en Maria. Jozef pakt het lantaarntje en wijst ze de weg. Ze blijven omkijken en zetten tenslotte hun mutsen op. Ze lopen terug naar hun plaats links op het toneel. De stemming is ernstig, maar ook blij. Wat ze gaan zeggen is eigenlijk onbegrijpelijk voor hen. Af en toe onderbroken door kinderlijke vreugde of verwondering. 
Om de afstand vanaf de kribbe naar de plaatsen van de herders niet te lang te laten duren, kan Gallus onder het lopen met zijn tekst beginnen. 

Gallus spreeckt:

Tis wonder hoe ment keert of wendt
dat hy geboren is so onbekend,
gebrek en coude deerlic lydt
en toch regeert de waereldt wydt

Witok spreeckt:

Hy quam hier opter aarden erm
op dat hy onser hem ontferm
en maek’ ons in synen hemel ryck
even selfs d’enghelen gelyck.
Sulcx doet hy dat den mensch moght leeren
van hoverdy hem of te keeren,
dat hy niet leve in stacie ende pragt
maor regt deemoedigheyt betraght.

Stiechel spreeckt:

Tcan ons getroosten in onsen moet
deur dien hy is van coninclyc bloet.
Coningh David was oock een herdersman
ent is meraeckel wat hy heeft gedaen:
het staet te lesen inder schrift als dat
hy versmoorde de maghtige Goliat.

Gallus spreeckt:

Als we efter totten ghesellen gewaghen
van tgeenme alhier mit ooghen saghen,
veur den sot sullens’ons houwen,
’t noyt niet gelooven,
want deuse saeck gaetet verstant te boven.

Witok spreeckt:

Myn moetet vant hert offic wil of niet,
voort segh ick den lantheer wat hier is geschiedt
en sal morgen den dagh nae Hierusalem gaen
en segghen het oock den stadthouwer an.

D. De herders zetten hun muts goed recht en zingen het 1e couplet van lied 14. Dh. idem.

Stiechel spreeckt:

 

DH. Crispijn zit op de plaats voor het toneel en beklimt dat moeizaam.

Siet Crispyn coomt tonswaert, had niet gedocht
ons aentreffen, heyt wis opter heyden gesogt.

DH. Stiechel ‘haalt’ hem naar de anderen, klopt wat op zijn schouder, de anderen maken vriendelijk groetende gebaren.
God moet u groeten, myn goe Crispyn!

Crispyn spreeckt:

God moets u lonen, oû Stiechel myn.

D. Crtispijn is wel oud, ietwat dommig en langzaam, met de situatie verloren. DH. Crispijn is ‘doof’ en ‘blind’, maar wel helderziend.
Hij herhaalt een aantal woorden voor zich heen. 

Galllus spreeckt:

Hoe macht wel mit onsen kudden syn?

Crispyn spreeckt:

 

D. Bedachtzaam. Hij toont met zijn hand de grootte aan.
Werentlich de schaepkens weyde alle te gaor,
groot’ende clene, so d’eene als d’aor.
Hebt ghy bygeval oock heuren verluyden
wat of die geruchten int volc beduyden?

Gallus spreeckt:

 

D. Hij slaat hem op , werentlich’ krachtig op de schouders

Werentlich! in Betlem leytet kindeken
al in een krebbeken, tusschen os end’ eselken
DH. Crispijn herhaalt ‘kindeken’  ‘ezelken’ ietwat verbaasd.
D. hij schudt steeds het hoofd alsof hij het niet begrijpt, ook later bij het zingen.

Schout ghe selver gheerne twonder aen,
moetghe morghen inder vroegt opstaen
en mit onslie nae Betlem gaen.

Crispyn spreeckt:

Hoe veer ist wel?

GT Gallus spreeckt:
DH. alle drie, als hielden ze hem een beetje voor de gek.
Tot gh’er bent!

Crispyn spreeckt:
D. brengt zijn wijsvinger naar zijn voorhoofd alsof hem een lichtje opgaat.
DH. Enige aarzeling tot hij het snapt.

Jao, jao, ick sallereis bedencken
ent kind een slip van myn pelsvagt schencken.
DH. de slip wordt bewonderd door de anderen.

GT De herders, agter malkaer in een kringhe gaende, singhen: (lied 18)

D. de herders zingen, achter elkaar in een kring rondlopend.
DH. Hier is een groot verschil, evenals bij lied nr. 14. Ik hoor Veltman nog uiteenzetten, dat de 3 herders de drieledige mens verbeelden, in de driehoek, die kosmischer is en dat Crispijn als het jonge Ik, de 4 compleet maakt die als vorm ook het vierkant heeft. Daarom moet dit lied duidelijk in een vierkant worden gelopen, met strakke 90º hoeken. 
Elke zin of 2 zinnen een zijde van het vierkant.

Herdersluyden vro en bly
waren by den schaepen,
opten velde waekten sy
en leyden haer slaepen
Toen voer een enghel tot haer neer
vol heerlyckheyt so datse seer
in schrik en vreesen waren
De enghel sprack: vreest niet met al,
veel vreucht den volcke wesen sal,
‘k bringh u blyde maeren

Nu is het afhankelijk van de grootte van de speelruimte, of er op een toneel gespeeld is of niet, waar de spelers zaten enz. hoe de kompany zo harmonisch mogelijk weer een geheel wordt. In ieder geval moeten Jozef en Maria ‘opgehaald’ worden, waarbij Maria en Jozef met uitgespreide mantel het kindje uit de kribbe halen dat Maria dan op haar arm draagt. 
Uiteindelijk loopt de engel voorop, gevolgd door Jozef, Maria, sterrenzanger (geen uitgeklapte schaar: het kind is geboren!), de 4 herders en de 3 waarden. 
Er kan een ommegang door de zaal volgen. Soms gaan aan het eind de spelers voor de banken staan, soms gaan ze allemaal het toneel op en vormen een halve boog. (Klaar op het einde van het lied – soms extra pianospel nodig.) Dan gaat de engel weer het podium op of komt vanaf zijn rechterplaats naar midden voor.
D. spelers gaan na de ommegang weer op hun banken zitten. De engel gaat het toneel op en maakt 3 buigingen.

GT De kompany singht: (lied 19)

1.
Juyght nu juyght, soo arm als ryck!
Ons is op deusen dach
een kind geboren heuchelyc
dwelc aller dinc vermagh,
oock heyligh is daer by,
tis Jesus Christus, hy
die quam om ’s menschen sond voorwaer
uyt synen hemel claer.
2.
Bedenckt hoe hy is ofgedaelt
in noot en nederheyt,
in Betlem so de scrift verhaelt —
al in een schuere leyt.
Een krib syn woninck is
die toch een coninck is,
den hoochsten coninck wyd ende zyd
op d’aert in eeuwicheyt.

GT (kompany af)

De enghel spreeckt:

D.Bij groeten: soms 3x, soms 1.
DH. 1x.

Aghtbaere, seer vroede, goetgunstige heeren,  D. 3x op het eind, of 1x na achtbare, vroede, goedgunstige.
oock deugtsaame vrouwen ende joncvrouwen in alle eere, D. 3x of 1x als boven
wilt altegaer niet euvel duyden
dat wy ons spel vertoonden voor uluyden.
‘k Bid so wy quamen veuls te cort
tons niet en aengerekend wort
maer alles dat wy schuldich bleven
onse onkunde mach syn toegescreven:
Hiermet elckeen het alderbest betracht,
so wenschenme van God almagtigh een goede nagt.

GT(af)

D. De engel haalt de anderen op, leidt ze allemaal over het toneel. Ze gaan in een rij staan naast elkaar en maken een buiging voor het publiek. Dan gaan ze op de achtergrond, engel voorop, van het toneel.
DH. of andere situatie. Als je al op het toneel staat, wordt het ‘een goede nagt’ met een buiging, door de spelers herhaald. Dan gaan ze bijv. door de zaal naar de gang onder het zingen van het tweede couplet. van lied 19.
.

Deel 1: Vanaf het begin t/m lied nr. 4 ‘Keizer Augustus’.
Deel 2Van Jozef: ‘Keyser Augustus heeft een gebod gegheven’ t/m het lied 8: ‘Geboren is in Bethlehem’.
Deel 3: Vanaf de herders t/m het lied ‘Vrolycke herders’ (14)

Kerstspelenalle artikelen

.

2352-2207

.

.

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Herdersspel regie-aanwijzingen (3)

HET KERSTSPEL UIT OBERUFER

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET KERSTSPEL UIT OBERUFER

Deel 3 

Vanaf de herders t/m het lied ‘Vrolycke herders’ (14)

Van de herders wordt wel gezegd dat ze ‘denken – voelen – willen vertegenwoordigen’. Je kan bij Stiechel wel iets zien van een ‘wil’, bij Witok ‘het gevoel’ en Gallus heeft regelmatig wat ‘hoofd’zaken. In het spelen kan er (iets) rekening mee worden gehouden.

Gallus begint te spreken. Hij kan van linksachter op het toneel naar voren komen, maar hij kan ook vanuit de zaal het toneel op ‘rennen’.
D. Gallus verschijnt op de achtergrond.

Gallus treet op en spreeckt:

Heyda ho hee!
lck had gedocht ick sou de leste syn
en waorlyck synder haôrluy noch naer myn.
Ooy, ooy, wat isset bitter coudj
De vorst nypt vinnigh int gelaet
dattic niet weet waor myn neus staet.
D. wrijft en blaast in zijn handen, wrijft over zijn neus, schudt.
DH. zoekt zijn neus.

Myn wollen wanten heyt Stiechel geborregt:!
hy borregtse als maôr, keer op keer.
Waor blyft nouw myn broeder Stiechel weer?
Ick kyck ‘reis efkens rond en te omme:
daor sienck sowaor myn broeder Stiechel kommen.
D. komt van achter.
DH. uit de zaal.

Stiechel:

Heyda ho hee!
Ick had gedocht ick coom te eersten aen
en waorlyck sien ick broeder Gallus daor al staen.

DH. Gallus staat links, Stiechel rechts van hem, maar niet voorbij de boom.

Gallus:

Stiechel hoe ist mitten kudden en schaepen gestelt?

Stiechel:

Ei Gallus, ‘k bender by-naest styf bevroren.

Gallus:

Ei Stiechel, bentghe by-naest styf bevroren?
Siet er eens myn bei handen aan
DH. Gallus laat zijn handen zien.

Stiechel:

Ei hebtgh’ er maor tweu kwansys?
DH. Stiechel pakt ze even beet en op dat ogenblik trekt Gallus de handschoenen van Stiechel uit en doet ze zelf aan.
alle hondert en dusent wat maecktghe me wys!

Stiechel:

Ei waor blyft broeder Witok so lanck?
Ick kyck ‘reis efkes rond en te omme,
daor sienk sowaor myn broeder Witok kommen!

D. Witok van achter; DH. Witok komt vanuit de zaal.

Witok:

Heyda ho hee!
ick had gedocht teerst by de schaepkens syn
en waorlyck synder haorluy noch voor myn!

Stiechel:

Gy komter oock alle hondert en dusentmael te spa.

Witok:

Myn wyf en lietme niet gaen voor dat
‘k de oü schoenen hadde benayt en gelapt.-
D. de andere twee draaien zich een beetje weg om hun lachen te verbergen.
DH. hij wil de zolen laten zien, maar kan zijn voet niet zo hoog krijgen; Stiechel duet het dan omhoog, waardoor Witok bijna valt en door Gallus wordt opgevangen. Dit is een van de vele ‘grappen’ die er in zo’n stuk kunnen voorkomen. Daar kun je in variëren. Als het maar niet te veel wordt en te overdreven.

Trouwen! wen de vorst niet en luwen doet
gaen wylie een coude waeke temoet.
D. de andere twee grijpen naar hun neus.

Gallus:

Stiechel ‘kmogt weten oft u ter oore quam
dat skeysers stadthouwer, Cyrenius by naem,
int lant een groote beschryvinck laet houden,
daor van alle man hemslefs loscoopen soude,
op straffe vant verlies al synder have en goets:
Wie can daor wesen vrooen moets?
D. draait zich een beetje weg, krabt op zijn hoofd.

Stiechel:

Ei vrund Gallus wat seghtghe daor?
Is dat gebaesel of ist waor?
Tvolc verwagt dat de qua tyen verkeeren,
en moeten de sorghen noch vermeeren?

Witok:

Och gaet de verwagtinck noyt niet ten endt?
o wee onse jammer en onse ellend!
datter de sorgh noch vermeeren most!
we comen al swaer genog an de kost.
tis ongeluck op ongeluck
daor onder yeder gaet gebuckt.

Gallus:

D. Gallus klopt Witok op de schouder.
DH. hij doet beledigd.

Loopt Witok, ghy hebt toch niet claeghen?
Wilt liever nae myn armoe vraeghen.
Ick erme slocker geen ruste noyt sagh!
Ick worde geplaeght by nagt en by dagh.
Voor en naor bennic met de schaepen,
noyt van syn leven geen tyt om te slaepen.

Stiechel vooral, en Witok maken een gebaar van ‘wat duurt dat lang’.

Gister noch, toen ick was oppet veldt,
neerstlyc myn schaepkens hadde geteldt,
DH. hij doet het uitvoerig voor.

ten synder te mael niet bystern veul,
daorck u cort de oorsaeck van segghen wil.
D. Hij neemt Witok apart.

Stiechel:

Seght dan op, ghy ouwe wouwelaer!

Gallus:

D. en DH. Het woord wolf was gevreesd. Gallus aarzelt even voor hij het uitspreekt.
Een goê deel heyt de… wollef levend verscheurdt.

D. De herders kijken bij ‘wolf’ elke keer geschrokken om en zakken door de knieën – hurkhouding.
DH. ze springen dan op.

Stiechel:

Tcan altemet deur den slogtershond syn gebeurd;
dan synser by ongeval dootgebeten;
moet als subiet oock wollef heeten?

Gallus:

Myn trou, Stiechel, houdt uwen mond,
byt niet de wolf kreck so hart als de hond?

Stiechel:

Ja noch veul harder.

Gallus:

Segt myn maor hoet is toegegaen
als hadtgh’er sellef by gestaen! –
D. ze krijgen handtastelijk ruzie. DH idem.
 
Witok:

Myn wyf die heyt ons grutten gebacken!
In D. heeft hij een grote knapzak aan zijn arm, zwaait ermee en gaat zitten en begint hem uit te pakken. De twee andere herders gaan ieder aan een kant naast hem zitten en kijken geïnteresseerd toe.
Witok laat bezwerend tussen G en S in, langzaam zijn stok dalen waarin bovenaan een zakje hangt. G en St houden verbaasd op en kijken nieuwsgierig mee.

Die laetenm’ ons te nagt wel smaecken.

Stiechel:

Is ter oock speck by altemet?

Witok:

Drie sulcke hompen, louter vet!

D.Witok verdeelt. DH idem.

(Sy setten haer neder en eten)

DH. Als ze uitgegeten zijn gaat Witok onder het spreken langzaam staan, de anderen volgen zijn voorbeeld.

Lestent wierdtme inder brêe vertelt
twaor van God in eeuwicheyt bestelt
dat tonsent den begeerden messias sou comen
tot solaes en verlossingh van allen vromen.
Alsdan sullen wuylie hier beneden
bevryt syn van druck en benauentheden

Gallus:

D. Gallus gaat staan; Stiechel iets later. Dan komen ze in een driehoek te staan punt naar achter. 

Och waor’ den messias digt byder hant
dan soudenme setten al sorghen aen kant,
van louter iolyt soudenme springhen,
met vrolicheyt gode het gracie singhen.
(sprong)

DH. ook driehoek en
GT (sy staen op haeren herdersstaf geleunt in een driehoeck tegenover malkandren en springhen tegelycker tyt omhoogh ten teeken haerer blydschap)

In D. pakken ze dan samen de knapzak en leggen die opzij.

Stiechel:

Twelcker tyt ende plaetse moetet geschien
datme der armen solaes mogten sien?

Witok:

De tyt is niet en aen gegheven,
doch van de plaetse staet geschreven,
in Betlehem wort hy geboren
van eener maagde uytvercooren. –

D. Gallus bezinnend. DH. begint luidruchtig te gapen, de anderen even later ook.

Gallus:

Nu hoort ‘reis hier goê broeders myn
daorme mit syn drieën by malkanderen syn
meughenme wel efkens d’ooghen sluyten
end’een cortewyl slaepen hierbuyten.

GT (De herders legghen haer neder en slaepen in.)

Bij het liggen moet je er rekening mee houden dat de engel nog een boog kan maken om de herders heen. Het ‘ommerollen’ moet niet zoveel aandacht krijgen dat de engel ‘weggespeeld’ wordt. DH. De engel komt midden achter uit de coulissen.
D. er staat zoiets als ze staan naast elkaar en vallen met hun hoofd in de richting van de kribbe, richting Jozef en Maria en slapen in. Kleine pauze. Op de achtergrond verschijnt de engel, op een verhoging, zo mogelijk springt hij van een nog hogere stelling op dit podium.

DH. engel staat stil staf in rechterhand.

De enghel comt en singht: (lied 9)

Gloria, gloria, in exelsis
Ick bringh uliën een maere blydt
en allen volcken op aerde wydt.
O Christen maekt
u op en waeckt;
gezwind tot de kribbe, gezwind tottet kind –
gezwind, gezwind!
Wackere hersluyd, flucx op de been
spoeter nae Betlehem alle met een;
groeter met fluytekens ende schalmei’n
gins indien stalle het kindeken kleyn,
het kindekeyn, het Jesulyn!
Ghy herders, ghy herders, en syt niet bevaen,
siet, groote blydschap segh ick u aen

D. Tijdens dit lied draaien de herders zich onrustig om. DH idem.

D. Gallus spreekt in zijn droom.
DH. herders spreken in visioen, droomachtige stem.

Gallus spreeckt in den droom:

Stiechel, wat moet dat kwinkeleeren ende selsaem gedruis
me dunckt, het is niet heelendal pluys,
of isset een gespoock quansuys?

Stiechel spreeckt:

Sowaor, tis wonder boven wonder,
also dra sienic iet van onder
myn hoet vandaen, ofc speur so felle ligt,
wat schynt gins voor een droomgesigt?

Witok spreeckt:

Een stemme hoor ick hel en klaor
het lykent wel een enghlenschaor.

D. flinke pauze.

De enghel singht: (lied 10)

DH. Vanuit de zaal gezien: hij loopt rechts om Stiechel heen naar links, langs Gallus en dan naar achteren weg.

Van hemelsrycken coom ick neer,
een hemelsbode van also veer;
veul goede maeren bringh ick u,
die segh ick en die singh ick u

D. De engel staat stil op dat podium en blijft nog even staan, dan daalt hij dat podium af en verdwijnt in een mooi boog links naar de achtergrond, terwijl hij de ster nog een keer in de richting van de herders hoog houdt.
Na een kort ogenblik gaat Gallus ‘omslachtig’ staan, slaat zijn kleren af en glijdt een beetje weg.

GT (Gallus ryst en spreeckt tot Witok):

Past erop, so gladt als een spieghel.

Witok:

D. Witok gaat ook staan, langzaam, glijdt ook weg.

Als ’t is: en deuvenkatersgladt;
theyt mot gereghent:
gants vol ysel is myn baerdt!
D. hij slaat de druppels van zijn armen, voelt in zijn gezicht.
Gallus kijkt ernaar en richt zich dan tot de slapende Stiechel.


Gallus:

Stiechel, staet op, de hemel kraekt alree!

Stiechel:

D. Stiechel heel slaperig. DH idem.

Ei laotmaor kraecken, hy is waorlyc oud genog daorveur.

Gallus:

Stiechel, staet op, de veughelkens tuytren al!

Stiechel:

Ei laotmaor tuytren!
In haorlie clene heufd’ en steeckt geen groote vaeck.

Gallus:

Stiechel, staet op, de voerluy zwiepen al langs de weghen.

Stiechel:

Ei laotmaor zwiepen, se hebben noch ’n geseghent endt ryen.

Gallus:

Ei ghe mot doch op staen!

D. tijdens deze dialoog zijn Gallus en Witok steeds dichter naar Stiechel toegekomen. Ze stoten hem met hun stok aan en Stiechel staat langzaam en omslachtig op. De anderen kijken gespannen afwachtend naar hem en als hij staat, glijdt hij ook uit en valt pardoes plat op zijn buik. De anderen lachen achter hun hand.
DH. Bij ‘ghe mot toch opstaen’ pakken ze hem onder de armen en trekken hem overeind; ze laten hem los en Stiechel valt op zijn buik. Dan zeg Gallus schijnheilig:

Past erop Stiechel, so gladt als een spieghel.

Stiechel:

D. Hij gaat met moeite staan.

Ei alle hondert en dusent!
Costgh’ oock niet waerschouwen
voor dat ‘k myn pens hebbe bont ende blau gestooten?
DH. Nadruk op ‘voor’

D. Hij klopt zich nog wat af.

GT (tot Gallus):

DH. Het ligt voor de hand de klemtoon hier op gedroomd te leggen.

Ha myn Gallus! wat hebt ghy wel gedroomt,
Wat hebt ghy wel gedroomt?

Gallus:

Wat ick gedroomt hebbe?
dat can ick u vry segghen.

GT (Alle drie keeren in eenen driehoeck staende malkaer de rugghe toe en leunen op haeren herdersstaf)

D. De herders staan in een driehoek met het gezicht naar elkaar toe, leunen op hun stok en springen daar omheen. zodat ze nu met hun rug naar elkaar staan.
DH. Idem. Ze wiegen bij het zingen langzaam heen en weer. Te vlug maakt een te wakkere indruk!.

Gallus singht: (lied 11)

Ick docht in eenen stal te gaen,
Sach daer een os end’ esel staen
die uyt een krebken vraten;
beneven haer een joncvrou teer,
een edel grysbaert saten.

Nu is de slaepenstyt voorby!
quam elcke naght dien droom tot my
ksou gheern tot zeuvenen slaepen. –

GT (sy keeren haer weder naer malkaer toe)

D. Ze draaien zich weer met een sprong naar elkaar toe.
DH. Idem.

DH. De situatie was zo:

De herders schuiven op, zodat Witok achter staat.

Stiechel:

D. Nu de nadruk op ‘ghy’ en ‘myn’.
DH. Idem.

Ha myn Witok, wat hebt ghy wel gedroomt,
dat ghy neffens myn so ornmerollen en ommetollen deet?
wat hebt ghy wel gedroomt?

Witok:

Wat ick gedroomt hebbe?
Dat can ick u vry segghen

D. Met de ‘stoksprong’ keren ze elkaar weer de rug toe. DH. idem en wiegen.

GT (sy keeren malkaer de rugghe toe)

Witok singht: (lied 12)

In stille kersnagt opten lant
deur diepe slaep wierck overmant,
myn hert deet overvloeyen
van soete vreucht en honigh goet
en rosen deden bloeyen.

GT (sy keeren haer malkaer weer toe)
Met de ‘stoksprong’. DH. Ze schuiven op.

Gallus spreeckt:

D. De klemtoon op ‘ghy’ en ‘myn’. DH. idem.

Ha myn Stiechel, wat hebt ghy wel gedroomt,
dat gh’u neffens myn so ommerollen en ommetollen deet?
wat hebt ghy wel gedroomt?

GT (sy keeren malkaer de rugghe toe)
D. DH. Met de stoksprong.

Stiechel singht: (lied 13)

Ick droomd’ als dat een enghel quam
en ons nae Betlem met hem nam
in varre joodsche oorden:
een wonderdinck was daer geschiet,
twas wonder watme hoorden.

D. De herders maken een sprong naar elkaar toe, staan rechtop, slaan hun kleren af, pakken hun muts en zingen in een kring achter elkaar aan.

GT (De herders singhen, in eenen kringhe agter malkaer gaende: (lied l4)

Hoewel ook hier wordt aangegeven in een kring te lopen, was er in DH. toch meer sprake van de driehoek, juist om te benadrukken, dat wanneer Crispijn straks meedanst, het vierkant de vorm is. Op elk couplet werd weer van richting veranderd. 

1.
Vrolycke herders, olycke knapen
die singhen alse niet en slaepen:
heisa ho hee! laet lustigh ons singhen,
welgemeyt int ronde springhen.
David een kloecken herder was,
droegh oock een staf ende herderstasch.
2.
Pypend een liedeken, sat van te slaepen,
so hoeden wy ons kuddeken schaepen,
bly singhen wy, God heere ter eere,
wie salt weren, d’ruggh’ er toe keeren?
Ddaer isser geen soot euvel diet,
deet te mael David het selver niet?
3.
Toen hy de viant hadde verslaghen
wierdt hy coninck al syne daghen,
cieraet der joden, schepter in handen,
potentaet vans heeren landen.
Alleman mach op David sien:
synder die herders geen wackre liên?

.

Deel 1: vanaf het begin t/m lied nr. 4 ‘Keizer Augustus’.
Deel 2: Van Jozef: ‘Keyser Augustus heeft een gebod gegheven’ t/m het lied 8: ‘Geboren is in Bethlehem’
Deel 4: Vanaf lied nr. 14 tot einde.

Kerstspelenalle artikelen

 

2351-2206

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (49)

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Pieter HA Witvliet

ZWERFTOCHT MET KORILU

Jasper en Korilu zijn de hoofdpersonen in dit verhaal vol onmogelijkheden, maar die je toch voor lief neemt, omdat ze nu eenmaal door meester-verteller Thea Beckman zijn verhaald, dus meeslepend. Hoofdpersonen is eigenlijk te veel gezegd: we weten dat (de) Korilu geen persoon is. Wie of wat dan wel? Dat blijft het hele verhaal een raadsel. ‘Het’ zullen we maar zeggen, reist ontzettend graag en samen met Jasper maakt het een wereldreis waarop doldrieste avonturen worden beleefd. Jasper is een intellectueel knappe jongen, maar al reizend komt hij erachter dat ‘iets weten’ niet meteen betekent dat je er ook iets aan beleefd hebt.
Die belevingen ervaart hij nu ruimschoots. We worden over de hele wereld meegenomen: wij lijden schipbreuk, ontmoeten Indianen, moeten vluchten voor een vulkaan, gaan goudzoeken, worden gevangen genomen en weer vrijgelaten. En altijd is daar weer – als inspirerende genius ‘(de) Korilu…..

ZWERFTOCHT MET KORILU

Thea Breckman
Ill. Ingrid en Dieter Schubert

BOEK
Oorspronkelijk verschenen bij Lemniscaat

12 jr

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2350-2205

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – – Kerstspelen – Herdersspel regie-aanwijzingen (2)

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET KERSTSPEL UIT OBERUFER

Na lied nr. 4 zit Maria op een krukje, Jozef staat naast haar.

Josef spreeckt:

Jozef pessimistisch, Maria optimistisch; Jozef oud, zeurderig, Maria jong, onbevangen.

Keyser Augustus heeft een gebod gegheven
dat allet volck te saem sal syn bescreven
end elck van stonden aen sonder respyt
tot brenghen van tribuut hemself bereyt.
Wyl nu voor onse nootdruft wierdt besteet
het geldt so ick terzyde legghen deet,
rest ons temet geen duyt noch penninc meer;
alsulck ellend geclaegt sy god de heer
verslagenheid

‘k En weet oock geen middel hoe geldt becomen,
myn kragten hebben of genomen,
het hantwerck wierdtme alree te swaer –
dat wil my bedroeven voor ende naer.
Alevel willic sonder draelen
Augustus dit tribuut betaelen
na skeysers wille en gebod.

Maria spreeckt:

D. Maria bescheiden de handen strekkend, vriendelijk, troostend, rustgevend, hartelijk

0 Josef en laetet u niet verdrieten,
die som salmen wel veur willen schieten;
ick spreecker een vrund aen te morghen,
syt hier om sonder sorghen.

Jozef spreeckt:

Maria wie isser so wel gestelt
om ons verstrecken so veul geldt?
de schaerschte heerscht aen alle kant.
(even stil)

Wy willent legghen in gods hant.

Maria spreeckt:

D. hoofdschuddend

Als geenderlei midd’len te vinden en syn
dan bindenme ‘tosjen an de lyn
en leydent nae Bethehem met spoet
alwaer Augustus ons heentyen doet,
laet ons ‘tgins om een luttel vercoopen
so macht noch goet afloopen.

Jozef spreeckt:

Eerst bijna beledigd, maar hij wordt nu steeds optimistischer.

Soome veur de beschrvvinck het osjen geven
hoe onderhouwemme verder ons leven?
daer op ick al hope ende heul had gebout
om een kleynicheyt het vercoopen soud?
Edoch, waert geldt van noode is
het minste quaat geboden is.
Maria het eselken bringt ereis aen,
ick sal mettet osjen nevens u gaen.

D. Ze lopen naar het kripje en nemen os en ezel mee en lopen daarmee over het toneel. Wanneer ze achter de boom zijn, gaat de engel staan en leidt de kompany het toneel op. Ze lopen over het toneel en zingen lied 5 twee keer.
Tijdens deze gang gaan de waarden en de engel achter het toneel, terwijl de anderen weer terug gaan naar hun plaatsen.
DH De engel en de waarden zijn al achter de coulissen gebleven. Jozef en Maria lopen naar links, terwijl de spelers de melodie van 5 (=3) neuriën.

Maria spreeckt:

Langzaam verliet Maria de moed, Jozef wordt krachtiger

Comen wy nu ter stadt so meteenen
waer brignhenme os ende eselken henen?

Jozef spreeckt:

Een man is my aldaer bekent.
Rufinus, houdt een losament;
daer sullenme ondercomen vinden;
os end’ eselke in den stalle binden.

Maria spreeckt:

So efter vreemden waren gecomen
en al de plaetse waar’ in genomen? 
wyl dat veul volos van alderhant wys,
slagh ende soort alsnu nae Betlem reyst.
Jozef vertwijfeld de handen omhoog: onzekerheid

Josef spreeckt:

Jozef tuurt met hand boven ogen

Maria ick sien de stadt op daegen,
wy willent vee een weinigh jaegen
dat niet de poorte quam te sluyten
enm’ overnagten mosten daer buyten.

Jozef is wat harder gaan lopen, Maria blijft enkele passen achter; hij drijft ook het vee naar voren; Maria blijft dan staan.

Maria spreeckt:

0 Josef en haest so ras niet voort,
het gaen my swaerder en swaerder wort,
de baen is ach so gladt van ys,
ick vreze te vallen telken reis,
van coude syn my de leden bevaen
ick vreze het mogt my qualich vergaen.

Jozef houdt in; luistert, draait zich om en keert terug; legt een arm om Maria; ze lopen weer langzaam verder.

Josef spreeckt:

tavond wenme ons wit bereycken
sullenme soetjens de leden bestrycken
met doecken so heet,
(kleine Pauze) optimistisch

Maria siet aen,
alreets wy voor die herberghe staen.

Ze zijn nu op de plaats waar Rufinus achter de coulissen links staat. Jozef stampt met zijn stok op de vloer

(de waert comt)

Kijkt meer naar publiek dan naar J en M

God gheef u genavend myn goe Rufyn,
meughenme te nagt in u herberghe syn?
wy comen moey van langhe togt,
so als elck reysersman wel kennen moght.
De nypende cou heyt ons bitter gequelt,
de snerpende windt het gesight schier ontvelt.
D ze wrijven over arm en wang

De waert spreeckt:

Maakt gebaren vanuit de ellebogen, kijkt Jozef nauwelijks aan

Vriendt, wilt u gaôdingh elder soecken, 
hier ist beset in alle hoecken
van kelder tot solder vroegh ende spâ
het is sowaer als ick hier stae
Myn losament omt seersten is gesogt,
een waert van myn postuur coomt immer plaets te cort –

D. tijdens de laatste zinnen richt de waard zich trots op en slaat met de hand op zijn borst.
Nu lopen J en M achter de boom langs naar de overkant van het toneel.

Jozef spreeckt

Nu en ken ick lacie geen ander man
so ons behulpigh wesen can,
doch laet ons hierom niet versaghen
en voort op nieus een poginck wagen,
den gebuere bidden met heuschen groet
of hy bygeval ons beherbergen doet.

Jozef stampt weer 3x op de vloer; DH idem
(een andere waert, Servilus komt)

Myn vrient wilt ons een schuylplaets gonnen
datm’ een wyltydts gerusten connen!

De waert spreeckt:

Laatdunkend kijkend, vijandig. Als hij ze wegstuurt en zijn arm strekt, dan de rechterarm (de linker maakt a.h.w. een afsluiting naar het publiek)
Jozef wat onderdanig voor het contrast. De waard spreekt fel, consonantisch

Wat moetghe hier ghy mit u wyf
blyft bedelvolleck my vant lyf!
Van andren hebbic meer gewin,
landloopers laetmen hier niet in.
Wech van myb deyr en packt u voort
dat ghy my langer niet en stoort (af)
J en M deinzen terug; waard keert zich om en kijkt niet meer om

Maria een paar passen naar voren, naar publiek:

Maria spreeckt:

Ze heft haar handen

Erbarmen mooch hem den rycken god|
datmehenen gaenemet sulcken spot
van coude end’ anghst ‘et besterven,
geen toevlugt en meugen verwerven

Intussen is waard Titus, met lantaarntje, verschenen en komt langzaam naar Maria toe.

De waert spreeckt:

Myn goede vrou waer toe dit claegen,
wat sytghe alsoseer verslaegen?
ghy siet daer is geen plaets hierbinnen,
’t huys tot de nok vol vreemdelingen.
Doch coomic u gheerene temoet:
gaet in den stal, daôr sit ghy goet.

Maria spreeckt:

Jozef staat links, Titus in’t midden Maria rechts

Ach baeslief, ons ist eenerley
oft beddeken hart ofte sagte sy
solanckme voor sneeujagten blyven bewaert,
ons geen moordende windt deur de leden en vaert.

De waert spreeckt:

Treet dan getroost in elck geval
tot myn huys leegh is, in den stal.

Titus voorop, J + M volgen naar krukjes. Waard zet lantaarntje neer; Jozef helpt Maria te gaan zitten en moet dan ook haar mantel die straks bij de geboorte omhoog moet kunnen, vrij laten hangen (zodat M er niet op gaat zitten)

Josef singht (No.6)

(sy setten haer op een krucksken)
Een verwarrend regeltje: dit ‘zsy’ kan betekenen: Jozef en de waard; maar zowel in D als DH is de waard al vertrokken; dan zou ‘sy’ meervoud kunnen zijn van ‘zich’, dat veronderstelt dat ze beiden gaan zitten, maar zowel in D als DH: Jozef blijft staan.

Maria singht (No.6)|

D. Jozef gaat zitten

Josef spreeckt:

Hij is nu veel optimistischer

Mettet kriecken van den uchtend gae
ick totten slagter in Kana;
ons osjen sallic hem offreeren,
sien wat hy hiervoor uyt wilt keeren
daermet ick meughe sonder draelen
Augustus dat tribuut betaelen
na skeysers wille en gebod.

Maria blijft wat aan de sombere kant

Maria spreeckt;

Bringht wel het dierken so veul op
dattet geldt ons langht?

Josef spreeckt:

Hier op betrout,
tcan syn alsdat ick iet overhoudt.
(even rust)

Maria spreeckt:

Maria spreekt met groot wonder in haar stem, a.h.w. een visioen

Ach Josef ’t uur is reets op handen
dattic verlost worde van myn banden,
naby is de gheboorte tyt
daer van Gabriël my heeft aangeseyt

D. Jozef zit naast Maria. DH Het wonder is a.h.w. te groots voor Jozef, te onaards; hij maakt het niet mee; hij wendt zich af. Hij kan ook een paar passen richting coulissen gaan staan, maar dan is het wel handig dat hij al die tijd al rechts (vanuit de zaal gezien) heeft gestaan; dat is ook handiger voor de engel die nu uit het midden van de coulissen aankomt.
Op het lied ‘Een roze fris ontloken’ gaat de ster naar beneden en tegelijkertijd de armen van Maria omhoog, als een euritmische A overgaand in O, dan is het kind ontvangen. De ster gaat omhoog, de engel schrijdt achterwaarts weg en Maria kijkt liefdevol in haar armen

Maria spreeckt:

Hieromrne bid den kasteleyn
oft wy in syn losament mogten syn.
Het is alsof Jozef wakker wordt en hij kijkt alsof hij het kind nog niet heeft gezien en antwoordt eerst:

Josef spreeckt:

Maria hoe sou hy die gonst verleenen
naedienme te veul begeeren mit eenen?
Maar dan realiseert hij zich de situatie: hij ziet het kind:
D heeft dat iets anders: Jozef staat op, kijkt eerst naar het kind en spreekt:

doch wilic totten waert gaen opterstond
en sien in syne woninck rond
oft niet een hoecksken over en waere.

Jozef pakt het lantaarntje en stampt 3x met zijn stok. Titus komt

(de waert comt)

Josef spreeckt:

Baes Titus daer wierdt ons een kind geboren
D. de waard maakt duidelijk verbluft te zijn en slaat op zijn bovenbeen
DH Titus schrikt. Zegt wel dat hij het wel zou willen doen, maar…er moet dus ook wat onverschilligheid klinken.

‘tister van nagt bykans bevroren,
dies biddic u wilt ons toestaen
in u losament binnen te gaen.

De waert spreeckt:

Waerlic vriendt, sulcx gond’ ick u gaaren
als niet kreck tweu dousyn gecomen en waren,
houden alle hoecken en gaeten beset,
siet selfs hoeghe u mit dat kinde redt.
Myn losament omt seersten is gesogt,
een waert van myn postuur comt immer plaets te cort.
D. bij de laatste regels slaat de waard trots op zijn borst

Josef spreeckt:

Jozef komt terug en zet het lantaarntje alvast zo dat het het kribje niet in de weg staat

Maria ons bidden is al verloren,
we blyven in den stal gelyck te voren
maer dattet kind niet koud en hebbe
legh ’t tusschen os en eselke in de krebbe.

Jozef legt zijn stok neer, haalt de kribbe achter de krukjes en zet deze vóór Maria. Dan pakt hij zijn mantel en maakt deze breed, Maria legt het kindje in de kribbe. Jozef pakt zijn stok weer en gaat naast Maria staan.

Maria singht: (No.7)

Wanneer ze om ‘een handeken hooys’ vraagt, geeft Jozef haar dat aan en zij legt het in de kribbe.

Josef singht: (No.7)

Maria singht: (No.7)

Als ze zingt ‘wiegt er met mij’ knielt Josef en zingt zittend:
D. Josef knielt al bij “Myn hert en wil’

Josef singt (No.7)

Einde lied staat Jozef op.

Maria singht (No.7)

De engel komt met de ster en staat achter Maria met een breed gebaar van beide armen
Einde lied: engel gaat naar achter – achter de boom.
De akkoorden van lied N0.8 klinken.
De kompany gaat staan en gaat het toneel op. De volgorde is dan: stz. de 4 herders; op het toneel komt de engel achter de boom vandaan en loopt voor de stz. Ook de waarden hebben zich ‘logisch’ aangesloten achter de herders. Ze trekken langs de Heilige familie D. J en M wiegen het kind en groeten met armgebaren.
D. de engel gaat na het lied van Maria het toneel af en haalt de kompany op. Die loopt eerst door de zaal en dan het toneel op langs de kribbe. Jozef is gaan zitten. DH ook. Opvallend is dat de sterrenzanger hier de ster uitgeschaard heeft. DH niet.
Wanneer in D de kompany weer op het toneel is, blijft de engel even voor de kribbe staan en laat de ster dalen, dat doet ook de sterrenzanger met zijn ster. Dan lopen ze verder, gaan naast elkaar staan en zingen het lied uit. De ster van de sterrenzanger wordt ingeklapt. De engel leidt ieder van het toneel af. De waarden gaan op de banken zitten, de engel en de 4 herders gaan het toneel op naar achteren. Er is een kleine pauze, terwijl Jozef en Maria op het toneel zijn. Dan verschijnt op de achtergrond Gallus.
DH het 2e couplet is een ommegang door de zaal. Daar blijven de 4 herders achter. De waarden en de stz., soms ook Crispijn gaan op de banken zitten, de engel gaat het toneel op en gaat achter de coulissen midden weg. (Of ze staat achter de boom).

Deel 1: vanaf het begin t/m lied nr. 4 ‘Keizer Augustus’.
Deel 3: Herders vanaf het begin t/m hun lied nr. 14 ‘Vrolycke herders’ 
Deel 4: Vanaf lied nr. 14 tot einde.

Kerstspelenalle artikelen

.

2349-2204

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – – Kerstspelen – Herdersspel regie-aanwijzingen (1)

In 1991 verscheen bij Rudolf Steiner Verlag in Dornach, Zwitserland,

WEIHNACHTSPIELE AUS ALTEM VOLKSTUM
DIE OBERUFERER SPIELE

Meegedeeld door Karl Julius Schröer
Toneelscènes van Rudolf Steiner

Uitgave met daarbij regie-aanwijzingen volgens de enscenering in D0rnach.

Toen ik met dit spel in de jaren 1970 op de Haagse vrijeschool meespeelde, heb ik gedurende een aantal jaren allerlei aantekeningen gemaakt.
Vaak werd het spel geregisseerd door Noor Gerretsen. Haar ouders hadden het spel in het prille begin ook in Dornach gezien en vanuit een zekere herinnering volgde Noor allerlei  ‘oorspronkelijke’ regie-aanwijzingen. Een menigsverschil over het een of ander werd vaak beslecht met: ‘Ja, maar het is Angabe.’ Deze Angabe=aanwijzing=zou dan van Steiner zelf afkomstig zijn.

Nu de spelen ook al weer zo’n 100 jaar opgevoerd worden (vanaf 1915) – over de hele wereld – kan het niet anders of er doen zich veranderingen voor. Meestal geen grote, maar toch, die afwijken van wat hier gezegd wordt. Zolang deze het beeld niet verstoren of het juist ten goede komen, lijkt me dat geen probleem. 

Het kan bijna niet anders dan dat in zo’n lange tijd ‘toevallige vondsten’ een eigen leven zijn gaan leiden en ook in de ‘Angabesfeer’ terecht zijn gekomen.

De verklarende tekst in groen is die van het boek, in blauw van mij. De spreektekst is de gangbare tekst zoals die in Den Haag werd gebruikt. Wanneer nodig, afgekort met GT. De afkoring DH betekent: zo zag ik dat in Den Haag in de jaren 1970. Wanneer er sprake is van ‘rechts of links’ is dat steeds vanuit de zaal gezien.

HET KERSTSPEL UIT OBERUFER

De spelersgroep:

Engel met staf, Maria, Jozef, sterrenzanger met de ster ( hij houdt de ster boven het hoofd van Maria. Sterrenzanger loopt steeds één pas voor op de anderen, Gallus, Stiechel, Witok, Crispijn, 1e waard, 2e waard, 3e waard.

DH. Engel, Jozef, Maria, sterrenzanger, Gallus, Stiechel, Witok, Crispijn, 1e waard, 2e waard, 3e waard. De sterrenzanger heeft de ster niet boven Maria, pas na de verkondiging!)

In het boek staat dan, wanneer de kompanij gaat zingen: de sterrenzanger voor het eerst voorop, gevolgd door engel, Maria, Jozef, de 3 waarden, de 4 herders.
Dat veronderstelt dat de kompanij niet zingend binnenkomt.

DH begint met – de spelers zijn nog niet in de zaal, maar staan voor de deur – driemaal hard op de deur te slaan. De muziek begint te spelen en de spelers gaan zingen:

De kompany singht by het binnengaen

Lied 1

Seegnen wilt ons binnengaen,
onsen uytganck, heer, daerneven –
Seegnen wilt ons gaen ende staen
’t daeglycx broot end’ allet leven.
Seeghent ons mit salich sterven
laet u hemel ons beërven.

(Let op: 2x seegnen, de 3e keer seeghent)

Al naar gelang van de grootte van de zaal, is de kompanij vóór het toneel aangekomen. Dornach oppert om in bepaalde gevallen het eerste couplet 2x te zingen om uit te komen.
Het kan zijn dat er geen of nauwelijks ruimte vóór het toneel is, in dit geval gaan de spelers allemaal het toneel op, waarbij ze de volgorde ‘verliezen en zomaar ergens staan’.
Is er wél ruimte, dan staan de spelers nog in volgorde en springt de sterrenzanger het toneel op.
In Dornach draaien de spelers hun gezicht naar de sterrenzanger op het toneel – dus met de rug naar het publiek. Hier begeleidt de engel Jozef en maria het toneel op en deze gaan op hun krukjes zitten.

DH doet dit niet en laat alle spelers het toneel opgaan, nog in de volgorde waarin ze staan, maar op het toneel verliezen ze dus die volgorde. En op de woorden van de sterrenzanger: ‘kreck als de spieringh in de pan’ gaan ze heel dicht bij elkaar staan.
Bij ‘posteert u in den kringhe’ gaan de spelers in een halve boog achter hem staan, verdeeld over het hele toneel van links naar rechts. Maria gaat op het krukje zitten.

Dan is de situatie zo:

image-4

Het Sterregesanck:

Goe sanghersluyden myn
versaemelt man aen man
kreck als de spieringh in de pan.

D. Gaan dicht bij elkaar staan; DH idem.
Goe sangersluyden myn posteert u in den kringhe,
Dan: zie situatietek. hierboven.

Wij willen ons de wyle corten mit singhen.
Goe sanghersluyden myn laet u oock dapper horen,
bringhenm’ efter ons complement van te voren.
Groetenme god vader in synen troon

Groeten van vader, zoon en Heilige Geest:
D. telkens 3x t.w. midden, rechts, links; DH vader: 3x recht naar voren; zoon: 3x links, H.G. 3x rechts; alle 3 samen: 1x naar voren, 1x links, 1x rechts.

en groetenme synen eenighsten soon.
Groetenme den eenighen geest mit naome
en groetenmens al gedrie te saomen,

In D vindt dit alles vóór het toneel plaats en nu brengt de engel J en M op het toneel, waar deze gaan zitten.

Groetenme Josef en Maria reyn
D. 3x als boven; DH de verschillende spelers maken verschillende groetgebaren.

en groetenme dat clene kindekeyn.
D.3x als boven; DH groetgebaren naar ‘ergens achter J en M.

Groetenme oock os end’ eselken
die daor staene by het krebbeken.
D. 3x als boven; DH groetgebaren en de bekende dierengeluiden, meestal door de herders

Groetenmens deur son- ende maoneschyn
Dit ‘mens’ betekent: groeten me se: laten we hun = vooral de drievuldigheid, hierbij kan ook de heilige familie worden gerekend, (ook) groeten door de zon enz. te begroeten.
D. 3x als boven; DH groot hemels gebaar

dwelc lighten al over see en over den Rvn.
D. 3x als boven; DH als boven

Groetenmens deur kruydeken ende bladt,
d’heylighe regen maekt so u als myn algaôre nat.
U = in D het publiek; DH de spelers maken wat afwerende gebaren naar de regen of slaan druppels van hun kleding;

Groetenme de keyser die gebiedt over veulen,
D. 3x in dezelfde richting; DH idem, streng

groetenme de meester diet klaôr can speulen.
D. 3x in dezelfde richting; DH zwaait wat uitbundig naar de pianist

Groetenme onse geestelicke heeren
wyl datme ‘tspul mit haor permissie dorften leeren.
D. 3x hand op de borst; DH groet, ook bij wat nu volgt overeenkomstig de waardigheid

Groetenme de schepenen mitten schout
want yederse in eere houdt.
D. 3x. DH en elders: een van de herders verschuilt zich een beetje achter de anderen, die hem naar voren duwen bij ‘yederse in ere houdt.

En groetenme de gantsche agtbaor gemeent
D. beide handen op de borst
so mit malkanderen hier syn vereent.
D. 3x midden, rechts, links. DH. lopen, m.n. de herders naar voren en groeten her en der.

Groetenme de vroetschap agtbaôre en geêert

daor toe god se heyt verordineert.

Groetenmens deur wortelkens so inder eerde staon
DH: het groeten is wat mat en onverschillig, vandaar:
sonder één wortelken over te slaon.
D.’slimme inval’. Ze  groeten alle worteltjes, 3x. Dansen vrolijk. Muts ophouden.  Het wordt een beetje rommelig vandaar:

Goe sanghersluyden myn laewet anders beginnen,
de star willenme toe gaôn singhen.
D. ‘feestelijk’. DH. een soort verrassingselement, de aandacht wordt getrokken naar de ster van de engel.

Groetenme de star heur stanghe
D. op de ster wijzen, 3x, de zinsbouw is hier anders, vandaar DH. pas groeten na ‘hanghen’
daor onse starre an doet hanghen.

Groetenme de star heur scheer
D laat naar rechts en links de ster van de sterrenzanger zien. DH de schaar is nog niet ‘open’.
daor de starre an reysen doet op ende neer.
DH bij ‘op’ gaat deze uit, tot ieders gespeelde verrassing; ook D: een paar keer op en neer

Groetenm’ oock de houtjens een voor een
die houwen onse starre byeen.-
D. 3x. Opgewekt springend. Ster weer in. DH ieder wil de houtjes van dichtbij begroeten, bij het dichtklappen wordt vaak gesuggereerd dat er een vinger van iemand – meestal een herder (Stiechel) bijna tussen komt.

Goe sanghersluyden myn hebt heuren connen
datme de star hebben anegesonghen.
D. hij spreekt wat langzamer. DH haalt doek tevoorschijn en wist zich het voorhoofd

Groetenme onsen meester sangher goet
D. wijst hier naar de pianist en naar zijn hoed die op de piano staat. 3x
DH. ziet de sterrenzanger als meesterzanger en deze vraagt dus om begroet te worden, wat niet gebeurt, ieder draait zich een beetje weg.
en groetenme den meester sangher syn hoet.
DH Sterrenzanger neemt hoed van hoofd en houdt die hoog; een van de herders pikt die met zijn stok weg en de hoed wordt daarvan weer gepakt en gaat even van deze naar gene; de sterrenzanger kan hem dan weer pakken en zet hem op.
Groetenme eveleens onse meester weert
naedien hy mit gods hulpe ons heyt geleert.
D. er wordt 3x gegroet, maar naar wie? DH ‘de meester’ wordt hier gezien als de regisseur. In Steiners toespraken is degene die de rollen in zijn bezit heeft, ook degene die de spelers kiest en met hen repeteert.

Goe sanghersluyden myn hebt heuren connen
hoe datme dit als hebben ânegesonghen
D. buigen en meteen naar de bank. DH. hier kan weer of voor de eerste keer de doek gepakt worden om het voorhoofd te wissen.

In Dornach wordt dit allemaal vóór het toneel gedaan. De spelers gaan dus (aan weerszijden) op de bank zitten en nu gaat de engel het toneel op.

Het boek met de liederen heeft aanwijzingen voor de pianist wanneer na welke woorden, het volgende lied komt. Op de laatste woorden van de sterrenzanger, (onder lied 1) volgt hier lied 2.
Dat werd ook zo uitgevoerd in Den Haag. Er bestaat wel verschil van mening over. Zie het artikel  verkondiging.

Dus D laat de engel nu spreken, DH zingt lied 2.

(niet te veel op de maat ‘stampen‘)

De kompany houdt haeren ommeganck en singht: No.2)

Toen het woort wierdt vervult
so god verkondight hadt
quam daer een enghel snel
van name Gabrlël
tot Nazaret die Stadt
int land Galileea;
teener maecht, Maria
god hem henen sendt,
Was met Josef ondertroud,
geen man en heeft bekend.

Zie tussen de markering    0-0-0   hoe het hier in Dornach verdergaat

DH zingend dit lied lopen over het toneel om zo uit te komen dat op het laatst ieder vóór het toneel op de banken zijwaarts komt te zitten, De engel gaat achter de coulissen. Maria blijft achter op het toneel, Maria iets naar voren.

(De kompany treckt af, Maria blijft alleen.)

De Engel komt midden uit de coulissen, schuin links achter Maria. Inspirerend, verkondigend. Van ver sprekend, licht, gedragen, niet menselijk.

De Engel Gabriël treet tot de joncfrou en spreeckt:

Maria maakt kleine, innige gebaren

Weest gegroet ghy begenadigde!
God den heer is met u!
ghy syt geseghend onder de vrouwen!
want ghy sult bevrugt worden
en eenen soon baeren
en sult synen naem heeten Jesus!
en hy sal over syn volck coninck syn in der eeuwicheyt.

Maria spreeckt

In A-stemming, wat angstig, verwonderend, ingehouden, heeft eigenlijk meditatieve ervaring

Hoe sal dat wesen 
dewyl ick geenen man en bekenne? 

De Engel Gabriël spreeckt:

Siet ick ben den enghel Gabriël Soot u verkondight:
de kragt des allerhoochsten sal u overschaduwen,
daerom oock dit heylige dat uyt u geboren wort          Maria neigt het hoofd
sal gods sone genaemt worden.                                
En siet, Elisabet uwe nigte                                                  Kijkt weer iets op
is oock selve bevrugt mit eenen sone in haeren ouderdom
en dese maend is haer,
die onvrugtbaer genaemt was, de zesde.
Want geen dingh en sal by god onmoogelyck syn,

Maria spreeckt:

(Wat angstig, maar vol vertrouwen)

Siet de dienstmaecht des heeren
my geschiede nae u woort.                         E-gebaar voor de borst

De Engel af. De kompany houdt haeren ommeganck.

kerstspel 2

DH: Kompaniy gaat staan en begint zingend te lopen, lied 3. Het toneel op, de engel komt weer tevoorschijn en loopt naar zijn plaats rechts voor, terwijl de spelers a.h.w. Maria opnemen in de rij, de engel loopt voorop. Gevolgd door Jozef, Maria, sterrenzanger, die de ster boven Maria’s hoofd houdt.
Omdat de schaar meestal lang is, komt in deze volgorde de ster boven Jozef, of de sterrenzanger moet ruimte laten tussen zichzelf en Maria. Mooier is toch dat Maria (in haar positie!) dichter bij de engel is, Jozef daarachter, dan de sterrenzanger met geschaarde ster die nu prachtig boven Maria blijft in een aaneengesloten kompany.

Maria sluyt haerselven aen. Allen singhen. (No.3)

Als Maria joncfrou reyn
swanger wierdt bevonden
nae het woort der profecy’n
dwelc god deet vermonden,
liet Augustus naerstelyc
tvolc bescryven in syn ryck.
Geen en dorft bestryen.
Daer gonck yeder nae de stadt
alwaer hy oorspronck hadt
moestet willigh lyen .

Ze gaan het toneel op en er weer af. Ze gaan zitten, de engel bleef even staan en gaat het toneel weer op. Ster in rechterhand. Oppassen voor te zalvend spreken.

Het groeten van de engel: 3x (of 1x voor de kinderen) recht vooruit of (af)wisselend links/rechts.

De kompany treckt af. De Engel Gabriël comt weerom.

De Engel spreeckt

‘k Treet voor uluyden sonder spot;
goên avend saamen gheve u god, een goên avend ende geseghende tyt mooch ons van daerboven syn toegeseyt.
Agtbaare, seer vroede, goetgunstige heeren,
D. 3x m r l

oock deugtsaame vrouwen ende joncvrouwen in alle eere;
D. 3x m r l

wilt altegaer niet euvel duyden
dat wy ons spel vertoonen voor uluyden.
Tgeen dat ghy voor u ooch sult sien
is niet versintsel van onsliën,
noch oock van heidens uytgedocht,
maer deur de heylige scrift gebrogt:
van hoe Jesus Christus ter waerelt quam,
twelc grote quaaden van ons nam.
So ghy bereyt syt en het aen wilt hooren,
swyght stil en opent wydt u ooren.
D. rechtervinger hoog (dat betekent dat de engel de ster links vast heeft)
D. 3x m r l

D. de engel gaat naar de kompanij; DH idem, de volgorde ontstaat en er wordt een ommegang gemaakt.

De kompany singht (no.4)

Keyser Augustus teersten liet
beschryven elck in syn gebied,
dies Josef, synd uyt Davids stam,
is opgegaen nae Judeam.

Maria joncfrou toogh mit hem
tot syne stadt, hiet Betlehem
en als sy quamen tsaem daer by
Maria’s soon dien baerde sy.

(allen af buyten Maria en Jozef)

De waarden zijn tijdens de ommegang over het toneel achter de coulissen op hun plaats gaan staan.

0-0-0

Na lied nr. 3 gaat de kompany af, alleen Maria blijft achter.
Tijdens de ommegang heeft de engel op de achtergrond het toneel verlaten. Maria blijft bij de boom staan. De anderen gaan van het toneel en gaan op de banken zitten. De sterrenzanger achter Jozef, met de ster ingeklapt.
Maria met de handen voor de borst gekruist.

De engel komt van achteruit en gaat voor Maria staan en spreekt:
Zie tekst hierboven.
Na ‘geen man en bekenne’, neemt Maria deze houding aan:

Bij: zie de dienstmaecht:

Nu zingt de kompany: ‘Als Maria joncfrou reyn’.
Na een paar overgangsakkoorden begint lied nr. 4:
Er is een ommegang over het toneel waar Jozef en Maria achterblijven; de andere spelers gaan naar de banken.

0-0-0

.

Deel 2: Van Jozef: ‘Keyser Augustus heeft een gebod gegheven’ t/m het lied 8: ‘Geboren is in Bethlehem’.
Deel 3: Herders vanaf het begin t/m hun lied nr. 14 ‘Vrolycke herders’ .
Deel 4: Vanaf lied nr. 14 tot einde.

Kerstspelen: alle artikelen

.

2348-2203

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof (3-14/2)

.

Elisabeth von Thüringen

Koning Adreas en zijn gemalin Gertud van Hongarije moesten lang wachten tot er bij hen een dochtertje werd geboren.
Zij gaven haar de naam Elisabeth.

Zij was zo’n allerliefst blij meisje, dat haar ouders vaak dachten dat er een engeltje aan hun voeten zat te spelen en te praten.
Het liefst was ze in de slotkapel en ze verbaasde zich over de gekleurde ramen. Op een keer klom ze de kansel op, zong en juichte, zodat de geschrokken kinderjuffrouw het meisje naar buiten droeg. Maar vaak ging ze stilletjes alleen de kerk binnen. Dan pakte ze het gebedenboek van de priester. Ze hield het vaak ondersteboven vast, omdat ze nog niet kon lezen, maar ze bad en zong eruit, zoals de priester deed, alleen veel helderder en harder. De houten en stenen beelden van de ernstige apostelen zouden zeker een glimlach om de mond hebben gekregen als dat zou hebben gekund.

In deze tijd leefde een landgraaf die Hermann van Thüringen heette. Zijn zoon Lodewijk was een paar jaar ouder dan de kleine Elisabeth. De landgraaf dacht bij zichzelf: ‘De dochter van de machtige koning van Hongarije zou de juiste bruid zijn voor mijn zoon Lodewijk. Om er zeker van te zijn dat zij zijn bruid en latere vrouw wordt, zouden beide kinderen zich nu maar alvast moeten verloven.’

Hij stuurde dit voorstel met prachtige geschenken met vorstelijke huwelijksbemiddelaars naar koning Andreas van Hongarije. Hij kon het er mee eens zijn dat zijn dochtertje naar het prachtige slot Wartburg in het rijke land van Thüringen ging.
En zo groeiden de twee vorstenkinderen in vriendschap op, als waren ze broer en zus. Ze waren zeer op elkaar gesteld.

Toen Elisabeth zeven jaar was, stierf haar moeder. Maar vanaf dat ogenblik verscheen zij als beschermende engel vaak in haar dromen of wanneer ze in stil gebed verzonken was.

Niet lang daarna stierf ook de vader van Lodewijk, de graaf van de Wartburg. Nu stonden de kinderen alleen onder het gezag van de strenge moeder van Lodewijk, landgravin Sofie. Die zag niet graag dat Elisabeth tegen alle mensen, ja ook de meiden en knechten van het slot, aardig en vriendelijk deed.
Telkens als ze naar de kerk gingen, hing Sofie Elisabeth een gouden ketting om. Heel vaak drukte ze haar ook een gouden kroontje met edelstenen op haar hoofd. Elisabeth moest handschoenen dragen. Een bediende droeg fluwelen kussens de kerk in waarop de edelvrouwen en Elisabeth konden knielen. Maar zodra het meisje in de kerk kwam, trok ze haar handschoenen uit. Die deed ze met de ketting en de kroon in haar handtasje. Tijdens de dienst knielde ze naast het fluwelen kussen op de harde vloer. Daar ergerde de trotse vrouwe Sofie zich aan en ze verweet Elisabeth dat ze dit deed: ‘Je moet niet als een gewone meid knielen en waarom doe je die prachtige sieraden af?’
Elisabeth antwoordde: ‘Wees niet boos op mij, lieve moeder! Voor Christus zijn alle mensen gelijk.’
Toen wendde vrouwe Sofie zich tot haar zoon, de bruidegom van Elisabeth en zei: ‘Je moet haar verbieden zo alledaags te doen!’
Maar Lodewijk antwoordde: ‘Laat Elisabeth toch begaan! Ik ken geen beter hart dan dat van haar en ze is mooi en waardig zoals ze is, ook zonder goud en edelstenen.’
Toen kon moeder Sofie niets meer zeggen. Maar voor haar zoon had ze graag een andere bruid gezocht.

Op een keer roerde ze aan of Lodewijk nu echt Elisabeth als bruid wilde houden. Toen wees hij op een berg en zei: ‘Ook al was die berg van goud en men zou mij die aanbieden, dan zou ik Elisabeth daar niet voor geven.’

Bij hun bruiloft werden er drie dagen lang ridderspelen gehouden en er waren allerlei feestelijkheden. Lodewijk leidde Elisabeth naar het altaar. Vanaf die tijd woonde het jonge paar in innige liefde voor elkaar op de Wartburg. Uit liefde voor Elisabeth liet Lodewijk een rozentuin aanleggen.
Vaak reden ze samen door het land om het leven van de mensen daar te leren kennen. Waar Elisabeth nood en zorgen aantrof, bood ze hulp aan.
Ze kregen drie kinderen, een zoon en twee dochtertjes.

Op lange winteravonden spon de jonge gravin garen met de bediendes van het slot. Als er doeken van waren geweven, schonk ze die aan de arme mensen zodat die zich beter konden kleden.
Van een rondtrekkende geneesheer die een tijd aan het hof verbleef, leerde Elisabeth veel over de geneeskunst. Met de dienstmeisjes verzamelde ze geneeskrachtige kruiden, leerde wonden behandelen en koortsige ziekten verzachten. Voortaan ging ze ook met de meisjes naar de dorpen om de zieken te helpen. Geven en helpen waren haar grootste vreugde. Er ging geen dag voorbij of ze gaf voedsel aan wie honger had en ze lenigde vele noden.

Af en toe, wanneer moeder Sofie haar zoon Lodewijk zag, zeurde ze hem aan zijn hoofd: ‘Die Elisabeth verspilt je bezit! Wanneer dit zo doorgaat, kun je op zekere dag je slot verkopen!’
Maar Lodewijk liet zich niet gek maken. Hij hield Elisabeth alleen voor dat ze de ontvangers van haar gaven goed zou moeten kennen, want er zat ook bedelvolk bij dat te lui was om te werken.

Op een dak kwam Elisabeth van de berg naar beneden gelopen. In haar schort droeg ze broden mee die ze wilde uitdelen. Toen kwam haar gemaal te paard naar boven gereden. Hij vroeg: ‘Elisabeth, wat heb je daar in je schort? Zij antwoordde glimlachend: ‘Rozen voor de armen!’ en ze opende haar schort. Graaf Lodewijk knikte haar toe; want hij begreep de strekking van haar woorden.

Steeds vaker moest de landgraaf voor langere tijd op reis. Toen hij op een keer thuiskwam, liep zijn moeder Sofie hem tegemoet en klaagde: ‘Die Elisabeth heeft een vreemde kerel in haar woning genomen; van die houdt ze misschien wel meer dan van jou!’
Toen Lodewijk zijn gemalin begroette, vroeg hij haar naar de vreemdeling. Elisabeth liet hem daarop een melaatse man zien die zij op een bed had gelegd en wiens wonden al begonnen te genezen. De landgraaf sprak tot de zieke: ‘Een betere verpleging kun je niet krijgen. Wees welkom in mijn huis!’

Toen werd het land getroffen door een ernstige misoogst. De prijzen gingen omhoog en alle voedsel werd schaars. Graaf Lodewijk moest daarom een lange reis ondernemen naar ver weg gelegen streken. Daar hoopte hij graan te kunnen kopen voor zijn land.
Toen er iedere dag veel hongerlijders naar de Wartburg kwamen lopen, opende Elisabeth de voorraadkamers en opslagruimten. Dag voor dag ontvingen honderden mensen voedsel van haar. Omdat de voorraden niet groot genoeg waren, verkocht zij haar kostbare sieraden uit Hongarije en een groot aantal boerderijen met land en bijgebouwen.

Toen de landgraaf weer thuiskwam, beklaagde zijn moeder Sofie zich opnieuw over de verkwisterin die zoveel goederen verkocht had. Toen antwoordde Lodewijk: ‘Als ze maar niet de Wartburg verkoopt, zolang vind ik het goed.’

De jaren gingen voorbij. Toen besloot graaf Lodewijk met keizer Frederik ll een reis naar het heilige land te maken. Elisabeth wist van de gevaren van een kruistocht. Ze was bang voor wat er met haar en de kinderen zou gebeuren, als ze alleen achter zou blijven. Desondanks zei ze tegen Lodewijk: ‘Ga in Christus’ naam: ook ik zal mijn kruis dragen.’

Opdat het land Thüringen tijdens de afwezigheid van de graaf niet zonder heer zou achterblijven, benoemde Lodewijk zijn jongere broer Hendrik als plaatsvervanger. Hij moest zweren Elisabeth, de kinderen en het land te beschermen. Voor het afscheid schoof Lodewijk een ring met een blauwe edelsteen aan de vinger van zijn echtgenote. Toen Elisabeth haar echtgenoot in de verte zag verdwijnen, kreeg ze een voorgevoel dat zij elkaar op aarde niet meer zouden terugzien. En dat was zo.

Een paar maanden na het afscheid van Lodewijk was er een teken. Toen Elisabeth bij het slapengaan haar handen vouwde om te bidden, merkte ze tot haar schrik dat de blauwe steen uit de ring was gevallen. Hoe er ook werd gezocht, die was nergens meer te vinden.
Toen kwam de droevige boodschap dat graaf Lodewijk aan een verraderlijke ziekte was gestorven. Het bleek dat hij op dezelfde dag was overleden waarop zij de steen was verloren. Elisabeths hart was diep bedroefd en leed.

Hendrik, de jongere broer van Lodewijk, luisterde naar slechte raad. Hij geloofde, nu zijn broer dood was, dat hij zich niet meer aan zijn belofte hoefde te houden. Elisabeth werd aangeklaagd dat ze de goederen van de graaf verkwanseld had. Midden in de winter werd ze gedwongen om de Wartburg met haar kinderen te verlaten. Het werd haar verboden ook maar in de buurt te komen. Dagenlang was Elisabeth met haar kinderen op de vlucht. Een poosje mocht ze bij mensen die medelijden met haar hadden, in de schuur blijven; met de kinderen sliep ze op een bed van stro. Nu was de armoede haar zuster geworden. Nu moest ze de laatste gouden ring die ze had, verkopen. Toen trok ze bedelend met haar kinderen van deur naar deur. Uiteindelijk nam een verwant van haar, de bisschop van Bamberg de verdrevene op en gaf haar een woonplaats in slot Bodenstein.

Een jaar later kwamen de ridders van Thüringen die met Lodewijk meegetrokken waren, van de kruistocht terug. Ze vernamen in wat voor ellende Elisabeth en de kinderen terecht waren gekomen door de eedbreuk van graaf Hendrik. Ze pakten hem streng aan. Hij moest het erfdeel van Elisabeth afstaan en haar haar rechten teruggeven. Elisabeth nam het aan zodat ze weer goed zou kunnen doen. In de stad Marburg liet ze een ziekenhuis bouwen. Als moeder van de zieken diende ze hier voortaan als een eenvoudige helpster.

Elisabeth had haar vader, de koning van Hongarije, niet op de hoogte gesteld dat ze was verdreven. Maar langs omwegen had hij toch gehoord van de dood van haar gemaal Lodewijk. Hij zond nu graaf Panyas uit om over de lotgevallen van zijn dochter te vernemen. De graaf vond haar in haar ziekenhuis gekleed als een dienster, terwijl ze wol zat te spinnen. Graaf Panyas zei tegen haar: ‘Nooit is er een koningsdochter gezien die in zulke armoedige kleren wol zat te spinnen. Dat zal uw vader verdriet doen.’
Elisabeth antwoordde: ‘Ik ben een eenvoudig mensenkind en zou graag een kind van God worden.’
De graaf probeerde haar over te halen: ‘Elisabeth, kom met uw kinderen naar Hongarije terug naar het huis van uw vader. ‘Zij antwoordde: ‘Hier, waar ik God en de mensen kan dienen, is mijn vaderhuis.’

En Elisabeth bleef bij de armen en zieken in Marburg. Maar de vlam van het leven had in haar zo krachtig en snel gebrand, dat zij jong, al met vierentwintig jaar, gestorven is. Haar lichaam werd op de vierde dag na haar dood nog helemaal fris en onaangedaan in Marburg in het graf gelegd. Op die plaats bouwde men ter herinnering de Elisabeth-kerk. Vanaf die tijd maakten de mensen een pelgrimstocht naar haar graf en nog altijd klinkt haar naam door in de harten van mensen.

.

Naar het verhaal van Jakob Streit*

Elisabeth en Lodewijk in het huwelijksbed
Op de Wartburg (2020)

Elisabeth van Thüringen op deze blog

Elisabeth von Thüringenmeer

*De legende werd heel mooi verteld door Jakob Streit: Ich will dein Bruder sein– niet vertaald.

2e klas vertelstofalle artikelen

Alle biografieën

.

2347-2202

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-2-1/1)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

.

Inleiding

Zoals bekend onderkent Steiner aan de mens de vier wezensdelen: fysiek lichaam, etherlijf, astraallijf en Ik.
Voor meer karakteristieken: Algemene menskunde [vanaf 1-7-2/2]

Het fysieke lichaam wordt 9 maanden voorbereid in het lichaam van de vrouw om dan voor de aarde geboren te worden. 
Het fysieke lichaam is dus een tijd lang omhuld en wordt beschermd tegen de invloeden die ongezond zouden kunnen inwerken op wat er aan het ontstaan is.

Dan vindt de geboorte plaats.

Daarna staat de eerste ontwikkeling bijna volledig in het teken van groei. Niet alleen het voedsel is belangrijk, maar ook de slaap! Wakkerheid is bewustzijn en kost levenskracht. Die levenskracht heeft het kleine kind nodig om zich te kunnen ontwikkelen. 

Van deze levenskrachten zegt Steiner dat ze NIET het gevolg zijn van het fysieke bestaan, maar juist omgekeerd: ze maken het fysieke bestaan mogelijk. M.a.w.: niet de materie brengt het leven voort, maar het leven houdt de materie in stand – tot aan de dood. 
In deze eerste levensfase staat de ontwikkeling dus eigenlijk in het teken van groei, van leven. Het zijn de groeikrachten, de vormende krachten – door Steiner ‘etherkrachten’ genoemd, ook wel de architectonische krachten, de opbouwkrachten.
Het hele etherlijf is er a.h.w. deze eerste jaren vrijwel helemaal voor de fysieke opbouw.
Wie zelf ooit zijn huis ingrijpend heeft verbouwd, weet dat zo’n bouwproces bijna je hele bestaan beheerst. Je bent van ’s ochtends tot ’s avonds bezig en er is nauwelijks tijd voor ontspanning. Het is zo’n beetje het bestaan van: slapen, werken, eten, slapen enz. Geen kunst, literatuur, muziek beoefenen enz. Iets in de trant van Brecht: ‘Eerst komt het vreten, dan de moraal.’

Om het etherlijf – de opbouwende krachten – niet in de weg te zitten, is eigenlijk het opvoedingsdevies voor deze jaren: laat maar gebeuren; laat ‘de natuur’ zijn werk doen; schep voorwaarden waardoor dat zo optimaal kan.

Maar wacht tot het huis verbouwd is. Je mag ook zeggen: gebouwd is.
Wanneer het klaar is, kun je erin gaan wonen. Kun je het gebruiken voor de niet zo fysieke zaken in het leven: al die dingen waarvoor je eerst een omhulling moet creëren.

Het etherlijf omhult a.h.w. het fysieke, zoals de moeder het fysieke omhulde vóór de geboorte.

Is het klaar met die taak, dan geeft het a.h.w. een ‘bewijs’ af: de tandenwisseling.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: de tandenwisseling in

ga 34

Blz. 320/321/322      vert. 26/27/28

Vor der physischen Geburt ist der werdende Mensch allsei­tig von einem fremden physischen Leib umschlossen. Er tritt nicht selbständig mit der physischen Außenwelt in Berüh­rung. Der physische Leib der Mutter ist seine Umgebung. Nur dieser Leib kann auf den reifenden Menschen wirken. Die phy­sische Geburt besteht eben darinnen, daß die physische Mut­terhülle den Menschen entläßt, und daß dadurch die Umge­bung der physischen Welt unmittelbar auf ihn wirken kann. Die Sinne öffnen sich der Äußenwelt. Diese erhält damit den Einfluß auf den Menschen, den vorher die physische Mutterhülle gehabt hat.

Voor de fysieke geboorte ligt die fase van het wordingsproces van de mens, waarin hij totaal omsloten is door een ander stoffelijk lichaam. Hij treedt niet direct als zelfstandig wezen met de stoffelijke buitenwereld in contact. Het fysieke lichaam van de moeder is zijn omgeving. Alleen dit lichaam oefent een werking uit op de mens gedurende deze fase van rijping. De fysieke geboorte bestaat nu juist daarin, dat de stoffelijke omhulling, die het moederlichaam eerst biedt, de mens als het ware vrij laat en dat daardoor de stoffelijke wereld direct op hem kan inwerken. De zintuigen openen zich voor de buitenwereld, die zodoende een invloed op de mens krijgt, welke tevoren van het omhullende moederlichaam uitging.

Für eine geistige Weltauffassung, wie sie von der Geistesfor­schung vertreten wird, ist damit wohl der physische Leib ge­boren, noch nicht aber der Äther- oder Lebensleib. Wie der Mensch bis zu seinem Geburtszeitpunkte von einer physischen Mutterhülle, so ist er bis zur Zeit des Zahnwechsels, also etwa bis zum siebenten Jahre von einer Ätherhülle und einer Astral­hülle umgeben. Erst während des Zahnwechsels entläßt die Ätherhülle den Ätherleib. Dann bleibt noch eine Astralhülle bis zum Eintritt der Geschlechtsreife. In diesem Zeitpunkt wird auch der Astral- oder Empfindungsleib nach allen Seiten frei, wie es der physische Leib bei der physischen Geburt, der Ätherleib beim Zahnwechsel geworden sind.

Een zodanige wereldbeschouwing als die, welke de antroposofische geesteswetenschap representeert, ziet in het hierboven beschrevene slechts de geboorte van het fysieke lichaam, echter nog niet die van het ether- of levenslichaam.
Evenals de mens tot aan het tijdstip van zijn geboorte omhuld is door het fysieke moederlichaam, zo is hij tot aan het moment, dat de tandenwisseling goed doorzet, dus ongeveer tot het zevende jaar, omgeven door een etherisch en astraal omhulsel. Pas gedurende het proces van de tandenwisseling vormt zich uit de etherische omhulling een zelfstandig etherlichaam, dan blijft er nog een astraal omhulsel tot aan het begin van de geslachtelijke rijping. In deze periode wordt
het astrale of gewaarwordingslichaam eveneens naar alle zijden vrij, zoals het stoffelijk lichaam bij de fysieke geboorte en het etherlichaam bij de tandenwisseling vrij zijn geworden.

Bis zum Zahnwechsel können Eindrücke, die an den Ätherleib kommen sollen, diesen ebenso wenig errei­chen, wie das Licht und die Luft der physischen Welt den physischen Leib erreichen können, solange dieser im Schoße der Mutter ruht.
Bevor der Zahnwechsel eintritt, arbeitet am Menschen nicht der freie Lebensleib. Wie im Leibe der Mutter der physische Leib die Kräfte empfängt, die nicht seine eigenen sind, und innerhalb der schützenden Hülle allmählich die eigenen ent­wickelt, so. ist es mit den Kräften des Wachstums der Fall bis zum Zahnwechsel. Der Ätherleib arbeitet da erst die eigenen Kräfte aus im Verein mit den ererbten fremden. Während die­ser Zeit des Freiwerdens des Ätherleibes ist der physische Leib aber schon selbständig. Es arbeitet der sich befreiende Ätherleib das aus, was er dem physischen Leib zu geben hat. Und der Schlußpunkt dieser Arbeit sind die eigenen Zähne des Men­schen, die an die Stelle der vererbten treten. Sie sind die dich­testen Einlagerungen in dem physischen Leib, und treten daher in dieser Zeitperiode zuletzt auf.
Nach diesem Zeitpunkt besorgt das Wachstum der eigene Lebensleib allein. Allein, dieser steht jetzt noch unter dem Ein­flusse eines umhüllten Astralleibes.

Tot aan de tandenwisseling kunnen bepaalde indrukken, die op het etherlichaam zouden moeten werken, dit lichaam evenmin bereiken, als licht en lucht uit de stoffelijke wereld het stoffelijk lichaam bereiken kunnen, zolang dit nog in de moederschoot geborgen ligt. Voordat de tandenwisseling begint, heeft het etherlichaam als vrij krachtencomplex nog geen zelfstandige werking op de mens. De krachten, die het fysieke lichaam in de moederschoot ontvangt, zijn geen eigen krachten, deze worden pas binnen het beschermende omhulsel ontwikkeld. Zo is het ook het geval met de groeikrachten tot aan de tandenwisseling. Het etherlichaam ontplooit aanvankelijk zijn eigen krachten binnen de samenhang van een geërfd, vreemd krachtencomplex. In deze periode, waarin het etherlichaam vrij wordt, is het fysieke lichaam echter reeds zelfstandig. Bij het proces van losmaking ontplooit het etherlichaam die eigen krachten, welke het schenken moet aan het fysieke lichaam. En deze arbeid vindt zijn afsluiting in de vorming van het vaste gebit van de mens, dat in de plaats komt van het overgeërfde melkgebit. Dit ‘eigen’ gebit is de dichtste stoffelijke afzetting in het fysieke lichaam en daarom komt het in deze periode het laatste te voorschijn. Na dit tijdstip gaat de groei uit van het eigen levenslichaam alleen.

Blz. 328/329   vert. 40

Mit dem Zahnwechsel streift der Ätherleib die äußere Ätherhülle ab, und damit beginnt die Zeit, in der von außen erzie­hend auf den Ätherleib elngewirkt werden kann.

Met het wisselen van de tanden bevrijdt het etherlichaam zich van de etherische omhulling en daarmee begint de fase, waarin van buitenaf opvoedend op het etherlichaam gewerkt kan worden.
GA 34/321-329
Vertaald/28-40

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2346-2201

.

.

.

.

VRIJESCHOOL– De beeldentaal van de sprookjes (3-3/9)

.

Pieter HA Witvliet, vrije weergave van het voorwoord van de uitgever van ‘Die Bildsprache der Märchen’ van Friedel Lenz
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Aan het eind van haar boek Die Bildsprache der Märchen‘ somt de schijfster Friedel Lenz een reeks woorden op die veelvuldig in de sprookjes voorkomen. Zij geeft er een verklaring voor, m.a.w. ze zegt wat deze woorden in de sprookjes ‘verbeelden’.

Bij dit soort uitleg bestaat het gevaar dat degene die de uitleg ‘leert’ in een bepaalde intellectuele afstand tot het sprookje komt te staan, immers: bij het ‘weten’ kan het ‘gevoel’ makkelijk op de achtergrond raken.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling, eerder omgekeerd: dat het doorleven van het beeld leidt tot een andere houding bij het vertellen: een houding waarin de eerbied en de bewondering voor deze beeldentaal dóórklinken. 
Je moet er a.h.w. zelf in ‘geloven’, ze als ‘ware beelden’ kunnen beleven, wil je het kind ermee bereiken. Dat leert immers van ‘ziel tot ziel’ en niet van ‘oor tot oor’. (Steiner in GA 294, voordracht 1)*

Om niet in het intellectuele te vervallen, kun je allerlei ‘inlevingswegen’ bewandelen.
Wanneer het over dieren gaat, is het heel goed mogelijk je zodanig met hen bezig te houden, dat ze zich ‘uitspreken’ wat hun wezen betreft. 
Vanuit dit bezig-zijn gaan ze een eigen taal spreken; brengen je op gedachten, op vragen. Dat boort een andere laag in je aan, dan puur het ‘weetje’: een paard betekent dit, een kikker betekent dat.

9. DIEREN

Dieren zijn zinnebeelden van onze driften en instincten. Als een mens in een dier wordt veranderd, dan betekent dit een wegzinken van een typisch menselijke kracht zoals het verstand naar het dierlijke, animale niveau. 
Wanneer een dier echter mens wordt, vind het omgekeerde proces plaats: uit een zuiver instinctief, driftmatig beleven. wordt bewust het leven van ziel en geest ontwikkeld
Sprekende dieren in de sprookjes duiden erop dat ook in de driften een grote mogelijkheid tot uitdrukken gegeven is.

a] Veld- en bosdieren

Beer

Aan de ene kant zijn logge, zware lichaam, aan de andere kant een bepaalde souplesse die bij het rechtop gaan en dansen een merkwaardige gelijkenis vertoont van iets van de mens; zijn doffe slaperigheid samen met de plotselinge wakkerheid, maken hem in negatieve zin tot het beeld van de zwaarte, ook van de doffe hartstochten die ons voortdurend wegtrekken naar het aardse en ons daaraan willen binden, zodat het elan en de beweeglijkheid van de geest tekortschieten en het zich kunnen oprichten zoals dat bij het echte mens-zijn hoort, niet actief kan worden. Het diersymbool dat het vaakst voorkomt in Russische sprookjes.
In positieve zin kan echter deze zelfde kracht op aarde een uitstekende ijver worden, rechtschapenheid, trouw aan alles wat normaal, natuurlijk doen is. Geliefd dier op wapens.

Bij

Zij verandert de fijnste plantensubstanties in het zonnevoedsel van de honing. Ze leeft niet op zichzelf, maar maakt deel uit van een bijenvolk. Leven en activiteit vindt plaats onder de heerschappij van de zon. Het geslachtelijke concentreert zich op de koningin. De bijen staan voor het onegoïstisch samenleven.

Egel

Hij kan zich tot een bolletje oprollen en zich weer strekken. In geestelijke betekenis is zich tot bol maken, de kosmos begrijpen, als een innerlijke eenheid begrijpen. Zich weer strekken betekent: op het volgende ogenblik weer in de normale bewustzijnstoestand verkeren. In de middeleeuwen gold hij als symbool voor de ingewijde.

Haas

Hij is een planteneter, doet geen enkel ander dier kwaad, hij is het meest vervolgde dier van allemaal. Als een haas door honden opgejaagd wordt en niet meer verder kan, trekt een andere de aandacht van de honden naar zich toe en redt de haas die achtervolgd werd. Zo werd de haas het waarachtige beeld van het instinctieve, onegoïstische Ik dat niemand kwaad doet, zelf door egoïsten achtervolgd, zich inzettend voor zijn broeder.

Hert

Het gewei is van oorsprong geen bot en geen hoorn, maar een bloedvatenstelsel. Dat hij zijn bloed boven zichzelf kan opheffen en juist boven zijn kop waarin de afbouwkrachten de overhand hebben, maakt hem tot beeld van het omhoog-strevende. In vele sagen wordt over dit als realiteit beleefde beeld gesproken. Het stichten van sommige kloosters gaat erop terug, verg. het witte of het gouden hert, het hert van Sint-Hubertus. 

Leeuw

Zijn machtig ontwikkelde kop en borst waarin alle uitdrukkingskracht geconcentreerd is, zijn dapperheid en kracht die ieder ogenblik tot een sprong kan worden, maken hem tot symbool van hartenmoed en hartenkoenheid, maar ook van doldriestheid en overmoed.

Muis

Niet voor niets noemt Goethe in zijn ‘Faust’ Mefisto de heer van ratten en muizen. Het knagen en woelen van de muis in de aarde, het spookachtige heen-en-weer roetsjen, tevoorschijn komen en verdwijnen hebben iets onheilspellends. Het maakt hem tot beeld van het eenzijdig gevangen zitten in het aardse, dikwijls verwant aan duivelse krachten. Dit gevangen gebonden-zijn aan het aardse kan echter ook als positieve eigenschap het muisje tot helper maken. 

Mier

Die leeft helemaal op de aardebodem gericht; ze bouwt haar mierenhoop op uit aarde en plantenresten, zodat ze hoofdzakelijk werkt met ‘dode’ materie. Bij de Ouden was haar ijver al spreekwoordelijk. Deze eigenschap is het ook die in de sprookjes tot symbool wordt voor de op de aarde gerichte ijver.

Panter = tijger

Ree

Met de ree verbinden wij het schuwe, het vluchtige en het ronddwalende. Zo is de ree ook in het sprookje het beeld van een doelloos, gedwongen dwalen, een zoeken zonder plan dat in overmaat de mens rusteloos en oppervlakkig maakt.

Slang

Het meest komt de slang voor als de verleidende macht, zoals in het scheppingsverhaal. Daar is ze het beeld van de begeertenatuur. In het beeld van de witte slang vertoont zich de levenskracht die onschuldig is gebleven. De slang is een dier dat het vermogen heeft, zich steeds weer in een nieuw vel te vertonen en op deze manier zich te vernieuwen. Zo wordt ze sinds de oudste tijden in de mythen en sprookjes van vrijwel alle volkeren tot beeld van zich vernieuwende krachten.

Tijger

Tijger en panter bespringen hun prooi, verscheuren die en vreten die op. In het negatieve zijn ze het beeld van een innerlijke gespletenheid, een volledig gebrek aan concentratie. In positieve zin: beeld van een zelfstandig worden door een energiek los willen komen van remmende bindingen.

Vos

De bewegelijke, listige vos representeert de sluwheid die in eerste instantie als een vanzelfsprekende drift in de mens op de achtergrond meespeelt. Als zuivere natuurdrift is deze op zijn plaats en noodzakelijk; Goethe heeft er een heel epos aan gewijd. Maar de vos moet wel getemd worden, anders gaat het bij hem alleen maar om eigen voordeel en gaat hij bij iedere gelegenheid ongeremd te werk.

Wolf

Met ongeremde begeerte en ‘duivelse’ sluwheid weet de wolf aan zijn prooi te komen. Zo wordt hij het symbool van wie het levende verslindt, de zielendood brengt; hij staat voor de macht van verdraaiing en leugen die de hogere plaats van de geest zou willen negeren en het innerlijk leven in de duisternis van het materiële sleuren. (In de mythe van de Fenriswolf)
In positieve zin: gezond materialisme als tegenwicht voor het wereldvreemd worden.

b) Huisdieren

Ezel

Het is geen rijdier, maar een lastdier, buitengewoon tweeslachtig als wezen: slim en wijs in zijn instinctieve zekerheid, maar ook onberekenbaar en koppig; geduldig bij het dragen van lasten, dwarsliggend voor de drijver. Hij is zinnebeeld van onze lichamelijke natuur die het helderziende oerweten kwijtraakte zoals de Egyptische mythe het beschrijft; daarvoor in de plaats echter verkreeg hij intellectueel verstand, met als gevolg zijn gespletenheid in wezen en willen.
In de taal beeldend: ‘Ik, ezel die ik ben’, ‘een ezel stoot zich in’t gemeen niet tweemaal aan dezelfde steen’, het ‘ezelsbruggetje’.

Geit

Overal aan sabbelend, naar iedere hoek kijkend, overal aan likkend. wordt de geit tot symbool van de nieuwsgierigheid, ook het naïeve willen weten. In de mythe: Odins geit Heidrun. In het sprookje komt het erop aan van wie de geit is. 

Hond

Zijn meest opvallende eigenschap is zijn reukzin, speurzin. Zo werd hij het symbool van onze speurzin, wij zeggen: ‘een fijne neus voor iets hebben’. Het is een onbewust instinct; net zo veelzijdig als bij de talloze hondensoorten hoort. De goede hond is de innerlijke padvinder, de boze hond de snuffelaar die het gemene en lage speurt. Cynisme is in het Grieks ‘de manier waarop een hond denkt.’

Kat

Het huisdier en tegelijkertijd het kleine roofdier. ’s Avonds wordt haar instinctleven bijzonder actief; De Grieken namen dit instinct bij de mens waar op de grens van ‘deze en gene zijde’. speels en onderdanig, uit een diepe slaperigheid plotseling klaar wakker, een sprong aanzettend, Zo wordt zij het symbool voor de drang naar liefde die in onschuldige speelsheid wakker wordend, de mens plotseling in bezit kan nemen.
De Egyptische godin van de liefdesbegoocheling, Bastet, wordt voorgesteld met een kattenkop.

Koe

Bij de koe is de stofwisseling bijzonder sterk ontwikkeld; ze is een herkauwer die zeven keer verteert. Voor het innerlijk menselijke staat ze symbool voor de voedende levenskracht in het gebied van de stofwisseling. De moederlijke basis van de stierachtige wilskrachten.

Paard

Al duizenden jaren wordt het paard als rijdier gehouden. Je kan het makkelijk sturen en het heeft een grote intelligentie. Symbool van het instinctieve verstand die door de leidende mensengeest naar vele doelen wordt gebracht. Wie zijn paard temt, wordt meester van zijn gedachtekracht.
Beeldende taal: ‘zich vergalopperen’, een ‘principerijder’

Stier

Hij is de imaginatie van de in de ondermens levende krachtige wilsdriften in de stofwisseling en in het seksuele. De stierengevechten van de oudere culturen duiden op de beheersing en overwinning van deze driften.

Varken

Al in oude diersymbolieken werd de relatie genoemd tussen de aardegodin en de stoffelijke wereld. Zijn drang om de aarde om te woelen en zich in de modder  te wentelen, maakt het tot een beeld van een eenzijdig zich richten op het aardse. wordt deze drift met de speurzin, het cynisme, samen genomen, ontstaat het beeld voor de ‘Schweinehund’. Zwijn.

Zwijn = varken

c) waterdieren

Kikker

Zowel op het land als in het water is hij in zijn element. Hij reageert zeer gevoelig op het weer en de atmosfeer; hij werd graag als weersvoorspeller gezien. In zijn ontwikkeling van kieuwademhaling naar longademhaling maakt hij verschillende stadia door. Met het oog op deze verandering wordt hij tot symbool van een onbewuste metamorfose van het menselijk bewustzijn. 
Op het land en in het water leven betekent: in de wereld van de levende ziel net zo thuis zijn als in de wereld van de materiële dingen, de zintuigwereld. De kikker is het symbool voor het vermogen geestelijke inhoud waar te nemen en als geestelijke sfeer te begrijpen – dus weersvoorspeller in geestelijk opzicht te zijn. 

Pad

In onze sprookjes is ze symbool voor de seksualiteit.
De weglopende padden aan de middeleeuwse kathedralen duiden op verstoten dat reinigt.

Vis

Hij heeft geen eigen warmte en is één met de hem omringende wereld van het water. Hij heeft nog geen bloedwarmte en daardoor nog geen egoïsme; hij is het beeld van de natuur die zonder zonde is, onschuldig.
De vis staat ook als beeld voor geestelijke ervaringen, voor gedachten die niet gedacht – dus niet ‘gesponnen’- worden, maar beeldrijk ‘opduiken’ uit de diepte van de ziel.

De vogels staan in [3-3/10 ]

.

*Hoe tussen volwassene en kind zich veel in het ‘imponderabele’ afspeelt, beschrijft hij in de verschillende pedagogische voordrachten. Die opmerkingen zijn te vinden in mijn artikelen over ‘Algemene menskunde’ [9-1-1]
.

De beelden nader uitgelegd (inhoudsopgave)
In alfabetische volgorde

Sprookjesalle artikelen, waaronder ook sprookjes uit bovengenoemd boek

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeldsprookjes

.

2345-2200

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-2-1/0)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Wanneer Rudolf Steiner voor het eerst over de opvoeding van het kind spreekt – in de jaren 1906 en 1907 [4]- is daarvan ‘Die Erziehung des Kindes im Lichte der Anthroposophie’ [5] het bekendst geworden.
Daarin schetst Steiner beknopt de ontwikkeling van het kind en noemt daarbij de belangrijkste aspecten die bij deze ontwikkeling horen, o.a. de nabootsing, spel, tandenwisseling, autoriteit, puberteit enz.
Hij doet dit aan de hand van het vierledige mensbeeld: fysiek lichaam, etherlijf, astraallijf en Ik.
Hij onderscheidt een ‘eerste kindertijd’ die vanaf de geboorte tot aan de tandenwisseling verloopt; een tweede, van de tandenwisseling tot aan de puberteit en een derde, van de puberteit tot aan de volwassenheid.

In GA 96 – een voordracht uit 1906 – wordt dit duidelijk beknopt beschreven.
Op deze blog vertaald.

Deze ‘tijden’ zijn de bekende ‘ontwikkelingsfasen’.

Om soms iets concreter te zijn, gaf Steiner er ook ‘bij benadering’ een leeftijd bij.
Zo wordt er gesproken over de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar; van 7 tot 14 jaar en van 14 tot 21 jaar. Dat alles, zoals gezegd: bij benadering, ‘approximatief’ zegt Steiner er vaak bij. 

In de ‘Algemene menskunde’ is er voor het eerst sprake van deze fasen in voordracht 9.
Daar worden ze alleen maar aangestipt.

In andere, m.n. de  pedagogische voordrachten GA 293 – 311 komen ze regelmatig aan bod. 

Op deze blog zijn Steiners gezichtspunten over de 1e fase weergegeven in de
artikelen: 9-1-1-1/gevolgd door het volgnummer per GA.

Onder nummer 9-1-2-1/gevolgd door het volgnummer per GA worden zijn uitspraken over de 2e ontwikkelingsfase weergegeven.
Eerst over de kenmerkende afsluiting van de 1e fase en het begin van de 2e: de tandenwisseling

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4]  GA 55 voordracht 6  voordracht 7 (op deze blog vertaald)
GA 96/61   niet vertaald, de betreffende passage wél op deze blog
[5] De opvoeding van het kind

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2344-2199

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof – alle artikelen

.

[1-1] Germaanse mythologie in de 4e klas
Gerard Reijngoud over: de dramatiek in de verhalen en de dramatiek in de ontwikkeling van de 10-jarige; deze ontwikkeling weerspiegeld in het leerplan: rekenen, taal; Thor en Utgard-Loki, verhaal in het kort; 

[1-2] De Edda als vertel- en recitatiestof
M.v.d.Made over: het ontstaan van de Edda; alliteratie; de 4e-klasser en de Edda; de Rubicon;

[1-3] Na de Edda
De verhalen uit de Nibelungen: waar te vinden.

[2-1] Thrymslied: Hoe Thor zijn hamer terughaalde
Pieter HA Witvliet over: deze verzen uit de Edda tot toneelstuktekst omgewerkt; tevens voorbeeld van het verbeteren van het handschrift; over ‘schoonschrift’

[3-1] Namen in de Edda verklaard
Dan Lindholm over: de achtergrond en de betekenis van de namen in de Edda

[3-2] Yggdrasil
Melly Uyldert
over: wat is de Yggdrasil;
Rudolf Steiner over: wat is de Yggdrasil; 

[4Hoe ziet je naam eruit in runentekens?
Wat zijn runtekens; hoe kun je ze met een klas maken; doorverwijsinfo
.

Roger L Green heeft de Eddaverhalen beeldend naverteld. 
Wanneer zijn boek niet meer te koop is, kun je via vspedagogie@gmail.com een digitaal exemplaar inzien.

Vrijeschool in beeld: 4e klas     (bord)tekeningen, schilderen over de Edda

2343-2198

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof (3-2)

.

Zoals de sprookjesbeelden beelden zijn die ‘voor iets staan’, is dit ook het geval met de beelden in de verhalen van de Edda.

Het grote probleem is steeds: wie weet die beelden naar hun waarheid te duiden.
En zoals de sprookjes vanuit vele gezichtspunten zijn verklaard, zo bestaat er ook ‘uitleg’ over de beelden van de Edda.

Voor het vertellen van deze beelden aan de kinderen is het niet nodig ‘weet’ te hebben van deze beelden: ze hoeven, nee mogen niet, aan de kinderen worden verteld omdat het intellectuele weten het mee-beleven op deze leeftijd volkomen onmogelijk maakt. 
Maar als je als verteller meer weet, kan het bijv. je verwondering wekken, je eerbied voor een ‘brok volkswijsheid’ of een andere wijsheid die door deze beelden heenspreekt.

Rudolf Steiner heeft van de Germaanse mythologische verhalen ook de antroposofische achtergronden gegeven, m.n. in GA 121, vertaald.
.

Melly Uyldert, de Kaarsvlam januari 1956
.

yggdrasil

Yggdrasil: de wereld-es, omklemt met drie wortels de onderwereld, waar bij de heilige bron de drie nornen wonen: Oerd, Werdandi en Skoeld.

Zijn stam verheft zich in der mensen wereld, de eekhoorn Ratatoskr springt er langs heen en weer.

Zijn kroon draagt het hemelgewelf: in zijn takken hangen de sterren als gouden vruchten, en van zijn bladen druppelt honingdauw.

Ook in de mens staat Yggdrasil opgericht: de levensboom en de kennisboom beide, in de tuin van het paradijs.

Zijn wortels zijn de drie onderste zenuwvlechten met hun bijbehorende endocrine klieren; bij de plexus sacralis en het heiligbeen ligt de heilige bron van het levenswater: de hormonen der geslachtsklieren. Bij de plexus prostaticus en de bijnieren ontstaat de moed en de kracht voor het aardse leven, en de milt met de plexus Solaris of zonnevlecht vormen de electrische keukenhaard waarop de materie wordt omgezet (de spijsvertering) .

Zijn stam is het ruggenmergkanaal, waardoor de levenskracht op en neer stroomt, omhoog ter sublimatie of verlossing, omlaag ter conversie of schepping. De zijtakken zijn de zenuwen die uit de ruggenstreng ontspringen.

Zijn kroon breidt Yggdrasil uit in ons hoofd, waar de sterren alle hun spiegelpunten in de hersencellen hebben, daar bloeien de gedachten en rijpen de gouden vruchten van inzicht, doorzicht en overzicht. Daar liggen de knoppen van het volmaakt bewustzijn: de slijmklier en de pijnappelklier om in de geestelijke zon te ontluiken en daar druppelt de honingdauw, het voedselder goden, het bewustzijnslicht, naar beneden.
Deze honing wordt aan de voet van de kroon, in de holte van het gaffelkruis, door de schildklier met de plexus laryngeus omgezet in het scheppende woord, als de vrucht van de kennisboom: de verklankte bewuste gedachte.

En daar bereikt zij het hart met de thymusklier, de zetel der vreugde waar zij wordt omgezet in geluk en in de liefde die uitstraalt en het heelal bijeenhoudt.

Zo groeit in ons de boom van zon en maan, van leven en denken.
En de mens die al wat in hem is ook buiten zich na wil maken, zet de groene kerstboom in zijn huis, het beeld van Yggdrasil. De lichtjes zijn de levende cellen, de blinkende ballen de krachtcentra als spiegelbeelden der sterren, de glanzende slingers de stromen van levenskracht en bewustzijnslicht.

De mercuriale eekhoorn, die springt als de flitsende zenuwprikkel, mag er ook wel in zitten en de gouden noten , beeld onzer hersenen! Het engelenhaar druipt als honingdauw van de takken. Op de top een dennenappel.
Laat ook onze eigen boom van binnen in ons lichaamshuis zulke stralende licht van levende cellen geven!
In al zijn jonkvrouwelijkheid en glorie staat daar ons eigen beeld.

RUDOLF STEINER over de Yggdrasil:

Yggdrasil nannte man die Weltesche, in der sich die Weltenkräfte zusammengezogen hatten. Ein Mensch wird abgebildet in dem Moment, wo er sich seines Ich bewußt werden soll, wo aus seinem Innern heraustönen soll das Wort «Ich». «Yggdrasil» ist soviel wie «Ich-Träger». Ich-Träger ist dieser Baum. «Ygg» ist «Ich» und «drasil» ist derselbe Wortstamm wie «tragen».

Yggdrasil noemde men de wereld-es waarin zich de wereldkrachten hadden samengetrokken. Een mens wordt afgebeeld op het ogenblik waarin hij zich bewust wordt van zijn eigen ‘Ik’. ‘Yggdrasil’ betekent zoveel als ‘Ik-drager’. Ik-drager is deze boom. ‘Ygg’ is ‘Ik’ en ‘drasil’ is van dezelfde woordstam als ‘dragen’. 
GA 101/26
Niet vertaald

Sagen und Mythen sind nichts anderes als astralische, geistige Anschauungen. Wir haben gesehen, wie wirklich der alte Germane oder der Angehörige der alten europäischen Bevölkerung die Weltenesche Yggdrasil auf dem astralen Plan gesehen hat, wie er die zwölf Strömungen vernommen hat, die als Kräfte in sein Haupt hineingingen und seine zwölf Hauptesnerven bildeten. Das alles haben wir als astralische Wirkungen kennengelernt und nicht durch irgendeine phantastische, geistreiche Spekulation.

Sagen en mythen zijn niets anders dan astraal-geestelijke waarnemingen. We hebben gezien hoe de oude Germaan of wie behoorde tot de oude Europese bevolking daadwerkelijk de wereld-es Yggdrasil als astrale voorstelling gezien heeft, hoe hij de twaalf stromen heeft waargenomen die als krachten zijn hoofd binnengingen en zijn twaalf hoofdzenuwen vormden. Dat hebben wij in zijn geheel als astrale invloeden leren kennen en niet door een of andere fantastische geestrijke speculatie.
GA 101/84
Niet vertaald

Der Mensch ist gleichsam wie ein Zusammenfluß von Kräften, die zusammenfließen in seinen Astralleib, Ätherleib und physischen Leib, und das Ich wird dargestellt als dasjenige, was an diesen drei Gliedern arbeitet. In der germanischen Mythe wird das dargestellt durch den Baum, der die Weltesche ist, das Symbolum für die dreigliedrige Menschennatur. Der Mittelpunkt für diese drei­gliedrige Menschennatur ist das Ich; indem es sich eingegliedert hat, trägt es den ganzen Baum des menschlichen Werdens und Wachsens. «Ygg» ist die alte Form des Werdens und Wachsens. Das finden Sie in den alten Sprachformen als Bezeichnung für das, was eingegliedert ist. Die Weltesche heißt «Yggdrasil». Yggdrasil heißt das «tragende Ich» und der Name des Gottes, der mit der Ich-Bildung zusammen­hängt, ist ebenfalls von daher genommen.

De mens is a.h.w. een samenstroom van krachten die samenkomen in zijn astraallijf, etherlijf en fysieke lichaam en het Ik wordt weergegeven als wat aan deze drie wezensdelen werkt. In de Germaanse mythe wordt dit voorgesteld door de boom die de wereldes is, het symbool voor de drieledige natuur van de mens. Het middelpunt van deze drieledige mensennatuur is het Ik; door daar deel van te zijn geworden, draagt dit de hele boom van de menselijke wording en ontwikkeling. ‘Ygg’ is de oude vorm van worden en groeien. Dat vind je in de oude taalvormen als betekenis voor wat geïncorporeerd is. De wereld-es heet ‘Yggdrasil’. ”Yggdrasil’ betekent het ‘dragende Ik’  en de naam van de God die met de Ik-vorming samenhangt is eveneens daaruit genomen.
GA 104A/49
Niet vertaald

Met de aanwijzingen van Steiner schreef Rudolf Meyer het boekNordische Apokalypse‘, over de Edda en Ernst Uehli ‘Nordisch-Germanische Mythologie als Mysteriengeschichte. Beide niet vertaald.

.

2342-2198

.

.

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof (1-2)

.
.
M.v.d.Made, nadere gegevens onbekend

DE EDDA ALS VERTEL- EN RECITATIESTOF IN DE VIERDE KLAS

.

“Ik weet dat ik hing, aan de windrge boom.
Negen nachten lang, …”

Als uit één keel klinkt de recitatie van de 4e klas; de machtige taal van de Edda ontvouwt een panorama van indrukwekkende beelden.

We zien Odin, de Alvader, die de Taal ons schenkt.

Odin, de radende heer, die hiervoor een offer moet brengen en het oog offert. Vrijwillig.

Diepe indruk maakt ook de god Tyr, een zoon van Odin, die ook een offer brengt: om de mensen te behoeden voor het kwaad, dat de Fenriswolf brengt, moet deze gebonden worden. Deze angstwekkende wolf, die zich voedt met de leugens der mensen, laat zich echter alleen binden als een der goden zijn hand in zijn muil durft te steken.

Tyr is degene die dat durft en doet.

Er is veel sprake van moed in de verhalen uit de Edda die in de 4e klas verteld worden. Er zijn grote reuzen te bestrijden; steenreuzen en ijsreuzen. Er is de Fenriswolf, de Midgardslang die om de wereld ligt, staart in eigen bek. Maar daarboven is Asgard, waar de goden wonen, in hun heerlijke burchten. Er is veel goud en glans, er zijn groene velden en een boom met gouden (levens)vruchten.

Het is zeker geen eenvoudige verhalenstof; de gebeurtenissen zijn wonderlijk en indrukwekkend tegelijk.

Wat wordt er eigenlijk verteld?

De IJslandse bisschop Saemundar (1056-1133) liet de goden- en heldenverhalen, die oude zangers hem voorzongen, opschrijven.

Zo ontstond een boek, dat hij naar een klooster stuurde. De Saemundar-Edda werd het genoemd.

Snorri Sturluson wordt als de schrijver van de z.g. jongere Proza-Edda aangezien. Snorri leefde van 1178-1241 op IJsland.

Dit was een herhaling en aanvulling.

Naar de klank is het woord Edda verwant met het Indische “Veda” en met het Perzische “Avesta”.

Alle drie zijn het Indo-Germaanse benamingen voor het Scheppende Wereld Woord.

De schriftelijke uitwerking van de Edda valt dus in de 11e,12e eeuw. Maar haar inhoud bestrijkt een tijd, die teruggaat tot Atlantische oer-herinneringen en vooruitgrijpt op een na-atlantische menheidsontwikkeling.

De “Edda-stof” kan men alleen met een gevoel van eerbied tegemoet treden.

Hoe heilzaam werkt dan het opzeggen van die strofen in de klas, met hun wonderlijke alliteratie-rijm! Het eind van de versregel rijmt niet, maar de z.g. heffingen zitten soms middenin een regel.

Als voorbeeld een stukje uit de 5e strofe van Grimnirmâl (het lied van Grimnir, tekst uit de Saemundar Edda):

Alfheim Freyr gáfu                                          Alfheim aan Freyr
í  Árdaga                                                            eertijds als handgeld
tívar at tanufé                                                   door de goden gegeven

Het opzeggen van de verzen roept een zekere teruggehouden kracht op en een wriemelende maandag-morgen-klas is tot één geheel om te smeden door een stevige recitatie met een grote stamp op elke heffing.

Weten we nog hoe het was om 4e-klasser te zijn? Tien jaar oud, net wakker geworden aan de omgeving, kritiek krijgen en kritiek hebben op anderen en op jezelf (ik kan niet tekenen). De veilige omhulling van de lagere klassen is er niet meer, er worden plotseling andere eisen gesteld. Dr. Steiner spreekt over het oversteken van de Rubicon.

De Rubicon is een riviertje dat men passeert, terugkomend uit het noorden (Gallie), op weg naar Rome. Het was in de tijd van het Driemanschap: twee regeerders in Rome en de derde, Julius Caesar, op krijgstocht in Gallië. Een greep naar de macht deed Caesar terugkeren. Aan de oever van de Rubicon wachtte hij in de vroege ochtenduren. Oversteken en naar Rome rijden betekende zéker burgeroorlog. Niet-gaan betekende afhankelijk zijn van de zittende regering. Hij ging. ‘Alea jacta est’ – de teerling is geworpen.

Deze dramatiek speelt zich af in de psychische wereld van de vierdeklasser. Er is geen weg terug mogelijk.

Maar een flinke dosis moed zou wel fijn zijn, voor onderweg.

.

4e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 4e klas

.

2341-2197

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Lopen, spreken, denken (2)

.

In de ‘Algemene menskunde’, GA 293, vertaald, spreekt Rudolf Steiner – zij het summier – over de 3 ontwikkelingsfasen:

Van 0 -7; van 7 -14; en van 14 – 21 jaar.

De opmerkingen die hij in andere, m.n. de pedagogische voordrachten – GA 293 – 311 over deze ontwikkelingsfasen maakt, zijn wat betreft de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar op deze blog weergegeven: Algemene menskunde [9-1-1-1/volgnr]

Om het overzicht te bewaren heb ik ze in 3 rubrieken onderverdeeld:

Rudolf Steiner over spel
Rudolf Steiner over lopen, spreken, denken vanaf [9-1-1-2/volgnr
Rudolf Steiner over de ontwikkeling van het kind in deze tijd, met o.a. de nabootsing
.vanaf
[9-1-1-1/volgnr]

Over al deze facetten is in de afgelopen 100 jaar veel geschreven. Ook daarvan zijn voorbeelden op deze blog te vinden.  [Menskunde en pedagogie]

Alain Denjean, Erziehungskunst september 2013

.

metamorfosen van lopen, spreken en denken

Voor de mens in de loop van zijn derde levensjaar zichzelf  ‘Ik’ gaat noemen, heeft hij met veel krachtsinspanning intuïtief drie vermogens tot ontwikkeling gebracht die voor het hele verdere leven van betekenis zijn. Het zijn lopen, spreken en denken.

Een driejarig kind dat pas begint te denken, kan je geen passage voorleggen uit de filosofie van Hegel – dat moge duidelijk zijn. 
Maar vanaf wanneer kan je bij het kleine kind met verklaringen over de wereld aankomen en hoe doe je dat? 
Klaarblijkelijk ontwikkelt het denken zich trapsgewijs. En dat is ook zo met het praten en zelfs met het lopen. 
We ervaren ons leven als een doorlopende lijn van dagen, weken en maanden. Maar uit de chronobiologie weten we dat met name alles wat ritmisch is, voor het leven bepalend is. 
De metamorfosen en de fasen van lopen, spreken en denken begrijp je het best, wanneer je ze cyclisch denkt.

De antropologie laat zien dat de hoofdcyclus voor de ontwikkeling van het lopen de eerste zeven jaar is. Leren lopen is voornamelijk een uiteenzetting met de zwaartekracht en een zaak van het fysieke lichaam zolang de vormkrachten in het lichaam bezig zijn de botten, de spieren en delen van het brein te modelleren. 
De belangrijkste fase voor het leren spreken is de fase van de tweede zeven jaar, de tijd waarin de vormkrachten voor een deel niet meer aan het lichaam hoeven te werken en nu beschikbaar zijn voor gevoelsactiviteit. De omgevormde krachten die nu aan de ziel ter beschikking staan, worden op school aangesproken.
Nu is er geen sprake meer van nabootsing maar van autoriteit die met het gesprek, dus met het spreken en het luisteren samenhangt en die in deze leeftijdsfase de basiskracht is van de opvoeding. In deze tijd bloeit het spreken op dat al in de eerste fase is ontstaan. 
En wanneer de vrije oordeelskracht van de volwassen wordende kinderen beoefend  en ontwikkeld wordt, ontplooit het denken zich.

Hoewel het denken ook al eerder gebruikt wordt, komt het pas in de derde zevenjaarsfase tot ontplooiing en bereikt daarin het eigenlijke vermogen zich uit te drukken.
Maar iedere cyclus – dat is de menskundige ontdekking van Rudolf Steiner – bestaat uit drie kleinere fasen waarin de twee andere vermogens groeien.

Tot aan school

Zo gauw het kind is gaan staan, heeft het de eerste zeven jaar tot zijn beschikking om het lopen, het vrije bewegen en de motoriek te ontwikkelen. Gelijktijdig lopen andere processen daar parallel aan die daarmee direct zijn verbonden. Het kind dat kan staan en zich vrijer bewegen kan nu, anders dan daarvoor, de gebaren, bewegingen, houdingen van zijn omgeving innerlijk nadoen. Door het innerlijk nabootsen van de stemming, van een menselijke stem worden de klinkers, uit de nabootsing van de gebaren, die a.h.w. gestold zijn in voorwerpen, worden de medeklinkers gevormd: het spreken volgt het leren lopen. Daar komt het eerste denken snel bij.

In het tweede derde deel van de eerste zeven jaar differentieert het vermogen tot spreken zich, maar blijft op deze leeftijd nog in een proces. De klanken, de articulatie, de gebarenkracht van de woorden, dus het beeldende van de taal staan op de voorgrond. Spreken is in hoge mate een spieractiviteit die zich steeds meer concentreert naar het strottenhoofd. Neemt het kind de processen die zich rondom hem afspelen niet waar, dan verarmt zijn spreken. Wanneer de moderne technische en mediawereld op deze leeftijd een te grote rol speelt, dan verkommert het proces van spraakvorming en dan ontstaat de eerste taalachterstand en daarmee ook een achterblijven van het gevoelsleven dat dan weer door taalachterstandsprogramma’s (met subsidie) verbeterd moet worden.
Taal en spreken worden gevormd door wat de ouders spreken (niet de sprookjes-CD’s) bij taalspelletjes, kleine versjes, liedjes, vingerspelletjes, poppenkast en spelletjes waarbij je moet praten.

In de volgende fase, tot aan het eind van het zevende jaar verfijnt het kind zijn motorische vaardigheden en leert de taal innerlijk en uiterlijk navormend verder. Het denken speelt een bepaalde rol wanneer er bij het spelen duidelijke voorstellingen ontstaan. 
Het oudere kind in de kleuterklas speelt anders dan het vierjarige. Het jongere kind komt zonder vaste bedoelingen naar de kleuterklas en vindt in de dingen om hem heen stimulansen om te spelen. Een rechthoekige tak wordt een hamer en het kind speelt nu een ‘beroep’. Het oudere kind komt ’s morgens in de klas met het doel vandaag eens ‘treintje met een station’ te spelen en zoekt de dingen op die het daarvoor nodig heeft. Vaak speelt het terwijl het praat met zichzelf, in fantasiebeelden die steeds sterkere voorstellingen worden. Ook deze gevoelige fase van het beginnende denken kan door een vervroegde verstandsopvoeding grover worden, wat verveling tot gevolg kan hebben of het wegebben van de fantasiekrachten. 
Door het spelen werkt de motorische activiteit daarvan door tot in de hersenen.

De schooltijd: lagere en hogere klassen

De tijd van de tweede zeven jaar is de fase waarin de spraak echt tot ontplooiing komt. Op school wordt het schrijven en lezen aangeleerd – bijna al het leren gaat met taal gepaard.
In het eerste derde deel van deze tijd waarin de daadkrachtige wil nog de boventoon voert, kan de leerkracht voor de taalontwikkeling bij deze motoriek en de nabootsing aanknopen.
Eerst wordt het schrijven (motorisch) geleerd en dan pas het lezen (cognitief). Bij de niet-Nederlandse talen gaat alles eerst nog mondeling, met veel lopen, springen, klappen, dansen. Aan de andere kant wordt sport als gymnastiek met veel spel gegeven: de aard van de spelletjes knoopt aan bij de vertelstof van het hoofdonderwijs en nu worden de leerlingen die misschien nog onzeker zijn in het lichaam, via de taal bij de motoriek gebracht. Vandaag de dag is het voor veel stadskinderen bijna therapie wanneer hun motoriek door de taal verfijnd wordt. De euritmie doet de kinderen bewegen door klanken en hun beeldkarakter: ‘W’ van wind, ‘G’ van de gans en ‘S’ van de slang. Het plezier bij het bewegen wordt innerlijk beleefd en verrijkt op deze manier het gevoelsleven. Rudolf Steiner wijst erop dat in de loop van de tweede zevenjaarsfase het spreken van de kinderen zich metamorfoseert van een natuurlijk, organisch lichamelijk proces tot een gevoelsproces. 
In de vierde klas is de beweging van de lippen bij het spreken nog een natuurlijke, organische activiteit. 
Bij een achtsteklasser daarentegen doet het gevoel mee en de wil. 
Een aantal taal- en neurowetenschappers hebben het er daarom over dat de kinderen hun moedertaal voor de tweede keer leren, deze keer als een taal uit een ander land.

In het tweede derde deel van de tweede zevenjaarsfase begint het spreken zich te ontwikkelen tussen de motoriek en het denken. De kunstzinnige omgang met het gebied van de spraak neemt een tussenruimte in tussen de motoriek die innerlijker wordt en wat er aan gedachteleven ontstaat. De grammatica is als vormleer overwegend taal, maar in de syntax – de leer van de zinsbouw – komt tot uitdrukking wat er in het spreken aan levende gedachten leeft. Ga je te snel naar de intellectuele vormleer van de taal, dan haken sommige kinderen af die voor de grote verandering van de tweede zevenjaarsfase lang het kunstzinnig bezigzijn met taal en spreken nodig hebben. Dat je ook het gewone leven met je gedachten doordringen moet, is vanzelfsprekend, maar dergelijke gedachten werken in vergelijking met poëzie bij het opgroeiende kind niet gevoelsvormend. Juist school heeft de opdracht deze kunstzinnige tussenruimte tussen het concrete en abstracte te verzorgen. 

Het aspect van het denken komt in het laatste derde deel van de tweede zevenjaarsfase aan bod. Een aantal ouders haalt nu opgelucht adem. Natuurwetenschappelijke vakken als natuur- en scheikunde komen erbij. Het kind is in zijn gevoelsleven nu meegaand genoeg om met het cognitieve om te gaan. Het denken leidt eerst tot een teruggang van de taal die op zich steeds overvloedig aanwezig is (zie de sprookjestaal van de gebroeders Grimm). 
Ook het enkel na elkaar opsommen wordt langzamerhand weer vervangen door complexere samenhangen. Het kind zegt niet meer: ‘De reiziger heeft dit of dat gedaan, toen dat en dat…’, maar ‘Nadat de reiziger dit gedaan had, ging hij…’Het element van het denken van de derde zevenjaarsfase kondigt zich hier al aan in de tijdruimte van de volheid van de taal.
De woorden en klanken worden steeds meer ‘tekens voor iets’ en verliezen hun beeldkarakter. Dat zie je in de 6e klas bij algebra, wanneer de letters a, x, y…puur wiskundige tekens worden. Nu zijn afkortingen op z’n plaats: A.L. kan in de context van Abraham Lincoln gebruikt worden, terwijl je bij een achtjarige Gelukkige Hans nooit zou afkorten tot G.H. De uitdaging van deze tijd is de kinderen die nu opgroeien niet tot hersenmachines te maken, maar tot mensen die de volheid en diepte van de gevoelswereld onderzoeken. Hoogbegaafde kinderen verliezen door hun op zich waardevolle aanleg vaak deze gevoelsdiepten. Op deze leeftijd ligt het gevaar op de loer van stompzinnigheid bij de jongens en bij de meisjes de kletszucht. Aan de ene kant blijft taal steken vóór het stompzinnige, in het andere geval komt die niet meer aan bod.

De tijd van de bovenbouw en de jeugdige leeftijd

In de derde zevenjaarsfase komen er bij de jeugdige mens nog allerlei activiteiten bij die verder reiken dan de schooltijd en waarbij lopen, spreken en denken zich nog verder ontwikkelen.

Wanneer je te maken krijgt met verdovende middelen, kan je ervaren hoe een tweede verinnerlijking van het lopen gaat. Waar leiden je voeten je heen, wat grijpen je handen. Terwijl het lopen in de tweede zevenjaarsfase verder ging in een eerste verinnerlijking van het gevoelsleven van de taal, wordt nu in het gaan een morele kwaliteit zichtbaar. Hoe worden de ‘stappen’ van de jeugdige: automatisch, aangepast, rebels? Leiden ze naar onderzoek, naar kunstzinnig werk, naar zelfgenot? De school kan de mogelijkheid van een nieuwe verinnerlijking benutten door de jonge mensen te leren een boog te spannen tussen realiteit en ideaal en stappen te ontwikkelen die je dan een methode noemt om het gewenste doel te bereiken.

De taal ontwikkelt zich verder in het bewustzijn en in het gevoel van de jonge mens als die leert wetmatigheden op te zoeken en deze toe te passen. Poëtica is niet de rest van een ouderwets vormingsideaal, maar een veld van zelfervaring en zelfverdieping d.m.v. taal die aanzienlijk bijdraagt aan de vorming van de eigen identiteit. Literatuur is een reis naar het ervaren van het eigen zelf en de wereld door het kunstzinnige van de taal. Bij al deze activiteiten wordt de steeds aanwezige denkactiviteit dieper en ruimer. Die komt losser van het subjectieve denken van de puber die alleen maar zijn eigen standpunt kan zien en gaat langzamerhand over naar het filosofische en natuurwetenschappelijke objectieve denken dat van het individu een wereldburger maakt.
Op de vrijeschool biedt het einde van de schooltijd de mogelijkheid om op een goetheanistische manier de natuur opnieuw te beschouwen – maar nu op het niveau van het denken, niet meer die van het gevoel – het objectieve met het subjectieve te verbinden. [1]

Drie stammen, één boom

Met de volwassenheid, tegen het 18e, 19e, 20e levensjaar zijn de drie zaden van het lopen, spreken en denken drie in elkaar gestrengelde stammen van één boom geworden waarbij het zich uitstrekkende bladerdak een gezond leven naar lichaam, ziel en geest mogelijk maakt. 
Een verdere fase van ontwikkeling van deze zielenboom kan je vermoeden in de puur geestelijke fenomenen van de intuïtie, inspiratie en imaginatie.

.

[1] Dat gebeurde in de laatste klas, de 12e. Gebeurde, want sinds deze klas voor het grootste deel examenklas is, is het afhankelijk van de school of deze visie nog wordt meegegeven.

.

Lopen, spreken, denken (1)

Rudolf Steiner over: lopen, spreken, denken

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2340-2196

.

.

.

.